Het FD-artikel ‘Deur op kier voor btw-afdracht over sociale media’ |
|
Inge van Dijk (CDA), Sarah El Boujdaini (D66), Henk-Jan Oosterhuis (D66), Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat Italië een btw-aanslag heeft opgelegd aan Meta, LinkedIn en X?
Ja.
Kunt u bevestigen dat de Europese Commissie van oordeel is dat er omzetbelasting geheven mag worden over sociale media als gebruikers de instellingen kunnen aanpassen waardoor de aanbieders persoonlijke data niet zomaar mogen verkopen en de gebruikers zelf minder functionaliteiten ter beschikking hebben?
Nee. De Europese Commissie heeft op verzoek van Italië slechts een eerste analyse1 gepresenteerd aan de andere lidstaten en gevraagd om een reactie daarop. In de analyse wordt beschreven dat heffing van btw in zulke situaties wellicht mogelijk is, omdat er dan bepaalde omstandigheden aanwezig kunnen zijn waardoor gemakkelijker een «rechtstreeks verband» kan worden gelegd tussen de door de aanbieder verrichte digitale dienst en de door de gebruiker verstrekte data. De Commissie plaatst daar echter meteen een aantal kanttekeningen bij. Zij merkt onder meer op dat het vaststellen van de waarde van de data (de maatstaf van heffing; het bedrag waarover btw geheven zou kunnen worden) lastig is en dat om die reden van geval tot geval een zorgvuldige beoordeling zal moeten worden gemaakt om tot een rechtvaardige en werkbare uitkomst te komen.
Bovendien sluit de Commissie af met de opmerking dat het zogenoemde «Btw-comité»2 mogelijk niet het juiste gremium is om deze kwestie te bespreken en dat een aanpassing van de Europese btw-richtlijn wellicht noodzakelijk is. De lidstaten zijn in de gelegenheid gesteld om hun visie op de mening en analyse van de Commissie – die dus geen officiële, of bindende interpretatie van de btw-richtlijn is3 – te delen. De gesprekken in het Btw-Comité zullen worden vervolgd en hebben dus nog niet tot een zogenoemd «richtsnoer» geleid.
Kunt u uiteenzetten wanneer en onder welke voorwaarden er volgens de Europese Commissie omzetbelasting mag worden geheven over de data die aanbieders van sociale media van hun gebruikers krijgen?
Vragen over btw-heffing over «gratis» diensten van sociale mediabedrijven zijn niet nieuw. De centrale vraag is of tegenover de digitale («gratis») dienst een vergoeding in natura staat: de persoonlijke data van de gebruikers die bedrijven gebruiken om advertentie-inkomsten te verwerven.
Het Btw-comité heeft hierover in 2018 unaniem een richtsnoer aangenomen dat geen btw kan worden geheven over dergelijke «gratis» diensten, omdat het zogenoemde «rechtstreeks verband» tussen de digitale diensten en het verstrekken van persoonlijke data ontbreekt.4 Van een «rechtstreeks verband» is sprake wanneer tussen de verrichter en de ontvanger van de dienst een rechtsbetrekking bestaat in het kader waarvan over en weer prestaties worden uitgewisseld, en de door de dienstverrichter ontvangen vergoeding de werkelijke tegenwaarde vormt voor de ten behoeve van de ontvanger verrichte dienst.5 De persoonlijke data vormt niet de werkelijke tegenwaarde voor de digitale dienst. De diensten worden namelijk ook verleend als de gebruiker de persoonlijke data niet deelt. Dit richtsnoer geldt onverkort.
Italië meent dat er inmiddels situaties zijn waarvoor het unaniem aangenomen richtsnoer niet geldt. Daarom heeft Italië om de mening van het Btw-Comité gevraagd. Het gaat met name om de situatie waarin de mate van digitale dienstverlening afhankelijk is van de kwantiteit en kwaliteit van de persoonlijke data die de gebruiker verstrekt. Denk aan sociale mediabedrijven die minder foto's of video's zichtbaar maken als de gebruiker instellingen aanpast die het platform beperkt in het gebruik van persoonlijke data. In die situatie is volgens Italië wel een «rechtstreeks verband» aanwezig tussen de digitale diensten en het verstrekken van de persoonlijke data.
De Commissie beschrijft dat dit een situatie kan zijn waarin een «rechtstreeks verband» gemakkelijker kan worden gelegd. Zij tekent daarbij tegelijk aan dat het moeilijk is om te kwantificeren wat het belastbare bedrag is.
Daarnaast gaat de Commissie in op de situatie waarin de gebruiker het gebruik van de persoonlijke data niet beperkt en dus alle functionaliteiten behoudt. Zij merkt daarbij op dat het erop lijkt dat Italië – door de gewijzigde bedrijfsmodellen – ook in die gevallen van mening is dat (vanaf nu) toch sprake is van een «rechtstreeks verband» en daarbij voorbijgaat aan het unaniem aangenomen richtsnoer uit 2018. Volgens de Commissie kan ten aanzien van deze situatie nog altijd worden volgehouden dat er geen belastbare prestatie plaatsvindt, omdat het «rechtstreeks verband» ontbreekt.
Tot slot omschrijft de Commissie volledigheidshalve nog het bedrijfsmodel waarbij tegen betaling in geld een abonnement wordt afgesloten in ruil voor de volledige functionaliteiten, maar dan zonder (gepersonaliseerde) advertenties te tonen. Volgens de Commissie is het evident dat de gebruiker dan betaalt voor digitale diensten, zodat een met btw belastbare dienst door het sociale mediabedrijf wordt verricht.
Bent u van mening dat het verstrekken van persoonlijke data ten behoeve van gratis toegang tot sociale media een belastbare transactie vormt?
Nee. Uitgangspunt blijft het unaniem aangenomen richtsnoer van het Btw-comité uit 2018. Dat betekent dat in de regel over het verstrekken van persoonlijke data bij «gratis» toegang tot sociale media geen btw wordt geheven. Ik onderschrijf de mening van de Commissie op dit punt, zoals beschreven bij de tweede situatie van antwoord 3.
Hoewel het eerder unaniem aangenomen richtsnoer het uitgangspunt blijft, kunnen er zich situaties voordoen, zoals Italië aangeeft, die niet onder de reikwijdte van het richtsnoer vallen. Dat is geheel afhankelijk van de feiten en de omstandigheden van het geval. Ik onderschrijf echter de kanttekeningen die de Commissie voor deze situaties plaatst bij het vaststellen van het bedrag waarover btw zou kunnen worden geheven. De btw-richtlijn bevat op dit moment ook geen werkbare bepalingen om de maatstaf van heffing (de vergoeding) te bepalen. Bovendien is het gelet op het grensoverschrijdende karakter van digitale diensten van groot belang dat alle EU-lidstaten dezelfde benadering hanteren. Met de Commissie ben ik van mening dat dit mogelijk om aanpassing van de btw-richtlijn vraagt. De voortzetting van de gesprekken in het Btw-comité zijn om die reden zeer belangrijk. Daar wil ik niet op vooruitlopen.
Is het voor de Belastingdienst ook mogelijk in Nederland btw te heffen bij aanbieders van sociale media over de data, die zij van gebruikers krijgen en is de Belastingdienst voornemens dit te gaan doen? Zo nee, waarom niet? Welke stappen zijn er voor nodig om dit te gaan doen en per wanneer zou de Belastingdienst hiertoe kunnen overgaan?
De Belastingdienst kan btw heffen als daarvoor een voldoende eenduidige juridische grondslag is.
Zoals gezegd blijft het richtsnoer het uitgangspunt voor de beoordeling of btw-heffing kan plaatsvinden over de waarde van persoonlijke data. Heffing van btw in situaties die buiten het richtsnoer vallen, komt pas aan de orde als er een «rechtstreeks verband» tussen de geleverde data en de dienstverlening kan worden vastgesteld én als vaststaat over welk bedrag btw geheven zou kunnen worden. Daarover is op dit moment geen duidelijkheid. Daarbij spelen ook andere heffingsaspecten zoals het bepalen van de lidstaat die heffingsbevoegdheid heeft en de vraag of het op regelmatige basis «verkopen» van persoonlijke data door de gebruikers tot ondernemerschap voor de btw leidt. Bovendien moeten eventuele uitstralingseffecten naar andere, soortgelijke situaties (bijvoorbeeld loyaliteitsprogramma’s) worden onderzocht. Op dit moment vindt in het Btw-comité nog gedachtenvorming plaats over deze kwestie. Nederland draagt constructief bij aan deze gesprekken.
Hoe hoog zou de jaarlijkse opbrengst zijn indien ook in Nederland btw wordt geheven over sociale media conform het Italiaanse voorbeeld?
Op dit moment bestaat onvoldoende inzicht om een betrouwbare raming te maken van een mogelijke btw-opbrengst over sociale media. Duidelijkheid over de maatstaf van heffing ontbreekt.
Italië geeft bovendien geen inzicht in de maatstaf van heffing noch de wijze van berekening waarop de (na)heffingsaanslag is gebaseerd. Ook de Commissie heeft geen richting gegeven aan de manier waarop de maatstaf van heffing kan worden bepaald. Zij geeft juist aan dat wellicht (aanvullende) EU-wetgeving noodzakelijk is. Gelet op deze onzekerheden op zowel juridisch als methodologisch vlak kan op dit moment geen opbrengst worden geraamd.
Indien wordt vastgesteld dat aanbieders van sociale media btw verschuldigd zijn over het verlenen van toegang tot de platforms, zal de Belastingdienst onderzoeken welke maatstaf van heffing van toepassing is. Daarnaast zal de Belastingdienst, binnen de geldende wettelijke kaders, beoordelen over welke periode en tot welke hoogte heffing kan plaatsvinden. In beginsel geldt daarbij een naheffingstermijn van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan, met inachtneming van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Hoe kijkt u naar het Italiaanse voorbeeld waar aanbieders van sociale media een naheffing opgelegd krijgen over eerdere jaren waarin geen btw is betaald? Kan dit met inachtneming van een betrouwbare overheid met terugwerkende kracht?
Zie antwoord vraag 6.
Personen die ten onrechte als gedupeerde zijn aangemerkt en gecompenseerd in het kader van de toeslagenaffaire |
|
Simon Ceulemans (JA21) |
|
Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Welke concrete stappen zijn er tussen 26 maart van dit jaar – toen u de Kamer informeerde1 naar aanleiding van berichtgeving in NRC een dag eerder – en nu gezet om in kaart te krijgen hoeveel personen ten onrechte als gedupeerde van de toeslagenaffaire zijn aangemerkt en gecompenseerd en welk bedrag daarmee gaat gepaard?
Op 26 maart 2025 heb ik de Kamer geïnformeerd over de verzend- en ontvangstadministratie van de massaal door Dienst Toeslagen verzonden brieven. Ik heb toen ook aangekondigd dat de Auditdienst Rijk (ADR) is gevraagd de juistheid en volledigheid van de administratie te onderzoeken. Zodra het onderzoek is afgerond zal ik de Kamer het onderzoeksrapport, inclusief mijn reactie, doen toekomen.
Zoals ik al eerder aan de Kamer heb gemeld in de brief van 26 maart 2025, vind ik het belangrijk om te benadrukken, ook richting de ouders, dat de gegevens die nu worden onderzocht geen invloed zullen hebben op reeds door UHT genomen besluiten in de eerste toets en integrale beoordeling. Bij ouders die in de eerste toets of integrale beoordeling in de hersteloperatie zijn aangemerkt als gedupeerde vordert UHT uitgekeerde compensatie niet terug. Het ouderverhaal is en blijft leidend. Dit is alleen anders in gevallen van evidente fraude, maar daar ziet het onderzoek van de ADR niet op.
Wat is de status van het onderzoek door de ADR, waarover in de Kamerbrief van 4 juli 2025 werd gemeld dat afronding voorzien was aan het einde van het derde kwartaal van 20252?
Het onderzoek bevindt zich op dit moment in de afrondende fase. Dit moment is later dan voorzien in de brief van 4 juli 2025. Ik deel met de Kamer dat ik graag zo snel mogelijk de uitkomsten ontvang. Echter acht ik het belangrijk dat de ADR de tijd krijgt het onderzoek goed af te ronden. Als het onderzoek is afgerond zal ik de Kamer het onderzoeksrapport, inclusief mijn reactie, doen toekomen.
Wanneer gaan de uitkomsten van dit onderzoek met de Kamer gedeeld worden?
Zie antwoord vraag 2.
Wat bedoelde u met uw uitspraak in WNL op Zondag van 30 november 2025 dat u niet weet hoeveel geld er ten onrechte is uitgekeerd en dat u zich daarmee ook niet gaat bezighouden3? Hoe verhoudt deze uitspraak zich tot het genoemde onderzoek dat hiernaar momenteel wordt uitgevoerd?
Eerder in datzelfde interview heb ik benoemd dat aan de hand van de onderzochte administratie niet gesteld kan worden dat mensen onterecht compensatie hebben ontvangen. Dit is immers ook niet wat de ADR onderzoekt. De ADR onderzoekt momenteel enkel de juistheid en volledigheid van de administratie. Ik kan nu niet vooruitlopen op de uitkomsten van het onderzoek en de mogelijke gevolgen.
In algemene zin geldt dat rondom oneigenlijk gebruik en misbruik van herstelregelingen een proces is ingericht voor het verzamelen, verwerken en beoordelen van signalen, zoals ook gedeeld met uw Kamer4. Als achteraf blijkt dat een herstelbetaling door misbruik is verkregen wordt deze teruggevorderd. De mogelijkheid daartoe is opgenomen in de Wet hersteloperatie toeslagen.
Betekent uw uitspraak dat u op voorhand al besloten heeft dat de uitkomsten van het onderzoek niet tot vervolgstappen zullen leiden? Zo ja, waarom?
Nee, ik kan niet vooruitlopen op de conclusies uit het onderzoek.
Bent u, ongeacht de reikwijdte en uitkomsten van het lopende ADR-onderzoek, bereid de Kamer te voorzien van een zo accuraat mogelijke inschatting van het aantal ten onrechte gecompenseerde personen en de totale kosten die hiermee gemoeid zijn? Zo nee, waarom niet?
De ADR onderzoekt niet of en zo ja, hoe veel ouders ten onrechte zijn gecompenseerd. Echter wil ik de uitkomsten van het onderzoek wel afwachten voordat ik kan bepalen wat de gevolgen zijn voor de hersteloperatie. Zodra het onderzoek is afgerond zal ik de Kamer het onderzoeksrapport, inclusief mijn reactie, doen toekomen. Op dit moment kan ik niet vooruitlopen op de conclusies uit het onderzoek.
Geldt het besluit zoals vermeld in uw brief van 26 maart om onterecht uitgekeerde compensaties niet terug te vorderen voor alle gevallen? Zo nee, in welke gevallen kan of zal hiertoe wel overgegaan worden?
Zie antwoord vraag 1.
De verhoogde kans op energiearmoede van kinderen in krimp- en grensregio’s. |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat kinderen in krimp- en grensregio’s een bovengemiddelde kans hebben om in energiearmoede op te groeien?1
Ja het kabinet is bekend met het onderzoek van TNO over kinderen in energiearmoede. TNO heeft becijferd dat in 2024 naar schatting 510.000 huishoudens (circa 6% van het totaal aantal huishoudens) en 293.000 kinderen in energiearmoede leven. TNO laat daarbij zien dat kinderen die in energiearmoede opgroeien zich in een kwetsbaardere sociaaleconomische situatie bevinden. Zo is het huishoudinkomen vaak aanzienlijk lager. Energiearmoede komt het vaakst voor in de Randstad (frequentie), maar de diepte van energiearmoede is in de grensregio’s gemiddeld groter, doordat het gemiddelde inkomen lager ligt en de gemiddelde woonoppervlakte groter is2. In de overige regio’s zien we gemiddeld een lager percentage huishoudens in energiearmoede.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat kinderen in krimp- en grensregio’s een grotere kans hebben om in energiearmoede op te groeien?
Het kabinet vindt het belangrijk dat alle huishoudens in Nederland kunnen meekomen in de energietransitie en een betaalbare energierekening hebben, ongeacht waar iemand woont. Daarnaast zet het kabinet zich ook breed in om (de gevolgen) van kinderarmoede tegen te gaan3. Geen kind zou in armoede moeten opgroeien. Daarom blijft dit kabinet zich er sterk voor maken om kinderarmoede aan ta pakken, waar dan ook in Nederland. Zoals in de beantwoording van vraag 1 is aangegeven, komt energiearmoede (onder kinderen) het vaakst voor in de Randstad en in grensregio’s. Om huishoudens in energiearmoede te ondersteunen heeft dit kabinet diverse maatregelen verlengd of verder uitgebreid, zoals de inzet van de Specifieke uitkering Energiearmoede aan gemeenten met in totaal € 550 miljoen, het Tijdelijk Noodfonds Energie en het verder uitfaseren van huurwoningen met een EFG-label. Zie hiervoor ook de Kamerbrief uit augustus vorig jaar: Monitor Energiearmoede 20244. De gevolgen die energiearmoede kan hebben op kinderen zijn daarbij belangrijk om mee te wegen in het te nemen beleid.
Hoe bent u van plan te waarborgen dat gezinnen met kinderen in krimp- en grensregio’s toegang houden tot betaalbare energie?
Zoals in de beantwoording van vraag 2 is benoemd, hecht het kabinet eraan dat huishoudens in Nederland een betaalbare energierekening hebben. Hiertoe zijn diverse maatregelen genomen en nog steeds van kracht. Op dit moment werkt het kabinet ook aan de uitwerking van een publiek energiefonds5, waarmee aan huishoudens in energiearmoede tijdelijke financiële steun wordt geboden en huishoudens actief worden doorverwezen naar hulp bij het verduurzamen van de woning.
TNO heeft in opdracht van het Rijk naar aanleiding van een motie van het voormalig Kamerlid Postma6 een onderzoek uitgevoerd naar de effecten van beleidsopties om energiearmoede verder tegen te gaan tijdens de energietransitie. De uitkomsten hiervan zijn recent met de Kamer gedeeld7.
Deelt u het inzicht dat krimpregio’s zoals Zuid-Limburg en Noord-Groningen te maken hebben met een dubbele kwetsbaarheid, namelijk (1) slechtere energetische kwaliteit van de woningvoorraad en (2) demografische achteruitgang?
Uit cijfers van het CBS en een prognose van ABF Research8 blijkt dat elke regio zijn eigen demografische uitdagingen kent. Het kabinet deelt dat het aandeel energiearme huishoudens en de demografische ontwikkeling in de genoemde regio’s onze aandacht verdienen. In de genoemde regio’s is sprake van vergrijzing en het wegtrekken van jongeren, waardoor lokale faciliteiten onder druk komen te staan. Dat vraagt daarmee ook om een regionale aanpak die juist ook rekening houdt met de lokale gevolgen van demografische ontwikkelingen. Het kabinet en de regio’s werken samen om de kwaliteit van leven, wonen en werken van inwoners en ondernemers te verhogen, onder meer via de regiodeals.
Bent u bereid concrete maatregelen te nemen om in aansluiting op het rapport «Elke regio telt!» deze regionale ongelijkheden te verkleinen, zo ja welke en zo nee waarom niet?
Het kabinet onderzoekt, in lijn met motie-Van der Plas, hoe een plattelandstoets kan worden vormgegeven over de breedte van het nationale beleid. Belangrijke input hiervoor volgt uit de Rural Policy Review die in september 2025 van start is gegaan en loopt tot begin 2027. Dit onderzoek, dat wordt uitgevoerd door de OESO, heeft als doel om meer inzicht te krijgen in de (sociaaleconomische) staat van het landelijk gebied en de mogelijke beleidsinzet hierop, waar een plattelandstoets onderdeel van kan zijn.
Het kabinet heeft daarnaast, in aansluiting op het rapport «Elke regio telt» en het daaruit voortgekomen Nationaal Programma Vitale Regio’s, oog voor regionale en lokale ontwikkelingen, bijvoorbeeld bij de aanpak van energiearmoede. De Monitor Energiearmoede geeft een inschatting van energiearmoede op nationaal en lokaal niveau. De verdeling van de Specifieke uitkering aanpak energiearmoede is gebaseerd op het percentage huishoudens met energiearmoede in de verschillende gemeenten. Verder is de aanpak van energiearmoede onderdeel geweest van regio- en wijkgerichte programma’s. Zo was de bespaarcoach één van de projecten van de Regio Deal Oost-Groningen I om woningeigenaren met een laag inkomen te ondersteunen bij het verduurzamen van hun woning en het besparen van energie. Door de City Deal Energieke Wijken zijn huishoudens in de gebieden van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV) geholpen bij het verduurzamen van hun woning. Specifiek voor de regio’s Groningen en Noord-Drenthe is voor toekomstbestendige woningen van goede energetische kwaliteit ook maatregel 29 van Nij Begun van belang. Tenslotte dragen het Nationaal isolatieprogramma, de Nationale prestatieafspraken met woningcorporaties, de wijkaanpak met een regierol voor gemeenten en andere subsidies en ondersteuning ook in deze regio’s bij aan de aanpak van energiearmoede. Besluitvorming over verdere maatregelen om regio’s en wijken te versterken en mogelijke verschillen terug te dringen is aan een nieuw kabinet.
Op welke wijze wordt met betrekking tot de verhoogde kans op energiearmoede van kinderen in krimp- en grensregio’s de regiotoets uitgevoerd, zodat de gevolgen voor regio’s en plattelandsgebieden expliciet worden meegewogen, in lijn met de aangenomen motie van het lid Van der Plas over onderzoeken hoe een plattelandstoets nader uitgewerkt kan worden en een rol kan spelen bij overheidsbeleid en wet- en regelgeving (Kamerstuk 36 410, nr. 121)?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u een actuele uitsplitsing geven van energiearmoede naar regio, inclusief het aantal huishoudens dat te maken heeft met onderconsumptie (het structureel uitzetten of laag houden van verwarming)?
Het aantal energiearme huishoudens dat te maken heeft met onderconsumptie was in 2023 naar schatting circa 124 duizend. Dit is in kaart gebracht in de jaarlijkse Monitor Energiearmoede die met de Tweede Kamer is gedeeld9. TNO schat dat voor 2024 deze groep licht zal dalen in absolute aantallen, naar ongeveer 119 duizend huishoudens. De regionale verdeling van onderconsumptie is niet in kaart gebracht.
Figuur 1 presenteert de energiearmoedekaart van Nederland voor 2024 op gemeenteniveau10. De gemeenten waarbij het aandeel huishoudens met energiearmoede naar schatting boven 10% uit komt in 2024 zijn: Heerlen, Vaals, Enschede, Rotterdam, Almelo, Pekela, Oldambt, Maastricht, Arnhem en Kerkrade.
Figuur 1. percentage energiearme huishoudens per gemeenten in 2024 (voorlopige schatting)
Klopt het dat beleid rondom energiearmoede momenteel versnipperd is over meerdere ministeries (Klimaat en Groene Groei, Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, Sociale Zaken en Werkgelegenheid) en dat hierdoor een overkoepelende visie ontbreekt?
De ministeries van KGG, VRO en SZW werken samen aan de aanpak van energiearmoede. Huishoudens met energiearmoede hebben een laag inkomen, hoge kosten voor gas en elektriciteit en/of een woning van lage energetisch kwaliteit. Dit vraagt om een aanpak op verschillende fronten. De Minister van VRO heeft het voortouw bij beleid dat gericht is op het verbeteren van de energetische kwaliteit van woningen. De Minister van SZW is verantwoordelijk voor het behoud van koopkracht en gerichte financiële ondersteuning. De Minister van KGG is stelselverantwoordelijk voor het energiesysteem, waaronder de betaalbaarheid van de energierekening.
In 2022 zijn de ministeries van KGG, VRO en SZW onder leiding van TNO het Landelijk Onderzoeksprogramma Energiearmoede gestart. Dit programma is september 2025 afgelopen, maar het vraagstuk blijft actueel. Structurele monitoring en meerjarige kennisontwikkeling blijft nodig om nationale en lokale besluitvorming over energiearmoede te ondersteunen. De ministeries van KGG, VRO en SZW hebben daarom in samenwerking met TNO en RVO het Nationaal Energiearmoede Observatorium (NEO) opgezet. Het NEO ontwikkelt en ontsluit kennis via (1) monitoring, (2) onderzoek en (3) kennisnetwerkbeheer. Het vervult ook een belangrijke signaalfunctie: het brengt zowel effectief beleid als knelpunten in de uitvoering vroegtijdig in beeld, zodat de overheid tijdig en gericht kan worden geïnformeerd en geadviseerd. Het observatorium is sinds 1 januari 2026 van start gegaan.
Bent u bereid een langetermijnstrategie energiearmoede op te stellen met duidelijke doelen, indicatoren en interdepartementale coördinatie?
Zie antwoord vraag 8.
Herkent u de signalen dat de private sector – zoals netbeheerders en energiebedrijven – bereid is een grotere rol te spelen in het opsporen en oplossen van energiearmoede?
Bij de aanpak van energiearmoede hebben publieke en private partijen elk een eigenstandige rol. Veel energiebedrijven helpen met het bestrijden van energiearmoede door informatie te verstrekken over verduurzamen of over energiebesparing. Energiebedrijven hebben vaak een loket opgezet waarbij ze consumenten helpen met verduurzamen via informatieverstrekking of met het aanbieden van woningadvies op maat.
Publieke en private partijen werken samen bij het oplossen van betalingsproblemen. Het doel is om zo vroeg mogelijk te signaleren wanneer huishoudens in de problemen komen en tijdig een passende oplossing te bieden. Deze samenwerking is vastgelegd in de Energieregeling en in de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening en onderliggende afspraken. De bescherming van de consument is specifiek vastgelegd in de Energieregeling en recent uitgebreid en is vanaf 1 januari jl. van kracht. De vernieuwde regels zijn opgesteld in samenwerking met schuldhulpverleners, de VNG, energieleveranciers en Netbeheer Nederland.11 De regeling is erop gericht om de consument te beschermen en gezamenlijk afsluiting van energie te voorkomen. Concreet vereist de regeling leveranciers en netbeheerders om contact op te nemen met de consument om de betalingsachterstand op te lossen, bijvoorbeeld door een redelijke en passende betalingsregeling te treffen. Verder zijn de mogelijkheden tot gegevensuitwisseling tussen leveranciers en gemeente uitgebreid, zodat tijdig hulp geboden kan worden bij schuldhulpverlening. Het kabinet monitort continu hoe deze wijzigingen uitpakken.
Bent u bereid deze rol te verankeren, bijvoorbeeld door afspraken over vroegsignalering, datadeling en lokale samenwerking?
Zie antwoord vraag 10.
Bent u bereid de rol van energiecoöperaties en energiecoaches te versterken in de aanpak van energiearmoede, gelet op hun nabijheid en het grotere vertrouwen dat zij genieten in wijken?
Ja. Gemeenten hebben in drie tranches in 2022 en 2023 in totaal € 550 miljoen ontvangen voor de aanpak van energiearmoede via de SPUK Aanpak Energiearmoede. Veel gemeenten hebben deze middelen ingezet door middel van de inzet van energiehulporganisaties, ook veelal lokaal gewortelde organisaties. De uitvoeringstermijn van deze SPUK is verlengd van 2025 naar 2027 zodat gemeenten meer tijd hebben voor de uitvoering. Op 7 november heeft het Ministerie van SZW nog aanvullend 30 miljoen beschikbaar gesteld voor de lokale energiearmoedeaanpak12.
Daarnaast heeft het kabinet, naar aanleiding van amendementen Postma/Rooderkerk13, een subsidie van 7,5 miljoen euro verstrekt aan het Actienetwerk Energiehulp. Met dit netwerk, opgericht door Fixbrigade Nederland en Energiebank Nederland, wordt gewerkt aan het bestrijden van energiearmoede en een rechtvaardige energietransitie. Dat doet het netwerk door lokale sociaal-maatschappelijke energiehulp-initiatieven op te zetten of te versterken waar dat nodig is, en door te bouwen aan een landelijk netwerk van lokaal gewortelde energiehulp-initiatieven die een bewezen effectieve energiehulp-aanpak toepassen.
De SPUK Aanpak Energiearmoede is ingezet in reactie op de energiecrisis van 2022. De middelen lopen nu af. De inzet voor het Europese Sociaal Klimaat Fonds en eventuele andere besluitvorming over verdere maatregelen die kunnen bijdragen aan de aanpak van energiearmoede nemen de lessen uit de ervaringen hiervan mee. Ook inzichten uit het recent verschenen onderzoek van TNO over energiearmoede ter opvolging van de motie-Postma bieden handvatten daartoe14.
Hoe gaat u gemeenten ondersteunen in het benutten van bestaande buurtpunten en wijkcentra bij het bereiken van moeilijk bereikbare groepen, waaronder bewoners met diverse culturele achtergronden?
Bij het signaleren en aanpakken van geldzorgen is het belangrijk dat er laagdrempelige hulproutes zijn. Er zijn ruim twintigduizend vrijwilligers die mensen met geldzorgen begeleiden aan de keukentafel. SZW stimuleert dit middels een subsidie aan de Alliantie Vrijwillige Schuldhulp. Ook zijn er inmiddels 170 inlooppunten waar vrijwilligers mensen met geldzorgen helpen; ook hiervoor heeft SZW subsidie verstrekt. Deze en andere hulproutes worden beter vindbaar gemaakt door publiekscampagnes samen met Geldfit. Ook lopen er trajecten om huisartsen, geboortezorg, scholen, werkgevers etc. te betrekken bij de aanpak van geldzorgen. Meer hierover staat in het Nationaal Programma Armoede & Schulden, die de Kamer in juni 2025 heeft ontvangen15.
Tevens wordt samengewerkt met sleutelpersonen en ervaringsdeskundigen. Het is vaak lastig voor mensen met geldzorgen om hulp te vragen en in contact te komen met maatschappelijke en gemeentelijke organisaties. Andersom geldt dit ook. Daarvoor heb je mensen nodig die een brug kunnen slaan tussen deze organisaties en inwoners met geldzorgen. In een aantal gemeenten zijn ervaringswerkers en sleutelpersonen aan de slag gegaan om verbinding te leggen met inwoners en hen actief in contact te brengen met organisaties die hulp en ondersteuning bieden. Deze aanpak wordt nu uitgerold in andere gemeenten. Divosa, Pharos, Stichting Expertisecentrum Sterk uit Armoede, Vereniging Humanitas, Nederlands Centrum Jeugdgezondheid, en Sociaal Werk Nederland16 versterken netwerken die het gesprek over geld stimuleren, waarin zorgen erkend worden en hulp snel te vinden is. In dit project wordt daarom onder andere ingezet op het trainen van ervaringswerkers en sleutelpersonen waarbij de geleerde lessen worden meegenomen.
Hoe voorkomt u dat huurders opgescheept blijven met torenhoge energierekeningen als gevolg van slechte woningkwaliteit waar zij zelf niet in kunnen of mogen investeren?
In de Nationale Prestatieafspraken (NPA) is met woningcorporaties afgesproken dat woningcorporaties zich inzetten om uiterlijk in 2028 alle E, F en G-labels uit de sector te laten verdwijnen. Zij zijn hierin al goed op weg. Het aantal sociale huurwoningen met een EFG-label is gedaald van 180.700 in 2023 naar 127.500 in 2025. In de NPA is ook afgesproken meer in te zetten op reductie van de gemiddelde warmtevraag van huurwoningen door isolatie. In 2030 wordt verwacht dat ruim 800.000 huurders bij sterk verbeterde isolatie € 350 tot € 550 euro per jaar kunnen besparen. Het aantal corporatiewoningen met een A-label of hoger is 47%.
Met het opnemen van minimum energieprestatie-eisen in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) voor huurwoningen zorgen we voor toekomstbestendige woningen voor alle huurders. Het uitgangspunt hierbij is dat een juridische regeling moet zorgen dat een goed evenwicht ontstaat tussen de belangen van verhuurders, huurders en het algemeen belang. Alle eigenaren van huurwoningen met een energielabel E, F of G moeten hun pand uiterlijk op 1 januari 2029 verduurzamen naar minimaal energielabel D. Het opnemen van de eis draagt bij aan meer grip op de energierekening en beter wooncomfort van huurders. De verhuurder verbetert de woning, wat zich terugvertaalt in een hogere waarde van de woning en in de huurprijs. Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 9 januari 202617 wordt parallel aan de Bbl-wijziging bekeken hoe de huurregels in het Burgerlijk Wetboek (BW) moeten worden aangepast, zodat investeringen in verduurzaming eenvoudiger in de huurprijs kunnen worden verwerkt. Het voornemen is om voor de wijziging van het BW begin 2026 een internetconsultatie te starten. Het uitgangspunt wat het kabinet wil hanteren is dat een verhuurder hierbij een redelijke huurverhoging kan vragen gezien de nodige investering en verbetering. Het voorstel om de eisen op te nemen in het Besluit bouwwerken leefomgeving is in november in internetconsultatie gegaan.
Bij de invoering van de Wet betaalbare huur per 1 juli 2024 is in het woningwaarderingsstelsel (WWS) een puntenaftrek voor energielabels E, F en G opgenomen. Daarmee worden verhuurders nu ook al financieel geprikkeld de woningen met de laagste energielabels uit te faseren. Met onder andere een uitbreiding en verbetering van de Subsidieregeling Verduurzaming en Onderhoud Huurwoningen (SVOH) worden private verhuurders ondersteund in het realiseren van de verduurzaming.
Huurders kunnen daarnaast gebruik maken van het wettelijk initiatiefrecht. Dit houdt in dat huurders verduurzaming bij de rechter af kunnen dwingen, als zij hiertoe een redelijk voorstel doen. Een ontwerpwetsvoorstel om het initiatiefrecht uit te breiden, zodat huurders ook initiatief kunnen nemen voor een maatregel als een (hybride) warmtepomp, is in internetconsultatie gebracht.
Wilt u de Kamer uiterlijk eind december dit jaar informeren over wat u gaat doen met de aanbevelingen uit het rapport van TNO?
Energiearmoede onder kinderen is onverminderd een belangrijk onderwerp. Jaarlijks brengt de Monitor Energiearmoede de ontwikkelingen van energiearmoede in kaart. De Kamer heeft daarnaast enkele weken geleden het TNO onderzoek ontvangen waarbij is onderzocht hoe energiearmoede zich zal ontwikkelen gedurende de energietransitie op basis van een factoranalyse18. Om energiearmoede te verlagen, heeft TNO acht beleidsmaatregelen onderzocht; vier hiervan hebben een significant positief effect op het verlagen van energiearmoede. Besluitvorming over eventuele generieke of gerichte maatregelen zoals genoemd in het rapport, is aan een volgend kabinet omdat dergelijke maatregelen een meerjarige beleidsaanpak vergen en ook forse budgettaire consequenties kunnen hebben. Zowel het rapport van TNO naar energiearmoede onder kinderen als het eerder genoemde onderzoek naar de effecten van beleidsopties op energiearmoeden bieden hier relevante overwegingen voor.
Het uitstelbericht onderzoek naar aangetroffen documenten bij de Belastingdienst op nationaliteit en postcode |
|
Doğukan Ergin (DENK) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Kunt u toelichten waarom het onderzoek naar de aangetroffen documenten op nationaliteit en postcode, dat volgens uw eerdere antwoorden uiterlijk 16 juni 2025 aan de Auditdienst Rijk (ADR) zou worden opgeleverd, nu is uitgesteld tot medio december 2025?
In de antwoorden van mijn ambtsvoorganger waar u aan refereert is opgenomen dat het onderzoek van de Belastingdienst naar RAM-spreadsheets met een selectie op nationaliteit en postcode niet in juni 2025 beschikbaar is, maar na de zomer van 2025. Mijn ambtsvoorganger meldde daarbij als oorzaak dat het onafhankelijk laten bekijken van dit onderzoek door de Auditdienst Rijk daarmee een langere doorlooptijd kent.
Kunt u aangeven welke specifieke belemmeringen zijn opgetreden die het onmogelijk maakten om de oorspronkelijke planning (oplevering juni 2025, beoordeling ADR zomer 2025) na te komen?
Zoals onder antwoord 1 genoemd, is reeds bij de beantwoording van uw vragen van 7 april 2025 aangegeven dat juni 2025 niet haalbaar is. Eerder was juni 2025 toegezegd, omdat op dit moment nog geen sprake was van externe partij die het onderzoek zou bekijken. Met motie Ergin werd verzocht een onafhankelijke partij te betrekken, hetgeen tot een extra stap in dit onderzoek leidde.
Kunt u tevens per processtap, die u eerder beschreef (totstandkoming onderzoekspopulatie, steekproef, geautomatiseerde analyse, handmatige analyse en rapportage) inzichtelijk maken welke stappen inmiddels zijn afgerond, welke nog lopen en welke nog moeten worden gestart?
Alle door u genoemde stappen zijn afgerond. Op dit moment bekijkt de ADR het door de Belastingdienst uitgevoerde onderzoek. De Belastingdienst levert daarvoor extra informatie om daarmee de doorlopen stappen te onderbouwen. Op het moment dat de ADR deze extra informatie heeft beoordeeld, hoor- en wederhoor heeft toegepast en haar rapportage heeft uitgebracht, kan het onderzoek van de Belastingdienst worden afgerond en zal ik dit aan de Kamer aanbieden.
Wanneer zijn deze belemmeringen voor het eerst bekend geworden binnen de Belastingdienst en wanneer is de Kamer daarover geïnformeerd?
Zoals onder antwoord 1 en 2 genoemd, bent u reeds geïnformeerd bij beantwoording van uw Kamervragen op 7 april 2025 dat het onderzoek niet in juni 2025 beschikbaar is, maar na de zomer 2025. Nadien is de Kamer met de brief van 10 juli 20251 geïnformeerd dat mijn ambtsvoorganger verwachtte dat het onderzoek naar RAM-spreadsheets in oktober aan de Kamer wordt aangeboden. Met de Stand van zakenbrief Belastingdienst van 13 november 20252 meldde ik dat ik de Kamer over moties en toezeggingen aangaande RAM voor het einde van het jaar informeer. In de bijlage bij die brief nam ik op dat de Belastingdienst in samenspraak met de ADR heeft vastgesteld dat er meer tijd nodig is en dat ik verwacht de Kamer uiterlijk na het kerstreces van 2025 te kunnen informeren over het onderzoek naar de RAM-spreadsheets.
Kunt u aangeven of de ADR zelf heeft verzocht om uitstel, dan wel dat de ADR heeft meegedeeld dat de ADR het onderzoek nog niet kan beoordelen door vertraging bij de Belastingdienst? Zo ja, kunt u deze correspondentie delen?
Naar aanleiding van motie Ergin is contact opgenomen met de ADR of zij bereid zijn het onderzoek naar RAM-spreadsheets te bekijken. Vanzelfsprekend heeft de ADR daar een tijdsinschatting bij gegeven, wat leidde tot het uitstel tot na de zomer van 2025. De huidige vertraging is gelegen in de onderbouwing van de gezette stappen door de Belastingdienst. Pas als die documentatie volledig is opgeleverd, kan de ADR haar onderzoek afronden.
Ik beschouw uw verzoek om correspondentie te delen over dit uitstel en het contact tussen de Belastingdienst en de ADR hierover, als een vraag om inlichtingen overeenkomstig artikel 68 uit de Grondwet. Hieraan zal ik voldoen en de betreffende correspondentie verzamelen. Ik verwacht die met de brief die ik na het kerstreces 2025 verstuur, met u te kunnen delen.
Hoe wordt in het onderzoek vastgesteld of sprake is geweest van schendingen van grondrechten en kunt u de volledige onderzoeksopzet (toetsingskaders, methodiek en onderliggende beoordelingscriteria) met de Kamer delen?
Deze informatie is onderdeel van de rapportage die de Belastingdienst oplevert. Zoals in mijn onderhavige Kamerbrief is opgenomen, verwacht ik die rapportage na het kerstreces 2025 met de Kamer te kunnen delen.
Kunt u bevestigen dat het onderzoek naar de 14 spreadsheets met selectie op nationaliteit volgens uw eerdere antwoorden zou worden uitgevoerd conform de methodiek van Selectie aan de Poort? Welke onderdelen van deze methodiek kunnen nu – door het uitstel – niet tijdig of niet volledig worden uitgevoerd?
Het onderzoek vindt inderdaad plaats op basis van de methodiek die werd gebruikt om de Wet compensatie wegens selectie aan de poort uit te voeren. Het uitstel van het onderzoek heeft niet geleid tot een andere werkwijze en worden dus volledig uitgevoerd.
Kunt u bevestigen dat de 35 spreadsheets met selectie op postcode inmiddels eveneens onderdeel uitmaken van de juridische toetsing? Wat is de stand van deze juridische analyse en hoe verhoudt die zich tot het aangekondigde uitstel?
Er vindt onderzoek plaats naar de spreadsheets op basis van postcode en nationaliteit. Het aantal RAM-spreadsheets dat is onderzocht is inmiddels naar boven bijgesteld. Die aanpassing licht ik toe bij aanbieding van het onderzoek aan de Kamer. De juridische toetsing is afgerond en heeft geen invloed op het uitstel gehad.
In uw recente brief schrijft u dat er 49 spreadsheets zijn aangetroffen met selecties op nationaliteit en postcode. Kunt u toelichten op welke wijze deze 49 spreadsheets zijn betrokken bij het lopende onderzoek en of de bestaande onderzoeksopzet is aangepast aan deze grotere omvang?
Alle RAM-spreadsheets waarvan is toegezegd dat die onderzocht worden en die in motie Ergin zijn opgenomen, zijn in het onderzoek betrokken. Daarnaast zijn extra RAM-spreadsheets in het onderzoek betrokken. Ik zal dat toelichten op het moment dat ik het onderzoek aanbied aan de Kamer.
Bent u bereid de volledige onderzoeksopzet, inclusief de beoordelingskaders, steekproefmethode en geautomatiseerde analysecodes, integraal met de Kamer te delen, conform mijn eerdere verzoek?
In de rapportage die de Belastingdienst heeft opgesteld wordt de onderzoeksmethodiek en steekproefmethode uitvoerig toegelicht. Daarnaast bekijkt de ADR deze punten in haar onderzoek. U ontvangt deze rapportages na het kerstreces. Indien u na het lezen van deze rapportages vragen houdt over deze punten, ben ik uiteraard bereid tot een nadere toelichting. Als integrale openbaarmaking van documenten daarvoor nodig is, ben ik daartoe bereid.
Kunt u deze vragen separaat van elkaar en voor de procedurevergadering van de vaste commissie voor Financiën op 4 december 2025 beantwoorden?
Aan dit verzoek heb ik voldaan.
De uitvoering van het aangenomen amendement over het afbouwen van belastinggeld voor apenproeven |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Moes |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat op 28 oktober 2025 de begroting van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap door de Eerste Kamer is aangenomen, waarmee het amendement van de Partij voor de Dieren, PVV, JA21, GL-PvdA, SP, Volt en DENK over het afbouwen van subsidies voor apenproeven definitief van kracht is geworden?1
Ja.
Herinnert u zich dat u bij het commissiedebat Dieren buiten de veehouderij en dierproeven van 2 oktober 2025 heeft toegezegd dat u het amendement «onverkort» zult uitvoeren, wat betekent dat de subsidie van € 12,5 miljoen per jaar stapsgewijs wordt geoormerkt zodat deze niet langer kan worden ingezet voor (het in stand houden van) apenproeven en in plaats daarvan zal worden gebruikt voor de financiering van proefdiervrije methoden, waarmee vorm wordt gegeven aan een snelle afbouw van het aantal apenproeven conform de wens van de Kamer?
Ik heb toegezegd dat ik het amendement onverkort zal uitvoeren.
Herinnert u zich dat u in hetzelfde debat aangaf nog geen brief naar het Biomedical Primate Research Centre (BPRC) te kunnen sturen over het stapsgewijs beëindigen van de subsidie voor apenproeven, omdat de Eerste Kamer eerst nog met het voorstel moest instemmen – hetgeen nu gebeurd is?
Ja.
Heeft u het BPRC inmiddels geïnformeerd dat de subsidie voor (het in stand houden van) apenproeven in vijf jaar tijd wordt afgebouwd naar nul, en dat deze middelen voortaan moeten worden besteed aan proefdiervrije onderzoeks- en testmethoden en de ontwikkeling van alternatieven voor dierproeven? Zo ja, kunt u de betreffende brief of brieven naar de Tweede Kamer sturen? Zo nee, wanneer gaat u dit wél doen conform de wens van de Kamer (en waar de commissie in het genoemde debat ook op aandrong)?
Ja, zie bijgaand de brief die hierover aan BPRC is verzonden.
Heeft sinds het aannemen van het amendement door de Tweede Kamer andere communicatie plaatsgevonden tussen het Ministerie van OCW en/of VWS en het BPRC over het amendement en de toekomst van het centrum? Zo ja, kunt u deze communicatie naar de Tweede Kamer sturen, uiteraard met bescherming van persoonsgegevens? Zo nee, waarom niet?
Tussen 3 juli 2025, het moment dat het amendement door de Tweede Kamer is aangenomen, en 20 november, het moment dat deze schriftelijke vragen zijn ingediend, heeft er vanzelfsprekend communicatie plaatsgevonden tussen het Ministerie van OCW en/of VWS en het BPRC over het amendement en de toekomst van het BPRC. De uitvoering van de toelichting van het amendement heeft verstrekkende gevolgen voor het BPRC, zoals ik ook in verschillende brieven richting de beide Kamers heb aangegeven.2 Ook de Minister van VWS heeft uw Kamer een brief gestuurd over de gevolgen van amendement.3 Het behoort wat mij betreft bij mijn taak en verantwoordelijkheid als subsidieverstrekker om goed contact te hebben met het BPRC over deze gevolgen. Zie verder mijn antwoord op vraag 7.
Kunt u bevestigen dat het BPRC, conform het aangenomen amendement, dit jaar minimaal € 2,5 miljoen van de subsidie moet besteden aan proefdiervrije onderzoeks- en testmethoden en de ontwikkeling van alternatieven voor dierproeven, en volgend jaar minimaal € 4,5 miljoen? Hoe wordt hier uitvoering aan gegeven en hoe wordt er toezicht gehouden dat dit ook daadwerkelijk gebeurt?
De toelichting van het amendement vraagt om in 2025 € 2,5 miljoen te oormerken voor alternatieven voor proefdieronderzoek, in 2026 € 4,5 miljoen, in 2027 € 6,5 miljoen, in 2028 € 8,6 miljoen, in 2029 € 10,5 miljoen en in 2030 € 12,5 miljoen.
De verplichting om een oplopend deel van de subsidie te besteden aan proefdiervrije onderzoeks- en testmethoden en de ontwikkeling van alternatieven voor dierproeven is een nieuw oormerk in de subsidie aan het BPRC. Het oormerk uit het amendement leidt er immers toe dat BRPC een deel van de subsidie niet meer mag besteden aan de activiteiten die al voor een lange periode de kern zijn van de activiteiten van het BPRC, namelijk onderzoek met dierproeven. Dit betekent dat voor de invoering van deze oormerking (conform artikel 4:51 van de Algemene wet bestuursrecht) een redelijke termijn in acht moet worden genomen. Met inachtneming van die redelijke termijn is 2027 het vroegst mogelijke moment waarop de oormerking kan ingaan. In de brief die ik heb gestuurd aan het BPRC, informeer ik hen over het besluit om de subsidie te oormerken vanaf het jaar 2027. Deze brief is het startpunt voor de wettelijk verplichte aankondigingstermijn. Als gevolg van deze brief kan het BPRC zich voorbereiden op het oormerk, en daarnaast is de brief het moment waarop het BPRC in bezwaar zou kunnen gaan tegen dit besluit. Na afloop van de wettelijk verplichte aankondigingstermijn kan het oormerk vervolgens vorm krijgen in de beschikking voor het jaar 2027, die eind 2026 wordt verzonden.
Het Ministerie van OCW heeft een lopende afspraak met het BPRC om, in reactie op de motie Teunissen c.s.,4 in 2025 minimaal 17% van de subsidie te besteden aan proefdiervrije onderzoeks- en testmethoden.5 Dit betekent dat het BPRC in 2025 minimaal € 2,2 miljoen aan proefdiervrije onderzoeks- en testmethoden zal uitgeven. Ik zal in overleg treden met het BPRC over welk percentage van de exploitatiesubsidie zij in 2026 kunnen besteden aan proefdiervrije onderzoeks- en testmethoden en of zij hierin ambitieus kunnen zijn. Zij dienen hierbij uiteraard wel rekening te houden met reeds gemaakte langlopende afspraken over het onderzoek met niet-humane primaten.
Zoals ik heb toegezegd zal ik in 2026 een brief aan uw Kamer sturen over hoe ik uitvoering zal geven aan het amendement. Hierin zal ik ook ingaan op hoe er toezicht zal worden gehouden op de besteding van het geoormerkte geld binnen de exploitatiesubsidie.
Kunt u de communicatie tussen het Ministerie van OCW en het Ministerie van VWS over het apenproefdiercentrum, vanaf de indiening van het amendement in de Tweede Kamer (18 juni 2025) tot heden, aan de Tweede Kamer toezenden, zodat de Kamer hiervan kennis kan nemen? Zo nee, waarom niet?
Ik zal uw Kamer schriftelijk informeren over de inhoud van alle communicatie tussen het Ministerie van OCW en VWS. Dat zal dan een samenvatting en tijdlijn betreffen van alles wat er is gecommuniceerd tussen bovengenoemde ministeries.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Het is helaas niet gelukt de vragen binnen de daarvoor gestelde termijn te beantwoorden. Op 15 december 2025 heb ik uw Kamer een uitstelbrief gestuurd.
Het FD-bericht 'Klimaateconoom: opwarming kan leiden tot een nieuwe kredietcrisis' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Vincent Karremans (VVD), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het FD-artikel «Klimaateconoom: opwarming kan leiden tot een nieuwe kredietcrisis»1
Wat is volgens u het verband tussen onvoorziene klimaatschade en de stabiliteit van de financiële sector in Europa, zowel nu als in de toekomst?
Deelt u de conclusie uit het FD-artikel dat klimaatverandering op de lange termijn een groot risico vormt voor de stabiliteit van de financiële sector? Zo ja, welke mogelijke risico’s voorziet u? Kunt u hierop een toelichting geven?
Bent u van mening dat deze risico’s extra klimaatactie vereisen vanuit Nederland? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke acties onderneemt u momenteel en welke acties bent u bereid te nemen in de toekomst?
Op welke manier beïnvloedt de invloed van klimaatschade op de stabiliteit van de financiële sector uw inzet tijdens de Klimaatconferentie van Belém 2025 (COP30)?
Op welke manier wordt momenteel het risico voor de Nederlandse economie van toekomstige klimaatschade accuraat meegewogen in kabinetsbesluiten? Bent u bereid aanvullende acties te ondernemen om deze factor beter mee te wegen? Waarom wel of niet?
Worden de premies van verzekeringsmaatschappijen ook in Nederland al verhoogd als gevolg van klimaatgebeurtenissen zoals beschreven in het artikel? Zo ja, kunt u hiervan data verschaffen?
In hoeverre zijn Europese verzekeraars, net zoals Amerikaanse verzekeraars, blootgesteld aan het risico van hogere verzekeringspremies enerzijds en dalende vastgoedwaarde anderzijds?
Is Nederland bereid bij te dragen aan de vergroening van de elektriciteitsproductie van opkomende economieën? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
De afhankelijkheid van de financiële sector van Amerikaanse techgiganten |
|
Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD), Vincent Karremans (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport van DNB en de AFM waarin wordt gewaarschuwd voor de afhankelijkheid van Amerikaanse techbedrijven in de financiële sector?1
Wat is uw reactie op dit rapport?
Bent u het met de indiener eens dat de onafhankelijkheid en weerbaarheid van de financiële sector van algemeen belang is, en dus ook voorwerp van zorg moet zijn voor de regering? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om DNB en AFM te steunen door in een publiek-private samenwerking bij te dragen aan een financiële sector die minder afhankelijk is van Amerikaanse techgiganten? Zo ja, welke maatregelen kunt u hiertoe nemen?
Heeft de Rijksoverheid wat u betreft een voorbeeldfunctie in het verminderen van de afhankelijkheid van Amerikaanse techgiganten? Zo ja, kunt u onderbouwen dat zij deze waarmaakt en er feitelijk afhankelijkheden teruggedrongen zijn?
Onderschrijft u de oproep van DNB en de AFM dat er scenario’s moeten worden uitgewerkt voor het geval onze afhankelijkheid van Amerikaanse techbedrijven wordt misbruikt, bijvoorbeeld als de VS sancties oplegt of er een cyberaanval plaatsvindt?
Bent u bereid om, in samenwerking met DNB en de AFM, deze ontwrichtende scenario’s te onderzoeken om te weten welke structurele risico’s er aan de huidige afhankelijkheden kleven?
Bent u voorstander van een Europese gecoördineerde aanpak en inkoopstrategieën om digitale afhankelijkheden te verkleinen? Welke rol ziet u hierin voor Nederland?
Welke obstakels zitten verdere Europese samenwerking voor meer digitale autonomie nu in de weg? Hoe draagt Nederland bij aan het wegnemen daarvan?
Welke mogelijkheden heeft u om bij inkoop- en aanbestedingsprocedures grote niet-Europese techbedrijven, die ook onderhevig zijn aan surveillancewetgeving van niet-Europese landen, uit te sluiten? Hoe geeft u hierbij uitvoering aan de motie-Six Dijkstra c.s.2, de motie-Bruyning/Thijssen3 en de motie-Van der Werf c.s.4?
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Het bericht ‘Terugbetaling toeslagen leidt steeds vaker tot problemen bij burgers’ |
|
Bram Kouwenhoven (NSC), Ilse Saris (CDA) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD), Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Terugbetaling toeslagen leidt steeds vaker tot problemen bij burgers»?1
Ja dit bericht is mij bekend.
Deelt u de mening dat het huidige toeslagenstelsel failliet is als de Dienst Toeslagen in slechts één jaar tijd 658.000 keer een bedrag moet terugvragen, omdat achteraf bleek dat mensen teveel geld hadden gekregen?
De afgelopen jaren is gewerkt aan de vermindering van de complexiteit van het huidige stelsel en dit wordt doorgezet zolang het huidige toeslagenstelsel bestaat. Zolang het huidige stelsel bestaat, kunnen we door de vormgeving hiervan, echter niet altijd voorkomen dat er geld moet worden teruggevorderd als er een te hoog voorschot is verstrekt. In situaties waarin burgers een terugvordering niet hadden voorzien, kan dat vervelend uitpakken. Om dat te voorkomen is het nodig om het stelsel van toeslagen fundamenteel te herzien. De mening dat het huidige toeslagenstelsel failliet is deel ik niet. Miljoenen mensen ontvangen elke maand toeslagen om de gezondheidszorg, huisvesting en de zorg voor kinderen te betalen. Voor veel van hen werkt het stelsel goed. Helaas is er ook een deel voor wie het stelsel niet werkt.
Het op 1 juli 2025 ingediende wetsvoorstel verbetermaatregelen toeslagen en aanpassing termijnen hersteloperatie toeslagen bevat meerdere verbetermaatregelen om op korte termijn knelpunten en schrijnende situaties op te lossen.2 Deze verbeteringen dragen bij aan een betere begrijpelijkheid van de toeslagen, zorgen ervoor dat de toeslagen beter aansluiten bij de feitelijke situatie waarin burgers verkeren en dringen het aantal terugvorderingen terug, waardoor de zekerheid voor burgers toeneemt. Het verheugt mij dat dit wetsvoorstel inmiddels door de Tweede- en Eerste Kamer is goedgekeurd waarmee het kan worden ingevoerd per 1 januari 2026. Tevens wil ik wijzen op de eind september jl. aan uw Kamer gestuurde Stand van de Uitvoering 2025 en de bijbehorende beleidsreactie.3 Hierin is onder meer aangegeven dat gewerkt wordt aan diverse wetsvoorstellen die aan uw Kamer zullen worden voorgelegd voor de vereenvoudiging van de uitvoering van het huidige stelsel van toeslagen. Het gaat dan onder andere om een wetsvoorstel om het toeslagpartnerschap te vereenvoudigen door het afschaffen van het criterium samengestelde gezinnen per 2027 en een wetsvoorstel gericht op het meer mogelijk maken van proactieve dienstverlening waardoor bijvoorbeeld eerder gegevens kunnen worden gebruikt en gedeeld om mensen te kunnen benaderen om hen te wijzen op hun rechten op toeslagen.
Wat zegt het volgens u over de mate waarin het huidige toeslagenstelsel nog functioneert als het aantal huishoudens met langdurige toeslagenschulden sinds corona bijna is verdrievoudigd?
De berichtgeving van de NOS dat dit aantal bijna is verdrievoudigd, is onder meer gebaseerd op informatie van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Het CBS spreekt van een toename van het aantal en aandeel huishoudens met geregistreerde problematische schulden. Het CBS ziet twee mogelijke oorzaken, die beiden hun oorsprong hebben in de coronaperiode: het uitstel van betaling voor ondernemers en het tijdelijk stopzetten van invorderingsmaatregelen voor toeslagen. Het CBS merkt daarbij nog op dat: «... Een nadere analyse laat zien dat zonder deze ondernemers- en pauzeringsmaatregelen het aantal en aandeel schuldenaren waarschijnlijk lager en daarnaast stabieler was geweest tussen 1 januari 2021 en 1 januari 2024.»
Ondanks dat de cijfers mogelijk stabieler zijn dan uit de NOS berichtgeving blijkt, zijn er helaas nog altijd veel huishoudens met problematische toeslagschulden. De complexiteit van het toeslagenstelsel brengt nog altijd mensen in de problemen. Het is duidelijk dat er voldoende reden is om kritisch te kijken naar het toeslagenstelsel. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 2.
Hoe verklaart u dat het totale bedrag aan uitgekeerde toeslagen de afgelopen tien jaar bijna is verdubbeld tot 21 miljard euro?
Van 2014 op 2024 is het totale bedrag aan toeslagen inderdaad bijna verdubbeld van € 11,6 mld. naar € 20,7 mld. Een deel van deze groei komt door de reguliere stijging van de huren, de zorgverzekering en de kosten van kinderopvang, waardoor de toeslagen voor deze uitgaven meegroeien. Het kindgebonden budget stijgt uiteraard ook mee met de inflatie. Die bedroeg volgens het CBS circa 32% van 2014 tot en met 2024. Daarnaast is de bevolking met circa 7% gegroeid, hebben in sommige gevallen meer mensen recht gekregen op een toeslag en zijn toeslagen de afgelopen jaren veelvuldig ingezet als koopkracht instrument. Ook dit heeft bijgedragen aan de toegenomen omvang.
Waar doelt de Dienst Toeslagen op wanneer zij spreekt over het steeds vaker moeten terugvragen van «grote bedragen»? Om wat voor financiële bedragen gaat dat volgens u in een «worst case» scenario?
Dienst Toeslagen definieert grote terugvorderingen als terugvorderingen van meer dan 500 euro bij de huurtoeslag, het kindgebonden budget en de zorgtoeslag en om terugvorderingen van meer dan 1.000 euro bij de kinderopvangtoeslag. Het is niet mogelijk om een realistisch bedrag te noemen voor een worst case scenario, omdat dit afhankelijk is van in welke mate de door burgers aangeleverde gegevens afwijken van de correcte gegevens, waarbij er vele variabelen zijn zoals draagkracht, aantal kinderen, partnerschap en woonsituatie. In alle gevallen is het vervelend om te maken te krijgen met een terugvordering. Individuele omstandigheden kunnen overigens ook leiden tot een matiging van de terugvordering, waardoor een hoge terugvordering niet altijd leidt tot een volledige invordering van het bedrag.
In hoeverre is de samenloop onderzocht van terugvordering van toeslagen en problematische toeslagenschulden met het ontvangen van een uitkering vanuit bijvoorbeeld de WIA, WW, AOW of Participatiewet?
De samenloop van terugvordering van toeslagen en problematische toeslagschulden met het ontvangen van een socialezekerheidsuitkering is niet specifiek onderzocht. Wel beschikt het CBS over (de samenloop van) betalingsachterstanden bij zeven overheidsorganisaties (Belastingdienst, Dienst Toeslagen, UWV, CAK, CJIB, DUO en SVB). Op verzoek van het CJIB heeft het CBS onderzocht hoe vaak en in welke combinaties er sprake is van samenloop van betalingsachterstanden.4 Het hoeft daarbij niet te gaan om problematische schulden. Uit dit onderzoek blijkt o.a. dat in 2024 64% van de totale groep mensen met een betalingsachterstand bij Dienst Toeslagen, alleen een betalingsachterstand bij Dienst Toeslagen had. In 26,8% is er sprake van samenloop met een betalingsachterstand bij de Belastingdienst en in 3,4% met een betalingsachterstand bij het UWV.
Daarnaast brengt CBS in opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) periodiek kwantitatieve informatie over schuldenproblematiek in Nederland in beeld.5 Daaruit blijkt dat in 2024 bijna 200.000 huishoudens problematische schulden hadden bij Dienst Toeslagen. Voor de individuele burger wordt bij samenloop van een persoonlijke betalingsregeling en een uitkering het bedrag dat de belanghebbende maandelijks betaalt afgestemd op wat de belanghebbende daadwerkelijk kan betalen. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 7.
Deelt u dat de menselijke maat totaal ontbreekt in het huidige toeslagenstelsel als het mogelijk is dat iemand in een kwetsbare positie over twee jaren in totaal ruim 7.000 euro aan huurtoeslag moet terugbetalen?
Voor mensen in een financieel kwetsbare positie kan het terugbetalen van te veel ontvangen toeslagen moeilijk of zelfs onmogelijk zijn. Juist voor hen zijn er mogelijkheden om rekening te houden met individuele omstandigheden én is er is oog voor (een gebrek aan) financiële ruimte. Daarmee kan invulling gegeven worden aan de menselijke maat. Mensen die de toeslagschuld niet in één keer en ook niet in een standaardbetalingsregeling van 24 maanden kunnen voldoen, kunnen een maatwerkregeling krijgen die is afgestemd op hun persoonlijke situatie.
Op welke wijze werkt u samen met organisaties als de Landelijke Cliëntenraad om mensen die zich melden met verwoestende gevolgen van één klein foutje zo goed mogelijk te helpen?
Dienst Toeslagen pakt de meldingen van organisaties als deze doorgaans op voor individuele behandeling en blijft in contact met de organisatie die het probleem van de burger onder de aandacht brengt. Ongeveer 800 maatschappelijke organisaties (landelijke, regionale en lokale organisaties) maken deel uit van het netwerk van Dienst Toeslagen. De Dienst Toeslagen hecht zeer veel waarde aan de samenwerking met deze organisaties zoals gemeentes, bibliotheken, UWV, SVB, de Nationale ombudsman en de Belangenbehartiger voor belastingplichtigen en toeslaggerechtigden. Uit deze samenwerking komen namelijk nuttige signalen van mensen naar boven die ergens op vastlopen. Ook worden dergelijke signalen verzameld en gebundeld, om vervolgens gebruikt te worden als voorstellen voor verbetermaatregelen of zijn vertrekpunt voor beleidswijzigingen. De door de Inspectie BTD en de Belangenbehartiger gedeelde signalen worden hierin ook meegenomen. De recent gepubliceerde Stand van de Uitvoering 2025 is mede gebaseerd op de signalen uit het netwerk. Dit sluit aan bij het antwoord op vraag 2 waarin beschreven wordt dat terugvorderingen (of nabetalingen) niet altijd te voorkomen zijn, zonder het stelsel fundamenteel te herzien. Recentelijk heb ik hierover ook gesproken met een afvaardiging van de Landelijke Cliëntenraad, om ook hun visie op een fundamentele stelselherziening op te halen zodat deze meegenomen kan worden in het vervolg.
Zijn campagnes om toeslagenschulden terug te dringen en experimenten waarbij de Belastingdienst de kinderopvangtoeslag automatisch verlaagt volgens u ook maar symbolische maatregelen in het licht van hoe groot de problematiek met toeslagen is?
Zoals ik in mijn beleidsprioriteitenbrief van 31 maart 2025 heb geschreven zijn het terugdringen van terugvorderingen en het tegengaan van niet-gebruik twee van mijn belangrijkste prioriteiten binnen het huidige toeslagenstelsel.6 Er zijn de afgelopen jaren verschillende maatregelen uitgevoerd om aan deze doelen bij te dragen, waaronder het wijzigen van aanvragen op basis van afwijkingen in kinderopvang- en inkomensgegevens, het attenderen van mensen met een mogelijk recht op zorgtoeslag of bijvoorbeeld een voorzichtigere inkomensindexatie en een verkenning van een voorzichtig voorschot. Deze maatregelen, in combinatie met publiekscampagnes als «check, pas aan en door» dragen bij aan het terugdringen van terugvorderingen en het tegengaan van niet-gebruik.
Uiteraard spelen er in de uitvoering uitdagingen die de effectiviteit van de maatregelen beperken. Dienst Toeslagen heeft bijvoorbeeld niet van iedereen voldoende betrouwbare gegevens om de toeslaggegevens op aan te kunnen passen. Zo beschikt Dienst Toeslagen niet over actuele inkomensgegevens van mensen die een beloning ontvangen uit het economische verkeer anders dan loon, zoals winst en resultaat uit overige werkzaamheden. Op dit moment wordt ambtelijk verkend of een dergelijke registratie kan worden gerealiseerd. Ook zijn niet alle (technische) wijzigingen binnen de uitvoering op korte termijn door te voeren, mede door de verouderde staat van de systemen. Daarom wordt gewerkt aan verbeteringen op deze vlakken, door de systemen te vernieuwen en de gegevenspositie te verbeteren. Tegelijkertijd is het ook de realiteit dat binnen het huidige systeem de terugvorderingen en het niet-gebruik van toeslagen niet volledig kunnen worden voorkomen. Daarom blijft een hervorming van het belasting- en toeslagenstelsel noodzakelijk om deze problematiek op te lossen.
Ziet u ook dat een fundamentele herziening nodig is van zowel het stelsel van sociale zekerheid als het stelsel van belastingen- en toeslagen? Zo ja, op welke wijze gaat u prioriteit geven aan het uitvoeren van de Hervormingsagenda Inkomensondersteuning?
Een fundamentele hervorming van het belasting- en toeslagenstelsel is nodig om de problemen met het stelsel, waaronder terugvorderingen te verhelpen. Een hervorming vergt een integrale weging, met een tijdshorizon van bij voorkeur meerdere kabinetsperiodes. Het kabinet had zich, naar aanleiding van het Hoofdlijnenakkoord, in het Regeerprogramma als doel gesteld om wetgeving voor te bereiden voor het hervormen van het belasting- en toeslagenstelsel.7 Met de nieuwe financiering kinderopvang (en daarmee de herziening van het stelsel van de kinderopvangtoeslag) heeft het kabinet daar een stevige start mee gemaakt. De Internetconsultatie van het betreffende wetsvoorstel is inmiddels afgerond.8 Uw Kamer is eerder geïnformeerd dat het kabinet het passend vindt om zich op dit onderwerp bescheiden op te stellen en hier geen richting meer aan te geven, voor zover het gaat over andere toeslagen en het stelsel als geheel.9 De opdrachtgevende beleidsdepartementen en Dienst Toeslagen gaan onverminderd door met het zoeken naar verbeteringen in het huidige stelsel om problemen met terugvorderingen voor burgers zoveel mogelijk te beperken.
Bent u het eens met de lezing van de Dienst Toeslagen dat de groeiende problemen rondom toeslagenschulden deels komen doordat steeds meer geld wordt rondgepompt?
Afgelopen jaren zijn de bedragen waarvoor mensen in aanmerking komen gegroeid. Met een hoger recht op toeslagen worden mensen ook kwetsbaarder voor hogere terugvorderingen. Ook geldt dat er op dit moment meer mensen in aanmerking komen voor toeslagen dan een aantal jaren geleden. Dit betekent dat meer mensen te maken kunnen krijgen met terugvorderingen. Zoals ook al genoemd bij de antwoorden op voorgaande vragen zijn tegelijkertijd afgelopen jaren ook verschillende maatregelen genomen om de problematiek van terugvorderingen en financiële stress als gevolg daarvan te verminderen. Dit neemt niet weg dat we moeten blijven werken aan verbetering, ook binnen het huidige toeslagenstelsel.
Onderschrijft u de constatering dat een verhoging van het minimumloon zoals voorgesteld door de Commissie Sociaal Minimum ertoe leidt dat het loon meer de basis van het inkomen wordt? Zo ja, waarom kiest u er dan niet voor om een verhoging naar 18 euro per uur door te voeren om mensen minder afhankelijk te laten zijn van onzekere toeslagen?
Een verhoging van het minimumloon zou er in theorie toe kunnen leiden dat inkomens voor een groter deel zouden bestaan uit loon en voor een kleiner deel uit aanvullingen zoals toeslagen. Een verhoging van het wettelijk minimumloon vermindert de afhankelijkheid van toeslagen, doordat het loon stijgt en bijvoorbeeld de zorgtoeslag daalt. Daarentegen zal een hoger minimumloon wel kunnen leiden tot onwenselijke neveneffecten zoals hogere kosten voor lonen en hogere kosten voor de aan het minimumloon gekoppelde uitkeringen. Dit vergt een zorgvuldige afweging en politieke besluitvorming. Het kabinet heeft gekozen voor een stabiele ontwikkeling van het minimumloon, nadat het minimumloon in eerdere jaren aanzienlijk is verhoogd.
Hoe neemt u de economische schade voor de maatschappij door psychische gevolgen zoals depressies vanwege financiële stress mee in uw beleid? Maakt dit deel uit van ramingen van de kosten en opbrengsten van mogelijke maatregelen om het stelsel te hervormen?
In de uitvoering van Dienst Toeslagen en in de beleidsvorming door het kabinet is de afgelopen jaren veel prioriteit gegeven aan het terugdringen van (hoge) terugvorderingen. Onderzoek laat zien dat terugvorderingen niet alleen een financiële impact hebben maar ook voor stress zorgt die invloed kan zijn op de mentale gezondheid van mensen.10 Omdat financiële stress onderdeel is van de probleemanalyses over het toeslagenstelsel komt dit op verschillende manieren terug in de beleidsvorming van toeslagen. Ook is bekend dat terugvorderingen het doenvermogen van mensen kan beïnvloeden. In de beleidsvormende fase wordt standaard ook het effect op het doenvermogen van mensen bezien. Op deze wijze komen financiële stress en mentale gevolgen daarvan ook terug in de beleidsvorming. In kwantitatieve zin, bijvoorbeeld via ramingen, wordt financiële stress niet betrokken in de beleidsvorming van toeslagen.
Kunt u deze vragen één voor één binnen drie weken beantwoorden?
Nee dit is niet gelukt. Om zorgvuldige beantwoording en afstemming mogelijk te maken is op 18 november 2025 een uitstelbrief verzonden.
Illegale gokaanbieders die zich richten op jongeren |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het artikel «Illegale gokaanbieders paaien Nederlandse jongeren»? Hoe luidt uw reactie op de bevinding dat minderjarigen zich moeiteloos kunnen registreren bij verschillende illegale online casino’s?
Ja, ik heb kennisgenomen van genoemd artikel. Ik vind het heel zorgelijk dat minderjarigen zo makkelijk toegang hebben tot illegale online kansspelen. Illegale aanbieders voelen zich niet gebonden aan regels en bieden doorgaans geen waarborgen voor bescherming, zoals het beletten dat minderjarigen kunnen gokken. Daarom is een belangrijk doel van mijn beleidsinzet om dit aanbod en de toegang tot dit aanbod tegen te gaan.
De zorgelijke cijfers over minderjarigen en jongvolwassenen die deelnemen aan kansspelen, benadrukken hoe belangrijk het is om in te zetten op het voorkomen van gokschade, zoals ook is aangegeven in de brief over de visie op het kansspelbeleid, die op 14 februari 2025 aan uw Kamer is gestuurd.1 In deze brief zijn ook maatregelen aangekondigd om de Wet kansspelen op afstand (Wet koa) te herzien. De nieuwe visie kent als belangrijkste doelstelling het beschermen van burgers tegen schade door gokken, met specifieke aandacht voor jongvolwassenen en minderjarigen. Daarnaast wordt ingezet op intensievere bestrijding van het illegale aanbod en deelname daaraan. Dit doe ik door aanvullende instrumenten voor handhaving in wet- en regelgeving te creëren. De Kansspelautoriteit (Ksa) zet ook specifiek in op het beschermen van minderjarigen en jongvolwassenen en heeft dit als prioriteit opgenomen in haar Toezichtsagenda 2025.
Naast wijziging van de wet- en regelgeving en handhaving door de Ksa wordt ingezet op preventieve maatregelen, zoals gerichte bewustwordingsactiviteiten om met name jongvolwassenen en hun omgeving bewust te maken van de risico’s van gokken. Daarbij worden ook vanuit het Verslavingspreventiefonds onverminderd initiatieven mogelijk gemaakt of ondersteund en wordt hierop verder geïntensiveerd. Zoals door mijn voorganger is aangegeven in zijn brief van 3 juli 2025 is Verslavingskunde Nederland (VKN) gevraagd om in hun programma «preventie en vroegsignalering van verslavingsproblematiek» aandacht te hebben voor de groei van gokken onder minderjarigen. Daarbij werkt VKN onder meer nauw samen met gemeenten en wordt ook ingezet op het tegengaan van gokproblematiek. VKN gaat bekijken of en hoe zij in hun bestaande preventietrajecten meer aandacht kan hebben voor het voorkomen van gokken onder minderjarigen.
Er loopt voorts een aantal onderzoeken naar gokgedrag onder jongeren. Zo doet de Ksa verdiepend onderzoek naar deelname van minderjarigen aan online kansspelen bij legale aanbieders. De vraag hoe minderjarigen deelnemen aan online kansspelen zal tevens worden meegenomen in het onderzoek Perspectief van Nederlanders op kansspelen 2025 dat dit jaar wordt opgeleverd.
Daarnaast wordt vanuit het Verslavingspreventiefonds, in samenwerking met ZonMW, het programma «Preventie voor kansspelverslaving» gefinancierd, waarbinnen een programma zich specifiek richt op onderzoek naar kwetsbare spelers.
Tot slot werk ik in het kader van de verbreding van verslavingspreventie naar het tegengaan van gokschade samen met het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en de Ksa aan een strategische meerjarenagenda bescherming tegen gokschade ter opvolging van de werkagenda verslavingspreventie kansspelen.2
Hoe luidt uw reactie op de bevinding dat minderjarigen geld kunnen storten naar online casino’s vanaf een jongerenrekening?
De bevinding dat een minderjarige geld kan storten naar illegale online casino’s, zoals in het nieuwsbericht is beschreven, vind ik uitermate zorgelijk. Jongeren behoren tot een kwetsbare groep die extra gevoelig is voor de verleidingen van gokken. Dit geldt in het bijzonder voor minderjaren, voor wie het om die reden ook verboden is om te gokken. Ik vind dat een minderjarige geen geld moet kunnen storten bij online casino’s en mijn inzet is erop gericht om dit te voorkomen. Samen met de Ksa bezie ik op welke wijze dit efficiënt en effectief kan worden tegen gegaan en zet ik in op preventiebeleid zoals in het antwoord op vraag 1 omschreven.
Klopt het dat transacties tussen bankrekeningen voor minderjarigen en online gokspellen geblokkeerd behoren te worden? Hoe verklaart u de bevinding dat dit desondanks wel mogelijk blijkt? Hoe kunt u deze blokkade, waar nodig samen met de bankensector, nader effectueren?
Laat ik voorop stellen dat minderjarigen niet mogen deelnemen aan kansspelen en dat ik zo veel mogelijk wil voorkomen dat dit gebeurt.
Binnen het vergunde kansspelaanbod is het kansspelaanbieders verboden een minderjarige toegang te geven tot de spelomgeving. Voor vergunde kansspelaanbieders gelden strenge wettelijke eisen voor leeftijdscontrole. Zij moeten de identiteit van een speler verifiëren en daarmee ook de meerderjarigheid van een persoon voordat zij deze mogen inschrijven. De Ksa houdt hier scherp toezicht op. Bij het aanmaken van een account bij een vergunde aanbieder moet ook de aan het account gekoppelde bankrekening worden gecontroleerd. Een bankrekening die op naam staat van een minderjarige mag niet worden gekoppeld. Daardoor is het waarschijnlijker dat minderjarigen door anderen toegang krijgen tot de spelomgeving en op andermans account gokken, bijvoorbeeld van een meerderjarige vriend of een familielid. Als dit het geval is, ligt er ook een verantwoordelijkheid bij degene die toegang tot zijn account geeft.
Er wordt van betaaldienstverleners op grond van de huidige wet- en regelgeving niet verwacht dat zij actief onderzoeken welke transacties mogelijk betrekking hebben op verboden deelname aan kansspelen en deze blokkeren. Wel kan worden verwacht dat een betaaldienstverlener een transactie redelijkerwijs blokkeert, wanneer zij weet dat het een transactie betreft die deelname aan verboden kansspelen mogelijk maakt. Op dit moment wordt onderzocht hoe betaaldienstverleners in staat kunnen worden gesteld om informatie te krijgen van transacties met illegale aanbieders.
Welke aansprakelijkheid geldt hier voor de banken zelf?
Zie antwoord vraag 3.
Herkent u het beeld van het Keurmerk Verantwoorde Affiliates (KVA) dat minderjarigen steeds vaker doelwit zijn van online marketingcampagnes van illegale gokaanbieders?
Ik heb over het aantal minderjarigen dat reclames van illegale gokbedrijven ziet geen specifieke gegevens. Dat laat onverlet dat ik signalen hierover van organisaties als het Keurmerk Verantwoorde Affiliates serieus neem. Ik vind het zeer onwenselijk dat werving en reclame door illegale aanbieders überhaupt mensen bereikt, in het bijzonder minderjarigen en jongvolwassenen.
Naast het illegaal aanbieden zelf is het ook verboden om illegaal aanbod te faciliteren of bevorderen, zoals vermeld in het antwoord op vragen 3 en 4. De Ksa ontwikkelt momenteel binnen het huidige wettelijke kader methoden om het aanbod van illegale aanbieders terug te dringen. Daarvoor zoekt de Ksa actief de samenwerking op met partijen zoals de financiële sector, gokspelleveranciers, internetbedrijven, sociale mediaplatforms, collega-toezichthouders, vertegenwoordigers van vergunninghouders en affiliates. Deze samenwerking, genaamd de Alliantie ter bestrijding van illegale kansspelen (hierna: Alliantie), richt zich met name op het frustreren van de infrastructuur die de illegale online aanbieders gebruiken om hun illegale diensten aan te bieden. Dit sluit ook aan op de aangenomen motie Dral.3 Daarnaast is mijn inzet erop gericht om in het aangekondigde wetstraject op het gebied van kansspelen op afstand aanvullende instrumenten te scheppen, waarmee de Ksa makkelijker en sneller partijen die illegaal aanbod faciliteren kan aanspreken en ervoor zorgen dat geen toegang tot illegaal aanbod meer wordt verleend.
Deelt u de verontrusting dat illegale gokbedrijven steeds vaker minderjarigen benaderen via advertenties? Welke maatregelen gaat u ondernemen om deze illegale advertenties een halt toe te roepen?
Zie antwoord vraag 5.
In hoeverre wordt een effectieve aanpak van reclame gericht op jongeren door illegale gokbedrijven gehinderd doordat dergelijke advertering via servers van Discord of Telegram plaats vindt? Welke maatregelen kunt u hierin nemen? In hoeverre is het mogelijk servers waarop illegaal geadverteerd wordt uit de lucht te halen?
De aanpak van reclame voor illegaal kansspelaanbod vormt een belangrijk aandachtsgebied voor de Ksa, dat zij samen met de Alliantiepartners actief oppakt. Zo wordt alle gesignaleerde illegale reclame bij de betreffende platforms door de Ksa gemeld, met als doel de zichtbaarheid van dit aanbod te verminderen. Daarnaast stimuleert de Ksa online platforms om illegale content proactief te weren van hun platforms. Tot slot verplicht de Digitale dienstenverordening (DSA) online platforms om effectieve meldkanalen voor illegale content in te richten en kortdaad te reageren op meldingen van deze kanalen. De Ksa onderhoudt hierover intensief contact met de Autoriteit Consument en Markt (ACM), de aangewezen toezichthouder op de DSA. De DSA biedt ook de mogelijkheid om een «trusted flagger» aan te wijzen, wat de aanpak van illegale gokcontent online verder kan versterken.4 De Ksa stimuleert organisaties om haar als toezichthouder de status van «trusted flagger» toe te kennen. Bij meerdere platforms is dit al het geval.
In de praktijk is het voor de Ksa moelijker om toezicht te houden op besloten platforms. Om beter toezicht te kunnen houden op deze platforms kan het in antwoord 6 beschreven aanvullende wettelijke instrumentarium nodig zijn om effectiever te kunnen handhaven.
Hoe luidt uw reactie op de bevinding van onderzoeksbureau Ipsos dat het percentage Nederlandse jongeren van 16- en 17 jaar dat online gokt gestegen is naar 20 procent ligt? Deelt u de mening dat dit een schrikbarend hoog aandeel is? Welke maatregelen gaat u nemen om dit percentage terug te dringen?
De in het onderzoek van Ipsos I&O geconstateerde stijging van het percentage van zestien- en zeventienjarigen dat online gokt van twaalf naar twintig procent vind ik zeer zorgwekkend.5 Het is niet duidelijk of deze jongeren illegaal hebben gegokt, of het speelaccount van een meerderjarig persoon hebben gebruikt, of dat zij de strenge identificatieplicht die bij legaal aanbod geldt hebben kunnen omzeilen. Zoals in het antwoord op vraag 1 aangegeven, wordt hier momenteel onderzoek naar gedaan. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1 en vraag 6, treffen de Ksa en ik maatregelen om gokschade te voorkomen en illegaal aanbod en deelname daaraan tegen te gaan.
Op welke wijze gaat u jongeren die verslaafd zijn geraakt aan online gokken ondersteuning bieden? Wat is uw boodschap aan jongeren die in voorkomende gevallen veel geld zijn kwijtgeraakt door het online gokken bij illegale aanbieders? Hoe gaat u voorkomen dat nog meer jongeren verslaafd raken?
Voor jongeren die problemen hebben door gokken of zelfs verslaafd zijn geraakt aan gokken is hulp en zorg beschikbaar. Onder andere via Openovergokken.nl, een initiatief van de Ksa, is hulp te vinden. Het is daarnaast van groot belang om te voorkomen dat jongeren in de problemen raken door gokken. In mijn antwoord op vraag 1 heb ik uiteengezet hoe ik inzet op betere bescherming van jongvolwassenen en minderjarigen.
Hoe luidt uw reactie op de constatering dat van de 56 miljoen euro aan boetes die de kansspelautoriteit uitschreef aan illegale casino’s, minder dan drie procent is betaald? Hoe kunt u dit verklaren? Welke actie gaat u ondernemen om deze boetes te innen?
Zoals ik in mijn antwoorden op Kamervragen van het lid Boswijk (CDA) heb aangegeven, is het onacceptabel dat illegale aanbieders hun betalingsverplichtingen met betrekking tot de door de Ksa opgelegde boetes niet nakomen.6 Het is in de praktijk echter lastig om met boetes het illegale aanbod effectief te bestrijden. Deze boetes kunnen namelijk vaak niet worden geïnd vanwege complexe juridische constructies en/of vestiging van de illegale aanbieder in een land waar Nederland geen internationale afspraken mee heeft. Daarom zet de Ksa deurwaarders in om alsnog onbetaalde boetes ingevorderd te krijgen en richt de Ksa zich niet alleen op de aanbieder zelf, maar ook op de infrastructuur die illegale online aanbieders gebruiken zoals beschreven in het antwoord op vraag 6.
Hoe beoordeelt u de stelling van de Nederlandse vereniging van Banken dat «jongeren bij illegale casino’s [vaak storten] met cryptovaluta of cadeaubonnen. Het gaat hier om buitenlandse bedrijven. Dit moet op EU-niveau worden bestreden»? Bent u bereid zich op Europees niveau in te spannen om deze praktijken te bestrijden? Zo ja, hoe? Welke regelgeving dient daarvoor gewijzigd te worden?
Het is mij bekend dat betalingen met cryptovaluta en cadeaukaarten bij sommige illegale partijen mogelijk zijn. Het aanbieden van kansspelen zonder vergunning is in Nederland verboden, ongeacht welke betaalmiddelen daarvoor worden aangeboden. Het illegaal aanbod wordt daarom aangepakt ongeacht de vraag of de betaalmiddelen zelf zijn toegestaan of niet. Om dit effectiever te kunnen doen is ook samenwerking benodigd met andere Europese lidstaten. Ten aanzien van kansspelen is er nog geen Europees wettelijk kader. Daarom zetten zowel de Ksa als ik ons in voor het creëren van Europese samenwerking op dit gebied.
Wat is er nog extra nodig in de reclameregelgeving zodat illegale gokadvertenties niet bij minderjarigen terechtkomen?
De reclameregelgeving voor kansspelen heeft betrekking op de vergunde aanbieders. Illegaal aanbod is verboden en daarmee is ook alle reclame voor dit aanbod verboden. Zoals ik heb aangegeven in mijn antwoord op vraag 6, vind ik het onacceptabel dat reclame voor illegaal aanbod mogelijk is en in het bijzonder dat deze reclame bij minderjarigen terecht komt. In dat antwoord ben ik ook ingegaan op de maatregelen waar ik op inzet.
Bent u bereid de kansspelautoriteit als toezichthouder bevoegdheden te geven om illegale casinosites zelf offline te halen? Zo ja, hoe snel realiseert u dat? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik onderzoek op dit moment op welke wijze de Ksa de mogelijkheid kan krijgen om websites snel op zwart te zetten. Ik kijk momenteel op welke manier dit juridisch en technisch mogelijk kan worden gemaakt. De beste optie hiervoor neem ik mee in het wetsvoorstel voor verbeteringen rond kansspelen op afstand dat ik in 2026 in consultatie wil brengen.
Wilt u uw steun aan de «Alliantie voor het Bestrijden van Illegale Online Kansspelen»? Hoe luidt uw reactie op de opmerking dat «Er op dit moment geen kabinet [is] om zich hier over te buigen; op korte termijn zoeken we met ketenpartners naar oplossingen.» Bent u bereid zo spoedig mogelijk te gaan participeren in deze alliantie?
Ik ben er voorstander van om in de aanpak van illegaal aanbod samenwerking met andere partijen te zoeken en te kijken op welke wijze, naast aanpassingen van wet- en regelgeving, illegaal aanbod bestreden kan worden. De Ksa is de onafhankelijke toezichthouder op de kansspelsector. Ik vind het logisch dat de Ksa het initiatief heeft voor de Alliantie. In deze samenwerking wordt gekeken wat mogelijk is binnen de bestaande wet- en regelgeving en is daarmee niet afhankelijk van de status van het kabinet. Waar nodig wordt uiteraard vanuit het ministerie een bijdrage geleverd aan de aanpak die met de Alliantie wordt voorgestaan.
Op welke wijze beïnvloedt de voorliggende berichtgeving – en die van zoveel andere berichten en instanties die de noodklok luiden rondom (verslaving aan) online gokken – uw mening over dit onderwerp? Wanneer is de maat vol en gaat u de legalisering van online gokken terugdraaien?
De verontrustende berichten over jongeren die online gokken en daardoor in de problemen raken vind ik zeer zorgwekkend. Dit is voor mij ook aanleiding om het ingezette wetstraject en de initiatieven daaromheen volop voort te zetten. Het terugdraaien van de legalisering vind ik echter niet de oplossing voor dit probleem en komt ook niet uit de evaluatie van de Wet koa naar voren. De evaluatie laat wel zien dat een fundamentele aanscherping van de wet- en regelgeving nodig is. Het is daarnaast juist van belang dat wordt ingezet op vroegsignalering van problemen en adequate interventies. Dat neemt niet weg dat de realiteit is dat het illegale aanbod nog altijd aanwezig is. Dit moet hard aangepakt worden. Zoals in bovenstaande antwoorden aangegeven is de aanpak van illegaal aanbod en partijen die illegaal aanbod faciliteren prioriteit voor mij, voor de Ksa en partners in de Alliantie.
De Hersteloperatie Kindertoeslagen |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Kent u de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 17 december 2024, met nummer ECLI:NL:RBROT:2024:13134, en van de rechtbank Midden-Nederland van 2 mei 2025, met nummer ECLI:NL:RBMNE:2025:2194?
Ja, ik ben bekend met de genoemde uitspraken.
Een compensatieaanvraag van een door de toeslagenaffaire gedupeerde ouder geldt volgens deze gerechtelijke uitspraken voor alle jaren die de Dienst Toeslagen in haar dossiers heeft staan. Onderschrijft u deze oordelen, is er dus geen hoger beroep tegen deze uitspraken aangetekend en mogen ouders dus vertrouwen op de rechtszekerheid die deze uitspraken bieden? Zo nee, waarom niet? Zo ja waarom wel?
Ik onderschrijf de oordelen dat Dienst Toeslagen voor alle jaren waarvoor de ouder dit wenst, beoordeelt of recht bestaat op een herstelmaatregel. Daarom is geen hoger beroep tegen de uitspraken ingesteld. Ouders mogen er dan ook vanuit gaan dat alle jaren waarover zij een beoordeling wensen betrokken worden bij de beoordeling.
Worden op dit moment nog steeds telefonisch compensatieaanvragen aangenomen? Zo nee, waarom niet?
Nee, de aanmeldtermijn is immers reeds verstreken. Het maakte daarbij overigens niet uit of er een gemachtigde bijstand verleende of niet. Telefonische compensatieaanvragen zijn daarbij destijds opgevolgd met een schriftelijke bevestiging.
Staat u dit ook toe als een gedupeerde een gemachtigde heeft? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Wordt een telefonische aanvraag tot compensatie gevolgd door een schriftelijke bevestiging? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
De hersteloperatie is opgetuigd om gedupeerde ouders te helpen. De rechterlijke uitspraken laten zien dat de uitvoeringsorganisatie hersteloperatie toeslagen (UHT) problemen als gevolg van een telefonische aanvraag tot compensatie in het nadeel van gedupeerde ouders uitlegt. Zijn u meer situaties bekend waarbij de UHT zo in het nadeel van ouders handelt? Zo ja, welke?
Deze situaties zijn mij niet bekend. Het uitgangspunt is om gedupeerde ouders ruimhartig te compenseren. Dat neemt niet weg dat er fouten gemaakt kunnen worden.
Vindt u de beide bij de rechtbanken gevoerde procedures passen in de uitgangspunten terughoudendheid, zorgvuldigheid en de-escalatie, die bij een procederende overheid horen (zie de brief van de Staatssecretaris van Rechtsbescherming van 4 juli 2025, nr. 64 2040)? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
De wens om niet tegenover ouders te staan vormt een centraal uitgangspunt voor de hele hersteloperatie. Dit is ook met uw Kamer gedeeld in de Voortgangsrapportage hersteloperatie toeslagen periode jan-apr 20231. Dienst Toeslagen heeft mede hierom ervoor gekozen om geen hoger beroep in te stellen in de twee genoemde rechtszaken, hetgeen past in de genoemde uitgangspunten van terughoudendheid, zorgvuldigheid en dejuridisering. Op die manier wordt gemonitord dat een ouder alleen met hoger beroep wordt geconfronteerd als het gaat om zwaarwegende principiële punten.
Om te voorkomen dat erkende slachtoffers van de toeslagenaffaire onnodige gerechtelijke procedures moeten doorlopen blijf ik in contact met ouders en gemachtigden en blijf ik vol inzetten op responsieve afhandeling van eventuele bezwaren of beroepen. Monitoring van de (hoger) beroepszaken is hier onderdeel van.
Hoe gaat u in de toekomst voorkomen dat erkende slachtoffers van de toeslagenaffaire onnodige gerechtelijke procedures moeten doorlopen, die kunnen leiden tot hernieuwd slachtofferschap? Bent u het ermee eens dat dit een uiterste prioriteit moet zijn? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Wat gaat u doen met de uitspraken van vergelijkbare gevallen uit het verleden waarin gedupeerden geen bezwaar of beroep hebben ingediend?
Dienst Toeslagen treed in overleg met de ouder om duidelijk te krijgen op welke toeslagjaren de aanvraag ziet. Er bestaat in Nederland een laagdrempelige rechtsbeschermingspraktijk. Specifiek voor de hersteloperatie met gesubsidieerde rechtsbijstand. Indien een belanghebbende niet in bezwaar, beroep en hoger beroep gaat mag in beginsel op instemming met het voorliggende besluit worden vertrouwd.
Het artikel ‘Spaarders en woningbeleggers kunnen vermogenstaks eenvoudig ontwijken’ |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Spaarders en woningbeleggers kunnen vermogenstaks eenvoudig ontwijken»1 en het artikel «Al is de leugen nog zo snel ...»2?
Ja.
Klopt het dat een belastingplichtige met veel spaargeld een deel van de box 3-heffing in het overbruggingsstelsel kan ontwijken door rentebetalingen zo veel mogelijk in één jaar uit te laten betalen en in jaren waarin weinig rente wordt uitgekeerd gebruik te maken van de tegenbewijsregeling? Zo ja, ziet u mogelijkheden om deze vorm van belastingontwijking tegen te gaan?
Bij sommige banken is het mogelijk om via het opzeggen van een spaarrekening de uitbetaling van maximaal één rentetermijn naar voren halen, zodat deze nog in december plaatsvindt in plaats van in januari van het volgende jaar. Tot de invoering van het stelsel op basis van werkelijk rendement, voorzien per 1 januari 2028, zou dit dan een belastingvoordeel kunnen opleveren. Dit is echter niet altijd het geval. Belastingplichtigen kunnen namelijk alleen gebruikmaken van de tegenbewijsregeling als het totale werkelijke rendement van hun hele box 3-vermogen lager is dan het forfaitaire rendement. Het rendement op beleggen is in de regel hoger dan het rendement op sparen, waardoor het eerder laten uitbetalen van één rentetermijn van een spaarrekening in geval van aanwezige beleggingen relatief weinig invloed zal hebben op het totale werkelijke rendement in box 3. Ook is van tevoren niet voorzienbaar voor belastingplichtigen hoe hoog hun totale werkelijke rendement in box 3 het komende jaar zal zijn en in welk jaar het gunstig zal zijn om van de tegenbewijsregeling gebruik te maken.
Op dit moment kunnen belastingplichtigen in box 3 elk jaar kiezen tussen heffing over het forfaitaire rendement of over het werkelijke rendement. Een keuzeregime leidt altijd tot mogelijkheden voor belastingoptimalisatie. Belastingplichtigen met hogere werkelijke rendementen dan de forfaitaire rendementen zullen kiezen voor het forfaitaire stelsel en belastingplichtigen met lagere werkelijke rendementen dan de forfaitaire rendementen zullen gebruikmaken van de tegenbewijsregeling. Het kabinet wil daarom per 1 januari 2028 een stelsel op basis van werkelijk rendement invoeren. Daarin is geen keuzeregime meer opgenomen. Inmiddels is het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 ingediend bij uw Kamer en is ook de nota naar aanleiding van het verslag met uw Kamer gedeeld.3 Om 1 januari 2028 te halen, is het noodzakelijk dat het wetsvoorstel op korte termijn behandeld wordt en uiterlijk 15 maart 2026 is aangenomen in de Tweede Kamer.
Klopt het dat de mogelijkheden tot «belastingoptimalisatie» al bekend waren bij de parlementaire behandeling van de tegenbewijsregeling, zoals het Financieel Dagblad schrijft? Hoe is de Kamer daar destijds over geïnformeerd?
Bij de parlementaire behandeling was bekend dat een keuzeregime altijd tot mogelijkheden voor belastingoptimalisatie leidt. In paragraaf 7.2 van de memorie van toelichting4 bij het wetsvoorstel Wet tegenbewijsregeling box 3 staat dat in jaren waarin een hoger werkelijk rendement dan het forfaitaire rendement wordt behaald maximaal het forfaitaire rendement kan worden belast. In jaren dat de belastingplichtige een lager rendement behaalt, kan dat lagere werkelijke rendement worden belast. Vervolgens wordt in die paragraaf toegelicht dat dit gedragseffecten zal hebben. Als voorbeeld wordt genoemd dat belastingplichtigen meer vermogensbestanddelen met fluctuerende rendementen zullen aanhouden in plaats van vermogensbestanddelen die gedurende meerdere jaren een stabiel rendement opleveren, omdat op die manier optimaal gebruikgemaakt kan worden van de combinatie van het forfait met mogelijkheid tot tegenbewijs.
Denkt u dat een belastingplichtige die woningen bezit en verhuurt de box 3-heffing gedeeltelijk kan ontwijken door huurtermijnen te verkopen, al dan niet aan een eigen bv? Kan dat ook door een huurder simpelweg de huur vooruit te laten betalen?
Hieronder wordt eerst ingegaan op het verkopen van een recht op toekomstige huurtermijnen en daarna op vooruitbetaling van de huur.
In de in vraag 1 genoemde berichten wordt de indruk gewekt dat een belastingplichtige in het huidige box 3-stelsel door middel van een verkoop van huurtermijnen de inkomsten van meerdere toekomstige jaren in één jaar zou kunnen laten vallen. De belastingplichtige zou in dat jaar kunnen kiezen voor het (lagere) forfaitaire rendement en in de andere jaren voor het werkelijke rendement, omdat er in die andere jaren geen of minder inkomsten zouden zijn. Deze ontwijkingsroute is niet mogelijk. Een verkoop van huurtermijnen leidt namelijk tot een jaarlijkse vermogensaanwas bij de verhuurder. Dit betekent dat het rendement over de looptijd van de cessie wordt verdeeld. Dit wordt hieronder nader toegelicht.
Een recht van een verhuurder op toekomstige huurtermijnen is een toekomstige vordering van die verhuurder op een huurder die voortvloeit uit de huurovereenkomst. Het verkopen van een recht op toekomstige huurtermijnen vindt plaats door middel van een cessie. Dit is een juridische term voor het overdragen van een vordering. Toekomstige vorderingen kunnen bij voorbaat worden gecedeerd. Indien de verhuurder de toekomstige vordering cedeert, wordt het recht op huurtermijnen door de verhuurder overgedragen aan een nieuwe schuldeiser (de cessionaris). Na een zogenoemde openbare cessie betaalt de huurder de huurtermijnen voortaan aan de cessionaris. De verhuurder ontvangt na de cessie gedurende de overeengekomen periode (bijvoorbeeld een aantal jaren) geen huurtermijnen meer van de huurder. In ruil voor het overdragen van de toekomstige vordering betaalt de cessionaris een vergoeding (overdrachtsprijs) aan de verhuurder. Bij een zakelijke transactie zal de overdrachtsprijs gelijk zijn aan de contante waarde van de overgedragen toekomstige huurtermijnen. Een zogenoemde stille cessie is ook mogelijk. In dat geval betaalt de huurder na de cessie aan de verhuurder en heeft de verhuurder de verplichting om de door de huurder betaalde bedragen meteen door te betalen aan de cessionaris. De verhuurder mag de huurtermijnen niet zelf houden; hij heeft alleen nog maar een kassiersfunctie. Ook bij stille cessie betaalt de cessionaris in ruil voor het overdragen van de toekomstige vordering een overdrachtsprijs aan de verhuurder. Ook hier zal bij een zakelijke transactie de overdrachtsprijs gelijk zijn aan de contante waarde van de overgedragen toekomstige huurtermijnen. Voor de fiscale gevolgen maakt het derhalve in beginsel geen verschil of sprake is van een openbare cessie of een stille cessie.
De gevolgen van een cessie van huurtermijnen voor het forfaitaire box 3-stelsel komen aan de orde in een arrest van de Hoge Raad uit 20095 en in de bij dit arrest horende conclusie.6 De Hoge Raad wijdt één overweging aan box 3, waaruit blijkt dat een cessie van huurtermijnen bij de verhuurder leidt tot een verlaging van de grondslag voor de box 3-heffing ter grootte van de contante waarde van de overgedragen huurtermijnen.7 In de conclusie van de Advocaat-Generaal bij het arrest wordt uitgebreider op box 3 ingegaan.8 Volgens de conclusie wordt de verlaging van de grondslag van de box 3-heffing veroorzaakt doordat de cessie van de huurtermijnen de waarde in het economische verkeer van de onroerende zaken verlaagt, hetzij als waardedrukkend «genotsrecht»,9 hetzij als met de bezitting samenhangende schuld,10 hetzij als reguliere schuld.11 Gelet op de ruime definitie van genotsrechten die voor de inkomstenbelasting wordt gehanteerd, gaat de Advocaat-Generaal er in de conclusie van uit dat er sprake is van een waardedrukkend persoonlijk genotsrecht.12 De definitie van een genotsrecht voor de inkomstenbelasting is «elke gerechtigdheid tot voordelen uit goederen».13 Deze definitie is van toepassing bij een cessie van toekomstige huurtermijnen, aangezien het recht op toekomstige huurtermijnen een gerechtigdheid tot voordelen is (en uiteraard een onroerende zaak een goed is). Volgens de parlementaire geschiedenis is de definitie van een genotsrecht een ruime, materieel geformuleerde omschrijving die niet beperkt is tot bijvoorbeeld het recht van vruchtgebruik of andere beperkte zakelijke rechten uit het Burgerlijk Wetboek.14 Deze definitie geldt niet alleen voor het forfaitaire systeem, maar ook voor het bepalen van het werkelijke rendement in box 3. De verkoop van toekomstige huurtermijnen leidt in box 3 dus zowel bij het bepalen van het forfaitaire rendement als bij het bepalen van het werkelijke rendement tot de vestiging van een genotsrecht op de onroerende zaak. Hierna wordt nader toegelicht wat de precieze gevolgen zijn van de vestiging van dit genotsrecht voor het bepalen van het werkelijke rendement van de verhuurder. Voor de volledigheid wordt ook ingegaan op het werkelijke rendement van de cessionaris. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat zowel de verhuurder als de cessionaris box 3-belastingplichtigen zijn.
Een recht op toekomstige huurtermijnen is een bezitting in box 3.15 De verkoop van een recht op toekomstige huurtermijnen is dus de verkoop van een bezitting. Als gevolg van deze verkoop ontstaat een genotsrecht op de onroerende zaak, dit leidt tot een waardedaling van de onroerende zaak en dus ook tot een waardedaling van het box 3-vermogen van de verhuurder.16 Deze waardedaling is het directe gevolg van het niet meer tot het box 3-vermogen behoren van een bezitting en vormt daarom een onttrekking.17 Bij het bepalen van de vermogensaanwas wordt het saldo van bezittingen en schulden vermeerderd met de onttrekkingen.18 De waardedaling op het tijdstip van de cessie heeft daarom niet tot gevolg dat er sprake is van negatieve vermogensaanwas.
De overdrachtsprijs die de verhuurder ontvangt in ruil voor de verkoop van het recht op toekomstige huurtermijnen, verhoogt op het tijdstip van de betaling bij de verhuurder de banktegoeden. Hetzelfde bedrag wordt bij het bepalen van het werkelijke rendement als storting in aanmerking genomen, waardoor op het tijdstip van deze betaling (nog) geen sprake is van vermogensaanwas.19 De overdrachtsprijs die wordt betaald bij de verkoop van een bezitting is geen regulier voordeel. In de tegenbewijsregeling voor box 3 staat: de reguliere voordelen die worden getrokken uit bezittingen en schulden.20 De bron waaruit reguliere voordelen worden getrokken bestaat dus uit alle bezittingen en schulden in box 3. De verkoop van een bezitting leidt ertoe dat de bron niet in stand blijft en er dus geen sprake is van een regulier voordeel.21 In een vermogenswinstbelasting zou de verkoop van een bezitting (zoals bijvoorbeeld de vestiging van een genotsrecht) tot een vervreemdingsvoordeel leiden.22 Bij een vermogensaanwassystematiek moeten de gevolgen voor de vermogensaanwas worden bepaald. Alhoewel er op het tijdstip van de betaling van de overdrachtsprijs geen sprake is van vermogensaanwas, ontstaat er bij de verhuurder wel een jaarlijkse vermogensaanwas als gevolg van de cessie. Dat komt doordat de waarde van het genotsrecht gedurende de looptijd van de cessie afneemt totdat deze eindigt op nihil.23 De waardedaling van het genotsrecht leidt tot een waardestijging van de onroerende zaak en daarmee ook tot een waardestijging van het box 3-vermogen van de verhuurder. Deze waardestijging wordt jaarlijks in de heffing betrokken als vermogensaanwas.
Na de cessie bezit de cessionaris een genotsrecht, waardoor het box 3-vermogen van de cessionaris in waarde stijgt. Deze waardestijging is het directe gevolg van het tot het box 3-vermogen gaan behoren van een bezitting en vormt daarom een storting.24 Daardoor is op het tijdstip van de vestiging van het genotsrecht (nog) geen sprake is van vermogensaanwas.25 De overdrachtsprijs die de cessionaris betaalt voor de aankoop van het recht op toekomstige huurtermijnen, verlaagt op het tijdstip van de betaling bij de cessionaris de banktegoeden. Deze waardedaling is het directe gevolg van het niet meer tot het box 3-vermogen behoren van een bezitting en vormt daarom een onttrekking.26 De waardedaling op het tijdstip van de betaling heeft daarom niet tot gevolg dat er sprake is van negatieve vermogensaanwas.27 De huurtermijnen die de cessionaris periodiek ontvangt van de huurder (bij een openbare cessie) of van de verhuurder (bij een stille cessie) zijn reguliere voordelen.28 Daarnaast zal het genotsrecht van de cessionaris in de loop van de tijd in waarde afnemen tot nihil.29 De waardedaling van het genotsrecht leidt tot een daling van het box 3-vermogen van de cessionaris. Deze waardedaling wordt jaarlijks in de heffing betrokken als negatieve vermogensaanwas.
Een verhuurder kan aan zijn huurder vragen om de huur vooruit te betalen met als doel om zo min mogelijk huurinkomsten te laten vallen in een belastingjaar waarin de verhuurder van plan is om gebruik te maken van de tegenbewijsregeling. Het zal van tevoren niet altijd voorzienbaar zijn voor belastingplichtigen hoe hoog hun totale werkelijke rendement in box 3 het komende jaar zal zijn en in welk jaar het gunstig zal zijn om van de tegenbewijsregeling gebruik te maken. De verhuurder zal dan onder andere een goede inschatting moeten maken van de waardestijging van zijn onroerende zaken, aangezien in de tegenbewijsregeling voor box 3 niet alleen reguliere voordelen maar ook de waardeaanwas van onroerende zaken tot het werkelijke rendement wordt gerekend. Bovendien is het vooruit laten betalen van de huur door een huurder alleen mogelijk als de huurder hiermee akkoord gaat. Huurders hebben hier in principe geen belang bij en zullen ook lang niet altijd de financiële middelen hebben om de huur lange tijd vooruit te betalen. Hierbij is van belang dat box 3 niet van toepassing is bij verhuur aan de eigen bv. In dat geval is namelijk de terbeschikkingstellingsregeling van box 1 van toepassing. Dat betekent dat de inkomsten van de verhuurder niet in box 3, maar in box 1 worden belast.
Bij een vooruitbetaling van de huur voor een langere periode dan een jaar is de nihilwaardering van het genotsrecht van de huurder die voor de meeste huurovereenkomsten geldt, niet meer van toepassing30 en moet de huurder een bezitting in de vorm van een genotsrecht opgeven in box 3. De verhuurder heeft in dat geval in het jaar van de vooruitbetaling niet alleen een regulier voordeel (de vooruitbetaalde huur), maar ook een negatieve vermogensaanwas als gevolg van een waardedaling van zijn vermogen.31 De waarde van het vermogen van de verhuurder neemt vervolgens gedurende de looptijd van de vooruitbetaling steeds toe. Deze waardestijging wordt jaarlijks in de heffing betrokken als vermogensaanwas.
Hoe verklaart u het door het Financieel Dagblad aangehaalde standpunt van de Belastingdienst, waarin zou zijn aangegeven dat de verkoopopbrengst van toekomstige huurtermijnen in het jaar van verkoop in één keer in de belastingheffing meegenomen dient te worden? Hoe is dit standpunt volgens u verenigbaar met de uitspraak dat hiermee geen belasting kan worden ontweken?
Het is niet helemaal duidelijk welk standpunt wordt bedoeld. Vlak voor de publicatie in het Financieel Dagblad is door de Belastingdienst een kennisgroepstandpunt gepubliceerd over de verkoop van toekomstige termijnen (nummer KG:213:2025:9 over de verkoop van een royaltystroom32 Dit standpunt gaat echter over de vennootschapsbelasting en niet over box 3.
Welke mogelijkheden ziet u om belastingontwijking in het overbruggingsstelsel box 3 door te schuiven met huuropbrengsten tegen te gaan?
Hoe kijkt u naar de stelling van de heer E. van Uunen dat voor de overbruggingswet box 3 niet het kasstelsel zou moeten worden gehanteerd, maar het matching-beginsel? Klopt het dat de beschreven ontwijkingsroutes dan niet mogelijk zouden zijn? Welke voor- en nadelen zou dit volgens u hebben?
Er is overgangsrecht opgenomen in het toekomstige stelsel voor box 3 (Wet werkelijk rendement box 3) dat aan de ene kant als doel heeft om deze vorm van belastingontwijking tegen te gaan en aan de andere kant moet voorkomen dat er een dubbele heffing plaatsvindt. In het kader van de berichtgeving en deze Kamervragen is dat overgangsrecht nogmaals zorgvuldig bekeken. Dat heeft geleid tot de conclusie dat er een kleine aanpassing nodig is, aangezien in de bepaling over de inbrengwaarde van onroerende zaken in de vermogenswinstbelasting per 1 januari 2028 een verwijzing naar het artikel over genotsrechten ontbreekt. Zoals al is aangekondigd in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3, zal er een separaat wetgevingstraject volgen voor een aanpassingswet, waarin wetstechnische wijzigingen worden voorgesteld die nodig zijn in het kader van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3.33 In deze aanpassingswetgeving zal een aanpassing worden opgenomen met betrekking tot de inbrengwaarde van onroerende zaken in de vermogenswinstbelasting per 1 januari 2028 om de nu nog ontbrekende verwijzing naar het artikel over genotsrechten toe te voegen. Daardoor zal het waardedrukkende effect van op onroerende zaken gevestigde genotsrechten in aanmerking worden genomen bij het bepalen van deze inbrengwaarde.
Klopt het dat een belastingplichtige die woningen bezit en verhuurt zijn reguliere inkomsten in de eerste jaren van het nieuwe stelsel voor box 3 (onder de Wet werkelijk rendement) kan minimaliseren door toekomstige huurtermijnen te verkopen of huur vooruit te laten betalen, waardoor het voordeel wordt genoten onder het overbruggingsstelsel en dus over het forfaitair rendement belasting kan worden betaald in plaats van over het werkelijk rendement? Ziet u mogelijkheden om deze vorm van belastingontwijking tegen te gaan?
Dit is in het kader van het tegengaan van belastingontwijking niet nodig. Het zou wel negatieve gevolgen hebben voor het doenvermogen en de uitvoerbaarheid. Gebruikmaken van de WOZ-waarde sluit aan bij de huidige systematiek van box 3 en is eenvoudig voor zowel de belastingplichtige als voor de Belastingdienst.
Vindt u het wenselijk om de waarde in het economische verkeer van vastgoed te hanteren als inbrengwaarde in de vermogenswinstbelasting per 1 januari 2028, in plaats van de WOZ-waarde, zoals betoogd wordt in het genoemde artikel in het Weekblad voor fiscaal recht? Is deze optie uitvoerbaar, en welke voor- en nadelen zou dit volgens u hebben?
Het bericht dat spaarders en woningbeleggers de vermogenstaks eenvoudig kunnen ontwijken |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Kunt u reageren op de in het geciteerde bericht beschreven ontwijkingsroutes en kunt u de constatering bevestigen dat deze scenario’s daadwerkelijk kunnen worden als resultaat van de invoering van de nieuwe box 3-heffing?1
In het geciteerde bericht worden twee scenario’s in box 3 beschreven, namelijk de mogelijkheid om de huur van enkele jaren te cederen en de mogelijkheid om een rentetermijn in december te laten uitbetalen in plaats van in januari. Hieronder wordt eerst ingegaan op de cessie van huurtermijnen en daarna op de rentebetaling.
In het geciteerde bericht wordt de indruk gewekt dat een belastingplichtige in het huidige box 3-stelsel door middel van een cessie van huurtermijnen de inkomsten van meerdere toekomstige jaren in één jaar zou kunnen laten vallen. De belastingplichtige zou in dat jaar kunnen kiezen voor het (lagere) forfaitaire rendement en in de andere jaren voor het werkelijke rendement, omdat er in die andere jaren geen of minder inkomsten zouden zijn. Deze ontwijkingsroute is niet mogelijk. Een cessie van huurtermijnen leidt namelijk tot een jaarlijkse vermogensaanwas bij de verhuurder. Dit betekent dat het rendement over de looptijd van de cessie wordt verdeeld. Dit wordt hieronder nader toegelicht.
Een recht van een verhuurder op toekomstige huurtermijnen is een toekomstige vordering van die verhuurder op een huurder die voortvloeit uit de huurovereenkomst. Het verkopen van een recht op toekomstige huurtermijnen vindt plaats door middel van een cessie. Dit is een juridische term voor het overdragen van een vordering. Toekomstige vorderingen kunnen bij voorbaat worden gecedeerd. Indien de verhuurder deze toekomstige vordering cedeert, wordt het recht op huurtermijnen door de verhuurder overgedragen aan een nieuwe schuldeiser (de cessionaris). Na een zogenoemde openbare cessie betaalt de huurder de huurtermijnen voortaan aan de cessionaris. De verhuurder ontvangt na de cessie gedurende de overeengekomen periode (bijvoorbeeld een aantal jaren) geen huurtermijnen meer van de huurder. In ruil voor het overdragen van de toekomstige vordering betaalt de cessionaris een vergoeding (overdrachtsprijs) aan de verhuurder. Bij een zakelijke transactie zal de overdrachtsprijs gelijk zijn aan de contante waarde van de overgedragen toekomstige huurtermijnen. Een zogenoemde stille cessie is ook mogelijk. In dat geval betaalt de huurder na de cessie aan de verhuurder en heeft de verhuurder de verplichting om de door de huurder betaalde bedragen meteen door te betalen aan de cessionaris. De verhuurder mag de huurtermijnen niet zelf houden; hij heeft alleen nog maar een kassiersfunctie. Ook bij stille cessie betaalt de cessionaris in ruil voor het overdragen van de toekomstige vordering een overdrachtsprijs aan de verhuurder. Ook hier zal bij een zakelijke transactie de overdrachtsprijs gelijk zijn aan de contante waarde van de overgedragen toekomstige huurtermijnen. Voor de fiscale gevolgen maakt het derhalve in beginsel geen verschil of sprake is van een openbare cessie of een stille cessie.
De gevolgen van een cessie van huurtermijnen voor het forfaitaire box 3-stelsel komen aan de orde in een arrest van de Hoge Raad uit 20092 en in de bij dit arrest horende conclusie.3 De Hoge Raad wijdt één overweging aan box 3, waaruit blijkt dat een cessie van huurtermijnen bij de verhuurder leidt tot een verlaging van de grondslag voor de box 3-heffing ter grootte van de contante waarde van de overgedragen huurtermijnen.4 In de conclusie van de Advocaat-Generaal bij het arrest wordt uitgebreider op box 3 ingegaan.5 Volgens de conclusie wordt de verlaging van de grondslag van de box 3-heffing veroorzaakt doordat de cessie van de huurtermijnen de waarde in het economische verkeer van de onroerende zaken verlaagt, hetzij als waardedrukkend «genotsrecht»,6 hetzij als met de bezitting samenhangende schuld,7 hetzij als reguliere schuld.8 Gelet op de ruime definitie van genotsrechten die voor de inkomstenbelasting wordt gehanteerd, gaat de Advocaat-Generaal er in de conclusie van uit dat er sprake is van een waardedrukkend persoonlijk genotsrecht.9 De definitie van een genotsrecht voor de inkomstenbelasting is «elke gerechtigdheid tot voordelen uit goederen».10 Deze definitie is van toepassing bij een cessie van toekomstige huurtermijnen, aangezien het recht op toekomstige huurtermijnen een gerechtigdheid tot voordelen is (en uiteraard een onroerende zaak een goed is). Volgens de parlementaire geschiedenis is de definitie van een genotsrecht een ruime, materieel geformuleerde omschrijving die niet beperkt is tot bijvoorbeeld het recht van vruchtgebruik of andere beperkte zakelijke rechten uit het Burgerlijk Wetboek.11 Deze definitie geldt niet alleen voor het forfaitaire systeem, maar ook voor het bepalen van het werkelijke rendement in box 3. De verkoop van toekomstige huurtermijnen leidt in box 3 dus zowel bij het bepalen van het forfaitaire rendement als bij het bepalen van het werkelijke rendement tot de vestiging van een genotsrecht op de onroerende zaak. Hierna wordt nader toegelicht wat de precieze gevolgen zijn van de vestiging van dit genotsrecht voor het bepalen van het werkelijke rendement van de verhuurder. Voor de volledigheid wordt ook ingegaan op het werkelijke rendement van de cessionaris. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat zowel de verhuurder als de cessionaris box 3-belastingplichtigen zijn.
Een recht op toekomstige huurtermijnen is een bezitting in box 3.12 De verkoop van een recht op toekomstige huurtermijnen is dus de verkoop van een bezitting. Als gevolg van deze verkoop ontstaat een genotsrecht op de onroerende zaak, dit leidt tot een waardedaling van de onroerende zaak en dus ook tot een waardedaling van het box 3-vermogen van de verhuurder.13 Deze waardedaling is het directe gevolg van het niet meer tot het box 3-vermogen behoren van een bezitting en vormt daarom een onttrekking.14 Bij het bepalen van de vermogensaanwas wordt het saldo van bezittingen en schulden vermeerderd met de onttrekkingen.15 De waardedaling op het tijdstip van de cessie heeft daarom niet tot gevolg dat er sprake is van negatieve vermogensaanwas.
De overdrachtsprijs die de verhuurder ontvangt in ruil voor de verkoop van het recht op toekomstige huurtermijnen, verhoogt op het tijdstip van de betaling bij de verhuurder de banktegoeden. Hetzelfde bedrag wordt bij het bepalen van het werkelijke rendement als storting in aanmerking genomen, waardoor op het tijdstip van deze betaling (nog) geen sprake is van vermogensaanwas.16 De overdrachtsprijs die wordt betaald bij de verkoop van een bezitting is geen regulier voordeel. In de tegenbewijsregeling voor box 3 staat: de reguliere voordelen die worden getrokken uit bezittingen en schulden.17 De bron waaruit reguliere voordelen worden getrokken bestaat dus uit alle bezittingen en schulden in box 3. De verkoop van een bezitting leidt ertoe dat de bron niet in stand blijft en er dus geen sprake is van een regulier voordeel.18 In een vermogenswinstbelasting zou de verkoop van een bezitting (zoals bijvoorbeeld de vestiging van een genotsrecht) tot een vervreemdingsvoordeel leiden.19 Bij een vermogensaanwassystematiek moeten de gevolgen voor de vermogensaanwas worden bepaald. Alhoewel er op het tijdstip van de betaling van de overdrachtsprijs geen sprake is van vermogensaanwas, ontstaat er bij de verhuurder wel een jaarlijkse vermogensaanwas als gevolg van de cessie. Dat komt doordat de waarde van het genotsrecht gedurende de looptijd van de cessie afneemt totdat deze eindigt op nihil.20 De waardedaling van het genotsrecht leidt tot een waardestijging van de onroerende zaak en daarmee ook tot een waardestijging van het box 3-vermogen van de verhuurder. Deze waardestijging wordt jaarlijks in de heffing betrokken als vermogensaanwas.
Na de cessie bezit de cessionaris een genotsrecht, waardoor het box 3-vermogen van de cessionaris in waarde stijgt. Deze waardestijging is het directe gevolg van het tot het box 3-vermogen gaan behoren van een bezitting en vormt daarom een storting.21 Daardoor is op het tijdstip van de vestiging van het genotsrecht (nog) geen sprake is van vermogensaanwas.22 De overdrachtsprijs die de cessionaris betaalt voor de aankoop van het recht op toekomstige huurtermijnen, verlaagt op het tijdstip van de betaling bij de cessionaris de banktegoeden. Deze waardedaling is het directe gevolg van het niet meer tot het box 3-vermogen behoren van een bezitting en vormt daarom een onttrekking.23 De waardedaling op het tijdstip van de betaling heeft daarom niet tot gevolg dat er sprake is van negatieve vermogensaanwas.24 De huurtermijnen die de cessionaris periodiek ontvangt van de huurder (bij een openbare cessie) of van de verhuurder (bij een stille cessie) zijn reguliere voordelen.25 Daarnaast zal het genotsrecht van de cessionaris in de loop van de tijd in waarde afnemen tot nihil.26 De waardedaling van het genotsrecht leidt tot een daling van het box 3-vermogen van de cessionaris. Deze waardedaling wordt jaarlijks in de heffing betrokken als negatieve vermogensaanwas.
In het kader van de cessie van huurtermijnen wordt in het geciteerde bericht aandacht gevraagd voor het overgangsrecht dat geldt bij de invoering van het toekomstige stelsel voor box 3. Om die reden is dat overgangsrecht nogmaals zorgvuldig bekeken. Dat heeft geleid tot de conclusie dat er een kleine aanpassing nodig is, aangezien in de bepaling over de inbrengwaarde van onroerende zaken in de vermogenswinstbelasting per 1 januari 2028 een verwijzing naar het artikel over genotsrechten ontbreekt. Zoals al is aangekondigd in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3, zal er een separaat wetgevingstraject volgen voor een aanpassingswet, waarin wetstechnische wijzigingen worden voorgesteld die nodig zijn in het kader van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3.27 In deze aanpassingswetgeving zal een aanpassing worden opgenomen met betrekking tot de inbrengwaarde van onroerende zaken in de vermogenswinstbelasting per 1 januari 2028 om de nu nog ontbrekende verwijzing naar het artikel over genotsrechten toe te voegen. Daardoor zal het waardedrukkende effect van op onroerende zaken gevestigde genotsrechten in aanmerking worden genomen bij het bepalen van deze inbrengwaarde.
De tweede route die in het geciteerde bericht wordt genoemd, betreft de rente die wordt ontvangen op spaarrekeningen. Het is niet uitgesloten dat er belastingplichtigen zullen zijn die via het opzeggen van een spaarrekening de uitbetaling van maximaal één rentetermijn naar voren halen, zodat deze nog in december plaatsvindt in plaats van in januari van het volgende jaar. Tot de invoering van het stelsel op basis van werkelijk rendement, voorzien per 1 januari 2028, zou dit dan een belastingvoordeel kunnen opleveren. Dit is echter niet altijd het geval. Belastingplichtigen kunnen namelijk alleen gebruikmaken van de tegenbewijsregeling als het totale werkelijke rendement van hun hele box 3-vermogen lager is dan het forfaitaire rendement. Het rendement op beleggen is in de regel hoger dan het rendement op sparen, waardoor het eerder laten uitbetalen van één rentetermijn van een spaarrekening in geval van aanwezige beleggingen relatief weinig invloed zal hebben op het totale werkelijke rendement in box 3. Ook is van tevoren niet voorzienbaar voor belastingplichtigen hoe hoog hun totale werkelijke rendement in box 3 het komende jaar zal zijn en in welk jaar het gunstig zal zijn om van de tegenbewijsregeling gebruik te maken.
Op dit moment kunnen belastingplichtigen in box 3 elk jaar kiezen tussen heffing over het forfaitaire rendement of over het werkelijke rendement. Een keuzeregime leidt altijd tot mogelijkheden tot belastingoptimalisatie. Belastingplichtigen met hogere werkelijke rendementen dan de forfaitaire rendementen zullen kiezen voor het forfaitaire stelsel en belastingplichtigen met lagere werkelijke rendementen dan de forfaitaire rendementen zullen gebruikmaken van de tegenbewijsregeling. Het kabinet wil daarom per 1 januari 2028 een stelsel op basis van werkelijk rendement invoeren. Daarin is geen keuzeregime meer opgenomen. Inmiddels is het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 ingediend bij uw Kamer en is ook de nota naar aanleiding van het verslag met uw Kamer gedeeld.28 Om 1 januari 2028 te halen, is het noodzakelijk dat het wetsvoorstel op korte termijn behandeld wordt en uiterlijk 15 maart 2026 is aangenomen in de Tweede Kamer.
Op welke schaal vermoedt u dat beleggers gebruik zullen maken van de beschreven mogelijkheden om belasting te ontwijken? Hoeveel euro kost dit de schatkist?
Zoals in het antwoord op vraag 1 is toegelicht, is de in het geciteerde bericht beschreven ontwijkingsroute voor beleggers met betrekking tot de cessie van huurtermijnen niet mogelijk. Het eerder laten uitbetalen van één rentetermijn van een spaarrekening zal in geval van aanwezige beleggingen relatief weinig invloed hebben op het totale werkelijke rendement in box 3.
Kunt u reageren op de twijfel die fiscalisten hebben bij de zienswijze van het Ministerie van Financiën dat met de verkoop van huurtermijnen geen belasting in box 3 kan worden ontweken en bent u bereid dit nader uit te laten zoeken, zodat aan de voorkant duidelijkheid bestaat over deze constructie om te voorkomen dat mensen achteraf bij de rechter gelijk krijgen?
De zienswijze van het Ministerie van Financiën is voorafgaand aan de beantwoording van deze Kamervragen nog niet uitgebreid toegelicht. Er is voor gekozen om de benodigde duidelijkheid te verschaffen door bij de beantwoording van vraag 1 een uitgebreide onderbouwing te geven van de fiscaal-juridische gevolgen in box 3 van een cessie van huurtermijnen.
Deelt u de mening dat het ongeacht de schaal onacceptabel is dat de beschreven ontwijkingsroutes mogelijk worden met de invoering van de nieuwe box-3 heffing?
Er is voor de tegenbewijsregeling in box 3 geen reparatiewetgeving nodig. Een uitgebreide toelichting hierop is opgenomen in het antwoord op vraag 1. In het antwoord op vraag 1 wordt ook toegelicht dat in een separaat wetgevingstraject voor de aanpassingswetgeving in verband met het toekomstige stelsel een aanpassing wordt opgenomen met betrekking tot de inbrengwaarde van onroerende zaken in de vermogenswinstbelasting per 1 januari 2028 om de nu nog ontbrekende verwijzing naar het artikel over genotsrechten toe te voegen.
Deelt u de bevindingen uit het artikel dat de mogelijkheid voor beleggers om belasting te ontwijken bij de invoering van de nieuwe box 3-heffing lastig te ondervangen is? Zo ja, wat maakt het moeilijk?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u het ermee eens dat de wetgever een lek in het belastingstelsel aan de voorkant zou moeten repareren? Zo ja, hoe bent u dit van plan te doen?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid een externe fiscaal-juridische analyse uit te laten voeren over de mogelijkheid van beschreven constructies en oplossingen in kaart te laten brengen om deze te mitigeren?
Ik neem signalen over fiscale constructies serieus en artikelen over belastingontwijkingsmogelijkheden worden op het Ministerie van Financiën zorgvuldig bestudeerd. Er is geen aanleiding voor het inhuren van een externe adviseur.
Het toevoegen van agri-PV aan landbouwgrond. |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Bent u van mening dat de landelijke overheid agri-PV, een techniek die landbouwgrond combineert met zonnepanelen om zowel duurzame energie op te wekken als voedsel te produceren, dient te stimuleren?
Agri-PV is een combinatie van landbouw en het opwekken van zonne-energie waarbij een zonnepark wordt aangelegd op de aanwezige cultuurgrond. Agri-pv kan bijdragen om de doelen op het gebied van energietransitie te behalen. Daarbij is volgens het kabinet van belang dat hiervoor de meest passende beleidsinstrumenten ingezet worden, zoals bijvoorbeeld subsidieregelingen.
Klopt het dat de Belastingdienst bij het toekennen van de landbouwvrijstelling een interpretatie hanteert waarbij enkel landbouwgrond die voor 90% dienstbaar is aan het eigen landbouwbedrijf in aanmerking komt voor de landbouwvrijstelling?
Ja, dat klopt. De waardeverandering van landbouwgrond die geheel of nagenoeg geheel dienstbaar is aan het eigen landbouwbedrijf komt in aanmerking voor de landbouwvrijstelling.1 Dat de grond geheel of nagenoeg geheel dienstbaar moet zijn aan het eigen landbouwbedrijf volgt uit jurisprudentie van de Hoge Raad.2 In percentages uitgedrukt betekent dit dat de grond voor minimaal 90% wordt aangewend in het kader van het landbouwbedrijf.
Voor de toepassing van de landbouwvrijstelling wordt onder landbouwbedrijf verstaan een bedrijf dat is gericht op – kort gezegd – het voortbrengen van producten van akkerbouw, van weidebouw of van tuinbouw, of op het in het kader van de veehouderij fokken, mesten of houden van dieren.3
Klopt het dat alleen grond die nimmer ten behoeve van zonnepanelen gebruikt wordt in aanmerking komt voor de landbouwvrijstelling?
Het is afhankelijk van de feitelijke situatie of de landbouwvrijstelling kan worden toegepast. Zoals in antwoord 2 aangegeven, komt de waardeverandering van landbouwgrond die geheel of nagenoeg geheel (dus voor ten minste 90%) wordt aangewend in het kader van het eigen landbouwbedrijf in aanmerking voor de landbouwvrijstelling. Het opwekken van energie valt niet onder de wettelijke definitie van het landbouwbedrijf.
Voor grond in gemengd gebruik – bijvoorbeeld wanneer op het gehele perceel zonnepanelen zijn geplaatst waar schapen onder de panelen door kunnen lopen – geldt dat deze grond niet in aanmerking komt voor toepassing van de landbouwvrijstelling. In deze situatie kan namelijk niet worden voldaan aan de voorwaarde dat de landbouwgrond geheel of nagenoeg geheel wordt aangewend in het kader van het landbouwbedrijf. Als de funderingspalen en de zonnepanelen bijvoorbeeld op een (aparte) strook van het perceel zijn geplaatst, dan wordt, voor de bepaling of de grond geheel of nagenoeg geheel in het eigen landbouwbedrijf wordt gebruikt, gekeken naar het feitelijke gebruik per vierkante meter en niet naar het perceel in het geheel. In de regel zal gekeken worden naar de oppervlakte van het perceel dat in gebruik is voor agrarische doeleinden en de oppervlakte van het perceel dat niet in gebruik is voor agrarische doeleinden. De grond waarop funderingspalen en zonnepanelen zijn geplaatst komen niet in aanmerking voor de landbouwvrijstelling, omdat de productie van energie niet onder de wettelijke definitie van landbouwbedrijf valt. Het laten grazen van dieren onder de panelen doet daar – zoals hiervoor aangegeven – niet aan af. De grond wordt dan gemengd gebruikt en daarmee kan niet meer worden voldaan aan de voorwaarde dat de grond geheel of nagenoeg geheel wordt aangewend in het kader van het eigen landbouwbedrijf.
Afhankelijk van de situatie is het mogelijk dat een deel van het perceel in aanmerking komt voor de landbouwvrijstelling, wanneer voor dat deel wordt voldaan aan de voorwaarden zoals opgenomen in de wet. Zo komt de cultuurgrond die niet ten behoeve van de zonnepanelen wordt gebruikt normaliter in aanmerking voor de toepassing van de landbouwvrijstelling (mits ook wordt voldaan aan de overige wettelijke voorwaarden). De eigenaar van de grond, de agrarische ondernemer, beschikt over de gegevens die kunnen dienen om vast te stellen of de grond geheel of nagenoeg geheel dienstbaar is aan het eigen landbouwbedrijf. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) beschikt over gegevens die zijn aangeleverd door de agrarische ondernemers zelf. Deze gegevens worden ingevoerd voor de gecombineerde opgave, de zogenoemde meitelling, ten behoeve van onder andere subsidieaanvragen. De agrarische ondernemer geeft hiermee aan hoeveel grond hij in gebruik heeft voor agrarische doeleinden. Een van de vragen in dit formulier is of er energieproductie plaatsvindt op zijn landbouwgrond. Als de agrariër funderingspalen en zonnepanelen op het perceel heeft, dient hij hiermee rekening te houden bij het aanleveren van gegevens bij RVO. Deze gegevens zijn ook bij de Belastingdienst bekend.
Hoe wordt überhaupt vastgesteld welk percentage van het perceel agrarisch wordt benut?
Zie antwoord vraag 3.
Wordt de ruimte onder eventuele zonnepanelen meegenomen als grond dienstbaar aan het eigen landbouwbedrijf/hoofdactiviteit van de agro-ondernemer?
Zoals in de antwoorden 3 en 4 aangegeven is het afhankelijk van de feitelijke situatie of kan worden voldaan aan de voorwaarde dat de grond geheel of nagenoeg geheel gebruikt wordt in het kader van het landbouwbedrijf. Voor de grond waarop de funderingspalen en de zonnepanelen zijn geplaatst geldt dat deze niet wordt gebruikt in het kader van het landbouwbedrijf, maar dat de grond dient voor de productie van energie. Dat geldt in beginsel ook voor de ruimte onder de zonnepanelen, daarbij wordt de feitelijke situatie beoordeeld.
Zo nee, waarom kan voor de vrije grond onder de zonnepanelen geen beroep worden gedaan op de landbouwvrijstelling?
Zie antwoord vraag 5.
Waarom wordt er geen onderscheid gemaakt tussen de vrije grond onder de zonnepanelen en funderingspalen bij een aanvraag voor toekenning van de landbouwvrijstelling?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat het toevoegen van agri-PV aan landbouwgrond, als waardevolle bijdrage in de energietransitie, voortaan geen negatieve fiscale effecten meer heeft voor boeren?
Het ligt niet voor de hand om de reikwijdte van de landbouwvrijstelling te verbreden waardoor naast de waardeverandering van de grond bij voorzetting van de aanwending ervan in een landbouwbedrijf ook de waardeverandering als gevolg van de exploitatie van een zonnepark is vrijgesteld. Een verruiming past niet bij het doel van de landbouwvrijstelling, draagt bij aan een verdere complexiteit van het belastingstelsel (afbakeningsproblematiek) en heeft budgettaire consequenties. Bovendien vergt een verruiming een wetswijziging en dit is op korte termijn niet te realiseren. De landbouwvrijstelling is vorig jaar geëvalueerd als niet doeltreffend en niet doelmatig. Het ligt in dat kader niet voor de hand om deze regeling verder uit te breiden naar andere activiteiten, waar deze regeling vanuit zijn oorsprong niet voor is bedoeld. Tot slot zal bij verruiming van de regeling afstemming met de Europese Commissie noodzakelijk zijn over de vraag of een dergelijke verruiming van de landbouwvrijstelling tot (ongeoorloofde) staatssteun leidt.
Verhuisberichten die niet goed doorkomen bij de Belastingdienst waardoor ondernemers in de financiële problemen komen |
|
Raoul White (GroenLinks-PvdA) |
|
Heijnen , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met ondernemers die hun verhuizing doorgeven aan de Kamer van Koophandel, waarna dit niet goed wordt doorgegeven aan de Belastingdienst en deze ondernemers in de financiële problemen komen?
Ja, daar ben ik mee bekend.
Bent u bereid te onderzoeken in hoeveel gevallen dit probleem zich de afgelopen jaren heeft voorgedaan en of dit structureel voorkomt?
Jaarlijks zijn er honderdduizenden adreswijzigingen die tussen de Kamer van Koophandel (KVK) en de Belastingdienst worden uitgewisseld. Daarbij kan het in een zeer beperkt aantal gevallen voorkomen dat er fouten, incidenteel onjuiste koppelingen of verwerkingen, ontstaan door een technische verstoring of menselijke fout. Zowel bij de Belastingdienst als KVK bestaan procedures om eventuele onjuiste koppelingen, verstoringen en fouten te herstellen. Gezien het kleine aantal gevallen en de bestaande procedures is het niet aan de orde om hier onderzoek naar te doen.
KVK en de Belastingdienst informeren elkaar over fouten die vermoedelijk toe te schrijven zijn aan een niet of onjuist verwerkte wijziging in de registratie. Dit vindt op ad hoc basis plaats via de wederzijdse aanspreekpunten. De analyse van het signaal kan leiden tot een aanpassing in de registratie, een herstelactie en/of verbetertraject om een dergelijke fout te voorkomen. Eventueel neemt de Belastingdienst contact op met de belastingplichtige – indien de contactgegevens bekend zijn – over de onjuiste registratie. Daarnaast geldt voor de Belastingdienst de terug meldplicht als er gerede twijfel is over de juistheid van een authentiek gegeven in het Handelsregister (bij KVK).
Hoe kan het dat een adreswijziging die bij de Kamer van Koophandel is doorgegeven niet correct wordt verwerkt bij de Belastingdienst?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat de bankrekening van ondernemers in specifieke situaties geblokkeerd kan worden, ook als de oorzaak ligt bij een fout van de Belastingdienst of de Kamer van Koophandel? Zo ja, vindt u dat proportioneel?
Een ondernemer is zelf verantwoordelijk om de door hem verschuldigde loonheffingen en omzetbelasting tijdig op aangifte te voldoen. Als tijdige en volledige betaling op aangifte uitblijft, legt de Belastingdienst een naheffingsaanslag op. Als een aanslag niet binnen de daarvoor geldende termijn wordt betaald, ontvangt de ondernemer een aanmaning1 met het verzoek om alsnog binnen twee weken te betalen. Als daar geen gehoor aan wordt gegeven, volgt een dwangbevel met een laatste verzoek om te betalen. Als de ondernemer zijn schuld dan nog niet betaalt, kan de Belastingdienst verdere stappen ondernemen, zoals het leggen van een (vereenvoudigd) beslag op een bankrekening. Hierbij kan het saldo worden geblokkeerd door de bank.
De Belastingdienst heeft in de fase tot aan een beslaglegging verschillende contactmomenten ingebouwd, om de ondernemer te vragen zijn schuld te betalen. Er wordt handelingsperspectief geboden door te wijzen op de mogelijkheid om uitstel van betaling aan te vragen. Van een ondernemer mag worden verwacht dat hij zelf een van deze contactmomenten – die zich uitstrekken over een periode van gemiddeld acht weken – aangrijpt om te betalen of om uitstel van betaling te verzoeken. Daarmee wordt beslaglegging voorkomen.
Als een ondernemer wordt geconfronteerd met een beslag en hij heeft geen voorafgaande aanslag, aanmaning of dwangbevel ontvangen, kan hij het beste zo snel mogelijk contact opnemen met de Belastingdienst. Dan wordt nagegaan of er onverhoopt iets mis is gegaan bij de verzending. Als dat het geval is, wordt het beslag uiteraard opgeheven.
Vindt u het redelijk dat ondernemers na opheldering alsnog dagen tot weken geen toegang hebben tot hun eigen geld?
De Belastingdienst streeft er naar om de ontstane situatie zo kort mogelijk voor belastingplichtigen te laten duren. Wanneer er sprake is van een urgente en/of schrijnende situatie of als die dreigt te ontstaan, kan de belastingplichtige contact opnemen met het Stellateam van de Belastingdienst. Zoals aangegeven in antwoord op vraag 4, wordt het beslag opgeheven wanneer is gebleken dat de ondernemer geen aanslag, aanmaning of dwangbevel heeft ontvangen en er iets mis is gegaan bij de verzending.
Onderschrijft u het feit dat dit voor ondernemers een zeer frustrerende en stressvolle situatie kan zijn, waarin zij zich machteloos voelen tegenover deze instanties?
Ik kan mij goed voorstellen dat een dergelijke situatie stressvol kan zijn voor een ondernemer. Een ondernemer kan op elk moment contact opnemen met de Belastingdienst wanneer een urgente of schrijnende situatie ontstaat of dreigt te ontstaan.
Hoe kunnen de Kamer van Koophandel en de Belastingdienst ervoor zorgen dat dit soort administratieve fouten in de toekomst worden voorkomen?
Tussen de Belastingdienst en KVK vinden reguliere overleggen plaats. Ik heb de Belastingdienst gevraagd om aan het onderwerp adresmutaties extra aandacht te besteden in overleg met KVK, om eventuele fouten in de gegevensoverdracht nog verder te verkleinen in dit massale proces van adresmutaties.
Welke mogelijkheden bestaan er voor ondernemers om compensatie of schadevergoeding te krijgen wanneer zij door een administratieve fout van de Belastingdienst of de Kamer van Koophandel financiële schade lijden?
Als een administratieve fout van de Belastingdienst leidt tot een onjuiste vaststelling van een aanslag of beschikking, dan staan hier bestuursrechtelijke rechtsmiddelen tegen open. Lijdt een belastingplichtige anderszins schade door een fout van de Belastingdienst, dan komt deze schade voor vergoeding in aanmerking als wordt voldaan aan de civielrechtelijke vereisten voor een schadevergoeding. Hiervoor is onder meer van belang of sprake is van een onrechtmatige (overheids)daad, van geleden schade en van een causaal verband tussen die schade en de fout van de Belastingdienst. Dit zal van geval tot geval moeten worden bezien, waarbij de bewijslast bij de belastingplichtige ligt. Heeft een belastingplichtige dergelijke schade geleden dan kan deze een verzoek tot schadevergoeding indienen bij de Belastingdienst.
Voor fouten binnen het domein van KVK geldt hetzelfde als hierboven beschreven voor de Belastingdienst.
Hoe worden ondernemers momenteel geïnformeerd over de status van hun adreswijziging en de verwerking daarvan door de Belastingdienst?
Na een adreswijziging stuurt KVK altijd een bevestigingsbrief aan de betrokken ondernemer. Als er sprake is van een online mutatie, dan stuurt KVK statusupdates aan de indiener.
Daarnaast kan de belastingplichtige controleren of de adreswijziging is verwerkt door in te loggen in het «Mijn Belastingdienst Zakelijk» portaal om te zien of het adres daar correct staat genoteerd.
Wordt er binnen de Belastingdienst en de Kamer van Koophandel actief gemonitord of doorgegeven gegevens correct worden verwerkt? Zo nee, waarom niet?
KVK levert doorlopend informatie uit het Handelsregister aan de Belastingdienst via gegevensleveringen. De Belastingdienst controleert of alle in het Handelsregister geregistreerde ondernemingen en rechtspersonen bekend zijn in de klantenadministratie. Als gegevens in het Handelsregister niet overeenkomen met gegevens waarover de Belastingdienst beschikt, dan wordt hierop actief teruggemeld. Er is geen specifieke controle op de correcte verwerking van de adresgegevens die de KVK aan de Belastingdienst doorgeeft. Het uitsluiten van fouten is vanzelfsprekend wenselijk, echter gezien de incidentele aard van de fouten, waartoe reeds procedures zijn ingericht om deze spoedig mogelijk op te lossen, en de enorme hoeveelheid aan gegevensuitwisseling is dit niet realiseerbaar.
Bent u bereid maatregelen te treffen om de communicatie en samenwerking tussen de Belastingdienst, de Kamer van Koophandel en banken te verbeteren, zodat ondernemers niet de dupe worden van administratieve fouten?
Zoals beschreven in antwoord 7 hebben de Belastingdienst en KVK regulier overleg en zal de komende periode extra aandacht worden besteed aan de adresmutaties.
Hoe wordt voorkomen dat ondernemers in de tussentijd – door foutieve blokkades of achterstanden – boetes, rente of andere kosten moeten betalen?
Rente en kosten worden in rekening gebracht wanneer het volledige verschuldigde bedrag niet tijdig is ontvangen door de Belastingdienst. Wanneer blijkt dat deze ten onrechte in rekening zijn gebracht worden deze gecorrigeerd en in mindering gebracht.
Acht u het wenselijk om een spoedprocedure in te richten voor ondernemers die door administratieve fouten geen toegang hebben tot hun zakelijke rekening, zodat blokkades sneller kunnen worden opgeheven?
Wanneer bij een belastingplichtige een aantoonbare schrijnende situatie dreigt te ontstaan, kan de belastingplichtige contact opnemen met de Belastingdienst voor een maatwerkoplossing. Zoals aangegeven is in antwoord op vraag 4, wordt het beslag opgeheven wanneer is gebleken dat de ondernemer geen aanslag, aanmaning of dwangbevel heeft ontvangen en er iets mis is gegaan bij de verzending.
Het artikel 'Door creatief boekhouden hoeven we voorlopig geen euro extra te betalen voor klimaatschade in arme landen' |
|
Daniëlle Hirsch (GL), Suzanne Kröger (GL) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Aukje de Vries (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel in Follow the Money «Door creatief boekhouden hoeven we voorlopig geen euro extra te betalen voor klimaatschade in arme landen» van 8 september 2025, waarin wordt beschreven hoe Nederland tijdens en in aanloop naar COP29 inzette op een zo laag mogelijke uitkomst, waardoor het Nederland geen extra geld zou kosten?1
Ja.
Klopt het dat Nederland er tijdens de onderhandelingen actief op heeft aangedrongen om de doelstelling voor klimaatfinanciering zo laag mogelijk vast te stellen en de definitie daarvan zo breed mogelijk te maken, en dat er daarmee werd ingezet op slechts een inflatiecorrectie van het oude doel en niet daadwerkelijk extra geld? Zo nee, wat is de inzet van Nederland daadwerkelijk geweest en waaruit blijkt dat?
Dit is geen juiste weergave van de Nederlandse inzet. Ambtelijk zijn diverse scenario’s verkend. De Nederlandse inzet in de onderhandelingen is geweest zoals deze is medegedeeld aan de Kamer in aanloop naar en na afloop van COP29, namelijk een doel dat diverse financieringsstromen omvat, met een kern van publieke aard waaraan een grotere groep landen bijdraagt. Een uitgebreide toelichting is terug te vinden in de Kamerbrief Nederlandse inzet COP29 voor de Milieuraad van 14 oktober (Kamerstuk 31 793, nr. 272), de Kamerbrief Verwachtingen en inzet VN-klimaatconferentie COP29 (Kamerstuk 31 793, nr. 274) en de Kamerbrief Resultaten COP29 (Kamerstuk 31 793, nr. 278).
Klopt het dat Nederland zich, onder andere richting de Europese Unie (EU), heeft ingezet om zo lang mogelijk geen concreet bedrag te noemen? Zo ja, waren er andere lidstaten die dezelfde inzet hadden? Zo ja, waren er landen die wel pleitten voor een concreet bedrag? Ze nee, waaruit blijkt dat? Zo ja, kunt u aangeven in welke mate dit de onderhandelingen binnen het EU blok en tijdens de Conferencie van Partijen bij het VN-Klimaatverdrag (COP) heeft beïnvloed?
De omvang van de New Collective Quantified Goal (NCQG) was mede afhankelijk van andere parameters, waaronder het tijdspad, de definitie, de structuur en de bijdragende landen. Het was voor Nederland en de EU daarom lange tijd te vroeg om een bedrag te noemen. Wij kunnen geen uitspraken doen over de inzet van andere EU-lidstaten bij het bepalen van de Europese positie. De uiteindelijke onderhandelingsinzet van de EU is vastgelegd in de Raadsconclusies COP29 zoals aangenomen in de Milieuraad van 14 oktober 2024.
Klopt het dat Nederland tijdens de onderhandelingen heeft ingezet op een uitkomst zonder verdeelsleutel, waardoor geen enkel land formeel verantwoordelijk zou zijn voor een concrete bijdrage aan de New Collective Quantified Goal (NCQG)? Zo nee, waaruit blijkt dat?
Ja, Nederland is geen voorstander geweest van een verdeelsleutel omdat de Overeenkomst van Parijs nadrukkelijk heeft afgesproken dat er een collectief klimaatfinancieringsdoel moest komen. Nederland zet zich in voor transparantie en zo degelijk mogelijke methodes voor de rapportage over klimaatfinanciering. Op die manier wordt verantwoording afgelegd per land en over het totaal.
Deelt u de analyse dat Nederland door in te zetten op een zo laag en vaag mogelijk doel zonder extra financiële middelen, feitelijk haar verantwoordelijkheid ontloopt om internationale klimaatsteun te bieden, zoals vastgelegd in internationale afspraken? Zo nee, waarom niet?
Nee, die analyse delen wij niet. Zoals gesteld in de Beleidsbrief Ontwikkelingshulp (Kamerstuk 36 180, nr. 133) blijft Nederland zijn aandeel aan internationale klimaatfinanciering leveren. Dit doen we door binnen de begroting voor ontwikkelingshulp klimaatgerelateerde inspanningen te leveren via thema's als watermanagement en voedselzekerheid en door bij te dragen aan de belangrijkste multilaterale klimaatfondsen. Daarnaast richten we ons op de mobilisatie van private klimaatinvesteringen. In 2024 bedroeg de Nederlandse bijdrage aan klimaatfinanciering ruim EUR 2,4 miljard, waarvan ruim EUR 1 miljard publieke financiering en EUR 1,4 miljard met publieke financiering gemobiliseerde private financiering (HGIS jaarverslag 2024, Kamerstuk 36 601, nr. 3). Zoals aangegeven in de HGIS-nota 2026 (Kamerstuk 36 801, nr. 1) is de verwachte Nederlandse bijdrage aan internationale klimaatfinanciering in 2026 ruim EUR 2,9 miljard.
Hoe verhouden uw (eerdere) uitspraken dat Nederland zijn aandeel aan internationale klimaatfinanciering levert zich tot de uit de Woo-documenten blijkende inzet van Nederland om het financieringsdoel tijdens de onderhandelingen zo laag mogelijk te houden? Acht u dit niet in tegenspraak met de toezegging dat Nederland zijn eerlijke aandeel zal bijdragen? Zo nee, waarom niet? Deelt u de analyse dat de bezuinigingen op publieke klimaatfinanciering als onderdeel van de bezuinigingen op ontwikkelingssamenwerking deze inzet op een eerlijke bijdrage nog verder ondermijnt? Zo nee, waarom niet?
Gelet op de omvang van de wereldwijde klimaatopgave was de inzet van Nederland erop gericht tot een klimaatfinancieringsdoel te komen dat zou bijdragen aan de opschaling van klimaatfinanciering vanuit diverse bronnen en kanalen – publiek, privaat, nationaal en internationaal. Om al deze financieringsstromen te omvatten, hebben Nederland en de EU gepleit voor een doel dat uit meerdere delen bestaat, met een haalbare en realistische kern van publieke aard (Kamerstuk 31 793, nr. 274).
Het tijdens COP29 overeengekomen klimaatfinancieringsdoel bestaat de facto uit meerdere doelen en is daarmee in lijn met deze inzet: een doel van ten minste USD 300 miljard per jaar per 2035, welke is ingebed in een oproep aan alle actoren om samen tegemoet te komen aan de financieringsbehoefte van ontwikkelingslanden die per 2035 ten minste USD 1.300 miljard per jaar bedraagt. Zoals ook gesteld in het antwoord op vraag 5 blijft Nederland zijn aandeel aan internationale klimaatfinanciering leveren.
Kunt u reactie geven op de kritiek dat ontwikkelingslanden feitelijk deels hun eigen klimaatsteun financieren, omdat middelen van bijvoorbeeld de African Development Bank, waarvan 60% van het kapitaal afkomstig is van Afrikaanse overheden, meetellen als internationale klimaatfinanciering? Zo nee, waarom niet? Is dit niet in tegenspraak met het principe van gemeenschappelijke maar gedifferentieerde verantwoordelijkheden, en met artikel 9 van het Klimaatakkoord van Parijs dat specificeert dat klimaatfinanciering gaat om steun van ontwikkelde landen aan ontwikkelingslanden? Zo nee, waarom niet?
Nederland en de EU hebben bewust ingezet op het meenemen van alle klimaatrelevante financieringen door de multilaterale ontwikkelingsbanken (MDB’s), ook als deze zijn gerealiseerd vanuit bijdragen van niet-traditionele donorlanden. Dit geeft een beter beeld van de daadwerkelijke investeringen van MDB’s in klimaatprogramma’s in ontwikkelingslanden. Verder is Nederland van mening dat erkenning van de brede klimaatrelevante financieringen ten goede zal komen aan de landen waar deze programma’s worden uitgevoerd. Daarnaast ziet Nederland het besluit als een belangrijke eerste stap om landen die in de laatste decennia economisch hard groeiden, waaronder China, Brazilië en Saoedi Arabië, ook mee te laten betalen aan de klimaatinzet in ontwikkelingslanden. Over het algemeen weerspiegelt het ingelegde kapitaal in de banken de economische draagkracht van landen. Ook is het zo dat bij veel banken de traditionele donoren van klimaatfinanciering (de landen die staan genoemd in Annex I van het VN-Klimaatverdrag uit 1992) nog steeds een substantieel deel van het kapitaal leveren.
Deelt u de analyse dat Nederland met een strategie van laag inzetten en het oprekken van definities zijn internationale geloofwaardigheid en het vertrouwen van ontwikkelingslanden heeft geschaad, waardoor hun bereidheid tot meer klimaatambitie afneemt en de kans toeneemt dat onderhandelingen over voor Nederland belangrijke thema’s, zoals mitigatie, mislukken? Zo nee, waarom niet? Deelt u de analyse dat Nederland en Nederlanders uiteindelijk zelf de prijs voor betalen voor het mislukken van de onderhandelingen op voor Nederland belangrijke klimaatthema’s? Zo nee, waarom niet?
Wat betreft de eerste vraag over de Nederlandse inzet verwijzen wij graag naar het antwoord op vraag 6. Nederland heeft gepleit voor een haalbaar en realistisch doel om zo de ambities op mondiaal klimaatbeleid hoog te houden. We gaan er vanuit dat de uitkomsten van COP29 voldoende basis bieden om de bredere onderhandelingen over klimaatbeleid onder UNFCCC voort te zetten. Dit is inderdaad van belang voor alle Nederlanders, klimaatverandering raakt ook Nederland.
Klopt het dat het advies van het Internationaal Gerechtshof (IGH) over de juridische verplichtingen van staten op het gebied van klimaatverandering benadrukt dat staten niet alleen hun eigen uitstoot moeten beperken, maar ook moeten samenwerken, inclusief financiële steun aan ontwikkelingslanden? Bent u het ermee eens dat dit de rechtspositie van ontwikkelingslanden te versterkt? Zo nee, waarom niet? Hoe beoordeelt u de kans dat Nederland juridisch kwetsbaar wordt als het deze verplichtingen niet nakomt, mede gezien het recent openbaar geworden Nederlandse optreden tijdens de klimaattop in Bakoe? Kan u deze punten betrekken in de lopende juridische analyse van de IGH-uitspraak?
Het advies verwijst naar een verplichting die ontwikkelde landen onder het VN-Klimaatverdrag en de Overeenkomst van Parijs al zijn aangegaan. Het advies van het Internationaal Gerechtshof geeft uitsluitend uitleg over het bestaande internationaal recht en schept geen nieuw recht. Het advies leidt derhalve niet tot een andere rechtspositie van ontwikkelingslanden, noch vergroot het advies de juridische kwetsbaarheid van Nederland. Conform uw verzoek zal het kabinet dit meenemen in de juridisch analyse van de uitspraak.
Klopt het dat het advies van het IGH over de klimaatverplichtingen van staten benadrukt dat landen onder internationaal recht niet alleen verplicht zijn hun eigen uitstoot te beperken, maar ook tot samenwerking, waaronder financiële steun aan ontwikkelingslanden? Kunt u reflecteren op dit deel van het advies, dat de rechtspositie van ontwikkelingslanden versterkt met betrekking tot het eisen van financiële steun? Is er een kans dat Nederland hierdoor niet voldoet aan de IGH-uitspraak en juridisch kwetsbaar is? Zo nee, waarom niet? Kan het recente, nu openbaar geworden optreden van Nederland tijdens de klimaattop in Bakoe dit risico vergroten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u deze vragen meenemen in de zorgvuldige juridische analyse van het IGH-advies die u momenteel voert?
Ja.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden voor het commisdiedebat op 2 oktober 2025 over de inzet COP30?
Ja.
Afwijzingen bij subsidieregelingen |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met signalen die wij ontvangen over afgewezen subsidieaanvragen bij bijvoorbeeld het Samenwerkingsverband Noord-Nederland (SNN), terwijl bewoners wel aan de voorwaarden voldoen en binnen de geldende termijn een aanvraag hebben gedaan, maar bijvoorbeeld een mondelinge offerte hebben in plaats van een schriftelijke?
Ja, ik ben hiermee bekend. Alle aanvragen voor subsidie met terugwerkende kracht zijn zorgvuldig beoordeeld en er is gekeken of deze aan alle voorwaarden voldoen. Als een schriftelijke offerte ontbreekt, kan met een factuur of betaalbewijs vaak alsnog de aanvraag worden goedgekeurd. Een afwijzing in dit soort gevallen komt meestal doordat er een factuur of betaalbewijs ontbreekt. Zonder een dergelijk bewijs is onvoldoende na te gaan of er daadwerkelijk sprake is van uitgevoerde werkzaamheden die voldoen aan de subsidievoorwaarden.
Heeft u zicht op hoe vaak dit voorkomt?
Er zijn totaal 874 aanvragen van de inmiddels circa 12.000 ingediende aanvragen afgewezen. De meest voorkomende redenen voor afwijzingen zijn: 1.) de opdracht valt buiten de periode waarvoor de regeling of terugwerkende kracht geldt of 2.) het ontbreken van een factuur en/of betaalbewijs. Er is niet specifiek zicht op hoe vaak het voorkomt dat een aanvraag wordt ingediend met een mondelinge offerte.
Krijgt u van gedupeerden soortgelijke signalen over andere regelingen omtrent verduurzaming, versterking en herstel in Groningen en Noord-Drenthe?
Nee, deze signalen heb ik nog niet eerder via gedupeerden ontvangen.
Erkent u dat deze signalen niet in de geest van Nijbegun passen, namelijk milder, menselijker en makkelijker?
De uitgangspunten voor de inrichting van het aanvraagproces zijn net als voor de rest van Nij Begun: milder, makkelijker en menselijker. Tegelijkertijd willen we misbruik voorkomen. Hiervoor zijn zeer minimale voorwaarden gehanteerd. Via verschillende kanalen wordt uitgelegd aan bewoners welke informatie zij moeten aanleveren voor een volledige aanvraag. Het is vervelend voor bewoners als hun aanvraag wordt afgewezen, maar in de gevallen dat het voorkomt is daar reden voor en goed uitlegbaar.
Deelt u de mening dat er vanuit vertrouwen beoordeeld moet worden en niet vanuit wantrouwen?
Ja, ik deel deze mening. Daarom hebben we ook zeer minimale voorwaarden gesteld. De beoordeling van aanvragen worden en zijn ook vanuit vertrouwen beoordeeld. Een aanvraag moet echter wel aan enkele voorwaarden voldoen om te zorgen dat de subsidie ook daadwerkelijk gaat naar bewoners die daar recht op hebben. Als bijvoorbeeld geen enkel bewijs is dat er een betaling heeft plaatsgevonden, dan kan niet gecontroleerd worden of het geld daadwerkelijk besteed is.
Hoe kijkt u, mocht dit vaker voorkomen, naar dit soort afwijzingen in het licht van het wantrouwen vanuit de Groningers en het doel om te handelen vanuit vertrouwen?
Ik vind het belangrijk dat bewoners een subsidie krijgen voor de noodzakelijke kosten die zij gemaakt hebben voor isolatie- en ventilatiemaatregelen op basis van de uitgangspunten die door Rijk en regio op 6 maart 2024 zijn vastgesteld en zoals in de regeling1 beschreven staan. Er is voldoende tijd en geld voor iedereen die in aanmerking komt voor deze subsidie. Door duidelijk en transparant met de bewoners te communiceren, en uit te leggen waarom een aanvraag bijvoorbeeld wordt afgewezen, merken we vaak dat bewoners dit goed begrijpen.
Wat is het afwijzingspercentage bij de SNN-regelingen? Wat zijn de meest voorkomende redenen voor afwijzing?
Tot nu toe zijn er circa 12.000 aanvragen ingediend en 7.427 aanvragen afgehandeld2 waarvan er 874 zijn afgewezen, wat neerkomt op een afwijspercentage van 11,77% van behandelde aanvragen. Er zijn 268 bewoners in bezwaar gegaan tegen de afwijzing, dit komt neer op een bezwaarpercentage van 30,66% binnen de groep van afwijzingen. Bij ontvangst van een bezwaar wordt er door SNN telefonisch contact opgenomen om een toelichting te geven op het besluit en wordt er aanvullende informatie opgevraagd.
De terugwerkende kracht geldt vanaf 25 april 2023; dit is de datum waarop maatregel 29 als onderdeel van de kabinetsreactie Nij Begun is gepubliceerd. Veel aanvragen worden afgewezen omdat de opdracht om de isolatiemaatregelen uit te voeren voor 25 april 2023 is verstrekt, of omdat op basis van de aangeleverde stukken niet kan worden vastgesteld wanneer deze verplichting is aangegaan. In het geval een bewoner in bezwaar gaat en alsnog kan aantonen dat de opdracht na 25 april 2023 is verstrekt, wordt het besluit vanzelfsprekend herzien en wordt de subsidie alsnog verleend.
Een andere veelvoorkomende reden voor afwijzing is dat (betaal)bewijzen van de uitgevoerde isolatie- en ventilatiemaatregelen ontbreken, onvolledig of onduidelijk zijn. Zo moet op een factuur met meerdere maatregelen te onderscheiden zijn welke kosten subsidiabel zijn. Ook hier geldt dat indien een bewoner dit in bezwaar alsnog kan aanleveren, het besluit wordt herzien.
Hoeveel bezwaarschriften worden er na een afwijzing ingediend? Wat zijn de meest voorkomende redenen voor een bezwaarschrift?
Zie antwoord vraag 7.
De Kamerbrief 'Evaluatie CO-stelsel - nadere informatie opvolging aanbevelingen'. |
|
Merlien Welzijn (NSC) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de oproep van VNO-NCW, MKB-Nederland en Techniek Nederland om het CO-stelsel werkbaarder te maken voor zzp’ers en kleine bedrijven, bijvoorbeeld via modulaire certificering, eenvoudiger verlengen van Vakmanschap-CO en het bundelen van audits?1
Ik ben bekend met de wens van Techniek Nederland en partijen binnen de sector om administratieve vereenvoudigingen in het stelsel zien voor zzp-ers en kleine bedrijven door te voeren. Zoals ik in mijn brief van 3 juli 2025 heb aangegeven, zijn hier binnen de sector ook initiatieven voor. Die juich ik toe.
De regelgeving biedt hier alle ruimte voor. Uitgangspunt is dat het stelsel goed werkbaar is voor alle typen bedrijven en dat bedrijven kunnen kiezen voor een certificatieschema dat het beste aansluit bij hun bedrijfsmodel. Bij aanvang van het stelsel zijn door de sector 3 certificatieschema’s opgesteld (InstallQ, Kiwa en de Nederlandse Haarden- en Kachelbranche). Op dit moment wordt door de sector gewerkt aan een nieuw certificatieschema, een schema specifiek voor zzp-ers en kleine bedrijven. Dit schema moet de uitvoering van het stelsel voor deze bedrijven eenvoudiger en goedkoper maken. Het is aan de Raad voor Accreditatie (RvA) en de Toelatingsorganisatie Kwaliteitsborging voor de Bouw (TloKB) om dit schema aan de wettelijke eisen te toetsen.
Welke stappen heeft u reeds gezet om deze oplossingsrichtingen te onderzoeken of te implementeren? Kunt u per maatregel aangeven of, en zo ja wanneer, hier actie op volgt?
Als onderdeel van de evaluatie van het CO-stelsel heb ik het eerder in 2017 en 2019 uitgevoerde regeldrukeffectenonderzoek laten actualiseren. Uit deze actualisatie en nadere analyses daarop is naar voren gekomen dat de extra regeldruk die zzp-ers ervaren vooral het gevolg is van aanvullende werkzaamheden die vanwege certificering worden verwacht (zoals uit te voeren metingen met vereiste apparatuur), de verplichte audits en kwaliteitsmanagement, en kosten in verband met het vereiste Vakmanschap CO. Deze uitkomsten heb ik voorgelegd aan betrokken schemabeheerders, certificerende instellingen en brancheorganisaties met de vraag waar vereenvoudigingen kunnen worden doorgevoerd. Daaruit is naar voren gekomen dat er op dit moment binnen de sector wordt gewerkt aan een nieuw specifiek certificatieschema voor zzp-ers en kleine bedrijven. Ook wordt gekeken naar mogelijke vereenvoudigingen in aangewezen certificatieschema’s (zie ook antwoord op vraag 1.
Verder heb ik vanuit de sector vernomen dat overeenstemming is bereikt over een praktisch uitvoerbare en laagdrempelige procedure voor het verlengen van het Vakmanschap CO. Hiermee wordt de verlenging van het Vakmanschap CO voor installateurs aanzienlijk eenvoudiger, met minder tijdsinvestering en kosten, maar met behoud van kwaliteit en veiligheid. Daarnaast is een zekere regeldruk inherent aan de keuze van een wettelijk stelsel. Zzp-ers moeten vaak wennen aan de verplichtingen die certificering met zich meebrengt. De verwachting is dat naarmate zij hier meer ervaring mee krijgen, de ervaren regeldruk als gevolg daarvan zal afnemen.
Bent u bereid in overleg met Techniek Nederland te verkennen hoe digitale oplossingen (bijvoorbeeld apps voor meldingen en audits) versneld kunnen worden ingezet om de administratieve lasten te verlagen?
Hier geef ik al uitvoering aan. Op dit moment kijk ik samen met Techniek Nederland naar de mogelijkheid om de melding van «bijna-ongevallen» via het Digitaal Stelsel Gebouwde Omgeving (DSGO; zie ook antwoord op vraag 11) te laten verlopen. Daarmee wordt het makkelijker voor installateurs om die meldingen door te geven.
Daarnaast is het zo dat de regelgeving alle ruimte aan de sector biedt om vereenvoudigingen via digitale hulpmiddelen in de uitvoeringspraktijk door te voeren. Door bij het stelsel betrokken partijen (waaronder ook Techniek Nederland) zijn hiervoor ook al apps ontwikkeld en beschikbaar gesteld. De administratieve lasten voor installateurs verminderen hierdoor.
Bent u bereid het gesprek tussen installatiebedrijven, schemabeheerders en certificerende instellingen actief te faciliteren, met een concrete opdracht om te komen tot vereenvoudiging van de bedrijfscertificering en vermindering van de administratieve lasten (waarbij kleinere bedrijven onevenredig hard worden geraakt door een gemiddelde kostenstijging van circa 25%)? Zo nee, waarom niet?»
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 1 en 2 heb aangegeven, heb ik hierover al met betrokken partijen gesproken. Er lopen op dit moment al initiatieven binnen de sector om de uitvoering voor met name zzp-ers en kleine bedrijven te vereenvoudigen binnen de wettelijke kaders om de veiligheid te kunnen blijven waarborgen.
Waarom ziet u af van het instellen van een onderhoudsplicht («APK») voor gasverbrandingsinstallaties, terwijl dit volgens de sector en de TLoKB een effectief middel zou zijn om de veiligheid van tienduizenden CV-ketels die nu buiten beeld blijven (40–45%) te verbeteren en gemeenten bovendien beter in staat stelt hun handhavende taak uit te voeren?
Zoals ik in mijn brief van 3 juli 2025 heb aangegeven geeft de evaluatie geen dringende aanleiding om onderhoud te verplichten. Uit de evaluatie blijkt namelijk dat circa 10–15% van de gasverbrandingsinstallaties nu niet wordt onderhouden. Het merendeel wordt dus wel onderhouden. Daarbij geven de onderzoekers aan dat er ook andere mogelijkheden zijn (bijvoorbeeld vergroten van bewustzijn) om deze groep te activeren om wel onderhoud te laten uitvoeren. Volgens jaarlijks door Kiwa Technologie in opdracht van Netbeheer Nederland uitgevoerd onderzoek, vertoont het aantal ongevallen met koolmonoxide ook een dalende tendens.
Net als afgelopen jaren bevorder ik periodiek onderhoud, in goede samenwerking met de Nederlandse Brandwondenstichting en Brandweer Nederland, via de jaarlijkse campagne Stop CO-vergiftiging. Komend stookseizoen intensiveer ik dit met de publiekscampagne Verbeterjehuis – duurzaam wonen.
Ziet u mogelijkheden om met de sector pilots te starten voor ketencertificering of collectieve certificering om zzp’ers te ontlasten zonder de veiligheidsdoelstellingen aan te tasten?
In gesprek met de sector heb ik aangegeven dat keten- of collectieve certificering (koepelcertificering) binnen het stelsel mogelijk is, mits daarmee de veiligheid even goed wordt geborgd als bij certificering van een groot bedrijf. Het is echter aan de sector om daar -indien gewenst- invulling aan te geven en voorstellen daarvoor voor te leggen aan de RvA en de TloKB. De RvA en de TloKB beoordelen of de uitwerking past binnen de eisen die vanuit accreditatie worden gesteld en of met de uitwerking voldaan wordt aan de inhoudelijke eisen van het CO-stelsel.
Bent u bereid om samen met VvE-Belang een praktisch handelingskader te ontwikkelen voor VvE’s, zodat zij hun verantwoordelijkheid voor collectieve rookgasafvoeren makkelijker kunnen organiseren, inclusief ondersteuning bij het benutten van SVn en Warmtefonds?
Dit handelingskader is sinds 2016 beschikbaar en in 2023 geactualiseerd vanwege het nieuwe wettelijke CO-stelsel2. Het betreft hier een uitvoerige handreiking voor VvE-besturen, VvE-beheerders, woningcorporaties en professionele private woningverhuurders en een informatieblad voor bewoners van gestapelde woningen. In de handreiking is ook aandacht voor de mogelijkheid voor VvE’s om een lening aan te gaan bij het Nationaal Warmtefonds en SVn. Ik ben voornemens deze handreiking en informatieblad in 2026 te actualiseren.
Kunt u aangeven op welke termijn het publieke register van gecertificeerde bedrijven en installateurs wordt gerealiseerd, zodat VvE’s en bewoners eenvoudig kunnen controleren of een partij gecertificeerd is?
Dit register is sinds de inwerkingtreding van het wettelijk CO-stelsel beschikbaar: Certificaathouder | Register Toelatingsorganisatie Kwaliteitsborging Bouw.
Deelt u de analyse van VNG en Techniek Nederland dat het gebrek aan handhaving op het CO-stelsel leidt tot oneerlijke concurrentie voor bonafide bedrijven en een veiligheidsrisico voor bewoners?
Uit de evaluatie is naar voren gekomen dat handhaving «achter de voordeur» voor gemeenten complex is en dat gemeenten hier verschillend uitvoering aan geven. Toezicht en handhaving is vooral reactief, op basis van meldingen van bijvoorbeeld gevaarlijke situaties. Ik ben in overleg met de VNG over de staat van het toezicht op de wettelijke bepalingen volgend uit het Besluit Bouwwerken leefomgeving (Bbl), waarbij ook het CO-stelsel wordt betrokken.
Ik ga overigens primair uit van naleving van de wettelijke bepalingen door alle partijen in het stelsel. Dus ook van de opdrachtgevers, die primair verantwoordelijk zijn voor het contracteren van een gecertificeerd bedrijf. Zij lopen in veel gevallen ook het veiligheidsrisico en zijn in overtreding wanneer ze de wet niet naleven.
Van oneerlijke concurrentie kan sprake zijn wanneer een niet-gecertificeerd bedrijf (toch) werkzaamheden uitvoert én daarvoor lagere kosten berekent dan een gecertificeerd bedrijf. Mij zijn geen cijfers bekend van niet-bonafide bedrijven die in de markt opereren. Zoals in mijn brief van 3 juli 2025 aangegeven zijn inmiddels circa 3.700 bedrijven gecertificeerd om deze werkzaamheden uit te mogen voeren. Dat zijn er meer dan bij aanvang van het stelsel verwacht. Dit betekent dat er voldoende keuze is voor consumenten om een gecertificeerd bedrijf te vinden. Met de jaarlijkse publieksvoorlichting vergroot ik het bewustzijn bij consumenten over de gevaren van koolmonoxide en de verplichting om voor werkzaamheden alleen een gecertificeerd bedrijf in te schakelen. Door consumenten hiervan bewust en alert te maken, worden niet-gecertificeerde bedrijven van de markt geweerd.
Kunt u concreet aangeven of en wanneer structurele middelen voor gemeenten beschikbaar worden gesteld om handhaving op het CO-stelsel op te schalen, en hoe u risicogestuurd toezicht wil organiseren?
Gemeenten hebben ruimte om zelf handhavingsbeleid vast te stellen en prioriteiten aan te brengen, dat kunnen zij risicogestuurd doen. Het Bbl bevat veel onderwerpen en regels waaraan in de bestaande voorraad moet worden voldaan. Met VNG en IPO wordt thans onderzoek voorbereid naar de staat van het toezicht op de bouwregelgeving in de bestaande bouw. Er zullen meerdere onderzoeken worden uitgevoerd. Hierbij wordt gekeken naar zowel de beschikbare financiële middelen voor toezicht (ook voor het CO-stelsel), als naar het beschikbare juridisch instrumentarium. Ook wordt gekeken naar het beleid en de uitvoering van het toezicht (zowel kwantitatief als kwalitatief) door het bevoegd gezag. Over de uitkomsten van deze onderzoeken en de vervolgstappen verwacht ik u in 2026 te kunnen informeren.
Hoe verhoudt de inzet op handhaving zich tot de plannen om via het Digitaal Stelsel Gebouwde Omgeving meldingen te vereenvoudigen? Wordt hiermee een deel van de administratieve last bij gemeenten weggenomen?
Het Digitaal Stelsel Gebouwde Omgeving (DSGO) maakt het mogelijk om meerdere betrokken partijen eenduidig en onmiddellijk te informeren, afhankelijk van de ernst van de melding. Dit draagt enerzijds bij aan de informatieplicht binnen het CO-stelsel en anderzijds aan het verminderen van de administratieve afhandeling en/of coördinatie bij handhaving door gemeenten. Hierdoor kunnen gemeenten sneller overgaan tot handhaving.
Met de komst van het DSGO is het nu mogelijk om datadelen in de gebouwde omgeving te organiseren op een veilige, betrouwbare en verifieerbare manier tussen private partijen onderling en tussen private en publieke partijen. Daarmee biedt DSGO toegevoegde waarde voor het CO-stelsel door datadelen tussen gemeente, installateurs, certificerende instellingen en registers van bijvoorbeeld de installatiebranche te organiseren.
Kunt u toezeggen dat in de monitoring structureel aandacht wordt besteed aan de regeldruk voor zzp/mkb, de kostenontwikkeling voor bewoners, de kwaliteit van handhaving en de bekendheid van bewoners en aannemers met het stelsel?
Regeldruk en kostenontwikkeling zijn voorafgaand aan het stelsel (in 2017 en 2019) en bij de evaluatie van het stelsel (in 2024) uitvoerig onderzocht. Daarbij zijn de effecten van het stelsel op alle onderdelen van certificatie en per type bedrijf in beeld gebracht. Daarbij is ook geconstateerd dat de sinds 2022 toegenomen kosten voor consumenten voor het grootste deel veroorzaakt zijn door in die periode gestegen lonen en materiaal- en grondstoffenprijzen en voor een veel beperkter deel door het CO-stelsel. Over deze uitkomsten heb ik u geïnformeerd. Aangezien hiermee al een goed beeld bestaat van de regeldruk vanwege het CO-stelsel, zie ik geen aanleiding de regeldruk en kostenontwikkeling structureel te blijven onderzoeken. Daarbij speelt ook mee, zoals ik in mijn antwoord op vraag 2 al heb aangegeven, dat het de verwachting is dat zzp-ers en kleine bedrijven steeds meer bekend raken met hetgeen bij certificering van hen wordt verwacht en dat als gevolg daarvan de regeldruk zal afnemen.
Bekendheid onder bewoners met het CO-stelsel vergroot ik via de gerichte publiekscampagne Stop CO-vergiftiging (zie ook mijn antwoorden op vraag 5 en 13. Daarbij wordt tevens de effectiviteit van de ingezette campagnemiddelen gemeten. Daarnaast ga ik binnenkort in overleg met brancheorganisaties voor dakdekkers en aannemers in de bouw, met als doel ook binnen deze sectoren de bekendheid met het CO-stelsel te vergroten. Tijdens dit overleg bespreek ik tevens op welke wijze deze bekendheid binnen de branches gemonitord kan worden. Zoals in mijn antwoord op vraag 10 aangegeven is de kwaliteit van handhaving onderwerp van nader met de VNG en IPO uit te voeren onderzoek.
Bent u bereid de publieksvoorlichting over het CO-stelsel (zoals Verbeterjehuis en Stop CO-vergiftiging) te combineren met concrete uitleg over het recht op gecertificeerde installateurs, om bewoners in staat te stellen actief te kiezen voor veiligheid?
Met de jaarlijkse publieksvoorlichting over het CO-stelsel worden consumenten, behalve over de gevaren van koolmonoxide en hoe koolmonoxidevergiftiging te voorkomen, ook geïnformeerd over de verplichting om een gecertificeerd installatiebedrijf in te schakelen. Daarbij wordt bekendheid gegeven over het CO-vrij logo dat deze bedrijven voeren en waar deze bedrijven te vinden zijn (zie ook antwoord vraag 8).
Kunt u per genoemde oplossingsrichting aangeven of u bereid bent deze op te pakken, en zo ja binnen welk tijdspad? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoorden hiervoor.
Kunt u deze vragen binnen de gestelde termijn één voor één beantwoorden?
Ja, dat heb ik gedaan.
Het bericht ‘Fiscaal beleid bedreigt onze weerbaarheid op zee’ |
|
Wendy van Eijk-Nagel (VVD), Ruud Verkuijlen (VVD) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Fiscaal beleid bedreigt onze weerbaarheid op zee» in het FD van 25 augustus 2025?
Ja.
Klopt het dat de Nederlandse implementatie van de Global Tax Deal (Pijler 2) de beleidsdoelen van de tonnageregeling deels ondergraven? Bereiken u signalen dat Pijler 2 leidt tot bijheffing bij ondernemingen die de tonnageregeling toepassen? Zo nee, kunt u navraag doen bij de Belastingdienst en bij de sector?
De Wet minimumbelasting 2024 is op 31 december 2023 in werking getreden. Met deze wet is een minimumbelasting ingevoerd om te bewerkstelligen dat multinationale en binnenlandse groepen met een omzet van € 750 miljoen of meer ten minste effectief 15% belasting over hun winst betalen. Met deze wet is Richtlijn (EU) 2022/2523 (EU-richtlijn minimumniveau van belastingheffing) geïmplementeerd.1 Deze richtlijn is gebaseerd op de modelregels van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) zoals aangenomen door het Inclusive Framework on BEPS (IF) op 14 december 20212 en komt daarmee in hoofdzaak overeen. Na publicatie van deze modelregels is het IF in februari 20233, juli 20234, december 20235, juni 20246 en januari 20257 administratieve richtsnoeren overeengekomen.8
Het doel van de minimumbelasting is tweeledig. Ten eerste beoogt de minimumbelasting de prikkel voor bedrijven om winst te verschuiven naar laagbelastende staten te verminderen. Ten tweede beoogt de minimumbelasting een ondergrens te stellen aan de belastingconcurrentie tussen staten. Hiermee moet de race naar de bodem in de winstbelasting worden voorkomen en een gelijker speelveld worden gecreëerd voor internationaal opererende bedrijven. Naar de mening van het kabinet is een minimumbelasting in een zo groot mogelijk internationaal verband doeltreffend omdat hierdoor een ondergrens wordt gesteld aan belastingconcurrentie, waardoor het voordeel van kunstmatige winstverschuiving sterk wordt verkleind.
De winst uit scheepvaart wordt op verzoek van de belastingplichtige, in afwijking van het algemene systeem van winstbepaling in de inkomsten- en vennootschapsbelasting, op basis van de tonnageregeling forfaitair bepaald. Uitgangspunt hierbij vormt de tonnage van de schepen waarmee die winst wordt behaald. Als voor de tonnageregeling wordt gekozen, geldt de regeling voor een periode van tien jaar. Doelstelling van deze regeling is het versterken van het maritieme cluster, het bevorderen van werkgelegenheid verbonden aan het varen onder Nederlandse vlag en het versterken van de Nederlandse concurrentiepositie. De regeling is over de periode 2014–2019 geëvalueerd.9 Uit de evaluatie volgt dat de tonnageregeling, ondanks dat het statistisch lastig aan te tonen is, doeltreffend en doelmatig is.
Bijheffing van de minimumbelasting is alleen aan de orde indien het effectieve belastingtarief in een staat lager is dan het minimumbelastingtarief van 15%. De berekening van het effectieve belastingtarief vindt – kort gezegd – plaats door de zogenoemde gecorrigeerde betrokken belastingen te delen door het netto kwalificerende inkomen. De Wet minimumbelasting 2024 voorziet bij de berekening van het effectieve belastingtarief in een vrijstelling voor inkomen uit zowel de internationale scheepvaart, als uit gekwalificeerde nevenactiviteiten in de internationale scheepvaart. De Wet minimumbelasting 2024 sluit – conform de OESO-modelregels voor de definitie van «internationale scheepvaart» – aan bij de definitie van artikel 8 OESO-modelverdrag en het commentaar daarop. De vrijstelling voor internationale scheepvaart is daarmee wereldwijd eenduidig geobjectiveerd en werkt daardoor hetzelfde voor alle internationale scheepvaartondernemingen in de wereld die onder de reikwijdte van de minimumbelasting vallen. Doordat deze definitie voor alle internationale scheepvaartondernemingen hetzelfde doorwerkt, is er een gelijk speelveld op dit vlak. Deze definitie is echter beperkter dan de definitie van «winst uit zeescheepvaart» voor de toepassing van de tonnageregeling voor de inkomsten- en vennootschapsbelasting. Door verschillen tussen de genoemde definities kan inkomen uit zeescheepvaart voor de berekening van de bijheffing worden meegenomen in het kwalificerende inkomen (de noemer van de breuk) terwijl daar – door toepassing van de bredere tonnageregeling – beperktere vennootschapsbelasting (de teller van de breuk) tegenover staat. Hierdoor kan het mogelijk voorkomen dat in enkele specifieke situaties, gebruikers van de tonnageregeling geraakt worden door de minimumbelasting. In hoeverre er sprake is van belastingplichtigen die gebruik maken van de tonnageregeling en daardoor geraakt worden door de minimumbelasting is op dit moment nog niet bekend. Meer inzicht in deze gegevens is mogelijk op het moment dat de multinationale en binnenlandse groepen de bijheffing-informatieaangifte voor de minimumbelasting doen. De bijheffing-informatieaangifte bevat de hoogte van de bijheffing per staat. Voor de toepassing van de minimumbelasting dient de eerste bijheffing-informatieaangifte uiterlijk 30 juni 2026 ingediend te worden. De termijn voor het indienen van de eerste belastingaangifte voor de minimumbelasting is uiterlijk 31 augustus 2026. Wanneer de aangiftegegevens voorhanden zijn, zullen de gevolgen van de minimumbelasting voor Nederland in de jaarlijkse monitoringsbrief worden betrokken.10 Daarnaast is de verwachting dat ook de OESO de implementatie van de minimumbelasting in de verschillende jurisdicties zal monitoren.
In dit kader is ook van belang dat bij de Kamerbehandeling van de Wet minimumbelasting 2024 eveneens aandacht is gevraagd voor de samenloop tussen de tonnageregeling en de minimumbelasting.11 Een van de onderwerpen waarover het IF mogelijke additionele administratieve richtsnoeren heeft aangekondigd, is de mogelijkheid van een industriespecifieke uitleg voor het uitgesloten inkomen op basis van reële aanwezigheid. Het uitgesloten inkomen op basis van reële aanwezigheid is het inkomen dat geen onderdeel is van de grondslag voor de bijheffing. In dat kader heeft het vorige kabinet het belang van een sterke maritieme sector onderschreven en aangegeven bereid te zijn op te trekken met andere IF-lidstaten om te komen tot een billijke oplossing voor ondernemingen die gezien de aard van hun bedrijfsactiviteiten wereldwijd actief zijn.12 Momenteel hebben andere onderwerpen binnen het IF echter prioriteit, maar mocht hier meer duidelijkheid over komen, dan zal de Tweede Kamer hierover worden geïnformeerd.
Klopt het dat de tonnageregeling leidt tot stabiele budgettaire opbrengsten uit de zeescheepvaart? Is deze stabiliteit en zekerheid wenselijk voor zowel het Ministerie van Financiën als voor ondernemers?
Jaarlijks maken ongeveer 600 belastingplichtigen gebruik van de tonnageregeling in de vennootschapsbelasting. Zij kunnen op basis van de tonnageregeling aanspraak maken op een stabiele belastingheffing, die forfaitair wordt bepaald op basis van de tonnage van de schepen (ongeacht of er daadwerkelijk sprake is van winst of verlies). De belastingopbrengst van de tonnageregeling zelf is, met ongeveer € 4 miljoen tot € 5 miljoen, zeer beperkt. De betaalde vennootschapsbelasting door deze bedrijven, die tevens aanspraak maken op de tonnageregeling, is echter aanmerkelijk hoger. Deze belastingplichtigen betaalden gezamenlijk in de periode 2016–2019 gemiddeld € 26 miljoen per jaar aan vennootschapsbelasting over de activiteiten die niet rechtstreeks onder de tonnageregeling vallen. Dit laatste bedrag is in de periode 2020–2022 gestegen naar € 92 miljoen per jaar vanwege enkele nieuwe bedrijven die in deze periode gebruik zijn gaan maken van de tonnageregeling.
Bent u het ermee eens dat het onwenselijk is dat beleidsdoelen van één stuk belastingwetgeving worden ondergraven door een ander stuk belastingwetgeving?
Met de tonnageregeling wordt invulling gegeven aan de mogelijkheid om steun te verlenen aan ondernemingen die actief zijn in scheepvaart. Het doel van de tonnageregeling is het versterken van het maritieme cluster, het bevorderen van werkgelegenheid verbonden aan het varen onder Nederlandse vlag en het versterken van de Nederlandse concurrentiepositie. De minimumbelasting strekt tot implementatie van de EU-richtlijn minimumniveau van belastingheffing, die gebaseerd is op de OESO-modelregels en voorziet in een bijheffing als in een staat effectief te weinig winstbelasting is betaald. Het doel van de minimumbelasting is de prikkel voor bedrijven om winst te verschuiven naar laagbelastende staten te verminderen en een ondergrens te stellen aan belastingconcurrentie tussen staten. Het kabinet onderschrijft beide doelen en is van mening dat beide doelen naast elkaar kunnen bestaan. Daarbij houdt het kabinet uiteraard oog voor het behoud van een internationaal gelijk speelveld en het EU-concurrentievermogen.
Wat is de directe en wat is de indirecte impact van het eventuele vertrek van de Nederlandse rederijen die onder de reikwijdte van Pijler 2 vallen voor de belastingopbrengsten? Kan dit worden uitgesplitst per belastingmiddel (Vpb, IB, loonbelasting, omzetbelasting, etc.)?
Van de ongeveer 600 vennootschapsbelastingplichtigen die gebruikmaken van de tonnageregeling zijn circa 50 vennootschapsbelastingplichtigen onderdeel van een groep met een wereldwijde omzet van € 750 miljoen of meer waardoor zij mogelijk onder de reikwijdte van de minimumbelasting vallen. Dit betekent echter niet dat deze belastingplichtigen per definitie bijheffing op grond van de Wet minimumbelasting 2024 zijn verschuldigd. Dit is alleen het geval als er laagbelaste entiteiten onderdeel uitmaken van deze groep. Zoals beschreven in het antwoord op vraag 2, kan het mogelijk voorkomen dat in enkele specifieke situaties deze vennootschapsbelastingplichtigen die gebruikmaken van de tonnageregeling geraakt worden door de minimumbelasting. Het exacte aantal is echter niet bekend. In 2022 betaalde deze groep van circa 50 vennootschapsbelastingplichtigen € 62 miljoen aan vennootschapsbelasting. Deze belastingplichtigen vielen niet onder de reikwijdte van de inkomstenbelasting. Daarnaast hadden deze belastingplichtigen ongeveer 24.000 werknemers in Nederland dienst, waarvoor zij € 367 miljoen aan loonbelasting afdroegen. De diensten die Nederlandse rederijen exterritoriaal, of in het buitenland verrichten, vallen hiervoor in de regel onder het btw-nultarief of zijn niet belastbaar in Nederland. Het gevolg is dat een eventueel vertrek een verwaarloosbaar effect heeft op de btw-inkomsten.
Zoals ik heb aangegeven in mijn antwoord op vraag 3, is het directe effect van de tonnageregeling (€ 4 tot € 5 miljoen) ten opzichte van de totale vennootschapsbelasting beperkt. Voor de vennootschapsbelastingplichtigen die onderdeel zijn van een groep met een wereldwijde omzet van € 750 miljoen of meer bedraagt de opbrengst van de tonnageregeling ongeveer € 1 miljoen. Het belang van belastingopbrengsten van deze groep belastingplichtigen ziet dan ook met name op de overige activiteiten, alsmede de werkgelegenheid met daarin de opbrengsten aan loonbelasting. Omdat op dit moment niet duidelijk is in hoeverre vennootschapsbelastingplichtigen die gebruikmaken van de tonnageregeling geraakt zullen worden door de Wet minimumbelasting 2024, kan er ook geen inschatting gemaakt worden over welk deel van de activiteiten door rederijen meegenomen zou worden bij een vertrek uit Nederland.
Wat zijn de (on)mogelijkheden rondom de in het bericht gesignaleerde oplossingsrichtingen, te weten het uitsluiten van de tonnageregeling van de Wet minimumbelasting 2024, het invoeren van (qualified refundable) tax credits of het benutten van de substance-based income inclusion voor de sector? Wat zou voor elke optie de budgettaire derving zijn? Kan dit vóór de geplande evaluatie van de scheepvaartregelingen, bij voorkeur per ultimo 2025, nader uitgewerkt worden?
In het FD-bericht «Fiscaal beleid bedreigt onze weerbaarheid op zee» van 25 augustus 2025 wordt allereerst het opnemen van een uitzondering voor de tonnageregeling in de Wet minimumbelasting 2024 genoemd. Zoals ik heb beschreven in mijn antwoord op vraag 2, voorziet de Wet minimumbelasting 2024 bij de berekening van het effectieve belastingtarief in een vrijstelling voor inkomen uit zowel de internationale scheepvaart, als uit gekwalificeerde nevenactiviteiten in de internationale scheepvaart. Dit is vastgelegd in artikel 6.12 Wet minimumbelasting 2024. Dit artikel implementeert artikel 17 van EU-richtlijn minimumniveau van belastingheffing. Die bepaling sluit conform de OESO-modelregels voor de definitie van «internationale scheepvaart» aan bij de definitie van artikel 8 OESO-modelverdrag en het commentaar daarop. De vrijstelling voor internationale scheepvaart is daarmee wereldwijd eenduidig geobjectiveerd en werkt daardoor hetzelfde voor alle internationale scheepvaartondernemingen in de wereld die onder de reikwijdte van de minimumbelasting vallen. Deze definitie is echter beperkter dan de definitie van «winst uit zeescheepvaart» voor de toepassing van de tonnageregeling voor de inkomsten- en vennootschapsbelasting. Hierbij wordt opgemerkt dat de OESO-modelregels mondiaal zijn vastgesteld en doeltreffend zijn wanneer deze in een zo groot mogelijk internationaal verband uniform worden geïnterpreteerd. Het maken van additionele uitzonderingen in Europees verband zou een averechts effect hebben gehad op de werking van deze regels en zou afbreuk hebben gedaan aan het creëren van een gelijk speelveld. Daarnaast is ook voor de kwalificatie van de nationale regels over de minimumbelasting in het OESO peer review proces van belang dat de OESO-modelregels eenduidig zijn geïmplementeerd.
De tweede oplossingsrichting die in het FD-bericht wordt beschreven, ziet op de invoering van kwalificerende belastingtegoeden in de winstbelasting voor ondernemingen die gebruikmaken van de tonnageregeling. Dit zou in theorie tot een verlaging van de belastingdruk kunnen leiden. Echter, zoals uiteengezet in de brief van 25 oktober 2024 van een van mijn ambtsvoorgangers, is bij de invoering van dergelijke tegoeden een zorgvuldige afweging vereist waarbij rekening moet worden gehouden met de vormgeving, de uitvoerbaarheid, de juridische houdbaarheid (inclusief de internationale en Europese kaders) en de budgettaire gevolgen.13 Bovendien bestaat de kans dat als een dergelijk belastingtegoed neerkomt op een rechtstreekse compensatie van de geheven minimumbelasting, dit tegoed door het IF als een onwenselijk verbonden voordeel («related benefit») zou worden aangemerkt. Dit zou het effect van het belastingtegoed weer teniet kunnen doen en zelfs nadelige gevolgen kunnen hebben voor de kwalificerende status van de Nederlandse maatregelen over de minimumbelasting.14
Als laatste wordt in het FD-bericht verwezen naar het uitgesloten inkomen op basis van reële aanwezigheid waardoor de verschuldigde bijheffing onder de minimumbelasting kan worden beperkt. Het uitgesloten inkomen op basis van reële aanwezigheid voor een groepsentiteit wordt bepaald aan de hand van de loonkosten van de werknemers die in de staat van de desbetreffende groepsentiteit activiteiten verrichten alsmede aan de hand van de materiële activa die in de staat van de desbetreffende groepsentiteit zijn gelegen. Voor ondernemingen in de maritieme sector die wereldwijd actief zijn, kan het daarom moeilijk zijn om te voldoen aan deze voorwaarden voor het uitgesloten inkomen op basis van reële aanwezigheid. Binnen het IF is dit punt mede op verzoek van Nederland onder de aandacht gebracht met de bedoeling om tot een billijke oplossing te komen voor ondernemingen die gezien de aard van hun bedrijfsactiviteiten wereldwijd actief zijn. Momenteel hebben andere onderwerpen binnen het IF echter prioriteit, maar mocht hier meer duidelijkheid over komen, dan zal de uw Kamer hierover worden geïnformeerd.
Hoe verhoudt de eventueel verloren belasting bij het vertrek van rederijen uit Nederland zich tot de budgettaire derving van de verschillende gesignaleerde beleidsopties?
De heffing voor de minimumbelasting wordt bepaald over het netto kwalificerend inkomen van alle in Nederland gevestigde groepsentiteiten in een verslagjaar waarbij rekening wordt gehouden met het uitgesloten inkomen op basis van reële aanwezigheid. Zoals uiteengezet in voorgaande antwoorden, hebben de vennootschapsbelastingplichtigen die gebruikmaken van de tonnageregeling en die onderdeel zijn van een groep met een wereldwijde omzet van € 750 miljoen ook activiteiten die niet rechtstreeks onder de tonnageregeling vallen. Deze groep wordt dus naast de tonnageregeling voor hun andere activiteiten belast op basis van de normale vennootschapsbelastingregels. Omdat groepen dus ook winsten hebben die in Nederland tegen een hoger effectief tarief dan 15% worden belast, betekent dit dat slechts in enkele specifieke gevallen het effectieve belastingtarief onder de 15% komt. Bij hoeveel belastingplichtigen hiervan sprake is, is op dit moment niet met zekerheid te zeggen. Met de eerste (belasting)aangiftes, die naar verwachting volgend jaar zullen worden ingediend, zal daar inzicht in ontstaan. Bovendien hoeft een vertrek van een rederij uit Nederland niet te betekenen dat in het geheel geen groepsentiteiten in Nederland achterblijven die belastingplichtig zijn en blijven voor de minimumbelasting.
Hoe beoordeelt u de kwalificatie dat de Nederlandse zeescheepvaart van belang is voor de weerbaarheid van Nederland?
De Nederlandse zeescheepvaart is van belang voor de weerbaarheid van Nederland. De zeevaartsector draagt bij aan het borgen van nationale strategische belangen en autonomie, in de context van klimaatadaptatie, energietransitie, maar ook militaire veiligheid en bescherming van vitale infrastructuur op zee. De zeevaart is een belangrijke schakel in het hele maritieme cluster. Ook gelet op de huidige geopolitieke situatie, draagt een robuuste zeevaartsector bij aan de veerkracht van Nederland bij crisissituaties. Maritieme infrastructuur, zeeschepen en havens zijn bijvoorbeeld cruciaal voor het transport van militair materieel en personeel. Daarnaast dragen Nederlandse gevlagde schepen, maritieme kennis en technologieën bij aan de maritieme veiligheid en defensiecapaciteiten.
Het bericht 'Aanpak illegale goksites faalt: Kansspelautoriteit zet deurwaarders in' |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Aanpak illegale goksites faalt: Kansspelautoriteit zet deurwaarders in»?1
Ja.
Kunt u reflecteren op noodkreet van de Kansspelautoriteit aan de politiek, omdat het nog steeds niet lukt om illegale goksites offline te krijgen?
Ik onderschrijf de wens van de Kansspelautoriteit (Ksa) voor een aanvullend instrumentarium waarmee websites van illegale aanbieders kunnen worden geblokkeerd of offline kunnen worden gehaald. Zoals de Staatssecretaris Rechtsbescherming in de brief van 14 februari jl. aan uw Kamer heeft uiteengezet, is het bestrijden van illegaal aanbod als expliciete doelstelling in het hernieuwde kansspelbeleid verankerd.2 Daarbij gaat het naast de handhaving van de geldende wet- en regelgeving, waar illegale aanbieders zich aan onttrekken, juist ook om de bescherming van spelers tegen gokgerelateerde schade. Er zijn geen waarborgen voor bescherming bij illegale aanbieders. Het is daarnaast aannemelijk dat probleemspelers relatief vaker gokken bij het illegale aanbod, terwijl juist zij extra bescherming behoeven.3
De Ksa en ik geven dan ook prioriteit aan het tegengaan van illegaal aanbod. In dat kader werk ik aan de uitbreiding van de bevoegdheden van de Ksa om illegale aanbieders aan te pakken, zoals geschetst in de brief van mijn ambtsvoorganger van 14 februari jl. Naast instrumenten voor het blokkeren van websites, kijk ik daarbij ook naar aanpassing van wet- en regelgeving zodat de Ksa effectiever derde partijen, zoals internetserviceproviders of betaaldienstverleners, kan aanspreken op het aanbieden van hun diensten aan illegale aanbieders.4
De Ksa ontwikkelt momenteel ook binnen het huidige wettelijke kader andere methoden om het aanbod van illegale aanbieders terug te dringen. Daarvoor zoekt de Ksa actief de samenwerking op met partijen zoals de financiële sector, gokspelleveranciers, internetbedrijven, sociale mediaplatforms, collega-toezichthouders, vertegenwoordigers van vergunninghouders en affiliates. Deze samenwerking, genaamd de Alliantie ter bestrijding van illegale kansspelen, richt zich met name op het frustreren van de infrastructuur die de illegale online aanbieders gebruiken om hun illegale diensten aan te bieden.
Hoe beoordeelt u het feit dat de Kansspelautoriteit nu zelfs deurwaarders moet inschakelen om illegale online goksites aan te pakken?
De Ksa beschikt over een breed handhavingsinstrumentarium en kan in voorkomende gevallen kiezen voor het opleggen van een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete. In de praktijk blijkt echter dat illegale aanbieders vaak geen gehoor geven aan hun betalingsverplichtingen. Het is daarom passend dat de Ksa in die gevallen deurwaarders inzet om inning alsnog te realiseren. Met deze aanpak probeert de Ksa alsnog onbetaalde boetes ingevorderd te krijgen. Tegelijkertijd leert de praktijk dat het opleggen van lasten onder dwangsom en bestuurlijke boetes tijdintensief zijn. Daarbij komt dat illegale aanbieders zich vestigen in jurisdicties waar zij lastig te bereiken zijn en verschuilen zij zich achter complexe bedrijfsstructuren. Dit onderstreept het belang van de in het antwoord op vraag 2 geschetste aanpak gericht op het ontoegankelijk maken van illegaal aanbod, in plaats van uitsluitend repressief optreden zoals het geval is bij de inning van boetes.
Wat vindt u ervan dat illegale goksites de opgelegde boetes vaak niet betalen en zich hiervan weinig aantrekken?
Het is onwenselijk dat illegale aanbieders hun betalingsverplichtingen met betrekking tot de door de Ksa opgelegde boetes niet nakomen. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3, is het in de praktijk lastig om met boetes de illegaliteit effectief te bestrijden.5 Deze boetes kunnen dan ook vaak niet worden geïnd. Daarom richt de Ksa zich zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 niet alleen op de aanbieders zelf, maar ook op de infrastructuur die de illegale online aanbieders gebruiken.
Wat zijn de gevolgen als illegale goksites nalaten om boetes te betalen die zijn opgelegd door de Kansspelautoriteit?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat, als boetes geen afschrikwekkend effect hebben, er zwaardere instrumenten nodig zijn om illegale goksites offline te halen en uit Nederland te weren? Zo ja, welke extra maatregelen gaat u nemen?
Ik deel deze mening. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, werk ik in dit kader aan instrumenten voor het blokkeren van websites en aanpassing van wet- en regelgeving zodat de Ksa effectiever derde partijen kan aanspreken.
Hoe wordt gewaarborgd dat Nederlandse gedupeerden die geld zijn verloren aan illegale online gokbedrijven, dit kunnen terugvorderen? Geldt dit ook voor illegale gokbedrijven die zijn gevestigd op Malta?
Spelers die financiële schade lijden als gevolg van deelname aan illegale online kansspelen kunnen zich tot de rechter wenden om hun vorderingen aanhangig te maken. Het uitgangspunt is dat de Staat zich niet mengt in geschillen over civielrechtelijke verhoudingen tussen een (illegale) kansspelaanbieder en de speler. De beoordeling en afwikkeling van dergelijke geschillen is voorbehouden aan de rechterlijke macht.
De Staatssecretaris Rechtsbescherming heeft eerder zijn zorgen geuit over de onverenigbaarheid van de Maltese Bill 55 met het Unierecht.6 Naar aanleiding hiervan is de Europese Commissie op 18 juni jl. een formele inbreukprocedure tegen Malta gestart. De termijn van twee maanden waarbinnen Malta op de aanmaning van de Europese Commissie diende te reageren, is inmiddels verstreken. Het is nu aan de Europese Commissie om te beoordelen of de reactie van Malta toereikend is. Zo niet, dan kan de Europese Commissie een met redenen omkleed advies uitbrengen. Indien er dan alsnog geen afdoende reactie volgt, kan de zaak worden verwezen naar het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Bent u het ermee eens dat een van de bedoelingen van de Wet kansspelen op afstand, namelijk het terugdringen van illegaal online gokaanbod, niet is gehaald, nu nog steeds 9% van de gokkers speelt op illegale sites en de helft van de uitgaven in de online gokwereld naar illegale sites gaan?
Het voornaamste doel van de Wet kansspelen op afstand (Wet koa) was om spelers te beschermen door een betrouwbaar en vergund aanbod beschikbaar te stellen. Het volledig terugdringen van de illegale markt was daarbij geen doelstelling. De evaluatie van de Wet koa levert een zorgelijk beeld op van de beperkte bescherming tegen de risico’s van online gokken. Om de bescherming te realiseren en illegaliteit beter tegen te gaan zijn wijzigingen van wet- en regelgeving nodig, zoals aangekondigd in de brief van 14 februari jl. van de Staatssecretaris Rechtsbescherming. De systeemanalyse van TNO die mijn ambtsvoorganger toen aan uw Kamer heeft gezonden laat daarbij zien dat het volledig terugdringen van illegaal aanbod niet realistisch is.7
Hoe kijkt u naar de aanpak in landen als Frankrijk en Duitsland, waar jaarlijks honderden illegale goksites offline worden gehaald?
Bij de aanpak van het illegale aanbod, waaronder het ontoegankelijk maken van webpagina’s van illegale aanbieders, kijken de Ksa en ik ook naar ervaringen in andere landen, waaronder Frankrijk en Duitsland. De Franse toezichthouder, l'Autorité Nationale des Jeux (ANJ), beschikt bijvoorbeeld over de bevoegdheid om internetserviceproviders te verzoeken illegale goksites te blokkeren. Daartoe dient de ANJ eerst een «formal notice» te versturen, waarin zij vraagt de desbetreffende goksite vanuit Frankrijk ontoegankelijk te maken. Indien de illegale aanbieder niet binnen vijf dagen aan dit verzoek voldoet, kan de ANJ internetserviceproviders verplichten tot blokkering van de goksite. De Duitse toezichthouder, Gemeinsame Glücksspielbehörde der Länder (GGL), heeft de bevoegdheid om IP-adressen en betalingsverkeer van online casino’s zonder vergunning te blokkeren. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, werk ik aan aanvullend wettelijk instrumentarium voor het blokkeren van illegale goksites. Daarbij maak ik gebruik van de ervaringen uit deze landen.
In het kader van Europese samenwerking in het beschermen van mensen tegen gokschade en in de bestrijding van illegaal aanbod heeft de Ksa daarnaast op 8 en 9 september jl. de Player Protection Conference 2025 georganiseerd. De conferentie had kennisuitwisseling als doel en er werd gekeken naar hoe verschillende Europese toezichthouders kunnen samenwerken om spelers beter te beschermen en de infrastructuur van illegale aanbieders te frustreren. Om deze samenwerking verder te vorm te geven, heeft de Ksa met negen andere toezichthouders een werkgroep opgericht om gezamenlijk het illegale aanbod te bestrijden. Naast het uitwisselen van best practices wordt ook gewerkt aan concrete acties, bijvoorbeeld richting betaaldienstverleners of marketingpartijen. Dergelijke initiatieven steun ik van harte.
Welke maatregelen nemen deze Europese landen wel, die in Nederland niet worden toegepast?
Zie antwoord vraag 9.
Bent u bereid om, zoals de Kansspelautoriteit vraagt, maatregelen te nemen om goksites sneller offline te halen en zo ja, welke stappen gaat u zetten?
Zie antwoord op vraag 2.
Het opstappen van de staatssecretaris van Financiën (Herstel en Toeslagen) |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Dick Schoof (minister-president ) (INDEP) |
|
|
|
|
Welke boodschap heeft u aan toeslagenouders en -kinderen die nu wederom in verdere onzekerheid worden gestort doordat er weer een verantwoordelijk bewindspersoon opstapt?
Wat betekent dit voor het oplossen van het toeslagenschandaal en de problemen van ouders en kinderen? Kunt u garanderen dat deze oplossingen geen verdere vertraging oplopen door de politieke chaos die dit kabinet heeft veroorzaakt?
Wat gaat uw kabinet doen om te voorkomen dat het wantrouwen richting de overheid en uw kabinet nog verder zal toenemen onder deze ouders en kinderen door het opstappen van de Staatssecretaris?
Wanneer komt er weer een Staatssecretaris op deze post?
Kunt u voor alle verschillende routes voor mensen voor het oplossen van het toeslagenschandaal gespecificeerd uiteenzetten hoe de planning loopt? Is er vertraging?
Loopt de uitvoering zoals gepland? Verwacht u vertraging door het opstappen van de NSC-bewindslieden en het inwerken van een nieuwe bewindspersoon?