Het optreden tegen een anti-Hamas-bord tijdens een demonstratie in Amsterdam en de positie van burgemeester Halsema |
|
Mona Keijzer , Shanna Schilder (PVV) |
|
Pieter Heerma (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de beelden waarop te zien zou zijn dat de politie tijdens een demonstratie in Amsterdam een demonstrant sommeert zijn bord met de tekst «FCK HMS», oftewel «Fuck Hamas», te verwijderen, terwijl eerder in dezelfde stad openlijk steun werd betuigd aan de terroristische organisatie Hamas door bijvoorbeeld een spandoek met de tekst «We Support Hamas»?1
Heeft u inmiddels contact opgenomen met burgemeester Halsema om te achterhalen of het klopt dat de politie deze demonstrant heeft opgedragen zijn bord te verwijderen en, zo ja, waarom deze opdracht is gegeven? Zo nee, waarom niet?
Hoe kan het in hemelsnaam dat in Amsterdam spandoeken met teksten als «We Support Hamas» mogen worden getoond, terwijl iemand die zich juist uitspreekt tégen deze terroristische organisatie door de politie wordt gesommeerd zijn bord te verwijderen?
Deelt u de mening dat hier op zijn minst de schijn van een volstrekt onacceptabele dubbele maatstaf ontstaat? Zo nee, waarom niet?
Hoe valt te rechtvaardigen dat de politie in Amsterdam ingrijpt tegen een demonstrant die met zijn bord «FCK HMS» duidelijk afstand neemt van een terroristische organisatie? Vindt u dit optreden zelf ook niet volstrekt buitenproportioneel?
Deelt u de mening dat de politie haar handen vol zou moeten hebben aan het aanpakken van daadwerkelijke strafbare uitingen en ordeverstoringen, in plaats van demonstranten lastig te vallen die zich uitspreken tegen een terroristische organisatie? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het ronduit absurd zou zijn wanneer de overheid kennelijk meer moeite heeft met het uitschelden van een terroristische organisatie dan met het openlijk betuigen van steun aan diezelfde organisatie? Zo nee, waarom niet?
Waarom wordt bij demonstraties waarbij openlijk steun wordt betuigd aan Hamas niet veel nadrukkelijker onderzocht of sprake is van reeds strafbare uitingen, zoals opruiing, bedreiging of het aanzetten tot geweld?
Hoeveel personen zijn de afgelopen drie jaar tijdens demonstraties in Amsterdam aangehouden en vervolgd wegens strafbare uitingen ter ondersteuning van Hamas?
Klopt het dat Amsterdamse politieagenten wilden ingrijpen tegen demonstranten die openlijk steun betuigden aan Hamas, onder meer door spandoeken met teksten als «We Support Hamas» in beslag te nemen, maar daarvoor geen toestemming kregen?
Welke rol heeft burgemeester Halsema gespeeld bij het besluit om hier niet tegen op te treden?
Deelt u de mening dat het volstrekt onacceptabel zou zijn als burgemeester Halsema rechtmatig politieoptreden tegen mogelijke strafbare steunbetuigingen aan een terroristische organisatie heeft tegengehouden? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het vertrouwen in een onafhankelijke en onpartijdige uitoefening van het burgemeestersambt ernstig wordt geschaad wanneer bij demonstraties de indruk ontstaat dat met twee maten wordt gemeten? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid de gang van zaken rond het verwijderen van dit anti-Hamas-bord volledig te laten ophelderen, inclusief de vraag wie opdracht gaf tot het ingrijpen en of sprake was van ongelijke behandeling? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het toestaan van spandoeken met teksten als «We Support Hamas» tijdens demonstraties in Amsterdam pijnlijk duidelijk maakt waarom ons initiatiefwetsvoorstel «Wet Weerbare Waarden» noodzakelijk is en bent u bereid dit wetsvoorstel te steunen om onze democratische rechtsstaat beter te beschermen tegen de openlijke verheerlijking en ondersteuning van terroristische en antidemocratische stromingen en organisaties? Zo nee, waarom niet?
AI-gegenereerd seksueel beeldmateriaal van kinderen |
|
Mahjoub Mathlouti (D66), Sarah El Boujdaini (D66), Marijke Synhaeve (D66) |
|
Aerdts , Sophie Hermans (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «AI-kindermisbruik groot probleem: beelden gaan soms hele school door»?1
Hoe kijkt u naar de signalen dat het door generatieve AI steeds eenvoudiger wordt om seksuele beelden van kinderen te maken en deze vervolgens op grote schaal te verspreiden?
Heeft u voldoende zicht op de omvang van AI-gegenereerd seksueel beeldmateriaal van minderjarigen in Nederland en de ontwikkeling hiervan? Zo nee, welke informatie ontbreekt?
Deelt u de opvatting dat AI-gegenereerd seksueel beeldmateriaal van een kind moet worden gezien als een ernstige vorm van seksueel geweld, ook wanneer het beeld niet daadwerkelijk van het kind is gemaakt?
Welke ondersteuning is momenteel beschikbaar voor minderjarige slachtoffers van AI-gerelateerd seksueel geweld en is deze hulpverlening voldoende voorbereid op deze nieuwe vorm van slachtofferschap?
Welke rol hebben jeugdhulp, Veilig Thuis en andere zorg- en hulpverleningsorganisaties bij het signaleren en ondersteunen van kinderen die hiermee te maken krijgen en zijn zij hiervoor voldoende voorbereid?
Is er inmiddels een duidelijk handelingskader voor professionals die signalen van online seksueel geweld onder minderjarigen, waaronder AI-gerelateerd seksueel geweld, opvangen en zo nee, bent u bereid dit te ontwikkelen?
Beschikken politie en Openbaar Ministerie over voldoende kennis, capaciteit en technische middelen om daders die AI gebruiken voor het maken en verspreiden van seksueel beeldmateriaal van kinderen op te sporen en te vervolgen? In hoeverre is Europol hierbij betrokken? En in hoeverre is de overheid hierin afhankelijk van externe organisaties, zoals Offlimits?
Deelt u de opvatting dat de aanpak niet alleen gericht moet zijn op het verwijderen van beelden en het vervolgen van daders, maar ook op het voorkomen dat dergelijke beelden überhaupt kunnen worden gemaakt?
In hoeverre bieden de huidige wet- en regelgeving en bevoegdheden voldoende mogelijkheden om nu al op te treden tegen het maken en verspreiden van AI-gegenereerde seksuele beelden van minderjarigen, en waar ziet u nog knelpunten?
Welke voorbereidingen treft u momenteel om ervoor te zorgen dat het verbod uit artikel 5 van de AI-verordening op het genereren van niet-consensuele seksuele beelden en beelden van seksueel kindermisbruik (CSAM) vanaf 2 december 2026 effectief kan worden gehandhaafd, en beschikken de verantwoordelijke toezichthouders daarvoor over voldoende capaciteit en expertise?
Welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om kinderen te beschermen tegen AI-gerelateerd seksueel geweld en ervoor te zorgen dat slachtoffers snel passende hulp krijgen?
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het wetgevingsoverleg over het begrotingsonderdeel Jeugd op 30 november 2026?
De verlaging van de terugvordering van subsidie aan BIJ1 |
|
Ranjith Clemminck (JA21) |
|
Pieter Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Bassiehof – Pieter Heerma (CDA) negeert advies waakhond, doet BIJ1 ruim ton cadeau, zwijgt over waarom»?1
Klopt het dat BIJ1 van het eerder volledig teruggevorderde subsidievoorschot over 2024 uiteindelijk slechts circa € 95.000 hoeft terug te betalen? Kunt u de exacte bedragen vermelden van de verleende subsidie, het uitgekeerde voorschot, de definitief vastgestelde subsidie en de resterende terugvordering?
Wanneer, door wie en op welke juridische en feitelijke gronden is besloten de terugvordering te verlagen? Betreft dit een beslissing op bezwaar, een schikking of een ander besluit?
Welke nieuwe gegevens rechtvaardigen deze verlaging ten opzichte van het eerdere besluit om de subsidie op nihil vast te stellen?2
Heeft BIJ1 inmiddels een volledige subsidieverantwoording over 2024 aangeleverd, inclusief de vereiste accountantsverklaring? Wanneer zijn deze stukken ontvangen, welke gebreken zijn hersteld en welke tekortkomingen bestaan nog?
Voor welke concrete activiteiten en uitgaven mag BIJ1 de niet-teruggevorderde middelen behouden? Hoe is vastgesteld dat deze uitgaven daadwerkelijk zijn gedaan en binnen de wettelijke subsidiedoelen vallen?
Is de Commissie toezicht financiën politieke partijen (Ctfpp) opnieuw om advies gevraagd voordat de terugvordering werd verlaagd? Zo ja, wat luidde dit advies? Zo nee, waarom niet?
Hoe heeft u bij uw besluit meegewogen dat de Ctfpp vanwege herhaaldelijke niet-naleving volledige terugvordering adviseerde en een lichtere maatregel onwenselijk achtte?3
Heeft de financiële positie van BIJ1 of het risico op betalingsproblemen een rol gespeeld bij de verlaging? Zo ja, waarom heeft dit dan geleid tot een lager terug te betalen bedrag en niet uitsluitend tot een betalingsregeling?
Deelt u de opvatting dat politieke partijen die met belastinggeld worden gefinancierd hun besteding volledig moeten verantwoorden en dat herhaaldelijke tekortkomingen consequenties moeten hebben? Hoe geeft uw besluit daaraan invulling?
Hoe waarborgt u dat voor alle politieke partijen dezelfde maatstaven gelden bij ontbrekende verantwoording, overschrijding van hersteltermijnen en heroverweging van terugvorderingen? Kunt u aangeven in welke vergelijkbare gevallen sinds 2021 een terugvordering is verlaagd en op welke gronden?
Klopt het dat BIJ1 al geruime tijd over het gewijzigde besluit beschikte zonder dat de Kamer hierover afzonderlijk was geïnformeerd? Waarom is de Kamer niet actief geïnformeerd, terwijl dat na de bezwaarprocedure over de subsidie aan BIJ1 voor 2021 wel gebeurde?4
Bent u bereid het oorspronkelijke terugvorderingsbesluit, het gewijzigde besluit, de onderliggende berekening, eventuele aanvullende adviezen en de bijbehorende beslisnota’s aan de Kamer te verstrekken? Zo nee, wat verhindert de verstrekking van ieder afzonderlijk document?
Is het aangekondigde sanctieregime, dat volgens uw eerdere Kamerbrief vóór 1 juli 2026 in werking moest treden, inmiddels van kracht? Welke gevolgen verbindt dit regime aan herhaaldelijke overtredingen en is het bij deze besluitvorming toegepast?²
Bent u bereid alsnog het volledige voorschot terug te vorderen indien niet deugdelijk kan worden aangetoond dat de behouden middelen rechtmatig zijn besteed? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de gebruikelijke termijn beantwoorden?
De berichtgeving over discriminatie bij de afdeling Handhaving van UWV |
|
Stephan Neijenhuis (D66), Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Pieter Heerma (CDA), Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving van het Algemeen Dagblad en EenVandaag die wijst op discriminatie, racisme en etnisch profileren bij de afdeling Handhaving van UWV?
Deelt u de mening dat selecteren op «land van herkomst» en zwangerschap discriminatie is?
Sinds wanneer stonden de risicokenmerken «land van herkomst» en zwangerschap in de werkinstructie van de afdeling Handhaving en wanneer zijn deze definitief verwijderd?
Heeft u eerder signalen of klachten ontvangen over discriminatie in de dienstverlening en/of in de werkcultuur van de afdeling Handhaving? Zo ja, kunt u aangeven wat de aard en omvang van deze signalen of klachten waren, welke maatregelen heeft u daarop getroffen, en in hoeverre deze naar tevredenheid van de melder waren?
Heeft u signalen of klachten ontvangen over discriminatie op andere gronden dan land van herkomst of zwangerschap in de dienstverlening en/of in de werkcultuur van de afdeling Handhaving?
Deelt u de mening dat signalen van mogelijke discriminatie, zoals de uitkomst van de interne analyse van UWV, direct bij de Minister dienen te worden gemeld, ook als vervolgonderzoek nog plaatsvindt?
Welke afspraken gelden momenteel binnen de rijksoverheid voor de omgang met ambtelijke signalen van mogelijke discriminatie als gevolg van beleid en/of op de werkvloer?
Acht u deze afspraken voldoende, gelet op het feit dat de signalen u pas laat hebben bereikt en gelet op de stelling in de berichtgeving dat niets is gedaan met signalen over de werkcultuur?
Kunt u aangeven wanneer de maatregelen gericht op de werkcultuur bij de afdeling, zoals door u geschetst in uw Kamerbrief (2026D48782), wat u betreft voldoende effectief zijn? Welke doelen stelt u hierbij?
Welke maatregelen treft u om slachtoffers van discriminatie op de werkvloer van de afdeling te beschermen, daders aan te pakken en bewustwording te creëren?
Kunt u aangeven waarom aanvankelijk door UWV is gekozen voor een interne analyse na vermoedens van mogelijke discriminatie, in plaats van direct een onafhankelijk extern onderzoek?
Hoe beoordeelt u de stelling in het Algemeen Dagblad dat het KPMG-onderzoek niet primair gericht is op het onderzoeken van discriminatie, maar op verschillen in de werkwijze per kantoor?
Met welke onderzoeksvraag is het KPMG-onderzoek in januari 2026 van start gegaan? Was het onderzoeken van discriminatie daar expliciet onderdeel van?
Is de richting van het KPMG-onderzoek gaandeweg aangepast? Zo ja, waarom?
Heeft de afdeling Handhaving van UWV de discriminatietoets voor publieke dienstverlening gebruikt? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid dit alsnog te doen?
Bent u bereid de gehanteerde algoritmes en risicoprofielen van het UWV door te lichten op mogelijke (indirecte) discriminatie en de Kamer over de uitkomsten te informeren?
Maakt UWV gebruik van geautomatiseerde selecties van uitkeringsgerechtigden voor controles op fraude? Zo ja, worden historische gegevens, waaronder uitkomsten van oudere fraudecontroles, gebruikt om dergelijke systemen te trainen?
Is door de afdeling Handhaving overwogen om over te gaan tot aselecte controles? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid dit alsnog te doen?
Op basis van welke risicokenmerken worden de controles door de afdeling Handhaving op dit moment uitgevoerd?
Kunt u aangeven welke maatregelen UWV heeft getroffen sinds het kinderopvangtoeslagenschandaal om discriminatie en etnisch profileren in de eigen dienstverlening te voorkomen en bestrijden?
Kunt u aangeven op welke manier UWV de uitspraak in de zaak aangespannen door Amnesty c.s. tegen de Staat1 heeft geïmplementeerd?
Kunt u aangeven of en op welke manier UWV het toetsingskader voor risicoprofielen, ontwikkeld door het College voor de Rechten van de Mens, heeft geïmplementeerd?
Welke vervolgstappen bent u van plan te nemen indien het onderzoeksresultaat wijst op discriminerend handelen?
Welke lessen neemt u in een eventuele hersteloperatie voor gedupeerden mee uit de handelwijze bij de hersteloperatie na discriminerende risicoprofilering bij DUO, waaronder de informatievoorziening aan burgers, dossierherbeoordeling en compensatie?
Het bericht ‘Discriminatie en racisme binnen afdeling handhaving bij UWV' |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Racisme en discriminatie bij afdeling handhaving UWV, nieuwe hoogste baas biedt excuses aan»?1
Hoeveel mensen met een migratieachtergrond hebben vanwege hun migratieachtergrond te maken gekregen met een strenger controleregime bij het UWV dan mensen zonder migratieachtergrond?
Bent u bereid de beslissingen binnen de afgelopen vijf jaar opnieuw te controleren om zo vast te kunnen stellen of mensen met een migratieachtergrond in bepaalde regio’s inderdaad te maken hebben gekregen met een strenger controleregime vanwege hun achtergrond en waar nodig beslissingen opnieuw tegen het licht te houden? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat u pas na vragen van het Algemeen Dagblad (AD) over het onderzoek hoorde terwijl deze informatie al in januari bij uw ministerie bekend was? Zo ja, waarom zit hier zoveel tijd tussen?
Hoe ziet de tijdlijn tussen de start van het onderzoek en bekendmaking bij u eruit? Welke stappen werden wanneer gezet, en wie werd wanneer geïnformeerd?
Waarom is het advies om op basis van de uitkomsten van het eerdere interne onderzoek een nader specifiek onderzoek te doen naar mogelijk racisme en discriminatie bij het uitdelen van boetes eerder niet opgevolgd, waardoor de uitkomsten van dit onderzoek al bijna een jaar op de plank liggen?
Welke stappen heeft u genomen toen u bekend werd met de uitkomsten van het interne onderzoek bij het UWV?
Klopt het dat er een extern onderzoek loopt naar het UWV? Klopt het dat er in dit onderzoek vooral gekeken wordt naar verschillen per kantoor van het UWV?
Welke andere aspecten binnen het UWV worden in dit externe onderzoek meegenomen?
Welke afdelingen binnen het UWV vallen onder dit externe onderzoek?
Worden de verschillen in het controleregime bij verschillende regio’s en eventuele racistische of discriminerende aspecten bij de controle ook meegenomen binnen dit onderzoek? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te onderzoeken?
Worden discriminerende en racistische uitingen bij de werving, selectie en het behoud van personeel ook meegenomen in dit onderzoek? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te onderzoeken?
Kunt u de onderzoeksopzet met de Kamer delen?
Wanneer kan de Kamer de uitkomsten van dit onderzoek verwachten?
Wat vindt u van het verhaal van Minke van den Berg bij EenVandaag? Wat vindt u ervan dat zij intern werd aangepakt toen ze de vermeende discriminatie aankaartte bij haar manager?
Welke maatregelen worden er binnen het UWV genomen om te voorkomen dat niet de melder, maar de dader in het vervolg wordt aangepakt?
Kunt u reflecteren op de in de media geschetste voorbeelden en daarbij in elk geval meenemen of u racisme en discriminatie binnen het UWV ziet als een probleem van individuen of als een cultureel en organisatie breed probleem binnen de werkorganisatie van het UWV?
Welke andere stappen neemt u om ervoor te zorgen dat racisme en discriminatie in de organisatie en bij handhaving direct worden aangepakt zolang het onderzoek loopt?
Welke stappen neemt het UWV tegen de in het artikel genoemde medewerkers die personeel bewust afwijzen gebaseerd op afkomst?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Het bericht 'Premier Jetten: uitspraak over ’vol op hun bek slaan’ was ’slip of the tongue’' en het 'Briefje van Jan - aan Rob ‘Badr’ Jetten' - by Jan Dijkgraaf |
|
Mona Keijzer |
|
Rob Jetten (D66) |
|
Handhaaft u uw uitspraak over «goed georganiseerde en goed gefinancierde organisaties» die kleine en grote groepen zouden aanvallen om meer macht te verkrijgen en hun eigen zakken te vullen wel, of trekt u die ook in?1, 2
Welke organisaties bedoelde u en op welke concrete feiten baseerde u deze uitspraak?
Is er volgens u in de recente onderzoeken door de Universiteit Utrecht of de Universiteit van Amsterdam over homoaccepatie onderzoek naar gedaan? Zo ja, welke organisaties zijn in deze onderzoeken genoemd?
Welke financieringsstromen bedoelde u precies? Kunt u aangeven wie de financiers zijn, uit welke landen deze afkomstig zijn en welke organisaties deze middelen ontvingen en hoeveel?
Zijn bij de door u genoemde financieringsstromen buitenlandse overheden of aan hen gelieerde organisaties betrokken? Zo ja, welke en waaruit blijkt hun betrokkenheid?
Welke «kleinere groep» of «grotere groepen» worden volgens de Minister-President gepakt en door welke organisatie of organisaties? Waaruit blijkt dat zij een strategie volgen waarbij zij achtereenvolgens steeds grotere groepen treffen? Welke groepen zijn dat precies?
Hoe zagen die «goed georganiseerde en goed gefinancierde» aanvallen er in de praktijk uit? Kunt u per aanval aangeven wat er heeft plaatsgevonden en op welke feiten u de betrokkenheid van de door u bedoelde organisaties baseert?
Waaruit blijkt dat de door u bedoelde organisaties met deze activiteiten meer macht proberen te verkrijgen? Welke macht betreft dit en in hoeverre zijn zij daarin geslaagd?
Waarop baseert u uw bewering dat deze organisaties hun eigen zakken vullen? Welke organisaties of personen hebben zich volgens u verrijkt, met welke bedragen en hoe houdt deze verrijking verband met de door u genoemde aanvallen?
Kunt u dit uitsplitsen per land, per donor en per ontvangende organisatie?
Doelde u met «aanvallen» op geweld, bedreiging of andere volgens u strafbare feiten? Welke?
Zitten hier ook uitingen en activiteiten bij die u afwijst maar wel binnen de grenzen van de vrijheid van meningsuiting vallen? Zo ja, welke?
Vindt u dat van een Minister-President mag worden verwacht dat hij dergelijke beschuldigingen toelicht en onderbouwt, ook wanneer hij spreekt op een partijcongres? Waarom heeft u daarbij niet duidelijk gemaakt welke organisaties u bedoelde?
Indien u uw beweringen over georganiseerde aanvallen, machtsverwerving en zelfverrijking niet kunt onderbouwen, bent u dan bereid deze publiekelijk te corrigeren?
Indien in de antwoorden opgenomen gaat worden dat delen van de gevraagde informatie niet gedeeld kan worden, kunt u dan per onderdeel aangeven waarom er een belemmering bestaat om deze openbaar te delen? Zo nee, waarom niet?
Sinds wanneer beschikt het kabinet over de informatie waarop u uw uitspraken baseert?
Aangezien u de woorden dat u mensen «vol op de bek ging slaan» heeft ingetrokken, hoe kijkt u terug op het enthousiast mee applaudisseren van de D66-leden ter plekke?
Geweld tegen journalisten tijdens de demonstratie op het Malieveld |
|
Mahjoub Mathlouti (D66) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het feit dat journalisten tijdens deze demonstratie naar verluidt zijn bespuugd, uitgescholden, geduwd en bekogeld met onder meer stenen, vuurwerk en blikjes, terwijl zij herkenbaar als journalist aanwezig waren?
Deelt u de opvatting dat journalisten hun werk bij demonstraties en andere situaties met een verhoogd veiligheidsrisico vrij en veilig moeten kunnen uitvoeren en dat geweld tegen journalisten niet alleen de betrokken journalisten raakt, maar ook de vrije nieuwsgaring en daarmee onze democratische rechtsstaat?
Hoeveel aangiften zijn naar aanleiding van het geweld tegen journalisten op en rond het Malieveld gedaan? Hoeveel van deze incidenten worden momenteel door de politie onderzocht?
Worden beschikbare camerabeelden, waaronder beelden van journalisten, omstanders, politie en gemeentelijke camera's, veiliggesteld en gebruikt om verdachten van geweld tegen journalisten te identificeren?
Op welke wijze werken politie, Openbaar Ministerie en PersVeilig samen om ervoor te zorgen dat de daders van geweld tegen journalisten tijdens deze demonstratie worden opgespoord en, waar mogelijk, vervolgd? Op welke wijze wordt er op dit moment prioriteit gegeven aan meldingen en aangiften waarbij sprake is van geweld tegen journalisten door politie, het Openbaar Ministerie en PersVeilig? Kunt u bevestigen dat elke melding kan rekenen op opvolging?
Hoe beoordeelt u de ontwikkeling dat PersVeilig dit jaar, met nog een aantal maanden te gaan, al 58 meldingen van fysiek geweld tegen journalisten heeft ontvangen, terwijl dat er in 2025 slechts 55 waren? Is PersVeilig voldoende toegerust om het toenemend aantal meldingen in behandeling te nemen?
Heeft u voldoende zicht op de feitelijke omvang van geweld en agressie tegen journalisten, mede omdat incidenten niet altijd bij PersVeilig of de politie worden gemeld? Zo nee, hoe gaat u dit inzicht verbeteren?
Welke concrete maatregelen worden nu genomen om journalisten beter te beschermen tijdens demonstraties waarbij vooraf een verhoogd risico op geweld of ongeregeldheden wordt voorzien? Acht u deze maatregelen voldoende?
Welke instructies gelden voor politieagenten en de ME voor de omgang met herkenbare journalisten tijdens het beëindigen van een demonstratie of bij grootschalige openbare-ordehandhaving? Vindt er ook onderzoek dan wel een evaluatie plaats naar de veiligheid van journalisten tijdens demonstraties?
Bent u bereid de gebeurtenissen op het Malieveld te betrekken bij de aanpak van agressie en geweld tegen journalisten en de Kamer te informeren over eventuele aanvullende maatregelen die naar aanleiding hiervan worden genomen?
Discriminerende vraagsuggesties en antwoorden van Google |
|
Mpanzu Bamenga (D66), Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Pieter Heerma (CDA), Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het inmiddels bijna 10 jaar oude artikel «Google moet stoppen met automatisch discrimineren»1, dat aankaart dat de zoekmachine van Google in sommige gevallen discriminerende vraagsuggesties geeft?
Bent u bekend met het feit dat dit nog steeds niet is opgelost, wat blijkt uit dat bij het intypen van «alle Marokkanen z» op google.nl bij gebruik van een incognitovensterop op 11 augustus 2026, Google deze vraagsuggestie aanvulde met discriminerende teksten zoals «alle Marokkanen zijn kanker ratten» of «alle Marokkanen weg»?
Bent u daarnaast bekend met het feit dat na het indienen van de zoekopdracht «overlast» in combinatie met de naam van een gemeente op google.nl bij gebruik van een incognitovenster op 11 augustus, in het geval van onder meer de gemeenten Veenendaal, Tiel, Culemborg, Oosterhout, Hoogezand, Zutphen en Weert, Google de «Meer om te vragen»-suggesties «Hoeveel Marokkanen wonen/zijn er in [gemeente x]?» of «Hoeveel Turken wonen/zijn er in [gemeente x]?» opperde en dat de knop om ongepaste suggesties te melden bij dit type zoekresultaat ontbreekt?
Bent u ook bekend met de berichtgeving van Euronews2 en Le Monde3 dat het AI-gegeneerde antwoord van Google eind augustus 2026 op de zin «ik ben alleen met een Italiaan» gesprekstips betrof, maar bij dezelfde zin met «Algerijn» in plaats van «Italiaan», het model vroeg of je in gevaar was en je het nummer van de politie toonde?
Deelt u de mening dat dergelijke vraagsuggesties en AI-antwoorden, die automatisch gegenereerd en getoond worden, een discriminerend verband leggen door overlast of gevaar te koppelen aan afkomst?
Hoe beoordeelt u de aanpak van Google om, net als bij de vraagsuggesties, dit soort patronen pas na ophef of een melding bij te sturen, en dan vooral voor de vraag die in het nieuws kwam, terwijl hetzelfde patroon in het model kan blijven zitten en bij andere vragen onopgemerkt blijft?
Welke risico's ziet u daarbij nu dezelfde modellen de basis vormen van steeds meer toepassingen, waardoor zulke vooroordelen niet in elk geval zichtbaar worden maar wel ongemerkt kunnen doorwerken?
Hoe kijkt u naar de verantwoordelijkheid van Google en andere leveranciers van grote AI-modellen om vooroordelen uit de trainingsdata vooraf, bij het ontwerp en bij de toetsing van hun modellen, te herkennen en in het model zelf te corrigeren, bijvoorbeeld via red-teaming of bias-audits, in plaats van de uitkomsten per geval bij te sturen nadat gebruikers of media ze toevallig hebben opgemerkt?
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat een groot en invloedrijk platform als Google op deze manier bijdraagt aan het in stand houden en versterken van vooroordelen, en dat de omvang en het bereik van Google diens verantwoordelijkheid alleen maar groter maken?
Bent u hierover in gesprek met Google en andere leveranciers van grote AI-modellen, en is bij u bekend of zij structureel testen op discriminerende associaties in hun zoeksuggesties, aanbevelingsalgoritmes, autocomplete-functies en AI-antwoorden? Zo ja, wat heeft dat gesprek tot nu toe opgeleverd? Zo nee, bent u bereid dit gesprek aan te gaan en dit bij hen na te vragen?
Heeft u inzicht in de wijze waarop dergelijke vraagsuggesties en AI-antwoorden van Google tot stand komen? Zo nee, welke maatregelen treft u om dit inzicht wel te krijgen, en in hoeverre kan de digitaledienstenverordening (DSA) hierbij worden ingezet om transparantie van Google over de werking van deze systemen af te dwingen?
Hoe verklaart u dat deze discriminerende suggesties jarenlang zichtbaar zijn gebleven, terwijl Google onder de DSA al verplicht is de risico's van discriminatie in kaart te brengen en zich daarop jaarlijks onafhankelijk te laten controleren? Gelden deze verplichtingen wat u betreft ook voor de AI-antwoorden in de zoekmachine van Google, en zo ja, hoe wordt daarop toegezien?
Welke verplichtingen hebben aanbieders van grote AI-modellen onder de AI-verordening om vooroordelen in hun modellen te beoordelen en te beperken, en wie ziet daarop toe?
Welke oplossingsrichtingen ziet u om vooroordelen in zoeksuggesties en in grote AI-modellen structureel op te sporen en te beperken, in plaats van per geval na meldingen, bijvoorbeeld via onafhankelijke audits of algoritmetoezicht?
Bent u bereid in Europees verband te bepleiten dat platformen en aanbieders van AI-modellen zoals Google niet alleen moeten rapporteren dát zij hun systemen toetsen op discriminatie, maar ook openbaar moeten maken wat die toetsing oplevert en wat zij met de uitkomsten doen?
Bent u bereid Google op korte termijn aan te spreken op het ontbreken van een meldknop bij de «Meer om te vragen» suggesties en op de voorbeelden uit deze vragen?
Bent u bereid deze situatie ook te melden bij de Autoriteit Consument en Markt en de Europese Commissie, en de Kamer te informeren over de reacties?
Bent u bereid de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme te betrekken bij de aanpak van discriminatie door zoekmachines en AI-systemen?
Kunt u de vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
De vervolging van de presentatoren van RoddelPraat en de onderbouwing van het vervolgingsbeleid bij beledigende uitlatingen |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat het Openbaar Ministerie (OM) Jan Roos en Dennis Schouten vervolgt wegens beledigende uitlatingen over twee vrouwen in hun programma RoddelPraat?
Kunt u bevestigen dat het OM deze vervolging publiekelijk heeft toegelicht met de stelling dat verbale agressie tegen vrouwen bijdraagt aan een cultuur waarin ernstigere vormen van geweld mogelijk worden? Kunt u de volledige toelichting aan de Kamer verstrekken?
Hanteert het OM de zogenoemde «piramide van geweld», of vergelijkbare modellen waarin beledigingen en seksistische grappen in verband worden gebracht met mishandeling, verkrachting en moord, bij zijn vervolgingsbeleid, interne opleidingen of publieke communicatie? Zo ja, welke modellen betreft dit en kunt u de bijbehorende documenten verstrekken?
Welke wetenschappelijke onderzoeken onderbouwen het door het OM genoemde verband tussen verbale agressie tegen vrouwen en ernstigere vormen van geweld? In hoeverre tonen deze onderzoeken een oorzakelijk verband aan, en in hoeverre beschrijven zij correlaties, maatschappelijke opvattingen of theoretische veronderstellingen?
Welk onderscheid maakt het OM tussen een model dat wordt gebruikt voor maatschappelijke bewustwording en een wetenschappelijk gevalideerd model dat geschikt is om concrete beslissingen over strafrechtelijke vervolging te ondersteunen?
Hoe voorkomt het OM dat algemene uitspraken over een maatschappelijke cultuur worden vertaald naar verantwoordelijkheid van individuele verdachten voor geweld dat zij niet hebben gepleegd en waartoe zij niet hebben aangezet?
Welke criteria hanteert het OM om beledigende uitlatingen over een vrouw aan te merken als gendergerelateerde agressie? Is daarvoor bepalend dat de beledigde persoon een vrouw is, of moet ook een aantoonbaar verband bestaan tussen de uitlating en haar geslacht?
Deelt u de opvatting dat de ernst en urgentie van geweld tegen vrouwen op zichzelf geen bewijs vormen voor de stelling dat specifieke beledigende uitlatingen aan dat geweld bijdragen? Hoe wordt dit onderscheid bewaakt in het vervolgingsbeleid en de communicatie daarover?
Welke betekenis heeft de veronderstelde bijdrage van uitlatingen aan een gewelddadige cultuur voor de beslissing om wegens belediging te vervolgen? Betreft dit een zelfstandig vervolgingsargument, een factor bij de prioritering of uitsluitend een toelichting voor het publiek, en op welke beleidsregels berust deze toepassing?
Hoe waarborgt het OM bij dergelijke vervolgingsbeslissingen de vrijheid van meningsuiting, waaronder de ruimte voor satire, overdrijving en uitlatingen die kwetsen, choqueren of verontrusten, en hoe worden de rechten en reputatie van betrokkenen daartegen afgewogen?
Hanteert het OM dezelfde vervolgingscriteria bij vergelijkbare beledigingen over het uiterlijk van mannen en vrouwen? Zo nee, welke verschillen bestaan er en wat is daarvoor de objectieve rechtvaardiging?
Hoe voorkomt het OM dat het in zijn publieke communicatie verdachten van belediging tevens in verband brengt met ernstige geweldsdelicten waarvoor zij niet worden vervolgd? Hoe verhoudt dergelijke communicatie zich tot de onschuldpresumptie en de vereiste terughoudendheid tegenover verdachten?
Hoe wordt de inzet van opsporings- en vervolgingscapaciteit voor beledigingszaken afgewogen tegen de inzet voor concrete bedreiging, stalking, mishandeling en seksueel geweld? Welke rol spelen de ernst van het feit, het aantoonbare risico voor slachtoffers en de bekendheid van verdachten daarbij?
Klopt het dat deze zaak aan een meervoudige strafkamer wordt voorgelegd? Zo ja, welke overwegingen rechtvaardigen die keuze en in hoeverre is deze behandeling gebruikelijk bij vergelijkbare beledigingszaken?
Bent u bereid de Kamer inzicht te geven in de wetenschappelijke en juridische onderbouwing van het gebruik van de «piramide van geweld» of vergelijkbare modellen binnen het OM, en te laten toetsen of daarbij voldoende onderscheid wordt gemaakt tussen maatschappelijke urgentie, empirisch bewijs en individuele strafrechtelijke verantwoordelijkheid?
De uitspraken van de premier op het D66-congres van 27 september 2026 |
|
Gideon van Meijeren (FVD) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw uitspraken op het D66-congres van 27 september 2026, waar u stelde dat «die aanvallen op de LHBTI-gemeenschap of de aanvallen op vrouwen of de aanvallen op minderheden van kleur of geloof, die komen niet zomaar uit de lucht vallen», dat het gaat om «goed georganiseerde en goed gefinancierde organisaties die proberen eerst een kleine groep te pakken, daarna een steeds grotere groep om alleen maar zelf meer macht te krijgen en de eigen diepe zakken meer te vullen», waaraan u toevoegde: «we gaan die lui niet laten winnen, maar we gaan ze vol op hun bek slaan»?
Onderschrijft u de opvatting van de Afdeling advisering van de Raad van State dat bewindspersonen «ook politici» blijven, dat «het feit dat bewindspersonen verschillende rollen vervullen» bijzondere eisen aan hen stelt, dat «de mate waarin rolzuiverheid is betracht» een van de factoren kan zijn bij de weging van hun handelen, dat het vertrouwen van het parlement in een bewindspersoon «niet enkel samen[hangt] met het beleid dat de Minister voert, maar ook kan afhangen van de gedragingen van de bewindspersoon in de privésfeer, die losstaan van zijn verantwoordelijkheden als Minister», dat de Kamer daarover kan oordelen, «ook wanneer het gaat om een gedraging die strikt genomen buiten de reikwijdte van de ministeriële verantwoordelijkheid valt», dat de Minister-President in integriteitskwesties een «bijzondere rol» heeft, en dat het van belang is dat hij «niet alleen in woord en gedrag het goede voorbeeld geeft, maar ook collega-bewindspersonen hierin begeleidt, adviseert en zo nodig aanspreekt»?
Erkent u, in het licht van het voorgaande, dat uw uitspraken op het congres, ongeacht de vraag of u daar als partijleider sprak, onvermijdelijk ook afstralen op uw rol als Minister-President, en dat u daarover verantwoording verschuldigd bent aan de Kamer? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u, in het licht van het voorgaande, uw eigen woorden?
Rekent u ook maatschappelijke organisaties of in de Tweede Kamer vertegenwoordigde partijen die kritiek hebben op het lhbti-beleid van het kabinet, tot de door u bedoelde organisaties? Kunt u een overzicht van de namen van de organisaties die u bedoelde aan de Kamer verstrekken?
Welke «aanvallen op minderheden» bedoelde u precies? Doelt u daarbij op strafbare aanvallen, zoals geweldpleging of bedreiging, of ook op niet-strafbare «aanvallen», zoals politieke uitingen en (lobby-)activiteiten die binnen de grenzen van de wet vallen?
Op grond van welke feiten stelt u dat deze aanvallen door de door u bedoelde organisaties worden georganiseerd of gefinancierd? Kunt u per organisatie aangeven welke concrete aanvallen aan haar zijn toe te rekenen? Zo nee, waarom niet?
Waaruit blijkt dat deze organisaties een strategie volgen waarbij zij, in uw woorden, «proberen eerst een kleine groep te pakken, daarna een steeds grotere groep»? Welke documenten, onderzoeken of inlichtingen liggen aan die bewering ten grondslag?
Waaruit blijkt dat het oogmerk van deze organisaties is om «alleen maar zelf meer macht te krijgen en de eigen diepe zakken meer te vullen»? Welke documenten, onderzoeken of inlichtingen liggen aan die bewering ten grondslag?
Als u de door u bedoelde organisaties niet kunt noemen, of uw beweringen over hun strategie, hun oogmerk en hun betrokkenheid bij aanvallen niet deugdelijk kunt onderbouwen, waarom heeft u deze beweringen dan in het openbaar gedaan?
Herinnert u zich uw toespraak van 5 augustus 2026 bij de opening van de Human Rights Conference, waarin u stelde dat «achter de façade van vrijheid van meningsuiting» «giftige, goed georganiseerde en stevig gefinancierde groepen» schuilgaan die «haat verspreiden en hun eigen agenda uitrollen»?
Welke groepen bedoelde u op 5 augustus met de groepen die zich «achter de façade van vrijheid van meningsuiting» verschuilen? Zijn dat dezelfde organisaties als die u op 27 september bedoelde? Waarop baseert u dat wanneer deze groepen zich beroepen op de vrijheid van meningsuiting, sprake is van een «façade», ofwel een bedrieglijke schijn?
Worden de middelen die u op 5 augustus 2026 aankondigde, waaronder 7,5 miljoen euro per jaar voor de veiligheid van de queergemeenschap en een publiekscampagne gericht op het tegengaan van discriminatie en desinformatie, ingezet tegen de door u bedoelde groepen?
Wie bepaalt welke uitingen daarbij als «desinformatie» worden aangemerkt? Op basis van welke bronnen wordt bepaald of informatie waar of onwaar is? Is het op basis van die bronnen waar of onwaar dat er twee geslachten zijn (man en vrouw)? Is het op basis van die bronnen waar of onwaar dat mannen zwanger kunnen raken en kunnen bevallen van een baby?
Oefent het kabinet, nu u stelt dat bedrijven achter social media «nauwelijks nog modereren op haatcontent», druk uit op deze bedrijven om uitingen omtrent de door u bedoelde groepen te verwijderen of minder zichtbaar te maken? Zo ja, op welke wijze en op basis van welke wettelijke grondslag? Hoe verhoudt dat zich tot de uitingsvrijheid en het censuurverbod?
Wie bedoelde u precies met «die lui»: de door u bedoelde organisaties, de personen die daaraan leiding geven, de personen die aanvallen plegen, of anderen?
Erkent u dat «iemand op zijn bek slaan» in het normale spraakgebruik betekent dat iemand een harde klap op zijn hoofd krijgt en derhalve fysiek geweld wordt aangedaan?
Heeft u tijdens het congres opgemerkt dat u niet daadwerkelijk heeft bedoeld wat u letterlijk heeft gezegd en dat u fysiek geweld tegen «die lui» afwijst? Zo nee, waarom niet?
Kunt u uitsluiten dat toehoorders of kijkers uw woorden opvatten als een rechtvaardiging voor fysiek geweld tegen personen die zij tot «die lui» rekenen? Zo ja, hoe kunt u dat uitsluiten?
Herinnert u zich dat u op 26 mei 2026 in de Tweede Kamer, tijdens het debat over het normaliseren van geweld in politiek en samenleving, verklaarde: «Wat we hier in de Tweede Kamer zeggen, als Kamerleden of als kabinetsleden, maakt heel veel uit. Onze woorden hebben rechtstreeks effect op wat er op straat gebeurt. Als politici oproepen tot verzet, hitsen ze daarmee burgers op tegen het lokale bestuur, tegen hulpverleners en tegen mensen die aan het werk zijn in bijvoorbeeld de asielopvang.»? Erkent u dat, als volgens u al een oproep tot verzet burgers ophitst, dit te meer geldt voor de aankondiging van een Minister-President dat «we» «die lui» «vol op hun bek» gaan slaan? Zo nee, waarom niet?
Herinnert u zich het Nederlandse Omroep Stichting (NOS) op 3 Verkiezingsprogramma van 1 november 2023, waarin u Thierry Baudet, de toenmalig fractievoorzitter van Forum voor Democratie, voorhield dat «die verschrikkelijke taal die u en uw collega's altijd bezigen over transpersonen in Nederland, die leiden uiteindelijk tot meer homohaat in Nederland»? Herinnert u zich dat u hem en zijn partij verantwoordelijk hield voor homohaat? Herinnert u zich dat de heer Baudet minder dan drie weken later met een bierfles een harde klap tegen zijn hoofd kreeg vanwege zijn kritiek op het lhbti-beleid? Houdt u rekening met de mogelijkheid dat uw uitingen bijdragen aan het klimaat waarin het legitiem wordt geacht om geweld te gebruiken tegen personen die kritiek hebben op het lhbti-beleid? Zo nee, waarom niet?
Erkent u dat opruiing volgens vaste rechtspraak wordt omschreven als «het bij anderen opwekken van de gedachte aan het plegen van een strafbaar feit, het trachten de mening te vestigen dat dit feit wenselijk of noodzakelijk is en het opwekken van het verlangen om dat feit te bewerkstelligen»? Hoe beoordeelt u uw eigen woorden in het licht van deze jurisprudentie?
Erkent u dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) hieromtrent heeft geoordeeld dat mede beslissend is of een uitlating werd gedaan tegen een gevoelige maatschappelijke of politieke achtergrond, of in een klimaat van vijandigheid en haat, waarin zij onrechtmatige handelingen kon uitlokken en personen kon blootstellen aan een reële dreiging van fysiek geweld? Erkent u dat u zelf de achtergrond van uw uitspraak omschrijft als een klimaat waarin «uitingen van homohaat steeds openlijker en feller van toon worden»? Hoe weegt u die door u zelf geschetste achtergrond bij de beoordeling van uw eigen woorden?
Deelt u de opvatting dat de vrijheid van meningsuiting ruim moet worden uitgelegd, voor oppositieleden én voor de Minister-President en dat het strafrecht niet behoort te worden ingezet om politieke tegenstanders te normeren? Deelt u ook de opvatting dat het vertrouwen in de rechtsstaat vereist dat voor iedereen dezelfde maatstaf geldt, ongeacht politieke gezindheid? Zo ja, hoe waarborgt het kabinet dat?
Blijft u volledig achter uw uitspraken van 27 september 2026 staan? Zo nee, welke onderdelen neemt u terug?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en binnen de reguliere termijn beantwoorden?
Het rapport 'Achter de façade - Strategische normalisering vanuit de rechts-extremistische beweging' |
|
Al Biyati |
|
Pieter Heerma (CDA), David van Weel (VVD) |
|
Bent u bekend met het rapport «Achter de façade» van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) van september 2026?
Wie geeft opdracht tot het schrijven van rapporten zoals «Achter de façade»?
Hoe verklaart u de titel van dit rapport geschreven door de AIVD en NCTV?
Erkent u dat het onwenselijk is wanneer inlichtingendiensten oordelen over het gedachtegoed van democratisch gekozen politieke partijen?
Op welke wijze heeft de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten toezicht gehouden op de activiteiten van de AIVD die aan dit rapport ten grondslag liggen?
Wat is precies het onderscheid tussen «uiterst rechts» en «rechts-extremistisch» en «extreemrechts»?
Waarom definieert het rapport het eerste begrip niet, terwijl het een wezenlijke rol speelt in het rapport?
Bent u bekend met de definitie van extreemrechts volgens vooraanstaand politicoloog en radicaal-rechts-expert Cas Mudde?
Indien het antwoord op vraag acht bevestigend luidt, ziet u een verschil tussen deze definitie en die van de AIVD en hoe verklaart u dit verschil?
Welke objectieve criteria hanteren AIVD en NCTV om een politieke partij, beweging of persoon als «uiterst rechts» te kwalificeren?
Wie stelt deze criteria vast?
Onderschrijft u dat pleiten voor een streng migratiebeleid, asielstop, beperking van gezinshereniging of het stimuleren van vrijwillige terugkeer legitieme politieke standpunten zijn?
Het rapport erkent dat «remigratie» ook een officiële term is voor vrijwillige terugkeer; hoe voorkomt u dat politici of burgers die het woord in die betekenis gebruiken, in de perceptie op één lijn worden gesteld met «rechts extremisten»?
Bent u bekend met het feit dat Nederland al jarenlang een remigratiewet heeft, uitgevoerd door de SVB, met een remigratie-uitkering en remigratievoorzieningen?
Waarom worden «conservatieve» opvattingen over man-vrouwverhoudingen, nationale tradities of kritiek op diversiteits- en inclusiebeleid in dit rapport genoemd als aanknopingspunten voor «rechts-extremisten»?
Deelt u de opvatting dat eerdergenoemde «conservatieve» opvattingen op zichzelf niet extremistisch zijn?
Hoe verhoudt de passage over discussies rond «een neutralere benadering van christelijke feestdagen» zich tot het recht van burgers en politici om zich zonder stigma voor het behoud van tradities uit te spreken?
Deelt u de zorg dat een rapport van inlichtingendiensten dat politieke uitspraken in verband brengt met normalisering van extremisme een «chilling effect» kan hebben op het vrije debat?
Erkent u dat het rapport zélf vaststelt dat Nederland door migratie daadwerkelijk demografische veranderingen doormaakt en dat burgers «oprechte zorgen» hebben?
Waarom baseert het rapport zich mede op publicaties van organisaties met een uitgesproken activistisch profiel, zoals Hope not Hate en Center for the Study of Organized Hate?
In het persbericht van 22 september 2026 stellen de AIVD en de NCTV dat het «van groot belang [is] dat het niet normaal wordt om te spreken over bijvoorbeeld remigratie zonder te weten wat rechts-extremisten hiermee eigenlijk bedoelen» – is het wenselijk dat een inlichtingen- en veiligheidsdienst aangeeft onder welke voorwaarden het gebruik van bepaalde woorden in het publieke debat als normaal mag gelden?
Hoe heeft de omschrijving van (rechts) extremisme bij de AIVD en NCTV zich de afgelopen 20 jaar ontwikkeld?
Onderkent u dat een verschuiving van de betekenis van «extremisme» als gevolg kan hebben dat burgers onterecht tot extremist worden verklaard?
Kunt u bevestigen dat het de regering, AIVD of NCTV niet toekomt voor te schrijven welke woorden burgers mogen gebruiken? Zo nee, kunt u dan een officiële taboe-lijst publiceren met woorden die niet meer gebruikt mogen worden?
Deelt u de opvatting dat inlichtingen- en veiligheidsdiensten zich uiterst terughoudend moeten opstellen bij het duiden van het reguliere politieke debat, omdat zij anders het risico lopen de indruk te wekken bepaalde politieke partijen te bevoordelen ten opzichte van andere?
Hoe voorkomt u dat opvattingen die jarenlang deel uitmaakten van het reguliere politieke debat en van verkiezingsprogramma’s achteraf in de publieke perceptie als gevaarlijk worden bestempeld door een rapport van veiligheidsdiensten?
Intimidatie en bedreigingen zouden volgens dit rapport leiden tot «zelfcensuur», maar erkent u dat door dit rapport van de AIVD en NCTV eveneens kan leiden tot zelfcensuur omdat burgers bang worden onterecht als «extremist» te worden aangemerkt?
Erkent u dat men eerst een a priori vaststelling van het begrip «normaal» moet hebben, voordat er überhaupt gesproken kan worden over «normalisering»?
Hoe voorkomt u dat gewone burgers die zich kritisch uitlaten over migratie zelfcensuur gaan toepassen uit angst om als «extremist» te worden gezien?
Hoeveel fte heeft het schrijven en publiceren van dit rapport gekost?
Op welke wijze is gebruikgemaakt van kunstmatige intelligentie om dit rapport te schrijven?
Smart-tv’s die mensen bespioneren |
|
Barbara Kathmann (GroenLinks-PvdA) |
|
Herbert , Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht: «Smart-tv's van LG bespioneren gebruikers via microfoon»?1
Hoe reageert u op dit bericht en het onderliggende onderzoek van Gamers Nexus, Level1Techs en andere professionals?
Deelt u de mening dat consumenten er redelijkerwijs van uit moeten kunnen gaan dat zij niet afgeluisterd worden door huishoudapparatuur?
Welke wet- en regelgeving beschermt consumenten tegen dit soort spionage door smart-apparaten? Hoe wordt dit in Nederland gehandhaafd?
Wat zijn de gevolgen voor consumenten als hun privégesprekken heimelijk worden afgeluisterd, opgeslagen en doorverkocht? Welke risico’s draagt dit met zich mee?
Kunt u specifiek ingaan op de rechtmatigheid van de dataverzameling door LG, waarbij gesprekken woord voor woord worden opgeslagen, ook zonder internetverbinding, en worden doorgestuurd naar commerciële partijen?
Wanneer is er sprake van expliciete toestemming voor dataverzameling door smart-apparaten zoals bedoeld onder de Algemene Verordening Gegevensbescherming?
Deelt u de analyse dat consumenten te vaak bewust worden misleid door fabrikanten over de mate en wijze van dataverzameling door hun producten, waardoor geen sprake is van expliciete toestemming? Erkent u dat de fabrikanten hier een economisch belang bij hebben?
Waren u en de relevante toezichthouders op de hoogte van het afluisteren door deze LG smart-tv’s in het bijzonder?
Hoe worden apparaten gecontroleerd op afluistermogelijkheden voordat ze op de Nederlandse en Europese markt komen?
Welke mechanismen heeft u, al dan niet de Europese Commissie, om producten die consumenten afluisteren van de markt te weren? Bent u bereid te onderzoeken of dat voor de LG smart-tv’s een optie is?
Wat is het standpunt van het kabinet over de groeiende datahonger van bedrijven die producten maken die steeds meer met elkaar communiceren, gesprekken afluisteren, en privéinformatie doorverkopen aan derden?
Wat bent u bereid te doen om deze trend te keren en de privacy van consumenten beter te beschermen?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de gestelde termijn beantwoorden?
Heeft u kennisgenomen van bovenstaande artikelen?1 2
Hoe oordeelt u over het bericht dat een bureau, dat kandidaat-wethouders voor de gemeente Best, een kandidaat-wethouder bevroeg over zijn leeftijd en dit als risico in de rapportage opnam?
Hoe oordeelt u over het bericht dat de leeftijd van de kandidaat-wethouder als aandachtspunt werd aangemerkt?
Wat heeft in uw optiek leeftijd te maken met bestuurlijke integriteit?
Wat heeft in uw optiek leeftijd te maken met iemands capaciteiten?
Hoe oordeelt u over het bericht dat de burgemeester van Best de rapportage op deze manier accepteerde?
Bent u het eens met de stelling dat hier sprake is van leeftijdsdiscriminatie en dat Artikel 1 van de Grondwet daarmee is overtreden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Hoe oordeelt u over de stelling dat het doel van een dergelijk onderzoek het bevorderen van de integriteit van het openbaar bestuur is, maar als de procedure zelf niet integer verloopt, dat het echte probleem is?
Welke voorwaarden/eisen worden er gesteld aan wethouders die door een extern bureau gescreend worden?
Hoe uniform wordt deze screening uitgevoerd?
De Hitler-verheerlijking door ON! |
|
Mohammed Mohandis (GroenLinks-PvdA), Harmen Krul (CDA) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u een uitzending van ON! waarin de verheerlijking van Hitler-uitspraken in een uitzending van de omroep Ongehoord Nederland1 in het licht van de zeer zware motiveringsplicht die geldt bij het intrekken van een (voorlopige) erkenning van een (aspirant)omroep2?
Op 8 september heb ik uw Kamer laten weten voornemens te zijn de voorlopige erkenning van Ongehoord Nederland (hierna: ON!) in te trekken. Dat voornemen heb ik gebaseerd op de gronden die de wet mij daarvoor geeft. Die gronden hebben geen betrekking op de inhoud van individuele uitzendingen.
Mijn beslissing van 8 september gaat over een organisatie die niet functioneert: dat staat los van het geluid of de groep die zij vertegenwoordigt.
Als stelselverantwoordelijke Minister heb ik op grond van de Mediawet 2008 in specifieke gevallen een bevoegdheid om in te grijpen door de erkenning of voorlopige erkenning van een omroep in te trekken. Dat kan ik niet zelfstandig en ik beoordeel daarbij geen individuele uitzendingen of journalistieke opvattingen. De persvrijheid is een groot goed en de Grondwet beschermt onafhankelijke media tegen overheidsingrijpen.
Hoe beoordeelt u de betrokkenheid van de heer Niemoller (die volgens zijn linkedIN-pagina en recente informatie «hoofdredacteur» is van Ongehoord Nederland) bij de verheerlijking van dergelijke Hitler-opvattingen in dit fragment?
Ik doe geen uitspraken over de inhoud van individuele uitzendingen. Zie mijn antwoord op vraag 1.
Hoe verhoudt de boodschap van de uitzending «dat Hitler een terechte strijd voerde tegen het globalisme» zich tot de Code Journalistiek Handelen?
Laat ik vooropstellen: voor mij staat Hitler symbool voor het ongeëvenaarde en onvoorstelbare leed dat miljoenen mensen is aangedaan. Dat mogen wij nooit, maar dan ook nooit, vergeten. Ik kan mij voorstellen dat mensen aanstoot nemen aan een discussie die wordt gevoerd aan de hand van een rede van Hitler.
Verder vind ik het belangrijk om te benadrukken dat het niet aan mij als Minister is om de inhoud van een uitzending te beoordelen. Een Minister mag zich niet bemoeien met de inhoud van de journalistiek. Het is aan de ombudsman om te beoordelen hoe deze uitzending zich verhoudt tot de Code Journalistiek Handelen.
Als deze uitzending leidt tot nieuwe sancties door het Commissariaat voor de Media en/of afkeuring door de ombudsman voor de publieke omroepen, hoeveel van zulke «gele kaarten»3 kan deze omroep zich dan nog permitteren, naast de stapel aan gele kaarten die deze omroep al heeft gekregen, zonder dat u actie onderneemt en deze omroep een «rode kaart» trekt?
Zie mijn antwoord op vraag 1.
Hoe ziet u uw verantwoordelijkheid hierbij, in het licht van het feit dat alleen u op grond van Artikel 2.33 van de Mediawet 2008 bevoegd bent om een (voorlopige) erkenning van een publieke omroep in te trekken?
Ik onderken mijn verantwoordelijkheid voor het stelsel van de publieke omroep en de rol die de wet mij geeft ten aanzien van het intrekken van erkenningen als die situatie zich voordoet. Die verantwoordelijkheid heb ik ook genomen door mijn voorgenomen besluit van 8 september om de voorlopige erkenning van ON! in te trekken.
Acht u het denkbaar dat u zo’n omroep in het nationale omroepbestel houdt, terwijl geen enkele ledenomroep nog mogelijkheden ziet voor de intensievere samenwerking met deze omroep die in het beoogde nieuwe omroepbestel noodzakelijk is4?
Zoals gezegd heb ik uw Kamer op 8 september geïnformeerd over mijn voorgenomen besluit ten aanzien van ON!. Daarmee moge duidelijk zijn dat ik op basis van de huidige wet- en regelgeving geen plek voor ON! in het publieke bestel meer zie.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het commissiedebat van 24 september 2026 over de landelijke publieke omroep?
Ja.
Activistische ngo's |
|
Nicole Maes (VVD) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat het maatschappelijke middenveld in Nederland voor een substantieel deel van haar inkomsten afhankelijk is van de Nederlandse overheid, waaronder tientallen miljoenen via subsidiekaders zoals Power of Voices?
De afhankelijkheid van overheidsfinanciering is per organisatie verschillend. Dergelijke gegevens zijn over het algemeen te vinden in de financiële jaarverslagen van ngo’s die worden gepubliceerd. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken (BZ) schatte in 2024 op basis van deze gegevens dat een meerderheid van de Nederlandse ngo’s die subsidie ontvingen uit het beleidskader Versterking Maatschappelijk Middenveld, waaronder het programma Power of Voices, voor minder dan de helft van hun inkomsten afhankelijk was van middelen van BZ.
In het nieuwe beleidskader voor samenwerking met maatschappelijke organisaties in ontwikkelingssamenwerking, genaamd Focus, beoogt het kabinet de onafhankelijkheid van maatschappelijke organisaties van overheidsfinanciering verder te stimuleren. Zo is er een vereiste dat organisaties minstens 25% van hun totale inkomsten van anderen dan het Ministerie van Buitenlandse Zaken (BZ) moeten ontvangen. De mate van financiële onafhankelijkheid van BZ bepaalt ook hoeveel middelen organisaties maximaal kunnen ontvangen uit dit kader.
Hoe kijkt u naar de situatie dat de overheid organisaties financiert die diezelfde overheid vervolgens regelmatig voor de rechter dagen en publiekscampagnes tegen bewindspersonen opzetten? Bent u het eens dat het onwenselijk is dat de overheid op deze schaal organisaties financiert die zich tegelijkertijd opstellen als ware zij politieke oppositie?
Het kabinet vindt het belangrijk dat maatschappelijke organisaties zich kritisch kunnen uitlaten over het Nederlandse beleid, ook wanneer zij financiering ontvangen van de overheid voor specifieke activiteiten. Tegenspraak is een fundamenteel onderdeel van een gezonde democratische samenleving. Zoals ook opgenomen in het coalitieakkoord heeft het maatschappelijk middenveld een belangrijke rol tussen regering en alle inwoners van Nederland en tussen regering en het bedrijfsleven.1 Binnenkort zal het kabinet in de kabinetsreactie op het rapport van het College voor de Rechten van de Mens over de maatschappelijke ruimte verder ingaan op dit onderwerp.2
Uit de BHOS-middelen wordt de pleitbezorgingsrol van het maatschappelijk middenveld dan ook gefinancierd, ook binnen Nederland, zolang dit ten goede komt van de ontwikkelingsdoelen in lage- en middeninkomenslanden. Een subsidieontvanger mag de subsidie niet gebruiken voor andere activiteiten dan waarvoor de subsidie is verstrekt. Dat betekent dat activiteiten, inclusief pleitbezorgingsactiviteiten die door het ministerie worden gefinancierd, moeten passen binnen de doelen zoals vastgelegd in de Subsidieregeling Buitenlandse Zaken 2006.3 Het ministerie heeft geen zeggenschap over activiteiten van organisaties die niet door het ministerie worden gesubsidieerd.
Hoe beoordeelt u het verweer van ngo's dat dergelijke binnenlandse campagnes bekostigd worden uit private middelen?
Zie antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat de publieke perceptie van ontwikkelingssamenwerking onlosmakelijk verbonden is met het gedrag en de profilering van ngo's die deze programma's met overheidsgeld uitvoeren? Zo nee, waarom niet?
De publieke perceptie van ontwikkelingssamenwerking is van vele factoren afhankelijk. Mogelijk speelt het gedrag van ngo’s hier een rol in, zowel positief als negatief. Uit onderzoek van Ipsos I&O blijkt dat in 2025 50% van de ondervraagde Nederlanders ontwikkelingssamenwerking redelijk tot heel belangrijk vindt.4 Van diezelfde groep gaf 60% aan humanitaire hulp redelijk tot heel belangrijk te vinden. Beide cijfers zijn een stijging ten opzichte van de voorgaande jaren.
Erkent u het risico dat het maatschappelijk draagvlak voor daadwerkelijke armoedebestrijding en humanitaire hulp afneemt, wanneer gesubsidieerde organisaties zich opwerpen als partijdige en activistische spelers in nationale politieke kwesties? Wat betekent dit naar uw mening voor het werk waar zij voor zijn opgericht, zoals het bestrijden van armoede en onrecht in zuidelijke landen?
Zie antwoord op vraag 4. Maatschappelijke organisaties en hun achterban gaan zelf over de doelen die zij nastreven en de manier waarop zij dit doen.
Bent u het eens dat een meer politiek neutrale opstelling van door de overheid gefinancierde organisaties wenselijk is, niet alleen vanuit een democratisch principe, maar juist ook om een bestendig publiek vertrouwen in de ontwikkelingssector en het bijbehorende draagvlak te behouden?
Zoals ook aangegeven in mijn antwoord op vraag 2, dient er juist vanuit een democratisch principe, ruimte te zijn voor tegenspraak. Maatschappelijke organisaties spelen een belangrijke rol in het laten doorklinken van verschillende stemmen in de maatschappij.
Bent u bekend met de manier waarop in andere landen wordt omgegaan met de politieke rol van ngo’s, zoals in de Verenigde Staten waar een wettelijke scheiding is aangebracht tussen apolitiek humanitair werk en gepolitiseerd activisme?
Ja.
Wat vindt u van het Britse model, waarbij een toezichthouder meekijkt naar de politieke neutraliteit van maatschappelijke organisaties, en waarbij belastingvoordelen in het geding kunnen komen indien een organisatie zich richt op partijpolitiek of gepersonaliseerde campagnes?
Zie antwoord op vraag 9.
Ziet u buitenlandse modellen als voorbeeld voor het subsidiëren van Nederlandse ngo’s? Als het antwoord nee is, waarom niet?
Nee, ik zie dergelijke buitenlandse modellen niet als voorbeeld. In Nederland verstrekt BZ subsidies op basis van de Algemene wet bestuursrecht en de Kaderwet subsidies Ministerie van Buitenlandse Zaken. Voorwaarden worden gesteld aan de te financieren activiteiten, niet aan de te financieren organisaties. Activiteiten, inclusief pleitbezorgingsactiviteiten, die door het ministerie worden gefinancierd moeten passen binnen de doelen zoals vastgelegd in de Subsidieregeling Buitenlandse Zaken 2006. Uitgesloten van subsidiering zijn activiteiten die zich (mede) richten op bekeringsdrang en activiteiten waarbij sprake is van racisme, stigmatiserende uitingen, antisemitisme of andere vormen van geloofsvervolging of discriminatie die naar maatstaven van Nederlands en/of Europees recht strafbaar en/of verboden zijn.
Welke mogelijkheden ziet u binnen het nieuwe subsidiekader (2026–2030) om te bevorderen dat organisaties die subsidie krijgen van de Nederlandse overheid zich meer politiek neutraal opstellen, mede om het maatschappelijk draagvlak te beschermen of te vergroten?
Zie antwoord op vraag 9 over de basis waarop subsidies worden verstrekt. Deze voorwaarden zijn ook toegepast op de subsidies die zijn of worden verstrekt binnen het nieuwe beleidskader Focus.
Welke aanvullende instrumenten heeft het kabinet over de volle breedte ter beschikking om te zorgen voor een betere scheiding tussen gesubsidieerd ontwikkelingswerk en binnenlands politiek activisme?
Zie antwoord op vraag 2.
Bent u bereid om opties te verkennen om te voorkomen dat organisaties met een door de overheid gesubsidieerd profiel fungeren als partijdig activistisch platform?
Zie antwoord op vraag 2.
Is uw inschatting dat, wanneer de Nederlandse overheid vaker internationale ngo’s zou steunen, het activistische element minder groot zou zijn? Zo nee, waarom niet?
Zoals wordt toegelicht in het antwoord op vraag 2, vindt het kabinet het belangrijk dat maatschappelijke organisaties zich kritisch kunnen uitlaten over het Nederlandse beleid. Dat geldt voor zowel internationale als Nederlandse ngo’s ook wanneer zij financiering ontvangen van de overheid voor specifieke activiteiten.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en tijdig beantwoorden, voorafgaand aan het debat over de beleidsbrief Buitenlandse Zaken van 9 september?
De vragen zijn zo veel als mogelijk afzonderlijk van elkaar beantwoord.
Het bericht dat mensenrechtenorganisaties oordelen dat de dood van de Libanese journalist Amal Khalil een Israëlische oorlogsmisdaad is. |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het onderzoek van mensenrechtenorganisaties Human Rights Watch, Amnesty International en het onderzoeksplatform Legal Agenda naar de Israëlische aanval op 22 april op het zuiden van Libanon, waarbij de Libanese journalist Amal Khalil werd gedood?1
De resultaten van het onderzoek van de genoemde mensenrechtenorganisaties baren het kabinet zorgen. Het feit is dat te veel burgers, onder wie journalisten, omkomen in Libanon. Dit moet stoppen. Veiligheid van journalisten in de breedste zin van het woord is en blijft één van de prioriteiten binnen het Nederlandse mensenrechtenbeleid. Journalisten zijn, in hun hoedanigheid als burgers, beschermd onder internationaal recht. Zij moeten hun belangrijke werk, ook in conflictgebieden, in veiligheid kunnen uitvoeren. Het kabinet veroordeelt elke doelbewust aanval op journalisten overal ter wereld, ook in Libanon.
Herinnert u zich de op 15 april aangenomen motie-Dobbe c.s. (Kamerstuk 36 180, nr. 203) die de regering verzoekt bij te dragen aan onafhankelijk onderzoek naar mogelijke oorlogsmisdaden tegen hulpverleners in Libanon, waar mogelijk in EU- en VN-verband? Hoe staat het met de uitvoering van deze motie?
Mogelijke oorlogsmisdrijven vragen om gedegen en onafhankelijk onderzoek. Dit is ook het geval waar het humanitaire hulpverleners in Libanon betreft. Het is in eerste instantie aan de nationale autoriteiten in Libanon om onderzoek toe doen naar vermeende misdrijven. De Libanese autoriteiten doen dat ook. Nederland ondersteunt hun inspanningen onder meer door bij te dragen aan de versterking van de nationale capaciteit voor bewijsvergaring in Libanon. In dat kader verleent Nederland voor de periode 2026–2029 een financiële bijdrage van EUR 1.200.000,– aan het Libanese Nationale Comité voor Internationaal Humanitair Recht.
Ook steunt Nederland het Bureau van de Hoge Commissaris van de VN voor de Mensenrechten (OHCHR) op verschillende manieren om onderzoek in de Libanese context te versterken. Ten eerste steunt Nederland het regionale OHCHR kantoor voor de mensenrechten in het Midden-Oosten en Noord-Afrika, gevestigd in Libanon, met een bedrag van EUR 1.250.000,– (2025–2026). Met deze steun draagt Nederland bij aan de monitoring van en rapportage over de mensenrechtensituatie in Libanon. Het OHCHR landenkantoor richt zich onder andere op mensenrechtenschendingen in het conflict tussen Israël en Hezbollah.
Ten tweede steunt Nederland de OHCHR Human Rights Inquiries Branch met een bedrag van EUR 3.500.000,– voor de periode 2025–2027. Middels deze steun kan de Inquiries Branch ondersteuning en capaciteit beschikbaar stellen ten behoeve van het verifiëren, analyseren en documenteren van informatie met betrekking tot vermeende mensenrechtenschendingen en schendingen van het humanitair oorlogsrecht. Inmiddels heeft de OHCHR Inquiries Branch een beoordelingsteam in Libanon ingezet om bovengenoemde werkzaamheden te verrichten. Het team zal informatie verzamelen over vermeende schendingen begaan door staten en niet-statelijke actoren in de periode vanaf maart 2026. Daarnaast draagt het kabinet dit jaar EUR 450.000 extra bij aan het OHCHR kantoor in Libanon. Het geld is bedoeld om dat kantoor verder te ondersteunen in onderzoek naar mogelijke mensenrechtenschendingen en schendingen van het humanitair oorlogsrecht, maar zal ook worden gebruikt voor steun aan eerder genoemd beoordelingsteam.
Bent u bereid om in EU- en VN-verband te pleiten voor onafhankelijk en onpartijdig onderzoek naar de aanval op en de dood van de Libanese journalist Amal Khalil zoals waar mensenrechtenorganisaties Human Rights Watch, Amnesty International en het onderzoeksplatform Legal Agenda voor pleiten?
Nederland dringt aan op onafhankelijk en onpartijdig onderzoek naar vermeende internationale misdrijven, waar mogelijk ook bij individuele gevallen, zoals de aanval op de Libanese journalist Amal Khalil. Nederland vraagt internationaal al geruime tijd meer aandacht voor de toenemende straffeloosheid bij geweld tegen journalisten wereldwijd. Dit doet Nederland onder andere in de context van de Media Freedom Coalition, bijvoorbeeld door recente ondertekening van een verklaring over de veiligheid van journalisten en de toegang tot informatie in het Midden-Oosten.2 Daarnaast is, mede op initiatief van Nederland, sterkere taal opgenomen in de Mensenrechtenraadresolutie over vrijheid van meningsuiting. OHCHR heeft hiermee een ruimer mandaat gekregen voor onderzoek naar misdrijven tegen journalisten, met als doel bijdragen aan het tegengaan van straffeloosheid. Ook heeft Nederland tijdens de 62e Mensenrechtenraad in juni jl., samen met de Nederlandse niet-gouvernementele organisatie Free Press Unlimited, een side-event georganiseerd over het belang van de veiligheid van journalisten in conflictgebieden, met bijdragen van journalisten uit Oekraïne, Soedan en Gaza.
Indien onafhankelijk en onpartijdig onderzoek naar deze aanval niet in VN- of EU-verband kan plaatsvinden bent u bereid om ook buiten deze verbanden hier het voortouw te nemen zodat onafhankelijk en onpartijdig onderzoek hiernaar gedaan zal worden?
Zoals omschreven onder vraag 2, wordt door zowel Libanon en in VN-verband reeds het voortouw genomen op onafhankelijk en onpartijdig onderzoek zodat vermeende misdrijven – waaronder ook misdrijven gepleegd tegen hulpverleners en journalisten – niet onbestraft blijven.
Camerabrillen, privacy en sociale veiligheid |
|
Jantine Zwinkels (CDA), Jeltje Straatman (CDA) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de snelle opkomst van AI-brillen met ingebouwde camera’s en microfoons en met incidenten waarbij mensen, onder wie vrouwen in toiletruimten, zonder hun medeweten zijn gefilmd?1 2
Ik ben bekend met deze berichtgeving.
Deelt u de zorg dat camerabrillen zich onderscheiden van mobiele telefoons en reguliere camera’s, omdat de opnameapparatuur vrijwel onzichtbaar in een alledaags montuur is verwerkt en omstanders daardoor moeilijk kunnen vaststellen of zij worden opgenomen?
Ja, die zorg deel ik. Wanneer van een smartphone of reguliere camera gebruik wordt gemaakt om opnamen te maken, is dit in de regel zichtbaar door de wijze waarop het apparaat wordt vastgehouden. In het geval van de camerabrillen is dat in mindere mate het geval, omdat de enige indicatie voor opname een lampje op de bril is.
Deelt u de opvatting dat het op grote schaal gebruikelijk worden van dergelijke brillen gevolgen kan hebben voor de sociale veiligheid en de vrijheid waarmee mensen zich in de openbare ruimte en tijdens sociale gelegenheden bewegen?
Ja, de mogelijkheid dat er opnames worden gemaakt op een openbare plek, kan ertoe leiden dat mensen zich minder vrij voelen.
Welke Nederlandse wet- en regelgeving is van toepassing wanneer gebruikers met een camerabril herkenbare personen filmen, geluidsopnamen maken, deze gegevens via de servers van een technologiebedrijf verwerken of de beelden publiceren?
Indien beelden niet voor louter persoonlijk of huishoudelijk gebruik zijn bedoeld, kunnen er al naar gelang de situatie verschillende rechtsregels van toepassing zijn. Allereerst geldt het recht op privacy en gegevensbescherming, zoals artikel 10 van de Grondwet, artikelen 7 en 8 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (Handvest) en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), waarin het recht op de bescherming van het privé en familieleven, de woning en communicatie is vervat. Het gegevensbeschermingsrecht is in de Europese Unie (EU) nader uitgewerkt in onder andere de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Verder worden productveiligheidseisen gesteld in nationaal en Europees consumentenrecht.
In een situatie waarin iemand schade ondervindt doordat hij of zij zonder toestemming wordt gefilmd, kan sprake zijn van een onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW). Daarbij kan het portretrecht een rol spelen. Artikel 21 van de Auteurswet bepaalt dat dat publicatie van een portret (dat kan ook een video-opname zijn) dat zonder toestemming is gemaakt ongeoorloofd kan zijn indien een «redelijk belang» van de geportretteerde zich tegen die publicatie verzet. Tot slot zijn er bepalingen (art. 139a-b en f en 441b) in het wetboek van Strafrecht die het heimelijk en wederrechtelijk maken van opnamen of afbeeldingen strafbaar stellen, al dan niet in niet-publiek toegankelijke plaatsen.
Wie is juridisch verantwoordelijk voor de verwerking van de persoonsgegevens van omstanders: de drager van de bril, de aanbieder van de technologie of beide partijen? Is dit voor gebruikers en omstanders voldoende duidelijk?
Voor gebruikers en omstanders is nu niet altijd duidelijk wie er wanneer verantwoordelijk is voor het beeldmateriaal dat wordt gemaakt, en welke gegevens voor welk doel worden verwerkt. De juridische verantwoordelijkheid hangt af van wie het doel en de essentiële middelen van de verwerking van persoonsgegevens bepaalt. In de praktijk zijn dat vaak zowel de drager als de aanbieder van de camerabril, voor verschillende delen van de verwerking. Zo kan de gebruiker verantwoordelijk zijn voor het vastleggen van beeld- en geluidsmateriaal waar mensen op te zien zijn en kan een andere partij (zoals de aanbieder van de technologie) verantwoordelijk zijn voor het verdere gebruik van het beeldmateriaal op het moment dat de gebruiker de beelden deelt. Dat kan uitmonden in een afzonderlijke verwerkingsverantwoordelijkheid voor beide partijen óf een gezamenlijke verantwoordelijkheid.
Klopt het dat foto’s en video’s die met de Meta-AI-bril worden gemaakt via de systemen of servers van Meta worden verwerkt? Welke beeld-, geluids- en metagegevens ontvangt Meta daarbij en voor welke doeleinden mogen deze worden gebruikt?
Het klopt dat foto’s en video’s via de systemen van Meta kunnen worden verwerkt. Uit openbare informatie van Meta volgt dat foto’s en video’s die worden gemaakt met de Meta-AI-bril in beginsel op de bril zelf worden opgeslagen.3 Pas op het moment dat de gebruiker ervoor kiest om gegevens te delen, kunnen verdere verwerkingen worden gedaan.
Informatie over welke verwerkingen plaatsvinden voor welke doeleinden, staat in het (aanvullende) privacybeleid van Meta Platform Technologies.4 Voor zover Meta persoonsgegevens verwerkt, geldt dat Meta gehouden is aan de AVG. Of Meta hieraan voldoet voor wat betreft de camerabril, is ter beoordeling van de bevoegde toezichthouder.
Kan worden uitgesloten dat beelden, geluidsopnamen of andere gegevens van omstanders zonder hun uitdrukkelijke toestemming worden gebruikt voor het trainen, testen of verbeteren van AI-systemen? Zo nee, welke bescherming hebben deze omstanders?
Nee, dat kan niet worden uitgesloten. Beelden, geluidsopnamen en andere gegevens van omstanders die worden gemaakt met de camerabrillen kunnen persoonsgegevens zijn. Het verwerken daarvan voor het trainen, testen en verbeteren van AI-systemen is alleen toegestaan als daarvoor een rechtsgrond bestaat. De AVG biedt ruimte om ook zonder toestemming van de betrokkene op basis van de verwerkingsgrondslag «gerechtvaardigd belang» persoonsgegevens te verwerken (artikel 6, eerste lid onder f AVG). Als daarvoor wordt gekozen, dan moet het belang van de verwerkingsverantwoordelijke worden afgewogen tegen de belangen en/of fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene. De AVG bevat bepalingen om de risico’s van de verwerking van persoonsgegevens van betrokkenen (in dit geval de omstanders) te beperken. Zo moet de verwerkingsverantwoordelijke voldoen aan bepaalde informatieverplichtingen richting de betrokkenen, waarborgen treffen om de impact op de grondrechten van de betrokkenen te beperken en zich houden aan de algemene beginselen zoals dataminimalisatie Het Europees Comité voor Gegevensbescherming (European Data Protection Board, EDPB), waarin de Europese gegevensbeschermingstoezichthouders samenwerken, heeft op 17 december 2024 een advies aangenomen over het gebruik van persoonsgegevens bij het ontwikkelen en in gebruik nemen van AI-modellen. Het is aan de toezichthouders om te beoordelen of de AVG wordt nageleefd.
Bent u bekend met berichten dat medewerkers van een door Meta ingeschakelde onderneming toegang zouden hebben gehad tot zeer intieme opnamen? Heeft de Autoriteit Persoonsgegevens hierover contact gehad met Meta of met andere Europese privacytoezichthouders?
Ik ben bekend met deze berichten en als de berichtgeving juist is, baart mij dit zorgen. De AP heeft laten weten in contact te staan met andere Europese privacytoezichthouders en intensief met hen samen te werken aan dossiers met betrekking tot camerabrillen.
Omdat de EU-vestiging van Meta in Ierland zit, is de Ierse toezichthouder de primaire toezichthouder. De Ierse toezichthouder heeft zich voor het eerst in 2021 uitgelaten over het toezicht op de camerabrillen.5
Bent u bekend met de opvatting van de Hamburgse privacytoezichthouder dat slimme brillen mogelijk kunnen worden aangemerkt als in alledaagse voorwerpen verborgen opnameapparatuur en daarom onder Duits recht verboden zouden kunnen zijn? Hoe beoordeelt u deze ontwikkeling en bent u bereid te onderzoeken welke betekenis deze juridische benadering kan hebben voor de Nederlandse en Europese regelgeving rond camerabrillen?3
Ja, ik ben hiermee bekend.7 Het verbod dat in Duitsland geldt, verbiedt kort gezegd het aanbod en bezit van telecommunicatie-apparatuur die de vorm heeft van een alledaags gebruiksobject en die geschikt is om ongemerkt gesprekken op te nemen of beelden op te nemen. Of camerabrillen onder dit verbod vallen, is blijkens de berichtgeving hierover in Duitsland nog geen uitgemaakte zaak. In Nederland kennen wij niet een zodanig verbod. In antwoorden 14–15 ga ik nader in op de afwegingen voor en tegen een verbodsbepaling. Daarnaast komt de European Data Protection Board (EDPB), waarin de gezamenlijke Europese privacytoezichthouders vertegenwoordigd zijn, later dit jaar met een rapport over de slimme brillen.8 De bevindingen en eventuele aanbevelingen van de EDPB in het rapport wacht het kabinet met belangstelling af. Zie ook het antwoord op vraag 14.
Hoeveel meldingen, klachten of signalen hebben de politie, het Openbaar Ministerie en de Autoriteit Persoonsgegevens ontvangen over mensen die met camerabrillen zonder hun medeweten zijn gefilmd of van wie dergelijke beelden zijn gepubliceerd?
De AP heeft tot op heden zes signalen en één klacht binnengekregen over camerabrillen. Het Openbaar Ministerie beschikt niet over cijfers met betrekking tot aangiften.
Acht u het huidige kleine indicatielampje op camerabrillen voldoende duidelijk om omstanders te informeren dat zij worden opgenomen, mede gezien het feit dat dit lampje moeilijk zichtbaar kan zijn?
Op dit moment is het is voor veel mensen niet vanzelfsprekend dat een lampje op een bril betekent dat er gefilmd wordt. Daarbij is het mogelijk om het lampje te missen in drukke of fel verlichte omgevingen. Ook spelen visuele beperkingen, kleurwaarneming (bijv. kleurenblindheid) en kijkhoek mee.
Bent u bekend met de online aangeboden stickers, aanpassingen en instructies waarmee het opname-indicatielampje kan worden afgedekt of omzeild zonder dat de camera wordt uitgeschakeld? Bent u bereid te onderzoeken of de verkoop van dergelijke hulpmiddelen kan worden verboden?
Ja, ik ben ermee bekend dat er online stickers, aanpassingen en instructies circuleren om het opname indicatielampje op camerabrillen af te dekken of te omzeilen. Het is onwenselijk dat er middelen, instructies en zelfs diensten worden aangeboden die het doelbewust onmogelijk maken voor omstanders om te zien dat er wordt opgenomen.
Tegelijkertijd is een verkoopverbod op dergelijke hulpmiddelen juridisch kwetsbaar, eenvoudig te omzeilen, moeilijk handhaafbaar en onevenredig ingrijpend en kostbaar ten opzichte van het beperkte effect. De meeste materialen en accessoires hebben een legaal karakter. Het afbakenen van wat wel en niet mag is zeer lastig. Meta zelf geeft aan dat de camera automatisch wordt uitgeschakeld zodra de bril detecteert dat het led-lampje voor opname is bedekt, fysiek is gemanipuleerd of is vernietigd.9
Bent u bereid in Europees verband te pleiten voor bindende ontwerpeisen voor camerabrillen, waaronder een duidelijk en niet te omzeilen visueel en hoorbaar signaal tijdens het maken van foto-, video- of geluidsopnamen?
Nee, op dit moment niet. Ik acht het wenselijk om de bevindingen van het onderzoek van de EDPB af te wachten.
Bent u bereid te onderzoeken of het mogelijk is om het dragen van deze brillen (deels) te verbieden in publieke ruimtes?
Een (gedeeltelijk) verbod op het dragen camerabrillen in publieke ruimtes is een ingrijpende maatregel. Dat kan alleen als er geen minder zwaarwegende alternatieven mogelijk zijn. Het gebruik van de camerabrillen is niet intrinsiek onwenselijk. Wat vooral belangrijk is, is dat wordt opgekomen tegen ongewenst gebruik van de brillen. Daarvoor zijn al mogelijkheden binnen het huidige wettelijke kader, waaronder het gegevensbeschermingsrecht.
Ik acht het voor nu verstandig om de bevindingen van de EDPB af te wachten, alvorens zelf een onderzoek te starten. De bevindingen van de EDPB kunnen ook relevant zijn voor de of het juridisch mogelijk is om te verplichten dat de drager van een camerabril deze afzet of de opnamefunctie uitschakelt.
Bent u bereid te onderzoeken of het juridisch mogelijk is om te verplichten dat de drager van een camerabril deze afzet of de opnamefunctie uitschakelt wanneer iemand in de directe omgeving aangeeft niet gefilmd of opgenomen te willen worden?
Zie antwoord vraag 14.
Welke beperkingen gelden voor het gebruik van gezichtsherkenning in combinatie met camerabrillen? Bent u bereid zich in Europees verband uit te spreken tegen realtime gezichtsherkenning van willekeurige omstanders door particuliere gebruikers?
Het gebruik van gezichtsherkenning in combinatie met camerabrillen is aan strikte beperkingen onderhevig. Zonder een specifieke wettelijke grondslag en naleving van de waarborgen uit de AVG en de AI verordening is identificatie van willekeurige omstanders in de openbare ruimte door particuliere gebruikers niet toegestaan. Gelet op het reeds geldende EU en nationale kader acht het kabinet aanvullend oproepen tot actie in Europees verband niet nodig; de inzet blijft gericht op strikte toepassing en effectieve handhaving van de bestaande regels.
Hebben organisatoren van evenementen, horecagelegenheden, scholen, zorginstellingen, zwembaden en andere organisaties voldoende juridische mogelijkheden om camerabrillen te weren? Bent u bereid hiervoor duidelijke landelijke richtlijnen op te stellen?
Ja. Organisatoren en beheerders hebben in de regel voldoende juridische mogelijkheden om camerabrillen te weren of het gebruik daarvan te beperken via huisregels, contractvoorwaarden en toegangsbeleid.
Bij vergunningsplichtige evenementen kan de gemeente aanvullende voorwaarden stellen. Exploitanten van private of semi publieke locaties (horeca, winkels, musea, zwembaden, sportscholen, evenemententerreinen) mogen een verbod of beperking op camerabrillen als huisregel of in algemene voorwaarden opnemen, mits zij kenbaar, niet discriminatoir en proportioneel zijn. Bij niet naleving kan de toegang worden geweigerd of beëindigd; bij weigering te vertrekken kan uiteindelijk strafrechtelijk worden opgetreden wegens lokaalvredebreuk (art. 138 Sr).
Scholen en zorginstellingen hebben een bijzondere zorg en veiligheidsverantwoordelijkheid richting leerlingen, patiënten en bezoekers. Vanuit die plicht is een vergaand verbod in onderwijs en zorgomgevingen (en zeker in kleed-, behandel- en rustruimten) goed te rechtvaardigen. In niet publieke ruimten zoals kleedkamers en toiletten is heimelijk filmen strafbaar.
Gelet op het bestaande wettelijk kader, dat voldoende duidelijke mogelijkheden biedt, acht ik een nieuwe landelijke richtlijn niet noodzakelijk.
Bent u bereid de Autoriteit Persoonsgegevens te vragen onderzoek te doen naar het gebruik van camerabrillen in Nederland, de gegevensstromen naar technologiebedrijven en mogelijke juridische lacunes, en de Kamer hierover vóór het einde van het jaar te informeren?
De AP heeft aangegeven bezorgd te zijn en de maatschappelijke ophef over de camerabril te begrijpen. Samen met andere Europese privacy-toezichthouders wordt daarom gekeken naar de impact van camerabrillen op privacy van mensen. Naar verwachting komt daar dit najaar meer duidelijkheid over. De AP heeft daarnaast momenteel een aantal klachten over camerabrillen in behandeling. Zoals vermeld in antwoord 9 verwacht de EDPB, waarin ook de AP vertegenwoordigd is, daarnaast dit najaar nog bevindingen te publiceren over camerabrillen. We zullen de zorgen rondom de camerabrillen met de AP in ons reguliere contact met de AP aankaarten. Het is aan de AP, als onafhankelijke toezichthouder, of zij hier nader onderzoek zal doen.
Lesmethoden op islamitische scholen waarin homoseksualiteit wordt afgewezen |
|
Ranjith Clemminck (JA21) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van Nieuwsuur over de rol van de islam bij geweld en vijandigheid tegen homoseksuelen en met het opinieonderzoek van EenVandaag naar de ervaringen van lhbti’ers in Nederland?1 2
Ja, daar ben ik mee bekend.
Heeft u kennisgenomen van de in de uitzending getoonde islamitische lesmaterialen waarin kinderen onder meer leren dat Allah een volk vernietigde vanwege homoseksuele relaties, dieren een lhbti-vlag in het vuur gooien en het homohuwelijk in verband wordt gebracht met de «ontwrichting van de samenleving» en «ernstige ziektes»? Zo ja, wat is uw reactie op deze lesmaterialen?
Ja, ik heb kennisgenomen van de in de uitzending getoonde lesmaterialen. Deze lesmaterialen zijn ook getoond in een uitzending van Nieuwsuur in september vorig jaar. De suggesties die in de lesmaterialen worden gedaan, keur ik volstrekt af. Deze suggesties kunnen ertoe leiden dat kinderen een afkeer krijgen van homoseksualiteit en homoseksuele personen. Dat zijn denkbeelden waar het onderwijs nooit aan mag bijdragen.
Om dat te voorkomen, geldt in Nederland de wettelijke burgerschapsopdracht die van scholen eist dat ze de basiswaarden van de democratische rechtsstaat, zoals vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit, bevorderen en daarnaar handelen. De Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) ziet erop toe dat scholen aan deze eisen voldoen.
Acht u het aanvaardbaar dat dergelijke lesmaterialen worden gebruikt op scholen die door de Nederlandse overheid worden bekostigd? Zo ja, waarom? Zo nee, welke consequenties verbindt u hieraan?
Alle scholen in Nederland moeten zich houden aan de wettelijke burgerschapsopdracht. De inspectie houdt daar toezicht op. De inspectie houdt geen toezicht op afzonderlijke lesmaterialen, maar kijkt wel naar de manieren waarop lesmaterialen worden gebruikt. Als de inspectie lesmateriaal tegenkomt dat kan leiden tot homofobie of tot andere vormen van onverdraagzaamheid, zal de inspectie constateren dat bij het gebruik ervan strijdigheid met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat kan optreden. Een onderzoek op een school die zulk lesmateriaal gebruikt, wordt dan mede gericht op het precieze gebruik.
Ook breder controleert de inspectie hoe de school kennis en respect van en voor de basiswaarden van de democratische rechtsstaat bevordert. Doen scholen dit onvoldoende, dan handelen ze in strijd met de wettelijke burgerschapsopdracht en kan de inspectie een herstelopdracht geven.
Klopt het dat de Inspectie van het Onderwijs deze specifieke lesmaterialen heeft beoordeeld en heeft geconcludeerd dat het gebruik hiervan binnen de geldende wettelijke kaders is toegestaan? Zo ja, op welke wettelijke bepalingen en inhoudelijke afwegingen is deze conclusie gebaseerd?
De inspectie houdt geen toezicht op lesmateriaal zelf, maar houdt toezicht op het gebruik ervan.
Naar aanleiding van de publicatie van Nieuwsuur vorig jaar heeft de inspectie gesproken met besturen, schoolleiders, leraren en leerlingen van de betrokken scholen. In de gesprekken met besturen en schoolleiders is gesproken over de bevordering van basiswaarden binnen de religieuze context van de scholen. De inspectie heeft gesprekspartners bevraagd op hun gebruik van de leermiddelen die in de publicatie van Nieuwsuur aan bod kwamen. Onder leraren en leerlingen is vervolgens getoetst of wat besturen aangaven ook is wat in de praktijk wordt ervaren. Dat is conform de gangbare werkwijze van de inspectie.
De inspectie constateert op basis hiervan dat de betreffende scholen doordachte curricula hebben waarin zowel ruimte is voor het actief bevorderen van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat als voor de eigen levensbeschouwelijke identiteit van de school. Eén school vormt een uitzondering. Deze school heeft van de inspectie een herstelopdracht gekregen omdat het burgerschapsonderwijs op de school niet voldeed aan de wettelijke eisen. De school heeft na een hersteltermijn de geconstateerde tekortkomingen nog niet hersteld. De inspectie beraadt zich op maatregelen.
Heeft de Inspectie van het Onderwijs volledig zicht op de lesmethoden, leesboekjes en aanvullende religieuze leermiddelen die op islamitische scholen worden gebruikt? Zo nee, hoe kan de Inspectie dan vaststellen of het onderwijs voldoet aan de burgerschapsopdracht en of sprake is van een sociaal veilige leeromgeving?
De inspectie houdt geen overzicht bij van alle lesmethoden die op scholen worden gebruikt, hiermee handelt zij conform de huidige wetgeving. De inspectie betrekt in haar toezicht de manier waarop lesmateriaal in de lessen wordt gebruikt om te beoordelen of de school handelt conform de wettelijke burgerschapsopdracht en de zorgplicht voor de veiligheid.
Op welke wijze controleert de Inspectie of religieuze lesmaterialen niet alleen afzonderlijk, maar ook in hun onderlinge samenhang bijdragen aan een schoolcultuur die in overeenstemming is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat?
De inspectie houdt toezicht op het gebruik van lesmaterialen, afzonderlijk of samen, en hoe dat zich verhoudt tot bijvoorbeeld de schoolcultuur. Uit de wettelijke burgerschapsopdracht volgt dat een schoolcultuur in overeenstemming moet zijn met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat, waaronder vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit.
Is bij u en de Inspectie bekend door welke personen, organisaties, uitgeverijen of religieuze instellingen de in de uitzending getoonde lesmethoden zijn ontwikkeld en verspreid? Zo ja, kunt u uiteenzetten welke partijen hierbij betrokken zijn?
De inspectie heeft kennisgenomen van het lesmateriaal dat in de genoemde uitzending wordt getoond, maar houdt geen toezicht de specifieke herkomst van de methoden.
Is bekend hoe de ontwikkeling, productie, aanschaf en verspreiding van deze lesmaterialen zijn gefinancierd, waaronder eventuele financiering door Nederlandse overheden, schoolbesturen, religieuze organisaties of buitenlandse personen, organisaties of overheden? Zo nee, bent u bereid dit te onderzoeken?
Dit is niet bekend. Voor de aanschaf van lesmaterialen ontvangen scholen centrale bekostiging in de vorm van een lumpsum, waarbinnen zij zelf bestedingsvrijheid hebben. De inspectie houdt geen toezicht op de aanschaf van lesmaterialen door scholen. Evenmin controleert de inspectie de financiële stromen van afzonderlijke uitgeverijen, ontwikkelaars of lesmaterialen. Indien signalen aanhouden over dergelijk lesmateriaal, bezie ik of nader toezicht op de herkomst van lesmateriaal van waarde kan zijn en wat daar wettelijk voor nodig is. brengen.
Worden deze lesmethoden centraal ingekocht of aanbevolen door samenwerkingsverbanden, koepelorganisaties of andere organisaties binnen het islamitisch onderwijs? Zo ja, welke organisaties betreft dit en op hoeveel scholen worden deze materialen gebruikt?
Scholen bepalen zelf hoe zij de inkoop van lesmateriaal organiseren. Dit kunnen zij doen als individuele school, maar ook op bestuursniveau of binnen een koepelorganisatie. Hier zijn geen overzichten of tellingen van.
Welke wettelijke taken, bevoegdheden en mogelijkheden hebben gemeenten om toezicht te houden of in te grijpen wanneer binnen hun gemeente islamitische scholen worden opgericht of uitgebreid en er zorgen bestaan over de gebruikte lesmaterialen, de invulling van de burgerschapsopdracht of de sociale veiligheid van leerlingen? Acht u de huidige positie en het instrumentarium van gemeenten hierbij toereikend? Zo nee, bent u bereid gemeenten meer mogelijkheden te geven om dergelijke zorgen bij de Inspectie en het ministerie af te dwingen en opvolging daarvan te verlangen?
In de Grondwet is het onderwijs bestempeld als een verantwoordelijkheid van de regering. De inspectie houdt toezicht op het onderwijs en controleert of scholen aan de wettelijke eisen voldoen. Leven er binnen een gemeente zorgen over een school, dan kunnen zij die overbrengen aan de inspectie.
Met het oog op de stichting van scholen specifiek heeft de gemeente de mogelijkheid om bij iedere stichtingsaanvraag hun zienswijze in te brengen. De grondslag van een school is op zichzelf echter nooit een legitieme grond voor bezwaar.
De beschreven rolverdeling tussen gemeente en Rijk acht ik passend bij de grondwettelijke uitgangspunten en daarmee ook toereikend.
Hoe verhoudt het gebruik van de genoemde lesmaterialen zich volgens u tot de wettelijke burgerschapsopdracht, waaronder het bevorderen van respect voor de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en het creëren van een schoolcultuur die daarmee in overeenstemming is?
Vanuit de wettelijke burgerschapsopdracht heeft een school de plicht om leerlingen kennis over en respect voor de basiswaarden van de democratische rechtsstaat bij te brengen. Dat houdt ook in dat respect voor verschillen de norm is, bijvoorbeeld in seksuele gerichtheid. De genoemde lesmaterialen passen daar niet bij en leiden ertoe dat de inspectie in haar toezicht extra aandacht heeft voor de invulling van de burgerschapsopdracht en het burgerschapsonderwijs op de betreffende school.
Deelt u de opvatting dat de vrijheid van onderwijs geen vrijbrief kan zijn om kinderen met publiek geld les te geven uit materialen die homoseksuele relaties stigmatiseren of in verband brengen met ziekte, vernietiging en maatschappelijke ontwrichting?
Ja, die opvatting deel ik. Het onderwijs moet voor iedereen veilig en vrij zijn, en geen voedingsbodem voor denkbeelden die indruisen tegen de basiswaarden van onze democratische rechtsstaat. Dat geldt overigens niet alleen voor het bekostigd onderwijs, maar bijvoorbeeld voor al het onderwijs, ook particulier.
Welke mogelijkheden hebben de Inspectie en de Staatssecretaris op dit moment om in te grijpen wanneer een school dergelijke lesmethoden gebruikt, maar volgens de huidige uitleg nog niet aantoonbaar de wettelijke ondergrens overschrijdt? Acht u dit instrumentarium toereikend?
De inspectie ziet toe op de naleving van de wet en beoordeelt in dat kader of scholen voldoen aan de wettelijke eisen die de burgerschapsopdracht aan hen stelt. Zo niet, dan krijgen scholen een herstelopdracht. Zie verder het antwoord op vraag 14 voor een uitgebreidere beschrijving van het instrumentarium dat de inspectie en de Minister hebben bij het niet naleven van wettelijke eisen.
Kunt u de zogenoemde escalatieladder uiteenzetten waarnaar u in de uitzending van Goedenavond Nederland van 28 juli 2026 verwees, inclusief de verschillende interventies, de voorwaarden voor toepassing daarvan en de gemiddelde tijd die verstrijkt voordat tot een bekostigingssanctie of sluiting kan worden overgegaan?3
Wanneer de inspectie constateert dat een school in strijd handelt met de wettelijke burgerschapsopdracht, of met een andere wettelijke eis, geeft de inspectie in principe eerst een herstelopdracht. Dat is de opdracht aan een school om een vastgestelde tekortkoming te herstellen binnen een bepaalde termijn, maximaal een jaar. Na de hersteltermijn doet de inspectie opnieuw een onderzoek. Is de tekortkoming dan nog niet hersteld, dan kan de inspectie een bekostigingssanctie opleggen. Bij de eerste sanctie wordt maximaal 15% van de maandelijkse bekostiging ingehouden. Daarna loopt de sanctie gefaseerd op tot een uiteindelijke inhouding van 100% van de maandelijkse bekostiging.
Het proces verloopt iets anders wanneer de inspectie constateert dat een school structureel of flagrant in strijd handelt met de wettelijke burgerschapsopdracht en dat dit leidt of dreigt te leiden tot een ernstige aantasting van een of meer van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. De inspectie kan dan wanbeheer vaststellen en draagt de zaak over aan de Minister, die vervolgens een aanwijzing kan opleggen. Dat is een set maatregelen die het schoolbestuur moet nemen om het wanbeheer te beëindigen. Dat moet het schoolbestuur op korte termijn doen, vaak binnen enkele weken. Bij zeer hoge urgentie en de constatering van een redelijk vermoeden van wanbeheer door de inspectie kan de Minister ook een spoedaanwijzing opleggen en is het aan het schoolbestuur om meteen het wanbeheer te beëindigen, binnen enkele dagen.
Als een school de (spoed)aanwijzing niet naleeft en het wanbeheer niet herstelt, kan de Minister direct een bekostigingssanctie opleggen en tot 100% inhouden van de maandelijkse bekostiging. Als een school een aanwijzing specifiek gericht op burgerschap of veiligheid niet naleeft en er sprake blijft van wanbeheer, kan de Minister de bekostiging van een school geheel beëindigen (bij bijzondere scholen) of de school sluiten (bij openbare scholen). Deze bevoegdheid kan alleen in uitzonderlijke gevallen worden ingezet als ultimum remedium.
Deelt u de opvatting dat de huidige escalatieladder mogelijk onvoldoende mogelijkheden biedt om snel en effectief in te grijpen wanneer scholen structureel gebruikmaken van lesmateriaal dat homoseksuelen en homoseksuele relaties stigmatiseert?
Waar het de wettelijke burgerschapsopdracht betreft, hebben de inspectie en de Minister diverse instrumenten tot hun beschikking om in te grijpen wanneer scholen de wet niet naleven. Sinds de inwerkingtreding van de Wet uitbreiding bestuurlijk instrumentarium in 2023 heeft de Minister de mogelijkheid om sneller in te grijpen. Het opleggen van een spoedaanwijziging, zoals gebeurde bij scholen die niet voornemens waren de doorstroomtoets af te nemen, is hiervan een voorbeeld. In sommige gevallen kan de Minister echter alsnog minder snel ingrijpen dan gewenst. Dit najaar wordt gestart met de evaluatie van de Wet. Via de evaluatie, die in het voorjaar van 2028 gereedkomt, zal inzicht worden verkregen in de doeltreffendheid, doelmatigheid en de effecten van deze wet in de praktijk. De evaluatie moet vaststellen of de wet heeft geleid tot de gewenste kwaliteitsverbeteringen en (eventuele) aanbevelingen benoemen voor verbetering. Ik zal bezien of die aanbevelingen en de ervaringen die worden opgedaan naast de evaluatie moeten leiden tot aanpassingen van de wet om waar gewenst sneller te kunnen optreden.
Bent u bereid de escalatieladder en de onderliggende wet- en regelgeving te herzien, zodat scholen die structureel dergelijke lesmethoden gebruiken sneller een aanwijzing, bekostigingssanctie of, als ultimum remedium, sluiting tegemoet kunnen zien?
Dit najaar start een evaluatie van de Wet uitbreiding bestuurlijk instrumentarium. In die evaluatie wordt ook bezien of verdere uitbreiding van het huidige instrumentarium wenselijk en noodzakelijk is. De evaluatie moet vaststellen of de wet heeft geleid tot de gewenste kwaliteitsverbeteringen en (eventuele) aanbevelingen benoemen voor verbetering.
Uit onderzoek van het EenVandaag Opiniepanel blijkt dat 70 procent van de ondervraagde lhbti’ers het als een probleem ervaart om de eigen seksuele oriëntatie of genderidentiteit in het openbaar te tonen en dat zij weerstand vooral ervaren vanuit religieuze en extreemrechtse hoek, waarbij met name de islam wordt genoemd.4 Hoe beoordeelt u deze uitkomsten?
Ik vind het vreselijk dat mensen zich niet geaccepteerd voelen vanwege hun seksuele gerichtheid of genderidentiteit. In Nederland moet iedereen in veiligheid en vrijheid zichzelf kunnen zijn en zich gelijkwaardig weten, ongeacht seksuele gerichtheid of genderidentiteit. Dat geldt overal: op school, tijdens het sporten, op de werkvloer en online. Helaas laten verschillende onderzoeken zien dat lhbtiq+ personen nog altijd een hogere mate van onveiligheid ervaren. De resultaten van dit onderzoek zijn niet verrassend, maar daarom niet minder zorgwekkend. Ik vind het schrijnend dat het voor een ruime meerderheid van de lhbtiq+-gemeenschap een probleem is om hun seksuele gerichtheid in het openbaar te laten zien. De signalen dat lhbtiq+ personen weerstand ervaren uit religieuze en extreemrechts hoek, zijn bekend. Op basis van nadere onderzoeksresultaten die we in 2027 verwachten, bekijken we of aanvullend onderzoek en inzichten nodig zijn met betrekking tot de oorzaken van dalende acceptatie in relatie tot onder andere de manosfeer en religieus conservatisme.
Deelt u de zorg dat onderwijs waarin homoseksualiteit expliciet negatief of bedreigend wordt voorgesteld, kan bijdragen aan het maatschappelijke klimaat waarin lhbti’ers aangeven hun gedrag, kleding en uitingen aan te passen uit angst voor negatieve reacties?
Ja, deze zorg deel ik. Ik kan mij goed voorstellen dat als de schoolcultuur homoseksualiteit negatief voorstelt, lhbtiq+ leerlingen zich onveilig voelen en dat zij dit de rest van hun leven met zich meedragen. Dat is onacceptabel. Daarom vraagt de wettelijke burgerschapsopdracht van scholen dat zij zorgdragen voor een schoolcultuur vanuitde basiswaarden van de democratische rechtsstaat en waarin iedereen zich veilig en geaccepteerd weet. Doen ze dit niet, dan handelen ze in strijd met de wet en zal de inspectie herstel afdwingen.
Onderwijs speelt een belangrijke rol in de socialisatie van leerlingen en in het vormen van een stevige en veilige pedagogische basis, waar vanuit iedere leerling zich in vrijheid kan ontwikkelen. Het bevorderen van een positief maatschappelijk klimaat voor lhbtiq+ personen reikt echter verder dan het onderwijs. Dat is een opdracht aan ons allemaal.
Bent u bereid de Inspectie van het Onderwijs opdracht te geven gericht onderzoek te doen naar de aard, omvang en inhoud van lesmaterialen over homoseksualiteit, relaties en het homohuwelijk binnen het islamitisch onderwijs, en de Kamer over de uitkomsten daarvan te informeren?
De inspectie doet verdiepend onderzoek naar de omgang van scholen met potentiële strijdigheid in basiswaarden, onder andere met het oog op seksuele diversiteit. Dit onderzoek richt zich op ervaringen van leerlingen en op dilemma’s en het handelingsrepertoire van leraren.
Kunt u vaststellen hoeveel scholen deze lesmethoden gebruiken of in het verleden hebben gebruikt, gedurende welke periode dit is gebeurd en hoeveel leerlingen naar schatting reeds met deze materialen in aanraking zijn gekomen?
Nee, de inspectie houdt geen overzicht of tellingen van lesmethoden bij.
Deelt u de opvatting dat leerlingen die onderwijs hebben ontvangen waarin homoseksuele relaties worden voorgesteld als ziekmakend, maatschappelijk ontwrichtend of aanleiding voor goddelijke bestraffing, mogelijk onvoldoende onderwijs hebben gekregen in overeenstemming met de wettelijke burgerschapsopdracht?
Ja, die opvatting deel ik. Dergelijk onderwijs kan leiden tot een schoolcultuur die niet in overeenstemming is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en waarin leerlingen en personeel zich onvoldoende veilig weten. Een school die onvoldoende doet aan een schoolcultuur vanuit de basiswaarden, handelt in strijd met de wettelijke burgerschapsopdracht.
Bent u bereid maatregelen te treffen om eventuele schade bij deze leerlingen te herstellen, bijvoorbeeld door de betrokken scholen te verplichten aanvullend burgerschapsonderwijs aan te bieden over gelijkwaardigheid, het discriminatieverbod, seksuele diversiteit en de grondrechten van lhbti’ers?
Scholen moeten zorgdragen voor een schoolcultuur vanuit de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en gericht op de veiligheid van leerlingen. Doen ze dat niet, dan handelen ze in strijd met de wettelijke burgerschapsopdracht en geeft de inspectie daarvoor een herstelopdracht. Blijft herstel uit, ondanks de herstelopdracht, dan kan de inspectie een financiële sanctie opleggen om de school op die manier te dwingen de tekortkomingen te herstellen en de wet na te leven.
Op grond van de wettelijke burgerschapsopdracht, zijn alle scholen verplicht om onderwijs aan te bieden over gelijkwaardigheid, het discriminatieverbod, seksuele diversiteit en de universele rechten van de mens.
Zo ja, hoe wordt gecontroleerd dat dit aanvullende onderwijs daadwerkelijk wordt aangeboden en inhoudelijk voldoet aan de basiswaarden van de democratische rechtsstaat? Zo nee, waarom acht u herstelmaatregelen niet noodzakelijk?
Als de inspectie een herstelopdracht geeft, wordt vervolgens opnieuw onderzoek gedaan op de school naar de voortgang en mate van herstel. De inspectie onderzoekt of de school inmiddels wél voldoet aan de wettelijke eisen.
Bent u tevens bereid om, in afwachting van dat onderzoek, met de betrokken schoolbesturen in gesprek te gaan over het onmiddellijk uitfaseren van lesmaterialen waarin homoseksuele relaties in verband worden gebracht met ziekte, goddelijke bestraffing of maatschappelijke ontwrichting?
Het verbieden van lesmateriaal als zodanig past niet bij artikel 23 van de Grondwet, waarin staat dat de keuze voor leermiddelen vrij is.
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Privacy terreurverdachte Muhammed K. (19) volgens rechter ontzettend belangrijk: ’Telefoon maximaal twaalf keer per jaar gecontroleerd’' |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Privacy terreurverdachte Muhammed K. (19) volgens rechter ontzettend belangrijk: «Telefoon maximaal twaalf keer per jaar gecontroleerd»»?1
Ja.
Wat is, los van de beleidstechnische inhoud, uw persoonlijke reactie op dit bericht? Zakt bij u ook de moed in de schoenen over de prioriteiten en capaciteiten van de overheid (en haar aanhangende organisaties) bij het lezen van dergelijke berichten?
Ik begrijp goed dat deze berichtgeving gevoelens van onbegrip kan oproepen. Dat iemand die eerder is veroordeeld voor een terroristisch misdrijf opnieuw is aangehouden op verdenking van betrokkenheid bij een terroristisch misdrijf, is buitengewoon ernstig en zorgelijk.
De recente aanhoudingen onderstrepen de bevindingen in het meest recente Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland dat de jihadistische dreiging de belangrijkste en meest bepalende factor voor de terroristische dreiging is in Nederland. Alleen door een onverminderde inzet op zowel lokaal als nationaal niveau kunnen we de veiligheid blijven waarborgen. De politie en de inlichtingendiensten continueren hun inzet om potentiële dreigingen direct te verstoren, met als recent voorbeeld meerdere aanhoudingen van terrorismeverdachten de afgelopen maanden.
Tegelijkertijd kan geen enkele aanpak het risico op terroristisch geweld of recidive volledig uitsluiten. Dat mag echter nooit een reden zijn om daarin te berusten. Nieuwe signalen moeten steeds opnieuw worden beoordeeld en waar blijkt dat de aanpak, het toezicht of de samenwerking kan worden versterkt, moeten daar concrete lessen en maatregelen uit volgen.
Deelt u de mening dat in deze casus, en helaas veel vaker, de overheid tekortschiet in het beschermen van haar burgers en dat dit tekortkomen bij dit soort incidenten pijnlijk aan het licht komt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Hoeveel terroristen (in wording) staan momenteel onder toezicht van de reclassering met een dergelijke beperking in het toezicht zoals bij Muhammed K.?
Reclassering Nederland draagt met een landelijk team van gespecialiseerde reclasseringsprofessionals, het zogeheten TER-team, bij aan het verkleinen van de dreiging die uitgaat van volwassen verdachten of veroordeelden van strafbare feiten die zij pleegden vanuit extremistische, terroristische en/of geradicaliseerde overtuigingen.
Het TER-team houdt momenteel toezicht op in totaal 26 volwassen personen aan wie de voorwaarde «meewerken aan controle gegevensdragers» is opgelegd. Hieronder vallen ook personen met links- en rechts-extremistische overtuigingen en personen die zich soeverein hebben verklaard.
Bij de Raad voor de Kinderbescherming staan 30 jeugd-CTER zaken geregistreerd. Er zit geen specifiek kenmerk op bijzondere voorwaarden in de registratie van Toezicht en Begeleidingszaken binnen Gecertificeerde Instellingen (GI’s) vanuit de jeugdreclassering.
Deelt u de mening mening dat dergelijke deradicaliseringstrajecten juist door deze terroristen misbruikt kunnen worden om hun dossier te verschonen door goed gedrag te vertonen? Zo nee, waarom niet?
Het is niet uit te sluiten dat iemand bij een begeleidingstraject sociaal wenselijk gedrag vertoont of probeert de betrokken professionals te misleiden. Sociaal wenselijk of strategisch gedrag in dit werkveld is een bekend en onderkend fenomeen, hierin zijn de professionals die dergelijke trajecten uitvoeren dan ook getraind De beoordeling wordt daarom niet uitsluitend gebaseerd op wat een betrokkene tijdens gesprekken verklaart of op gedurende korte tijd vertoond positief gedrag, er wordt ook gekeken naar objectieve informatie en gebruikgemaakt van objectieve criteria. De ontwikkeling wordt over een lange periode bezien, waarbij verschillende waarnemingen, informatiebronnen en professionele inzichten worden betrokken. Daarbij kan onder meer worden gekeken naar de naleving van opgelegde voorwaarden, concrete gedragsveranderingen, relevante contacten, risico- en beschermende factoren en eventuele nieuwe signalen.
Daarbij is van belang dat onderscheid wordt gemaakt tussen deradicalisering en disengagement. Deradicalisering is gericht op het afstand nemen van extremistisch gedachtegoed en een verandering in waarden, attitudes en opvattingen, terwijl disengagement ziet op het beëindigen van extremistisch of terroristisch gedrag en het verbreken van banden met extremistische personen of netwerken. Een verandering van overtuigingen is niet altijd volledig vast te stellen en is ook niet in alle gevallen (direct) haalbaar. Daarom wordt in de praktijk tevens ingezet op concrete en duurzame gedragsverandering en op het verminderen van het risico op (extremistisch) geweld.
Een deradicaliserings- of disengagementstraject is bovendien geen op zichzelf staande garantie en komt niet in de plaats van strafrechtelijk optreden, reclasseringstoezicht of de inzet van politie en veiligheidsdiensten wanneer daar aanleiding voor bestaat. Volledige zekerheid over iemands overtuigingen en toekomstig gedrag kan niet worden gegeven. Nieuwe of afwijkende signalen kunnen daarom aanleiding geven om het risicobeeld opnieuw te beoordelen en de inzet waar nodig aan te passen of te intensiveren.
Deelt u de mening dat toezicht op mobiele apparaten totaal nutteloos is indien dit slechts één keer per maand plaatsvindt en de betreffende terrorist ook nog vrijuit andere toestellen kan gebruiken en chats/gegevens kan wissen voorafgaand aan de controle? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen? Zo nee, waarom niet?
De rechtbank bepaalt welke voorwaarden of vorm(en) van controle nodig zijn en in sommige gevallen ook hoe vaak. De partij die belast is met het uitvoeren van controles, bepaalt wanneer deze worden uitgevoerd. Deze controles kunnen onaangekondigd worden uitgevoerd. Dit vergroot de kans dat iemand zich structureel zal conformeren aan een opgelegde voorwaarde. Tegelijkertijd ben ik, zoals in mijn brief van 22 mei 20262 vermeld, met de reclassering in gesprek over de mogelijkheden om een vergelijkbare methodiek te ontwikkelen voor controle inzake online terrorisme en (gewelddadig) extremisme delicten, zoals de reclassering die heeft ontwikkeld om te controleren of een justitiabele zich houdt aan de bijzondere voorwaarde «vermijden digitale omgevingen seksueel kindermisbruik».
Daarnaast is het de taak van reclasseringswerkers om cliënten te motiveren om zich uit eigen beweging te houden aan opgelegde voorwaarden. Daarbij zijn de voorwaarden onderdeel van het kader om het gesprek aan te gaan over gedragsverandering. De reclassering zet zich immers in voor duurzame gedragsverandering en niet enkel het naleven van een tijdelijke voorwaarde.
Bent u van mening dat rechters bij hun aanstelling voldoende zijn toegerust om dit soort terrorismezaken met voldoende oog voor de bescherming van de samenleving te beoordelen? Zo ja, waar baseert u dat op? Zo nee, waar schiet het huidige kader tekort?
Rechters doorlopen een strenge selectie en een langdurig en intensief inwerktraject voordat zij zelfstandig als rechter aan het werk gaan. Een rechter in opleiding wordt opgeleid in verschillende rechtsgebieden met een daarbij passend cursusaanbod. Rechters in opleiding worden opgeleid en begeleid door ervaren collega’s. Ook na deze opleiding zijn rechters verplicht trainingen en cursussen te volgen. Door permanente educatie worden kennis en vaardigheden actueel gehouden en verder uitgebreid. SSR, het opleidingsinstituut van de Rechtspraak en het Openbaar Ministerie, biedt cursussen aan op het gebied van terrorisme en terrorismebestrijding zodat rechters goed in staat zijn om zaken op dit gebied aan te pakken en te beoordelen. Binnen het cursusaanbod is ook aandacht voor de verschillende fasen van het terrorismeonderzoek.
Wij zijn ons ervan bewust dat u geen harde kritiek op de Rechtspraak wilt leveren, maar kunt u zich ook niet aan de indruk onttrekken dat er in deze casus, en wellicht vaker, sprake is van flinke naïviteit bij de Rechtspraak? Zo nee, waarom niet?
De rechter kijkt bij de behandeling van iedere zaak naar alle relevante feiten en omstandigheden van de zaak. Bij het opleggen van bijzondere voorwaarden bij een (deels) voorwaardelijke straf weegt de rechter steeds zorgvuldig of die voorwaarden noodzakelijk, geschikt en proportioneel zijn. Als een voorwaarde een inbreuk maakt op grondrechten – zoals de privacy – is het aan de rechter om de proportionaliteit te bewaken. Een begrenzing, zoals een maximumaantal controles, kan daarbij dienen om de inbreuk niet verder te laten gaan dan nodig is. Het past mij als bewindspersoon niet om te oordelen over overwegingen en afwegingen die door rechters worden gemaakt in rechterlijke uitspraken.
De zorgen rondom de Data Privacy Framework tussen de EU en de VS |
|
Barbara Kathmann (GroenLinks-PvdA) |
|
Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraak van het Amerikaanse Hooggerechtshof in de zaak Trump v. Slaughteren het bericht van privacywaakhond noyb hierover?1 2
Ja.
Hoe reageert u op de uitspraak van het Amerikaanse Hooggerechtshof en de inhoudelijke analyse van noyb, die stelt dat de uitspraak de onafhankelijkheid van Amerikaanse toezichthouders aantast en dit grote gevolgen kan hebben voor de Data Privacy Framework tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten?
De uitspraak van het Amerikaanse Hooggerechtshof van 29 juni 2026 in
De Commissie heeft in de context van de meest recente raadswerkgroep gegevensbescherming d.d. 6 juli jl. lidstaten geïnformeerd en aangegeven de impact van de beslissing van Hooggerechtshof te onderzoeken, en ziet dat in dit verband ook een brede evaluatie van het functioneren van de VS-rechtssysteem nodig is. Tegelijkertijd benadrukt de Commissie daarbij dat het adequaatheidsbesluit tot nader order van kracht blijft. Indien de Commissie zou besluiten over te gaan tot (gedeeltelijke) intrekking, wordt uw Kamer daarover geïnformeerd.
Heeft u vertrouwen in de houdbaarheid van de Data Privacy Framework in het licht van de uitspraak in de zaak Trump v. Slaughter?
Het is aan de Commissie om, met inachtneming van alle feiten en omstandigheden, actuele ontwikkelingen te wegen in het licht van het adequaatheidsbesluit en de houdbaarheid daarvan. Zij is daartoe niet alleen bevoegd, maar ook bij uitstek toegerust. Ik vind het niet verstandig vooruitlopend op de bevindingen van de Commissie zelfstandig een oordeel te vormen. Als zou blijken dat structurele doorgiften onder het DPF niet langer een met het EU recht vergelijkbaar beschermingsniveau bieden, kan de Commissie bij uitvoeringshandeling het adequaatheidsbesluit (gedeeltelijk) schorsen, wijzigen of intrekken. Dit is een besluit van de Commissie dat in het op artikel 93 AVG gebaseerde comitologie comité met de lidstaten, waaronder Nederland, wordt besproken. Uw Kamer wordt daarover geïnformeerd.
Deelt u onze zorgen dat deze uitspraak gevolgen kan hebben voor de rechtmatige data-uitwisseling tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten? Wat zouden die gevolgen volgens u kunnen zijn?
Het is vanzelfsprekend van groot belang dat doorgiften van persoonsgegevens aan derde landen in overeenstemming met de AVG plaatsvinden. De nationale toezichthouders voor gegevensbescherming, in Nederland de Autoriteit Persoonsgegevens (AP), zien daar op toe. Zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 2, beoordeelt de Commissie de implicaties van de uitspraak van het Hooggerechtshof van de VS in het kader van haar verantwoordelijkheid voor adequaatheidsbesluiten. Als de Commissie het besluit (gedeeltelijk) zou intrekken of schorsen, dan zouden voor doorgiften niet langer op het DPF kunnen worden gebaseerd. Doorgiften zouden dan plaats moeten vinden op basis van andere AVG-instrumenten, zoals mogelijk model contractbepalingen (SCC), bindende bedrijfsvoorschriften (BCR)4 of, bij uitzondering, de uitzonderingen van artikel 49 AVG.
Bent u bereid de gevolgen van de uitspraak te bespreken in Europees verband met oog op mogelijke juridische stappen die de Data Privacy Framework ongeldig kunnen maken?3
Zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 3, ligt de verantwoordelijkheid voor de beoordeling of het DPF en de vraag of het adequaatheidsbesluit al dan niet gedeeltelijk dient te worden ingetrokken primair bij de Commissie. Zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 2, volgt Nederland de ontwikkelingen op de voet.
Is Nederland voorbereid op een scenario waar de Data Privacy Framework ongeldig wordt verklaard? Welke maatregelen kunt u nemen om hier op voor te bereiden, zoals ook uiteengezet door uw voorganger?4
Na het ongeldig verklaren van het DPF kunnen doorgiften niet langer op het DPF berusten. Welke gevolgen dit voor Nederland heeft, hangt af van de desbetreffende sector en de verwerkingen van persoonsgegevens die daarbinnen plaatsvindt. Een algemeen antwoord valt hierop dan ook niet te geven.
Zonder adequaatheidsbesluit zal elke verwerkingsverantwoordelijke een doorgifte van persoonsgegevens aan een (gecertificeerde) partij in de VS op een ander doorgifte-instrument uit de AVG moeten kunnen baseren. Hierbij kan gedacht worden aan SCC, BCR of aan de uitzonderingen zoals benoemd in artikel 49 AVG.
Verwerkingsverantwoordelijken kunnen voorzorgsmaatregelen treffen om te voorkomen dat een eventuele ongeldigverklaring van het DPF ertoe leidt dat de doorgifte van persoonsgegevens moet worden gestaakt. Een geheel of gedeeltelijke intrekking of ongeldigverklaring van het DPF hoeft niet te betekenen dat Amerikaanse clouddienstverleners niet meer gebruikt kunnen worden. Wel is het voor clouddiensten die gegevens in de VS opslaan of verwerken, of waarbij een Amerikaanse partij rechtstreeks toegang heeft tot gegevens, in ieder geval nodig om een passende oplossing te vinden. Dit kan bijvoorbeeld door data te hosten in Europese datacenters van dezelfde aanbieder en/of de rechtstreekse toegang door Amerikaanse partijen te beperken of, als dat niet mogelijk is, met aanvullende technische maatregelen zoals sterke encryptie of het inrichten van autonome voorzieningen.
Voor de rijksdienst geldt op basis van het cloudbeleid dat opslag en verwerking van gegevens in principe binnen de Europese Economische Ruimte (EER) en Zwitserland plaatsvinden.7 Gebruik buiten deze landen kan alleen met een formele uitzondering, onderbouwd met een goede reden, een risicoanalyse en zo nodig aanvullende mitigerende maatregelen. Voor bestaand cloudgebruik is bovendien een exitplan verplicht dat rekening houdt met het wegvallen van een voorziening en dus verder reikt dan alleen het hiervoor beschreven scenario. Dit exitplan kan ook worden ingezet als een verwerking om andere redenen niet kan worden voortgezet. Onderdeel hiervan is dat organisaties zelf een actueel overzicht bijhouden van alle gebruikte clouddiensten.
Als de Data Privacy Framework ongeldig wordt verklaard, welke autoriteit moet dan toezien op de (on)rechtmatige uitwisseling van data met Amerikaanse partijen? Kunt u deze autoriteit vragen om advies om dit scenario samen uit te werken?
De nationale toezichthouders voor gegevensbescherming blijven bevoegd; in Nederland is dat de AP. Zij houden toezicht op verwerkingsverantwoordelijken en verwerkers, inclusief internationale doorgiften. Coördinatie tussen toezichthouders verloopt in EU-verband via de EDPB. De Commissie gaat over het adequaatheidsbesluit zelf, niet over individuele handhaving.
Als het DPF ongeldig zou worden verklaard, zou dat betekenen dat de bepalingen uit de AVG voor doorgifte aan derde landen waarvoor geen adequaatheidsbesluit geldt, opnieuw van toepassing worden. De AP heeft voor dergelijke situaties uitgebreide informatie op haar website staan.8 Mocht het zo ver komen, dan ben ik bereid de AP te vragen of zij een gedeelte daarvan specifiek zouden willen toespitsen op de VS. Als het adequaatheidsbesluit zou komen te vervallen, blijft te allen tijde de verwerkingsverantwoordelijke zelf verantwoordelijk voor naleving van de normen uit de AVG, ook bij doorgifte aan derde landen.
Zijn er scenario’s denkbaar waarin aanvullende maatregelen niet volstaan en data niet meer rechtmatig met Amerikaanse partijen gedeeld kan worden? Welke implicaties heeft dat?
Ja. Als aanvullende maatregelen niet volstaan, rest uitsluitend een incidentele doorgifte op basis van een toepasselijke bepaling in artikel 49 AVG (zoals expliciete geïnformeerde toestemming, noodzaak voor een overeenkomst met de betrokkene, zwaarwegend algemeen belang, rechtsvorderingen, vitale belangen of openbaar register). Deze uitzonderingsbepalingen zijn uitzonderlijk, niet bedoeld voor structurele of grootschalige stromen, en vereisen strikte proportionaliteit, transparantie en volledige documentatie. Past geen derogatie voor de specifieke doorgifte, dan is de doorgifte niet toegestaan.
Deelt u de mening dat de enige zekere maatregel om onrechtmatige data-uitwisseling met de Verenigde Staten te voorkomen is om veel minder afhankelijk te worden van Amerikaanse techbedrijven?
Nee. Minder afhankelijk worden van Amerikaanse leveranciers kan risico’s verkleinen, maar is niet de enige mogelijke maatregel. Rechtmatige doorgifte kan ook worden geborgd met doorgifte instrumenten onder de AVG, zoals SCC of BCR. Als die combinatie de risico’s niet voldoende wegneemt, is doorgifte niet toegestaan en moet deze worden beëindigd.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.