Kinderarbeid en positie Dalits in India |
|
Joël Voordewind (CU) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA), Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Is het – mede gezien uw antwoord op eerdere vragen1 over een robuust duurzaamheidhoofdstuk in het EU-India vrijhandelsverdrag – mogelijk gebleken overeenstemming te bereiken over zo’n hoofdstuk dat in overeenstemming is met de motie die de Kamer daarover heeft aangenomen?2 Zo nee, bent u dan van plan om gezien de motie uw steun aan het verdrag te onthouden? Zo nee, waarom niet?
Het is niet mogelijk gebleken om de onderhandelingen over het EU-India vrijhandelsverdrag voor de EU-India Top van afgelopen 10 februari af te ronden.
Onder verwijzig naar uw antwoord op vraag 5 over «Kinderarbeid en de positie van Dalits in India»: «De Indiase regering heeft de afgelopen jaren wetgeving ingevoerd om kinderarbeid, dwangarbeid en non-discriminatie tegen te gaan», kunt u de Kamer informeren welke wetgeving dit betreft en hoe u de uitvoering daarvan beoordeelt?
Het gaat om de «Right to Education Act», de «Child Labour Prohibition & Regulation Act» en de National Rural Employment Guarantee Act (NREGA). De Indiase overheid zet de nodige stappen om kinderarbeid en discriminatie van Dalits tegen te gaan, maar merkt tegelijkertijd dat capaciteitsgebrek en de hardnekkige (rurale) ontwikkelingsproblematiek, implementatie soms in de weg staan.
Bent u, gezien uw antwoord op genoemde vraag 5, van mening dat het kritische rapport van de International Trade Union Confederation (ITUC) over de uitvoering van de vier fundamentele arbeidsrechten in India3 te somber is over de bestaande situatie in India? Zo ja, op welke bronnen baseert u uw afwijkende oordeel en kunt u de Kamer uw onderbouwde analyse doen toekomen?
Het ITUC-rapport is kritisch over de naleving van de vier fundamentele arbeidsrechten in India in de praktijk. Wat betreft het bestrijden van kinderarbeid is het van belang te onderkennen dat door de Right to Education Act wellicht miljoenen kinderen, meer dan voorheen naar school gaan.
India beschikt over een goed stelsel van wetten en regelgeving op het terrein van mensenrechten, maar er zijn verbeteringen nodig in de naleving daarvan.
Welke bijdrage levert u, gezien uw prioriteit voor de vier fundamentele arbeidsrechten, aan de betere naleving van deze rechten in India, onder meer via bilaterale politieke contacten, de EU, de VN en het MVO instrumentarium?
De Indiase overheid is verantwoordelijk voor naleving van de vier fundamentele arbeidsrechten in India. Nederland is actief lid van VN-organisaties zoals ILO UNICEF, UNDP en UNIFEM. Deze organisaties hebben programma’s in India gericht op naleving van fundamentele arbeidsrechten. Nederland is voorts actief in de voorbereidingen van de EU-India mensenrechtendialoog, waarin o.a. fundamentele arbeidsrechten geagendeerd staan.
Daarnaast ondersteunt de Nederlandse Ambassade in New Delhi Nederlandse bedrijven om arbeidsomstandigheden te verbeteren in de keten.
Kunt u de Kamer de «studies/analyses die stellen dat de positie van Dalits verbetert, bijvoorbeeld in de deelstaat Uttar Pradesh» doen toekomen? Bent u van mening dat deze verbeteringen substantieel zijn en zich met de huidige aanpak van de Indiase regering sterk zullen voortzetten? Of bent u van mening dat de Indiase overheid nog aanzienlijke nieuwe inspanningen moet verrichten om de rechten van Dalits op tal van terreinen te waarborgen?
Ik stuur u deze studie «Rethinking Inequality: Dalits in Uttar Pradesh in the Market Reform Era» als bijlage toe.4
De woon-, werk- en sociale omstandigheden van Dalits, in de deelstaat Uttar Pradesh, verbeteren. Nationale wetgeving voor de bescherming van Dalits is voldoende aanwezig, hoewel vooral in landelijke gebieden implementatie van deze wetgeving vaak gebrekkig is.
Betekent uw antwoord op vraag 7 over de uitvoering van de motie over de positie van de Dalits («In de mensenrechtenstrategie van de Nederlandse regering staat dat effectiviteit van het beleid voorop zal staan en dat daarbij selectiever zal worden opgetreden») dat u niet van plan bent de motie (in zijn geheel) uit te voeren? Zo ja, waarom niet, gezien uw eerdere toezegging dat u de motie zou uitvoeren? Zo nee, wat gaat u doen om de motie wel uit te voeren?
De Nederlandse regering heeft in de mensenrechtenstrategie «Verantwoordelijk voor Vrijheid» duidelijke keuzes gemaakt. Hierbij is aangegeven dat effectiviteit en selectiviteit voorop staan in de uitvoering van het beleid. Ik heb naar aanleiding van de kamermotie besloten een financiële bijdrage te geven aan de organisatie International Dalit Solidarity Network (IDSN). In EU-kader en VN-verband staat het onderwerp »discriminatie op basis van werk en afkomst» op de agenda.
Bent u van plan, zowel bilateraal en/of samen met de Europese Commissie om de Indiase regering aan te spreken op de inhoud van het rapport «Torture in India 2011»4 van het Asian Centre for Human Rights, waaruit onder meer blijkt dat sinds 2001 officieel 14 231 personen zijn geregistreerd die zijn overleden in politiebureaus en gevangenissen, in bijna alle gevallen door marteling (cijfers die volgens het rapport «een fractie» van het probleem weergeven)?
In de jaarlijkse EU-India mensenrechten dialoog, eind maart 2012 staat het onderwerp op de agenda.
Wat wordt de inzet van de Nederlandse regering met betrekking tot mensenrechten in voorbereiding op en tijdens de komende EU-India Top en de mensenrechtendialoog met India in het voorjaar?
Nederland spant zich ervoor in de eigen mensenrechtenprioriteiten hun plaats te geven.
Bent u bereid een analyse/notitie over de situatie op het gebied van arbeidsrechten en mensenrechten in India aan de Kamer te doen toekomen en daaraan een meerjarig werkprogramma te verbinden? Zo nee, waarom niet?
In de jaarlijkse mensenrechtenrapportage aan uw Kamer wordt de Nederlandse inzet op het gebied van mensenrechten, ook in India, vermeld.
Bent u bereid de vragen voor 7 februari te beantwoorden i.v.m. de EU-India Top die in die week gehouden wordt?
Helaas is het niet gelukt uw vragen voor aanvang van de EU-India Top (10 februari 2012) te beantwoorden.
Het censureren van internet |
|
Louis Bontes (PVV), André Elissen (PVV), Jhim van Bemmel (PVV) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «RIP Internet: Brein = censuurdictator»?1
Ja.
Deelt u de mening dat providers dwingen om websites te blokkeren censuur is en dat het blokkeren van deze websites in strijd is met het recht op vrije toegang tot internet? Deelt u de mening dat het blokkeren van websites ten koste gaat van de vrijheid van burgers, en dat dit ook het geval is wanneer via deze websites onder andere auteursrechtelijk beschermd materiaal gedownload kan worden? Zo nee, waarom niet?
Bij brief heb ik uw Kamer geïnformeerd over de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 januari 2012 en heb ik aangegeven dat ik mij onthoud van commentaar op deze zaak, omdat deze onder de rechter is. In aanvulling hierop merk ik op dat de huidige wetgeving en jurisprudentie mogelijkheden biedt voor schadevergoeding indien een partij schade lijdt door de tenuitvoerlegging van een vonnis dat later in hoger beroep of cassatie wordt vernietigd.2
Vindt u het niet vreemd dat Nederland zes euro investeert in vrije communicatie via internet in andere landen terwijl in Nederland censuur wordt toegepast?2 Zo nee, waarom niet? Bent u bereid om minister Rosenthal te vragen dit geld alsnog in te zetten voor vrij internet in Nederland? Zo nee, waarom niet?
Nederland maakt zich internationaal sterk voor de bevordering van internetvrijheid, waarbij tevens illegaal en crimineel gebruik van internet wordt bestreden. Censuur van internet wordt door Nederland internationaal bestreden, zoals onder meer blijkt uit de verklaring van de 8-9 december 2011 gehouden conferentie in Den Haag over Internetvrijheid.4 Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft 5,9 miljoen euro beschikbaar voor de bevordering van internetvrijheid. Hiervan wordt vanuit het Mensenrechtenfonds 4,9 miljoen euro besteed aan projecten die bijdragen aan een vrijer en toegankelijker internet. De projecten die worden gefinancierd leggen zich toe op training en technische ondersteuning van bloggers en cyberactivisten. Daarnaast zijn er projecten die zich richten op betere bescherming van internetactivisten en mensenrechtenverdedigers in nood. Tijdens de conferentie Freedom Online van 8 en 9 december heeft minister Rosenthal nog 1 miljoen euro toegezegd om noodinternet te faciliteren in repressieve landen als Syrië en Iran. Deze uitgaven zijn naar mijn mening geenszins strijdig met het Nederlands binnenlands beleid, dat is gericht op het bevorderen van een vrij en open internet. Dit houdt in dat ook in Nederland censuur in voorkomende gevallen actief zal worden bestreden. Ik zie dan ook geen reden om de Minister van Buitenlandse Zaken te vragen dit geld in te zetten voor vrij internet in Nederland.
Welke stappen gaat u ondernemen om te voorkomen dat providers in de toekomst gedwongen kunnen worden om websites te blokkeren? Indien u niet van plan bent stappen te ondernemen, kunt u dan aangeven waarom u dat niet van plan bent?
Zie antwoord vraag 2.
Indien de getroffen providers schade ondervinden van de uitspraak van de rechter doordat abonnementen worden opgezegd, bent u dan bereid deze providers te compenseren wanneer de uitspraak van de rechter vernietigd wordt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u tevens bereid de aangenomen motie tegen een downloadverbod3 uit te voeren en zodoende met maatregelen te komen om het legale aanbod te bevorderen?
Ik beraad mij nog op een reactie op de motie Bontes en zal uw Kamer daar zo spoedig als mogelijk over informeren.
Hoe beoordeelt u de uitspraak van de Nederlandse rechter wanneer u deze vergelijkt met de uitspraak in de zaak Scarlet/SABAM van het Hof van Justitie waarin staat dat providers het internetverkeer van klanten niet hoeven te filteren op auteursrechteninbreuk?4
Ik verwijs hier naar het antwoord gegeven op de vragen 2, 4 en 5, alsmede naar de brief waarin Uw Kamer is geïnformeerd over de gevolgen van de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak Scarlet/Sabam.7
Gebruik van andermans naam op sociale media |
|
Magda Berndsen (D66), Gerard Schouw (D66) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de recente voorvallen met het gebruik van andermans naam op sociale media, zoals Twitter?
Kunt u – mede op basis van relevante jurisprudentie – inzicht geven in de huidige wet- en regelgeving die van toepassing is om misbruik van andermans naam op sociale media tegen te gaan?
Ik verwijs naar mijn antwoord op de vragen van het lid Kooiman van uw Kamer (ingezonden 12 januari 2012, kenmerk 2012Z00283*).
Zijn de huidige mogelijkheden naar uw mening afdoende? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Zou naar uw mening ook strafrechtelijke vervolging mogelijk moeten zijn? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u toelichten wanneer bij misbruik van andermans naam op sociale media sprake is van identiteitsfraude?
Amerikaanse belemmeringen op internetvrijheid |
|
Arjan El Fassed (GL) |
|
Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «US pressured Spain to implement online piracy law, leaked files shows»?1
Ja.
Klopt het dat het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken Europese landen onder druk zet om wetgeving te laten passeren waarbij de vrijheden van internetgebruikers op het spel staan?
Dit is in Nederland niet aan de orde. Wat andere EU-landen aangaat, betreft dit een bilaterale aangelegenheid tussen het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken en deze landen.
Hoe beoordeelt u het Amerikaanse wetsvoorstel Stop Online Piracy Act (SOPA)? Kunt u dit toelichten tegen de achtergrond van de internationale conferentie over internetvrijheid die u onlangs heeft georganiseerd in Den Haag? Zo neen, waarom niet?
Bescherming van auteursrechten en internetvrijheid hoeven elkaar niet in de weg te staan. Voor een beoordeling van het wetsvoorstel SOPA wijs ik u op de kamerbrief3 die op 20 januari jl. verstuurd is waarin de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie het wetsvoorstel SOPA toelicht. De conferentie Freedom Online van 8 en 9 december richtte zich op het mensenrechtenaspect van internetvrijheid, zoals bescherming van cyberdissidenten en internetactivisten in nood.
Heeft u voor, tijdens of na deze conferentie uw Amerikaanse ambtgenoot gewezen op de bezwaren die er zijn tegen dit wetsvoorstel, dat ook van invloed kan zijn op Nederlandse internetgebruikers?
Zie antwoord vraag 3.
Hebben Amerikaanse diplomaten naast Spanje ook andere Europese landen, inclusief Nederland en Zweden, onder druk gezet om vergelijkbare wetgeving als SOPA door te voeren?
Nederland is niet benaderd of onder druk gezet door de VS om wetgeving door te voeren.
Hoe beoordeelt u het handelen van de Amerikaanse regering? Bent u bereid bilateraal of in EU-verband de Amerikaanse regering hierop aan te spreken en te wijzen op de vrijheden van internetgebruikers die op het spel staan?
De Amerikaanse regering heeft laten weten dat wetgeving ter bescherming van auteursrechten niet mag leiden tot censuur en dat het het innovatieve karakter van het internet niet in de weg mag staan.
De grondwetswijziging in Hongarije |
|
Arjan El Fassed (GL) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de grondwetswijziging en alle andere belangrijke wetswijzigingen in Hongarije die de regering Orbán heeft doorgevoerd het afgelopen jaar?
Ja.
Deelt u de mening dat een aantal wetswijzingen, waaronder de mediawet, aanpassingen in het kiesstelsel, de veranderingen in het juridisch systeem, het onmogelijk maken van het homohuwelijk, het ongelijk behandelen van religies, het beperken van de invloed van het parlement en de manier van doorvoeren van de nieuwe grondwet, indruisen tegen democratische principes, grondrechten en burgelijke vrijheden? Kunt u dit toelichten?
Wij zijn, net als de Europese Commissie en veel van onze Europese collega’s, bezorgd over verschillende wetswijzigingen die de regering-Órban het afgelopen jaar heeft geïnitieerd. Wetgevingsprocessen moeten transparant, zorgvuldig en inclusief verlopen, met inachtneming van trias politica en alle internationale standaarden en verdragen waaraan Hongarije gehouden is. Op Hongarije rust de verantwoordelijkheid de breed gevoelde zorgen over de wetgeving en de wetgevingsprocessen weg te nemen, in eerste instantie door de vragen van de Commissie over de recente wetgeving snel en volledig te beantwoorden.
Deelt u de mening dat als kandidaat- en aspirant-lidstaten getoetst worden in hoeverre deze landen de waarden uit het Verdrag van Lissabon en het Grondrechtenhandvest van de Europese Unie daadwerkelijk naleven, dat ook de huidige EU-lidstaten zich daaraan moeten houden? Kunt u dit toelichten?
Ja. Alle EU-lidstaten moeten de waarden eerbiedigen en uitdragen die zijn vastgelegd in artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU): eerbied voor menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat, en eerbiediging van de mensenrechten waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren. Of de recente Hongaarse wetten strijdig zijn met Europese regelgeving wordt momenteel door de Europese Commissie onderzocht. Lidstaten zijn tevens gebonden aan het Grondrechtenhandvest van de EU als zij het recht van EU ten uitvoer brengen. De naleving van het Handvest kan getoetst worden door nationale rechters en het EU-Hof.
Is de Minister-President bereid dit met zijn Hongaarse ambtgenoot te bespreken tijdens de eerstkomende Europese Top? Zo nee, waarom niet?
De Hongaarse regering heeft de afgelopen maanden van veel partners het signaal gekregen dat er zorgen bestaan over de recente ontwikkelingen: naast Nederland hebben ook andere EU-lidstaten, de Commissie (bij monde van voorzitter Barroso, vice-voorzitters Reding en Kroes, alsmede Commissaris Rehn), de Europese Centrale Bank, Europarlementariërs, de Venetië Commissie van de Raad van Europa en de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken kritiek geuit op de gang van zaken. De Hongaarse regering zal antwoord moeten geven op de vragen van de Commissie over de nieuwe grondwet en andere maatregelen die mogelijk niet overeenkomen met Europese wetgeving. Doet de Hongaarse regering dit niet, of onvoldoende, dan kan de Commissie een infractieprocedure starten, die kan resulteren in een gang naar het EU-Hof van Justitie. Bij veroordeling dient Hongarije de wetgeving in overeenstemming te brengen met het Europese Recht. Gebeurt dit niet, dan kan een boete en/of dwangsom volgen. Het kabinet wil het onderzoek van de Commissie en het proces van hoor en wederhoor tussen Commissie en de Hongaarse regering afwachten. Daarbij zou agendering op de Raad Algemene Zaken in eerste instantie het meest voor de hand liggen.
Is de regering bereid zich in te spannen om dit als apart punt op de agenda te zetten van de eerstkomende Europese Top dan wel Raad van Minister van Buitenlandse Zaken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Is de regering bereid zich in te spannen om naar aanleiding van ontwikkelingen in Hongarije een artikel 7 procedure te starten tegen de regering van Hongarije? Zo ja, welke stappen onderneemt u daartoe? Zo neen, waarom niet?
Artikel 7 van het EU-verdrag ziet op situaties waarin de waarden van de EU door een lidstaat ernstig en voortdurend geschonden worden, of hiervoor een duidelijk gevaar bestaat. Hangende de uitkomsten van het onderzoek dat momenteel door de Commissie wordt ondernomen – inclusief de mogelijkheid van infractieprocedures – en de dialoog die tussen Commissie en Hongarije gevoerd wordt zien wij vooralsnog geen reden om daarenboven te pleiten voor het starten van een procedure zoals bedoeld in artikel 7 VEU.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk maar in ieder geval voor de eerstkomende Europese Top beantwoorden?
Ja.
Het geven van een taakstraf na mishandeling van een agent |
|
Ahmed Marcouch (PvdA), Attje Kuiken (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Werkstraf van 20 uur na mishandeling agent»?1
Ja.
Is het waar dat een 18-jarige jongen uit Utrecht een taakstraf heeft gekregen van 20 uur na mishandeling van een agent?
De politierechter te Utrecht heeft de verdachte op 4 januari 2012 veroordeeld voor mishandeling vanwege het geven van een enkele klap aan de agent. Betrokkene is veroordeeld tot een werkstraf van 40 uren, waarvan 20 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en tot betaling van een bedrag van 200 Euro vanwege immateriële schade. De reclassering zal toezicht houden op de naleving van de bijzondere voorwaarden die de politierechter heeft opgelegd.
Is het waar dat het Openbaar Ministerie (OM) in deze zaak een taakstraf eiste van 60 uur?
De eis die de officier van justitie ter zitting formuleerde behelsde een veroordeling voor een poging tot zware mishandeling en een taakstraf van 60 uren, waarvan 30 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en betaling van een bedrag van 450 Euro vanwege immateriële schade.
Is het waar dat deze dader deel uit maakte van de criminele groep die een homostel en een Marokkaans gezin heeft weggeterroriseerd? Zo ja, waarom zijn deze feiten, het dader-cv en de context niet meegewogen bij de eis van het OM?
Het Openbaar Ministerie heeft mij meegedeeld dat deze verdachte niet is aangemerkt als lid van de jeugdgroep in Terwijde, die bekend staat onder de naam Componistengroep. Verdachte heeft volgens het uittreksel uit de justitiële documentatie een blanco strafblad.
Deelt u de mening dat het dader-cv en de context van het gepleegde altijd moet meewegen bij de eis van het OM?
Ja, en dat is volgens het Openbaar Ministerie in deze zaak ook gebeurd. De voorgeschiedenis van een verdachte blijkt uit het uittreksel van de justitiële documentatiedienst, dat zich in ieder strafdossier bevindt. Daarnaast verschaft het proces-verbaal in het algemeen informatie over de context van de zaak en eventuele bijzonderheden. Ook de reclasseringsrapportage en de behandeling ter zitting informeren de officier van justitie en de rechter nader over de omstandigheden van de persoon van de verdachte.
Deelt u de mening dat deze taakstraf niet past bij de ernst van het gepleegde feit, zeker gezien de overheidscampagne om geweld tegen hulpverleners tegen te gaan en gelet op het verleden van deze dader?
Het past mij niet om mij uit te laten over het oordeel van de rechter. Wel kan ik over de eis ter zitting zeggen dat het Openbaar Ministerie mij heeft meegedeeld dat daarin onvoldoende tot uitdrukking is gebracht dat er in dit geval volgens de officier van justitie sprake was van een poging tot zware mishandeling van een politieambtenaar in functie, waarbij enig letsel is ontstaan. Bij nader inzien had volgens het Openbaar Ministerie het eisen van een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf in de rede gelegen. Naar aanleiding van deze casus heeft de parketleiding gesproken met alle betrokken functionarissen om uit deze casus lering te trekken.
Het Openbaar Ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak omdat het zich niet kan vinden in de kwalificatie van de bewezenverklaarde feiten en de strafmaat. De behandeling daarvan zal plaatsvinden op 15 februari 2012. Het vonnis is dus nog niet onherroepelijk.
Hoe kan het dat een ernstig feit als in onderhavige zaak wordt bestraft met een taakstraf en wat gaat u doen om dit in de toekomst te voorkomen?
Zie antwoord vraag 6.
Klopt het dat de urgentie bij het OM in Utrecht nog niet is doorgedrongen en wat gaat u doen om deze Utrechtse wijk te verlossen van deze criminele groepen?
De verantwoordelijkheid voor de aanpak van de problemen in deze wijk ligt primair bij de lokale partners. Het Openbaar Ministerie heeft mij meegedeeld dat het lokale parket goed op de hoogte is van de problematiek in de Utrechtse wijk Terwijde. Het parket is doordrongen van de noodzaak van strafrechtelijk optreden in de daarvoor geselecteerde gevallen. Vanaf het voorjaar 2011 vindt een intensieve groepsaanpak plaats waarbij de wijkpolitie, de gebiedsmanager van de gemeente en hulpverleners, zoals het jongerenwerk, nauw samenwerken. Er zijn op het parket een vaste officier van justitie en parketsecretaris verbonden aan deze groepsaanpak. De groep is conform de Bureau Beke-methodiek in kaart gebracht. Voor een aantal personen uit die groep is een individueel en integraal plan van aanpak opgesteld. Er vindt regelmatig casusoverleg plaats over deze personen en anderen in de wijk. Inmiddels zit een aantal van de personen uit deze groep vast.
Slechts een taakstrafje na mishandeling van een agent |
|
Hero Brinkman (PVV), Lilian Helder (PVV), Joram van Klaveren (PVV) |
|
Leers , Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Verbijstering over lage taakstraf na mishandeling agent»?1
Ja.
Deelt u de mening dat dit soort straffen het rechtsgevoel van de burger enorm ondermijnt? Zo nee, waarom niet?
Het past mij niet om mij uit te laten over het oordeel van de rechter. Wel kan ik over de eis ter zitting zeggen dat het Openbaar Ministerie mij heeft meegedeeld dat daarin helaas onvoldoende tot uitdrukking is gebracht dat er in dit geval volgens de officier van justitie sprake was van een poging tot zware mishandeling van een politieambtenaar in functie, waarbij letsel is ontstaan. Bij nader inzien had volgens het Openbaar Ministerie het eisen van een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf in de rede gelegen. Naar aanleiding van deze casus heeft de parketleiding gesproken met alle betrokken functionarissen om uit deze casus lering te trekken.
Het Openbaar Ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak omdat het zich niet kan vinden in de kwalificatie van de bewezenverklaarde feiten en de strafmaat. De behandeling daarvan zal plaatsvinden op 15 februari 2012. Het vonnis is dus nog niet onherroepelijk.
Deelt u de mening dat de taakstraf als hoofdstraf uit het Wetboek van Strafrecht geschrapt dient te worden? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet acht het behoud van de taakstraf in het sanctiestelsel van belang. Waar het gaat om het voorkomen van recidive is de taakstraf een relatief effectieve vorm van bestraffing. Wel vindt het kabinet dat een taakstraf ongeschikt is voor de bestraffing van ernstige zeden- en geweldsmisdrijven. De legitimiteit van en het maatschappelijk draagvlak voor taakstraffen worden ondergraven als taakstraffen worden opgelegd voor dergelijke ernstige misdrijven. Het kabinet hecht daarom aan een duidelijke positionering van de taakstraf als passende straf voor plegers van naar verhouding lichtere delicten. De wettelijke regeling die de mogelijkheden beperkt om een taakstraf op te leggen voor dergelijke misdrijven is deze maand van kracht geworden.
Bij de evaluatie van deze wetswijziging zal de vraag worden betrokken of de taakstraf, in plaats van een hoofdstraf, een bijkomende straf zou moeten worden.
Hoe verhoudt de gegeven straf zich tot het voornemen geweld tegen de politie juist zwaarder te straffen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat denaturalisatie en uitzetting van dit soort criminelen de meest passende en effectieve straf is? Zo nee, waarom niet?
De intrekking van de Nederlandse nationaliteit wegens een veroordeling voor commune misdrijven is op dit moment niet mogelijk. Het kabinet bereidt een wetsvoorstel voor dat regelt dat het Nederlanderschap van rechtswege vervalt indien binnen vijf jaar na verkrijging daarvan een onherroepelijke veroordeling plaatsvindt voor een misdrijf waar twaalf jaar of meer gevangenisstraf op staat. Ook na wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap is het onwaarschijnlijk dat in een geval als het onderhavige aan deze voorwaarden wordt voldaan.
Invallen bij mensenrechtenorganisaties in Egypte |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Egypts generals intensify campaign against nonprofits»?1
Ja.
Deelt u de mening dat de Egyptische overheid bruut optreedt tegen mensenrechtenorganisaties? Zo nee, waarom niet?
Ik heb met grote zorg kennisgenomen van de huiszoekingen die op 29 december jl. door de Egyptische autoriteiten zijn gedaan bij zes internationale en lokale NGO’s in Egypte. Vrijheid van samenscholing en vrijheid van meningsuiting zijn essentieel in een democratische rechtsstaat. Hier passen dergelijke huiszoekingen niet in, tenzij NGO’s zich schuldig zouden maken aan strafbare feiten. Ook EU Hoge Vertegenwoordiger Catherine Ashton heeft haar zorg over de invallen mede op Nederlands initiatief in een verklaring op 30 december jl. geuit. Zij heeft de Egyptische autoriteiten opgeroepen de NGO’s in staat te stellen hun werk ter bevordering van het transitieproces in Egypte te doen.
Deelt u de mening dat geen geld van de Nederlandse belastingbetaler mag worden verspild aan een dergelijke overheid? Zo nee, waarom niet?
Al geruime tijd geleden is besloten de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking met Egypte af te bouwen. Het overgrote deel van de nu nog resterende fondsen zijn bestaande verplichtingen op het gebied van water en komt met name ten goede aan de Egyptische bevolking. Het bevriezen van deze fondsen is niet opportuun. De huidige steun aan Egypte ter bevordering van het Egyptische transitieproces loopt via NGO’s. Bevriezing van deze fondsen zou dus niet tot het gewenste resultaat leiden.
Wilt u de Nederlandse fondsen voor Egypte annuleren of bevriezen in het kader van uw beleid «less for less»? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Het aanbod van de IND aan de groep Somaliërs in het tentenkamp in Ter Apel |
|
Ineke van Gent (GL) |
|
|
|
|
Wat is het exacte aanbod dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) gedaan zou hebben aan de groep Somaliërs in het tentenkamp in Ter Apel?
Deze groep vreemdelingen is erop gewezen dat verblijfsaanspraken buiten toelatingsprocedures om niet mogelijk zijn. De burgemeester van Ter Apel had haar zorgen geuit over de openbare orde. Daarom is de groep vreemdelingen het aanbod gedaan dat, indien zij zich aanmelden voor een (vervolg)aanvraag, hen tot het moment van indiening van die aanvraag onderdak zou worden verleend.
Klopt het dat u deze groep Somaliërs uitgeprocedeerd is en klopt het dat u deze asielzoekers naar Somalië wil sturen? Zo ja, wat is uw reactie op de stelling van een (op zijn minst een deel) van de Somaliërs dat terugkeer voor hen geen optie is?
Op het moment dat het aanbod werd gedaan hadden de personen van de groep hun identiteit niet kenbaar gemaakt en was niet duidelijk wat hun procedurele achtergrond was.
Het toelatingsbeleid ten aanzien van Somalische asielzoekers is ruim, waarmee rekening wordt gehouden met de zorgwekkende en fragiele situatie in het land. Onlangs is het beleid ten aanzien van asielzoekers uit Mogadishu en overige delen van Zuid- en Centraal-Somalië nog aangepast en verruimd. Als een Somalische asielzoeker een (nieuwe) asielaanvraag indient, wordt de aanvraag getoetst aan dit aangepaste en verruimde beleid.
Als een Somalische asielzoeker desondanks niet in aanmerking komt voor verblijf, dan geldt net als voor andere uitgeprocedeerde asielzoekers een vertrekplicht. Bij voorkeur is er sprake van zelfstandig vertrek, maar bij het uitblijven hiervan kan uitzetting aan de orde zijn. Nu de desbetreffende groep heeft aangegeven een (vervolg)aanvraag te willen indienen, kan ik vooruitlopend daarop voor deze groep niet reageren op de stelling van deze vreemdelingen dat terugkeer voor hen geen optie is. Terugkeer naar Somalië is mogelijk.
Vindt u het acceptabel mensen die uitgeprocedeerd zijn en die naar het zich laat aanzien voorlopig niet uitgezet kunnen worden op straat terecht komen? Zo ja, om hoeveel mensen gaat dit op dit moment? Zo nee, wat gaat u daaraan doen?
Wanneer asielzoekers zijn uitgeprocedeerd geldt voor hen een vertrekplicht. Dit geldt evenzeer voor Somalische asielzoekers. Zoals hiervoor is aangegeven is terugkeer naar Somalië mogelijk. In het geval de betreffende vreemdeling aan deze vertrekplicht geen gehoor geeft, hoeft dit niet noodzakelijkerwijs te betekenen dat betrokkene op straat terecht komt. Nu een en ander afhangt van de individuele keuze van de uitgeprocedeerde asielzoeker is niet vooraf aan te geven hoeveel personen geen gehoor zullen geven aan de vertrekplicht. Als vangnet voor hen die buiten hun schuld om niet kunnen terugkeren, is er een buitenschuldbeleid.
De gratieverlening door de Surinaamse president Bouterse |
|
Frans Timmermans (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft de Surinaamse president Bouterse gratie verleend aan Romano M., zijn stiefzoon, die tot 15 jaar celstraf is veroordeeld voor doodslaf, beroving en het gooien van een handgranaat naar de residentie van de Nederlandse ambassadeur?
De gratieverlening is door Suriname bevestigd.
Deelt u de mening dat gratieverlening weliswaar een bevoegdheid is van de president en een Surinaamse binnenlandse aangelegenheid, maar dat de Nederlandse staat, als door Romano M. benadeelde partij, wel degelijk een direct belang heeft bij deze zaak?
President Bouterse geeft met deze gratieverlening aan zijn stiefzoon een verkeerd signaal. De beoordeling van dit besluit is primair aan de Surinaamse samenleving, het Surinaamse parlement en andere Surinaamse autoriteiten.
Zo ja, bent u bereid in duidelijke termen deze gratieverlening te veroordelen en te insisteren op volledige strafuitvoering en dit rechtstreeks aan de Surinaamse autoriteiten mede te delen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
De voorlopige hechtenis van dhr. R |
|
Jeroen Recourt (PvdA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de zaak van dhr. F.W.Chr. R.? Bent u op de hoogte van het feit dat dhr. R. al meer dan vijf jaar in voorlopige hechtenis zit?
Ja. Ik stel voorop dat de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de voorlopige hechtenis aan de rechter is.
Deelt u de mening dat met voorlopige hechtenis inbreuk wordt gemaakt op iemands recht op vrijheid nog voordat diens schuld is vastgesteld? Zo ja, deelt u dan ook de mening dat naarmate die inbreuk langer duurt, de proportionaliteit van die inbreuk steeds beter moet worden afgewogen ten opzichte van het doel van de voorlopige hechtenis en hoe gebeurt dit dan? Zo nee, waarom niet?
Voorlopige hechtenis vormt een beperking van het recht op vrijheid als bedoeld in artikel 5 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Op grond van dit artikel kan een verdachte van een strafbaar feit – binnen een wettelijke procedure – in hechtenis worden genomen, mits hij onverwijld voor een rechter wordt geleid. Van belang is of de vrijheidsbeneming gerechtvaardigd en proportioneel is. Een bevel tot voorlopige hechtenis kan slechts worden gegeven indien er sprake is van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten (artikel 67 Sv) én een van de gronden als bedoeld in artikel 67a van het Wetboek van Strafvordering zich voordoet. Deze toetsing wordt gedaan door de rechtbank in raadkamer. De vordering tot bewaring – waarmee de voorlopige hechtenis aanvangt – kan alleen worden toegewezen als ernstige bezwaren tegen de verdachte bestaan, dat wil zeggen dat een sterke verdenking bestaat dat de verdachte het feit heeft begaan (artikel 67, derde lid, Sv). Naarmate de voorlopige hechtenis langer duurt, worden hogere eisen gesteld aan de onderbouwing van de verdenking. Er geldt een wettelijk maximum van 90 dagen voor de duur van de voorlopige hechtenis tot aan de terechtzitting. Na dagvaarding en aanvang van het onderzoek ter terechtzitting kan de voorlopige hechtenis wegens klemmende redenen voor onbepaalde duur worden verlengd.
Kunt u in algemene zin aangeven op welke wijze de duur van de voorlopige hechtenis wordt gemaximeerd? Hoe wordt in de praktijk en de jurisprudentie het begrip «ernstige bezwaren tegen de verdachte» (artikel 67, derde lid, Wetboek van Strafvordering) op grond waarvan voorlopige hechtenis wordt toegepast, uitgelegd?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven hoe de duur van een zeer langdurige voorlopige hechtenis en de daarbij behorende ernstige bezwaren zich tot de onschuldpresumptie verhouden? Wat is de stand van zaken ten aanzien van de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens op dit punt?
In zijn rechtspraak stelt het Europees Hof voor de rechten van de mens (EHRM) het belang van de onschuldpresumptie, verankerd in artikel 6, tweede lid, van het EVRM, en het recht op individuele vrijheid voorop. Een beperking van deze vrijheid is alleen mogelijk in zwaarwegende gevallen en indien dit bij de wet is voorzien. Zoals vermeld in het antwoord op vragen 2, 3 en 11 vereist artikel 67, derde lid, Sv het bestaan van een sterke verdenking. De verdachte is op dat moment weliswaar niet veroordeeld, maar er bestaan wel gegronde redenen om te vermoeden dat hij schuldig is. Na een veroordeling in eerste aanleg geldt dit des te sterker, omdat dan ook een rechter van oordeel is dat de verdachte schuldig is. Het EHRM beschouwt om die reden iemand die in eerste aanleg veroordeeld is ook niet meer als onschuldig. Bovendien moet steeds een of meer van de gronden voor voorlopige hechtenis aanwezig zijn: hetzij gevaar voor vlucht, hetzij een gewichtige reden van maatschappelijke veiligheid die de vrijheidsbeneming vordert. Dit laatste kan bijvoorbeeld aan de orde zijn in geval van verdenking van een misdrijf waarop een gevangenisstraf van 12 jaar of meer is gesteld, terwijl de rechtsorde ernstig door dat feit is geschokt.
Zijn er landen binnen de Europese Unie waar er een in de wet verankerd absoluut maximum voor de duur van de voorlopige hechtenis bestaat? Zo ja, welke landen en hoe lang is die duur?
Uit een onderzoek uit 2009, «Pre-trial Detention in de European Union» van Van Kalmthout e.a., blijkt dat de meeste landen binnen de EU geen absoluut maximum kennen voor de duur van de voorlopige hechtenis. Verder heeft het WODC in 2011 het onderzoek «Vergroting van de Slagvaardigheid van het Strafrecht» gepubliceerd. Daarin zijn aspecten van het strafrecht van vier Europese landen (Engeland/Wales, Frankrijk, Duitsland en Noorwegen) onderzocht. Voor deze landen blijkt uit dit onderzoek dat alleen Frankrijk een absolute maximumduur kent. De lengte hiervan is afhankelijk van de zaak, en varieert van 4 maanden voor lichte strafbare feiten tot 4 jaar voor de zwaarste categorie. In de drie andere onderzochte landen kan in bijzondere omstandigheden de voorlopige hechtenis verder worden verlengd.
Acht u het wenselijk in de Nederlandse wet een dergelijk absoluut maximum op te nemen? Zo ja, hoe gaat u dit bewerkstelligen? Zo nee, waarom niet?
Zoals vermeld in antwoord op vragen 2, 3 en 11 geldt in Nederland een wettelijk maximum van 90 dagen. Alleen indien er sprake is van klemmende redenen kan de voorlopige hechtenis door de rechter verder worden verlengd. Het gaat dan om verdachten van ernstige strafbare feiten, zoals ernstige levens-, geweld- en zedendelicten en vormen van zware georganiseerde criminaliteit. Ik acht het niet wenselijk om hiervoor een absoluut maximum in de wet op te nemen, juist vanwege de ernst van de strafbare feiten en het risico voor de maatschappelijke veiligheid als dergelijke verdachten op vrije voeten komen. In het bijzonder in omvangrijke en complexe onderzoeken waarin meerdere verdachten worden vervolgd is dit van belang. Gelet op de rechtsmiddelen die de verdachte ter beschikking staan en de rechterlijke toetsing die bij iedere verlenging wordt verricht, is een wettelijke regeling niet nodig.
Worden er grenzen aan de duur van voorlopige hechtenis gesteld door het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden? Zo ja, welke?
Het EVRM stelt geen absoluut maximum aan de duur van de voorlopige hechtenis. Ook uit de jurisprudentie van het EHRM valt geen absoluut maximum af te leiden. Wel blijkt daaruit dat de redenen voor de voorlopige hechtenis uitvoeriger moeten worden onderbouwd naarmate de voorlopige hechtenis langer voortduurt.
Is het denkbaar dat in het geval een verdachte zich meer dan vijf jaar in voorlopige hechtenis bevindt, vrijspraak volgt wegens gebrek aan bewijs?
Dit is niet ondenkbaar, maar dat staat uitsluitend ter beoordeling van de rechtbank. De rechtbank heeft bij een dergelijke duur van de voorlopige hechtenis al meerdere malen de kracht van de verdenking en het reeds beschikbare bewijsmateriaal dat die verdenking ondersteunt beoordeeld, mede in het licht van de vraag of waarschijnlijk is dat de op te leggen straf hoger zal zijn dan de voorlopige hechtenis. Ik verwijs voorts naar mijn antwoord op vraag 14.
Kan de rechter die oordeelt over de vordering tot verlenging van een zeer lange voorlopige hechtenis ook de rechter zijn die oordeelt over de bewezenverklaring? Zo ja, is de schijn van vooringenomenheid hierbij in het geding?
Tot het moment waarop de zaak op zitting komt zijn het de rechters in raadkamer die over de voorlopige hechtenis oordelen. Zodra de zaak op zitting is gekomen zijn de rechters die over de voorlopige hechtenis oordelen dezelfde als de rechters die oordelen over de bewezenverklaring. Deze zittingsrechters hebben de zaak onder zich in alle aspecten, en nemen alle nodige besluiten over het verloop van de rechtszaak, waarbij de verdediging alle hen toebedeelde rechten kan uitoefenen. Dit is ook internationaal bezien een volstrekt normale en geaccepteerde rol van de zittingsrechter. Dat een rechter lopende een rechtszaak soms besluiten neemt die de verdachte niet welgevallig zijn wil niet zeggen dat die rechter vooringenomen is over de vraag of de verdachte schuldig is.
Verder is in dit verband van belang dat ter waarborging van de onpartijdigheid van de rechter de wetgever heeft bepaald dat de rechter-commissaris die enig onderzoek heeft verricht, niet deelneemt aan het onderzoek ter terechtzitting (artikel 268 van het Wetboek van Strafvordering). De Hoge Raad laat echter wel toe, dat een rechter die de voorlopige hechtenis heeft bevolen, als zittingsrechter mag optreden (HR 29 juni 1993, NJ 1993, 692). Het enkele meebeslissen over de voorlopige hechtenis als lid van de raadkamer is volgens de Hoge Raad geen aantasting van het onpartijdigheidsvereiste van artikel 6 lid 1 EVRM (HR 14 mei 1991, NJ 1991, 695).
Op welke wijze kan de rechter invloed uitoefenen op de omvang en duur van het strafrechtelijk (voor)onderzoek? Zijn er voldoende instrumenten voor de rechter tot het voeren van regie op deze onderdelen? Heeft de rechter voldoende mogelijkheden om onnodige vertraging in het proces te voorkomen?
Als de zitting is aangevangen heeft de rechter ruime mogelijkheden om regie te voeren op de omvang en duur van het onderzoek. Voor aanvang van de zitting ligt hier een rol voor de rechter-commissaris. Deze waakt over de voortgang van het opsporingsonderzoek en kan, onder andere op verzoek van de verdachte, de officier van justitie een termijn stellen voor beëindiging van het opsporingsonderzoek.
Deelt u de mening dat verlenging van de voorlopige hechtenis naarmate die langer duurt ook steeds beter dient te worden gemotiveerd ten opzichte van de verdediging? Zo ja, gebeurt dit in de praktijk ook en waar blijkt dat uit? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat voor het verlengen van de voorlopige hechtenis tot langer dan enkele jaren er een specifieke motiveringsplicht zou moeten bestaan die verder gaat dan de algemene motiveringsplicht zoals die nu opgenomen is in artikel 24 van het Wetboek van Strafvordering? Zo ja, hoe gaat u dit bewerkstelligen? Zo nee, waarom niet?
Zoals vermeld in het antwoord op vragen 2, 3 en 11 wordt de motiveringsplicht voor het opleggen of verlengen van voorlopige hechtenis zwaarder naarmate deze langer duurt. De verdediging heeft voldoende rechtsmiddelen om een schorsing van de voorlopige hechtenis aan de rechter te vragen. Artikel 67a van het Wetboek van Strafvordering beschrijft de criteria waar de rechter die besluit over het voortduren van een voorlopige hechtenis zich rekenschap van moet geven. Ik zie geen noodzaak om in aanvulling daarop speciale motiveringseisen te stellen.
Deelt u de mening dat in het geval de gevangenhouding veelvuldig (en dus voor in totaal zeer lange duur) wordt verlengd, de rechtsbescherming tekort schiet met de eenmalige mogelijkheid ex artikel 71 Wetboek van Strafvordering tot beroep bij het gerechtshof? Zo nee, waarom niet? Zo ja, gaat u dit veranderen?
Het artikel 'BNN-presentatoren plegen kannibalisme' |
|
Maarten Haverkamp (CDA) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «BNN-presentatoren plegen kannibalisme»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat er in de uitzending waarnaar wordt verwezen, inderdaad sprake van is geweest dat BNN-presentatoren Dennis Storm en Valerio Zeno vlees uit hun lichaam hebben laten snijden en dit vervolgens hebben opgegeten?
Volgens BNN hebben de handelingen, zoals die in de uitzending te zien waren, daadwerkelijk plaatsgevonden.
Indien het antwoord op vraag 2 bevestigend is, kwalificeert u dit gedrag als kannibalisme? Hoe oordeelt u verder over de medewerking die een arts heeft verleend aan het verwijderen van onderdelen van het lichaam voor dit doel?
Kannibalisme is geen strafrechtelijke term. In het dagelijks verkeer wordt onder kannibalisme verstaan het eten van soortgenoten. Wat de onderhavige casus bijzonder maakt is dat die soortgenoten gewoon bij leven zijn en toestemming hebben gegeven voor het afnemen en consumeren van een klein deel van hun lichaam. Over de vraag of er in die omstandigheden nog steeds gesproken kan worden van kannibalisme heb ik geen oordeel.
Het is primair aan de beroepsgroep om te bepalen of handelen in strijd is met de beroepsnorm. De beroepsorganisatie van artsen, de KNMG, heeft laten weten artsen af te raden aan dit soort ingrepen mee te werken, omdat het indruist tegen de professionele ethiek om een zinloze en nutteloze ingreep uit te voeren.
Indien het antwoord op vraag 2 ontkennend is, bent u dan van mening dat het moreel verwerpelijk is om kannibalisme op een dergelijke wijze op de publieke tv te brengen?
De omroep is verantwoordelijk voor de inhoud van de programma’s die hij uitzendt. Hij houdt zich hierbij aan zijn eigen mediacode die is opgesteld binnen de kaders die de NPO hiervoor heeft gesteld. Hoewel over smaak valt te twisten treed ik niet in de programmatische onafhankelijkheid van de betreffende omroep. Het is aan BNN om te beoordelen of een dergelijk programma moet worden uitgezonden.
Deelt u de opvatting van de heer Spong dat kannibalisme strafbaar is?
Kannibalisme is als zodanig niet strafbaar. Wel zou er bij het verkrijgen van mensenvlees onder omstandigheden sprake kunnen zijn van andere strafbare feiten. Het Openbaar Ministerie ziet in de uitzending geen aanleiding om tot vervolging over te gaan.
Indien het antwoord op vraag 5 bevestigend is, bent u dan voornemens om het Openbaar Ministerie te verzoeken over te gaan tot vervolging? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Indien het antwoord op vraag 5 bevestigend is, bent u dan voornemens contact op te nemen met de NPO en Commissariaat van de Media om via hen BNN aan te spreken op het feit dat er in een met belastinggeld gefinancierde programma bewust de wet is overtreden en met NPO en Commissariaat van de Media passende maatregelen te treffen tegen BNN en betrokken presentatoren?
Vooralsnog is niet gebleken dat in dit verband de wet is overtreden. Los hiervan is het Commissariaat voor de Media belast met de handhaving van de Mediawet en niet van de strafwetgeving. Handelingen zoals verricht in het bedoelde programma onttrekken zich daarom aan het beoordelingskader van het Commissariaat. De NPO heeft ook geen bevoegdheden om op grond van de esthetische inhoud van een programma maatregelen tegen BNN en de betrokken presentatoren te treffen.
Draagt u er zorg voor dat, indien het komt tot een veroordeling van betrokken presentatoren, zij persoonlijk de boete betalen en dat deze niet ten laste komt van de belastingbetaler?
Zoals uit het voorgaande blijkt is er op dit moment geen sprake van of zicht op een veroordeling of boete wegens de bewuste uitzending. In antwoord op schriftelijke Kamervragen van het lid Haverkamp (CDA) heb ik uw Kamer op 6 december 2011 in algemene zin bericht over het betalen van boetes en schadevergoedingen bij de publieke omroep. Kort samengevat komt het er op neer dat voor een overtreding van de Mediawet 2008 altijd de omroepinstelling aansprakelijk is, omdat deze verantwoordelijk is voor wat er in zijn programma’s gebeurt (art. 2.88 Mediawet 2008). Bij strafbare feiten kunnen zowel de omroepinstelling als de betrokken werknemers door justitie worden aangesproken. Of de omroep dit kan verhalen op zijn medewerkers wordt bepaald door het arbeidsrecht.
Tijdens het Mediabegrotingsdebat van 12 december heb ik u toegezegd de mogelijkheid te onderzoeken dat dergelijke boetes niet uit gemeenschapsgeld maar uit verenigingsmiddelen moeten worden betaald. Momenteel ligt er een adviesaanvraag bij het Commissariaat over dit onderwerp. Ik kom hier later dan ook schriftelijk op terug.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor 16 januari?
Dat is helaas niet gelukt.
De voordurende verslechtering van de mensenrechtensituatie in Burundi |
|
Ewout Irrgang |
|
Bent u zich bewust van de voordurende verslechtering van de mensenrechtensituatie in Burundi zoals onder andere blijkt uit het laatste bericht van Human Rights Watch over politieke moorden?1
Ik ben bekend met het rapport van Human Rights Watch, de rapportage van VN-expert Fatsah Ouguergouz, de verslaglegging van de EU-waarnemingsmissie en berichten over intimidatie van journalisten in Burundi. Zoals ik in mijn antwoord op uw vragen van 23 september 2011 aangaf, maak ik mij zorgen over de gewelddadige incidenten die zich de afgelopen periode hebben voorgedaan in Burundi en over de beperking van bewegingsruimte en vervolging van journalisten en advocaten. De ontwikkelingen van de afgelopen maanden hebben deze zorgen nog versterkt.
Bent u het eens met de conclusie in het rapport van de onafhankelijke VN-deskundige de heer Ougergouz dat in 40 gevallen van buitengerechtelijke executie sprake was van betrokkenheid van politiemensen en mensen van de inlichtingendiensten?
Zie antwoord vraag 1.
Onderschrijft u de conclusie van de waarnemingsmissie van de Europese Unie dat in de nasleep van de verkiezingen van 2010 meer dan 250 mensen in de gevangenis zijn terechtgekomen vanwege hun politieke opvattingen?
Zie antwoord vraag 1.
Erkent u dat het regime in Bujumbura journalisten steeds meer intimideert zoals die van Radio Publique Africaine (RPA)?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid de Burundese regering aan te spreken op de verslechtering van de mensenrechtensituatie?
Ja. Nederland doet dit en zal dit blijven doen. Zelf heb ik tegenover de vicepresident van Burundi mijn zorg uitgesproken over het politiek gemotiveerde geweld en de verslechterende mensenrechtensituatie bij een ontmoeting tijdens het High Level Forum on Aid Effectiveness in Busan in december vorig jaar.
De Nederlandse tijdelijk zaakgelastigde te Bujumbura heeft op 16 december jl. in het kader van de samenwerking op het gebied van politie met België en Duitsland een demarche uitgevoerd bij de Burundese minister van Openbare Veiligheid. Daarbij zijn de zorgen overgebracht over de recente moorden en de berichten van betrokkenheid daarbij van personen binnen de politie en de inlichtingendienst.
Bent u bereid landen in de regio met invloed in Burundi zoals Tanzania, Zuid-Afrika, en Rwanda te verzoeken hun invloed aan te wenden om Burundi aan te spreken op de voortdurende schending van mensenrechten?
Ja. De regionale stabiliteit is een terugkerend onderwerp van gesprek met de autoriteiten van de landen in de regio. Zo zijn de ontwikkelingen in Burundi en de constructieve rol die Zuid Afrika daarin zou spelen, besproken met de Zuid Afrikaanse nationale veiligheidsadviseur Welile Nhlapo tijdens diens bezoek aan Nederland in november 2011.
Bent u het er mee eens dat onder deze omstandigheden Nederlandse steun aan de veiligheidssector neerkomt op financiële steun aan het repressieve en moordende veiligheidsapparaat van Burundi?
Nee. Ten eerste geeft Nederland geen directe financiële steun aan de Burundese overheid. Nederland geeft geen begrotingssteun aan Burundi. Ten tweede heeft de Nederlandse steun aan Burundi tot doel te helpen een democratisch gecontroleerde, effectieve veiligheidssector op te bouwen. Daartoe wordt geïnvesteerd in training en capaciteitsopbouw van onder andere leger en politie, maar ook van de toezichthouders zoals parlement, media en maatschappelijk middenveld. In een fragiele staat als Burundi, die zich nog maar recentelijk aan een bloedige burgeroorlog heeft ontworsteld, is een dergelijke investering essentieel om duurzame stabiliteit te bewerkstelligen, die van direct belang is voor de mensenrechtensituatie in het land.
De komst van wederom een pedofilie promotende imam |
|
Joram van Klaveren (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Arabische conferentie met omstreden imam in Al Fourkaan-moskee Eindhoven»?1
Ja.
Deelt u de visie dat, als gevolg van de ingezette lijn van de minister, alle pedofilie promotende imams, dus ook Al Arifi, uit ons land geweerd zouden moeten worden? Zo nee, waarom niet?
Iedereen die zich in Nederland bevindt, inclusief derdelanders, dient zich te houden aan de wetten en regels van Nederland. Ieder besluit tot weigering van toegang tot Nederland zal aan de hand van de bekende feiten en omstandigheden worden beoordeeld. Dat was zo en dat blijft zo.
Klopt het dat pedo-imam Al Arifi, die tevens oproept tot geweld tegen vrouwen, ook zal spreken in de omstreden Haagse As Soennah moskee?
Volgens de mij beschikbare informatie is de heer Al Arifi waarschijnlijk in de As Soennah moskee in Den Haag geweest.
Bent u bereid alle moskeeën die oproepen tot geweld en pedofilie te sluiten? Zo neen, waarom niet?
Het recht op godsdienstvrijheid is een grondrecht dat is vastgelegd in de Nederlandse Grondwet. Dat biedt voorgangers en gelovigen veel ruimte. Daarbij is een ieder gehouden aan de wet. Een imam of andere geestelijke die oproept tot geweld is als persoon strafbaar volgens het wetboek van Strafrecht. Het is aan het OM om strafbare uitingen te vervolgen en aan de rechter om daarover een oordeel te vellen.
Een moskee sluiten kan slechts in uitzonderlijke gevallen. Het oprichten en in stand houden van een moskee valt onder de godsdienstvrijheid. Moskeeën worden veelal in stand gehouden door stichtingen of verenigingen. Hun inrichtingsvrijheid is daarmee beperkt door het recht dat van toepassing is op stichtingen en verenigingen. Volgens artikel 2:20 van het Burgerlijk Wetboek kunnen rechtspersonen waarvan de werkzaamheden in strijd zijn met de openbare orde door de rechtbank worden ontbonden. Sluiting van moskeeën wegens strijd met de openbare orde is – gelet op de godsdienstvrijheid – slechts in uiterste gevallen aan de orde. De beslissing over het al dan niet verbieden van een rechtspersoon op grond van artikel 2:20 BW is aan de rechter.
Voorschriften die de veiligheid en gezondheid raken, of betrekking hebben op geluidsoverlast, zoals bouwvoorschriften en brandveiligheidseisen, gelden ook voor gebouwen met religieuze doeleinden en godsdienstige activiteiten. Eventuele beperkingen mogen echter niet zover gaan dat zij die activiteiten feitelijk onmogelijk maken. Voor ingrijpen van de overheid is in alle gevallen een nauwkeurig door de wet begrensde bevoegdheid vereist.
Beelden van inbrekers gemaakt door RTV Oost |
|
Eddy van Hijum (CDA), Coşkun Çörüz (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het feit dat RTV Oost beelden heeft uitgezonden van drie inbrekers die hebben ingebroken in het pand van RTV Oost?1
Ja.
Deelt u de mening dat beveiligingscamera’s kunnen dienen ter voorkoming en opsporing van inbraak?
Ja.
Bent u van mening dat inbrekers zelf risico nemen gefilmd te worden bij het plegen van een strafbaar feit en zeker in het geval van inbraak bij een beveiligd bedrijfspand (waar in dit geval ook nog eens een tv-zender huist) waar beveiligingscamera’s aanwezig zijn?
Ja.
Deelt u de mening dat het belang van privacy van personen, die weten dat ze gefilmd kunnen worden bij het plegen van een strafbaar feit en zelf iemands privacy schenden, minder zwaar weegt dan het oplossen van dit feit?
Bepaalde inbreuken op de privacy van personen die verdacht worden van een strafbaar feit zijn in het belang van de opsporing geoorloofd. Het is echter niet zo dat inbrekers door hun daad ieder recht op privacy verspelen. Het naleven van de rechten op het gebied van privacy en bescherming van persoonsgegevens staat overigens niet in de weg aan een effectieve opsporing en vervolging.
Bent u van mening dat RTV Oost de beelden had mogen uitzenden? Zo nee, onder welke voorwaarden had het wel gemogen?
Het oordeel over de vraag of RTV Oost de beelden had mogen uitzenden, is primair aan de rechter of de Raad voor de Journalistiek. In het algemeen geldt hierover het volgende. De Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) is slechts gedeeltelijk van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens voor uitsluitend journalistieke doeleinden (de zogenaamde journalistieke exceptie). Het verwerken van strafrechtelijke gegevens voor journalistieke doeleinden, waaronder het tonen van beelden die min of meer gegronde verdenkingen onderbouwen, is in beginsel geoorloofd.
Klopt het dat de beelden mogen worden uitgezonden indien zij via de politie waren aangeleverd bij de zender? Zo ja, was de privacyschending van de inbrekers dan geen probleem geweest, terwijl wel dezelfde beelden zouden zijn uitgezonden?
Beelden van bijvoorbeeld een inbraak mogen worden uitgezonden indien ze door de politie worden aangeleverd bij een zender. De politie maakt daarbij een belangenafweging op basis van de Aanwijzing Opsporingsberichtgeving. Net als bij de inzet van andere opsporingsmiddelen gelden de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.
Het gebruik door politie en justitie van beelden gemaakt door particulieren of bedrijven wordt primair beheerst door het Wetboek van Strafvordering, de Wet politiegegevens en/of de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. Dat is een ander wettelijk kader dan het kader van de Wbp.
Is het burgers toegestaan om beelden, waar mensen in een publieke ruimte herkenbaar in beeld zijn, openbaar te maken, bijvoorbeeld via Youtube zoals vaak gebeurt?
Dit is afhankelijk van de concrete situatie. In zijn algemeenheid geldt dat men er op de openbare weg niet vanuit mag gaan dat men geheel onbespied zijn gang kan gaan. In besloten ruimten die voor het publiek toegankelijk zijn, geldt dat camerabewaking duidelijk kenbaar moet worden gemaakt. Die beelden worden in de regel slechts voor korte termijn bewaard en niet gepubliceerd. Het bewust publiceren van beelden van herkenbare personen op internet is een verdergaande inbreuk op de privacy van betrokkenen, en zal minder snel aanvaardbaar zijn. In beginsel is de toestemming nodig van betrokkenen. Het publiceren van beelden op internet kan overigens ook uit anderen hoofde dan privacybescherming onrechtmatig zijn, bijvoorbeeld omdat het in strijd is met de Auteurswet.
Is het burgers toegestaan om beelden waar mensen in een publieke ruimte herkenbaar in beeld zijn en een strafbaar feit plegen openbaar te maken, bijvoorbeeld via Youtube? Zo nee, wat doen de burgers die geen strafbaar feit plegen verkeerd, waardoor hun privacy minder gerespecteerd wordt dan de burgers die wel een strafbaar feit plegen?
Ik sta in beginsel positief tegenover initiatieven van slachtoffers van criminaliteit om politie en justitie te ondersteunen in hun werk om daders op te sporen. Dergelijke initiatieven dienen uiteraard in overeenstemming met het toepasselijk wettelijk kader uitgevoerd te worden. Burgers en bedrijven die beelden van herkenbare natuurlijke personen die een strafbaar feit plegen willen publiceren doen er verstandig aan om dergelijke beelden altijd eerst aan politie en Openbaar Ministerie ter beschikking te stellen. Politie en Openbaar Ministerie kunnen de juiste afweging maken of het publiceren van beelden in een concreet geval nuttig is, of juist moet worden afgeraden, bijvoorbeeld om het onderzoek te beschermen of omdat de identiteit van de inbreker(s) ook op andere wijze vast te stellen is. Uiteindelijk hangt de rechtmatigheid af van de omstandigheden van het individuele geval. Het CBP is verantwoordelijk voor het toezicht op de Wbp.
Bent u bereid te kijken naar het huidig wettelijk kader omtrent de bescherming van persoonsgegevens, aangezien er nu onduidelijk heerst over wat er wel en niet is toegestaan?
De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft in december 2011 een wetsvoorstel ter wijziging van de Wbp ter consultatie gepubliceerd. Dit wetsvoorstel bevat onder andere een nadere regeling voor het gebruik van beelden van bewakingscamera's die door particulieren zijn vervaardigd. In het wetsvoorstel wordt de grondslag gelegd voor enkele nadere regelingen waarin de voorwaarden worden vastgesteld waaronder dergelijke beelden door burgers en bedrijven zelf op internet kunnen worden geplaatst om zodoende de opsporing en vervolging te ondersteunen.
De inbraak bij zeven konijnenhouders |
|
Ger Koopmans (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de inbraak bij zeven konijnenhouders door de actiegroep Ongehoord, waarbij actievoerders zonder toestemming de bedrijven zijn binnengedrongen en konijnenhokken hebben gefilmd?
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat deze actiegroep zich al langer bezigt met dit soort criminele activiteiten, zoals het publiekelijk vertonen van dode biggen op openbare plaatsen als De Dam in Amsterdam? Is dat toegestaan?
Het College van procureurs-generaal heeft mij desgevraagd het volgende meegedeeld. Het OM heeft tot op heden twee aangiften ontvangen met betrekking tot konijnenhouderijen. Deze aangiften betreffen huisvredebreuk en smaad en zijn nog in behandeling.
Het gebruik maken van kadavers (al dan niet tijdens een demonstratie) kan overeenkomstig de Wet Economische Delicten een strafbaar feit opleveren als sprake is van overtreding van de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren en de Regeling dierlijke bijproducten 2011. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) kan in een dergelijk geval de kadavers in beslag nemen en strafrechtelijk of door middel van bestuursdwang optreden. Naar aanleiding van de recente demonstratie in Amsterdam, op 21 december 2011, heeft de NVWA, in samenwerking met de politie Amsterdam-Amstelland, proces-verbaal opgemaakt op grond van de hiervoor genoemde Regeling.
Klopt het dat in het geval van het vertonen van dode biggen op De Dam de politie hier van te voren reeds weet van had? Zo ja, waarom werden er dan geen maatregelen genomen?
De korpsbeheerder van Amsterdam-Amstelland heeft mij met betrekking tot de demonstratie van 10 december 2011 meegedeeld dat deze op reguliere wijze is gemeld bij de gemeente Amsterdam. Bij de melding is geen mededeling gedaan over het meevoeren van dode dieren. Om die reden is tijdens de voorbereiding van de maatregelen verbonden aan de demonstratie het inroepen van de expertise van de NVWA niet aan de orde geweest, en was de NVWA niet aanwezig tijdens de demonstratie.
Op 21 december 2011 is er wederom een demonstratie georganiseerd door genoemde actiegroep. Gelet op de ervaringen van 10 december 2011 is er overleg geweest tussen de gemeente Amsterdam en de NVWA. De NVWA heeft onder begeleiding van de politie haar taak kunnen uitvoeren. De in die demonstratie getoonde kadavers zijn door de NVWA in beslag genomen en afgevoerd.
Deelt u de opvatting dat dergelijke acties ongehoord en bovenal buitenwettelijk zijn en hun doel, het welzijn van dieren vergroten, volledig voorbij schieten?
Vanzelfsprekend is het berokkenen van schade aan mens of dier tijdens acties niet acceptabel. Voor de vraag of de onderhavige acties buitenwettelijk zijn en hoe hiermee om te gaan verwijs ik naar het antwoord op vraag 2 en naar de brief over de aanpak van dierenrechtenextremisten van de toenmalige Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Justitie, mede namens de toenmalige Ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Economische Zaken, en Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 2 maart 2009 (Kamerstukken II, vergaderjaar 2008–2009, 29 754, nr 143).
Deelt u de opvatting dat dierenrechtenextremisten onder geen beding acties mogen uitvoeren waarbij grote schade voor zowel dieren als mensen wordt berokkend?
Zie antwoord vraag 4.
Welke acties heeft u ingezet, zoals aangekondigd in de brief van 20 juli 2011,1 gestuurd aan de Kamer naar aanleiding van de eerdere acties van vergelijkbare organisaties? Welke vervolgacties zal u inzetten ter voorkoming van soortgelijke buitenwettelijke praktijken in de toekomst?
De ingezette lijn zoals uiteengezet in de hiervoor genoemde brief van 2 maart 2009 wordt gehandhaafd. Er is goede samenwerking tussen AIVD, politie, OM en andere betrokkenen. Aangiften worden serieus behandeld en er wordt regelmatig voorlichting gegeven.
Vervolging van de rooms-katholieke kerk vanwege seksueel misbruik en eventuele personele consequenties daarvan |
|
Khadija Arib (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat «Bisdom slechts kan hopen»? over aangifte tegen de rooms-katholieke kerk als organisatie?1
Ja.
Kan het Openbaar Ministerie gegevens van de commissie-Deetman vorderen ten behoeve van een strafrechtelijk (voor)onderzoek? Zo ja, onder welke voorwaarden? Zo nee, waarom niet? In hoeverre geldt de wettelijke plicht om misdrijven als verkrachting ter kennis te brengen van het Openbaar Ministerie? Geldt deze verplichting ook voor de commissie-Deetman zelf? Zo ja, in hoeverre kunnen de slachtoffers zelf een aangifte door de commissie bevorderen of juist tegenhouden? Zo nee, waarom niet?
Het Openbaar Ministerie kan bij een verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67 van het Wetboek van Strafvordering, waaronder ook gevallen van misbruik van kinderen vallen, gegevens vorderen.
Artikel 160 Sv bevat een algemene en voor iedereen geldende aangifteplicht voor in dat artikel omschreven misdrijven, waaronder verkrachting. Het moet gaan om kennis dragen van een misdrijf. Een vermoeden is onvoldoende voor de aangifteplicht. De commissie Deetman heeft in dat licht in totaal elf geanonimiseerde meldingen onder de aandacht van het OM gebracht. De commissie heeft daarin onafhankelijk een eigen afweging gemaakt. Naar één van die meldingen, te weten de zaak Heel, is een feitenonderzoek ingesteld. De overige meldingen bevatten te weinig informatie om een goed beeld te krijgen van hetgeen zich zou hebben afgespeeld. Bovendien waren deze meldingen – voor zover vast te stellen – verjaard. Het OM heeft de commissie Deetman geadviseerd om enkele melders in overweging te geven een gesprek aan te vragen met een zedenrechercheur. Daarvan heeft één persoon gebruik gemaakt. Dat gesprek heeft niet geleid tot een aangifte, omdat zowel de mogelijke verdachte als het slachtoffer al waren overleden.
Geven de in totaal elf geanonimiseerde meldingen die de commissie- Deetman onder de aandacht van het Openbaar Ministerie heeft gebracht, u aanleiding om te veronderstellen dat het archief van deze commissie mogelijk meer informatie bevat die kan leiden tot strafvervolgingen of informatie bevat die relevant kan zijn bij opsporing en vervolging van daders van seksueel misbruik?
Nee. De commissie heeft met het OM afspraken gemaakt over de verstrekking van informatie die voor het OM van belang zou kunnen zijn. De commissie Deetman heeft het Openbaar Ministerie geïnformeerd over elf meldingen met betrekking tot misbruik in de Rooms-katholieke kerk. Ik heb geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat de commissie Deetman over nog meer informatie zou beschikken, die van belang zou kunnen zijn voor de opsporing en vervolging van zedenmisdrijven die zijn gepleegd door priesters of andere geestelijken.
Welke mogelijkheden zijn er om een kerkgenootschap inclusieve hun de onderdelen en lichamen die daar deel van uitmaken strafrechtelijk te vervolgen dan wel civielrechtelijk aansprakelijk te stellen? Verschilt hierin een kerkgenootschap van een andere rechtspersoon? Bent u bereid te doen onderzoeken welke strafrechtelijke dan wel civielrechtelijke maatregelen genomen kunnen worden tegen de rooms-katholieke Kerk als rechtspersoon? Zo ja, op welke wijze gaat u dit doen? Zo nee, waarom niet?
Het OM heeft op grond van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) de mogelijkheid om een rechtspersoon strafrechtelijk te vervolgen, indien door die rechtspersoon een strafbaar feit is begaan en dit strafbare feit ook aan de rechtspersoon kan worden toegerekend. Ook civielrechtelijk kan een kerkgenootschap aansprakelijk worden gesteld, nu artikel 2 lid 1 boek 2 BW bepaalt dat kerkgenootschappen rechtspersoonlijkheid bezitten. Een kerkgenootschap verschilt hierin niet van een andere rechtspersoon.
Het Openbaar Ministerie ziet geen aanleiding om ambtshalve te onderzoeken welke strafrechtelijke maatregelen kunnen worden genomen tegen de rooms-katholieke kerk als rechtspersoon. Er is onvoldoende juridische grond dat het individuele misbruik in strafrechtelijk zin of andere strafbare feiten aan de kerk kunnen worden toegerekend. Bovendien zijn de in het rapport van de commissie Deetman gemelde strafbare feiten verjaard. Uiteraard worden nieuwe aangiftes en meldingen die (mede) betrekking hebben op de rooms-katholieke kerk als rechtspersoon zorgvuldig beoordeeld.
Waar het betreft de civielrechtelijke aansprakelijkheid van de kerk is het aan de slachtoffers om eventueel te komen tot een civielrechtelijke (schadevergoedings)actie.
Wat zijn de voorwaarden waaraan moet worden voldaan eer er sprake is van een criminele organisatie die het plegen van seksueel misbruik als oogmerk had?
In artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht is strafbaar gesteld de deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Om als criminele organisatie te kunnen worden aangemerkt zal dus het oogmerk van de organisatie op het plegen van de misdrijven moeten zijn gericht. Het enkele feit dat binnen een reguliere organisatie misdrijven worden gepleegd is nog niet voldoende om zo’n oogmerk van de organisatie aan te nemen. Het artikel ziet op de deelname van personen aan een criminele organisatie en niet op de strafbaarstelling van de organisatie zelf.
Wordt naar aanleiding van aangifte(n) of ambtshalve door het Openbaar Ministerie onderzocht of er reden bestaat om de rooms-katholieke kerk of rechtspersonen gelieerd aan de rooms-katholieke kerk te vervolgen voor strafbare feiten? Zo ja, kunt u dan de Kamer op de hoogte stellen als er duidelijkheid is over de uitkomst van dat onderzoek? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Herinnert u zich uw antwoorden op schriftelijke vragen over het in bescherming nemen van een veroordeelde pedofiele priester (antwoord ontvangen 24 maart 2011)?2
Ja.
Kan gezien uw antwoord vraag 7 dat, «indien de uitkomsten van het onderzoek van de commissie Deetman hiertoe aanleiding geven», u «de noodzaak van aanvullend beleid opnieuw» zou bezien, aangenomen worden dat u op dit punt nu wel van mening bent dat er voor de beroepsgroep van priesters met pastorale taken of vergelijkbare beroepsgroepen bij andere religies, een verklaring omtrent gedrag verplicht zou moeten worden gesteld? Zo ja, hoe gaat u dit bewerkstelligen? Zo nee, waarom zijn de uitkomsten van het onderzoek niet ernstig genoeg om deze verplichting in te voeren?
Het is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de kerk te voorkomen dat priesters en andere geestelijken zich schuldig maken aan (seksueel) misbruik van kwetsbare personen zoals kinderen. Dit geldt evenzeer voor vergelijkbare beroepsgroepen bij andere religies. De betreffende beroepsgroep kan ook nu, zonder wettelijke verplichting, door aanstaande medewerkers een verklaring omtrent het gedrag (VOG) laten aanvragen. Ik onderstreep het belang dat kerkelijke instellingen zelf een integriteitsbeleid voeren, waarvan een VOG deel kan uitmaken.
Voor vrijwilligersorganisaties die met kinderen werken is in samenwerking met de Nederlandse Organisaties Vrijwilligerswerk (NOV) / MOVISIE met financiële steun van de overheid voor het voeren van integriteitsbeleid een stappenplan en de toolkit «In Veilige Handen» ontwikkeld.
Met behulp van een quickscan heeft MOVISIE geïnventariseerd op welke manier de kerkelijke instellingen in Nederland ondersteund kunnen worden bij het nemen van maatregelen ter preventie van misbruik en seksueel grensoverschrijdend gedrag. Ik zal de ontwikkeling van integriteitsinstrumenten voor kerkelijke instellingen door MOVISIE steunen.
Op dit moment geldt slechts voor een beperkt aantal beroepsgroepen een wettelijke verplichting van een verklaring omtrent het gedrag, zoals op het gebied van de jeugdzorg, de kinderopvang of het onderwijs. Daar gaat het om sectoren waarin de overheid een eigen verantwoordelijkheid heeft voor de zorg of de opvang. Die verantwoordelijkheid van overheid ontbreekt in de relatie tot het personeelsbeleid van de kerken. Ik zie onvoldoende aanleiding om een VOG wettelijk verplicht te stellen voor de betreffende beroepsgroepen. De kerken zijn hierin zelf aan zet en ook het best geëquipeerd om voor de diverse beroepsmatige en vrijwillige functies een integriteitsbeleid op maat te formuleren.
Acht u het naar aanleiding van de uitkomsten van het onderzoek van de commissie Deetman nu wel noodzakelijk om aanvullend beleid in te voeren ten aanzien van ontzetting uit beroep of ambt? (antwoord op vraag 8 van 24 maart 2011)? Zo ja, hoe gaat u dit bewerkstelligen? Zo nee, waarom niet?
Naar aanleiding van het rapport «Strafrechtelijke ontzetting uit beroep of ambt» van het Nederlands Studiecentrum voor Criminaliteit en rechtshandhaving heeft het Openbaar Ministerie onderzoek verricht (zie de brief van mijn ambtsvoorganger van 5 augustus 2010, TK 2009–2010, 32 123 VI, nr. 122). Naar verwachting zal in april 2012 een nieuwe Aanwijzing ontzetting uit beroep of ambt van het College van procureurs-generaal in werking treden, waarin instructies worden gegeven voor onder meer het vorderen van de ontzetting uit een ambt of beroep (art, 28 Wetboek van Strafrecht), het vorderen van een beroepsverbod als bijzondere voorwaarde (art. 14c lid 2 onder 5 Wetboek van Strafrecht) en het handhaven in geval van niet-naleving van de ontzetting (art. 195 Wetboek van Strafrecht). In de aanwijzing zal worden aangegeven dat ook kerkelijke en geestelijke ambten het karakter van beroep kunnen dragen. Het is van belang dat officieren van justitie in het algemeen op de hoogte zijn van de mogelijkheden van het beroepsverbod. In de aanwijzing wordt in het algemeen aangegeven welke doelen een beroepsverbod kunnen rechtvaardigen. Of een beroepsverbod in een specifieke casus ook een adequate sanctie is, staat ter beoordeling aan het OM en uiteindelijk de rechter.
Herinnert u zich uw de vragen van het lid Arib over seksueel misbruik van kinderen binnen de kerk. (antwoorden ontvangen op ontvangen 17 augustus 2009)? Blijkt uit de u thans beschikbare gegevens nog steeds dat het tot nu toe één keer is voorgekomen dat iemand bij veroordeling voor een zedenmisdrijf door de rechter uit zijn geestelijk ambt werd ontzet (antwoord 7 van 17 augustus 2009)? Zo nee, hoeveel keer is dat inmiddels dan wel aan de orde geweest?
Ja. Ik beschik niet over aanvullende gegevens dat het vaker is voorgekomen dat een veroordeelde bij rechterlijk vonnis uit zijn geestelijk ambt is ontzet.
Wilt u de Kamer op de hoogte stellen indien het Openbaar Ministerie in het kader van het misbruik binnen de katholieke kerk als bijkomende straf ontzetting uit beroep of ambt eist? Zo nee, waarom niet?
Nee, de registratiesystemen van het Openbaar Ministerie zijn niet ingericht op het doen van dergelijke meldingen.
Deelt u de mening dat bij vervolging van seksuele misdrijven door personen die vanwege hun beroep daartoe in de gelegenheid werden gesteld of die vanwege hun beroep overwicht konden uitoefenen op hun slachtoffers, dan wel degenen die aan dergelijke verboden gedragingen feitelijk leiding hebben gegeven, een bijkomende straf van ontzetting uit hun beroep of ambt aan de orde kan zijn? Zo ja, wilt u dit dan in een OM-aanwijzing verwerken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 9.
De disproportionele kosten die non-profit organisaties moeten betalen aan de Buma en SENA |
|
Mariko Peters (GL) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw antwoord op eerdere Kamervragen waarin u geeft u aan dat gebleken is dat er in het genoemde geval sprake is van een administratieve fout?1 Waaruit is dit gebleken? Bent u in overleg getreden met zowel de Carnavals Vereniging Deurdouwers als de Buma en SENA? Bent u slechts afgegaan op de uitspraken van Buma en SENA of heeft u bewijsstukken ingezien?
Naar aanleiding van de brief van de carnavalsvereniging die bij de Kamervragen waren gevoegd, heb ik de betrokken collectieve beheersorganisaties, Buma en Sena alsmede Voice, de brancheorganisatie van collectieve beheersorganisaties in haar hoedanigheid als bemiddelaar bij klachten over collectieve beheersorganisaties, verzocht om een reactie. Uit deze reacties bleek dat voor het muziekgebruik een te hoog bedrag was gefactureerd. Dit bedrag is later naar beneden bijgesteld. Deze informatie heb ik in de eerdere beantwoording gemeld.
De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft geen rol bij de afhandeling van individuele klachten over collectieve beheersorganisaties. Indien een individuele klacht binnenkomt bij het ministerie, wordt de klager gewezen op bestaande klachtenregelingen. Zowel Buma als Sena hanteren in het kader van het CBO-keurmerk sinds 2011 een klachtenregeling die jaarlijks wordt gecontroleerd door een onafhankelijke auditor van het Keurmerkinstituut. Klachten kunnen ook worden ingediend via het klachtenloket van Voice. Wanneer van de klachtenregeling gebruik gemaakt wordt, volgt binnen twee maanden een uitspraak op de klacht. Mocht de klacht niet naar tevredenheid zijn opgelost dan kan de klager de klacht inzake de toepassing van het tarief voorleggen aan een onafhankelijke geschillencommissie. Het College van Toezicht Auteursrechten heeft inzage in het klachtenregister. Na inwerkingtreding van het wetsvoorstel toezicht2 kan een gebruiker ook de hoogte van het tarief op redelijkheid laten toetsen door een geschillencommissie. In casu dateert de klacht uit september 2011 en is de kwestie via Kamervragen aan mij voorgelegd voordat de reguliere klachtafhandeling was afgerond.
Weet u dat er driejaar lang (2008–2011) communicatie heeft plaatsgevonden over de kosten die de genoemde carnavalsvereniging zou moeten betalen? Deelt u de mening dat wanneer dit een administratieve fout betrof, zoals u suggereert in uw antwoord, er tijd en aanleiding genoeg is geweest om deze fout binnen drie jaar op te helderen? Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat de fout eerst na politieke en publicitaire aandacht erkend en rechtgezet werd?2
Ik heb van Voice, mede namens Buma en Sena, het volgende vernomen. In casu gaat het om twee soorten muziekgebruik: muziekgebruik in het verenigingsgebouw (waarbij een vergoeding verschuldigd is aan Buma en Sena) en het live ten gehore brengen van muziek tijdens de carnavalsoptocht (waarbij alleen een vergoeding verschuldigd is aan Buma). De betrokken carnavalsvereniging heeft voor het muziekgebruik in het verenigingsgebouw voorafgaand aan 2011 geen toestemming gevraagd aan en geen factuur ontvangen van Buma. De carnavalsvereniging heeft voor dit gebruik wel Sena-facturen ontvangen en voldaan.
In 2008 en 2009 is er naar aanleiding van een factuur contact geweest tussen Sena en de carnavalsvereniging. De carnavalsvereniging had in 2006 opgegeven te beschikken over een horecaruimte van 60 m2. In 2008 is door de carnavalsvereniging aangegeven dat dit niet correct is: de ruimte waarin muziek ten gehore werd gebracht is geen horeca-instelling maar een clubhuis. In juli 2009 is hierop door Sena de vergoedingscategorie met terugwerkende kracht gewijzigd tot de datum van het doorgeven van de correctie door de carnavalsvereniging. De communicatie hierover is in 2009 afgerond.
In het kader van de één-loket-benadering zijn in 2011 gecombineerde Buma/Sena-facturen verzonden. Hiervoor maken zij gebruik van het Service Centrum Auteurs- en Naburige rechten (SCAN). De afspraak is dat SCAN alleen een gecombineerde factuur verzendt indien de gebruiker vóór 2011 van zowel van Buma als Sena voor het desbetreffende muziekgebruik een factuur ontving. Indien de gebruiker niet bekend is bij beide cbo’s wordt eerst nader onderzoek ingesteld alvorens een factuur wordt verzonden. In casu had dus geen gecombineerde factuur mogen worden verzonden omdat de carnavalsvereniging voor het muziekgebruik in het verenigingsgebouw alleen bij Sena bekend was. Nadat de carnavalsvereniging in september 2011 over de gecombineerde factuur bij SCAN heeft geklaagd, is de factuur gecrediteerd en heeft er een bezoek van de Buma/Sena buitendienst plaatsgevonden. Daarbij is gebleken dat – anders dan door de carnavalsvereniging schriftelijk aan Sena was opgegeven – er niet gedurende twaalf maanden maar slechts gedurende vier maanden muziek openbaar wordt gemaakt in het verenigingsgebouw. Aan de hand van deze informatie is voor het muziekgebruik in het verenigingsgebouw een nieuwe factuur opgesteld. Buma heeft aangegeven uit coulance geen betaling te zullen vorderen voor het muziekgebruik in de jaren voorafgaand aan 2012. Sena heeft aangegeven uit coulance het – vanwege het beperkte aantal maanden muziekgebruik per jaar – gereduceerde tarief met terugwerkende kracht tot en met 2008 te zullen toepassen. Buma en Sena merken voorts op dat de hoogte van de tarieven tot stand zijn gekomen in onderhandelingen met voor de sector representatieve brancheorganisaties, in dit geval de Federatie van Dorpshuizen en organisaties in het welzijnswerk, en door de collectieve beheersorganisaties op de respectievelijke websites worden gepubliceerd. Daarnaast kunnen gebruikers via de website www.mijnlicentie.nl hun gegevens inzien en zonodig wijzigen.
Ik begrijp uit het voorgaande dat in twee instanties een niet correct tarief is gehanteerd op basis van informatie die door de vereniging in kwestie is verstrekt. Ik heb Voice erop gewezen dat het voor gebruikers bij de aanvraag van de licentie voldoende duidelijk moet zijn onder welke omstandigheden zij in aanmerking kunnen komen voor een gereduceerd tarief. Op de papieren aanvraag is gevraagd naar de openingsperiode van het gebouw. Bij de in 2011 in gebruik genomen digitale licentieaanvraag via de website www.mijnlicentie.nl ontbreekt nog de mogelijkheid om aan te geven dat slechts gedurende een deel van het jaar muziek wordt gebruikt. Dit punt is door de Buma en Sena onderkend: zij geven aan dat bij een digitale licentie-aanvraag altijd telefonisch contact wordt opgenomen om op dit punt nadere informatie op te vragen. Bij de nieuwe versie van de website die in maart 2012 in gebruik wordt genomen, zal het mogelijk zijn om beperkt seizoensgebruik digitaal door te geven. Ik zie in het voorgaande onvoldoende aanleiding voor een nader onderzoek naar onjuiste facturering van not-for-profit organisaties en/of andere maatregelen
Weet u dat de betrokken carnavalsvereniging de afgelopen jaren wel geld heeft moeten betalen aan Buma en Sena voor een bedrag dat hoger lag dan de nu genoemde 48 euro? Deelt u de mening dat hierdoor sprake lijkt van willekeur in de hoogte van het jaarlijks te betalen bedrag? Adviseert u deze vereniging het kennelijk teveel betaalde geld terug te vragen? Bent u bereid dit mee te nemen in het door u aan de Kamer tijdens het plenaire debat naar aanleiding van het algemeen overleg over auteursrechten toegezegde overleg met de Buma en SENA?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid Buma en SENA aan te spreken op de onnavolgbaarheid van de vaststelling van aan not-for-profit gefactureerde bedragen? Bent u bereid te onderzoeken of er meerdere non-profit-organisaties zijn die onjuiste facturen ontvangen van de Buma en/of SENA?
Zie antwoord vraag 2.
De evaluatie van uitstapprogramma’s voor prostituees |
|
André Elissen (PVV) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw brief over de overdracht van uitstapprogramma’s aan gemeenten»1 en de evaluatie van de Regeling Uitstapprogramma’s Prostituees (RUPS)?2
Ja.
Vindt u dat deze brief recht doet aan de inhoud van de evaluatie van de RUPS? Zo ja, op welke wijze?
Mijn brief zet uiteen welke acties ik heb ondernomen om een «warme» overdracht van de uitstapprogramma’s aan de betreffende gemeenten te realiseren. Deze acties zijn een logisch gevolg op het aflopen en de evaluatie van de RUPS. In die zin doet mijn brief recht aan de evaluatie, alsmede aan de toezeggingen die ik in de gedachtewisselingen met uw Kamer hierover heb gedaan. In aanvulling op mijn brief kan ik uw Kamer melden dat ook de gemeenten Amsterdam en Deventer inmiddels hebben besloten door te gaan met het uitstapprogramma.
Deelt u de mening dat de RUPS veelomvattender was dan de programma’s die nu door gemeenten worden uitgevoerd? Ziet u een overdracht in afgeslankte vorm als een warme overdracht? Zo ja, kunt u dit toelichten?
Doel van de RUPS was om op basis van subsidieverlening gemeenten (en instellingen) te stimuleren een uitstapprogramma op te zetten voor de begeleiding van prostituees. Bij mijn beoordeling of in de betrokken gemeenten vanaf 2012 de uitstapprogramma’s worden voortgezet en in het reguliere beleid zijn ingebed stond niet de omvang van de voortgezette programma’s centraal, maar de vraag in hoeverre er sprake is van een effectieve voortzetting van deze programma’s.
Deelt u de mening dat er geen duidelijke afspraken vooraf zijn gemaakt over de invulling van de RUPS-subsidie, de registratie van de deelnemers en de voorwaarden tot deelname? Zo nee, waarom niet? Vindt u dit een goede manier van werken?
Nee. Zoals gemeld in mijn eerdergenoemde brief is uit de evaluatie van de RUPS gebleken dat de aanvragers tevreden waren over de regeling en de communicatie daarover.
Vindt u dat mondelinge afspraken met de samenwerkende hulpverlenende instanties volstaan? Zo ja, kunt u dit toelichten?
In het kader van een subsidierelatie dienen de belangrijkste en formele afspraken schriftelijk te worden vastgesteld, zoals in het kader van de uitstapprogramma’s is gebeurd. Mondelinge afspraken volstaan dus niet.
Op basis van de subsidieregeling van het ministerie van Veiligheid en Justitie dient de subsidie-ontvanger verder een zodanig ingerichte administratie te voeren, dat daaruit te allen tijde de voor de vaststelling van de subsidie van belang zijnde rechten en verplichtingen alsmede de betalingen en de ontvangsten kunnen worden nagegaan.
Deelt u de mening dat een schatting van instroom, doorstroom en uitstroom geen deugdelijke administratie genoemd kan worden? Zo nee, waarom niet? Waarom stelt u in uw brief dat u het beeld van een ondeugdelijke administratie niet herkent, terwijl het in de evaluatie niet mogelijk bleek exacte aantallen deelnemers en uitstappers weer te geven en het uiteindelijk op wat natte-vinger-werk is uitgedraaid?
Deelname aan het programma is een continu proces van verschillende fases. Hierdoor is het niet mogelijk gebleken om in het evaluatierapport exacte gegevens te presenteren, waardoor gekozen is voor een schatting. Desalniettemin zijn de resultaten ten aanzien van de instroom, doorstroom en uitstroom overzichtelijk gepresenteerd in het evaluatierapport van de RUPS en geven zij een betrouwbaar beeld van de aantallen deelnemers en uitstappers.
Deelt u de mening dat subsidies alleen verstrekt dienen te worden wanneer er duidelijke, schriftelijke afspraken liggen waarop een organisatie kan worden afgerekend, zodat dit in de toekomst tot goede resultaten zal leiden? Zo ja, hoe gaat u deze werkwijze realiseren?
Zie antwoord vraag 5.
Het systematisch muilkorven, oppakken en detineren van journalisten in herislamiserend Turkije |
|
Geert Wilders (PVV), Wim Kortenoeven (PVV) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de nieuwsberichten «Turkije pakt achttien journalisten op bij «anti-terreur-actie'»1, «Turkey Arrests Journalists It Ties to Outlawed Group»2 en «A dangerous place to be a journalist»?3
Sinds april 2009 is in Turkije een groot aantal mensenrechtenactivisten, lokale bestuurders en politici gearresteerd, die lid zouden zijn van de KCK, mogelijk de civiele tak van de PKK. Deze personen zijn gedetineerd in afwachting van de definitieve formulering van de aanklacht. Ervaring met soortgelijke zaken leert dat het maanden, zo niet jaren, kan duren voor de aanklacht bekend wordt. Het Turkse rechtssysteem laat het toe dat een aanklacht nog definitief geformuleerd moet worden, terwijl de verdachte reeds in hechtenis is genomen. De arrestaties uit de eerste twee nieuwsberichten passen in dit beeld.
Zoals ik u op 24 maart (op vraag 1960 uit vergaderjaar 2010–2011) en 11 april 2011 (op vraag 2 172 uit vergaderjaar 2010–2011) heb geantwoord, zijn Ahmet Sik en Nedim Sener aangehouden in het kader van een breder justitieel onderzoek naar de zogenaamde «Ergenekon»-zaak; een vermeende samenzwering van onder meer Turkse generaals, journalisten, schrijvers en academici gericht op destabilisering van democratische instituties, waaronder de regering-Erdoğan. Dit betreft de arrestaties uit het derde nieuwsbericht.
Hoe beoordeelt u de kwaliteit van de Turkse democratie in het licht van het feit dat Turkije met meer dan 90 opgesloten journalisten tot de meest journalist-vijandige landen ter wereld behoort?
Het kabinet is bezorgd over de wijze waarop Turkije met (kritische) journalisten omgaat. Op het gebied van persvrijheid voldoet de Turkse democratie niet aan de Kopenhagencriteria.
Bent u bereid om de nieuwe aanslag van het islamistische regime Erdogan op de persvrijheid in Turkije, in de vorm van de arrestaties van afgelopen dinsdag, in scherpe bewoordingen te veroordelen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet spreekt de Turkse regering, zowel bilateraal als via de EU, aan op implementatie van de Kopenhagen-criteria, waarvan vrijheid van meningsuiting en persvrijheid integraal onderdeel uitmaken. In de EU-Raadsconclusies van 5 december 2011 over het uitbreidingspakket is, mede op Nederlands aandringen, opgenomen dat «Turkije meer moet doen om de vrijheid van meningsuiting te respecteren.» De Raad stelde dat «de restricties tegen de media, het grote aantal rechtszaken tegen schrijvers en journalisten en het frequente verbod op websites ernstige bezorgdheid oproepen en daarom aan de orde moeten worden gesteld.»
Wat heeft u in de achterliggende periode gedaan om de vrijlating te bewerkstelligen van de Turkse journalist Nedim Sener, die met gevangenschap de prijs betaalt omdat hij het Turkse regime onder andere waagde te tarten met een boek over de moord op de Turks-Armeense journalist Hrant Dink?
Het kabinet gaat niet in op individuele tenlasteleggingen. Wel volgt Nederland, samen met de Europese Commissie en overige EU-lidstaten, de ontwikkelingen op de voet. Zo was een medewerker van het consulaat-generaal in Istanbul aanwezig bij de rechtszaal waar op 22 november 2011 het proces tegen onder meer Nedim Sener aanving. Het uitgangspunt bij het Nederlandse beleid is dat alle verdachten in Turkije op een eerlijke en onafhankelijke rechtsgang moeten kunnen rekenen. Zie verder mijn antwoord op vraag 3.
Deelt u de mening dat het geen pas geeft op feestelijke wijze 400 jaar betrekkingen te vieren met een regime dat journalisten muilkorft, dat regime-onvriendelijke journalisten oppakt en detineert, en dat Allah-onvriendelijke cartoonisten bedreigt met lange gevangenisstraffen?
Turkije is op veel terreinen een belangrijke partner van Nederland. Turkije is een belangrijke handelspartner, een bondgenoot binnen de NAVO, een kandidaat-lidstaat van de Europese Unie en er zijn intensieve maatschappelijke betrekkingen, mede vanwege de Nederlanders van Turkse afkomst. Daarnaast speelt Turkije een belangrijke rol in de transitie van een aantal Arabische landen. Dat neemt niet weg dat Turkije verdere stappen zou moeten zetten in zijn democratische hervormingsproces. Het is van belang dat de viering van 400 jaar diplomatieke betrekkingen de zeer diverse betrekkingen tussen Nederland en Turkije bestendigt en op deze manier de democratische hervormingen in Turkije versterkt.
Wat gaat de (voorbereiding van de) viering van de 400 jaar diplomatieke betrekkingen met het persbreidelende Turkije de Nederlandse belastingbetaler eigenlijk kosten?
In de begroting is een bedrag van 2 070 000 euro gereserveerd voor deze viering.
Wilt u deze vragen gezien de gewenste duidelijkheid ieder afzonderlijk beantwoorden?
Ja.