Ernstige privacyschendingen door het UWV bij fraudebestrijding |
|
Nicole Moinat (PVV), Shanna Schilder (PVV) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht waaruit blijkt dat het UWV jarenlang onrechtmatig pasfoto’s van burgers heeft opgevraagd bij gemeenten ten behoeve van fraudebestrijding, zoals onder andere omschreven in het artikel van EenVandaag?1
Erkent u dat het opvragen en gebruiken van pasfoto’s uit paspoort- en ID-administraties door het UWV in strijd is met de Paspoortwet?
Hoe beoordeelt u het feit dat het UWV intern erkent dat deze werkwijze «strikt genomen niet rechtmatig» is, maar medewerkers desondanks expliciet opdraagt hiermee door te gaan?
Deelt u de mening dat hier sprake is van bewust en structureel overtreden van privacywetgeving door een overheidsinstantie die juist het goede voorbeeld zou moeten geven?
Vindt u het acceptabel dat het UWV pasfoto’s gebruikt voor het observeren en volgen van uitkeringsgerechtigden, inclusief het vastleggen van kleding, uiterlijk en loopgedrag?
Hoe beoordeelt u het standpunt van het UWV dat de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (SUWI) boven de Paspoortwet zou staan, terwijl meerdere privacy-experts dit nadrukkelijk tegenspreken?
Hoe verklaart u dat gemeenten als Amsterdam en Rotterdam jaarlijks meerdere pasfoto’s verstrekken aan het UWV, terwijl andere gemeenten verzoeken weigeren vanwege het ontbreken van een wettelijke grondslag?
Heeft het UWV de Autoriteit Persoonsgegevens actief geïnformeerd over deze werkwijze, en zo nee, waarom niet?
Welke maatregelen neemt u om per direct te stoppen met deze praktijk en om te voorkomen dat het UWV in de toekomst opnieuw wettelijke grenzen overschrijdt bij fraudebestrijding?
Welke consequenties verbindt u aan deze handelwijze, zowel bestuurlijk als richting het UWV-management?
Wijdverbreid antisemitisme in klaslokalen |
|
Diederik van Dijk (SGP), Chris Stoffer (SGP) |
|
Moes , David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat UNESCO waarschuwt dat driekwart van de leraren in de Europese Unie antisemitisme in het klaslokaal waarneemt?1
Ja.
Deelt u de zorg dat antisemitisme, ook in het onderwijs, zichtbaar toeneemt? Wat is uw reactie op de bevindingen uit het UNESCO-rapport? Welke bevindingen geven u de meeste zorg en zijn er zaken die u nader onderzocht en uitgediept zou willen hebben, en zo ja, hoe kunt u dit bevorderen?
Het UNESCO-rapport, maar ook andere publicaties, incidenten en gebeurtenissen van de afgelopen tijd laten zien dat antisemitisme wereldwijd de kop opsteekt. Ook in Nederland blijkt uit discriminatie- en meldingscijfers dat het aantal meldingen van antisemitische incidenten toeneemt. Zo registreerde de politie in 2024 meer gevallen van antisemitisme dan in de jaren daarvoor. Dat is zorgwekkend, zeker gezien het aantal gevallen waarbij sprake was van geweld of bedreiging.
Ten aanzien van het onderwijs is er verschil tussen de cijfers van het UNESCO-rapport en een aantal Nederlandse onderzoeken, die de afgelopen jaren in Nederland is uitgevoerd. Zo wordt in het UNESCO-rapport gesproken over 61% van de leraren die te maken heeft gehad met Holocaustontkenning en/of -verdraaiing. Uit de docentenpeiling die in 2025 in opdracht van het Ministerie van OCW is uitgevoerd, kwam naar voren dat 14% van de Nederlandse vo-leraren te maken heeft gehad met Holocaustontkenning en 38% met Holocaustbagatellisering of -verdraaiing.2
Ondanks het feit dat wij vinden dat in Nederland deze percentages onacceptabel hoog zijn, liggen deze percentages wel lager in vergelijking met de Europese percentages in het UNESCO-rapport. Het Ministerie van OCW wil met de onderzoekers in gesprek om inzicht te krijgen in de oorzaak van de verschillen. Ook is het ministerie benieuwd naar onderliggende data, die mogelijk nog meer specifieke informatie over de Nederlandse context weergeven. Mocht uit deze gesprekken het inzicht volgen dat de Nederlandse aanpak op antisemitismebestrijding en/of Holocausteducatie verbeterd kan worden, dan zal het kabinet hiermee aan de slag gaan. In onze Nederlandse samenleving is antisemitisme onaanvaardbaar en goede Holocausteducatie cruciaal. De contacten met UNESCO lopen al.
Heeft u concreet inzicht in de mate waarin Nederlandse leraren antisemitisme, intimidatie of vijandigheid jegens Joodse leerlingen ervaren in het primair en voortgezet onderwijs? Zo ja, kunt u deze inzichten delen en daarbij aangeven uit welke bronnen Jodenhaat met name wordt gevoed? Zo nee, hoe gaat u dit alsnog structureel in kaart brengen? Welke rol speelt de veiligheidsmonitor daarbij en welke rol kan het UNESCO-rapport vervullen bij de verdere ontwikkeling ervan?
Het UNESCO-rapport geeft aan dat antisemitisme regelmatig en op verschillende manieren voorkomt op Europese scholen. Ook in Nederland blijkt uit signalen vanuit de Joodse gemeenschap, de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding (NCAB), bredere samenleving, de media, en organisaties als het CIDI, dat Joodse leerlingen zich gepest, geïntimideerd en/of bedreigd voelen vanwege hun identiteit. Daar maakt het kabinet zich ernstig zorgen over. Daarom is ook in 2024 de Strategie Bestrijding Antisemitisme 2024–2030 ontwikkeld om gezamenlijk een vuist te maken en antisemitisme in onze Nederlandse samenleving te bestrijden.
Tegelijkertijd worden bij de Inspectie van het Onderwijs (hierna: de inspectie) weinig antisemitische incidenten op scholen gemeld. Het is cruciaal dat schoolbesturen, schoolleiders, leraren, ouders en/of leerlingen zelf melding doen wanneer zij een antisemitisch incident ervaren. Het kabinet blijft eenieder hiertoe oproepen, zodat we hier tijdig en passend op kunnen acteren.
In het UNESCO-rapport wordt aangegeven dat scholen het lastig vinden om bij een incident te bepalen of het wel of geen antisemitisme is. Dat signaal herkent het Ministerie van OCW; ook Nederlandse schoolleiders en leraren hebben daar moeite mee. Daarom is in 2024 de handreiking «omgaan met antisemitische incidenten» ontwikkeld, die scholen helpt met het herkennen van, omgaan met en melden van antisemitische incidenten.3 Het Ministerie van OCW blijft deze handreiking verspreiden en bijstellen wanneer nodig.
Daarnaast moet met het Wetsvoorstel Vrij en Veilig onderwijs beter landelijk zicht komen op de veiligheid op scholen, waaronder cijfers ten aanzien van discriminatie. Uw Kamer is in juli 2025 geïnformeerd over de voortgang van de wettelijke verankering en herziening van de Landelijke Veiligheidsmonitor funderend onderwijs (LVM).4 Momenteel loopt een verkenning naar de noodzaak, haalbaarheid en wenselijkheid om de veiligheid van een aantal bepaalde specifieke (kwetsbare) groepen in de LVM apart in beeld te brengen en daarvoor extra gegevens uit te vragen. Uw Kamer wordt na de zomer geïnformeerd over de uitkomsten van deze verkenning.
In hoeverre worden concrete uitingen van antisemitisme in het onderwijs momenteel gemonitord en geregistreerd door scholen en schoolbesturen? Acht u deze monitoring toereikend, mede gelet op de bevindingen van UNESCO?
Iedere school is wettelijk verplicht om jaarlijks te monitoren hoe het staat met de veiligheidsbeleving, het welbevinden en de aantasting van de veiligheid onder de leerlingen. Scholen hebben met de resultaten van deze monitor dus op jaarbasis actuele informatie over de sociale veiligheid op school. De inspectie ontvangt de resultaten van de monitor en betrekt dit in haar toezicht.
Met het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs wordt deze zorgplicht verder versterkt. Zo moeten scholen in het funderend onderwijs onder meer beter zicht krijgen op de veiligheid op hun school door in de jaarlijkse monitor leerlingen te bevragen op ervaringen met discriminatie. Ook komt er een verplichte registratie voor veiligheidsincidenten (o.a. bij stelstelmatige discriminatie) en worden scholen verplicht jaarlijks hun veiligheidsbeleid te evalueren. De regering vertrouwt erop dat de maatregelen in het wetsvoorstel een stevige basis bieden voor het verkrijgen van zicht op antisemitische incidenten en het voeren van beleid daartegen.
Welke concrete handvatten, richtlijnen of ondersteuning ontvangen scholen en leraren momenteel om antisemitisme in de klas te herkennen, bespreekbaar te maken en effectief tegen te gaan, bijvoorbeeld als het gaat om de aanwezigheid van hakenkruizen in scholen? Acht u deze ondersteuning toereikend gelet op bevindingen van UNESCO en bent u bereid hierover in gesprek te gaan met de sectororganisaties?
Zoals ook bij vraag 3 aangegeven, is vanuit het Ministerie van OCW de handreiking «Omgaan met antisemitische incidenten op scholen» ontwikkeld.
In deze handreiking wordt beschreven wat antisemitisme is, hoe antisemitisme herkend kan worden, en staan handelingsopties bij antisemitische incidenten op school beschreven. Bij deze handelingsopties staan suggesties voor preventieve maatregelen en schoolbrede afspraken, adviezen over hoe om te gaan met antisemitische uitingen in de klas, is een lijst opgenomen met plekken en organisaties waar docenten terecht kunnen voor ondersteuning en advies, en wordt een overzicht geboden van plekken waar meldingen van antisemitische incidenten gedaan kunnen worden. In de handreiking is bewust gewerkt met concrete voorbeelden, zodat leraren de ondersteuning direct kunnen toepassen op situaties in de praktijk. Deze voorbeelden komen overeen met de praktijksituaties die in het UNESCO-rapport genoemd worden.
Daarnaast ondersteunt Stichting School & Veiligheid (SSV) scholen bij het bevorderen van een sociaal veilig klimaat op school met informatie, handreikingen en e-learnings. Zo biedt de e-learning «Dialoog onder druk» handvatten aan leraren bij het voeren van moeilijke gesprekken in tijden van spanningen en polarisatie. Ook kunnen scholen contact opnemen met het adviespunt van SSV voor individueel advies.
Het Ministerie van OCW heeft periodiek contact met de sectorraden over antisemitisme en bredere vormen van discriminatie en racisme. De sectorraden hebben goed zicht op het onderwijsveld en halen belangrijke input over ondersteuningsbehoeften op. Ook helpen de sectorraden om beleidsacties, zoals de CJP-projectsubsidie voor extra activiteiten Holocausteducatie, goed te laten landen in het onderwijsveld. Het Ministerie van OCW en de sectorraden zullen op korte termijn de cijfers uit dit UNESCO-rapport bespreken.
Welke rol speelt Holocausteducatie binnen het Nederlandse curriculum bij het bestrijden van antisemitisme, het doorgeven van historisch besef aan nieuwe generaties en de positieve aandacht voor de Joodse gemeenschap? Bent u bereid met uitgevers in gesprek te gaan over de lessen die uit de UNESCO-rapporten getrokken kunnen worden als het gaat om de rol van lesmateriaal?
Onderwijs over de Holocaust en over de opkomst en verspreiding van monotheïstische godsdiensten, waaronder het Jodendom, is verankerd in zowel het huidige als het herziene curriculum van het primair en voortgezet onderwijs (po: kerndoel 27 po; vo: kerndoel 26, leergebied Mens en Tijd).
Het kabinet beschouwt Holocausteducatie als een essentieel onderdeel van de bredere maatschappelijke aanpak van antisemitisme. Daarom is door de Ministeries van OCW, SZW en VWS, in gezamenlijkheid met de NCAB, het Nationaal Plan Versterking Holocausteducatie opgesteld. In december 2025 is de voortgangsrapportage van dit plan naar uw Kamer gestuurd.5 Onderdeel van dit plan is de landelijke campagne «Leer over de Holocaust»; een initiatief van de NCAB, dat zich richt op bewustwording en kennisoverdracht onder de gehele Nederlandse bevolking. In januari 2026 is deze campagne voor de derde keer van start gegaan. Daarnaast hecht het kabinet groot belang aan positieve aandacht voor de Joodse gemeenschap en voor Joods leven in Nederland, omdat dit bijdraagt aan het tegengaan van antisemitisme. Hiervoor zijn middelen beschikbaar gesteld via de kabinetsbrede Strategie Bestrijding Antisemitisme.
Het kabinet onderhoudt bovendien, onder meer via de Ministeries van OCW en JenV, actief contact met UNESCO. In oktober 2025 heeft UNESCO bij OCW een workshop verzorgd over het tegengaan van antisemitisme, waaraan ook beleidsmedewerkers van andere departementen en de NCAB hebben deelgenomen.
Ten aanzien van lesmateriaal is het voor de overheid gepast om in het licht van artikel 23 van de Grondwet terughoudend te zijn en niet teveel te mengen in de totstandkoming van lesmateriaal. Dat is aan leermiddelenmakers en scholen zelf. Het kabinet vindt het UNESCO-rapport en het onderwerp echter zó belangrijk, dat zij de constateringen en aanbevelingen bij leermiddelenmakers onder de aandacht zal brengen.
Hoe verhoudt het Nederlandse beleid zich tot de bevindingen en aanbevelingen van UNESCO en de Europese Commissie inzake antisemitisme in het onderwijs?
Het tegengaan van antisemitisme in het onderwijs is onderdeel van structureel beleid via (1) de verankering van kennis over de Holocaust en het Jodendom in het onderwijscurriculum; (2) het stimuleren van respect voor elkaar en elkaars culturen vanuit de wettelijke burgerschapsopdracht; (3) zorgplicht voor de sociale veiligheid van alle leerlingen. Door de maatschappelijke ontwikkelingen is dit structurele beleid de afgelopen twee jaar geïntensiveerd. Veel aspecten die UNESCO en de Europese Commissie aanbevelen zijn dan ook al door het Nederlandse kabinet in gang gezet. Dat is positief.
Zo is een van de UNESCO-aanbevelingen om voor docenten een handboek te realiseren met daarin strategieën over hoe te reageren bij uitingen van antisemitisme in de klas. Dit sluit nauw aan bij de eerder genoemde handreiking, die in Nederland al sinds mei 2024 in het onderwijsveld verspreid wordt. Ook de aanbeveling om een online cursus in te richten die leraren moet helpen om moeilijke onderwerpen te behandelen in de klas, sluit aan bij het al lopende beleid van het Ministerie van OCW. Al voor opleving van het Israëlisch-Palestijns conflict kreeg het Ministerie van OCW signalen van het onderwijsveld dat er behoefte is aan ondersteuning bij het voeren van lastige gesprekken over maatschappelijk gevoelige thema’s. Ook in de docentenpeiling Holocausteducatie (2025) kwam naar voren dat de grootste ondersteuningsbehoefte van leraren blijkt niet zozeer te liggen bij de inhoud van Holocausteducatie zelf, maar bij het omgaan met bredere maatschappelijke spanningen die tijdens lessen kunnen ontstaan. Nederlandse leraren zijn op zoek naar handvatten, training en ondersteuning om deze gesprekken over bredere maatschappelijke kwesties op een open, veilige en feitelijke manier te voeren. Daarom is het Ministerie van OCW al in 2023 gestart om hiervoor een ondersteuningsaanbod voor leraren te realiseren, dat continu doorontwikkeld wordt. Een voorbeeld hiervan is de subsidie «Schurende gesprekken», die aangeboden wordt via het Expertisepunt Burgerschap.6
Bij het tegengaan van antisemitisme is het onderwijs dus van onschatbare waarde. Maar de onderwijssector alleen is niet voldoende. Daarom is de gezamenlijke uitvoering (over sectoren en departementen heen) van de Strategie Bestrijding Antisemitisme ook zo belangrijk, zodat we antisemitisme gericht in de gehele maatschappij kunnen bestrijden.
Welke inzet pleegt Nederland binnen de EU en internationaal om antisemitisme tegen te gaan? Kunt u concreet aangeven welke initiatieven Nederland ondersteunt of bevordert? Met welke EU-lidstaten zou u op dit vlak een aanjagende rol kunnen vervullen zodat het Joodse leven in de EU niet wegsterft, maar haar historische plek kan behouden?
Nederland zet zich binnen de EU en internationaal in voor een effectieve en praktijkgerichte aanpak van antisemitisme. De NCAB speelt hierin een belangrijke rol en staat in nauw contact met buitenlandse coördinatoren ter bestrijding van antisemitisme. Zo organiseerde de NCAB op 18-19 november 2025 in Den Haag een internationale conferentie voor openbaar aanklagers met deelname van 33 Europese landen, gericht op de versterking van de strafrechtelijke aanpak, waaronder vervolgbaarheid, online bewijs en grensoverschrijdende samenwerking.
Daarnaast heeft Nederland samen met Oostenrijk en Frankrijk een aanjagende rol vervuld door het inbrengen van een gezamenlijke EU non-paper om te voorkomen dat EU-middelen indirect bijdragen aan antisemitisme of ondermijning van Europese waarden. Deze inzet richt zich op contractuele voorwaarden bij EU-subsidies, aanvullende controles en audits, met oog voor proportionaliteit en uitvoerbaarheid, en draagt bij aan het behoud en de versterking van Joods leven in Europa.
Verder erkent het kabinet dat online antisemitisme een aanjagende factor is voor offline incidenten. Daarom is binnen het netwerk van Special Envoys and Coordinators on Combating Antisemitism (SECCA) een werkgroep opgericht met focus op internationale kennisdeling, gezamenlijke acties en overleg met grote online platforms. De NCAB zit deze werkgroep voor.
Met deze inzet draagt Nederland eraan bij dat antisemitisme binnen de EU en internationaal krachtig wordt bestreden en dat de veiligheid, zichtbaarheid en continuïteit van Joods leven in Europa worden versterkt.
Bent u bereid om naar aanleiding van dit rapport te bezien of aanvullende (internationale of nationale) maatregelen nodig zijn om de veiligheid en het welzijn van Joodse leerlingen en leraren te waarborgen? Zo ja, op welke termijn kan de Kamer hierover worden geïnformeerd?
Momenteel is het kabinet bezig met de actualisatie van de Strategie Bestrijding Antisemitisme. In dat proces zullen de bevindingen van het UNESCO-rapport nog nader bekeken worden om te bepalen of aanvullende nationale of internationale maatregelen nodig zijn om de veiligheid en het welzijn van Joodse leerlingen en leraren te waarborgen. Daarbij werkt Nederland nauw samen met UNESCO en andere internationale partners, onder meer om kennis te delen, goede praktijken uit te wisselen en antisemitisme in het onderwijs effectief tegen te gaan.
Tegelijkertijd benadrukt het kabinet graag dat zij – ook voor publicatie van het UNESCO-rapport – al scherp aandacht had voor de veiligheid en het welzijn van Joodse leerlingen en leraren. Het kabinet spant zich ten volle in om antisemitisme in onze Nederlandse samenleving te bestrijden en daarbij de fysieke en sociale veiligheid van Joodse leerlingen en leraren te bewaken. Zo kunnen Joodse organisaties en instellingen, waaronder scholen, aanspraak maken op het Veiligheidsfonds Joodse Instellingen en Evenementen voor aanpassingen aan gebouwen en inzet van beveiligers. In de aankomende Kamerbrief omtrent de actualisatie van de kabinetsbrede strategie wordt uw Kamer verder geïnformeerd over de (actualisatie) van deze veiligheidsmaatregelen.
De publicatie van ‘Het 7 Oktober-effect’, een studie naar antisemitisme en zionistenhaat in het hoger onderwijs |
|
Diederik Boomsma (CDA), Annabel Nanninga (JA21) |
|
Moes |
|
|
|
|
Kent u het onderzoeksrapport «Het 7 oktober-effect, Joodse en Israëlische ervaringen te midden van anti-Israëlische stromingen, zionistenhaat en antisemitisme aan Nederlandse hogescholen en universiteiten», een studie van Amanda Kluveld en Eliyahu V. Sapir?1
Kunt u een reactie geven op de constateringen, overwegingen, conclusies en aanbevelingen van dit rapport dat een documentatie bevat van gebeurtenissen op Nederlandse universiteiten en hogescholen vanaf 7 oktober 2023 en dat een proces schetst van radicalisering, een toename van antisemitisme en een sluipende normalisatie daarvan?
Bent u van mening dat sinds de publicatie van het eerdere onderzoek «Onveilige Ruimtes: de opkomst van antisemitisme in de Nederlandse academische wereld» waarin één van de bevindingen was dat bijna dertig procent van de ondervraagden aangaven dat hun universiteit geen betekenisvolle actie ondernam na melding van antisemitisme, er significante vooruitgang is geboekt ten aanzien van de meldingen en de opvolging ervan?2
Hoe beoordeelt u de veiligheid van joodse studenten en docenten op dit moment, in het licht van de getuigenissen zoals opgenomen in dit rapport?
In hoeverre herkent u de bevinding van het rapport dat de intimiderende, agressieve sfeer van protesten en manifestaties en het onversneden antisemitisme dat hierbij geregeld de kop opsteekt, bij een groot aantal Joodse studenten en medewerkers heeft geleid tot angst, stress en/of het verbergen van tekenen van joodse identiteit? Over welke andere gegevens, onderzoeken of rapporten beschikt u op dat vlak?
Herkent u de signalen in het rapport dat Joodse, Israëlische of andere studenten in sommige gevallen hun studie afbraken en dat medewerkers hun heil elders zochten? In hoeverre wordt nu in kaart gebracht of studenten en/of medewerkers om de bovenstaande redenen stoppen met hun studie of hun betrekking beëindigen? Deelt u de mening dat dit onacceptabel is en dat dit moet worden gemonitord?
Hoe ziet u de conclusie in het rapport dat universiteiten en hogescholen op dit moment tekortschieten om Joodse studenten en medewerkers te beschermen? Welke concrete maatregelen zijn genomen of worden nog genomen om ervoor te zorgen dat onderwijsinstellingen in dezen aan hun zorgplicht voldoen?
Welke lessen heeft u getrokken uit het verloop van protesten en sit-ins en de manier waarop universiteiten daar de afgelopen twee jaar mee zijn omgegaan? Welke mogelijkheden tot verbetering ziet u en in hoeverre ziet u dat deze verbeteringen nu worden opgepakt en geïmplementeerd? Graag een toelichting.
Hoe beoordeelt u de uitspraken van de universitair docent die tot voor kort werkzaam was aan de Radboud Universiteit te Nijmegen, die Hamas verheerlijkte op zijn X-account en pleitte voor steun en bewapening van deze terreurorganisatie? Wat vindt u van de aansporing van deze docent aan zijn studenten – te horen op een audio-opname – om bij te dragen aan de strijd voor het «voor eens en altijd beëindigen van het zionisme»?3, 4, 5
Hoe beoordeelt u de handelwijze van de universiteit ten aanzien van deze geradicaliseerde docent?
Bent u van mening dat eerder had moeten worden opgetreden tegen een docent die zich op een dergelijke manier gedraagt? Welke lessen kunnen/moeten universiteiten leren ten aanzien van deze situatie?
Heeft u overwogen om in het kader van deze problematiek een beroep te doen op de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek die de mogelijkheid biedt om instellingen die falen in het beoefenen van hun publieke taken een aanwijzing te geven of andere maatregelen te nemen als onderdeel van de systeemverantwoordelijkheid van de Minister, wanneer sprake is van wanbeheer? Graag een toelichting.
Kunt u schetsen in welke gevallen de Minister zou overgaan tot het geven van een aanwijzing en/of het treffen van een maatregel tegen instellingen? Wanneer zou hier sprake van zijn?
Wat vindt u van de aanbeveling in het rapport om verplichte voorlichting te geven over antisemitisme, vergelijkbaar met trainingen over grensoverschrijdend gedrag?
Zijn er op dit moment organisaties actief op Nederlandse universiteiten en hogescholen die in andere Europese landen zijn verboden en/of worden beschouwd als terroristische of radicale bewegingen dan wel daar nauwe banden mee hebben? Welke informatie is daarover beschikbaar en in hoeverre wordt dit onderzocht?
Antisemitisme en politieke indoctrinatie door een docente van het ROC |
|
Maikel Boon (PVV), Annette Raijer (PVV) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat een docente van het ROC Nijmegen minderjarige leerlingen in de klas heeft geronseld voor pro-Palestina-demonstraties en hen heeft blootgesteld aan eenzijdige, activistische en antisemitische propaganda?1
Deelt u de mening dat het ronselen van leerlingen voor demonstraties, het verspreiden van boycotapps tegen Israëlische producten wat kan worden gezien als een antisemitische boycot en het tonen van activistische en antisemitische propaganda in een klaslokaal niets met onderwijs te maken heeft en een vorm is van politieke en ideologische indoctrinatie?
Deelt u de mening dat het door een docent in het onderwijs suggereren dat «Joden» of «pro-Joden» genocide zouden steunen en het vals framen van Israël als een «genocidale staat» antisemitisch is en rechtstreeks bijdraagt aan een onveilig en intimiderend klimaat voor Joodse leerlingen op school en bovendien olie op het vuur gooit van Jodenhaat in Nederland?
Hoe beoordeelt u het feit dat deze docente actief is binnen Extinction Rebellion (XR) en «Docenten voor Palestina» en haar antisemitische activisme zichtbaar verweeft met haar onderwijs aan minderjarige studenten, en acht u dit verenigbaar met de vereiste politieke en ideologische neutraliteit van het onderwijs?
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om antisemitisme in het onderwijs hard aan te pakken en Joodse leerlingen te beschermen, en bent u bereid landelijk en afdwingbaar vast te leggen dat docenten zich tijdens lestijd strikt neutraal moeten opstellen en het verboden is om leerlingen op te roepen tot politieke acties, demonstraties en boycots, met daaraan verbonden duidelijke sancties bij overtreding?
Het bericht dat er aanhoudend agressie en geweld wordt gepleegd tegen verschillende minderheden in Syrië. |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het aanhoudende geweld tegen minderheden zoals de Alawieten en de Koerden in Syrië door de regering?1
Bent u op de hoogte van het rapport van Amnesty International dat ingaat op de structurele ontvoering van Alawitische vrouwen en meisjes? Zo ja, gaat u mee in de oproep van Amnesty om het Syrische regime op te roepen onafhankelijk onderzoek te doen naar deze misstanden en te luisteren naar meldingen?2 Zo nee, waarom niet?
Is er naar aanleiding van de demonstratie in Den Haag door Druzen in juli jongstleden, contact gelegd tussen de Syrische diaspora, en specifiek de etnische minderheden, en het ministerie?3 Zo ja, wat is daaruit voortgekomen? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?
Wat is uw reactie op de berichten dat de Syrische troepen mogelijk tracht IS-gevangenen te bevrijden, gezien de banden tussen de gevangenen en Ahmad Al-Sharaa?4 Hoe zorgt u ervoor dat dit geen effect heeft op het de veiligheid van zowel de Nederlandse als de internationale en Syrische veiligheid?
Hoe draagt u bij aan de bescherming van minderheden in Syrië? Ligt hier al een diplomatiek plan op klaar en zo ja, kunt u deze delen? Zo nee, waarom niet en bent u bereid dit alsnog te doen?
Wordt er overwogen om in EU-verband maatregelen tegen de ex-HTS groepen te nemen, zoals Reuters aangeeft dat wel gebeurd is bij andere terroristische groepen?5
Deelt u de mening dat hier sprake is van schending van het internationaal recht en mogelijke etnische zuivering? Zo nee, waarom niet?
Welke maatregelen tegen het regime bent u bereid te nemen, zowel in nationaal als internationaal verband, om het aanhoudende geweld te stoppen? Ligt er een escalatieladder klaar die de Syrische bevolking en humanitaire organisaties ontziet? Zo ja, kan deze worden toegelicht? Zo nee, waarom niet?
Op welke manier gaat u, samen met de internationale gemeenschap, ervoor zorgen dat het staakt-het-vuren standhoudt, nu we zien dat het bestand al meerdere keren geschonden is?
Het NOS-bericht 'Meta blokkeert tientallen queer- en abortus-accounts, zonder uitleg' |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Laurens Dassen (Volt) |
|
van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NOS-bericht «Meta blokkeert tientallen queer- en abortus-accounts, zonder uitleg»1 en het bericht van Bits of Freedom «Meta sluit accounts af uit genderrechten- en abortusbeweging»?2
Ja.
Hoe beoordeelt u het recente blokkeren en verwijderen door Meta van tientallen accounts op haar sociale mediaplatform?
De online publieke ruimte moet veilig, toegankelijk en transparant zijn. Daarbij geldt dat wat offline illegaal is, online ook illegaal is. Discriminatie en uitsluiting is niet toegestaan. Ook niet door internetplatforms. Als blijkt dat een online dienst stelselmatig inbreuk maak op de grondrechten, verdient dat een stevige veroordeling. Een beoordeling of er tevens sprake is van overtreding van wet- of regelgeving, zoals de Digital Services Act, is aan de bevoegde toezichthouder(s).
Wanneer een platform besluit een account te schorsen of te beëindigen, moet dat gebeuren binnen de kaders van de DSA. Zo moeten platforms de gebruiker een duidelijke en specifieke motivering verstrekken. Ook dienen online platforms adequate mogelijkheden aan te bieden om bezwaar te maken tegen het verwijderen of schorsen van accounts. In het geval van zeer grote online platformen (VLOP’s) als Meta is de Europese Commissie de aangewezen toezichthouder op de naleving van de DSA.
Hoeveel accounts van personen en groepen die zich bezighouden met genderrechten, queerrechten en abortusbewegingen zijn door Meta geblokkeerd?
In dergelijk detail heb ik daar geen zicht op. De Europese Commissie houdt een database bij waarin onder meer zeer grote online platforms inzicht geven in de moderatie die zij verrichten. Wanneer een online platform besluit om accounts te schorsen of content te verwijderen, moet het platform het besluit en de specifieke motivering hiervoor indienen voor opname in de database.3
Ziet u een groeiende trend in het aantal gebruikers die zich inzetten voor politieke doelen dat beperkingen opgelegd krijgt door Meta?
Daar heb ik op dit moment geen zicht op. Het onderzoek van Repro Uncensored stelt dat sprake is van een toename aan dergelijke beperkingen in 2025 ten opzichte van 2024. De DSA verplicht online platforms tot transparantie over hun moderatiepraktijken en de toezichthouders controleren hierop.
Hoe reageert u op de bewering van Meta dat hier sprake is van een technische fout? Op welke manier kunt u vaststellen dat er daadwerkelijk sprake is van een fout in de (geautomatiseerde) contentmoderatie van Meta?
In het kader van zorgvuldigheid uit ik nog geen oordeel. Het namelijk niet aan mij om vast te stellen of er daadwerkelijk sprake is van fouten in de moderatiepraktijken van online platforms, maar aan de toezichthouder. Wel worden signalen als deze benoemd tijdens het structurele contact dat ik heb met de toezichthouder.
Deelt u de analyse van burgerrechtenorganisatie Repro Uncensored dat Meta het specifiek gericht heeft op queer en LHBTI-accounts en accounts beheerd door sekswerkers? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke stappen bent u bereid om te nemen op basis van de bevindingen?
Het is niet passend als ik me daarover uitlaat, dat is aan de toezichthouder. In algemene zin vind ik het belangrijk dat de online publieke ruimte inclusief moet zijn en dat het niet zo kan zijn dat accounts op basis van specifieke gronden onevenredig worden geblokkeerd of gecensureerd.
Online platforms mogen hun eigen algemene voorwaarden vormgeven, maar moeten die zorgvuldig, evenredig en objectief handhaven (artikel 14, DSA). Er is in Nederland en de EU geen ruimte voor ongelijke behandeling in gelijke gevallen en het overtreden van nationale en Europese wetgeving door een platform en het is aan de Europese Commissie om te handhaven. Daarbij vertrouw ik de Europese Commissie in het uitoefenen van haar toezichthoudende taak op de naleving van de DSA en diens kaders ter beperking van systeemrisico’s als online haat en discriminatie. Als er sprake blijkt van systeemrisico’s op een online platform als online haat tegen gemarginaliseerde groepen, biedt de DSA ook middelen om dit te sanctioneren.
Zoals afgelopen zomer werd aangekondigd in het Plan van aanpak tegen online discriminatie, treft het kabinet zelf ook maatregelen om de prevalentie van online discriminatie zichtbaar te maken en voor Nederlandse burgers om hun digitale rechten te gebruiken. Ook maatregelen gericht op zogeheten awful but lawful content, dat schadelijk is maar niet-evident onrechtmatig.
Is de manier waarop deze accounts verwijderd zijn, zonder uitleg en bezwaarmogelijkheden, in strijd met artikel 17 van de Europese Digital Services Act, dat stelt dat «opgelegde beperkingen» voorzien moeten zijn van «een duidelijke en specifieke motivering»?
Als er inderdaad sprake is van opgelegde beperkingen zonder een duidelijke en specifieke motivering, dan kan er sprake zijn van een overtreding van de DSA. Indien dit geen geïsoleerd incident is maar onderdeel van een patroon, kan de bevoegde toezichthouder dit nader onderzoeken en desnoods handhavend optreden.
De DSA verplicht ook tot het bieden van een bezwaarmogelijkheid voor gebruikers. De getroffen gebruikers kunnen dit geschil daarnaast voorleggen aan één van de buitengerechtelijke geschilbeslechtingscommissies voor een onafhankelijke beoordeling.4 Indien zij in het gelijk worden gesteld dan kan dat leiden tot een besluit dat Meta hun account(s) moet herstellen. Tot slot kunnen de getroffen gebruikers een civielrechtelijke zaak tegen Meta starten. Er is inmiddels al een aantal voorbeelden waarbij Nederlandse organisaties en personen platforms voor de rechter hebben gedaagd wegens overtreding van de DSA, en dat hebben gewonnen.
Welke gevolgen heeft het voor Meta als blijkt dat zij zich niet aan de Digital Services Act heeft gehouden? Hoe ziet u erop toe dat dit wordt gehandhaafd?
De Europese Commissie kan als toezichthouder dwangsommen van de gemiddelde dagomzet en geldboetes opleggen ter hoogte van 6% van de wereldwijde omzet van een VLOP. Daarnaast kunnen personen en organisaties via de civiele rechter online platforms dagen voor overtredingen van de DSA, of gebruik maken van de mogelijkheden om de zaak voor te leggen aan een onafhankelijke geschilbeslechtingscommissie. Zoals hiervoor toegelicht zijn daar reeds succesvolle voorbeelden van bekend.
Deelt u de mening van de indieners dat onafhankelijk onderzocht moet worden of hier sprake is van discriminatoir handelen?
Dat is niet aan mij. Het is zaak dat de bevoegde toezichthouders onafhankelijk kunnen opereren. Ik vind het niet passend dat ik me uitlaat over de noodzaak om de ene of een andere zaak al dan niet te onderzoeken.
In algemene zin ben ik voorstander van een transparante online publieke ruimte en vind ik het belangrijk dat de mogelijkheid bestaat om onafhankelijk onderzoek te doen met gebruik van openbare data van online platformen. Artikel 40 van de DSA biedt mogelijkheden daartoe. Wanneer een online platform deze toegang verhindert, kan de Europese Commissie daar een procedure tegen starten.
Deelt u de mening dat het blokkeren van accounts op sociale media platforms op grond van ideologische of politieke voorkeuren indruist tegen Europese wetgeving? Zo nee, waarom niet?
Platforms mogen volgens de DSA hun eigen algemene voorwaarden bepalen, maar moeten bij het opstellen en toepassen daarvan gepaste aandacht hebben voor de rechten en legitieme belangen van alle betrokkenen. Waaronder de grondrechten van de afnemers van de dienst, zoals de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid en de pluriformiteit van de media en andere fundamentele rechten en vrijheden zoals in het Handvest verankerd. Een oordeel of er in dit geval sprake is van een eventuele overtreding hiervan is aan de bevoegde toezichthouder, en uiteindelijk aan de (bestuurs)rechter, of in een privaatrechtelijke procedure aan de civiele rechter.
Bent u van mening dat het uw verantwoordelijkheid is om burgers te beschermen tegen online discriminatie of onrechtmatig handelen van grote mediaplatformen zoals Meta? Bent u bereid om met Meta hierover in gesprek te gaan?
Ja. Samen met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zet ik stappen om alle vormen van discriminatie en onrechtmatige behandeling door grote mediaplatformen aan te pakken. De maatregelen hiertoe liggen besloten in het Plan van aanpak tegen online discriminatie. Het contact tussen ons ministerie en de internetsector is structureel van aard, thema’s als non-discriminatie, veiligheid en inclusiviteit vormen (naast andere publieke waarden) de kern van dit contact.
Bent u bereid om op basis van Europese en Nederlandse wetgeving op te treden en sancties op te leggen aan Meta als onderzoek uitwijst dat er tegen de wet wordt gehandeld?
De Europese Commissie is in eerste instantie de aangewezen partij om handhavend op te treden tegen overtredingen van de DSA door VLOP’s zoals Meta. Ik ondersteun de Europese Commissie waar mogelijk in diens rol als toezichthouder op de naleving van de DSA.
Bent u bereid om bij de Europese Commissie aan te dringen op een onderzoek naar deze gevallen? Zo nee, waarom niet?
Het contact tussen de Europese Commissie en mijn ministerie (en andere relevante ministeries) is structureel van aard. Ik zie het als mijn taak om de Europese Commissie waar mogelijk te ondersteunen bij haar taakuitoefening als toezichthouder op de naleving van de DSA. Daar hoort ook het doorgeven van signalen zoals in deze berichtgeving bij. Daarbij vertrouw ik de Europese Commissie bij het uitoefenen van haar rol, dus voor aandringen zie ik geen noodzaak. Dat zou ook niet passend zijn omdat het de onafhankelijkheid van de Europese Commissie in het geding brengt.
Wel begrijp ik uw verlangen naar ad hoc en daadkrachtig ingrijpen bij waargenomen incidenten. De DSA is ontworpen om de grondrechten van mensen in de online wereld te bestendigen en ik vind het belangrijk binnen de kaders van de wet te blijven handelen. De DSA is een relatief nieuwe wet en het vereist tijd om inzicht te krijgen of de geboden kaders en maatregelen werken zoals bedoeld. In 2027 evalueert de Europese Commissie de wet en wordt deze evaluatie voorgelegd aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité. Tijdens deze evaluatie is er ook de mogelijkheid om namens Nederland input te geven.
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden?
Ja.
Het voorkomen van antisemitische verstoringen van de Chanoekaviering in Amsterdam |
|
Annelotte Lammers (PVV), Maikel Boon (PVV) |
|
Rijkaart |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de aangekondigde tegendemonstraties rondom de Chanoekaviering met voorzanger Shai Abramson op zondag 14 december 2025 bij het Koninklijk Concertgebouw in Amsterdam, waarbij antisemitische groepen oproepen tot acties die gericht zijn op het verstoren van deze Joodse viering?1, 2, 3
Ja.
Deelt u de opvatting dat antisemitische groeperingen niet mogen verhinderen dat deze Joodse viering op waardige en veilige wijze kan plaatsvinden?
Het is niet aan het kabinet, maar aan het lokaal gezag om demonstraties zoveel mogelijk te faciliteren, en waar nodig te beperken of in het uiterste geval te verbieden. Om een ongehinderde en veilige instroom van het Concertgebouw mogelijk te maken en ter voorkoming van wanordelijkheden had de burgemeester van Amsterdam besloten dat bij de ingangen van het Concertgebouw geen demonstraties mochten plaatsvinden. In dit geval heeft uiteindelijk de rechter bepaald dat een kleine groep demonstranten onder bepaalde voorwaarden toch mocht demonstreren bij het Concertgebouw. Andere demonstranten konden onder voorwaarden op het Museumplein demonstreren. Waar demonstranten zich niet aan deze voorwaarden hielden, heeft de politie direct opgetreden en aanhoudingen verricht. Het is aan het openbaar ministerie en aan de rechter om te bepalen of er sprake was van strafbare feiten.
Deelt u de zorgen van steeds meer Joodse Nederlanders die vrezen dat zij niet langer zonder risico een religieus-cultureel evenement kunnen bijwonen vanwege antisemitische demonstraties? Bent u bovendien bekend met de open brief van mevrouw Lia Flesschedrager, die een indringend voorbeeld schetst van deze angst doordat haar 88-jarige vader met vasculaire dementie en haar 87-jarige moeder mogelijk niet veilig de Joodse viering kunnen bereiken?4
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om, in overleg met de burgemeester van Amsterdam, alle noodzakelijke maatregelen te treffen om de veiligheid van bezoekers te garanderen en daarbij tevens te bespreken of het afkondigen van een noodverordening wenselijk is om antisemitische verstoringen te voorkomen, mede gezien eerdere antisemitische incidenten bij Joodse evenementen, zoals bij de opening van het Nationaal Holocaustmuseum?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u deze vragen met spoed beantwoorden en wel uiterlijk vóór zondag 14 december 2025?
Helaas is dat niet gelukt. Op 9 januari jl. heb ik uw Kamer een uitstelbericht gezonden.
Het bericht ‘Broers vermoorde Ryan voor de rechter, eergerelateerd geweld lijkt toe te nemen’ |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
Jurgen Nobel (VVD), Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Zijn er cijfers, gespecificeerd naar achtergrond, rondom eerwraak? Zo ja, kunt u deze delen? Zo nee, bent u bereid om dit in de toekomst wél bij te houden teneinde hier scherp beleid op te kunnen voeren?1
Ja, het Landelijk Expertisecentrum Eergerelateerd Geweld (LEC EGG) publiceert jaarlijks cijfers, ook over de achtergrond van betrokkenen, in zijn jaarverslag.2
Onderzoekt u de correlatie tussen de komst van (met name) islamitische migranten uit diverse landen uit het Midden-Oosten en Afrika van de afgelopen tien/vijftien jaar en de ontwikkeling van eerwraak van de afgelopen tien/vijftien jaar? Zo ja, wat zijn de resultaten? Zo nee, bent u bereid om dit te onderzoeken?
Nee, dat wordt niet onderzocht. Uit het onderzoeksrapport «De rol van religie bij het afbakenen, verklaren en aanpakken van eergerelateerd geweld» van J.H.L.J. Janssen blijkt dat eer en geweld met verschillende thema’s in verband kan worden gebracht zoals cultuur, familie, genderverhoudingen, mensenrechten, migratie, integratie en religie, en dat alle thema’s nuttige informatie opleveren omtrent het ontstaan en de aanpak van zaken die draaien om eer. Het bij elkaar brengen van al die thema’s is niet eenvoudig, maar wel noodzakelijk. De context van eergerelateerd geweld is namelijk complex. Bij het uitlichten van enkel één van die thema’s, zoals religie, schuilt het gevaar dat het eerprobleem eenzijdig in beeld wordt gebracht en sterk wordt vereenvoudigd. Dat moet worden voorkomen, omdat dat een constructieve aanpak van eergerelateerd geweld in de weg staat.
Aangezien het hoofd van het Landelijk Expertise Centrum Eer Gerelateerd Geweld (LEC EGG) stelt dat verandering in gesloten gemeenschappen van binnenuit moet komen en dat we moeten «meegeven hoe we met elkaar omgaan»: in hoeverre denkt u dat het in het belang van de goedwillende Nederlandse samenleving is dat we mensen in ons land verwelkomen die bepaalde cultureel gedreven gedragingen hebben, zoals eerwraak, die zó ontzettend haaks staan op onze verworvenheden die gebaseerd zijn op de moderniteit en de verlichting?
De beoordeling van het recht op een verblijfstatus is niet gekoppeld aan het bestaan van culturele waarden binnen bepaalde gemeenschappen in het land van herkomst. Wel kan een verblijfsvergunning worden geweigerd wanneer de aanvrager een gevaar vormt voor de openbare orde.
Dit kabinet streeft naar het versterken van het recht op zelfbeschikking binnen alle gesloten gemeenschappen. Deze inzet is gericht op mentaliteitsverandering richting acceptatie van gendergelijkheid en het respecteren van individuele vrijheid, onder andere door de inzet van voortrekkers uit die gemeenschappen zelf. Dit is een effectieve methode die ook bijdraagt aan het voorkomen van schadelijke praktijken waaronder eergerelateerd geweld. Naast deze brede preventieve aanpak zetten onder ander het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zich in voor het verbeteren van de signalering van schadelijke praktijken door onder andere scholing van professionals in het zorg- en sociale domein.
Wat is de stand van zaken van de aangenomen motie Eerdmans, waarin het kabinet wordt verzocht in geval van eerwraak altijd de verblijfsvergunning in te trekken?2 Wanneer kunnen we concreet beleid hierop verwachten?
Voor de beantwoording van deze vragen verwijs ik u naar de brief van 9 december 20254 betreffende diverse onderwerpen op het gebied van migratie waarin uw Kamer is geïnformeerd over de afdoening van deze motie.
In hoeverre is bij de inburgering inmiddels ingebed dat er expliciet aandacht wordt besteed aan eergerelateerd geweld, conform de motie Eerdmans?3 Hoe ziet deze expliciete aandacht tijdens de inburgering er in de praktijk uit?
Het kabinet vindt het belangrijk dat iedereen in Nederland vrij is om zichzelf te zijn. Vrij is in het maken van eigen keuzes met respect voor de keuzes van een ander. Er is in het inburgeringsprogramma dan ook breed aandacht voor het zelfbeschikkingsrecht als onderdeel van de kennisoverdracht over het vrijheidsrecht. Het zelfbeschikkingsrecht, het recht van het individu op eigen keuzes en zelfstandigheid, en het belang en de betekenis van gelijkwaardigheid tussen man en vrouw komen in de inburgering terug in de onderdelen Voorbereiding op de inburgering, Kennis Nederlandse Maatschappij (KNM) en het participatieverklaringstraject (PVT). KNM en PVT zijn verplichte onderdelen in het inburgeringstraject voor iedere inburgeringsplichtige.
In het azc leren asielstatushouders via de Voorbereiding op de inburgering over zelfbeschikking. In de module Democratie en rechtstaat van het programma wordt ingegaan op vrouwen- en LHBTIQI+ rechten.
In de zogenaamde eindtermen (dat wat inburgeraars moeten kennen en weten) van het inburgeringsexamen KNM is het zelfbeschikkingsrecht expliciet opgenomen. De eindtermen zijn recent aangepast. Bij de eindtermen over de integriteit van het lichaam zijn expliciete voorbeelden van schadelijke praktijken zoals huiselijk geweld, besnijdenis van meisjes en eerwraak toegevoegd. Hierbij wordt benadrukt dat alle ongewenste intimiteit en geweld strafbaar is. De nieuwe eindtermen zijn op 1 juli 2025 in werking getreden. Inburgeraars worden in de B1 en onderwijsroute op deze kennis getoetst.
In het verplichte onderdeel PVT is er aandacht voor de kernwaarden van vrijheid waaronder het zelfbeschikkingsrecht, gelijkwaardigheid, solidariteit en participatie. Aan het eind van het traject moeten alle inburgeringsplichtigen de Participatieverklaring ondertekenen. Hiermee verklaren ze kennis genomen te hebben van de waarden en spelregels van de Nederlandse samenleving, deze te respecteren, de universele mensenrechten te eerbiedigen en daarmee niet in strijd te handelen.
In de verzamelbrief inburgering van 16 oktober jl. heeft de Staatssecretaris Participatie en Integratie aangekondigd in te zetten op het verbeteren van de kennis over signalering van onveiligheid in de gemeentelijke inburgeringspraktijk.Voorlichting over de bestaande meldcodes voor huiselijk geweld en kindermishandeling en ongewenste (schadelijke) praktijken is op dit moment niet standaard aanwezig voor medewerkers die de werken met inburgeraars. Via de Actieagenda Integratie zet de Staatssecretaris in op het versterken van kennis over ongewenste praktijken en de meldcode in het sociaal domein met name gericht op wijkteams. Pharos ontwikkelt in het meerjarenplan Versterken preventie een regionale ketenaanpak schadelijke praktijken. Aan Pharos is gevraagd om ook inburgeringsconsulenten aan te haken in de keten.
Hoe verklaart u het dat in een 303 pagina’s tellend rapport «Kwalitatief onderzoek tweede fase Wet inburgering 2021»4 over inburgering en integratie het woord «eerwraak» slechts een keer voorkomt, terwijl er door de Kamer meermaals moties aangenomen zijn over het belang hiervan bij de inburgering en omdat de praktijk inmiddels heeft bewezen hoe ingrijpend de gevolgen van eerwraak kunnen zijn?
Het «Kwalitatief onderzoek tweede fase Wet inburgering 2021» betrof een breed onderzoek over de werking van de wet en is gebaseerd op casestudies bij zeven gemeenten. Het doel van dit onderzoek was potentiële verbeteringen in wet- en regelgeving en de uitvoering daarvan in beeld te brengen en lessen voor gemeenten op te doen voor de uitvoering van de Wi2021. Het onderzoek gaat over de fase vanaf de aanmelding van de inburgeraars bij een taalschool en omvat de invulling van de drie leerroutes, de Module Arbeidsmarkt Participatie (MAP) en het participatieverklaringstraject (PVT). Ondanks dat het onderwerp eerwraak nauwelijks terugkomt in het rapport, wil dat niet zeggen dat er geen aandacht voor is. Iedere inburgeringsplichtige volgt KNM, waar eerwraak als onderwerp behandeld wordt en de kennis van de inburgeraar hierover wordt getoetst.
In ditzelfde rapport lezen we dat eerwraak enkel wordt genoemd in de context van de Z-route; hoeveel inburgeraars krijgen op dit moment jaarlijks voorlichtingen over eerwraak?
Zie het antwoord op vraag 5.
In hoeverre toetsen we hoe inburgeraars aankijken tegen de Nederlandse normen en waarden als het gaat om de gelijkwaardigheid tussen man en vrouw en het gebruiken/toestaan van geweld?
Zie het antwoord op vraag 5.
Gelden deze voorlichtingen over eerwraak enkel voor de Z-route of breder? Indien breder, hoe zijn de verhoudingen tussen de diverse trajecten en de desbetreffende voorlichting?
Zie het antwoord op vraag 5.
Houdt men bij het beleid rondom voorlichting over eerwraak bij inburgeraars ook specifieke rekening met de correlatie tussen culturen met een verhoogd risico op eerwraak? Zo ja, hoe ziet dit in de praktijk eruit? Zo nee, waarom niet?
Nee, iedere inburgeringsplichtige volgt KNM, waar eerwraak als onderwerp behandeld wordt en ondertekent de Participatieverklaring waarmee zij verklaren kennis genomen te hebben van de waarden en spelregels van de Nederlandse samenleving.
Een bericht van vicepremier Keijzer over de NOS. |
|
Mohammed Mohandis (PvdA), Ouafa Oualhadj (D66) |
|
Moes |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het X-bericht van de vicepremier Keijzer?1
Ja.
Is dit een standpunt van het kabinet?
Het kabinet onderschrijft het belang van een sterke en onafhankelijke publieke omroep en de noodzaak tot afstand tussen media en politiek volledig.
Hoe beoordeelt u deze uitlatingen in het licht van de wettelijke waarborg dat de publieke omroep onafhankelijk dient te zijn van politieke beïnvloeding?
In, onder meer, de Grondwet en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens zijn de vrijheid van meningsuiting en persvrijheid verankerd. Onder deze vrijheden valt in ieder geval bescherming tegen ongeoorloofde overheidsinmenging. Het is belangrijk dat media zich vrij weten van politieke beïnvloeding. De Mediawet 2008 bevat aanvullende, specifieke waarborgen voor de redactionele onafhankelijkheid van de publieke omroep. Deze normen vormen essentiële onderdelen van het constitutionele en wettelijke kader waarbinnen onafhankelijke journalistiek functioneert. Het is een groot goed dat we in Nederland persvrijheid hebben. Alleen als de publieke omroep onafhankelijk kan opereren, kan zij haar essentiële taak binnen de democratische rechtsstaat vervullen.
Dit alles wil overigens uiteraard niet zeggen dat omroepen zich in het huidige bestel niet hoeven te verantwoorden over hun redactionele keuzes, of dat daar geen debat over zou mogen ontstaan. Ook dat hoort bij de journalistieke praktijk. Bij opmerkingen of klachten over de journalistieke handelwijze kan iedereen contact opnemen met de desbetreffende omroep of redactie. Wanneer iemand niet tevreden is met de reactie van de omroep of redactie is er de mogelijkheid om een melding te maken bij de Ombudsman voor de publieke omroepen. De Ombudsman kan naar aanleiding van klachten nader onderzoek doen naar het journalistiek handelen van de omroep of redactie. Ook de Raad voor de Journalistiek kan om een oordeel gevraagd worden. Dit stelsel van zelfregulering, en ieders verantwoordelijkheid voor de wet, moet ervoor zorgen dat publieke omroepen zich verantwoorden over de journalistieke keuzes die zij maken. In het kader van de hervorming van de landelijke publieke omroep worden voorstellen voorbereid om deze zelfregulering verder te versterken.2
Hoe verhoudt een dergelijke publieke uitlating van een vicepremier zich tot de ministeriële verantwoordelijkheid voor een betrouwbare en onafhankelijke nieuwsvoorziening in Nederland?
Als Minister van OCW ben ik verantwoordelijk voor het mediabeleid en stelselverantwoordelijk voor de publieke omroep en de journalistiek. Ik zie het als mijn verantwoordelijkheid om te staan voor een betrouwbare en onafhankelijke nieuwsvoorziening. Zie verder mijn antwoord op vraag 3.
Is er binnen het kabinet gesproken over de mogelijke impact van dit soort uitspraken op het vertrouwen in journalistiek en publieke instituties? Zo ja, wat was de conclusie?
Het kabinet onderschrijft het belang van een sterke en onafhankelijke publieke omroep en de noodzaak tot afstand tussen media en politiek volledig.
Acht u dat een lid van het kabinet door dergelijke uitlatingen de indruk kan wekken zich te mengen in de inhoudelijke berichtgeving van de publieke omroep?
Zie mijn antwoord op vraag 3.
Hoe waarborgt het kabinet dat er geen sprake is van (de schijn van) politieke druk op redacties van publieke media?
In de Grondwet, het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en de Mediawet 2008 zijn verschillende bepalingen opgenomen die de onafhankelijkheid van media beschermen. In de eerste plaats garanderen de Grondwet en het EVRM de persvrijheid. Artikel 7 van de Grondwet verbiedt daarbij expliciet voorafgaand toezicht op radio en televisie-uitzendingen. Op grond van artikel 2.1 van de Mediawet 2008 zijn publieke omroepen gehouden media-aanbod te verzorgen dat vrij is van overheidsinvloeden. Bovendien schrijft de Mediawet 2008 voor dat publieke omroepen redactionele autonomie hebben en zelf verantwoordelijk zijn voor de vorm en inhoud van hun programma’s.
Kunt u reflecteren op de mogelijke effecten van dit soort publieke uitspraken op journalisten, redacties en de mate waarin zij vrij en onbelemmerd hun werk kunnen doen?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 3 al schreef, is het van belang dat media zich vrij moeten weten van politieke beïnvloeding. Het wettelijk kader zoals ik dat omschrijf in het antwoord op vraag 3 en vraag 7 moet dit waarborgen.
Bent u bereid om Minister Keijzer hierop aan te spreken en is volgens u de eenheid van het kabinetsbeleid in het geding?
Zie mijn antwoord op vraag 5.
Kunt u deze vragen vóór het wetgevingsoverleg Media op 8 december 2025 beantwoorden?
Het wetgevingsoverleg Media is inmiddels verplaatst naar 26 januari 2026. Ik heb uw vragen beantwoord voordat dit wetgevingsoverleg plaatsvindt.
Het bericht ‘ Demonstrant aangehouden bij abortuskliniek in Amsterdam’ |
|
André Flach (SGP), Diederik van Dijk (SGP) |
|
Rijkaart , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht in Het Parool van 6 november jl. over de aanhouding van een persoon die een eenmensprotest houdt bij de abortuskliniek in Amsterdam-Oost?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat een eenmensprotest niet onder de Wet openbare manifestaties (Wom) valt en derhalve niet aan een kennisgevingsplicht is onderworpen, maar primair onder artikel 7 van de Grondwet valt? Zo nee, waarom niet?
Kenmerkend voor een demonstratie is dat hierbij een collectieve mening wordt geuit. Eenmensprotesten vallen daarom niet onder de bescherming van het demonstratierecht en de Wet openbare manifestaties (Wom), maar onder de bescherming van de vrijheid van meningsuiting (artikel 7, lid 3, van de Grondwet). Dit betekent dat zulke protesten niet zijn onderworpen aan de kennisgevingsplicht, die de Wom voor demonstraties voorschrijft. Een gemeente kan wel in de algemene plaatselijke verordening (APV) regels stellen voor eenmensacties. Die regels mogen, net zoals bij demonstraties, niet gaan over de inhoud van de uiting.
Indien een waarnemer aanwezig is bij het eenmensprotest kan dit reden geven voor het lokaal gezag om te beoordelen of er nog langer sprake is van een eenmensprotest of van een demonstratie. Om te blijven spreken van een eenmensprotest is, zoals benoemd door de Nationale ombudsman, van belang dat er sprake is van een duidelijk onderscheid tussen de (eenmans)activist en de waarnemer. De politie gaat bij die beoordeling af op hetgeen zij waarneemt. Of de aanwezigheid van een waarnemer in een concrete situatie een collectief karakter geeft is afhankelijk van de context van deze situatie en is aan het lokaal gezag om te beoordelen.
Hoe beoordeelt u de door sommige gemeenten gehanteerde opvatting dat de aanwezigheid van een waarnemer op afstand ertoe leidt dat sprake is van een «collectieve actie», in het licht van de opvatting van de Nationale ombudsman2 en juridische vakliteratuur3 dat een eenmensprotest haar karakter niet verliest door de aanwezigheid van een waarnemer?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de opvatting dat gemeenten, politie en Openbaar Ministerie grote terughoudendheid moeten betrachten bij het beperken of beëindigen van vreedzame eenmensprotesten, gelet op de ruime grondrechtelijke bescherming daarvan? Zo nee, waarom niet?
De wijze waarop specifiek wordt opgetreden en de vraag of een bepaalde activiteit onder de Wom of de APV valt, is aan het lokaal gezag. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State recent oordeelde geldt dat bij een abortuskliniek een bepaalde mate van orde en rust dient te heersen. Dit kan worden meegewogen in de beoordeling om op te treden4.
Is het naar uw oordeel juridisch houdbaar dat gemeenten formele waarschuwingen of beperkingen baseren op de veronderstelling dat een eenpersoonsactie onder de Wom valt? Zo ja, op welke wettelijke grondslag berust dit?
Het is in de eerste plaats aan het lokaal gezag, in het bijzonder de burgemeester, om te bepalen of een protestactie kan worden aangemerkt als een demonstratie en derhalve onder de Wom valt of niet. Het is niet aan het kabinet om in een concrete casus te oordelen of een dergelijke afweging juist is. Of iets juridisch houdbaar is, is uiteindelijk aan de rechter om te beoordelen.
Welke criteria worden door Politie en Openbaar Ministerie gehanteerd bij het besluit om een persoon die een vreedzaam eenmensprotest houdt aan te houden, indien er geen aanwijzingen bestaan voor strafbare feiten of verstoring van de openbare orde, bovendien in de wetenschap dat het aanmerken van een eenmensprotest als demonstratie discutabel is? Hoe wordt in dit kader de proportionaliteit en noodzakelijkheid van vrijheidsbeneming gewaarborgd?
Zoals genoemd is het in de eerste plaats aan het lokaal gezag om tot een oordeel te komen of een bepaalde actie onder het demonstratierecht valt en of er sprake is van strafbare feiten of een verstoring van de openbare orde. De politie en het OM treden niet op als er geen aanwijzingen zijn voor strafbare feiten. De wijze waarop wordt gehandhaafd en welk strafrechtelijk en/of bestuursrechtelijk optreden passend is, is afhankelijk van de omstandigheden waarbij de burgemeester en het Openbaar Ministerie (hierna: OM) dit ieder op hun eigen terrein zorgvuldig afstemmen. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State recent oordeelde geldt in het bijzonder bij een abortuskliniek een bepaalde mate van orde en rust dient te heersen, dat kan in de beoordeling worden betrokken5. Dergelijke besluiten kunnen getoetst worden bij de rechter. De rechter toetst in haar beoordeling ook op proportionaliteit en noodzakelijkheid. Ik en de Minister van Justitie en Veiligheid treden hier niet in.
Erkent u dat de aanhouding van personen die op vreedzame wijze een eenmensprotest houden een intimiderende werking kan hebben en mogelijk een ontmoedigend effect op de uitoefening van grondrechten veroorzaakt? Hoe wordt dit effect voorkomen en op welke wijze wordt hiermee rekening gehouden in de beleidskaders voor het politieoptreden?
Iedereen in Nederland heeft het recht om te demonstreren en gebruik te maken van de vrijheid van meningsuiting. Hierbij geldt dat iedereen die protesteert, waaronder eenmensactivisten, zich moet houden aan de wet- en regelgeving. In de APV van een gemeente kunnen beperkingen worden verbonden aan een eenmensprotest. Het is aan het lokaal gezag om te beoordelen of een eenmensprotest vreedzaam is en aan de burgemeester en het OM of bestuursrechtelijk of strafrechtelijk optreden nodig is.
Uit de praktijk blijkt dat gemeenten dit zorgvuldig doen en zich inspannen om de vrijheid van meningsuiting en de demonstratievrijheid zoveel mogelijk te faciliteren. Wanneer een eenmensactivist zich niet houdt aan de beperkingen die uit de APV volgen of anderszins strafbare feiten pleegt, kan worden besloten de politie in te zetten om de situatie te beëindigen. Dat is in lijn met de geldende wet- en regelgeving. De geldende wet- en regelgeving bieden immers ruimschoots mogelijkheden aan burgers om van hun vrijheid van meningsuiting en demonstratievrijheid gebruik te maken binnen de regels die daarvoor gelden.
Hoe heeft u uw toezegging4 van 22 januari 2025 gestand gedaan om gemeenten te voorzien van nadere richtlijnen of een geactualiseerde handreiking inzake de omgang met eenmensprotesten, opdat duidelijk is dat dit niet onder de Wom valt, en hoe de grondrechtelijke bescherming van artikel 7 lid 3 concreet moet worden toegepast? Kunt u de door u verspreide handreiking ook met de Kamer delen?
Naar aanleiding van deze toezegging zijn de bestaande instrumentaria met betrekking tot richtlijnen voor gemeenten inzake demonstraties en eenmensprotesten geanalyseerd. De conclusie is dat er al voldoende instructies zijn. Er bestaan diverse handreikingen over het demonstratierecht, zoals de handreiking van de gemeente Amsterdam.7 Hierin wordt ook ingegaan op eenmensprotesten. Daarnaast is er door de Rijksuniversiteit van Groningen een landelijke website ontwikkeld waarop iedereen gratis en vrij toegankelijk informatie over het demonstratierecht kan inwinnen en een online adviestool kan raadplegen.8 Op deze website kan ook informatie worden gevonden over de thematiek van eenmensprotesten. Tot slot verwijzen wij naar de website van het Nederlands Genootschap van Burgemeesters.9 Hierop is praktische informatie over het demonstratierecht voorhanden, die toegankelijk is voor zowel adviseurs als bestuurders.
Welke maatregelen bent u voornemens te treffen om te waarborgen dat personen die een vreedzaam eenmensprotest houden in de toekomst niet onterecht worden belemmerd, bedreigd met sancties of aangehouden?
Voor zowel eenmensprotesten als demonstraties geldt dat zij niet onnodig mogen worden belemmerd wanneer zij als vreedzaam kunnen worden aangemerkt en zich begeven binnen de grenzen van de wet. In beide gevallen staat voorop dat de inhoud van de uiting, behalve wanneer dit strafbaar is gesteld, geen grond mag vormen voor beperkend overheidsoptreden. Tegelijkertijd vinden wij het belangrijk om te markeren dat eenmensprotesten en demonstraties niet in een vacuüm plaatsvinden en dat hierbij de rechten van anderen in het gedrang kunnen komen. In die gevallen is het belangrijk dat het lokaal gezag over de wettelijke ruimte beschikt om een adequate afweging te maken tussen de verschillende betrokken belangen. Bij de kabinetsreactie op het WODC-rapport «Het recht om te demonstreren in de democratische rechtstaat» zal het kabinet ingaan op de aanbevelingen met betrekking tot protestacties bij abortusklinieken. Dit doen wij tegen de achtergrond van recente rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin een ruime uitleg wordt gegeven aan het begrip wanordelijkheden in de context van demonstreren bij abortusklinieken.
De lancering van de Discriminatietoets door de Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme |
|
Don Ceder (CU) |
|
Rijkaart |
|
|
|
|
Bent u bekend met de lancering van de Discriminatietoets Publieke Dienstverlening en bent u het met de Staatscommissie eens dat de Discriminatietoets «een concreet instrument» is waarmee overheidsorganisaties structureel discriminatierisico’s kunnen signaleren en aanpakken?
Ja.
Welke rol ziet u voor de Rijksoverheid (ministeries, uitvoeringsorganisaties) in het gebruik van deze toets? Op welke wijze wordt het gebruik van de toets gestimuleerd?
Ik pak de regie op het vervolgtraject van de discriminatietoets. Dit mede naar aanleiding van de motie van het lid van Nispen c.s.1 die het kabinet verzoekt om ervoor te zorgen dat publieke dienstverleners de discriminatietoets publieke dienstverlening zullen gebruiken en het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties hierbij de centrale regie te geven.
Mijn streven is begin 2026 met een kabinetsreactie op de discriminatietoets te komen en daarin zal ik toelichten op welke wijze ik het gebruik van de toets wil stimuleren. Ik kan daar nu nog niet nader op in gaan, omdat de gesprekken hierover nog lopen. We werken daarbij aan twee stappen: (1) de inbedding van de discriminatietoets in bestaande structuren zoals aanbevolen door de staatscommissie en (2) procesbegeleiding van organisaties.
Hoe ondersteunt de Rijksoverheid het gebruik van de Discriminatietoets? Stelt het ministerie middelen beschikbaar om publieke organisaties te ondersteunen bij het toepassen van deze toets?
Voor de komende jaren zijn er middelen gereserveerd om organisaties te ondersteunen bij het toepassen van de discriminatietoets. Het gaat om 500.000 in 2026, om 1,1 miljoen in 2027, 2028 en 2029 en in 2030 nog 500.000. De opbouw van deze reeks is vanuit de gedachte dat 2026 een aanloopjaar is, dan 3 volle jaren en daarna afbouw. In de kabinetsreactie zal ik hier nader op in gaan.
Bent u voornemens om de Discriminatietoets (op termijn) wettelijk te verankeren, zodat gebruik niet vrijblijvend blijft? Zo nee, waarom niet?
Ik heb nu geen voornemen om de discriminatietoets wettelijk te verankeren. De toets is er net en ik vind het belangrijk om eerst ervaring op te doen met het instrument. Ook de staatscommissie geeft als belangrijke randvoorwaarde draagvlak voor het doorlopen van de discriminatietoets binnen de organisatie. Door organisaties te enthousiasmeren in plaats van te verplichten, wil ik voorkomen dat het een afvinklijstje wordt in plaats van kritisch en effectief zelfonderzoek naar risico’s op discriminatie in processen en werkpraktijken.
Mogelijk kan de discriminatietoets op termijn in samenhang worden bezien met de eveneens door de staatscommissie geadviseerde gelijkheidsplicht publieke sector, maar dit vergt nader onderzoek.
Hoe gaat het ministerie monitoren of de Discriminatietoets daadwerkelijk leidt tot minder discriminatie in de praktijk?
Het is bijzonder ingewikkeld om te monitoren of er daadwerkelijk minder discriminatie is en of er in dat geval een causaal verband bestaat tussen een afname van discriminatie en de discriminatietoets. Bij de gesprekken over de implementatie van de discriminatietoets is het wel onderwerp van gesprek hoe er lessen getrokken kunnen worden uit de toepassing en de resultaten van de discriminatietoets. In de kabinetsreactie op de discriminatietoets zal ik hier nader op in gaan.
Wordt de motie van het lid Ceder c.s. uitgevoerd op zodanige wijze dat inmiddels in alle uitvoeringstoetsen het risico op discriminatie beoordeeld wordt? Zo nee, waarom niet? Op welke termijn zal dit naar verwachting wel ingebed zijn in de standaard onderdelen van een uitvoeringstoets?1
Het programma Werk aan Uitvoering werkt op dit moment aan een handreiking met uniforme punten voor uitvoeringstoetsen en daarbij zullen zij ook kijken hoe de verschillende wensen daarin opgenomen kunnen worden. De (lessen uit de) discriminatietoets horen daar ook bij. De eerste versie van deze handreiking wordt in het voorjaar van 2026 opgeleverd. De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid hebben de Eerste Kamer hier onlangs per brief over geïnformeerd.3 Met de Kamerbrief van Staatssecretaris Justitie en Veiligheid en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is er invulling gegeven aan de motie van het lid Ceder c.s.
Op welke wijze wordt de motie van de leden Ceder en Azarkan uitgevoerd die verzocht om in het Integraal Afwegingskader een discriminatietoets op te nemen? Is een dergelijke discriminatietoets inmiddels standaard opgenomen in het Integraal Afwegingskader? Zo nee, op welke termijn wordt dit geïmplementeerd?2
De discriminatietoets is steviger verankerd in de herziene Handreiking constitutionele toetsing die binnenkort ook aan de beide Kamers zal worden toegezonden. Net als de vorige editie is de Handreiking opgenomen in het Beleidskompas, de opvolger van het Integraal Afwegingskader, waardoor zij een vast onderdeel vormt van de voorbereidende fase van wet- en regelgeving. Met een verscherpte aandacht voor de discriminatietoets wordt beoogd discriminerende effecten in nieuw beleid en wetgeving te voorkomen. Op deze manier wordt er invulling gegeven aan deze motie van de leden Ceder en Azarkan.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden ruim voor de behandeling van de begroting Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties?
Ja.
Het bericht ‘Verbijstering om plan voor ’melk en dadels’ op Amsterdamse stembureaus tijdens ramadan: ’Waanzin’’ |
|
Annelotte Lammers (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Rijkaart |
|
|
|
|
Bent u bekend met het in de Telegraaf beschreven voorstel van de DENK-fractie in Amsterdam bij de gemeenteraadsverkiezingen? Zo ja, hoe beoordeelt u dit plan en het feit dat burgemeester Halsema hierin meegaat en open zegt te staan voor «creatieve oplossingen»?1
Ja, ik ben hiermee bekend. Een Amsterdams raadslid heeft gesuggereerd om dadels en melk beschikbaar te stellen op stembureaus in Amsterdam bij de gemeenteraadsverkiezingen op 18 maart 2026, vanwege de ramadan.
Gemeenten organiseren de verkiezingen en zorgen onder andere voor voldoende stembureauleden. Gemeenten zijn gewezen op het tijdstip van de verkiezingen en de ramadan, en dat dit gevolgen kan hebben voor de werving en de inzetbaarheid van vrijwilligers. Het staat gemeenten vrij om creatieve oplossingen te verzinnen voor mogelijke bezettingsproblemen, binnen de kaders van de Kieswet.
Kiezers hebben van 7.30 uur tot 21.00 uur om hun stem uit te brengen en dit kan in ieder stemlokaal binnen de eigen gemeente. Er zijn gedurende de dag voldoende mogelijkheden om de stem uit te brengen. Gemeenten hoeven hierin geen aanvullende voorzieningen te treffen.
Bent u het ermee eens dat dit absurde voorstel niet strookt met de neutraliteit die in acht moet worden genomen rond de verkiezingen? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1 is het aan gemeenten om, binnen de kaders van de Kieswet, invulling te geven aan de organisatie van de verkiezingen.
Bent u het ermee eens dat stembureaus niet bedoeld zijn voor het faciliteren van islamitische feestjes?
Stembureaus zorgen er voor dat kiezers op een goede wijze hun stem kunnen uitbrengen bij verkiezingen. Het is aan kiezers zelf om te bepalen wanneer ze hun stem uitbrengen in relatie tot hun andere mogelijke activiteiten die dag. Gemeenten hoeven hierin geen aanvullende voorzieningen te treffen.
Bent u bereid om een einde te maken aan deze plannen of soortgelijke «creatieve oplossingen»? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1 organiseren gemeenten de verkiezingen en zorgen onder andere voor voldoende stembureauleden. Het staat gemeenten vrij om creatieve oplossingen te verzinnen voor mogelijke bezettingsproblemen, binnen de kaders van de Kieswet.
Het slopen van de privacybescherming in de nieuwe Europese Omnibus-wetgeving |
|
Barbara Kathmann (PvdA) |
|
van Marum , Arno Rutte (VVD), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «EU Commission internal draft would wreck core principles of the GDPR» en de brandbrief van 127 organisaties over de Digitale Omnibus?1
Ja.
Wat is uw reactie op het bovenstaande bericht en de brandbrief? Kunt u ingaan op de inhoudelijke bezwaren en zorgen die hierin worden geuit?
Wij hebben kennisgenomen van de bezwaren en zorgen en nemen deze opmerkingen serieus. De bezwaren en zorgen waren evenwel gericht op een nog niet gepubliceerde versie van de zevende omnibus verordening. Alhoewel het kabinet bij de gepubliceerde voorstellen veel aanpassingen binnen de Omnibus AI en Omnibus Digitaal kan steunen omdat deze in lijn zijn met de Nederlandse inzet, heeft het kabinet vooral bij een aantal fundamentele wijzigingen aan de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) serieuze zorgen, omdat deze wijzigingen het niveau van gegevensbescherming wezenlijk verminderen, zonder dat er sprake is van een effectieve bijdrage aan het verlagen van regeldruk. Via een versnelde Beoordeling Nieuwe Commissievoorstellen (BNC)-route is uw Kamer op 12 december met een BNC-fiche geïnformeerd over de positie van het kabinet op de Omnibus Digitaal. In het antwoord op vraag 3 wordt hierop nader ingegaan.
Wat is uw zienswijze op de Digitale Omnibus, die ook aanpassingen van de Algemene Verordening Gegevensbescherming en de voorgestelde e-Privacyverordening bevat?
In navolging van een vierde Omnibuspakket, waarin ook sprake was van een aantal gerichte vereenvoudigingen voor de AVG heeft de Europese Commissie (EC) op 19 november 2025 het zevende Omnibuspakket (ook wel het «Digitale Pakket») gepubliceerd. Zoals aangegeven in het BNC-fiche, verwelkomt het kabinet dat de Commissie met de omnibussen erop inzet digitale wetgeving te vereenvoudigen en stroomlijnen. Dit past binnen de bredere doelstelling van het kabinet om de regeldruk terug te dringen. Het kabinet ziet dat het pakket mogelijk ook kansen biedt voor de ontlasting van de uitvoeringsorganisaties en de vereenvoudiging van de uitvoering van beleid. Het kabinet zet erop in dat deze omnibussen zich focussen op versimpeling, verduidelijking en stroomlijning van wetgeving en dat de doelen van de wetgeving daarbij overeind blijven.
De voorgestelde wijzigingen aan de AVG geven wel aanleiding tot zorgen, omdat deze kunnen leiden tot een wezenlijke vermindering van het niveau van gegevensbescherming, zonder dat er sprake is van een effectieve bijdrage aan het verlagen van regeldruk.
Zal de Digitale Omnibus de privacybescherming van burgers verzwakken? Kunt u antwoorden met een heldere ja of nee, en dit vervolgens onderbouwen?
Het kabinet is het voorstel nog aan het bestuderen en heeft uw Kamer via het BNC-fiche geïnformeerd over zijn positie op de Omnibus Digitaal. Het ontbreken van een impact assessment maakt het moeilijk om deze vraag met een helder ja of nee te beantwoorden. Het kabinet zal opheldering vragen bij de Commissie en de gevolgen voor regeldruk, uitvoerbaarheid en bescherming van grondrechten verder in kaart brengen, voordat het tot een definitief oordeel komt op deze onderdelen. Het kabinet hecht er dan ook aan dat er in het bijzonder voor wijzigingen met impact op gegevensbescherming en grondrechten gelegenheid is om de voorstellen en de gevolgen daarvan gedegen te analyseren en deze inhoudelijk te bespreken. Het kabinet vindt daarnaast dat het nog te verschijnen advies van de Europees Toezichthouder voor gegevensbescherming (EDPS) al dan niet in samenspraak met Europees Comité voor gegevensbescherming (EDPB) moet worden betrokken bij de bespreking van dit voorstel.
Deel u de mening dat «simplificatie» van wetgeving nooit mag leiden tot deregulering en een feitelijke verzwakking van de privacybescherming?
Met betrekking tot de Omnibus Digitaal en Omnibus AI zet het kabinet erop in dat de omnibussen digitale wetgeving versimpelen, verduidelijken en stroomlijnen en dat de doelen van de wetgeving daarbij overeind blijven.
Het kabinet steunt het doel van simplificatie van digitale wetgeving en zal zich hier proactief voor inzetten in het kader van de omnibus, maar in het bijzonder voor wijzigingen met impact op gegevensbescherming hecht het kabinet er als gezegd aan dat er gelegenheid is om de voorstellen en de gevolgen daarvan gedegen te analyseren en deze inhoudelijk te bespreken.
Deelt u de opvatting dat het beschermen van privacy een kernwaarde is van de Europese Unie, een uitvloeisel is van een gezamenlijk wereldbeeld én de lessen getrokken uit de Tweede Wereldoorlog, en dat dit onder geen enkele voorwaarde geweld mag worden aangedaan?
Het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (het «recht op privacy»), daaronder begrepen het recht op gegevensbescherming, is een grondrecht dat onder meer is neergelegd in artikel 10 Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon op 1 december 2009, is het recht op gegevensbescherming in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie een op zichzelf staand grondrecht, expliciet ontkoppeld van het recht op privacy. In artikel 7 Handvest Grondrechten EU staat het recht op eerbiediging van het privéleven, in artikel 8 het recht op bescherming van persoonsgegevens. De Unierechtelijke uitwerking is gedaan in de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Het recht op bescherming van persoonsgegevens heeft geen absolute gelding (overweging 4 AVG). Zo kan het recht bij wet worden ingeperkt, mits voldaan is aan de eisen van noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit en de inperkingen voldoende voorspelbaar en voorzienbaar zijn voor de betrokkenen. Dat onder geen enkele voorwaarde inbreuk mag worden gemaakt op dit grondrecht, onderschrijven wij derhalve niet.
Op welke manieren en op welke momenten heeft Nederland haar zienswijze over de Digitale Omnibus gedeeld met de Europese Commissie? Kunt u deze contactmomenten uiteenzetten?
Het versimpelen van (onderdelen van de) digitale wetgeving is onderwerp geweest van diverse Raadsbesprekingen waar de Europese Commissie aan deelnam en besprekingen in EU-verband. Potentiële wijzigingen aan de AVG waren daarbij niet altijd onderwerp van gesprek. Versimpeling van de AI-verordening is besproken tijdens meetings van de AI-Board en versimpeling van de Dataverordening, Datagovernanceverordening en de Free Flow of Dataverordening is onderwerp geweest van de Raadswerkgroep Telecom. Het kabinet heeft het non-paper regeldruk en digitale wetgeving onder de aandacht gebracht bij de informele Telecomraad van 9 en 10 oktober en in hoogambtelijke besprekingen met de Commissie.
Kunt u alle relevante documenten, die betrokken zijn bij het bepalen van de Nederlandse inzet delen met de Kamer? Heeft u ook adviezen van burgerrechtenorganisaties hierbij betrokken?
Het kabinet heeft u via een versnelde BNC-route geïnformeerd over de inzet ten aanzien van de Omnibuswetgeving. Vanwege de snelle doorlooptijd van het omnibusvoorstel en brede betrokkenheid van meerdere departementen is er geen overzicht van alle input die is ontvangen en betrokken. Het kabinet krijgt soms van stakeholders, zoals belangenorganisaties, proactief input toegestuurd. Daarnaast neemt het kabinet ook input in beschouwing die hem via de media bereikt, zoals de brandbrief waar u in vraag 1 naar verwijst. Het kabinet betrekt ook adviezen van burgerrechtenorganisaties hierbij.
Acht u het verantwoord en acceptabel dat AI-bedrijven, waaronder Amerikaanse techgiganten als Google en Meta, meer mogelijkheden krijgen om gegevens van Europese burgers te gebruiken om AI-modellen te trainen?
In het voorstel van de Commissie wordt een artikel 88c aan de AVG toegevoegd, waarin het expliciet de grondslag «gerechtvaardigd belang» (artikel 6 lid 1 onder f) wordt aangewezen als de grondslag voor – kort gezegd – het ontwikkelen en toepassen van AI-modellen. Om de gevolgen van deze voorgestelde wijziging goed te overzien, is meer duidelijkheid daarover nodig en Nederland heeft op dat punt vragen gesteld aan de Commissie. De mogelijkheid om persoonsgegevens te gebruiken voor het trainen van AI-modellen bestaat overigens ook nu al. De EDPB, waarin de Europese toezichthouders samenwerken, heeft hierover op 18 december 2024 een advies aangenomen.2 Uit dat advies volgt dat de AVG ruimte biedt om ook zonder toestemming van de betrokkene op basis van de verwerkingsgrondslag «gerechtvaardigd belang» (artikel 6, eerste lid, onder f AVG) persoonsgegevens voor dit doel te verwerken. Of van deze grondslag gebruik kan worden gemaakt, wordt bepaald door de omstandigheden van het geval. Zo moet worden vastgesteld dat de beoogde verwerking noodzakelijk is ter behartiging van het gerechtvaardigde belang én dat de belangen of fundamentele rechten en vrijheden van betrokkenen die door de verwerking van persoonsgegevens worden geraakt, niet zwaarder wegen dan het gerechtvaardigde belang dat met de verwerking wordt gediend. Ook moet elke verwerkingsverantwoordelijke aantoonbaar maatregelen nemen om de impact van de verwerking op de belangen van betrokkenen te verkleinen. Daarbij speelt de toegang tot rechten van betrokkenen onder de AVG een rol, zoals het recht op inzage en het recht op bezwaar. De toezichthouder beoordeelt uiteindelijk of een dergelijke vorm van verwerking rechtmatig is. Of deze mogelijkheden verder moeten worden verruimd, vergt nadere beoordeling. Dit zou alleen aan de orde kunnen zijn als de gevolgen voor fundamentele rechten voldoende gewaarborgd zijn.
Deelt u de mening dat bescherming van gevoelige gegevens, zoals politieke voorkeur, seksuele oriëntatie, en gezondheidsdata, geen geweld mag worden aangedaan?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 5 hanteert het kabinet in het kader van de omnibus het uitgangspunt dat de omnibus moet focussen op verduidelijking, versimpeling en het vergroten van consistentie van digitale wetgeving. De inzet is dat daarbij de doelen van de wetgeving niet worden afgezwakt. Onder de AVG is de verwerking van deze bijzondere categorieën van persoonsgegevens verboden, vanwege de impact die dit kan hebben. Verwerking kan alleen plaatsvinden, als er een wettelijke uitzonderingsgrond bestaat. Met het voorstel worden twee nieuwe uitzonderingsgronden opgenomen in de AVG. Deze worden op dit moment nog beoordeeld. Uw Kamer is hierover geïnformeerd met het BNC-fiche.
Welk signaal geeft het verzwakken van de AVG en de e-Privacyverordening af aan het Nederlandse en Europese midden- en kleinbedrijf dat volop inzet op het ontwikkelen van verantwoorde en privacyvriendelijke AI conform deze regelgeving?
De voorgestelde wijzigingen aan de AVG en de e-Privacyverordening zijn nog onderwerp van onderhandeling. Deze wetten zijn dus nog niet gewijzigd. Het kabinet heeft het streven om de regeldruk terug te dringen. Regeldruk zet een rem op de productiviteitsgroei van bedrijven en dus ook op het concurrentievermogen van onze economie. Dit kan op den duur ook de financiering van publieke taken onder druk zetten. Het kabinet zet zich daarom constructief in voor het versimpelen van digitale wetgeving, waarbij één van de uitgangspunten is dat de bescherming van grondrechten gewaarborgd blijft. Dit betekent dat het kabinet kritisch beziet of de voorstellen het doel van verlaagde regeldruk daadwerkelijk dienen en welke gevolgen dit heeft voor het niveau van gegevensbescherming. Het kabinet hecht waarde aan duidelijkheid en rechtszekerheid voor het bedrijfsleven. Bij fundamentele wijzigingen aan wetgeving, zeker als die impact hebben op het recht op gegevensbescherming, hecht het kabinet aan een impact assessment zodat het kabinet kan beoordelen of voorgestelde wijzigingen noodzakelijk, proportioneel en subsidiair zijn en de gevolgen voorspelbaar en voorzienbaar.
Deelt u de mening dat het verduidelijken van wet- en regelgeving voor het midden- en kleinbedrijf niet ten koste hoeft te gaan van privacybescherming? Is dit ook uw uitgangspunt?
Ja. Het is al langere tijd een doel van het kabinet om regeldruk terug te dringen en daartoe zijn ook al oplossingsrichtingen in kaart gebracht. Hierbij kan worden gedacht aan praktische hulpmiddelen, zoals sjablonen en praktische richtsnoeren van de toezichthouder, de Autoriteit Persoonsgegevens (AP), om naleving van de wet- en regelgeving voor kleinere organisaties te vereenvoudigen. Ook kunnen lijsten van verwerkingsactiviteiten met een laag risico die door toezichthoudende autoriteiten worden verstrekt, meer duidelijkheid verschaffen en kan de ontwikkeling en het gebruik van gedragscodes en certificering worden gestimuleerd. Ten aanzien van het gebruik van gedragscodes en certificering, overweeg ik om hier nader onderzoek naar te laten doen. Het uitgangspunt van het kabinet bij de Omnibus Digitaal is dat bij het versimpelen van de wetgeving de doelen, inclusief de bescherming van grondrechten, van de wetgeving niet worden afgezwakt.
Bent u bereid om in gesprek te treden met onafhankelijke experts, waaronder de Autoriteit Persoonsgegevens en burgerrechtenorganisaties op het gebied van privacy, om de Digitale Omnibus te beoordelen en in kaart te brengen of deze in de praktijk zal leiden tot een verzwakking van de privacybescherming?
Het is vanzelfsprekend dat het kabinet goede contacten onderhoudt met het veld, met inbegrip van burgerrechtenorganisaties, maar ook met partijen zoals VNO-NCW. Ten aanzien van de omnibus betrekken wij in elk geval de informatie van deze organisaties die zij publiceren bij de zelfstandige oordeelsvorming, en is er contact met de AP. Waar het om gegevensbescherming gaat kijken wij uit naar het gezamenlijke advies van de EDPB/EDPS.
Bent u bereid om een voorbehoud te maken op het steunen van de Digitale Omnibus, zolang niet is uitgesloten dat deze de privacybescherming verzwakt?
Het kabinet is het voorstel nog aan het bestuderen en heeft uw Kamer via het BNC-fiche geïnformeerd over zijn positie op de Omnibus Digitaal. In beginsel steunt Nederland voorstellen om digitale wetgeving te vereenvoudigen en de regeldruk ervan te verlagen. Daarbij is het wel belangrijk dat de doelen, met inbegrip van het niveau van gegevensbescherming, van de wetgeving overeind blijven en er gelegenheid is om de voorstellen, en de gevolgen daarvan voor onder andere de bescherming van grondrechten, gedegen te analyseren, de impact ervan te kunnen doorgronden, en goed inhoudelijk te bespreken. Het kabinet vindt het in het algemeen van belang dat bij fundamentele wijzigingen aan wetgeving, zeker als die impact hebben op het recht op gegevensbescherming, een impact assessment wordt gedaan. Ook is het van belang om bij wijzigingen die impact hebben op het recht op gegevensbescherming, het advies van Europees Toezichthouder voor gegevensbescherming (EDPS) al dan niet in samenspraak met het Europees Comité voor gegevensbescherming (EDPB) te betrekken bij de verdere analyse en bespreking, om te voorkomen dat de bescherming van grondrechten, waaronder gegevensbescherming, wordt verlaagd.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en zo snel mogelijk beantwoorden, en toezeggen om geen definitief standpunt in te nemen over de Digitale Omnibus zolang de Kamer zich hierover niet heeft uitgesproken?
De vragen zijn zo snel als mogelijk en separaat beantwoord. Het kabinet bestudeert momenteel het gepubliceerde voorstel van de EC en heeft uw Kamer via het BNC-fiche geïnformeerd over zijn positie op de Omnibus Digitaal.
De Veiligheid van procespartijen en rechtsgelijkheid bij jeugdbeschermingsprocedures |
|
Faith Bruyning (NSC) |
|
Judith Tielen (VVD), Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van 15 juli 2025 (ECLI:NL:RBROT:2025:10004)1, waarin de meervoudige kamer expliciet stelt dat de rechtbank geen taak of wettelijke bevoegdheid heeft om tijdens of na een zitting de veiligheid van procespartijen te waarborgen?
Komt het standpunt van de meervoudige kamer overeen met formeel beleid van de gerechten of de raad voor de rechtspraak?
Deelt u de mening dat deze uitspraak feitelijk betekent dat procespartijen – waaronder ouders, kinderen, advocaten, medewerkers van de gecertificeerde instelling (GI), de Raad voor de Kinderbescherming en zelfs rechters – tijdens de zitting en na afloop van de zitting zonder enige bescherming het gerechtsgebouw verlaten, ook als er sprake is van expliciete bedreigingen?
Acht u het wenselijk dat een rechterlijke instantie die op de hoogte is van een concrete bedreiging, zeker als die in de zitting wordt uitgesproken, zich beperkt tot de constatering dat er «geen wettelijke bevoegdheid» bestaat om maatregelen te treffen?
Worden deze bedreigingen ook geregistreerd waardoor het zichtbaar is hoe vaak dit voor komt? Is er bijvoorbeeld bekend hoe vaak rechters of griffiers bedreigt worden? Of andere procesdeelnemers? Zo ja, kunt u deze cijfers met de Kamer delen? Zo nee, overweegt u om dit vast te laten leggen waardoor er niet alleen een preventieve werking van uit gaat, maar ook dat er onderzoek kan worden gedaan naar de herkomst en omstandigheden waar dit vandaan komt?
Wordt er ook geregistreerd wat de bedreigingen zijn, waar ze vandaan komen zodat niet alleen inzichtelijk is hoe vaak het voorkomt maar ook wat de achtergronden en of er mogelijk een patroon of recidive is van bepaalde ouders?
Hoe wordt in de praktijk bepaald of een dergelijke dreiging wordt beschouwd als een strafrechtelijke of veiligheidskwestie en wie neemt daartoe het initiatief – de rechtbank, de griffier, de Raad, de GI of de politie?
Bestaat er een protocol voor de veiligheid van procespartijen bij familierechtelijke of jeugdbeschermingszittingen waarbij sprake is van (potentieel) gevaar of agressie? Zo ja, kunt u de kamer dit protocol toezenden?
Indien het antwoord op vraag 8 nee is, kunt u aangeven welk protocol er wél geldt, wie dit handhaaft en hoe vaak dit wordt toegepast?
Hoe wordt de veiligheid van de betrokken rechters, advocaten en hulpverleners gewaarborgd bij vertrek uit de zittingszaal of het gerechtsgebouw, zeker wanneer er sprake is van een emotioneel beladen jeugdzorgzaak waar dergelijk bedreigingen zijn geuit?
Hoe vaak komt het voor dat rechters bedreigd worden in zittingen of daarbuiten via bijvoorbeeld mail of sociale media? Hoe gaat de rechtspraak ermee om als rechters bedreigd worden? Hoe wordt dan de veiligheid van de rechters gewaarborgd? Welke maatregelen neemt de rechtbank dan in het belang van de veiligheid van de rechters? Waar kunnen rechters terecht als zij bedreigd worden en hoe verhoudt zich dat weer ten aanzien van de geheimhoudingsplicht die rechters hebben in het kader van de beslotenheid van jeugd- en familierechtszaken?
Wordt er in dergelijke situaties overleg gevoerd tussen rechtbanken en lokale politie of het Openbaar Ministerie om acute dreiging te beoordelen en maatregelen te treffen? Zo ja, hoe vaak gebeurt dat en hoe is die samenwerking geborgd?
Acht u het wenselijk dat de verantwoordelijkheid voor de veiligheid van procespartijen in dit soort zaken niet bij één instantie is belegd, waardoor iedereen op elkaar wacht en feitelijk niemand handelt?
Bent u bereid te onderzoeken of de huidige taakafbakening tussen rechtbank, GI, Raad en politie leidt tot rechtsongelijkheid en veiligheidsrisico’s voor partijen die deelnemen aan jeugdbeschermingsprocedures?
Hoe beoordeelt u het risico dat slachtoffers van bedreiging (zoals de moeder in deze zaak, maar ook de advocaat van moeder en de bijzonder curator) zich niet vrij voelen om hun standpunt te uiten en dat dit de kern van een eerlijk proces ondermijnt (artikel 6 EVRM)? Deelt u de mening dat hiermee ook de belangen van de minderjarige in het geding komen? En daarmee het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind niet kan worden nageleefd?
Kunt u toelichten hoe dit zich verhoudt tot de zorgplicht van de overheid om veiligheid te waarborgen binnen door de overheid georganiseerde procedures, waaronder kinderbeschermingszaken?
Bent u bereid in overleg met de Raad voor de rechtspraak, de Nederlandse orde van advocaten, de Raad voor de Kinderbescherming, de gecertificeerde instellingen en alle andere belanghebbenden om te komen tot een goede borgingsafspraken en indien nodig landelijk veiligheidsprotocol voor jeugdbeschermingszittingen en regiezittingen?
Kunt u garanderen dat los van het eventuele beleid concrete stappen worden gezet om de veiligheid van rechters en andere professionals binnen de rechtsgebouwen, wanneer er concrete aanwijzingen zijn voor hun onveiligheid, worden beschermd?
Zo ja, op welke termijn verwacht u dit te kunnen realiseren en bent u bereid de Kamer hierover voor het einde van het eerste kwartaal van 2026 te informeren?
Het bericht dat als je bij de geheime dienst solliciteert, Google dat als eerste weet |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
Rijkaart , Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht van Follow the Money waarin onderbouwd wordt dat sollicitatiegegevens van kandidaten voor de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) via werkenvoornederland.nl automatisch terechtkomen bij Amerikaanse techbedrijven zoals Google, Amazon en Cloudflare?1
Ja.
Herinnert u zich de antwoorden van uw ambtsvoorganger op eerder gestelde schriftelijke vragen over dit onderwerp, waarin juist beweerd werd dat er geen gegevens van sollicitanten bij de AIVD en MIVD gedeeld worden met Google?2
De beantwoording van de eerder gestelde Kamervragen over dit onderwerp is mij bekend.
Hoe verklaart u het verschil tussen die eerdere antwoorden en de uitkomsten van het onderzoek van Follow the Money? Deelt u de mening dat dit verschil niet afgedaan kan worden met verwijzen naar «definitiekwesties» over wanneer iemand wel of niet een sollicitant is? Zo nee, waarom niet?
Ik begrijp dat eerdere beantwoording niet toereikend is. Ik zal hier proberen om eventuele onduidelijkheden weg te nemen. In de beantwoording van de Kamervragen in februari 2025 is verschil gemaakt tussen een sollicitant en een geïnteresseerde bezoeker van werkenvoornederland.nl. Op het moment dat een geïnteresseerde de website werkenvoornederland.nl bezoekt, gebruikt BZK/Organisatie & Personeel Rijk (O&P Rijk) inderdaad Google Analytics. Overigens wordt er momenteel gewerkt aan de uitfasering van Google Analytics plaats en de overstap naar een Europees alternatief, en gebruiken we Google Analytics niet meer voor de vacaturepagina’s van de AIVD en MIVD op werkenvoornederland.nl.
Zodra een geïnteresseerde bezoeker een motivatie en persoonlijke gegevens achter laat om te solliciteren, gebeurt dit in een aparte omgeving. In deze aparte omgeving wordt Google Analytics niet gebruikt. De persoonlijke gegevens van een sollicitant komen dan ook niet bij Google Analytics terecht. Hetzelfde geldt voor het selectieproces, dat offline plaatsvindt.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat sollicitanten worden gewaarschuwd om «geen informatie over hun sollicitatie te delen», terwijl de overheid zelf informatie over de interesse in een sollicitatie bij de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (onbedoeld) deelt met buitenlandse partijen? Zo nee, waarom niet?
Het actief delen van een (lopende) sollicitatie bij de inlichtingen- en veiligheidsdiensten in je eigen omgeving en het vermelden daarvan op sociale media brengt bepaalde risico's met zich mee. Afgezien van zeer beperkte data van geïnteresseerde bezoekers (zie beantwoording vragen 5 en 7) worden er geen persoonlijke gegevens van sollicitanten gedeeld. De kans dat digitaal gedrag op een website als werkenvoornederland.nl tot dezelfde risico's leidt is daarom kleiner.
Deelt u de zorg van experts dat dit gegevenslek de veiligheid van sollicitanten én daarmee de nationale veiligheid in gevaar kan brengen, met name wanneer deze data via Amerikaanse wetgeving opgevraagd kan worden door Amerikaanse inlichtingendiensten? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de mening dat het belangrijk is om zorgvuldig met dergelijke data om te gaan. Het verwerken van gegevens door Google ten behoeve van het gebruik van de analyse functionaliteit van Google Analytics is tot een minimum beperkt. De data die verwerkt worden door middel van Google Analytics, worden conform de Google Analytics 4 (GA4) voorwaarden verwerkt. Indien het noodzakelijk is persoonsgegevens te verwerken, worden deze door Google geaggregeerd, voordat deze onmiddellijk volgens de gestelde voorwaarden verwijderd worden. Er is geen indicatie dat er sprake is of was van een gegevenslek.
Op welke wijze worden gegevens van sollicitanten momenteel verwerkt bij sollicitaties voor de AIVD en MIVD? Kunt u toelichten welke gegevens worden gedeeld, met welke (buitenlandse) partijen en op basis van welke verwerkersovereenkomsten?
Iemand kan solliciteren door een online formulier in te vullen. Deze informatie wordt gebundeld door een Nederlands bedrijf, waarna de AIVD en de MIVD de informatie in hun eigen systemen zetten. De informatie wordt kort hierna verwijderd uit het oorspronkelijke systeem. De diensten doen geen uitspraken over de wijze van verwerking van de gegevens van sollicitanten op de eigen beveiligde systemen.
Klopt het dat bij het klikken op de knop «solliciteren» op werkenvoornederland.nl gegevens van de sollicitant, zoals IP-adres, browsergegevens en klikgedrag, automatisch worden doorgestuurd naar techbedrijven? Zo ja, hoe rijmt u dit met het beveiligingsniveau dat bij sollicitaties voor de inlichtingen- en veiligheidsdiensten vereist is?
O&P-Rijk maakt voor werkenvoornederland.nl gebruik van GA4 dienstverlening van Google. Het IP-adres, de browsergegevens en het klikgedrag van een geïnteresseerde bezoeker wordt verwerkt door Google, conform de Google Analytics 4 (GA4) voorwaarden. Zoals bij vraag 5 aangegeven, betekent dit dat het verwerken van gegevens door Google tot een minimum beperkt is. De diensten maken door middel van publicatie van vacatures op werkenvoornederland.nl gebruik van het platform van BZK/O&P Rijk.
Deze website valt onder het beleid van BZK en er wordt doorlopend gekeken naar – waar nodig – verbeteringen in de processen en informatiebeveiliging.
In hoeverre is de privacy- en cybersecurityrisicoanalyse van de site werkenvoornederland.nl toegespitst op functies bij de AIVD en MIVD? Zijn hier aanvullende maatregelen genomen? Zo nee, waarom niet?
De privacy- en cybersecurityanalyses van de website werkenvoornederland.nl zijn niet toegespitst op de vacatures van de AIVD en de MIVD. BZK/O&P Rijk levert met deze website een generieke dienstverlening en volgt hier het beleid rondom websites bij BZK, het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO), de Baseline Informatiebeveiliging Overheid (BIO) en de verplichte richtlijnen websites en andere online middelen van het Forum Standaardisatie.
Het solliciteren op functies bij de AIVD en de MIVD gebeurt in een aparte omgeving, wat een aanvullende (beveiligings)maatregel is.
Waarom is er niet gekozen voor een beveiligd, intern sollicitatieportaal voor functies bij de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, los van het generieke Rijksportaal?
Onze inlichtingen- en veiligheidsdiensten zijn continu op zoek naar experts en professionals. Een toegankelijk en makkelijk vindbaar portaal, zoals via werkenvoornederland.nl, is noodzakelijk om de juiste doelgroepen te bereiken. Dit is tevens onderdeel van de rijksbrede afspraak dat vacatures altijd worden gepubliceerd op werkenvoornederland.nl. Deze website is als het ware een etalage voor vacatures, waaronder voor de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Wanneer iemand solliciteert, worden gegevens verwerkt in een apart sollicitatieportaal. Zie ook het antwoord op vraag 3.
Bent u bereid om het sollicitatieproces voor functies bij de AIVD en MIVD onmiddellijk te herzien, zodat gegevens niet (meer) toegankelijk zijn voor partijen buiten de Nederlandse overheid? Zo nee, waarom niet?
Ik hecht veel waarde aan de veiligheid van geïnteresseerden die overwegen te solliciteren bij de diensten en personen die daadwerkelijk solliciteren. Vooralsnog is er geen aanleiding om het sollicitatieproces onmiddellijk te herzien. Er wordt voortdurend bekeken hoe de processen en informatiebeveiliging verbeterd kunnen worden.
Is het wat u betreft denkbaar dat Google weet wie er de afgelopen veertien jaar bij de diensten hebben gesolliciteerd? Zo nee, kunt u onderbouwen waarom dat volgens u niet denkbaar zou zijn?
Die kans is klein, omdat wat via Google Analytics (zowel in het verleden via Universal Analytics als nu via GA4) werd gemeten, zich beperkt tot geaggregeerde webstatistieken van bezoekers van werkenvoornederland.nl. Het gebruik van gegevens is tot een minimum beperkt en wordt door Google enkel in geaggregeerde vorm verwerkt.
Wat betekent dit voor reeds lopende sollicitatieprocedures? Worden sollicitanten achteraf geïnformeerd dat hun gegevens mogelijk bij derden terecht zijn gekomen? Zo nee, waarom niet?
Zoals bij vraag 3 en 6 aangegeven, gebeurt solliciteren in een aparte omgeving. Google heeft geen zicht op deze fase van het sollicitatieproces en daarmee is de impact op lopende sollicitatieprocedures minimaal.
Hoe staat het inmiddels met het onderzoek van de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) naar het gebruik van Google Analytics 4 en het mogelijke verbod op het gebruik hiervan?
De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) is in 2022 een onderzoek gestart naar het gebruik van Google Analytics versie 3 (Universal Analytics). Hierover heeft de AP geen besluit gepubliceerd, omdat dit heeft geresulteerd in een berisping voor de partij die Google Analytics in gebruik had genomen. Berispingen worden, conform het openbaarmakingsbeleid van de AP, niet openbaar gemaakt. In het onderzoek ging het om doorgifte van persoonsgegevens naar de VS, wat in strijd kan zijn met de AVG. Nu geldt echter een adequaatheidsbesluit voor de VS (Data Privacy Framework). Hierdoor voldoet doorgifte naar de VS, voor zover er is voldaan aan het DPF, ook aan de eisen van de AVG die gelden voor doorgifte. Het onderzoek naar Google Analytics versie 3 is daarmee ook niet één op één door te trekken naar het gebruik van Google Analytics op dit moment.
Een totaalverbod op Google Analytics opgelegd door de AP ligt nu niet voor de hand. Het is niet aan de AP een oordeel te vellen over de diensten die door Google geleverd worden, aangezien het Europese hoofdkantoor van Google in Ierland is gevestigd. Ook vanuit cookiewetgeving (artikel 11.7a Telecommunicatiewet) is dit niet aan de AP, omdat de Autoriteit Consument & Markt (ACM) de bevoegde toezichthouder is. De AP heeft in overleg met de ACM aan de Minister van Economische Zaken voorgesteld om dit toezicht bij de AP te beleggen. In het kader van toezicht op cookies en online tracking is de AP wel aan het onderzoeken in hoeverre zij wat kan zeggen over welke cookies wel en niet onder de uitzondering van de cookiebepaling kunnen vallen. Wanneer zij daar uitsluitsel over kan geven, ligt onder andere aan het verschuiven van de bevoegdheid op de cookiebepaling.
Hoe oordeelt u over de conclusie van de geraadpleegde experts in het artikel van Follow The Money, dat het gebruik van Google Analytics op werkenvoornederland.nl sowieso niet conform de AVG is, omdat er sprake kan zijn van het verzamelen van identificeerbare persoonsgegevens, maar hier geen toestemming voor gevraagd wordt?
Er worden enkel analytische cookies en geen tracking cookies geplaatst. Dit is, conform regelgeving, opgenomen in het cookie-statement van werkenvoornederland.nl (Cookies - Werken voor Nederland).
Welke maatregelen gaat u nemen om dit lek zo spoedig mogelijk te voorkomen en het vertrouwen in de veiligheid van werken bij de overheid te herstellen?
Zoals ook bij vraag 5 aangegeven, is er geen indicatie dat er sprake is of was van een gegevenslek. Voor de vacaturepagina's van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten die gelezen worden door geïnteresseerden is het gebruik van Google Analytics, inmiddels uitgezet na een nieuwe afweging in het kader van dienstverlening.
Geweld en intimidatie jegens christelijke asielzoekers in azc in Goes |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Syrische christen in azc bang na bedreiging door moslims: «Hij zat bevend en trillend bij me»» in het Reformatorisch Dagblad van 30 oktober jl. en het bericht «Christelijk gezin in azc van Goes voelt zich niet veilig» in BN de Stem van 30 oktober jl.?1, 2
Ja.
Hoe reageert u op de berichten dat christelijke asielzoekers worden geïntimideerd in een asielzoekerscentrum in Goes door islamitische asielzoekers?
Discriminatie en geweld tegen asielzoekers is te allen tijde onacceptabel. Dat geldt ook als dit gericht is tegen de christelijke achtergrond van iemand. Tegen incidenten moet krachtig worden opgetreden en dat doet het COA ook. Het COA herkent op de locatie in Goes geen structurele, georganiseerde incidenten jegens christelijke asielzoekers. En als die er wel zijn, nemen het COA en ik die zeer serieus.
Welke (aanvullende) maatregelen zijn genomen of worden genomen naar aanleiding van deze berichten in dit concrete geval, aangezien er nog altijd sprake is van dreiging van geweld en intimidatie en u in beantwoording van eerdere schriftelijke vragen hebt aangegeven het standpunt te delen dat discriminatie en geweld tegen christelijke asielzoekers onacceptabel is en dat hier krachtig tegen moet worden opgetreden?3
Recent heb ik uw Kamer toegelicht welke maatregelen ik neem naar aanleiding van signalen over agressie en geweld tegen specifieke groepen in de opvang, waaronder christelijke asielzoekers.4 Uitgangspunt is dat asielzoekers zich (sociaal) veilig moeten weten op de COA-locatie. Het COA is religieus en politiek neutraal en zet zich maximaal in voor veilige opvang voor iedereen. Als bewoners huisregels overtreden, zoals het discrimineren van medebewoners, kan het COA volgens het COA maatregelenbeleid, een passende maatregel opleggen. Slachtoffers van discriminatie maken zelf de keuze of zij aangifte of melding doen bij de politie (bij vermoedelijk strafbare feiten) en/of een melding maken bij het meldpunt discriminatie. Hoewel slachtoffers niet kan worden verplicht om aangifte te doen, stimuleert en ondersteunt COA slachtoffers zoveel als mogelijk om wel aangifte te doen, of doet het COA zelf aangifte.
Hoe wilt u stimuleren dat geïntimideerde asielzoekers geweld en intimidatie melden bij het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) en aangifte daarvan doen, gelet op de vrees dat een klacht negatieve gevolgen kan hebben voor de veiligheid of de asielprocedure? Bent u bereid hierover met COA in gesprek te gaan? Bent u daarbij bereid de mogelijke drempels die hiervoor worden ervaren door betreffende asielzoekers in kaart te brengen en weg te nemen?
Bewoners die slachtoffer worden van een strafbaar feit worden door COA-medewerkers met toegankelijke informatie gewezen op de mogelijkheid om aangifte te doen. Het COA stimuleert het doen van aangifte als mogelijk sprake is van een strafbaar feit. Als een bewoner aangeeft dat hij geen aangifte durft te doen, zal het COA in voorkomende gevallen ook zelf aangifte doen of melding maken. Dit onderwerp heeft onze permanente aandacht in de contacten met het COA
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat de oplossing wordt gezocht in het verwijderen van geïntimideerde asielzoekers in plaats van het verwijderen van de desbetreffende overlastplegers?
U verwijst in dit verband naar de beslissing van het COA om een bewoner na incidenten op locatie over te plaatsen naar een andere COA-locatie. Vooropgesteld: uitgangspunt is altijd dat het gedrag van de dader genormeerd wordt. Daartoe voert het COA het maatregelenbeleid uit. Waar nodig neemt het COA contact op met politie zodat ook strafrechtelijke opvolging kan plaatsvinden.
Tegelijkertijd is het COA er alles aan gelegen om de (sociale) veiligheid van haar bewoners te waarborgen. Dat kan een reden zijn om personen die zich schuldig maken aan agressie of geweld, (tijdelijk) te verplaatsen naar een andere COA-locatie of een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen.
In sommige situaties kan het COA na overleg met en op verzoek van het slachtoffer overgaan tot overplaatsing van het slachtoffer.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat een christelijke azc-bewoner wordt verplicht te accepteren een kamer te delen met islamitische asielzoekers, terwijl hij zich onveilig voelt?
Het COA maakt in het plaatsingsbeleid geen onderscheid op basis van religie. In de praktijk komt het dus voor dat asielzoekers met een verschillende religieuze achtergrond een wooneenheid delen. Dat laat onverlet dat het COA op basis van signalen passende maatregelen neemt. Het COA erkent dat het risico op een kwetsbare positie voor een aantal groepen in de opvang groter is, waaronder religieuze minderheden en bekeerlingen. COA-medewerkers zijn getraind om de bewoner goed in beeld hebben, waarbij eventuele kwetsbaarheid aan bod komt. Als een bewoner zich (sociaal) onveilig voelt in zijn eigen wooneenheid, kan het COA verschillende acties ondernemen. Denk bijvoorbeeld aan het intensiveren van de begeleiding of een kamerwissel.
Hoe beoordeelt u de toename van discriminatie, bedreiging, intimidatie of geweld jegens christelijke asielzoekers, zoals blijkt uit het toegenomen aantal meldingen bij het meldpunt van stichting Gave?
Ik verwijs in dit verband naar mijn recente beantwoording hierover.5
Bent u bereid zich in te spannen voor een convenant om de positie en het welzijn van christelijke bewoners in de opvang te verbeteren, vergelijkbaar met het recent vernieuwde convenant voor lhbti-asielzoekers?
Zonder me op dit punt te willen committeren aan de vorm van een convenant, ben ik uiteraard bereid om mij in te blijven spannen om in de samenwerking met betrokken partners signalen over onveiligheid van christelijke asielzoekers te bespreken. Het COA heeft (periodiek) contact met organisaties die expertise hebben op dit thema, zoals Stichting Gave. Het COA blijft met hen in gesprek en neemt signalen serieus.
Bent u bereid in het toegezegde onderzoek naar aanscherping van de glijdende schaal tevens te bezien of en hoe de asielaanvraag kan worden afgewezen bij intimidatie en geweld door asielzoekers of zwaarder negatief kan worden meegewogen bij de beoordeling van de aanvraag, zodat hij of zij (eerder) in aanmerking komt voor afwijzing?
De criteria voor intrekking of afwijzing van een asielvergunning volgen uit de kwalificatierichtlijn. Dit kan dus niet worden aangescherpt door middel van een nationale maatregel als de glijdende schaal en dit maakt daarom ook geen onderdeel uit van het onderzoek. Veroordelingen voor ernstige misdrijven, kunnen leiden tot intrekking of afwijzing.
De demonstratie van TFP Student Action Europe |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Becking , Bruijn |
|
|
|
|
Bent u bekend met de demonstratie van TFP Student Action Europe voor de deur bij het Leiden University College The Hague op 24 september jl.?
Ja, ik ben bekend met de demonstratie van TFP Student Action Europe. Ook ben ik bekend met de flyer die deze organisatie heeft verspreid. De bij de demonstratie verspreide flyer is inhoudelijk nagenoeg gelijk aan de flyer die op de website van deze organisatie is gepubliceerd.1
Bent u bekend met de folder die zij bij deze demonstratie hebben verspreid, waarin zij beweren dat abortus de kans op kanker verhoogd?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat dit nepnieuws betreft? Zo nee, waarom niet?
Ja, de flyer bevat onjuiste informatie. In de flyer staat bijvoorbeeld dat abortus onveilig is en de kans op borstkanker vergroot. Dat klopt niet. Het Nederlands Genootschap van Abortusartsen heeft aan mij bevestigd dat de informatie in de folder geenszins in overeenstemming is met de huidige medisch-wetenschappelijke consensus. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat een legale zwangerschapsafbreking een veilige procedure is.2 Ook het vermeende verband tussen abortus en borstkanker wordt niet door recente betrouwbare studies ondersteund.3
Wat vindt u van de beschrijving van «oorlog» in relatie tot het abortusrecht van vrouwen zoals die door deze organisatie wordt gebruikt?
De vergelijking van abortus met oorlog slaat nergens op en vind ik absoluut ongepast en onwenselijk. Een dergelijke woordkeuze demoniseert vrouwen die kiezen voor een abortus, evenals de professionals die in de abortuszorg werkzaam zijn.
Welke actie gaat u ondernemen tegen het verspreiden van nepnieuws door TFP Student Action Europe?
Het is zorgelijk en onwenselijk dat er onjuiste gezondheidsinformatie over abortus wordt verspreid. Ik wil de negatieve gevolgen van onjuiste informatie over onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap, abortus en anticonceptie bestrijden. Als onderdeel van de Aanpak onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap heb ik Fiom en Rutgers gevraagd om effectieve methodes daartoe te onderzoeken en hiermee te experimenteren. Eind 2026 leveren Fiom en Rutgers een overzicht op van geëvalueerde interventies en communicatiestrategieën. Deze interventies en strategieën kunnen vervolgens worden toegepast door Fiom, Rutgers en door andere partijen die over abortus communiceren.
Onjuiste gezondheidsinformatie is een complex probleem dat speelt bij verschillende onderwerpen. Om hier grip op te krijgen heeft het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties hier eind vorig jaar een onderzoek naar laten uitvoeren. Op 19 juni 2025 heeft mijn ambtsvoorganger dit onderzoek naar uw Kamer gestuurd.4 Ik verwijs ook naar de brief van 18 november aangaande de strategie voor de aanpak van onjuiste gezondheidsinformatie.
Bent u het met ons eens dat het recht op abortus een belangrijk verworven recht is en abortus belangrijke zorg is voor vrouwen?
Ja, ik sta pal voor het recht op veilige en toegankelijke abortuszorg.
Bent u bereid tot het opzetten van een publiekscampagne om nepnieuws te bestrijden en betrouwbare informatie over abortus en vrouwenrechten te verstrekken? Zo nee, waarom niet?
Het tegengaan van onjuiste gezondheidsinformatie en het verstrekken van betrouwbare informatie zijn belangrijke onderdelen van de Aanpak onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap waar ik vanaf 2026 nog nadrukkelijker op in zal zetten. Dit illustreer ik met twee voorbeelden:
Ik verwijs ook naar de brief van 18 november aangaande de strategie voor de aanpak van onjuiste gezondheidsinformatie.
Is iets bekend over de financiering van deze organisatie?
Op de website van TFP Student Action staat dat de organisatie wordt gefinancierd door diverse donateurs die grote, middelgrote en kleine bijdragen geven. De organisatie geeft aan geen overheidsfinanciering te ontvangen.5
Hoe wilt u opvolging geven aan de aangenomen motie-Van Campen/Dobbe?1
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) geeft uitvoering aan deze motie door aansluiting te zoeken bij de Rijksbrede strategie effectieve aanpak desinformatie7 en daarnaast door een aantal extra maatregelen te treffen om organisaties die opkomen voor vrouwen- en lhbtiq+- rechten te ondersteunen in het vergroten van hun weerbaarheid.
Zo wordt de handreiking Omgaan met misinformatie voor medeoverheden8 vertaald naar een handreiking die maatschappelijke organisaties in het emancipatiedomein helpt in het bijtijds en effectief reageren op des- en misinformatie. Ook ondersteunt de Staatssecretaris van OCW de ontwikkeling van een toolkit Veiligheid en weerbaarheid. Deze wordt binnenkort gepubliceerd. Om kennisuitwisseling en samenwerking te bevorderen, is een bijeenkomst georganiseerd met de emancipatieallianties over omgaan met weerstand en desinformatie. Tevens kunnen maatschappelijke organisaties gebruikmaken van de subsidieregeling gender- en lhbtiq+-gelijkheid 2022–2027. Deze regeling kan worden benut om de positie en daarbij de inzet van organisaties die zich hard maken voor de rechten van vrouwen en lhbtiq+ personen te versterken.
Daarnaast worden op dit moment de opties en mogelijkheden voor aanvullend onderzoek naar anti-emancipatoire invloeden in kaart gebracht.
Het bericht dat 4 op de 10 mensen met een lichamelijke beperking toegankelijkheidsproblemen ervaart wanneer ze gaan stemmen |
|
Sarah Dobbe (SP), Michiel van Nispen |
|
Bruijn , Rijkaart |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het onderzoek van de Zonnebloem waaruit blijkt dat vier op de tien mensen met een lichamelijke beperking toegankelijkheidsproblemen ervaren wanneer ze gaan stemmen?1
Voor meer dan 2 miljoen Nederlanders is zelfstandig stemmen bij een verkiezing niet vanzelfsprekend. Mensen met een beperking en mensen met lage basisvaardigheden zijn minder positief over hun ervaring met verkiezingen dan mensen zonder een beperking of mensen die over meer basisvaardigheden beschikken. Het gaat bijvoorbeeld om iemand die in een rolstoel zit, blind is of moeite heeft met lezen.
Het is belangrijk dat iedereen zo zelfstandig mogelijk zijn stem kan uitbrengen. Daar moeten we mensen in ondersteunen. Daarom is op 6 mei 2025 door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de Kiesraad, de Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten het Actieplan toegankelijk stemmen gepresenteerd (hierna: Actieplan).2 Dit Actieplan is tot stand gekomen in nauwe samenwerking met belangenorganisaties en ervaringsdeskundigen.
Het doel van dit Actieplan is dat mensen met een beperking en mensen met lage basisvaardigheden in Nederland zo zelfstandig mogelijk moeten kunnen stemmen. De toegankelijkheid van stemlokalen voor mensen met een fysieke beperking is een belangrijk onderwerp uit het Actieplan.
Het is vervelend om te horen dat er ondanks de maatregelen die getroffen worden om stemlokalen toegankelijk te maken voor alle kiezers, nog een aanzienlijke groep is die toegankelijkheidsproblemen ervaart bij het stemmen.
Deelt u de mening dat mensen met een beperking zelfstandig moeten kunnen stemmen en dat daarvoor minimaal nodig is dat stemlokalen toegankelijk zijn?
Een toegankelijk verkiezingsproces betekent dat er zo min mogelijk belemmeringen zijn om zelfstandig een stem te kunnen uitbrengen. Het toegankelijk maken van stemlokalen is één van de onderdelen om eraan bij te dragen dat mensen zo zelfstandig mogelijk hun stem kunnen uitbrengen.
De Kieswet bepaalt dat burgemeester en wethouders ervoor zorgdragen dat alle in de gemeente aangewezen stemlokalen zodanig zijn gelegen en zo zijn ingericht en uitgerust dat kiezers met lichamelijke beperkingen zoveel mogelijk hun stem zelfstandig kunnen uitbrengen (artikel J 4, tweede lid). Het volledig toegankelijk maken van alle stemlokalen blijkt in de praktijk moeilijk. Landelijk kan er gestemd worden bij ongeveer 9.000 stemlocaties. Als uitsluitend locaties als stemlokaal zouden mogen worden gebruikt die volledig toegankelijk zijn, betekent dat dat er minder stemlokalen zouden zijn en de gemiddelde reisafstand naar de stemlokalen groter wordt. Gemeenten moeten daarom vaak een afweging maken tussen de toegankelijkheid van een gebouw en de bereikbaarheid van stemlokalen voor de kiezers.
Openbare gebouwen die als stemlokaal worden gebruikt zijn niet altijd toegankelijk (te maken). Bijvoorbeeld als de deuren te smal zijn voor iemand in een rolstoel. Of als er geen ruimte is om een (tijdelijke) helling aan te leggen bij een steile trap. Het komt ook voor dat het stemlokaal zelf wel toegankelijk is, maar de omgeving niet. Bijvoorbeeld doordat het stemlokaal op een heuvel ligt waardoor er sprake is van een te steile helling bij de ingang. Of doordat de route naar de entree van het stemlokaal te smal is. Dergelijke stemlokalen worden als niet toegankelijk aangemerkt. Om te zorgen voor voldoende stemlokalen worden vaak gebouwen als stemlokaal gebruikt die geen eigendom zijn van de gemeente. Ook deze gebouwen zijn niet altijd toegankelijk (te maken).
Als het voor één of meerdere locaties niet lukt om deze (volledig) toegankelijk te maken, moet het college van B&W de gemeenteraad informeren (Artikel J 4, derde lid, van de Kieswet) over de stemlokalen die niet voldoen aan de toegankelijkheidscriteria en daarbij toelichten waarom deze stemlokalen daar niet aan voldoen.
Hoe worden stemlokalen getoetst op toegankelijkheidscriteria?
De afgelopen jaren heeft het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties met steekproeven de toegankelijkheid van stemlokalen laten onderzoeken. Bij de Europees Parlementsverkiezing in 2024 voldeed 68% van de stemlokalen die door gemeenten als toegankelijk werden aangemerkt niet aan alle toegankelijkheidscriteria.3
Als onderdeel van de uitbreiding van zijn taken, wordt het onderzoek naar de toegankelijkheid van stemlokalen voortaan in opdracht van de Kiesraad uitgevoerd. Dit zal hij voor het eerst doen bij de gemeenteraadsverkiezingen in maart 2026.
Hoe houdt u als Minister zicht op de toegankelijkheid van stemlokalen?
Iedere verkiezing wordt na afloop geëvalueerd. Daarin wordt ook de toegankelijkheid van de verkiezing en dus de stemlokalen meegenomen. Belangenorganisaties worden bij de evaluatie betrokken. Het evaluatieadvies van de Kiesraad en de rapportages van belangenorganisatie Ieder(in), dat het meldpunt Onbeperkt Stemmen beheert, maken onderdeel uit van de evaluaties van verkiezingen.
Hoeveel stemlokalen voldoen niet aan de toegankelijkheidscriteria zoals die worden weergegeven op de website van de Zonnebloem?
Uit de steekproef bij de Europees Parlementsverkiezing in 2024 bleek dat 68% van de stemlokalen die door gemeenten als toegankelijk werden aangemerkt niet aan alle toegankelijkheidscriteria voldeden.4 Dit betekent niet dat deze stemlokalen in het geheel niet toegankelijk waren. Het kon ook gaan om maar één criterium waar niet aan kon worden voldaan. Dit is het continue dilemma waar gemeenten tegen aanlopen: als alleen stemlokalen gebruikt worden die volledig toegankelijk zijn, betekent dat dat er veel minder stemlokalen in gebruik zouden kunnen zijn.
Wat zijn de mogelijkheden om nog voor de aanstaande verkiezingen de toegankelijkheid van stemlokalen te verbeteren?
De tijd tussen de vervroegde Tweede Kamerverkiezing op 29 oktober 2025 en de lancering van het Actieplan Toegankelijk Stemmen was kort. Voor deze verkiezing is gekeken naar welke maatregelen binnen deze korte termijn al uitgevoerd konden worden. Andere maatregelen uit het Actieplan worden ook opgepakt, maar zullen op de langere termijn pas effect gaan hebben. Hieronder ziet u een overzicht van de maatregelen uit het Actieplan op het onderwerp toegankelijke stemlokalen die voor de vervroegde Tweede Kamerverkiezing zijn opgepakt:
Welke lange termijn maatregelen gaat u nemen voor de verkiezingen die daarna gaan volgen?
Met het oog op de verkiezingen ná de Tweede Kamerverkiezing wordt er een aantal onderzoeken voorzien om de bestaande criteria en de ondersteuning aan gemeenten te verbeteren. Daarmee wordt er op de langere termijn aan bijgedragen dat gemeenten en stembureauleden nog beter in staat worden gesteld om stemlokalen toegankelijk te maken voor mensen met een fysieke beperking.
Bent u bereid deze vragen met spoed te beantwoorden, gezien de termijn tot de aankomende verkiezingen?
Ja.
Het bericht ‘Nederland bezit grootste hoeveelheid kinderporno in Europa’ |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Foort van Oosten (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nederland bezit grootste hoeveelheid kinderporno in Europa»1
Ja.
Wat is uw reactie op het onderzoek waaruit blijkt dat circa 60 procent van al het in Europa gehoste kinderseksmisbruikmateriaal zich in Nederland bevindt, en bijna een derde van het wereldwijde totaal? Hoe verklaart u dat Nederland in zo’n uitzonderlijke positie verkeert?
Seksueel kindermisbruik behoort tot de meest verwoestende vormen van criminaliteit. Het laat diepe en blijvende sporen na in het leven van slachtoffers. En ook worden zij telkens met hun leed geconfronteerd wanneer beelden van het seksueel misbruik op het internet worden geplaatst en gedeeld.
Het kabinet vindt het zeer zorgwekkend dat in Nederland nog altijd veel beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik wordt gehost.
Mede dankzij het gunstige vestigingsklimaat, de directe aansluiting op onderzeekabels tussen continenten en de goede digitale infrastructuur, is Nederland een aantrekkelijk land voor datacentra en hostingproviders. Deze sterke positie brengt echter ook risico’s met zich mee: dezelfde infrastructuur kan worden misbruikt voor criminele doeleinden, zoals het hosten van illegaal materiaal.
Om dit tegen te gaan heeft de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (hierna: ATKM) op 1 juli 2024, met de inwerkingtreding van de Wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal, nieuwe bevoegdheden gekregen. Deze wet geeft de ATKM de mogelijkheid om aanbieders van hosting- en communicatiediensten te verplichten online kinderpornografisch materiaal ontoegankelijk te maken en om bestuursrechtelijk op te treden wanneer zij dat nalaten.
Naast de inzet van de ATKM blijft het kabinet zich onverminderd inspannen om dit misbruik te voorkomen en krachtig te bestrijden. Voor verdere toelichting verwijs ik u naar het antwoord op vraag 3.
Welke wettelijke verplichtingen gelden op dit moment voor hostingbedrijven en internetproviders om kinderseksmisbruikmateriaal te detecteren, te melden en te verwijderen? Acht u deze verplichtingen toereikend, gezien de recente bevindingen? Kunt u hierbij ingaan op het toezichtkader en het ontbreken van afdwingbare meld- en verwijderverplichtingen?
Ter bestrijding van online seksueel kindermisbruik geldt in Nederland een samenhangend stelsel van nationale en Europese regels dat verplichtingen oplegt aan aanbieders van hosting- en internetdiensten bij het verwijderen en ontoegankelijk maken van kinderpornografisch materiaal, evenals over het toezicht daarop. Daarmee is voorzien in een robuust systeem van meld- en verwijderverplichtingen.
Op 17 februari 2024 is de Digitaledienstenverordening (Digital Services Act, hierna: DSA) volledig in werking getreden. Op grond van artikel 16 DSA zijn aanbieders van hostingdiensten verplicht een toegankelijk en gebruiksvriendelijk digitaal meldsysteem in te richten waarmee iedereen illegale online inhoud, zoals beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik, kan melden. Daarnaast verplicht artikel 18 DSA aanbieders van hostingdiensten om, zodra zij informatie ontvangen die wijst op een mogelijk strafbaar feit waarbij het leven of de veiligheid van personen in gevaar is, dit onverwijld te melden aan de bevoegde opsporings- of justitiële autoriteiten. De Europese Commissie houdt primair toezicht op naleving van de DSA door de 25 grootste aanbieders van online diensten. De lidstaten zijn verantwoordelijk voor het toezicht op de overige aanbieders van online diensten binnen hun eigen rechtsgebied. Vanaf 4 februari 2025 treden in Nederland de Autoriteit Consument & Markt (hierna: ACM) en de Autoriteit Persoonsgegevens (hierna: AP) op als de bevoegde toezichthouders voor de naleving van de DSA in Nederland.
De officier van justitie kan, in geval van een verdenking van een misdrijf, zoals het aanbieden of verspreiden van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik, met een machtiging van de rechter-commissaris, een aanbieder van een communicatiedienst bevelen om gegevens ontoegankelijk te maken op grond van artikel 125p van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv).
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 2, is op 1 juli 2024 de Wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal in werking getreden. Deze wet geeft de ATKM de bevoegdheid om aanbieders van hosting- en communicatiediensten te verplichten online kinderpornografisch materiaal te verwijderen of ontoegankelijk te maken, en om bestuursrechtelijk op te treden wanneer zij dat nalaten. De ATKM kan in dat geval een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete opleggen, die kan oplopen tot 10 procent van de jaarlijkse omzet van de onderneming.
Daarnaast kan de ATKM besluiten om dergelijke sanctiebesluiten openbaar te maken en zal dat in beginsel ook doen, gezien de schadelijke reputatie-effecten die daarvan uitgaan.
Internationaal gezien is de bestuursrechtelijke aanpak vernieuwend en er worden dan ook positieve effecten verwacht in het indammen van hosting van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik in Nederland. Nederland heeft daarmee een belangrijke en grote stap gezet in de aanpak van onwelwillende hostingbedrijven.
Bent u bereid beleid te ontwikkelen zodat hostingbedrijven verplicht kunnen worden om proactieve detectiemethoden toe te passen, zoals hash-databanken of AI-gebaseerde beeldherkenning, teneinde het verspreiden van kinderseksmisbruikmateriaal sneller te stoppen?
In de DSA is neergelegd dat lidstaten geen algemene verplichting mogen opleggen aan hostingbedrijven tot monitoring van de door hen doorgegeven of opgeslagen informatie noch tot actief onderzoek naar de feiten of omstandigheden die duiden op illegale activiteiten.
Artikel 7 DSA regelt echter dat aanbieders van hostingdiensten wel vrijwillig maatregelen kunnen nemen om illegale inhoud, zoals beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik, te detecteren en te verwijderen, zonder dat zij daarmee hun aansprakelijkheidsbescherming verliezen.
In dat kader wordt door de sector al gebruik gemaakt van hash-databanken. Een bekend voorbeeld hiervan is de HashCheckService (hierna: HCS): een gratis tool, die het mogelijk maakt om bekend beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik snel te identificeren en van het internet te verwijderen. Met de applicatie kunnen hostingproviders controleren of geüpload materiaal op hun servers in de database van de HCS voorkomt. De database bevat hashlijsten van bekend beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik, onder meer afkomstig van de Nederlandse politie en Interpol.
Hoe verhoudt de Nederlandse wetgeving zich tot de voorgenomen Europese verordening inzake seksueel misbruik van kinderen, die lidstaten verplicht om hosting van dergelijk materiaal actiever te bestrijden? Welke voorbereidingen treft Nederland voor implementatie van deze verordening?
De voorgenomen EU-Verordening inzake seksueel misbruik van kinderen bevat ten opzichte van de bestaande Nederlandse wetgeving en als lex specialis van de DSA, aanvullende en specifiekere verplichtingen met het oog op het tegengaan van de verspreiding van online beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik.
Aanbieders van hostingdiensten en interpersoonlijke communicatiediensten moeten op grond van de voorgestelde verordening een risicobeoordeling uitvoeren om vast te stellen in welke mate hun diensten kunnen worden gebruikt voor de verspreiding van online beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik of voor grooming doeleinden.
Verder moeten zij mitigerende maatregelen treffen om die risico’s te verkleinen en meldingen doen van geconstateerd materiaal aan het nieuw op te richten Europees Centrum voor de bestrijding van seksueel misbruik van kinderen, dat gaat fungeren als een kennis- en coördinatiepunt. Uiteindelijk moeten deze bedrijven het desbetreffende materiaal verwijderen of ontoegankelijk maken.
In het meest recente voorstel is verplichte detectie van online seksueel beeldmateriaal van kinderen helemaal geschrapt. In plaats daarvan wordt voorgesteld de mogelijkheden die bedrijven nu op grond van een tijdelijke derogatieregeling hebben om op eigen initiatief detecteren, permanent te maken. Op 26 november jl. heeft de Raad een positie ingenomen ten aanzien van dit voorstel. Het betekent dat de Raad klaar is om de onderhandelingen met het Europees parlement en de Europese Commissie in te gaan, in de zogeheten triloog. Wanneer de triloog start, is er aldus nog geen definitieve wet. De uiteindelijke impact van de Verordening, ook in relatie tot het bestaande nationaalrechtelijke wettelijke kader, is daarom nog niet met zekerheid vast te stellen. Het kabinet neemt actief deel aan de onderhandelingen en overlegt hierover regelmatig met relevante ketenpartners. Een verordening heeft rechtstreekse werking. Mocht de verordening in de toekomst worden aangenomen, dan zal ook dan moeten worden bezien in hoeverre aanvullende nationale wetgeving nodig is om effectief uitvoering te kunnen geven aan de verordening.
Hoeveel capaciteit is er binnen politie en Openbaar Ministerie beschikbaar voor digitale opsporing en handhaving op het gebied van kinderseksmisbruikmateriaal? Zijn er signalen dat het huidige capaciteitsniveau onvoldoende is om de omvang van het probleem aan te pakken?
De verantwoordelijkheden voor het aanpakken van misstanden bij de hosting van illegale data liggen primair bij andere organisaties dan de politie. Zo is er in de eerste plaats een verantwoordelijkheid voor de hostingpartijen zelf. Daarnaast houden organisaties als Offlimits, de ATKM, de ACM (naleving DSA) en de AP (voor vraagstukken omtrent privacy) zich bezig met online beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik.
Binnen de politie wordt de aanpak van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik uitgevoerd door de Teams ter Bestrijding van Kinderpornografie en Kindersekstoerisme (TBKK). De capaciteit van deze teams is de afgelopen jaren uitgebreid met 26 fte, waardoor er eind augustus 2025 in totaal 152 fte werkzaam waren. Het kabinet investeert in de aanpak van online seksueel kindermisbruik door de politie. Deze investering is nodig vanwege de groei van het aantal meldingen, en daarmee van data, en de toenemende complexiteit van opsporingsonderzoeken, onder meer door AI en end-to-end encryptie. Hiervoor is structureel 2 miljoen euro extra beschikbaar gesteld. Het streven is om de capaciteit verder uit te breiden met specialistische zij-instromers.
Daarmee wordt het opsporingsvermogen versterkt, onder andere via de ontwikkeling van specifieke tooling en de inzet van AI. Desondanks blijft de hoeveelheid beeldmateriaal groter dan de beschikbare politiecapaciteit, waardoor prioritering noodzakelijk is. De hoogste prioriteit ligt bij zaken waarbij het risico op actueel («hands-on») misbruik het grootst is.
Het Openbaar Ministerie (hierna: OM) beschikt over gespecialiseerde officieren van justitie die zich bezighouden met seksuele misdrijven. Bij de arrondissementsparketten worden zaken van seksueel kindermisbruik opgepakt door de daartoe opgeleide officieren. Bij het Landelijk Parket is een team van vijf gespecialiseerde officieren specifiek gericht op de aanpak van online/transnationaal seksueel kindermisbruik. Sinds de inwerkingtreding van de Wet seksuele misdrijven is daarnaast geïnvesteerd in opleiding en certificering van officieren bij arrondissementsparketten, zodat de beschikbare expertise wordt versterkt.
Ook het OM benoemt de groei van het aantal meldingen, en daarmee van data, en de toenemende complexiteit van opsporingsonderzoeken, onder meer door technologische ontwikkelingen.
De werkdruk bij officieren van justitie is structureel hoog. Bovendien is het aangetroffen beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik in toenemende mate ernstiger en schokkender, wat een zwaardere werklast met zich meebrengt. Desondanks zijn er bij het OM op dit moment geen signalen dat het huidige capaciteitsniveau onvoldoende is ten opzichte van de instroom van zaken vanuit de politie, mede dankzij de wijze waarop zaken worden geprioriteerd door het OM.
Hoeveel tijd verstrijkt er gemiddeld tussen het moment dat kinderseksmisbruikmateriaal wordt gemeld en het moment dat het daadwerkelijk van Nederlandse servers is verwijderd? Zijn er streefwaarden of normen vastgesteld voor een maximale doorlooptijd? Zo ja, in hoeveel procent van de gevallen worden deze normen gehaald?
In Nederland is de afspraak gemaakt met de sector dat meldingen door Offlimits van online seksueel kindermisbruik binnen 24 uur behandeld moeten worden. In
2024 (tot en met oktober) werd ongeveer 59% van deze meldingen van Offlimits door de branche adequaat en binnen 24 uur opgepakt.
Vrijwel alle hostingpartijen werken goed mee. Hoewel zij de 24uurs norm wellicht niet altijd halen (zeker wanneer het kleine bedrijven zijn), wordt er adequaat gereageerd op verwijderverzoeken en wordt strafbaar materiaal offline gehaald.
Wanneer er sprake is van een zogenoemde «bad hosters» die structureel niet of te laat reageren, kan de ATKM sanctionerend optreden tegen deze weigerende partijen. Sinds 1 juli 2024 kunnen boetes worden opgelegd door de ATKM. Op grond van artikel 6, lid 4, onderdeel c, van de Wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal moet de ATKM in elk bevel een termijn opnemen waarbinnen het materiaal ontoegankelijk moet worden gemaakt. Deze termijn bedraagt ten hoogste twaalf uur.
Hoe beoordeelt u de effectiviteit van de samenwerking tussen Nederland en internationale partners zoals Europol, INHOPE en NCMEC, om hosting en verspreiding van kinderseksmisbruikmateriaal grensoverschrijdend te bestrijden?
De samenwerking tussen Nederland en internationale partners zoals Europol, INHOPE en NCMEC is van groot belang voor de aanpak van de grensoverschrijdende hosting en verspreiding van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik. Nederland werkt intensief samen met deze organisaties om informatie-uitwisseling, opsporing en verwijdering van illegaal materiaal te versterken.
Zo coördineerde Europol begin dit jaar voor het eerst een grootschalige operatie die specifiek gericht was op AI-gegenereerd beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik («Operatie Cumberland»). Deze actie leidde tot de aanhouding van 25 verdachten in 19 landen, waaronder enkele in Nederland. De Nederlandse politie speelde hierbij een actieve rol. Daarnaast faciliteert Eurojust de juridische samenwerking tussen lidstaten, waardoor grensoverschrijdende strafzaken efficiënter kunnen worden afgehandeld en activiteiten van nationale autoriteiten beter op elkaar kunnen worden afgestemd.
Het Nederlandse Meldpunt Kinderporno van Offlimits is onderdeel van het internationale INHOPE-netwerk, welke bijdraagt aan een snelle internationale aanpak. Meldingen van beeldmateriaal kunnen via dit netwerk direct worden doorgestuurd naar de bevoegde autoriteiten in het betreffende land, wat de verwijdering van illegale content aanzienlijk versnelt.
Tot slot vormt NCMEC een belangrijke informatiebron over de omvang en aard van online beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik.
Bent u voornemens om krachtige, afdwingbare maatregelen, zoals strengere wetgeving die hostingbedrijven verplicht tot actieve detectie en snelle verwijdering van dergelijk materiaal, stevige handhaving bij overtredingen, en intensievere internationale samenwerking te nemen om te voorkomen dat Nederland het knooppunt blijft voor het hosten van kinderseksmisbruikmateriaal?
Zoals hierboven is toegelicht beschikt Nederland over een samenhangend stelsel van nationale en Europese regels dat hosting- en internetdiensten verplicht om beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik te melden, te verwijderen en ontoegankelijk te maken. Het kabinet zet zich blijvend in om online seksueel kindermisbruik te voorkomen en te bestrijden. Voor nadere toelichting verwijs ik u naar de antwoorden op de vragen 3, 4, 7 en 8.
Daarnaast onderzoekt het kabinet maatregelen om de zogenaamde bad hosters beter aan te kunnen pakken in de toekomst. De uitkomsten van een eerste verkenning hiervoor is op 27 juni jl. naar uw Kamer verzonden.2
Welke mogelijkheden ziet u om extra financiële middelen en capaciteit beschikbaar te stellen om de digitale opsporing en handhaving te versterken, de verwijdering van kinderseksmisbruikmateriaal te versnellen en slachtoffers beter te identificeren en te ondersteunen?
Zoals in het antwoord op vraag 6 is aangegeven, liggen de verantwoordelijkheden voor het aanpakken van misstanden bij de hosting van illegale data primair bij andere organisaties dan de politie. Daarnaast investeert het kabinet in de aanpak van online seksueel kindermisbruik door de politie, onder andere door de capaciteit van de TBKK’s vanaf dit jaar uit te breiden. Gezien de financiële opgave bij de politie ziet het kabinet momenteel geen mogelijkheden om aanvullend hierop extra financiële middelen te vinden binnen de politiebegroting.
Voor het antwoord op de vraag hoe de verwijdering van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik kan worden versneld, verwijs ik u naar het antwoord op vraag 7.
Bent u voornemens om hostingbedrijven en datacenters wettelijk te verplichten tot transparante rapportage over het aantal meldingen, verwijderingen en handhavingsacties met betrekking tot kinderseksmisbruikmateriaal?
Artikel 15 van de DSA verplicht aanbieders van online diensten om jaarlijks transparantierapporten te publiceren over hun activiteiten op het gebied van contentmoderatie. Deze rapporten moeten onder meer inzicht geven in verwijderingsbevelen van autoriteiten, meldingen van illegale inhoud, en de maatregelen die aanbieders op eigen initiatief hebben genomen om inhoud te modereren. De verplichting geldt niet voor micro- en kleine ondernemingen, tenzij zij worden aangemerkt als zeer groot onlineplatform.
De ATKM heeft in 2024 het beheer van de zogenaamde TU Delft monitor overgenomen. Met de monitor werd door de TU Delft in beeld gebracht in hoeverre aanbieders van hostingdiensten gehoor gaven aan verzoeken beeldmateriaal te verwijderen.
Bent u bereid om de Kamer jaarlijks te rapporteren over de omvang van kinderseksmisbruikmateriaal dat in Nederland wordt gehost, de resultaten van verwijderingen en de voortgang van beleid en handhaving?
Over de omvang van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik dat in Nederland wordt gehost wordt reeds door diverse organisaties gerapporteerd, waaronder de politie, het OM, Europol, Offlimits, ATKM, INHOPE en NCMEC. De inzichten van deze organisaties worden door het kabinet benut om het toezicht, de opsporing en het beleid gericht verder te versterken en om waar nodig aanvullende maatregelen te ontwikkelen.
De Kamer wordt jaarlijks via de voortgangsbrief Zeden geïnformeerd over de ontwikkelingen in de aanpak van online seksueel kindermisbruik in het voorgaande jaar.
De berichtgeving omtrent uitlatingen van de heer Wilders die door de politie zijn weersproken. |
|
Ismail El Abassi (DENK) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van NOS en de berichtgeving van Nieuwsuur waarin de politie vraagtekens plaatst bij het door de heer Wilders tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen geschetste verhaal over een mishandelde vuilnisvrouw in Utrecht?1
Ja.
Klopt het dat de politie dit incident heeft gekwalificeerd als een verkeersruzie die uitmondde in een eenvoudige mishandeling, en dat daarbij geen sprake was van een «toeloop van twintig Marokkanen», zoals door de heer Wilders werd beweerd?
Ja.
Hoe beoordeelt u het dat een fractievoorzitter tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen een incident aanhaalt, terwijl de politie dit beeld nadrukkelijk tegenspreekt? Acht u dit een vorm van misleiding van de Kamer?
Het staat Kamerleden vrij om hun eigen woorden te kiezen. Als Minister van Justitie en Veiligheid acht ik mij niet in de positie om te oordelen over uitspraken die in de Tweede Kamer door Kamerleden worden gedaan. Zij zijn daar zelf verantwoordelijk voor.
Vindt u dat volksvertegenwoordigers een bijzondere verantwoordelijkheid hebben om feiten juist en zorgvuldig weer te geven, zeker tijdens een belangrijk debat als de Algemene Politieke Beschouwingen? Zo ja, welke gevolgen verbindt u daaraan wanneer dat niet gebeurt?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de opvatting dat het onterecht framen van bevolkingsgroepen, in dit geval «Marokkanen», op basis van onjuiste of overdreven verhalen een negatieve impact heeft op het maatschappelijk vertrouwen en de sociale cohesie?
Zie antwoord vraag 3.
Welke mogelijkheden ziet u om te voorkomen dat dergelijke misleidende of onjuiste uitspraken door politici zoals de heer Wilders bijdragen aan stigmatisering en polarisatie in de samenleving?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met de politie en het Openbaar Ministerie om te bezien of er aanvullende richtlijnen nodig zijn om misbruik of manipulatief gebruik van politie-informatie in politieke debatten tegen te gaan?
Nee. Het betrof geen politie-informatie, maar informatie die beschikbaar is in openbare publieke bronnen.
Klopt het dat de Utrechtse burgemeester Sharon Dijksma inmiddels in overleg met de betrokken vrouw heeft besloten dat er alsnog aangifte wordt gedaan? Zo ja, kunt u aangeven hoe dit traject verder wordt begeleid en welke juridische kwalificatie daarbij nu voorligt?
Ik laat mij niet uit over individuele casuïstiek.
Welke waarborgen zijn er dat de uitkomst van een dergelijke aangifte op objectieve wijze wordt beoordeeld, los van politieke framing of druk vanuit welke partij dan ook?
Ik vertrouw op een juiste afhandeling van deze aangifte door politie en het Openbaar Ministerie en heb geen aanwijzingen om daaraan te twijfelen.
Kunt u bevestigen dat dit incident van het verschaffen van valse informatie door de heer Wilders over strafrechtelijke zaken niet op zichzelf staat, aangezien de politie enkele weken eerder eveneens uitspraken van de heer Wilders over de zaak-Lisa publiekelijk moest corrigeren?
Zie antwoord vraag 3.
Acht u het zorgelijk dat er sprake lijkt van een patroon waarin dezelfde politicus onjuiste of overdreven beweringen doet die door de politie ontkracht worden, met het risico van onrust, stigmatisering en verlies van vertrouwen in instituties?
Zie antwoord vraag 3.