Een plan B voor de asielnoodmaatregelenwet en de Novelle |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw uitspraak in het commissiedebat over de Tweede cyclus van de spreidingswet van 23 april jongstleden dat u de maandag voorafgaand aan de stemming over de asielwetten in de Eerste Kamer (telefonisch) contact heeft gehad met «enkele mensen», ter voorbereiding van een plan B?
Mijn uitspraken ten tijde van genoemd debat zijn mij bekend.
Klopt het dat u in ieder geval contact heeft gehad met de Minister-President en eerste vicepremier Yeşilgöz?1
Zoals meermaals met de Kamer is gedeeld2, is het voor het goede functioneren van het parlementaire proces noodzakelijk dat er ruimte bestaat voor vertrouwelijke contacten tussen deelnemers aan dat proces. Dat geldt met het oog op de eenheid van kabinetsbeleid in het bijzonder voor communicatie tussen de leden van het kabinet onderling. Om geen onnodige onduidelijkheid over de gang van zaken te laten bestaan, ben ik desalniettemin tijdens het in vraag 1 genoemde debat al op deze kwestie ingegaan. Ik heb aangegeven dat ik enkele collega bewindspersonen kort voor de stemmingen vooraf wilde informeren over hoe ik zou reageren mocht een van de wetsvoorstellen worden verworpen. Dat betroffen de Minister-President en eerste vicepremier. Ik heb daaraan verder niets toe te voegen.
Met welke personen heeft u vooraf aan de stemmingen nog meer (telefonisch) contact gehad wat relevant is met betrekking tot het tot stand komen van plan B?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 2. Buiten degenen die ik noemde in het antwoord op vraag 2 heb ik vanzelfsprekend hierover ook contact gehad met mijn ministerie. In de aanloop naar de stemmingen heb ik vanaf maandag met hierbij betrokken ambtenaren gesproken over de mogelijke scenario’s voor het verloop van de stemmingen en hoe daarna vervolgens te handelen. Dat was niet zoals de vraagstelling suggereert als zodanig een «plan B». Wat de scenario’s van de gesneuvelde onderdelen van de asielnoodmaatregelenwet inhouden, heb ik ook toegelicht tijdens het genoemde debat. Drie onderdelen van de Asielnoodmaatregelenwet worden niet ook geregeld in de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en Migratiepact 2026, te weten de afschaffing van de rechterlijke dwangsom, de uitbreiding van de mogelijkheden voor ongewenstverklaring en de strafbaarstelling van terugkeerfrustreerders. Ik heb er kennis van genomen dat leden Diederik van Dijk en Boomsma inmiddels opnieuw een amendement over het afschaffen van rechterlijke dwangsommen in vreemdelingenzaken hebben ingediend. Ditmaal in het kader van het traject dat zal gaan leiden tot de Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring.3
Voor de uitbreiding van de ongewenstverklaring heb ik inmiddels een nota van wijziging ingediend in datzelfde traject. Voorts kom ik met een zorgvuldig proces rondom de strafbaarstelling van de terugkeerfrustreerders om te voorkomen dat het politiek rommelige proces dat hieraan in de vorige periode vooraf is gegaan, opnieuw plaatsvindt, en om ervoor te zorgen dat ertoe doende advisering plaatsvindt en er voldoende gesprek is met maatschappelijke organisaties. Over de ontwikkelingen langs deze drie lijnen zal ik vanzelfsprekend op de gebruikelijke wijze met uw Kamer communiceren en verantwoording afleggen.
Kunt u een volledig overzicht met namen, functies en het tijdstip van contact met de Kamer delen?
Zie antwoord vraag 3.
Wat was de inhoud van deze (telefoon)gesprekken?
Zie antwoord vraag 3.
Waarom heeft u ervoor gekozen om juist voorafgaand aan de stemming in de Eerste Kamer deze contacten te leggen?
Zie antwoord vraag 3.
Wanneer exact is gestart met de voorbereiding van dit «plan B»? Kunt u een precieze tijdlijn geven van de ambtelijke en politieke besluitvorming?
De inzet is te allen tijde geweest ervoor te zorgen dat de wetsvoorstellen het zouden halen. Zoals al opgemerkt heb ik in de aanloop naar de stemmingen op 21 april vanaf maandag 20 april met hierbij betrokken ambtenaren gesproken over de mogelijke scenario’s voor het verloop van de stemmingen en hoe daarna vervolgens te handelen.
In welke ministerraad of ander overleg is besloten om dit alternatieve wetgevingstraject op te starten? Wanneer en door wie en in opdracht van wie is besloten om plan B bekend te maken aan het publiek?
Tijdens het meergenoemde commissiedebat gaf ik al aan dat niet voorafgaand aan de stemmingen in de ministerraad of anderszins over alternatieven is besloten.
In wiens opdracht is een plan B gemaakt?
Zoals in het antwoord op vraag 7 al is aangegeven is vanaf maandag 20 april gesproken over de mogelijke scenario’s. Na de stemmingen gaf ik de opdracht om daadwerkelijk alternatieven uit te werken.
Was de fractie van D66 in de Eerste Kamer voorafgaand aan de stemming op de hoogte van het bestaan van dit «plan B»?
Zie antwoord vraag 3.
Heeft u zelf, direct of indirect, informatie over dit «plan B» gedeeld met leden van de Eerste Kamer, in het bijzonder met senatoren van D66?
Zie antwoord vraag 3.
Welke senatoren van zowel D66 als andere Eerste Kamerfracties waren op de hoogte van plan B?
Dat is bij mij niet bekend. Voor het overige verwijs ik naar het antwoord op de vragen 2 tot en met 6, 10, 11 en 16.
Kunt u ondubbelzinnig uitsluiten dat senatoren van D66 of van andere Eerste Kamerfracties voorafgaand aan de stemming op de hoogte waren van het bestaan van alternatieve wetgeving?
Zie antwoord vraag 12.
Kunt u uitsluiten dat kennis over een dergelijk «plan B» van invloed is geweest op het stemgedrag in de Eerste Kamer?
Het is niet aan mij wat van invloed is op het stemgedrag van leden van de senaat. Verder verwijs ik naar het antwoord op de vragen 12 en 13.
Deelt u de opvatting dat het gelijktijdig voorbereiden van nieuwe wetgeving, terwijl bestaande wetsvoorstellen nog in behandeling zijn, afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van het wetgevingstraject richting de Eerste Kamer?
De inzet is te allen tijde geweest ervoor te zorgen dat de wetsvoorstellen het zouden halen. Het voorbereiden op mogelijke uitkomsten van de stemmingen doet geen afbreuk aan de geloofwaardigheid van het wetgevingstraject richting de Eerste Kamer. Verder verwijs ik u naar de antwoorden op vragen 7 en 9.
Bent u bereid alle relevante documenten, waaronder memo’s, gespreksverslagen, appberichten en e-mails met betrekking tot deze contacten en de voorbereiding van «plan B» en de aankondiging daarvan, aan de Kamer te doen toekomen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Vreemdelingen- en asielbeleid van van 13 mei?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het bericht 'COA mag pendelbus asielboot niet stopzetten en gaat in gesprek met gemeente over toekomst' |
|
Jeltje Straatman (CDA) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «COA mag pendelbus asielboot niet stopzetten en gaat in gesprek met gemeente over toekomst»?1
Ja
Klopt het dat er op dit moment nog een pendelbus rijdt van en naar de asielopvanglocatie MS Galaxy en dat deze vanaf mei wordt geschrapt?
Na gesprekken tussen het COA en de gemeente heeft het COA in april 2026 besloten om de pendelbus langs de lopende afspraken uit de bestuursovereenkomst in te blijven zetten ter bevordering van de bereikbaarheid van de locatie. Alle bewoners van de locatie kunnen hier gebruik van maken en zijn hierover geïnformeerd. Het gebruik van de bus is conform de gemaakte afspraken altijd mogelijk geweest voor de gehele groep bewoners. Onder de gebruikers bevonden zich ook schoolgaande kinderen. Deze doelgroep woont inmiddels niet meer op het asielschip. Het COA houdt centraal geen registratie bij van het aantal bewoners dat gebruik maakt van de pendelbus. Operationeel wordt echter gemonitord en geëvalueerd of de pendelbus aansluit bij een behoefte van de bewoners en of deze nodig is voor de bereikbaarheid van de COA locatie. Hieruit blijkt dat de pendelbus op dit moment nodig is.
Klopt het dat de pendelbus oorspronkelijk was bedoeld voor naar school gaande kinderen, maar dat deze doelgroep inmiddels niet meer woont op het asielschip?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u inzichtelijk maken in welke mate momenteel gebruik wordt gemaakt van de pendelbus?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe is de financiering van de pendelbus opgebouwd en hoeveel kost deze bus per maand? Betaalt het Rijk mee aan deze pendelbus?
De inzet van de pendelbus is onderdeel van gemaakte afspraken tussen het COA en de gemeente rondom opvang van bewoners op de boot. Het COA zet publieke middelen zo doelmatig en efficiënt in als mogelijk is. Juist ter bevordering daarvan worden onderliggende financiële afspraken niet geopenbaard. De pendelbus wordt gefinancierd uit het COA-kader voortkomend uit de rijksbegroting.
Kunt u aangeven wat het standpunt van de gemeente Amsterdam betekent voor de (toekomst van de) opvangplekken op de opvanglocatie, nu de gemeente tegen het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) heeft gezegd dat de pendelbus behouden moet blijven?
Zoals aangegeven is de pendelbus onderdeel van de bestuursovereenkomst met het COA en zijn het COA en de gemeente gekomen tot een passende oplossing. Op operationeel niveau evalueren het COA en de gemeente periodiek of de inzet van de pendelbus in een behoefte voorziet en of deze noodzakelijk is voor de bereikbaarheid van de COA locatie.
Kunt u uiteenzetten welke juridische verplichtingen bestaan om de bereikbaarheid van een opvanglocatie te borgen en in hoeverre die verplichtingen noodzakelijkerwijs neerkomen op een aparte pendelbus in plaats van regulier Openbaar Vervoer (OV) of andere voorzieningen?
Er bestaat geen expliciete wettelijke norm die de bereikbaarheid van opvanglocaties met ov en/of alternatief vervoer vastlegt. Goede bereikbaarheid is echter wel onderdeel van het COA plan van eisen. In de praktijk wordt dit geborgd via de lokale vergunningverlening en het omgevingsrecht aangevuld met bestuurlijke afspraken tussen gemeente, vervoerder en COA. De kern is dat bewoners en bezoekers de locatie redelijkerwijs moeten kunnen bereiken.
Bent u het eens met de stelling dat alleen in uitzonderlijke gevallen pendelbussen ingezet moeten worden en dat zoveel als mogelijk voor asielzoekers dezelfde voorzieningen moeten gelden als voor Nederlanders?
Het heeft de voorkeur dat asielopvang voldoende bereikbaar is zonder inzet van een pendelbus. Het is echter van primair belang dat opvang kan worden geboden aan iedereen die daar recht op heeft. De inzet van noodopvang zoals de Galaxy in Amsterdam, in dit geval inclusief afspraken over bereikbaarheid en mobiliteit, is daarom voorlopig noodzakelijk vanwege de grote druk op de asielopvang. Het inzetten van een pendelbus is echter ook bij dit soort noodopvang geen standaardpraktijk. Alleen wanneer de bereikbaarheidssituatie geen andere mogelijkheden biedt wordt deze optie overwogen.
Het bericht 'Legal advisers help migrants pose as gay to get asylum, undercover BBC investigation finds' |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Legal advisers help migrants pose as gay to get asylum, undercover BBC investigation finds»?1
Ja.
Zijn er in Nederland signalen dat adviseurs, tussenpersonen of organisaties asielzoekers helpen bij het construeren van valse verklaringen of bewijsstukken op grond van seksuele gerichtheid? Acht u het risico reëel dat dit ook in Nederland voorkomt?
Het is niet uit te sluiten dat vreemdelingen ook in Nederland hulp krijgen bij het construeren van een asielrelaas op grond van seksuele gerichtheid. Daarbij zijn verschillende varianten denkbaar en deze vorm van fraude is lastig te onderkennen. Op dit moment zijn echter geen concrete signalen dat adviseurs, tussenpersonen of organisaties asielzoekers helpen bij het opstellen van valse verklaringen of bewijsstukken.
Komt het in Nederland voor dat de aanvraag van asielzoekers wordt ingewilligd omdat zij claimen te behoren tot een (vervolgde) lhbtiq+-gemeenschap, om vervolgens na inwilliging een heteroseksuele partner over te laten komen? Zo ja, hoe vaak kwam dit voor in 2025 en 2024?
Vooropgesteld: een asielzoeker hoort geen verblijfstitel te verkrijgen door
valse verklaringen af te leggen over de seksuele gerichtheid. Dit is misleiding van de autoriteiten en mag niet worden beloond. Waar mogelijk zal in zulke gevallen de verleende verblijfsvergunning worden ingetrokken.
De IND registreert momenteel asielmotieven niet op gestructureerde, telbare wijze en daarmee kan niet worden bepaald hoeveel vreemdelingen een vergunning asiel hebben verkregen op basis van de seksuele gerichtheid. De seksuele gerichtheid van vreemdelingen wordt ook niet op gestructureerde wijze in de systemen geregistreerd.
Wordt binnen de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM), het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) of andere ketenpartners bijgehouden of sprake is van patronen van gecoachte verklaringen, laat opgeworpen asielmotieven of opgebouwd steunbewijs bij dit type aanvragen? Zo nee, waarom niet?
De IND is alert op fraude. Daarvoor is een informatieknooppunt2 ingericht waar signalen van buitenaf maar ook door IND medewerkers zelf kunnen worden doorgegeven. Hier worden deze signalen verzameld, geregistreerd en wordt de informatie waar mogelijk verrijkt. Vervolgens wordt beoordeeld of dit aanleiding geeft om verder onderzoek te doen en/of kenbaar binnen de organisatie te delen zodat ook medewerkers hierop kunnen acteren.
De IND houdt niet bij hoe vaak specifiek gecoachte verklaringen, laat opgeworpen asielmotieven of opgebouwd steunbewijs zijn aangevoerd in aanvragen waarin LHBTIQ+ is aangevoerd als motief. De IND onderkent dat fraudesignalen rond dit motief kunnen binnenkomen en is hier zeer alert op. Indien deze signalen reden genoeg vormen om daarop te handelen, zal de IND dat doen. De mogelijkheden daarvoor zijn het doen van aangifte, het betrekken van de signalen (en dus mogelijk valse of fraudeleuze stukken) bij de beoordeling (afwijzing) van de aanvraag en/of het opnieuw beoordelen van een reeds verleende vergunning.
Wat gebeurt er als na inwilliging blijkt dat een asielzoeker heeft gelogen over zijn geaardheid om meer kans te krijgen op een verblijfsstatus? Hoe vaak werd dit in 2025 en in 2024 geconstateerd?
Wanneer de IND na inwilliging van de asielaanvraag een fraudesignaal ontvangt zal hier verder onderzoek naar gedaan worden en kan dit leiden tot een mogelijke intrekking van de verblijfsvergunning.
Om tot een intrekking over te kunnen gaan dient de IND aan te tonen dat er sprake is van een intrekkingsgrond. De bewijslast rust op de IND wat betekent dat de IND zal moeten bewijzen dat er zowel nu als destijds sprake is geweest van een onterecht beroep op asielbescherming. Het toetsingskader ten behoeve van een intrekking is daarmee complex.
Zoals toegelicht in antwoord op vraag 3, wordt de (seksuele) gerichtheid niet gestructureerd geregistreerd.
Hoe wordt in de Nederlandse implementatie van het EU Asiel- en Migratiepact geborgd dat screening, identificatie en registratie beter helpen om dit soort misbruik vroegtijdig te herkennen?
Met invoering van het Migratiepact wordt de screening van vreemdelingen die in Ter Apel asiel aanvragen bij de IND ondergebracht. Tijdens de screening wordt ook informatie opgehaald ter voorbereiding van de behandeling van de asielaanvraag. Met deze informatie worden direct alle relevante onderzoeken gestart. Vervolgens vindt zo snel mogelijk het gehoor plaats. Het streven is dat dit binnen twee maanden plaatsvindt. Hierdoor heeft de IND snel alle informatie om de asielaanvraag te beoordelen maar ook om signalen van fraude te herkennen.
Bent u bereid in kaart te brengen of binnen de implementatie van het Pact aanvullende maatregelen nodig zijn om misbruik van asielgronden tegen te gaan, zonder afbreuk te doen aan de bescherming van daadwerkelijk vervolgde lhbtiq+-personen?
Zoals reeds aangegeven, is er reeds een systeem ingericht om fraude te signaleren en tijdig op signalen van fraude te acteren. Dit systeem blijft onverminderd van kracht, zowel voor asielzaken (waar het Pact op van toepassing is), als ook reguliere en nareiszaken. Voor nu zie ik geen aanleiding om hierop nog aanvullende maatregelen in kaart te brengen.
Het bericht dat er een snelle toename is van het aantal asielzoekers met “nationaliteit onbekend” |
|
Diederik Boomsma (CDA), Simon Ceulemans (JA21) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het bericht in de Telegraaf «Ter Apel stroomt vol met mensen met «onbekende nationaliteit»: «Grootste deel is Palestijn»»?1
Zie de inhoudelijke beantwoording hieronder.
Naar welke cijfers van het Ministerie van Justitie en Veiligheid verwijst het artikel? Waar zijn die gepubliceerd?
De cijfers die in het artikel worden aangehaald zien op het aantal eerste asielaanvragen en de nationaliteiten van de aanvragers. Deze cijfers worden maandelijks door de IND gepubliceerd in Asylum Trends, te vinden via https://ind.nl/nl/over-ons/cijfers-en-publicaties/asieltrends.
Kunt u verklaren waarom er sprake is van een snelle toename van het aantal asielzoekers met nationaliteit onbekend?
De samenstelling van de categorie «nationaliteit onbekend» kan niet als zodanig uit het IND-systeem gehaald worden.
Vanwege de toename van registraties onder «onbekende nationaliteit» heeft de IND in december 2025 en januari 2026 de instroom binnen deze categorie op AC Ter Apel echter bijgehouden. Uit dit dossieronderzoek blijkt dat 98% van de bijna 600 gecontroleerde personen aangaf Palestijns te zijn. Ongeveer 84% kwam uit Gaza, 4% uit de Westelijke Jordaanoever en 12% elders. Opvallend is dat ongeveer 70% van deze gecontroleerde personen al een status in Griekenland heeft.
Klopt het dat een groot deel van deze groep bestaat uit Palestijnen?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat sommige vreemdelingen hun nationaliteit niet willen prijsgeven tijdens de procedure? Waarom is dat? En hoe kan hun relaas worden beoordeeld en daarmee het recht op asiel als ze hun nationaliteit niet willen prijsgeven?
Het klopt dat er niet altijd duidelijkheid is over de nationaliteit van de vreemdeling. De beoordeling van de identiteit, nationaliteit en herkomst van de vreemdeling is onderdeel van de asielprocedure. Dat een vreemdeling geregistreerd staat met onbekende nationaliteit hoeft hier echter niet mee te maken te hebben. Er zijn verschillende redenen waarom een vreemdeling geregistreerd kan staan met een onbekende nationaliteit. Het kan onder meer gaan om vreemdelingen die geen aannemelijke nationaliteit opgeven of stellen hun nationaliteit niet te weten of om in Nederland geboren kinderen van ouders van wie de nationaliteit niet is vastgesteld dan wel om vreemdelingen die de nationaliteit hebben van een land dat niet (meer) bestaat of door Nederland niet wordt erkend. In die laatste categorie vallen onder meer burgers van de voormalige Sovjet-Unie die nooit de nationaliteit van één van de nieuwe landen hebben gekregen of vreemdelingen afkomstig uit de Palestijnse gebieden die (nog) niet als staatloos kunnen worden aangemerkt.
Dat een vreemdeling met onbekende nationaliteit geregistreerd staat, wil niet zeggen dat ook onbekend is waar de vreemdeling vandaan komt en zijn gebruikelijke woon- en verblijfplaats had. Als de vreemdeling geen bekende nationaliteit heeft, maar er is geen twijfel over de identiteit en herkomst van de vreemdeling, kan de aanvraag getoetst worden aan het land van gebruikelijk verblijf. Het niet kunnen toewijzen van een nationaliteit hoeft dus niet in de weg te staan aan het kunnen beoordelen van de aanvraag.
Wat is bekend over de vraag langs welke route Palestijnse asielzoekers naar Nederland komen? Door hoeveel veilige landen hebben zij gereisd alvorens ze hier zijn aangekomen?
Zoals aangegeven in de voorgaande beantwoording lijkt het hier grotendeels te gaan om personen die al een asielstatus hebben in Griekenland. In algemene zin is niet te zeggen door hoeveel landen deze vreemdelingen hebben gereisd alvorens ze een aanvraag indienden in Nederland.
Is de toename van het aantal Palestijnse asielzoekers (of anderen van deze groep nationaliteit onbekend) te relateren of toe te schrijven aan een bepaalde recente keuze, beleidswijziging of besluit door de Nederlandse overheid? Kunt u hier een toelichting op geven?
Nee, niet zover mij bekend.
Of is de toename van het aantal Palestijnse asielzoekers te relateren aan een besluit, beleidswijziging of keuze van een ander land op de route? Kunt u hier een toelichting op geven?
Zie de antwoorden op de vragen 3, 4, 6 en 9.
Op welke manier hebben de Belgen het in augustus vorig jaar moeilijker gemaakt voor Palestijnen om bescherming te krijgen in dat land, en in hoeverre speelt dat een rol?
In het artikel waarnaar u in uw vragen verwijst, staat dat een Palestijnse asielzoeker in België minder kans heeft om asielbescherming te krijgen en geen recht heeft op opvang als hij al een verblijfsstatus heeft in een ander Europees land. In het Nederlandse beleid, ontleent aan het Unie-recht, wordt het verzoek van de asielzoeker niet-ontvankelijk verklaard als hij al bescherming heeft in een andere EU-lidstaat. Hierbij past wel de kanttekening dat ten aanzien van asielzoekers die in Griekenland bescherming hebben gekregen de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in een uitspraak van 28 juli 2021 het risico opnam dat zij bij terugkeer in dat land niet kunnen voorzien in de belangrijkste basisbehoeften, zoals wonen, eten en zich wassen. Naar aanleiding van die uitspraak beoordeelt de IND de aanvragen van Griekse statushouders inhoudelijk, tenzij de statushouder als zelfredzaam kan worden beschouwd. Voor zover ik heb begrepen, heeft de Belgische Raad van Vreemdelingenbetwisting in verschillende arresten daterend van 20 februari 2026 een soortgelijke conclusie bevestigd.
Ten aanzien van het onthouden van opvang aan de groep asielzoekers die al bescherming heeft gekregen in een andere lidstaat, schorste de Belgische Raad van State in een uitspraak van 27 maart 2026 de instructie van de Belgische Minister en stelde prejudiciële vragen aan het EU-Hof van Justitie over dit vraagstuk vragen. Uiteraard betrek ik de uitkomst van die procedure bij de eventuele handelingsperspectieven.
Het uitgangspunt blijft dat Nederland weer statushouders aan Griekenland kan overdragen. Het kabinet is doorlopend met de Commissie en Griekenland in gesprek en verkent waar zij actief kan ondersteunen bij het wegnemen van de bestaande belemmeringen. In dat kader steunt Nederland sinds januari 2025 voor de duur van twee jaar twee opvangtehuizen voor (jonge) Griekse statushouders van Movement on the Ground, een non-gouvernementele organisatie. Statushouders krijgen daar onderdak in een gemeenschappelijk huis in Athene, waar ze wonen met anderen, en worden begeleid en ondersteund bij de integratie in de Griekse samenleving (school, werk etc.).
Gezien de ontstane situatie heb ik, na contact met Movement on the Ground, besloten dat ook vanuit Nederland naar Griekenland terugkerende statushouders gebruik kunnen maken van deze plekken. Daarmee kan hun in Nederland ingediende asielverzoek «niet-ontvankelijk» worden verklaard. Daarbij zal het wel nog gaan om kleinere getallen. Maar samen met Griekenland, maar ook met België en Duitsland die met hetzelfde probleem zitten, en de Europese Commissie blijf ik in gesprek om ook structureel te voorzien in een oplossing voor de hele groep.
Aan de IND heb ik gevraagd om zaken van Griekse statushouders niet inhoudelijk te behandelen in afwachting van goede afspraken over terugkeer en opvang met Griekenland. Op die manier wordt voorkomen dat deze Griekse statushouders in Nederland asielbescherming verkrijgen in afwachting van deze nadere afspraken. Hiermee geef ik tevens invulling aan de motie van het lid Elian (VVD) daarover.
Op welke manier wordt gecontroleerd of Palestijnse asielzoekers lid zijn van, een functie hadden of hebben bij, dan wel banden of affiniteit hebben met Hamas of een andere terreurorganisatie?
Bij de beoordeling van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel, onderzoekt de IND standaard of de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid, of dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan zogenaamde 1F-gedragingen (ernstige misdrijven). Zie voor het toetsingskader C.2/7.10 en verder van de Vreemdelingencirculaire.
Onder meer bij brief van 27 juni 20252 is uw Kamer geïnformeerd over verschillende evaluaties over het onderkennen van signalen van mogelijke betrokkenheid bij radicalisering en terrorisme in de asiel- en nareisprocedure. Geconstateerd is dat de asiel- en nareisprocedure voldoende is ingericht om signalen te onderkennen die hier op wijzen.
Hoe beoordeelt u de kwaliteit van deze screening? Bent u van mening dat we adequaat zicht hebben op mogelijke banden met Hamas?
Zie antwoord vraag 10.
Bent u het eens met de stelling dat deze toename van asielzoekers onwenselijk is? Welke stappen gaat u zetten om te voorkomen dat dit verder toeneemt?
Dit kabinet wil meer grip krijgen op migratie. Naast de specifieke inzet beschreven in antwoord 9, geldt dat belangrijke stappen daarin de inwerkingtreding van het Pact en de recent aangenomen wet invoering tweestatusstelsel zijn.
Het bericht 'Ter Apel stroomt vol mensen met ’onbekende nationaliteit’: ’Grootste deel is Palestijn’' |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ter Apel stroomt vol mensen met «onbekende nationaliteit»: «Grootste deel is Palestijn»»?1
Ja
Hoe verhoudt het aantal asielaanvragen van januari en februari 2026 dat door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) is geregistreerd onder de noemer «onbekende nationaliteit» zich tot dezelfde periode in 2025? Is er sprake van een stijging, en zo ja, met hoeveel procent?
In 2026 tot en met februari werden 750 eerste asielaanvragen geregistreerd van vreemdelingen met een onbekende nationaliteit. In dezelfde periode in 2025 waren dat nog ca. 130 eerste asielaanvragen. Het aantal in 2026 tot en met februari is daarmee 489% hoger dan in dezelfde periode in 2025.
(Bron: IND Asylum Trends, januari 2026 en maart 2026. Cijfers afgerond op tientallen)
Hoeveel van de asielaanvragen in januari en februari 2026 die zijn geregistreerd onder de noemer «onbekende nationaliteit» zijn afkomstig van asielzoekers met een Palestijnse achtergrond? Hoe verhoudt dit aantal zich tot dezelfde periode in 2025?
De gevraagde cijfers kunnen niet als zodanig uit het IND-systeem gehaald worden. Iemand staat in dit geval immers geregistreerd onder «onbekende nationaliteit».
Vanwege de toename van registraties onder «onbekende nationaliteit» heeft de IND in december 2025 en januari 2026 de instroom binnen deze categorie op AC Ter Apel echter bijgehouden. Uit dit dossieronderzoek blijkt dat 98% van de bijna 600 gecontroleerde personen aangaf Palestijns te zijn. Ongeveer 84% kwam uit Gaza, 4% uit de Westelijke Jordaanoever en 12% elders. Opvallend is dat ongeveer 70% van deze gecontroleerde personen al een status in Griekenland heeft.
Voor de aanvragers die al bescherming hebben in Griekenland onderzoekt de IND of de aanvraag in Nederland ontvankelijk moet worden geacht, omdat de vreemdelingen niet naar Griekenland kunnen terugkeren, of dat de aanvraag als niet-ontvankelijk moet worden afgedaan. Zie ook het antwoord op vraag 7.
Daarnaast is de relatief hoge instroom van (staatloze) Palestijnen in de afgelopen jaren te verklaren door de conflicten in Syrië en, recenter, Libanon en de Palestijnse gebieden.
Wat zijn andere verklaringen voor de stijging van het aantal asielaanvragen die door de IND zijn geregistreerd onder de noemer «onbekende nationaliteit»?
Zie antwoord vraag 3.
In hoeverre heeft de IND inzicht in de samenstelling van de asielaanvragen die worden geregistreerd onder de noemer «onbekende nationaliteit?» Beperkt deze vorm van registratie de mogelijkheid van de IND en van uw ministerie om bij te sturen bij een plotselinge en onverwachte toename van de asielinstroom?
Er zijn verschillende redenen waarom een vreemdeling geregistreerd kan staan met een onbekende nationaliteit. Het kan onder meer gaan om vreemdelingen die geen aannemelijke nationaliteit opgeven of stellen hun nationaliteit niet te weten, om in Nederland geboren kinderen van ouders van wie de nationaliteit niet is vastgesteld of om vreemdelingen die de nationaliteit hebben van een land dat niet (meer) bestaat of door Nederland niet wordt erkend. In die laatste categorie vallen onder meer burgers van de voormalige Sovjet-Unie die nooit de nationaliteit van één van de nieuwe landen hebben gekregen of vreemdelingen afkomstig uit de Palestijnse gebieden die (nog) niet als staatloos kunnen worden aangemerkt.
Dat een Palestijn geregistreerd staat onder «onbekende nationaliteit» wil niet zeggen dat ook onbekend is waar de vreemdeling vandaan komt en waar hij zijn gebruikelijke woon- en verblijfplaats had. In dat geval kan het asielrelaas tegen deze achtergrond beoordeeld worden.
Welk beoordelingskader past de IND toe bij het beoordelen van asielaanvragen van asielzoekers met een Palestijnse achtergrond die al decennia in Syrië of Libanon verblijven? Heeft deze groep een grotere kans op een verblijfsvergunning dan Syriërs of Libanezen? Zo ja, wat is hiervan de oorzaak?
In elke asielaanvraag beoordeelt de IND eerst wat de identiteit, nationaliteit en herkomst van de vreemdeling is. Voor Palestijnen geldt dat dit, waar het om nationaliteit en herkomst gaat, sterk uiteenloopt en afhankelijk is van het land waar iemand zich bevond en het nationaliteitsbeleid dat daar wordt gevoerd. Daarom beoordeelt de IND eerst uit welk land de vreemdeling met een Palestijnse achtergrond afkomstig is en of hij de nationaliteit van dat land heeft of dat hij staatloos is. Wanneer een Palestijn de nationaliteit heeft verkregen van een land, dan toetst de IND de asielaanvraag op dezelfde wijze als de aanvragen van andere asielzoekers uit dat land.
Bij de beoordeling van een asielaanvraag van een Palestijn zonder nationaliteit van een land, toetst de IND altijd eerst aan artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag. Hiermee wordt vastgesteld of diegene onder het mandaat van UNRWA valt. Personen die bescherming of bijstand genieten van UNRWA zijn namelijk uitgesloten van de vluchtelingenstatus. Kortweg geldt dat deze personen direct recht hebben op de vluchtelingenstatus wanneer de bescherming of bijstand door de UNRWA ophoudt, om redenen buiten de invloed of onafhankelijk van de wil van de staatloze Palestijn (bijv. wegens een gewapend conflict), tenzij een andere uitsluitingsgrond van toepassing is, zoals artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag. Als artikel 1D niet van toepassing is op de asielaanvraag van een staatloze Palestijn, toetst de IND de asielaanvraag binnen de standaard asielprocedure aan de hand van het geldende kader of landenbeleid.
Bent u van plan om lessen te trekken uit de door België in augustus 2025 getroffen maatregelen om het voor asielzoekers met een Palestijnse achtergrond lastiger te maken om een verblijfsvergunning te krijgen?
In het artikel waarnaar u in uw vragen verwijst, staat dat een Palestijnse asielzoeker in België minder kans heeft om asielbescherming te krijgen en geen recht heeft op opvang als hij al een verblijfsstatus heeft in een ander Europees land. In het Nederlandse beleid, ontleent aan het Unie-recht, wordt het verzoek van de asielzoeker niet-ontvankelijk verklaard als hij al bescherming heeft in een andere EU-lidstaat. Hierbij past wel de kanttekening dat ten aanzien van asielzoekers die in Griekenland bescherming hebben gekregen de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in een uitspraak van 28 juli 2021 het risico opnam dat zij bij terugkeer in dat land niet kunnen voorzien in de belangrijkste basisbehoeften, zoals wonen, eten en zich wassen. Naar aanleiding van die uitspraak beoordeelt de IND de aanvragen van Griekse statushouders inhoudelijk, tenzij de statushouder als zelfredzaam kan worden beschouwd. Voor zover ik heb begrepen, heeft de Belgische Raad van Vreemdelingenbetwisting in verschillende arresten daterend van 20 februari 2026 een soortgelijke conclusie bevestigd.
Ten aanzien van het onthouden van opvang aan de groep asielzoekers die al bescherming heeft gekregen in een andere lidstaat, schorste de Belgische Raad van State in een uitspraak van 27 maart 2026 de instructie van de Belgische Minister en stelde prejudiciële vragen aan het EU-Hof van Justitie over dit vraagstuk vragen. Uiteraard betrek ik de uitkomst van die procedure bij de eventuele handelingsperspectieven.
Het uitgangspunt blijft dat Nederland weer statushouders aan Griekenland kan overdragen. Het kabinet is doorlopend met de Commissie en Griekenland in gesprek en verkent waar zij actief kan ondersteunen bij het wegnemen van de bestaande belemmeringen. In dat kader steunt Nederland sinds januari 2025 voor de duur van twee jaar twee opvangtehuizen voor (jonge) Griekse statushouders van Movement on the Ground, een non-gouvernementele organisatie. Statushouders krijgen daar onderdak in een gemeenschappelijk huis in Athene, waar ze wonen met anderen, en worden begeleid en ondersteund bij de integratie in de Griekse samenleving (school, werk etc.).
Gezien de ontstane situatie heb ik, na contact met Movement on the Ground, besloten dat ook vanuit Nederland naar Griekenland terugkerende statushouders gebruik kunnen maken van deze plekken. Daarmee kan hun in Nederland ingediende asielverzoek «niet-ontvankelijk» worden verklaard. Daarbij zal het wel nog gaan om kleinere getallen. Maar samen met Griekenland, maar ook met België en Duitsland die met hetzelfde probleem zitten, en de Europese Commissie blijf ik in gesprek om ook structureel te voorzien in een oplossing voor de hele groep.
Aan de IND heb ik gevraagd om zaken van Griekse statushouders niet inhoudelijk te behandelen in afwachting van goede afspraken over terugkeer en opvang met Griekenland. Op die manier wordt voorkomen dat deze Griekse statushouders in Nederland asielbescherming verkrijgen in afwachting van deze nadere afspraken. Hiermee geef ik tevens invulling aan de motie van het lid Elian (VVD) daarover.
Bent u van plan om soortgelijke maatregelen te treffen om het aantal asielaanvragen van asielzoekers met een Palestijnse achtergrond ook in Nederland te laten afnemen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Welke andere maatregelen kan Nederland verder nemen om het aantal asielzoekers met een Palestijnse achtergrond dat naar Nederland komt zoveel mogelijk te beperken? Bent u van plan deze maatregelen ook daadwerkelijk te implementeren? Zo nee, waarom niet?
Buiten de beschreven situatie van de Griekse statushouders, geldt dat de instroom van asielzoekers afhankelijk is van een groot aantal interne en externe op elkaar inwerkende factoren. Naast nationale maatregelen en EU-maatregelen, is instroom in belangrijke mate afhankelijk van internationale en geopolitieke ontwikkelingen. In het bijzonder is dat het geval als wordt gekeken naar de redenen van asielmigranten om te vertrekken. Deze complexiteit betekent niet dat sturen op asielmigratie onmogelijk is, maar wel dat sturing niet alleen moet plaatsvinden met enkele afzonderlijke maatregelen, maar met een samenhangend pakket aan maatregelen op het brede terrein van migratie en asiel, zowel nationaal als in EU-verband. De inwerkingtreding van het Pact op 12 juni aanstaande is daarbij belangrijk, net als de recent aangenomen wet invoering tweestatusstelsel.
In hoeverre kan de uitbreiding van het «veilig derde landen-concept» ertoe leiden dat asielaanvragen van asielzoekers met een Palestijnse achtergrond sneller kunnen worden afgewezen? Wanneer denkt u dat de effecten hiervan zichtbaar zullen zijn in de instroomcijfers?
Vanaf 12 juni 2026 is het bandencriterium niet langer een verplichtende voorwaarde om het veilig derde land-concept te kunnen toepassen. Onder het Pact kan de IND een derde land tegenwerpen als veilig derde land:
De overige bestaande voorwaarden blijven daarbij van toepassing, zoals het vereiste dat de vreemdeling in het derde land kan verzoeken om effectieve bescherming. De IND maakt steeds een individuele beoordeling.
Het bovenstaande is van toepassing op alle verzoekers die om internationale bescherming vragen, dus ook op asielzoekers met een Palestijnse achtergrond.
Hoe groot schat u het risico dat een stijging van het aantal asielaanvragen van asielzoekers met een Palestijnse achtergrond kan leiden tot extra gezinshereniging en nareis vanuit Gaza en de Westelijke Jordaanoever? Op welke wijze wordt hierbij voorkomen dat gezinshereniging wordt misbruikt om terroristen naar Nederland te laten komen?
Nareis is een bijzondere vorm van gezinshereniging die bedoeld is om het gezinsleven van de asielstatushouder zoals dat bestond vóór de vlucht te herstellen. Wanneer iemand een nareisaanvraag indient, beoordeelt de IND of de statushouder en de potentiële nareizigers aan de voorwaarden voor nareis voldoen. Dat is steeds een individuele toets. Daarbij beoordeelt de IND op basis van alle feiten en omstandigheden of er daadwerkelijk sprake is van een feitelijke gezinsband. Dit houdt in dat de referent daadwerkelijk invulling heeft gegeven aan de gezinsband. De referent moet de feitelijke gezinsband tussen hem en zijn gezinslid op het moment van binnenkomst met documenten en verklaringen onderbouwen. Het is mogelijk dat de feitelijke gezinsband is verbroken wanneer de gezinsleden lang gescheiden van elkaar hebben geleefd.
Ook beoordeelt de IND of de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid. Zie voor het toetsingskader C.2/7.10 en verder van de Vreemdelingencirculaire.
Onder meer bij brief van 27 juni 20252 is uw Kamer geïnformeerd over verschillende evaluaties over het onderkennen van signalen van mogelijke betrokkenheid bij radicalisering en terrorisme in de asiel- en nareisprocedure. Geconstateerd is dat de asiel- en nareisprocedure voldoende is ingericht om signalen te onderkennen die hier op wijzen.
Klopt het dat een groot deel van de asielzoekers met een Palestijnse achtergrond verblijvend in Syrië en Libanon al decennialang gescheiden leven van eventuele gezinsleden in Gaza en op de Westelijke Jordaanoever? Zo ja, deelt u de opvatting dat nareisaanvragen hierdoor nauwelijks kans van slagen zouden mogen hebben?
Zie antwoord vraag 11.
Het bericht 'Problemen op asielboot Rotterdam houden aan, ook steeds meer kinderen in zorgelijke omstandigheden: ‘Lopen blijvende schade op’' |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van EenVandaag «Problemen op asielboot Rotterdam houden aan, ook steeds meer kinderen in zorgelijke omstandigheden: «lopen blijvende schade op»»?1
Ja, ik ben bekend met het bericht van EenVandaag.
Bent u het eens met de verpleegkundige en arts dat de schepen geen geschikte plek zijn voor kinderen?
Rotterdam heeft met het COA en het Rijk bestuurlijk afgesproken dat op de MS Silja uitsluitend statushouders worden opgevangen. De plaatsing van bewoners vindt plaats door het COA, die verantwoordelijk is voor de opvang en begeleiding.
Nederland kampt momenteel met een tekort aan (nood)opvangplekken. Tegelijkertijd is er sprake van een toenemende instroom van nareisgezinnen met een verblijfsstatus. Omdat de MS Silja is aangewezen voor statushouders, worden deze gezinnen in combinatie met het landelijke tekort aan opvangplekken veelal op deze locatie geplaatst.
Verblijf in noodopvang, waaronder scheepsaccommodaties, is niet wenselijk, in het bijzonder voor kinderen, en geen structurele oplossing. Daarbij moet wel opgemerkt worden dat er verschillen zijn in de diverse noodopvanglocaties op het gebied van geboden voorzieningen, en niet elke noodopvanglocatie onderdoet voor een reguliere locatie. Zolang er landelijk onvoldoende reguliere opvangplekken beschikbaar zijn, blijft het COA afhankelijk van noodopvang – ook voor kinderen. Ik zet mij, onder meer via uitvoering van de Spreidingswet, onverminderd in voor het realiseren van voldoende duurzame en reguliere opvangplekken, zodat kinderen in de toekomst niet langer in noodvoorzieningen hoeven te worden opgevangen.
Na eerdere signalen is door alle samenwerkingspartners extra inzet gepleegd op de Silja om de situatie voor kinderen, gezinnen en jonge vrouwen te verbeteren. Zo zijn er extra partijen ingezet voor begeleiding en welzijn, zijn specifieke ruimtes per leeftijdscategorie ingericht en is personeel met pedagogische expertise ingezet. Ook is het activiteitenaanbod uitgebreid, onder meer via een welzijnspartij. Daarnaast is een peutergroep gestart en is de aansluiting op voorschoolse educatie verbeterd.
De toeleiding naar onderwijs is versterkt, waardoor er inmiddels vrijwel geen wachttijden meer zijn voor plaatsing in het primair en voortgezet onderwijs. Voor kinderen die nog niet direct kunnen starten, zijn voorbereidende activiteiten ingericht. Verder worden er extra binnen- en buitenspeelvoorzieningen gerealiseerd.
Hoe is het überhaupt mogelijk geweest om kinderen op deze locaties te plaatsen waar zij verblijven in kamers zonder ramen en zij zonder hun ouders slapen? Is dit in het belang van het kind, zoals omschreven in artikel 3 van het Kinderrechtenverdrag?
Door het structurele tekort aan opvangplekken in het hele land is het COA afhankelijk van noodopvanglocaties waar helaas ook kinderen worden opvangen. Op de Silja verblijft de helft van de bewoners in inpandige hutten die geen ramen hebben. Doordat het tweepersoons hutten zijn, kunnen niet alle kinderen bij hun ouders slapen. De ouders slapen wel altijd in de directe nabijheid van hun kinderen.
Worden er nog andere artikelen uit het Kinderrechtenverdrag geschonden?
Het kabinet is gehouden aan internationale verplichtingen, waaronder het VN-Kinderrechtenverdrag. Mochten er signalen binnenkomen dat hier mogelijk niet (volledig) aan wordt voldaan, zal ik dit zeer serieus nemen en zal dit altijd worden onderzocht.
Is het uitlegbaar dat kinderen onnodige mentale problematiek oplopen en zelfs permanente schade kunnen oplopen door langere tijd opgevangen te worden op de boot?
Ik erken dat langdurig verblijf op noodopvanglocaties, zoals de Silja, niet bevorderlijk is voor het psychisch welzijn van kinderen. Het verblijf op dergelijke locaties betreft een tijdelijke noodmaatregel om te voorkomen dat mensen zonder opvang en onderdak komen te zitten. Daarbij is er op dit schip helaas sprake van situaties waarin verblijf langer duurt dan wenselijk is, in verband met de moeizame doorstroom van deze mensen met een verblijfsvergunning naar vervolghuisvesting.
Ik zet mij, in samenwerking met het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, de medeoverheden en corporaties, ervoor in dat statushouders zo snel mogelijk kunnen uitstromen naar huisvesting in de gemeente. Voor de uitstroom van statushouders zijn en worden maatregelen genomen, waaronder tijdelijke financiële ondersteuning voor gemeenten bij huisvesting van statushouders. Gemeenten kunnen gebruikmaken van verschillende stimuleringsregelingen van het Rijk die (al dan niet ten dele) zijn gericht op het beter benutten van de huidige woningvoorraad of het toevoegen van nieuwe woningvoorraad om zo huisvesting van statushouders te stimuleren. Daarnaast wordt ingezet op opschaling van verschillende vormen van alternatieve huisvesting zoals flexwoningen en woningdelen, op permanente of tijdelijke locaties. De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening wil hier voor de zomer afspraken maken met gemeenten en corporaties in een convenant.
Op welke manier werkt u eraan om kinderen zo snel mogelijk van deze boten te halen en in geschiktere locaties op te vangen waar zij de nodige zorg kunnen krijgen?
De situatie in de asielopvang is momenteel zeer gespannen. Er is sprake van een aanzienlijk tekort aan opvangplekken, dat naar verwachting de komende maanden verder zal toenemen. Tegen die achtergrond is het op korte termijn helaas niet mogelijk om plaatsingen van kinderen in noodopvang volledig te beëindigen. Dat blijft echter wel het doel waar naartoe wordt gewerkt.
Het kabinet zet zich, onder meer via uitvoering van de Spreidingswet, in om het aantal duurzame en reguliere opvangplekken uit te breiden. Zodra er binnen de opvangcapaciteit meer ruimte ontstaat en het COA meer flexibiliteit krijgt in het plaatsingsbeleid. Hierbij heeft het beëindigen van de plaatsing van kinderen en andere kwetsbare mensen in noodopvanglocaties hoge prioriteit.
Hoe strookt deze gang van zaken met aangenomen motie Westerveld (Kamerstuk 19 637, nr. 3515)? Hoe staat het met de uitvoering van deze motie?
Zie antwoord vraag 6.
Worden er extra maatregelen getroffen om infectieziekten tegen te gaan op de boot? Is de locatie geschikt voor kwetsbare groepen? Waarom verblijven zij nu wel op deze boot?
Het COA doet het maximale om de hygiëne op het schip zo goed mogelijk te houden, zo wordt het schip elke week helemaal gereinigd. Op het schip is verder een huisartsenpost aanwezig en de Jeugdgezondheidszorg ziet kinderen voor bijvoorbeeld inentingen. Bij constatering van infectieziekten worden maatregelen getroffen al dan niet in samenwerking met de GGD.
Helaas moet het COA binnen de huidige capaciteitsproblematiek soms kwetsbare groepen plaatsen op het schip. Voor een deel van de kwetsbare asielzoekers is opvang op het schip niet geschikt en daarvoor wordt een andere oplossing gevonden.
Waarom worden zwangere vrouwen op deze boten geplaatst tegen medisch advies in?
Ik herken niet dat zwangere vrouwen tegen medisch advies in geplaatst worden op opvanglocaties in de vorm van een boot. Zwangere vrouwen kunnen verblijven op de Silja, behalve als er een waterpokken-uitbraak is. Zij worden getest of ze immuun zijn. Zijn ze niet immuun, dan verhuizen ze naar een andere opvanglocatie.
Hoe kan het dat er na de brandbrief vanuit artsen die werkzaam zijn op het schip geen maatregelen zijn getroffen? Is er iets veranderd nadat zij deze brief schreven?
Zoals ook toegelicht in vraag 2, naar aanleiding van de signalen en zorgen die vorig jaar zijn geuit zijn deze uiterst serieus genomen en er is door alle samenwerkingspartners extra inzet gepleegd om de situatie voor kinderen, gezinnen en jonge vrouwen te verbeteren. Zo zijn er extra partijen ingezet voor begeleiding en welzijn, zijn specifieke ruimtes per leeftijdscategorie ingericht en is personeel met pedagogische expertise ingezet. Ook is het activiteitenaanbod uitgebreid, onder meer via een welzijnspartij. Daarnaast is een peutergroep gestart en is de aansluiting op voorschoolse educatie verbeterd.
De toeleiding naar onderwijs is versterkt, waardoor er inmiddels vrijwel geen wachttijden meer zijn voor plaatsing in het primair en voortgezet onderwijs. Voor kinderen die nog niet direct kunnen starten, zijn voorbereidende activiteiten ingericht. Verder worden er extra binnen- en buitenspeelvoorzieningen gerealiseerd.
Daarnaast is extra aandacht voor de fysieke en mentale gezondheid van bewoners, waaronder kinderen en zwangere vrouwen. Er wordt laagdrempelige toegang tot zorg geboden en waar nodig wordt specialistische zorg ingeschakeld. Signalering van medische en psychosociale problematiek vindt continu plaats en wordt meegenomen in de gezamenlijke overleggen.
Er vindt doorlopend intensief ambtelijk overleg plaats tussen de verschillende samenwerkingspartners. Ook is er frequent overleg op operationeel, tactisch en bestuurlijk niveau. De gemeente is daarnaast structureel aanwezig op de Silja. In deze overleggen worden de leefomstandigheden, zorg, veiligheid en de situatie van kinderen en gezinnen continu gemonitord. Verbeterpunten worden gezamenlijk besproken en waar nodig uitgevoerd.
Wat zijn de gevolgen voor de samenleving als potentiële burgers van ons land allerlei mentale problemen oplopen op deze asielboten?
Langdurig verblijf in noodopvanglocaties, waaronder boten, is onwenselijk en kan negatieve gevolgen hebben voor het welzijn en de ontwikkeling van bewoners.
Het kabinet zet zich daarom in om de opvangomstandigheden te verbeteren, de inzet van noodopvang terug te dringen een het aantal reguliere opvanglocaties te vergroten door inzet van de Spreidingswet. Tegelijkertijd wordt ingezet op toegang tot onderwijs, zorg en passende begeleiding om de nadelige effecten van het verblijf op noodopvanglocaties zoveel mogelijk te beperken.
Het vaststellen van de leeftijd van asielzoekers |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Zo bepaalt Nederland de leeftijd van asielzoekers» in NRC?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat de zogeheten «schouw» waarbij ambtenaren op basis van uiterlijke kenmerken zoals baardgroei, adamsappel en zithouding de leeftijd van asielzoekers trachten vast te stellen, in de praktijk leidt tot tegenstrijdige conclusies over dezelfde persoon?
Met de inwerkingtreding van het Europese Asiel- en Migratiepact per 12 juni jl. is de rol van DISA m.b.t. de leeftijdsschouw komen te vervallen. Als er vermoedens zijn van evidente meerderjarigheid en de vreemdeling zijn gestelde minderjarigheid niet met authentieke identiteitsdocumenten kan onderbouwen, houdt de IND thans een leeftijdsinterview. In het rapport van het leeftijdsinterview worden alle observaties over uiterlijke- en lichamelijke kenmerken, gedrag en verklaringen opgenomen. Indien niet kan worden geconcludeerd tot evidente meerderjarigheid dan is de conclusie dat de vreemdeling vooralsnog minderjarig is.
De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft geoordeeld dat in het algemeen de leeftijdsschouw, thans leeftijdsinterview geheten, zorgvuldig is en het beleid zoals de Minister dat in paragraaf C1/2.1 van de Vc 2000 en in de Werkinstructie 2025/1 heeft uitgewerkt, op een zorgvuldige wijze is vormgegeven en redelijk is. De leeftijdsschouw is naar het oordeel van de Afdeling in het algemeen een bruikbaar middel voor de vaststelling of er twijfel bestaat over de opgegeven leeftijd van een vreemdeling.
Hoeveel van de circa vierduizend alleenstaande minderjarige vreemdelingen die zich jaarlijks melden, beschikken over geen enkel identiteitsdocument en in hoeveel gevallen wordt de opgegeven leeftijd simpelweg overgenomen zonder enige objectieve verificatie?
De ervaring is dat slechts een minderheid van de asielzoekers identiteitsdocumenten overlegt waarmee hun identiteit kan worden gestaafd. De personalia van de vreemdeling, inclusief de leeftijd, worden thans geregistreerd in Eurodac. Daarmee is bekend welke leeftijd de gestelde alleenstaande minderjarige vreemdeling in de andere lidstaat heeft opgegeven. Wanneer in het Eurodac resultaat geen personalia zijn opgenomen, wordt beoordeeld of onderzoek noodzakelijk is.
Kunt u uiteenzetten waarom het röntgenonderzoek van het NFI (Nederlands Forensisch Instituut) – de enige beschikbare methode met enige medisch-wetenschappelijke grondslag – slechts in een fractie van de gevallen wordt ingezet (142 keer in 2023, 157 in 2024, 42 in 2025), terwijl er jaarlijks duizenden ongedocumenteerde asielzoekers binnenkomen die beweren minderjarig te zijn?
Het Europese Unierecht bepaalt dat, voor toepassing van het medisch leeftijdsonderzoek, eerst minder-invasieve methodes moeten worden toegepast.2 Enkel in die gevallen waarbij de twijfel over de leeftijd aanhoudt, kan het medisch leeftijdsonderzoek als sluitstuk worden ingezet. Daarbij moet ook worden opgemerkt dat het medisch leeftijdsonderzoek belangrijke beperkingen kent. Er bestaat geen sluitende, wetenschappelijke methode om iemands leeftijd te bepalen. Het is met het huidige röntgenonderzoek enkel mogelijk om de beoordeling van de radiologen te vertalen naar een mogelijke leeftijdscategorie en daarmee de vraag te beantwoorden of de vreemdeling mogelijk minderjarig is. De resultaten van het medisch leeftijdsonderzoek zijn in beperkt aantal gevallen effectief, onder meer omdat uit het onderzoek moet volgen dat de gestelde amv ook op het moment van indiening van de asielaanvraag al minimaal 18 jaar oud was.
Deelt u de mening dat het argument van «stralingsbelasting» als reden om röntgenonderzoek te beperken niet in verhouding staat tot de enorme financiële en maatschappelijke consequenties van het ten onrechte toekennen van een minderjarigenstatus, waaronder het recht op gezinshereniging en bescherming tegen uitzetting?
Zie antwoord vraag 4.
Welke consequenties verbindt u aan het feit dat asielzoekers zich in Italië en Griekenland bewust als meerderjarig laten registreren om sneller te kunnen doorreizen naar Noord-Europa, om zich vervolgens in Nederland als minderjarig te presenteren?
Staat een vreemdeling in een andere lidstaat als meerderjarig geregistreerd en is het resultaat van het leeftijdsinterview vooralsnog minderjarig, dan kan dat voor de IND aanleiding zijn om een zogeheten artikel 51 AMbV onderzoek te doen. In dat verband wordt onderzoek gedaan naar in de andere lidstaat overgelegde documenten en de wijze waarop leeftijdsbepaling heeft plaatsgevonden (op basis van verklaringen, of meer onderzoek).
Bent u bereid röntgenonderzoek of een andere objectieve, medische leeftijdsbepaling verplicht te stellen voor iedere asielzoeker die zich zonder identiteitsdocumenten als minderjarige meldt?
Zoals hiervoor toegelicht, is het Unierechtelijke uitgangspunt om bij aanhoudende twijfel over de leeftijd als uiterste maatregel een medisch leeftijdsonderzoek toe te passen.
Indien het antwoord op vraag zeven ontkennend luidt, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u aangeven hoeveel de Nederlandse staat de afgelopen drie jaar heeft uitgegeven aan opvang, voogdij, rechtsbijstand en procedures voor personen die zich als alleenstaande minderjarige vreemdeling hebben aangemeld maar achteraf meerderjarig bleken te zijn?
Het aantal personen dat zich als alleenstaande minderjarige vreemdeling heeft aangemeld, maar achteraf meerderjarig bleek te zijn, is niet precies uit systemen te herleiden omdat dit op verschillende momenten in het proces kan plaatsvinden. Naar schatting wordt ongeveer vijf procent van de vreemdelingen die een leeftijdsschouw krijgt, meerderjarig verklaard. Naar schatting wordt ongeveer 10 procent van de vreemdelingen die een medisch leeftijdsonderzoek ondergaan, meerderjarig verklaard.
Ten aanzien van het verschil in kosten tussen amv en volwassen asielzoekers, kan ik opmerken dat het niet heel concreet is te berekenen wat de Nederlandse staat de afgelopen drie jaar heeft uitgegeven aan personen die zich als amv hebben aangemeld en achteraf meerderjarig bleken te zijn. Dit is namelijk van diverse factoren (omvang van de groep, duur in een amv locatie etc.) afhankelijk en om die reden niet zomaar te bepalen. In zijn algemeenheid kan ik wel aangeven dat er een verschil zit in de kosten voor de opvang van een amv ten opzichte van de opvang van een meerderjarige bij het COA.
In de begroting 2026 is voor het COA rekening gehouden met een gemiddelde kostprijs van € 30.700 voor de opvang van meerderjarige asielzoekers per persoon per jaar, terwijl de gemiddelde kostprijs voor de opvang van een amv € 88.000 per persoon per jaar bedraagt. Het verschil in kosten heeft hoofdzakelijk te maken met de intensiteit van begeleiding. De begrote kosten 2026 voor Nidos ten aanzien van de begeleiding in het kader van de voogdij bedraagt € 10.477 per amv per jaar.
Indien de kosten volgens vraag negen niet worden bijgehouden, bent u bereid dit voortaan te registreren?
Zie antwoord vraag 9.
Indien het antwoord op vraag 10 ontkennend luidt, waarom niet?
Zie antwoord vraag 9.
Deelt u de mening dat het huidige systeem van leeftijdsbepaling een perverse prikkel vormt voor asielzoekers om over hun leeftijd te liegen en dat Nederland hierdoor fungeert als trekpleister voor oneigenlijk gebruik van de minderjarigenregeling?
Er is een zorgvuldig proces leeftijdsbepaling ingericht om leeftijdsfraude tegen te gaan. De huidige werkwijze van leeftijdsbeoordeling kent echter beperkingen omdat geen sluitende methode voor leeftijdsbepaling bestaat. We blijven, ook in gesprek met NFI, betrokken op nieuwe wetenschappelijke inzichten en ontwikkelingen in andere lidstaten om de werkwijze waar mogelijk te optimaliseren.
Indien het antwoord op vraag 12 ontkennend luidt, waarom niet?
Zie antwoord vraag 12.
Bent u bereid de gehele systematiek van leeftijdsbepaling fundamenteel te herzien en daarbij het uitgangspunt te hanteren dat wie zijn identiteit en leeftijd niet kan aantonen, als meerderjarige wordt behandeld?
Dit door u voorgestelde uitgangspunt is in strijd met jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en met het Unierecht. Daaruit volgt dat de IND in beginsel moet uitgaan van het vermoeden dat de vreemdeling minderjarig is en deze vreemdeling als minderjarig moet behandelen. Als na onderzoek de conclusie is dat een vreemdeling als meerderjarig moet worden beschouwd, moet de IND motiveren waarom van de meerderjarigheid wordt uitgegaan.
Indien het antwoord op vraag 13 ontkennend luidt, waarom niet?
Zie antwoord vraag 14.
De gedane toezegging bij het plenair debat over 4 jaar oorlog in Oekraïne |
|
Chris Stoffer (SGP), Fatihya Abdi (PvdA) |
|
Letschert , Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw toezegging uit het plenair debat over 4 jaar oorlog in Oekraïne van 24 maart 2026, om de Kamer te informeren over het langetermijnbeleid richting de Oekraïense studenten die zich vóór 1 mei a.s. moeten inschrijven bij een studie en geen recht hebben om alleen het wettelijk collegegeld te betalen?
Bij het debat over 4 jaar oorlog in Oekraïne heeft de Minister-President toegezegd voor het komend collegejaar nog één keer te kijken naar de mogelijkheden om Oekraïense studenten tegen het wettelijk collegegeld toegang te geven tot het hoger onderwijs, in lijn met het verzoek van het lid Stoffer mede namens het lid Abdi.
Ik wil allereerst benadrukken dat ik goed begrijp dat Oekraïense ontheemden graag duidelijkheid willen hebben. De omstandigheden die hen naar Nederland hebben gebracht zijn vreselijk, en ik begrijp dat zij zorgen hebben over hun toekomst.
We zijn op dit moment bezig om de mogelijkheden te bekijken voor Oekraïense studenten die willen studeren in het collegejaar 2026–2027. Daarbij zijn wij ervan bewust dat de inschrijvingsdatum van 1 mei a.s. nadert. Tegelijkertijd willen wij ook geen onjuiste verwachtingen wekken bij een kwetsbare doelgroep.
Om hoeveel studenten gaat het hierbij en welk bedrag zou voor dit studiejaar gemoeid zijn om voor dit aantal Oekraïense studenten het lagere wettelijk collegegeld te berekenen? En hoe staat het met de regeling voor de studiejaren hierna?
Zoals met uw Kamer gedeeld in de brief Appreciaties van amendementen op de OCW-begroting (VIII) van 20 maart jl. (kenmerk: Kamerstukken II 2025/2026, 36 800 VII, nr. 136) gaat het om een geraamd aantal van 9.908 ontheemden uit Oekraïne die mogelijk in aanmerking zouden komen voor hbo- en wo-onderwijs in collegejaar 2026–2027. De verwachting is dat deze groep, als het wettelijk verlaagd collegegeld gaat gelden, de komende jaren gaat studeren – al is niet op voorhand te zeggen welk deel van de groep dat komend jaar al zou doen. Voor die gehele groep zou € 100.253.100 exclusief uitvoeringskosten nodig zijn.
Ik begrijp de wens van uw Kamer om iets te willen betekenen voor deze doelgroep en zie ook zeker de urgentie daarvan. Tegelijkertijd is het ook zo dat het inperken van deze doelgroep, bijvoorbeeld via het door u gevraagde maatwerk voor scholieren die komend jaar hun diploma halen en verder willen in een hbo- of wo-opleiding, kan leiden tot een juridisch onhoudbare ongelijke behandeling ten opzichte van andere Oekraïense ontheemden die ook zouden kunnen en willen studeren. Binnen deze kaders span ik mij in om een oplossing te vinden.
Kunt u, met het oog op de beperkte periode waarbinnen Oekraïense studenten moeten beslissen om zich al dan niet in te schrijven aan een Nederlandse onderwijsinstelling, de Kamer voorafgaand aan het commissiedebat Hoger onderwijs, studiefinanciering en DUO van woensdag 8 april a.s. informeren over het bedoelde langetermijnbeleid? Zo nee, waarom niet?
Wat het langetermijnbeleid betreft waar in de vraag aan gerefereerd wordt, is het kabinet voornemens om u bij Miljoenennota nader te informeren over de rechten, plichten en voorzieningen voor ontheemden uit Oekraïne vanaf maart 2027 en daarmee dus ook over de mogelijke introductie van het wettelijke collegegeld vanaf 1 september 2027. Dit onderwerp staat hoog op de agenda van de ministeriële Taskforce Asiel en Migratie. Hier wordt nader richting gegeven voor de verdere uitwerking van het ingezette beleid.
Bent u bekend met de documentaire van het YouTube-kanaal Dutch Travel Maniac, waarin anonieme beveiligers, (voormalige) bewoners en winkeliers uitgebreid verklaren over structurele misstanden op COA-locaties, waaronder het aanmeldcentrum Ter Apel en AZC Budel?
Ja.
Kunt u bevestigen dat er op COA-locaties, zoals volgens de documentaire in Ter Apel en Budel het geval is, op structurele basis drugs worden verhandeld, waaronder cocaïne, speed en hasj?
Ik erken dat drugshandel, zoals volgens de documentaire in Ter Apel en Budel het geval is, voorkomt. Dat dit op structurele basis zou gebeuren, kan ik niet op basis van beschikbare cijfers bevestigen.
Indien het antwoord op vraag twee bevestigend luidt, op welke locaties is dit het geval en welke maatregelen zijn er tot dusver genomen om dit te bestrijden?
Zie antwoord vraag 2.
Indien het antwoord op vraag twee ontkennend luidt, hoe verklaart u de meerdere onafhankelijke getuigenissen hierover?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat er bij het betreden van AZC-terreinen geen standaard fouillering of controle op contrabande plaatsvindt, met uitzondering van het gebouw van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)?
Na eerste binnenkomst van de vreemdeling bij het aanmeldcentrum Ter Apel of Budel vindt er een veiligheidsfouillering aan lichaam, kleding en bagage plaats. Dit om de veiligheid van de (andere) aanvragers en medewerkers te waarborgen. De IND maakt momenteel gebruik van de diensten van de Rijksbeveiligingsdienst (RBO) voor het uitvoeren van deze werkzaamheden.
Zowel het AZC-terrein in Ter Apel als in Budel is extra beveiligd door plaatsing van camera’s en een hekwerk. In Ter Apel is er een extra beveiligingsteam (intern bijstandsteam) van Trigion ingezet. Veiligheid op de locatie borgt het COA dus middels bewaking en toegangscontrole. Het zorgen voor een veilige leefomgeving voor alle bewoners en medewerkers heeft de hoogste prioriteit.
Indien het antwoord op vraag vijf bevestigend luidt, acht u dit verantwoord gegeven de aanhoudende signalen over wapenbezit en drugshandel op deze locaties en bent u bereid structurele toegangscontroles in te voeren?
Om de veiligheid op locatie te borgen is op de COA-locaties in Ter Apel en Budel bewaking en toezicht aanwezig. Bij vermoedens van strafbare feiten wordt direct opgetreden. Met deze werkwijze zie ik nu geen aanleiding om de bestaande toegangscontrole aan te passen met permanente veiligheidsfouillering.
Indien het antwoord op vraag vijf ontkennend luidt, hoe verklaart u de meerdere onafhankelijke getuigenissen hierover?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe verklaart u dat bewoners van AZC’s wapens zoals machetes, keukenmessen en glasscherven in hun bezit kunnen hebben op het terrein?
Vooropgesteld: het bezit van wapens op COA-locaties is verboden. Bewoners worden hier bij aankomst expliciet op gewezen in relatie tot de COA-huisregels. Daarin is onder meer opgenomen dat illegale drugs en wapens verboden zijn. Desondanks komt incidenteel wapenbezit voor, wat in de praktijk verband houdt met breder overlastgevend en crimineel gedrag. Het COA doet aangifte van strafbare feiten (zoals wapenbezit) en/of doet melding bij de politie in situaties waarbij de openbare orde en veiligheid in het geding is. In die gevallen worden de wapens in beslag genomen. Aanvullend kan het COA een passende maatregel opleggen en kan de IND het aanvraagproces versnellen.
Welke maatregelen worden getroffen om wapenbezit op COA-locaties te voorkomen en te bestrijden?
Wapenbezit en illegale drugs zijn volgens de huisregels van het COA verboden. Op basis van de huisregels zijn COA-medewerkers onder voorwaarden bevoegd om de woonruimte te betreden ter verplichte kamercontroles. Er vinden standaard periodieke kamercontroles plaats op COA-locaties. Dit is tevens een contactmoment met de bewoner en dat draagt bij aan signalering en sociale veiligheid. Daarnaast kan COA extra kamercontroles uitvoeren bij signalen van strafbare feiten, zoals wapenbezit. Bij feitelijke signalen van wapenbezit of illegale drugs, wordt er een melding gemaakt en/of aangifte gedaan bij de politie. De politie start dan strafrechtelijk onderzoek. Waar van toepassing legt het COA een maatregel op conform het Maatregelenbeleid van het COA en kan de IND het aanvraagproces versnellen.
Is het u bekend dat beveiligers op COA-locaties verklaren dat er op wekelijkse basis massale vechtpartijen en steekincidenten plaatsvinden en dat er dagelijks kleinere opstootjes zijn?
Ja, dit signaal is bekend. Trigion noteert in opdracht van COA als beveiligingsbedrijf systematisch alle incidenten die plaatsvinden op iedere opvanglocatie van COA waar zij een toezichthoudende of uitvoerende taak hebben.
Kunt u een overzicht geven van het aantal geregistreerde geweldsincidenten op COA-locaties over de afgelopen drie jaar, uitgesplitst naar type incident en locatie?
Jaarlijks publiceert het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Datacentrum een overzicht van incidenten en verdachtenregistraties van misdrijven onder COA-bewoners die betrokken zijn bij overlast of verdacht worden van een misdrijf. De eerstvolgende zogeheten Incidentenmonitor (rapportagejaar 2025) wordt voor het zomerreces met uw Kamer gedeeld.
Parallel publiceert het COA op haar website een overzicht van incidenten per locatie van het voorgaande jaar. De geregistreerde incidenten uitgesplitst naar soort incident en COA-locatie van eerdere jaren is online op de website van het COA te raadplegen.1
Klopt het dat beveiligers op COA-locaties structureel te maken hebben met fysiek geweld, waaronder bijten, bespugen en bedreigingen met wapens?
De laatste jaren is het aantal incidenten, gerelateerd aan middelengebruik, sterk toegenomen. Dit heeft ook impact op de medewerkers van het COA helemaal als dat gepaard gaat met agressie-incidenten.
Wat doet u om de veiligheid van COA-medewerkers, daarmee dus ook de beveiligers, te waarborgen?
Die inzet kent meerdere fronten. Primair wordt de veiligheid geborgd met permanent toezicht en beveiliging en het inschakelen van de politie bij strafbare feiten. COA huurt voor de beveiliging professionele beveiligingsbedrijven in. Trigion noteert in opdracht van COA als beveiligingsbedrijf systematisch alle incidenten die plaatsvinden op iedere opvanglocatie van COA waar zij een toezichthoudende of uitvoerende taak hebben.
Daarnaast wordt ingezet op zorg en preventie op het gebied van middelengebruik van bewoners.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat het COA verantwoordelijkheid hiervoor afschuift naar de externe inhurende beveiligingsorganisatie?
Ik herken mij niet in dat beeld. Voor een veilige leefomgeving voor bewoners en medewerkers is de inzet van gekwalificeerde externe beveiligers onmisbaar. COA heeft een wettelijke taak voor wat betreft de opvang en begeleiding, maar heeft geen taak of bevoegdheden om strafrechtelijk op te treden. Daarom schakelt COA bij strafbare feiten de politie in.
Op lokaal niveau heeft COA vaak goede samenwerking met politie en gemeente, zodat gezamenlijk op een veilige leefomgeving op en rond de COA locatie wordt ingezet.
Herkent u het beeld dat beveiligers vrezen voor hun baan indien zij misstanden naar buiten brengen?
Nee, dat beeld herken ik niet. Beveiligingsbedrijf Trigion registreert in opdracht van COA systematisch alle incidenten die plaatsvinden op iedere opvanglocatie van COA waar zij een toezichthoudende of uitvoerende taak hebben.
Medewerkers van Trigion worden aangemoedigd om eventuele misstanden (ook vermeende) te rapporteren. Dit kan en mag ook anoniem. Elke melding, anoniem of niet, wordt serieus opgepakt en geëvalueerd. Voor het melden (ook anoniem) heeft Trigion specifieke procedures.
De mogelijkheid om (anoniem) te melden is zeker bekend bij de medewerkers van Trigion, maar wellicht minder bij tijdelijk of recent in dienst getreden medewerkers. Het COA zal bij Trigion aandacht vragen om de bekendheid van bestaande procedures verder te vergroten.
Ik betreur dat het in deze uitzending gaat om anonieme melding(en) buiten de gangbare procedures om. Deze manier van melden maakt dat gericht optreden niet mogelijk is.
Indien het antwoord op vraag 15 ontkennend luidt, waarom geven anonieme beveiligers dit dan aan?
Zie antwoord vraag 15.
Bent u bereid een klokkenluidersregeling specifiek voor personeel op COA-locaties in te richten of te versterken, zodat misstanden veilig kunnen worden gemeld?
Het COA besteedt veel aandacht aan veilig werken en integriteit op locaties, zowel schriftelijk, digitaal als via het inrichten van loketten of centrale informatiepunten. Misstanden kunnen nu al veilig worden gemeld. Ik zie daarom geen aanleiding om aanvullend nog een specifieke regeling in te richten.
Hoe reflecteert u op de stelling dat asielzoekers die daadwerkelijk uit oorlogsgebieden zijn gevlucht, verklaren zich structureel onveilig te voelen op COA-locaties en dat sommigen meubels tegen hun kamerdeur plaatsen om veilig te kunnen slapen?
Ik vind het onaanvaardbaar dat asielzoekers die gevlucht zijn voor oorlog en geweld, zich hier op COA-locaties onveilig voelen. Laat helder zijn: dat bewoners zelf veiligheidsmaatregelen zouden nemen, mag niet de oplossing zijn. COA-medewerkers zijn erop getraind om adequaat te handelen bij signalen van onveiligheid. Indien sprake is van overlast of overtreden huisregels kan het COA conform haar Maatregelenbeleid aan de betreffende bewoner een passende maatregel op te leggen.
Hoe reflecteert u op het feit dat vrouwen en gezinnen met kinderen in AZC’s aangeven zich niet vrij te kunnen bewegen vanwege intimidatie en seksuele intimidatie door medebewoners?
Ik onderstreep op dit punt de norm zoals eerder benoemd in antwoord op vraag 18. Het kabinet zet zich verder in om kwetsbare bewonersgroepen, waaronder kinderen, nog meer te beschermen. Daarom wordt nu de ambitie van het regeerprogramma uitgewerkt om betrokken daders sneller onder verscherpt toezicht te plaatsen en verblijfsrechtelijke consequenties toe te passen.
Het COA spant zich in om alleenstaande vrouwen op kamers te plaatsen waar ze zoveel mogelijk bescherming of veiligheid ervaren. Alleenstaande vrouwen worden nooit in een kamer geplaatst samen met mannen. Op de locaties wordt de fysieke veiligheid zo goed als mogelijk gewaarborgd.
Het COA valt wettelijk verplicht onder de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling (net zoals alle beroepssectoren waarin professionals met kinderen en gezinnen werken). Het COA werkt met opgeleide aandachtsfunctionarissen voor de meldcode. Zij zijn getraind om signalen van geweld en onveiligheid (ook buiten het gezin) te herkennen en voeren de regie over de meldcode. Signalen van onveiligheid worden gemeld bij Veilig Thuis.
Indien nodig wordt bij acute dreiging en op advies van de politie of Veilig Thuis beschermde opvang aangeboden buiten het COA (bijvoorbeeld een plaatsing in de vrouwenopvang). Hierbij geldt dat voor vrouwelijke asielzoekers hetzelfde recht op bescherming bestaat als die geldt voor vrouwen in de Nederlandse samenleving. Ook streeft het COA ernaar om op elke opvanglocatie een contactpersoon mensenhandel en mensensmokkel aan te stellen. Deze is kennisdrager op dit gebied en het interne en externe aanspreekpunt bij zorgen over mogelijke uitbuiting van bewoners.
Kunt u bevestigen dat er gevallen bekend zijn waarin bewoners van AZC’s zich schuldig hebben gemaakt aan aanranding en dat de betreffende daders slechts een zogenaamde «time-out» kregen, bestaande uit een tijdelijke overplaatsing naar een soberere kamer, waarna zij terugkeerden naar dezelfde locatie?
Vooropgesteld: aanranding is een ernstig zedendelict en volstrekt onacceptabel gedrag. Bij (vermoedens van) strafbare feiten doet het COA daarom aangifte en/of melding bij de politie. COA stimuleert ook bewoners aangifte en/of melding te doen van strafbare feiten. Het is vervolgens aan de politie om nader onderzoek te doen. De politie stuurt uiteindelijk het proces-verbaal naar het Openbaar Ministerie (OM). De officier van justitie beoordeelt vervolgens of er voldoende bewijs is en of de verdachte strafrechtelijk wordt vervolgd.
Ik hecht eraan deze route zo te benoemen, om te verduidelijken dat COA als opvang- en begeleidingsinstantie slechts beperkte middelen en bevoegdheden heeft om bij incidenten op locatie zelf te normeren. Bij strafbare feiten zoals aanranding zijn primair politie en Openbaar Ministerie aan zet. Waar mogelijk legt het COA conform haar Maatregelenbeleid daarnaast ook nog maatregelen op. Deze maatregelen kunnen variëren van een waarschuwing tot intrekking van maximaal alle verstrekkingen inclusief ontzegging van toegang tot de opvanglocatie of een overplaatsing naar de handhaving en toezichtlocatie (htl). De meeste van deze maatregelen worden bij beschikking opgelegd en dienen voldoende te worden gemotiveerd.
Indien het antwoord op vraag twintig bevestigend luidt, acht u dit een passende sanctie bij zedendelicten?
Bij ernstige incidenten, zoals een zedendelict, moet hard worden opgetreden. De primaire route is aangifte bij de politie gevolgd door een strafrechtelijk traject. Daar waar mogelijk legt het COA daarnaast een passende maatregel op kan de IND de aanvraagprocedure versnellen.
Indien het antwoord op vraag twintig ontkennend luidt, waarom geven beveiligers en (oud)bewoners dit dan aan?
Zie antwoord vraag 21.
Klopt het dat de zogenaamde Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) op het terrein van Ter Apel zodanig is ingericht dat bewoners eenvoudig over het hek kunnen klimmen en zich weer vrij in het centrum van Ter Apel kunnen begeven?
De vbl is de vrijheidsbeperkende locatie voor uitgeprocedeerde asielzoekers2 – mogelijk wordt in de vraagstelling de verscherpte toezichtlocatie bedoeld. De vtl is geen gevangenis, maar een plek met extra begeleiding en toezicht. Mensen kunnen derhalve naar buiten. De verscherpte toezichtlocatie (vtl) en procesbeschikbaarheidslocatie (pbl) in Ter Apel zijn wel middels een hoog hek gescheiden van de rest van de locatie. In geval van plaatsing in de vtl/pbl krijgen mensen een locatieverbod voor de rest van de locatie. Het komt voor dat mensen die geplaatst zijn op vtl/pbl alsnog proberen om over het hek te klimmen om zodoende toegang te hebben tot de rest van de locatie.
Indien het antwoord op vraag 23 bevestigend luidt, welke maatregelen worden getroffen om dit te voorkomen?
Zie antwoord vraag 23.
Kunt u reflecteren op de verklaring van beveiligers dat naar schatting 80% van de incidenten niet wordt gerapporteerd of openbaar gemaakt?
Het COA instrueert eigen medewerkers om incidenten consequent te registeren. Op die manier vindt dossieropbouw plaats en wordt overlastgevend gedrag genormeerd.
Het COA is daarbij mede afhankelijk van bewoners van de locatie voor het rapporteren van incidenten waar COA medewerkers zelf geen getuige van zijn geweest. Tegelijkertijd moet worden erkend dat de situatie in Ter Apel, mede gelet op de hoge bezetting, regelmatig onder druk staat. Dat neemt niet weg dat het uitgangspunt blijft dat incidenten moeten worden gerapporteerd.
Kunt u uitsluiten dat het COA tijdens inspectiedagen of bezoeken van Tweede Kamerleden bewust bewoners per touringcar laat wegrijden van locaties om de bezettingsgraad en de situatie gunstiger voor te stellen dan deze in werkelijkheid is?
Het COA heeft mij verzekerd dat hier geen sprake van is. Het is immers het COA die de afgelopen jaren aandacht heeft gevraagd voor de bezettingsgraden op locaties en daarmee de noodzaak voor uitbreiden van structurele capaciteit.
Indien het antwoord op vraag 26 bevestigend luidt, op basis waarvan kunt u dit uitsluiten?
Zie antwoord vraag 26.
Indien het antwoord op vraag 26 ontkennend luidt, bent u bereid hier onafhankelijk onderzoek naar te laten doen?
Zie antwoord vraag 26.
Klopt het dat bewoners die bij dergelijke verplaatsingen worden betrokken financiële compensaties ontvangen?
Nee.
Indien het antwoord op vraag 26 bevestigend luidt, om welke bedragen gaat het en uit welke begrotingspost worden deze gefinancierd?
Zie antwoord 29.
Bent u bereid structurele, onaangekondigde inspecties op COA-locaties in te voeren, zodat een realistisch beeld van de dagelijkse situatie kan worden verkregen?
De Inspectie Justitie en Veiligheid (Inspectie JenV) houdt toezicht op uitvoeringsorganisaties die werken binnen de domeinen van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. De Inspectie JenV voert regelmatig locatiebezoeken op COA-locaties uit, in Ter Apel is zelfs sprake van doorlopend toezicht. De Inspectie JenV opereert onafhankelijk en bepaalt op basis van de informatiebehoefte en risico’s waar zij toezicht uitvoert.
Klopt het dat de eerste screening door de IND in sommige gevallen bestaat uit slechts een beperkt aantal ja/nee-vragen?
Nee, dat klopt niet. De eerste screening wordt thans uitgevoerd door Dienst Identificatie en Registratie Asielzoekers (DISA). Tijdens dit eerste contactmoment is het doel om een asielzoeker te identificeren en registreren. Hiervoor worden gestandaardiseerde vragen gesteld om feiten te checken, verkennende open vragen ter identificering en biometrie afgenomen. De registratie dient als start voor het vervolgproces bij de IND en toelating tot de opvang.
Indien het antwoord op vraag 32 bevestigend luidt, acht u dit toereikend om potentiële veiligheidsrisico’s te identificeren?
Zoals toegelicht in antwoord 32 zijn er meer mogelijkheden om veiligheidsrisico’s te identificeren, waaronder de afname van biometrie.
Wordt er bij de aanmelding in Ter Apel gebruikgemaakt van gezichtsherkenning of biometrische verificatie? Zo nee, waarom niet en bent u bereid dit in te voeren?
DISA neemt biometrische gegevens (vingerafdrukken) en gezichtsopnamen (foto’s) af met behulp van de Basis Voorziening Identiteit vaststelling (BVID)-zuil. Deze gegevens worden vergeleken met de bestaande gegevens in de nationale en internationale (politie) informatiesystemen HAVANK, EUVIS, EURODAC en SIS. Bij een «hit» in een van de systemen informeert DISA de Koninklijke Marechaussee (KMar) en/of politie.
Wat is uw reactie op het signaal dat asielzoekers massaal paspoorten en identiteitsdocumenten weggooien of verscheuren voorafgaand aan hun aanmelding en dat er gehandeld wordt in valse paspoorten via mensensmokkelnetwerken?
Het komt voor dat asielzoekers zich van identiteitsdocumenten ontdoen of valse/vervalste identiteitsdocumenten overleggen. De ervaring is dat slechts een minderheid van de asielzoekers identiteitsdocumenten overlegt waarmee hun identiteit kan worden gestaafd.
Wanneer een persoon asiel heeft aangevraagd, is het OM op dat moment niet-ontvankelijk volgens jurisprudentie van de Hoge Raad. De zaak wordt dan geseponeerd. Vanzelfsprekend blijft de mogelijkheid bestaan om verdachte (ook) te vervolgen voor andere feiten.
Het vervolgingsbeleid van het OM laat onverlet dat de IND in het kader van de asielaanvraag het overleggen van valse identiteitsdocumenten of onjuiste verklaringen over identiteit, nationaliteit en herkomst betrekt in de beoordeling van de asielaanvraag.
Welke maatregelen worden getroffen om identiteitsfraude tegen te gaan?
Valse of vervalste identiteitsdocumenten die in de asielprocedure zijn overlegd, worden door IND altijd overhandigd aan politie of KMar. Bij een redelijk vermoeden van fraude met identiteits- of brondocumenten wordt aangifte gedaan. Ook wordt deze informatie betrokken bij de inhoudelijke beoordeling van de asielaanvraag.
Artikel 31 van het Vluchtelingenverdrag heeft ten doel echte vluchtelingen die noodgedwongen gebruik hebben moeten maken van valse of vervalste documenten om hun land te verlaten te beschermen tegen strafrechtelijke vervolging mits zij zich onverwijld bij de autoriteiten melden. Het is dan onvermijdelijk dat strafvervolging eerst kan plaatsvinden nadat in de asielprocedure is vastgesteld dat de vreemdeling geen vluchteling is.
Er wordt daarom door het OM navraag gedaan bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst of verdachte asiel heeft aangevraagd en na één week wordt nagegaan of de IND dit heeft bevestigd. Wanneer een verdachte asiel heeft aangevraagd, is het OM op dat moment niet-ontvankelijk volgens jurisprudentie van de Hoge Raad. De zaak wordt dan geseponeerd. Als blijkt dat niet binnen een week asiel is aangevraagd, zal het OM in beginsel overgaan tot strafvervolging. Vanzelfsprekend blijft de mogelijkheid bestaan om verdachte (ook) te vervolgen voor feiten anders dan artikel 231 Sr.
Kunt u toelichten waarom de politie, zoals door meerdere bronnen uit de documentaire wordt gesteld, beperkt in staat is om op te treden tegen bewoners van AZC’s die zich schuldig maken aan strafbare feiten, omdat deze geen Nederlandse identiteit hebben?
De politie is niet beperkt omdat bewoners van een AZC geen Nederlandse identiteit zouden hebben, strafbare feiten zijn voor iedereen strafbaar. De dagelijkse orde en naleving van huisregels liggen bij het COA en de particuliere beveiliging. De politie treedt in de praktijk op zodra er een strafbaar feit is of als het COA/de beveiliging de politie inschakelt, bij spoed komt de politie uiteraard direct.
Is het u bekend dat winkeliers in de omgeving van AZC’s te maken hebben met bedreigingen, bespuging, diefstal en seksuele intimidatie door bewoners?
Het is mij bekend dat ondernemers en omwonenden overlast ondervinden van een groep asielzoekers. Daarom is de inzet vanuit de lokale driehoek, strafrechtketen en vreemdelingenketen erop gericht om de daders snel en effectief aan te pakken om zo het draagvlak voor de opvang van vluchtelingen, die ook last hebben van het gedrag van sommige medebewoners, te behouden.
Bent u bereid met de betrokken gemeenten in gesprek te gaan over aanvullende maatregelen ter bescherming van lokale ondernemers?
Overlast wordt op lokaal niveau ervaren. Daarom is naast een nationale aanpak lokaal maatwerk nodig. Om deze lokale aanpak binnen gemeenten te ondersteunen, is ook voor 2026 budget beschikbaar gesteld voor (gedeeltelijke) financiering van lokale maatregelen. Deze regeling geeft gemeenten de mogelijkheid om zelf te bepalen welke maatregelen het beste bij de ervaren problematiek past, zoals inzet van beveiligers of cameratoezicht in winkelgebied.
Hoe beoordeelt u het feit dat omwonenden van het AZC in Lochem een vergoeding van 1.000 euro van de overheid ontvangen om hun woningen beter te beveiligen? Wat zegt dit volgens u over de veiligheidssituatie rondom AZC’s?
In dit verband verwijs ik naar de beantwoording van Kamervragen van 30 maart jl.3
Deelt u de mening dat het onverantwoord is om nieuwe AZC’s te openen zolang de veiligheid op bestaande locaties niet op orde is, zowel voor bewoners als voor omwonenden en personeel?
Het openen van een nieuwe COA-locatie gebeurt altijd met aandacht voor veiligheid, waarbij het COA samenwerkt met gemeenten, politie en andere hulpdiensten. Veiligheid is een integraal onderdeel van de opvangstrategie.
Indien het antwoord op vraag 41 ontkennend luidt, waarom niet?
Zie antwoord vraag 41.
Bent u bereid een onafhankelijk onderzoek te laten instellen naar de wijze waarop het COA omgaat met veiligheidsincidenten, de registratie daarvan en het functioneren van interne klachtenprocedures?
In dit verband verwijs ik naar de rol van de Inspectie van Justitie en Veiligheid, zie antwoord 31.
Het interview met een asielrechter in NRC Handelsblad. |
|
Diederik Boomsma (CDA), Simon Ceulemans (JA21) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het recente interview met een asielrechter in NRC Handelsblad?1
Ja.
Hoe heeft het aantal prejudiciële verzoeken vanuit Nederland aan het Europees Hof inzake asielkwesties zich de afgelopen tien jaar ontwikkeld?
Met asielkwesties begrijp ik u dat u doelt op zaken gerelateerd aan asielverzoeken, inclusief opvang en asielzaken die we niet in behandeling willen nemen op grond van de Dublinverordening. Zaken die gerelateerd zijn aan reguliere verblijfsdoelen en -vergunningen, laat ik hier buiten.
Uitgaande van deze afbakening kan ik u zeggen dat vanaf 2015 in 66 zaken asielgerelateerde prejudiciële vragen zijn gesteld. In 2015 ging het om 2 zaken, in 2016 om 3 zaken, in 2017 om 9 zaken, in 2018 om 1 zaak, in 2019 om 3 zaken, in 2020 om 1 zaak, in 2021 om 13 zaken, in 2022 om 6 zaken, in 2023 om 5 zaken, in 2024 om 5 zaken, in 2025 om 14 zaken en in 2026 (tot nu toe) om 4 zaken.
Welk deel van het totale aantal prejudiciële vragen over asielkwesties is de afgelopen tien jaar gesteld vanuit Nederland?
Deze vraag kan ik niet beantwoorden. De definitie van asielzaken van het Hof van Justitie van de EU in haar zoekmachine, te vinden op www.curia.europa.eu, lijkt een andere te zijn dan die door mij gehanteerd.
Zijn dergelijke verzoeken in voorgaande jaren ook voor een groot deel terug te voeren op één of enkele specifieke rechter(s)?
Dat is feitelijk te constateren omdat deze uitspraken worden gepubliceerd op openbaar te raadplegen bronnen. De namen van de rechters worden daarbij vermeld. In zoverre is dus na te gaan welke rechters daarbij betrokken zijn.
Ziet u grote verschillen in de manier waarop asielzaken worden behandeld door verschillende rechtbanken? Kunt u dit nader toelichten en specificeren?
De wijze waarop een rechter een asielbesluit toetst wordt in grote mate bepaald door de Procedurerichtlijn, de Vreemdelingenwet, de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Grondwet. Belangrijk uitgangspunt is daarbij dat rechters onafhankelijk en onpartijdig zijn. In algemene zin merk ik op dat ik geen fundamentele verschillen zie in de manier waarop asielzaken worden behandeld door rechters van de verschillende zittingsplaatsen van de rechtbank Den Haag. Zo worden in de regel door alle rechtbanken beroepen tegen de weigering een verblijfsvergunning asiel te verlenen (of in geval van intrekking) ter zitting behandeld. De rechter heeft gelet op het bepaalde in artikel 8:72 van de Awb verschillende uitspraakbevoegdheden. Onder andere de achtergrond van de individuele zaak, de rechtsvraag die voorligt en de motivering van het besluit zal mede bepalen of een rechter aanleiding ziet om al dan niet meer regie te voeren, door een geconstateerd motiveringsgebrek te laten herstellen in beroep, of bijvoorbeeld een zaak door een meervoudige kamer te laten behandelen.
Uiteraard worden er ook verschillen gezien waarbij bijvoorbeeld de ene rechter vaker aanleiding ziet om een geschil finaal te beslechten (in plaats van na constatering van een motiveringsgebrek terug te verwijzen) dan de ander, of eerder aanleiding ziet om een prejudiciële vraag te stellen, of dat er door rechters verschillend aangekeken wordt tegen een voorliggende rechtsvraag hetgeen tot verschillende uitkomsten leidt. Zo zien we, of hebben we in het verleden gezien, dat door rechtbanken verschillend wordt aangekeken tegen bijvoorbeeld de wijze waarop de IND de geloofwaardigheid beoordeelt, het landenbeleid (zoals ten aanzien van de huidige 15c situatie in Syrië) danwel of iemand op grond van de Dublinverordening aan een bepaalde lidstaat kan worden overgedragen. Gelet op de onafhankelijkheid van de rechter is divergerende jurisprudentie inherent aan het systeem en belangrijk voor de ontwikkeling van het recht. Indien de IND of de rechtszoekende zich niet in dit oordeel kan vinden kan dit aanleiding zijn om hoger beroep in te stellen. Het instrument hoger beroep is daarmee erg belangrijk om de rechtseenheid te bewaken en te bevorderen, maar eventueel ook om aan de Afdeling te vragen uitspraken te beoordelen, bijvoorbeeld in het geval de IND van mening is dat de vreemdeling – anders dan de rechtbank meent – niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel.
Welke aanpassingen zijn de afgelopen vijf jaar gedaan aan de asielprocedure en/of de beoordeling van asielverzoeken als gevolg van de antwoorden op prejudiciële vragen? Hoe beoordeelt u de aanpassingen?
Tussen 2021 en 2026 zijn ongeveer 30 wijzigingen doorgevoerd in nationale regelgeving of uitvoeringsbeleid naar aanleiding van arresten gewezen vanuit het HvJEU, in zowel Nederlandse zaken als andere lidstaten. Sommige van deze wijzigingen hebben een minder vergaande impact dan andere gehad, bijvoorbeeld omdat de omvang van de betreffende doelgroep relatief klein was of omdat de wijziging relatief eenvoudig te implementeren was. Andere uitspraken hebben meer impact gehad, zoals de volgende twee voorbeelden.
Een eerste voorbeeld is het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Y t. Duitsland.2 In deze zaak was door Griekenland een vluchtelingenstatus verleend, maar was het voor Duitsland niet mogelijk om het aldaar gedane verzoek niet-ontvankelijk te verklaren omdat er sprake was een reëel risico in Griekenland onderworpen te worden aan onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artike 4 van het Handvest. Het Hof komt in deze zaak tot de conclusie dat Duitsland niet verplicht is om de vluchtelingenstatus van deze verzoeker te erkennen op de enkele grond dat die status hem in Griekenland is verleend, maar moet zij niettemin ten volle rekening houden met die beslissing en met de elementen die deze beslissing ondersteunen. Als gevolg van dit arrest zal Nederland indien het asielverzoek van een statushouder in een andere lidstaat niet niet-ontvankelijk kan worden verklaard, altijd het volledige asieldossier van de andere lidstaat moeten opvragen, welke vervolgens moet worden vertaald om inzichtelijk te krijgen welke elementen ten grondslag hebben gelegen aan de verleende internationale bescherming in die lidstaat en zal gemotiveerd moeten worden aangegeven waarom er desondanks geen verblijfsvergunning wordt verleend. Met het opvragen van het dossier en het vervolgens vertalen van dit dossier gaat veelal veel tijd gemoeid, in deze periode zit de vreemdeling in de opvang bij het COA en zal veelal de inhoud van het dossier niet maken dat IND alsnog de verblijfsvergunning gaat inwilligen. Dit ook omdat de vreemdeling niet altijd (uitgebreid) gehoord is in de betreffende lidstaat.
Een ander voorbeeld is het arrest van het Hof van Justitie van 9 november 20233 waaruit volgt dat bij de beoordeling van artikel 15, onder c, van de Kwalificatierichtlijn niet langer volstaan kan worden met het beoordelen van de algemene veiligheidssituatie in een bepaald of een bepaald gebied binnen dit land. Ook individuele en persoonlijke omstandigheden van de vreemdelingen moeten worden betrokken bij de beoordeling van de vraag of er een reëel risico is op ernstige schade in de zin van artikel 15, onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De Afdeling heeft vervolgens in de uitspraak van 17 juli 20244 geoordeeld dat er geen «drempel» is om individuele en persoonlijke omstandigheden in het kader van 15, onder c, van de Kwalificatierichtlijn te betrekken. Indien er sprake is van willekeurig geweld en dit geweld plaatsvindt binnen een internationaal of binnenlands conflict is er een verplichting voor de IND om deze individuele aspecten te betrekken. Indien de mate van willekeurig geweld zodanig is dat dit slechts een zeer beperkt aantal burgerslachtoffers geeft, is niet voorstelbaar dat de individuele omstandigheden daadwerkelijk aanleiding gaan geven tot de conclusie dat de vreemdeling een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 15, onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Dit geeft daarmee extra motiveringslasten terwijl het niet leidt tot vaker bescherming moeten bieden.
Deelt u de opvatting dat de asielprocedure de afgelopen jaren steeds complexer en tijds- en arbeidsintensiever is geworden, mede als gevolg van prejudiciële vragen en antwoorden en nieuwe jurisprudentie en dat dit onwenselijk is? Welke mogelijkheden ziet u om dit effect tegen te gaan?
Ik deel de opvatting dat de afgelopen jaren de asielprocedure steeds complexer en daarmee tijds- en arbeidsintensiever is geworden, wat veel impact heeft op de uitvoering. Belangrijk is dat migratierecht uitvoerbaar blijft.
In richtlijnen en verordeningen worden vaak open normen opgenomen, of blijkt dat onderwerpen niet opgenomen zijn of onvoldoende duidelijk zijn ingeregeld. Dit is veelal de aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen. Daarnaast toetst het Hof van Justitie aan het Europees recht, zoals de richtlijnen en verordeningen opgenomen in het Migratiepact en het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. Het Hof van Justitie stelt het recht vast zoals het is en toetst dus niet het mogelijke effect op de uitvoering.
Mijn inzet is dan ook om zoveel mogelijk concrete bepalingen uit te onderhandelen. Dit verkleint het risico op invulling door het Hof op een wijze die de lidstaten niet hebben voorzien. Daarnaast bespreek ik waar nodig met de Commissie en like-minded lidstaten of, en zo ja, op welke wijze aanpassingen van Unierechtelijke bepalingen noodzakelijk zijn. Ook bezie ik na rechterlijke uitspraken kritisch wat de reikwijdte van het arrest is, zodat het effect van de uitspraak zo uitvoerbaar als mogelijk is.
Welke specifieke aanpassingen van de asielprocedure of de beoordeling van aanvragen als gevolg van prejudiciële vragen acht u onwenselijk, gezien de gevolgen?
In de loop der jaren zijn verschillende aanpassingen gedaan in het asielbeleid. Het past bij de aard van het migratiebeleid dat dit niet statisch is, maar evolueert al naar gelang veranderingen in de geopolitieke situatie, de doelstellingen van kabinet of uw Kamer, of actuele inzichten. Daaronder kan jurisprudentie van het Hof vallen die tot wijzigingen noopt, wiens taak het is om ervoor te zorgen dat het recht van de Unie in de hele EU op dezelfde wijze wordt uitgelegd en toegepast. Het is dus inherent aan het op Europees niveau willen streven naar één gemeenschappelijk asielsysteem. Het kabinet acht het niet passend om gelet op de taak en het ambt van het Hof eventuele gevolgen van de jurisprudentie als «onwenselijk» te typeren. Uiteraard kan het wel zo zijn -zoals in de beantwoording op vraag 7 ook aangegeven- dat een uitleg van een Unierechtelijke asielbepaling door het Hof verstrekkende gevolgen heeft voor de uitvoering. Het kabinet zal bij een dergelijke uitspraak in Europees verband bespreken of deze uitleg aanleiding geeft tot een aanpassing en/of verduidelijking van de betreffende Unierechtelijke bepaling, waarbij ook de opportuniteit ervan zal worden meegenomen. Als voorbeeld hiervan noemt het kabinet de Nederlandse inzet op het punt van de toetsing van het beginsel van non-refoulement in de terugkeerprocedure, hetgeen een weerslag heeft gevonden in de Raadspositie van de Terugkeerverordening.
Zijn er aanpassingen in dit kader waarvan u het wenselijk en mogelijk acht om de wetgeving op Europees niveau aan te passen om onwenselijke gevolgen recht te zetten? Kunt u dit toelichten?
Het kabinet verwijst allereerst naar de Raadspositie op de Terugkeerverordening waarin, in reactie op de uitleg van het Hof van bepalingen van de Terugkeerrichtlijn, enkele bepalingen zijn verduidelijkt en/of aangepast, met het oog op een effectief terugkeersysteem. Ook in de verordeningen en richtlijn van het Asiel- en migratiepact, hebben meerdere van de Nederlandse standpunten een plaats gekregen. Zoals geantwoord op vraag 8, zal het kabinet ook naar aanleiding van toekomstige rechterlijke uitspraken, zoals over de uitleg van de bepalingen van het Asiel- en migratiepact, bezien of de uitwerking daarvan in de uitvoeringspraktijk aanleiding geeft tot een aanpassing van de regelgeving. Het behoud van een efficiënte asielprocedure is een belangrijk uitgangspunt daarbij. Hierbij is ook van belang dat in enkele van de verordeningen van het Pact is opgenomen dat de Commissie voor medio 2028, en vervolgens om de vijf jaar, verslag uitbrengt aan het Europees Parlement en de Raad over de toepassing van deze verordeningen in de lidstaten en stelt, zo nodig, wijzigingen voor.
Kunt u zo specifiek mogelijk aangeven hoe vaak het gebeurt dat een rechter de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) opdraagt om een asielzoeker een verblijfsvergunning toe te kennen, zoals in het artikel wordt gemeld? Hoe heeft deze praktijk zich in de afgelopen jaren ontwikkeld?
Vragen 10 en 11 zal ik tezamen beantwoorden. Het wordt door de IND niet in de systemen geregistreerd wanneer een rechtbank naast gegrondverklaring van het beroep tevens de opdracht geeft om een verblijfsvergunning (asiel) toe te kennen. Om die reden zijn geen aantallen te noemen. Hoewel exacte cijfers niet worden bijgehouden, komt dit naar indruk van de IND slechts enkele malen per jaar voor. Voor het overige verwijs ik naar het antwoord op vraag 4.
Zijn ook deze besluiten voor een groot deel door te voeren op één of enkele specifieke rechtbank(en)? Om welke verhoudingen gaat het?
Zie antwoord vraag 10.
Wat is de concrete stand van zaken rond de verkenning van de vraag of nationale beleidskaders of aanpassing van wet- en regelgeving kunnen bijdragen aan het inkaderen van jurisprudentie op het gebied van asiel en migratie, waarnaar ook wordt verwezen in de brief van 19 december 2025 aan de informateur in reactie op haar vragen aan de Ministers van en voor Asiel en Migratie en waaraan gerefereerd wordt in het artikel van NRC? Wat heeft deze verkenning tot nu toe opgeleverd?
Hierover bent u op 22 mei jl. geïnformeerd.
Wat is uw oordeel over het feit dat de rechter in het artikel aangeeft dat zij in februari bij een uitspraak heeft voorgesteld dat de IND bij oude zaken niet meer tot de hoogste rechter moet doorprocederen? Vindt u dat het de taak van een rechter is om dergelijke opmerkingen te plaatsen? Welke gevolgen worden hieraan verbonden?
Het past mij als bewindspersoon niet om te oordelen over overwegingen in een specifieke rechterlijke uitspraak. In zijn algemeenheid geldt dat het de taak is van de rechter om over een concrete zaak te oordelen die aan hem wordt voorgelegd (artikel 13 van de Wet algemene bepalingen). De rechter heeft verschillende uitspraakbevoegdheden waaronder de overweging ten overvloede. Bij een overweging ten overvloede maakt de rechter gebruik van de gelegenheid die het doen van een uitspraak biedt om in de motivering daarvan iets te zeggen wat voor de uitspraak strikt genomen niet noodzakelijk is, maar wat hij toch naar aanleiding van de zaak mee wil geven aan partijen. Dit kan bijvoorbeeld een signaal betreffen ten behoeve van de uitvoering.
De IND maakt steeds een zorgvuldige afweging bij de beoordeling wel of geen hoger beroep in te stellen, waarbij zowel de individuele belangen van de vreemdeling worden meegenomen, als de belangen van de Staat en de samenleving bij rechtszekerheid en rechtsgelijkheid vanwege mogelijke precedentwerking.
Bent u van mening dat met dergelijke oproepen en uitspraken de grens tussen rechtspreken en (politiek) activisme in de rechtszaal vervaagt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, deelt u de mening dat dit onwenselijk is en welke mogelijkheden ziet u om dit tegen te gaan?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 13 past het mij als bewindspersoon niet om te oordelen over overwegingen in een specifieke rechterlijke uitspraak. Zoals eveneens aangegeven in het antwoord op vraag 13, behoort het opnemen in een uitspraak van een overweging ten overvloede tot de uitspraakbevoegdheden van de rechter. Dit kan bijvoorbeeld een signaal zijn ten behoeve van de uitvoering. Rechterlijke uitspraken in zaken die in de maatschappelijke belangstelling staan kunnen en mogen voorwerp zijn van discussie. Onze rechtsstaat is gebaat bij debat en dialoog, zowel binnen als met de rechtspraak.
Het opheffen van vreemdelingenbewaring van een criminele vreemdelingen wegens vermeend ‘inhumane’ opeenvolgende IBS-periodes. |
|
Diederik Boomsma (CDA), Simon Ceulemans (JA21) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de recente uitspraak van de Rechtbank van Noord-Holland, waarbij de bewaring van een criminele en als ongewenst vreemdeling aangemerkte Marokkaanse onderdaan is opgeheven omdat meerdere opeenvolgende perioden van vreemdelingenbewaring bij elkaar zijn opgeteld en als «inhumaan» zijn aangemerkt, terwijl betrokkene op het punt stond te worden uitgezet en de laissez-passer al gereed lag?
Ik ben bekend ben met het arrest «Aroja» van 5 maart 2026 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) en verschillende uitspraken die daarnaar verwijzen van de Nederlandse rechtspraak.
Kunt u uiteenzetten op welke juridische grond in deze zaak de opeenvolgende inbewaringstellingperiodes (IBS-periodes) zijn samengeteld en tot «inhumane» bewaring zijn bestempeld, en hoe dit zich verhoudt tot de Terugkeerrichtlijn én het door de Europese Commissie opgestelde Return Handbook, waarin juist wordt benadrukt dat bij een reëel vooruitzicht op verwijdering – bijvoorbeeld wanneer een laissez-passer (LP) gereed is – de uitvoering van de terugkeer voorrang behoort te hebben op invrijheidstelling? Waarom wijkt de Nederlandse praktijk in dit geval af van deze duidelijke aanbevelingen, nota bene met betrekking tot een criminele en ongewenst verklaarde vreemdeling?
Zoals uw Kamer bekend, kan ik niet ingaan op individuele gevallen. In algemene zin kan ik aangeven dat het Hof in haar arrest nader gepreciseerd heeft hoe de maximale termijn voor vreemdelingenbewaring op basis van de Terugkeerrichtlijn, in Nederland geïmplementeerd in artikel 59 Vreemdelingenwet 2000, moet worden berekend. De uitspraak van het Hof luidt dat per direct de maximale termijn van 18 maanden (6 maanden + 12 maanden verlenging) berekend moet worden door alle periodes van vreemdelingenbewaring op grond van hetzelfde terugkeerbesluit bij elkaar op te tellen. Tot nu toe ging de Nederlandse rechtspraktijk er van uit dat deze termijn per opgelegde bewaringsmaatregel steeds opnieuw inging. Dit heeft als gevolg dat vreemdelingen die in totaal 18 maanden of langer in vreemdelingenbewaring hebben gezeten op basis van één en hetzelfde terugkeerbesluit, niet langer in vreemdelingenbewaring ter fine van terugkeer gesteld kunnen worden. Dit maakt het al complexe bewaringsproces nog ingewikkelder. Het Hof onderbouwt haar oordeel door te verwijzen naar het verbod op willekeurige bewaring. Het Hof wijst lidstaten wel op mogelijkheden om in hun nationale wetgeving handelingsperspectieven te scheppen met strafrechtelijke sancties.
Hoe beoordeelt u het risico voor de openbare orde en veiligheid wanneer criminele vreemdelingen die uitzetbaar zijn, voor wie reisdocumenten gereed liggen en die bovendien als ongewenst vreemdeling zijn aangemerkt, toch in vrijheid worden gesteld enkel vanwege de optelling van eerdere IBS-periodes?
Vreemdelingen die niet rechtmatig in Nederland zijn dienen Nederland te verlaten. Het uitgangspunt is daarbij dat een vreemdeling zelfstandig vertrekt. Indien de vreemdeling niet of onvoldoende medewerking verleent aan zijn vertrek dan wordt er overgegaan tot gedwongen vertrek. Daarbij wordt prioriteit gegeven aan overlastgevende en criminele vreemdelingen. Onder de Terugkeerrichtlijn kunnen vreemdelingen in bestuursrechtelijke vreemdelingenbewaring worden gesteld wanneer er een onttrekkingsrisico is of wanneer zij de terugkeerprocedure ontwijken of belemmeren. Er is thans geen op zichzelf staande grond voor terugkeerbewaring om de enkele reden dat personen een risico vormen voor de openbare orde of de nationale veiligheid. Voor vreemdelingen in het strafrecht geldt dat de (gedwongen) terugkeer zoveel als mogelijk aansluitend op het einde van de strafrechtelijke detentie wordt georganiseerd.
In gevallen waarbij de identiteit en nationaliteit van een vreemdeling vaststaat, zal doorgaans de maximale termijn van 18 maanden bewaring met het oog op uitzetting volstaan, ook als eerdere bewaringsperiodes op grond van de Terugkeerrichtlijn bij elkaar moeten worden opgeteld. Daarbij is van belang dat periodes van rechtmatig verblijf gedurende de behandeling van een asielprocedure niet vallen onder de Terugkeerrichtlijn en dus geen onderdeel uitmaken van de maximale termijn van 18 maanden. Ook bewaring in het kader van de Dublinprocedure telt niet mee. Het herhaald indienen van een toelatingsprocedure zal de vreemdeling dus maar beperkt baten.
Het Aroja-arrest heeft echter wel een negatieve impact op de bewaring van vreemdelingen die niet over geldige reisdocumenten beschikken. Voor hen zal een vervangend reisdocument moeten worden aangevraagd bij de diplomatieke vertegenwoordiging van het (mogelijke) land van herkomst. Afhankelijk van het land van herkomst en de mate van medewerking van de vreemdeling, kan het geruime tijd duren voordat het onderzoek door het land van herkomst is afgerond. Bij een negatieve uitkomst is aanvullend onderzoek nodig. Dit kunnen langdurige trajecten zijn die veel tijd in beslag nemen. Met dit arrest bestaat het risico dat de maximale bewaringstermijn is volgelopen, zonder dat terugkeer geeffectueerd kon worden. Daarnaast wordt verwacht dat vreemdelingen die niet meewerken aan terugkeer zich nog heftiger zullen verzetten om uitzetting te voorkomen als de maximale termijn van 18 maanden in beeld komt. Daarom zal de vreemdelingenketen de inzet van vreemdelingenbewaring nog scherper moeten afzetten tegen de spoedige effectuering van terugkeer.
Waar terugkeer in 18 maanden niet mogelijk is gebleken, zal naar andere handelingsperspectieven moeten worden gekeken. Strafrechtelijke vervolging op basis van artikel 197 Wetboek van Strafrecht is in een aanzienlijk aantal gevallen binnen deze categorie een mogelijkheid, als een zwaar inreisverbod is uitgevaardigd. De aanpassing van de wetgeving met betrekking tot de ongewenst verklaring en de strafbaarstelling van illegaal verblijf, welke thans in de Eerste Kamer ter behandeling liggen, kunnen een ingang bieden om dit handelingsperspectief te versterken.
Daarnaast zet het kabinet in op het snel bereiken van een akkoord tussen de Raad van de EU en het Europees Parlement over de Terugkeerverordening. Beide instellingen versterkten het voorstel van de Europese Commissie om de maximale terugkeerbewaring te verlengen naar 24 maanden (12+12 maanden) en bovendien geen formele limiet te stellen aan de bewaringsduur voor personen die een gevaar vormen voor de openbare orde of de nationale veiligheid. Een meerderheid van lidstaten is daarnaast voorstander van de mogelijkheid om, na het verloop van de maximale bewaringsduur van 24 maanden, opnieuw maximaal 6 maanden terugkeerbewaring te kunnen opleggen wanneer zich een onderduikrisico voordoet en er uitzicht ontstaat op uitzetting, bijvoorbeeld omdat de terugkeersamenwerking met een derde land verbetert. Verder biedt de verordening onder meer een nieuwe en op zichzelf staande bewaringsgrond voor personen die een veiligheidsrisico vormen. Hoewel de definitieve verordening nog niet gereed is, ziet het kabinet hierin perspectief om de door het arrest toegevoegde complexiteit deels weg te nemen.
Deelt u, mede gelet op het uitgangspunt dat lidstaten onder het Unierecht primair verantwoordelijk blijven voor de bescherming van de nationale veiligheid en openbare orde, en op het feit dat de Terugkeerrichtlijn expliciet voorziet in detentie van illegaal verblijvende derdelanders die een risico vormen voor de openbare orde of de uitvoering van de terugkeerprocedure, de mening dat hiermee de effectieve bescherming van de Nederlandse samenleving tegen gevaarlijke en ongewenst verklaarde recidivisten onaanvaardbaar wordt ondermijnd? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u het ermee eens dat deze uitspraak in de praktijk betekent dat niet-meewerken aan terugkeer, het traineren van procedures en het strategisch indienen en weer intrekken van asielaanvragen en rechtsmiddelen door vreemdelingen en hun advocaten wordt beloond, omdat de door hen zelf veroorzaakte vertraging vervolgens wordt aangegrepen om bewaring op te heffen, zelfs wanneer het gaat om een criminele, ongewenst verklaarde vreemdeling voor wie een LP gereed ligt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Welke concrete maatregelen bent u bereid op korte termijn en op langere termijn te nemen om te voorkomen dat dit soort misbruik van recht nog langer loont en om te waarborgen dat ongewenst verklaarde criminelen met een groot recidiverisico zoals deze daadwerkelijk kunnen worden uitgezet?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bekend met andere gevallen waarin vreemdelingenbewaring van (criminele) derdelanders, al dan niet ongewenst verklaard, is opgeheven omdat meerdere IBS-periodes bij elkaar zijn opgeteld en als «inhumaan» zijn aangemerkt, ondanks dat er uitzicht bestond op uitzetting en in voorkomende gevallen sprake was van recidivegevaar? Zo ja, om hoeveel zaken gaat het in de afgelopen twaalf maanden, wat is de aard van deze zaken, en kunt u de Kamer daarover een overzicht sturen inclusief delictcategorie, ongewenststatus, en reden voor opheffing van de bewaring?
Naar aanleiding van dit arrest zijn de dossiers van alle vreemdelingen die op dat moment in bewaring verbleven (circa 430) onderzocht. In totaal zijn ongeveer 30 bewaringsmaatregelen opgeheven als een direct gevolg van deze uitspraak. Bij ongeveer 10 vreemdelingen ging dat om maatregelen waarin de maximale termijn van 18 maanden is overschreden. In ongeveer 20 gevallen is het formele vereiste, om voor ommekomst van een periode van 6 maanden een verlengingsbesluit te nemen, niet goed toegepast wat tot opheffingen heeft geleid. In die gevallen is bij opnieuw aantreffen van de vreemdeling in het toezicht opnieuw bewaring mogelijk, met een verbeterde motivering. In andere gevallen is een nieuwe bewaringsmaatregel beschouwd als verlengingsmaatregel om meer opheffingen te voorkomen.
Het arrest dateert van 5 maart 2026. Van een overzicht over de afgelopen 18 maanden in relatie tot deze uitspraak, kan dan ook geen sprake zijn.
Hoe verhoudt de in deze uitspraak gevolgde lijn zich volgens u tot de nieuwe aanstaande Europese Terugkeerverordening, die juist beoogt het terugkeerbeleid te versterken en te uniformeren, en deelt u de analyse dat met dergelijke uitspraken Nederland zichzelf klem zet als we het Europese kader zo uitleggen dat criminele, ongewenst verklaarde vreemdelingen eerder profiteren van juridische subtiliteiten dan dat de samenleving wordt beschermd? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in het gecombineerde antwoord op vragen 3, 4,5, en 6, biedt de Terugkeerverordening perspectief op het versterken van het terugkeerbeleid. Het kabinet zet dan ook in op de vlotte afronding van de triloogonderhandelingen.
Deelt u de opvatting dat criminele derdelanders die een gevaar vormen voor de openbare orde, die ongewenst zijn verklaard, bij wie recidivegevaar bestaat en die in principe uitzetbaar zijn, zeker wanneer de LP al gereed ligt, in bewaring moeten blijven totdat hun terugkeer daadwerkelijk is gerealiseerd, en dat het onacceptabel is dat zij door juridisch getouwtrek toch op straat belanden? Zo nee, waarom niet?
Ik wil hier graag verwijzen naar het gecombineerde antwoord op vragen 3, 4,5, en 6 en het antwoord op vraag 8.
Welke mogelijkheden ziet u om, binnen het huidige Unierechtelijke kader, nationaal beleid en regelgeving zo aan te scherpen dat opeenstapeling van detentieperiodes en procedureel getraineer niet langer kan leiden tot een de facto immuniteit tegen uitzetting voor criminele, ongewenst verklaarde en recidivegevoelige vreemdelingen zonder verblijfsrecht? Bent u bereid de Kamer hierover op korte termijn concrete voorstellen te doen?
Zie antwoord vraag 9.
Bent u bereid om in Europees verband, onder verwijzing naar deze casuïstiek, te pleiten voor verduidelijking en aanscherping van de regels rond (hernieuwde) bewaring in de nieuwe Terugkeerverordening, zodat lidstaten niet langer worden gehinderd om dergelijke criminele, overlastgevende en ongewenstverklaarde vreemdelingen vast te houden totdat hun uitzetting feitelijk is uitgevoerd? Zo nee, waarom niet?
Zoals hierboven aangegeven is het kabinet van mening dat het onderhandelingsmandaad van de Raad van de EU, dat de inzet vormt van de gesprekken in de triloog, een goed alternatief biedt om het handelingsperspectief te versterken. Zoals eerder opgemerkt zet het kabinet in op het snel bereiken van een akkoord op de Terugkeerverordening.
Wilt u deze vragen één voor één beantwoorden, vóór 23 april 2026?
Waar mogelijk heb ik de vragen één voor één beantwoord. Waar de vragen in elkaars verlengde lagen of hetzelfde antwoord hadden heb ik de beantwoording gebundeld.
Het tegen de afspraken in openhouden van de asielopvang in Hardenberg door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) |
|
Simon Ceulemans (JA21) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het besluit van het COA om het asielzoekerscentrum (azc) in Hardenberg en de noodopvanglocatie in Loozen voorlopig alsnog open te houden, ondanks de al jaren geldende afspraak dat deze per 8 maart van dit jaar gesloten zouden worden?1
Het besluit om het azc Hardenberg voorlopig open te houden is onwenselijk, maar ingegeven door acute krapte in de opvang. Op 24 maart 2026 is de noodopvang in Loozen gesloten. Landelijk zijn er onvoldoende vervangende opvangplekken beschikbaar om alle mensen uit de locatie in Hardenberg elders onder te brengen. Wel is de bezetting van het azc Hardenberg gedaald. Het gebrek aan voldoende opvangplekken komt mede doordat niet alle plaatsen uit de verdeelbesluiten van de Spreidingswet zijn gerealiseerd en daarnaast een achterstand op de taakstelling huisvesting is van 9.760 (d.d. 20 maart 2026). Onder deze omstandigheden is het noodzakelijk om asielzoekers langer op deze locatie te laten verblijven om zo te voorkomen dat mensen geen onderdak meer hebben.
Wat is uw oordeel over het feit dat het COA twee weken voor de overeengekomen sluitingsdatum nog per brief aan omwonenden van het azc liet weten dat het op 8 maart leeg zou zijn?
Ik begrijp de teleurstelling over de brief aan omwonenden waarin de beoogde sluiting per 8 maart aangekondigd werd. Er is vanuit het COA maar ook het departement veelvuldig gesproken met de gemeente over het langer openhouden van de locatie. Daarnaast heeft het COA ingezet op het verlengen van andere locaties en het versnellen van openingen van nieuwe locaties. Ook is ingezet op het ontlasten van het COA door nareizigers tijdelijk te huisvesten in hotels. Ondanks deze inzet was het op 8 maart niet verantwoord om de locatie te sluiten.
Op grond waarvan is het COA in deze tussentijd van slechts twee weken van gedachten veranderd? Welke stappen zijn er vóór deze periode en sinds het versturen van de brief gezet om ervoor te zorgen dat de asielopvanglocaties wel op de afgesproken datum konden sluiten?
Zie antwoord vraag 2.
Wat denkt u dat dit alles doet met het vertrouwen van de inwoners van Hardenberg in de landelijke overheid? Kunt u zich voorstellen dat deze gang van zaken tot grote onrust en frustratie heeft geleid?
Ik begrijp dat deze gang van zaken het vertrouwen kan schaden en lokaal tot teleurstelling en frustratie leidt. Dat is uiterst ongewenst. Door met gemeenten en provincies in gesprek te blijven wil ik ervoor zorgen dat onderling vertrouwen weer wordt versterkt.
Deelt u de mening dat hier sprake is van onbehoorlijk bestuur richting de gemeente Hardenberg? Zo nee, waarom niet?
De gang van zaken in Hardenberg is onfortuinlijk geweest. Het streven is altijd om bestuursovereenkomsten na te leven. Tegelijkertijd heeft het COA een wettelijke taak om asielzoekers op te vangen. Om dit mogelijk te maken heeft het kabinet onder meer afgesproken uitvoering te geven aan de Spreidingswet en de geldende verdeelbesluiten van mijn ambtsvoorganger. Ondanks de inspanning van veel gemeenten zijn helaas nog niet alle plekken uit de verdeelbesluiten van de Spreidingswet gerealiseerd. Mede hierdoor is er een tekort aan opvangplekken en konden de locaties in de gemeente Hardenberg niet tijdig sluiten. Voorafgaand hieraan is uitvoerig contact geweest tussen de gemeente, het COA en het departement.
Hoe kan het COA überhaupt asielopvang blijven verrichten op deze twee locaties nu de bestuursovereenkomst en de omgevingsvergunning zijn verlopen? Op welke (juridische) gronden doet het COA dit?
Er is momenteel geen juridische grondslag voor verblijf op deze locaties. In de jurisprudentie is wel ruimte om onder bijzondere omstandigheden van handhaving af te zien. Het COA doet er alles aan om zo snel mogelijk de bewoners van de locatie in Hardenberg een nieuwe opvangplek te geven.
Hoe kunt u van gemeenten verwachten dat zij nog meewerken aan verzoeken voor nieuwe asielopvanglocaties wanneer het COA keiharde afspraken en voorwaarden daaromtrent op deze manier eenzijdig schendt?
Ik verwacht dat alle gemeenten hun verantwoordelijkheid nemen ten aanzien van het realiseren van asielopvang. Tegelijkertijd besef ik mij dat het niet nakomen van afspraken het vertrouwen kan schaden. Daarom hecht het kabinet er veel belang aan dat overheden een betrouwbare partner zijn en afspraken nakomen. Door met gemeenten in gesprek te blijven wil ik, samen met het COA, ervoor zorgen dat onderling vertrouwen weer wordt versterkt en er goed wordt samengewerkt. Hierin is het werken aan structurele oplossingen waarin zowel een rol voor het kabinet als medeoverheden ligt, van belang. Eén van deze oplossingen is het uitvoeren van de Spreidingswet. Zoals ook in het coalitieakkoord beschreven zet het kabinet hierop in. Hierom zijn op 9 april de brieven in het kader van het interbestuurlijk toezicht op de uitvoering van wet aan gemeenten verzonden.
Hoe kunt u van gemeenten verwachten dat zij opvolging geven aan verplichtingen in de Spreidingswet wanneer het COA zich zelf niet aan een overeenkomst met een gemeente houdt?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u zich voorstellen dat deze gang van zaken in veel plaatsen leidt tot nog grotere zorgen over het nakomen van afgesproken sluitingsdata door het COA, zoals in Albergen waar eerder al een azc werd doorgedrukt door het COA en het kabinet? Wat gaat u doen om die zorgen weg te nemen en te zorgen voor harde garanties?
Zie antwoord vraag 7.
Wanneer treedt de dwangsom van 81.000,– per dag die de gemeente Hardenberg aan het COA heeft opgelegd in werking en welke juridische stappen (zoals de zienswijze die vandaag door het COA is ingediend) worden tot die tijd doorlopen?
Het College van burgemeester & Wethouders van de gemeente Hardenberg heeft bij besluit van 17 maart jl. het COA een last onder dwangsom opgelegd. In het besluit is een hersteltermijn verstrekt van een week. Dit betekent dat de dwangsom per 24 maart j.l. in werking is getreden omdat het azc Hardenberg nog niet is gesloten. Overigens heeft het College de dwangsommen verlaagd naar in totaal € 62.500,- voor beide locaties. Zoals eerder aangegeven, is de noodopvang in Loozen gesloten.
Wanneer denkt het COA zelf het azc en de noodopvanglocatie te kunnen sluiten en welke stappen worden daartoe gezet?
De druk op de opvang is hoog. Er is een bezettingsgraad van 103%. Alle bedden zijn bezet. Dit heeft er helaas toe geleid dat de locaties in Hardenberg niet tijdig zijn gesloten. Mensen die recht hebben op opvang op straat zetten is nooit een oplossing. Een stabiel opvanglandschap is wel een oplossing, vandaar dat het kabinet hierop inzet. Onder andere door het uitvoeren van de Spreidingswet en door het realiseren van een stabiele financiering voor het COA.
Deelt u de mening dat ongeacht de logistieke problemen van het COA één ding voorop moet staan, namelijk dat het COA haar belofte aan de gemeente Hardenberg en haar inwoners gewoon moet nakomen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat het azc en de noodopvanglocatie alsnog per direct dicht gaan?
Zie antwoord vraag 11.
Hoe gaat u voorkomen dat er een precedentwerking ontstaat en dat het COA gemaakte afspraken vaker niet gaat nakomen?
Het COA streeft ernaar alle gemaakte afspraken na te komen. Het is geenszins de intentie van het COA om afspraken vaker niet na te komen. Onder deze omstandigheden is het tijdelijk noodzakelijk om de asielzoekers langer op de locatie te laten verblijven om zo te kunnen voldoen aan de wettelijke opvangtaak. Het uitvoeren van de Spreidingswet en de stabiele financiering van het COA zullen op termijn ervoor zorgen dat COA haar afspraken kan nakomen.
Het bericht dat de Dienst Identificatie en Screening Asiel (DISA) stopt |
|
Lisa Westerveld (GL), Julian Bushoff (PvdA) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Dienst Identificatie en Screening Asiel (DISA) stopt: 80 banen weg in Ter Apel» van RTV Noord?1
Ja.
Wat is uw reactie op het feit dat deze 80 mensen ineens ontslagen worden? Begrijpt u dat het voor hen voelt als een klap in het gezicht?
De DISA is opgericht als tijdelijke organisatie2. Onder invoering van het Migratiepact neemt de IND als aangewezen screeningsautoriteit per 12 juni aanstaande het screeningsproces van de DISA over. Omdat er sprake is van een andere procesgang vanaf 12 juni 2026 bij de IND die volgt uit de Europese Screeningsverordening, is gebleken dat het niet mogelijk is om alle medewerkers van de DISA over te laten gaan naar de IND. Er is sprake van een verzwaring van taken en verantwoordelijkheden binnen het nieuwe proces ten opzichte van het huidige door DISA uitgevoerde identificatie en registratie (I&R) proces. De verschillen tussen de functies zijn daarmee te groot. Een aantal functionarissen van DISA – waarvan de functietaken overeenkomsten vertonen met de functietaken bij de IND – zet de werkzaamheden voort bij de IND in het proces Ontvangst en Voorbereiding Asielaanvraag (OVA). Voor de overige functionarissen bij de DISA geldt het Van Werk Naar Werk-beleid waarmee zij actief worden begeleid naar passend werk binnen of buiten de Rijksoverheid. Dit betreft maatwerk en zal per persoon verschillen. Hoewel DISA vanaf de start een tijdelijke organisatie was, begrijp ik de teleurstelling van de medewerkers nu de einddatum in zicht is.
Waarom is er dan niet voor gekozen om de 80 banen van de DISA in Ter Apel te laten doorvloeien naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)?
Zie het antwoord op vraag 2.
Klopt het dat de foutmarge bij de screening onder de DISA is teruggebracht naar onder de 5 procent? Klopt het dan dat deze werknemers geschikt zijn voor dit werk en sneller aan de slag kunnen dan nieuw op te leiden werknemers?
De DISA heeft zijn (tijdelijke) taak op professionele wijze uitgevoerd, daar ben ik de dienst zeer erkentelijk voor. Omdat het OVA-proces andere elementen bevat, waaronder de voorbereiding en tijdigheid van de aanvraag, worden van de medewerker in het OVA-proces andere competenties verwacht dan van de DISA medewerkers. Om die reden is een vergelijking van geschiktheid niet te maken.
Wat is de impact op Oost-Groningen dat er 80 banen verdwijnen? Wat is het signaal dat hiermee wordt afgegeven aan Ter Apel?
Laat ik vooropstellen dat ik de regio Oost-Groningen en in het bijzonder Ter Apel zeer erkentelijk ben voor hun hulp en inspanningen aan en met de werkzaamheden in de migratieketen. Het is correct dat de DISA per 12 juni van zijn wettelijke taak wordt ontheven en de functie van I&R-medewerker bij de DISA vanaf dat moment niet langer bestaat. Daar staat tegenover dat vanaf die datum de IND in Ter Apel start met het OVA-proces waar ook bemensing voor noodzakelijk is.
Wat zijn de kosten van het zo snel optuigen en weer afschaffen van deze dienst?
De DISA kostte qua opzetten en inrichten in 2025 23,5 miljoen euro. Omdat de DISA tot 11 juni 2026 zijn wettelijke taken nog uitvoert, diverse (huur)contracten opgezegd worden maar ook de personeelslasten vanaf 12 juni 2026 nog steeds toegerekend worden aan de DISA is de prognose dat er in 2026 nog maximaal 15 miljoen euro benodigd is. Na de afbouw kunnen de personeelslasten van de DISA en bijbehorende personeelszorg nog doorlopen tot 2028. Daarnaast geldt dat een deel van de kosten van het I&R proces dienen te worden gemaakt, ongeacht welke dienst dit uitvoert. Dit betreft bijvoorbeeld operationele kosten die per definitie worden gemaakt.
Begrijpt u dat medewerkers spreken over weggegooid geld, omdat er 40 miljoen in een dienst is gestoken die na een jaar weer verdwijnt?
Ter uitvoering van het Hoofdlijnenakkoord van het voormalig kabinet, is de DISA, conform de door de Minister ondertekende startnotitie, als tijdelijke organisatie opgericht om de identificatie en registratie van asielzoekers uit te voeren voor de periode van 1 januari 2025 tot 12 juni 2026. Bij de inrichting van DISA is vanaf de start als uitgangspunt gehanteerd dat het ketenbrede I&R-proces zo ingericht en ontworpen is, dat de activiteiten «inpasbaar» zijn in een bestaande organisatie.
De destijds beschikbaar gestelde middelen van 16,8 miljoen euro waren het startbudget van de DISA en zijn aangevuld met extra begrotingsmiddelen. De kosten voor de uitvoering van I&R taken worden altijd gemaakt, ongeacht welke dienst dit uitvoert. Ik heb begrip voor het standpunt van de medewerkers omdat zij hun capaciteiten en deskundigheid aan de DISA beschikbaar hebben gesteld. Dat is veel waard.
Kunt u specifiek reageren op de uitspraak van een van hen, die aangeeft: «Je tuigt met belastinggeld iets op en dan gooi je het in de prullenmand. Inclusief personeel»?
Zie antwoord op vraag 7.
Hoeveel kosten had het gescheeld als de werknemers bij de dienst wel waren overgenomen door de IND?
De functies in het I&R proces zijn niet één op één te vergelijken met de functies in het OVA-proces. Dit heeft onder andere te maken met de te verrichten taken, opleidingsniveau en type medewerker dat nodig is voor een functie in het OVA-proces. Er is zoveel mogelijk gekeken naar overeenkomsten in de functies in het I&R proces en het OVA-proces. Een deel van de mensen gaat zoals gezegd over naar de IND. Een inschatting van fictieve omscholingskosten van DISA naar IND is niet te maken. Ook binnen de IND worden medewerkers omgeschoold om in het OVA-proces te kunnen werken.
Het bericht 'Strenge regels arbeidsmigratie Vlaanderen zijn effectief' |
|
Tijs van den Brink (CDA) |
|
Thierry Aartsen (VVD), Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Strenge regels arbeidsmigratie Vlaanderen zijn effectief»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het dat Vlaanderen per 1 januari 2026 de regels voor gecombineerde werk- en verblijfsvergunningen heeft aangescherpt, onder meer door de toegang voor laaggeschoolde arbeid te beperken en de lijst met beroepen voor een versnelde procedure te verkorten? Is dat een route die u ook voor Nederland wenselijk acht?
Lidstaten maken hun eigen afwegingen in het arbeidsmigratiebeleid dat gaat over werknemers van buiten de Europese Unie, afhankelijk van hun arbeidsmarkt, demografie en maatschappelijke context.
In Nederland geldt, op basis van de Wet Arbeid Vreemdelingen (Wav), dat voor alle beroepen waarvoor werkgevers een reguliere tewerkstellingsvergunning (twv) of een reguliere gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (gvva) willen aanvragen, eerst drie maanden gezocht moeten worden naar arbeidsaanbod op de Nederlandse en Europese arbeidsmarkt. Dit is onderdeel van de arbeidsmarkttoets die UWV uitvoert. Het nieuwe beleid in Vlaanderen rondom gecombineerde werk- en verblijfsvergunningen voor niet-EU-werknemers is, ook na aanscherping, soepeler dan in Nederland. Vlaanderen werkt met een beroepenlijst waarvoor een versnelde procedure geldt. Vlaanderen heeft sinds dit jaar het aantal beroepen op de beroepenlijst ingekort. Voor beroepen die niet op de lijst staan, geldt dat werkgevers eerst negen weken moeten zoeken naar arbeidsaanbod op de Belgische en Europese arbeidsmarkt. Het Nederlandse beleid is dus strenger dan het beleid dat Vlaanderen voert. Voor kennismigranten past Nederland wel uitnodigender beleid toe.
Verder is in deze context relevant dat in het Coalitieakkoord is aangekondigd dat Nederland een pilot zal starten van drie jaar voor een programma dat gericht is op het, onder strenge voorwaarden, actief en gericht naar Nederland halen van goed geschoolde krachten die hier toegevoegde waarde in vooraf afgebakende sectoren hebben. Onderdeel van deze voorwaarden zijn een salariseis en huisvestingseis en een maximale termijn van drie jaar.
Beschikt u over signalen dat aanscherping van toelatingsvoorwaarden voor arbeidsmigratie, zoals in Vlaanderen, kan bijdragen aan het terugdringen van misstanden, fraude en oneerlijke concurrentie op de arbeidsmarkt?
Het doel van het Nederlandse arbeidsmigratiebeleid in de Wet arbeid vreemdelingen is dat arbeidsmigratie aansluit op de concrete behoefte op de arbeidsmarkt en de hier geldende arbeidsvoorwaarden- en omstandigheden. Door de toepassing van een arbeidsmarkttoets conform de Wav kunnen werkgevers over de benodigde werknemers beschikken terwijl Nederlandse en Europese werknemers niet worden verdrongen. De toelatingsvoorwaarden dragen bij aan het terugdringen van misstanden, fraude en oneerlijke concurrentie op de arbeidsmarkt. Zo toetst het UWV bij de aanvraag van een twv of gvva of de werkgever zich houdt aan de arbeidsvoorwaarden, zoals de betaling van marktconform loon, en of de werkgever de arbeidswetgeving eerder niet heeft overtreden. Als dit niet in orde is, wordt geen werkvergunning afgegeven.
Een kanttekening hierbij is dat op het moment dat de toelatingsvoorwaarden voor werknemers van buiten de Europese Unie strikt zijn, werkgevers op andere manieren proberen mensen van buiten de Europese Unie naar Nederland te halen. Een route hiervoor is via detachering vanuit andere EU lidstaten. Werkgevers hoeven dan geen werkvergunning aan te vragen waardoor UWV geen controle vooraf kan uitvoeren op de arbeidsvoorwaarden. Om die reden zet het kabinet in op de verduidelijking van de nationale en Europese regels voor de detachering van werknemers van buiten de EU, zodat werkgevers beter kunnen weten wat wel en niet is toegestaan en ook beter toezicht mogelijk is.
Bent u bereid te onderzoeken in hoeverre in Nederland, mede in het licht van de krapte op de arbeidsmarkt, eerst zwaarder moet worden ingezet op activering van het binnenlands en Europees arbeidsaanbod voordat werkgevers werknemers van buiten de Europese Unie kunnen aantrekken?
Het uitgangspunt van het Nederlandse beleid is reeds dat werkgevers eerst moeten inzetten op activering van het binnenlands en Europees arbeidsaanbod, voordat zij werknemers van buiten de Europese Unie kunnen aantrekken. Dit gebeurt door middel van de onder vraag 2 genoemde arbeidsmarkttoets. Hierbij toetst het UWV een aanvraag op de volgende drie punten: 1. De aanwezigheid van prioriteit genietend aanbod (Nederlanders, overige EU-burgers en derdelanders die mogen werken zonder werkvergunning); 2. tijdige melding van de vacature; 3. de wervingsinspanningen om prioriteitgenietend aanbod te vinden.
Bij laaggeschoolde arbeid concludeert UWV in de praktijk dat er in Nederland prioriteit genietend aanbod is, dus wordt geen werkvergunning afgegeven.
Hoe verhoudt de Vlaamse aanpak zich volgens u tot de Nederlandse inzet om grip te krijgen op arbeidsmigratie en misstanden tegen te gaan?
De Vlaamse aanpak lijkt met de aanpassing van de regelgeving iets meer in lijn te komen met de Nederlandse inzet. De Nederlandse inzet is op dit punt nog wel restrictiever.
Ziet u aanleiding om, mede naar aanleiding van de ervaringen in Vlaanderen, te bezien of de Nederlandse systematiek voor arbeidsmigratie van buiten de Europese Unie verder moet worden aangescherpt, juist waar het gaat om laagbetaald werk, huisvesting, registratie en de maatschappelijke draagkracht in regio’s en gemeenten?
Met de Wav voert Nederland reeds beleid welke mee ademt met de behoefte op de arbeidsmarkt. Alleen als een werkgever voor de aanvraag van een reguliere twv of gvva kan aantonen echt personeel nodig te hebben van buiten de EU, én als dat personeel niet reeds binnen Nederland en de EU beschikbaar is, is dit mogelijk. Voor laagbetaalde arbeid geldt dat er geen twv’s of gvva’s worden verstrekt, vanuit het uitgangspunt dat hiervoor prioriteitgenietend aanbod in Nederland en/of de EU aanwezig is. Het kabinet is zich goed bewust van de risico’s die er zijn op misstanden voor arbeidsmigranten in laagbetaalde arbeid. En ook van de druk op huisvesting, problemen rondom registratie, en het belang van maatschappelijke draagkracht in de regio’s en gemeenten.
Het bericht dat Screeningsdienst asielzoekers stopt na ruim een jaar, '40 miljoen in prullenbak' |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Screeningsdienst asielzoekers stopt na ruim een jaar, «40 miljoen in prullenbak»»?1
Ja.
Klopt het dat bij de oprichting van de Dienst Identificatie en Screening Asielzoekers (DISA) al duidelijk was dat deze dienst tijdelijk zou zijn en dat de taken per 12 juni 2026 in verband met het Europese Asiel- en Migratiepact door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) zouden worden overgenomen? Zo ja, waarom is desondanks gekozen voor de oprichting van een aparte dienst?
Ja. DISA is verantwoordelijk voor het identificeren en registreren (I&R) van asielaanvragers in Nederland. Voorheen was de Afdeling Vreemdelingenzaken Identificatie en Mensenhandel (AVIM) van de Nationale Politie verantwoordelijk voor de taakuitvoering van het I&R proces. Ter uitvoering van het Hoofdlijnenakkoord van Kabinet Schoof is besloten om de administratieve taken die de politie uitvoert in de asielketen over te hevelen naar een ter zake kundige organisatie zodat de politie zich meer kan richten op haar kerntaken. Voordat de taakoverdracht heeft plaatsgevonden, is binnen de migratieketen verkend of de I&R taak kon worden belegd bij een bestaande organisatie. Uit deze verkenning bleek de IND de meest logische organisatie om de taak bij te beleggen. De IND heeft aangegeven deze taak op zich te kunnen nemen bij de inwerkingtreding van het Europees Migratiepact op 12 juni 2026. Om die reden is onder voornoemd primaat van de politiek besloten om een tijdelijke taakorganisatie (DISA) op te richten om het I&R proces per 1 januari 2025 over te nemen. DISA voert de I&R taken voor eerste aanvragers uit in Ter Apel en Budel.
Klopt het dat voor DISA een nieuw computersysteem is ontwikkeld dat circa 40 miljoen euro heeft gekost? Wat gebeurt er met dit systeem na opheffing van DISA en in hoeverre blijft dit systeem bruikbaar voor de IND?
Nee dit klopt niet. De ontwikkeling van de DISApp (het computersysteem) heeft circa twee miljoen euro gekost. Het systeem is zo ontworpen dat het overdraagbaar is en binnen de keten blijft. De gegevens die hierin zijn opgeslagen zijn beschikbaar voor de IND. Voor het Ontvangst en Voorbereiding Asielaanvraag (OVA) proces heeft de IND een eigen proces ingericht met eigen systemen.
Klopt het dat de 120 medewerkers van DISA niet overgaan naar de IND? Zo ja, waarom is daarvoor gekozen, en hoe voorkomt u dat de binnen DISA opgebouwde kennis en expertise op het gebied van identificatie en screening verloren gaan?
De binnen DISA opgebouwde kennis en expertise op het gebied van identificatie en screening blijft vanzelfsprekend beschikbaar voor de migratieketen als geheel en voor de IND in het bijzonder. Omdat er sprake is van een andere procesgang vanaf 12 juni 2026 bij de IND die volgt uit de Europese Screeningsverordening, is gebleken dat het niet mogelijk is om alle medewerkers van de DISA over te laten gaan naar de IND. Er is sprake van een verzwaring van taken en verantwoordelijkheden binnen het OVA-proces ten opzichte van het huidige door DISA uitgevoerde I&R proces. De verschillen tussen de functies zijn daarmee te groot.
Een aantal functionarissen van DISA – waarvan de functietaken overeenkomsten vertonen met de functietaken bij de IND – zet de werkzaamheden voort bij de IND in het proces Ontvangst en Voorbereiding Asielaanvraag (OVA). Voor de overige functionarissen bij de DISA geldt het Van Werk Naar Werk-beleid waarmee zij actief worden begeleid naar passend werk binnen of buiten de Rijksoverheid.
Hoe waarborgt u dat de overdracht van deze taken aan de IND niet leidt tot meer fouten, nieuwe achterstanden of extra druk op de IND, mede gelet op signalen dat DISA de foutmarge juist aanzienlijk zou hebben teruggebracht?
Vanaf 12 juni 2026, bij de ingang van de inwerkingtreding van het Europees migratiepact, voert de IND de binnenlandse screening uit op de aanmeldlocatie in Ter Apel. De screening wordt geïntegreerd in het asielproces. Door deze taken te combineren met het OVA-proces worden overdrachtsmomenten in de keten beperkt en kan informatie eerder worden opgehaald ten behoeve van het hoor- en beslisproces. De IND heeft het proces zo ingericht dat het aantal asielzoekers dat zich meldt op de aanmeldlocatie binnen de gestelde termijnen het screeningsproces kan doorlopen. De implementatie van de nieuwe asielprocedure en screeningsprocedure is nog in volle gang. Het is mijn verwachting dat een belangrijk deel van eventuele risico’s in de komende tijd verholpen worden en zo aan de meeste randvoorwaarden kan worden voldaan.
De kopgroep die is gevormd met Duitsland, Denemarken, Griekenland, Oostenrijk en Nederland om “terugkeerhubs” te installeren in het buitenland |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Wanneer heeft u het besluit genomen om deel te nemen aan deze kopgroep voor terugkeerhubs buiten de EU?
Voorafgaand aan de informele JBZ-Raad in januari kwamen Denemarken, Griekenland, Oostenrijk en de Europese Commissie op initiatief van Duitsland en Nederland bijeen voor een overleg over innovatieve oplossingen1. Daar is afgesproken om met deze groep een gezamenlijke verkenning naar mogelijke terugkeerhubs te starten. De bijeenkomst, en marge van de JBZ-raad op 5 en 6 maart jl., was de tweede bijeenkomst op Ministersniveau in dit verband.
Waarom heeft u de Kamer niet voorafgaand de JBZ-Raad over dit voornemen geïnformeerd zodat hier tijdens het debat voorafgaand aan de JBZ-Raad over gesproken kon worden?
Nederland ontving de uitnodiging voor deelname aan deze vervolgbijeenkomst na verzending van de geannoteerde agenda van de Raad. In het commissiedebat van maart heb ik evenwel melding gemaakt van de continuering van de Nederlandse deelname aan deze kopgroep.
Waarom informeert u de Kamer niet na dit besluit onmiddellijk per brief, en moet de Kamer dit via de media vernemen?
De Kamer is per verslagen geïnformeerd over de stand van zaken omrent deze kopgroep. In het verslag van de informele JBZ-raad van januari is de Kamer geïnformeerd over de eerste bijeenkomst met deze groep landen. Per verslag van de formele JBZ-raad in maart is de Kamer geïnformeerd over de vervolgbijeenkomst.
Zijn er al landen in beeld voor deze terugkeerhubs? Zijn er landen geïnteresseerd om terugkeerhubs te huisvesten en wat zou daar dan eventueel tegenover staan?
Ten aanzien van de gezamenlijke verkenning om een terugkeerhub op te zetten spraken de lidstaten af om gecoördineerd in dialoog te gaan met mogelijke partnerlanden. Het betreft hier een zorgvuldig diplomatiek proces waarbij het doel een duurzaam en wederkerig partnerschap is. Gezien de diplomatieke vertrouwelijkheid van dit proces, zowel richting gelijkgezinde EU-lidstaten als richting eventuele partners, kan het kabinet geen uitspraken doen over partners die overwogen worden. Uw Kamer wordt daar over geïnformeerd via de gebruikelijke weg.
Op welke manier gaat u ervoor zorgen dat mensenrechten in deze terugkeerhubs geborgd zijn? Kunt u dat altijd garanderen?
Het is noodzakelijk dat de uitwerking van de terugkeerhub zorgvuldig gebeurt en in overeenstemming geschiedt met de mensenrechtelijke verplichtingen die volgen uit EU-recht en internationaal recht/mensenrechtenverdragen, waaronder het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en het Handvest voor de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). Het kabinet zal continu aandacht houden voor het waarborgen van de (mensen)rechten van de vreemdelingen en het voorkomen van schending van non-refoulement beginsel. Deze elementen zullen dus ook een voorwaarde zijn bij de uitwerking en implementatie. De kopgroep en het kabinet staan nauw in contact met de Europese Commissie en internationale organisaties, zoals de Internationale Organisatie voor Migratie en de VN-Vluchtelingen-organisatie (UNHCR), over de vormgeving van de terugkeerhub.
Is deze kopgroep geen lege huls zolang er geen landen in beeld zijn die interesse hebben om een terugkeerhub te huisvesten met strikte naleving van mensenrechten?
De kopgroep dient om de mogelijkheden voor een terugkeerhub gezamenlijk te verkennen en is daarmee een startpunt voor het daadwerkelijk realiseren ervan. Onderdeel van deze verkenning is vanzelfsprekend het spreken met verschillende landen buiten de EU die mogelijk interesse hebben in een daadwerkelijk duurzaam en wederkerig samenwerkingsverband. Zoals hierboven vermeld, is het voor Nederland belangrijk dat de invulling van de terugkeerhub in lijn is met EU- en internationaal recht, in het bijzonder met de mensenrechten, en zal dat dus ook een voorwaarde zijn van de uitwerking en implementatie met een partnerland.
Kunt u garanderen dat er nu niet naar Oeganda wordt gekeken zoals in het coalitieakkoord staat?
Het kabinet beraadt zich momenteel op de te nemen stappen met betrekking tot Oeganda, ook in het licht van de verkiezingen aldaar.
Kunt u toezeggen dat de Kamer op de hoogte wordt gehouden wanneer er onderhandelingen met een specifiek derde land worden aangegaan en vervolgens gedurende het onderhandlingsproces?
De Kamer zal zoals gebruikelijk over de voortgang van het werk van de kopgroep worden geïnformeerd, met de aantekening dat dit diplomatiek gevoelige processen betreft. Daarom kan de Kamer ook door middel van vertrouwelijke technische briefings geïnformeerd over de stand van zaken van migratiepartnerschappen per land. Dit is het meest recent op 11 september 2025 gebeurd.
Kunt u garanderen dat een overeenkomst met een derde land altijd ter ratificatie aan de Kamer wordt voorgelegd?
Op dit moment wordt het concept van de terugkeerhub nog nader uitgewerkt. Datzelfde geldt voor de modaliteiten van afspraken die met derde landen zouden kunnen worden gemaakt.
Kunt u toezeggen dat ngo's en het maatschappelijk middenveld betrokken worden bij het vooraf in kaart brengen van de mensenrechtensituatie in een derde land?
Terugkeer- en transithubs worden uitgewerkt met nadrukkelijke aandacht voor het adequaat borgen van mensenrechten van de betrokken migranten, in lijn met internationaal en EU-recht. De mensenrechtensituatie in derde landen wordt doorlopend gemonitord door NL vertegenwoordigingen ter plaatse. Het kabinet is bovendien doorlopend in gesprek met maatschappelijk middenveld, ook over innovatieve oplossingen.
Kunt u garanderen dat mensen niet jarenlang in een terugkeerhub vast blijven zitten? Worden er maximumtermijnen voor de vrijheidsbeperkende omgeving afgesproken?
De invulling van de terugkeerhub moet, ook als een vrijheidsbeperkende maatregelen daar onderdeel van is, ten allen tijde in lijn zijn met EU en internationaal recht. Binnen deze kaders zijn de precieze modaliteiten van een terugkeerhub samenwerking afhankelijk van de uiteindelijke afspraken die worden gemaakt met het partnerland.
Wat gebeurt er met de mensen in de terugkeerhub als het niet lukt om ze terug te sturen naar een herkomstland?
Dat is afhankelijk van de uiteindelijke afspraken die worden gemaakt met het partnerland.
Behandeling van migranten in de terugkeerhub dient altijd in lijn te zijn met het internationaal en EU-recht.
Bent u van mening dat het uitzetten van mensen naar terugkeerhubs zal leiden tot een verhoging van het aantal mensen dat terugkeert naar het land van herkomst? Zo ja, waar concludeert u dat uit?
Het kabinet streeft naar een effectief, humaan en toekomstbestendig asiel- en migratiesysteem. Het doel is uiteindelijk dat asielprocedures buiten Europa worden ingediend en afgehandeld en dat geen asielprocedures in Nederland meer plaatsvinden. Dit kabinet wil concrete eerste stappen zetten in de richting van dit einddoel en wil hier mee aan de slag. Dat is een weg van de lange adem. De verkenning en uiteindelijke operationalisering van de terugkeerhub kan hier onderdeel van zijn van deze eerste stappen. Daarnaast beoogt de transit hub als maatregel terugkeer te realiseren van vertrekplichtige vreemdelingen, en is een uitbreiding van het instrumentarium van EU lidstaten en Nederland om terugkeer te effectueren. De ontwikkeling van de terugkeerhub draagt daarom bij aan het doel om het EU asiel en migratiesysteem te versterken.
Het bericht 'Aanvaller jonge vrouw in Rotterdam blijkt asielzoeker (22) uit Marokko: ‘Vreselijk wat slachtoffer heeft meegemaakt’' |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Aanvaller jonge vrouw in Rotterdam blijkt asielzoeker (22) uit Marokko: «Vreselijk wat slachtoffer heeft meegemaakt»»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat de verdachte ten tijde van het incident een asielzoeker was?
Kunt u bevestigen dat de verdachte verbleef op een opvanglocatie in Hendrik-Ido-Ambacht?
Kunt u bevestigen dat de verdachte afkomstig is uit Marokko?
In welke fase van de asielprocedure bevond betrokkene zich ten tijde van het incident? Kunt u daarbij aangeven of al sprake was van een voornemen, besluit in eerste aanleg, of een (hoger) beroep?
Was er in deze casus al begonnen met een terugkeerprocedure? Zo nee, waarom niet? Zo ja, werkte de asielzoeker mee aan terugkeer?
Kunt u aangeven hoe lang betrokkene op dat moment in Nederland verbleef, hoelang hij in de opvang verbleef en hoelang zijn aanvraag liep?
Is in deze zaak een versnelde procedure toegepast? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke doorlooptijd gold in deze zaak vanaf aanmelding tot en met besluitvorming?
Welke gemiddelde doorlooptijden hanteert u momenteel voor versnelde behandeling van aanvragen van vreemdelingen uit een veilig land van herkomst? Kunt u die afzetten tegen de reguliere procedure?
De lijst met veilige landen is opgeschort. De IND hanteert richtlijnen voor de afhandeling van kansarme asielaanvragen. De beoogde behandeltijd van dergelijke aanvragen is 4 weken.
Deelt u de opvatting dat bij aanvragen uit landen die in de praktijk veelal kansarm zijn, snelheid in de procedure mede een veiligheidsbelang kan dienen voor de omgeving van opvanglocaties? Zo nee, waarom niet?
Ja. Snelheid in de asielprocedure kan bijdragen aan de veiligheid rond opvanglocaties. Daarom is de inzet van de asielketen erop gericht om asielprocedures van overlastgevende en criminele asielzoekers snel en slagvaardig af te doen, zodat de verblijfsduur in de opvang wordt beperkt. Daarnaast worden aanvragen met weinig kans op een verblijfsvergunning met prioriteit opgepakt.
Waren er voorafgaand aan dit incident signalen bekend bij het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), de Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V), de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM), of andere ketenpartners over overlastgevend, gewelddadig, of anderszins risicovol gedrag van betrokkene? Zo ja, welke maatregelen zijn genomen?
Zoals toegelicht kan op individuele casuïstiek niet worden ingegaan.
Worden COA-incidenten waarbij asielzoekers betrokken zijn in alle gevallen gedeeld met de IND, voor zover die incidenten relevant kunnen zijn voor de beoordeling van openbare orde of nationale veiligheid? Zo nee, waarom niet?
Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) registreert verschillende typen incidenten op opvanglocaties. Signalen van ernstige overlast worden gedeeld met de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), zodat de asielprocedure waar mogelijk kan worden versneld. Daarnaast kan sprake zijn van strafbare feiten die verblijfsrechtelijke consequenties hebben. De Kwalificatierichtlijn vereist dat, als een vreemdeling internationale bescherming nodig heeft, er voor het weigeren of intrekken van een asielvergunning sprake moet zijn van veroordeling wegens een (bijzonder) ernstig misdrijf.
Welke toets hanteert de IND momenteel bij de beoordeling of sprake is van gevaar voor de openbare orde in asielzaken? Kunt u uiteenzetten welke indicatoren daarbij een rol spelen, welke bronnen worden betrokken en hoe de evenredigheidstoets wordt uitgevoerd?
De toets of er sprake is van een gevaar voor de openbare orde in asielzaken is afhankelijk van de grond voor vergunningverlening. De werkwijze is door de IND uitgewerkt en toegelicht in de openbare werkinstructie 2026/012.
Eerst toetst de IND of een vreemdeling in aanmerking komt voor een asielvergunning. Als een vreemdeling moet worden aangemerkt als verdragsvluchteling, kan de vergunning alleen worden geweigerd of ingetrokken als er sprake is van een onherroepelijke veroordeling voor een «bijzonder ernstig misdrijf». Relevante indicatoren zijn onder meer de ernst van het misdrijf, de maximale en feitelijke opgelegde straf, de omvang van de schade, opzettelijkheid en verzachtende of verzwarende omstandigheden. Het strafrechtelijk vonnis is hierbij van belang. Daarnaast moet er ook sprake zijn van een gevaar voor de gemeenschap.
Indien de vreemdeling geen verdragsvluchteling is maar wel in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming, moet sprake zijn van een veroordeling voor een «ernstig misdrijf». Ook hier is het strafrechtelijk vonnis van belang en moet er sprake zijn van een misdrijf dat een gevaar voor de gemeenschap oplevert.
In beide gevallen wordt het Unierechtelijk openbare orde criterium getoetst. Dit houdt in dat het persoonlijk gedrag van de vreemdeling een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving moet vormen.
Bij intrekking van de asielvergunning op grond van openbare orde geldt bovendien de zogenoemde glijdende schaal. Hierbij wordt de hoogte van opgelegde straf afgezet tegen de duur van het rechtmatig verblijf in Nederland. Hoe langer een vreemdeling rechtmatig verblijf heeft, hoe hoger de opgelegde straf moet zijn voordat de vreemdeling in aanmerking komt voor intrekking van het verblijfsrecht.
Daarnaast wordt in beide gevallen beoordeeld of het weigeren of intrekken van de verblijfsvergunning asiel evenredig is. Dit betreft een individuele beoordeling waarbij alle relevante feiten en omstandigheden worden betrokken. De IND hanteert daarbij het uitgangspunt dat aan het beschermen van de openbare orde een zwaar gewicht toekomt.
Als de vreemdeling niet in aanmerking komt voor vluchtelingschap of subsidiaire bescherming, wordt de asielaanvraag afgewezen. Het gevaar voor de openbare orde kan dan een aanvullende afwijzingsgrond vormen. Er hoeft dan geen sprake te zijn van een bijzonder ernstig of ernstig misdrijf.
Is in deze zaak overwogen om maatregelen te treffen die de bewegingsvrijheid beperken, zoals overplaatsing naar een locatie met strenger toezicht, een vrijheidsbeperkende maatregel, of vreemdelingenbewaring? Zo nee, waarom niet?
Op individuele casuïstiek kan niet worden ingegaan.
Kunt u aangeven welke drempels in de praktijk gelden om vreemdelingenbewaring te kunnen inzetten bij asielzoekers met ernstige openbare-orde-signalen? Acht u die drempels in de uitvoering toereikend?
In eerste instantie wordt bij verstoring van de openbare orde ingezet op straf- en bestuursrecht. Daarna kan worden bekeken of vreemdelingrechtelijke maatregelen kunnen worden ingezet. Vreemdelingenbewaring is hierbij geen doel op zichzelf en wordt uitsluitend als uiterste middel toegepast. Primair dient vreemdelingenbewaring ertoe iemand beschikbaar te houden voor de procedure en onttrekking aan het toezicht van de autoriteiten te voorkomen. Vreemdelingenbewaring moet altijd proportioneel zijn. Een grond voor die proportionaliteit is de openbare orde. De Opvangrichtlijn biedt daarvoor ruimte, maar in de jurisprudentie wordt dit criterium strikt ingevuld. Pas bij een aanzienlijke inbreuk op de openbare orde kan op deze grond een asielzoeker in bewaring worden genomen. De openbare orde is echter niet de enige wettelijke grondslag voor detentie. Ook het onttrekken aan onderzoek of de noodzaak van nader onderzoek naar de identiteit en de nationaliteit kunnen reden zijn voor vreemdelingenbewaring. In sommige gevallen kan bewaring op andere gronden dan de openbare orde worden toegepast.
Kunt u aangeven hoeveel asielzoekers er in 2025 zijn aangehouden vanwege een verdenking van verkrachting of van een poging tot verkrachting?
Het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) brengt jaarlijks overlast en criminaliteit door asielzoekers in beeld. De cijfers over 2025 worden naar verwachting voor het zomerreces gepubliceerd.
Het bericht dat het COA-bewoners van het azc Hardenberg niet elders kan onderbrengen terwijl contracten aflopen |
|
Don Ceder (CU) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Sluiting azc Hardenberg op de tocht, Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) kan bewoners niet elders onderbrengen»?1
Ja.
Klopt het dat het asielzoekerscentrum (azc) en de noodopvang in Hardenberg op 8 maart 2026 zouden sluiten omdat contracten en vergunningen aflopen?
Ja.
Hoe kan het dat het Rijk en het COA, ondanks een lang aangekondigde sluitingsdatum, er niet in zijn geslaagd tijdig vervangende opvangplekken te organiseren? Wanneer wist het COA dit en klopt het dat recent nog een persbericht is uitgegaan over het vertrek op 8 maart?
Landelijk is er een tekort aan opvangplekken. Dit heeft meerdere redenen. Zo zijn bijvoorbeeld niet alle plekken uit de verdeelbesluiten van de Spreidingswet gerealiseerd en daarnaast is er sprake van een achterstand op de taakstelling huisvesting statushouders van ongeveer 9.760 personen (d.d. 20 maart 2026). Daar komt bij dat er momenteel meer (tijdelijke) opvanglocaties sluiten dan dat erbij komen. Tot slot is de uitstroom uit COA locaties lager dan de instroom. In de communicatie vanuit het COA richting de omliggende wijk is destijds aangegeven dat dat het azc tijdig zal sluiten. Ondanks alle inspanningen om extra opvangplekken te realiseren, zag het COA zich toch genoodzaakt de asielzoekers langer te laten verblijven in Hardenberg. Het COA is immers verantwoordelijk voor de opvang van asielzoekers en mensen op straat zetten is nooit een oplossing. Hierover is uitvoerig contact geweest tussen het COA en de gemeente Hardenberg.
Deelt u de opvatting dat het Rijk een betrouwbare partner moet zijn voor gemeenten en gemaakte afspraken moet nakomen, zeker wanneer contracten en vergunningen een duidelijke einddatum hebben?
Ik begrijp dat deze gang van zaken het vertrouwen kan schaden. Dat is uiterst ongewenst. Door met gemeenten en provincies in gesprek te blijven wil ik ervoor zorgen dat onderling vertrouwen weer wordt versterkt en de samenwerking verbeterd. Gezamenlijk hebben we een opgave te realiseren en iedereen heeft daar zijn rol in te vervullen. Het werken aan structurele oplossingen waarin zowel een rol voor het kabinet als medeoverheden ligt, is hierin ook van belang.
Begrijpt u dat het niet nakomen van dergelijke afspraken het vertrouwen van gemeenten in de Rijksoverheid kan schaden?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe beoordeelt u de situatie? Kunt u alsnog ervoor zorgen dat de afspraak wordt nagekomen? En hoe voorkomt u dat dergelijke situaties zich met het doorvoeren van de Spreidingswet gaan voordoen?
De druk op de opvang is hoog. Er is een bezettingsgraad van 103% en alle bedden zijn bezet. Het COA werkt er hard aan om de bewoners van de locaties in Hardenberg zo snel mogelijk een nieuwe opvangplek te geven. Om dergelijke situaties in de toekomst te voorkomen is de inzet van het kabinet om een stabiel opvanglandschap te realiseren. In het coalitieakkoord en de voorjaarsnota is stabiele financiering voor het COA gerealiseerd. Daarnaast zal het kabinet de Spreidingswet onverkort uitvoeren, inclusief de toepassing van het interbestuurlijk toezicht. Hierom zijn op 9 april de brieven in het kader van het interbestuurlijk toezicht op de uitvoering van wet aan gemeenten verzonden. Dit met als doel het realiseren van een goede spreiding door het land. Tot slot zet het kabinet in op het beperken van de instroom en het versnellen van terugkeer zodat in de toekomst minder opvangplekken nodig zijn. Op de korte termijn zijn er nog opvangplekken nodig. Hierover is Uw Kamer op 26 maart jl. geïnformeerd.
Deelt u de zorg dat situaties zoals in Hardenberg het draagvlak voor asielopvang onder inwoners ondermijnen, juist wanneer gemeenten zich jarenlang hebben ingezet voor opvang?
Zoals ook aangegeven in mijn antwoord op vragen 4 en 5 hecht het kabinet er veel belang aan een betrouwbare partner te zijn. Dit komt ook het draagvlak binnen gemeenten ten goede. Bij de komst van een nieuw azc is het belangrijk om omwonenden daarin tijdig te betrekken. Ik ben gemeenten die hun verantwoordelijkheid nemen op het gebied van asielopvang dankbaar. Ik roep gemeenten die nog niet voldoen op om snel hun verantwoordelijkheid te nemen en solidair te zijn met gemeenten die al wel hun bijdrage leveren. Het is een gemeenschappelijke opgave om voldoende opvangplekken te realiseren. Hiervoor staat het COA en de rijksoverheid samen met gemeenten en provincies aan de lat.
Welke concrete maatregelen neemt u om te voorkomen dat gemeenten opnieuw geconfronteerd worden met het verlengen van opvanglocaties terwijl afspraken over sluiting zijn gemaakt?
Ik verwijs naar het antwoord onder vraag 6.
Kunt u deze vragen met spoed uiterlijk op 7 maart 2026 beantwoorden?
Het is niet gelukt om deze vragen voor 7 maart 2026 te beantwoorden.
De raming van tienduizenden extra asielopvangoplekken. |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat er bijna 38.000 extra opvangplekken voor asielzoekers gerealiseerd moeten worden vóór halverwege 2027?1
Ja.
Hoe verhoudt deze enorme uitbreiding van asielopvang zich tot de belofte van het nieuwe kabinet om de asielinstroom te beperken?
Het doel is de rust terug te brengen binnen de asielketen onder meer door op termijn de asielinstroom te beperken. Het kabinet zet hierbij in op zowel Nationale als Europese maatregelen. Ook is het noodzakelijk om controle te krijgen op de opvang van asielzoekers die in Nederland verblijven.
De acute situatie in de opvang is nijpend, onder meer vanwege aanstaande sluitingen van opvanglocaties en een beperkt aantal openingen. Om een rechtvaardige verdeling over gemeenten te borgen, wil dit kabinet de Spreidingswet voorlopig in stand houden. Wanneer er voldoende vaste en flexibele opvangplekken van het COA zijn, wordt inzet van de Spreidingswet overbodig.
Waarom worden gemeenten gedwongen opvangplekken te realiseren, terwijl veel gemeenten al kampen met een groot tekort aan woningen voor de eigen inwoners?
Het kabinet kiest ervoor om de spreidingswet in stand te houden zolang de wet nodig is, om zo een rechtvaardige verdeling van asielzoekers over gemeenten te borgen. Het kabinet onderschrijft het belang van een goed georganiseerde opvang. Ik wil mijn waardering uitspreken voor gemeenten die zich al inzetten voor asielopvang. Ik roep gemeenten die nog niet voldoen aan hun wettelijke taak op om snel hun verantwoordelijkheid te nemen en solidair te zijn met gemeenten die al wel hun bijdrage leveren.
Bent u bereid de spreidingswet in te trekken, nu blijkt dat deze wet leidt tot een verdere toename van de druk op gemeenten en de samenleving?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat Nederland de grenzen moet sluiten zolang er geen oplossing is voor de huidige opvangcrisis?
Nee, die mening deel ik niet.
Hoe verklaart u dat zijn voorganger weigerde deze ramingen te publiceren?
Hiervoor verwijs ik naar de brief van mijn voorganger van 5 februari jl. (Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 19 637, nr. 3516).
Hoeveel van de huidige 77.500 opvangplekken worden bezet door mensen waarvan de asielaanvraag is afgewezen?
Hier zijn geen cijfers over bekend.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de mensen waarvan de asielaanvraag is afgewezen zo snel mogelijk uit Nederland worden gezet?
Het uitgangspunt is dat vreemdelingen van wie de asielaanvraag is afgewezen Nederland verlaten. In eerste instantie wordt ingezet op zelfstandig vertrek. Indien een vreemdeling niet meewerkt, kan gedwongen terugkeer aan de orde zijn. Het kabinet zet daarbij in op intensivering van het terugkeerbeleid, onder meer door versterkte samenwerking met landen van herkomst en Europese partners om terugkeer effectiever te organiseren.
Bent u het eens met de stelling dat de spreidingswet een ondemocratisch instrument is dat gemeenten en haar inwoners verplicht tot iets waar zij niet om hebben gevraagd?
Wetten worden in Nederland aangenomen door de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal middels een democratisch wetgevingsproces, dit geldt ook voor de spreidingswet.
De wet biedt gemeenten de ruimte om invulling te geven aan de indicatieve verdeling, zonder dat er een verplichting is in de wijze waarop gemeenten dit doen. De uitkomsten van deze vrijwillige fase wordt overgenomen in de verdeelbesluiten, mits deze optellen tot een sluitend provinciaal verslag.
Bent u het eens met de stelling dat Nederland haar eigen burgers – met name daklozen, mensen op de wachtlijst voor sociale huurwoningen, spoedgevallen door scheiding, maar ook starters – voorrang moet geven boven asielzoekers?
De Minister van VRO zet zich ervoor in om snel voor alle woningzoekenden meer woningen aan de voorraad toe te voegen: door nieuwbouw, het beter benutten van de bestaande bouw en alternatieve huisvestingsmogelijkheden. Zolang er geen goed alternatief is om statushouders te huisvesten, laten we het beleid op dit punt aan gemeenten zelf. De Minister gaat aan de slag met de uitwerking van een convenant waarin ze afspraken met corporaties en medeoverheden maakt over het opschalen van alternatieve huisvesting voor statushouders. Zo zorgt zij ervoor dat woningzoekenden méér kans krijgen op een sociale huurwoning én dat statushouders een realistisch alternatief hebben, zodat zij niet in de asielopvang blijven.
Bent u bereid het Nederlandse asielbeleid volledig te herzien en in lijn te brengen met de wens van de meerderheid van de Nederlandse bevolking, die volgens meerdere peilingen een strenger asielbeleid wenst?
Dit kabinet wil meer grip op het migratie- en opvanglandschap. De inzet is gericht op een verminderde instroom van asielmigranten, inzet op vertrek en door fatsoenlijke opvang en sneller meedoen. Het EU-migratiepact is een eerste grote stap om meer grip te krijgen over wie naar Nederland komt. Daarnaast is ook de wet tweestatusstelsel aangenomen in de Eerste Kamer.
Voorts tracht dit kabinet rust in de opvang te creëren. Hiervoor wordt ingezet op verschillende maatregelen, waaronder stabiele financiering en het uitvoeren van de spreidingswet.
Het bericht dat wanbetalende Oekraïners lastig aan te pakken zijn door maas in de wet. |
|
Marina Vondeling (PVV) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Wanbetalende Oekraïners zijn lastig aan te pakken door maas in de wet: Kostbaar en omslachtig»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Hoeveel Oekraïense ontheemden die een eigen bijdrage moeten betalen hebben dit geweigerd? Hoeveel van deze wanbetalers zijn er tot nu toe mee weggekomen zonder enige serieuze consequentie? Hoe hoog is het totale bedrag dat daardoor niet is ingevorderd?
Er is geen landelijk beeld van het aantal ontheemden uit Oekraïne dat een eigen bijdrage dient te betalen en deze (nog) niet heeft betaald. Een landelijk totaalbedrag is daardoor niet bekend. Gemeenten hebben wel voor hun eigen gemeente inzichtelijk welke ontheemden de eigen bijdrage (nog) niet heeft betaald.
Het is belangrijk dat gemeenten de eigen bijdrage kunnen innen. Op verschillende manieren probeert het Rijk gemeenten hierbij te ondersteunen. Naast algemene communicatie is een handreiking geschreven om gemeenten te ondersteunen bij de invoering. Bekend is dat enkele gemeenten zijn gestart met gerechtelijke procedures om inning van de eigen bijdrage af te dwingen. Juridische kosten die gemeenten maken als gevolg van deze procedures worden door het Rijk vergoed.
Deelt u de mening dat het schandalig is dat Oekraïners, die al geen zorgpremie en eigen risico hoeven te betalen, zelfs weigeren hun minimale eigen bijdrage voor opvang te betalen, terwijl de hardwerkende Nederlandse belastingbetaler voor alles opdraait? Zo nee, waarom vindt u voorkeursbehandeling voor wanbetalende Oekraïners acceptabel?
Ontheemden uit Oekraïne die werken en/of eigen inkomsten hebben, dienen sinds 1 juli 2024 een eigen bijdrage voor hun opvang in de gemeentelijke opvang te betalen. Het is onwenselijk dat ontheemden met werk en/of eigen inkomsten geen eigen bijdrage betalen. Ontheemden met werk of eigen inkomsten dragen met het betalen van de eigen bijdrage bij aan de kosten voor opvang, net zoals andere vluchtelingen en asielzoekers. Deze regels staan opgenomen in de Regeling opvang ontheemden Oekraïne (RooO) en daar hoort iedereen zich aan te houden. Daarnaast is de eigen bijdrage per 1 oktober 2025 verhoogd om het bedrag passender te maken voor de voorzieningen die worden geboden. Met de verhoging is eveneens aansluiting gezocht bij het maximale bedrag dat asielzoekers in de COA-opvang betalen indien zij inkomsten genieten. In de gevallen waar ontheemden dit weigeren kunnen gemeenten deze alsnog innen via een gerechtelijke procedure.
Waarom is er nog geen wetsvoorstel ingediend om het vorderen van de eigen bijdrage van Oekraïners door gemeenten makkelijker te maken, zoals de PVV al een jaar geleden heeft voorgesteld onder andere via een dwangbevel? Bent u bereid alsnog met spoed een wetsvoorstel naar de Kamer te sturen om dit te regelen?
De huidige werkwijze is dat gemeenten een eigen bijdrage kunnen innen via een gerechtelijke procedure indien niet (tijdig) wordt betaald. Bekend is ook dat enkele gemeenten deze procedures gestart zijn.
Op dit moment is er geen wettelijke grondslag voor gemeenten om de eigen bijdrage te innen per dwangbevel. In de verzamelbrieven d.d. 4 juli 2025 en 25 november 2025 is aan uw kamer gecommuniceerd dat in de voorbereiding van het lange termijn beleid voor ontheemden uit Oekraïne voor de periode na afloop van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB), ook de mogelijkheid tot het dwangbevel is meegenomen.