Het bevriezen van tegoeden in Nederland van Russen op de sanctielijst. |
|
Steven van Weyenberg (D66) |
|
Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nederland bevriest een «fooi» van € 6 mln aan Russische gelden»1?
Ja, ik ben bekend met het bericht.
Hoe verklaart u dat er veel meer tegoeden zijn bevroren in België dan in Nederland?
Eenieder in de Europese Unie is verplicht de vastgestelde sancties na te leven en waar nodig tegoeden te bevriezen. Het is uiteraard afhankelijk van de plekken waar tegoeden zich bevinden of beheerd worden, waar de bevriezingen plaatsvinden. België heeft geen verklaring gegeven voor de hoogte van het bedrag aan bevroren tegoeden, maar in het algemeen ligt er bij zeer omvangrijke bedragen vaak een bijzondere omstandigheid aan ten grondslag. Zo kunnen bijvoorbeeld bepaalde grote Russische bedrijven hun vermogen in een bepaalde Europese instelling hebben ondergebracht, kan er een grote clearinginstelling in het land gevestigd zijn of zijn er omvangrijke reserves van de Russische centrale bank bij een instelling in dat land aanwezig. In Nederland gaat het in de brief van de Minister van Buitenlandse Zaken van 13 mei jl. (Kamerstuk 36 045, nr. 72) om een bedrag van 640,8 miljoen euro aan bevroren tegoeden en contracten. Dit betreft alleen tegoeden bij de financiële sector.
Kunt u een uitsplitsing delen van de tegoeden van Russen op de sanctielijst die zijn bevroren in België? Welk deel betreft banktegoeden, aandelen en vastgoed? Op welke manier verschillen de bevroren tegoeden in België van de tegoeden van Russen op de sanctielijst in Nederland?
Uit de berichtgeving uit België blijkt dat het om 2,7 miljard euro gaat aan bevroren tegoeden van personen of entiteiten op sanctielijsten. Ook is er 7,3 miljard euro aan transacties tegen gehouden. Deze transacties werden volgens de Belgische autoriteiten tegengehouden als gevolg van andere internationale financiële beperkingen die ten aanzien van Rusland werden opgelegd. Uit de berichtgeving blijkt geen nadere uitsplitsing of toelichting en de Belgische autoriteiten mogen hierover met mijn ministerie geen nadere informatie delen. Zoals in het antwoord op vraag 2 is toegelicht zullen zich bij dergelijke omvangrijke bedragen specifieke omstandigheden voordoen die in Nederland minder of niet aan de orde zijn.
In de begeleidende Kamerbrief bij het rapport van de nationaal coördinator sanctienaleving en handhaving van 13 mei staat meer informatie over de stand van zaken in andere EU-lidstaten. In algemene zin kan worden gesteld dat de verschillen per lidstaat groot zijn.
Kunt u een onderscheid van bedragen maken van tegoeden van Russen op de sanctielijst in Nederland met dezelfde categorienaam als het onderscheid dat België hanteert?
Zie antwoord vraag 3.
Herkent u zich in het genoemde bedrag van 35 miljard euro aan activa van Russen op de sanctielijst? Zo ja, wanneer is dit gehele bedrag bevroren? Zo nee, kunt u toelichten wat de activa van Russen op de sanctielijst in Nederland bedragen in zijn totaliteit?
In de media is genoemd dat Russen in Nederland 80 miljard euro aan vermogen zouden bezitten, waarbij 45 miljard euro vermogen zou zijn van personen of entiteiten op sanctielijsten. Deze bedragen zijn afkomstig uit jaarrekeningen van bedrijven. De belangen van deze bedrijven behoren echter niet volledig toe aan Russen. Uit statistische informatie van DNB blijkt dat er sprake is van 27 miljard euro aan directe investeringen vanuit Rusland in Nederland (cijfers 2020). Deze investeringen zijn niet noodzakelijk investeringen gerelateerd aan gesanctioneerde personen of entiteiten.
Bij bovengenoemde gegevens gaat het om de activa van bedrijven. Dit is niet gelijk aan vermogen dat in Nederland aanwezig is en/of dat door een financiële instelling te bevriezen is. Activa kunnen bijvoorbeeld bestaan uit aandelen, deelnemingen, investeringen, voorraden of onroerend goed. Deze activa kunnen deels buiten Nederland staan. Voor zover de activa in Nederland staan, kunnen financiële instellingen, crypto-partijen of trustkantoren alleen tot bevriezing overgaan als zij toegang hebben tot deze activa. Een bank met een gesanctioneerde partij als cliënt, kan alleen een rekening en eventuele andere financiële diensten bevriezen, maar niet zaken die op de balans staan van het bedrijf. Het is dan aan de entiteiten met gesanctioneerde eigenaren zelf om het vermogen te bevriezen. Ook die entiteiten moeten zich immers aan de Sanctiewet houden. Voor deze partijen geldt geen meldplicht en het bevroren vermogen wordt dus niet zichtbaar in de gerapporteerde cijfers, maar dat doet niet af aan de verplichting die voor hen uit de Sanctiewet 1977 voortvloeit. Als de entiteiten onterecht niet bevriezen, dan overtreden zij de sanctieregelgeving. Op basis van de Wet op de economische delicten (WED) is het niet naleven van de Sanctiewet 1977 aan te merken als overtreding of, indien opzettelijk, een misdrijf en is vervolging mogelijk. Dit geldt ook voor partijen die meewerken aan overtreding van de sanctieregelgeving. Dit maakt dat de onderneming de activa in de boeken niet meer in Nederland te gelde kan maken omdat niemand mag meewerken aan transacties van gesanctioneerde personen. Zodra een transactie plaatsvindt (bijvoorbeeld een verkoop van een pand) moet de betrokken financiële instelling of een andere dienstverlener deze transactie tegenhouden of de opbrengst bevriezen.
Welke partijen in Nederland kunnen deze tegoeden bevriezen? Waarom is dat nog niet gebeurd?
Eenieder in Nederland moet zich houden aan de sanctieregelgeving. Dit betekent dat iedereen die de beschikking heeft over vermogen van gesanctioneerde personen, dit moet bevriezen. Dit geldt voor een financiële instelling, andere dienstverleners, en ook voor de entiteiten zelf waarvan gesanctioneerde personen de eigenaren zijn.
Financiële instellingen, crypto-partijen en trustkantoren moeten hun systemen controleren op relaties met gesanctioneerde personen (artikel 2, eerste lid, Regeling toezicht Sanctiewet 1977 jo. artikel 2, tweede lid, Regeling toezicht Sanctiewet 1977). Bij vastgestelde relaties dient onverwijld een melding gemaakt te worden bij de AFM of DNB (artikel 3 Regeling toezicht Sanctiewet 1977). Verder moeten eventuele tegoeden worden bevroren. Alleen voor financiële instellingen, crypto-partijen en trustkantoren geldt op dit moment een meldplicht voor bevroren activa. Het kabinet bekijkt op dit moment in welke andere sectoren ook een meldplicht kan worden ingevoerd. Uitbreiding van de meldplicht is ook één van de aanbevelingen in het rapport van de nationaal coördinator sanctienaleving en handhaving, dat op 13 mei aan uw Kamer is verzonden.
Op welke manier worden financiële instellingen bijgestaan in het treffen van de juiste maatregelen om de tegoeden van Russen op de sanctielijst te bevriezen? Hoe kan De Nederlandsche Bank (DNB) dit bevorderen?
Het treffen van de juiste maatregelen om de tegoeden van Russen op de sanctielijst te bevriezen is wettelijk verplicht. Financiële instellingen dienen te waarborgen dat zij maatregelen treffen op het gebied van administratieve organisatie en interne controle ter naleving van de sanctieregelgeving. Deze maatregelen zien tenminste op een adequate controle van de administratie van de instelling op het overeenkomen van de identiteit van een relatie met een (rechts)persoon of entiteit, als bedoeld in de sanctieregelgeving, met het oog op het bevriezen van de financiële middelen van die relatie of het voorkomen van het ter beschikking stellen van financiële middelen of diensten aan die relatie. Financiële instellingen en trustkantoren moeten zodoende in staat zijn om de sancties na te leven. Om financiële instellingen bij te staan bij het treffen van de juiste maatregelen om de tegoeden van personen op de sanctielijst te bevriezen heeft het Ministerie van Financiën een «Leidraad Financiële Sanctieregelgeving» gepubliceerd2. DNB houdt toezicht op de toereikendheid van de inrichtingen van de processen binnen financiële ondernemingen. In dat kader geeft DNB guidance aan instellingen, onder andere via de Leidraad Wwft en Sanctiewet. Daarnaast staat DNB de instellingen bij door het faciliteren van het stellen van vragen over EU-sanctieregelingen aan de Europese Commissie. Ook voert DNB regelmatig overleg met de koepelorganisaties.
Zou het helpen als Nederlandse trustkantoren delen waar de tegoeden van Russen op de sanctielijst zich bevinden? Zo ja, waarom is dit nog niet gebeurd?
Trustkantoren hebben net als financiële instellingen een wettelijke plicht om maatregelen te treffen en onverwijld te melden wanneer zij een relatie constateren met een gesanctioneerde. In de melding moet toelichting gegeven worden op de getroffen maatregelen. Ook moet het trustkantoor activa bevriezen als het trustkantoor daar de beschikking over heeft. Deze meldingen worden vervolgens gedeeld met het Ministerie van Financiën. De Minister van Financiën kan deze informatie delen met andere overheidsinstanties die belast zijn met het toezicht op de naleving van de sanctieregelgeving, zoals met strafrechtelijke autoriteiten. Uiteraard geldt dit alleen voor de gevallen dat entiteiten met gesanctioneerde eigenaren bediend worden door een trustkantoor of een relatie hebben met een trustkantoor.
Is het kabinet het ermee eens dat er veel meer moet gebeuren om tegoeden van Russen op de sanctielijst veel sneller te bevriezen? Zo ja, wat gaat het kabinet hieraan doen?
Het naleven van de getroffen sancties moet voor eenieder de hoogste prioriteit hebben. Het is een wettelijke plicht. Het kabinet vindt het van groot belang dat in beeld is of er problemen zijn bij de naleving van sancties en of de handhaving adequaat plaatsvindt. In dat kader is aan de nationaal coördinator sanctienaleving en handhaving gevraagd om dit in kaart te brengen.
De nationaal coördinator constateert dat er bij de naleving van de sancties in Nederland in het algemeen spoedig en naar behoren is gehandeld door zowel private partijen, toezichthouders als uitvoeringsinstanties. Er wordt gewerkt aan actieve opsporing en handhaving van de maatregelen tegen de belangrijkste Russische personen en entiteiten die op de sanctielijst staan. Dit neemt niet weg dat de nationaal coördinator verschillende aanbevelingen voor verbeteringen voorstelt. Deze zien bijvoorbeeld op betere informatiedeling, duidelijkere onderzoeksverplichtingen voor private partijen en uitbreiding van de meldplicht. Het kabinet volgt de aanbevelingen op. Zo zal het kabinet voor het eind van het jaar een hoofdlijnenbrief sturen over de wijze waarop het sanctiestelsel zal worden versterkt en wet- en regelgeving zal worden aangepast.
Bent u bereid om banken en andere financiële instellingen, waar Russen op de sanctielijst tegoeden hebben, aan te spreken op uw ministerie?
Elke relatie met een gesanctioneerde persoon moet door banken en andere financiële instellingen gemeld worden inclusief eventueel bevroren tegoeden. DNB en AFM zien toe op de getroffen maatregelen op het gebied van de administratieve organisatie en interne controle en dat meldingen goed doorkomen. AFM heeft bij de presentatie van het jaarverslag op 12 april jl. aangegeven positief te zijn over de naleving van sancties in de financiële sector. DNB is ook in gesprek gegaan met de instellingen over een juiste toepassing van de sanctieregelgeving. Mijn beeld is dat de financiële instellingen en trustkantoren de sanctieregelgeving toepassen en relaties melden. Ik voer hierover overleg met DNB en AFM en met brancheorganisaties en individuele instellingen die zich melden bij het ministerie.
Mogelijke transnationale kieslijsten in de EU |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Joost Sneller (D66) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het dat de vier grootste groepen in het Europees Parlement een akkoord hebben bereikt op 9 maart over transnationale kieslijsten voor de Europese verkiezingen van 2024?
Klopt het dat de intentie is om in 2024 achtentwintig Europarlementariërs via transnationale kieslijsten te verkiezen, met een kiesdrempel van 3,5 procent?
Klopt het dat er in dit akkoord ook gesproken wordt over het verlagen van de stemgerechtigde leeftijd naar zestien voor de Europese verkiezingen?
Wat vindt u van dit akkoord? Steunt u de inzet om de stemgerechtigde leeftijd naar zestien te brengen voor de Europese verkiezingen? Steunt u de totstandkoming van transnationale kieslijsten?
Hoe verhoudt deze deal zich tot de uitkomsten van de Conferentie over de Toekomst van Europa, waar ook expliciet uit is gekomen dat Europeanen transnationale kieslijsten willen?
De EP-rapporteur en (een aantal van de) schaduw-rapporteurs zijn ook betrokken bij de discussies die plaatsvinden in de context van de Conferentie over de Toekomst van Europa. Zij hebben binnen de werkgroep Europese democratie bijvoorbeeld veel nadruk gelegd op aanbeveling 16.2 De betrokken rapporteur en schaduw-rapporteurs zien in deze aanbeveling een duidelijke bevestiging van voorgestelde aanpassingen in de Europese Kiesakte. Of deze aanbeveling uiteindelijk wordt meegenomen in het eindrapport van de Conferentie, wat naar verwachting op 9 mei a.s. zal verschijnen, is nu nog niet duidelijk. Het Europees Parlement heeft initiatiefrecht voor de Europese Kiesakte en kan zelf met een voorstel komen. Het Europees Parlement is daarbij niet afhankelijk van de uitkomsten van de Conferentie, al kunnen de uitkomsten van de Conferentie wel bijdragen aan het draagvlak voor het wijzigen van de Europese Kiesakte.
Naast de Europese burgeraanbevelingen zijn de transnationale kieslijsten ook teruggekomen in de nationale burgerdialogen van Kijk op Europa.3 Wat betreft de Nederlandse burgers komt daar een minder uitgesproken beeld naar voren: een derde vindt stemmen op ook niet-nationale kandidaten bij EP-verkiezingen via transnationale kieslijsten een goed idee, een derde vindt dat niet en een derde heeft geen mening over dit onderwerp.
Hoe verhoudt deze deal en de uitkomt van de conferentie zich tot het coalitieakkoord?
Met het oog op het coalitieakkoord4 is het van belang om vanuit het oogpunt van het versterken van democratische legitimiteit een positie te bepalen op de verschillende onderwerpen die raken aan de Europese Kiesakte. Als het voorstel door het EP wordt aangeboden aan de Raad, zal uw Kamer op de gebruikelijke manier geïnformeerd worden over de kabinetspositie.
Zal u zich in Brussel positief uitspreken over dit akkoord?
Met het oog op de nadere standpuntbepaling die nog plaats moet vinden van zowel het Europees Parlement als het kabinet, acht ik het voortijdig om een uitspraak te doen over een voorstel. Als het voorstel door het EP wordt aangeboden aan de Raad, zal uw Kamer zoals hierboven aangegeven op de gebruikelijke manier geïnformeerd worden over de kabinetspositie.
Welke stappen moeten er nog gezet worden om dit akkoord te implementeren?
Het vervolgproces om tot een definitief initiatiefvoorstel vanuit het Europees Parlement te komen is gaande. Verwachting is dat het EP tijdens de plenaire vergadering van 2-5 mei zal stemmen over het voorstel. In de plenaire is een meerderheid van stemmen noodzakelijk. Pas daarna zal het EP het voorstel formeel indienen bij de Raad om het te behandelen.
Een wijziging van de Europese Kiesakte moet met unanimiteit worden vastgesteld door de Raad en vervolgens worden goedgekeurd volgens de grondwettelijke procedures in elk van de lidstaten.5
Welke stappen gaat u zetten om ervoor te zorgen dat in 2024 de eerste Europarlementariërs gekozen worden van transnationale kieslijsten?
Als het initiatiefvoorstel door het EP aan de Raad wordt aangeboden, zal het kabinet een standpunt bepalen en op basis van dat standpunt deelnemen aan de besprekingen over het voorstel in de Raad. Of en wanneer de nieuwe Europese Kiesakte vervolgens wordt aangenomen is niet op voorhand in te schatten. Dit is afhankelijk van meerdere factoren, zoals de onderhandelingen in de Raad en tussen Raad en EP en het vereiste ratificatieproces binnen elk van de lidstaten.
Kan u de Kamer informeren over uw inzet op dit thema in Brussel?
Uw Kamer zal conform de bestaande informatie-afspraken geïnformeerd blijven over de verdere ontwikkelingen in dit dossier.
De implicaties van het afsluiten van een nieuw WHO-verdrag gebaseerd op artikel 19 van de WHO-Constitutie |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Bent u bekend met het «Besluit van de inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit namens de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 24 november 2021 tot vaststelling van het Specifiek interventiebeleid tabak en rookwaren»?1
Ja.
Klopt het dat voor de wettelijke basis van dit besluit wordt gerefereerd aan richtlijn 2014/40/EU betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de productie, de presentatie en de verkoop van tabaks- en aanverwante producten? Bent u bekend met artikel 7 van deze EU-richtlijn waarin staat dat wettelijk optreden nodig is voor de uitvoering van het Kaderverdrag van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) inzake tabaksontmoediging (WHO Framework Convention on Tobacco Control)?2
De belangrijkste wettelijke bepalingen met betrekking tot het specifieke interventiebeleid tabak en rookwaren van de NVWA zijn de Tabaks- en rookwarenwet en het daarop gebaseerde Tabaks- en rookwarenbesluit en de Tabaks- en rookwarenregeling. Daarnaast geldt inderdaad richtlijn 2014/40/EU betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de productie, de presentatie en de verkoop van tabaks- en aanverwante producten en tot intrekking van Richtlijn 2011/37/EG (hierna: de Tabaksproductenrichtlijn).
Ik ben bekend met artikel 7 van de Tabaksproductenrichtlijn. In dit artikel wordt evenwel niet verwezen naar het WHO-Kaderverdrag inzake tabaksontmoediging. Dit gebeurt wel in artikel 1 waarin onder andere wordt aangegeven dat de richtlijn tot doel heeft uitvoering te geven aan het WHO-Kaderverdrag inzake tabaksontmoediging en dat wordt uitgegaan van een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid, met name voor jongeren.
Bent u bekend met het initiatief van de Wereldgezondheidsassemblee (WHA) om de pandemische paraatheid te versterken,3 waarbij via artikel 19 van de WHO-Constitutie een legaal bindende overeenkomst wordt bewerkstelligd?4
Ik ben bekend met het initiatief van de WHA om de pandemische paraatheid te versterken. Het is echter nog niet vastgesteld onder welk artikel van de WHO-Constitutie het nog uit te onderhandelen instrument zal komen te vallen.
Klopt het dat het WHO-Kaderverdrag inzake tabaksontmoediging door zowel Nederland als de EU is ondertekend? Betekent dit dat indien Nederland besluit om door middel van artikel 31 uit dit verdrag te stappen, Nederland op basis van EU-richtlijnen nog steeds verplicht kan worden om aan de voorwaarden van het verdrag te voldoen? Kan het niet tot uitvoer brengen van de relevante bepalingen van richtlijn 2014/40/EU tot gevolg hebben dat de EU een inbreukprocedure start omdat Nederland niet voldoet aan EU-richtlijnen die ten gevolge van het WHO-verdrag ontstaan, waardoor Nederland effectief niet onder het WHO-verdrag uit kan komen?
Het klopt dat het WHO-Kaderverdrag inzake tabaksontmoediging in 2003 door zowel Nederland als de EU is ondertekend. Het Verdrag is vervolgens voor beiden in 2005 in werking getreden. De inhoud van het WHO-Kaderverdrag valt gedeeltelijk onder de bevoegdheid van de lidstaten en gedeeltelijk onder de exclusieve bevoegdheid van de EU. Op enkele terreinen van het tabaksontmoedigingsbeleid – zoals productregulering en reclame en sponsoring – hebben de lidstaten namelijk hun nationale bevoegdheid gedeeltelijk aan de EU overgedragen. Deze onderwerpen zijn o.a. in de Tabaksproductenrichtlijn gereguleerd. De lidstaten zijn gehouden Europese richtlijnen te implementeren in hun nationale recht. Ook als Nederland het verdrag opzegt is Nederland gehouden aan de wetgeving van de EU, want er is sprake van een gezamenlijke bevoegdheid.
Klopt het dat in artikel 9, lid (b) van het meest recente concept-rapport, het «verbeteren, updaten en versterken van de leidende en coördinerende rol van de WHO» worden genoemd als een voordeel bij het creëren van een nieuw verdrag op basis van artikel 19 van de WHO constitutie?5 Is het juist om te concluderen dat in dit concept-rapport expliciet wordt verwezen naar het WHO Framework Convention on Tobacco Control?6 Klopt het dat op basis van dit bestaande artikel 19 instrument, landen worden verplicht onderdelen van het WHO-Kaderverdrag inzake tabaksontmoediging om te zetten in nationale wetgeving, waardoor landen verplicht worden maatregelen te nemen? Kan dit dus bij een vergelijkbaar instrument omtrent pandemische paraatheid betekenen dat Nederland verplicht wordt bepaalde maatregelen te nemen via directe WHO-bepalingen, dan wel via EU-richtlijnen?
In de door u genoemde rapportage worden inderdaad voorbeelden genoemd van thema’s waarop lidstaten zouden kunnen samenwerken en wordt ingegaan op de mogelijke juridische vorm die daarbij zou kunnen worden gekozen. Daarbij wordt ook de structuur van het FCTC-verdrag, als een mogelijke juridische vorm voor een dergelijk instrument genoemd. In zijn algemeenheid is het zo dat Nederland gebonden is aan internationale verdagen die wij afsluiten. Verder is het zo dat indien de EU-lidstaten ervoor kiezen om gemeenschappelijk wetgeving aan te nemen, Nederland daaraan gebonden is. Op dit moment is het echter te vroeg te vroeg om hierop vooruit te lopen. Zowel de inhoud, als de juridische vorm van het nog uit te onderhandelen WHO-instrument, staan nog niet vast.
Bent u bekend met artikel 8, tweede lid, van het WHO-Kaderverdrag inzake tabaksontmoediging? Klopt het dat Nederland door middel van dit artikel wordt verplicht om nationale wetgeving te maken om blootstelling aan tabaksrook in verschillende locaties, waaronder werkplekken in binnenruimtes, te voorkomen? Kunt u uitsluiten dat Nederland als gevolg van het aanstaande nieuwe WHO-verdrag met betrekking tot «pandemische paraatheid», zonder hierover zelf nader te kunnen oordelen, in de toekomst wellicht wordt verplicht nationale wetgeving te maken naar aanleiding van toekomstige nieuwe WHO-bepalingen, dan wel via EU-richtlijnen op basis van dit verdrag?
Ja, ik ben bekend met artikel 8, tweede lid, van het WHO-Kaderverdrag inzake tabaksontmoediging. De Hoge Raad heeft overwogen dat indien noch uit de tekst, noch uit de totstandkomingsgeschiedenis van dat verdrag volgt dat geen rechtstreekse werking van de verdragsbepaling is beoogd, de inhoud van die verdragsbepaling beslissend is. Het gaat er dan om, aldus de Hoge Raad, of deze onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is om in de nationale rechtsorde zonder meer als objectief recht te worden toegepast. Aan artikel 8, lid 2, WHO Kaderverdrag komt volgens de Hoge Raad rechtstreekse werking toe. Dit betekent dat deze bepaling Nederland verplicht voor «indoor public places» effectieve wettelijke maatregelen te nemen tegen blootstelling aan tabaksrook. Dit heeft in Nederland geleid tot aanpassing van de wetgeving.
De inhoud en juridische vorm van het nog uit te onderhandelen WHO-instrument met betrekking tot pandemische paraatheid, staan nog niet vast en daarmee evenmin of er EU-richtlijnen op basis van dit instrument zullen komen. Het is wel inherent aan verdragen in het algemeen dat deze bepalingen kunnen bevatten die aanleiding geven tot aanpassing van nationale wetgeving. Mocht Nederland partij worden bij het nog uit te onderhandelen WHO-instrument met betrekking tot pandemische paraatheid, dan zal het te zijner tijd moeten beoordelen of voor uitvoering van het verdrag, aanpassing van wetgeving nodig is. Hier zal bij de parlementaire goedkeuring in de toelichting op het instrument aandacht aan worden besteed en uw Kamer kan dan een oordeel daarover geven.
Als Nederland partij wordt bij een dergelijk pandemie-instrument dan kan het inderdaad zijn dat specifieke bepalingen na ratificatie van het instrument door het Nederlandse parlement, via aanpassing van Europese regelgeving direct of indirect hun werking zullen hebben in nationale wetgeving wanneer het maatregelen betreft waar een exclusieve EU-competentie voor geldt.
Klopt het dat in artikel 8, lid (a) van het eerder benoemde concept-rapport wordt gesproken over Equity, waarbij lidstaten dit opvatten als een inspannings- én resultaatsverplichting? Betreft dit slechts het delen van informatie en ondersteuning in het produceren van goederen, of kan hierbij sprake zijn van een overdracht van goederen vanuit Nederland naar een andere lidstaat? Wat zijn mogelijke gevolgen voor de toegang tot en autonomie over bijvoorbeeld persoonlijke beschermingsmiddelen als deze onder het gezag van de WHO zullen vallen? Kunt u uitsluiten dat Nederland de zeggenschap over zijn eigen voorraden en productie over zal (moeten) dragen aan de WHO?
Het rapport waar het lid van de FvD fractie naar verwijst, betreft een verslag van een werkgroepbijeenkomst, waar mogelijke thema’s zijn besproken, die relevant zouden kunnen zijn voor een pandemie-instrument van de WHO. De precieze invulling van het thema «equity» en de vraag of en op welke wijze dit uitdrukking zal krijgen in het uiteindelijke instrument, is nog niet besproken. De daadwerkelijke onderhandelingen over de inhoud van het instrument moeten nog beginnen. Maar in zijn algemeenheid is het nastrevenswaardig dat alle landen op de wereld kunnen beschikken over beschermingsmiddelen en of medicijnen, nodig voor het indammen van uitbraken van besmettelijke ziekten. Dat is ook een Nederlands belang.
Klopt het dat in artikel 8, lid (i) van het concept-rapport wordt vermeld dat lidstaten «de noodzaak zien voor nationaal en wereldwijd gecoördineerde acties om misinformatie, desinformatie en stigmatisering aan te pakken als die de publieke gezondheid ondermijnen»? Klopt het dat bijvoorbeeld artikel 11, eerste lid, onder b en artikel 13, tweede lid, van het WHO-Kaderverdrag inzake tabaksontmoediging, leiden tot specifieke eisen die binnen vijf jaar na bekrachtiging omgezet moeten worden in nationale wetgeving?
Zoals het verslag van de WHO-werkgroep voor «pandemische paraatheid en bestrijding» aangeeft, is tijdens de betreffende vergadering gesproken over het thema misinformatie, desinformatie en stigmatisering.
Dit thema is ook in diverse rapporten van expertpanels aan de orde gekomen op basis van wereldwijde ervaringen in de Covid-19 crisis.
Nederland heeft richtlijn nr. 2001/37/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 5 juni 2001 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de productie, de presentatie en de verkoop van tabaksproducten (PbEG L 194) al voor de inwerkingtreding van het WHO Kaderverdrag in Nederland in 2005, geïmplementeerd in de Tabaks- en rookwarenwet, waardoor de voorschriften, genoemd in artikel 11, eerste lid, onder b, hier al van toepassing waren. Ook met de implementatie van richtlijn nr. 2003/33/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de reclame en sponsoring voor tabaksproducten (PbEG L 152), voldeed Nederland al op een eerder tijdsstip aan de eisen gesteld in artikel 13, tweede lid, van het Verdrag.
Bent u bekend met artikel 14, vierde lid, onder b van het WHO-Kaderverdrag inzake tabaksontmoediging, waarin wordt gesteld dat wanneer een tabaksproduct «waarschijnlijk een onjuiste indruk kan creëren», dit al genoeg is om een advertentie te verbieden? Kunt u uitsluiten dat bij mogelijke ratificatie van een dergelijk verdrag omtrent pandemische paraatheid de WHO Nederland zal verplichten om bepaalde zaken als nepnieuws te bestempelen of zelfs te censureren?
Artikel 14, vierde lid, onder b stelt geen eisen aan reclame. Ik veronderstel dat u artikel 13, vierde lid, onder a bedoelt. In de Tabaks- en rookwarenwet is een veelomvattend reclameverbod voor tabaksproducten en aanverwante producten opgenomen. Op grond van dit verbod is elke vorm van commerciële mededeling, die het bekendheid geven aan of het aanprijzen van een tabaksproduct of aanverwant product tot doel dan wel rechtstreeks of onrechtstreeks tot gevolg heeft, niet toegestaan. Daarnaast is elke handeling in de economische sfeer, met als doel de verkoop van producten te bevorderen, verboden. De NVWA bekijkt per geval of uitingen onder het reclameverbod vallen.
De inhoud en juridische vorm van het nog uit te onderhandelen WHO-instrument met betrekking tot pandemische paraatheid staat nog niet vast. De vraag of en op welke wijze een thema als misinformatie, desinformatie en stigmatisering, zoals besproken door de WHO-werkgroep pandemische paraatheid en bestrijding en zoals dat aan de orde is gekomen in diverse rapporten van expertpanels op basis van wereldwijde ervaringen in de Covid-19 crisis, een plaats zal krijgen in het uiteindelijke instrument is daarom nog niet te beantwoorden. Ik kan mij echter voorstellen dat indien een verdrag bepalingen zou bevatten die strijdig zijn met bijvoorbeeld de Nederlandse Grondwet, dat een reden kan zijn om zo’n verdrag niet te ondertekenen of te ratificeren. Ik heb op dit moment echter geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat van zo’n situatie sprake zal zijn.
Bent u bekend met het bericht dat de Europese Raad op 3 maart 2022 groen licht heeft gegeven om onderhandelingen te starten voor een WHO-verdrag aangaande «pandemische paraatheid»?7 Kunt u toezeggen dat de Nederlandse afvaardiging voor het Intergouvernementele Onderhandelingsorgaan zich bij de onderhandelingen in zal zetten om de Nederlandse autonomie en soevereiniteit omtrent pandemische paraatheid te waarborgen? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik ben bekend met dit bericht. In december 2021 heeft de Europese Commissie – volgens de daarvoor geldende procedure op basis van artikel 219 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (WVEU) – een aanbeveling uitgebracht, waarin zij de Raad verzocht om een machtiging voor de onderhandelingen over, onder meer, het internationaal pandemie-instrument binnen het WHO-kader. De Raad heeft die machtiging bij Besluit 2022/451 aan de Commissie verleend. Het besluit machtigt de Commissie om, voor aangelegenheden die onder de EU-bevoegdheid vallen, te onderhandelen over het internationaal pandemie-instrument. De onderhandelingsrichtsnoeren – in de bijlage bij het besluit – schetsen de doelstellingen en beginselen van dat verdrag. Deze richtsnoeren kunnen indien nodig worden herzien en verder ontwikkeld, afhankelijk van het verloop van de onderhandelingen. Hoe de praktische uitwerking van de wisselwerking over nationale competenties er precies uit zullen zien, is nog niet vastgelegd. In ieder geval zal de volksvertegenwoordiging in staat zijn haar grondwettelijke controlerende taak uit te voeren, omdat zowel instemming met de ratificatie van het instrument door de Staten-Generaal als instemming met de eventuele aanpassingen in de nationale wet- en regelgeving noodzakelijk zijn. Daarnaast zal ook de Raad van Ministers op Europees niveau het verdrag moeten goedkeuren.
Nederland zal zich bij de onderhandelingen inzetten voor een verdrag dat zoveel mogelijk aansluit bij onze inzet voor pandemische paraatheid en een veiligere wereld.
Bent u bekend met de openingsopmerking van de directeur-generaal van de WHO bij de eerste sessie van het Intergouvernementele Onderhandelingsorgaan op 24 februari 2022?8 Bent u bekend met de volgende zin uit zijn bijdrage: «Voluntary mechanisms have not solved and will not solve these challenges»? Hoe beoordeelt u dit als openingsopmerking bij onderhandelingen waar de Nederlandse autonomie en soevereiniteit omtrent onderdelen van de gezondheidszorg mogelijk ter discussie staan?
Ja, ik ben bekend met de openingsopmerking van de directeur-generaal van de WHO bij de eerste sessie van het Intergouvernementele Onderhandelingsorgaan op 24 februari 2022 en de zin uit zijn bijdrage: «Voluntary mechanisms have not solved and will not solve these challenges«. Ik interpreteer zijn woorden zo, dat hij oproept tot afspraken tussen lidstaten, die daadwerkelijk bijdragen aan het bestrijden en voorkomen van pandemieën, wereldwijd. Het kabinet zal het eindresultaat van de onderhandelingen beoordelen op zijn meerwaarde voor Nederland en voor de wereld.
Hoe beoordeelt u de volgende doelstelling uit dezelfde speech: «by empowering WHO to fulfil its mandate as the directing and coordinating authority on international health work, including for pandemic preparedness and response»? Hoe definieert u de term «directing» in deze context?
De WHO speelt een centrale rol in het werk rondom het versterken van gezondheidssystemen en coördineren van inzet van de internationale gemeenschap op gezondheid. Zo is de WHO onder meer verantwoordelijk voor de implementatie en toezicht op de naleving van de Internationale Gezondheidsregeling uit 2005, die een belangrijke basis vormt voor de wereldwijde paraatheid en bestrijding van ernstige grensoverschrijdende gezondheidsbedreigingen. We hebben de WHO niet voor niets. De WHO moet ons helpen bij het vormgeven van goed (internationaal) volksgezondheidbeleid. In die zin passen de woorden van de DG van de WHO bij het mandaat dat we hem gegeven hebben.
Deelt u de visie dat Nederland een mogelijk nieuw WHO-verdrag aangaande «pandemische paraatheid» niet moet ratificeren indien dit leidt tot een scenario zoals in de vragen 5 tot en met 9 wordt geschetst of overeenkomstige inbreuken op de Nederlandse autonomie en/of soevereiniteit tot gevolg heeft? Zo nee, waarom niet? Welke stappen zult u zetten om te voorkomen dat de EU vergelijkbare bepalingen zal ratificeren en door middel van EU-richtlijnen Nederland verplicht deze uit te voeren?
Infectieziekten stoppen niet bij grenzen en daarom is internationale samenwerking en solidariteit cruciaal om een pandemie het hoofd te bieden. De inhoud van het eventuele pandemie-instrument staat nog niet vast en de onderhandelingen daarover zullen mogelijk tot in 2024 doorlopen. De inzet van Nederland zal nog nader vormkrijgen, maar is erop gericht om tot bindende afspraken te komen voor het verbeteren van de preventie, paraatheid en aanpak van pandemieën door lidstaten en die aansluiten bij de visie van Nederland op dit vlak en waarbij nauwe samenwerking is met multilaterale instellingen, met name de WHO. Pas aan het einde van de onderhandelingen kan worden bepaald of Nederland partij wenst te worden bij het instrument en of de regering dit ter goedkeuring zal voorleggen aan de Staten-Generaal.
Inzake Europese wetgeving aangaande de implementatie van aspecten van dit verdrag, die vallen onder de competentie van de Europese Unie, geldt dat het recht tot het doen van voorstellen voor nieuwe wetgeving ligt bij de Europese Commissie. Het is vervolgens aan de lidstaten en het Europees Parlement om hierover te oordelen.
Kunt u de bovenstaande vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
De zorgelijke situatie bij de voormalige kerncentrale in Tsjernobyl |
|
Tom van der Lee (GL), Suzanne Kröger (GL) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66), Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA), Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u de berichten, van onder andere het Internationaal Atoomenergie Agentschap en de autoriteiten in Oekraïne, over de zeer zorgelijke situatie bij de voormalige kerncentrale in Tsjernobyl, waar 200 personeelsleden nu al twee weken zonder aflossing bivakkeren, de stroomvoorziening is uitgevallen en er ook geen extern toezicht meer is op stralingsniveaus?1
Ja.
Welke mogelijkheden ziet het kabinet om al dan niet via multilaterale organisaties met spoed te zorgen dat de bemensing van de centrale, de stroomvoorziening en de controle op stralingsniveaus weer op een adequaat niveau worden gebracht?
Het Internationaal Atoom Energie Agentschap (IAEA) houdt de situatie nauwlettend in de gaten en is ook de aangewezen partij om het mitigeren van risico’s ter plaatse te coördineren. DG IAEA Rafael Mariano Grossi heeft voorstellen gedaan over beveiliging van alle locaties in Oekraïne waar zich nucleair en/of radioactief materiaal bevindt incl. de kerncentrales. Deze heeft hij op 10 maart jongstleden in het Turkse Antalya besproken met de ministers van buitenlandse zaken van Oekraïne en Rusland. Verdere gesprekken tussen beide partijen en het IAEA lopen nog.
Nederland steunt de inspanningen van het IAEA in deze kwestie. Het IAEA is de ter zake bevoegde technische internationale organisatie, waarbij zowel Oekraïne en Rusland zijn aangesloten.
Welke organisatie kan het beste de diplomatieke inspanningen coördineren om hierop snel afspraken te maken met vooral de Russische autoriteiten, bijvoorbeeld als het gaat om het toelaten van additionele noodapparatuur en reparatiewerkzaamheden aan stroomvoorziening?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe lang kunnen de noodgeneratoren de stroomvoorziening gaande houden en zijn er maatregelen mogelijk om die leveringsduur te verlengen, zolang de structurele stroomvoorziening niet hersteld is?
De noodgeneratoren kunnen een aantal dagen de stroomvoorziening gaande houden. Daarna zullen mensen en middelen beschikbaar moeten zijn om de generatoren van brandstof te voorzien en klein onderhoud uit te voeren.
Overigens is de aansluiting van Tsjernobyl op het Oekraïense elektriciteitsnet per 14 maart hersteld.
Wat is er nodig en/of mogelijk om een nieuwe shift van personeelsleden toegang tot te centrale te laten verkrijgen?
Het afwisselen van personeelsleden is alleen mogelijk wanneer veilige toegang tot de centrale verkregen kan worden. Gezien de zeer onoverzichtelijke situatie op de grond op dit moment, is het onmogelijk om in te schatten of en, zo ja, wanneer dit mogelijk is. Dat geldt ook voor de eventuele inzet van alternatieve deskundige medewerkers.
Dit vormt onderdeel van de gesprekken die de DG van het IAEA, voert met Rusland en Oekraïne om afspraken te maken over veiligheid.
Op 21 maart heeft het IAEA bekend gemaakt dat een deel van de staf in Tsjernobyl is gewisseld.
Zijn er alternatieve deskundige medewerkers beschikbaar (desnoods uit andere landen) die eventueel ingezet kunnen worden als Rusland onverhoopt weigert om het huidige personeel te laten vervangen door andere Oekraïense collega’s?
Zie antwoord vraag 5.
Wat kan bij een worstcasescenario de schade zijn aan de volksgezondheid – binnen en buiten Oekraïne – als de stroomvoorziening definitief wegvalt of uitgeputte personeelsleden op een gegeven moment benodigde werkzaamheden niet meer top tijd kunnen verrichten?
Op korte termijn is de veiligheid op de Tsjernobyl site gewaarborgd en zijn er vanuit radiologisch oogpunt geen schadelijke gevolgen te verwachten voor mens en milieu, zowel binnen als buiten Oekraïne. Dit wordt bevestigd door het IAEA en de Western European Nuclear Regulators Association (WENRA).
Ook een worstcasescenario leidt volgens experts vanuit radiologisch oogpunt hoogstwaarschijnlijk niet tot ernstige gevolgen, omdat stroomvoorziening niet noodzakelijk is voor de veiligheid van de aanwezige splijtstof. De op de Tsjernobyl site aanwezige splijtstof bestaat uit twee delen. Een klein deel van de aanwezige splijtstof is in droge opslag kluizen opgeslagen. Deze behoeven geen actieve koeling en daarmee is dus geen stroomvoorziening noodzakelijk om de veilige opslag van dit materiaal te garanderen. Het grootste deel van de verbruikte splijtstof is opgeslagen in een waterbassin voor nakoeling. Deze splijtstof is inmiddels zodanig afgekoeld dat het in het bassin aanwezige water voldoende koelcapaciteit heeft. Er wordt stroom gebruikt voor actieve koeling om de conditie van de verbruikte splijtstof optimaal te houden, dat wil zeggen, om corrosie van de splijtstofelementen op lange termijn te voorkomen. Op korte termijn vormt het uitvallen van de stroom ook voor deze splijtstof geen risico, op langere termijn zal het risico zeer beperkt zijn.
Personeel op de Tsjernobyl site houdt zich vooral bezig met het uitvoeren van metingen, herstellen van defecten en het onderhoud plegen aan de installaties. Indien deze werkzaamheden in het gedrang komen, leidt dit op de korte termijn niet direct tot serieuze veiligheidsconsequenties. Desalniettemin dient het personeel zijn werkzaamheden goed te kunnen uitvoeren. Dit is een van de principes voor waarborgen van veiligheid van het IAEA
Bent u bereid al het mogelijke te doen om een nieuwe ramp bij Tsjernobyl te voorkomen en deze vragen met spoed te beantwoorden?
Ja.
De aanbestedingsregels van de aankoop en productie van defensiematerieel |
|
Derk Jan Eppink (Libertair, Direct, Democratisch) |
|
Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66) |
|
|
|
Bent u op de hoogte van de Europese aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten, waar ook Defensie zich aan moet houden?1
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat deze regels tot langdurige aankoopprocedures leiden?2
Het aanbestedingsproces maakt onderdeel uit van het voorzien-in proces. Voor projecten met een financiële omvang van EUR 25 miljoen of meer wordt het Defensie Materieelproces (DMP) doorlopen, zoals dat met uw Kamer is afgesproken (Kamerstuk 27 830, nr. 197 van 3 februari 2017). Het DMP bestaat bij omvangrijke projecten veelal uit drie fasen, namelijk: A (behoeftestelling), B (onderzoek) en D (verwervingsvoorbereiding). De C-fase (vervolgonderzoek) is uitsluitend aan de orde als sprake is van een ontwikkelingstraject. In het Commissiedebat Hoofdlijnen Defensiebeleid van 17 maart j.l. heb ik u toegezegd dat Defensie, in samenwerking met de betrokken departementen, en in overleg met uw Kamer het DMP wil actualiseren en wendbaarder maken. We kijken hierbij naar het «voorzien-in proces» in de breedte en identificeren processtappen die structureel vertragend zijn. In de Kamerbrief over de voortgang uitvoering motie Valstar c.s. (kenmerk BS2022014345) informeer ik u nader over alle initiatieven om de wendbaarheid van Defensie te vergroten.
Defensie kan voor overheidsopdrachten gebruikmaken van in de Aanbestedingswet 2012 (AW2012) en de Aanbestedingswet op het gebied van Defensie en Veiligheid (ADV) genoemde procedures. Genoemde wetten bevatten ook uitzonderingsmogelijkheden waarbij de genoemde procedures niet behoeven te worden gevolgd en waardoor Defensie zich bijvoorbeeld direct tot een gewenste leverancier kan wenden. Dat is ook het geval bij urgentie («dwingende spoed») (AW 2012) en in crisissituaties (ADV).
Tot slot, het voorzien-in proces is breder dan alleen de aanbesteding. Andere factoren, zoals vertraagde leveringen van grondstoffen en computerchips, kunnen ook invloed hebben op de looptijd van het proces.
Heeft u kennisgenomen van de uitspraken van CDS Onno Eichelsheim van vorige week dat de aanbestedingsregels voor de aankoop en productie van materieel versoepeld dienen te worden gezien de geplande extra investeringen?3
Ja.
Zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 2 onderzoekt Defensie de mogelijkheden en ruimte om het voorzien-in proces wendbaarder te maken. Binnen dat onderzoek wordt onder andere gekeken in hoeverre de nationale en Europese aanbestedingsregelgeving snellere inkoop kan accommoderen of dat aanpassing daarvan gevergd is. Daarnaast beziet Defensie op welke wijze in Europees verband zo goed mogelijk gezamenlijk kan worden ingekocht.
Ziet u deze aanbestedingsregels als een bureaucratische kink in de kabel inzake de wensen van het kabinet om Defensie snel weer op orde te krijgen vanwege de oorlog in Oekraïne?
De aanbestedingsregelgeving is geen «bureaucratische kink in de kabel». Zelfs in het geval dat aanbestedingsregelgeving niet van toepassing zou zijn op Defensie geldt alsnog dat een goede offerteaanvraag dient te worden opgesteld, dat marktpartijen tijd nodig zullen hebben om een offerte op te stellen en dat het contracteringsproces de nodige tijd kost.
Bent u voornemens om deze aanbestedingsregels voor de «aankoop en productie van materieel» te versoepelen?
Het kabinet onderkent het belang van een snel en wendbaar verwervingstraject. In dat licht en zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 kijkt Defensie in samenspraak met andere departementen naar de mogelijkheden en ruimte om het voorzien-in proces te versnellen en wordt daarbij ook gekeken naar de mogelijkheden om de nationale en Europese aanbestedingsregels aan te passen indien dat nodig is.
Hoe staat u tegenover het idee om een dispensatieperiode van vijf jaar aan Defensie te verlenen voor deze aanbestedingsregels, gezien de huidige operationele noodzaak?
Deze vraag valt samen met de vraag over het voornemens zijn tot versoepeling van de aanbestedingsregels voor de aankoop en productie van materieel en graag verwijs ik u naar het antwoord bij vraag 5.
Kunt u uiteenzetten wat uw mening is om net zoals Duitsland een lange termijn «defensiefonds» op te stellen waardoor er ruim budget voor Defensie geoormerkt blijft, zelfs na Rutte-IV?4
Op weg naar een toekomstbestendige krijgsmacht heeft Defensie de ambitie om de krijgsmacht te herstellen, te moderniseren en te versterken. Dit realiseert Defensie binnen een schokbestendig Defensie Materieelbegrotingsfonds (DMF). Het DMF zorgt voor meer stabiliteit in de begrotingen over langere periode. Hierdoor kan Defensie de investeringen over een langere periode plannen, in samenhang met beheer en onderhoud. Het fonds is niet alleen bedoeld om materieelprojecten te bekostigen, maar ook voor bijbehorende investeringen en daaraan gerelateerde instandhoudingsuitgaven. Denk aan ICT en infrastructuur. Mocht een project in tijd verschuiven, dan blijft het geld daarvoor in het fonds beschikbaar.
Per 1 januari 2021 is het Defensie Materieelbegrotingsfonds (DMF) in werking getreden. Hiermee heeft Defensie invulling gegeven aan de Motie-Belhaj/Voordewind van 5 juni 2018 (Kamerstuk 34 919, nr. 19). Met deze motie is de regering verzocht wetgeving voor te bereiden voor het instellen van een begrotingsfonds voor defensiematerieel, conform de systematiek van het Infrastructuurfonds, omdat dit bijdraagt aan de continuïteit van de investeringsplanning.
In 2020 is het Defensie Materieelbegrotingsfonds (DMF) voor het eerst aan de Kamer aangeboden (Kamerstuk 35 570 K nr. 1 van 21 september 2020). Waar voorheen de investeringsmiddelen onder artikel 6 (investeringen) van de reguliere Defensiebegroting (Hoofdstuk X) vielen en de middelen voor instandhouding onder de artikelen van de defensieonderdelen vielen, maken de middelen voor investeringen en instandhouding van het materieel, de infrastructuur en de IT-middelen nu deel uit van het DMF. Door een apart fonds voor de investeringen en instandhouding te creëren, is Defensie beter in staat invulling te geven aan het voorzien in een meerjarig integraal beheer van de financiering en bekostiging van de ontwikkeling, verwerving, instandhouding en afstoting van het materieel, de IT-middelen en de infrastructuur van Defensie.
Bent u op de hoogte van de vertraging in de vervanging van de vier Walrusklasse-onderzeeboten?5
Ja.
Kunt u uiteenzetten wat sinds de laatste kamerbrief de huidige status is van het vervangingsproject van de vier Walrusklasse-onderzeeboten?6
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar de voortgangsrapportage over het programma vervanging onderzeebootcapaciteit, die op 1 april 2022 aan uw Kamer is gestuurd (Kamerstuk 34 225, nr. 35).
Kunt u uiteenzetten waardoor er vertraging is opgelopen?
Zie het antwoord op vraag 9.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de gebruikelijke termijn van drie weken beantwoorden?
Nee, zoals medegedeeld in mijn brief van 1 april 2022 aan uw Kamer (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 2298) heeft de afstemming en de samenhang met de Kamerbrief over de voortgang motie Valstar c.s. (kenmerk BS2022014345) ervoor gezorgd dat de termijn van drie weken niet gehaald is.
De brief ‘Uitkomsten en kabinetsappreciatie extern onderzoek UAWC’ van 5 januari 2022 |
|
Kees van der Staaij (SGP), Raymond de Roon (PVV), Gert-Jan Segers (CU), Don Ceder (CU) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA), Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Wilt u het formele onderzoeksmandaat voor onderzoeksbureau Proximities met de Tweede Kamer delen?
De Terms of Reference (ToR) voor het externe onderzoek door Proximities vormen het onderzoeksmandaat. Deze ToR zijn u toegegaan als bijlage bij de brief aan uw Kamer op 5 januari jl.
Kan het zijn dat vanwege de kabinetsopdracht aan Proximities om zich te beperken tot controleerbare en te verifiëren informatie, juist ter zake relevante informatie buiten het onderzoek is gebleven?
Het kabinet heeft controleerbaarheid en verifieerbaarheid van bevindingen in dit onderzoek steeds voorop gesteld uit oogpunt van zorgvuldigheid en transparantie. Op basis hiervan kon UAWC in de gelegenheid worden gesteld tot uitgebreid wederhoor. Het kabinet is van mening dat deze manier van handelen heeft geleid tot een grondig en zeer zorgvuldig onderzoek. Het kabinet onderkent dat hierdoor vertrouwelijke, zoals door inlichtingendiensten verschafte informatie niet kon worden meegenomen. Gezien de grondigheid van het onderzoek heeft het kabinet geen redenen om te veronderstellen dat dit tot een ander beeld zou hebben geleid.
Waarop heeft Proximities haar definitie van Popular Front for the Liberation of Palestine(PFLP) gebaseerd? Is dit bijvoorbeeld afgestemd met andere relevante actoren binnen andere EU-landen?
Zoals vermeld in de brief aan uw Kamer van 5 januari jl. bestaat er geen internationaal erkende definitie van de PFLP. De EU heeft de PFLP als terroristisch aangemerkt, maar noemt daarbij bijvoorbeeld niet expliciet de militante vleugel van de PFLP. Het kabinet onderkent dat Proximities de PFLP nader heeft moeten definiëren om nader onderzoek mogelijk te maken. Proximities maakt in het rapport een onderscheid tussen een politieke, militante en maatschappelijke tak van de PFLP. Een toelichting hierop is te vinden in het rapport dat uw Kamer vertrouwelijk toe is gegaan.
De door Proximities gehanteerde definitie is niet afgestemd met actoren binnen andere EU-landen.
In hoeverre en waarom zou openbaarmaking van organisaties die behoren tot de maatschappelijke tak van de PFLP deze organisaties daadwerkelijk onevenredig beschadigen?
Het kabinet plaatst vraagtekens bij de keuze van Proximities om ook diverse maatschappelijke organisaties te beschouwen als onderdeel van de PFLP. Uit het onderzoek is onvoldoende duidelijk geworden in hoeverre deze organisaties worden aangestuurd door of onder controle zouden staan van de PFLP. Daar komt bij dat geen van deze organisaties als terroristisch is aangemerkt door de EU of VN. Bovendien gaat er geen directe Nederlandse ontwikkelingsfinanciering naar deze organisaties.
Het kabinet heeft in alle fasen van het proces geprobeerd om proportioneel en zorgvuldig te handelen en geen onnodige schade te berokkenen aan derden. Het kabinet meent dat openbaarmaking van het rapport de betreffende maatschappelijke organisaties onevenredige schade zou kunnen toebrengen, bijvoorbeeld omdat niet uit te sluiten valt dat selectieve passages uit het rapport gebruikt kunnen worden om deze organisaties in diskrediet te brengen. Dit zou deze organisaties onder grote druk kunnen zetten en kunnen leiden tot aanzienlijke problemen bij uitvoering van hun werkzaamheden. Vanuit oogpunt «do no harm» wil het kabinet deze organisaties niet aan dit risico blootstellen.
Om (indirecte) financiering te voorkomen van personen die mogelijk banden hebben met een terroristische organisatie is de due diligence aangescherpt zoals ook is aangeven in de brief van 5 januari jl. aan uw Kamer.
Wat bedoelt u precies met het principe van «do no harm»1 , en hoe weegt u dat af tegen a) het belang van transparantie richting het Nederlandse parlement en Nederlandse burgers, en b) het voorkomen van (indirecte) financiering van personen die mogelijk banden hebben met een terroristische organisatie?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u vanuit het oogpunt van transparantie alsnog bereid het externe rapport en/of het interne relaas hierover openbaar te maken?
Nee. Ik verwijs u graag naar de brief van 5 januari jl. aan uw Kamer voor de onderbouwing van de appreciatie van het kabinet en het besluit om het rapport niet openbaar te maken.
Hoe beoordeelt u de keuze van Proximities om ook diverse maatschappelijke organisaties te beschouwen als onderdeel van de PLFP, ook in het licht van het feit dat UAWC niet als «terroristisch» is aangemerkt door de EU of de VN?
Zie ook het antwoord op vraag 4 en 5. Het kabinet gaat op dit punt niet mee in de keuze die Proximities maakt.
Welke maatschappelijke organisaties zijn onderdeel van de «maatschappelijke tak van de PFLP», hoeveel ontwikkelingsgeld is en wordt aan deze organisaties betaald, en overweegt u de subsidies aan deze organisaties stop te zetten? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 4, 5 en 6. Het kabinet maakt informatie over deze maatschappelijke organisaties niet openbaar vanuit het principe van «do no harm». Informatie over de betreffende maatschappelijke organisaties is wel terug te vinden in het onderzoeksrapport van Proximities dat vertrouwelijk met uw Kamer is gedeeld. Er gaat geen directe Nederlandse ontwikkelingsfinanciering naar deze organisaties.
Volgens de Israëlische overheid zijn er nog meer organisaties gelieerd aan de PFLP, namelijk Addameer, Al-Haq, Defense for children International – Palestine, Union of Palestinian women committees and Health Work Committees. Zijn dit de in het onderzoek van Proximities bedoelde organisaties?
Vanuit het principe van «do no harm» maakt het kabinet geen informatie openbaar over de maatschappelijke organisaties die volgens Proximities tot de maatschappelijke tak van de PFLP behoren. Informatie over de betreffende maatschappelijke organisaties is wel terug te vinden in het onderzoeksrapport van Proximities dat vertrouwelijk met uw Kamer is gedeeld. Er gaat geen directe Nederlandse ontwikkelingsfinanciering naar deze organisaties.
Welke banden bestaan er tussen de vijf hiervoor genoemde organisaties en de PFLP?
Het kabinet heeft tot op heden geen bewijs gezien voor de Israëlische kwalificatie van de zes ngo’s als «terroristisch» en heeft dan ook geen reden om het beleid ten aanzien van deze ngo’s op basis van dit Israëlische besluit te herzien. Nederland zet zich er voor in om met andere donoren op korte termijn tot een gezamenlijke appreciatie te komen en dringt hier op EU-niveau ook op aan, zodat alle beschikbare informatie meegewogen kan worden. Het kabinet streeft ernaar om voor het zomerreces deze gezamenlijke appreciatie af te ronden en uw Kamer te informeren. Het uitgangspunt blijft dat de Israëlische informatie voldoende overtuigend dient te zijn om de listings te rechtvaardigen en daar gevolgen aan te verbinden. De regering draagt dit standpunt uit in de reguliere contacten met het Palestijnse (en internationale) maatschappelijk middenveld. Dit wordt tevens te kennen gegeven richting andere internationale donoren, alsook de Israëlische en Palestijnse autoriteiten.
Op welke wijze(n) wordt, in het kader van de aanscherping van «due diligence», het antwoord gecontroleerd op de vraag hoe een organisatie omgaat met werknemers of bestuursleden die mogelijk deel uitmaken van organisaties die op de EU en VN-sanctielijst staan?
Als onderdeel van de beoordeling van de capaciteit van de uitvoerende organisatie (ORIA) wordt gekeken naar de feitelijke situatie en het interne (personeels)beleid van de organisatie. Hierbij wordt actief het gesprek aangegaan en vragen gesteld over mogelijke banden van werknemers of bestuursleden met geliste organisaties. Hierbij wordt duidelijk het signaal afgegeven dat het voor het kabinet niet acceptabel is wanneer er sprake zou zijn van banden tussen individuele medewerkers of bestuursleden met organisaties die door de EU of VN als terroristisch zijn geregistreerd. Mocht dit wel het geval zijn dan is dit een reden om niet tot financiering over te gaan.
In hoeverre heeft u er vertrouwen in dat betreffende organisaties, in tegenstelling tot de UAWC, openheid van zaken geven?
De betreffende organisaties zijn ermee bekend dat het kabinet het niet acceptabel acht als er sprake zou zijn van banden tussen individuele medewerkers of bestuursleden met organisaties die door de EU of VN als terroristisch zijn geregistreerd. De Nederlandse Vertegenwoordiging in Ramallah bespreekt dit uitgebreid met de betreffende organisaties en zal hiervoor ook tijdens de monitoringsfase aandacht houden. Hiermee wordt gedurende de hele looptijd van een project een duidelijk signaal gegeven aan uitvoerende organisaties.
Kunt u de verzekering geven dat door de Nederlandse gesteunde NGO’s in de Palestijnse gebieden geen «groot Palestina» (dus verdwijning of vernietiging van Israël) nastreven?
Er worden geen Palestijnse ngo’s gesteund die streven naar de verdwijning of vernietiging van Israël. Maatschappelijke organisaties die Nederlandse financiering ontvangen mogen geen activiteiten ontplooien die indruisen tegen het Nederlandse buitenlandse beleid. Dit wordt ook standaard contractueel vastgelegd.
Waarom worden voor diverse projecten in de Palestijnse gebieden de uitvoerende organisaties niet (meer) of slechts zeer algemeen omschreven op de website https://www.nlontwikkelingssamenwerking.nl waar het Ministerie van Buitenlandse zaken de activiteiten, begroting en resultaten van projecten publiceert die (mede) worden gefinancierd met Nederlandse ontwikkelingsgelden?
Het algemene uitgangspunt bij het OS-portaal (www.nlontwikkelingssamenwerking.nl) is om ODA-activiteiten transparant weer te geven, behalve als er een risico is dat dit schadelijk kan zijn voor Nederland, voor uitvoerende partners of voor mensen die behoren tot de doelgroep. In deze gevallen wordt een activiteit geheel of gedeeltelijk geanonimiseerd, waardoor onderdelen zoals de naam en omschrijving van het project, de uitvoerende organisatie of de aanvullende documenten niet zichtbaar zijn via het OS-portaal. Dit principe is ook toegepast bij de Palestijnse gebieden waar het gaat om verzoeningsprojecten. Vanwege de gevoeligheid daarvan en mogelijke risico’s voor deelnemers wordt informatie hierover – ook op verzoek van de uitvoerders – vertrouwelijk behandeld. Dit verklaart waarom er op de website bij een aantal projecten slechts zeer algemene informatie te vinden is.
Wilt u de informatievoorziening op dit punt zo snel mogelijk verbeteren/herstellen?
Per nieuw project wordt bekeken of dit wel of niet gepubliceerd kan worden. Er is geen herstel nodig voor de projecten die op dit moment niet gepubliceerd worden; dit is een bewuste afweging geweest bij aanvang van de betreffende activiteit. Zie ook het antwoord op vraag 14.
De oproep om Rusland uit te sluiten van INTERPOL |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de oproep van verschillende landen – waaronder het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten, Canada, Nieuw Zeeland en Australië – om Rusland uit te sluiten van INTERPOL?1
Ja.
Bent u bekend met signalen dat Rusland het systeem van INTERPOL kan gebruiken om critici overal ter wereld op te jagen en te vervolgen, vaak zonder enkele vorm van bewijslast?
Ja.
Wat zijn de overwegingen van deze landen om op te roepen tot het uitsluiten van Rusland van INTERPOL?
De overwegingen voor het verzoek aan het INTERPOL Secretariaat Generaal zijn gelegen in de risico-inschatting dat, als gevolg van het conflict met Oekraïne, een grote kans bestaat dat de Russische Federatie Interpol systemen zal proberen te gebruiken voor doeleinden waarvoor INTERPOL volgens haar constitutie niet mag worden gebruikt. Het doel van de oproep van deze landen is het mogelijke misbruik van de Russische Federatie van de INTERPOL-systemen te belemmeren. INTERPOL beoogt een apolitieke en neutrale organisatie te zijn met als taak mondiaal politieorganisaties te ondersteunen bij het voorkomen en bestrijden van criminaliteit. Elke activiteit van politieke of militaire aard is in INTERPOL-verband uitdrukkelijk verboden.
Hoe denken andere Europese lidstaten over het uitsluiten van Rusland van INTERPOL?
Er zijn meerdere Europese lidstaten die een brief aan het INTERPOL Secretariaat Generaal hebben gestuurd met het verzoek te adviseren over het opleggen van preventieve dan wel corrigerende maatregelen ten aanzien van National Central Bureau (NCB) Moskou.
In hoeverre heeft u bilateraal als multilateraal contact over dit onderwerp met het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten en Oekraïne?
Zoals ik u eerder informeerde,2 heeft het kabinet in goed overleg met het Verenigd Koninkrijk besloten ook een brief te schrijven aan het INTERPOL Secretariaat Generaal met het verzoek om de Executive Committee van INTERPOL te adviseren over het opleggen van corrigerende maatregelen. Voorafgaand aan verzending van deze brief heeft de Minister van Justitie de brief van Oekraïne aan het INTERPOL Secretariaat Generaal met hetzelfde verzoek ontvangen en gelezen. Over dit specifieke onderwerp is geen direct contact geweest met de Verenigde Staten of Oekraïne.
Hoe vaak heeft Rusland in het verleden waarschuwingen gekregen van INTERPOL vanwege schendingen binnen het INTERPOL-systeem?
De INTERPOL-regels kennen geen rechtsbasis voor formele waarschuwingen. Als vermoed wordt dat een signaleringsaanvraag voor een notice (bijvoorbeeld een red notice, bedoeld ter lokalisering en arrestatie van een gezocht persoon) niet conform de INTERPOL-regels is opgesteld, wordt door het INTERPOL Generaal Secretariaat (IPSG) contact opgenomen met de desbetreffende National Central Bureau (NCB) en krijgt deze NCB de mogelijkheid om de aanvraag aan te vullen of te corrigeren om alsnog te voldoen aan de regels en kwaliteitseisen. Voldoet de aanvraag alsnog niet, dan wordt de notice niet door IPSG gepubliceerd.
Anders dan bij notices, kunnen lidstaten zelf zogenaamde diffusions plaatsen. Dit zijn minder formele vormen van alarmeringen, door NCB’s zelf onder een selectie van lidstaten worden verspreid. Zij worden door IPSG direct na verspreiding op conformiteit gecontroleerd en zo nodig verwijderd. Het IPSG geeft aan dat het uit hoofde van zijn mandaat met regelmaat ter monitoring en ter onderzoek van gegevensverwerking met NCB Moskou in contact treedt.
Bent u bereid om actief de oproep te steunen om Rusland uit te sluiten van INTERPOL? Zo ja, gaat u zich hier ook binnen de EU sterk voor maken?
Lidstaten kunnen niet van INTERPOL worden uitgesloten. Er kunnen wel correctieve maatregelen worden opgelegd door de Executive Committee. Het vrij gebruik van Interpol systemen wordt hiermee beknot. De Executive Committee besluit hierover op advies en na onderzoek door het Secretariaat Generaal. De Minister van Justitie en Veiligheid heeft op 4 maart jl. per brief de Secretaris Generaal van INTERPOL verzocht de noodzaak tot het opleggen van corrigerende maatregelen ten aanzien van de Russische Federatie te beoordelen. Ook andere landen hebben vergelijkbare verzoeken gericht aan het INTERPOL Secretariaat Generaal. Inmiddels heeft de INTERPOL Executive Committee de maatregelen bekrachtigd, welke op 10 maart jl. in werking zijn getreden. NCB Moskou staat onder verscherpt toezicht en alle verzoeken tot plaatsing van internationale signaleringen in het Interpol-systeem afkomstig van NCB Moskou worden eerst beoordeeld door het Secretariaat Generaal en pas na een grondige toets op de regels van gegevensbescherming en gegevensverwerking verspreid onder ontvangende landen. Deze maatregelen zullen in ieder geval gelden tot de volgende bijeenkomst van de Executive Committee. Daar zal ook een analyse en evaluatie van de activiteiten van het NCB Moskou in relatie tot de INTERPOL-systemen worden gepresenteerd.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Wapenleveringen aan Oekraïne |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66) |
|
|
|
|
Waarom hebt u besloten minder informatie te geven over het leveren van militaire goederen aan Oekraïne?1
De afgelopen periode is uw Kamer meermaals in detail geïnformeerd over de leveringen van militaire goederen door het Ministerie van Defensie aan Oekraïne. Het kabinet onderschrijft het belang van een open maatschappelijke discussie over dit onderwerp, maar moet transparantie afwegen tegen het waarborgen van de operationele veiligheid.
Eerder achtte het kabinet het van belang om te laten zien dat er militaire goederen ter zelfverdediging van Oekraïne beschikbaar werden gesteld als blijk van steun en solidariteit aan Oekraïne. De veiligheidssituatie was toen nog wezenlijk anders. Ook diverse internationale partners communiceerden in deze fase openlijk over hun materiële steun aan Oekraïne.
Na de Russische invasie van Oekraïne heeft het kabinet met het oog op de (operationele) veiligheid besloten om minder openlijk te communiceren over de militaire goederen die Defensie aan Oekraïne levert.
Zoals ook toegezegd tijdens het plenaire debat op 10 maart jl. laat dit onverlet dat het kabinet verantwoording wil afleggen en daarom de Kamer adequaat zal blijven informeren, via een vertrouwelijke bijlage.
Waarom maakte u eerdere wapenzendingen wel gedetailleerd openbaar? Kunt u dat toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de opvatting dat het gebrek aan transparantie over wapenleveringen een open, maatschappelijke discussie in de weg staat? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Wat voor voertuigen gaat Nederland aan Oekraïne leveren, zoals gesteld in de brief van 3 maart?2
In de brief van 10 maart jl. (kenmerk: 22 054, nr. 360) heeft het kabinet de Kamer vertrouwelijk geïnformeerd over de aard van de leveringen.2
Klopt het dat Nederland Patriot-raketten gaat leveren in het kader van de oorlog? Om hoeveel Patriots gaat het (met hoeveel raketten) en waar worden zij exact geplaatst?3
Op vrijdag 18 maart jl. is uw Kamer geïnformeerd over de inzet van een Nederlandse Patriot luchtverdedigingseenheid in Slowakije (Kamerstuk 2022D10685). De inzet in Slowakije draagt bij aan de versterking van de collectieve afschrikking- en verdedigingsfunctie van de NAVO en de geruststelling van onze bondgenoten in de regio.
De inzet vindt plaats in de omgeving van de luchtmachtbasis in Sliac, in centraal Slowakije, samen met onze partner Duitsland en onder aansturing van de NAVO. Ontplooiing van de Nederlandse Patriot-eenheden vergt de inzet van ongeveer 150 Nederlandse militairen, voor de duur van maximaal zes maanden.
Klopt het dat meer dan 20 landen wapens leveren aan Oekraïne?4 Om hoeveel landen gaat het precies?
Nederland heeft kennis genomen van meer dan twintig landen die publiekelijk hebben aangegeven Oekraïne te steunen door militaire goederen en wapens te leveren.
Heeft de NAVO dan wel de EU een coördinerende rol aangaande wapenleveranties aan Oekraïne? Op welke manier wordt deze coördinatie vormgegeven?5
Zoals vermeld in de Geannoteerde agenda Raad Buitenlandse Zaken Defensie, die op 11 maart jl. met uw Kamer is gedeeld (Kamerstuk 21 501-28, nr. 237), heeft de EU een coördinatieplatform ingericht (Clearing House Cell – CHC). Hier wordt informatie over de behoeften vanuit Oekraïne en de levering van militaire steun vanuit EU-lidstaten bijeen gebracht. Een aantal niet-EU landen is ook aangesloten bij deze cel. Dit platform fungeert als forum voor afstemming en synchronisatie tussen de lidstaten, bondgenoten en partners onderling en met Oekraïne.
De NAVO heeft geen coördinerende rol aangaande wapenleveranties. Op initiatief van de VS en het VK coördineert een aantal bondgenoten en partners onderling de vraag vanuit Oekraïne en het aanbod vanuit verschillende landen voor de bilaterale leveringen van militaire goederen aan Oekraïne.
Op welke wijze acht u deze wapenleveranties proportioneel? Is het ter beschikking stellen van straaljagers aan Oekraïne proportioneel?
De Nederlandse inzet is om (verdere) escalatie te voorkomen en om Oekraïne in staat te stellen zich beter te verdedigen tegen de Russische gewapende aanval. De wapenleveranties worden zorgvuldig getoetst aan de EU-wapenexportcriteria. Daarbij wordt meegewogen dat Nederland geen wapens wil leveren die het risico in zich dragen van grotere escalatie, de betrokkenheid van meer landen in het conflict en meer slachtoffers.
Deze afweging stelt meer bondgenoten en partnerlanden voor een lastig dilemma. Uiteindelijk neemt ieder land hier zelf een beslissing over.
Deelt u de opvatting dat Nederland met deze leveranties een keuze maakt met grote risico’s op militaire escalatie? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Het bericht ‘Streep door Haarlems Tsjaikovski en Stravinsky-festival: ‘Dit lijken wel Sovjetpraktijken’? |
|
Ruben Brekelmans (VVD), Pim van Strien (VVD) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA), Gunay Uslu (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Streep door Haarlems Tsjaikovski en Stravinsky-festival: «Dit lijken wel Sovjetpraktijken»»?1
Ja.
Deelt u de mening dat Nederland en Europa bij het treffen van sancties en andere maatregelen tegen Rusland vanwege de aanval op Oekraïne, met die maatregelen zoveel mogelijk druk moeten zetten op de Russische staat, maar waar mogelijk duidelijk moeten maken dat het geen afkeer of afwijzing van de Russische bevolking of de Russische cultuur betreft?
Die mening deel ik. Wij keuren de agressie van de Russische Staat tegen Oekraïne ten zeerste af. Dat betekent natuurlijk niet dat we de Russische bevolking of Russische cultuur afwijzen. Juist in deze tijd moet er alle ruimte zijn om elkaars cultuur te kunnen beleven. Cultuur kan bijdragen aan wederzijds begrip en verbondenheid. Daarbij verwijs ik tevens naar de brief die ik op woensdag 9 maart jl. aan uw Kamer heb gestuurd inzake dit onderwerp2. Daarin heb ik onder meer opgeroepen om ruimte te blijven bieden aan individuele Russische kunstenaars in Nederland, om de verbindende kracht van kunst en cultuur te kunnen blijven benutten. Het is belangrijk om juist in deze tijd goede contacten met kunstenaars en journalisten in de Russische Federatie en Belarus te blijven onderhouden.
Deelt u de mening dat een brede afwijzing van iedere uiting van de Russische cultuur Poetin uiteindelijk in de kaart kan spelen, omdat hij dan kan claimen dat Westerse landen simpelweg anti-Russisch zijn, los van wat Rusland doet in Oekraïne?
Ik ben van mening dat we uitingen van de Russische cultuur en door Russische culturele makers zoveel mogelijk los moeten zien van de handelwijze van Rusland jegens Oekraïne, tenzij duidelijk is dat de bewuste culturele uiting gebruikt wordt als propaganda voor het Russische regime.
Deelt u de mening dat de Russische taal, cultuur, en geschiedenis een onlosmakelijk onderdeel zijn van de Europese geschiedenis en culturele rijkdom?
Inderdaad, die mening deel ik. Het staat buiten kijf dat de Russische taal en cultuur van onschatbare waarde zijn en veel hebben toegevoegd aan de Europese culturele rijkdom. De Russische geschiedenis is onlosmakelijk verbonden met die van Europa.
Deelt u de mening dat bij het aanpassen van programmeringen van Russische kunst en cultuur, door Nederlandse instellingen, een onderscheid gemaakt moet worden tussen samenwerking met aan de staat gelieerde instellingen, zoals de Hermitage, en uitingen van Russische cultuur, waarbij die link met de Russische staat er niet is?
Die mening deel ik. In mijn Kamerbrief van 9 maart jl. roep ik samen met de ministers van Buitenlandse Zaken en voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking op tot opschorting van formele en institutionele samenwerkingen met de overheid in de Russische Federatie en Belarus, evenals met de aan hen gelieerde culturele instellingen. Tegelijkertijd roepen we op om ruimte te blijven bieden aan individuele Russische en Belarussische kunstenaars.
Ik laat het op dit moment aan Nederlandse instellingen zelf om hun programmering al dan niet aan te passen naar eigen inzicht. Ik wil daar niet in treden. Daarbij verwijs ik echter wel naar mijn antwoorden op vragen 2 en 3.
Bent u bereid om met de relevante sectoren in gesprek te gaan over de wijze waarop in het licht van bovenstaande, effectief druk gezet kan worden op de Russische staat zonder dat afkeer of afwijzing van de Russische bevolking of de Russische cultuur wordt aangewakkerd?
Het is belangrijk dat de neiging tot afwijzing van de Russische cultuur, mogelijk ingegeven door nieuwsberichten over de oorlogshandelingen van Rusland tegen Oekraïne, niet wordt aangemoedigd. Ik ben en blijf met de culturele sector in gesprek over de actuele stand van zaken rond de oorlog in Oekraïne en wat de beste manier is om daar mee om te gaan. Daarbij is mijn uitgangspunt dat het gezamenlijk beleven van culturele activiteiten verbindend is en voor wederzijds begrip kan zorgen.
Het bericht ‘Superjachten van rijke Russen in beslag genomen door Frankrijk en Duitsland’ |
|
Roelien Kamminga (VVD), Ruben Brekelmans (VVD) |
|
Alexandra van Huffelen (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Superjachten van rijke Russen in beslag genomen door Frankrijk en Duitsland»?1
Ja.
Klopt het dat er ook in de wateren van Sint Maarten jachten van een of meer Russische oligarchen liggen?
In de Caribische regio bevinden zich meerdere schepen van Russische eigenaren, een deel daarvan verblijft periodiek ook regelmatig in de wateren van Sint Maarten.
Deelt u de mening dat dit gelet op de huidige situatie in Oekraïne en de ingestelde sancties tegen Rusland ongewenst is en bezien moet worden of deze in beslag genomen kunnen worden? Zo niet, kunt u toelichten waarom niet?
Alle landen binnen ons Koninkrijk zijn verplicht uitvoering te geven aan de sancties die door de EU zijn aangenomen. Indien schepen van eigenaren, die voorkomen op de EU-sanctielijst voor individuen, zich bevinden in de wateren van Sint Maarten (of andere delen van het Koninkrijk) zal hiertoe actie worden ondernomen. Op dit moment is dit niet het geval.
Bent u reeds in contact getreden met de regering van Sint Maarten over deze kwestie?
Wij staan in contact met alle landen binnen het Koninkrijk op vlak van de uitvoering van het EU-sanctiebeleid, zo ook met de regering en ambtelijke diensten van Sint Maarten.
Heeft u in het verlengde van bovenstaande al gesproken met de Franse autoriteiten, die al jachten van Russische oligarchen die in hun wateren lagen, in beslag hebben genomen?
Nederland staat continu in nauw contact met partners binnen en buiten de EU over de oorlog in Oekraïne, inclusief de gecoördineerde sancties tegen Rusland. Daarnaast is het de verantwoordelijkheid en bevoegdheid van elke lidstaat afzonderlijk om de sancties te implementeren en te handhaven.
Kunt u toelichten waarom een aantal landen, waaronder Frankrijk en Duitsland, reeds actie hebben ondernomen en Sint Maarten nog niet?
De actie door Frankrijk en de onbevestigde actie door Duitsland tegen schepen van eigenaren die voorkomen op de EU-sanctielijst voor individuen, die zich bevinden in hun respectievelijke wateren, vloeien voort uit de sancties die door de EU zijn ingesteld.
Indien schepen van eigenaren, die voorkomen op de EU-sanctielijst voor individuen, zich bevinden in de wateren van Sint Maarten (of andere delen van het Koninkrijk) zal hiertoe actie worden ondernomen. Op dit moment is dit niet het geval.
Bent u het ermee eens dat we binnen het gehele Koninkrijk der Nederlanden er alles aan moeten doen om de ingestelde sancties uit te voeren en de druk op Rusland zo groot mogelijk te maken? Zo ja, hoe handelt het kabinet in samenwerking met het Caribisch deel van het Koninkrijk?
Daar ben ik het mee eens. Dat is ook de reden dat wij de situatie in alle landen van ons koninkrijk nauwlettend in de gaten houden en hieromtrent voortdurend contact onderhouden met de diverse instanties binnen het Caribisch deel van het Koninkrijk.
Bent u bereid de Kamer op korte termijn nader over te informeren over deze kwestie?
Ik zal de Kamer informeren indien er zich ontwikkelingen voordoen met betrekking tot dit onderwerp.
Het advies ‘keuzes voor de krijgsmacht’ van de Adviesraad Internationale Vraagstukken |
|
Peter Valstar (VVD) |
|
Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66), Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het AIV-advies «keuzes voor de krijgsmacht»?1
Ja. Het kabinet dankt de AIV voor het advies, dat op een relevant moment komt.
Deelt u de analyse van de AIV dat, in het licht van de Russische invasie in Oekraïne en de verslechterende veiligheidssituatie, de Navo moet worden versterkt om de vrijheid en veiligheid van Europese burgers te beschermen?
Ja. Veiligheid en stabiliteit zijn basisvoorwaarden voor de vrede en welvaart waarin wij leven. De oorlog aan de oostflank van het NAVO-verdragsgebied laat zien dat bescherming van onze vrijheid noodzakelijk is.
De NAVO is de hoeksteen van onze collectieve veiligheid en zal de afschrikking en verdediging aan de oostflank verder versterken. Tegelijkertijd moeten Europese landen zelfredzamer worden en de eigen belangen beter kunnen beschermen en verdedigen; de huidige veiligheidssituatie is daarvoor het bewijs. Binnen de NAVO en EU moeten daarvoor in gezamenlijkheid de Europese capaciteiten worden versterkt om beter in onze veiligheid te kunnen voorzien.
Verschillende landen kondigden sinds de Russische invasie in Oekraïne aan versneld stappen te zetten om hun defensiebudget te verhogen. Onder meer de regeringen van Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, Denemarken, Zweden en Polen hebben dit bekend gemaakt. Het kabinet onderzoekt conform de motie Sjoerdsma (36 045, nr. 4) wat op korte termijn nodig en mogelijk is om de al voorziene toename van het defensiebudget eerder te laten plaatsvinden, of er meer kan worden geïnvesteerd in de defensiesamenwerking met de NAVO en Europese partners en of er manieren zijn om nog in deze kabinetsperiode structureel extra te investeren in Defensie. Uw Kamer is op 20 mei geïnformeerd over de uitkomst van de voorjaarsbesluitvorming. Het kabinet investeert structureel 5 miljard euro extra in Defensie.
Deelt u de analyse van de AIV dat de Europese bijdrage aan deze collectieve verdediging moet worden vergroot en dat Nederland de defensie-uitgaven moet verhogen naar twee procent van het bruto binnenlands product om hierin een gepast aandeel te leveren?
Ja. Zie verder het antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat de veiligheidsdreiging urgent is en er geen goede redenen zijn om aan te nemen dat deze dreiging binnen afzienbare tijd weer substantieel zal dalen?
Ja. De veiligheidssituatie in en rondom Europa verslechtert. De ongekende agressie van Rusland tegen Oekraïne laat zien dat de dreigingen op het Europese continent en aan de oostgrens van het NAVO-verdragsgebied reëel en dichtbij zijn. Rusland vormt echter niet de enige dreiging. Er is wereldwijd in toenemende mate sprake van (geopolitieke) spanningen. In combinatie met de snelle verspreiding van wapens kan dit zorgen voor ontvlambare situaties. We moeten ons voorbereiden op een onzekere toekomst waarin uitdagingen en dreigingen divers en permanent van aard zijn. We hebben te maken met grootschalige cyberaanvallen, dreigingen tegen onze vitale infrastructuur en beïnvloeding door buitenlandse mogendheden. De weerslag van klimaatverandering kan zich vertalen in oplopende spanningen tussen bevolkingsgroepen, conflicten en migratiestromen.
Deelt u de analyse van de AIV dat de krijgsmacht nadrukkelijk ingericht moet worden op bondgenootschappelijke verdediging en dat het hiervoor noodzakelijk is zo snel mogelijk de inzetbaarheid te verbeteren en de door de Navo vastgestelde capaciteitstekorten weg te werken?
Defensie voert haar grondwettelijke taak uit langs de lijnen van de drie hoofdtaken:
Defensie moet in alle drie de hoofdtaken, die steeds nauwer met elkaar verbonden zijn, kunnen optreden. In de huidige situatie is Defensie vooral ingericht voor optreden in de tweede hoofdtaak. Het dreigingsbeeld en de Russische invasie van Oekraïne laten zien dat inzet in de eerste hoofdtaak net zo noodzakelijk is. Voor het optreden in de eerste hoofdtaak moet Defensie dus een been bijtrekken, net zoals voor optreden in de derde hoofdtaak. In de Defensienota worden de keuzes voor de inrichting, samenstelling en toerusting van de krijgsmacht die in alle drie de hoofdtaken moet kunnen optreden, toegelicht.
Deelt u de analyse van de AIV dat er een grote financiële inspanning nodig zal zijn om Nederland in staat te stellen naar verhouding bij te dragen aan initiatieven van de Navo en de EU, zoals de Nato Response Force en de EU Rapid Deployment Capacity?
Er zijn inderdaad grote financiële inspanningen nodig evenals het maken van keuzes voor de toekomst. Defensie moet de komende periode de gereedheid en inzetbaarheid verhogen, ook om te kunnen voldoen aan de reactietijden voor de Snel Inzetbare Capaciteiten van de NAVO en de EU. Hiervoor is het bijvoorbeeld nodig om de gevechtsondersteuning te versterken en het voorradenniveau te verhogen. Defensie plaatst versneld orders voor het ophogen van het voorraadniveau en anticipeert daarmee op de wereldwijd toegenomen vraag naar munitie en toegenomen krapte op de markt. Hiervoor heeft Defensie op 29 april jl. een incidentele suppletoire begroting ingediend (Kamerstuk 36 091 en 36 092)
Deelt u de mening dat er voor verdere specialisatie bij het wegwerken van tekorten in Europese capaciteiten forse investeringen nodig zijn van de landen die kopgroepen vormen?
Specialisatie is een verdergaande vorm van samenwerking met als doel meer gebruik te maken van de afzonderlijke sterke punten van partners en bondgenoten. Het is een gradueel traject, maar gezamenlijk hebben we meer impact en gezamenlijk leveren we een hogere effectiviteit van optreden. Specialisatie kan helpen om tekorten weg te werken en gezamenlijk meer effecten te bereiken.
De EU-leiders kwamen op 11 maart in Versailles overeen de Europese defensiecapaciteiten te versterken en onderstreepten daarbij het belang van samenwerking. Het kabinet ziet nut in meer gezamenlijke aanschaf van defensiecapaciteiten. Het Europees Defensieagentschap kan hierin een faciliterende en coördinerende rol spelen. Dit is ook onderdeel van het Strategisch Kompas waarmee de EU richting aan het Europese veiligheids- en defensiebeleid, o.a. door het stellen van duidelijke doelen en heldere prioriteiten voor capaciteitsontwikkeling.
Deelt u de analyse van de AIV dat het voor een stabiele defensieplanning wenselijk is als de planning en uitgaven voor een langere periode wettelijk worden vastgelegd, zoals dat ook in Scandinavische landen en de Klimaatwet het geval is?
Defensie is gebaat bij langjarig commitment en een structurele verhoging van het defensiebudget om de benodigde veranderingen te realiseren en versterkingen goed te richten en in te richten. Zoals is aangegeven in de Voorjaarsnota investeert het kabinet structureel 5 miljard euro extra in Defensie.
Deelt u de mening dat, gezien de dreigingssituatie, de bondgenootschappelijke verplichtingen en het toekomstbeeld uit de Defensievisie 2035, de uitgaven in een dergelijke wet niet lager zouden moeten zijn dan twee procent van het bruto binnenlands product?
De Russische agressie in Oekraïne laat duidelijk zien dat onze veiligheid en vrijheid niet vanzelfsprekend zijn en dat dit een groot goed is dat moet worden beschermd. Met de extra investeringen uit het coalitieakkoord en de Voorjaarsnota voldoet Nederland in 2024 en 2025 aan de 2% bbp-norm voor de NAVO.
Bent u bereid het advies van de AIV integraal op te volgen en de Kamer uiterlijk deze maand daarover te informeren?
Het advies van de AIV komt op een relevant moment en bevat goede aanknopingspunten. Het kabinet werkt op dit moment aan de Defensienota waarin de plannen worden uitgewerkt. De Defensienota wordt voor de zomer aan uw Kamer aangeboden. Daarna zal het kabinet ook komen met een reactie op het briefadvies van de AIV.
De situatie aan de grens met Oekraïne |
|
Stieneke van der Graaf (CU), Kati Piri (PvdA), Mirjam Bikker (CU), Don Ceder (CU) |
|
Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD), Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het gegeven dat de situatie in Oekraïne vanwege de enorme toestroom van vluchtelingen tot lange wachttijden aan de grenzen van Oekraïne en onder andere Polen en Hongarije leidt en dat dit voor kwetsbaren die lang moeten wachten in de kou, leidt tot schrijnende situaties? Wat is uw inschatting van de situatie aan de grensposten? Op welke manier worden landen die grenzen aan Oekraïne ondersteund om de procedure-capaciteit te ondersteunen en zo de wachttijden te verkleinen? Weet u of deze landen al een aanvraag hebben ingediend bij Europese agentschappen als de European Union Agency for Asylum (EUAA) of Frontex om hen te hulp te schieten? Zo ja, bent u bereid deze agentschappen ook met personele ondersteuning bij te staan, mocht dit nodig zijn? Zo nee bent u bereid deze behoefte te polsen bij de buurlanden in het belang van het verlagen van de wachttijden aan de grens?
Het kabinet is bekend met de berichtgeving over de wachttijden aan de grensovergangen en acht lange wachttijden onwenselijk, zeker ook vanwege de humanitaire consequenties. Ook vindt het kabinet het van belang dat grenscontroles doorgang vinden, inclusief veiligheidscontroles en screening. Europese lidstaten, bevestigd door Frontex, geven aan dat de capaciteit ten behoeve van grensmanagement aan de grensovergangen aan Europese zijde op dit moment toereikend is.
De Europese Agentschappen Frontex en het EU Asielagentschap (EUAA) staan paraat om lidstaten die grenzen aan Oekraïne te ondersteunen, waar zij aangeven dat nodig te hebben. Frontex biedt ondersteuning in de vorm van het inzetten van officieren. Het EUAA kan ondersteuning bieden in het asielproces, opvang en implementatie van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. Frontex ondersteunt, op dit moment, op hun verzoek, Roemenië, Slowakije, Polen en Estland aan de grens, waarbij de meeste officieren in Roemenië worden ingezet. Daarnaast heeft Roemenië een operationeel hulpverzoek ingediend bij het EUAA. Het kabinet heeft, bij monde van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, aangegeven open te staan voor verzoeken die via Frontex of het EUAA worden gedaan. Frontex heeft een verzoek ingediend bij Nederland ten behoeve van ondersteuning in Estland als gevolg van de migratie-situatie rondom Oekraïne. Nederland is voornemens hier positief op te reageren.
Bent u bekend met het gegeven dat de Dutch Relief Alliance (DRA) inmiddels 2.5 miljoen euro heeft vrijgemaakt van het bestaande DRA-budget voor hulp in Oekraïne? Bent u bereid om, gezien het gegeven dat de nood veel groter wordt nu er meer dan 1 miljoen vluchtelingen al de grens zijn overgestoken, het DRA-budget eenmalig te verhogen om aan de extra noden van deze Oekraïense vluchtelingen ook in de buurlanden, te voldoen? Is het u bekend dat de VN-Vluchtelingenorganisatie UNHCR een oproep heeft gedaan aan landen om in totaal 1,7 miljard dollar vrij te maken om de juiste bescherming te kunnen bieden aan vluchtelingen binnen Oekraïne en de opvang van vluchtelingen buiten Oekraïne? Bent u bereid om een additioneel bedrag vrij te maken om een grotere bijdrage te leveren aan dit fonds?
Ja, het kabinet is bekend met het gegeven dat de DRA inmiddels 2.5 miljoen heeft vrijgemaakt om een joint respons te beginnen in Oekraïne. Zoals de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking uw Kamer meedeelde in haar brief over de humanitaire inspanningen voor Oekraïne en buurlanden1 is door haar tijdens de actie van Giro 555 is een additionele bijdrage van 15 miljoen euro bekendgemaakt. Dit is bedoeld voor de organisaties die bij Giro 555 betrokken zijn – o.a. leden van de DRA – die zullen zorgen dat het geld terechtkomt bij de mensen die dit het hardst nodig hebben, inclusief vluchtelingen in de buurlanden.
Tevens is het kabinet bekend met de oproep van de VN om in totaal 1,7 miljard dollar vrij te maken voor de slachtoffers van de oorlog in Oekraïne. In reactie op deze oproep is meteen een additioneel bedrag van 20 miljoen beschikbaar gesteld om de VN te ondersteunen in het verlenen van levensreddende hulp in Oekraïne.
Deze bedragen komen bovenop de meerjarige en flexibele bijdragen van Nederland aan de VN, het Rode Kruis en andere humanitaire hulporganisaties. Daarmee worden deze organisaties in staat gesteld snel en flexibel te reageren op de ontwikkelingen van de crisis. Ook hierover informeerde de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking uw Kamer in eerdergenoemde brief. Het kabinet blijft de ontwikkelingen van de humanitaire crisis nauwgezet volgen.
Is het u bekend dat er op maandag 7 maart een landelijke actie van Giro 555 is? Bent u van plan net als bij sommige voorgaande inzamelingsacties dit bedrag te verdubbelen? Zo nee, bent u alsnog bereid dit te doen?
Zoals hierboven vermeld, heeft het kabinet een extra bedrag van 15 miljoen beschikbaar gesteld om de Giro 555 actie te ondersteunen.
Bent u het ermee eens dat, aangezien enkele grensgebieden van Oekraïne, zoals in Hongarije en Roemenië, tot de armste regio’s van Europa horen, er voor de fatsoenlijke opvang van vluchtelingen een groot te kort is aan voldoende opvangplekken?1 Op welke manier worden deze landen en regio’s bijgestaan om dit op korte termijn voor elkaar te krijgen? Bent u bereid in samenwerking met de Europese Commissie deze landen of internationale organisaties ter plekke financieel bij te staan om hier een bijdrage aan te leveren?
Het kabinet is het met deze leden eens dat Europa eensgezind moet zijn over de opvang van mensen die het conflict in Oekraïne ontvluchten en de buurlanden van Oekraïne waar nodig moet ondersteunen bij de opvang van vluchtelingen. Daar zet het kabinet zich dan ook voor in. Waar tot voor kort de opvangcapaciteiten in omringende landen voldoende leek, ontvangt het kabinet inmiddels signalen dat deze zijn grenzen begint te bereiken. Hierover wordt in verschillende Europese gremia actief gesproken.
Binnen de EU bestaan meerdere manieren om ondersteuning te coördineren ten behoeve van de getroffen lidstaten, zoals geschetst in het antwoord op vraag 1. Aanvullend steunt het kabinet het Europese noodhulpcoördinatie mechanisme (UCPM) waar omringende landen Moldavië, Slowakije en Polen momenteel steun van ontvangen. Het kabinet ondersteunt deze lidstaten zo via het UCPM. Aanvullend heeft het kabinet een half miljoen euro vrij gemaakt om Moldavië te ondersteunen.
Bent u bekend met de in de media verschenen verschillende berichten over discriminatie bij de verschillende grensposten?2 Wat vindt u van het gegeven dat uit eigen observaties blijkt dat dit ook plaatsvindt aan de Oekraïens-Hongaarse grens, waarbij met name Oekraïens-Hongaarse Roma – die een Hongaars paspoort hebben maar geen verblijfplaats – zeer kwetsbaar zijn? Is er tijdens de gesprekken over de Tijdelijke Beschermingsrichtlijn over deze ongelijke behandeling gesproken? Op welke manier zorgt deze richtlijn ervoor dat in de grenslanden alle groepen gelijkwaardig worden behandeld en dezelfde rechten hebben? Hoe gaat u hier op toezien?
De berichten over discriminatie aan de grens zijn het kabinet bekend. De situatie aan de grenzen van Oekraïne is diffuus en dat maakt het moeilijk om de berichtgeving te verifiëren, dergelijke berichtgeven is echter zorgelijk. Bij verificatie van de berichtgeving zijn er op grond van de beschikbare informatie geen aanwijzingen gevonden dat er sprake is van discriminatie aan de EU zijde van de grens. Het kabinet meent echter dat er nooit sprake mag zijn van discriminatie, racisme of welke selectie dan ook op basis van nationaliteit of huidskleur. Zeker niet wanneer mensen op de vlucht zijn voor geweld zoals bij de ontheemden van Oekraïne het geval is.
Het kabinet volgt de ontwikkelingen nauwgezet. De autoriteiten van buurlanden die vluchtelingen ontvangen, waaronder Polen en Hongarije, bevestigen dat alle mensen op de vlucht voor de oorlog in Oekraïne worden doorgelaten. De ambassades in de buurlanden hebben geen signalen ontvangen dat vluchtelingen structureel door grensautoriteiten worden geweerd op grond van nationaliteit of huidskleur. Ditzelfde geldt voor minderheden, zoals de Roma. Dit laat onverlet dat de kwetsbare positie van minderheden continue aandacht behoeft.
Zijn de signalen dat er ook criminelen actief zijn als mensenhandelaren aan de grensposten bij u bekend?3 Bent u bereid om met betrokken grenslanden en ervaren NGO’s tot een plan te komen om vluchtelingen bescherming tegen hen te bieden? En bent u tegelijkertijd bereid om samen met andere landen zelf vervoer te regelen, zodat vluchtelingen veilig kunnen afreizen naar andere landen? Zo ja, op welke manier?
Het kabinet is bekend met de signalen. EuropOL monitort gezamenlijk met de desbetreffende grenslanden deze signalen nauwlettend. Zij hebben daarbij in het bijzonder aandacht voor kwetsbare groepen. De gevolgen voor de georganiseerde criminaliteit, waaronder mensenhandel, zijn nog niet exact duidelijk. Deze moeten in Europees verband en in onderlinge samenhang in kaart worden gebracht. Het departement verkent samen met het Openbaar Ministerie, Politie en andere partners nationaal en in Europees verband hoe tot dit beeld te komen, zodat vervolgens de meeste effectieve gezamenlijke interventies kunnen worden vastgesteld en ingezet.
In alle grenslanden (Polen, Slowakije, Hongarije en Roemenië) en vele andere Europese Lidstaten (o.a. Duitsland, Oostenrijk, Tsjechië, Frankrijk en België) is het gebruik van treinen van het openbaar vervoer gratis voor vluchtelingen uit Oekraïne. Ook in Nederland kan dit. Hierdoor kan er veilig door de EU gereisd worden.
De berichten ‘Miljoenen Oekrainers op de vlucht’ en ‘Noodopvang zonder plan’ |
|
Anne Kuik (CDA) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u de laatste stand van zaken schetsen over de vluchtelingenstroom uit de Oekraïne naar Nederland?1 2
Voor een overzicht van de laatste stand van zaken omtrent alle inspanningen die verricht worden naar aanleiding van de vluchtelingenstroom uit Oekraïne, waaronder de realisatie van 50.000 opvangplekken onder coördinatie van de veiligheidsregio’s, verwijs ik u naar de Kamerbrieven van 8 maart en 17 maart jl.
Kunt u aangeven welke ruimte er in de huidige asielopvang is?
Zie antwoord vraag 1.
UNHCR vreest voor de grootste vluchtelingencrisis van deze eeuw in Europa, hoe gaat u Nederland hierop voorbereiden? Welke voorbereidingen zijn al getroffen?3
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bekend met de uitspraken van de voorzitter van de Europese Commissie dat met alle EU-landen expliciete plannen zijn gemaakt vluchtelingen te kunnen verwelkomen en te herbergen? Om welke plannen gaat het? Hoe ziet de spreiding eruit?4
De voorzitter van de Europese Commissie gaf op 24 februari aan dat de EU klaar is voor de komst van Oekraïners en met alle EU-lidstaten in de frontlinie noodplannen zijn gemaakt om deze vluchtelingen te kunnen verwelkomen en herbergen. Ook de Commissie en haar agentschappen hebben inderdaad noodplannen voorbereid. Zoals aangegeven in de brief van 17 maart jl. heeft de EU een aantal instrumenten tot haar beschikking die snel ingezet kunnen worden voor o.a. het delen van informatie, het coördineren van noodhulp en het coördineren van steunverzoeken aan EU Civil Protection Mechanism (UCPM), het Europees Asiel Agentschap en Frontex. Deze mechanismes zijn momenteel actief en werken naar behoren. Frontex en het EUAA geven aan klaar te staan om lidstaten te ondersteunen die dat nodig achten.
Deelt u de mening dat er een noodplan moet komen om de hulp en opvang in goede banen te leiden? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de noodzaak tot coördinatie bij het organiseren van de opvanglocaties en voorzieningen. Zoals omschreven in de Kamerbrief van 8 maart jl., is met ingang van 9 maart een crisisstructuur in werking getreden, waarbinnen de veiligheidsregio’s de realisatie van opvangplekken coördineren.
Deelt u de oproep een speciale opvangambassadeur aan te stellen, die in deze crisis snel met partijen kan schakelen zoals gemeenten, kerken en maatschappelijke organisaties om zo opvanglocaties en voorzieningen te organiseren?
Zie antwoord vraag 5.
We zien dat heel Nederland helpt, bent u bekend met de vele particuliere initiatieven uit de samenleving om hulp te bieden aan de Oekraïense vluchtelingen? Herkent u ook de vragen van mensen die willen helpen maar niet weten hoe ze het moeten organiseren? Deelt u de mening dat coördinatie wenselijk is?
Ik herken de wenselijkheid van een landelijk coördinatiepunt voor alle particuliere initiatieven. Voor de laatste stand van zaken hieromtrent verwijs ik u naar de Kamerbrief van 17 maart jl.
Hoe wilt u ervoor zorgen dat hulp uit de samenleving snel wordt gekoppeld aan de vraag voor huisvesting, begeleiding, hulpmiddelen etc. die nodig zijn voor de Oekraïense vluchtelingen?
Zie antwoord vraag 7.
Ziet u ook het belang van een landelijk coördinatiepunt zodat de kracht en hulp uit de samenleving ook daadwerkelijk benut kan worden?
Zie antwoord vraag 7.
De verblijfstermijn voor inwoners van Oekraïne wordt verlengd, kunt u aangeven welke andere rechten de inwoners in Nederland hebben dan wanneer ze in een asielprocedure terechtkomen? Wat betekent het bijvoorbeeld voor scholing voor de kinderen die gevlucht zijn?
Voor de laatste stand van zaken over de voorzieningen waarvoor vluchtelingen uit Oekraïne in aanmerking komen, waaronder toegang tot onderwijs, verwijs ik u naar de Kamerbrief van 17 maart jl.
De consul van Rusland in Maastricht die weigert de inval van Rusland in Oekraïne te veroordelen |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nederlandse consul Rusland in Maastricht blijft pal achter Poetin staan» dat op 28 februari in De Limburger verscheen?1
Ja.
Wat is uw appreciatie van het feit dat deze consul in Nederland zijn werk kan blijven doen, de militaire invasie van Rusland in Oekraïne en de agressie van Poetin niet veroordeelt, en het frame van het Kremlin ook in Nederlandse kranten kan verspreiden?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken keurt het standpunt van de honorair consul ten zeerste af. Naar aanleiding van het genoemde interview heeft het college van de burgemeester en Wethouders van de gemeente Maastricht in overleg met het ministerie een brief met deze strekking aan de honorair consul verstuurd.
Bent u bereid om de consul te ontbieden op het ministerie voor een gesprek over de uitspraken die hij in dit interview doet?
Uw Kamer is bekend met de verschillende maatregelen die er de afgelopen weken in reactie op de aanvalsoorlog van Rusland tegen Oekraïne zijn genomen. Deze maatregelen moeten in samenhang worden bezien. Geen enkele stap in reactie op het Russische handelen wordt uitgesloten.
Ook op diplomatiek vlak zijn er stappen genomen. Zo zijn de ambassadeur van Rusland en van Belarus ontboden. Zij hebben duidelijk te horen gekregen dat Nederland de inval onacceptabel vindt en Oekraïne steunt. Daarbij draagt de ambassadeur van Rusland in beginsel verantwoordelijkheid voor de uitspraken van de honorair consul.
Overigens laat de gemeente Maastricht weten dat er al enige tijd geen sprake meer is van een huurovereenkomst en dat het consulaat als zodanig dus niet meer in Maastricht is gevestigd.
Steunt u het initiatief van een petitie die pleit voor het sluiten van het Russische consulaat in Maastricht?
Zie antwoord vraag 3.
Het artikel 'Mogelijke betalingen aan IS, corruptie en fraude door telecomgigant Ericsson in Irak' |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Mogelijke betalingen aan IS, corruptie en fraude door telecomgigant Ericsson in Irak»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het zorgelijk is dat een bedrijf dat in Nederland actief is en waarmee KPN zaken doet, mogelijk terrorisme financiert?
Het financieren van terrorisme is zorgelijk, onaanvaardbaar en strafbaar. Ter signalering, voorkoming en bestrijding van terrorismefinanciering trekt Nederland nauw op met andere (Europese) landen, de private sector en maatschappelijke organisaties. Terrorisme bestrijden is een gedeelde verantwoordelijkheid en de betrokken partijen nemen het onderwerp zeer serieus. Het feit dat KPN aan Ericsson om opheldering heeft gevraagd is hier een voorbeeld van. Ericsson heeft desgevraagd aangegeven dat de kwestie onderzocht wordt en dat in vervolg hierop maatregelen worden getroffen.
Deelt u de mening dat door nationale IMVO-wetgeving die bedrijven verplicht onderzoek te doen naar misstanden in hun productieketen, dit soort misstanden, waarbij Nederland indirect bijdraagt aan terrorisme, voorkomen kunnen worden?
Als bedrijven aan IMVO-wetgeving (Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen) moeten voldoen, betekent dit dat zij verplicht zijn gepaste zorgvuldigheid toe te passen in lijn met de OESO Richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen (OESO-richtlijnen). Onderdeel van die gepaste zorgvuldigheid is dat ondernemingen negatieve gevolgen voor mens en milieu van hun activiteiten, of die van hun zakelijke relaties in de waardeketen, in kaart brengen, zoveel mogelijk voorkomen en aanpakken.
Op het moment is het financieren van terrorisme evenwel al strafbaar, en dienen bedrijven hiertegen actie te ondernemen. Wetgeving helpt, maar kan niet alle misstanden voorkomen.
Kunt u, gezien het feit dat zakendoen met Huawei niet wenselijk is door de vrees voor spionage van Chinese veiligheidsdiensten, aangeven wat naast Huawei en Ericsson alternatieve bedrijven zouden kunnen zijn om technologie voor 5G te leveren aan onze telecomproviders in Nederland?
De kwestie rond Ericsson staat los van de maatregelen die zijn getroffen om de veiligheid en integriteit van mobiele telecomnetwerken beter te beschermen tegen actuele statelijke dreigingen. Bij de beoordeling van risico’s ten aanzien van spionage, beïnvloeding of sabotage door statelijke actoren hanteert het kabinet de overwegingen zoals vermeld in de brief aan de Tweede Kamer over C2000 (Kamerstukken II 2018/19, 25 124, nr. 96)2. De daar genoemde overwegingen zijn in het geval van het Zweedse bedrijf Ericsson niet aan de orde.
De markt van leveranciers voor netwerktechnologie en −apparatuur voor mobiele netwerken kent een beperkt aantal spelers. Wereldwijd zijn de belangrijkste leveranciers van technologie voor 5G: Ericsson, Huawei, Nokia, Samsung en ZTE, waarbij de eerste drie leveranciers wereldwijd veruit het grootste marktaandeel hebben. Technologische ontwikkelingen kunnen er voor zorgen dat op termijn nieuwe bedrijven toetreden als leverancier van (delen van) mobiele netwerken. Open RAN (Radio Access Network) is een van die mogelijke ontwikkelingen.3 Over de uitvoering van de motie van de leden Van der Lee (GL) en Van Ginneken (D66) over Open RAN4 zal de Kamer voor de zomer worden bericht.
Welke consequenties zullen er voor KPN gelden vanuit het Ministerie van Economische Zaken naar aanleiding van het genoemde artikel? Bent u bereid om KPN op te roepen duidelijke voorwaarden te stellen aan de verdere toekomstige samenwerking met Ericsson?
Mijn ministerie heeft contact opgenomen met zowel KPN als Ericsson. KPN heeft naar aanleiding van de berichtgeving reeds zelf actie ondernomen. KPN heeft aangegeven Ericsson om opheldering te hebben gevraagd en in gesprek te zijn over wat Ericsson doet om de in het artikel genoemde gedragingen waarvan zij beschuldigd wordt te voorkomen. Dat lijkt mij een gepaste actie. Ericsson heeft laten weten dat de kwestie onderzocht is in samenwerking met een external legal counsel en dat er naar aanleiding daarvan remediërende maatregelen zijn getroffen. Met deze counsel wordt nog gekeken welke vervolgmaatregelen kunnen worden genomen. Ericsson committeert zich voorts aan vervolgacties en −onderzoek indien daar aanleiding voor is. Deze acties van Ericsson lijken mij eveneens gepast.
Heeft de Minister van Buitenlandse Zaken reeds contact gehad met de Zweedse Minister van Buitenlandse zaken en de Minister van Economische Zaken om met hen te bespreken wat zij gaan doen om te zorgen dat Ericsson zijn zaken op orde krijgt en dit soort praktijken in de toekomst voorkomen kunnen worden?
Nee. Het is aan de Zweedse autoriteiten om op te treden richting hun ondernemingen indien wet- en regelgeving overtreden wordt. Medewerkers van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat hebben contact gehad met KPN en Ericsson over de kwestie. Daaruit bleek dat beide partijen de eerste benodigde stappen van onderzoek en remediëring toepassen. Dat lijkt gepast.
Het artikel ‘VVD-handelsminister hielp bedrijfslobby tegen aanpak kinderarbeid en milieuschade’ |
|
Marieke Koekkoek (D66) |
|
Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «VVD-handelsminister hielp bedrijfslobby tegen aanpak kinderarbeid en milieuschade»?1
Ja.
Wat is uw reactie op het artikel?
Ik heb kennisgenomen van het artikel.
Kunt u bevestigen dat VNO-NCW in Nederland een ander standpunt uitdraagt of uitgedragen heeft dan in Brussel?
Zoals aangegeven in de beantwoording op de vragen van lid Van Dijk van 31 augustus 2021 (Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2020–2021, nr. 3857) heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken tijdens de vernieuwing en uitwerking van het IMVO-beleid herhaaldelijk inbreng ontvangen van o.a. VNO-NCW, bijvoorbeeld tijdens stakeholderconsultaties.
VNO-NCW heeft constructieve bijdragen geleverd aan deze consultaties. Er zijn geen concrete aanwijzingen ontvangen voor een andere opstelling van
VNO-NCW in Europa.
Kunt u bevestigen dat de richtlijnen voor multinationale ondernemingen van de Organisatie voor Economische Samenwerking Ontwikkeling (OESO), en daarmee een zorgplicht voor alle bedrijven voor hun gehele toeleveringsketen, leidend zullen zijn in de Nederlandse inzet op het Europese voorstel op het gebied van Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemenn (IMVO)?
Als lidstaat onderschrijft Nederland de OESO Richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen en zal het kabinet bedrijven aansporen te handelen in lijn met de OESO-richtlijnen.
Momenteel bestudeert het kabinet het recent gepubliceerde Commissievoorstel inzake IMVO. Effectiviteit, proportionaliteit en het gelijke speelveld zijn daarbij belangrijke overwegingen. Uw Kamer wordt zoals gebruikelijk middels een BNC-fiche geïnformeerd over de Nederlandse positie ten aanzien van het Commissievoorstel.
Zal u, net als uw voorganger, parallel aan het Europese voorstel werken aan een ambitieus Nederlands voorstel, teneinde de druk in Brussel op te voeren een ambitieuzer voorstel overeen te komen?
Zoals aangegeven in het coalitieakkoord 2021–2025 zal het kabinet in de EU IMVO-wetgeving bevorderen en nationale IMVO-wetgeving invoeren die rekening houdt met een gelijk speelveld met omringende landen en implementatie van mogelijke EU-regelgeving.
Welke status heeft het rapport van de Sociaal Economische Raad (SER) voor de Europese onderhandelingen omtrent IMVO-wetgeving?
Het SER-advies «Effectieve Europese gepaste zorgvuldigheidwetgeving voor duurzame ketens» is positief ontvangen en is meegenomen in de totstandkoming van de bouwstenen voor IMVO-wetgeving (Kamerstuk 26 485, nr. 377). Op basis van de Kamerbrief over de bouwstenen voor IMVO-wetgeving is een non-paper opgesteld en verspreid onder stakeholders in de Europese Unie. In het Commissievoorstel is een groot aantal onderdelen van het non-paper terug te vinden.
Nu de Europese Commissie haar conceptrichtlijn voor verplichte gepaste zorgvuldigheid heeft gepubliceerd, is een nieuw hoofdstuk gestart om tot een dwingende Europese maatregel te komen. Momenteel bestudeert het kabinet het recent gepubliceerde Commissievoorstel. Uw Kamer wordt zoals gebruikelijk geïnformeerd over de Nederlandse positie ten aanzien van het Commissievoorstel middels een BNC-fiche.
Met welke stakeholders heeft u gesproken ter consultatie voor het bepalen van het Nederlandse standpunt omtrent IMVO-wetgeving? Zijn er daarnaast nog andere stakeholders geconsulteerd en zo ja, welke?
Momenteel wordt het kabinetsstandpunt bepaald ten aanzien van het gepubliceerde Commissievoorstel inzake IMVO. Ik heb hiertoe gesproken met vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en het maatschappelijk middenveld. Uw Kamer zal zoals gebruikelijk een BNC-fiche hierover ontvangen.
Bij de totstandkoming en uitwerking van de beleidsinzet op gebied van IMVO2, waarvan IMVO-wetgeving onderdeel uitmaakt, is uitgebreid met vele verschillende stakeholders gesproken. Op de IMVO-webpagina op rijksoverheid.nl is verslag gedaan van de stakeholderconsultaties.3 In de beantwoording op vragen van het lid Van Dijk (Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2020–2021, nr. 3857) heeft mijn voorganger reeds een overzicht gedeeld van de gesprekken die gevoerd zijn.
Bent u bereid de Kamer een overzicht te geven, waarin uiteengezet wordt hoe het Nederlandse standpunt tot stand is gekomen, welke input van stakeholders daarin meegenomen is en hoe deze heeft doorgewerkt in de Nederlandse inzet, zowel op Europees niveau als de mogelijke nationale wetgeving?
Zie antwoord vraag 7.
Noodvisa voor journalisten door de situatie in Oekraïne |
|
Marieke Koekkoek (D66) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat er in Oekraïne ook Russische en Wit-Russische journalisten wonen, die uit angst voor repressies al eerder hun thuislanden zijn ontvlucht naar Oekraïne?
Ja.
Erkent u dat deze journalisten dreigen gevaar te lopen nu Oekraïne is binnengevallen door Russische en Wit-Russische gevechtstroepen? Hoe beoordeelt u het gevaar dat deze journalisten in handen komen van het Russische en Wit-Russische regime en worden gearresteerd?
Iedereen die momenteel in Oekraïne verblijft loopt gevaar. Het kabinet heeft reden aan te nemen dat deze groep in het bijzonder gevaar loopt in de gebieden in handen van het Russische leger. Journalisten in deze gebieden kunnen mogelijk gearresteerd worden.
Erkent u dat Russische en Wit-Russische journalisten die verblijven in Oekraïne geen aanspraak kunnen doen op een automatische verblijfsvergunning in de Schengen-unie, zoals Oekraïense burgers?
Bij de beantwoording van deze vraag gaan wij ervan uit dat wordt gedoeld op de EU-Tijdelijke beschermingsrichtlijn. Op 4 maart 2022 is deze richtlijn ten aanzien van ontheemden uit Oekraïne geactiveerd, ook om als EU gezamenlijk een veilige haven te bieden aan hen die het conflict ontvluchten. In artikel 2 lid 1 onder b van het uitvoeringsbesluit van de Raad (no. 2022/382) is neergelegd dat de tijdelijk bescherming (onder meer ook) van toepassing is op onderdanen van andere derde landen dan Oekraïne die vóór 24 februari 2022 in Oekraïne internationale bescherming genoten. Een nagenoeg gelijksoortige bepaling is in het besluit opgenomen ten aanzien van staatlozen en onderdanen van andere derde landen dan Oekraïne die kunnen aantonen dat zij vóór 24 februari 2022 legaal in Oekraïne verbleven op basis van een geldige permanente verblijfsvergunning die overeenkomstig Oekraïens recht is afgegeven, en die niet in staat zijn in veilige en duurzame omstandigheden naar hun land of regio van oorsprong terug te keren. Aanvullend biedt de richtlijn de lidstaten de mogelijkheid om de groep waarop de richtlijn van toepassing is, uit te breiden. Het kabinet zal u hierover op korte termijn nader informeren.
Bent u bekend met het beleid van Kosovo, dat heeft toegezegd om aan 20 journalisten uit Oekraïne een 6 maanden-verblijfsvergunning en onderdak te bieden?
Ja.
Is Nederland, als voorzitter van de Media Freedom Coalition en voortrekker op het gebied van persvrijheid, bereid om het voorbeeld van Kosovo te volgen en 20 noodvisa aan te bieden aan Wit-Russische en Russische journalisten die in Oekraïne wonen?
Vrijheid van meningsuiting, met een focus op persvrijheid, is het fundament voor een goed functionerende democratie. De veiligheid van journalisten is voor groot belang voor een vrije pers. Zoals in de beantwoording van vraag 3 aangegeven, heeft de EU op 4 maart jl. de Tijdelijke beschermingsrichtlijn ingesteld ten aanzien van Oekraïners die het conflict zijn ontvlucht, en kunnen ook specifieke groepen derdelanders onder de reikwijdte van deze richtlijn vallen. Op deze wijze biedt de EU een veilige haven voor iedereen die het conflict ontvlucht. Voor mensenrechtenverdedigers en journalisten die niet onder deze richtlijn vallen geldt dat Nederland in het kader van het Shelter City-programma jaarlijks ongeveer 30 mensenrechtenverdedigers (waaronder journalisten) tijdelijke opvang, training en veiligheid biedt. Ook draagt Nederland EUR 2 miljoen bij aan een fonds gericht op de bescherming van journalisten in nood. In specifieke situaties beziet het kabinet of specifieke oplossingen mogelijk zijn. Daarnaast werkt Nederland aan het steunen van Russischtalige onafhankelijke media en journalisten buiten Rusland, o.a. door verblijfmogelijkheden in Nederland. Vanwege de veiligheid van deze personen kan het kabinet hierover geen nadere mededelingen doen.
Kan dit via de ambassade in Polen georganiseerd worden, aangezien Wit-Russische en Russische journalisten uit Oekraïne zelf Polen kunnen bereiken?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u daarbij aangeven op welke termijn dit gerealiseerd zou kunnen worden?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bekend met het artikel ««Ukrainians go first»: How black and brown people are struggling to escape the Russian invasion» van Euronews?1
Ja.
Erkent u dat naast Oekraïners ook mensen met een andere nationaliteit in Oekraïne verblijven, waaronder veel Afrikaanse studenten, die gevaar dreigen te lopen nu Oekraïne is binnengevallen?
Ja, het kabinet erkent dat naast Oekraïners ook mensen met een andere nationaliteit dan de Oekraïense nationaliteit gevaar dreigen te lopen.
Kunt u bevestigen dat mensen zonder EU-visum, dus zonder Oekraïense of EU-paspoort, geweigerd worden aan de Europese buitengrenzen?
De EU-Lidstaten die grenzen aan Oekraïne- Polen, Slowakije, Hongarije en Roemenië- hebben aangegeven dat iedereen die uit Oekraïne vlucht ongeacht de nationaliteit de grens over mag steken en zo toegelaten wordt tot de EU.
Klopt het dat de richtlijn tijdelijke bescherming (2001) ook opgaat voor vluchtelingen uit Oekraïne zonder EU-visum?
Zoals ook reeds aangehaald in het antwoord op vraag 3 is in artikel 2 lid 1 onder b van het uitvoeringsbesluit van de Raad van 4 maart 2022 neergelegd dat de tijdelijk bescherming van toepassing is op onderdanen van andere derde landen dan Oekraïne die vóór 24 februari 2022 in Oekraïne internationale bescherming genoten. Voor uitgebreidere toelichting over de toepassing van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming, verwijs het kabinet u naar de Kamerbrief over aanpak opvang vluchtelingen uit Oekraïne van 17 maart jl.
Is Nederland bereid er in woord en daad voor te zorgen dat alle mensen die Oekraïne ontvluchten, ongeacht nationaliteit, gender en religieuze overtuiging in Europa een veilig heenkomen kunnen vinden? Welke stappen zal Nederland daarvoor nemen?
Ter beantwoording van deze vraag verwijzen wij naar de Kamerbrief van 8 maart 2022 over de bespreking en activering van de Richtlijn tijdelijke bescherming op de JBZ-Raad van 3 en 4 maart 2022. Oekraïense onderdanen en derdelanders die internationale bescherming of gelijkwaardige nationale bescherming genieten in Oekraïne, komen in aanmerking voor tijdelijke bescherming, net als hun familieleden. Voor derdelanders of staatlozen die kunnen aantonen dat ze legaal in Oekraïne verbleven op basis van een geldige permanente verblijfsvergunning en die niet in staat zijn om terug te keren naar hun land of regio van herkomst, hebben de lidstaten de keuze om tijdelijke bescherming of een passende nationale status toe te kennen. Het staat lidstaten vrij om de richtlijn ook op andere derdelanders toe te passen. Over de implementatie van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming verwijst het kabinet uw Kamer naar de Kamerbrief van 17 maart jl. over de opvang van vluchtelingen uit Oekraïne.
Zal Nederland daarom in Raadsverband pleiten tijdelijke bescherming te bieden aan alle mensen die Oekraïne ontvluchten en dit ook afdwingbaar te maken?
Zie antwoord vraag 12.
Is Nederland bereid extra mankracht naar de Europese buitengrenzen te sturen om 1) te ondersteunen bij het verwerken van de grote groepen vluchtelingen uit Oekraïne en 2) ter controle dat er geen onderscheid wordt gemaakt tussen mensen die Oekraïne ontvluchten op basis van nationaliteit, gender en religieuze overtuiging, in samenwerking met andere Europese lidstaten en het EU Asylum Agency?
Lidstaten van de Europese Unie zijn primair zelf verantwoordelijk voor de uitvoering van grensbewaking. Voor het kabinet staat echter buiten kijf dat bij grensbeheer van zowel onze eigen grenzen als de gemeenschappelijke Europese buitengrenzen internationaal en Europees recht gerespecteerd dient te worden. De Commissie ziet, als hoedster van de verdragen, toe op de naleving van Europees recht door de lidstaten. De Europese Agentschappen Frontex en het EU Asielagentschap (EUAA) staan paraat om lidstaten die grenzen aan Oekraïne te ondersteunen, waar zij aangeven dat nodig te hebben. Het kabinet staat er voor open om bijdragen te leveren aan deze agentschappen als zij om ondersteuning vragen. Zoals uw Kamer bekend kan inzet van de agentschappen alleen plaatsvinden als een lidstaat hierom verzoekt.
Zal Nederland in Raadsverband pleiten voor verplichte relocatie van alle vluchtelingen uit Oekraïne en daarbij zelf ook de daad bij het woord voegen?
De Richtlijn Tijdelijke bescherming voorziet niet in dwingende feitelijke verdeling van de tijdelijk beschermden over de lidstaten. De richtlijn biedt wel de mogelijkheid om tijdelijk beschermden uit andere EU-lidstaten te laten overkomen. Voor toelichting t.a.v. herverdeling in het kader van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming verwijst het kabinet naar de Geannoteerde Agenda voor de ingelaste JBZ die uw Kamer 21 maart jl. toeging. Het kabinet is nu volop bezig om het aantal opvangplekken op te schalen om de autonome stroom naar NL op te kunnen vangen.
Oekraïense studenten die in Nederland studeren en de wetenschappelijke samenwerking met Rusland. |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u in gesprek met onderwijsinstellingen over de situatie van Oekraïense studenten in Nederland? Zo nee, bent u voornemens dit te doen?
Ja, ik ben direct vanaf het begin van de oorlog in Oekraïne in gesprek met de onderwijsinstellingen.
Is bekend hoeveel Oekraïense studenten op dit moment studeren aan een Nederlandse onderwijsinstelling?
Er studeren momenteel bijna 800 Oekraïense studenten aan Nederlandse hoger onderwijsinstellingen en er staan bijna 60 Oekraïense studenten aan Nederlands middelbaar beroepsonderwijs instellingen ingeschreven.1
Heeft u in beeld wat de oorlog in Oekraïne betekent voor de (financiële) situatie van Oekraïense studenten hier?
Deze informatie komt steeds beter in beeld. Doordat diverse Oekraïense banken een opnamelimiet hebben ingesteld, hebben diverse Oekraïense studenten moeite om bij hun financiële middelen te komen. Ook zijn er signalen binnen gekomen van schrijnende gevallen waarbij familie van studenten de volledige rekening heeft leeg gepind om te kunnen vluchten. Ik adviseer studenten om hun financiële middelen op een Nederlandse bank te storten. Voor (financiële) noodhulp kunnen Oekraïense studenten zich wenden tot hun onderwijsinstelling.
Kunt u in kaart brengen op welke manieren deze studenten kunnen worden ondersteund en kunt u aangeven of dit volgens u voldoende is? Zo nee, op welke aanvullende manieren kunnen deze studenten ondersteund worden?
De eerste signalen die we hebben ontvangen betreffen financiële ondersteuning en mentale ondersteuning. Ik heb de hoger onderwijsinstellingen verzocht Oekraïense studenten zo goed mogelijk op te vangen en waar mogelijk (financieel) te ondersteunen. De instellingen kunnen hierbij aanspraak maken op de € 1 miljoen die ik in mijn brief van 4 maart jongstleden heb toegezegd2. Ik ben blij dat de onderwijsinstellingen zelf al veel acties ondernemen om de oorlog in Oekraïne bespreekbaar te maken op de onderwijsinstelling en deze studenten financieel te ondersteunen.
Hoe worden studenten ondersteund die te maken hebben met weggevallen financiële ondersteuning vanuit Oekraïne, bijvoorbeeld door familieleden?
Deze studenten kunnen zich in eerste instantie melden bij hun onderwijsinstelling die voor de korte termijn een financiële bijdrage kunnen leveren. De onderwijsinstellingen wenden fondsen aan om studenten te helpen die in acute financiële problemen komen. Het voorzien in levensonderhoud van studenten is geen onderdeel van de zorgplicht van onderwijsinstellingen, maar hoort dit thuis bij gemeenten of de centrale overheid. Gezien de acute nood van een deel van de studenten kijken instellingen met zorg naar de noodvraag van betreffende studenten.
Welke gevolgen heeft deze oorlog op bestaande samenwerkingsverbanden met Oekraïense onderwijsinstellingen?
Deze impact wordt nu langzaam zichtbaar en voelbaar. Er is op persoonlijk niveau veel medeleven en waar mogelijk wordt de informele samenwerking voortgezet. De crisis maakt het voor veel Oekraïners echter moeilijk om «normaal» door te werken en studeren. De komende tijd moet uitwijzen of bestaande samenwerkingsverbanden op de reguliere wijze voortgezet kunnen worden.
Wat betekent de Oekraïense dienstplicht voor Oekraïense mannelijke studenten hier?
Als mannelijke Oekraïense studenten in dienstplicht moeten, kan het zijn dat ze hun studie en verblijf in Nederland moeten onderbreken en naar Oekraïne moeten afreizen. Of de student hier gehoor aan geeft is een private afweging. De Nederlandse wetgeving laat toe dat een Oekraïense student zijn verblijfsrecht in Nederland houdt zolang deze de dienstplicht vervult en binnen zes maanden na beëindiging van de dienstplicht naar Nederland terug is gekeerd.
Bent u bekend met het bericht «Banden met Rusland verbreken? De Nederlandse wetenschap blijft stil».1
Ja.
Wat is uw appreciatie van het feit dat het Duitse hoger onderwijs en de wetenschap heeft besloten de samenwerking met Russische universiteiten, wetenschapsorganisaties en hogescholen te staken?
Dit is in lijn met de uitspraak van Europese ministers in de Raad van Europa en de Europese Commissie. Ook ik ben van mening dat we de formele samenwerking met Russische universiteiten, wetenschapsorganisaties en hogescholen moeten bevriezen. Dit heb ik in een dringend advies naar de voorzitters van UNL, VH, NFU, KNAW en NWO gestuurd. Dit is op 4 maart jongstleden met uw Kamer gedeeld.4
Wat is het kabinetstandpunt op dit punt en de kabinetsinzet in de Europese Unie als het gaat om wetenschappelijke samenwerking met Rusland?
Zie het antwoord op vraag 9.
Bent u in gesprek met de UNL en de VH over hun beleid ten aanzien van het continueren van de wetenschappelijke samenwerking met Rusland?2
In nauwe afstemming met onder andere UNL en de VH heb ik op 4 maart jongstleden een dringende oproep kunnen uitsturen naar de voorzitters van UNL, VH, NFU, KNAW en NWO. Dit geeft instellingen handvatten hoe om te gaan met de Europese sancties ten aanzien van de formele samenwerking met Russische instanties.
Het bericht 'Kaag wil extra sancties trustkantoren, grote gevolgen voor Zuidas' |
|
Tom van der Lee (GL), Jesse Klaver (GL) |
|
Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66) |
|
|
|
|
Kunt u de Kamer gegeven de urgentie van de oorlog in Oekraïne en maatregelen tegen Rusland op de kortst mogelijke termijn informeren over uw nadere voornemens ten aanzien van de aanpak van de Nederlandse trustsector, bijvoorbeeld door voor het einde van de week een brief aan de Kamer te doen toekomen of onderstaande Kamervragen binnen een week te beantwoorden, ook in het licht van uw voornemen, geuit in de hoofdlijnenbrief, om de Kamer «actief, accuraat, volledig en tijdig te informeren»?1
Ik heb mij ingezet om deze vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden.
Hoeveel Russisch vermogen is in Nederlandse brievenbusfirma’s ongeveer of in ieder geval ondergebracht? En hoeveel van dat vermogen is naar (grove) schatting effectief bevriesbaar, omdat het bijvoorbeeld liquide is en op een Europese rekening staat, vastgoed in de EU is of iets dergelijks, in plaats van niet bevriesbare bezittingen in bijvoorbeeld Rusland die in Nederland in de boeken staan?
Als Minister van Financiën beschik ik niet over data betreffende Russisch vermogen in Nederlandse brievenbusfirma’s. Voor zover toezichthouders, de Belastingdienst of opsporingsautoriteiten hierover informatie hebben, kunnen zij in verband met geheimhoudingsverplichtingen daar geen mededelingen over doen. Wel heeft De Nederlandsche Bank (DNB) statistische gegevens over directe investeringen vanuit Rusland naar Nederland. Het gaat hierbij volgens DNB ongeveer om 27 miljard euro. Het is niet bekend welk deel van dit vermogen effectief bevriesbaar is in Nederland of de Europese Unie.
In mijn brief van 22 maart jl. waarin ik uw Kamer informeerde over bevriezingen door de financiële sector heb ik toegelicht dat in Nederland alleen financiële instellingen een melding doen van het bevriezen van vermogen van gesanctioneerde entiteiten. Dat bevriezen kunnen financiële instellingen als het vermogen bij hun is ondergebracht of hun diensten worden gebruikt. Voor anderen dan financiële instellingen die kunnen beschikken over vermogen van gesanctioneerden geldt eveneens de plicht om te bevriezen, omdat de Sanctiewet 1977 op iedereen in Nederland van toepassing is. Zij hoeven die bevriezingen echter niet te melden. Gezien de verschillende rollen en verantwoordelijkheden met betrekking tot bevriezingen heeft het kabinet besloten tot een werkgroep onder leiding van het Ministerie van Buitenlandse Zaken die gaat kijken naar de effectiviteit van de uitvoering en handhaving van de sanctieregelgeving. Deze werkgroep kijkt ook specifiek naar activa van gesanctioneerde personen en entiteiten.
Welke obstakels ziet u voor de handhaving van de ingestelde en aangekondigde sancties? Welke mogelijkheden ziet u om deze obstakels weg te nemen?
Zoals in het antwoord op vraag 2 genoemd heeft het kabinet besloten een werkgroep in te stellen die onder leiding van het Ministerie van Buitenlandse Zaken gaat kijken naar de effectiviteit van de uitvoering en handhaving van de sanctieregelgeving Daarnaast zal ik, zoals aangekondigd in mijn brief van 14 maart jl., ook in gesprek gaan met de toezichthouders op de financiële sector over de beschikbare capaciteit voor hun specifieke taken op dit terrein.
Kunt u toelichten wat u bedoelt met «Er is nog veel meer mogelijk op het gebied van sancties»? Welke mogelijkheden ziet u met betrekking tot sancties en trustkantoren?
Het kabinet wil alle opties op tafel houden qua sancties gericht op Rusland. Zowel in de financiële sector als op andere terreinen zijn aanvullende sancties mogelijk. Specifiek in relatie tot vermogen dat via brievenbusfirma’s loopt, zijn sancties mogelijk tegen het bieden van diensten aan deze entiteiten. Ik denk dan aan het verbieden van het verlenen van trustdiensten aan cliënten en uiteindelijk belanghebbenden (UBO’s) van cliënten uit Rusland of Belarus. Naast het sanctioneren van individuen en rechtspersonen, leidt dit verbod ertoe dat vermogenden uit deze landen moeilijker hun geld door de EU kunnen laten stromen. Dit raakt personen in de kring van Poetin of in ieder geval personen die profiteren van het regime in Rusland. Een dergelijke maatregel sorteert het meest effect als deze in Europees verband wordt vastgesteld en daar zet ik mij op dit moment voor in. Mochten hierin onvoldoende stappen worden gezet dan zal ik hiertoe nationale (spoed)wetgeving in procedure brengen en ontvangt uw Kamer op korte termijn een wetsvoorstel.
Houdt u vast aan het bestaande standpunt dat er, ondanks lopend onderzoek over de kosten en baten van de Nederlandse trustsector, van een verbod op de Nederlandse trustsector «voorlopig geen sprake is»? Of bent u bereid versneld met wetgeving te komen om de gehele Nederlandse trustsector te verbieden?
In juli 2021 heeft mijn voorganger uw Kamer geïnformeerd, gelet op de vraag of bij trustdienstverlening de integriteit wel voldoende te waarborgen is, onderzoek te doen naar de toekomst van de trustsector. Dit onderzoek is aanbesteed en loopt. De uitkomsten van dat onderzoek verwacht ik voor deze zomer. In het onderzoek wordt gekeken naar de maatschappelijke en de financieel-economische (meer)waarde van de trustsector, in de breedste zin van het woord. De onderzoekers buigen zich over verschillende scenario’s. Een van de scenario’s is een algeheel verbod op het verlenen van trustdiensten. Na afronding van het onderzoek zal ik uw Kamer het onderzoek toesturen met mijn appreciatie.
Hoeveel extra middelen gaat u beschikbaar stellen voor een verscherpte aanpak van illegale trustdienstverlening?
In juli 2021 heeft mijn voorganger uw Kamer geïnformeerd dat onderzocht wordt of er intensivering van het toezicht nodig is en of hier extra middelen voor nodig zijn.2 Momenteel onderzoek ik met toezichthouders DNB en Bureau Toezicht Wwft of er extra toezicht aangaande illegale trustdienstverlening nodig is en hoe dergelijk extra toezicht zo effectief mogelijk gestalte kan krijgen. Hierbij wordt ook gekeken of extra middelen nodig zijn.
In deze brief is ook aangekondigd dat in het kader van het Financieel Expertise Centrum (FEC), een samenwerkingsverband van DNB, AFM, FIOD, Belastingdienst, OM, FIU en Politie, het project Illegale Trustdienstverlening loopt. Het project is gericht op een gezamenlijke aanpak van de betrokken instanties om illegale trustdienstverlening terug te dringen.
Hoe gaat u trustkantoren met overzeese vestigingen, zoals op Cyprus en in de Verenigde Arabische Emiraten, die werken voor Russische uiteindelijke belanghebbenden, dwingen om openheid te geven over de constructies die deze trustkantoren via Nederlandse en andere jurisdicties mogelijk maken?
Het wettelijk regime voor trustkantoren, de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) en de Wet toezicht trustkantoren 2018 (Wtt 2018), verplichten trustkantoren tot het achterhalen van de uiteindelijke belanghebbenden (UBO). Deze wettelijke verplichting geldt in de hele Europese Unie. Ook geldt voor rechtspersonen in de Europese Unie de verplichting om in de lidstaat waarin de rechtspersoon is gevestigd de UBO’s in te schrijven in het UBO-register.
Trustkantoren en vestigingen van trustkantoren gevestigd in Europese lidstaten, zoals op Cyprus, zijn verplicht om cliëntonderzoek uit te voeren en uiteindelijke belanghebbenden te identificeren. Dit geldt ook voor Russische uiteindelijke belanghebbenden. Voor Nederlandse trustkantoren met een bijkantoor of een meerderheidsdochteronderneming in een staat die geen Europese lidstaat is, geldt conform de Wwft ook de verplichting cliëntenonderzoek te verrichten. Wanneer een bijkantoor of een meerderheidsdochteronderneming in een staat is gevestigd waar het geldend recht de Wwft gestelde normen in de weg staat, zoals bijvoorbeeld cliëntenonderzoek naar de UBO, dan informeert het trustkantoor DNB. In aanvulling daarop dient het trustkantoor aanvullende maatregelen te nemen om hieruit voortvloeiende risico’s op witwassen of financieren van terrorisme te beheersen. Een trustkantoor kan door DNB worden aangesproken als een bijkantoor of meerderheidsdochteronderneming of een vestiging, tekort schiet in de naleving van de verplichting tot cliëntenonderzoek.
In beginsel kent een trustkantoor geen wettelijke verplichting tot openheid over constructies met uiteindelijke belanghebbenden, ook niet als deze Russisch zijn. In Nederland zijn trustkantoren verplicht openheid te geven aan de Nederlandse toezichthouder wanneer er sprake is van incidenten of wanneer er sprake is van een gesanctioneerde UBO bij een cliënt. Daarnaast moeten trustkantoren ongebruikelijke transacties melden aan FIU-Nederland. Trustkantoren dienen zich te allen tijde aan de sanctiewetgeving te houden.
Mijn inzet is om trustkantoren te verbieden om Russische cliënten te bedienen. Openheid is dan niet meer nodig aangezien het dan simpelweg verboden is om nog langer voor in Rusland gevestigde entiteiten of voor entiteiten met een in Rusland gevestigde UBO te werken.
Hoe ver bent u bereid te gaan om advocatenkantoren zoals Houthoff te dwingen om afstand te doen van hun Russische klanten en openheid te laten geven over het soort van fiscale constructies die zij adviseerden aan Russische klanten om belasting te ontwijken?
Iedereen moet de verplichtingen uit de Sanctiewet 1977 naleven, ook advocaten. In de brief aan de onder zijn toezicht vallende advocaten schrijft de Amsterdamse Deken terecht dat van advocaten een sterk verhoogde waakzaamheid wordt verwacht bij het aanvaarden van nieuwe opdrachten of het voortzetten van bestaande opdrachten. Met referte aan paragraaf 7.1 van de Verordening op de advocatuur (Voda) wijst hij verder op de noodzaak de actuele stand van zaken met betrekking tot sancties nauwlettend te monitoren en bij Wwft-plichtige zaken ongebruikelijke transacties onverwijld te melden bij de FIU-Nederland. Verschillende advocatenkantoren hebben publiek aangegeven dat zij hun relaties verbroken met de Russische overheid en gelieerde personen en bedrijven verbreken. Daarnaast staat de Minister voor Rechtsbescherming in contact met de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) over deze materie en samen blijven zij monitoren of in de praktijk naast de mogelijkheden uit de Sanctiewet, Wwft en Voda nog nadere maatregelen nodig zijn.
Bent u, net als bijvoorbeeld Frankrijk, bereid om alles op alles te zetten om activa van Russen op de EU-sanctielijst in Nederland niet alleen te bevriezen maar ook af te pakken?
Activa van Russen die op de EU-sanctielijst staan, moeten direct worden bevroren door eenieder die in de EU en dus ook in Nederland dienstverlening aan hen aanbiedt. Dat is niet gelijk aan het in beslag nemen en het confisqueren. De Minister van Justitie en Veiligheid heeft mij laten weten dat activa van Russische en Belarussische personen in Nederland slechts op strafvorderlijke titel in beslag kunnen worden genomen en geconfisqueerd door de Staat. Dit kan alleen als er een verdenking is van een strafbaar feit respectievelijk een onherroepelijke uitspraak is met een veroordeling voor een strafbaar feit. In de praktijk is er tijdelijk vaak wel eenzelfde effect, in die zin dat de persoon of entiteit waar het om gaat door bevriezing geen rechtshandelingen, bijvoorbeeld verkopen, meer kan verrichten met betrekking tot die activa. Daarnaast is door de Europese Commissie een Taskforce opgericht op bevriezing en beslagname in het kader van de naleving van de sanctiepakketten, waaraan Nederland deelneemt. De Nederlandse werkgroep die ik in mijn antwoord op vraag 2 heb genoemd kan hiervoor ook informatie leveren.
Bent u bereid om, in EU-verband, ook sancties op te leggen aan Russen die op dit moment nog niet op de sanctielijst staan, maar wel nauwe banden hebben met het Kremlin, en/of familie of ondersteuners zijn van oligarchen? En hoe verhoudt dit zich tot het geldende EU-recht?
Inmiddels zijn tegen 862 personen en 53 entiteiten beperkende EU-maatregelen – sancties – ingevoerd als reactie op de Russische militaire agressie in Oekraïne. De bedoeling van aanvullingen op de sanctielijst is om de kring rondom Poetin te raken. Het kabinet sluit geen enkele aanvullende sanctiemaatregel uit, evenmin listing van personen en entiteiten en aan hen verwante personen en entiteiten die de Russische overheid steunen, er profijt van trekken, en/of er inkomsten voor genereren. EU-sancties zijn geldend EU-recht. Een tijdlijn met informatie, waardoor het aantal gesanctioneerde personen en entiteiten kunt u vinden op de website van de Europese Commissie, de AFM en de DNB3
Bent u bereid te pleiten voor een wereldwijde registratie van activa («global asset registry»)? Sluit u in dat kader zich aan bij de oproep van de Italiaanse premier Draghi om tot een internationaal publiekelijk toegankelijk register te komen voor oligarchen met een vermogen hoger dan 10 miljoen euro? Hoe gaat u zich hier voor inzetten?
Momenteel wordt op Europees niveau een verkenning uitgevoerd naar de haalbaarheid van een EU-vermogensregister. Het Europees Parlement heeft om een dergelijke verkenning gevraagd. Deze studie heeft als doel de haalbaarheid van het project te beoordelen vanuit alle perspectieven, inclusief operationele en juridische aspecten en in het bijzonder de bescherming van fundamentele rechten en persoonsgegevens. Naar aanleiding van deze haalbaarheidsstudie zal de Europese Commissie bezien of verdere stappen proportioneel en noodzakelijk zijn.
Bedoelde haalbaarheidsstudie zal ook in kaart brengen welke registers reeds bestaan binnen de Europese Unie. In dat licht is het goed om op te merken dat in het kader van het voorkomen van het gebruik van het financiële stelsel voor witwassen en terrorismefinanciering reeds diverse registers bestaan. De Europese anti-witwasrichtlijn verplicht namelijk tot het creëren en koppelen van registers waarin de uiteindelijk belanghebbenden van juridische entiteiten en juridische constructies (o.a. trusts) moeten worden opgenomen. Daarnaast kent Nederland – evenals andere lidstaten van de EU – diverse andere registers waarin vermogensbestanddelen worden geregistreerd. Daarbij kan gedacht worden aan het Kadaster waarin onroerende zaken worden geregistreerd. De Europese Commissie heeft in de zomer van vorig jaar een pakket wetgevende voorstellen uitgebracht op het terrein van het voorkomen van het gebruik van het financieel stelsel voor witwassen en terrorismefinanciering, waarin wordt voorgesteld om bepaalde autoriteiten zoals FIUs en AML/CFT-toezichthouders toegang te verlenen tot onroerendgoedregisters, zodat deze autoriteiten tijdig de eigenaar van een onroerende zaak kunnen identificeren. Ook wordt op Europees niveau gekeken naar mogelijkheden om een database te creëren waarin FIUs informatie m.b.t. virtuele valuta kunnen vinden.
Bent u bereid tot het schrappen van de safe harbour voor rente- en royaltydoorstromers, conform de aanbeveling in het rapport van de Commissie Doorstroomvennootschappen, waardoor het minder aantrekkelijk wordt voor brievenbusfirma’s om zich in Nederland te vestigen?
De Commissie Doorstroomvennootschappen heeft aanbevelingen gedaan op verschillende terreinen, zoals fiscale regelgeving, jaarrekeningenrecht, transparantie, toezicht, opsporing en investeringsbeschermingsovereenkomsten. Het vorige kabinet heeft op 22 november 2021 het rapport aan uw Kamer aangeboden en een eerste reactie gegeven op dit rapport.4 De aanbevelingen van de commissie sluiten voor een belangrijk deel aan bij de weg die het vorig kabinet heeft ingeslagen. De Staatssecretaris voor Fiscaliteit en Belastingdienst zal u informeren over de manier waarop het kabinet wil omgaan met de aanbevelingen van de Commissie Doorstroomvennootschappen.
Bent u bereid tot uitbreiding van de spontane uitwisseling van informatie over vennootschappen en spontane informatie-uitwisseling bij vrijgestelde vervreemdingswinsten, conform de aanbeveling van de Commissie Doorstroomvennootschappen?
Zie antwoord vraag 12.
Bent u bereid in EU-verband te pleiten voor een duidelijke invulling van het anti-misbruikbeginsel, in de context van het Europese Unshell-voorstel om brievenbusfirma’s aan te pakken?
Zie antwoord vraag 12.
Bent u bereid conform het advies van de Commissie Doorstroomvennootschappen de verplichtingen aan te scherpen voor wanneer leidinggevend personeel als UBO van een entiteit wordt aangemerkt? En bent u bereid systematische analyse van UBO-registers door journalisten en het publiek mogelijk te maken? En bent u voor een wereldwijde invoering van zo’n transparant UBO-register? Welke stappen gaat u op de voorgenoemde punten op korte termijn zetten?
Zie antwoord vraag 12.
Bent u bereid om ervoor te zorgen dat afzonderlijke entiteiten die onderdeel uitmaken van een groep niet langer, onder bepaalde voorwaarden, de mogelijkheid hebben om vrijgesteld te worden van gebruikelijke rapportageverplichtingen, zoals nu nog geregeld in artikel 403 Burgelijk Wetboek (BW) Boek 2, teneinde te vermoeilijken dat Nederlandse brievenbusfirma’s ingezet worden voor verhulling?
Zie antwoord vraag 12.
Bent u bereid voor ondernemingen die in Nederland enkel op papier gevestigd zijn te verbieden nog langer gebruik te maken van investeringsbeschermingen via een investeringsbeschermingsovereenkomst (IBO)? Als dit op korte termijn in internationaal verband niet lukt, bent u dan bereid bestaande IBO’s met enkel op papier in Nederland gevestigde ondernemingen te heronderhandelen? Deelt u de vaststelling dat de aanpak van ongewenst gebruik van IBO’s tot nu toe nog te veel achterloopt bij de aanpak van misbruik in belastingverdragen?
Zie antwoord vraag 12.
Welke rol speelt Nederland op dit moment in de trans-Atlantische taskforce (G7-verband) om tot uitbreiding van het sanctiepakket over te gaan? Hoe gaat u hierin inhoudelijk een voortrekkersrol nemen?
Het kabinet is voorstander van zo nauw mogelijke coördinatie en samenwerking met sleutelpartners op het gebied van sancties. Wij hebben kennis genomen van het initiatief en momenteel vindt er overleg plaats tussen de verschillende departementen, in het bijzonder Financiën, Buitenlandse Zaken en Justitie en Veiligheid, om te kijken wat Nederland in dit verband kan betekenen en welke grondslagen Nederland heeft om mogelijk een rol te spelen in de trans-Atlantische taskforce. Na deze inventarisatie zullen de betrokken bewindspersonen bepalen of en welke rol Nederland hierin kan vervullen. Daarbij verwijs ik naar het antwoord op vraag 9 en de daargenoemde taskforce die door de Europese Commissie is ingesteld.
Welke contacten heeft u op dit moment met de Maltese overheid om ervoor te zorgen dat ook zij zich scharen achter het voorstel om de toegang tot zogenoemde «gouden paspoorten» ernstig te vermoeilijken?
Op dit moment zijn hierover geen contacten tussen mijn collega van Buitenlandse Zaken en Malta. Voorts is de noodzaak hiertoe niet evident aangezien dit punt al door de Commissie is opgepakt. De Europese Commissie startte namelijk in 2020 een inbreukprocedure tegen Malta, waar een aanmaning op volgde in 2021. Het kabinet steunt deze beslissingen.5
Bent u bereid om het Regeerakkoord open te breken en aanvullende nationale maatregelen te nemen om belastingontwijking en de facilitering van witwassen tegen te gaan? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u dit specificeren?
Het kabinet ziet een ambitieuze verdere aanpak van belastingontwijking en witwassen voor zich in de komende jaren. Aangezien het gaat om grensoverschrijdende problematiek is een internationale aanpak daarbij belangrijk. Een goed voorbeeld hiervan is het akkoord over de herziening van het internationale belastingstelsel (pijler 1 & 2) dat in oktober 2021 met 137 landen in OESO-verband is bereikt. Daarnaast heeft de Europese Commissie recentelijk een voorstel gepresenteerd om ongewenste doorstroom via doorstroomvennootschappen tegen te gaan. Het kabinet zet zich bij deze voorstellen met een positieve en constructieve houding maximaal in om tot een succesvolle implementatie te komen.
Het coalitieakkoord kondigt verder aan dat bedrijven en hun bestuurders die witwassen faciliteren nog steviger zullen worden aangepakt. Dit is onderdeel van de totale aanpak van witwassen. Momenteel worden verschillende (inter)nationale evaluaties uitgevoerd naar de effectiviteit van de aanpak van witwassen en terrorismefinanciering, zoals onderzoek door de Algemene Rekenkamer naar de opbrengsten van de meldketen met betrekking tot witwasbestrijding en een evaluatie van Nederland door de Financial Action Task Force (FATF). In deze onderzoeken gaat ook aandacht uit naar de manier waarop trustkantoren en beroepsgroepen als notarissen, advocaten en accountants hun verplichtingen als poortwachter uitvoeren en hoe daar toezicht op wordt gehouden. Ook de strafrechtelijke aanpak van het faciliteren van witwassen komt aan de orde. De uitkomsten van evaluaties bieden aanknopingspunten om de aanpak, waar nodig, verder te verbeteren. Ik informeer uw Kamer op korte termijn over het proces rond de evaluaties en de aanpak van de opvolging van de uitkomsten.
Racisme aan de grens tussen Polen en Oekraïne |
|
Suzanne Kröger (GL) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht1 dat vluchtelingen die proberen om Oekraïne te verlaten toegang tot de EU wordt geweigerd op basis van hun huidskleur, worden mishandeld en zelfs gevangen worden gezet? Zo ja, klopt dit bericht?
Ja, het kabinet heeft kennis genomen van berichtgeving over discriminatie aan de grens. Dergelijke berichten zijn zorgelijk en is het van belang deze goed te verifiëren.
Na verificatie van de berichtgeving zijn er op grond van de beschikbare informatie geen aanwijzingen gevonden dat er sprake is van discriminatie aan de EU zijde van de grens. De situatie aan der grenzen van Oekraïne is echter diffuus, dus kunnen incidenten niet uitgesloten worden. De autoriteiten in de buurlanden van Oekraïne die onderdeel zijn van de EU en Moldavië geven aan dat er niet wordt gekeken naar nationaliteit en dat iedereen wordt ontvangen die op de vlucht is voor gewapend conflict in Oekraïne. Ook de data, waarbij nationaliteiten geregistreerd worden, laat zien dat de nationaliteit van vluchtelingen uit Oekraïne die in deze landen worden ontvangen zeer divers is.
Klopt het dat ook in Oekraïne zelf, mensen van kleur de toegang wordt ontzegd tot openbaar vervoer, waardoor zij niet in staat zijn het land te ontvluchten?
Het kabinet is bekend met de berichtgeving waarin vermeld wordt dat incidenten aan de Oekraïense kant van de grens plaats zouden vinden. Het kabinet beschikt niet over eigenstandige informatie over wat er aan de Oekraïense kant van de grens plaatsvindt t.a.v. discriminatie. Het spreekt voor zich dat er nooit sprake mag zijn van discriminatie, racisme of welke selectie dan ook op basis van nationaliteit of uiterlijk. Zeker niet wanneer mensen op de vlucht zijn voor geweld zoals bij de ontheemden van Oekraïne het geval is.
Kunt u aangeven of dit het officiële beleid is van de Poolse regering, om mensen op basis van hun huidskleur te weigeren aan de grens?
Het is essentieel dat in de Unie internationaal en Europees recht wordt nageleefd.
Op grond van eigenstandige informatie zijn er bij het kabinet momenteel geen aanwijzingen dat er sprake is van discriminatie aan de Poolse zijde van de grens. De Poolse autoriteiten gaven bij navraag over deze gebeurtenissen aan dat er niet wordt gekeken naar nationaliteit en dat iedereen wordt ontvangen die op de vlucht is voor gewapend conflict in Oekraïne.
Daarnaast laten de officiële cijfers van de Poolse autoriteiten over grensverkeer tussen Oekraïne en Polen zien dat personen met tal van verschillende nationaliteiten, uit alle delen van de wereld, in de afgelopen weken de grens over zijn gestoken.
Erkent u dat dit een schending is van internationale mensenrechtenverdragen? Zo ja, bent u bereid om de Poolse regering te bevragen op deze gebeurtenissen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid om er op Europees en internationaal niveau alles aan te doen dit racisme aan de grenzen van Oekraïne te beëindigen, en dat mensen die een oorlog ontvluchten op een gelijke manier behandeld worden? Bent u het ermee eens dat er aan de EU-buitengrenzen beter gemonitord moet worden of de Europese en internationale mensenrechten ook onder de huidige omstandigheden gerespecteerd worden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid daar een actieve rol in te spelen?
Hoe is op dit moment de humanitaire situatie aan de grens met Polen, Hongarije, Roemenië, Slowakije en Moldavië? Kunt u aangeven of eerste levensbehoeften (onderdak, medicijnen, kleding, etc.) voor iedereen die dat nodig heeft gegarandeerd zijn?
Het kabinet is geschrokken van deze berichtgeving en maakt zich hard voor de eerbiediging van Europees en internationaal recht. Bij grensbeheer is respect voor fundamentele rechten essentieel. Het is daarom bemoedigend dat de autoriteiten in de buurlanden aangeven dat alle mensen worden ontvangen en opgevangen die op de vlucht zijn geslagen voor de oorlog in Oekraïne.
Recentelijk heeft de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking het probleem van racisme aan de grens ook aan de orde gesteld in haar gesprekken met voorzitter Maurer van het Internationale Comité van het Rode Kruis (ICRC), Directeur-Generaal Vitorino van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) en Hoge Commissaris Grandi van UNHCR. Het kabinet blijft de situatie nauwlettend volgen.
Kunt u aangeven op welke manier Nederland de Europese landen aan de grens nu al (proactief) bijstaat in het opvangen van vluchtelingen aan de grens?
Polen, Hongarije, Moldavië, Slowakije en Roemenië hadden reeds voor het uitbreken van de oorlog in Oekraïne de eerste voorbereidingen getroffen voor de opvang van mogelijke vluchtelingen. Daardoor waren ze in staat in een korte tijd opvangcentra te openen, tentenkampen in te richten en te voorzien in andere levensbehoeften zoals eten en medicijnen.
De nationale autoriteiten worden bijgestaan door andere hulporganisaties zoals UNHCR, het Rode Kruis en lokale vrijwilligersorganisaties. Ook kunnen Polen, Hongarije, Slowakije en Roemenië aanspraak maken op ondersteuning vanuit de EU.
Tot dusver is de humanitaire situatie in de genoemde buurlanden onder controle en kan in de eerste levensbehoeften worden voorzien. Wel ziet het kabinet dat de situatie in Moldavië achteruitgaat. Moldavië heeft weinig eigen middelen en het is daarom onduidelijk hoe lang de situatie daar houdbaar is. Nederland en de EU steunen Moldavië waar mogelijk (zie ook antwoord op vraag 8). Onder meer middels herplaatsing van 500 vluchtelingen uit Oekraïne die zich momenteel in Moldavië bevinden.
In den brede blijft het kabinet de humanitaire situatie in Oekraïne en opvanglanden nauwgezet volgen.
Is het kabinet bereid om concrete opvangplekken aan te bieden onder het «solidariteitsplatform» welke zal worden gecoördineerd door de Europese Commissie?
De EU heeft een aantal instrumenten tot haar beschikking die snel ingezet kunnen worden voor o.a. het delen van informatie, het coördineren van noodhulp en het coördineren van steunverzoeken. Dat gebeurt bijvoorbeeld via het EU Civil Protection Mechanism (UCPM), het Europees Asielagentschap (EUAA) en Frontex. Deze mechanismes zijn momenteel actief en werken naar behoren. Frontex en het EUAA geven aan klaar te staan om lidstaten te ondersteunen die dat nodig achten.
Het kabinet acht het tevens van belang lidstaten die grenzen aan Oekraïne zowel in operationele als financiële zin te ondersteunen in het opvangen van mensen die het conflict ontvluchten. Dat doet het kabinet ook: Nederland geeft bijdragen aan het Rode Kruis, en VN-organisaties en -fondsen die in de buurlanden helpen bij de opvang van vluchtelingen o.a. met voedsel, onderdak, en medische zorg. Via het UCPM heeft Nederland ook reeds hulpgoederen verzonden aan Moldavië om te ondersteunen bij de opvang van Oekraïense vluchtelingen. Daarmee kunnen ongeveer 7.000 mensen worden geholpen met dekens, slaapzakken en tenten. Naast bovengenoemde ontwikkelingen in Europees verband, bereidt Nederland zich ook op nationaal niveau voor op de komst van vluchtelingen uit Oekraïne. Daarover is uw Kamer per brief «Aanpak van de opvang van vluchtelingen uit Oekraïne»2 geïnformeerd op 17 maart jl.
Bent u ook van mening dat structureel en actief moet worden ingezet op het garanderen een eerlijk Europees vluchtelingenbeleid, waarin in humanitaire noodsituaties het er niet toe doet welke huidskleur, seksuele gerichtheid of wat voor achtergrond dan ook iemand heeft bij het in veiligheid brengen van vluchtelingen?
Het genoemde platform is onderdeel van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. Tijdens de JBZ-Raad van 3–4 maart kondigde de Commissie aan informatie-uitwisseling over opvangcapaciteit en solidariteitsmaatregelen tussen de lidstaten te coördineren in een platform. In dit verband spreken Europese lidstaten over opvangcapaciteit en solidariteitsmaatregelen. Inmiddels hebben de eerste bijeenkomsten plaatsgevonden waar informatie is gedeeld over de opvangcapaciteit van verschillende landen.
Zoals vermeld in de Kamerbrief3 van 3 maart jl. verwacht het kabinet dat de komende weken en maanden veel meer ontheemden uit Oekraïne naar Nederland zullen komen. Het is zaak dat Nederland zich opmaakt voor grootschalige opvang van deze ontheemden uit Oekraïne. Het kabinet bereidt zich daarop voor in samenspraak met de Veiligheidsregio’s. Uw kamer is daarover nader geïnformeerd in de Kamerbrief van 8 maart jl4. en 17 maart jl.5 over de opvang van vluchtelingen uit Oekraïne.
