Het bericht dat tanken in Nederland veel duurder is dan in de rest van Europa |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Pijn aan de pomp: waarom is tanken in Nederland toch zo veel duurder dan in de rest van Europa?»1
Hoe verhouden de Nederlandse brandstofprijzen aan de pomp zich tot de rest van Europa? Kunt u daarbij een onderscheid maken tussen benzine, diesel en lpg?
Kunt u een geheel overzicht verstrekken van de brandstofaccijnzen per EU-land en daarbij een onderscheid maken tussen benzine, diesel en lpg? Graag een toelichting hierop.
Klopt het dat de verschillen tussen de brandstofprijzen in Nederland en de rest van de EU voornamelijk worden verklaard door belastingen? Zo ja, deelt u de mening dat de Nederlandse belastingen op brandstoffen doorgeschoten zijn? Zo nee, hoe verklaart u dan deze verschillen?
Klopt het dat óók over de brandstofaccijns belasting over de toegevoegde waarde (btw) wordt geheven? Zo ja, beschouwt u accijnzen als toegevoegde waarde? Zo nee, waarom heft u dan belasting over belasting? Graag een toelichting op uw antwoord.
Hoeveel belastinginkomsten haalt de overheid jaarlijks op met belastingen op benzine, diesel en lpg? Graag een overzicht van de laatste 15 jaar, uitgesplitst naar accijns en btw.
Klopt het dat hogere brandstofprijzen leiden tot hogere belastinginkomsten voor de Nederlandse overheid en vervolgens leiden tot hogere EU-afdrachten? Graag een toelichting.
Bent u het eens met de conclusie dat hogere brandstofprijzen leiden tot een verslechtering van de koopkracht van burgers en dat lagere accijnzen deze verslechtering van de koopkracht dempen? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat het Kwartje van Kok in 1991 als tijdelijke en niet als permanente maatregel is ingevoerd? En klopt het dat deze accijns nog steeds wordt geheven? Zo ja, bent u van mening dat de Nederlandse overheid hiermee de burger al 35 jaar heeft voorgelogen en dat hierdoor de betrouwbaarheid van de overheid ernstig wordt aangetast? Graag een toelichting op uw antwoord.
Bent u het ermee eens dat een verlaging van de brandstofaccijns met 25 cent per liter leidt tot een koopkrachtverbetering van de Nederlandse burger? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid de brandstofaccijnzen met 25 cent per liter te verlagen, zodat Nederlanders niet in de knel komen?
Het stijgend aantal mensen dat financieel in de problemen komt |
|
Wimar Bolhuis (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66), Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het nieuwsbericht «Nibud: huishoudens zeggen vaker financieel in de knel te komen» van de NOS en het rapport «Geldzaken in de praktijk 2026» van het Nibud, waar dit nieuwsbericht over gaat?1
Ja
Het Nibud-onderzoek laat zien dat, na jaren van een daling van geldzorgen, er voor het eerst een grotere groep is van mensen die moeite hebben om rond te komen: welke verklaringen ziet u hiervoor?
Het Nibud-onderzoek laat zien dat geldzorgen vooral zijn toegenomen bij jongvolwassenen van 18 tot 30 jaar. Voor verklaringen en maatregelen verwijs ik u naar het antwoord op vraag 4.
Deelt u de mening dat de stijgende zorgen over de persoonlijke financiën onder Nederlandse huishoudens problematisch en ongewenst is?
Het kabinet neemt de stijgende zorgen over de persoonlijke financiën zeer serieus. Dit doen we door gerichte maatregelen te nemen om kwetsbare groepen tijdig te signaleren en te ondersteunen. Preventie van problematische schulden en vroege bereikbaarheid van mensen met geldzorgen is daarbij essentieel. Zo zijn er verschillende projecten die gericht zijn op het versterken van de vindbaarheid van inwoners met geldzorgen, zowel binnen als buiten de gemeente, en wordt er gewerkt aan een werkgeversaanpak. Indien er toch problematische schulden ontstaan, is het noodzakelijk dat er een adequate oplossing volgt. Zo worden er verbetermaatregelen getroffen rondom vroegsignalering, en is doorverwijzing door een derde een essentieel onderdeel binnen de basisdienstverlening. Voor de uitgebreide beantwoording van deze vraag verwijs ik u naar de beantwoording van de Kamervragen van het lid Hamstra (CDA) over het Nibud rapport geldzaken in de praktijk 2026.2
In het rapport van Nibud staat dat vooral jongeren steeds meer geldproblemen hebben, het aandeel dat moeite heeft met rondkomen steeg van 40 procent in 2024 naar 54 procent in 2026, welke hoofdoorzaken ziet u hiervoor en wat zijn hun aandelen in de problematiek?
Het wel of niet kunnen rondkomen van jongvolwassenen is per situatie anders en kan verschillende oorzaken hebben. Bij jongeren spelen onder andere hoge kosten aan wonen, energie en boodschappen en het hebben van onzekere en wisselende inkomsten een rol. Daarbij weten jongeren vaak niet welke financiële zaken ze precies moeten regelen of waar ze recht op hebben.
Ook zijn er diverse online en offline verleidingen die jongeren soms moeilijk kunnen weerstaan, zoals gebruik maken van achteraf betalen. In het boek «financiële gezondheid van jongeren begrijpen en versterken» van Rosanne Oomkens (Hogeschool Utrecht, juni 2026) zijn veel onderzoeken en inzichten over dit onderwerp gebundeld.
Ik vind het belangrijk dat jongeren weten wat ze moeten regelen met betrekking tot hun geldzaken en dat zij goed leren omgaan met geld. Daarom heeft het kabinet de afgelopen jaren subsidie aan scholen verstrekt voor het structureel inbedden van financiële educatie binnen het onderwijs. Via deze subsidie hebben scholen onder andere leerkrachten kunnen trainen en persoonlijke financiële begeleiding kunnen bieden aan jongeren met geldzorgen. Daarnaast zijn vele (gratis) lesmethodes te vinden op Geldlessen.nl en zijn er diverse websites voor jongeren met geldvragen, zoals Wijzer in geldzaken en Digidingen-desk | Uitleg en tips voor al je digitale regelzaken.
SZW houdt mediacampagnes voor jongeren om hen bewust te maken van financiële risico’s, zoals achteraf betalen, en hen te attenderen op hulp bij geldzorgen. Ook heeft SZW aan verschillende organisaties subsidie verstrekt om jongeren met geldzorgen te ondersteunen, zoals Geldfit en het opschalen van het Jongeren Perspectieffonds naar meer gemeenten. Later dit jaar ontvangt de Kamer meer informatie over maatregelen voor jongeren, naar aanleiding van moties die hierover zijn ingediend.3
Welke oorzaak ziet u in de flinke toename van flexwerk onder jongeren en de inkomensonvoorspelbaarheid die dit meebrengt? In hoeverre vindt u flexibele contracten onder jongeren onwenselijk en welk nieuw beleid zet u in om dit terug te dringen en jongeren meer controle en zekerheid te geven?
Hoewel flexwerk onder de vermelde groep jongeren (tot 30 jaar) niet zodanig is toegenomen, is wel een (lichte) stijging te zien in de onderste helft van deze groep (18 tot 25 jaar). Hoe dan ook is het aantal flexwerkers (waaronder jongeren) in Nederland hoog. Dit is onwenselijk en daarom wordt de wet meer zekerheid flexwerkers (inwerkingtreding per 1 januari 2028) ingevoerd waardoor werknemers meer zekerheid van inkomen krijgen. Met deze wet wordt het nulurencontract afgeschaft en vervangen door het bandbreedtecontract (dat zorgt voor meer zekerheid van inkomen). Ook wordt de ketenregeling aangescherpt om draaideurconstructies met tijdelijke contracten te voorkomen en het perspectief op een vast contact te vergroten.
Voor bepaalde jongeren is belangrijk dat deze maatregelen niet gaan gelden. Minderjarigen, scholieren of studenten met een bijbaan (die gemiddeld 16 uur per week werken) kunnen straks bijvoorbeeld nog wel op basis van een nulurencontract blijven werken. Ook zal voor hen de aanscherping in de ketenregeling niet gelden. Dit is wenselijk om de toegang tot de arbeidsmarkt voor deze groepen niet te beperken; de bijbaan kan dienen als opstap richting de arbeidsmarkt. Bovendien is voor hen niet werk maar scholing de hoofdactiviteit. Jongeren met een contract van gemiddeld meer dan 16 uur per week hebben recht op meer zekerheid en voor hen zullen de nieuwe maatregelen dus wel gelden. Met de wet meer zekerheid flexwerkers zet ik dus in op meer zekerheid van inkomen uit werk voor werknemers met een flexibel contract, ook onder jongeren.
Hoe groot is in uw ogen de bijdrage van toegenomen online reclametargeting, gerichte verkoop en Buy Now Pay Later constructies via social media waarvan jongvolwassenen steeds meer gebruik maken en wat tot groeiende geldzorgen en betalingsmoeite leidt? Als dit niet duidelijk is, bent u dan bereid hiernaar een verdiepend onderzoek te laten uitvoeren?
Het Nibud-rapport Geldzaken in de praktijk 2026 laat zien dat financiële zorgen en betalingsproblemen onder jongvolwassenen relatief vaak voorkomen. Het rapport biedt echter geen basis om vast te stellen in welke mate online reclametargeting, gerichte verkoop en Buy Now, Pay Later (BNPL)-diensten via sociale media hieraan bijdragen.
Verkoop via social media zou het gebruikers sneller en gemakkelijker maken om een impulsaankoop te doen. Consumenten, waaronder jongvolwassenen, worden via sociale media blootgesteld aan gepersonaliseerde reclame en commerciële prikkels. Hoe groot de bijdrage is van sociale media op de geldzorgen onder jongeren is mij niet bekend. Het kabinet zet in op gerichte maatregelen tegen onder meer de verslavende ontwerpkeuzes van digitale diensten in het kader van de aankomende Digital Fairness Act.4 Voor verdere toelichting verwijs ik u naar de beantwoording van de Kamervragen van het lid van Dijk (CDA) c.s.5
Ook voor de invloed van BNPL geldt dat de precieze bijdrage aan geldzorgen onder jongeren niet is onderzocht. Wel zijn er signalen dat deze factoren van invloed kunnen zijn op financieel gedrag en dat uitgestelde betaalmogelijkheden zoals BNPL de drempel tot aankopen kunnen verlagen. Zo blijkt uit onderzoek van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) dat in 2023 via betaalrekeningen op naam van minderjarigen bijna 600.000 iDEAL-transacties zijn verricht die te relateren zijn aan BNPL-aanbieders.6
Deze signalen onderstrepen het belang van consumentenbescherming, in het bijzonder voor kwetsbare groepen, waaronder jongeren. Met de inwerkingtreding van de Implementatiewet herziene richtlijn consumentenkrediet, die momenteel bij uw Kamer voorligt, worden aanbieders van uitstel van betaling en bemiddelaars in uitstel van betaling streng gereguleerd. Aanbieders moeten onder meer beoordelen of een consument het krediet kan dragen. Daarnaast wordt een verbod ingevoerd op het verstrekken van uitstel van betaling aan minderjarigen en worden aanbieders verplicht de leeftijd van consumenten te verifiëren voordat het krediet wordt verstrekt. Gegeven de wijzigingen die met de Implementatiewet zullen worden doorgevoerd, acht ik verdiepend onderzoek op dit moment niet opportuun.
Ervan uitgaande dat huishoudens met een wisselend inkomen en die weinig controle ervaren over hun inkomsten – 80 procent van de huishoudens met weinig controle over hun inkomen heeft moeite met rondkomen – zich volgens Nibud duidelijk vaker in een kwetsbare positie bevinden, in hoeverre wordt het wisselend inkomen veroorzaakt door flexwerk en zzp-schap en betreft het hiermee de groep werkende armen in Nederland? Hoe groot is deze groep volgens u? Welke acties zet u in in om huishoudens meer controle en zekerheid te geven over hun inkomen?
Een wisselend inkomen kan inderdaad veroorzaakt worden door flexwerk en zzp-schap. Als dit inkomen onvoldoende is om in de noodzakelijke uitgaven te voorzien betreft dit de groep werkenden die in armoede leven. In Nederland leeft 1,7% van de werknemers en 4,4% van de zzp’ers in armoede. Van alle arme werknemers in 2024 werkte ruim de helft in deeltijd onder een flexibel arbeidscontract. 18,5% van de arme werknemers werkte voltijd onder een flexibel contract, 16,8% werkte deeltijd onder een vast contract en 7,5% werkte voltijd onder een vast contract.
Zoals het Nibud al toelicht in het rapport is niet enkel de hoogte van het inkomen belangrijk, maar ook de zekerheid en voorspelbaarheid van het inkomen. Het kabinet gaat aan de slag met het vergroten van de inkomenszekerheid en vereenvoudiging, met de ambitie om één kindregeling in te voeren om zekerheid voor gezinnen te vergroten. Ook wordt er gewerkt aan de vereenvoudiging en een basisniveau van aanvullende gemeentelijke regelingen.
Daarnaast boekt het kabinet voortgang op het arbeidsmarktpakket, met als doel zowel de zekerheid van werkenden als de wendbaarheid van werkgevers te verhogen. Zo zijn de wet invoering rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst op basis van uurtarief en de wet meer zekerheid flexwerkers recent door uw Kamer aangenomen. De eerste wet zal laagbetaalde zzp’ers beter beschermen tegen schijnzelfstandigheid en de tweede wet zorgt voor betere bescherming van oproepkrachten, uitzendkrachten en mensen met een tijdelijk contract. Op deze manier wordt de zekerheid van zzp’ers en werknemers met een flexibel arbeidscontract vergroot.
In het rapport van Nibud staat dat er een groot verschil is tussen de hoeveelheid zorgen en betalingsproblemen tussen huurders en mensen met een koopwoning, vindt u dit zorgelijk? Zo ja, wat voor maatregelen gaat u treffen om juist bij huurders deze zorgen en betalingsproblemen te verminderen?
Ik deel uw zorgen. Het percentage huishoudens met een huurwoning dat zich regelmatig tot altijd zorgen maakt over hun financiële situatie is 43%. Bij huishoudens met een koopwoning ligt dit percentage op 24%. Uit de analyse blijkt dat huishoudens in principe voldoende inkomen hebben voor noodzakelijke uitgaven, mits ze: de uren werken waar ze toe in staat zijn, alle landelijke regelingen aanvragen waar ze recht op hebben, goed met geld omgaan en geen onvermijdbare hoge uitgaven hebben.7 Niet alle huishoudens weten waar ze recht op hebben, waardoor ze bijvoorbeeld huurtoeslag laten liggen. Om dit tegen te gaan, wordt gewerkt aan een wetsvoorstel voor proactieve dienstverlening door Dienst Toeslagen. Dit geeft een wettelijke basis om inwoners actief te benaderen die recht hebben op huurtoeslag. Zo wordt niet-gebruik voorkomen.8
Nibud stelt dat een derde van de Nederlanders slechts 2.500 euro op de spaarrekening heeft staan, een groot deel hiervan heeft minder dan 1000: welke maatregelen treft het kabinet om ervoor te zorgen dat deze mensen bij een onverwachte uitgave niet in de schulden belanden?
Het hebben van een voorspelbaar inkomen door het voorkomen en verminderen van negatieve effecten van fouten, nabetalingen en terugvorderingen is noodzakelijk om te voorkomen dat inwoners in de schulden belanden. Deze zomer heeft het kabinet de voortgangsbrief van Routekaart Hervormingsagenda inkomensondersteuning 2026 met uw Kamer gedeeld. Hierin staat onder andere dat het Kabinet werkt aan hervorming van het terugvordering en nabetalingen beleid, het vorderingenbeleid te moderniseren (waaronder een recht op nabetalingen bij overheidsfouten), en keteneffecten te verminderen.
Daarnaast verbetert het de dienstverlening via proactieve aanpak, automatische toekenning van toeslagen, en harmonisatie van betaalmomenten. Ook werkt het aan preventie door duidelijke rechten en plichten te formuleren en veelvoorkomende fouten te onderzoeken.9
Hoe ziet u dit rapport in combinatie met de geplande bezuinigingen op sociale zekerheid en de zorg, die groepen extra raken die al moeite hebben met rondkomen en zich meer zorgen maken over hun financiële toekomst?
Het kabinet stelt maatregelen voor om de sociale zekerheid toekomstbestendig te maken. Meer dan één miljoen mensen maken op dit mensen gebruik van de sociale zekerheid, op tien miljoen werkenden. Het systeem loopt vast, het is versnipperd en zorgt er onvoldoende voor dat mensen weer mee gaan doen. Een eenvoudiger, beter werkende sociale zekerheid moet juist in staat zijn om mensen zekerheid te blijven bieden.
Het kabinet vindt het ook belangrijk om armoede en schuldenproblematiek aan te pakken. Dit doen we door gerichte maatregelen te nemen om de kwetsbare groepen te helpen. De maatregelen vindt u terug in het Nationaal Programma Armoede en Schulden.10
De mediane koopkrachtcijfers voor 2026 zijn licht positief en in de loop van het jaar verbeterd, hoe verklaart u dat onder veel groepen de geldzorgen en betalingsmoeite toch zijn gestegen? Het Nibud rapporteert dat op vrijwel alle uitgavenposten het aandeel mensen dat moeite heeft met betalen is toegenomen ten opzichte van 2 jaar daarvoor. In hoeverre missen de koopkrachtcijfers de daadwerkelijke, feitelijke kosten van gewone mensen?
Het Nibud-onderzoekt hoeveel mensen moeilijk kunnen rondkomen. Dit wordt beïnvloed door verschillende ontwikkelingen, niet alleen of iemands koopkracht is verbeterd of verslechterd. Koopkrachtverlies is voor minder huishoudens dan in 2024 een reden voor moeilijk rondkomen, terwijl schulden en te makkelijk uitgeven van geld zijn toegenomen als reden voor moeilijk rondkomen.
Koopkrachtplaatjes geven goed inzicht in de verdelingseffecten van beleid en macro-economische ontwikkelingen, maar zijn niet bedoeld om een voorspelling te geven voor de koopkrachtontwikkeling van huishoudens. Het kabinet en het CPB gaan uit van «statische» koopkracht, waarin de huishoudsituatie gelijk blijft ten opzichte van het voorgaande jaar. In de werkelijkheid zijn levensgebeurtenissen zoals geboorte, scheiding of baanverlies bepalend voor hoe het inkomen van huishoudens ontwikkelt. Het CBS brengt de ontwikkeling van deze «dynamische» koopkracht na afloop van het jaar in kaart.11
Daarnaast noemt het Nibud dat meespeelt dat mensen dagelijks geconfronteerd worden met prijzen die structureel hoger zijn komen te liggen door de hogere inflatiecijfers sinds 2022. Dit sluit aan bij de constatering van het CBS dat de gevoelsinflatie aanzienlijk hoger ligt dan de gemeten inflatie.12
Het bericht ‘‘Ontluisterend en illegaal’: Hoe Shell erin slaagt in Nederland geen cent belasting te betalen’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht ««Ontluisterend en illegaal»: Hoe Shell erin slaagt in Nederland geen cent belasting te betalen»?1
Nederland heeft de afgelopen jaren veel maatregelen tegen belastingontwijking genomen, zowel internationaal als nationaal. Het kabinet is ervan overtuigd dat het belastingstelsel door al deze maatregelen robuuster is gemaakt tegen internationale belastingontwijking. Ook uit de beschikbare de cijfers blijkt dat deze maatregelen effect sorteren. In het antwoord op vraag 6 ga ik nader op deze maatregelen in. In zijn algemeenheid kan ik opmerken dat mede met de ingevoerde maatregelen wordt voorkomen dat bedrijven die winst maken geen belasting betalen. De ingevoerde maatregelen dragen eraan bij dat bedrijven over hun winsten een passend niveau aan belasting betalen en dat mogelijkheden om belastingheffing door belastingontwijking te voorkomen worden beperkt. Vanwege de fiscale geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan ik niet ingaan op de individuele fiscale positie van belastingplichtige. In algemene zin geldt dat het enkele feit dat een onderneming activiteiten verricht in een land met een laag belastingtarief, intellectuele eigendomsrechten centraliseert of gebruikmaakt van kostendelingsarrangementen niet automatisch betekent dat er sprake is van belastingontwijking of onzakelijke verrekenprijzen. De beoordeling daarvan vindt plaats aan de hand van de relevante feiten en omstandigheden, wet, beleid en regelgeving.
Heeft Shell de afgelopen 10 jaar winstbelasting betaald in Nederland? Zo ja, hoeveel en wanneer? Zo nee, waarom niet?
Shell publiceert jaarlijks informatie over haar belastingpositie en belastingbijdragen in haar Annual Reports en Tax Transparency/Tax Contribution Reports.2 Op basis van artikel 67 AWR kan de Belastingdienst geen uitspraken doen over de betrouwbaarheid, volledigheid of fiscale juistheid van de in de door Shell gepubliceerde Tax Contribution Reports opgenomen informatie.
Was de Belastingdienst ervan op de hoogte dat Shell gebruik maakte van constructies waarbij er via grondstoftransacties winsten zijn verschoven naar de Bahama’s of via royalty’s naar Zwitserland?
In zijn algemeenheid geldt dat lichamen die tot dezelfde groep behoren verplicht zijn hun onderlinge transacties vorm te geven met inachtneming van het at arm’s-lengthbeginsel. Het arm’s-lengthbeginsel beoogt dat de voorwaarden en prijzen van transacties tussen gelieerde entiteiten niet afwijken van de voorwaarden en prijzen die tussen ongelieerde entiteiten zouden zijn overeengekomen in vergelijkbare omstandigheden. Het zou daarom in beginsel niet moeten uitmaken voor de te realiseren winst of een bepaalde transactie plaatsvindt tussen gelieerde entiteiten die deel uitmaken van een multinationaal concern of tussen entiteiten die niet aan elkaar gelieerd zijn. Door conform het arm’s-lengthbeginsel zakelijke prijzen te betalen aan de juiste entiteiten binnen het concern, krijgen de entiteiten die op basis van hun functies, activa en risico’s verantwoordelijk zijn voor de gecreëerde waarde van het product of dienst ook hun daarbij passende arm’s-lengthbeloning. Nederland past het arm's-lengthbeginsel toe, beschikt over uitgebreide documentatieverplichtingen en wisselt landenrapporten uit met andere belastingdiensten.
In voorkomende gevallen kan toepassing van het arm’s-lengthbeginsel bijvoorbeeld betekenen dat een in Nederland gevestigd lichaam voor fiscale doeleinden wordt verondersteld rente te betalen indien onafhankelijke partijen onder vergelijkbare omstandigheden dit ook zouden doen. Dat kan leiden tot een neerwaartse aanpassing van de fiscale winst. Een dergelijke neerwaartse aanpassing van de fiscale winst kon tot 1 januari 2022 – vooral bij grensoverschrijdende transacties – leiden tot mismatches. Ingevolge de in de vennootschapsbelasting opgenomen maatregelen die volgen uit de Wet tegengaan mismatches bij toepassing zakelijkheidsbeginsel welke met ingang van 1 januari 2022 in werking is getreden, merk ik het volgende op. De maatregelen in de vennootschapsbelasting die volgen uit deze wet bewerkstelligen dat bij de belastingplichtige voor de vennootschapsbelasting een neerwaartse aanpassing van de winst op grond van het zakelijkheidsbeginsel wordt beperkt voor zover bij het andere lichaam dat bij de transactie betrokken is geen of een te lage corresponderende opwaartse aanpassing in de belastinggrondslag wordt betrokken. Deze maatregelen raken structuren met zogenoemde informele kapitaalstortingen en verkapte winstuitdelingen, en zijn ook van toepassing op bestaande onderlinge rechtsverhoudingen tussen een vennootschapsbelastingplichtige en een gelieerd lichaam. Met deze maatregelen worden mismatches door toepassing van het zakelijkheidsbeginsel bestreden.
Is er sprake van illegale praktijken bij de methodes die Shell gebruikt om zo min mogelijk winstbelasting te betalen?
In het artikel worden bepaalde structuren en verrekenprijzen als «illegaal» en «onzakelijk» gekwalificeerd. Of daarvan in dit geval sprake is, kan slechts worden beoordeeld aan de hand van alle relevante feiten en omstandigheden.
Ook ten aanzien van royalty's, cost sharing arrangements en interne dienstverlening geldt dat de beoordeling afhankelijk is van uitgeoefende functies, gebruikte activa, gelopen risico's. In algemene zin geldt dat vennootschappen binnen een concern verplicht zijn hun onderlinge transacties vast te stellen op basis van het arm’s-lengthbeginsel. Zie voor verdere toelichting ook het antwoord op vraag 3.
Hoe reageert u op de uitspraak «Als Shell ten onrechte geen belasting betaalt in Nederland en de fiscus is daarvan op de hoogte, dan kan dat verboden staatssteun zijn»?
Om onder de definitie van staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU te vallen, moet er sprake zijn van een selectief voordeel voor een specifiek bedrijf dat afwijkt van de reguliere belastingwetgeving. Indien de reguliere belastingwetgeving (het zogenaamde referentiestelsel) is toegepast, kan geen sprake zijn van verboden staatssteun. Onder de normale belastingwetgeving valt in dat geval de toepassing van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, waarvan ook het zakelijkheidsbeginsel een belangrijk onderdeel is.
Vindt u het acceptabel wanneer bedrijven die miljardenwinsten maken via belastingontwijking hun uiterste best doen om te voorkomen dat ook maar één cent daarvan ten goede komt aan de Nederlandse samenleving? Zo ja, waarom?
Ik acht het van belang dat alle belastingplichtigen, inclusief grote multinationale ondernemingen, belasting betalen overeenkomstig de geldende wet- en regelgeving. Tegelijkertijd moet onderscheid gemaakt worden tussen illegale belastingontduiking, ongewenste belastingontwijking en situaties waarin de fiscale uitkomst voortvloeit uit de toepassing van geldende wet- en regelgeving. Nederland heeft de afgelopen jaren, zoals hiervoor is uiteengezet, veel maatregelen tegen belastingontwijking genomen en dit kabinet zal zich blijven inzetten om belastingontwijking te bestrijden. Daarvoor verwijs ik graag naar de monitoringsbrief over de effecten van en de aanpak van belastingontwijking.3 De monitoringsbrief beschrijft ook de lopende inspanningen op dit dossier, mede in de internationale context.
Sinds 1 januari 2021 heft Nederland een conditionele bronbelasting op rente- en royaltybetalingen aan een gelieerd lichaam dat gevestigd is in een laagbelastende jurisdictie en in misbruiksituaties. Nederland stelt jaarlijks deze laagbelastende jurisdicties vast in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden. Er blijkt bijvoorbeeld al een aanzienlijke daling van rente-, royalty-, en dividendstromen naar laagbelastende jurisdicties van € 37 miljard in 2019 naar € 7 miljard in 2024.4 Verder zijn de eerste en tweede Europese anti-belastingontwijkingsrichtlijnen (ATAD1 en ATAD2) geïmplementeerd, die onder meer hebben geleid tot beperkingen op het gebied van de renteaftrek en het tegengaan van structuren die gebruik maken van verschillen tussen belastingwetgeving van landen (hybride mismatches). Een belangrijke stap in de aanpak van het verschuiven van winsten naar laagbelastende staten is bovendien de wereldwijde minimumbelasting die in Nederland in de Wet minimumbelasting 2024 is geïmplementeerd. Deze wet en de internationale afspraken die aan die wet ten grondslag liggen, beogen te waarborgen dat multinationale en binnenlandse groepen met een geconsolideerde jaaromzet van ten minste € 750 miljoen effectief ten minste 15% belasting over hun winst betalen. Om dubbele niet-heffing als gevolg van een verschillende interpretatie van het arm’s-lengthbeginsel te voorkomen, is in Nederland de Wet tegengaan mismatches bij toepassing zakelijkheidsbeginsel in werking getreden. Deze wet is erop gericht om mismatches te voorkomen die ontstaan door toepassing van het arm’s-lengthbeginsel en die leiden tot dubbele niet-heffing (zogenoemde «informeel-kapitaalstructuren»).
Het kabinet is ervan overtuigd dat het belastingstelsel door al deze maatregelen robuuster is gemaakt tegen internationale belastingontwijking. Internationaal is daar ook erkenning voor. De Europese Commissie doet sinds 2022 aan Nederland geen landspecifieke aanbevelingen meer op dit terrein. Ook het IMF geeft aan dat Nederland de goede maatregelen heeft genomen.
Deelt u de analyse dat belastingontwijking via constructies waarbij winsten worden verplaatst naar landen met een lagere winstbelasting door verschillende dochterbedrijven rekeningen aan elkaar te laten sturen (transfer pricing) een groot probleem is? Zo ja, wat bent u van plan te doen om ervoor te zorgen dat er minder winstbelasting wordt ontweken via transfer pricing? Zo nee, waarom vindt u het acceptabel dat multinationals die miljardenwinsten maken dit soort schimmige methodes gebruiken om te voorkomen dat zij moeten bijdragen aan de Nederlandse samenleving?
Bij transfer pricing (verrekenprijzen) gaat het om de toepassing van het arm’s-lengthbeginsel. Ik verwijs hiervoor naar het antwoord op vraag 3.
Verrekenprijzen vervullen een belangrijke functie binnen het internationale belastingsysteem. Het arm’s-lengthbeginsel beoogt te voorkomen dat het mogelijk is om via verrekenprijzen met winsten te schuiven en zo winstbelasting te ontwijken. Daarom bestaan er nationaal en internationaal regels die beogen te waarborgen dat winsten worden toegerekend overeenkomstig een juiste toepassing van het arm's-lengthbeginsel. Nederland past het arm's-lengthbeginsel toe, beschikt over uitgebreide documentatieverplichtingen en wisselt landenrapporten uit met andere belastingdiensten. Daarnaast ondersteunt Nederland de internationale afspraken die binnen de OESO en andere internationale gremia worden ontwikkeld om winstverschuiving verder tegen te gaan.
Bent u het ermee eens dat het onuitlegbaar is wanneer een oliebedrijf als Shell door belastingontwijking geen winstbelasting betaalt in Nederland, terwijl hun klanten zich wel blauw betalen aan de pomp? Zo ja, wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat de aandeelhouders van Shell meer belasting gaan betalen en mensen aan de pomp minder? Zo nee, waarom niet?
De hoogte van de brandstofprijs aan de pomp kan niet rechtstreeks worden vergeleken met de vennootschapsbelastingpositie van een onderneming. Voor het jaar 2027 heeft het kabinet opnieuw middelen gereserveerd voor een tijdelijke verlaging van de brandstofaccijnzen. Verder kan ik vanwege artikel 67 AWR geen uitspraken doen over specifieke bedrijven. Belastingheffing bij ondernemingen en accijnzen en btw op brandstoffen kennen een verschillende grondslag en doelstelling.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat belastingontwijking harder wordt aangepakt, waardoor bedrijven zoals Shell eindelijk wél winstbelasting gaan betalen in Nederland?
Zoals in de beantwoording van vraag 1 is uiteengezet zijn er in de afgelopen periode verschillende maatregelen genomen om belastingontwijking te bestrijden. Nederland is daar effectief in geweest, zoals blijkt uit de monitoringsbrief waar ik in de beantwoording eerder naar verwezen heb. Mede vanwege deze aanpak krijgt Nederland ook geen landenspecifieke aanbeveling meer van de Europese Commissie om belastingontwijking aan te pakken. Ook het IMF geeft aan dat Nederland de goede maatregelen heeft genomen. In de volgende monitoringsbrief zal ik hier ook weer aandacht aan besteden.
Wat is de positie van Nederland ten opzichte van het initiatief van een groep Afrikaanse landen om te komen tot een mondiaal belastingverdrag?
Nederland steunt de doelstellingen achter het ontwikkelen van een VN-raamwerkverdrag over internationale belastingsamenwerking, namelijk het versterken van de inclusiviteit en effectiviteit van internationale belastingsamenwerking.5 Hiertoe zet Nederland zich in de onderhandelingen in voor een breed gedragen resultaat. De opzet van een raamwerkverdrag moet basisafspraken en een samenwerkingsstructuur bevatten. De huidige concepttekst van het VN-raamwerkverdrag bevat echter concrete afspraken waaronder afspraken die heffingsrechten verdelen over inkomen van burgers en bedrijven. De huidige opzet van het VN-raamwerverdrag is daarmee gericht op onderwerpen waaraan veel VN-lidstaten zich in een multilateraal raamwerkverdrag niet kunnen binden. Nederland staat daarom nog niet achter deze huidige opzet. De focus in de onderhandelingen op bindende afspraken over de verdeling van heffingsrechten kan resulteren in een raamwerkverdrag dat een groot aantal VN-lidstaten niet kan ondertekenen, waarmee de inspanningen de komende jaren tevergeefs zouden zijn. Om deze bezwaren weg te nemen, heeft Nederland samen met de andere EU-lidstaten een aantal voorstellen gedaan. De essentie van die voorstellen is dat de focus in het raamwerkverdrag gericht moet zijn op afspraken die breed worden gedragen. Alleen op die manier kan een groot deel van het VN-lidmaatschap een effectief raamwerkverdrag overeenkomen en tot een succes voor de praktijk maken. Deze voorstellen zijn vooralsnog niet overgenomen. In het vervolgproces ziet Nederland nog altijd ruimte voor een goede uitkomst en zal Nederland zich blijven inzetten om tot een breed gedragen raamwerkverdrag te komen. Dit project is overigens niet primair gericht op de bestrijding van belastingontwijking, al wordt er wel gewezen op het belang van bestrijding van onwettige geldstromen.
Wilt u bovenstaande vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Voorbeeldboeren bedolven onder de subsidies' |
|
Tamara ten Hove (PVV) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Voorbeeldboeren bedolven onder de subsidies»?1
Ja.
Deelt u de mening dat de genoemde verpachtingsregeling zorgt voor een machtspositie voor terrein beherende organisaties, waarbij ten koste van andere welwillende boeren, de overheid bepaalde bedrijfsconstructies bevoordeelt? Indien nee, waarom niet?
Nee, die mening deel ik niet. Landbouwgronden worden door diverse grondeigenaren verpacht, zoals door terreinbeherende organisaties en overheden, maar ook door voormalige melkveehouders of akkerbouwers, landgoedeigenaren, verzekeringsmaatschappijen, kerken en andere (particuliere) eigenaren van landbouwgronden.
De voorwaarden waaraan door overheden voldaan moet worden bij het uitgeven van pachtgrond is in de jurisprudentie verder vormgegeven. Uit het Didam I-arrest (2021) volgt dat overheden objectieve, toetsbare en redelijke criteria moeten opstellen voor het selecteren van een nieuwe pachter in een openbare inschrijving. Particuliere verpachters zoals Natuurmonumenten en andere particuliere natuurbeheerders zijn niet gebonden aan de Didam I voorwaarden en hebben meer vrijheid in het bepalen op welke wijze zij hun gronden uitgeven.
Staatsbosbeheer is als overheidsorganisatie bij het verpachten van grond wel gebonden aan de Didam-I voorwaarden. Staatsbosbeheer hanteert onder andere criteria op het gebied van afstand, kennis en opleiding, certificaten, ervaring met agrarisch natuur- en landschapsbeheer (ANLb) of met particulier natuurbeheer (SNL) en het meedoen aan ecoactiviteiten, omdat ze beheer van natuurpercelen over willen laten aan agrariërs die hier ervaring mee hebben en het ook in hun eigen bedrijfsvoering willen toepassen.
Klopt het beeld dat door de gunning van pachtrechten aan specifieke boeren (biologisch, extensief, et cetera) in gebieden aangrenzend aan Natura 2000-gebieden er de facto een subsidieregeling voor deze boeren is gecreëerd in plaats van een maatregel om doorsnee boeren te compenseren voor geleden derving van inkomsten door overheidsbeleid? Zo nee, waarom niet?
Dat beeld klopt niet. Zoals toegelicht bij het antwoord op vraag 2 is de regelgeving rond gunning van pacht voor overheden strenger dan voor andere organisaties en particulieren. Zowel overheden als andere organisaties vragen een marktconforme pachtprijs gekoppeld aan de beheervereisten op de natuurpercelen en er is dus geen sprake van een verkapte subsidie. Alleen de gunning zal door overheden via openbare inschrijving en zo nodig een puntensysteem worden vormgegeven. Bij Staatsbosbeheer zijn de criteria voor pacht van natuurpercelen mede gerelateerd aan de ervaring met natuurinclusieve landbouw.
Deelt u de mening dat de subsidie is vastgesteld voor de inkomstenderving van een gemiddeld bedrijf van 121 melkkoeien op 60 hectare, maar in de praktijk dus uitgekeerd wordt aan boeren die door hun bedrijfskeuzes die inkomstenderving niet kennen? Zo nee, waarom niet?
Het klopt dat de berekening van de WUR voor de vergoedingen in de subsidieregeling Samenwerking in veenweidegebieden en Natura 2000 overgangsgebieden is gebaseerd op een gemiddeld melkveehouderijbedrijf in de zone rond stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden. Het gemiddelde bedrijf heeft 2 melkkoeien per hectare en berekend is dat bij 150 kg N/ha in productie- en bemestingsvolume dit teruggaat naar gemiddeld 1 melkkoe per hectare en bij 100 kg N/ha naar gemiddeld 0,7 melkkoe per hectare.
Ook biologische bedrijven kunnen gederfde inkomsten per hectare hebben doordat zij een stap zetten van gemiddeld 170 kg N/ha naar 150 of 100 kg N/ha, maar de inkomstenderving per hectare is minder dan voor een gangbare boer. Een deel van de aanvragers is inderdaad biologisch. Bij de Natura 2000 overgangsgebieden ging het om ca. 55% van de aanvragers bij de eerste openstelling. Hierover is uw Kamer geïnformeerd in de beantwoording van de vragen van de SGP.2 Na deze beantwoording heeft een aanscherping plaatsgevonden en zijn ook minimale reductievereisten opgenomen voor productie- en bemestingsvolume per hectare.
Deelt u de mening dat het beeld over de goede inkomens van deze zogenaamde «voorbeeldboeren' zwaar is vertroebeld door de grote hoeveelheid (verkapte) subsidie die zij door overheidskeuzes ontvangen? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik deel deze mening niet. In 2025 waren er 544 biologische melkveehouderijbedrijven (ca. 4,1%). Ongeveer een vijfde daarvan doet mee met de eerste openstelling van de regeling Samenwerking in veenweidegebieden en Natura 2000 overgangsgebieden. Daarnaast is subsidie via verpachten niet aan de orde, zie het antwoord bij vraag 2.
Deze regeling is tijdelijk (t/m 2028). Het is een bewuste keuze dat ook koplopers, zoals biologische bedrijven, in een samenwerkingsverband mee kunnen doen. De inschatting vooraf was dat koplopers de trekker zullen zijn van de samenwerkingsverbanden en daarin anderen ook meenemen.
Kunt u aangeven welk doel de subsidie «Samenwerking in veenweidegebieden en Natura 2000-overgangegebieden. Categorie 3: Extensivering in en rond stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden» exact dient? Bent u van mening dat dit doel daadwerkelijk wordt behaald en is er geen sprake is van vertroebeling van het subsidiedoel?
Het doel bij stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden is de reductie van de veldemissies van ammoniak door extensivering van melkveehouderij- en akkerbouwbedrijven in en rond stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden en daarmee de biodiversiteit in en rond stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden te versterken. Door de extensievere bedrijfsvoering komt er meer ruimte op de percelen en op het bedrijf voor meer en zwaardere pakketten agrarisch natuur- en landschapsbeheer.
De rangschikking van de samenwerkingsverbanden hangt onder andere af van:
De monitoring van de effecten van deze regeling zal zich hier dan ook op richten. De verwachting is dat de doelen gehaald gaan worden, omdat alle deelnemende bedrijven een reductie bereiken in de veldemissies ammoniak en ongeveer de helft van de bedrijven van gangbare naar extensieve bedrijfsvoering omschakelen.
Wat is uw reactie op de analyse van Stichting Agri Facts over uw reactie dat «Bij het opstellen van de regeling is bewust gekozen voor openstelling in de overgangsgebieden rondom Natura 2000-gebieden, omdat juist daar de opgave voor extensivering het grootst is. Van boeren in de nabijheid van Natura 2000-gebieden wordt de komende jaren juist meer gevraagd dan van andere agrariërs. De regeling biedt daarom geen voordeel, maar is bedoeld om deze extra opgave te ondersteunen en de overgang naar een meer extensieve bedrijfsvoering mogelijk te maken»? Indien de analyse in uw ogen niet juist is, kunt u dit dan specifiek toelichten?
De analyse is deels juist, maar het was een bewuste keuze, zoals al in antwoord 5 is toegelicht. Ongeveer de helft van de deelnemers in de Natura 2000 overgangsgebieden is biologisch. Ook zij moeten nog een stap zetten van 170 kg N/ha naar 150 of 100 kg N/ha. Dat is minder gederfde inkomsten per hectare dan voor gangbare boeren. De biologische en gangbare boeren werken in de samenwerkingsverbanden juist samen om hun kennis en ervaring met extensieve landbouw te delen.
Welke maatregelen gaat u nemen om deze onterechte bevoordeling van deze «voorbeeldboeren' ten opzichte van gemiddelde boeren op te heffen?
De subsidie is gericht op samenwerkingsverbanden waarin zowel koplopers als gangbare boeren kunnen zitten. Het is een bewust keuze geweest om koplopers aan deze tijdelijke regeling te laten deelnemen. De regeling is bij de tweede tranche al aangepast door op bedrijfsniveau ook minimale reductievereisten op te nemen. Er is nu geen aanleiding om de vergoedingensystematiek aan te passen.
Welke (verdere) maatregelen gaat u nemen om de achtergestelde marktpositie van boeren die verder van een Natura 2000-gebied hun bedrijf uitbaten te vereffenen met de marktpositie van de genoemde voorbeeldboeren?
Pacht is geen subsidie, want er wordt een marktconforme pachtprijs gevraagd, passend bij de beperkingen in het gebruik van de grond die worden gesteld. De gunning bij verpachten van natuurpercelen is aan de verpachter. Ik zal daarom geen verdere maatregelen nemen.
Wilt u deze vragen beantwoorden minimaal één dag voor aanvang van het commissiedebat ontwerpNatuurplan op 3 september aanstaande?
Ja.
"Belastingdienst hield datakluis op slot tijdens verzamelen gegevens parlementaire enquête" |
|
Nicole Moinat (PVV), Gidi Markuszower (PVV) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met deze berichten?1 2 3 4 5 6 7
Ja.
Op welke wijze gaat u de plechtige belofte van uw ambtsvoorganger die destijds persoonlijk excuses aangeboden heeft aan de gedupeerde toeslagenouders alsnog waarmaken en de toeslagenouders recht doen, nu blijkt dat relevante documentatie over hun eigen zaak jarenlang bewust of onbewust is achtergehouden in de datakluis?
Wij begrijpen dat de datakluis bij veel gedupeerde toeslagenouders, burgers en ondernemers nieuwe vragen oproept. De toeslagenaffaire heeft het vertrouwen van ouders die slachtoffer zijn geworden van de toeslagenaffaire in de overheid ernstig geschaad. Daarbij erkennen wij nogmaals dat hier fouten zijn gemaakt, hier niet adequaat op is gehandeld en dat verbetering nodig is. Het herstel van de financiële en emotionele schade van gedupeerde toeslagenouders is nodig en urgent. Ook erkent dit kabinet onverkort de ernst van de toeslagenaffaire en de impact daarvan op de levens van ouders, kinderen en hun naasten. Voormalig Minister-President Rutte heeft namens het kabinet excuses aangeboden voor de toeslagenaffaire. De inspanning van de Staatssecretaris Herstel Toeslagen is erop gericht de hersteloperatie spoedig, rechtmatig en met aandacht voor de zorgen van ouders te volbrengen.
Het kabinet acht het van groot belang dat alle relevante informatie zorgvuldig wordt geïnventariseerd en betrokkenen inzage krijgen in de op hen betrekking hebbende gegevens. Dat geldt voor gedupeerde toeslagenouders, maar eveneens voor burgers en ondernemers die voorkomen in FSV, RAM of de datakluis. Het kabinet werkt eraan om deze informatie zorgvuldig en zo spoedig mogelijk beschikbaar te stellen. In de Kamerbrief van 10 juli 2026 naar aanleiding van het onafhankelijk onderzoek van BDO is geschetst op welke wijze wij de komende tijd de omvangrijke datakluis zullen doorzoeken en verwerken. Daarin is – ten opzichte van de Kamerbrieven van 15 april 2026 en 22 mei 2026 – nadrukkelijk een derde spoor toegevoegd, namelijk de wijze waarop wij recht willen doen aan de verzoeken van burgers en bedrijven om toegang tot informatie uit of over de datakluis. De Kamer wordt, zoals eerder toegezegd, geïnformeerd over de voortgang en de wijze waarop betrokkenen toegang krijgen tot hun eigen dossier. Voor het kabinet blijft het uitgangspunt dat herstel alleen mogelijk is als openheid en transparantie vooropstaan. In de Kamerbrief van 10 juli 2026 bent u geïnformeerd over het instellen van een externe commissie per 1 oktober 2026.
In onze brief van 15 april 2026 hebben wij reeds aangegeven dat we ervoor waken dat documenten die relevant zijn voor PEFD, POK of andere leveringen, zullen worden gedeeld. Daarnaast benadrukken wij dat het aantreffen van deze gegevens geen invloed heeft op eerder genomen besluiten waarin ouders als gedupeerde zijn aangemerkt over de situatie van gedupeerden in het herstelproces. Ook verandert het niets aan de uitgangspunten van de hersteloperatie dat het verhaal van de ouder altijd leidend is en dat zij ruimhartig worden gecompenseerd voor geleden schade.
Wanneer krijgen de toeslagenouders, maar ook andere burgers en ondernemers die voorkomen in Fraude Signalering Voorziening (FSV), Riscio Analyse Model (RAM) en overige onderdelen van de datakluis, inzage en afschrift van de stukken die specifiek op henzelf betrekking hebben?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u, gelet op de urgentie en de politieke gevoeligheid van deze kwestie, bereid deze vragen persoonlijk en binnen één week te beantwoorden?
De vragen zijn zo snel als mogelijk beantwoord. Omdat er meer vragen zijn gesteld over dit onderwerp hebben wij ervoor gekozen de Kamer in één keer te infomeren. De vragen zijn op verzoek van de Minister-President door ons beantwoord, aangezien de vragen betrekking hebben op onze portefeuilles.
Oxfam Novib |
|
Mona Keijzer , Ingrid Coenradie (PVV) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitlatingen van Oxfam Novib waarin wordt gesteld dat bepaalde moties of voorstellen van politieke partijen en Kamerleden racistisch zouden zijn?
Klopt het dat Oxfam Novib de afgelopen jaren subsidies, bijdragen en/of opdrachten heeft ontvangen van de rijksoverheid?
Kunt u een overzicht verstrekken van alle directe en indirecte financiële bijdragen die Oxfam Novib sinds 2020 heeft ontvangen van het Rijk?
Kunt u een overzicht verstrekken van alle directe en indirecte financiële bijdragen die Oxfam Novib verwacht te gaan ontvangen tot 2030 van het Rijk?
Welke voorwaarden gelden voor organisaties die overheidssubsidies ontvangen ten aanzien van lobbyactiviteiten, publieke campagnes en politieke beïnvloeding?
Acht u het wenselijk dat een door de overheid gesubsidieerde organisatie democratisch gekozen volksvertegenwoordigers publiekelijk associeert met racisme?
Deelt u de opvatting dat politieke meningsverschillen in een democratische rechtsstaat niet lichtvaardig als racistisch dienen te worden bestempeld?
Bent u van mening dat organisaties die met belastinggeld worden ondersteund een bijzondere verantwoordelijkheid hebben om zorgvuldig om te gaan met kwalificaties richting Kamerleden en politieke partijen?
Kunt u toelichten wat de corebusiness van Oxfam Novib was ten tijde van de oprichting van de organisatie en in hoeverre de huidige activiteiten nog aansluiten bij het oorspronkelijke doel waarvoor zij is opgericht?
Hoe beoordeelt u het feit dat Oxfam Novib zich niet beperkt tot ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp, maar ook actief campagne voert rond politieke thema's zoals klimaatbeleid, vermogensverdeling en het Israëlisch-Palestijnse conflict?
Deelt u de mening dat belastinggeld primair bedoeld is voor ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp, en niet voor activistische campagnes gericht op het beïnvloeden van het Nederlandse politieke debat?
Hoe rechtvaardigt u dat organisaties die aanzienlijke publieke middelen ontvangen deze positie gebruiken om gekozen volksvertegenwoordigers en hun voorstellen in verband te brengen met racisme, terwijl zij geacht worden bij te dragen aan een open democratisch debat?
Hoe beoordeelt u het risico dat overheidssubsidies worden gebruikt om via maatschappelijke organisaties draagvlak te creëren voor politieke opvattingen en beleidsdoelen die u zelf voorstaat?
Deelt u de mening dat publiek geld hier absoluut niet voor bedoeld is en dat het de democratische rechtsstaat ondermijnt?
Herinnert u zich uw Kamerbrief van 13 juli jl. waarin u aangeeft niets de doen met de Kameruitspraak om te onderzoeken of slachtoffers van Hawija individueel kunnen worden gecompenseerd?
Ja.
Erkent u dat de Kamerbrief geen nieuwe informatie of argumenten bevat die de leden niet al tot zich hadden genomen voor de stemming over de motie?
Het is aan de leden zelf om te bepalen welke argumenten zij meenemen in hun overwegingen voor een stemming.
Erkent u dat er in de motie niet wordt gesproken over de aansprakelijkheid van de gevolgen van de wapeninzet door de Nederlandse staat, en deze motie dus ook los staat van de rechtszaak die wordt gevoerd door slachtoffers?
Ja.
Klopt het dat andere partnerlanden en Nederland zelf in het verleden vrijwillige (ex gratia) betalingen hebben uitgekeerd aan burgerslachtoffers zonder dat er sprake was van aansprakelijkheid? Zo ja, hoe verhoudt zich dit tot het argument dat het uitkeren van individuele vrijwillige betalingen in de zaak Hawija «de verwachting zou wekken dat er ook bij toekomstige, legitieme wapeninzet – die correct en binnen de kaders van het humanitair oorlogsrecht wordt uitgevoerd – een vrijwillige vergoeding op individueel niveau zou volgen»?
Als uitgangspunt geldt dat Defensie bij een legitieme krijgshandeling onder het humanitair oorlogsrecht niet verplicht is tot compensatie voor burgerslachtoffers. Dat kan anders liggen in geval van onrechtmatig geweldgebruik of een rechterlijke uitspraak. Het beleid van Defensie ten aanzien van vrijwillige financiële compensatie (zogenoemde ex-gratia betalingen) is gericht op maatwerk.1 Nederland heeft in het verleden, bijvoorbeeld in Afghanistan in de periode 2002–2021, net als meerdere partnerlanden vrijwillige vergoedingen op individueel niveau uitgekeerd.2 De aard van de inzet in Afghanistan verschilde wezenlijk van die in Irak tegen ISIS: in Afghanistan was sprake van een wederopbouwmissie, terwijl de inzet in Irak gericht was op het bestrijden van ISIS. Dergelijke variabelen, zoals de aard van de wapeninzet en de context van een conflict, zorgen voor verschillende afwegingen bij het al dan niet toekennen van vrijwillige individuele financiële vergoedingen.
Voorkomen moet worden dat de verwachting ontstaat dat bij toekomstig, rechtmatig geweldgebruik op een legitiem doel tijdens een gewapend conflict3, een vrijwillige vergoeding op individueel niveau zou volgen terwijl er geen reden is om van het hiervoor beschreven uitgangspunt af te wijken.
Kunt u bevestigen dat de afgelopen jaren telkens tevens praktische bezwaren zijn geuit tegen individuele vergoedingen – zoals dat het onmogelijk is om te achterhalen wie er schade hebben geleden –, zonder dat hier serieus onderzoek naar is gedaan? Zo nee, op welke wijze is deze optie onderzocht?
De vraag wat het kabinet voor de slachtoffers en nabestaanden kan doen, is een belangrijk en terugkerend onderdeel geweest van de inspanningen van Defensie. Het kabinet heeft de opties in kaart gebracht voor een vrijwillige vergoeding aan (de nabestaanden van) de slachtoffers en/of gemeenschap, zoals eerder aan uw Kamer gemeld.4 Over de overwegingen om niet over te gaan tot individuele vergoeding is uw Kamer de afgelopen jaren meermaals geïnformeerd, zoals ook uiteengezet in de Kamerbrief «Reactie-BOOS-uitzending over Hawija» van 19 mei 2026.5 Alhoewel niet doorslaggevend, klopt het dat er verschillende praktische bezwaren zijn geuit als onderdeel van deze overwegingen, waardoor het kabinet het nog altijd zeer moeilijk acht om op een verantwoorde wijze individuele vergoeding te realiseren.
Kunt u bevestigen dat reeds in 2020, toen er werd gekozen door het toenmalige kabinet om niet over te gaan tot individuele compensatie, hierover verschil van mening was tussen de Ministeries van Buitenlandse Zaken en Defensie? Zo ja, kunt u die stukken met de Kamer delen?
Binnen zowel het Ministerie van Defensie als Buitenlandse Zaken is zorgvuldig nagedacht over de opties voor een vrijwillige vergoeding aan (de nabestaanden van) de slachtoffers en/of de gemeenschap.6 Er is meermaals ambtelijk overleg geweest over de wenselijkheid en haalbaarheid van deze opties. Het uiteindelijke besluit ligt echter bij het kabinet dat destijds op basis van verschillende overwegingen heeft besloten niet over te gaan tot het uitkeren vrijwillige tegemoetkomingen op individueel niveau, zoals ook benoemd in de Kamerbrief «Reactie BOOS-uitzending over Hawija» van 19 mei 2026.7 De daaropvolgende kabinetten hebben dit onderschreven. Allereerst stelt het kabinet dat de aanval op de ISIS-autobommenfabriek in de nacht van 2 op 3 juni 2015 rechtmatig was, omdat deze in overeenstemming met het humanitair oorlogsrecht werd uitgevoerd, en de Staat dus niet aansprakelijk is voor de geleden schade. Om deze reden heeft het kabinet in beginsel destijds besloten niet over te gaan tot het uitkeren van vrijwillige vergoedingen op individueel niveau. Daarnaast is meegenomen in het besluit dat het vrijwillig aanbieden van vergoedingen op individueel niveau de verwachting zou wekken dat er ook bij toekomstige, legitieme wapeninzet – die correct en binnen de kaders van het humanitair oorlogsrecht wordt uitgevoerd – een vrijwillige vergoeding op individueel niveau zou volgen. Dit terwijl er in dit geval geen sprake is van aansprakelijkheid en er daarom geen reden is om van het uitgangspunt af te wijken, om zo geen onterechte verwachtingen voor de toekomst te scheppen. Hoewel niet doorslaggevend gelden in deze casus ten overvloede verschillende praktische bezwaren, waardoor het kabinet het nog altijd zeer moeilijk acht om op een verantwoorde wijze individuele tegemoetkoming te realiseren. Zo is het jaren na de aanval haast onmogelijk om te achterhalen wie in Hawija welke schade heeft ondervonden door de secundaire explosie en om, conform de motie Fritsma8, (voormalige) ISIS-sympathisanten hiervan uit te sluiten. Stukken hieromtrent zijn openbaar gemaakt op basis van de Wet open overheid.9
Denkt u dat het moeilijk is om conform de motie-Fritsma vast te stellen dat de vijf omgekomen kinderen van Abdullah Rashid Saleh geen ISIS-sympathisanten waren? Zo ja, waarom?
De motie-Fritsma verzoekt de regering «op actieve wijze zeker te stellen dat geen cent van de door Nederland betaalde schadevergoedingen aan de gemeenschap van Hawija terechtkomt bij (oud-)IS’ers».10 Gelet op het besluit van het kabinet om over te gaan tot vrijwillige vergoeding van de gemeenschap, zijn er geen stappen ondernomen om tot vormgeving of uitvoering van een individueel tegemoetkomingstraject te komen.11 Defensie heeft dan ook geen onderzoek gedaan naar persoonsdossiers van individuele slachtoffers en spreekt zich niet uit over individuele casuïstiek.
Hoe kan het tot rechtsongelijkheid leiden als mensen niet voldoende kunnen bewijzen dat zij slachtoffer zijn van de Nederlandse wapeninzet in Hawija? Is er bij eerdere vrijwillige betalingen ook uitgekeerd aan slachtoffers die daar geen enkel bewijs voor hebben aangeleverd?
Een individuele tegemoetkoming zou, indien daartoe zou worden besloten, betrekking moeten hebben op de volledige groep die daarvoor op basis van gehanteerde criteria in aanmerking zou komen, en niet op slechts een deel van deze groep. Dit vraagstuk is echter niet aan de orde, aangezien reeds is besloten om niet over te gaan tot individuele tegemoetkomingen.12
Bent u bereid om conform de aangenomen Kamermotie alsnog te onderzoeken of individuele compensatie mogelijk zou kunnen zijn en de Kamer hierover binnen zes maanden te informeren? Zo nee, waarom niet?
Nee. De vraag wat het kabinet voor de slachtoffers en nabestaanden kan doen is een belangrijk en terugkerend onderdeel geweest van de inspanningen van Defensie. Ten aanzien van de overwegingen om niet over te gaan tot individuele tegemoetkoming is uw Kamer de afgelopen jaren meermaals geïnformeerd, zoals ook uiteengezet in de Kamerbrief «Reactie motie Lid Piri (PRO), juni 2026» en «Reactie-BOOS-uitzending over Hawija» van 19 mei 2026.13 Defensie zet zich onverminderd in voor de invulling van de circa 10 miljoen voor aanvullende projecten om de getroffen gemeenschap tegemoet te komen in Hawija, waarbij de behoeften van de gemeenschap zorgvuldig worden meegenomen.
Kunt u de bovenstaande vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Belastingontwijking door Israëlische bedrijven via Nederland |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA), Kati Piri (GroenLinks-PvdA), Suzanne Kröger (PRO) |
|
Berendsen , Eerenberg , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «The Netherlands-Israël Investment Files» van SOMO?1
Waarom denkt u dat de financiële stromen tussen Nederland en Israël zoveel groter zijn dan tussen Israël en andere Europese landen?
In hoeverre is Nederland volgens u aantrekkelijk voor brievenbusmaatschappijen? Hoe komt dat? Vindt u dit wenselijk?
Bestaat volgens u het risico dat Israëlische wapenbedrijven via Nederland belasting ontwijken en dat Nederland zo indirect bijdraagt aan de financiering van deze bedrijven? In hoeverre vindt u het dat wenselijk?
Klopt het dat Nederland via een Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA)-kantoor in Tel Aviv de handel met Israël bevordert? Spreekt dat kantoor ook met Israëlische wapenbedrijven en andere bedrijven die bijdragen aan de illegale bezetting en/of aan de genocide in Gaza? Zo ja, waarom?
Is het een doelstelling van de NFIA dat deze bedrijven zich in Nederland vestigen dan wel in Nederland actief worden? Zo ja, waarom?
Klopt het dat het Internationaal Gerechtshof (IGH) in zijn Advisory Opinion van 19 juli 2024 heeft uitgesproken dat derde landen zouden moeten afzien van economische of handelsrelaties met Israël die de illegale bezetting kunnen verstevigen?
Op welke manier verhoudt het bevorderen van economische betrekkingen met Israëlische wapenbedrijven en andere bedrijven die bijdragen aan de illegale bezetting en/of aan de genocide in Gaza door de NFIA zich tot de uitspraak van het IGH?
Op welke manier verhoudt het juridisch faciliteren van Nederlands fiscaal en financieel advies door Nederlandse belastingadviseurs en trustkantoren aan Israëlische wapenbedrijven en andere bedrijven die bijdragen aan de illegale bezetting en/of aan de genocide in Gaza, zich tot de uitspraak van het IGH?
Klopt het dat het voor Nederlandse belastingadviseurs en trustkantoren verboden is om diensten te verstrekken aan Russische bedrijven?
Bent u bereid om, in navolging van de Ruslandsancties, te pleiten voor een Europees verbod op fiscale en financiële dienstverlening aan Israëlische wapenbedrijven en andere bedrijven die bijdragen aan de illegale bezetting en/of aan de genocide in Gaza?
Het fiscale voordeel van familiehypotheken in relatie tot de maximale leencapaciteit |
|
Henk-Jan Oosterhuis (D66), Jan Schoonis (D66) |
|
Eerenberg , Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat de rente die wordt betaald op een hypotheek bij een familielid mag worden afgetrokken van de inkomstenbelasting? Onder welke voorwaarden mag dit?
Klopt het dat wanneer de geldverstrekker (het familielid) de rente kwijtscheldt, er geen recht meer is op hypotheekrenteaftrek? Kan kwijtschelding van rentebetalingen gelijk worden gesteld als een jaarlijkse schenking van de rentebetaling?
Bent u er mee bekend dat veel banken via een «schenk-leenconstructie», waarbij in een schriftelijke overeenkomst wordt vastgelegd dat de hypotheekverstrekker jaarlijks de rente (en aflossing) terug schenkt, toestaan dat een familiehypotheek boven op de maximale leencapaciteit komt? In hoeverre past dit binnen de wettelijke kaders?
Hoe kijkt u naar de mogelijke effecten van overkreditering doordat banken deze eis stellen? Wordt op deze manier niet effectief de leencapaciteit van met name starters met vermogende ouders vergroot, verder dan wettelijk via leennormen (LTI) toegestaan is? Ter illustratie: ABN Amro biedt tot 50% extra LTI-ruimte bij familiehypotheken, Rabobank accepteert familieleningen tot 50% van de woningwaarde.
Welk effect heeft deze feitelijke vergroting van de leencapaciteit op de huizenprijzen?
In hoeverre is er in bovengenoemde constructie – het terugschenken van de rentebetalingen – sprake van een marktconforme lening? Kunt uitleggen in hoeverre deze «schenk-leenconstructie» effect heeft op de aanspraak op hypotheekrenteaftrek bij familiehypotheken? Is er nog steeds sprake van een marktconforme rente, of is er dan sprake van een onzakelijke lening of schenking waarbij het recht op hyptheekrenteaftrek vervalt?
Bent u van mening dat het tegenstrijdig is dat de bank de familiehypotheek boven op de maximale leencapaciteit laat komen, omdat de betaalde rente wordt terug geschonken, terwijl over de betaalde rente wel hypotheekrenteaftrek wordt genoten? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat de «schenk-leenconstructie» evenals de afgeschafte «jubelton» zorgt voor een grotere ongelijkheid op de woningmarkt, omdat kinderen van vermogende ouders hierdoor een grotere leenruimte dan starters die alleen een hypotheek bij een commerciële kredietverstrekker hebben?
Ziet u aanleiding om deze constructie te onderzoeken: hoe kredietverstrekkers hiermee omgaan, hoe de belastingconstructie wordt toegepast en welke beleidsopties er zijn om deze constructie tegen te gaan?
De CPB-publicatie over de erfbelasting |
|
Henk-Jan Oosterhuis (D66) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het CPB-rapport «Erfbelasting in beeld: feiten, percepties en voorkeuren van Nederlanders»?1
Het CPB laat zien da de opbrengst van de schenkbelasting tussen 2017 en 2022 fors is gestegen. Hoe verklaart u deze trend?
Op welke wijze is in de ramingen van de erf- en schenkbelasting rekening gehouden met een toenemend aantal overlijdens en grotere nalatenschappen? Op welke uitgangspunten is de raming gebaseerd?
Deelt u de conclusie van het CPB dat er breed maatschappelijk draagvlak bestaat voor een progressievere erfbelasting, waarbij grote erfenissen effectief zwaarder belast mogen worden dan nu?
Kunt u een schatting geven van de jaarlijkse belastinginkomsten wanneer de mediaan voorkeurstarieven uit de CPB-studie worden ingevoerd: vier procent vanaf 10.000, 11 procent vanaf 100.000 en 25 procent vanaf één miljoen euro?
Deelt u de mening dat de erf- en schenkbelasting onderdeel is van het brede vermogensdomein en kan dienen als dekkingsoptie voor de motie-Eerdmans/Bikker (Kamerstuk 36 848, nr. 67)?
Het CPB geeft aan dat het gebrek aan data van erfenissen en schenkingen die onder de vrijstellingsgrens vallen in de toekomst groter wordt. Bent u bereid te onderzoeken hoe het zicht op vermogensoverdrachten onder de vrijstellingsgrens kan worden verbeterd, zodat toekomstig beleid beter op data gebaseerd kan worden?
Wanneer neemt u een besluit over het moderniseren van de forfaits in de erf- en schenkbelasting? Bij welke stakeholders worden de ingeschatte effecten van afschaffing getoetst, zoals u in uw brief van 30 juni 2026 schreef? Kunt u de opbrengst van deze toetsing delen met de Kamer?
Welke maatregelen bent u aan het voorbereiden om papieren schenkingen, waarmee erf- en schenkbelasting kan worden ontweken, minder aantrekkelijk te maken? Wanneer wilt u hierover besluiten?
Het artikel 'Vermogensbezit zal steeds meer bepaald worden door erfenis' |
|
Henk-Jan Oosterhuis (D66) |
|
Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Vermogensbezit zal steeds meer bepaald worden door erfenis?»1
Ja.
Herkent u het beeld dat de komende decennia sprake zal zijn van een grote overdracht van vermogen via erfenissen?
Het CPB stelt in hun recente rapport «Erfbelasting in beeld»2 dat gezien de omvang van het vermogen dat de naoorlogse generatie heeft opgebouwd, de verwachting is dat de totale omvang van nalatenschappen de komende decennia verder toeneemt.
Deelt u de analyse dat de hoge stijging van de huizenprijzen ertoe heeft geleid dat huishoudens met een koopwoning een grote vermogensgroei hebben doorgemaakt terwijl huurders hiervan nauwelijks hebben geprofiteerd?
Het is een feitelijke constatering dat huishoudens met een koopwoning profiteren van een stijging van huizenprijzen en huishoudens zonder koopwoning niet, als zij niet op andere wijze geïnvesteerd vermogen in de woningmarkt hebben.
In hoeverre verwacht u dat de toekomstige erfenissen de toegankelijkheid van de koopwoningmarkt zal beïnvloeden?
Allereerst wil ik benadrukken dat dankzij het relatief breed verdeelde eigenwoningbezit juist de middengroepen – en niet de meest vermogende huishoudens – er in de periode 2011–2023 het meest op vooruit zijn gegaan als gevolg van stijgende woningprijzen. De toegang tot de woningmarkt wordt door meerdere factoren bepaald. De stijgende woningprijzen zijn het gevolg van een groot verschil tussen vraag en aanbod van woningen, waarbij het aanbod heel rigide is. Dit rigide aanbod is niet alleen problematisch voor starters en gezinnen die door willen groeien naar een grotere woning, maar ook voor ouderen die kleiner willen wonen of in een levensloopbestendige woning willen wonen. De rol van erfenissen lijkt daarbij beperkter, maar ze kunnen wel enige invloed hebben op de koopwoningmarkt, doordat het ontvangers van een erfenis een voordeel kan geven ten opzichte van huishoudens die (nog) geen erfenis (hebben) ontvangen. De toegankelijkheid van de woningmarkt is echter van zeer veel factoren afhankelijk en het is de vraag of erfenissen in de toekomst een belangrijkere factor worden.
Welke verwachtingen heeft u over de effecten van deze vermogensoverdrachten op de vermogensongelijkheid tussen huishoudens en generaties?
Vermogen wordt gedurende de levensloop van mensen opgebouwd. Daarom hebben oudere mensen gemiddeld meer vermogen dan jongere mensen. Vermogensverschilleen worden dan ook voor een belangrijk deel verklaard door leeftijd.3 Vermogensoverdrachten van de oude naar de jonge generatie verkleinen dus de vermogensverschillen tussen generaties. Erfenissen hebben uiteraard ook een effect op vermogensverschilleen binnen generaties. De precieze aandelen van erfenissen in de vermogenssamenstelling van huishoudens naar vermogensklassen zijn niet bekend en daarmee zijn ook de ontwikkelingen in dat aandeel onbekend. Het is daarom niet vast te stellen wat de invloed is geweest van erfenissen op de verschillen binnen de jongere generaties en of deze groter of kleiner is dan die van de oudere generaties. Het CPB laat wel zien dat het hoogste vermogensdeciel een groot deel van het totale nagelaten vermogen in de periode 2013–2022 heeft ontvangen.4 Het CPB laat niet zien wat de ontwikkelingen daarin zijn geweest.
In elk geval is vermogensverdeling vrij constant gebleven in de periode 2011–2022.5
Het CPB heeft in 2024 de samenhang (correlatie) tussen de vermogenspositie van ouders in 1992 en die van hun kinderen in 2022 uitgebreid onderzocht.6 Daaruit blijkt dat hoewel kinderen van ouders met de grootste vermogens de grootste kans hebben tot de hoogste vermogensklasse te behoren, ook kinderen van ouders met minder vermogen een goede kans maken meer vermogen op te bouwen dan hun ouders. Relevant hierbij is dat deze samenhang tussen vermogensposities van ouders en kinderen niet of nauwelijks het gevolg is van erfenissen. De samenhang tussen de vermogensposities van ouders en kinderen ontstaat namelijk vaak al op jonge leeftijd van kinderen, ver voordat sprake is van een erfenis. Kansen voor kinderen om zich te ontwikkelen gaat vaak ook over een leeftijd van kinderen ver voordat sprake is van een erfenis.
In hoeverre verwacht u dat de toekomstige erfenissen de kansenongelijkheid tussen mensen met en zonder vermogende ouders zullen vergroten?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u toelichten welke onderzoeken en beleidsopties er liggen om de negatieve effecten van de toekomstige erfenissen op kansengelijkheid en vermogensongelijkheid te beperken?
Ik verwijs voor beleidsopties naar de fichebundels van het rapport IBO Vermogensverdeling uit 2022 en het rapport Bouwstenen voor een betere en eenvoudiger belastingstelsel uit 2024.7 Ik zie geen noodzaak voor extra stimulansen om vermogensoverdrachten eerder in het leven te laten plaatsvinden.
Bent u bereid de verschillende beleidsopties in kaart te brengen? En kunt u hierbij ook kijken naar fiscale stimulansen om erfenissen eerder in het leven in te zetten, bijvoorbeeld bij het aflossen van studieschuld?
Zie antwoord vraag 7.
Hoeveel jaar moet een alleenstaande met een modaal inkomen wiens ouders een huurwoning hadden, werken om netto het bedrag te verdienen dat een alleenstaande wiens ouders een koopwoning nalaten aan erfenis ontvangt?
Het is niet mogelijk om een eenduidig antwoord te geven op deze vraag. Dit hangt sterk af van de waarde van de nagelaten eigen woning, de resterende hypotheekschuld, de waarde van het overige nagelaten vermogen van beide ouders, het vermogen van de alleenstaande wiens ouders een huurwoning hadden en het totaal aantal erfgenamen waarmee de erfenis moet worden gedeeld.
Bent u van mening dat werken moet lonen? Zo ja, hoe verhoudt deze opvatting zich tot de verwachting dat geërfd vermogen voor een groeiende groep Nederlanders bepalender wordt voor hun financiële positie dan inkomen uit arbeid?
Het kabinet is van mening dat werk moet lonen en perspectief moet bieden, door te zorgen voor een fatsoenlijk inkomen, zekerheid bij tegenslag en kansen om mee te groeien in een economie en arbeidsmarkt die snel veranderen. Zoals in het coalitieakkoord is aangegeven is het daarvoor belangrijk om te werken aan een toekomstbestendige en wendbare arbeidsmarkt.
Het verzilveren van bidirectioneel laden voor het stroomnet en voor huishoudens |
|
Jantine Zwinkels (CDA), Felix Klos (D66), Robin van Leijen (D66) |
|
Eerenberg , Bertram |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het achtergrondartikel over de salderingsregeling en bidirectioneel laden in EW Magazine van juni 2026, waarin netbeheerders, energieleveranciers en autofabrikanten stellen dat elektrische auto's die stroom terugleveren zowel de netcongestie kunnen verlichten als huishoudens geld kunnen opleveren?1
Onderschrijft u de inschatting van netbeheerder Stedin in dit artikel dat in Utrecht ongeveer 50.000 van zulke auto's de lokale netcongestie kunnen oplossen en dat dit «een belangrijke korte route» is naar meer ruimte op het net?
Deelt u het beeld dat bidirectioneel laden tegelijk de energierekening van huishoudens verlaagt – volgens het artikel met zo'n € 600 tot € 1.000 per jaar – en volgens uw eigen routekaart met € 900 tot € 1.050?
Erkent u dat dit verdienvermogen voor gewone huishoudens op dit moment níet te verzilveren is, doordat over dezelfde stroom twee keer energiebelasting wordt betaald wanneer die eerst wordt opgeslagen en later teruggeleverd – knelpunten die u in uw eigen routekaart benoemt na een toezegging aan lid Zwinkels (CDA)?
Hoe weegt u de waarschuwing van Stedin dat de energiebelasting vanaf 2027 «die businesscase helemaal nekt», mede in het licht van het wegvallen van de salderingsregeling per 1 januari 2027 – het moment waarop huishoudens juist op zoek gaan naar een manier om hun eigen zonnestroom te benutten?
Welke gevolgen heeft het volgens u voor het huidige marktmomentum – waarbij de Renault 5 en 4 al terugleveren, meerdere merken volgen en in Utrecht dit jaar al meer dan duizend auto's stroom moeten kunnen terugleveren – en voor de investeringszekerheid bij fabrikanten én huishoudens, wanneer de dubbele energiebelasting in stand blijft?
Op welke wijze is in de rijksbegroting rekening gehouden met de belastinginkomsten uit de dubbele energiebelasting bij bidirectioneel laden, en welke budgettaire gevolgen verbindt u aan het wegnemen van deze dubbele heffing? Hoe weegt u die gevolgen tegen de maatschappelijke baten die in uw eigen routekaart worden geschetst?
Welke mogelijkheden ziet u om de «regulatory sandbox» voor bidirectioneel laden nu al te benutten voor een tijdelijke maatregel waarmee de dubbele energiebelasting voor bidirectioneel laden wordt weggenomen, zodat huishoudens en marktpartijen kunnen profiteren van het momentum dat er nu is?
Welke concrete stappen zet u, zodat de voordelen van bidirectioneel laden niet alleen terechtkomen bij mensen met een eigen oprit en laadpaal, maar ook bij bewoners van appartementen en mensen die op straat parkeren?
De rechterlijke uitspraak op basis van de brievenadministratie van het massale uitvraagproces inzake een vordering tegen de Staat |
|
Simon Ceulemans (JA21) |
|
Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het vonnis van de Rechtbank Midden-Nederland van 24 juni 2026, gepubliceerd op 29 juni 2026, met zaaknummer C/16/595361 / HA ZA 25-314, inzake een vordering tegen de Staat door kinderen van een moeder die als gedupeerde van de toeslagenaffaire erkend is1?
Ja
Bent u ermee bekend dat uit deze uitspraak blijkt dat aan de leden van dit gezin, na het erkennen van de moeder als gedupeerde op basis van het ouderverhaal en op grond van vermeend institutioneel vooringenomen handelen bij het terugvorderen naar aanleiding van non-respons, respectievelijk 430.250,– euro is uitgekeerd aan de moeder (vaststellingsovereenkomst van 7 maart 2025 met UHT), ruim 260.000,– euro aan de vader (via de regieroute VSO) en respectievelijk twee keer 10.000,– euro aan de twee oudste kinderen en eenmaal 8.000,– euro aan het jongste kind, waarmee de compensatie voor het gezin als geheel neerkomt op 718.250,– euro?
Ja
Wat is uw reactie op het feit dat uit de brievenadministratie, waarnaar de ADR onderzoek heeft gedaan, is gebleken dat er wel degelijk sprake is geweest van meerdere uitvraag- en rappelbrieven, dat de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag volgens het vonnis van de rechtbank mocht terugvorderen en derhalve niet is gebleken dat er vooringenomen is gehandeld?
Zoals ook benoemd in de brief van 3 juli 20261 geeft de verzend- en ontvangstadministratie geen sluitend en volledig beeld van het geheel aan feiten en gebeurtenissen in de casus van de ouder. Het laat alleen zien dat de standaard brief is verstuurd. Niet of en hoe mensen op de brief hebben gereageerd. Om te bepalen of de aanwezigheid van de verzendadministratie impact zou hebben op de gedupeerdheid van een ouder, zouden alle ouders de Integrale Beoordeling opnieuw moeten doen, inclusief het ouderverhaal. Zoals ik eerder aan uw Kamer heb aangegeven kan ik dit niet doen, omdat ik dit niet goed uitvoerbaar acht, en dit bovendien zou leiden tot grote onrust onder ouders. Tegelijk is de zorg van uw Kamer helder, en ik deel het ongemak hierover. Ik verken momenteel de mogelijkheid of de administratie bruikbaar is bij het verder voorkomen van stapelingsrisico’s in het kader van vervolgregelingen. De verzend- en ontvangstadministratie wordt al wel ingezet bij bezwaar, beroep en andere procedures. Tegelijkertijd wil ik benadrukken dat de ontvangen schadevergoeding nooit wordt teruggevorderd.
Deelt u de conclusie dat met deze uitspraak achteraf duidelijk is geworden dat dit zeer hoge bedrag aan compensatie aan de leden van één gezin op onterechte grond is uitgekeerd? Zo nee, waarom bent u niet bereid de conclusie te onderschrijven die de Staat zelf juist wil aantonen met het inbrengen van deze gegevens in een rechtszaak?
In 2020 is het beleid vormgegeven op basis van de compensatie voor de Combiteam Aanpak Facilitators (CAF) populatie. Daarbij was relevant dat in het zogenoemde kantoorproces (handmatige behandeling van een dossier door een medewerker) een centrale administratie van verzonden brieven en reacties ontbrak, en daarmee correspondentie niet altijd traceerbaar was. Hierdoor ontstond de breed gedeelde aanname dat de administratie ook in andere dossiers onvolledig zou zijn, ook in de massale processen waarbij brieven (deels) geautomatiseerd worden aangemaakt en verzonden. Dit speelde een belangrijk rol in de keuze die in 2020 is gemaakt voor generiek beleid waarbij het ouderverhaal leidend is. Een lijn die ook brede steun had in uw Kamer.
Het is destijds een politieke keuze geweest om het niet hebben ontvangen van een brief aan te merken als een grond voor gedupeerdheid. Over individuele gevallen doe ik verder geen uitspraken.
Waarom blijft u vooralsnog vasthouden aan de lijn dat op grond grond van de brievenadministratie en het ADR-onderzoek niet is vast te stellen in hoeveel gevallen personen onterecht als gedupeerde zijn aangemerkt aangezien hiervoor onder andere opnieuw oudergesprekken gevoerd zouden moeten worden? Erkent u dat dit uitgangspunt niet in lijn is met deze rechterlijke uitspraak, waarin op basis van het bestaande dossier in combinatie met de brievenadministratie wél een dergelijke conclusie wordt getrokken? Wat is hierop uw reactie?
De beoordeling of een ouder gedupeerd is, is niet zwart-wit, en heeft vaak niet één oorzaak. Een ouder kan gedupeerd zijn op basis van verschillende gronden en zelfs als een ouder enkel gedupeerd is op basis van individuele vooringenomenheid, dan kan dit door een samenloop van verschillende oorzaken komen. Daarom is het verhaal van de ouder hierover altijd leidend in de beoordeling.
De rechtbank heeft het gebruik van de verzend- en ontvangstadministratie als bewijs toegestaan, maar heeft daaruit geen conclusie getrokken dat er sprake is van onterecht aangemerkte gedupeerdheid. De rechtbank heeft de verzend- en ontvangstbevestiging slechts als bewijs toegelaten om aan te tonen dat er geen sprake is van onrechtmatige besluiten, onterechte terugvorderingen of institutionele vooringenomenheid richting de moeder. De civiele rechter komt niet aan de beoordeling van de mate van gedupeerdheid, dat is ook niet aan de civiele rechter, maar in laatste instantie aan de bestuursrechter. De civiele rechter heeft hier geoordeeld dat eisers onvoldoende hebben aangetoond welke besluiten onrechtmatig waarom en waarom, waardoor er in deze civiele zaak geen sprake is van onrechtmatig handelen.
Onderschrijft u dat deze zaak niet op zichzelf staat, maar dat compensatie op grond van vermeend vooringenomen handelen bij een aantal jaren van non-respons al snel tot enorm hoge compensatiebedragen kan leiden?
Zoals ik in antwoord op vraag 4 heb aangegeven zijn de compensatiegronden een politieke keuze geweest. Verder wil ik benadrukken dat de zaak op zichzelf staat, omdat iedere casus anders is. De beoordeling of een ouder gedupeerd is, is niet zwart-wit, en heeft vaak niet één oorzaak. Een ouder kan gedupeerd zijn op basis van verschillende gronden en zelfs als een ouder enkel gedupeerd is op basis van individuele vooringenomenheid, dan kan dit door een samenloop van verschillende oorzaken komen. Een kwantificatie van de relatie tussen het aantal jaren van non-response en de hoogte van de compensatie is dan ook niet te maken.
Hoe vaak is door de Staat tijdens rechtszaken gebruikgemaakt van gegevens uit deze brievenadministratie sinds het uitkomen van het ADR-onderzoek? Wat waren de uitkomsten hiervan en om welke – achteraf – onterecht uitgekeerde compensatiebedragen ging het hierbij?
De Staat gebruikt sinds februari 2026 de verzend- en ontvangstadministratie in rechtszaken. Tot en met 30 juni 2026 is de verzend- en ontvangstadministratie in 8 civiele zaken gebruikt in processtukken. In alle 8 zaken is een ouder gecompenseerd wegens non-respons, terwijl er wél vraagbrieven zijn aangetroffen.
Het is goed om te vermelden dat we in civiele procedures alleen zicht hebben op een kleine groep ouders die een procedure starten. Dat is geen goede representatie van de totale populatie van gedupeerde ouders.
De civiele rechter heeft tot en met 30 juni 2026 in één zaak geoordeeld dat er met de kennis van nu geen sprake is geweest van onrechtmatig handelen, omdat de ouders wel vraagbrieven hebben ontvangen maar hierop niet is gereageerd. De civiele rechter heeft het gebruik van de verzend- en ontvangstadministratie als bewijsmiddel aanvaard, maar daaruit niet afgeleid dat sprake is van ten onrechte vastgestelde gedupeerdheid of onterecht uitgekeerde compensatie. De beoordeling van de mate van gedupeerdheid is niet aan de civiele rechter maar in laatste instantie aan de bestuursrechter. Het is daarom niet inzichtelijk of de compensatie ten onrechte is uitgekeerd en om welke bedragen dat zou gaan.
Voor overige rechtszaken wordt het gebruik van de verzend- en ontvangstadministratie niet gemonitord.
Bij hoeveel eventueel lopende zaken is hier sprake van?
De verzend- en ontvangstadministratie wordt in 7 lopende civiele zaken als verweer in processtukken gebruikt. In deze 7 zaken zijn vraagbrieven teruggevonden, terwijl de ouder (gedeeltelijk) is gecompenseerd voor non-respons. Het is niet vast te stellen of de ouder destijds een antwoord op de vraagbrief heeft verzonden.
Aangezien de rechtbank op 24 juni 2026 vonnis heeft gewezen in één zaak, wordt die zaak niet meer als een lopende procedure beschouwd. Wel staat tegen het vonnis nog hoger beroep open, zodat de procedure alsnog kan worden voortgezet en in dat geval opnieuw als lopend kan worden aangemerkt.
Op welke andere manieren is er sinds het verschijnen van het ADR-onderzoek gebruikgemaakt van de desbetreffende brievenadministratie? Om hoeveel dossiers ging dit?
De verzend- en ontvangstadministratie wordt in de volgende gevallen gebruikt:
Er wordt buiten de civiele procedures om niet gemonitord in welke gevallen de administratie wordt gebruikt. Het is daarom niet mogelijk om het aantal dossiers te noemen.
Zoals eerder aangegeven verken ik momenteel de mogelijkheid of de administratie bruikbaar is bij het verder voorkomen van stapelingsrisico’s in het kader van vervolgregelingen.
Wordt de brievenadministratie nu standaard gebruikt bij nog niet afgeronde dossiers? Zo nee, waarom niet?
De verzend- en ontvangstadministratie wordt nu standaard gebruikt voor de in antwoord op vraag 9 genoemde gevallen.
Garandeert u dat in geen enkel dossier met betrekking tot vermeend vooringenomen handelen in relatie tot het massale uitvraagproces meer tot betaling of compensatie wordt overgegaan zonder voorafgaande controle van de brievenadministratie? Zo nee, waarom niet?
In antwoord op vraag 9 heb ik aangegeven in welke gevallen de verzend- en ontvangstadministratie wordt gebruikt. Hoewel in de genoemde processen voldoende waarborgen zijn ingericht, kunnen er in een grote uitvoeringsorganisatie fouten gemaakt worden. Daarom kan ik geen garantie geven dat dit altijd goed gaat.
Hoeveel personen zijn in totaal als gedupeerd aangemerkt en gecompenseerd op grond van «institutioneel vooringenomen handelen» in het kader van het massale uitvraagproces en voor welk bedrag in totaal? Wilt u deze gegevens zo snel en zo precies mogelijk, per toeslagjaar weergegeven, met de Kamer delen?
Circa 34.000 ouders zijn in ten minste één toeslagjaar als gedupeerde aangemerkt op grond van institutioneel vooringenomen handelen. Hoeveel van de 34.000 daarvan in het kader van het massale uitvraag proces als gedupeerde zijn aangemerkt kan alleen worden vastgesteld als de individuele dossiers handmatig worden onderzocht. Het is dan ook niet mogelijk om bedragen te noemen.
Waarom is zo lang doorgegaan met het uitkeren van zeer hoge compensatiebedragen (in het geval van deze rechtszaak op basis van een vaststellingsovereenkomst met UHT uit maart 2025) terwijl het bestaan van de administratie binnen UHT toen al ruim vier jaar bekend was, in de zomer van 2024 een intern onderzoek naar de administratie was gestart en toenmalig Staatssecretaris Achachbar in november 2024 hierover een intern memo ontving?
In de jaren voorafgaand aan 2024 zijn binnen UHT signalen afgegeven over de ruimhartigheid van het beleid, en de onaannemelijkheid van het feit dat significante aantallen brieven niet zijn verzonden of ontvangen. Bovendien is één signaal afgegeven over het bestaan van informatie over in een bepaalde periode verzonden brieven. Deze signalen zijn steeds beoordeeld binnen de bestaande beleidsuitgangspunten, namelijk dat bij het ontbreken van een brief gedupeerdheid werd vastgesteld. Zonder concrete aanwijzingen over het bestaan van een betrouwbare verzend- en ontvangstadministratie hebben signalen, soms in afstemming met de Commissie van Wijzen, steeds geleid tot herbevestiging van het beleid of hoogstens tot beperkte aanpassingen daarvan.
In de zomer van 2024 is een concreet signaal ontvangen over het bestaan van een administratie met vastleggingen van verzonden vraag- en rappelbrieven en ontvangen reacties. Dit maakte aannemelijk dat mogelijk meer informatie beschikbaar was dan eerder werd verondersteld.
Gelet op de mogelijke impact op ouders en de gevoeligheid rondom het gebruik van contra-informatie, is zorgvuldigheid betracht. Er is voor gekozen de informatie eerst onafhankelijk te laten onderzoeken door de ADR. De resultaten daarvan zijn op 6 februari 2026 met uw Kamer gedeeld2. Na het ADR onderzoek is besloten hoe deze administratie gebruikt zou worden.
Deelt u de conclusie dat, de totale omvang van de hersteloperatie overziend, het uitkeren van een astronomisch bedrag aan compensatie op onterechte gronden te voorkomen was geweest wanneer eerder was geluisterd naar, en gehandeld naar aanleiding van, de jarenlange waarschuwingen van UHT-medewerkers over het bestaan van een accurate brievenadministratie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, deelt u de conclusie dat het zeer laakbaar is dat dit niet is gebeurd?
Er is zorgvuldig gehandeld naar aanleiding van de ontvangen signalen. Toen er een concreet signaal kwam heb ik direct de ADR gevraagd onderzoek te doen naar de betrouwbaarheid en volledigheid van de administratie.
De totale hoogte van de individuele compensatie vloeit voort uit de (deels forfaitaire) schadekaders die een invulling vormen van werkelijke schade. Zo is dat in de wet bepaald.
Wilt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja
De hersteloperatie van de toeslagenaffaire en de brievenadministratie inzake het massale uitvraagproces |
|
Simon Ceulemans (JA21) |
|
Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Hoe het herstel van het Toeslagenschandaal ontspoorde: zeker 20.000 ouders ontvingen ten onrechte compensatie»1 uit NRC Handelsblad van 15 juni 2026?
Ja
Kunt u een uitgebreide inhoudelijke reactie geven op dit artikel, waaronder in ieder geval ten aanzien van het genoemde aantal van 20.000 personen, die ten onrechte als gedupeerde zijn aangemerkt en gecompenseerd in het kader van de toeslagenaffaire?
Ik herken mij niet in het beeld dat «zeker 20.000 ouders ten onrechte compensatie hebben ontvangen», zoals in het artikel wordt gesteld. De in het artikel geschetste weergave is naar mijn oordeel onjuist dan wel onvolledig. Zoals ook benoemd in de brief van 3 juli 20262 geeft de verzend- en ontvangst administratie geen sluitend en volledig beeld van het geheel aan feiten en gebeurtenissen in de casus van de ouder. Het laat alleen zien dat de standaard brief is verstuurd. Niet of en hoe mensen op de brief hebben gereageerd. Mede naar aanleiding van verzoeken vanuit uw Kamer is onderzocht of een nauwkeurigere inschatting mogelijk is. Om te bepalen of de aanwezigheid van de verzendadministratie impact zou hebben op de gedupeerdheid van een ouder, zouden alle ouders de Integrale Beoordeling opnieuw moeten doen, inclusief het ouderverhaal. Zoals ik eerder aan uw Kamer heb aangegeven kan ik dit niet doen, omdat ik dit niet goed uitvoerbaar acht, en dit bovendien zou leiden tot grote onrust onder ouders. Tegelijk is de zorg van uw Kamer helder, en ik deel het ongemak hierover. Ik verken momenteel de mogelijkheid of de administratie bruikbaar is bij het voorkomen van stapelingsrisico’s in het kader van vervolgregelingen.
Waarom werd, zoals in het artikel wordt vermeld, binnen UHT verondersteld dat het versturen van de uitvraag- en rappelbrieven aan ouders niet te bewijzen was, aangezien zowel de administratie van deze grootscheepse operatie als het boven water krijgen ervan als onderdeel van de hersteloperatie van cruciaal belang waren?
Voor de zomer van 2024 was het beeld dat van oudere perioden van het massale uitvraagproces geen volledige administratie van verzonden vraag- en rappelbrieven beschikbaar was. Daarom werd ervan uitgegaan dat verzending in veel gevallen niet of slechts beperkt kon worden gereconstrueerd. Daarnaast was het ouderverhaal leidend binnen de hersteloperatie. Indien een ouder verklaarde geen brieven te hebben ontvangen, werd daarvan uitgegaan, omdat UHT destijds evenmin over deze brieven beschikte.
In de zomer van 2024 is een concreet signaal ontvangen dat mogelijk toch een administratie beschikbaar was. Dat signaal is opgepakt en heeft ertoe geleid dat ik de ADR gevraagd heb onderzoek te doen naar de betrouwbaarheid en volledigheid van de administratie.
Is er eerder onderzoek gedaan naar de verzendadministratie? Zo ja, wat waren de resultaten hiervan en kunt u deze met de Kamer delen?
In de jaren voorafgaand aan 2024 zijn binnen UHT signalen afgegeven over de ruimhartigheid van het beleid, en de onaannemelijkheid van het feit dat significante aantallen brieven niet zijn verzonden of ontvangen. Bovendien is één signaal afgegeven over het bestaan van informatie over in een bepaalde periode verzonden brieven. Deze signalen zijn steeds beoordeeld binnen de bestaande beleidsuitgangspunten, namelijk dat bij het ontbreken van een brief gedupeerdheid werd vastgesteld. Zonder concrete aanwijzingen over het bestaan van een betrouwbare verzend- en ontvangstadministratie hebben signalen, soms in afstemming met de Commissie van Wijzen, steeds geleid tot herbevestiging van het beleid of hoogstens tot beperkte aanpassingen daarvan.
In de zomer van 2024 is een concreet signaal ontvangen over het bestaan van een administratie met vastleggingen van verzonden vraag- en rappelbrieven en ontvangen reacties. Dit maakte aannemelijk dat mogelijk meer informatie beschikbaar was dan eerder werd verondersteld.
Gelet op de mogelijke impact op ouders en de gevoeligheid rondom het gebruik van contra-informatie, is zorgvuldigheid betracht. Er is voor gekozen de informatie eerst onafhankelijk te laten onderzoeken door de ADR. De resultaten daarvan zijn op 6 februari 2026 met uw Kamer gedeeld3. Na het ADR onderzoek is besloten hoe deze administratie gebruikt zou worden.
Wat was in de beginfase van de UHT de werkwijze met betrekking tot het boven water krijgen van de benodigde informatie en correspondentie van Toeslagen voor een beoordeling door UHT? Welke afdelingen waren hierbij betrokken, wat kunt u over dit proces vertellen en hoe heeft zich dit vervolgens in de loop der jaren ontwikkeld?
In de beginfase van de hersteloperatie werd informatie verzameld uit de verschillende beschikbare systemen, archieven en administraties van Toeslagen en de Belastingdienst. Daarbij waren meerdere organisatieonderdelen betrokken, waaronder Toeslagen, UHT en onderdelen die verantwoordelijk waren voor informatiebeheer.
Hoeveel ouders hebben vanaf 2007 per toeslagjaar een uitvraagbrief ontvangen, hoeveel een rappelbrief en hoeveel een stopbrief (tweede rappelbrief)?
De cijfers die beschikbaar zijn gaan over de periode 2007 tot en met 2018. In die periode gaat het om:
Uitvraagbrief (2007–2018): circa 193.000 gemiddeld per jaar
Rappelbrief (2007–20174): circa 61.000 gemiddeld per jaar
De uitvraagbrieven en rappelbrieven worden verstuurd vanuit een massaal proces, de stopbrieven worden verzonden vanuit een kantoorproces. Op dit moment weet ik niet of de cijfers van het kantoorproces zijn bijgehouden.
Deelt u de analyse dat wanneer in het proces van het versturen van uitvraag-, rappel- en stopbrieven een volgende brief niet is verstuurd, dit inhoudt dat de betrokken persoon óf op de vorige brief gereageerd heeft óf uit het proces is gehaald? Zo nee, waarom niet?
Ja, in algemene zin deel ik die analyse. Daarbij merk ik wel op dat uitzonderingssituaties kunnen hebben bestaan. Daardoor kan niet worden uitgesloten dat de feitelijke gang van zaken in individuele dossiers hiervan afweek.
Deelt u tevens de analyse dat indien een persoon een stopbrief heeft ontvangen, dat dit in ieder geval inhoudt dat er geen reactie is binnengekomen op de uitvraag- en de rappelbrief? Zo nee, waarom niet?
Ja. In algemene zin betekent het verzenden van een stopbrief dat er op dat moment geen reactie was geregistreerd naar aanleiding van de eerdere uitvraag- en rappelbrief.
Wel konden zich uitzonderingssituaties voordoen, bijvoorbeeld wanneer een ouder pas reageerde nadat de stopbrief al was verzonden. Ook kunnen ouders gereageerd hebben zonder gebruik te maken van het meegezonden retourformulier, informatie fysiek aanboden op een kantoor van de Belastingdienst of reageerden nadat het toeslagjaar administratief was afgesloten. Verder zijn voorbeelden bekend van ouders die met hun brieven aan de balies hebben gestaan en deze brieven handmatig hebben laten registreren, wat niet altijd goed is gegaan
De enkele aanwezigheid van een stopbrief betekent daarom niet zonder meer dat een ouder uiteindelijk helemaal niet heeft gereageerd.
Hoeveel procent van de ouders heeft over de jaren heen (vanaf 2007) gereageerd op een uitvraag- of rappelbrief, waardoor vervolgens dus niet de fase van de stopbrief is bereikt?
In de periode 2007 tot en met 2018 was het gemiddelde reactiepercentage op het massale proces (uitvraagbrief en rappelbrief) 87%.
Hoe aannemelijk acht u het dat van een ouder alle schriftelijke reacties op uitvragen, rappels etcetera in het kader van het massale uitvraagproces op verschillende momenten in de tijd zijn kwijtgeraakt? Hoe aannemelijk acht u het dat dit op grote schaal is gebeurd?
Het kwijtraken van stukken voortkomend uit het massale uitvraagproces wordt niet aannemelijk geacht. Voor de verwerking van binnengekomen reacties waren verschillende registraties, controles en archiveringsprocessen ingericht. Dit sluit aan bij de bevindingen van het ADR-onderzoek naar de waarborgen rondom de verzend- en ontvangstadministratie, waarover uw Kamer op 6 februari 20265 is geïnformeerd. Ook zijn er geen aanwijzingen dat reacties van ouders op grote schaal verloren zijn gegaan.
Klopt het dat er geen enkele aanwijzing is dat stukken bij de verwerking door CAP in het kader van het massale uitvraagproces bewust zijn kwijtgemaakt? Zo nee, welke aanwijzingen bestaan daarvan?
Er zijn geen aanwijzingen dat stukken bij de verwerking door CAP bewust zijn kwijtgeraakt of verwijderd. Binnen het massale uitvraagproces waren verschillende controlemaatregelen ingericht voor zowel de verzending van post als de monitoring van de tijdige ontvangst daarvan. Ook werd de kwaliteit van het verzendproces gecontroleerd.
Hoe verhoudt het risico van het kwijtraken van stukken die als zogeheten «ongestructureerde post» binnenkomen (dus niet via de standaardroute) in het kader van het massale uitvraagproces zich tot het risico op het kwijtraken van ongestructureerde post bij andere overheidsorganisaties, zoals de Belastingdienst? Welke (schattingen van) percentages zijn er bekend met betrekking tot het kwijtraken van ongestructureerde post door overheidsdiensten?
De Belastingdienst houdt geen cijfers bij over het risico van kwijtraken van post in verhouding tot andere overheidsorganisaties. Er wordt post verwerkt voor de Belastingdienst, Douane en Toeslagen. Wat door de Belastingdienst aan binnenkomende post wordt ontvangen wordt gedigitaliseerd (gescand), voorzien van metadata en digitaal afgeleverd in systemen van het behandelend organisatieonderdeel.
Kunt u nauwgezet uiteenzetten op welke gronden ouders voor het massale uitvraagproces in aanmerking komen? Welke selectiecriteria worden hierbij gehanteerd?
In de fase van het definitief toekennen van de kinderopvangtoeslag wordt er in het massale proces een vraagbrief naar een ouder gestuurd als Toeslagen van de kinderopvangorganisatie geen jaaropgave ontvangt voor die ouder of als de jaaropgave significant afwijkt van de aanvraag van die ouder. Dat kan gaan om het aantal uren opvang dat is afgenomen of dat de gegevens over het aantal afgenomen uren niet compleet zijn. Dat is zowel in de situatie waarin de ouder meer kinderopvangtoeslag aanvraagt als in de situatie dat een ouder minder kinderopvangtoeslag aanvraagt in vergelijking met de jaaropgave van de kinderopvangorganisatie. Met de vraagbrief ontvangt de ouder tevens een retourformulier dat ingevuld met bijbehorende bijlagen teruggestuurd dient te worden. Op basis van de teruggestuurde gegevens zal de kinderopvangtoeslag door Toeslagen definitief worden vastgesteld.
Hoeveel procent van de binnengekomen post in reactie op uitvragen en rappels werd in de jaren sinds 2007 door de scanner verwerkt?
Dit wordt niet bijgehouden.
Hoe en door welk team werden de stukken die niet door de scanner kwamen beoordeeld en zijn er aanwijzingen dat bij deze fysieke beoordelingen te strikt is opgetreden? Zo ja, welke aanwijzingen?
Stukken die niet door de scanner komen worden door medewerkers van de Belastingdienst gelezen om te beoordelen bij welk dienstonderdeel het thuis hoort. Daarna wordt het betreffende stuk opgestuurd naar het behandelend dienstonderdeel. Mij zijn geen algemene bevindingen bekend waaruit volgt dat hierbij structureel te strikt is gehandeld.
Zijn er inmiddels -sinds het ADR-onderzoek- wijzigingen aangebracht in bovengenoemde werkwijze bij het verwerken van binnenkomende stukken in het kader van het massale uitvraagproces? Zo ja, welke? Zo nee, welke andere conclusie is daaruit te trekken anders dan dat dit proces ook destijds goed verliep?
De in het ADR-rapport beschreven verwerking van de reacties per antwoordbrief is ongewijzigd gebleven en de vraag- en rappelbrieven worden volgens de standaardprocessen voor inkomende reacties afgehandeld. Ook de beschreven werkwijze bij het reageren in een andere vorm dan via het antwoordformulier en de antwoordenvelop is niet gewijzigd. De werkwijze onbestelbaar retour ontvangen post is ongewijzigd gebleven. Voor het onderzochte massale uitvraagproces zijn door de ADR aanwijzingen gevonden dat het proces gestandaardiseerd was, waarborgen bevatte en dat de onderzochte administratieve vastleggingen consistent zijn.
Indien de compensatiegrond wegens vooringenomen handelen wegvalt door het meenemen van de aangetroffen brievenadministratie, welke compensatiegronden blijven dan nog wel van kracht voor de betreffende jaren?
De vraag veronderstelt dat het meenemen van de aangetroffen brievenadministratie ertoe leidt dat de grond voor vooringenomen handelen wegvalt. Dat kan niet zonder meer worden geconcludeerd.
«Onterechte non-respons» is namelijk geen zelfstandige gedupeerdheidsgrond, maar kan één van de omstandigheden zijn die bijdragen aan de vaststelling van individuele vooringenomenheid. Ook wanneer deze omstandigheid in een individueel geval zou wegvallen, kan nog steeds sprake zijn van vooringenomen handelen op basis van andere feiten en omstandigheden.
Daarnaast kan een ouder gedupeerd zijn op grond van de hardheid van het stelsel of een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (O/GS). Welke grond of gronden van toepassing zijn, hangt af van de integrale beoordeling van het betreffende toeslagjaar en dossier.
Klopt het dat niet per toeslagjaar is vastgelegd wat de verschillende compensatiegronden zijn geweest en hoe de verhoudingen qua aantallen zijn? Zo ja, waarom is dit niet gebeurd, aangezien inzicht in compensatiegronden van groot belang is om de achtergronden van (de afhandeling van) de toeslagenaffaire inzichtelijk te maken? Zo nee, kan de Kamer alle beschikbare gegevens hierover ontvangen?
Dat is juist. Er is niet per toeslagjaar systematisch vastgelegd welke specifieke onderliggende omstandigheden hebben geleid tot de conclusie dat sprake was van vooringenomenheid of hardheid. Aan het begin van de hersteloperatie was de noodzaak om alle onderliggende oorzaken en omstandigheden afzonderlijk vast te leggen niet voorzien. De nadruk lag destijds op het zo snel mogelijk beoordelen van dossiers en het bieden van herstel aan gedupeerde ouders.
Wel kan inzicht worden gegeven in de hoofdgrond waarop een ouder is beoordeeld. Zo zijn circa 34.000 ouders in ten minste één toeslagjaar als gedupeerde aangemerkt op grond van institutioneel vooringenomen handelen.
Had de ADR in haar onderzoek de ruimte om naar aanleiding van haar bevindingen ten aanzien van de administratieve vastleggingen tevens conclusies te trekken over de implicaties hiervan voor de mate waarin ouders terecht zijn gecompenseerd op grond van vooringenomen handelen? Zo ja, waarom is dit niet gebeurd? Zo nee, zijn dergelijke conclusies wel getrokken in eerdere, niet-definitieve versies van het onderzoek? Indien dit het geval is: hoe luidden deze?
De ADR is gevraagd onderzoek te doen naar de opzet en de werking van de waarborgen gericht op de juistheid en volledigheid van de administratie. Ook is de ADR gevraagd om voor 130 als gedupeerd aangemerkte ouders vanwege vooringenomenheid voor een geselecteerd toeslagjaar (2007 tot en met 2019) na te gaan welke informatie over verzonden brieven en ontvangen reacties in de database aanwezig is.
Uit het ADR-onderzoek volgt niet dat kan worden vastgesteld dat ouders ten onrechte als gedupeerde zijn aangemerkt. Het viel niet binnen de reikwijdte van het ADR-onderzoek om conclusies te trekken over de juistheid van de kwalificatie als gedupeerde ouder. Daarnaast is het ook niet mogelijk om op basis van deze onderzoeksresultaten conclusies te trekken of de gedupeerdheid van een ouder al dan niet terecht is. Zoals ik eerder al heb uitgelegd is «onterechte non-respons» namelijk geen zelfstandige gedupeerdheidsgrond, maar kan één van de omstandigheden zijn die bijdragen aan de vaststelling van individuele vooringenomenheid. Ook wanneer deze omstandigheid in een individueel geval zou wegvallen, kan nog steeds sprake zijn van vooringenomen handelen op basis van andere feiten en omstandigheden.
Deelt u de analyse dat over het algemeen te stellen is dat nieuwe beschikbare informatie in zaken waarin puur is uitgegaan van het ouderverhaal twee zaken kan aantonen, namelijk dat de verstrekte compensatie terecht was of dat er ten onrechte (of te veel) is gecompenseerd? Zo nee, waarom niet?
Nee, die analyse deel ik niet zonder meer. Nieuwe informatie kan bijdragen aan een vollediger beeld van een dossier, maar kan niet op zichzelf aantonen dat compensatie terecht of onterecht is verstrekt. De beoordeling van gedupeerdheid berust op een integrale afweging van alle relevante feiten en omstandigheden, waarbij het verhaal van de ouder leidend is.
Zijn er aanwijzingen dat er -los van de digitale datakluis- nog andere informatie (in welke vorm dan ook) beschikbaar is die nog niet betrokken is bij het beoordelen van dossiers en die mogelijk relevant was geweest bij het vaststellen van de vraag of personen al dan niet gedupeerd zijn? Zo ja, welke aanwijzingen en welke informatie?
Naar aanleiding van regulier archiefbeheer worden momenteel fysieke dozen met FIOD dossiers beoordeeld om te bepalen of ze voor vernietiging in aanmerking komen. Er wordt nog nader onderzocht of deze FIOD dossiers gebruikt mogen worden en relevantie hebben.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja
Het bericht ‘Sterke toename cryptobetalingen voor aankoop online kinderporno’ |
|
Tijs van den Brink (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
David van Weel (VVD), Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de bevindingen van de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU-Nederland) dat het aantal en volume van cryptobetalingen voor online kinderporno toenemen?1 Hoe beoordeelt u deze ontwikkeling?
Kunt u aangeven hoe het aantal meldingen, onderzoeken en veroordelingen die voortkomen uit signalen over cryptobetalingen voor online kinderporno zich de afgelopen vijf jaar heeft ontwikkeld?
Deelt u de zorg dat de groei van cryptobetalingen voor online seksueel kindermisbruik laat zien dat criminelen steeds vaker gebruikmaken van internationale cryptonetwerken en aanbieders buiten het bereik van Europese toezichthouders en opsporingsdiensten?
Acht u de huidige capaciteit van de FIU, politie, Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD) en het Team Bestrijding Kinderpornografie en Kindersekstoerisme voldoende om de toenemende stroom van cryptogerelateerde signalen te analyseren en op te volgen?
Herkent u het beeld dat de FIU schetst dat sinds de invoering van het Europese vergunningenstelsel voor cryptodienstverleners minder informatie rechtstreeks in Nederland beschikbaar komt, en welke gevolgen heeft dit voor toezicht, opsporing en handhaving?
Welke lacunes of beperkingen zijn er in de huidige Europese regelgeving waardoor crypto-aanbieders nog steeds relatief eenvoudig diensten kunnen verlenen aan criminelen?
Welke mogelijkheden ziet u om binnen de Europese Unie te komen tot een intensievere en meer structurele uitwisseling van gegevens over verdachte cryptotransacties, specifiek gericht op seksueel kindermisbruik, mensenhandel, terrorismefinanciering en georganiseerde criminaliteit?
Bent u bereid zich in Europees verband in te zetten voor een gezamenlijke aanpak van cryptodienstverleners en wisselkantoren die onvoldoende meewerken aan het voorkomen, melden en opsporen van ernstige criminaliteit?
Bent u bereid om met andere Europese lidstaten in gesprek te gaan om ervaringen uit te wisselen over de samenwerking met de FIU in het kader van onderscheppen van verdachte geldstromen?
Hoe beoordeelt u de mogelijkheden om informatie uit te wisselen tussen het strafrecht enerzijds en bestuursrecht anderzijds als het gaat om signalen die kunnen worden gekoppeld aan meldingen van seksueel geweld en kinderporno?
Herkent u de problemen waar de FIU op wijst bij het verkrijgen van informatie uit derde landen en jurisdicties waar cryptodienstverleners zijn gevestigd, en welke mogelijkheden ziet u om via de Europese Unie, de Financial Action Task Force (FATF) en andere internationale samenwerkingsverbanden de informatie-uitwisseling met deze landen te verbeteren?
Welke aanvullende maatregelen zijn volgens u in Nederland mogelijk, binnen de bestaande Europese regelgeving, om cryptobetalingen die verband houden met online seksueel kindermisbruik sneller te detecteren, te blokkeren en strafrechtelijk te onderzoeken?
Het bericht ‘Tiktokshop komt naar Nederland, 'een giftige cocktail voor impulsaankopen’ |
|
Inge van Dijk (CDA), Jantine Zwinkels (CDA), Judith Buhler (CDA) |
|
Herbert , Aerdts , Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Tiktokshop komt naar Nederland, «een giftige cocktail voor impulsaankopen»» van de NOS?1 Erkent u dat de combinatie van sociale media, verslavende aanbevelingsalgoritmen en directe aankoopmogelijkheden het risico op impulsieve en onverantwoorde aankopen vergroot?
Ja, ik ben bekend met het artikel. Ik erken dat de combinatie van sociale media, gepersonaliseerde aanbevelingsalgoritmen en directe aankoopmogelijkheden het risico op impulsieve aankopen kan vergroten.
Hoe beoordeelt u de verenigbaarheid van de Tiktokshop met Europese consumentenbeschermingsregels, nu gebruikers producten kunnen aanschaffen zonder de app te verlaten en daarmee voortdurend worden blootgesteld aan commerciële prikkels? Acht u het risico reëel dat hierbij sprake is van verboden manipulatieve ontwerpkeuzes (dark patterns)?
Ik deel de zorgen over manipulatieve ontwerpkeuzes bij sommige webshops. In dat kader zet het kabinet via de aangekondigde Digital Fairness Act (DFA) in op een verdere aanpak van dark patterns door het reeds bestaande verbod uit de Digital Services Act (DSA)2 over te nemen in het algemene consumentenrecht en het expliciet verbieden van specifieke dark patterns, zoals het emotioneel manipuleren van consumenten om bepaalde acties te verrichten3. Daarnaast is misleiding van consumenten reeds verboden onder het bestaande consumentenrecht. Of er sprake is van een overtreding is aan het oordeel van de toezichthouder Autoriteit Consument en Markt (ACM).
Heeft u inzicht in de wijze waarop de Tiktokshop gebruikmaakt van livestreamverkoop, aftellende aanbiedingen, schaarsteclaims en influencer marketing? Erkent u dat deze technieken specifiek zijn ontworpen om consumenten aan te zetten tot snelle en impulsieve aankopen en daarmee het risico op financiële problemen kunnen vergroten, met name onder jongeren?
Ik erken dat deze verkooptechnieken consumenten – en met name jongeren – kunnen aanzetten tot impulsieve aankopen en daarmee het risico op financiële problemen kunnen vergroten. Dat is zorgelijk. TikTok geeft aan een leeftijdsgrens van 18 jaar te hanteren voor de Tiktokshop. Op grond van het consumentenrecht zijn misleidende praktijken – zoals misleidende aftelklokken en het onterecht claimen van schaarste- reeds verboden4. Monitoring en handhaving hiervan valt in Nederland onder de verantwoordelijkheid van ACM.
Welke concrete stappen zetten de Autoriteit Consument & Markt (ACM) en andere bevoegde toezichthouders, waaronder de Autoriteit Persoonsgegevens en de Europese Commissie in het kader van de Europese digitaledienstenverordening (Digital Services Act), om de Tiktokshop vanaf de introductie actief te controleren op overtredingen van de toepasselijke regelgeving? Acht u deze toezichthouders voldoende toegerust qua bevoegdheden en capaciteit?
De ACM en de Europese Commissie houden toezicht op de naleving van de DSA. In het geval van «zeer grote online platforms» zoals Tiktok is dit primair de taak van de Europese Commissie. De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) houdt toezicht op naleving van de AVG.
Voor een «zeer groot online platform» als Tiktok gelden op basis van de DSA de meest strenge eisen. Zo is TikTok verplicht om alle zogenaamde systeemrisico’s die voortvloeien uit het ontwerp of uit de werking van hun dienst en de daaraan verbonden systemen en uit het gebruik van hun diensten te analyseren en beperken. Deze risicobeoordelingen moeten ten minste één keer per jaar worden uitgevoerd. Ook moet een beoordeling plaatsvinden voorafgaand aan de uitrol van functionaliteiten die waarschijnlijk kritieke gevolgen zullen hebben voor de vastgestelde systeem risico’s. Naar ik begrijp heeft TikTok voorafgaand aan de lancering van Tiktokshop contact gehad met de Europese Commissie, die primair toezicht houdt op de zeer grote online platforms. Ik begrijp dat TikTok in dat kader ook een risicobeoordeling met de Europese Commissie heeft gedeeld en inmiddels de eerste systeem risicobeoordeling onder de DSA heeft uitgevoerd. Ook heeft TikTok desgevraagd aangegeven doorlopend contact te houden met nationale toezichthouders.
TikTok is niet gevestigd in Nederland, maar in Ierland. Hierdoor is het handhavingsperspectief van de ACM wanneer het gaat om optreden op basis van de DSA in deze casus beperkt. Dit is aan de Europese Commissie en de Ierse toezichthouder. Wel werkt de ACM nauw samen met de Europese Commissie en de Ierse toezichthouder, bijvoorbeeld door het verzamelen en doorsturen van ontvangen meldingen over Tiktok(shop). De ACM heeft naar aanleiding van de inwerkingtreding van de DSA extra capaciteit gekregen om haar taken uit te voeren.
Bent u bereid de introductie van de Tiktokshop actief te monitoren, waaronder consumentenklachten, retourpercentages, signalen van misleiding en problematische impulsaankopen, en de Kamer hierover periodiek te informeren?
De ACM heeft richting mij aangegeven actief te zullen toezien op de naleving van de relevante wet- en regelgeving, waaronder het monitoren van consumentenklachten en andere parameters die zij relevant acht. Ook de Europese Commissie houdt actief toezicht op de naleving van de DSA. Zo heeft de Europese Commissie in februari 2026 het voorlopig oordeel gepubliceerd dat het verslavende ontwerp op TikTok in strijd is met de DSA.5 De ACM staat in dit verband ook in nauw contact met de Europese Commissie en de Ierse toezichthouder op de DSA. Mochten hieruit bevindingen komen die van belang zijn voor het bredere beleid, dan zal ik de Kamer hierover informeren.
Welke ervaringen zijn bij u bekend uit landen waar de Tiktokshop reeds actief is, waaronder meldingen van consumentenmisleiding, agressieve verkooppraktijken en handhavingsmaatregelen door toezichthouders? Welke lessen trekt u hieruit voor de Nederlandse situatie?
Ik beschik niet over specifieke inzichten over de effecten van Tiktokshop in andere landen. Waar nodig werkt de ACM echter (in het kader van de DSA en consumentenwetgeving) samen met toezichthouders uit andere lidstaten.
Deelt u de opvatting dat de bestaande regelgeving onvoldoende is toegesneden op social-commerceplatforms die aanbevelingsalgoritmen, influencer marketing en directe aankoopfunctionaliteiten combineren? Zo nee, waarop baseert u die conclusie? Zo ja, welke aanvullende maatregelen zult u in Europees verband bepleiten?
Momenteel biedt bestaande regelgeving – onder meer de DSA, de AVG en de consumentenwetgeving – al een stevig kader voor social-commerce platforms. Zo is TikTok in het kader van de DSA verplicht om jaarlijks systeemrisicobeoordelingen uit te voeren en moet het bedrijf voldoen aan regels met betrekking tot transparantie van aanbevelingssystemen en het tegengaan van manipulatieve ontwerpkeuzes (dark patterns). Van een dark pattern onder de DSA is sprake in het geval dat online platforms hun interface zodanig ontwerpen, organiseren of beheren dat zij de afnemers van hun dienst misleiden of manipuleren of hun vermogen om vrije en geïnformeerde beslissingen te nemen, anderszins wezenlijk verstoren of ondermijnen.
Daarbovenop biedt de DFA, die momenteel in Europees verband wordt ontwikkeld, een goede mogelijkheid om de bestaande consumentenregelgeving verder aan te scherpen. Hiermee zal aanvullende bescherming worden geboden aan consumenten online, met name voor kwetsbare groepen zoals jongeren. In dat kader zet ik mij actief in voor de opname van een verbod op verslavende ontwerptechnieken, meer controlemogelijkheden voor gebruikers en een verbod op dark patterns in het consumentenrecht. Met deze aanvullende regelgeving zal een nog stevigere basis worden gelegd voor de regulering van social-commerceplatforms.
Mogelijke corruptie via Nederlandse brievenbusfirma’s bij Albanees resort van schoonzoon Trump |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA), Julian Bushoff (PvdA) |
|
Sandra Palmen (NSC), Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het corruptieonderzoek naar het Albanese resort dat leidt naar Nederlandse brievenbusfirma’s?1
Ja, ik ben bekend met de berichtgeving hierover in de media.
Deelt u de analyse dat de combinatie van grootschalige buitenlandse investeringen, zwakke institutionele controle en complexe Nederlandse eigendomsstructuren een enorm risico vormt voor de democratische controle?
Het kabinet onderschrijft in algemene zin het belang van transparantie over eigendomsstructuren en geldstromen en van adequate waarborgen tegen witwassen en corruptie. Complexe eigendomsstructuren zijn op zichzelf niet ongebruikelijk of onrechtmatig, maar kunnen het moeilijker maken om inzicht te verkrijgen in de uiteindelijke begunstigden («UBO’s») en geldstromen. Hiertegen heeft Nederland maatregelen genomen. Zo zijn juridische entiteiten verplicht hun UBO's te registreren in het UBO-register. Daarnaast hebben financiële instellingen en specifieke beroepsgroepen, waaronder trustkantoren, een poortwachtersfunctie en zijn zij verplicht cliëntonderzoek uit te voeren. Dit cliëntonderzoek houdt onder meer in dat de poortwachter de UBO verifieert en inzicht verkrijgt in de eigendoms- en zeggenschapsstructuur. Het kabinet zet zich zowel nationaal als internationaal in voor verdere versterking van de transparantie van eigendomsstructuren en uiteindelijk belanghebbenden. Dit gebeurt onder meer via de implementatie van het Europese antiwitwaspakket2, waarin regels over onder meer cliëntenonderzoek en UBO-transparantie verder worden geharmoniseerd.
Deelt u de analyse dat Nederland als leverancier van brievenbusfirma’s een belangrijke spil vormt bij het wegsluizen van buitenlands geld?
Trustkantoren zijn gereguleerd via de Wet toezicht trustkantoren 2018 (Wtt 2018) en hebben een poortwachtersfunctie om integriteitsrisico’s, waaronder witwasrisico’s, te beheersen. Trustkantoren mogen uitsluitend met een door De Nederlandsche Bank (DNB) verleende vergunning trustdiensten aanbieden en staan onder doorlopend toezicht van DNB. Op 1 januari 2019 is de Wtt 2018 in werking getreden met als doelstelling een betere beheersing van integriteitsrisico's in de trustsector ten opzichte van de voorloper van de Wtt 2018.3 Dit doel was mede ingegeven door maatschappelijke zorgen naar aanleiding van onder andere de Panama Papers, de parlementaire ondervragingscommissie Fiscale Constructies en de toezichtspraktijk van DNB.4 De Wtt 2018 bevat, naast een vergunningsregime voor het verlenen van trustdiensten, eisen aan een integere en beheerste bedrijfsvoering en het verrichten van cliëntenonderzoek, en voorziet in toezicht- en handhavingsbevoegdheden voor DNB.
Het kabinet markeert dat om aan integriteitsrisico’s die aan trustdienstverlening verbonden kunnen zijn de Wtt 2018 sinds de inwerkingtreding meerdere malen is gewijzigd, waardoor de verplichtingen voor trustkantoren en het toezicht op de sector aanzienlijk zijn aangescherpt. Zo is voor trustkantoren een algeheel verbod op het geven van belastingadvies5 en het optreden als doorstroomvennootschap6 ingevoerd om het faciliteren van ongewenste fiscale constructies voor belastingontwijking tegen te gaan. Nederland heeft daarnaast de afgelopen jaren ook op fiscaal gebied veel maatregelen genomen tegen belastingontwijking via doorstroomstructuren, zowel internationaal als nationaal.7 Daarnaast is de Wtt 2018 in 2022 gewijzigd om sanctierisico’s beter te mitigeren, waarbij het verboden is om trustdiensten te verlenen aan cliënten in de Russische Federatie of Belarus. Het verbod om trustdiensten te verlenen is vervolgens uitgebreid tot cliënten, doelvennootschappen en uiteindelijk belanghebbenden die zijn gevestigd in een derde-hoogrisicoland of een land dat voorkomt op de Europese lijst van niet-coöperatieve belastingjurisdicties.8 Voorts zijn maatregelen getroffen om ontwijking van de vergunningplicht tegen te gaan en de handhaving daarvan te versterken. Daartoe is onder meer de definitie van een specifieke trustdienst verduidelijkt en is de boete voor het omzeilen van trustdienstverlening, bijvoorbeeld via «opknippen» van bepaalde diensten, verhoogd. Binnen het Financieel Expertise Centrum (FEC)9 wordt daarnaast een project uitgevoerd naar illegale trustdienstverlening en is een onderzoek afgerond naar het opknippen van trustdienstverlening.10 Er wordt daarnaast ook gehandhaafd. Zo heeft DNB recent bij tien bedrijven onderzoek gedaan naar het illegaal opknippen van trustdiensten en is bij drie bedrijven een overtreding vastgesteld. Bij vier bedrijven loopt het onderzoek nog, waarbij DNB handhavingsmaatregelen niet uitsluit.11
In de eerste helft van 2026 is de Wtt 2018 geëvalueerd door een extern onderzoeksbureau.12 Uit de evaluatie blijkt dat de Wtt 2018 en de daaropvolgende aanscherpingen hebben bijgedragen aan de versterking van de integriteit van de vergunninghoudende trustsector. De wetgeving is daarmee doeltreffend gebleken in het beperken van de risico's op witwassen, terrorismefinanciering en misbruik van trustdienstverlening binnen de gereguleerde sector. De onderzoekers doen geen aanbevelingen om de Wtt 2018 inhoudelijk aan te passen. Uit de evaluatie blijkt verder dat de (fiscale) maatregelen Nederland de afgelopen jaren minder aantrekkelijk hebben gemaakt als vestigingsland voor doorstroomstructuren. Dit blijkt onder meer uit een recente publicatie van DNB, waaruit volgt dat zowel het aantal financiële holdings van multinationals als het aantal trustkantoren in ongeveer tien jaar tijd bijna is gehalveerd.13 Ook blijkt de effectiviteit van de invoering van de bronbelasting op renten, royalty’s en dividenden uit de afname van inkomensstromen vanuit Nederland naar laagbelastende jurisdicties van € 37 miljard in 2019 naar € 6,5 miljard in 2024.14
Voor partijen die bedrijven alleen een vestigings- of correspondentieadres ter beschikking stellen met eventueel wat kleine secretariaatswerkzaamheden (in de volksmond brievenbusfirma’s genoemd), geldt dat zij de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) moeten naleven. Deze adresverleners worden ook wel aangemerkt als domicilieverleners en staan als poortwachters onder toezicht van de Dienst Financieel-Economische Integriteit (DFEI). Tijdens de onderhandelingen over het nieuwe Europese antiwitwaspakket heeft Nederland zich ingezet voor de invoering van een registratieplicht voor domicilieverleners.15 Dat is nu ook onderdeel geworden van dit pakket, dat Nederland momenteel implementeert. Bij de implementatie van het pakket is het kabinet daarnaast voornemens om gebruik te maken van een lidstaatoptie, zodat domicilieverleners en bredere trustdienstverleners zogenoemd verscherpt cliëntenonderzoek moeten toepassen vanwege de inherente risico’s die met deze dienstverlening gepaard gaat. Hierbij zal de noodzaak voor deze verscherpte maatregelen enige tijd na inwerkingtreding geëvalueerd worden.16 De verwachting is dat het wetsvoorstel voor de implementatie van het anti-witwaspakket voor het eind van het kalenderjaar bij uw Kamer wordt ingediend.
Klopt het dat aandeelhouders zich niet bekend hoeven te maken omdat ze minder dan 25% van het project bezitten? Hoeveel beleidsvrijheid heeft Nederland om dit aan te scherpen? Bent u bereid om dit aan te scherpen?
Een aandeelhouder met 25% of meer van de aandelen of stemrechten is uiteindelijke begunstigde («UBO») van de juridische entiteit. Dat betekent niet dat personen met minder dan 25% van de aandelen of stemrechten géén UBO zijn. Wanneer een persoon op een andere manier zeggenschap heeft over een onderneming kan die persoon ook als UBO worden aangemerkt. Hierbij kan worden gedacht aan statutaire bepalingen, een benoemingsrecht of informele afspraken. Wanneer een persoon voldoet aan de eisen om als UBO te worden aangewezen, moet diegene worden ingeschreven in het UBO-register. Deze regels gelden nu al en worden aangescherpt door de nieuwe Europese antiwitwaswetgeving. In lijn met de kabinetsinzet om administratieve lasten te verminderen is ervoor gekozen om geen gebruik te maken van de lidstaatoptie om in geval van hoog risico-situaties het percentage om als UBO te worden aangemerkt te verlagen naar 15%. Het toezicht op de naleving van de UBO-regelgeving vindt risicogebaseerd plaats, zodat onnodige regeldruk wordt voorkomen in situaties met een laag risico.
Bent u bereid om proactief mee te werken aan het Albanese anticorruptie onderzoek en te zorgen dat bekend wordt wie alle aandeelhouders zijn in deze constructies?
De Minister van Justitie en Veiligheid kan geen uitspraken doen over lopende (buitenlandse) strafrechtelijke onderzoeken en mogelijke samenwerking en evenmin over entiteiten en aandeelhouders. Nederland en Albanië onderhouden een goede rechtshulprelatie. In het kader daarvan werken politie en het openbaar ministerie (OM) samen met de Albanese anti-corruptiestructuur SPAK in de bestrijding van corruptie en georganiseerde criminaliteit en corruptie. Eventuele rechtshulpverzoeken die in deze samenwerking worden gedaan, worden beoordeeld en verwerkt door de Afdeling Internationale aangelegenheden en Rechtshulp in Strafzaken van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, in samenwerking met het OM.
Kunt u een overzicht geven van de betrokken entiteiten met een Nederlandse link en aangeven onder welke wetgeving zij vallen?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u van mening dat de sector en de zelfregulering op dit moment voldoende functioneert in het algemeen belang? Welke maatregelen heeft u de afgelopen jaren genomen om de trustsector strenger te reguleren? Zijn de beoogde doelen bereikt?
Zie antwoord vraag 3.
Alternatieve fiscale routes voor de CV/BV structuur en andere belastingontwijkende structuren |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u zich ervan bewust dat uw ambtsvoorganger bij de behandeling van de Wet implementatie tweede EU-richtlijn antibelastingontwijking heeft aangegeven1 te verwachten dat het grootste deel van de belastingplichtigen met een CV/BV-structuur de structuur zal wijzigen, dat het niet valt uit te sluiten dat een groep belastingplichtigen daarbij op zoek zal gaan naar een andere wijze om de belastingdruk te verlagen en dat hij niet kon overzien hoe dergelijke structuren zouden worden vormgegeven?
Ja, daar ben ik mij van bewust. In dat verband geldt dat Nederland de afgelopen jaren veel maatregelen tegen belastingontwijking heeft genomen, zowel internationaal als nationaal. Op basis van de cijfers volgt dat deze maatregelen effectief zijn. Sinds 1 januari 2021 heft Nederland een conditionele bronbelasting op rente- en royaltybetalingen aan een gelieerd lichaam dat gevestigd is in een laagbelastende jurisdictie en in misbruiksituaties. Nederland stelt jaarlijks deze laagbelastende jurisdicties vast in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden. Er blijkt bijvoorbeeld al een aanzienlijke daling van rente-, royalty-, en dividendstromen naar laagbelastende jurisdicties van € 37 miljard in 2019 naar € 7 miljard in 2024.2 Verder zijn de eerste en tweede Europese anti-belastingontwijkingsrichtlijnen (ATAD1 en ATAD2) geïmplementeerd, die onder meer hebben geleid tot beperkingen op het gebied van de renteaftrek en het tegengaan van structuren die gebruik maken van verschillen tussen belastingwetgeving van landen (hybride mismatches). Een belangrijke stap in de aanpak van het verschuiven van winsten naar laagbelastende staten is bovendien de wereldwijde minimumbelasting die in Nederland in de Wet minimumbelasting 2024 is geïmplementeerd. Deze wet en de internationale afspraken die aan die wet ten grondslag liggen, beogen te waarborgen dat multinationale en binnenlandse groepen met een geconsolideerde jaaromzet van ten minste € 750 miljoen effectief ten minste 15% belasting over hun winst betalen. Om dubbele niet-heffing als gevolg van een verschillende interpretatie van het arm’s-lengthbeginsel te voorkomen, is in Nederland de Wet tegengaan mismatches bij toepassing zakelijkheidsbeginsel in werking getreden. Deze wet is erop gericht om mismatches te voorkomen die ontstaan door toepassing van het arm’s-lengthbeginsel en die leiden tot dubbele niet-heffing (zogenoemde «informeel-kapitaalstructuren»). Het kabinet is ervan overtuigd dat het belastingstelsel door al deze maatregelen robuuster is gemaakt tegen internationale belastingontwijking.
Het voorgaande laat onverlet dat het kabinet zal onderzoeken of territoriale belastingstelsels in samenhang met de bestaande maatregelen kunnen leiden tot uitkomsten die onvoldoende door het huidige instrumentarium worden bestreken.
Kunt u thans wel overzien hoe belastingplichtigen met een CV/BV-structuur hun structuur naar aanleiding van de Wet implementatie tweede EU-richtlijn antibelastingontwijking hebben aangepast? Zo ja, kunt u een overzicht verstrekken van alternatieve structuren die zij in dat kader hebben geïmplementeerd? Zo nee, bent u bereid om dit door het Ministerie van Financiën in samenwerking met de Belastingdienst te laten onderzoeken, op vergelijkbare wijze als in 2016 met het onderzoek dat heeft geleid tot de notitie CV/BV-structuren in Nederland2?
Met ingang van 1 januari 2020 zijn in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb 1969) de hybridemismatchmaatregen die volgen uit de tweede EU-richtlijn antibelastingontwijking (ATAD2)4 in werking getreden.5 Er bestaat geen compleet overzicht op welke wijze belastingplichtigen hun structuur hebben aangepast naar aanleiding van ATAD2. Door de implementatie van ATAD2 en door de intrekking van het zogenoemde cv/bv-besluit per 1 januari 2020 is het fiscale voordeel van de cv/bv-structuur weggenomen. Deze maatregelen hebben hun effect gehad. Voor nieuwe cv/bv-structuren geldt dat deze sindsdien niet of nauwelijks zijn opgezet en de bestaande structuren zijn destijds vrijwel allemaal verlaten. Het beeld uit de praktijk is dat multinationals daarbij verschillende manieren hebben gekozen. Een aantal heeft de structuur in stand gelaten, maar vanuit Amerikaans perspectief gekozen voor een transparante behandeling van de CV. Omdat de CV vanuit Nederlands perspectief ook als transparant wordt behandeld, is het fiscaal voordeel weggenomen. Andere multinationals hebben de activa van de CV, waaronder vaak intellectuele activa, overgedragen aan een entiteit. In een aantal gevallen was dat de Verenigde Staten, in een aantal gevallen Nederland of andere landen. In die gevallen is de hybride mismatch opgeheven.
Er is geen systematisch overzicht van de wijze waarop multinationals hun structuur hebben aangepast om de toepassing van de maatregelen tegen de hybridemismatch te voorkomen. De Belastingdienst heeft daar ook niet in alle gevallen en in detail zicht op omdat andere landen betrokken zijn en die informatie niet in alle gevallen relevant is voor de Nederlandse belastingheffing. Alleen al om die reden zal een onderzoek geen compleet inzicht geven. Bovendien is in voorkomende gevallen gekozen voor een tijdelijke oplossing voorafgaand aan de implementatie van de definitieve structuur. Daarnaast volgt uit het onderzoek uit 2016 dat het niet mogelijk was om op basis van bestaande gegevens cv/bv-structuren te identificeren. Het exacte aantal kon toen niet worden bepaald.
In 2024 is een analyse uitgevoerd naar het effect van de hybridemismatchmaatregelen. In de brief van 11 december 2024 is mijn ambtsvoorganger daarop ingegaan.6 Uit deze analyse is naar voren gekomen dat er vier indicaties aanwezig zijn waaruit blijkt dat de wetgeving effectief is gebleken:
Klopt het dat één van de alternatieve structuren die in dit kader zijn geïmplementeerd het tussenschuiven van een Singaporese vennootschap behelst, zodanig dat de Amerikaanse vennootschap daarna de aandelen in de Singaporese vennootschap houdt, de Singaporese vennootschap vennoot is in de CV met een winstaandeel van meer dan 99 procent en de CV de aandelen houdt in de BV?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat het mogelijk is of was om de CV voor toepassing van de Singaporese belastingwet als transparant te kwalificeren?
De fiscale kwalificatie van een lichaam volgt uit de nationale wet- en regelgeving van elke betrokken jurisdictie. De kwalificatie van een CV voor Singaporese belastingdoeleinden, is dus ook afhankelijk van de Singaporese fiscale kwalificatieregels.
Voor Nederlandse fiscale doeleinden is het kwalificatiebeleid voor (buitenlandse) rechtsvormen met ingang van 2025 is aangepast.7 De aanpassingen zijn er onder andere op gericht te voorkómen dat kwalificatieverschillen ontstaan. Daarmee wordt de oorzaak van hybride mismatches aangepakt. Ingevolge deze aanpassingen is ook de zelfstandige belastingplicht van de open CV komen te vervallen. Een CV is derhalve voor Nederlandse fiscale doeleinden transparant, tenzij het als fonds voor gemene rekening of als omgekeerd hybride lichaam is aan te merken. De kwalificatie van een lichaam of samenwerkingsverband kan voor de toepassing van de hybride mismatchmaatregelen deel uitmaken van de beoordeling door de inspecteur. Deze beoordeling vindt plaats aan de hand van de feiten en omstandigheden van het individuele geval en de relevante Nederlandse en Singaporese belastingwetgeving
Klopt het dat Singapore een territoriaal belastingstelsel heeft of had en dat dit er in deze structuur toe zou leiden of heeft geleid dat de winst die de Singaporese vennootschap geniet ter zake van haar deelname als vennoot in de CV door Singapore niet werd of wordt belast?
Het is mij niet bekend of Singapore een territoriaal belastingstelsel, of een vorm daarvan, heeft. In een territoriaal belastingstelsel is belastingheffing doorgaans gericht op binnenlands gegenereerde inkomsten en wordt buitenlands broninkomen vrijgesteld of anderszins niet in de heffing betrokken. In hoeverre een opbrengst in een territoriaal belastingstelsel wordt belast, is dus afhankelijk van de inkomenstoerekeningsregels en specifieke vrijstellingsgronden van dat stelsel. In voorkomende gevallen kan een territoriaal belastingstelsel tot gevolg hebben dat winst die wordt genoten uit deelname als vennoot in een CV niet in de belastingheffing wordt betrokken in de jurisdictie waar het territoriale belastingstelsel van toepassing is. Om vast te stellen of dit in de bevraagde structuur het geval is, is een feitelijke toetsing van alle feiten en omstandigheden van het concrete geval voor de toepassing van de relevante Singaporese belastingwetgeving vereist. Ik kan hier verder in algemene zin geen uitlatingen over doen.
Klopt het, ervan uitgaande dat Singapore de CV als transparant zou zien, dat voor de jaren 2020 en 2021 royalty’s die de BV aan de CV betaalde, aftrekbaar bleven omdat de aftrekbeperking van de antimismatchregels niet van toepassing was aangezien er geen sprake was van een mismatch omdat Singapore de CV net als Nederland als transparant beschouwde?
De maatregelen die volgen uit ATAD2 bestrijden belastingontwijking waarbij gebruik wordt gemaakt van zogenoemde hybridemismatches. Hybridemismatches zijn situaties waarin een belastingvoordeel wordt behaald door gebruik te maken van de verschillen tussen vennootschapsbelastingstelsels; meer in het bijzonder door gebruik te maken van verschillen in de fiscale behandeling (kwalificatie) van lichamen, instrumenten of vaste inrichtingen. Met de hybridemismatchmaatregel wordt beoogd de voordelen van hybridemismatches te neutraliseren die worden veroorzaakt door de wisselwerking van (kwalificatie)verschillen tussen belastingstelsels. De maatregelen hebben tot doel om mismatches te bestrijden die hun oorsprong hebben in een hybride element. Voor de toepassing van de hybride mismatchmaatregelen beoordeelt de inspecteur aan de hand van de feiten en de omstandigheden van het concrete geval of de betaling van royalty’s leidt tot een aftrek zonder betrekking in de heffing of een dubbele aftrek en of die uitkomst het gevolg is van een kwalificatieverschil of een verschil in toerekening tussen de betrokken jurisdicties. Als er geen sprake is van een hybride mismatch, dan beperkt ATAD2 de aftrek van royalty’s niet.
Klopt het dat de CV sinds 2022 als een zogenoemde omgekeerde hybride wordt beschouwd omdat de Amerikaanse vennootschap als aandeelhouder van de Singaporese vennootschap een indirect belang heeft in de CV en de Verenigde Staten de CV als niet-transparant zien? Zo ja, betekent dit dat de CV belastingplichtig wordt voor de vennootschapsbelasting maar dat de winst die toerekenbaar is aan de Singaporese vennootschap aftrekbaar is indien wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 9, eerste lid, onderdeel e, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969?
Per 1 januari 2022 is in de Wet Vpb 1969 de belastingplichtmaatregel voor omgekeerde hybride lichamen uit ATAD2 in werking getreden.. 8 Op grond daarvan kan een naar Nederlands recht aangegaan of in Nederland gevestigd samenwerkingsverband dat in beginsel voor Nederlandse belastingwetgeving transparant is, onder omstandigheden worden aangemerkt als binnenlands belastingplichtig voor de Wet Vpb 1969.
Indien de CV als omgekeerd hybride lichaam binnenlands belastingplichtig is voor de Wet Vpb 1969, kan bij het bepalen van de winst onder omstandigheden een aftrek worden verleend voor het gedeelte van de winst van een lichaam dat in een naar de winst geheven belasting wordt betrokken bij de houders van stemrechten, kapitaalbelangen of winstrechten in dat lichaam die woonachtig of gevestigd zijn in een staat die dat lichaam niet als een belastingplichtige voor een naar de winst geheven belasting beschouwt. Van betrekking in de heffing is bijvoorbeeld geen sprake indien een betaling – op basis van de kwalificatie van die betaling – in aanmerking komt voor een belastingvrijstelling. Hiermee wordt voorkomen dat aftrek wordt verleend voor winst die niet in een naar de winst geheven belasting wordt betrokken. Er kan in algemene zin niet worden bevestigd dat de winst die toerekenbaar is aan de Singaporese vennootschap aftrekbaar is. De inspecteur beoordeelt dit aan de hand van de relevante feiten en omstandigheden van het concrete geval.
Kwalificeert of kwalificeerde de wijze waarop Singapore het inkomen van de Singaporese vennootschap als vennoot in de CV in de heffing betrok of betrekt als «in een naar de winst geheven belasting wordt betrokken» in de zin van artikel 9, eerste lid, onderdeel e, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, zelfs indien daarbij wordt aangenomen dat Singapore over dit inkomen vanwege het aldaar vigerende territoriale belastingsysteem niet daadwerkelijk belasting heft? Is het mogelijk om over deze kwalificatie afspraken te maken met de Nederlandse fiscus? Zijn er met de Nederlandse fiscus afspraken gemaakt over deze kwalificatie en zo ja, hoeveel?
De Belastingdienst geeft binnen de kaders van wet- en regelgeving, beleid en jurisprudentie zekerheid vooraf over de fiscale gevolgen van voorgenomen handelingen of transacties. Dit geldt ook over de toepassing van artikel 9, eerste lid, onderdeel e, van de Wet Vpb 1969 in een specifieke situatie. Met ingang van 1 juli 2019 is de Nederlandse rulingpraktijk aangescherpt. De wijzigingen zien op zowel de inhoud, het proces, als de transparantie. De eisen om zekerheid vooraf te kunnen krijgen zijn hierbij aangescherpt. Een van de aanscherpingen ziet erop dat naast Nederlandse besparing, ook buitenlandse belastingbesparing niet de enige dan wel doorslaggevende reden mag zijn van de rechtshandeling waarvoor zekerheid wordt gevraagd. Ook wordt met ingang van die datum geen zekerheid vooraf gegeven indien de gevraagde zekerheid vooraf betrekking heeft op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden. Aan het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter9 zijn per december 2023 uitzonderingen toegevoegd die het mogelijk maken om onder strikte voorwaarden toch vooroverleg te voeren terwijl niet aan alle vereisten uit paragraaf 3 onderdeel a en b wordt voldaan. Bijvoorbeeld in situaties waarin een belastingontwijkende structuur binnen een zo kort mogelijk maar realistisch tijdpad volledig wordt ontmanteld of de Belastingdienst grondslag beschermende wetsartikelen wil toepassen waardoor de (Nederlandse en buitenlandse) belastingontwijkende elementen volledig worden weggenomen. De Belastingdienst beoordeelt dan ook in het kader van de behandeling van een verzoek tot internationaal vooroverleg het doel van de (rechts)handeling waarvoor zekerheid vooraf wordt gevraagd. Uit de door de Belastingdienst gepubliceerde anonieme samenvattingen10 blijkt dat een overweging is opgenomen of het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting al dan niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden is voor het verrichten van de rechts)handeling(en). Indien het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting de enige dan wel doorslaggevende reden is, wordt geen zekerheid vooraf verstrekt. Van alle toegewezen, afgewezen als ingetrokken verzoeken om vooroverleg wordt een geanonimiseerde samenvatting gepubliceerd.11 Een onafhankelijke onderzoekscommissie verricht periodiek een kwalitatief onderzoek naar de door de Belastingdienst afgegeven rulings met een internationaal karakter. De samenvatting en de resultaten van het onderzoek door de onafhankelijke commissie zijn als onderdeel van de Stand van zakenbrief Belastingdienst met uw Kamer gedeeld. De onderzoekscommissie is van mening dat, net als bij de eerdere onderzoeken, de Belastingdienst bij het verstrekken van rulings binnen de kaders van wetgeving, beleid en jurisprudentie blijft, zorgvuldig en consciëntieus werkt en het kwalitatieve niveau hierbij hoog ligt. Er kan niet in algemene zin worden aangegeven of sprake is van een «in een naar de winst geheven belasting wordt betrokken»in de zin van artikel 9, eerste lid, onderdeel e, van de Wet Vpb 1969. Ook kan in algemene zin niet worden bevestigd dat de winst die toerekenbaar is aan een Singaporese vennootschap aftrekbaar is. De inspecteur beoordeelt dit aan de hand van de relevante feiten en omstandigheden van het concrete geval.
Veronderstellend dat de voorgaande vraag bevestigend wordt beantwoord, leidt één en ander er dan toe dat de CV vanaf 2022 weliswaar belastingplichtig is voor de Nederlandse vennootschapsbelasting maar dat er niettemin weinig Nederlandse vennootschapsbelasting kan worden geheven omdat bij het bepalen van de omvang van de winst van de CV de winst die toerekenbaar is aan de Singaporese vennootschap (ruim 99 procent) aftrekbaar is?
Zie antwoord vraag 8.
Klopt het dat deze structuren zo kunnen worden opgezet dat de Singaporese vennootschap niet buitenlands belastingplichtig wordt voor de Nederlandse vennootschapsbelasting in de zin van artikel 17, onderdeel g, van de Wet vennootschapsbelasting 1969? Is het mogelijk om hierover afspraken te maken met de Nederlandse fiscus? Zijn hierover afspraken gemaakt en zo ja hoeveel?
Het is aan een belanghebbende op welke wijze een structuur wordt opgezet, bij de opzet is geen rol weggelegd voor de Belastingdienst. De Belastingdienst beoordeelt slechts de fiscale gevolgen van een structuur op basis van de Nederlandse wet- en regelgeving, en houdt daarbij rekening met alle feiten en omstandigheden van de specifieke situatie. Voor het antwoord op de vraag of een niet naar Nederlands recht opgerichte en in het buitenland gevestigde vennootschap buitenlands belastingplichtig is in de zin van artikel 17a, onderdeel g van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969, kan in principe zekerheid vooraf worden gevraagd. Het hangt echter af van de concrete feiten en omstandigheden of in een specifieke casus het geven van zekerheid vooraf mogelijk is. In het Besluit Fiscaal Bestuursrecht (BFB) zijn de algemene kaders gegeven waarbinnen de Belastingdienst vooroverleg kan weigeren. Ook moet bij verzoeken over dit onderwerp worden voldaan aan de kaders van het Besluit vooroverleg met een internationaal karakter.12
Uit de gepubliceerde samenvattingen blijkt dat er zekerheid gegeven wordt over artikel 17a, onderdeel g van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969. In bijlage 2 van het jaarverslag van de rulings met een internationaal karakter wordt een uitsplitsing gegeven van de cijfers van toegekende rulings naar verschijningsvorm.13 Het aantal afgegeven afspraken ten aanzien van de specifieke bepaling van artikel 17a, onderdeel g van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 wordt niet systematisch bijgehouden. Samenvattingen hierover zijn te herkennen, omdat bijvoorbeeld een volgende overweging is opgenomen:
«Eveneens is gekeken naar de uitbreiding van het Nederlandse ondernemingsbegrip in artikel 17a van de Wet Vpb. In dat artikel wordt het Nederlandse ondernemingsbegrip uitgebreid met een zevental categorieën. Beoordeeld is of de in het buitenland gevestigde commanditaire vennoten met betrekking tot hun belang in X voldoen aan deze uitbreidingen. In het gegeven geval wordt niet voldaan aan de bedoelde uitbreidingen van de Nederlandse onderneming.» 14
Klopt het dat er afspraken over de in de voorgaande vragen bedoelde structuur met de Nederlandse fiscus zijn gemaakt en zijn er samenvattingen van deze afspraken gepubliceerd? Zo ja, kunt u specificeren waar deze afspraken in de ruling-database zijn terug te vinden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 10.
Leidt één en ander dan tot de slotsom dat na het tussenschuiven van een Singaporese vennootschap de CV/BV-structuur ondanks de Wet implementatie tweede EU-richtlijn antibelastingontwijking heeft kunnen voortbestaan? Zo ja, is de conclusie in de Effectmeting ATAD 23 dat deze wet CV/BV structuren effectief tegengaat dan onjuist?
In de effectmeting ATAD2 is op basis van meerdere, onafhankelijke indicatoren geconcludeerd dat de hybridemismatchmaatregelen – in samenhang met andere maatregelen – substantieel hebben bijgedragen aan het tegengaan van belastingontwijking door middel van CV/BV-structuren. De omstandigheid dat structuren met ongewenste belastingontwijking nog mogelijk kunnen zijn, doet daarbij geen afbreuk aan deze conclusie. Uit de effectenmeting is gebleken dat er vier indicaties aanwezig zijn waaruit blijkt dat de wetgeving effectief is gebleken.16
Klopt het dat sinds 2025 de hiervoor besproken structuur zodanig wordt aangepast dat de Singaporese vennootschap wordt vervangen door een Zwitserse vennootschap? Kunt u verklaren waarom dat zo is?
Het is aan een belanghebbende hoe een structuur wordt opgezet, bij de opzet is geen rol weggelegd voor de Belastingdienst. Eventuele Nederlandse fiscale gevolgen op het moment dat een Singaporese vennootschap, bijvoorbeeld als moeder- of dochtermaatschappij, wordt vervangen door een Zwitserse vennootschap, wordt betrokken in het toezicht door de Belastingdienst.
Kunt u bevestigen dat een reden om de Singaporese vennootschap te vervangen door een Zwitserse vennootschap kan zijn gelegen in de invoering van de minimumbelasting door Singapore?
De wereldwijde minimumbelasting bewerkstelligt dat multinationale groepen met een omzet van € 750 miljoen of meer ten minste effectief 15% aan belasting over hun winst betalen. Indien het effectieve belastingtarief in een jurisdictie lager is dan het minimumbelastingtarief van 15%, dan wordt dat verschil bijgeheven. Of de desbetreffende laagbelaste jurisdictie een minimumbelasting heeft ingevoerd is daarbij niet van belang. Andere jurisdicties die wel een minimumbelasting hebben ingevoerd kunnen ter zake van de laagbelaste jurisdictie de bijheffing heffen, indien de multinationale groep binnen de reikwijdte van hun nationale wetgeving over de wereldwijde minimumbelasting valt. Met dit samenhangend stelsel van regels worden de doelstellingen van de wereldwijde minimumbelasting gewaarborgd, namelijk een ondergrens stellen aan belastingconcurrentie tussen landen en de prikkel verminderen voor multinationals om winsten naar laagbelastende staten te verplaatsen. De wereldwijde minimumbelasting zorgt daarmee voor een wereldwijd minimumniveau van belastingheffing voor multinationale groepen. Zowel Singapore als Zwitserland hebben de regels voor de wereldwijde minimumbelasting in nationale wetgeving omgezet. Beide landen hebben op basis van het peer review proces dat op OESO-niveau is vormgegeven een kwalificerende inkomen-inclusiemaatregel en een kwalificerende binnenlandse bijheffingsmaatregel.17 Ook kennen beide landen een kwalificerende binnenlandse bijheffing veiligehavenregel. De status van een kwalificerende maatregel is van belang om de rangorde tussen de verschillende maatregelen te bepalen, en draagt bij aan de consistente toepassing van de regels voor de wereldwijde minimumbelasting.18
Kunt u bevestigen dat de minimumbelasting in Zwitserland en/of in sommige Zwitserse kantons zodanig is geïmplementeerd dat daarvan een zogenoemd gekwalificeerd terugbetaalbaar belastingkrediet (QRTC) deel uitmaakt?
Aangezien het hier gaat om buitenlands belastingstelsels, is het niet mogelijk concreet te antwoorden op deze vragen. In algemene zin kan ik het volgende opmerken. Uit openbare bronnen blijkt dat in Zwitserland kwalificerende belastingtegoeden in voorkomende gevallen van toepassing kunnen zijn in kader van de minimumbelasting. De regels voor de behandeling van zogenoemde kwalificerende restitueerbare belastingtegoeden maken deel uit van de OESO-modelregels inzake de wereldwijde minimumbelasting en de administratieve richtsnoeren die het IF na publicatie van de OESO-modelregels is overeengekomen.19 Onder welke voorwaarden restitueerbare belastingtegoeden kwalificeren en hoe dergelijke kwalificerende belastingtegoeden onder de regels voor de minimumbelasting dienen te worden behandeld, is derhalve internationaal afgesproken. Momenteel hebben meer dan 65 staten, waaronder Zwitserland de wereldwijde minimumbelasting ingevoerd of daartoe concrete stappen genomen.20 Het kabinet acht het van belang dat staten het samenhangend stelsel van regels rondom de wereldwijde minimumbelasting consistent implementeren. Dit om discrepanties in de toepassing van de regels te verkleinen en de effectiviteit en stabiliteit van het internationale belastingstelsel te waarborgen. Daarnaast dienen de OESO-modelregels ook eenduidig te zijn geïmplementeerd voor de kwalificatie van de nationale regels over de minimumbelasting in het OESO peer review proces.
Kunt u bevestigen dat het door middel van deze QRTC in Zwitserland mogelijk is om aldaar winst te behalen die belast wordt naar een effectief tarief dat aanzienlijk lager is dan 15 procent indien er bij het bepalen van het effectieve tarief anders dan voor de toepassing van de minimumbelasting vanuit wordt gegaan dat de QRTC in mindering komt op de belasting? Is het denkbaar om aldus in Zwitserland winst te behalen die wordt belast naar een effectief tarief dat kan liggen tussen de twee procent en de acht procent zonder dat daar wordt bijgeheven op grond van de minimumbelasting?
Bijheffing van de wereldwijde minimumbelasting is aan de orde indien het effectieve belastingtarief in een jurisdictie lager is dan het minimumbelastingtarief van 15%. De berekening van het effectieve belastingtarief vindt – kort gezegd – plaats door de zogenoemde gecorrigeerde betrokken belastingen (teller van de breuk) te delen door het netto kwalificerende inkomen (noemer van de breuk).
Voor de berekening van het effectieve belastingtarief wordt een onderscheid gemaakt tussen kwalificerende restitueerbare belastingtegoeden, kwalificerende verhandelbare belastingtegoeden, niet-kwalificerende belastingtegoeden en overige belastingtegoeden. Een belastingtegoed is slechts kwalificerend indien dit restitueerbaar of verhandelbaar is als bedoeld in de wereldwijde minimumbelasting. Hiervoor gelden verschillende cumulatieve voorwaarden. Achtergrond van de regels voor belastingtegoeden in de wereldwijde minimumbelasting is dat de regels rondom de financiële verslaggeving – het uitgangspunt voor de wereldwijde minimumbelasting – geen eenduidige en verplichte behandeling kennen. Het IF heeft daarom een kader voor de behandeling voor belastingtegoeden onder de wereldwijde minimumbelasting opgesteld. Dit om te voorkomen dat de verschillende financiële verslaggevingstandaarden bepaalde voor- of nadelen voor groepen tot gevolg zouden kunnen hebben. Het verlenen van een kwalificerend belastingtegoed past derhalve binnen het internationale raamwerk van de wereldwijde minimumbelasting. Binnen dit kader hebben verschillende staten hun fiscale stimuleringsregelingen aangepast dan wel nieuwe fiscale stimuleringsmaatregelen geïntroduceerd. Dergelijke stimuleringsregelingen zijn slechts kwalificerende belastingtegoeden als aan de strikte voorwaarden van de regels rondom de wereldwijde minimumbelasting wordt voldaan.
Voor de toepassing van de wereldwijde minimumbelasting worden kwalificerende restitueerbare belastingtegoeden en kwalificerende verhandelbare belastingtegoeden aangemerkt als kwalificerend inkomen (verhoging van de noemer van de breuk). Deze kwalificerende belastingtegoeden hebben echter geen invloed op het bedrag aan betrokken belastingen (teller van de breuk), in tegenstelling tot niet-kwalificerende belastingtegoeden die het bedrag aan betrokken belastingen verlagen. Dit betekent dat kwalificerende belastingtegoeden een geringer neerwaarts effect hebben op het effectieve belastingtarief en derhalve minder snel of in geringere mate leiden tot een bijheffing dan niet-kwalificerende belastingtegoeden.21 Kwalificerende belastingtegoeden worden hiermee onder de wereldwijde minimumbelasting in grote lijnen gelijkwaardig gezien als overheidssubsidies. In voorkomende gevallen kan daarmee het effectieve tarief onder de 15% komen. Het verschil tussen een kwalificerend en niet-kwalificerend belastingtegoed kan worden geïllustreerd aan de hand van het volgende voorbeeld:
Een multinationale groep valt onder de reikwijdte van de wereldwijde minimumbelasting. De uiteindelijkemoederentiteit (UME) heeft het volledige belang in groepsentiteit X Co. X Co is de enige groepsentiteit van de multinationale groep die is gevestigd in staat X. Het belastingtarief in staat X is 20%. Het kwalificerende inkomen van X Co is € 200 miljoen en de betrokken belastingen bedragen € 40 miljoen.
Omdat X Co diverse onderzoekskosten maakt voor een bedrag van € 100 miljoen, heeft X Co in staat X recht op een superaftrek van 150%. Dit belastingtegoed van € 30 miljoen (20% x € 100 miljoen x 150%) moet worden uitbetaald binnen acht jaar en is niet verhandelbaar. Hierdoor wordt dit belastingtegoed niet beschouwd als een kwalificerend restitueerbaar belastingtegoed of een kwalificerend verhandelbaar belastingtegoed. Onder de wereldwijde minimumbelasting-regels betekent dit dat het belastingtegoed als een negatief bestanddeel van de betrokken belastingen moet worden gezien (teller van de breuk). Het effectieve tarief bedraagt dan 5% ((€ 40 miljoen – € 30 miljoen) / € 200 miljoen). Daarmee is een bijheffing van € 20 miljoen (10% x € 200 miljoen) verschuldigd.
Wanneer het belastingtegoed wel wordt beschouwd als een kwalificerend restitueerbaar belastingtegoed of een kwalificerend verhandelbaar belastingtegoed, betekent dit dat het belastingtegoed als een positief bestanddeel van het kwalificerende inkomen moet worden aangemerkt. Het effectieve tarief bedraagt dan 17,4% (€ 40 miljoen / (€ 200 miljoen + € 30 miljoen)), waardoor er geen bijheffing is verschuldigd onder de wereldwijde minimumbelasting.
Afgelopen januari is een akkoord bereikt over het zogenoemde Side-by-Side pakket. Dit pakket introduceert verschillende veiligehavenregels waaronder de kwalificerende fiscale stimuleringsregeling-veiligehavenregel. Deze veiligehavenregel houdt in dat het bedrag aan betrokken belastingen (teller van de breuk) wordt verhoogd met het belastingbedrag dat is toe te rekenen aan nader gedefinieerde kwalificerende fiscale regelingen. Het kwalificerende inkomen (noemer van de breuk) blijft ongewijzigd, in tegenstelling tot de behandeling van kwalificerende belastingtegoeden (zoals hiervoor beschreven). 22Deze veiligehavenregel bevat waarborgen om te garanderen dat deze alleen kan worden toegepast indien sprake is van daadwerkelijke reële economische activiteit. De kwalificerende fiscale stimuleringsregeling-veiligehavenregel is opgenomen in het Wetvoorstel veiligehavenregels Wet minimumbelasting 2024 dat ter internetconsultatie is gepubliceerd.23
Is het in Zwitserland mogelijk om immateriële activa ten tijde van de verkrijging door of inbreng in een Zwitserse vennootschap te waarderen op de waarde in het economisch verkeer en daarop af te schrijven? Is de rente op een lening die dient ter financiering van de verkrijging van immateriële activa daar aftrekbaar? In hoeverre spelen dergelijke afschrijvingen en renteaftrek een rol bij het bepalen van het effectieve tarief over de daar behaalde winst?
Aangezien het hier gaat om buitenlands recht, is het niet mogelijk concrete antwoorden te formuleren op deze vragen. In algemene zin kan ik het volgende opmerken. Uit openbare bronnen blijkt dat het in Zwitserland onder voorwaarden mogelijk is de inbreng te waarderen op de waarde in het economische verkeer. De aftrekbaarheid van rente is in veel landen afhankelijk van een verscheidenheid aan factoren, waardoor daar niet in algemene zin een antwoord op is te geven. Afschrijvingen en renteaftrek zijn factoren die kunnen leiden tot een fiscale winst die verschilt van de winst ten behoeve van de financiële verslaggeving. Daarmee kunnen zij een rol spelen bij het bepalen van het effectieve tarief voor de minimumbelasting. Voor zover de afschrijvingen en renteaftrek niet in de winst ten behoeve van de financiële verslaggeving worden meegenomen maar wel in de fiscale winst, zullen zij het effectieve tarief verlagen.
Kunt u bevestigen dat er Nederlandse belastingplichtigen zijn die immateriële activa hebben ondergebracht in een Zwitserse (klein)dochtervennootschap en/of een dergelijke vennootschap gebruiken als concernfinancieringsvennootschap? Zo ja, om hoeveel belastingplichtigen gaat het bij benadering? Zijn hierover afspraken gemaakt met de Nederlandse fiscus door deze belastingplichtigen? Zijn er samenvattingen van deze afspraken gepubliceerd? Zo ja, kunt u specificeren waar deze afspraken in de ruling-database zijn terug te vinden? Zo nee, waarom niet?
Hoe een structuur wordt opgezet, is niet aan de Nederlandse Belastingdienst. In zijn algemeenheid kan gezegd worden, dat in voorkomende gevallen Nederlandse belastingplichtigen immateriële activa kunnen worden verplaatst naar een Zwitserse vennootschap.
Eventuele Nederlandse fiscale gevolgen met betrekking tot het onderbrengen van immateriële activa in een Zwitserse (klein)dochtervennootschap, worden betrokken in het toezicht van de Belastingdienst. De Belastingdienst heeft geen overzicht van alle structuren, noch zijn (schattingen) aantallen van bekend bij de Belastingdienst.
Over de Nederlandse fiscale gevolgen samenhangend met een overdracht van immateriële activa kan in principe zekerheid vooraf worden gevraagd. Het hangt echter af van de concrete feiten en omstandigheden of in een specifieke casus zekerheid vooraf mogelijk is. In het BFB zijn de algemene kaders gegeven waarbinnen de Belastingdienst vooroverleg kan weigeren. Ook moet bij verzoeken over dit onderwerp worden voldaan aan de kaders van het Besluit vooroverleg met een internationaal karakter. In bijlage 2 van het jaarverslag24 van de rulings met een internationaal karakter wordt een uitsplitsing gegeven van de cijfers van toegekende rulings naar verschijningsvorm.
Bent u het ermee eens dat om belastingontwijking door multinationals aan te pakken meer fundamentele maatregelen nodig zijn dan die tot nu toe zijn getroffen? Zo nee, waarom niet?
Nederland heeft de afgelopen jaren veel maatregelen tegen belastingontwijking genomen, zowel internationaal als nationaal. Op basis van de cijfers volgt dat deze maatregelen effectief zijn. Sinds 1 januari 2021 heft Nederland een conditionele bronbelasting op rente- en royaltybetalingen aan een gelieerd lichaam dat gevestigd is in een laagbelastende jurisdictie en in misbruiksituaties. Nederland stelt jaarlijks deze laagbelastende jurisdicties vast in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden. Hierin zijn landen opgenomen die (i) zijn opgenomen op de EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden of (ii) geen winstbelasting dan wel een winstbelasting met een statutair tarief van minder dan 9% hebben. De bronbelasting is per 1 januari 2024 uitgebreid in die zin dat dividenden eveneens onder de reikwijdte van de conditionele bronbelasting zijn gebracht. Er blijkt bijvoorbeeld al een aanzienlijke daling van rente-, royalty-, en dividendstromen naar laagbelastende jurisdicties van € 37 miljard in 2019 naar € 7 miljard in 2024.25 Verder zijn de eerste en tweede Europese anti-belastingontwijkingsrichtlijnen (ATAD1 en ATAD2) geïmplementeerd, die onder meer hebben geleid tot beperkingen op het gebied van de renteaftrek en het tegengaan van structuren die gebruik maken van verschillen tussen belastingwetgeving van landen (hybride mismatches). Een belangrijke stap in de aanpak van het verschuiven van winsten naar laagbelastende staten is bovendien de wereldwijde minimumbelasting die in Nederland in de Wet minimumbelasting 2024 is geïmplementeerd. Deze wet en de internationale afspraken die aan die wet ten grondslag liggen, beogen te waarborgen dat multinationale en binnenlandse groepen met een geconsolideerde jaaromzet van ten minste € 750 miljoen effectief ten minste 15% belasting over hun winst betalen. Om dubbele niet-heffing als gevolg van een verschillende interpretatie van het arm’s-lengthbeginsel te voorkomen, is in Nederland de Wet tegengaan mismatches bij toepassing zakelijkheidsbeginsel in werking getreden. Deze wet is erop gericht om mismatches te voorkomen die ontstaan door toepassing van het arm’s-lengthbeginsel en die leiden tot dubbele niet-heffing (zogenoemde «informeel-kapitaalstructuren»). Het kabinet is ervan overtuigd dat het belastingstelsel door al deze maatregelen robuuster is gemaakt tegen internationale belastingontwijking. Internationaal krijgen we daar ook erkenning voor. De Europese Commissie doet sinds 2022 aan Nederland geen landspecifieke aanbevelingen meer op dit terrein. Ook het IMF geeft aan dat Nederland de goede maatregelen heeft genomen. Bovendien blijkt uit een recente publicatie van DNB blijkt dat het aantal financiële holdings van multinationals in ongeveer tien jaar tijd bijna gehalveerd is.26 In dat verband refereert DNB ook aan de hiervoor genoemde conditionele bronbelasting op rente- en royaltybetalingen en dividenduitkeringen en de wereldwijde minimumbelasting.
Klopt het dat in belastingontwijkende structuren van multinationals de winst vaak wordt verlaagd door middel van de aftrek van rente en royalty’s die zijn verschuldigd door aan de Nederlandse vennootschapsbelasting onderworpen belastingplichtigen aan groepsmaatschappijen die zijn gevestigd in landen met een effectief tarief dat lager is dan 15 procent?
De Belastingdienst houdt toezicht op de aftrek van rente en royalty’s door Nederlandse vennootschappen. Hierbij wordt onder andere getoetst aan artikel 8b van de Wet Vpb 1969 (zakelijkheidsbeginsel) en renteaftrekbeperkende maatregelen zoals artikel 10a van de Wet Vpb 1969. Daarnaast is in 2021 de Wet op de Bronbelasting ingevoerd waardoor, kort gezegd, betalingen aan laagbelastende staten en niet-coöperatieve jurisdicties zijn onderworpen aan de bronbelasting. Uit de monitoring van de inkomensstromen naar laagbelastende jurisdicties blijkt dat de betalingen van rente en royalty’s aan laagbelastende jurisdicties sinds de invoering van de bronbelasting fors zijn afgenomen. Voor een overzicht verwijs ik u naar de laatste brief over de monitoring van de effecten van de aanpak van belastingontwijking van 15 december 2025.27
Kunt u een overzicht geven van de bedragen die zijn gemoeid met aftrekbare rente en royalty’s die zijn verschuldigd door aan de Nederlandse vennootschapsbelasting onderworpen belastingplichtigen aan groepsmaatschappijen die zijn gevestigd in landen zoals Zwitserland waar het mogelijk is een effectief tarief te bereiken dat lager is dan 15 procent? Is het mogelijk om in dit overzicht per land (van de ontvanger van de rente en/of royalty’s) een specificatie te geven? Zo nee, bent u bereid om dit door het Ministerie van Financiën in samenwerking met de Belastingdienst te laten onderzoeken?
In de reguliere aangifte vennootschapsbelasting bestaat geen algemene verplichting om een specificatie van alle aan groepsmaatschappijen betaalde rente en royalty’s per land op te nemen. De Vpb-aangifte bevat wel vragen over onder meer renteaftrekbeperkingen, transacties met gelieerde partijen en verrekenprijzen, maar niet een standaard landenoverzicht van betaalde rente en royalty’s. Het is dan ook niet mogelijk om op basis van beschikbare data een dergelijk overzicht te verstrekken. Een apart onderzoek in samenwerking met de Belastingdienst zou betekenen dat extra gegevens moeten worden opgevraagd bij een groot aantal belastingplichtigen. Een belastinginspecteur mag in beginsel altijd vragen stellen om de belastingheffing te controleren, zolang deze vragen gaan over feiten die relevant zijn voor de belastingaangifte. Het is dan ook niet mogelijk om via een dergelijk onderzoek deze cijfers te verkrijgen.
Zou het volgens u mogelijk zijn om in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 een aftrekbeperking op te nemen voor rente en royalty’s die zijn verschuldigd aan groepsmaatschappijen die zijn gevestigd in niet-EU landen met een effectief tarief dat lager is dan 15 procent?
Ook het kabinet heeft gesignaleerd dat er na implementatie van de maatregelen die volgen uit het BEPS-nog steeds risico’s op grondslaguitholling en winstverschuiving naar laagbelastende landen zijn. Het kabinet heeft daarom – naast een reeks van eerder genomen maatregelen – zelf ook unilaterale maatregelen genomen tegen belastingontwijking. Hiervoor verwijs ik kortheidshalve naar de beantwoording op vraag 19. Deze unilaterale maatregelen dwingen echter andere landen er niet toe soortgelijke maatregelen te nemen, met als gevolg dat belastingontwijking door internationaal opererende bedrijven nog steeds mogelijk blijft en slechts verschuift naar andere jurisdicties. Wereldwijde belastingontwijking moet daarom vooral internationaal gecoördineerd worden aangepakt om tot een effectieve oplossing te komen. Immers, de uitdagingen die samenhangen met belastingontwijking en de belastingheffing van multinationals, zijn veelal internationaal van aard en kunnen het beste worden aangepakt door middel van internationale afspraken, zowel bij de OESO als in de EU. Met de ingevoerde wereldwijde minimumbelasting wordt bewerkstelligd dat multinationale groepen met een omzet van € 750 miljoen euro of meer altijd ten minste effectief 15% aan belasting over hun winst betalen. Aangezien het om een effectief tarief gaat dat wordt berekend per staat, is de verwachting dat een minimumbelastingtarief van 15% voldoende effectief is om belastingconcurrentie en belastingontwijking in te dammen. Het doel van de wereldwijde minimumbelasting is tweeledig. Ten eerste beoogt de wereldwijde minimumbelasting de prikkel voor bedrijven om winst te verschuiven naar laagbelastende staten te verminderen. Ten tweede beoogt de wereldwijde minimumbelasting een ondergrens te stellen aan belastingconcurrentie tussen staten. Hiermee moet de race naar de bodem in de winstbelasting worden voorkomen en een gelijker speelveld worden gecreëerd voor internationaal opererende bedrijven. De systematiek van de wereldwijde minimumbelasting leidt ertoe dat in het geval een staat onvoldoende belasting heft, naar de maatstaven van de wereldwijde minimumbelasting, over bepaalde winsten er over die winst kan worden bijgeheven door een andere staat die de wereldwijde minimumbelasting heeft geïmplementeerd. Als gevolg hiervan zullen staten naar verwachting de wereldwijde minimumbelasting invoeren of hun winstbelasting zodanig aanpassen dat het effectieve belastingtarief in de praktijk uitkomt op ten minste 15%. Het voorgaande laat onverlet dat het kabinet zal onderzoeken of territoriale belastingstelsels in samenhang met de bestaande maatregelen kunnen leiden tot uitkomsten die onvoldoende door het huidige instrumentarium worden bestreken.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan de technische briefing over belastingontwijkingsconstructies?
Ja.
Het gebruik van Adobe Analytics in de betaalomgeving van de Belastingdienst |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Eerenberg , Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van Mick Beer van 2 juni 2026, getiteld «Een Amerikaans reclamebedrijf krijgt een verslag van elke klik terwijl jij je belasting betaalt»1?
Ja.
Klopt het dat binnen Mijn Belastingdienst, na inloggen met DigiD, bij het openen van een aanslag en het starten of annuleren van een betaling via iDEAL of Wero, gegevens worden verzonden naar adobe-analytics-dc.belastingdienst.nl en dat dit domein technisch doorverwijst naar Adobe-infrastructuur, waaronder data.adobedc.net?
Dit klopt. Zoals gemeld in de Kamerbrief over Digitale Autonomie die uw Kamer 11 juni 2026 heeft ontvangen, is de Belastingdienst recent door een ethisch hacker gewezen op het gebruik van Adobe Analytics op de websites van de Belastingdienst, waarbij gegevens zonder toestemming werden doorgezonden naar Adobe. De Belastingdienst heeft deze functionaliteit direct uitgezet toen bleek dat dit inderdaad het geval was.
De Belastingdienst heeft de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) geïnformeerd en een datalek gemeld. Ik betreur dat dit is gebeurd en ik ben dankbaar dat deze ethisch hacker de Belastingdienst hierop heeft gewezen. Er is contact geweest om te bedanken voor het melden van de kwetsbaarheid. Ook heeft een aanvullend inhoudelijk gesprek plaatsgevonden. De Belastingdienst, Douane en Dienst Toeslagen ontvangen graag signalen over beveiliging en privacy via het beschikbare responsible disclosure proces (ook wel Coordinated Vulnerability Disclosure genoemd), zodat deze continu op een hoger plan kunnen worden gebracht. Daarnaast geven we prioriteit aan de verkenning of er op andere plekken binnen de Belastingdienst, Toeslagen of Douane sprake is van vergelijkbare onzorgvuldigheden bij het gebruik van de analyticstooling. De uitkomsten hiervan deel ik met uw Kamer in de eerstvolgende stand-van-zakenbrief.
Kunt u exact aangeven welke gegevens, parameters, events, headers en identifiers in deze betaalflow aan Adobe Analytics worden verzonden, waaronder in ieder geval gegevens over belastingmiddel, aanslagjaar, betaalstatus, betaalmethode, funnelstap, actieve tab, gebruikersinterfacevoorkeur, betaalstart, annulering of mislukte betaling?
De Belastingdienst gebruikte Adobe Analytics voor het meten van gebruik, navigatie en prestaties van de digitale dienstverlening, om die voor burgers en bedrijven te verbeteren.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, is de functie om analyticsgegevens naar Adobe te sturen per 5 juni 2026 uitgezet. Dat betekent dat er op dit moment niets verzonden wordt aan Adobe. In de tabel in bijlage 1 staat aangegeven welke gegevens gedeeld werden met Adobe op het moment van uitzetten van de functie.2
Kunt u bevestigen of uitsluiten dat bij deze verwerking een Adobe Experience Cloud ID, ECID, MID of vergelijkbare persistente identifier wordt gebruikt en zo ja, wat de bewaartermijn is van de bijbehorende cookies of identifiers?
Zoals hierboven aangegeven, staat de functie om analyticsgegevens met Adobe te delen uit. Voordat deze functie was uitgezet werd een identifier gebruikt en werden tracking-cookies geplaatst bij de eindgebruikers voor twee jaar.
Kunt u bevestigen of uitsluiten dat bedragen, BSN, IBAN, betalingskenmerk, aanslagnummer, vorderingsidentificatie, claim-identifier, IP-adres, sessiegegevens, referrers of andere direct of indirect herleidbare gegevens aan Adobe of aan Adobe-gelieerde systemen worden verstrekt?
De functie om analyticsgegevens met Adobe te delen staat uit. Op dit moment kunnen we daarom uitsluiten dat gegevens verstrekt worden. In het antwoord op vraag 3 staat aangegeven welke gegevens werden gedeeld met Adobe. We kunnen niet uitsluiten dat meer gegevens zijn gedeeld, omdat niet duidelijk is wat een gebruiker gedeeld heeft in een vrij tekstveld of zoekmachine. Wel weten we dat het IP-adres in ieder geval meegezonden werd, zoals toegelicht op pagina 12 van bijlage 1.
Wie is voor deze verwerking verwerkingsverantwoordelijke, wie is verwerker, en welke rol heeft Adobe juridisch en feitelijk bij deze verwerking: uitsluitend verwerker, zelfstandig verwerkingsverantwoordelijke of gezamenlijk verwerkingsverantwoordelijke?
De Minister van Financiën is de verwerkingsverantwoordelijke. De standaarddienst voor websiteanalytics wordt afgenomen bij leverancier IBM, waarbij Adobe de onderleverancier is. Bij het inrichten van de websiteanalytics was het niet de bedoeling om persoonsgegevens te verwerken. Er is destijds met IBM daarom een standaardcontract afgesloten, maar geen verwerkersovereenkomst. Naar nu blijkt zijn er wel persoonsgegevens verwerkt, waardoor een verwerkersovereenkomst nodig was geweest. Destijds is hier onvoldoende aandacht voor geweest.
Welke juridische grondslag bestaat er onder de AVG voor het meten van betaalgedrag binnen een verplichte overheidsdienst na DigiD-inlog, en hoe beoordeelt u daarbij noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit?
Het gebruik van Adobe Analytics was niet in lijn met de geldende ePrivacy-regels en de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Deze functionaliteit is dan ook uitgezet.
Bij het inrichten van de websiteanalytics was het niet de bedoeling om persoonsgegevens te verwerken (zie vraag 6). Daarom zijn de grondslag en de noodzakelijkheid niet beoordeeld. Als wij nu beoordelen welke gegevens zijn gedeeld, zijn wij van mening dat het niet noodzakelijk is om al deze gegevens te verwerken. De verwerking is dan ook gestopt. Bij het opnieuw inrichten van websiteanalytics zal de Belastingdienst de grondslag beoordelen en de noodzakelijkheidstoets uitvoeren.
Acht u voor het plaatsen of uitlezen van deze cookies of vergelijkbare trackingtechnologie toestemming vereist op grond van de Telecommunicatiewet/ePrivacy-regels, en zo nee, waarom kwalificeert deze verwerking volgens u als niet-privacygevoelige analytische meting?
De inrichting voldeed niet aan de geldende ePrivacy-regels. Gelet op het gebruik van tracking-cookies met een bewaartermijn van twee jaar en de aard en omvang van de verzamelde gegevens had toestemming gevraagd moeten worden.
Hoe verhoudt deze verwerking zich tot de cookieverklaring van de Belastingdienst, waarin staat dat de cookies geen persoonsgegevens vastleggen en niet tot personen herleidbaar zijn, en tot de privacyverklaring waarin staat dat persoonsgegevens alleen worden gebruikt voor wettelijke taken en doelen die daar direct uit voortvloeien?
De feitelijke verwerking sloot niet aan bij de cookieverklaring en de privacyverklaring. De betreffende functionaliteit is dan ook uitgezet.
Is voorafgaand aan deze inzet van Adobe Analytics in Mijn Belastingdienst en de betaalflow een DPIA, risicoanalyse, verwerkersovereenkomst, doorgiftebeoordeling en inkoopafweging opgesteld, en zijn de Functionaris Gegevensbescherming, CPO, CISO, CIO Rijk, Auditdienst Rijk of Autoriteit Persoonsgegevens hierbij betrokken geweest?
Nee. Zie ook de antwoorden op vraag 6 en 7. Bij het inrichten van de websiteanalytics was het niet de bedoeling om persoonsgegevens te verwerken. Hierdoor is er ook geen DPIA uitgevoerd. De Belastingdienst gaat evalueren of er op basis van de nieuwe inrichting van webanalytics nog een DPIA nodig is en zal, indien blijkt dat er een DPIA uitgevoerd moet worden, de CPO en Functionaris Gegevensbescherming betrekken conform standaardprocedure.
Kunt u bij de risico-inschatting onderscheid maken tussen wat theoretisch mogelijk, aannemelijk, waarschijnlijk en urgent is ten aanzien van koppeling van fiscaal betaalgedrag aan een persistent profiel, doorgifte buiten de EU/EER, toegang door derde partijen, ketenafhankelijkheid en gevolgen voor burgers die wettelijk verplicht zijn belasting te betalen?
Bij het opnieuw inrichten van de websiteanalytics zal conform standaardprocedure, indien nodig (zie vraag 10), een DPIA en/of een risico-inschatting, gemaakt worden. Dit is randvoorwaardelijk voor het in gebruik nemen van websiteanalytics. Alle risico’s die hier een rol spelen, inclusief bovenstaande punten, worden meegenomen. Hierbij zal in het bijzonder aandacht zijn voor de inzet van analytics en de daarvoor benodigde persoonsgegevens.
Bent u bereid de verzending van betaalflowgegevens aan Adobe Analytics per direct te laten onderzoeken en, zolang rechtmatigheid en proportionaliteit niet overtuigend zijn vastgesteld, tijdelijk stop te zetten, de Kamer binnen twee weken een tijdlijn, technische analyse, DPIA, verwerkersovereenkomst en relevante beslisnota’s te sturen voor zover juridisch mogelijk, en deze vragen afzonderlijk te beantwoorden?
De verwerking is stopgezet en wordt pas opnieuw opgestart nadat de rechtmatigheid en proportionaliteit zijn beoordeeld en passend zijn geborgd. Daarbij zal eerst een DPIA worden opgesteld en zullen verwerkersafspraken, waaronder een verwerkersovereenkomst, worden vastgesteld.
De fiscale behandeling van kampeervoertuigen |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Wat zijn de exacte totale opbrengsten uit de MRB voor kampeerauto’s (campers) in het eerste kwartaal (Q1) van 2026, vergeleken met de eerste kwartalen (Q1) van 2025, 2024, 2023 en 2022 nu het kwarttarief per 1 januari 2026 is omgezet in een halftarief?
€ 17,8
€ 19,5
€ 21,4
€ 37,1
€ 61,6
Klopt het dat een burger, die zijn voertuig schorst en deze schorsing binnen één maand weer opheft, met terugwerkende kracht alsnog het volle MRB-tarief over die periode moet betalen (bovenop het betaalde schorsingstarief van de RDW)?
Ja.
Zo ja, op welk artikel in de wet is dit gebaseerd?
Artikel 35a van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994.
Hoe beoordeelt u de juridische en morele houdbaarheid van deze «één-maand-regel» bij schorsing, aangezien de burger gedurende de schorsingsperiode aantoonbaar geen gebruik heeft gemaakt (en mocht maken) van de openbare weg en de MRB feitelijk fungeert als betaling voor een niet-geleverde overheidsdienst?
De fiscale minimumtermijn voor schorsen moet worden beoordeeld tegen de achtergrond van het karakter van de motorrijtuigenbelasting als houderschapsbelasting. Sinds de invoering van het houderschapsstelsel in 1995 is de motorrijtuigenbelasting primair gekoppeld aan het houden van een geregistreerd motorrijtuig en niet aan het feitelijk gebruik van de openbare weg. In de motorrijtuigenbelasting is het uitgangspunt dat de houder van een motorrijtuig – ongeacht het daadwerkelijke gebruik – per kwartaal een vast bedrag aan belasting is verschuldigd.
Een uitzondering op dit uitgangspunt is gemaakt voor het schorsen van een motorrijtuig. De schorsingsregeling is bedoeld voor situaties waarin een motorrijtuig gedurende een langere periode niet wordt gebruikt en daarom tijdelijk buiten de reguliere belastingheffing wordt geplaatst. De wetgever heeft daarbij steeds benadrukt dat schorsing een uitzondering op de hoofdregel moet blijven en niet is bedoeld als instrument om de belastingheffing af te stemmen op incidenteel gebruik van een motorrijtuig.1 Het veelvuldig schorsen en ontschorsen van een motorrijtuig leidt bovendien tot een toename van uitvoerings- en handhavingslasten. Daarbij bestaat het risico dat burgers de status van hun motorrijtuig, de duur van de schorsing of de voorwaarden voor gebruik tijdens een schorsing verkeerd inschatten, hetgeen kan leiden tot onbedoelde overtredingen, onverzekerd rondrijden, naheffingen en een afname van de betrouwbaarheid van de kentekenregistratie. Aldus heeft de wetgever in het verleden op goede gronden besloten om maatregelen te treffen tegen lichtvaardig schorsen.
Bij de invoering van het houderschapsstelsel werd aanvankelijk beoogd deze uitzondering te begrenzen door een schorsingstarief te hanteren ter hoogte van drie maanden motorrijtuigenbelasting. Dat tarief moest fungeren als een financiële drempel, zodat schorsing alleen aantrekkelijk zou zijn wanneer een motorrijtuig daadwerkelijk gedurende een langere periode buiten gebruik werd gesteld. Naar aanleiding van kritiek vanuit de Tweede Kamer is deze benadering echter verlaten. Er is toen besloten de koppeling tussen het schorsingstarief en de hoogte van de motorrijtuigenbelasting los te laten.2 In plaats daarvan werd gekozen voor vaste schorsingstarieven in combinatie met een fiscale minimumschorsingstermijn van drie maanden.3 In latere jaren is deze minimumschorsingstermijn voor vrachtauto’s en autobussen verkort tot één maand, omdat voor deze motorrijtuigen een minimumtermijn van drie maanden in de praktijk als onnodig bezwarend werd ervaren.4 Vervolgens is ook voor personenauto's, bestelauto's en motorrijwielen de termijn verkort naar één maand.5 Daarmee beoogde de wetgever de regeling evenwichtiger vorm te geven, door de gevolgen van een voortijdige beëindiging van de schorsing te verzachten en tegelijkertijd te komen tot één uniforme regeling voor alle motorrijtuigen.
Tegen deze achtergrond acht ik de minimumschorsingstermijn van één maand zowel juridisch als beleidsmatig verdedigbaar. De regeling vormt een beperkte drempel tegen lichtvaardig schorsen, terwijl tegelijkertijd rekening wordt gehouden met de financiële belangen van houders die hun motorrijtuig gedurende een periode van één maand of langer buiten gebruik stellen.
Bent u bereid om, mede in het licht van de verdubbeling van de MRB voor campers per 2026, het schorsingssysteem te moderniseren en flexibeler te maken (bijvoorbeeld door schorsen per dag of week mogelijk te maken zonder fiscale naheffing), zodat seizoensgebruikers niet onnodig financieel worden gestraft?
Vooropgesteld wordt dat het huidige schorsingssysteem de mogelijkheid biedt om een motorrijtuig op ieder gewenst moment te schorsen en te ontschorsen. Het schorsingssysteem op zichzelf is dus maximaal flexibel. De RDW brengt hiervoor een tarief in rekening die onder meer ter dekking dient van de uitvoeringskosten van de schorsingsregeling. De vraag is of voor het fiscale voordeel bij schorsing een (kortere) minimumtermijn dan één maand moet gelden, mede in het licht van de verdubbeling van de motorrijtuigenbelasting voor campers. Ik zie daar geen aanleiding toe.
In de eerste plaats is van belang dat de huidige combinatie van (I) een houderschapsbelasting (II) een halftarief voor kampeerauto’s en (III) een fiscale minimumtermijn van één maand na schorsing een samenhangend stelsel vormt. Voor het houden van een kampeerauto is slechts de helft van het reguliere houderschapstarief voor vergelijkbare motorrijtuigen verschuldigd. De rechtvaardiging hiervoor is dat kampeerauto’s worden verondersteld minder vaak gebruik te maken van de weg. Indien de motorrijtuigenbelasting volledig naar rato van het aantal schorsingsdagen zou worden vastgesteld, zou de fiscale behandeling van kampeerauto’s in toenemende mate aansluiten bij werkelijk gebruik van een motorrijtuig. Dat roept de vraag op in hoeverre het bestaande halftarief voor kampeerauto’s dan nog gerechtvaardigd is, en of voor kampeerauto’s het reguliere tarief van toepassing zou moeten zijn. Het veelvuldig schorsen van een kampeerauto was eerder voor de wetgever mede aanleiding om het kwarttarief te vervangen door een halftarief.6
In de tweede plaats merk ik op dat het huidige stelsel juist goed aansluit op de situatie van seizoensgebruikers. De schorsingsregeling is bedoeld voor motorrijtuigen die gedurende een langere periode buiten gebruik worden gesteld. Dat geldt in het bijzonder voor veel kampeerauto’s, die gedurende de herfst- en wintermaanden in de stalling staan en vervolgens vanaf het voorjaar weer in gebruik worden genomen. In dergelijke gevallen wordt het motorrijtuig gedurende meerdere maanden geschorst, waardoor over de gehele schorsingsperiode geen motorrijtuigenbelasting is verschuldigd. De fiscale minimumtermijn van één maand vormt voor seizoensgebruikers dus geen belemmering.
In de derde plaats is de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van de motorrijtuigenbelasting van belang. Zoals ook bij de invoering van het houderschapsstelsel is benadrukt, leidt lichtvaardig schorsen tot extra uitvoerings- en handhavingslasten. Een systeem waarbij motorrijtuigen frequent worden geschorst en ontschorst vergroot het risico op fouten, misverstanden over de status van een motorrijtuig, onbedoelde overtredingen, onverzekerd rondrijden en een afname van de betrouwbaarheid van het kentekenregister. Ook voor burgers kan een dergelijke systematiek minder overzichtelijk zijn doordat voertuigverplichtingen vaker wijzigen en verschillende juridische beschikkingen elkaar in korte tijd kunnen opvolgen of doorkruisen. Voorts kunnen kortdurende schorsingen die primair zijn ingegeven door financiële motieven ertoe leiden dat vaker onrechtmatig gebruik van de weg wordt gemaakt tijdens een schorsingsperiode. Door de beperkte duur van de schorsing is de kans op constatering kleiner, hetgeen de fraudegevoeligheid van het stelsel vergroot.
In de vierde plaats zijn de budgettaire aspecten van belang. Indien de fiscale minimumschorsingstermijn verder zou worden verkort of zou vervallen, ontstaat een fiscale stimulans om de schorsingsregeling vaker te benutten. Voor zover dat leidt tot een lagere opbrengst van de motorrijtuigenbelasting, zal deze derving elders moeten worden gedekt.