De plaatsing van bodyscanfoto's op internet |
|
Tofik Dibi (GL) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat in de Verenigde Staten foto’s van bodyscans op het internet geplaatst zijn?1
Ja.
Gebruikt Nederland hetzelfde type bodyscanners als de scanner waarvan de gewraakte foto’s op internet zijn beland?
Nee, op Schiphol wordt het type Provision 100 van fabrikant L-3 Communications gebruikt. In het bericht op de website van Gizmodo.com wordt de Security Scan van het type GEN 2, van fabrikant Brijot Imaging Systems, Inc. genoemd.
Is het uitgesloten dat foto’s van de in Nederland toegepaste bodyscanners op welke wijze dan ook gekopieerd of geopenbaard kunnen worden?
Dit is uitgesloten. Zoals mijn voorganger reeds in antwoord op Kamervragen (TK, 2009–2010, nr. 3218, p. 1 en TK, 2009–2010, nr. 1465, p. 3125) aangegeven heeft, genereert de apparatuur die op Schiphol wordt ingezet geen beelden. De computer analyseert ruwe scangegevens en geeft eventueel op het lichaam aangetroffen voorwerpen grafisch op een schematische weergave van een mens weer. Foto’s, kopieën, en openbaring daarvan zijn derhalve niet aan de orde.
Het opslaan en exporteren van ruwe scangegevens is alleen mogelijk met extra randapparatuur die op de security scanners wordt aangesloten en die specifiek geschikt is voor het opslaan en/of versturen van gegevens. Zoals mijn voorganger in antwoorden op Kamervragen (TK, 2009–2010, nr. 3218 en TK, 2009–2010, nr. 1465) heeft aangegeven wordt deze extra randapparatuur in Nederland niet in de operatie op Schiphol gebruikt en wordt dit ook niet wenselijk geacht.
Het aanhoudend en systematisch geweld tegen christenen in Bagdad |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het aanhoudend en systematisch geweld tegen christenen in Bagdad de afgelopen weken, waarbij zelfs de familieleden van slachtoffers van de gijzeling in de kathedraal het gerichte doelwit waren van aanslagen? Hoe beoordeelt de regering en haar 26 partners uit de Europese Unie (EU) de huidige situatie in Bagdad?1
Ik veroordeel ten zeerste de gewelddadige incidenten die de afgelopen weken in Irak hebben plaatsgevonden en die de Irakese bevolking, waaronder de Irakese christenen, hebben getroffen. De veiligheidssituatie in en rond Bagdad is instabiel, zoals ook beschreven in het ambtsbericht Irak van 29 oktober 2010. Er is sprake van gericht en ongericht geweld.
Deelt u de mening van de aartsbisschop van Bagdad, Athanase Matti Shaba Matoka, dat deze aanvallen een systematische poging zijn om alle christenen uit Irak te verdrijven?
Nee.
Bent u bereid om het initiatief te nemen voor een ontmoeting van de EU en de Arabische Liga over vrijheid van religie en rechten van (religieuze) minderheden?
Godsdienstvrijheid is reeds een belangrijk thema in gesprekken tussen de leden van de Arabische Liga en de EU. Een aparte bijeenkomst is op dit moment niet nodig.
Welke stappen zijn volgens u noodzakelijk zodat het geweld in Irak tussen etnische en religieuze groepen ophoudt en hoe gaat u eraan bijdragen dat die stappen ondernomen worden?
Het is aan de nieuwe Irakese regering om de orde en veiligheid in Irak te herstellen. Cruciaal onderdeel is minderheden beschermen en etnische en religieuze spanningen wegnemen. Daartoe zullen onder andere politieke vraagstukken zoals de kwestie van de betwiste gebieden in Noord-Irak en de integratie van de strijdkrachten moeten worden aangepakt.
Zoals reeds aangegeven in antwoord op eerdere vragen zullen Nederland en de Europese Unie bij de Iraakse regering aandacht blijven vragen voor de noodzaak om kwetsbare groepen als etnische en religieuze minderheden maximale mogelijke bescherming te bieden. Door deelname aan de NAVO Trainingsmissie in Irak en de EU-missie EUJUST LEX, die tot doel heeft de Iraakse veiligheids- en justitiële sector te versterken, draagt Nederland bij aan de versterking van de Iraakse rechtsstaat. Via EIDHR (European Instrument for Democracy and Human Rights) steunt de EU een project ter bevordering van de dialoog met en tussen geestelijk leiders in Irak.
Het terugsturen van Birmese vluchtelingen door Thailand |
|
Joël Voordewind (CU) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Thailand stuurt vluchtelingen Myanmar terug»?1
Ja.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat er na de uitslag van de verkiezingen, die volkomen vervalst blijkt te zijn, gewapende conflicten zijn uitgebroken in het Thais-Birmese grensgebied?
Ik ben op de hoogte van het feit dat op twee plaatsen langs de Birmees-Thaise grens recent gevechten zijn uitgebroken tussen gewapende groepen van de Karen etnische minderheid en het Birmese leger. Dat dit een vluchtelingenstroom op gang heeft gebracht vind ik zorgelijk.
Bent u van mening dat Thailand zijn verplichtingen aangaande het Verdrag van Geneve verzaakt door Birmese vluchtelingen terug te sturen?
Thailand is geen partij bij het Verdrag van Genève.
Bent u bereid er bij de Thaise autoriteiten op aan te dringen om onmiddellijk te stoppen met het uitzetten van vluchtelingen en ervoor zorg te dragen dat vluchtelingen humaan worden behandeld?
Van vluchtelingenorganisatie UNHCR, maar ook van IOM, ECHO en NGO’s ter plekke is vernomen dat geen sprake is van gedwongen uitzetting. De vluchtelingen keren op vrijwillige basis terug. Thailand verleent volgens genoemde informatiebronnen adequate humanitaire hulp aan de vluchtelingen die in Thailand blijven. UNHCR coördineert op verzoek van de Thaise autoriteiten de humanitaire hulpverlening. Ik zal humanitaire hulpverlening door Thailand aan de Birmese vluchtelingen nauwlettend blijven volgen.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Gezien de noodzaak informatie in te winnen bij de Nederlandse ambassade in Bangkok en het tijdsverschil met Thailand, was het niet mogelijk de vragen per ommegaande te beantwoorden.
De aanhoudende aanslagen op christenen in Irak |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Frankrijk haalt gewonde christenen uit Irak»?1
Ja.
Heeft u daarnaast kennisgenomen van het bericht «Weer christenen gedood in Irak»2 over het feit dat afgelopen zondag twee christenen zijn doodgeschoten? Heeft u voorts kennis genomen van het bericht «Nieuwe aanslagen op christenen Irak»3, waarbij er tenminste vier mensen zijn overleden na gerichte aanslagen op christenen?
Ja.
Bent u bereid om in samenspraak met uw Franse en Irakese collega’s een gedeelte van deze onschuldige slachtoffers tijdelijk op te vangen, zodat zij adequate medische hulp kunnen ontvangen?
Een dergelijk verzoek zou betekenen dat moet worden afgeweken van het reguliere Nederlandse toelatingsbeleid. Het kabinet ziet in dit geval onvoldoende aanleiding om tot deze afwijking over te gaan. Dit betekent niet dat binnen het Nederlandse migratiebeleid in algemene zin geen oog is voor de situatie in Irak. Naast een zorgvuldig toelatingsbeleid waarbij de individuele beschermingsbehoefte wordt bekeken tegen de achtergrond van de situatie in het land van herkomst, wordt ook met het hervestigingsbeleid, in samenspraak met de UNHCR, bijgedragen aan de vermindering van de internationale vluchtelingenproblematiek. Binnen dit hervestigingsbeleid wordt in het kader van het quotum van 500 vreemdelingen per jaar ook aandacht besteed aan Irakese vluchtelingen.
Bent u tevens bereid na deze reeks van aanslagen te erkennen dat op dit moment christenen een specifiek doelwit vormen van aanslagen en geweld in Irak? Zo ja, bent u vervolgens bereid zich pro-actief in te zetten voor de bescherming en de opvang van de christelijke minderheid in Irak? Zo ja, hoe gaat u hier gevolg aan geven? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse regering maakt zich zorgen over de aanslagen en het geweld in Irak, waarvan op dit moment ook groepen christenen slachtoffer zijn. De waarborging van de veiligheid en mensenrechten van minderheden is echter primair een zaak voor de Iraakse autoriteiten. Het is daarom van groot belang dat de zojuist gevormde regering de orde en veiligheid in de Iraakse samenleving herstelt en tevens de kwestie van de etnisch diverse betwiste gebieden, die rijk zijn aan natuurlijke hulpbronnen, afhandelt. Nineveh is een van deze gebieden.
Nederland en de Europese Unie vragen regelmatig aandacht voor de mensenrechtensituatie bij zowel de Iraakse regering als bij de Koerdische regionale regering. Dat betreft de mensenrechtensituatie in het algemeen, maar juist ook de noodzaak om kwetsbare groepen als etnische en religieuze minderheden maximaal mogelijke bescherming te bieden.
Dit beleid zal in de toekomst onverminderd worden voortgezet.
Bent u bereid, samen met de staatssecretaris van Buitenlandse Zaken te bezien of de vele christenen die inmiddels gevlucht zijn naar de Nineveh-vlakte ondersteuning van Nederland en de Europese Unie zouden kunnen krijgen, zodat zij zo snel mogelijk in hun eigen onderhoud kunnen voorzien? Bent u tevens bereid om er bij de Irakese regering op aan te dringen in ieder geval de Nineveh-vlakte beter te beschermen?
Nederland heeft in 2010 reeds EUR 2,3 miljoen bijgedragen aan het lenigen van humanitaire noden van Iraakse vluchtelingen en aan interne ontheemden in Irak, waaronder ook etnische en religieuze minderheden. Deze bijdrage is gegeven in reactie op het door de Verenigde Naties gecoördineerde humanitaire hulpverzoek en betreft onder andere het verstrekken van voedselhulp, watervoorziening en non-food items in het Noorden van Irak, inclusief de Nineveh-vlakte. Ook de Europese Unie heeft bijgedragen aan het humanitaire hulpverzoek van de Verenigde Naties. De waarborging van de veiligheid en mensenrechten van minderheden is een zaak van de Iraakse regering. Nu de nieuwe Iraakse regering wordt gevormd is het van groot belang dat deze regering de veiligheid in de Iraakse samenleving herstelt.
Bent u bereid, gezien de urgentie van vraag 4, deze vragen uiterlijk op 12 november 2010 te beantwoorden?
Dit is helaas niet mogelijk gebleken.
Een ter dood veroordeling in Pakistan |
|
Harry van Bommel , Joël Voordewind (CU), Kees van der Staaij (SGP), Raymond de Roon (PVV) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de ter dood veroordeling van mevrouw Asia Bibi door een Pakistaanse rechtbank?1
Nederland is tegen de doodstraf en betreurt de terdoodveroordeling van mevrouw Asia Bibi. Tegen het vonnis staat een beroepsmogelijkheid open.
Draagt deze ter dood veroordeling bij aan de toename van bedreigingen jegens christenen in Pakistan?
Helaas staat het geval van mevrouw Bibi niet op zichzelf. Eerder werden al diverse personen terdoodveroordeeld wegens blasfemie. De doodstraf wordt in Pakistan overigens sinds 2008 niet meer uitgevoerd. Het heeft er de schijn van dat de blasfemiewetgeving soms wordt misbruikt voor persoonlijk gewin of om persoonlijke vetes uit te vechten. Niet-moslims zijn in dit verband kwetsbaar, maar het valt niet te zeggen of met deze veroordeling bedreigingen jegens christenen in Pakistan toenemen. Uiteraard zal ik de ontwikkelingen nauw blijven volgen.
Zijn er nog anderen die vanwege deze zelfde beschuldigingen gevangen zitten in Pakistan?
Ja, er zijn meerdere zaken bekend van personen die worden beschuldigd van blasfemie. In 2009 registreerde de politie 41 klachten over blasfemie*. Verdachten worden veelal op basis van dun bewijs in voorlopige hechtenis gesteld in afwachting van een rechterlijk oordeel dat soms jaren op zich laat wachten, zo blijkt uit rapportages van mensenrechtenorganisaties. In het overgrote deel van de gevallen behoort de verdachte tot een religieuze minderheid.
Kunt u aangeven waar de Pakistaanse Blasfemiewet en de zogenaamde «Hudud»-wetten op gespannen voet staan met de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens?
De vrijheid van meningsuiting is volgens de Pakistaanse grondwet onderworpen aan «redelijke wettelijke beperkingen in het belang van de glorie van de Islam». De blasfemiewetgeving geeft daar nadere uitvoering aan. Het Pakistaanse Wetboek van Strafrecht bevat onder meer bepalingen gericht op bescherming van religieuze overtuigingen zoals die in Pakistan beleden worden. Tezamen worden deze artikelen ook wel de blasfemiewetgeving genoemd. Hoewel alle Pakistanen, dus ook moslims, onderworpen zijn aan deze wetgeving, treffen blasfemiebeschuldigingen vooral de religieuze minderheden. Deze wetgeving staat op onderdelen op gespannen voet met de artikelen 7, 10 en 18 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens.
Wilt u bij de Pakistaanse autoriteiten krachtig protesteren tegen de ter dood veroordeling van mevrouw Asia Bibi en uw zorg uitspreken over Pakistaanse wetgeving die op gespannen voet staat met de internationale rechtsorde?
Nederland heeft in het afgelopen jaar herhaaldelijk zijn zorgen over de blasfemiewetgeving aan de Pakistaanse autoriteiten kenbaar gemaakt. Nog vorige week besprak de Nederlandse ambassadeur in Islamabad dit onderwerp met de minister voor Minderheden. De minister stelde de zorgen te delen en benadrukte dat de materie zijn volledige aandacht heeft. Ook de EU-vertegenwoordiging in Pakistan heeft eerder dit jaar aandacht gevraagd voor de blasfemiewetgeving en de doodstraf. Op Nederlands initiatief zal namens de EU missiehoofden en de ambassadeurs van Australië, Canada, Zwitserland en Noorwegen een brief over dit thema aan de Pakistaanse premier worden gezonden.
De notitie van Amnesty International over vreemdelingenbewaring |
|
Joël Voordewind (CU), Hans Spekman (PvdA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het rapport van Amnesty International «Vreemdelingendetentie: in strijd met mensenrechten» van 5 november 2010?
Ja.
Wat is uw reactie op de aanbevelingen die Amnesty International doet in het rapport?
Amnesty International concludeert dat ondanks enkele kleine verbeteringen de Nederlandse praktijk van vreemdelingenbewaring niet wezenlijk is verbeterd sinds haar vorige rapport uit 2008. Ik ben echter van mening dat de afgelopen jaren zowel op het terrein van het beleid inzake vreemdelingenbewaring als de tenuitvoerlegging daarvan, het nodige is veranderd en verbeterd.
In de beleidsbrief over het terugkeerbeleid, die uw Kamer naar verwachting medio 2011 wordt toegezonden, wordt onder andere ingegaan op de motie Gesthuizen cs over het onderzoeken van alternatieven voor bewaring1.
Een uitgebreidere reactie op het rapport van Amnesty International wordt nog aan uw Kamer toegezonden.
Kunt u toelichten waarom u vindt dat het huidige beleid omtrent vreemdelingenbewaring voldoet aan het uitgangspunt «vreemdelingenbewaring als ultimum remedium»? Kunt u uiteenzetten hoe zich dat standpunt verhoudt tot het in de praktijk ontbreken van voldoende, door Amnesty International in het rapport ook genoemde, alternatieven voor vreemdelingenbewaring, zoals bijvoorbeeld een meldplicht, onderbrenging op een betrouwbaar adres of elektronisch toezicht? Kunt u toelichten waarom met minder zware alternatieven niet hetzelfde effect zou kunnen worden bereikt?
Vreemdelingenbewaring dient ter fine van uitzetting. Het Nederlandse beleid gaat uit van de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling om Nederland te verlaten wanneer niet (langer) sprake is van rechtmatig verblijf. Gedwongen vertrek – en daarmee vreemdelingenbewaring – komt pas aan de orde als de vreemdeling deze verantwoordelijkheid niet (tijdig) neemt. In dit kader kan vreemdelingenbewaring worden toegepast indien deze maatregel noodzakelijk is om te voorkomen dat de vreemdeling zich aan toezicht onttrekt en een lichter middel niet (langer) aan de orde is. Gelet hierop meen ik dat vreemdelingenbewaring voldoet aan het uitgangspunt dat het als ultimum remedium wordt gebruikt.
Voor wat alternatieven voor vreemdelingenbewaring betreft geldt dat deze wel degelijk bestaan en in voorkomende gevallen ook worden toegepast. Onder het vorige kabinet is een belangrijk alternatief voor bewaring in gebruik genomen, namelijk de vrijheidsbeperkende locatie (VBL). Ik pas de maatregel tot vrijheidsbeperking toe in situaties waarin toezicht gewenst is, maar vreemdelingenbewaring naar mijn mening onwenselijk is. Van de VBL wordt op grond van het huidige beleid vooral gebruikgemaakt voor gezinnen met minderjarige kinderen (zowel ex-asiel als uit de illegaliteit) en bij ex-asielzoekers die een vertrekplicht hebben en die direct vanuit de opvang komen. De locatie waar de maatregel wordt opgelegd is niet beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek, en heeft dan ook niet het karakter van bewaring.
Gronden om de vreemdelingenbewaring niet of niet langer toe te passen zijn aanwezig indien betrouwbaar te achten particulieren of instanties zich schriftelijk garant stellen voor de onderbrenging van de vreemdeling gedurende de tijd dat nog over diens uitzetting moet worden beslist of vertrek nog niet kan worden geëffectueerd. Een andere grond voor het niet of niet langer toepassen van vreemdelingenbewaring is aanwezig indien de vreemdeling aantoonbaar een vaste woon- en verblijfplaats in Nederland heeft. Onder omstandigheden kan worden volstaan met een meldplicht op basis van artikel 54 Vreemdelingenwet 2000 (Vw). De vreemdeling wordt dan geacht zich te melden met een op de omstandigheden afgestemde frequentie. Dit kan bijvoorbeeld indien de identiteit van de vreemdeling vaststaat en voldoende zekerheid bestaat over de bereidheid van de vreemdeling om Nederland te verlaten. In dat geval wordt op de verblijfplaats van de vreemdeling geen toezicht uitgeoefend, maar wordt de vreemdeling geacht zich regelmatig te melden.
In de beleidsbrief over het terugkeerbeleid, die uw Kamer naar verwachting medio 2011 wordt toegezonden, zal worden ingegaan op de motie Gesthuizen cs over het onderzoeken van alternatieven voor bewaring1.
Onderschrijft u de stelling van Amnesty International in het rapport dat vreemdelingen in Nederland vrijwel standaard in vreemdelingendetentie worden genomen als aan de criteria uit artikel 6 of artikel 59 van de Vreemdelingenwet 2000 is voldaan, en dat mogelijke lichtere alternatieven nauwelijks worden toegepast? Kunt u dit toelichten?
Nee, die stelling onderschrijf ik niet.
Lichtere alternatieven, zoals het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel in een VBL, worden wel degelijk toegepast.
Ik wil ook nadrukkelijk wijzen op de wettelijke regeling van het derde lid van artikel 59 Vw, waarbij afgezien moet worden van bewaring indien de vreemdeling te kennen geeft te willen terugkeren, en hij hiertoe in de gelegenheid is. Deze bepaling wordt vol door de rechter getoetst2. Ik verwijs hierbij naar de vorengenoemde alternatieven voor bewaring. In sommige gevallen, zoals bijvoorbeeld voor uitgeprocedeerde gezinnen, is de mogelijkheid ingericht van het onderbrengen in de vrijheidsbeperkende locatie. Onderkend moet echter worden dat in de regel plaatsing in een vrijheidsbeperkende locatie geen geschikt instrument is voor personen die in de illegaliteit verblijven, en zich dus al aan het toezicht hebben onttrokken. Het in een vrijheidsbeperkende locatie plaatsen van dergelijke vreemdelingen zal naar verwachting in te veel gevallen leiden tot onttrekking aan het toezicht, om nog te kunnen spreken van een reëel, effectief alternatief voor de maatregel van vreemdelingenbewaring. Dat laat onverlet dat het onderzoeken van alternatieven voor de maatregel van vreemdelingenbewaring een voortdurend punt van aandacht is. Het is overigens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) dat de afweging om geen lichter middel toe te passen, terughoudend door de rechter moet worden getoetst. Volledigheidshalve vermeld ik dat ik in afwachting ben van een uitspraak van de Afdeling over de vraag hoe die toetsing na inwerkingtreding van de terugkeerrichtlijn dient plaats te vinden.
Deelt u de mening van Amnesty International dat op grond van mogelijkheden die moeten voortvloeien uit de Vreemdelingenwet 2000 de rechter standaard bij de beoordeling of vreemdelingenbewaring in een individueel geval (nog) aangewezen is, moet beoordelen of lichtere alternatieven voor de vreemdelingenbewaring aanwezig zijn? Zo niet, kunt u uiteenzetten waarom niet? Bent u van oordeel dat dit in de huidige praktijk voldoende gebeurt?
Zie antwoord vraag 4.
Hoeveel vreemdelingen zijn de afgelopen vijf jaar daadwerkelijk teruggekeerd vanuit vreemdelingenbewaring, nadat die bewaring op dat moment korter dan zes maanden, langer dan zes maanden, langer dan twaalf maanden of langer dan 18 maanden had geduurd?
Over de jaren 2005 en 2006 is de desbetreffende informatie niet beschikbaar. De registratie van deze vertrekcijfers is in het jaar 2007, waarin de Dienst Terugkeer en Vertrek werd opgestart, niet representatief te achten.
Hieronder zijn de gevraagde cijfers weergegeven voor de jaren 2008, 2009 en 2010. Zij betreffen het aantal vreemdelingen dat vanuit vreemdelingenbewaring aantoonbaar uit Nederland is vertrokken.
Bewaringsduur
2008
2009
2010
< 6 mnd
3 800
3 800
4 300
6 mnd –1 jaar
170
180
140
1 jaar –1,5 jaar
10
15
10
> 1,5 jaar
20
5
5
De arrestatie van een journalist |
|
Tofik Dibi (GL), Bruno Braakhuis (GL) |
|
|
|
|
Kent u het bericht over de oorlogsjournalist die op station Brussel Noord is gearresteerd vanwege het fotograferen van een politieactie tegen asielzoekers en illegalen?1
Ja.
Is het waar dat de journalist werd opgepakt nadat hij foto’s maakte van het wegslepen van een man door twee Belgische politieagenten wegens verstoring van de openbare orde en opruiing, maar dat deze aanklacht inmiddels is ingetrokken?
Volgens de Belgische politie weigerde de heer Karskens de omgeving van de ingang van het station te verlaten na herhaalde verzoeken. Ook zou hij daar aanwezige personen hebben opgeroepen actie te ondernemen tegen de politie. Daarop werd de heer Karskens administratief aangehouden wegens het verstoren van de openbare orde. Na drie uur werd hij weer vrijgelaten.
Ik ben mij ervan bewust dat de heer Karstens een andere lezing van de gebeurtenissen heeft.
Deelt u de mening dat deze politiële ingreep jegens de journalist een inbreuk is op de vrije nieuwsgaring?
Het betreft hier een interne Belgische aangelegenheid die dan ook door de Belgische autoriteiten moet worden beoordeeld.
Bent u bereid om te onderzoeken hoe vrije nieuwsgaring Europeesrechtelijk veranderd kan worden?
Sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon schrijft het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie dwingend voor dat eenieder recht heeft op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat onder meer de vrijheid om kennis te nemen of te geven van informatie of ideeën, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen, aldus artikel 11 van het Handvest van de Grondrechten. Eventuele beperkingen door de overheid moeten in overeenstemming zijn met het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Daarmee is de vrije nieuwsgaring in het kader van de EU-Verdragen naar mijn oordeel voldoende verankerd en weet iedere lidstaat waaraan hij zich heeft te houden.
Hierbij moet bedacht worden dat de EU formeel geen bevoegdheid heeft om maatregelen vast te stellen met betrekking tot de vrije nieuwsgaring in een lidstaat.
Het bericht dat Nederland onverminderd de mensenrechten van illegale vreemdelingen blijft schenden |
|
Gerard Schouw (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het rapport «Vreemdelingendetentie: In strijd met mensenrechten»?1
Amnesty International concludeert dat ondanks enkele kleine verbeteringen de Nederlandse praktijk van vreemdelingenbewaring niet wezenlijk is verbeterd sinds haar vorige rapport uit 2008. Ik ben echter van mening dat de afgelopen jaren zowel op het terrein van het beleid inzake vreemdelingenbewaring als de tenuitvoerlegging daarvan, het nodige is veranderd en verbeterd. Ik wijs in dit verband onder andere op de heroriëntatie waarover u bij brief van 29 juni 20103 bent geïnformeerd. Deze behelsde onder meer uitbreiding van het aantal bezoekuren, uitbreiding van het activiteitenprogramma en inrichting van een juridisch loket.
Wat de opmerkingen van Amnesty International inzake alternatieven voor bewaring betreft verwijs ik hier naar de beleidsbrief over het terugkeerbeleid, die uw Kamer naar verwachting medio 2011 wordt toegezonden. Hierin wordt onder andere ingegaan op de motie Gesthuizen cs over het onderzoeken van alternatieven voor bewaring4.
Hoe verhoudt dit rapport zich tot het door de Inspectie voor de Sanctietoepassing (IST) gepubliceerde rapport «De tenuitvoerlegging van de vreemdelingenbewaring. Drie detentiecentra doorgelicht» dat concludeert dat er onvoldoende werk is gemaakt van de eerder door uw voorganger gedane toezeggingen om de omstandigheden van vreemdelingen in detentie te verbeteren?2 Hoe verhoudt het rapport van Amnesty International zich tot uw reactie op het rapport van de ISt?
Uw Kamer is bij brief van 27 oktober jl. geïnformeerd over mijn reactie op het rapport van de Inspectie voor de Sanctietoepassing (ISt).7 De ISt concludeert in tegenstelling tot Amnesty International, dat ten opzichte van enkele jaren geleden de omstandigheden in de vreemdelingenbewaring in verschillende opzichten wel degelijk zijn verbeterd. Ook uit de onderliggende rapporten van de drie afzonderlijke detentiecentra valt naar mijn mening een positieve ontwikkeling te destilleren.
De toezegging van de toenmalige staatssecretaris van Justitie zag op het uitvoeren van een heroriëntatie. Uw kamer is per brief d.d. 29 juni 20103 door de toenmalige minister van Justitie geïnformeerd over de uitkomsten van deze heroriëntatie op de wijze waarop vreemdelingenbewaring ten uitvoer wordt gelegd, alsook over de stappen die naar aanleiding hiervan worden genomen.
Hoe verhoudt dit rapport zich tot de door uw voorgangers gedane toezeggingen om de omstandigheden van vreemdelingen in detentie te verbeteren?3
Zie antwoord vraag 2.
Wat is uw reactie op het commentaar van het Nederlands Juristen Comité voor de Mensenrechten (NCJM) van 4 november 2010?4 Deelt u de mening dat vrijheidsontneming een ultimum remedium is?5 Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom wordt er dan nog steeds weinig gebruik gemaakt van bijvoorbeeld een meldplicht of een borgsom?
Vreemdelingenbewaring dient ter fine van uitzetting. Het Nederlandse beleid gaat uit van de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling om Nederland te verlaten wanneer niet (langer) sprake is van rechtmatig verblijf. Gedwongen vertrek – en daarmee vreemdelingenbewaring – komt pas aan de orde als de vreemdeling deze verantwoordelijkheid niet (tijdig) neemt en lichtere middelen niet (langer) aan de orde zijn. In dit kader kan vreemdelingenbewaring worden toegepast indien deze maatregel noodzakelijk is om te voorkomen dat de vreemdeling zich aan toezicht onttrekt. Gelet hierop meen ik dat vreemdelingenbewaring voldoet aan het uitgangspunt dat het als ultimum remedium wordt gebruikt.
Uiteraard deel ik de mening dat de duur van de vreemdelingenbewaring zo kort mogelijk dient te zijn. In de beleidsbrief over het terugkeerbeleid, die uw Kamer naar verwachting medio 2011 wordt toegezonden, wordt onder andere ingegaan op de motie Gesthuizen cs over het onderzoeken van alternatieven voor bewaring4.
Over de duur van vreemdelingenbewaring in de ons omringende landen kan ik opmerken dat deze met de totstandkoming van de Europese terugkeerrichtlijn is geharmoniseerd, in die zin dat de maximale duur van vreemdelingenbewaring gemaximeerd is tot zes maanden, eventueel te verlengen met maximaal 12 maanden. Hiermee wordt een maximale termijn voor vreemdelingenbewaring in de verschillende stelsels geïntroduceerd en zullen de verschillen tussen de lidstaten op dit punt dan ook afnemen. Ook over de toepassing van vreemdelingenbewaring en de detentieomstandigheden zijn harmoniserende maatregelen genomen.
Deelt u de mening dat, indien er gekozen wordt voor vrijheidsontneming, de duur van de detentie zo kort mogelijk dient te zijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u dan verklaren waarom in de ons omringende landen vreemdelingen veel minder lang vastzitten dan in Nederland?6
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bekend met het bericht «Amnesty: Aanpak illegalen deugt niet?7 Is het waar dat een gedetineerde met nierstenen slechts één paracetamol per dag kreeg als behandeling? Was dit een incident of is dit de standaardprocedure? Deelt u de mening dat dit onacceptabel is en dat ook illegale vreemdelingen recht hebben op acute medische zorg? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u doen om volwaardige medische zorg aan illegale vreemdelingen beschikbaar te stellen?
Ja, ik ben bekend met dit bericht. Ik herken de hier geschetse situatie niet. De Dienst Justitiële Instellingen (DJI) draagt in haar inrichtingen zorg voor een doeltreffende, doelmatige en op de patiënt gerichte gezondheidszorg, waarvan de kwaliteit gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij, rekening houdende met de bijzondere situatie van de vrijheidsbeneming.
Is het waar dat een zwangere vrouw tijdens haar zwangerschap alleen geboeid naar het ziekenhuis mocht, ondanks eerdere zwangerschapscomplicaties?8 Zo ja, meent u dat dit een correcte gang van zaken is? Zo nee, welke maatregelen gaat u nemen om deze praktijk te veranderen?
Het is juist dat een zwangere vrouw geboeid naar het ziekenhuis is gebracht. De regel is dat ingeslotenen geboeid worden vervoerd, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor hiervan wordt afgeweken. Dit betekent overigens niet dat iedere zwangere vrouw ongeboeid wordt vervoerd. Per ingeslotene wordt beoordeeld of sprake is van bijzondere omstandigheden.
Wat is uw reactie op de constatering dat de klachten van vreemdelingen niet of gebrekkig worden onderzocht? Welke maatregelen gaat u nemen om een adequate klachtenregeling te realiseren?
Deze constatering herken ik niet. Er is een adequate klachtenregeling.
Ik verwijs hier naar de reactie van de toenmalige staatssecretaris van Justitie op het themarapport van de ISt «werkwijze commissies van toezicht»13.
Is het waar dat kwetsbare mensen, zoals minderjaren, slachtoffers van marteling of mensenhandel, zwangere vrouwen, (psychisch) zieken en zwangere vrouwen in de vreemdelingenbewaring worden geplaatst? Meent u dat dit een adequate opvang is voor deze mensen? Zo nee, welke maatregelen gaat u nemen om deze mensen de zorg te geven die ze nodig hebben?
Vreemdelingenbewaring dient niet als adequate opvang, maar als een bestuursrechtelijke maatregel om vreemdelingen beschikbaar te houden met het oog op hun uitzetting.
Voorzover er sprake is van detentieongeschiktheid wordt de maatregel van bewaring niet toegepast. Of iemand al dan niet detentiegeschikt is, hangt af van zijn of haar individuele omstandigheden en wordt getoetst door de medische dienst van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI).
In de beleidsbrief over het terugkeerbeleid, die uw Kamer naar verwachting medio 2011 wordt toegezonden, wordt ingegaan op de motie Gesthuizen cs over het onderzoeken van alternatieven voor bewaring14.
In het huidige stelsel ontvangen kwetsbare personen in vreemdelingenbewaring steeds de zorg die zij behoeven. Dit is in overeenstemming met de Europese terugkeerrichtlijn. Ik ben dan ook van mening dat (andere) specifieke maatregelen niet nodig zijn.
Bent u bekend met de uitspraak van het Europees Comité inzake de voorkoming van folteringen en onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen van de Raad van Europa, waarin gesteld wordt dat vreemdelingen niet in een gevangenisachtige omgeving gedetineerd mogen worden?9 Hoe verhoudt deze uitspraak zich tot de huidige situatie?
Ik ben bekend met de rapportage uit 2009 van het Comité16. De rapportage van de CTP waarop wordt gedoeld ziet op de situatie in alle landen van Europa. Hoewel Nederland uiteraard ook tot die landen behoort, is het niet zo dat de opmerkingen specifiek tot Nederland zijn gericht. Het CTP spreekt de mening uit dat indien detentie van vreemdelingen noodzakelijk is om hun uitzetting zeker te stellen, dit niet onder dezelfde omstandigheden plaats moet vinden als de detentie van personen die vanwege een strafbaar feit zijn gedetineerd. Op zichzelf deel ik die onderliggende gedachte.
In Nederland vindt detentie van vreemdelingen plaats in speciaal voor dat doel ingerichte detentiecentra. Ik acht in dit verband de bepalingen van de terugkeerrichtlijn van belang. De Europese regelgever geeft als hoofdregel dat voor bewaring gebruik wordt gemaakt van speciale inrichtingen voor bewaring. Het onderbrengen in gevangenissen wordt echter door de Europese regelgever niet uitgesloten. Wel wordt benadrukt dat indien een lidstaat de onderdanen van een derde land die in bewaring worden gehouden, niet kan onderbrengen in een gespecialiseerde inrichting voor bewaring en dus gebruik dient te maken van een gevangenis, zij gescheiden dienen te worden gehouden van de gewone gevangenen. Deze Europese regels, die wel een bindend karakter hebben, leef ik na. Ik ben van mening dat in de Nederlandse situatie sprake is van gespecialiseerde inrichtingen in de zin van de terugkeerrichtlijn, maar overigens zal in ieder geval sprake zijn van gescheiden onderbrenging van strafrechtelijke gedetineerden. Het rapport geeft mij dan ook geen aanleiding om de huidige situatie te wijzigen.
Kunt u verklaren waarom uit zowel dit rapport, als het eerdere rapport van de ISt blijkt dat vreemdelingen in cellen verblijven en een soberder regime kennen dan strafrechtelijk gedetineerden? Hoe beoordeelt u de wenselijkheid hiervan?
Op onderdelen zijn er verschillen in regime. Het regime voor vreemdelingen in bewaring is niet per definitie ongunstiger dan dat voor strafrechtelijk gedetineerden. Daarnaast is van belang dat vreemdelingenbewaring ter fine van uitzetting dient en niet – zoals voor strafrechtelijk gedetineerden geldt – terugkeer in de maatschappij.
Anders dan in penitentiaire inrichtingen wordt in de centra voor vreemdelingenbewaring geen structurele arbeid of onderwijs aangeboden, behoudens incidentele educatieve activiteiten zoals alfabetisering en werkzaamheden van huishoudelijke aard. Ik ben van mening dat vreemdelingenbewaring zich niet goed leent voor onderwijs of (structurele) arbeid. In penitentiaire inrichtingen is arbeid of onderwijs gericht op het aanleren of onderhouden van arbeidsvaardigheden met het oog op resocialisatie, in het bijzonder waar het gaat om langere vrijheidsstraffen. Het doel van de vreemdelingenbewaring is daarentegen het beschikbaar houden voor de uitzettingsprocedure, het vaststellen van de identiteit en het voorkomen dat de vreemdeling zich onttrekt aan de uitzetting. Op resocialisatie gerichte elementen als het aanbieden van arbeid, onderwijs of regulier verlof verhouden zich niet met de aard van de maatregel. Bovendien is de gemiddelde duur er evenmin naar om dergelijke – in de regel langduriger – trajecten aan te bieden.
Wat is uw reactie op de conclusie van Amnesty International dat de Nederlandse situatie in strijd is met internationale mensenrechten standaarden?10 Deelt u de mening van de door Amnesty International geciteerde emeritus hoogleraar Straf- en vreemdelingenrecht Anton van Kalmthout dat de huidige situatie een schending van artikel 3 uit het mensenrechtenverdrag is, dat een verbod inhoudt op inhumane en vernederende behandelingen?1 Nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u doen om deze mensenrechtenschendingen tot het verleden te laten behoren?
Ik verwijs u graag naar het antwoord op vraag 1. Ik ben van mening dat vreemdelingenbewaring conform internationaal geldende mensenrechten is, zoals artikelen 3 en 5 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Er zijn geen uitspraken waarin Nederland vanwege de detentieomstandigheden van vreemdelingen is veroordeeld, noch uit hoofde van 3 EVRM, noch uit hoofde van artikel 5 EVRM. Ik ben er ook van overtuigd dat de Nederlandse detentieomstandigheden een dergelijke toets kunnen doorstaan. Daarbij komt dat op het niveau van de Europese Unie eind 2008 in de terugkeerrichtlijn bindende afspraken zijn gemaakt tussen de Raad en het Europese Parlement over terugkeer, waaronder de toepassing van vreemdelingenbewaring bij niet rechtmatig verblijvende vreemdelingen. Er is derhalve een brede overeenstemming binnen Europa, zowel aan de kant van de Lidstaten als het Europees Parlement, over de toepassing van vreemdelingenbewaring. Het wetsvoorstel ter implementatie van de richtlijn ligt ter behandeling bij uw Kamer. Wat één van de uitgangspunten van de richtlijn is, en sinds jaar en dag reeds in Nederland het uitgangspunt vormt van zowel beleid als praktijk, is dat vreemdelingenbewaring een uiterste middel is. Het standpunt dat vreemdelingenbewaring altijd en/of automatisch wordt toegepast, komt niet overeen met de Nederlandse praktijk, waarin altijd naar de individuele omstandigheden van het geval wordt gekeken.
Bent u bereid om de aanbevelingen van Amnesty International over te nemen?11 Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn worden deze doorgevoerd? Welke concrete verbeteringen op de terreinen van detentieduur, regime, en zorg bent u van plan door te voeren om de tekortschietende situatie in de vreemdelingendetentie aan te pakken?
Zie antwoord vraag 1.
De komende verkiezingen in Birma |
|
|
|
|
Kent u de berichten over de verkiezingen in Birma van 7 november a.s?1
Ja
Deelt u de mening dat deze verkiezingen onmogelijk vrij en eerlijk kunnen zijn, zoals de autoriteiten claimen?
Zo ja, bent u bereid om zich in EU-verband sterk te maken voor een verklaring waarin de uitslag van de verkiezingen niet wordt erkend? Bent u daarbij bereid om, bilateraal en in EU-verband, andere landen in de regio, zoals China, de Asean-landen en India, aan te sporen om de uitslag van deze verkiezingen niet te erkennen?
Deelt u de mening dat deze verkiezingen niet het begin mogen zijn van verminderde aandacht en afname van internationale druk op het Birmese regime van de EU en andere betrokken partijen als de Verenigde Staten, Asean, China en India?
Ja, die mening deel ik. Binnen de EU zal overleg plaatsvinden over de recente ontwikkelingen in Birma en hoe daar mee om te gaan. De verkiezingsuitslagen zijn nog niet officieel bekend gemaakt, alhoewel het ernaar uitziet dat de staatspartij USDP met grote meerderheid gewonnen heeft. Enkele oppositiepartijen lijken de uitslagen aan te willen vechten. Aung San Suu Kyi is 13 november jl. vrijgelaten, het is echter nog niet duidelijk of zij een rol kan gaan spelen in de Birmese politiek en zo ja welke. Binnen de EU zal ik pleiten voor het handhaven van de EU-sancties en nadere studie doen naar de wenselijkheid en modaliteiten van toekomstige contacten met het Birmese regime. De EU zal ook moeten blijven wijzen op de noodzaak van vrijlating van alle 2 200 politieke gevangenen.
Zo ja, bent u bereid om er bij deze internationale actoren op aan te dringen zich achter een hernieuwd initiatief van VN-secretaris generaal Ban Ki Moon te scharen, dat werkelijke verbeteringen in Birma voor ogen heeft?
Zoals ook vastgelegd in de Raadsconslusies van de Raad Buitenlandse Zaken van 26 april jl., geeft Nederland met de overige landen van de EU onverminderd steun aan de missie van goede diensten van de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties. Hetzelfde geldt de internationale «group of friends of Burma». Nederland en de EU dringen er bij de Birmese autoriteiten, alsook andere landen in de betrokken regio, op aan de goede diensten van de SGVN zo goed mogelijk te benutten en te ondersteunen.
Bent u bereid om u, na de verkiezingen van 7 november, binnen de Europese Unie sterk te maken voor een VN Commission of Inquiry ten behoeve van onderzoek naar oorlogsmisdaden in Birma, en te pleiten om daarover een tekst op te nemen in de Common Position on Burma?
Ja, zoals aangeven in mijn brief aan de kamer van 4 oktober 2010, ben ik voorstander van het instellen van een VN-onderzoekscommissie naar oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid in Birma. Ik zal in nauw overleg met gelijkgezinde partners bezien wat het juiste moment en meest effectieve strategie is om zo breed mogelijke steun voor een internationale onderzoekscommissie te genereren. De EU Common Position on Burma zal pas eind april 2011 voor verlenging in aanmerking komen. Tegen die tijd zal ik bezien of een tekst over de VN Commission of Inquiry in het licht van de ontwikkelingen op dat moment zinvol is.
De arrestatie van vier ex-moslims in Azerbeidzjan |
|
Wim Kortenoeven (PVV) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de arrestatie van vier ex-moslims (christenen) in Azerbeidzjan tijdens een dankdagdienst?1
Ja.
Kunt u aanduiden wat de aanleiding is voor deze arrestaties? Weet u waarvan zij worden beschuldigd en wat hen eventueel boven het hoofd hangt?
Mij is niet bekend op welke gronden de vier personen zijn gearresteerd en wat hun ten laste is gelegd. Navraag heeft alleen opgeleverd dat de vier arrestanten tijdens een nachtelijke gesloten rechtszitting diezelfde zondag tot vijf dagen gevangenis zijn veroordeeld. De vier mannen zijn inmiddels weer op vrije voeten gesteld.
Op welke wijze heeft u in de afgelopen periode, eventueel middels internationale gremia, de zorgelijke positie van christenen in Azerbeidzjan aan de orde gesteld bij de betreffende autoriteiten? Welke resultaten heeft dit opgeleverd? Betoont Azerbeidzjan zich enigszins gevoelig voor internationale kritiek hieromtrent?
In hoeverre heeft de positie van godsdienstige minderheden in Azerbeidzjan thans de aandacht van de Europese Unie? Kan deze aandacht verder geïntensiveerd worden? Wilt u dit in Europees verband bevorderen?
Bent u bereid – zo mogelijk ook in internationaal verband – om de nu aangeduide casus te benutten als handvat om opnieuw de godsdienstvrijheid van religieuze minderheden aan de orde te stellen bij de autoriteiten van Azerbeidzjan? Zo ja, op welke wijze en op welke termijn?
Bent u bereid om u ten zeerste in te spannen om de nu opgepakte ex-moslims weer op vrije voeten te krijgen?
Zie antwoord vraag 2.
De geplande executie van een Iraanse vrouw |
|
Joël Voordewind (CU) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht van 1 november «Iran Plans to Execute Woman in Stoning Case» o.a. verschenen op Fox News?1
Ja.
Bent u bereid om zowel in de Europese Unie als in Verenigde Naties er bij de Iraanse autoriteiten op aan te dringen Sakineh Mohammadi Ashtiani niet te executeren?
Ja. Vandaag heeft de Nederlandse regering HV Ashton verzocht namens de EU een verklaring uit te laten gaan waarin de grote zorg van de EU over de zaak Ashtiani wordt geuit en de boodschap wordt overgebracht dat de EU onder alle omstandigheden overal ter wereld tegenstander is van de doodstraf. Ook heeft Nederland het Belgisch voorzitterschap in Teheran verzocht de zaak spoedigst onder de aandacht van de Iraanse autoriteiten te brengen.
In VN-verband werkt Nederland momenteel aan een resolutie over de mensenrechtensituatie in Iran. Mede op basis van het zorgwekkende SGVN-rapport terzake wordt in de ontwerpresolutie specifiek zorg uitgesproken over de gebrekkige rechtsgang in Iran, de grote toename van het aantal executies, en de wijze waarop deze voltrokken worden.
Kunt u, gezien het feit dat de executie morgen gepland staat, deze vraag vandaag nog beantwoorden?
Ja.
De BKR-registratie en privacy |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (VVD), Ard van der Steur (VVD) |
|
Jan Kees de Jager (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraak van het Hof Arnhem van 8 juni 20101 inzake de verhouding tussen de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) en de registratie Bureau Kredietregistratie (BKR)?
Ja. Overigens gaat het om een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam, zitting houdende te Arnhem.
Bent u bekend met de Kamervragen over de gevolgen van een BKR-registratie?2
Ja. Deze Kamervragen zijn op 3 mei 2010 beantwoord.3
Is deze gerechtelijke uitspraak, waaruit blijkt dat het voor een kredietverstrekker moeilijk is om de afweging te maken tussen de privacy van de kredietnemer en de belangen van de kredietverstrekker, voor u aanleiding om het beleid ten aanzien van de BKR-registratie te wijzigen? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid maatregelen te nemen om te bewerkstelligen dat registratie in de BKR niet onevenredig is in verhouding tot de betalingsachterstand, zowel qua aard als qua termijn? Zo ja, welke maatregelen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid de BKR-regeling zodanig aan te passen dat duidelijker wordt hoe de belangenafweging tussen privacy en de belangen van de kredietverstrekkers dient plaats te vinden? Zo ja, hoe wilt u de regeling aanpassen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid maatregelen te nemen opdat wordt gegarandeerd dat kredietverstrekkers de Wbp naleven op het gebied van de waarborgen voor de kredietnemers? Zo ja, welke maatregelen? Zo nee, waarom niet?
Bent u tevreden over de werkwijze van de geschillencommissie? Zo ja, waarom, zo nee, waarom niet?
Bent u bereid de BKR-regeling te heroverwegen, nu steeds vaker blijkt dat het aangaan van hypotheken, het aanvragen van creditcards en bijvoorbeeld leaseovereenkomsten gedurende een reeks van jaren onmogelijk kan zijn als gevolg van registratie voor een relatief kleine betalingsachterstand?
Acht u het wenselijk dat een kredietnemer die last heeft van een registratie of door een registratie niet in aanmerking komt voor bepaalde diensten of financieringen een rechtstreeks verzoek tot verwijdering of aanpassing kan doen aan BKR? Zo ja, bent u bereid om daarvoor beleid te ontwikkelen? Zo nee, waarom niet?
De toegankelijkheid van privacygevoelige informatie voor derden, waaronder particuliere recherchebureaus |
|
Attje Kuiken (PvdA), Jeroen Recourt (PvdA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het gemak waarmee privacygevoelige informatie bij bedrijven en instanties kan worden vergaard, zoals getoond in de uitzending van de VPRO?1
Ik heb kennisgenomen van deze uitzending, waarin wordt getoond hoe een particulier onder valse voorwendselen telefonisch en op eenvoudige wijze privacygevoelige informatie aan bedrijven en instanties ontfutselt (het zg. pretexting). Daarnaast worden diverse technische methoden en software getoond waarmee privacygevoelige informatie kan worden onderschept. De wijze waarop dit geschiedt, lijkt relatief makkelijk, maar vereist specialistische kennis.
In hoeverre schat u in dat dezelfde mogelijkheden bestaan en met succes gebruikt worden bij het vergaren van privacygevoelige informatie door overheidsinstanties? Welke maatregelen neemt de overheid om dit gevaar weg te nemen?
In beginsel kan iedereen met kwade bedoelingen de methodes gebruiken die in de uitzending worden getoond. Als ambtenaren gebruik maken van de bedoelde methoden als in antwoord 1 bedoeld, dan maken zij zich schuldig aan strafbare feiten en kan strafvervolging worden ingesteld. Zie verder het antwoord op vraag 4.
Bent u het eens met de stelling, zoals geopperd in de VPRO-uitzending, dat de regels voor het vergaren van privacygevoelige informatie voor particulieren minder strikt zijn dan voor politie en justitie? Zo ja, acht u dit wenselijk? Zo nee, waarom niet?
Er is een wezenlijk verschil tussen de bevoegdheden van politie en justitie enerzijds en particulieren – in welke hoedanigheid dan ook – anderzijds. Inbreuken op grondrechten (zoals het recht op privacy) door de overheid, kunnen alleen plaatsvinden, indien dat handelen wettelijk is gelegitimeerd. Dat betekent dat bijvoorbeeld politie en justitie bij het gebruikmaken van strafvorderlijke bevoegdheden en het vergaren van gegevens zijn gebonden aan de regels uit het Wetboek van Strafvordering.
Particulieren oefenen geen overheidsmacht uit en worden derhalve niet beperkt door het Wetboek van Strafvordering. Zij zijn wel aan andere regelgeving gebonden, zoals het Wetboek van Strafrecht. Daarin zijn onder meer strafbepalingen opgenomen die zien op het op onrechtmatige wijze vergaren van (privacygevoelige) gegevens. Bij overtreding daarvan kan strafvervolging worden ingesteld.
Bij het vergaren van persoonsgegevens dienen particulieren zich voorts te houden aan de daarvoor geldende regels uit de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Deze wet richt zich tot een ieder die persoonsgegevens verwerkt. De regelgeving voor particulieren is in die zin niet minder strikt.
Bent u op de hoogte van overheidsinstanties die op de wijze zoals geschetst in bovengenoemde uitzending opdrachten verlenen aan werkende recherchebureaus? Zo ja, acht u dit rechtmatig?
Nee.
Ziet u mogelijkheden om voorlichtingsactiviteiten te ontplooien teneinde de private en publieke sector meer bewust te maken van de praktijken zoals weergegeven in de bovengenoemde uitzending? Zo ja, hoe wil u daar uitvoer aan geven? Zo nee, waarom niet?
Iedereen die in de publieke of private sector persoonsgegevens verwerkt, moet zich houden aan de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Deze wet ziet ook op de verstrekking van persoonsgegevens. Het is dus primair de wettelijke taak van de bedrijven en instanties zelf om zich daaraan te houden en hun medewerkers zodanig te instrueren dat de Wbp wordt nageleefd.
Dit neemt niet weg dat het College bescherming persoonsgegevens (CBP), als onafhankelijke toezichthouder, ervoor heeft gekozen om de private en publieke sector meer bewust te maken van het belang van naleving van de wet door middel van zijn handhavingsactiviteiten.
Het CBP geeft voorlichting aan de hand van deze praktijk. Het CBP geeft voorts algemene voorlichting via zijn website. Daarnaast biedt het CBP een aantal instrumenten die bedrijven en overheidsinstellingen kunnen helpen bij naleving van de wet, zoals richtsnoeren en zienswijzen.
Overigens heeft de overheid in 2009 en 2010 een brede publiekscampagne Veilig Internetten gevoerd. Daarbij is het brede publiek via radio, tv en internet gewaarschuwd om ook op internet voorzichtig te zijn met de eigen persoonsgegevens.
Over de terdoodveroordeling van een Srilankaanse huishoudster in Saoedi-Arabië |
|
Coşkun Çörüz (CDA) |
|
|
|
|
Is het waar dat de doodstraf in de zaak van Rizana Nafeek, waar ook op 14 september 2010 schriftelijke vragen over werden gesteld1, is bevestigd?2
Ja.
Kunt u aangeven welke ontwikkelingen hebben geleid tot deze uitspraak?
In juni 2006 werd Rizana Nafeek door het Dawadami gerechtshof ter dood veroordeeld nadat zij schuldig was bevonden aan de moord op een vier maanden oude baby. Zij ging in hoger beroep tegen deze uitspraak, waarna het Hof van Cassatie de zaak heeft terug verwezen naar de oorspronkelijke rechtbank wegens de twijfelachtige rol van de tolk. Daar is het vonnis recentelijk bevestigd.
Wat is uw oordeel over de rechtsgang die in deze zaak heeft plaatsgevonden?
Er bestaat ernstige twijfel over de juistheid van de door een tolk gegeven vertaling bij het ondervragen van de verdachte en de door haar afgelegde verklaringen. Dit is een belangrijk twistpunt en relevant voor de rechtsgang omdat deze vertalingen uiteindelijk tot haar veroordeling hebben geleid. Op meerdere manieren is de afgelopen jaren getracht hierin klaarheid te brengen, ondermeer door de tolk te sommeren weer voor de rechter te verschijnen, maar dit is niet gelukt. Daarmee blijven onduidelijkheden in het proces verbaal onopgehelderd. Op basis hiervan blijven er ernstige twijfels over de rechtsgang in deze zaak.
Is het waar dat Nafeek ten tijde van het incident minderjarig was? Zo ja, bent u bereid de Saoedische autoriteiten er op te wijzen dat uitvoering van dit vonnis in strijd is met het Verdrag inzake de Rechten van het Kind, waarvan Saoedi-Arabië lid is? Bent u bereid een klacht in te dienen bij de mensenrechtencommissie van de Verenigde Naties?
Hoewel het paspoort van Rizana Nafeek aangeeft dat zij op 2 februari 1982 is geboren, geeft haar geboortecertificaat aan dat zij pas op 4 februari 1988 is geboren. Volgens het geboortecertificaat is zij op het moment van de haar ten laste gelegde daad dus minderjarig geweest. Naar verluidt zou het betreffende uitzendbureau in Sri Lanka de eerdere datum in haar paspoort hebben aangebracht om haar aldus gemakkelijker voor een baan in aanmerking te laten komen.
Voor het antwoord op het tweede deel van de vraag verwijs ik door naar het antwoord op vraag 6.
Deelt u de mening dat de zaak tegen Rizana Nafeek symbool staat voor structurele schending van rechten van Sri Lankaanse migranten in Saoedi-Arabië?
De formele rechtspositie van de arbeidsmigranten is nauwelijks geregeld in de Saudische Arbeidswet. Volgens Human Rights Watch, in haar rapport «Slow Reform – Protection of Migrant Domestic Workers in Asia and the Middle East» (april 2010), erkent Saudi-Arabië na jaren interne discussie deze problematiek en heeft het land een begin gemaakt met hervormingen van deze wet, die de positie van de arbeidsmigranten moet verbeteren.
De kwestie van Rizana Nafeek krijgt terecht veel aandacht, mede omdat het opnieuw de noodzaak aantoont van verbetering van de rechten van de arbeidsmigranten in Saudi-Arabië. In het kader van de diverse contacten over mensenrechten met Saudi-Arabië wordt deze zorg ook opgebracht en besproken. Nederland ondersteunt initiatieven van de Saudische partners ter verbetering van de mensenrechten in het land en dus ook van de arbeidsmigranten.
Ziet u nog mogelijkheden om uitvoering van dit vonnis te voorkomen? Zo ja, bent u bereid om deze, zowel op nationaal als internationaal niveau, ten volle te benutten?
Nederland hecht aan een gezamenlijk optreden van de Europese Unie in deze zaak en heeft dat ook ten zeerste bepleit. Inmiddels is hiertoe besloten en worden op de kortst mogelijke termijn de zorgen van de EU over deze zaak overgebracht aan de Saudische autoriteiten, waarbij zij worden opgeroepen het vonnis niet uit te voeren en de straf om te zetten. Mede gezien de onduidelijkheid over de geboortedatum is er in EU verband voor gekozen geen directe verwijzing te maken naar het Verdrag inzake de Rechten van het Kind. Wel zal er gewezen worden op de humanitaire aspecten van deze kwestie, de jonge leeftijd van betrokkene en EU positie tegen de doodstraf. Saudi-Arabië wordt ook gevraagd de instelling van een moratorium op de uitvoering van de doodstraf te overwegen, als eerste stap naar een afschaffing van de doodstraf. Vanzelfsprekend worden de verdere ontwikkelingen in deze zaak nauwlettend gevolgd en worden indien nodig ook de mogelijkheden voor volgende stappen overwogen. Het indienen van een klacht bij de mensenrechtencommissie van de Verenigde Naties kan in individuele gevallen alleen door betrokkene worden gedaan. De President van Sri Lanka heeft de Saudische koning gevraagd Rizana Nafeek gratie te verlenen.
De samenwerking met Frankrijk voor internetvrijheid |
|
Mariko Peters (GL) |
|
|
|
|
Zal Nederland deelnemen aan de internationale conferentie over internetvrijheid van 29 oktober 2010 te Parijs, die voortbouwt op een Nederland-Frans initiatief van ministers Verhagen en Kouchner?1
In verband met mijn verhindering op de datum van de conferentie heeft Frankrijk besloten deze tot nader orde uit te stellen. Nederland zal spoedig in gesprek gaan met Frankrijk over een mogelijke nieuwe datum, locatie en modaliteiten van de beoogde conferentie. De inzet van Nederland blijft daarbij dat de vrijheid van meninguiting op internet het thema van de conferentie moet zijn, waarbij een zo breed mogelijke groep landen en andere belanghebbenden betrokken moet blijven.
Is de vrijheid van meningsuiting en informatievergaring en het recht privacy op internet naar uw mening gediend bij de 3-strikes regeling die de Franse president voorstelt voor die conferentie?
Nederland onderschrijft de Hadopi-wet niet. Zoals opgenomen in het regeerakkoord, is Nederland voor een open en vrij internet. Het beleid van het vorige kabinet dat het beleid «three strikes and you're out» uit de Hadopi-wetgeving voor Nederland niet acceptabel is, blijft onverkort van kracht. Nederland zal dit standpunt in de diverse internationale gremia blijven uitdragen.
Bent u voornemens daar de uitspraken van de vorige regering gestand te doen dat in Nederland geen 3-strikes regeling zal worden ingevoerd?2
Zie antwoord vraag 2.
Zult u zich verzetten tegen de wens van de Franse regering om maatregelen uit de omstreden Hadopi-wet op te nemen in een internationale gedragscode?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid de Kamer verslag te doen van de uitkomsten van de conferentie?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór 29 oktober 2010?
Het wegpesten van homo's |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Utrechtse homo weg uit woning na pesterijen»?1
Ja.
Waarom worden slachtoffers van pesterijen extra gestraft door een gedwongen verhuizing? Waarom worden de daders van homo pesterijen en homogeweld niet opgepakt?
Dit kabinet pakt daders aan en beschermt slachtoffers. Dat is ook de inzet geweest van de korpsbeheerder van het korps Utrecht. Hij heeft mij laten weten dat het niet zo is dat slachtoffers van pesterijen in Utrecht worden gedwongen te verhuizen. Soms is het gebeuren echter zo heftig, en de escalatie zo snel, dat het de keuze van het slachtoffer is om te verhuizen. De woningbouwcorporatie werkt hier dan vaak met voorrang aan mee.
De verdachte van de pesterijen in bovengenoemde zaak is aangehouden en verhoord. Het politieonderzoek is afgerond en de zaak ligt ter beoordeling bij het Openbaar Ministerie. Zie verder het antwoord op vraag 9 over de aanpak van daders.
Bent u van mening dat de gedwongen verhuizing van het slachtoffer van homogeweld en pesterijen een verkeerd signaal afgeeft aan de daders, namelijk dat ze niet worden gestraft en gemakkelijk weg kunnen komen met mishandeling en vandalisme?
Zie antwoord vraag 2.
Welke maatregelen gaat u treffen om in de toekomst te voorkomen dat slachtoffers worden bestraft door een gedwongen verhuizing? Welke maatregelen gaat u nemen ten aanzien van daders?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe heeft het gebrek aan vertrouwen in de aanpak van gemeente en politie ten aanzien van overlast en pesterijen, waardoor homo’s geen aangifte meer willen doen, kunnen ontstaan?2 Wat gaat u doen om dit wantrouwen bij homo’s weg te nemen?
Voor een effectieve aanpak en vervolging van geweld, intimidatie en discriminatie van homoseksuelen is een aangifte van essentieel belang. De politie neemt elke aangifte van discriminatie op. Ook in de aanwijzingen van discriminatie van het OM wordt hierop gestuurd. Ik betreur dan ook het gebrek aan vertrouwen in de politie en gemeente.
In het spoeddebat van 4 november jl. over incidenten bij moskeeën heb ik een brief aan de Kamer toegezegd begin volgend jaar waarin ik onder andere het ingezette aangiftebeleid ten aanzien van discriminatie zal aanscherpen. Ik zal de aangiftebereidheid en de mogelijkheid om (beperkt) anoniem aangifte te doen met de relevante spelers, zoals gemeenten (VNG) en politie, nog eens tegen het licht houden.
Is het niet treurig gesteld met onze samenleving, indien homo’s zich onveilig voelen op straat, op school en zelfs in hun eigen huis?
Dat homoseksuelen zich onveilig voelen is zorgwekkend. Dit kabinet staat, zoals aangekondigd in het regeerakkoord, borg voor de emancipatie van lesbische vrouwen en homoseksuele mannen, biseksuelen en transgenders en zal daartoe concreet beleid ontwikkelen. Het verbeteren van de veiligheid van homoseksuelen is één van de prioriteiten in de beleidsbrief emancipatie welke de Kamer in het voorjaar 2011 zal ontvangen.
Hoe veilig zijn homo’s op scholen? Zijn er in de afgelopen vijf jaar incidenten geweest van weggepeste homo leerlingen of leerkrachten? Wat is het schoolverzuim van homoleerlingen?
Uit het onderzoek «Weerbaar en divers» van 2009 (TK 2008–2009, 27 017, nr. 50 van de Inspectie van het Onderwijs, waarin de seksuele diversiteit en seksuele weerbaarheid in het onderwijs is onderzocht, blijkt dat de helft van de ondervraagde leerlingen meent dat je op school beter niet voor je homoseksualiteit uit kunt komen. Verder lijkt het erop dat incidenten rond homoseksualiteit zich voornamelijk af spelen in het voortgezet onderwijs. Ruim een derde van de 35 bezochte scholen had te maken met incidenten rond homoseksualiteit. Deze incidenten betroffen bijna altijd verbale incidenten. De inspectie constateert in het onderzoek dat het pesten van homoseksuele leerlingen en leraren geen zeldzaamheid is. Ook in de monitor «sociale veiligheid in het Voortgezet (Speciaal) Onderwijs» van 2008» (TK 2008–2009, 29 240, nr. 30 wordt melding gemaakt van incidenten. Van de leidinggevenden geeft 10% aan dat ze te maken hebben gehad met incidenten tegen leerlingen vanwege homoseksualiteit. 7% meldt incidenten tegen personeel vanwege homoseksualiteit. Er zijn geen cijfers van weggepeste homoseksuele leerlingen of -leerkrachten of over het school verzuim van homoseksuele leerlingen.
Wat is in de afgelopen vijf jaar de oplossingspercentage bij homogeweld? Erkent de politie dat zij minimaal scoren bij de opsporing van daders van homogeweld?
Op dit moment zijn er geen landelijke opsporingsresultaten bekend van homogeweld. Het Openbaar Ministerie (OM) geeft jaarlijks inzicht in de vervolging en afdoening van de zogenaamde zuivere discriminatiezaken, zoals het aanzetten tot haat. Met de invoering van een nieuw registratiesysteem (GPS) zal het OM over 2012 voor het eerst ook landelijke cijfers beschikbaar hebben die inzicht geven in het aantal commune delicten met een discriminatoir aspect, zoals homofoob geweld.
Klopt het dat de daders van pesterijen en homogeweld vaak niet opgepakt kunnen worden, omdat er geen getuigen zouden zijn? Waarom wordt dan de groepsaansprakelijkheid niet ingezet, waarbij de politie niet meer hoeft te achterhalen wie wat heeft gedaan?
Er worden wel degelijk daders opgespoord, aangehouden en vervolgd. De ervaring leert echter dat de bewijsvoering soms problematisch is, bijvoorbeeld bij gebrek aan forensisch-technisch bewijs of getuigen. In sommige gevallen zijn pesterijen niet strafbaar. De politie intervenieert in dat soort gevallen overigens wel, bijvoorbeeld door daders aan te spreken.
Voor wat betreft het aspect van groepsaansprakelijkheid verwijs ik naar het antwoord op vraag 10.
Heeft de burgemeester van Utrecht bij dit recente incident de groepsaansprakelijkheid ingezet om de daders op te sporen?
Groepsaansprakelijkheid is een civielrechtelijk begrip. Artikel 166 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek maakt individuele leden van een groep hoofdelijk aansprakelijk voor schade die is geleden. Groepsaansprakelijkheid is geen middel om daders op te sporen en kon niet worden ingezet door de burgemeester, omdat jegens hem geen onrechtmatige daad was gepleegd. Bovendien ging het in dit geval om één dader, niet om een groep.
Heeft de burgemeester van Utrecht het slachtoffer bezocht en in de desbetreffende wijk een bijeenkomst georganiseerd?
De burgemeester van Utrecht heeft zowel telefonisch contact alsook een persoonlijk gesprek gehad met het slachtoffer.
Heeft de burgemeester van Utrecht de politie in de gelegenheid gesteld om speciale opsporingsfaciliteiten in te zetten, zoals een lokagent?
Het inzetten van bijzondere opsporingsmiddelen is voorbehouden aan de officier van justitie. Gezien de aard van de zaak was de inzet van bijzondere opsporingsmiddelen niet nodig. Ook de inzet van een lokagent bleek niet nodig.
Het 'gay-alert' in Utrecht |
|
Joram van Klaveren (PVV) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Utrecht komt met gay-alert»?1
Ja.
Deelt u de visie dat het instellen van een «gay-alert» slechts symptoombestrijding is? Zo nee, waarom niet?
Deze visie deel ik niet. De burgemeester van Utrecht heeft samen met de politie een Gay Alert ingesteld, nadat zich in korte tijd een aantal homogerelateerde geweldsincidenten in Utrecht had voorgedaan. Het Gay Alert is vooral bedoeld om in een vroegtijdig stadium te kunnen reageren op beginnende treiterijen en overlast. Daarmee is het geen symptoombestrijding, maar een nuttige stap om verdere escalatie te voorkomen. Daarnaast is het Gay Alert voor mensen die aarzelen over het wel of niet aangifte doen, een laagdrempelige ingang. Ik juich dit initiatief voor het instellen van een Gay Alert dan ook zeker toe, vooral nu de gemeente Utrecht en de politie samen met andere betrokken organisaties daarmee sneller in dit soort situaties kunnen optreden.
In hoeverre erkent u dat er een verband bestaat tussen de toenemende bedreigingen tegen homo’s en één van de conclusies uit het SCP-rapport «Gewoon Anders» uit 2010, dat veel niet-westerse allochtonen homoseksualiteit afwijzen vanuit hun religie en deze geaardheid bestempelen als iets van westerlingen en ongelovigen?
Uit het Landelijk criminaliteitsbeeld discriminatie 2009 (TK 2009–2010, 32 123 VII, nr. 74), dat op 13 september jl. naar uw Kamer is gestuurd, blijkt dit directe verband niet. Wel is het aantal homogerelateerde incidenten toegenomen van 380 in 2008 naar 429 in 2009. In dit criminaliteitsbeeld is echter niet specifiek ingegaan op de achtergronden van de verdachten. Uit de LECD-rapportage «Homofoob geweld» van de politie blijkt dat in 86% van de gevallen een autochtoon als verdachte werd genoemd of geen verdachte door het slachtoffer werd genoemd. In 14% van de gevallen werd door het slachtoffer een allochtoon als verdachte genoemd.
Marteling van Papoea's door Indonesische militairen |
|
Kees van der Staaij (SGP), Joël Voordewind (CU) |
|
|
|
|
Heeft u kennis genomen van de videobeelden op internet waarop Indonesische militairen mensen in de provincie Papoea martelen?1
Ja.
Wat is de achtergrond van deze martelingen? Is het waar dat de agressie jegens Papoea’s in Indonesië toeneemt? Hoe valt dit te verklaren?
De Indonesische regering heeft geschokt gereageerd op de videobeelden. Op verzoek van de Indonesische president Yudhoyono heeft minister van Buitenlandse Zaken Natalegawa de Nederlandse ambassadeur te Jakarta persoonlijk geïnformeerd over deze kwestie. Minister Natalagewa heeft aangegeven dat onmiddellijk een onderzoek is ingesteld naar de vertoonde beelden. Volgens de eerste bevindingen is inderdaad sprake van marteling door militairen van het Indonesische leger. De minister heeft aangegeven dat de schuldigen gestraft zullen worden. Tevens is toegezegd dat de definitieve resultaten van het onderzoek met Nederland en andere internationale partners zullen worden gedeeld.
In hoeverre sprake is van een losstaand incident valt moeilijk te verifiëren. Ik beschik niet over aanwijzingen dat er sprake is van een toename van agressie jegens Papoea’s. Minister Natalegawa heeft in zijn gesprek met de Nederlandse ambassadeur benadrukt dat in alle gevallen incidenten zullen worden onderzocht en dat geen sprake kan zijn van straffeloosheid.
Het Indonesische beleid voor Papoea is primair gericht op economische ontwikkeling. Nederland draagt in samenwerking met de lokale autoriteiten in Papoea hier onder meer aan bij via het People-centered Development Programme van UNDP. In dit kader is de implementatie van de speciale autonomiewet (SAL) uit 2001 een belangrijk aandachtspunt. Deze implementatie laat nog steeds te wensen over. De financiële middelen, bestemd voor sociaal-economische ontwikkeling, worden om deze reden niet optimaal besteed. Daarnaast blijven de politieke spanningen bestaan. De Indonesische regering treedt hard op tegen personen die een onafhankelijk Papoea nastreven. Dit komt onder meer tot uiting in de zware straffen die zijn opgelegd aan personen die de in Indonesië verboden Morgenstervlag hebben getoond.
Hoe valt de houding van de Indonesische regering momenteel te kenschetsen ten aanzien van de provincie Papoea en ten aanzien van de separatisten in het bijzonder?
Zie antwoord vraag 2.
Op welke wijze heeft u in de afgelopen periode, eventueel middels internationale gremia, de precaire positie van Papoea’s in Indonesië aan de orde gesteld bij de betreffende autoriteiten? Welke resultaten heeft dit opgeleverd? Betoont Indonesië zich gevoelig voor internationale kritiek hieromtrent?
Nederland spreekt regelmatig met de Indonesische autoriteiten over de situatie in Papoea. Het accent ligt daarbij op de sociaal-economische ontwikkeling en de wijze waarop Nederland hieraan kan bijdragen. Tegelijkertijd heeft Nederland herhaaldelijk zorg uitgesproken over de mensenrechtensituatie in Papoea en de hoge strafmaat die bijvoorbeeld wordt toegepast voor personen die de Morgenstervlag hebben getoond. Tevens is erop aangedrongen de Indonesische wetgeving ten aanzien van de vrijheid van meningsuiting in lijn te brengen met de internationaalrechtelijke verplichtingen die het is aangegaan, waaronder het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (het BuPo-verdrag). Ik constateer dat Indonesië steeds meer openstaat voor dialoog over dit onderwerp, hetgeen geïllustreerd wordt door onder andere de instelling van een structurele EU-Indonesië mensenrechtendialoog, in welk kader een eerste bijeenkomst in juni 2010 heeft plaatsgevonden. Binnen deze dialoog vormt ook de situatie in Papoea onderwerp van gesprek.
Het feit dat naar aanleiding van de publicatie van eerdergenoemde video op de website van Youtube de Indonesische autoriteiten proactief hebben gereageerd, ook richting internationale gemeenschap, beschouw ik als een positieve ontwikkeling. Ik verwelkom de transparante wijze waarop Indonesië deze kwestie aanpakt en de manier waarop Nederland hierover door de minister van Buitenlandse Zaken persoonlijk is geïnformeerd. Nederland zal hierover nauw contact blijven onderhouden met de Indonesische autoriteiten.
In hoeverre heeft de positie van de Papoea’s in Indonesië thans de aandacht van de EU? Kan deze aandacht verder geïntensiveerd worden? Wilt u dit bevorderen?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid – zo mogelijk ook in internationaal verband – de nu aangeduide martelingen van Papoea’s door Indonesische militairen te benutten als handvat om opnieuw de positie van hen aan de orde te stellen bij de betreffende autoriteiten én te bevorderen, dat de Indonesische regering haar verantwoordelijkheid neemt in het beschermen van deze bevolkingsgroep?
Zie antwoord vraag 4.
Kinderarbeid bij hazelnotenproductie in Turkije |
|
Kathleen Ferrier (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitzending van EenVandaag over kinderarbeid op hazelnootplantages in Turkije?1
Ja.
Deelt u de mening dat er in een land dat lid wil worden van de Europese Unie van kinderarbeid absoluut geen sprake kan zijn?
De EU-toetredingsonderhandelingen met Turkije werden gestart in 2005. De onderhandelingen verlopen traag en het einde is nog niet in zicht. De Raad van december 2009 riep Turkije op om een grotere inspanning te leveren om aan de Kopenhagencriteria te voldoen. Hierbij werd in het bijzonder – mede op aandringen van Nederland – expliciet naar het belang van vrouwen- en kinderrechten verwezen. De Europese Commissie besteedt in haar dialoog met Turkije immer aandacht aan het waarborgen van mensenrechten.
Ondanks de hierboven genoemde afname van kinderarbeid, komt kinderarbeid nog steeds in substantiële mate voor in Turkije. De Europese Commissie constateert in het Voortgangsrapport 2010 over Turkije een beperkte voortgang in de uitbanning van kinderarbeid. De Commissie verwelkomt de oprichting binnen het Turkse ministerie van Arbeid en Sociale Zaken van een directie voor Achtergestelde Groepen. Eén van de taken van deze directie betreft de coördinatie van de inspanningen door instituties ter bestrijding van kinderarbeid. Niettemin stelt de Commissie dat de inzet en implementatie op het terrein van het uitbannen van kinderarbeid verder versterkt dient te worden.
Bent u bereid de concerns die gebruik maken van deze hazelnoten aan te spreken op hun verantwoordelijkheid en wilt u bij deze concerns aandringen op het stopzetten van handel in hazelnoten die door kinderen zijn geplukt?
Zie het gecombineerde antwoord op vraag 1 en 5 van de vragen van de leden Gesthuizen, Irrgang en Voordewind. (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2010–2011, nr. 789)
Hoe beoordeelt u de initiatieven die bedrijven in deze branche zelf hebben genomen om kinderarbeid tegen te gaan?
Zie het gecombineerde antwoord op vraag 1 en 5 van de vragen van de leden Gesthuizen, Irrgang en Voordewind.
Op welke wijze zult u de initiatieven op het gebied van de bestrijding van kinderarbeid, die door het vorige kabinet zijn ontplooid, voortzetten?
Zoals bekend vormen het VN-Kinderrechtenverdrag en de ILO-verdragen over Minimum Leeftijd (138/1973) en over de Ergste Vormen van Kinderarbeid (182/1999) de grondslag voor het Nederlandse beleid inzake kinderarbeid. Overeenkomstig deze verdragen is Nederland voorstander van de afschaffing van alle vormen van kinderarbeid, waarbij prioriteit wordt gegeven aan uitbanning van de ergste vormen. Dat kan alleen met een integrale aanpak waarbij Nederland zich, naast het bevorderen van de ratificatie en naleving van deze verdragen, via multilaterale kanalen en bilaterale kanalen inzet voor de bestrijding van kinderarbeid.
Het kabinet zal zich inzetten voor de uitvoering van de op 14 juni jl. op Nederlands initiatief tot stand gekomen EU-Raadsconclusies kinderarbeid, waarin de Europese Commissie wordt gevraagd voor eind 2011 te rapporteren over de ergste vormen van kinderarbeid in relatie tot handel. Graag verwijs ik in dit verband naar de brieven die uw Kamer op 29 april en 16 juni jl. zijn toegekomen over de uitvoering van de moties Voordewind (31 263 Nr. 16) en Ortega-Martijn (31 700 Nr. 38) met betrekking tot het opleggen van een boete indien sprake is van kinderarbeid of dwangarbeid op het project en bij de eerste wezenlijke toeleverancier van investeringsprojecten waarvoor overheidssubsidie is ontvangen.
Welke mogelijkheden worden, zowel in Nederlands als in Europees verband, benut, om de Turkse autoriteiten te bewegen stappen te zetten ten aanzien van bedrijven die profiteren van kinderarbeid? Welke bijdrage leveren Nederland en de Europese Unie zodat de kinderen die nu werkzaam zijn op hazelnootplantages in de toekomst naar school kunnen gaan?
In het Voortgangsrapport 2010 van de Europese Commissie over Turkije meldt de Commissie dat in 2009–2010 de schoolparticipatie hoger was onder kinderen tot 12 jaar dan in 2008–2009. Het Turkse ministerie van onderwijs stelde een «early-warning systeem» in voor kinderen die het risico lopen op schooluitval. Daarnaast werd door de minister-president in een circulaire aandacht gevraagd voor de noodzaak de omstandigheden te verbeteren voor seizoensarbeiders in de landbouwsector en hun families, inclusief betere toegang voor kinderen tot onderwijs en gezondheidszorg. De Commissie constateert echter dat aanvullende inspanningen, met name op het gebied van implementatie, zijn vereist.
In samenwerking met de ILO neemt de Turkse overheid maatregelen om te zorgen dat de kinderen van seizoensarbeiders in de toekomst naar school kunnen gaan. Dat doet de Turkse kinderbescherming (SHÇEK) in samenwerking met ILO, het Turkse ministerie van Arbeid en het Turkse ministerie van Onderwijs. SHÇEK is samen met het ministerie van Arbeid en het ministerie van Onderwijs een initiatief gestart om te zorgen dat kinderen in alle gevallen onderwijs kunnen volgen. Primair onderwijs is in Turkije uiteraard verplicht. Met het initiatief wil de Turkse overheid waarborgen dat kinderen, die door hun ouders worden meegenomen naar gebieden waar seizoensarbeid wordt verricht, toch onderwijs kunnen volgen. SHÇEK werkt nauw samen met ILO om dit initiatief vorm te geven.
De Nederlandse regering zal de zorg in de Nederlandse samenleving over het inzetten van kinderen in de seizoensoogst opbrengen in de jaarlijkse SZW-dialoog met Turkije. Hierbij zal Nederland aangeven waardering te hebben voor de inspanningen die Turkije zich reeds heeft getroost, maar tevens bepleiten dat scholen, arbeidsinspectie en bedrijven intensief betrokken worden bij de bestrijding van kinderarbeid in de seizoensoogst.
Nederland neemt daarnaast actief deel aan de ILO vergaderingen waarin gesproken wordt over de naleving van arbeidsnormen, waaronder het verbod op kinderarbeid. Samen met verschillende andere EU-lidstaten zet Nederland daarbij in op de onmiddellijke uitbanning van kinderarbeid. Via het multilaterale toezichtmechanisme van de ILO worden landen die het verbod op kinderarbeid niet naleven, daarop aangesproken en aangespoord om stappen te zetten om kinderarbeid uit te bannen.
Op welke manier wordt de consument geïnformeerd over kinderarbeid bij de totstandkoming van het eindproduct waarin hazelnoten uit Turkije zijn verwerkt?
De Nederlandse regering gaat uit van de eigen verantwoordelijkheid van bedrijven om verantwoorde consumentenproducten en betrouwbare consumenteninformatie aan te bieden. Transparantie over de MVO ambitie en verslaglegging over ketenverantwoordelijkheid zijn belangrijke middelen voor bedrijven om dit vertrouwen te krijgen en te behouden.
Uit gesprekken met de brancheorganisaties is naar voren gekomen dat het in de praktijk niet mogelijk blijkt te zijn om aan te geven of een eindproduct met zekerheid al dan niet tot stand is gekomen met hazelnoten waarbij kinderarbeid is ingezet. Om dergelijke informatie te kunnen geven, zal een controleur aanwezig moeten zijn bij iedere situatie waarbij kinderarbeid zich voor zou kunnen doen. Zie ook antwoord op gecombineerde vragen 1 en 5 van de eerste set.
Op wat voor manier wordt gewerkt aan dat hazelnootplukkers gestimuleerd worden om naar school te gaan? Is de International Labor Organization (ILO) hierbij betrokken?
Zie het gecombineerde antwoord op vraag 6.
Kinderarbeid bij de hazelnotenpluk in Turkije |
|
Bruno Braakhuis (GL) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op een item van EenVandaag over de grootschalige inzet van jonge kinderen bij de hazelnotenpluk in Noord Turkije?1
Zie het gecombineerde antwoord op vraag 1 en 5 van de vragen van de leden Gesthuizen, Irrgang en Voordewind. (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2010–2011, nr. 789)
Kunt u bevestigen dat er alleen al uit de provincie rond de stad Sanliurfa 70 000 leerplichtige kinderen, soms niet ouder dan 8 of 9 jaar maandenlang met hun ouders meegaan naar Noord Turkije om daar tegen betaling van € 1,– per uur werkdagen van 11 uur te maken? Zo nee, bent u bereid deze cijfers na te trekken?
Hierover zijn geen officiële cijfers bekend. De gemeente van Şanliurfa en de Association of Seasonal Agricultural Workers (METIDER), gevestigd in Şanliurfa, bevestigen dat personen in Şanliurfa hun inkomen verdienen door seizoensarbeid in andere regio’s. METIDER geeft als onofficiële schatting dat de helft van de personen in het rurale gebied van Şanliurfa en 44 procent van de lagere inkomensgroepen in de stedelijke gebieden (dit laatste gaat om ongeveer 125 000 personen) werkzaam is in de seizoensarbeid. METIDER geeft aan dat het vaak grote gezinnen betreft met gemiddeld vijf kinderen.
De Turkse onderwijsbond Eğitim Sen deed eind 2007 onderzoek onder 115 scholen voor primair onderwijs in zes Turkse zuidoostelijke steden. Hieruit kwam naar voren dat deze scholen 243 000 leerplichtige kinderen onder hun hoede hebben, 23 683 kinderen een deel onderwijs missen vanwege seizoensmigratie.
Kunt u een overzicht geven van Nederlands bedrijven die (op enige schaal) handelen in Turkse hazelnoten of deze in hun producten verwerken?
Zie het antwoord op vraag 4 van de vragen van de leden Gesthuizen, Irrgang en Voordewind. (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2010–2011, nr. 789)
Bent u van mening dat producenten van bijvoorbeeld hazelnotenpasta of -chocola de consument inzicht zouden moeten geven in de herkomst van deze noten, temeer daar 75 procent van de hazelnoten afkomstig is uit Turkije waar kennelijk op grote schaal kinderen worden ingezet bij de pluk?
Zie het antwoord op vraag 6 van de vragen van het lid Ferrier. (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2010–2011, nr. 790)
Bent u bereid het initiatief te nemen (bijvoorbeeld in het kader van het Initiatief Duurzame Handel) om met alle betrokkenen (producten, leveranciers, supermarkten) ervoor te zorgen dat maatregelen worden genomen om dit soort misstanden in de hele keten uit te bannen? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Zie het gecombineerde antwoord op vraag 1 en 5 van de Kamervragen van de leden Gesthuizen, Irrgang en Voordewind (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2010–2011, nr. 789) en het antwoord op vraag 5 van het lid Van Veldhoven-van der Meer. (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2010–2011, nr. 791)
Ziet u mogelijkheden om in Europese Unie-verband initiatief te nemen om de Turkse regering aan te spreken op de gesignaleerde praktijken? Zo ja, welke?
Zie het antwoord op de vragen 2 en 6 van het lid Ferrier (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2010–2011, nr. 790) en het antwoord op vraag 4 van het lid Van Veldhoven-van der Meer. (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2010–2011, nr. 791)