Bent u bekend met het bericht «Bedrijven als IKEA, Bol, Strukton en Zeeman waarschuwen: overheid is te passief, de circulaire economie staat stil»1 en «Circulaire economie heeft impuls nodig, helpt het om de btw te schrappen»2?
Ja, het kabinet is bekend met deze berichten. De zorgen van het bedrijfsleven over het huidige tempo van de circulaire transitie zijn bekend en worden serieus genomen.
Hoe kijkt u naar de noodkreet van een deel van het bedrijfsleven dat er momenteel sprake is van een «circulaire impasse»?
De signalen onderstrepen de urgentie om de transitie naar een circulaire economie te versnellen. De recente Integrale Circulaire Economie Rapportage (ICER) van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) bevestigt dat de voortgang onvoldoende is om de doelen voor 2030 te behalen en dat dit vraagt om aanvullende maatregelen en intensievere samenwerking tussen overheid en bedrijfsleven. Tegelijkertijd zijn de beschikbare middelen beperkt, dus moeten er slimme keuzes worden gemaakt. In de actualisatie van het Nationaal Programma Circulaire Economie, die na de zomer aan de Kamer zal worden verzonden, worden deze keuzes opgenomen.
Hoe kijkt u naar de oproep van onder andere de bovengenoemde bedrijven om dringend maatregelen te nemen ter versnelling van de transitie naar de circulaire economie?
Het kabinet waardeert de betrokkenheid van het bedrijfsleven en ziet hun oproep als een ondersteuning van de conclusies van het PBL en een onderbouwing van de noodzaak om in te zetten op een circulaire economie. Het kabinet werkt intensief samen met het bedrijfsleven en gaat graag in gesprek met de opstellers van het manifest over hun oproep om de circulaire transitie te versnellen.
Beaamt u dat schaalvergroting lastig te realiseren is zolang bedrijven slechts een samenwerkingsnetwerk of een losse tool aangeboden krijgen vanuit het kabinet ter invulling van circulair beleid? Deelt u de opvatting dat het voor bedrijven vaak moeilijk is om te concurreren tegen lineaire businesscases?
Het kabinet erkent dat het lastig is voor bedrijven met een circulaire businessmodel. Het is daarom noodzakelijk om circulaire businesscases economisch aantrekkelijker te maken. Het kabinet doet dat onder meer door samen te werken met de financiële sector, waarbij Invest-NL een belangrijk rol speelt.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met de bedrijven onder het manifest om van hen rechtstreeks input te krijgen over wat zij nodig achten om op grotere schaal in circulaire businesscases te investeren?
Ja, het kabinet gaat graag in gesprek met de opstellers van het manifest.
Bent u van mening dat de overheid een voorbeeldfunctie heeft bij het aanjagen van de circulaire economie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, gaat u zich inzetten voor een circulair inkoop- en aanbestedingsbeleid?
Het kabinet ziet inkopen en aanbesteden door de Rijkoverheid en medeoverheden als een belangrijke stimulans voor het bereiken van een circulaire economie. De overheid heeft een belangrijke voorbeeldrol en gebruikt haar inkoopkracht om de markt te helpen versnellen naar een circulaire economie. Circulair inkopen is onderdeel van het Nationaal Plan Maatschappelijk Verantwoordelijk Inkopen, dat dit jaar wordt herzien, zoals uiteengezet in de Voortgangsbrief Nationaal Plan Maatschappelijk Verantwoord Inkopen 2021–2025. Specifiek ten aanzien van Rijksinkoop, zal het Ministerie van BZK dit jaar de actualisatie van de Rijksinkoopstrategie «Inkopen met Impact» starten. Met deze acties worden de kansen voor hogere ambities ten aanzien van circulariteit onderzocht en meegenomen. Verder hebben het Rijk en de koepels van de medeoverheden op 20 maart jl. de overeenkomst Krachtenbundeling Circulaire Economie ondertekend3. Eén van de afspraken is dat alle overheidslagen zich inspannen om hun capaciteit, kennis en netwerken over circulair inkopen te delen en circulair inkopen op uniforme wijze toe te passen.
Wat is uw reactie op de zes actiepunten3 gepresenteerd door de coalitie van de betreffende acht bedrijven? Kunt u op alle zes de punten individueel reflecteren?
Voor een inhoudelijke reactie op de zes actiepunten wordt verwezen naar de gelijktijdig aangeboden Kamerbrief die is opgesteld naar aanleiding van het verzoek om reactie op het Manifest door het lid Kostic.
Hoe verklaart u het dat het grondstoffengebruik alleen maar toeneemt ondanks het feit dat het kabinet tot doel heeft dat het aandeel abiotische grondstoffen dat jaarlijks wordt gebruikt in Nederland gehalveerd moet zijn in 2030 ten opzichte van het jaar 2019?
Het PBL concludeert in de ICER dat het grondstoffengebruik van de Nederlandse economie tussen 2020 en 2022 (de meest actuele cijfers) met 3 procent gestegen is. Dit wordt verklaard doordat de aanschaf van consumentengoederen is toegenomen en doordat het realiseren van extra woningen en de verduurzaming van bestaande woningen veel extra grondstoffen vragen.
Over een langere termijn terugkijkend, tussen 2016 en 2022, is het grondstoffengebruik wel afgenomen, met 10 procent. Deze daling is volgens de ICER echter waarschijnlijk niet snel genoeg om het doel van 2030 te halen.
Overigens betreft de 2030 doelstelling een halvering van het primair abiotische grondstoffengebruik, de specificering primair zorgt voor onderscheid met secundair (gerecycled) materiaal. Voor de volledigheid, het referentiejaar is 2016 en niet 2019.
Hoe staat het met de uitvoering van de aangenomen motie van het lid Gabriëls4 die de regering verzoekt om op korte termijn met aanvullende maatregelen te komen om op koers te raken richting de circulaire-economiedoelen voor 2030?
De uitvoering van de motie is in gang gezet. Er is gestart met het ontwikkelen van aanvullende maatregelen. De Kamer wordt hierover geïnformeerd via de actualisatie van het Nationaal Programma Circulaire Economie, die na de zomer aan de Kamer zal worden verzonden.
Hoe kijkt u naar de conclusies onder hoofdstuk 2.5 in het rapport van CE Delft5 over circulaire beleidsinstrumenten en de te verwachten effecten? Hoe staat het specifiek met de verkenning, zoals genoemd in het tweede punt uit de conclusies? En wat gaat u doen met de aanbevelingen in hoofdstuk 6.1 uit het rapport?
Het betreffende CE-rapport is opgesteld in opdracht van het PBL. Het PBL heeft de conclusies en aanbevelingen meegenomen bij het opstellen van de eerder genoemde ICER. De in de ICER opgenomen aanbevelingen worden zoals eerder gesteld, meegenomen in de actualisatie van het Nationaal Programma Circulaire Economie, die na de zomer aan de Kamer zal worden gestuurd.
Onderschrijft u dat het noodzakelijk is dat de economie circulair en daarmee toekomstbestendig wordt? Zo nee, kunt u dan uiteenzetten op welke manier de economie toekomstbestendig gemaakt kan worden, gegeven het feit dat veel grondstoffen die nu gebruikt worden niet oneindig voorradig zijn? Hoe verhoudt uw antwoord zich tot de in het Hoofdlijnenakkoord opgenomen stellingname dat het noodzakelijk is dat de economie gezond is en dat bedrijven kunnen floreren om een welvarend Nederland te waarborgen?
Ja, het kabinet onderschrijft dat een circulaire economie essentieel is voor toekomstbestendigheid. Het huidige gebruik van grondstoffen is niet houdbaar op de lange termijn. Circulaire economie biedt kansen voor ons toekomstig verdienvermogen, onze strategische autonomie en de bescherming van onze leefomgeving. Daarmee is de ambitie om te komen tot een circulaire economie goed verenigbaar met de inzet van het kabinet dat bedrijven in Nederland kunnen verduurzamen, een toekomst kunnen hebben en concurrerend kunnen zijn.
Hoe gaat u eraan bijdragen dat de circulaire-economiedoelen wél gehaald gaan worden? Bent u bereid het fiscale beleid hierop aan te passen door effectiever te beprijzen?
In het Nationaal Programma Circulaire Economie (NPCE) staat een veelheid aan maatregelen die bijdragen aan de transitie. Naast stimuleren en normeren vormt beprijzen een onderdeel van de instrumentenmix. Het fiscale beleid wordt jaarlijks aangepast, rekening houdend met belangrijke maatschappelijke opgaven zoals de circulaire economie. Het kabinet benadrukt dat normering en beprijzing bij voorkeur op Europees niveau moeten worden ingevoerd om een gelijk speelveld te waarborgen voor bedrijven binnen de EU. Dit voorkomt marktverstoring en versterkt de concurrentiepositie van Nederlandse circulaire bedrijven. Daar waar nationale maatregelen worden getroffen is het van belang om deze zo goed mogelijk te laten aansluiten bij Europese wetgeving om een gelijk speelveld zo goed mogelijk te borgen. Op concrete maatregelen wordt ingegaan bij vraag 13.
Welke fiscale maatregelen worden er al getroffen om de circulaire economie te bevorderen? Welke fiscale maatregelen bent u nog van plan om te treffen?
In het hoofdlijnenakkoord is afgesproken om per 2028 een circulaire polymerenheffing in te voeren. In het Regeerprogramma is afgesproken om deze heffing bij de Voorjaarsnota 2025 te wegen in samenhang met de circulaire plasticnorm, met oog voor economische effecten. De circulaireplasticnorm gaat niet door in de huidige vorm. De voorziene polymerenheffing gaat ook niet door. Omdat dit leidt tot een budgettaire derving van 567 mln. vanaf 2028 (prijspeil 2025) neemt het kabinet de volgende alternatieve maatregelen:
Met Prinsjesdag geeft het kabinet een uitgebreidere reflectie over de wijze waarin de circulaire economie met fiscale prikkels kan worden ondersteund. De inzichten van de Plastictafel neemt het kabinet hierin mee.
Welke concrete beleidsmaatregelen overweegt u om de circulaire economie te stimuleren?
De beleidsmaatregelen die het kabinet zal nemen zullen worden opgenomen in de eerder genoemde actualisatie van het NPCE. De Kamer ontvangt deze na de zomer.
Het bericht dat loyale klanten meer betalen voor een verzekering |
|
Aukje de Vries (VVD) |
|
Eelco Heinen (minister ) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het onderzoek van de Autoriteit Financiële Markten getiteld «Een eerlijke premie voor loyale klanten» waaruit blijkt dat bij bijna de helft van de verzekeraars loyale klanten meer premie betalen?1
Ja.
Hoe kijkt u naar de bevindingen van het onderzoek? Welke regels worden hierdoor overtreden?
In haar rapport concludeert de AFM dat bijna de helft van de onderzochte verzekeraars bij minimaal één van hun producten hogere premies rekent voor loyale klanten zonder dat dit verklaarbaar is op basis van de risicoprofielen van die klanten. Zij stelt tevens vast dat dit mogelijk in strijd is met de eerlijke en zorgvuldige behandeling van klanten. Als dit het geval is, dan is dit een onwenselijke praktijk. Ik waardeer het dat de AFM haar rol als toezichthouder hier vervult en dit heeft onderzocht, en waar nodig hiertegen optreedt.
De AFM benoemt in de publicatie de regels die hiermee mogelijk worden overtreden, namelijk de normen voor productontwikkeling en de algemene zorgplicht van verzekeraars. Het rapport stelt: «Volgens artikel 32 Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (BGfo) moet een financiële onderneming beschikken over adequate procedures en maatregelen die waarborgen dat bij de ontwikkeling van het financieel product op een evenwichtige wijze rekening wordt gehouden met de belangen van de consument en dat het financieel product aantoonbaar het resultaat is van deze belangenafweging. Onderdeel hiervan is dat de producten kostenefficiënt zijn voor de klant. Artikel 25 IDD (Toezicht op producten en governancevereisten) bevat een vergelijkbare norm. Op grond van artikel 4:24a Wft, die tevens een verwerking is van artikel 17, lid 1, IDD, dienen financiële dienstverleners verder op zorgvuldige wijze de gerechtvaardigde belangen van de consument in acht te nemen.»2
Deelt u de mening dat het niet eerlijk is dat loyale klanten bij bijna de helft van de verzekeringsmaatschappijen meer premie betalen dan nieuwe klanten, zonder dat die verschillen verklaard kunnen worden, bijvoorbeeld door een ander risicoprofiel? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Voor mijn standpunt over de bevindingen van de AFM verwijs ik naar antwoord 2. De AFM heeft in haar rapport gesteld dat zij de betreffende verzekeraars heeft aangesproken en dat zij de komende periode met hen in gesprek zal treden over naleving van de productontwikkelingsnorm. Tevens zal de AFM bekijken of er inderdaad sprake is van overtreding van de productontwikkelingsnorm. Het is aan de toezichthouder om indien nodig op te treden.
Welke verklaring heeft u dat dit fenomeen voorkomt bij de helft van de verzekeringsmaatschappijen, maar ook een verklaring waarom het niet voorkomt bij de andere helft van de verzekeraars?
Verzekeraars stellen zelf de hoogte van premies voor hun producten vast. De wijze waarop zij komen tot hun premiestelling is bedrijfsvertrouwelijk. Ik heb daar geen inzicht in en kan daarom geen uitspraak doen over de redenen waarom dit fenomeen bij sommige verzekeraars wel en bij andere verzekeraars niet voorkomt. Het rapport van de AFM gaat hier niet op in.
Welke mogelijkheden heeft de toezichthouder om op te treden tegen verzekeraars die hiermee Nederlandse- en Europese regels overtreden van eerlijke en zorgvuldige behandeling van klanten, zonder goede verklaring voor de verschillen? En is dit voldoende om het probleem aan te pakken?
Als er sprake is van een overtreding van wettelijke regels dan heeft de AFM een breed scala aan formele en informele handhavingsbevoegdheden. Zij kan bijvoorbeeld overgaan tot een toezicht- of waarschuwingsbrief, het doen van een aanwijzing of het opleggen van een last onder dwangsom of boete. Ik acht de AFM met de bestaande bevoegdheden voldoende in staat om op te treden tegen eventuele overtredingen van wettelijke normen. Daarnaast heb ik ook geen signalen ontvangen van de AFM dat haar bevoegdheden op dit vlak tekortschieten.
Welke rol ziet u voor het Ministerie van Financiën om dit probleem aan te pakken?
Zoals in antwoord 3 is toegelicht, gaat de AFM nu met verzekeraars in gesprek en zal zij bekijken of er sprake is van overtreding van de wettelijke regels. Mocht dit nodig zijn dan heeft de AFM voldoende mogelijkheden om hiertegen handhavend op te treden, zie ook antwoord 5. Op dit moment zie ik daarom geen aanvullende rol weggelegd voor het Ministerie van Financiën.
Hoe kijkt u naar de bevinding van het onderzoek dat loyale klanten ook minder gunstige polisvoorwaarden hebben dan nieuwe klanten, terwijl zij wel een vergelijkbare premie betalen? Deelt u hierbij de mening van de AFM dat loyale klanten hiermee worden benadeeld?
In het rapport wordt geconcludeerd dat er soms een hogere winstmarge is bij loyale klanten ten opzichte van nieuwere klanten. Die winstmarges worden door de AFM berekend door het vergelijken van de premie die de klant op jaarbasis betaalt af te zetten tegen het bedrag dat de verzekeraar verwacht nodig te hebben om de kosten van een individuele polis op jaarbasis te kunnen dekken. De AFM stelt vervolgens dat er twee verklaringen kunnen zijn voor een hogere winstmarge tussen klanten: een hogere premie bij gelijke polisvoorwaarden of een gelijke premie bij slechtere polisvoorwaarden. Er is door AFM echter niet vastgesteld welke van deze twee verklaringen ten grondslag ligt aan het geconstateerde verschil in winstmarges tussen loyale en nieuwere klanten. Er is niet geconcludeerd dat loyale klanten daadwerkelijk minder gunstige polisvoorwaarden hebben dan nieuwere klanten. Hierdoor kan ik er ook geen uitspraken over doen.
Heeft u zicht op hoeveel klanten nadeel ondervinden van deze praktijk van verzekeringsmaatschappijen? Zo ja, kunt u hiervan een overzicht geven? Zo nee, waarom niet?
Op basis van het onderzoek van de AFM kan niet met zekerheid worden vastgesteld hoeveel individuele klanten geraakt worden door dit fenomeen omdat is gekeken naar gemiddelde resultaten per klantgroep. Dit is niet terug te leiden naar exacte aantallen klanten. Daarnaast betrof het onderzoek achttien verzekeraars en niet de gehele in Nederlandse verzekeringssector, dus ook vanuit dat opzicht is er geen volledig beeld te geven van het aantal klanten dat mogelijk wordt geraakt in Nederland. Ik heb geen andere gegevens beschikbaar dan het onderzoek van de AFM en kan hier dus geen overzicht van geven.
Het onderzoek van de Autoriteit Financiële Markten ziet toe op drie vormen van autoverzekeringen (WA, WA+ en Allrisk), inboedelverzekeringen en aansprakelijkheidsverzekeringen, maar heeft u aanleiding dat deze hogere premie voorkomt bij meer verzekeringsvormen? Zo ja, welke indicaties heeft u om dit te geloven, welke verzekeringsvormen betreft dit? Zo nee, bent u bereid hier onderzoek naar te laten doen?
Naast het recente onderzoek van de AFM heb ik geen gegevens beschikbaar over de hoogte van premies die loyale en nieuwere klanten betalen bij andere verzekeringsvormen. Hierdoor kan ik geen uitspraak doen over kans dat er bij meer verzekeringsvormen sprake is van dergelijke premieverschillen. Het is aan de AFM als toezichthouder om te bezien of (meer) actie nodig.
In haar publicatie roept de AFM verzekeraars die niet in scope waren van dit onderzoek op om in kaart te brengen of er (niet-actuariële) premieverschillen zijn tussen loyalere klanten en degenen die voor het eerst verlengen. Daarnaast stelt de AFM de ontwikkelingen rondom margepersonalisatie en de naleving van de zorgplicht en de productontwikkelingsnormen in de verzekeringssector te blijven monitoren. Ik heb er het volste vertrouwen in dat de AFM de benodigde stappen zal zetten om op te treden tegen (potentiële) overtredingen van de wettelijke regels.
Wat zijn de resultaten van een recente maatregel die is genomen in het Verenigd Koninkrijk naar aanleiding van een soortgelijke conclusie uit onderzoek, namelijk de maatregel dat het is verboden om nieuwe klanten een lagere premie aan te bieden?
Hoewel de Financial Conduct Authority bij de introductie van de maatregel in 2022 vermeldde dat een evaluatie zou plaatsvinden in 2024, heeft zij op dit moment nog geen resultaten van een dergelijke evaluatie gepubliceerd. Er is daarom nu geen uitspraak te doen over de resultaten van de maatregel.
In hoeverre hebben Ierland en/of Zweden maatregelen genomen tegen het fenomeen van hogere premies voor loyale klanten nadat deze praktijk ook in deze landen is geconstateerd? Zo ja, welke maatregen betrof dit en welke resultaten zijn er daar te zien?
In Ierland zijn per januari 2022 verschillende maatregelen genomen tegen de praktijk dat een klant hogere premies betaalde voor huis- en autoverzekeringen naarmate hij langer klant is, om geen andere reden dan de duur van de termijn dat hij al klant is. Het werd verboden om bij een tweede of daaropvolgende vernieuwing van een verzekeringsovereenkomst de prijs meer te verhogen dan zou plaatsvinden bij de eerste verlening van het contract. Daarnaast moeten verzekeraars jaarlijks hun beleid en proces van premiestelling evalueren en zijn er extra informatieverplichtingen richting klanten geïntroduceerd bij schadeverzekeringen die automatisch verlengen. In december 2023 heeft de centrale bank van Ierland een evaluatie van deze maatregelen gepubliceerd.3 Er is onder meer geconcludeerd dat klanten die al twee of drie keer hun contract verlengd hebben geen hogere premies meer betalen dan klanten die hun contract een keer verlengd hebben.
De Finansinspektionen, de Zweedse financiële toezichthouder, heeft in juli 2022 een onderzoek gepubliceerd over premiedifferentiatie tussen nieuwere en loyale klanten.4 In het rapport zegt de toezichthouder in gesprek te zullen treden met de verzekeringssector. Er zijn daarna geen verdere formele maatregelen bekend gemaakt.
De weigering van een stichting om openheid van zaken te geven over de financiële afwikkeling van de stichting en het vermogen dat mede bestaat uit giften van derden |
|
Michiel van Nispen |
|
David van Weel (minister , minister ) , Eelco Heinen (minister , minister ) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het bericht dat de Stichting Kanjer Wens weigert openheid van zaken te geven over de financiële afwikkeling van de stichting?1 Kunt u zich voorstellen dat veel mensen willen weten wat er met hun donaties is gebeurd?
Het kabinet meent dat een transparante, efficiënte, effectieve en controleerbare filantropische sector bijdraagt aan het creëren en behouden van vertrouwen van donateurs. Het kabinet kan zich daarom goed voorstellen dat donateurs ook inzicht willen hebben in de gang van zaken omtrent de financiële afwikkeling en vereffening van een ontbonden stichting. Het regelgevend kader voor transparantie in de filantropische sector bestaat uit formele wetgeving (zoals de ANBI-regelgeving en het verenigingen- en stichtingenrecht in het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), waarop hieronder nader wordt ingegaan) en zelfregulering vanuit de filantropische sector zelf (zoals het toezicht van het CBF (Centraal Bureau Fondsenwerving, Toezicht op goeddoen)).
Klopt het dat een stichting na het intrekken van de ANBI-status (Algemeen Nut Beogende Instelling) door de Belastingdienst geen openheid hoeft te geven over de financiële afwikkeling van de stichting en de vereffening van het aanwezige vermogen, waaronder giften van derden? Kortom, mag dit zomaar wat deze stichting hier doet?
In algemene zin kan worden opgemerkt dat een instelling (voormalig ANBI) verplicht is een aantal gegevens aan de Belastingdienst te verstrekken als de ANBI-status van die instelling is beëindigd en de waarde van het ANBI-vermogen op dat moment niet lager dan € 25.000 is.2 Die gegevens zijn:
De voormalige ANBI dient daartoe jaarlijks het formulier Opgaaf Vermogen en schenkingen Voormalige algemeen nut beogende instellingen (ANBI’s)3 in te vullen en aan de Belastingdienst te verstekken. Deze verplichting geldt voor ieder jaar dat het ANBI-vermogen € 25.000 of meer bedraagt. Het jaar dat het ANBI-vermogen onder de € 25.000 uitkomt, is het laatste jaar waarin het formulier dient te worden ingevuld en verstrekt. Indien de gegevens en inlichtingen niet, niet tijdig, onjuist of onvolledig zijn verstrekt, wordt dit aangemerkt als overtreding waarvoor onder omstandigheden een bestuurlijke boete kan worden opgelegd.4
Wat is uw reactie op de opmerkingen van verschillende hoogleraren en deskundigen dat inzicht in de financiële afwikkeling en vereffening lastig is af te dwingen doordat wetgeving hieromtrent te beperkt is?
Naast de in het vorige antwoord genoemde verplichting voor bepaalde voormalige ANBI’s tot het verstrekken van gegevens aan de Belastingdienst, wijst het kabinet op de bestaande regelgeving in het BW op basis waarvan inzicht in de financiële afwikkeling en/of vereffening van een ontbonden stichting kan worden verkregen. Een stichting kan worden ontbonden door middel van een ontbindingsbesluit van het bestuur van die stichting. Indien er in dat geval nog baten (te verwachten) zijn, wordt een vereffenaar aangesteld en treedt een formele vereffeningsfase in. Door een vereffenaar worden de lopende verplichtingen afgehandeld. De wet stelt formele eisen aan de vereffening, zoals de inschrijving van de vereffenaar in het handelsregister.5 De vereffenaar is bovendien verplicht om rekening en verantwoording en het plan van verdeling neer te leggen bij het handelsregister, en in elk geval ten kantore van de stichting (of een andere plaats), waar de stukken dan twee maanden voor een ieder ter inzage moeten liggen. De vereffenaar moet in een nieuwsblad bekendmaken waar en tot wanneer zij ter inzage liggen.6 Een vereffenaar die zich niet aan de wettelijke bepalingen houdt, kan daarvoor aansprakelijk worden gehouden.7 Pas na afronding van de vereffening houdt de stichting op te bestaan. Zolang een stichting nog bestaat kan het Openbaar Ministerie bij ernstige twijfel of de wet of de statuten te goeder trouw worden nageleefd, inlichtingen verzoeken aan het bestuur van een stichting.8 Mocht tijdens de vereffening blijken dat de schulden de baten overtreffen, dan is de vereffenaar verplicht om een faillissement aan te vragen.9
De wet voorziet ook in de mogelijkheid van een «snelle» ontbinding, kort gezegd een ontbinding zonder formele vereffeningsfase, indien baten op het tijdstip van de ontbinding ontbreken en er niets meer valt te vereffenen.10 Deze ontbindingsvorm wordt ook wel «turboliquidatie» genoemd. De huidige tijdelijke wet transparantie turboliquidatie voorziet in de verplichting van het bestuur om binnen 2 weken na de ontbinding een aantal stukken bij het handelsregister te deponeren waarin financiële verantwoording wordt afgelegd over de ontbinding en de eventuele voorafgaande feitelijke vereffening (die stukken worden 7 jaar bewaard).11 Als de stukken niet zijn gedeponeerd kan een rechtbank op verzoek van het Openbaar Ministerie een bestuursverbod opleggen aan de (voormalig) bestuurders.12
Dus zowel in het geval van vereffening als in het geval van een turboliquidatie van een stichting bevat de wet verplichtingen om voornoemde informatie te laten registeren bij het handelsregister, zodat aldaar inzage in de financiële afwikkeling en/of vereffening door geïnteresseerden, zoals donateurs, mogelijk is. Dus zowel in het geval van vereffening als in het geval van een turboliquidatie van een stichting is het voor donateurs mogelijk om via het handelsregister inzage te krijgen in de financiële afwikkeling en/of vereffening. Het gaat hierbij overigens om transparantie van de eindafwikkeling van de stichting en niet om de besteding van giften voordien.
Verder wordt erop gewezen dat stichtingen een administratie moeten voeren waaruit hun rechten en verplichtingen kenbaar zijn.13 Het niet-naleven van deze administratieplicht is een economisch delict.14 Het betreft een overtreding op grond van artikel 2, vierde lid, van de Wet op de economische delicten (WED).
Ook kan in algemene zin worden opgemerkt dat in het geval een donateur vermoedt dat er fraude is gepleegd met zijn of haar donatie, hij of zij een beroep kan doen op vernietiging van de donatie. Volgens het Burgerlijk Wetboek kan een overeenkomst, zoals een schenking, worden vernietigd als deze tot stand is gekomen onder invloed van bijvoorbeeld dwaling15, bedrog16 of misbruik van omstandigheden17. Als een donateur in een dergelijk geval een beroep wil doen op de vernietiging van de schenking, maar niet beschikt over gegevens die van belang zijn voor het ophelderen van de feiten, kan hij of zij vragen om inzage in deze gegevens bij de stichting waaraan hij of zij de donatie heeft gedaan. Zo kan een donateur beoordelen of het instellen van een vordering tot vernietiging van de schenking zinvol is en zijn of haar vordering met concrete feiten onderbouwen.18 Als de stichting niet aan het informatieverzoek wil meewerken, kan een donateur de rechter verzoeken om inzage.19 Voor toewijzing van een vordering tot inzage dient aan bepaalde voorwaarden te zijn voldaan. Zo moet de donateur voldoende belang hebben bij het verzoek tot inzage en het verzoek voldoende nauwkeurig afbakenen tot de gegevens die de donateur nodig heeft om zijn rechtspositie ten aanzien van de vernietiging van de schenking te beoordelen.20 Voor een beroep op misbruik van omstandigheden ter vernietiging van de schenkingsovereenkomst geldt bovendien dat als de schenker feiten stelt waaruit volgt dat de schenking door misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen, de bewijslast van het tegendeel op de ontvanger van de gift rust, tenzij van de schenking een notariële akte is opgemaakt of deze verdeling van de bewijslast in de gegeven omstandigheden in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid zou zijn.21 In het geval een dergelijk beroep op vernietiging van de donatie succesvol is, kan bijvoorbeeld de rechtbank worden verzocht om heropening van de ontbinding van de stichting.22
Tot slot wijs ik erop dat een donateur bij vermoedens van fraude aangifte kan doen van bijvoorbeeld oplichting.23 Is sprake van een misdrijf jegens de schenkers of diens naaste betrekkingen, dan kan bovendien ook om die reden de schenking worden vernietigd.24
Deelt u de opvatting dat het wenselijk zou zijn om ook voor stichtingen die geliquideerd worden en/of waarvan de ANBI-status is ingetrokken, een verplichting tot financiële transparantie vast te leggen, ook omdat het voor het vertrouwen in goede doelen van belang is dat die transparantie er ook is na vereffening en om eventuele misstanden te voorkomen?
Voor wat betreft voormalige ANBI’s is wettelijk voorzien in een verplichting om aan de Belastingdienst een aantal gegevens te verstrekken, zodat de Belastingdienst er toezicht op kan houden dat de financiële afwikkeling op de juiste wijze gebeurt (zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 2). Voor wat betreft de verplichting tot registratie van informatie in het handelsregister bij financiële afwikkeling en/of vereffening van een stichting wordt verwezen naar het antwoord op vraag 3 en kunnen zij nagaan wat er met het vermogen is gebeurd. Hiermee wordt dus reeds in de in de vraag genoemde verplichting voorzien.
Bent u bereid te bezien of en zo ja welke wetten en regels aangepast zouden moeten worden, zodanig dat deze verplichting er wel is en donateurs inzicht krijgen in wat er is gebeurd met hun donaties?
Zie antwoord vraag 4.
Herstelopdrachten van de Inspectie van het Onderwijs |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
![]() |
Hoeveel herstelopdrachten heeft de Inspectie van het Onderwijs de afgelopen vijf jaar jaarlijks in totaal aan basisscholen gegeven?
In 2024 heeft de Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) 1.440 herstelopdrachten uitgedeeld aan scholen in het basisonderwijs. Voor de jaren voor 2024 zijn de volledige cijfers niet beschikbaar, omdat het totale aantal herstelopdrachten geen functie heeft in de verantwoording op stelselniveau. Daarom zijn deze aantallen ook niet centraal geregistreerd. De inspectie heeft de afgelopen jaren de centrale registratie gewijzigd en verbeterd en blijft dit ook doen in het kader van het project verbetering toezichtregistratie.
Hoeveel van deze herstelopdrachten hadden betrekking op het rekenonderwijs?
Er kan niet in algemene zin gesteld worden hoeveel herstelopdrachten specifiek worden gegeven voor rekenonderwijs danwel taalonderwijs. De inspectie geeft een herstelopdracht wanneer een onderdeel van het onderwijs bij een school niet aan de wet voldoet. In de meeste gevallen valt een tekortkoming niet terug te leiden tot één specifiek onderdeel van het onderwijs. Vrijwel alle herstelopdrachten aan scholen hebben direct of indirect betrekking op het reken- en taalonderwijs. Wanneer een school bijvoorbeeld geen goede kwaliteitscultuur kent, of het pedagogisch-didactisch handelen in algemene zin te kort schiet, zal de inspectie dit juist ook in het reken- en taalonderwijs zichtbaar tegenkomen. Wel wordt er binnen de standaard OP0 expliciet gekeken naar het onderwijsaanbod op de basisvaardigheden burgerschap, rekenen en taal. In het kader van de steekproefsgewijze kwaliteitsonderzoeken zijn er in 2024 bij 260 basisscholen voor deze standaard 18 herstelopdrachten voor rekenen en 48 voor taal gegeven.
Hoeveel van deze herstelopdrachten hadden betrekking op het taalonderwijs?
Zie antwoord vraag 2.
Het incasso- en invorderingsstelsel |
|
Don Ceder (CU) |
|
Nobel , Struycken |
|
![]() |
Hebt u kennisgenomen van het voorstel van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) voor verbetering van het invorderings- en incassostelsel in Nederland?1
Ja.
Kunt u aangeven of de regering de voorstellen van de VNG als kansrijk beschouwt voor het verbeteren van het huidige invorderings- en incassostelsel? In hoeverre kunnen voorgestelde maatregelen bijdragen aan een effectievere incasso en een eerlijker proces voor zowel debiteuren als schuldeisers? Welke concrete aanbevelingen, voor zover deze zien op maatregelen die de landelijke overheid moet nemen, worden opgevolgd, op welke wijze, en welke niet?
In het Regeerprogramma van 13 september 2024 heeft het kabinet de ambitie uitgesproken om problematische schulden fundamenteel aan te pakken en daarbij de aanbevelingen van het IBO-rapport Problematische schuldenals uitgangspunt te nemen. Ik zie veel overlap in de voorstellen van de VNG en de ambities van het kabinet. Zoals aangekondigd in de IBO Kabinetsreactie werkt het kabinet reeds aan een aantal verbeteringen op het gebied van invordering voor zowel private als publieke schuldeisers.2
Als opvolging op de IBO Kabinetsreactie heb ik uw Kamer onlangs geïnformeerd over de verdere uitwerking van een aantal maatregelen op het gebied van civiele invordering.3 Dat betreft het collectief afbetalingsplan en de zorgplicht gerechtsdeurwaarders. Het collectief afbetalingsplan heeft onder meer als doel om te voorkomen dat als gevolg van meerdere minnelijke betalingsregelingen iemand meer aflost dan gegeven zijn financiële positie mogelijk is. Dit is een aspect dat ook door de VNG nadrukkelijk onder de aandacht wordt gebracht. Deze maatregel moet ook bijdragen aan een voor de debiteur structureel haalbare oplossing voor betalingsproblemen. Bij de uitwerking van het collectief afbetalingsplan wordt eveneens gekeken naar de preferente positie van schuldeisers.
Het kabinet werkt ook aan stroomlijning van informatie-uitwisseling in de keten voor derdenbeslag, wat aansluit op het voorstel van de VNG om coördinatie van de beslagvrije voet op niveau van de debiteur te organiseren. Met de stroomlijning keten derdenbeslag wordt bij beslag onnodige kostenophoging voorkomen, het bestaansminimum gewaarborgd en inzicht gegeven aan burgers en schuldhulpverleners.
Hiernaast onderstreept het kabinet het belang van vroegsignalering. Door in een vroeg stadium hulp aan te bieden aan mensen met geldzorgen, kunnen problematische schulden voorkomen worden. Het kabinet heeft tijdelijk extra middelen gereserveerd om de capaciteit van vroegsignalering te vergroten. Ook werk ik aan een signaalfunctie voor gerechtsdeurwaarders als onderdeel van de zorgplicht voor gerechtsdeurwaarders. Deze zal bijdragen aan een snellere doorverwijzing, maar zal vermoedelijk ook nieuwe signalen met zich meebrengen. In het position paper van VNG wordt voorgesteld om dit verder uit te breiden, bijvoorbeeld met een verplichte melding bij de gemeente voordat er bij een inwoner wordt ingevorderd. Hoewel ik het belang van goede signalering onderschrijf, merk ik op dat het melden van elke invordering bij de gemeente een zeer ingrijpende maatregel is die gepaard zal gaan met grote administratieve lasten. Terecht merkt de VNG daarover zelf ook op dat dit voorstel meer tijd en onderzoek vergt. Het kabinet vindt het daarom van belang om eerst de hierboven genoemde maatregelen uit te werken en te implementeren.
Op welke wijze volgt u de aangenomen motie-Ceder c.s. (Kamerstuk 24 515, nr. 744) op waarin verzocht wordt om een nieuw incassostelsel gericht op collectief belang?
Met de verkenning Civiele invorderingdie in juni 2024 naar uw Kamer is toegestuurd4 is uitvoering gegeven aan de motie Ceder c.s. In het Regeerprogramma en vervolgens in de kabinetsreactie op het IBO Problematische schulden heeft het kabinet aangegeven het stelsel van civiele invordering te willen verbeteren. Hierbij gaat het om het zoveel mogelijk in een vroeg stadium oplossen van schulden, een betere samenwerking tussen schuldeisers en het minder snel laten oplopen van de kosten van invordering. Onlangs heb ik uw Kamer geïnformeerd over het proces van de opvolging van de maatregelen op het gebied van civiele invordering.5 In deze brief heb ik de nadere uitwerking van het collectief afbetalingsplan en de zorgplicht gerechtsdeurwaarders geschetst. Deze maatregelen zijn belangrijke pijlers onder een nieuwe incassostelsel gericht op collectief belang. Daarnaast heb ik een aantal onderzoeken uitgezet voor wat de betreft de huidige kosten van invordering. Dit betreft een onderzoek naar de huidige financieringsstructuur van gerechtsdeurwaarders en de toekomstbestendigheid van de huidige tariefstructuur. Tevens een wetsevaluatie van de Wet normering buitengerechtelijke incassokosten (WIK) waarin wordt bezien in hoeverre de huidige systematiek van de maximale buitengerechtelijke incassokosten nog steeds passend is. Daarnaast een verkennend onderzoek naar de praktijk van buitengerechtelijke incassowerkzaamheden, waarbij ook aandacht is voor hoe de opdrachtverlening en bijbehorende (prijs)afspraken tussen schuldeiser en incassodienstverlener tot stand komen. Ten slotte ben ik voornemens om enkele tarieven zoals opgenomen in het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders (Btag) te laten onderzoeken om deze kosten te herijken.
Hoe wordt er invulling gegeven aan de motie-Ceder (Kamerstuk 35 915, nr. 27) waar tot een einde op doorverkoop van schulden en rentemaximering wordt opgeroepen?
De Minister voor Rechtsbescherming heeft op 29 maart 20246 een uiteenzetting gegeven over de problematiek van verkoop vorderingen. Zoals in deze brief is aangegeven zit het probleem niet in de verkoop van de vordering zelf, maar in de kosten van invordering. Met de maatregelen die volgen uit het Regeerprogramma en de kabinetsreactie op het IBO Problematische schulden pakt het kabinet die kostenoploop aan. Een zorgplicht voor gerechtsdeurwaarders moet voorkomen dat vorderingen die niet betaald kunnen worden onnodig lang in de invorderingsfase blijven. Het collectief afbetalingsplan draagt eraan bij dat er juist in een eerdere fase meer ruimte voor coördinatie is. Daarnaast beziet het kabinet, in lijn met het IBO, of de kosten van herexecutie kunnen worden verboden wanneer deze nooit daadwerkelijk betaald zijn door een schuldeiser. Hierdoor zal herexecutie minder als verdienmodel worden gebruikt. De afgelopen periode lag de prioriteit bij het uitwerken van het collectief afbetalingsplan en de zorgplicht gerechtsdeurwaarders. In de tweede helft van 2025 wil ik ook een start maken met de uitwerking van de andere maatregelen. Een ander belangrijk aspect waarnaar gekeken wordt is de kostenoploop. In dat kader wordt ook gekeken naar de oplopende rente.
Op welke wijze geeft u invulling aan de doelstelling uit het Hoofdlijnenakkoord om de aanmanings- en incassokosten van de overheid fors omlaag te brengen en wanneer kan de Kamer hierover een voorstel verwachten?
Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid onderzoekt samen met de betrokken departementen en de partijen in het samenwerkingsverband clustering Rijksincasso7 de doelmatigheid van de ophogingen die tijdens het invorderingstraject kunnen ontstaan. De uitkomst van dit onderzoek wordt in juli verwacht. De kabinetsreactie volgt na de zomer. In de kabinetsreactie wordt ook ingegaan op het onderzoek naar aanleiding van de motie van de leden Welzijn en Ceder over het omdraaien van de toerekenvolgorde voor publieke schuldeisers.8
Signaleert u, of uw samenwerkingspartners in het veld, reeds effecten van de op 1 april 2024 in werking getreden Wet kwaliteit incassodienstverlening (hierna: WKI)? Zo ja, welke?
Op 28 maart jl. heb ik uw Kamer geïnformeerd over de invoeringstoets Wki.9 Zoals daarbij aangegeven heeft het tijd nodig voordat de mate van effectiviteit van de nieuwe regelgeving blijkt en er significante ontwikkelingen merkbaar zijn. Het afgelopen jaar zijn door mijn ministerie samen met de incassobranche verschillende ervaringen opgedaan met de Wki. De hierbij reeds ontvangen signalen en een bestudering van de werking van de Wki in de praktijk neem ik mee in de invoeringstoets. Met de inwerkingtreding van de Wki is er een eerste stap gezet om de kwaliteit van incassodienstverlening te verbeteren en mensen met schulden beter te beschermen. Ik verwacht de resultaten van de invoeringstoets in het vierde kwartaal van dit jaar met u te kunnen delen.
Hoeveel bedrijven hebben zich inmiddels ingeschreven in het register incassodienstverlening? Hoeveel registratieaanvragen worden nog verwerkt?
Op 13 mei 2025 staan er 205 incassodienstverleners ingeschreven in het register incassodienstverlening. Daarnaast waren er op dat moment nog 50 aanvragen in behandeling.
Zijn er al signalen van bedrijven die incassowerkzaamheden uitvoeren en binnen de reikwijdte aanvallen maar geen aanvraag hebben gedaan conform de WKI?
Uit eerder onderzoek is gebleken dat in 2021 bij benadering ruim 550 incassobureaus actief waren in de incassobranche.10 Niet al deze partijen hebben zich op dit moment ingeschreven in het register incassodienstverlening. Een aantal partijen kunnen gestopt zijn met het verrichten van incassowerkzaamheden, maar ik veronderstel dat dit niet voor alle bedrijven van toepassing is. Ik heb vanuit vertegenwoordigers van de incassosector vernomen dat zij het beeld hebben dat er partijen zijn die zich nog niet hebben geregistreerd, maar wel incassowerkzaamheden verrichten. Daarnaast heeft de Inspectie Justitie en Veiligheid signalen ontvangen dat er partijen zijn die incassowerkzaamheden aanbieden en/of verrichten, maar op dit moment nog niet zijn ingeschreven. De Inspectie Justitie en Veiligheid heeft in haar toezicht nadrukkelijk aandacht voor deze partijen en kan indien nodig handhavend optreden. Verder kan tegen wie zonder registratie buitengerechtelijke werkzaamheden verricht of aanbiedt, strafrechtelijk worden opgetreden door politie en het Openbaar Ministerie omdat het een economisch strafbaar delict is.11
Klopt het dat ook Buy Now, Pay Later bedrijven (BNPL) onder de reikwijdte van de WKI vallen? Zo ja, kunt u aangeven of alle BNPL-bedrijven inmiddels voldoen aan de WKI of een aanvraag hebben lopen? Zo nee, wat is daar de oorzaak van en hoe acteert het u hierop?
Het is afhankelijk van de omstandigheden of Buy Now, Pay Later (BNPL) bedrijven onder de reikwijdte van de Wki vallen. Zoals ook aangegeven in het vragenuur van 4 april 2023 is dit het geval wanneer de aanbieder geen eigenaar van de vordering is, maar wel voor de eigenaar van de vordering buitengerechtelijke incassowerkzaamheden verricht. Het kan in een aantal gevallen zo zijn dat BNPL in zijn geheel onder de Wki valt; dat is afhankelijk van hoe de overdracht van de vordering in individuele gevallen is ingeregeld.12 Inmiddels is een aantal BNPL-partijen reeds ingeschreven in het Register Incassodienstverlening.
De berekeningen van de expat regeling |
|
Pieter Omtzigt (NSC) |
|
Tjebbe van Oostenbruggen (NSC) |
|
![]() |
Herinnert u zich het antwoord op de Kamervragen over de gewijzigde regeling voor expats, die volgens de eigen ramingstoelichting van het ministerie geen geld zou kosten, doordat gedragseffecten niet juist zijn meegenomen1
Ja, deze Kamervragen herinner ik mij. Hierin is niet vermeld dat de gedragseffecten niet juist zijn meegenomen.
Klopt het dat de geraamde kosten van de expatregeling (30% regeling) zonder het amendement-Omtzigt c.s. 1.071 miljoen euro bedroegen?
Ja, met daarbij de nuancering dat dit feitelijk niet gaat om kosten, maar om het budgettaire belang dat gemoeid is met de regeling. Het is dus de gemiste budgettaire opbrengst die behaald had kunnen worden als alle toenmalige gebruikers van de expatregeling volledig belast zouden worden (dus zonder 30% korting en zonder gedragseffecten).
Klopt het dat de geraamde kosten van de expatregeling (naar een 30%/20%/10%-regeling) met het amendement-Omtzigt c.s. 855 miljoen euro bedroegen, exclusief de gedragseffecten? (antwoord op vraag 4 van eerder genoemde vragen).
Ja, met ook hierbij dezelfde kanttekening als bij de vorige vraag. Dit is dus een inschatting vóórdat er een gedragseffect is opgetreden.
Klopt het dus dat de opbrengst van het amendement 216 miljoen euro zou zijn geweest als er geen gedragseffecten zouden optreden?
Ja, als er geen gedragseffecten optreden dan geven de kosten van de regeling een inschatting van de opbrengst bij afschaffen/versoberen van de regeling.
Deelt u de mening dat er gedragseffecten te verwachten zijn, namelijk minder gebruik van de regeling, als de regeling minder aantrekkelijk wordt en dat de gedragseffecten dus altijd zullen leiden tot een geraamde opbrengst die hoger is dan 216 miljoen euro?
Er zijn inderdaad gedragseffecten te verwachten waarbij er minder gebruik wordt gemaakt van de regeling. Gedragseffecten leiden echter niet tot een hogere geraamde opbrengst, maar een lagere opbrengst. Door de regeling minder aantrekkelijk te maken, wordt er minder gebruik van gemaakt, bijvoorbeeld omdat sommige expats niet meer naar Nederland komen of omdat zij gebruikmaken van de ETK-regeling. De versobering leidt alleen tot een budgettaire opbrengst voor de groep die gebruik blijft maken van de regeling. Hierdoor valt de opbrengst altijd lager uit dan € 216 miljoen.
Als de gedragseffecten 10% zijn en er dus 10% minder gebruik is van de regeling met de 30%/20%/10%-variant, dan in de 30% variant, klopt het dan dat de geraamde kosten met het amendement dan 770 miljoen euro bedragen, namelijk 90% van 885 miljoen euro?
Het gedragseffect moet berekend worden op het verschil tussen het budgettaire belang van de oorspronkelijke regeling en het budgettaire belang van het amendement voordat een gedragseffect is toegepast. Stel als voorbeeld dat het gedragseffect 100% is, dus dat er door de versobering niemand meer gebruik maakt van de regeling. Dan is de budgettaire opbrengst van de versobering dus ook nul. Er is immers niemand meer die het verhoogde tarief betaalt. Uit dit voorbeeld blijkt ook meteen dat de redenering uit de vragen 6 en 7 niet klopt. Volgens deze redenering zou een gedragseffect van 100% leiden tot een opbrengst van € 1.071 miljoen.
In werkelijkheid moet het gedragseffect dus berekend worden over het verschil tussen beide situaties voordat het gedragseffect is toegepast. In het onderhavige geval moet dus een gedragseffect worden toegepast op een bedrag van € 216 miljoen, te weten het verschil tussen € 1.071 miljoen en € 885 miljoen. Door het gedragseffect wordt de budgettaire opbrengst kleiner. Dus bij een gedragseffect van 10% wordt de opbrengst 90% van € 216 miljoen = € 194 miljoen.
Klopt het dat de geraamde opbrengst van het amendement met 10% gedragseffecten dus 1.071–770 = 301 miljoen euro is?
Zie antwoord vraag 6.
Zo nee, kunt u dan de som toelichten wat de opbrengst van het amendement is met 10% gedragseffecten?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u alle memo’s en emails met de originele berekeningen bij het amendement aan de Kamer doen toekomen?
De berekening van de raming is toegelicht in deze antwoorden. Er is geen ramingsmemo beschikbaar, omdat amendementen niet meelopen in het certificeringsproces van het CPB.
Kunt u deze vragen per ommegaande, binnen een paar dagen, beantwoorden?
Deze vragen zijn nog voor het meireces beantwoord. Vanwege het reces is er enige vertraging voordat de antwoorden in de Kamer komen.
Bent u bekend met het advies van de Adviesraad Migratie en de Raad voor het Openbaar Bestuur: «Goed geregeld Asielopvang als maatschappelijke opgave»?1
Wat vindt u van de duidelijke conclusie van dit rapport waarin wordt gesteld dat de asielopvang één miljard euro goedkoper kan bij voldoende structurele opvang?
Wat vindt u van de analyse dat de kosten juist hoger zijn dan nodig doordat de asielopvang telkens in een crisissfeer tot stand komt waardoor niet de beste keuzes worden gemaakt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Hoe reflecteert u los van de spreidingswet op de afspraken die met gemeenten over de verdeling en toereikende financiering zijn gemaakt? Bent u het met de onderzoekers eens dat dit onvoldoende gebeurt?
Bent u het met de schrijvers van het onderzoek eens dat het aantal mensen dat bescherming zoekt voornamelijk wordt beïnvloed door externe factoren zoals oorlogen elders? Zo nee, waarom niet?
Wat vindt u ervan dat een bezet bed in de opvang in 2023 gemiddeld 57 procent duurder was dan een bezet bed in 2014 zoals wordt geconcludeerd? Waar komen deze extra kosten terecht volgens u?
Bent u het eens met de conclusie dat de rol van het Rijk als stelselverantwoordelijke betekent dat het Rijk duidelijke beleidsdoelen formuleert en daar concrete en voldoende middelen aan koppelt? Vindt u dat er voldoende middelen begroot zijn de komende jaren voor de uitvoeringsinstanties? Kunt u dit duidelijk toelichten?
Bent u bereid het advies over te nemen om de stem van medeoverheden en uitvoeringsorganisaties zwaarder mee te wegen in de ontwikkeling van het asielopvangbeleid? Zo ja, op welke manier?
Kunt u inzicht geven in de aankomende plannen om dure (crisis)noodopvangplekken te vervangen door reguliere opvangplekken? Zo nee, waarom niet?
Kunt u een overzicht geven van de verwachting van de groei of daling van de structurele opvangcapaciteit en bijbehorende kosten in de jaren 2025, 2026 en 2027? Waar is dat op gebaseerd?
Hoe zorgt u ervoor dat we zo snel mogelijk af kunnen van (commerciële) noodopvangplekken die onnodig duur zijn waarmee belastinggeld niet doelmatig wordt besteed, nog los van de verwachte aantallen asielzoekers dat zich nu eenmaal moeilijk precies laat voorspellen?
De late bekendmaking van de forfaitaire rendementspercentages in Box 3 |
|
Wendy van Eijk-Nagel (VVD) |
|
Tjebbe van Oostenbruggen (NSC) |
|
![]() |
Klopt het dat spaarders pas op 7 maart 2025 duidelijkheid hebben gekregen over de definitieve forfaitaire rendementspercentages in Box 3 die gelden voor het jaar 2024? Wat vindt u ervan dat de ministeriële regeling pas na het openstellen van de aangifteperiode inkomstenbelasting 2024 is gepubliceerd?
In de wetgeving voor box 3 is geregeld dat het forfaitaire rendementspercentage voor banktegoeden en schulden na afloop van het jaar wordt vastgesteld met een ministeriële regeling. Deze percentages worden met terugwerkende kracht in de wet opgenomen. De bedoeling hiervan is dat de percentages zo dicht mogelijk bij de werkelijke rendementspercentages in het betreffende jaar aansluiten.
De percentages voor 2024 zijn inderdaad op 7 maart 2025 gepubliceerd in de Staatscourant, met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2024.1 De manier waarop de percentages worden berekend en vastgesteld is opgenomen in de wet. Dit is gebaseerd op gemiddelde rentes in de eerste elf maanden van het jaar zoals gepubliceerd door De Nederlandsche Bank (DNB). Deze gemiddeldes zijn echter niet direct op 1 december beschikbaar, maar komen jaarlijks in de loop van januari beschikbaar. Vanwege de latere beschikbaarheid is ervoor gekozen om de maand december niet mee te wegen in de berekening. Die gegevens zouden namelijk pas in februari van het volgende jaar beschikbaar komen.2 Het Ministerie van Financiën heeft dit jaar de berekende percentages op 22 januari 2024 aan de Belastingdienst aangeleverd, zodat de Belastingdienst de juiste percentages kon gebruiken in communicatie naar belastingplichtigen. Op die manier worden in het digitale aangifteformulier de juiste percentages al toegepast. Op het moment dat de aanslagen na het openstellen van de aangifteperiode inkomstenbelasting worden opgelegd staan de definitief vastgestelde percentages opgenomen in de wet. In de wet is geen uiterste publicatiedatum opgenomen voor de ministeriële regeling. Aangezien de juiste percentages met terugwerkende kracht op een bij wet voorziene wijze worden vastgesteld zie ik juridisch gezien geen bezwaren in de publicatiedatum van 7 maart 2025.
Klopt de veronderstelling dat alle benodigde informatie al op 1 december 2024 beschikbaar is, omdat voor het berekenen van het forfaitaire rendementspercentage banktegoeden en schulden een gemiddeld rendement wordt uitgerekend over de eerste 11 maanden van het jaar?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is de reden dat het publiceren van een regeling die enkel twee getallen wijzigt alsnog drie maanden in beslag neemt?
Zoals in het antwoord hierboven is weergegeven is de benodigde informatie om de percentages te berekenen jaarlijks pas in de loop van januari beschikbaar. Daarna moet de regeling worden opgesteld en worden voorgelegd voor een uitvoeringstoets door de Belastingdienst. Deze stappen kosten enige tijd. Het klopt echter dat sprake is van een relatief simpele regeling. Ik zal mij inspannen om de regeling volgend jaar voor 1 maart 2026 te publiceren.
Bent u bereid om, zolang de Wet werkelijk rendement niet is ingevoerd, de publicatie van de jaarlijkse regeling te versnellen, zodat spaarders eerder duidelijkheid hebben over het definitieve forfaitaire rendement waarover zij belasting betalen? Op welke datum verwacht u de regeling volgend jaar uiterlijk gepubliceerd te hebben?
Zie antwoord vraag 3.
Verwacht u nog formeelrechtelijke bezwaren en/of procedures als gevolg van de (te) late publicatie van de ministeriële regeling?
Zoals in het antwoord op vraag 1 en 2 is aangegeven is geen sprake van een te late publicatie. Mede daardoor zie ik juridisch gezien geen bezwaren in de publicatiedatum van 7 maart 2025. Ik heb op dit moment geen indicatie voor formeelrechtelijke bezwaren of procedures.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het tweeminutendebat over Box 3?
Ja.
De opdracht die hij aan de Belastingdienst heeft verstrekt inzake de analyse van de 14 spreadsheets |
|
Doğukan Ergin (DENK) |
|
Tjebbe van Oostenbruggen (NSC) |
|
![]() |
Kunt u de opdracht die u blijkens uw brief van 6 maart 2025 over de uitkomsten van extern onderzoek naar het Risico Analyse Model (RAM) aan de Belastingdienst heeft verstrekt inzake de analyse van de 14 spreadsheets zo integraal en zo ongelakt mogelijk met de Kamer delen?1
De Belastingdienst voert het volgende onderzoek uit:
Het gaat om burgers die voorkomen in de 14 spreadsheets die zijn aangetroffen door KPMG en waarin geselecteerd is op nationaliteit. Doe dit door op basis van de aanpak die gehanteerd is bij de compensatieregeling van Selectie aan de Poort in kaart te brengen of en zo ja, hoeveel burgers niet op basis van fiscale en/of objectieve gronden geselecteerd zijn.
Of selectie op postcode e.d. in de 35 spreadsheets mogelijk heeft geleid tot een schending van grondrechten.
Kunt u de werkwijze voor de analyse die de Belastingdienst zal hanteren zo uitgebreid mogelijk toelichten?
De basis voor de aanpak van de analyse op de 14 spreadsheets ligt in de aanpak die gehanteerd is bij het herstel en compensatie wegens Selectie aan de Poort.
In het gebruik van RAM en Selectie aan de Poort zitten overeenkomsten, namelijk hoe worden posten geselecteerd voor verdere controle.
Zoals het rapport van KPMG beschrijft: Het Risico Analyse Model is gebruikt om informatie ten behoeve van het toezicht op naleving van fiscale wet- en regelgeving op eenvoudige en overzichtelijke wijze ter beschikking te stellen. Daarbij gaf informatie uit RAM inzicht in «theoretische» risico’s per branche om zo te kunnen bepalen welke posten het beste geselecteerd konden worden voor controle. Gezien de bevindingen rondom RAM, beoordeelt de Belastingdienst of de selectie van de aangiften van de burgers die voorkomen op de 14 spreadsheets en die een correctie en daarmee een controle hebben gehad, op fiscale en/of objectieve gronden tot stand is gekomen.
De processtappen die gevolgd worden in de analyse van de 14 spreadsheets zijn:
Voor meer detailinformatie wordt verwezen naar de uitvoeringstoets (bijlage 1) die opgesteld is in kader van het wetsvoorstel Compensatie wegens Selectie aan de Poort en bijbehorend stappenplan voor herbeoordeling (bijlage 2). Tevens wordt verwezen naar het eindrapport dat is opgesteld naar aanleiding van de uitvoering van de compensatieregeling voor Selectie aan de Poort (bijlage 3).
Mocht uit de juridische analyse naar de 35 spreadsheets met een selectie op postcode e.d. (stap 2 in antwoord 1) blijken dat sprake is van een schending van grondrechten, dan wordt het hierboven beschreven proces ook gevolgd voor deze 35 spreadsheets.
Kunt u aangeven wie toeziet op de adequate en correcte uitvoering van de analyse?
Een specifiek voor herstel opgerichte directie binnen de Belastingdienst voert de analyse uit. Deze directie heeft reeds ervaring opgedaan met eerdere werkzaamheden in het kader van de compensatieregeling voor Selectie aan de Poort.
Bent u bereid de analyse extern te laten toetsen op juistheid en betrouwbaarheid?
Inmiddels is motie Ergin5 aangenomen die vraagt om de analyse van de Belastingdienst naar de spreadsheets extern te laten toetsen op volledigheid en betrouwbaarheid. De Auditdienst Rijk (ADR) is bereid gevonden om als onafhankelijke partij te kijken naar de analyse die de Belastingdienst verricht. De ADR bepaalt daarbij zelf welke onderzoeksmethodiek passend is en welke opdracht zij voor zichzelf ziet. Alhoewel de opdrachtomschrijving nu nog niet beschikbaar is, is de ADR voornemens te kijken naar de opzet en uitvoering van de analyse. In juni 2025 zal de Belastingdienst de analyse aanleveren aan de ADR. Kort na de zomer 2025 verwacht ik te kunnen rapporteren aan uw Kamer over de analyse van de Belastingdienst en bijbehorende rapportage van de ADR.
Kunt u toelichten waarom de 35 spreadsheets met een selectie op postcode en huisnummer buiten de reikwijdte van de analyse zijn gehouden?
In eerste instantie was de analyse gericht op de 14 spreadsheets die gevonden zijn door KPMG en waarbij is geselecteerd op nationaliteit, omdat dit selectiecriterium slechts in een zeer beperkt aantal gevallen fiscaal relevant is en daarmee sprake kan zijn van een schending van grondrechten.
Daarnaast wordt, conform motie Ergin6, een juridische analyse uitgevoerd op 35 aangetroffen spreadsheets met een selectie op postcode e.d. of daarbij mogelijk sprake is van een schending van grondrechten.
Kunt u deze vragen tijdig voor aanvang van de procedurevergadering van de vaste commissie Financiën van donderdag 20 maart 2025 (aanvang 10:00 uur) beantwoorden?
Ik heb deze antwoorden na de stemming over de moties die zijn ingediend met het tweeminutendebat op 27 maart 2025 aan u gestuurd, zodat de uitkomst hiervan verwerkt kon worden in de beantwoording.
Herinnert u zich dat bij de behandeling van het Belastingplan 2024 het amendement van het lid Omtzigt over het versoberen van de zgn. 30%-regeling is aangenomen, waarmee de expatregeling is versoberd van een 30%-regeling (5 jaar lang) naar een 30%/20%/10%-regeling?1
Ja.
Herinnert u zich dat dit amendement structureel een opbrengst zou hebben van 194 miljoen euro per jaar?
Ja.
Op welke manier heeft het ministerie destijds het bedrag van 194 miljoen euro berekend en klopt het dat er geen gedragseffecten in dit bedrag zijn opgenomen?
Het klopt niet dat er geen gedragseffecten zijn gehanteerd. Er is uitgegaan van een gedragseffect van 10%. De berekeningswijze wordt verder toegelicht in het antwoord op vraag vier.
Kunt u de berekening aan de Kamer doen toekomen?
De kosten van de 30%-regeling bedroegen in 2022 op basis van werkelijke gegevens over dat jaar 1051 miljoen. De kosten zijn vervolgens doorgerekend met diezelfde gegevens ervanuit gaande dat het amendement van toepassing zou zijn en kwamen uit op 839 miljoen. Met jaarlijkse stijgingen van 5% in 2023 en 2024 kwam dit uit op respectievelijk 1159 miljoen en 925 miljoen. De aftopping van de WNT-norm van de oorspronkelijke regel was geraamd op 88 miljoen. Deze is naar rato meegenomen voor de nieuwe maatregel, dus op 70 miljoen. Daarmee kwam de totale raming van de oorspronkelijke kosten uit op 1071 miljoen, en van de kosten inclusief amendement op 855 miljoen. Een verschil van 216 miljoen. Hierop is gedragseffect van 10% toegepast, waarmee de opbrengst van de aanpassing uitkwam op 194 miljoen.
Wat zou de opbrengst van het amendement geweest zijn als er wel gedragseffecten meegenomen zouden zijn?
Zoals bij vraag 3 is geantwoord, zijn gedragseffecten al meegenomen bij de berekening van de opbrengst van het amendement. De opbrengst blijft dus hetzelfde.
Heeft u kennis genomen van het feit dat het SEO onderzoek over de 30%-regeling (waarop de regering de tweede nota van wijziging van het Belastingplan 2025 baseert), schat dat het aangenomen amendement leidt tot een afname van het aantal expats met 10–15% (gedragseffect)?2
Ja.
Wilt u de opbrengst van het amendement berekenen zowel op stand van zaken in 2022 en nu, inclusief gedragseffecten?
De berekening is reeds uitgevoerd inclusief gedragseffecten. De opbrengst verandert hier dus niet door. Het is verder niet mogelijk om de stand van zaken voor het huidige jaar te berekenen, omdat daar nog geen gegevens over beschikbaar zijn. Op dit moment zijn de meest recent beschikbare gegevens die over 2023. De verwachting is dat de uitkomst niet veel zal afwijken van de uitkomst op basis van de gegevens van 2022.
Klopt het dat u bij de tweede nota van wijziging bij het Belastingplan 2025 het amendement terugdraaide en daarbij geen gedragseffecten berekende voor het terugdraaien van het amendement, maar wel voor het daarna verlagen van het algemene percentage van 30% naar 27%? 3
Middels de motie Geerdink-Moonen4 is het kabinet door de Staten-Generaal verzocht om de voorgenomen evaluatie van de 30%-regeling naar voren te halen en op basis van deze evaluatie in het Belastingplan 2025 met een alternatief voorstel te komen dat minder schadelijk uitpakt voor de economie. De gevraagde evaluatie is vervolgens vervroegd en versneld uitgevoerd door SEO Economisch Onderzoek (SEO). Het rapport Kunde, Kosten en Keuzes dat SEO heeft opgesteld naar aanleiding van deze evaluatie is op 14 juni 2024 door één van mijn voorgangers met uw Kamer gedeeld.5 Eén van de aanbevelingen die SEO doet in het evaluatierapport is om de forfaitaire vergoeding voor extraterritoriale kosten vorm te geven als één vast percentage van het loon in plaats van een afbouw in de tijd van 30-20-10. Invulling gevende aan de motie Geerdink-Moonen en gehoor gevende aan de aanbeveling van SEO, hebben wij een voorstel gedaan voor een aanpassing in de expatregeling. Deze aanpassing houdt in dat de forfaitaire vergoeding voor extraterritoriale kosten wordt gesteld op een vast percentage van het loon van de werknemer. Dit percentage bedraagt vanaf 2027 27% met volledig respecterend overgangsrecht; voor de jaren 2025 en 2026 bedraagt het percentage 30%. Dit voorstel is door de Staten-Generaal aanvaard.
Bij zowel de berekeningen voor het amendement als de wijzigingen in het Belastingplan 2025 zijn gedragseffecten meegenomen. De ramingen zijn mijns inziens daarom consistent.
Deelt u de mening dat het inconsistent en misleidend is om bij een nota van wijziging alleen de gedragseffecten mee te nemen die de regering goed uitkomen en de andere niet?
Zie antwoord vraag 8.
Wilt u de kosten en opbrengsten van de nota van wijziging berekenen met alle gedragseffecten en gebaseerd op hetzelfde jaar (2025)?
De berekening van de kosten en opbrengst van de nota van wijziging zijn gebaseerd op de gegevens van 2023. Er zijn geen recentere gegevens beschikbaar om nieuwe berekeningen mee te maken.
Wilt u de kosten en opbrengsten van de nota van wijziging zonder gedragseffecten en gebaseerd op hetzelfde jaar (2025)?
Zie antwoord vraag 10.
Hoe hoog is de instroom van 30%-regeling (en opvolgers) in elk van de jaren 2016–2024?
Onderstaande tabel geeft een overzicht van de instroom van de 30%-regeling over de periode 2016 tot en met 2022. Deze gegevens komen uit het evaluatierapport van onderzoeksbureau SEO.6
Instroom 30%-gebruikers
19.254
22.811
27.579
29.658
22.742
30.884
46.042
Hoe hoog is het totaal aantal mensen dat gebruik maakt van de regeling in elk van die jaren?
Het genoemde SEO-rapport geeft in figuur 3.1 ook een overzicht van het aantal mensen dat gebruik maakt van de 30%-regeling over de periode 2016 tot en met 2023. Het gaat hierbij om mensen die op enig moment in het jaar gebruik hebben gemaakt van de 30%-regeling. Onderstaande tabel geeft deze cijfers:
Aantal
59.565
69.538
84.165
93.932
97.604
89.049
109.502
114.508
Hoe hoog is het budgettaire beslag in elk van die jaren?
Onderstaande tabel geeft een overzicht van de kosten van de 30%-regeling in miljoenen euro over de periode 2016 tot en met 2023.
Kosten
850
968
1.058
1.062
1.100
865
1.051
1.249
Kunt u de opbrengsten van het in de eerste vraag genoemde amendement berekenen, gebaseerd op de huidige kosten van de expatregeling, zowel met als zonder gedragseffecten?
Op dit moment zijn de meest recent beschikbare gegevens die over 2023. De verwachting is dat de uitkomst niet veel zal afwijken van de uitkomst op basis van de gegevens van 2022.
Op welke wijze en wanneer wordt uitvoering gegeven aan de aangenomen motie-Hermans/Omtzigt op het volgende punt van het dictum: «zo snel mogelijk het deskundigheidsvereiste in de 30%-regeling aan te scherpen zodat die beter aansluit bij de behoeften van de economie en arbeidsmarkt»?4
Als één van de voorwaarden voor toepassing van de expatregeling (voorheen 30%-regeling) geldt dat de ingekomen werknemer specifieke deskundigheid heeft die schaars is op de Nederlandse arbeidsmarkt. Sinds 2012 wordt het deskundigheidsvereiste in de expatregeling vorm gegeven aan de hand van een salarisnorm. In het Belastingplan 2025 is aangekondigd dat de salarisnorm per 1 januari 2027 zal worden verhoogd van € 46.107 (cijfer 2024) naar € 50.436 (dit laatste cijfer zal nog worden aangepast aan de jaarlijkse indexatie).8 Dit betreft een verhoging van de salarisnorm van 9,4%. De salarisnorm voor werknemers jonger dan 30 jaar met een mastergraad wordt naar rato verhoogd. Op deze manier heeft het kabinet invulling gegeven aan het verzoek in de motie Hermans/Omtzigt om het deskundigheidsvereiste aan te scherpen.
Kunt u deze vragen een voor een en binnen 10 dagen beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'EU Omnibus: EU finance ministers back proposal, Parliament heavily divided' |
|
Daniëlle Hirsch (GL), Tom van der Lee (GL) |
|
Eelco Heinen (minister ) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel uitResponsible Investor getiteld «EU Omnibus: EU finance Ministers back proposal, Parliament heavily divided»1 van 12 maart jongstleden?
Ja.
Klopt het dat in de Ecofinraad werd gesproken over de CSRD – de richtlijn die bedrijven vraagt om relevante informatie te rapporteren over CO2-uitstoot, afvalbeheer, watergebruik, etc. – en over het «stop de klok»-voorstel van de Europese Commissie dat voorstelt om de deadlines van deze rapportage voor twee categorieën bedrijven uit te stellen? Klopt het dat volgens het commissievoorstel bedrijven uit de eerste categorie wel nog zouden blijven rapporteren?
Ja. De CSRD verplicht bepaalde bedrijven in de EU om over hun duurzaamheidsprestaties te rapporteren in het bestuursverslag. De CSRD wordt gefaseerd ingevoerd. Grote organisaties van openbaar belang met meer dan 500 werknemers moeten vanaf boekjaar 2024 rapporteren onder de CSRD. Alle overige grote ondernemingen, de tweede categorie, vanaf boekjaar 2025. Beursgenoteerde mkb-ondernemingen, de derde categorie, vanaf boekjaar 2026. Vanaf boekjaar 2028 moeten ook in de EU gevestigde grote of beursgenoteerde dochtermaatschappijen van niet in de EU gevestigde concerns met een netto-omzet in de EU van meer dan € 150 miljoen rapporteren. Het zogeheten «stop de klok»-voorstel verleent uitstel aan de ondernemingen die over boekjaar 2025 en 2026 zouden moeten rapporteren. Dit betekent dat de organisaties die onder de eerste categorie vallen nog steeds vanaf boekjaar 2024 dienen te rapporteren.
Klopt het dat u in de Ecofinraad heeft gepleit om verder te gaan dan het voorstel van de Europese Commissie en heeft voorgesteld ook bedrijven uit de eerste categorie te laten pauzeren met rapporteren? Zo ja, waarom heeft u dat gedaan?
Het klopt dat ik in de Ecofinraad heb aangeven dat het wenselijk kan zijn om ook uitstel te verlenen aan organisaties die al vanaf boekjaar 2024 moeten rapporteren onder de CSRD. De reden daarvoor is dat in de voorstellen van de Europese Commissie een deel van de organisaties die nu onder de eerste categorie vallen, straks niet meer onder de reikwijdte van de CSRD zullen vallen als de door de Commissie voorgestelde reikwijdte wordt gevolgd, namelijk de grote organisaties van openbaar belang met tussen de 500 en 1.000 werknemers. Zij blijven dan nu verplicht om te rapporteren onder de CSRD terwijl zij na inwerkingtreding van de Omnibusrichtlijnen niet meer onder de CSRD zouden vallen. Ik vind dat onwenselijk. Een tweede reden is dat de Commissie ook de vereisten voor de te rapporteren informatie zal aanpassen. De Commissie heeft namelijk toegezegd de eerste set European Sustainability Reporting Standards (ESRS) te zullen herzien door deze te vereenvoudigen en te stroomlijnen om ook daar de lasten te verminderen. Om te zorgen voor zekerheid voordat de verplichte rapportage ingaat, heb ik de optie geopperd om ook organisaties onder de eerste categorie uitstel te verlenen.
Klopt het dat u in de geannoteerde agenda die u op 28 februari 2025 naar de Kamer heeft gestuurd, heeft geschreven dat «het kabinet de Europese Commissie in haar initiatief steunt», maar dat u niet heeft vermeld dat het kabinet zou pleiten om het initiatief van de Europese Commissie te verbreden? Op welke manier heeft u de Kamer dan wel vooraf over deze inzet geïnformeerd? Indien dit niet is gebeurd, waarom niet? Onderschrijft u dat het voor de Kamer van belang is om van te voren geïnformeerd te worden over de kabinetsinzet in Brussel? Bent u met terugwerkende kracht van mening dat het kabinet het voorstel om het «stop de klok»-initiatief te verbreden in de geannoteerde agenda van 28 februari 2025 had moeten opnemen?
In de Geannoteerde Agenda was opgenomen dat het kabinet groot voorstander is van het terugdringen van regeldruk voor bedrijven en het eenvoudiger maken voor bedrijven om aan regels te kunnen voldoen. Er stond dat het kabinet de Europese Commissie steunt in haar initiatief om de duurzaamheidsrapportageraamwerken te vereenvoudigen, de rapportagelasten te verminderen en de betreffende wet- en regelgeving te stroomlijnen. Mijn suggestie in de Ecofinraad omtrent lichting 1 van de CSRD is hier een uitwerking van, zoals ook in het antwoord op vraag 3 is toegelicht. Wel heb ik in de Ecofinraad duidelijk gemaakt dat Nederland het voorstel nog aan het bestuderen is en er nog geen officiële kabinetspositie is.
Ik hecht groot belang aan het tijdig informeren van de Kamer. Zoals aangegeven in het BNC-fiche steunt het kabinet de wens van de Commissie en het voorzitterschap om snel tot een onderhandelingsresultaat te komen. Dit geeft ondernemingen duidelijkheid. Tegelijkertijd is het van belang dat er voldoende ruimte is voor zorgvuldige besluitvorming en voorbereiding op nationaal niveau, inclusief raadpleging van de parlementen. Dit benadruk ik regelmatig in de Raadsvergaderingen.
Bent u bekend met het onderzoek van PwC2, waaruit blijkt dat van de ondervraagde bedrijven uit die eerste categorie, de meerderheid aangeeft dat openbaarmaking van duurzaamheid – zoals CSRD beoogt – voor hen leidt tot meerdere zakelijke voordelen, waaronder betere milieuprestaties, betere risicobeperking, toegang tot kapitaal, transparantie en daardoor verhoogd vertrouwen bij klanten, investeerders en andere belanghebbenden? Waarom zou u deze bedrijven desondanks willen vragen om met deze praktijk – inmiddels een kernpraktijk van bedrijven in Europa, waar zij dus zelf van zeggen voordeel te ervaren – te stoppen, terwijl de wijzigingen van de commissie nog niet vaststaan?
Met mijn suggestie in de Ecofinraad om ook uitstel te verlenen aan organisaties die momenteel onder de CSRD vallen, maar in het nieuwe voorstel van de Commissie niet langer onder de reikwijdte vallen, geef ik organisaties allereest zelf de mogelijkheid om te bepalen of zij willen rapporteren over de duurzaamheidsinformatie. Ik vind het onwenselijk dat zij verplicht worden om over eerdere boekjaren te rapporteren, terwijl deze verplichting daarna vervalt. Als organisaties zakelijke voordelen zien in het openbaar maken van duurzaamheidsinformatie, kunnen zij dit uiteraard blijven doen.
Daarnaast geldt dat zo lang de CSRD in Nederland nog niet van kracht is, haar voorloper, de Non Financial Reporting Directive (NFRD), van toepassing is. Dit betekent dat bedrijven die moeten rapporteren onder de NFRD, dat moeten blijven doen.
Erkent u dat, hoewel de Commissie vaart wil maken, er over de wijzigingen nog twaalf tot achttien maanden onderhandeld zou kunnen worden in het Europees parlement en de Europese Raad, waarna nog minimaal zes maanden nodig zijn voor de omzetting van de herziene richtlijnen in nationale wetgeving? Klopt het dus dat dit op zijn vroegst in de herfst van 2026 zal zijn, na de publicatie van de eerste duurzaamheidsrapporten van de bedrijven van zowel golven één en twee, zoals voorzien door de huidige wetgeving? Klopt het dat er, met uw voorstel, dus gedurende deze gehele periode geen rapportage zou plaatsvinden?
Ik kan nu nog niet vooruitlopen over het precieze tijdspad van de onderhandelingen over het inhoudelijke voorstel. Wel is er over het «stop de klok»-voorstel inmiddels een raadspositie, wordt er komende week een akkoord in het Europees parlement verwacht en niet veel later een triloogakkoord. In de raadspositie is het commissievoorstel ongewijzigd aangenomen en wordt dus voor wat betreft CSRD uitstel verleend aan lichting 2 en 3. Een snel akkoord over het «stop de klok»-voorstel was ook de inzet, zodat er tijdens de onderhandelingen over het inhoudelijke richtlijnvoorstel duidelijkheid is over het uitstel. Zoals ook aangegeven in het BNC-fiche, heeft het de voorkeur van dit kabinet om de implementatie van beide voorstellen mee te nemen in het implementatietraject van de CSRD, mits de onderhandelingen over die voorstellen voldoende voortgang boeken.
Dat betekent niet dat er geen rapportage meer plaatsvindt. De NFRD blijft onverminderd van toepassing op grote ondernemingen met meer dan 500 werknemers zolang de CSRD en de nieuwe voorstellen van de Commissie niet zijn geïmplementeerd, waardoor deze ondernemingen die al onder de NFRD rapporteren dit ook moeten blijven doen. Andere organisaties kunnen daarnaast vrijwillig blijven rapporteren.
Snapt u dat deze gang van zaken voor verwarring zorgt bij bedrijven? Hoe draagt dit bij aan voorspelbaarheid van de overheid, heldere verwachtingen en rechtszekerheid voor hen?
Het bedrijfsleven is gebaat bij stabiel, voorspelbaar beleid en zekerheid. Daarbij is het voor datzelfde bedrijfsleven van belang dat het concurrentievermogen van de EU wordt versterkt door rapportagevereisten te verminderen en wetgeving te stroomlijnen. Omwille van de voorspelbaarheid is het mijn ambitie om de onderhandeling zo snel mogelijk af te ronden. Om de onzekerheid zoveel mogelijk te beperken, heb ik voorgesteld dat ook de bedrijven uit de eerste categorie onder de CSRD uitstel krijgen. Dit om meer zekerheid te bieden aan bedrijven die nu wel rapporteren. Doordat de NFRD in Nederland nog van kracht is, leidt dit mijns inziens uiteindelijk tot meer duidelijkheid en zekerheid voor het bedrijfsleven.
Hoe verhoudt uw voorstel om grote bedrijven gedurende een periode van ten minste achttien maanden niet te laten rapporteren over hun CO2-uitstoot, afvalbeheer en watergebruik, zich tot de ambitie uit het regeerprogramma om «de planeet schoon door te geven aan onze kinderen en volgende generaties» en om de klimaatdoelen te halen?
Mijn voorstel om organisaties uit de eerste categorie onder de CSRD ook uitstel te verlenen leidt niet tot een periode van ten minste achttien maanden waarin bedrijven niet over duurzaamheid rapporteren, omdat de bedrijven die onder de NFRD vallen volgens de NFRD moeten blijven rapporteren. Het leidt uiteindelijk wel tot meer zekerheid voor het bedrijfsleven.
Zoals aangegeven in het BNC-fiche, hecht het kabinet bij het bepalen van het beleid ten aanzien van rapportageverplichtingen veel waarde aan de effectiviteit en voorspelbaarheid van het beleid, het zoveel mogelijk beperken van de administratieve lasten voor ondernemingen en het realiseren van een zo groot mogelijk internationaal gelijk speelveld. Tegelijk onderstreept het kabinet het belang van transparantie als wezenlijk element van maatschappelijk verantwoord ondernemen. Het doel daarbij is om bewustzijn en kennis over maatschappelijk verantwoord ondernemen te vergroten en ondernemingen te stimuleren hun waardeketen in kaart te brengen en eventuele risico’s aan te pakken. Dit helpt tevens bij het kanaliseren van financiële stromen richting duurzame investeringen. Het is belangrijk om de juiste balans te vinden tussen het beperken van administratieve lasten voor ondernemingen en het blijven nastreven van de onderliggende doelen van wetgeving.
Kunt u deze vragen binnen drie weken beantwoorden?
Ja.
Onderzoek Lucratiefbelangregeling (Ministerie van Financiën Februari 2025). |
|
Folkert Idsinga (VVD), Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Tjebbe van Oostenbruggen (NSC) |
|
![]() ![]() |
Klopt het dat private equity managers in veel gevallen op dit moment belasting betalen in box 2 in plaats van in box 1, tegen een veel lager toptarief van 31 procent? Wat rechtvaardigt volgens u dit verschil van 18,5 procentpunt?
Het is op dit moment niet mogelijk vast te stellen hoe vaak belastingplichtigen met een lucratief belang gebruikmaken van de aanmerkelijkbelangvariant, daardoor over hun voordelen uit lucratief belang inkomstenbelasting betalen in box 2 en welke bedragen daarmee zijn gemoeid (zie ook de antwoorden op de vragen 2 en 3). Naar verwachting zullen wel veel private equitymanagers gebruikmaken van de wettelijke mogelijkheid belasting in box 2 te betalen over hun voordelen uit lucratief belang. Verder verwijs ik naar genoemd onderzoeksrapport waarin ik de gevolgen heb geschetst van een wijziging van de huidige lucratiefbelangregeling waartoe de motie-Idsinga c.s. oproept.1 Bij de introductie van de lucratiefbelangregeling is onder andere genoemd dat de belastingdruk in box 2, met een uitkeringsverplichting, het midden hield tussen de belastingtarieven in box 1 en box 3 en in de pas liep met het tarief dat de ons omringende landen heffen over de voordelen uit carried interestrechten en bepaalde managementparticipaties.
In hoeverre klopt het volgens u dat het hier om 3.000 gevallen gaat, zoals in het onderzoek wordt genoemd? Bestaat de kans dat het in werkelijkheid om veel meer gevallen gaat?
In het onderzoeksrapport is aangegeven dat in de jaren 2023 en 2024 ongeveer 450 vaststellingsovereenkomsten (vso’s) zijn gesloten. Het gaat om ruim 3.000 belastingplichtigen die vanwege complexe feiten en omstandigheden zekerheid vooraf hebben gevraagd over de toepassing van de lucratiefbelangregeling. Er kan ook sprake zijn van een lucratief belang zonder dat via een vso zekerheid vooraf wordt gevraagd over de feiten en omstandigheden. In de praktijk gaat het daarom waarschijnlijk om meer gevallen. Een specifiek aantal kan echter niet gegeven worden, omdat een (middellijk) lucratief belang niet afzonderlijk opgegeven wordt in de aangifte inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting.
Wat is de gemiddelde grondslag van deze groep van 3.000 belastingplichtigen in box 2? Wat is het gemiddelde inkomen van deze groep in box 1?
Aangezien de gegevens van de genoemde 3.000 belastingplichtigen op dit moment niet centraal beschikbaar zijn, is het niet mogelijk een antwoord te geven op deze vraag. Een inschatting geeft altijd een incompleet beeld. Het toezicht door de Belastingdienst is gebaat bij een specifieke uitvraag in de aangifte van een (middellijk) lucratief belang. Dit zal ook leiden tot betere informatie over het gebruik van de lucratiefbelangregeling. Een dergelijke uitvraag betekent een structuurwijziging in de systemen van de inkomensheffingen van de Belastingdienst, die gelet op het volle ICT-portfolio bij de Belastingdienst in ieder geval niet realiseerbaar is vóór 1 januari 2029.
Klopt het dat een doorsnee private equity manager al snel enkele miljoenen per jaar verdient? Zo nee, wat is wat u betreft een realistischere schatting? Indien u deze vraag niet kunt beantwoorden, bent u dan bereid dit verder te onderzoeken?
Zoals ik heb aangegeven in de antwoorden op de vorige vragen is het op dit moment niet mogelijk vast te stellen hoeveel een private equitymanager per jaar gemiddeld verdient die onder het bereik van de lucratiefbelangregeling valt. Bij de evaluatie van de lucratiefbelangregeling in 2016 is op basis van gegevens van de Private Equity Groep van de Belastingdienst Amsterdam wel opgemerkt dat de jaarlijkse stroom aan uitkeringen vanuit enkele grote fondsen van participatiemaatschappijen ten minste enkele tientallen miljoenen euro’s per jaar bedraagt.2 Zoals opgemerkt in het onderzoeksrapport, is de jaarlijkse stroom aan uitkeringen naar verwachting in elk geval niet afgenomen sinds 2016.
Bent u het ermee eens dat heffing in box 1 in plaats van box 2, uitgaande van ongeveer 3.000 belastingplichtigen, een gemiddeld inkomen van vijf miljoen euro en heffing tegen 49,5 procent in plaats van 31 procent, ongeveer 2,8 miljard euro oplevert? Heeft u een nauwkeuriger schatting van de gederfde inkomsten door de huidige lucratief belangregeling?
Zoals in het onderzoeksrapport is aangegeven, zijn de budgettaire gevolgen van de lucratief belangregeling op dit moment niet duidelijk. Hierbij moet meegewogen worden dat de budgettaire gevolgen van mogelijke alternatieven voor de lucratiefbelangregeling lastig zijn vast te stellen doordat met verschillende effecten rekening gehouden moet worden. Het is bijvoorbeeld niet uitgesloten dat de heffing over de voordelen uit lucratief belang onder de belastingverdragen niet te effectueren blijkt te zijn, dan wel doordat dezelfde afbakeningsproblematiek ontstaat als vóór de invoering van de regeling. Tevens kunnen er gedragseffecten optreden waarbij structuren Nederland verlaten als Nederland een veel hoger tarief zou hanteren dan de ons omringende landen.
Bent u het ermee eens dat «lucratief belang» betekent dat het rendement op een belegging disproportioneel hoog is en in feite een beloning is voor geleverde arbeid? Bent u het ermee eens dat de consequentie daarvan zou moeten zijn dat deze beloning ook als zodanig zou moeten worden belast?
In de praktijk ontvangen (fonds)managers met name binnen de private equity- en managementparticipatiepraktijk als onderdeel van hun beloningsstructuur vermogensbestanddelen waarmee zij hoge rendementen kunnen behalen. De voordelen uit deze beloningsstructuren hebben een hybride karakter. Deze hebben feitelijk kenmerken van zowel arbeidsinkomen (box 1) als van een beleggingsopbrengst op geïnvesteerd kapitaal (box 3). Aangezien de beloningsstructuren in de private equitysector complex zijn, zijn deze elementen vaak niet afzonderlijk aan te wijzen. Gezien dit hybride karakter deel ik niet zonder meer de opvatting dat de gehele beloning moet worden belast alsof het arbeidsinkomen zou zijn.
Bent u van mening dat het beperken van de druk op de uitvoeringscapaciteit van de Belastingdienst van groter belang is dan het gelijk belasten van inkomen uit arbeid, ongeacht de gebruikte constructie? Zo nee, kunt u toelichten waarom dit beginsel op dit moment in de praktijk geschonden wordt door het inkomen van private equity managers via de lucratiefbelangregeling in box 2 te belasten in plaats van in box 1?
In het algemeen worden alle verschillende aspecten bij de totstandkoming van een fiscale maatregel in hun onderlinge samenhang gewogen, zo ook de druk op de uitvoering en het gelijk belasten van gelijke inkomensbestanddelen. Zoals aangegeven in het onderzoeksrapport, liggen aan de huidige lucratief belangregeling verschillende overwegingen ten grondslag. Onder de huidige lucratiefbelangregeling worden voordelen van zowel fondsmanagers als managers van portfolio-ondernemingen belast in box 2 met toepassing van de aanmerkelijkbelangvariant omdat deze beloningsstructuren veelal een hybride karakter hebben (zie het antwoord op vraag 6). Daarbij geldt dat de aanmerkelijkbelangvariant geen belastingconstructie is, maar voortkomt uit het wettelijke systeem.3 Bij de totstandkoming van de regeling is destijds genoemd dat een eenduidige keuze voor een heffing in box 1 niet goed is voor het vestigingsklimaat. Daarnaast heeft de lucratiefbelangregeling tot duidelijkheid en rechtszekerheid geleid voor alle betrokkenen. De belastingdruk in box 2, met een directe uitkeringsverplichting naar privé, houdt het midden tussen de belastingtarieven in box 1 en box 3 en loopt in de pas met het tarief dat de ons omringende landen heffen over de voordelen uit carried interestrechten en bepaalde managementparticipaties. Daarbij merk ik ook op dat de voordelen die belast zijn onder de huidige lucratiefbelangregeling voor de vennootschapsbelasting doorgaans zijn vrijgesteld onder de deelnemingsvrijstelling en daarmee dus niet aftrekbaar zijn. Als – afhankelijk van de uiteindelijke vormgeving – wordt gekozen voor een alternatief waarbij de voordelen uit lucratief belang vanwege het arbeidskarakter zwaarder worden belast in de inkomstenbelasting, dan dient te worden beoordeeld of de behandeling in de vennootschapsbelasting nog evenwichtig is. De fiscale behandeling van voordelen uit lucratief belang kunnen bijvoorbeeld uit de pas gaan lopen met de fiscale behandeling van een bonus die in het kader van de dienstbetrekking wordt verstrekt en (onder voorwaarden) aftrekbaar is voor de vennootschapsbelasting. Tot slot voorkomt de huidige lucratiefbelangregeling veel ingewikkelde kwalificatie- en waarderingsdiscussies voor de Belastingdienst. In algemene zin is niet aan te geven hoe zwaar de druk op de uitvoeringscapaciteit moet wegen. Steeds zal afhankelijk van het voorliggende wetsvoorstel daarvan een inschatting gemaakt moeten worden.
Is het rekenmodel waarmee bepaalbaar is wat de minimumprijs is voor de verwerving van lucratieve rechten/belangen openbaar? Zo ja, kunt u dat model naar de Kamer zenden? Zo nee, waarom niet?
Dit model is openbaar zoals ook is aangegeven in het antwoord op vraag 9. Als bijlage bij deze beantwoording treft u dit model aan.
Bent u het ermee eens dat het buitengewoon ingewikkeld is de minimumprijs vast te stellen van lucratieve rechten/belangen? Klopt het dat de vastgestelde minimumprijs vaak niet wordt betaald en ook niet betaald kan worden door de deelnemer? Bent u het ermee eens dat er dus geheven wordt over niet-bestaand inkomen van de deelnemer?
Als de deelnemer een werknemer betreft, moet op het moment van verwerving van de rechten beoordeeld worden of er sprake is van loon uit dienstbetrekking. Als de werknemer rechten verwerft zonder dat daar een zakelijke prijs voor wordt betaald, dan kan dit loon in natura vormen. Van heffing over niet-bestaand inkomen is naar mijn mening dan ook geen sprake. Als sprake is van loon, dan moet de hoogte van het loon worden bepaald. Dit is de waarde in het economische verkeer verminderd met het investeringsbedrag. Om arbeidsintensieve waarderingsdiscussies te voorkomen, hanteert de inspecteur in de praktijk een doelmatigheidsmarge bij de beoordeling of sprake is van loon bij toekenning van de rechten. In dat verband wijs ik op het memo dat bij het Besluit Woo-verzoek over werknemers- en managementparticipatie is gepubliceerd.4 Hierdoor hoeft in bepaalde gevallen geen vergaande en complexe waardering van de instapprijs plaats te vinden van de verkregen rechten. Daarbij hanteert de Belastingdienst als hulpmiddel rekenmodellen voor de bepaling van die instapprijs op een carried interestrecht van een fondsmanager in een private equityfonds. De meest recente versie van deze modellen zijn openbaar gemaakt bij het Besluit Woo-verzoek over beleid en standpunten managementparticipatieplannen.5
Klopt het dat de deelnemer in de regel geld krijgt geleend van de private equity-firma om de fiscale last te financieren? Wat is de fiscale behandeling van een kwijtschelding van die schuld, mochten deelnemers bij een deconfiture de schuld niet kunnen voldoen?
Als de manager bij verkrijging van carried interestrechten loon uit dienstbetrekking geniet, is het mogelijk dat partijen afspreken dat de verschuldigde loonbelasting wordt gefinancierd door de werkgever. Een dergelijke financiering door de werkgever is niet in alle gevallen aan de orde, bijvoorbeeld in gevallen waarin de werknemer in staat is om zelf de belasting te betalen. De schuld behoort bij de werknemer tot de box 3-grondslag. Als sprake is van een schuld ter financiering van de verschuldigde belasting en deze schuld wordt vervolgens kwijtgescholden, zal dit normaliter tot het belaste loon behoren aangezien in een dergelijk geval een voordeel uit dienstbetrekking wordt genoten.
Bent u het ermee eens dat de schuld aan de private equity-firma ertoe leidt dat de deelnemer er groot belang bij heeft in de eerste plaats de belangen van de aandeelhouder te dienen en niet het belang van het desbetreffende bedrijf?
Hoewel deze vraag niet raakt aan de belastingheffing kan ik mij in algemene zin voorstellen dat daar een zeker spanningsveld kan zijn. Daarbij is ook de corporate governance van de onderneming van belang.
Bent u het ermee eens dat het wenselijk is heffing te laten plaatsvinden op basis van daadwerkelijk genoten inkomen, gegeven de in de voorgaande vragen beschreven context?
Ja, daar ben ik het mee eens. Zoals in antwoord op vraag 9 wordt beschreven, is in de huidige lucratiefbelangregeling geen sprake van heffing over niet-bestaand inkomen. Dit betekent dat de heffing reeds plaatsvindt op basis van het genoten inkomen.
Klopt het dat het vaststellen van de minimumprijs voor de werking van de loonbelasting en inkomstenbelasting een groot beroep doet op de uitvoeringscapaciteit van de Belastingdienst?
De waardering van een verkregen carried interestrecht of managementparticipatie kan complex zijn. Om rechtszekerheid te verkrijgen, vragen belastingplichtigen zekerheid vooraf over zowel de waardering als de toepassing van de lucratiefbelangregeling. Voor de Belastingdienst bieden de in het antwoord op de vragen 8 en 9 beschreven doelmatigheidsmarge en bijbehorende hulpmiddelen een praktisch houvast bij de vraag of sprake is van loon uit dienstbetrekking. In de praktijk bestaat een prikkel om zekerheid vooraf te vragen over de waarde in het economische verkeer van de verkregen rechten of participaties. Op die manier is het voor belastingplichtigen mogelijk in overleg met de inspecteur een zakelijke instapprijs vast te stellen. Voor de Belastingdienst is dit een goed werkbare praktijk die complexe discussies bij de aanslagregeling voorkomt. Bovendien levert het de Belastingdienst reeds op het moment van het verkrijgen van de lucratieve aandelen relevante informatie op over onder andere de gehanteerde structuur, de looptijd en de deelnemers aan de structuur.
Bent u het ermee eens uitstel van heffing tot het moment van verzilvering van de lucratieve rechten/belangen op basis van een verzoek vooraf daartoe uitvoeringscapaciteit vrij zou maken?
Zie het antwoord vraag 15 hierna.
Bent u het ermee eens dat door alleen uitstel op verzoek vooraf toe te staan de informatiepositie van de Belastingdienst goed geborgd zou blijven?
Als ik de vragen 14 en 15 goed begrijp, wordt gevraagd of uitvoeringscapaciteit vrijkomt en de informatiepositie van de Belastingdienst goed geborgd blijft bij een regeling waar op verzoek van de belastingplichtige (al dan niet gezamenlijk met de werkgever) geen beoordeling meer hoeft plaats te vinden of sprake is van loon uit dienstbetrekking bij het verstrekken van de carried interestrechten of managementparticipaties. Bij een dergelijke variant van de regeling zou de heffing op verzoek dan enkel plaatsvinden bij realisatie van de voordelen, zo begrijp ik de vraag.
Een alternatieve vormgeving van de lucratiefbelangregeling waarbij de heffing plaatsvindt op het moment van realisatie van de voordelen, komt ook terug in variant a. die in het onderzoeksrapport is geschetst. In die variant wordt voorgesteld de lucratiefbelangregeling meer dan nu in te bedden in de loonheffingen. In dat geval kan – voor zover sprake is van een dienstbetrekking – gemakkelijker aangesloten worden op het moment dat de voordelen worden ontvangen (pay-as-you-earn). Afhankelijk van de uiteindelijke vormgeving kan een duidelijkere analyse gemaakt worden over de uitvoerbaarheid en ook de informatiepositie voor de Belastingdienst. Voor de eerste weging van het genoemde alternatief verwijs ik naar het onderzoeksrapport. Op basis van de eerste inschattingen is bij variant a. de informatiepositie van de Belastingdienst goed geborgd.
Klopt het dat in de aangifte niet naar het bezit van een lucratief belang wordt gevraagd? Wat is de reden daarvoor?
Zoals in het antwoord op de vragen 2 en 3 is aangegeven, wordt het bezit van een (middellijk) lucratief belang niet in een afzonderlijke vraag in de aangifte inkomstenbelasting uitgevraagd. Overigens zal de belastingplichtige de genoten voordelen en het bezit van carried interestrechten of managementparticipaties die kwalificeren als een lucratief belang wel in de juiste rubrieken moeten opgeven. In de regel is dat in de rubriek «inkomsten uit overig werk» in box 1. Bij een middellijk gehouden lucratief belang is dat in de rubriek «aanmerkelijk belang» in box 2. Een afzonderlijke rubriek in de aangifte kan het toezicht voor de Belastingdienst gemakkelijker maken. Met een dergelijke rubriek kan ook gemakkelijker inzicht verkregen worden in de omvang en aantallen belastingplichtigen met een lucratief belang. Dit vraagt echter om een structuurwijziging in de aangifte- en aanslagsystemen die op korte termijn niet is te realiseren.
Bent u bekend met het feit dat een zoekopdracht op rechtspraak.nl naar uitspraken over lucratief belang na 1 januari 2015 127 resultaten oplevert? Bent u van mening dat dit een «gering» aantal procedures is?
Een zoekopdracht vanaf 1 januari 2015 naar de term «lucratief belang» op rechtspraak.nl, die zich beperkt tot het Bestuursrecht, levert inderdaad 127 resultaten op. Een zoekopdracht die zich beperkt tot het Belastingrecht levert 66 resultaten op. Een gedeelte van deze resultaten ziet niet op de toepassing van de lucratiefbelangregeling, maar geeft een resultaat omdat zowel het woord «lucratief» als het woord «belang» in de tekst voorkomt. De zaken die daadwerkelijk gaan over de toepassing van de lucratiefbelangregeling zijn er twintig. Deze moeten vervolgens nog ontdaan worden van dubbeltellingen vanwege meerdere zaaknummers, hoger beroep, conclusie A-G, Hoge Raad en eventueel een verwijzingshof. In totaal levert dit een aantal van negen unieke lucratiefbelangzaken op in de periode vanaf 1 januari 2009 tot heden. De zaken genoemd onder vraag 18 zijn hierbij niet meegeteld omdat in deze zaken de lucratiefbelangregeling niet in discussie was. Gelet op de op samenwerking gerichte uitvoeringspraktijk is dat naar verhouding een gering aantal procedures. Daarbij geldt dat, zonder het bestaan van de aanmerkelijkbelangroute, er waarschijnlijk veel meer rechtszaken zouden spelen.
Bent u bekend met de volgende zaken die twee belastingplichtigen betreffen in vergelijkbare situaties: ECLI:NL:HR:2024:1132, ECLI:NL:GHDHA:2022:317, ECLI:NL:RBDHA:2019:9410, ECLI:NL: GHDHA:2021:1985, ECLI:NL:HR:2024:1131, ECLI:NL:GHDHA:2022:314, ECLI:NL:RBDHA:2019:9405, ECLI:NL:GHDHA:2021:1983, ECLI:NL:RBDHA:2019:9407, ECLI:NL:RBDHA:2019:9408, ECLI:NL:RBDHA:2019:9405 en ECLI:NL:RBDHA:2019:9406?
Ja.
Bent u van mening dat deze zaken een groot beslag leggen op de uitvoeringscapaciteit van de Belastingdienst? Hoe is dit volgens u te rijmen met het feit dat de invoering van de lucratiefbelangregeling ingewikkelde kwalificatie- en waarderingsdiscussies moest voorkomen?
Zoals in het antwoord op vraag 17 aangegeven, betreft dit naar verhouding een gering aantal procedures. Daarbij geldt dat, zonder het bestaan van de aanmerkelijkbelangroute, er waarschijnlijk veel meer rechtszaken zouden spelen. De genoemde rechtszaken in het antwoord op vraag 18 zien overigens niet op de kwalificatie of waardering van het (lucratief) belang. In de rechtszaken stond de toepassing van de lucratiefbelangregeling niet ter discussie.
Bent u het ermee eens dat bovenstaande zaken veel eenvoudiger zouden zijn geweest zonder het bestaan van de doorstootregeling en de mogelijkheid lucratieve belangen onder te brengen in box 2 en dat de belastingopbrengsten in dat geval ook hoger zouden zijn geweest?
De heffingsmogelijkheid in box 2 heeft er juist voor gezorgd dat er veel minder intensieve kwalificatie- en waarderingsdiscussies hebben plaatsgevonden tussen belastingplichtigen en de Belastingdienst. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het geringe aantal procedures over de lucratiefbelangregeling.
Bent u het ermee eens dat er een te groot beroep is gedaan op ons rechterlijk systeem omdat (nagenoeg) alle ambtenaren behalve de landelijk vaktechnisch coördinator (lavaco) niet bekend waren met de lucratiefbelangregeling? Kunt u toelichten waarom de adviezen van de lavaco in deze kwestie niet zijn opgevolgd?
Als ik de vraag goed begrijp, wordt aandacht gevraagd voor één specifieke zaak bij Hof Den Haag waarbij de lucratiefbelangregeling niet ter discussie stond.6 In de procedure ging het om de vraag of terecht een vergrijpboete was opgelegd aan een bestuurder van een buitenlandse vennootschap voor het ontgaan van heffing van Nederlandse vennootschapsbelasting. Voor het overige is het mij niet duidelijk waarop wordt gedoeld. Zoals vermeld in het onderzoeksrapport over de lucratiefbelangregeling en ook in de eerdere evaluatie van de lucratiefbelangregeling in 20167 kan de Belastingdienst goed uit de voeten met de huidige lucratiefbelangregeling.
Klopt het dat het overgrote deel van de private equity-transacties bestaat uit het aan- en verkopen van ondernemingen, zonder dat er daadwerkelijk geld wordt geïnvesteerd in die ondernemingen? Kunt u aangeven hoeveel private equity-firma’s de afgelopen jaren daadwerkelijk hebben geïnvesteerd in ondernemingen (los van de aankoop)?
Private equity kan worden omschreven als een vermogensbeheerarrangement waarbij investeerders kapitaal bijeenbrengen in een fonds, met het doel een bepaald rendement te behalen door het aan- en verkopen van portfolio-ondernemingen. Het is mij niet bekend of en in welke mate van de private equitytransacties er daadwerkelijk geld wordt geïnvesteerd in die portfolio-ondernemingen. Het is voor mij niet mogelijk aan te geven hoeveel private equityfondsen de afgelopen jaren daadwerkelijk hebben geïnvesteerd (los van de aankoop).
Kunt u uitgebreid uitleggen wat u bedoelt met de uitspraak dat de bestendiging van het huidige systeem ook goed zou zijn voor het vestigingsklimaat? Voor wie van de betrokken partijen wordt het vestigingsklimaat verbeterd en op welke manier is dat in het belang van de Nederlandse economie of samenleving? Bent u het ermee eens dat het verbeteren van het vestigingsklimaat niet relevant is voor de aangekochte onderneming, aangezien deze al in Nederland is gevestigd?
De huidige lucratiefbelangregeling heeft tot duidelijkheid en rechtszekerheid geleid voor alle betrokkenen. Duidelijkheid en rechtszekerheid is goed voor het Nederlandse vestigingsklimaat en zorgt ervoor dat het voor bedrijven gunstig is om zich in Nederland te vestigen of in Nederland te investeren. Een aanpassing (verzwaring) van de heffing voor carried interestrechten of managementparticipaties kan tot gevolg hebben dat private equitybedrijven minder snel ervoor zullen kiezen om in Nederlandse bedrijven te investeren, omdat zij deze factor zullen meewegen bij hun overweging in welke bedrijven zij willen investeren. Voor reeds bestaande structuren kan het tot gevolg hebben dat private equitybedrijven deze investeringen zullen verkopen en minder snel eenzelfde investering zullen doen. Ook kan een verhoogde heffing op lucratieve belangen de prikkel vergroten om via een persoonlijke houdstervennootschap in het buitenland (in plaats van Nederland) te participeren, gelet op het internationale karakter van de private equitymarkt, terwijl het risico bestaat dat deze hogere heffing in die gevallen niet (geheel) geeffectueerd kan worden onder de Nederlandse belastingverdragen.
Bent u van mening dat Nederland een aantrekkelijk vestigingsklimaat moet hebben voor private equity-managers? Zo ja, waarom? Vindt u dat de fiscaliteit daarvoor moet worden gebruikt?
Een sterk ondernemingsklimaat is onmisbaar voor een stabiele Nederlandse economie en gezonde bedrijven, waarvan iedereen meeprofiteert. Daarbij hoort ook dat internationaal opererende bedrijven zich in Nederland willen vestigen, oftewel een gunstig vestigingsklimaat. Dat geldt ook ten aanzien van private equity(managers). Hierdoor zullen deze partijen vaker in Nederlandse bedrijven investeren, hetgeen bijdraagt aan de Nederlandse economie.
Kunt u toelichten waarom in de in het onderzoek beschreven variant a de informatiepositie van de Belastingdienst beter is geborgd dan onder de huidige regeling?
Variant a. is een mogelijk alternatief waarbij de lucratiefbelangregeling meer dan nu in de loonheffing wordt ingebed. Voor zover sprake is van een dienstbetrekking vindt de heffing bij deze variant plaats via de loonheffingen waarbij het uiteindelijk gerealiseerde voordeel belast is op het moment dat deze is ontvangen (pay-as-you earn). Bij die variant zijn bijvoorbeeld private equityfondsen (mits zij kwalificeren als inhoudingsplichtigen en er ook sprake is van een dienstbetrekking) gehouden informatie aan te leveren aan de Belastingdienst door middel van de loonaangifte over de managers met een lucratief belang. De inhoudingsplichtige zal in de regel het best over de relevante gegevens kunnen beschikken en zou deze daardoor gemakkelijk met de Belastingdienst kunnen delen. Idealiter gaat de aangifteplicht gepaard met renseigneringsverplichtingen voor inhoudingsplichtigen (waar sprake is van een lucratief belang). Hierdoor kan de Belastingdienst gemakkelijker toezicht houden op de belastingheffing over carried interest. De Belastingdienst heeft bij implementatie van variant a. meer contra-informatie voorhanden om de aangifte loonheffing en inkomstenbelasting te controleren.
Kunt u toelichten waarom u enerzijds de informatiepositie van de Belastingdienst belangrijk acht en aan de andere kant geen vragen stelt in de aangifte inkomstenbelasting over lucratief belang?
Zoals aangegeven in de antwoorden op de vragen 2, 3 en 16 vereisen extra vragen of een rubriek in de aangifte inkomstenbelasting over lucratief belang een structuurwijziging in de aangifte- en aanslagsystemen die op korte termijn niet is te realiseren.
Kunt u toelichten waarom een wijziging waarbij de hoofdregel in stand blijft en de vrijstelling vervalt een fundamentele herziening van de huidige lucratiefbelangregeling is en daarom veel van de wetgevings- en uitvoeringscapaciteit vergt?
Het is mij niet duidelijk wat wordt bedoeld met «vrijstelling». Ik neem aan dat wordt gedoeld op de aanmerkelijkbelangvariant, waarbij kan worden geopteerd voor heffing over lucratiefbelangvoordelen in box 2, mits wordt voldaan aan de voorwaarden. Daarbij merk ik op dat van een vrijstelling op geen enkele wijze sprake is. Er is sprake van een wettelijke regeling. De voordelen uit lucratief belang worden in de basis belast als resultaat uit overige werkzaamheden in box 1 of, mits aan de voorwaarden wordt voldaan van de doorstootbepaling, in box 2 (aanmerkelijkbelangvariant), tegen een lager tarief. De aanmerkelijkbelangvariant heeft tot duidelijkheid en rechtszekerheid geleid voor zowel Belastingdienst als belastingplichtigen met een lucratief belang. Het vervallen van deze variant zou onherroepelijk leiden tot een toename in het aantal discussies; voor de Belastingdienst heeft de aanmerkelijkbelangvariant ingewikkelde kwalificatie- en waarderingsdiscussies voorkomen. Het schrappen van de aanmerkelijkbelangvariant op de korte termijn is op het oog een gemakkelijke wetswijziging, maar daarbij worden een aantal belangrijke punten miskend. Deze punten zijn omschreven in het onderzoeksrapport dat naar uw Kamer is verzonden. In de eerste plaats zal onderzocht moeten worden in hoeverre voor bestaande gevallen overgangsrecht noodzakelijk is. Zonder overgangsrecht zullen naar verwachting procedures ontstaan over de verenigbaarheid van het vervallen van de aanmerkelijkbelangvariant met onder andere het EVRM. Daarnaast zullen vanwege het vervallen van de aanmerkelijkbelangvariant veel meer arbeidsintensieve en complexe discussies ontstaan over de vraag welke vermogensbestanddelen precies kwalificeren als lucratief belang en de vraag welke waarde daarvoor geldt.
Bent u van mening dat de lucratiefbelangregeling in Nederland niet te veel af moet wijken van de regelingen in omliggende landen? Zo ja, waarom wel? Welk risico ontstaat als Nederland wel afwijkt? En als u deze mening heeft, waarom kiest u er dan niet voor het tarief voor private equity-managers zodanig aan te passen dat het hoger komt te liggen dan het belastingtarief voor «reguliere» beleggers, zoals in omliggende landen het geval is?
Het kabinet is inderdaad van mening dat het van belang is dat het toepasselijke tarief (in box 2) niet uit de pas loopt in vergelijking tot de ons omringende landen. Als Nederland te veel afwijkt van de regelingen in andere landen kan dit van invloed zijn op het vestigingsklimaat. Private equitybedrijven zullen een zwaardere heffing voor carried interestrechten of managementparticipaties meenemen bij hun overweging om in Nederlandse bedrijven te investeren. De belastingdruk over lucratieve belangen in box 2, met een uitkeringsverplichting, houdt juist het midden tussen de belastingtarieven in box 1 en box 3 en loopt in de pas met het tarief dat de ons omringende landen heffen over de voordelen uit carried interestrechten en bepaalde managementparticipaties, zoals is uitgewerkt in het onderzoekrapport naar de lucratiefbelangregeling.
Klopt het dat de in het onderzoek beschreven variant b betekent dat in artikel 3.95b van de Wet IB in lid 5 het woord «niet» wordt voorafgegaan door «voor xx%»? Klopt het dat het effectieve tarief op 43 procent uit zou komen als aan artikel 3.95b lid 5 «voor 35%» zou worden toegevoegd? Zo nee, kunt u variant b nader toelichten?
Als in artikel 3.95b, vijfde lid, Wet IB 2001 het woord «niet» voorafgegaan zou worden door een nog nader te bepalen percentage, zou sprake zijn van een gecombineerde heffing in box 1 en box 2. Het gedeelte dat volgens dat voorstel dan in box 2 belast zou worden, zou gelijk zijn aan het toegevoegde percentage. In het voorbeeld in de vraagstelling zou dat gedeelte 35% bedragen. Het resterende gedeelte van 65% in dit voorbeeld zou dan belast blijven in box 1. De gevolgen en wenselijkheid van een dergelijke uitsplitsing van de heffing is op korte termijn moeilijk te overzien. Op het eerste gezicht vind ik dit wetstechnisch geen fraaie oplossing. Hiermee wordt over hetzelfde inkomen bewust een heffing opgezocht over twee verschillende boxen. De complicaties die zich voordoen, laten zich goed zien in de toepassing van een belastingverdrag in internationale verhoudingen. Het heffingsrecht over het inkomen dat is belast als resultaat uit overige werkzaamheden in box 1 wordt bepaald aan de hand van een ander verdragsartikel dan het inkomen dat wordt belast in box 2. Zoals ik ook in het genoemde onderzoeksrapport heb beschreven, is variant b. de denkrichting waarbij wordt gekozen voor een (effectieve) tariefsverhoging in box 2, maar dan alleen voor belastingplichtigen met een lucratief belang. De heffing in box 1 over de voordelen uit lucratief belang kan dan achterwege blijven. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een grondslagverbredende maatregel voor belastingplichtigen die de aanmerkelijkbelangvariant toepassen. Bij deze variant vindt de heffing nog wel via box 2 plaats, weliswaar tegen een hoger effectief belastingtarief. Een mogelijkheid zou zijn om de voordelen uit lucratief belang te verhogen met een nader te bepalen percentage.
Kunt u toelichten wat wordt bedoel met «pakketbenadering» onder punt 5.3 in het onderzoek?
In de praktijk blijkt dat geregeld sprake is van een pakket aan financiële instrumenten (zoals cumulatief preferente aandelen, gewone aandelen, leningen en combinaties hiervan) waarvan op onderdelen het arbeidskarakter minder (evident) aanwezig is. In het kader van een totaalafspraak maken belastingplichtigen en de Belastingdienst in de praktijk soms voor alle financiële instrumenten een afspraak waarbij de belastingplichtige het gehele pakket via de aanmerkelijkbelangvariant in box 2 plaatst (de zogenoemde pakketbenadering). Dit voorkomt een afzonderlijke waardering van instrumenten. Verder voorkomt het dat de belastingplichtige en de Belastingdienst per instrument moeten vaststellen of het box 1- of box 3-inkomen betreft.
Heeft u overwogen om de multiplier te beperken tot een bedrag van bijvoorbeeld 5.000.000 euro, zodat het meerdere belast wordt tegen het tarief in box 1?
Bij het uitwerken van de variant met de multiplier ben ik uitgegaan van een (effectieve) tariefsverhoging in box 2 maar dan alleen voor belastingplichtigen met een lucratief belang. Bijvoorbeeld een grondslagverbredende maatregel voor belastingplichtigen die de aanmerkelijkbelangvariant toepassen. Bij deze variant vindt de heffing nog wel via box 2 plaats, weliswaar tegen een hoger belastingtarief. Daarbij is de hoogte van het effectieve tarief van belang. Het effectieve tarief zal daarbij tussen het toptarief in box 1 (49,5%) en in box 2 (2025: 31%) moeten liggen. Op die manier blijft er een prikkel voor belastingplichtigen om de aanmerkelijkbelangvariant (en de pakketbenadering) toe te passen en kan de Belastingdienst evenals op de huidige wijze toezicht blijven houden. Het aanbrengen van een knip van bijvoorbeeld € 5 miljoen zoals in de vraagstelling, zou de regeling complexer maken. Het kabinet vindt dat niet wenselijk.
Waarom is in het onderzoek geen variant opgenomen waarbij de huidige definitie van lucratief belang wordt vervangen door een definitie die het gemaakte rendement als uitgangspunt neemt voor de vaststelling of er sprake is van een lucratief belang? Wat vindt u van deze variant? Klopt het dat hiermee ingewikkelde kwalificatiediscussies kunnen worden voorkomen?
Een andere wettelijke definitie van het begrip lucratief belang waarbij de gerealiseerde voordelen als uitgangspunt worden genomen, is niet haalbaar. Daarbij wijs ik ook op de wetsgeschiedenis bij de totstandkoming van de huidige lucratiefbelangregeling. Daarin is aangegeven dat een verdergaande precisering van het onderscheid tussen normaal en excessief rendement niet mogelijk is, mede omdat dit zou leiden tot ontwijkgedrag door belanghebbenden.8 In dat geval zou immers op betrekkelijk eenvoudige wijze de grens kunnen worden opgezocht van het gedefinieerde normaal rendement. Verder moet bedacht worden dat situaties waarin wordt gewerkt met carried interest en carried interestachtige beloningen vaak uiterst ingewikkeld zijn vormgegeven. Het is om die reden ook ondoenlijk een juiste, sluitende en uitvoerbare definitie van normaal rendement of excessief rendement te geven waarop de lucratiefbelangregeling zou moeten zien. Uiteindelijk komt het aan op het feitencomplex van een concrete situatie die moet worden beoordeeld.
Klopt het dat de verdragsonduidelijkheden van de huidige box 2-variant niet heel veel anders zijn onder variant a en b omdat Nederland in beide gevallen nog steeds heft op basis van een fictie?
Zowel bij variant a. als b. is geen sprake van een fictie. Ten aanzien van variant a. is echter het lopende hoger beroep in een gerechtelijke procedure over de heffing over de voordelen uit lucratief belang onder het belastingverdrag dat Nederland heeft gesloten met Duitsland relevant. In deze procedure neemt de Belastingdienst het standpunt in dat Nederland een heffing over een verkregen voordeel bij de verkoop van – en dividenduitkering op – een lucratief (aandelen)belang bij een buitenlands belastingplichtige onder het belastingverdrag met Duitsland in box 1 kan effectueren, door het artikel over inkomsten uit niet-zelfstandige arbeid toe te passen. Volgens Rechtbank Zeeland-West-Brabant9 is dit artikel niet van toepassing, maar daartegen heeft de Belastingdienst hoger beroep aangetekend. Zolang de gerechtelijke procedure nog loopt, bestaat er bij variant a. – net als bij de huidige regeling – derhalve nog geen volledige zekerheid over het effectueren van dit heffingsrecht onder belastingverdragen. Wat betreft variant b. is van belang dat het heffingsrecht ten aanzien van buitenlandse (portfolio)aandeelhouders in belastingverdragen wordt toegewezen aan het woonland van de ontvanger, het heffingsrecht in het bronland is normaliter beperkt (doorgaans tot 15%). Een verhoogd tarief ten aanzien van lucratiefbelangaandelen verandert niets aan de afgesproken verdeling van heffingsrechten onder belastingverdragen.
Bent u bekend met de aangenomen motie Idsinga c.s. (Kamerstuk 25 087, nr. 335) die verzoekt om de lucratiefbelangregeling zo aan te passen dat managers in de private equity sector ten aanzien van hun carried interest worden belast naar het progressieve tarief van box 1? Waarom wordt het verzoek uit deze motie nog niet uitgevoerd?
Ja. Naar aanleiding van de motie-Idsinga c.s. heb ik onderzoek gedaan naar de lucratiefbelangregeling. Het reeds genoemde onderzoeksrapport naar de lucratiefbelangregeling heb ik op 13 februari jl. naar uw Kamer verzonden. Deze motie vraagt om een wijziging van de huidige lucratiefbelangregeling waarbij in feite de aanmerkelijkbelangvariant zou moeten vervallen. In dit genoemd onderzoeksrapport ga ik uitgebreid in op deze motie en worden twee alternatieven op hoofdlijnen uitgewerkt. Daarbij is ook toegezegd dat een internetconsultatie gestart zal worden naar de twee genoemde alternatieven. De internetconsulatie van deze alternatieven is op 2 april jl. gesloten. Ik ben voornemens zo spoedig mogelijk de Kamer te informeren over het vervolg hiervan. Daarnaast ben ik voornemens met het Belastingplan 2026 een voorstel te doen om een ongewenste structuur tegen te gaan waarbij belastingplichtigen met een middellijk gehouden lucratief belang belastingheffing over voordelen uit lucratief belang proberen te ontgaan. In het kort gaat het om een structuur waar door middel van een samenstel van transacties gebruik wordt gemaakt van de verschillende grondslagen tussen box 3 en box 2. Deze transacties leiden uiteindelijk tot het in het geheel niet belasten van de voordelen uit lucratief belang. Dit is nooit door de wetgever beoogd. Met het Belastingplan 2026 zal ik u hierover nader informeren.
Kunt u bovenstaande vragen afzonderlijk en binnen zes weken beantwoorden?
De vragen van uw Kamer heb ik afzonderlijk beantwoord. Helaas heb ik dat niet binnen de gevraagde termijn kunnen doen.
Sinds 2018 trekt de Tweede Kamer aan de bel over het feit dat gedupeerde Groningers toeslagen of kwijtschelding kwijtraken en extra belasting moeten betalen als gevolg van schadevergoeding en compensatie die zij ontvangen; erkent u dat deze problemen nog steeds niet zijn opgelost?
Het kabinet hanteert sinds 2018 de lijn dat mensen geen fiscale gevolgschade zouden moeten oplopen en hun toeslagen niet zouden moeten verliezen als gevolg van ontvangen schadevergoedingen uitgekeerd door het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) en de Nationaal Coördinator Groningen (NCG). Dit is in antwoorden van 16 juli 2018 op Kamervragen door de Minister van Economische Zaken en Klimaat, mede namens de Staatssecretaris van Financiën, aangegeven1 en in de brief van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 9 september 20202 nogmaals bevestigd. Fiscale gevolgen hebben ook nog steeds onze aandacht.
In hoofdzaak is het beleid op dit thema: voorkomen waar dat kan. Waar dat niet kan, kunnen het IMG en de NCG de gevolgen voor bewoners compenseren. Zoals al in de brief van 28 oktober 2024 aangegeven,3 hebben wij hiernaast nog een aantal maatregelen getroffen om fiscale gevolgen zo veel mogelijk te voorkomen, waaronder:
Daar waar het niet lukt om fiscale gevolgschade ten gevolge van schadevergoedingen en vergoedingen uit de versterkingsoperatie te voorkomen, kunnen het IMG en de NCG de fiscale gevolgschade en verlies van bijvoorbeeld toeslagen compenseren.
Aanvullend op de maatregelen die in oktober genoemd zijn, voeren wij doorlopend gesprekken met verschillende instanties om te kijken of er nog meer mogelijk is.
Zoals gezegd kunnen wij niet altijd voorkomen dat bewoners in eerste instantie te maken krijgen met fiscale gevolgschade.
Iedere individuele situatie is immers verschillend.
Bewoners kunnen verschillende soorten toeslagen en kwijtscheldingen ontvangen, ieder met verschillende regels over bijvoorbeeld het maximale vermogen dat iemand mag hebben.
Daarom luisteren wij goed naar alle signalen die wij ontvangen over fiscale gevolgschade en hebben het IMG en de NCG aandacht voor individuele situaties.
Waarom duurt het zo lang om deze problemen op te lossen? Per wanneer wilt u deze problemen wel oplossen?
Zie antwoord vraag 1.
In december 2024 werd motie-Beckerman c.s. aangenomen om «problemen die gedupeerden ervaren met belastingen en kwijtscheldingen te voorkomen en aan te pakken», welke stappen zijn daarna gezet?1 Welke stappen worden nog gezet?
Met de brief van 28 oktober 2024 is de Kamer geïnformeerd over alle maatregelen die zijn genomen om te voorkomen dat gedupeerden fiscale gevolgen ondervinden van vergoedingen voor schade of versterking.
In de beantwoording is ook aangegeven wat wel en niet mogelijk is in deze aanpak en welke acties nog lopen.
Sinds de motie Beckerman c.s.5 zijn op ambtelijk niveau opnieuw gesprekken gevoerd met betrokken instanties om te bezien of er nog andere mogelijkheden zijn. Ten eerste wordt onderzocht hoe verlies van toeslagen nog meer kan worden voorkomen. Ook wordt bekeken of de afspraak dat vergoedingen van het IMG en de NCG niet worden gerekend tot de middelen voor het toekennen van bijstand kan worden verankerd in onder andere de Participatiewet, of daarop gebaseerde regelgeving. Ten derde is de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties – Herstel Groningen in contact met de gemeenten en waterschappen in het aardbevingsgebied. Zij gaan over de kwijtscheldingen van lokale heffingen, die geïnd worden door het Noordelijk Belastingkantoor.
Tot slot heb ik het IMG en de NCG gevraagd extra aandacht te hebben voor fiscale gevolgen en de communicatie hierover. Bijvoorbeeld door bewoners beter te informeren over de mogelijkheid van financiële bijstand of compensatie.
Erkent u dat veel gedupeerden niet weten dat zij recht hebben op compensatie als ze toeslagen, kwijtschelding of inkomen verliezen of extra belasting moeten betalen als gevolg van bedragen die ze ontvangen voor schade of versterking?
Kent u het zeer zorgelijke signaal dat ook bij veel instanties en medewerkers van instanties niet bekend is dat gedupeerden die kwijtschelding kwijtraken hiervoor gecompenseerd kunnen worden door het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) en/of de Nationaal Coördinator Groningen (NCG)?
Erkent u dat de website van de Belastingdienst wel vermeldt dat gedupeerden mogelijk extra belasting moeten betalen, maar niet vermeldt dat dit gecompenseerd kan worden?2 Deelt u de mening dat duidelijk moet worden gemaakt dat hier compensatie voor is?
Erkent u voorts dat mogelijk veel meer inwoners financieel gedupeerd zijn dan tot nu toe bekend is?
Kunnen mensen zich met terugwerkende kracht melden? Zo ja, hoe lang gaat dat terug? Wilt u zich inzetten om zoveel mogelijk gedupeerden deze kans te geven?
Ja, mensen kunnen zich met terugwerkende kracht melden.
Zoals in het antwoord op vragen 1 en 2 aangegeven, is het sinds 2018 beleid van opeenvolgende kabinetten om fiscale gevolgschade zoveel mogelijk te voorkomen. Waar dit niet kan, wordt fiscale gevolgschade gecompenseerd door het IMG en de NCG. De mogelijkheid om fiscale gevolgschade te vergoeden is vastgelegd in de Regeling Tijdelijke wet Groningen (TwG). Voor vergoeding van materiële schade die het gevolg is van fysieke schade en overlastvergoeding, waar fiscale gevolgschade toe gerekend wordt, is sinds 1 juli 2020 een wettelijke basis.
Erkent u dat de regeling voor gevolgschade/bijkomende kosten nu moeilijk vindbaar is op met name de website van het IMG?
Ja, dit heeft de Staatssecretaris Herstel Groningen onder de aandacht gebracht bij het IMG.
Het IMG heeft aangeven de informatie over fiscale gevolgen te verduidelijken.
Welke stappen wilt u zetten om te zorgen dat bij inwoners, instanties en gemeentes bekend is dat er regelingen zijn om gedupeerden te compenseren voor gevolgschade?
Zie het antwoord op vragen 4 t/m 7, en op vragen 8 en 9.
Met het uitkeren van bedragen wordt weliswaar rekening gehouden met de peildatum voor belastingen, maar erkent u dat dit geen afdoende oplossing is omdat gedupeerden niet onder tijdsdruk moeten worden gezet om compensatiegeld uit te geven?
Wij erkennen dat deze oplossing niet volledig kan voorkomen dat bewoners fiscale gevolgschade ondervinden, en zijn het ermee eens dat bewoners ruim de tijd moeten krijgen om hun vergoeding van het IMG of de NCG uit te geven.
Daarbij merken wij op dat het in algemene zin aan de bewoner is om een afweging te maken over de besteding daarvan.
Een aantal van de vergoedingen is specifiek bedoeld voor het herstellen van bijvoorbeeld schade, en daar moet een bewoner ruim de tijd voor krijgen. Het staat de bewoner ook vrij om dit geld aan andere zaken uit te geven, of te sparen. Als iemand ervoor kiest om deze vergoeding niet te besteden aan het herstel van diens woning of anderszins uit te geven, maar aan te houden als vermogen, roept dat de vraag op tot welk moment het nog redelijk is de fiscale gevolgen daarvan te compenseren.
Het IMG en de NCG passen hierin maatwerk toe.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat gedupeerden extra belasting moeten betalen of toeslagen of kwijtschelding verliezen en daarna zelf weer compensatie moeten aanvragen? Zo nee, waarom niet? Kunt u, net zoals bij de toeslagenaffaire is gedaan, zorgen dat dit beter geregeld wordt voor gedupeerden?
Ja, daarom hebben wij zoals aangegeven in het antwoord op vragen 1 en 2 maatregelen getroffen en proberen wij deze situaties zo veel als mogelijk te voorkomen en wordt er nog gekeken naar aanvullende mogelijkheden.
Een generieke regeling biedt niet altijd een ideale oplossing.
Een ontvanger van een vergoeding zou, ook bij bijvoorbeeld een vermogensuitzondering bij Dienst Toeslagen, zelf extra informatie moeten verstrekken en specifiek om een uitzondering moeten vragen. Dit zorgt voor een administratieve last bij de burger, waarbij IMG en NCG wel kunnen helpen, door het vergoeden van een financieel adviseur.
In oktober 2024 antwoordde u op vragen van de SP dat meer gedupeerden problemen zullen ervaren met het kwijtraken van toeslagen omdat de NCG vaker bedragen uitkeert aan gedupeerden.3 Welke stappen zijn gezet om deze problemen te voorkomen en op te lossen?
Zie mijn antwoord op vraag 3.
Wilt u de suggestie overnemen om voortaan in alle brieven van de NCG en IMG over toekenning van bedragen een zin op te nemen waarin staat dat gedupeerden ten eerste recht hebben op kosteloos financieel advies en ten tweede gevolgschade/bijkomende kosten als ze kwijtschelding, toeslagen of inkomen verliezen of extra belasting moeten betalen? Zo nee, waarom niet?
Ja, wij onderschrijven dat het belangrijk is dat gedupeerden in besluiten actief worden gewezen op de mogelijkheden voor deskundige bijstand, waaronder financieel advies. De NCG zal dit voor de zomer opnemen in besluiten over toekenning. Het IMG zal dit naar verwachting in de tweede helft van 2025 aangepast hebben in hun besluiten.
De Staatssecretaris Herstel Groningen neemt de suggestie om ook actief te verwijzen naar gevolgschade en bijkomende kosten mee in de gesprekken met het IMG en de NCG.
Is u bekend of er wellicht ook mensen door schadevergoedingen en compensatieregelingen in de problemen gekomen zijn met minimaregelingen van gemeenten? Is u bekend dat mensen problemen hebben gekregen met hun bijstandsuitkering door de schadevergoeding?
We hebben geen signalen ontvangen dat schadevergoedingen en compensatieregelingen hebben geleid tot problemen met de minimaregelingen van gemeenten. Mocht dat wel het geval zijn dan hebben gemeenten de beleidsruimte om de lokale regelingen hierop aan te passen.
Voor de bijstand kunnen gemeenten volgens artikel 31, tweede lid, onderdeel m, van de Participatiewet, op basis van een individuele beoordeling, materiële en immateriële schadevergoedingen uitzonderen van de middelen.
De betrokken gemeenten maken hier ook al gebruik van. Daarnaast hebben de gemeenten op ambtelijk niveau het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid verzocht om de schadevergoedingen landelijk uit te zonderen van de middelen (inkomen en vermogen) die in aanmerking worden genomen bij het recht op bijstand.
Hierover zijn we in gesprek met gemeenten.
Is de immateriële schadevergoeding al toegevoegd aan de lijst met vergoedingen die geen invloed hebben op de Participatiewet? Zo nee, bent u bereid dit te doen?
Nee, de NCG en IMG staan nu niet op de lijst.
Momenteel wordt verkend of het wenselijk en noodzakelijk is om de uitzondering generiek vast te leggen in betrokken regelgeving.
Daarbij wordt een integrale afweging gemaakt waarbij ook alle toeslagen en de eigen bijdrage voor de Wet langdurige zorg (Wlz) worden betrokken.
De ministerraad besluit uiteindelijk over nieuwe uitzonderingen.
Bent u bereid om ervoor te zorgen dat in lijn met de motie-Van Kent inzake schadevergoedingen en smartengeld kwijtschelding via het Noordelijk Belastingkantoor van toepassing wordt bij deze immateriële schadevergoeding?4 Zo ja, hoe gaat u dit samen met het Noordelijk Belastingkantoor regelen? Zo nee, waarom niet?
De gedupeerde krijgt mogelijk kwijtschelding van lokale heffingen, zoals gemeentebelasting en waterschapsbelasting.
Dit is het geval als de gedupeerde niet over betalingscapaciteit en vermogen beschikt om de openstaande schuld aan heffingen te voldoen.
Voor kwijtschelding van lokale heffingen geldt dat tot een bepaald bedrag aan financiële middelen (hieronder valt hetgeen dat op de bank- en spaarrekening staat) niet als bezitting in aanmerking wordt genomen, de zogenaamde spaargeldnorm.
Als de gedupeerde meer geld op zijn (spaar)rekening heeft staan dan de vastgestelde norm, bijvoorbeeld door een schadevergoeding, kan het voorkomen dat deze gedupeerde niet (langer) in aanmerking komt voor (volledige) kwijtschelding van zijn lokale heffingen.
Om te voorkomen dat de gedupeerde door het ontvangen van vergoedingen van het IMG en de NCG het recht op kwijtschelding van lokale heffingen verliest, zijn er in overleg met gemeenten en het waterschap verschillende waarborgen ingebouwd. Hierover is uw Kamer geïnformeerd in de brief over fiscale gevolgschade van 28 oktober 2024.
Gemeenten en waterschappen hebben de mogelijkheid – als iemand niet in aanmerking komt voor kwijtschelding – om in voorkomende situaties niet over te gaan tot het innen.
Deze afweging wordt op gemeentelijk niveau of op niveau van het waterschap gemaakt. Hoewel dit raakt aan de autonomie van gemeenten en waterschappen waar wij niet in kunnen treden, is uit contacten met de betreffende gemeenten en het betreffende waterschap gebleken dat ze deze mogelijkheid in het geval van schadevergoeding door het IMG en de NCG welwillend toepassen.
Gemeenten en het waterschap benaderen bewoners actief om na te gaan of het teveel aan vermogen samenhangt met de schadeafhandeling door het IMG en/of de versterkingsoperatie door de NCG.
Als dit onverhoopt niet gebeurt, kunnen gedupeerden waarvan de aanvraag voor kwijtschelding van lokale heffingen is afgewezen, dit kenbaar maken bij het Noordelijk Belastingkantoor. Het Noordelijk Belastingkantoor, voert de inning van de lokale heffingen namens de desbetreffende gemeenten en het desbetreffende waterschap uit.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Herstel Groningen op 19 maart aanstaande?
Omdat dit complexe thema vraagt om betrokkenheid van verschillende partijen, is dit helaas niet gelukt.
De Sportpas |
|
Michiel van Nispen |
|
Karremans |
|
Kunt u toelichten hoe u nu precies aankijkt tegen het idee van een sportpas, de pas met budget waarmee jongeren sportactiviteiten kunnen betalen, en hoe het denken zich heeft ontwikkeld sinds het Kamerdebat in december 2024 waarin dit plan aan u is overhandigd door de SP en de KNVB namens een groot aantal sportbonden, jongeren- en sportorganisaties, ondernemers, vakbonden en individuen?1
Ik ben altijd al enthousiast geweest over de sportpas. De motie die oproept tot het onderzoeken van de effecten van een sportpas (zowel de financiële als maatschappelijke opbrengsten meewegend) van de leden Van Nispen en Mohandis heb ik destijds dan ook de appreciatie oordeel Kamer meegegeven. Ik ben ook op bezoek geweest in Waadhoeke en heb met wethouder De Vries gesproken. De aanpak in Waadhoeke is interessant en levert veel informatie op. Nu zijn we bezig met het inrichten van het onderzoek.
Klopt het dat uw enthousiasme over dit plan, vanwege uw overtuiging dat dit werkt en de eenvoud in de uitvoering, alsmede de goede ervaringen in bijvoorbeeld de gemeente Waadhoeke, er inmiddels toe heeft geleid dat dit plan nader onderzocht gaat worden en in enkele gemeenten uitgeprobeerd gaat worden? Kunt u dit toelichten?
Het klopt dat ik enthousiast ben over het idee van de sportpas. Zoals toegezegd tijdens het debat van 9 december 2024 laat ik een onderzoek doen naar de effecten van de inzet van een sportpas. Ik streef ernaar u in juni, voorafgaand aan het eerstvolgende commissiedebat, te informeren over hoe het onderzoek er precies uitziet en in welke gemeenten de sportpas uitgeprobeerd wordt. Samen met onder andere het Mulier Instituut en Kenniscentrum Sport en Bewegen ben ik aan het verkennen welke informatie al voorhanden is over een sportpas en welke gemeenten hiermee werken. Voor een haalbaarheidsonderzoek moeten we naar verschillende vormen van sportpassen in gemeenten kijken om te zien wat dan het beste past voor heel Nederland en wat de kosten zijn. Het is goed mogelijk dat ook naar NPLV wijken wordt gekeken.
Hoe zal dit onderzoek, naar de effectiviteit van de sportpas en de financiële effecten (inclusief nadrukkelijk de maatschappelijke opbrengsten), er uit komen te zien? Wanneer zal dit plaatsvinden?
Zie antwoord vraag 2.
In welke gemeenten zal dit de komende tijd uitgeprobeerd gaan worden en wanneer gebeurt dit? Heeft u hierover al een besluit genomen of bepaalde gemeenten op het oog? Mogen gemeenten zich hier zelf voor aanmelden? Wordt er bijvoorbeeld gedacht aan gemeenten die in het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV) zitten, omdat toepassing van de sportpas in de NPLV-gebieden vanwege de integrale aanpak in die gebieden de effecten mogelijk kan versterken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Wanneer wordt de Kamer nader geïnformeerd over de voortgang van de sportpas, de proeven in de gemeenten en het onderzoek, mede ter uitvoering van de aangenomen Kamermotie?2 Zal dit nog voor het volgende commissiedebat Sportbeleid plaatsvinden? Wilt u in ieder geval de Kamer uiterlijk voorafgaand aan dat commissiedebat zo goed mogelijk hierover informeren zodat de voortgang kan worden besproken?
Zie antwoord vraag 2.
De beantwoording van vragen inzake het financieel verslag inzake het faillissement van KHN Rekenwerk |
|
Joris Thijssen (PvdA), Joost Sneller (D66) |
|
Dick Schoof (minister-president ) (INDEP) |
|
![]() ![]() |
Herinnert u zich uw brief van 5 maart jongstleden waarin u de beantwoording van op 12 februari jongstleden gestelde Kamervragen inzake het financieel verslag inzake het faillissement van KHN Rekenwerk doorverwijst naar de Minister van Economische Zaken?1
Ja.
Wat is de precieze reden dat u de beantwoording van deze Kamervragen doorverwijst naar de Minister die betrokken is bij het faillissement van het betrokken bedrijf, terwijl u als Minister-President gaat en waakt over de integriteit van bewindspersonen?
Het kan voorkomen dat er vragen worden gesteld over zaken die liggen in de persoonlijke levenssfeer van een bewindspersoon. Binnen de Nederlandse staatsrechtelijke verhoudingen legt iedere Minister hier zelfstandig verantwoording over af, ook omdat hij of zij hierbij over de noodzakelijke kennis beschikt. Met de ondertekening mede namens de Minister-President komt tot uitdrukking dat ik als Minister-President verantwoording afleg over de gesprekken die de formateur in mijn aanwezigheid met de destijds beoogd-bewindspersonen heeft gevoerd.
Waarom vindt u het verstandig dat een bewindspersoon Kamervragen beantwoordt over zaken die zijn eigen integriteit kunnen raken?
Zie het antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat het juist in het belang van de betrokken Minister is dat de vragen niet door hemzelf worden beantwoord, maar door u als Minister-President, ook omdat deze kwestie besproken is tijdens het gesprek met de destijds beoogd-Minister-President onder leiding van de toenmalige formateur? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 2.
Waarom duurt het nog ruim twee jaar (derde kwartaal 2027) alvorens u de door u toegezegde inhoudelijke reflectie en eventuele bijbehorende voorstellen inzake de financiële en zakelijke belangen van (aantredende) bewindspersonen naar de Kamer kunt sturen?
Zoals ik heb opgemerkt in de genoemde brief is mijn oogmerk het bestaande kader tegen het licht te houden ten behoeve van een volgende formatie. Hiervoor is een zorgvuldig proces vereist. Dit betekent dat de brief uiterlijk voorafgaand aan de start van een volgende formatie zal worden verzonden. Met het oog op reguliere verkiezingen in maart 2028 betekent dit dat de brief met inhoudelijke reflectie en bijbehorende voorstellen in dat geval uiterlijk in het derde kwartaal van 2027 aan de Kamer zal worden verzonden.
Bent u alsnog bereid om de op 12 februari jonstleden gestelde Kamervragen te beantwoorden? Zo nee, waarom niet?
De gevraagde antwoorden zijn mede namens mij verzonden op 17 maart 2025.
Deelt u de mening dat de discussie over de wijze van openbaarmaking financiële en zakelijke belangen van (aantredende) bewindspersonen beter gevoerd kan worden op een moment dat verkiezingen en of formatie nog niet aan de orde zijn? Zo ja, zijn er overige (inhoudelijke) bezwaren tegen de spoedige behandelingen van deze voorstellen?
Zie het antwoord op vraag 5.
Kunt u deze vragen één voor één binnen eenn week beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat de inflatie in februari is toegenomen |
|
Jimmy Dijk |
|
Eelco Heinen (minister ) (VVD) |
|
Ligt het in lijn met uw verwachtingen voor dit jaar dat de inflatie nu opnieuw is gestegen?1 Zo nee, wat is er veranderd ten opzichte van uw prognoses? Zo ja, waarom neemt u geen maatregelen om deze stijging tegen te gaan?
Het inflatiecijfer van februari past in de recente inflatieraming uit het CEP van het Centraal Planbureau (CPB).2 Het CPB verwacht dat de inflatie in 2025 3,2% bedraagt en in 2026 2,6%. Daarbij kijkt het CPB naar de gemiddelde inflatie over een jaar. Naar verwachting neemt het inflatiecijfer in de loop van het jaar af, onder andere omdat productgebonden belastingen die in de loop van 2024 zijn verhoogd na een jaar geen direct prijsverhogend effect meer hebben. Het inflatiebeeld per maand kan daarbij grillig zijn, bijvoorbeeld door seizoenseffecten die in het ene jaar in een andere maand kunnen vallen dan in het andere jaar. Zo zijn vakantieboekingen, die onderdeel zijn van het CPI-mandje, duurder in maanden waarin relatief veel vakantiedagen vallen. De verdeling van vakantiedagen over de maanden van het jaar kan per jaar verschillen. Daardoor was de inflatie in januari bijvoorbeeld tijdelijk lager, waarna deze in februari weer terugveerde.
Wat veroorzaakt deze gestegen inflatie? Wat is uw verklaring voor het feit dat de Nederlandse inflatie zoveel hoger ligt dan het EU gemiddelde?
In de Kamerbrief «Een analyse van de Nederlandse inflatie» die ik op 14 maart naar de Kamer heb verzonden,3 leg ik de belangrijkste oorzaken van de gestegen inflatie en het verschil met het EU gemiddelde uit. Inflatie wordt in de kern gedreven door de balans tussen vraag en aanbod in de economie, waarbij monetair beleid van de centrale bank, begrotingsbeleid van de overheid en de economische structuur de belangrijke bepalende elementen zijn. De Nederlandse economie vertoont al geruime tijd tekenen van oververhitting en de arbeidsmarkt is zeer krap.
Het inflatieverschil tussen Nederland en de rest van de eurozone kan verder worden verklaard vanuit de decompositie van het Nederlandse inflatiecijfer vergeleken met het gemiddelde van de eurozone. Ten eerste heeft Nederland een hogere diensteninflatie. Dat komt door de sterkere conjunctuur, hogere loongroei en krappere arbeidsmarkt. Daarnaast is de diensteninflatie in verband met huisvesting in Nederland hoger dan gemiddeld doordat de maximaal toegestane stijging van de huurprijzen na jaren waarin de huurprijsstijging door overheidsregulering veel lager was dan de inflatie voor 2024 is gekoppeld aan de loonontwikkeling. Ook spelen indirecte belastingen, zoals de verhoging van de tabaksaccijns in april vorig jaar, een rol in het verschil.
Wat vindt u van het beeld dat het CPB schetst in de verantwoording bij het CEP 2025 waarin zij aangeeft dat veruit het grootste deel van de inflatie in 2022 en in mindere mate in 2023 te verklaren is door gestegen winsten?2 Hoeveel extra winst betreft dit grofweg in euro’s en in procenten?
Zoals ik beschrijf in de Kamerbrief over inflatie is de ontwikkeling van eerst hogere winsten en daarna hogere lonen economisch goed verklaarbaar. Bij een stijgende vraag in een overspannen economie zullen de prijzen en daardoor de winsten zich direct aanpassen, terwijl lonen al vaststaan in afgesproken cao’s en daardoor vertraagd reageren. De winstgevendheid van het Nederlandse bedrijfsleven is sinds het begin van de coronacrisis meer toegenomen dan in de rest van de eurozone en sindsdien ook hoger gebleven. De winsten hebben zich daarbij wisselend ontwikkeld in de verschillende sectoren. De toegenomen winsten gaan waarschijnlijk samen met de goed presenterende Nederlandse economie. Sinds medio 2023 stijgen de nominale lonen harder dan de inflatie. In 2025 bereiken de reële lonen naar verwachting weer het niveau van 2021.5 Voor de komende jaren verwacht het CPB dat de loongroei boven de inflatie zal blijven.
Herkent u de cijfers van het CPB in de verantwoording bij het CEP 2025 waar zij aangeven dat na een korte daling het aandeel van de winst in inflatie weer aan het stijgen is? Zo ja, hoe verhoudt zich dit met uw eerdere opmerkingen tijdens onder andere het vragenuur dat winstflatie zou afnemen en de lonen een grotere rol zouden gaan spelen in deze inflatie? Zo nee, welke cijfers heeft u ter beschikking die dit tegenspreken?
De decompositie van de consumptieprijs in de verantwoording bij het CEP 2025 geeft hetzelfde beeld van de rol van winsten en lonen in de prijsontwikkeling als hierboven in het antwoord op vraag 3 geschetst.
Verwacht u dat deze inflatiestijging gaat doorzetten? Wat gaat u hiertegen doen in algemeenheid en wat specifiek tegen winstgedreven inflatie?
Het inflatiecijfer van februari past in de recente inflatieraming uit het CEP van het Centraal Planbureau (CPB). Het CPB verwacht dat de inflatie in 2025 licht afneemt naar 3,2% (t.o.v. 3,3% in 2024). Voor 2026 raamt het CPB een inflatie van 2,6%. Naar verwachting neemt het inflatiecijfer in de loop van het jaar af, onder andere omdat productgebonden belastingen die in de loop van 2024 zijn verhoogd na een jaar geen direct prijsverhogend effect meer hebben. Het inflatiebeeld per maand kan daarbij grillig zijn. Deze raming is natuurlijk omgeven door onzekerheden, waaronder de ontwikkeling van handelstarieven en geopolitieke spanningen.
De kamerbrief over inflatie staat stil bij het handelingsperspectief van het kabinet bij de inflatieontwikkeling. Daarin benadrukt het kabinet het belang van trendmatig begrotingsbeleid en begrotingsdiscipline. Daarnaast werkt het kabinet aan een agenda voor productiviteit en een agenda voor de arbeidsmarkt om de aanbodzijde van de economie structureel te versterken.
Wat zal het effect zijn op de koopkrachtcijfers en (kinder-) armoedecijfers voor 2025 als de inflatie op grofweg dit niveau blijft?
Afgelopen februari heeft het CPB een nieuwe raming (CEP2025) gepubliceerd. De ramingen van lonen en prijzen maken hier een onderdeel van uit en bepalen mede de verwachte koopkrachtonwikkeling, ook voor 2025. Deze variabelen zijn beide onderdeel van een raming van de ontwikkeling van de gehele economie. Het inflatiecijfer van februari past in de recente inflatieraming uit het CEP van het Centraal Planbureau (CPB). Het CPB verwacht dat de inflatie in 2025 licht afneemt naar 3,2% (t.o.v. 3,3% in 2024). Voor 2026 raamt het CPB een inflatie van 2,6%. Naar verwachting neemt het inflatiecijfer in de loop van het jaar af, onder andere omdat productgebonden belastingen die in de loop van 2024 zijn verhoogd na een jaar geen direct prijsverhogend effect meer hebben. Het inflatiebeeld per maand kan daarbij grillig zijn.
Klopt het dat het CPB de koopkrachtstijging van 2025 raamt op 0,6%, wat verklaart het verschil met de eerder door het kabinet aangekondigde 0,7%?
Het klopt dat het CPB een doorsnee koopkrachtstijging van 0,6% raamt in 2025. Deze raming is inderdaad 0,1%-punt lager dan ten tijde van de MEV 2025. In 2024 viel de koopkrachtstijging juist wat hoger uit dan bij MEV 2025 verwacht, omdat de inflatie in 2024 lager uitviel dan destijds verwacht. De voornaamste verandering sinds de MEV 2025 die de bijgestelde verwachting voor 2025 kan verklaren, is de lagere verwachte indexatie van de aanvullende pensioenen: in de MEV 2025 werd nog een indexatie van 3,1% geraamd bij een inflatie van 3,2%, terwijl in de meest recente raming is uitgegaan van een pensioenindexatie van 1,3% bij een inflatie van 3,2%. In het CEP 2025 blijft de gemiddelde stijging van de aanvullende pensioenen dus verder achter op de stijging van de prijzen dan ten tijde van de MEV2025. Hierdoor gaan gepensioneerden er in 2025 in doorsnee 0,1% op vooruit, terwijl zij er ten tijde van de MEV2025 nog 0,6% op vooruit gingen in 2025. Dit heeft een drukkend effect op de verwachte doorsnee koopkrachtontwikkeling van alle huishoudens.
Klopt het dat de loonstijgingen hoger dan de ramingen uitvallen en de prijsstijgingen juist iets lager? Wat verklaart dan dat de koopkrachtstijging lager uitvalt?
De geraamde inflatie voor 2025 is onveranderd gebleven sinds de MEV 2025 (3,2%). De geraamde cao-loonstijging voor 2025 is inderdaad iets hoger in het CEP 2025 dan in de MEV 2025: de geraamde cao-loongroei bedrijven in 2025 was 4,3% ten tijde van de MEV 2025 en is naar 4,8% gestegen in het CEP 2025. Dit heeft een positief effect op de koopkracht van veel huishoudens, wat te zien is aan een hogere doorsnee koopkrachtontwikkeling bij zowel werkenden als uitkeringsgerechtigden (+0,1%-punt t.o.v. MEV 2025). Toch valt de doorsnee koopkrachtontwikkeling van alle huishoudens juist iets lager uit, door de lage verwachte koopkrachtstijging van gepensioneerden (zie vraag 7).
Wat zou de koopkrachtstijging zijn geweest wanneer de lonen en prijzen wel de ramingen hadden gevolgd en dus niet de koopkracht zouden stuwen? Welke kabinetsmaatregelen (of gebrek daaraan) en andere factoren verklaren dit gebrek aan koopkrachtstijging ten opzichte van de ramingen?
Het CPB heeft voor het CEP 2025 geen separate berekeningen gemaakt van de koopkrachtontwikkeling bij dezelfde loon- en prijsramingen als tijdens de MEV 2025. Voor factoren die het verschil tussen de koopkrachtraming van het CEP 2025 en de MEV 2025 verklaren, zie het antwoord op vraag 7. Er zijn in het CEP 2025 ook geen kabinetsmaatregelen na begroting (MEV2025) opgenomen met een noemenswaardig effect op de doorsnee koopkrachtontwikkeling van alle huishoudens voor 2025.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat het verlies aan koopkrachtstijging gecorrigeerd wordt? Deelt u de mening dat hiervoor gekeken kan worden naar het verhogen van de lonen (en gekoppelde uitkeringen) aangezien de AIQ ook hard aan het dalen is?
Het kabinet heeft bij de augustusbesluitvorming bewust gekozen voor de huidige invulling van de middelen voor lastenverlichting. Hierbij hoort de stapsgewijze lastenverlichting via de inkomstenbelasting. Hierbij wordt de positieve koopkrachtontwikkeling goed verdeeld over de gehele kabinetsperiode, waardoor kleine economische schokken niet direct zullen zorgen voor een mediaan koopkrachtverlies. Het algehele koopkrachtbeeld over de jaren 2024–2026 is in het CEP 2025 verbeterd ten opzichte van de MEV 2025. Zoals in vraag 7 toegelicht is de verwachte koopkrachtstijging in 2025 iets lager door een lager dan verwachte indexatie van de aanvullende pensioenen. De verwachte koopkracht voor werkenden is en uitkeringsgerechtigden is juist iets hoger.
DUO-schulden van gedupeerde kinderen van het toeslagenschandaal |
|
Jimmy Dijk |
|
Sandra Palmen (NSC) |
|
Hoeveel jongeren die zijn aangemerkt als gedupeerd kind van het toeslagenschandaal hebben op dit moment een schuld bij de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO)?
De Wet Hersteloperatie Toeslagen voorziet niet in een schuldenregeling voor kinderen. Daarom is in deze wet geen grondslag opgenomen om gegevens van getroffen kinderen met DUO te delen. Gegevens van eventuele schulden bij DUO van deze specifieke doelgroep zijn daarom niet beschikbaar.
Het kabinet heeft eerder besloten geen regeling te treffen voor studieleningen van getroffen kinderen, zoals onder andere toegelicht in de Kamerbrief van juni 20241. Ook de commissie Van Dam stelt dat het treffen van een aparte regeling voor studieleningen van getroffen kinderen niet verstandig is. Het kabinet deelt dit advies en blijft niet voornemens een aparte regeling te treffen, zoals ook is toegelicht in de kabinetsreactie op het adviesrapport Van Dam. Dit laat onverlet dat de Toeslagenaffaire ook voor kinderen van gedupeerde ouders uiterst schrijnende gevolgen kan hebben. Via de kindregeling is er voor meerderjarige kinderen met problematische schulden het aanvullend schuldhulpverleningsaanbod. Betalingsachterstanden bij DUO worden in dit aanbod meegenomen.
Hoeveel jongeren die zijn aangemerkt als gedupeerd kind van het toeslagenschandaal hebben op enig moment een DUO-schuld gehad?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is de gemiddelde schuld van de groep jongeren die op dit moment een schuld heeft bij DUO?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe hoog is op dit moment de totale schuld van deze groep jongeren?
Zie antwoord vraag 1.
Als de Kamer uitspreekt om alle schulden die gedupeerde jongeren op dit moment hebben bij DUO automatisch kwijt te schelden, hoeveel geld zou dit kosten voor de regering?
Zie antwoord vraag 1.
Als de Kamer uitspreekt om alle schulden die gedupeerde jongeren op dit moment hebben bij DUO automatisch kwijt te schelden, op welke termijn zou dit dan in orde kunnen worden gemaakt?
Automatische kwijtschelding van DUO-schulden zou pas kunnen plaatsvinden als er een regeling zou bestaan met heldere kaders. Een dergelijke regeling zou echter zeer complex zijn om op te stellen en tot uitvoering te brengen, zoals ook toegelicht in eerdergenoemde Kamerbrief. Daarbij spelen vragen als: schelden we alleen de schulden kwijt van getroffen jongeren van vóór 1 januari 2021 (de peildatum die ook voor ouders gehanteerd wordt), of gaat het om de gehele studieschuld als jongeren bijvoorbeeld langer hebben gedaan over hun studie vanwege de stress? Hoe gaan we om met jongeren die nu nog studeren?
En welke gevolgen heeft een dergelijke regeling voor schulden die onderdeel zijn van de prestatiebeurs in plaats van de lening? Een eventuele invoeringsdatum zou afhankelijk zijn van de gestelde kaders en de voorbereidingstijd voor de uitvoering die op basis daarvan benodigd blijkt. Met een dergelijke werkwijze wordt ook de spanning met het gelijkheidsbeginsel groter, zoals de Raad van State eerder opmerkte.
Hoeveel gedupeerde jongeren hebben op dit moment een bepaalde vorm van financiële compensatie – bijvoorbeeld via «maatwerk» – gehad voor het aangaan van DUO-schulden in de periode van het toeslagenschandaal?
DUO biedt maatwerk voor jongeren met een studielening die tegen financiële problemen aanlopen bij het terugbetalen van die lening, of die tegen onvoorziene omstandigheden aanlopen tijdens hun studie. Jongeren met problematische schulden maken veelvuldig gebruik van deze maatwerkmogelijkheden.
Ook jongeren die kind zijn van een gedupeerde ouder en die een studielening hebben bij DUO en zich in een dergelijke situatie bevinden kunnen hier gebruik van maken. Omdat DUO niet weet of een jongere een kind is van gedupeerde ouders, heeft DUO geen inzicht in hoeveel getroffen jongeren gebruik hebben gemaakt van het bestaande aanbod van maatwerk bij DUO, en om welke maatwerk-toepassingen het gaat. Bij het bieden van maatwerk wordt er gekeken naar uitzonderlijke situaties: het feit of een jongere kind is van een gedupeerde ouder is hierin geen specifiek criterium.
Tijdens de terugbetaalfase kent DUO verschillende mogelijkheden voor het toepassen van maatwerk. Daarbij is van belang te vermelden dat het niet gaat om bedragen die worden gestort op de rekening van de oud-studenten. Bij het toepassen van maatwerk kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een verlegging van het peiljaar, als het inkomen van de oud-student in de afgelopen twee jaar sterk is gedaald. Dat betekent dat DUO van het inkomen uit een recenter jaar uitgaat bij de berekening van de draagkracht, zodat de oud-student per maand minder hoeft te betalen. Een ander voorbeeld is dat oud-studenten die geen diploma hebben gehaald, maar wel een aanvullende beurs hebben ontvangen, mogelijk in aanmerking kunnen komen voor een (gedeeltelijke) kwijtschelding van de aanvullende beurs die niet is omgezet in een gift. Of de oud-student daarvoor in aanmerking komt is afhankelijk van het inkomen van de oud-student en diens partner. Mochten deze (en andere) mogelijkheden onvoldoende soelaas bieden en de oud-student niet uit de betalingsproblemen helpen, dan kan er altijd samen met DUO worden gekeken of er nog verder maatwerk mogelijk is. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een tijdelijke verlaging van het maandbedrag of de eenmalige inzet van extra aflosvrije maanden.2
Alle bovengenoemde mogelijkheden zijn dus ook beschikbaar voor kinderen van gedupeerde ouders met een studieschuld. Om de eerdergenoemde redenen is het echter niet bekend in hoeverre specifiek deze groep hier gebruik van maakt.
Hoelang duurt het gemiddeld voordat jongeren nadat zij «maatwerk» hebben aangevraagd, dit geld daadwerkelijk op hun rekening gestort krijgen?
Zie antwoord vraag 7.
Hoeveel is het gemiddelde bedrag dat jongeren hebben gekregen in de vorm van «maatwerk»?
Zie antwoord vraag 7.
Hoeveel geld is er in totaal besteed aan het kwijtschelden van de schulden van jongeren?
Zie antwoord vraag 7.
Financiering van ngo’s, belangen organisaties en goede doelen |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Dirk Beljaarts (minister ) |
|
![]() |
Aan welke ngo’s, goede doelen en belangenorganisaties stelt het Ministerie van Economische Zaken financiële middelen beschikbaar over de periode 2021–2025. Kunt u een volledig subsidieoverzicht geven van het departement voor alle organisaties die in de breedste zin van het woord onder bovenstaande definities vallen?
Het Ministerie van Economische Zaken (EZ) houdt geen specifiek subsidieoverzicht bij van subsidies of subsidieregelingen aan ngo’s, goede doelen en belangenorganisaties. Ik neem u hieronder mee in de informatie die wel beschikbaar is.
Het ministerie publiceert, net als elk departement, in de jaarlijkse ontwerpbegroting een subsidieoverzicht, waarin per beleidsartikel alle subsidiebudgetten zijn opgenomen1. Tevens wordt er in het kader van het verantwoordingsproces van de begroting jaarlijks na publicatie van de jaarverslagen en slotwetten gedetailleerde informatie van ontvangers van financiële instrumenten gepubliceerd op Rijksfinanciën.nl2. Dit betreft alle rijksbrede financiële instrumenten, zoals bijdragen, garanties, leningen en ook subsidies. In het kader van de Wet Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) worden private personen en eigennamen geanonimiseerd in de dataset.
In de dataset wordt per jaar, begrotingshoofdstuk, artikel, instrument en regeling het bedrag en de ontvanger weergegeven. Hierbij wordt ook de rechtsvorm van de ontvangers weergegeven, zoals besloten vennootschappen, eenmanszaken en ook verenigingen en stichtingen. Categorieën als ngo’s, goede doelen en belangenorganisaties zijn geen juridische rechtsvormen en worden dus niet als zodanig afzonderlijk gepresenteerd. De openbare dataset bevat op dit moment data tot en met 2023.
Wat zijn de criteria voor het verkrijgen van subsidies van het Ministerie van Economische Zaken als belangenorganisatie/NGO?
Er zijn geen specifieke subsidieregelingen die zich uitsluitend richten op belangenorganisaties of ngo’s. Voor de subsidieregelingen die er zijn, worden geen criteria gehanteerd die uitsluitend gelden voor belangenorganisaties of ngo’s die subsidies van het Ministerie van Economische Zaken willen verkrijgen. Voor deze partijen gelden dezelfde criteria als voor andere type organisaties. Subsidieverstrekking geschiedt uitsluitend om bepaalde beleidsdoelstellingen van het Ministerie van EZ te verwezenlijken.
De kaders voor subsidiewet- en regelgeving zijn te vinden in de Regeling vaststelling Aanwijzingen voor subsidieverstrekking, ook bekend als het Uniform Subsidiekader (USK) en nader uitgewerkt in het algemene Rijksbrede Raamwerk Uitvoering Subsidies (RUS)3. Daarnaast heeft het Ministerie van Economische Zaken een eigen kaderwet voor subsidies, Kaderwet EZK- en LNV-subsidies4. Deze kaderwet is verder uitgewerkt in het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies5. De algemene criteria die hierin worden gehanteerd bevatten onder andere de volgende kernpunten (geparafraseerd):
Aanvullende gehanteerde criteria zijn afhankelijk van de individuele subsidieregeling waarvoor de aanvrager indient. Deze kunnen betrekking hebben op de inhoud van het project, de doelgroep, de beoogde resultaten, de hoogte van de subsidie, de subsidiabele kosten en de verplichtingen van de ontvanger. Het gros van de subsidies en financieringsinstrumenten van EZ wordt door RVO uitgevoerd. Door RVO uitgevoerde subsidieregelingen worden met beschrijving, doelgroep en voorwaarden weergegeven op https://www.rvo.nl/subsidies-financiering/.
Welke thema’s of sectoren zijn het belangrijkste voor subsidies bij het Ministerie van Economische Zaken? Zijn er specifieke programma’s gericht op milieu, klimaat, energie, of ondernemerschap?
In de gehele begroting van het Ministerie van EZ zijn drie beleidsartikelen opgenomen, die zich richten op een goed werkende (digitale) economie, innovatie en ondernemerschap. In de begroting wordt de doelstelling toegelicht (onderdeel A), op welke manier de Minister dit wil doen (onderdeel B), of er wijzigingen zijn in het beleid (onderdeel C) en een overzicht van de beleidsbudgetten met toelichting, waaronder de categorie «subsidies» (onderdelen D en E). Daarnaast bevat de jaarlijkse ontwerpbegroting van het Ministerie van EZ een subsidieoverzicht waarin de verschillende subsidieregelingen worden weergegeven, opgesplitst naar beleidsartikel.
Door de herverkaveling van de ministeries is door het huidige kabinet een aantal subsidieregelingen overgeheveld van de EZ-begroting naar de begroting van onder meer de begroting van KGG6. Hieronder vallen subsidieregelingen gericht op milieu, klimaat en energie. De subsidieregelingen onder het Ministerie van Economische Zaken richten zich door de herverkaveling niet primair op deze thema’s.
Wat is het totale budget voor subsidies aan belangenorganisaties, goede doelen en NGO’s voor het Ministerie van Economische Zaken voor de jaren 2025–2030?
EZ stelt geen specifiek subsidiebudget vast voor belangenorganisaties, goede doelen en ngo’s. Het totale subsidiebudget voor alle organisaties die beroep kunnen doen op subsidieregelingen bedraagt 1,3 miljard in 2025 (stand ontwerpbegroting 20257). Voor de gehele periode van 2025 tot en met 2030 bedraagt het 4,3 miljard8.
In hoeveel gevallen gaat het om financiering boven het bedrag van 100.000 euro?
Zoals toegelicht in de beantwoording op vraag 4 stelt EZ geen specifieke subsidies beschikbaar voor belangenorganisaties, goede doelen en ngo’s, en worden subsidieverstrekkingen aan dergelijke organisaties niet apart geadministreerd. In de beantwoording op vraag 1 wordt verwezen naar de open dataset beschikbaar op Rijksfinanciën.nl9 met alle ontvangers van financiële instrumenten waaronder subsidies. Voor 2024 (dataset nog niet gepubliceerd) gaat het om in totaal 1.952 subsidie uitbetalingen van boven of gelijk aan 100.000 euro vanuit het toenmalige Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Dit is inclusief subsidiebetalingen van beleidsinstrumenten die nu onder het Ministerie van Klimaat en Groene Groei vallen.
Kunt u per project van boven een ton de bedragen weergeven in een overzichtelijke tabel met subsidiënt of programma, bedrag, looptijd en doel van de subsidiëring?
Er wordt geen centraal overzicht bijgehouden met alle eigenschappen die in de vraag worden genoemd. Zoals aangeven in de beantwoording op vraag 1 en 5 is informatie terug te vinden in de open data beschikbaar op Rijksfinanciën.nl, maar wordt niet apart geadministreerd welke subsidies worden toegekend aan belangenorganisaties, goede doelen en ngo’s. Deze registers bevatten onder meer de begunstigden van subsidies en het bedrag. De open dataset op Rijksfinanciën.nl bevat ook het type rechtsvorm van de ontvangende partij. Aan de hand van de verschillende selectiecriteria in beide datasets is het mogelijk een tabel te genereren voor (een deel van) de subsidiebegunstigden van EZ (en KGG) subsidies. Looptijd en budget van subsidie instrumenten zijn te vinden in het subsidieoverzicht dat bij de jaarlijkse begroting is bijgesloten. Het doel van de instrumenten wordt toegelicht in de relevante beleidsartikelen. De door RVO uitgevoerde subsidieregelingen worden uitgebreid toegelicht op https://www.rvo.nl/subsidies-financiering/.
Welke wijzigingen worden verwacht in de toewijzing van subsidies de komende jaren bij het Ministerie van Economische Zaken?
Beleidsinhoudelijke wijzigingen waarbij subsidies een rol spelen worden toegelicht in de begroting, onderdeel C van het betreffende beleidsartikel. Wat betreft regelgeving wordt in 2025 het bestaande Uniform Subsidiekader (USK) herzien, naar aanleiding van een recente evaluatie over de doeltreffendheid en -matigheid van het USK. De bevindingen en aanbevelingen uit de evaluatie richten zich onder meer op verantwoord vertrouwen en risicoacceptatie, uniformering en vereenvoudiging, proportionaliteit en sturen op prestatie en hoofdlijnen. Het voornemen is dat het herziene USK per januari 2026 ingevoerd zal worden. De Tweede Kamer zal te zijner tijd geïnformeerd worden door de Minister van Financiën. Aanpassingen in het USK zullen vervolgens leiden tot aanpassingen in het huidige Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies.
Het bericht ‘ACM wil dat energiebedrijven klanten helpen met nieuw energiecontract’ |
|
Folkert Idsinga (VVD) |
|
Dirk Beljaarts (minister ) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht van de NOS over de oproep van de Autoriteit Consument & Markt (ACM) aan energiebedrijven om klanten beter te ondersteunen bij het kiezen van een passend energiecontract?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de conclusie van de ACM dat energiebedrijven consumenten onvoldoende helpen bij het kiezen van een contract dat aansluit bij hun verbruik en situatie? Wat zegt dit volgens u over de transparantie en consumentenbescherming op de Nederlandse energiemarkt?
Het kabinet kan zich vinden in de conclusie van de ACM dat het vanzelfsprekend zou moeten zijn dat energiebedrijven consumenten voldoende handvatten geven om een keuze te kunnen maken voor een energiecontract dat aansluit bij hun verbruik en situatie. Om deze reden is er in de nieuwe Energiewet, die vorig jaar door beide Kamers is aangenomen, ook extra aandacht voor transparantie en consumentenbescherming op de energiemarkt. Binnen de huidige juridische kaders zijn er diverse regels verankerd ten aanzien van transparantie en consumentenbescherming. Zo staat bijvoorbeeld in de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet dat de voorwaarden verbonden aan een leveringsovereenkomst met een afnemer transparant, eerlijk en vooraf bekend moeten zijn. De voorwaarden moeten bovendien in duidelijke en begrijpelijke taal gesteld zijn. Ook gelden er voor consumenten in den brede regels over oneerlijke handelspraktijken (zoals misleiding) die in het Burgerlijk Wetboek staan.
In de Energiewet, wordt consumentenbescherming bij de levering van elektriciteit en gas aan huishoudens en micro-ondernemingen vanaf 1 januari 2026 steviger wettelijk verankerd. Specifiek ten aanzien van transparantie geldt dat in de Energiewet is opgenomen dat energieleveranciers elektriciteit en gas aan consumenten moeten leveren tegen transparante en redelijke prijzen en onder transparante en redelijke voorwaarden. Een energieleverancier die elektriciteit of gas levert aan een consument moet bovendien zijn prijzen en voorwaarden op een dusdanige wijze presenteren dat consumenten in staat zijn om voor het sluiten van een overeenkomst prijzen en voorwaarden van verschillende leveranciers onderling te vergelijken.
Ook wordt het belang van transparantie en vergelijkbaarheid van energiecontracten in de Energiewet steviger verankerd in het recht voor micro-ondernemingen en huishoudelijke eindafnemers, waaronder consumenten, op kosteloze toegang tot ten minste één onafhankelijk vergelijkingsinstrument dat de gehele markt bestrijkt, of meerdere vergelijkingsinstrumenten die in voldoende mate de markt bestrijken.
Met de komst van de nieuwe Energiewet wordt dus zowel geëist van leveranciers dat zij een transparant aanbod aan contracten op de markt brengen als verzekerd dat iedere consument de mogelijkheid heeft om dit aanbod onderling te vergelijken om een bewuste keuze kunnen te maken die past bij zijn of haar voorkeuren en situatie. Het kabinet ziet dat als een belangrijke stap vooruit voor consumenten, maar om de voordelen te kunnen benutten is een samenspel nodig tussen de inspanning van de marktpartijen om een goed aanbod in de markt te zetten, de actieve opstelling van de consument die bij het kiezen van contract een weloverwogen keuze maakt tussen de mogelijkheden en tot slot, zo nodig het toezicht op de nieuwe regels vanuit de ACM. Het is aan de ACM om als toezichthouder hierop te handhaven.
Welke mogelijkheden heeft de ACM op dit moment om in te grijpen bij energieleveranciers die onvoldoende transparantie bieden of consumenten niet adequaat ondersteunen? Acht u deze instrumenten voldoende om misstanden effectief te bestrijden?
Om elektriciteit of gas aan consumenten te mogen leveren op de Nederlandse energiemarkt is een vergunning nodig. De ACM kan op grond van de Energiewet net als nu ingrijpen wanneer een leverancier niet aan de eisen voor deze vergunning voldoet. Zo kan zij een boete of een last onder dwangsom opleggen. Dit kan oplopen tot 10% van de omzet van de overtreder. De ACM ziet er als onafhankelijk toezichthouder ook op toe dat consumenten verzekerd zijn van de levering van energie tegen eenvoudig en duidelijk vergelijkbare prijzen.
De ACM krijgt in de Energiewet bovendien de mogelijkheid om in te grijpen bij oneerlijke handelspraktijken, zoals misleiding, of het niet voldoen aan een jaarlijkse financiële stresstest. De ACM kan een wervingsstop opleggen wanneer een leverancier zich niet aan de regels van oneerlijke handelspraktijken houdt. Bij herhaaldelijk schuldig maken aan oneerlijke handelspraktijken kan de ACM de vergunning intrekken. Dit zijn zeer ingrijpende maatregelen voor de leverancier en deze kunnen ook verstrekkende gevolgen hebben voor de klanten van deze leverancier. Daarom zal de ACM haar besluit telkens zorgvuldig wegen.
Bent u bereid te onderzoeken of aanvullende regelgeving nodig is om te waarborgen dat energiebedrijven consumenten beter informeren en begeleiden bij het afsluiten van een energiecontract? Zo ja, welke stappen overweegt u te nemen?
Het kabinet wil eerst bezien wat de effecten zijn van de nieuwe regels (die per 1 januari 2026 van kracht zijn) in de praktijk voor de consument en ziet daarom niet direct aanleiding om, naast hetgeen de Energiewet reeds regelt, extra bescherming voor te schrijven. Het kabinet blijft daarbij doorlopend de effectiviteit van de huidige maatregelen monitoren. Gelet op de complexiteit en de veranderingen van de energiemarkt, blijft het belangrijk dat dit onderwerp continu aandacht behoudt. Eventuele verdere aanpassingen kunnen in een toekomstige versie van de Energiewet worden opgenomen.
Hoe beoordeelt u de effectiviteit van het huidige toezicht op de energiemarkt met betrekking tot consumentenbescherming en eerlijke concurrentie? Bent u bereid te bezien of de ACM extra bevoegdheden nodig heeft om haar toezichtstaken beter te kunnen uitvoeren?
De Energiewet stelt strenge eisen aan leveranciers die met een vergunning elektriciteit en/of gas aan consumenten willen leveren. Zo moeten zij aantonen dat ze over de nodige financiële, organisatorische en technische kwaliteiten alsmede voldoende deskundigheid beschikken. De ACM ziet zowel bij aanvraag van een vergunning als na verlening van een vergunning in het doorlopend toezicht toe op de naleving van deze vereisten. Zij kan hier ook handhavend in optreden, zie ook het antwoord op vraag 3. De ACM krijgt daarnaast in de Energiewet extra bevoegdheden om haar toezicht nog beter uit te kunnen voeren, zoals de mogelijkheid om een betrouwbaarheids- en integriteitsonderzoek (Wet Bibob) te verrichten indien zij daar aanleiding toe ziet.
In hoeverre kunnen energiebedrijven worden verplicht om meer standaardisatie in hun contractvoorwaarden aan te brengen, zodat consumenten gemakkelijker contracten kunnen vergelijken en beter inzicht krijgen in de verschillen tussen aanbieders?
De nieuwe Energiewet schrijft voor dat energieleveranciers te allen tijde, naast het bekende modelcontract voor onbepaalde tijd met variabele tarieven, ook een modelcontract voor bepaalde tijd (ten minste een jaar) met vaste tarieven moeten aanbieden. Het modelcontract is een leveringsovereenkomst met standaardvoorwaarden die vastgesteld wordt door de ACM. Doordat het modelcontract standaardvoorwaarden heeft, is het een gemakkelijk vergelijkbaar contract.
Leveranciers zijn in het kader van contractvrijheid vrij om hiernaast ook andere energiecontracten aan te bieden, maar zullen zich altijd moeten houden aan de uitgebreide regels ten aanzien van de inhoud van de leveringsovereenkomst die opgenomen zijn in de AMvB onder de Energiewet (het Energiebesluit) die momenteel wordt voorgehangen bij de Kamer. Deze regels gaan bijvoorbeeld over de informatie die een leveringsovereenkomst moet bevatten (zoals contactgegevens energieleveranciers, informatie over bonussen en de opzegvergoeding), maar bijvoorbeeld ook over welke afspraken de energieleverancier met de klant maakt over wijzigingen van tarieven en voorwaarden.
In het kader van betere vergelijkbaarheid van energiecontracten is in het Energiebesluit (de AMvB onder de Energiewet) tevens een nieuwe bepaling opgenomen die voorschrijft dat bonussen enkel in geldelijke vorm mogen worden gegeven door energieleveranciers. Dit zorgt ervoor dat energiecontracten beter vergelijkbaar worden en voor consumenten duidelijker is hoeveel zij voor hun energiecontract gaan betalen.
Deelt u de mening dat energiebedrijven een verantwoordelijkheid hebben om klanten actief te helpen bij het vinden van een passend contract? Zo ja, hoe zou de overheid dit kunnen stimuleren zonder onnodige marktverstoring?
De Energiewet vereist van leveranciers dat zij een transparant aanbod aan contracten op de markt brengen en verzekert dat iedere consument de mogelijkheid heeft om dit aanbod onderling te vergelijken om een bewuste keuze kunnen te maken die past bij zijn of haar voorkeuren en situatie. De verplichting voor energieleveranciers om te allen tijde een modelcontract met vaste en variabele tarieven aan te bieden, zorgt ervoor dat er een «bodem» aan energiecontracten in de energiemarkt is die optimaal vergelijkbaar is. Daarmee zet de Energiewet in op maximale ontzorging en bescherming voor alle consumenten, terwijl voor de actieve marktvormen vooral beoogd is de drempels te verlagen voor nieuwe initiatieven door onnodige belemmeringen weg te nemen.
Welke lessen trekt u uit de oproep van de ACM aan energiebedrijven om consumenten beter te ondersteunen bij het kiezen van een passend energiecontract? Acht u verdere interventies noodzakelijk om de transparantie en consumentenbescherming in de energiemarkt te verbeteren?
Het kabinet hecht er veel waarde aan dat consumenten weloverwogen beslissingen kunnen nemen en beschermd worden tegen oneerlijke praktijken. Daarom benadrukt het kabinet het belang van continue aandacht voor transparantie en consumentenbescherming op de energiemarkt. De oproep van de ACM aan energiebedrijven om consumenten beter te ondersteunen bij het kiezen van een passend energiecontract, sluit hier bij aan. In de Energiewet en onderliggende regelgeving wordt hier op verschillende manieren invulling aan gegeven:
Zijn er al concrete stappen gezet door de overheid of toezichthouders om de transparantie en ondersteuning in de energiemarkt te verbeteren? Kunt u een overzicht geven van lopende of geplande initiatieven?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bekend met het bericht «Belastingdienst weegt persoonlijk ondernemerschap zelden mee in oordeel over schijnzelfstandigheid. «Onjuiste toepassing»»?1
Ja.
Constaterende dat de Hoge Raad in het Deliveroo-arrest een niet-uitputtende lijst heeft gegeven met criteria die, wanneer holistisch gewogen, duidelijkheid biedt of er sprake is van een arbeidsovereenkomst, bent u het er, conform de opvatting van de Hoge Raad, mee eens dat ál deze criteria holistisch gewogen moeten worden om tot de conclusie te komen of er sprake is van een arbeidsovereenkomst? Zo nee waarom niet?
Ja.
Kunt u expliciet bevestigen dat ook het criterium van extern ondernemerschap, zoals ook verzocht in de aangenomen motie Podt c.s.2 wordt meegenomen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe reflecteert dit op de huidige praktijk van de Belastingdienst?
De motie Podt c.s. verzoekt de regering om de persoonlijke kenmerken van de werkende als ondernemer mee te laten wegen bij de beoordeling van arbeidsrelaties met het oog op het wetsvoorstel Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (Vbar). Wij kunnen expliciet bevestigen dat het criterium van extern ondernemerschap meegenomen wordt in het wetsvoorstel Vbar.
Op 21 februari jl. heeft de Hoge Raad3 antwoord gegeven op prejudiciële vragen ter zake van de rol van extern ondernemerschap bij het kwalificeren van een arbeidsrelatie4. De Hoge Raad heeft beslist dat bij de beoordeling of sprake is van een arbeidsovereenkomst geen rangorde geldt tussen de mee te wegen omstandigheden, waaronder eventueel ondernemerschap van de werkende. Daarbij wordt aangegeven dat wetgeving in voorbereiding is op dit punt. De uitspraak wordt momenteel bestudeerd door SZW. Op basis daarvan zal besluitvorming plaatsvinden over de vorm en het vervolg van het wetsvoorstel Vbar.
De Belastingdienst handhaaft op basis van huidige wet- en regelgeving en jurisprudentie (zie ook hierna in het antwoord op vraag 4) en loopt niet vooruit op het wetsvoorstel Vbar.
Constaterende dat volgens de Hoge Raad alle Deliveroo-criteria volwaardig zijn en dat de Belastingdienst het Deliveroo-criterium van extern ondernemerschap in de praktijk als ondergeschikt behandelt en het pas meeweegt als de overige criteria geen uitsluitsel geven, hoe beoordeelt u deze werkwijze? Was u ermee bekend dat de Belastingdienst dit doet? Zo niet, wat is uw reactie hierop?
Zoals in het afwegingskader5 en de Toelichting beoordeling arbeidsrelaties, die op de website van de Belastingdienst zijn gepubliceerd6, uitgelegd zijn bij de beoordeling van een arbeidsrelatie alle feiten en omstandigheden van belang (holistische toets). Alle gezichtspunten die volgens de Hoge Raad in het Deliveroo-arrest bij de holistische toets onder meer van belang kunnen zijn, zijn daarin opgenomen. Eén van de gezichtspunten ziet op de mate waarop de ondernemer zich als ondernemer gedraagt of kan gedragen, bijvoorbeeld bij het verwerven van een reputatie, bij acquisitie, wat betreft fiscale behandeling, en gelet op het aantal opdrachtgevers voor wie hij werkt of heeft gewerkt en de duur waarvoor hij zich doorgaans aan een bepaalde opdrachtgever verbindt. De Belastingdienst beoordeelt arbeidsrelaties aan de hand van dit afwegingskader en weegt alle gezichtspunten inclusief het extern ondernemerschap mee.
Dit blijkt ook uit de Handleiding bedrijfsbezoeken en boekenonderzoeken die de medewerkers van de Belastingdienst ondersteuning biedt bij de uitvoering van bedrijfsbezoeken en boekenonderzoeken bij opdrachtgevers waar het beoordelen van de kwalificatie van arbeidsrelaties speelt. In die handleiding wordt verwezen naar de Vragenlijst beoordeling arbeidsrelaties die door de Belastingdienst als hulpmiddel wordt gebruikt om de feiten en omstandigheden die een rol spelen bij de kwalificatie van een arbeidsrelatie in beeld te brengen. Die vragenlijst is ingedeeld naar de gezichtspunten uit het Deliveroo-arrest. De mate waarin de opdrachtnemer zich als ondernemer gedraagt of kan gedragen komt in deze vragenlijst expliciet naar voren. De handleiding en de vragenlijst zijn gepubliceerd.7
De Belastingdienst houdt zich dus aan de uitspraak van de Hoge Raad en weegt alle gezichtspunten, waaronder extern ondernemerschap mee.
Hiermee waardeert de Belastingdienst in de handhavingsstrategie het advies van advocaat-generaal De Bock in de zaak-Uber boven rechterlijke uitspraken, vindt u een advies van een advocaat-generaal gezaghebbender dan een uitspraak van de Hoge Raad? Zo ja, waarom? Zo nee, wat vindt u ervan dat de Belastingdienst hier wel naar handelt?
Zoals in het antwoord op vraag 4 is toegelicht houdt de Belastingdienst zich aan de uitspraak van de Hoge Raad.
Welke stappen gaat u zetten om ervoor te zorgen dat de Belastingdienst haar werkwijze zo snel mogelijk in overeenstemming brengt met bestaande wetgeving en jurisprudentie? Bent u bereid deze werkwijze aan te passen?
De Belastingdienst handelt in overeenstemming met huidige wet- en regelgeving en jurisprudentie. Wij betreuren het dat in de berichtgeving hierover onduidelijkheid is ontstaan en willen benadrukken dat de Belastingdienst zich houdt aan huidige wet- en regelgeving en jurisprudentie (zoals het Deliveroo-arrest) en daarbij niet vooruitloopt op het wetsvoorstel Vbar en/of toekomstige jurisprudentie.
Bent u bereid om ook de communicatie op hetjuistecontract.nl in lijn te brengen met het volwaardig meewegen van het gezichtspunt extern ondernemerschap? Zo nee waarom niet?
Het gezichtspunt extern ondernemerschap is volwaardig onderdeel van de communicatie op hetjuistecontract.nl. Zo wordt bij «kenmerken ZZP» het volgende genoemd: «De werkende gedraagt zich naar buiten toe als ondernemer. Bijvoorbeeld doordat hij/zij actief een website beheert en ook andere klussen uitvoert. Terwijl bij «kenmerken loondienst» genoemd staat: «De werkende presenteert zich naar buiten toe niet als ondernemer. Bijvoorbeeld omdat de werkende zich weinig of niet aanbiedt voor andere opdrachtgevers». Ook wordt in stelling 9 uitgevraagd: De werkende heeft steeds verschillende opdrachten en opdrachtgevers,hetgeen (mede) kan wijze op «extern ondernemerschap» van de werkende.
Hoe verhoudt de casus «kinderopvang» zoals beschreven op hetjuistecontract.nl zich met de recente uitspraak van de rechtbank Rotterdam3 waarbij het punt van extern ondernemerschap is meegewogen? Bent u bereid deze casussen aan te passen? Zo nee, waarom niet?
Bij de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst dient rekening te worden gehouden met alle feiten en omstandigheden in onderling verband bezien. De casus «kinderopvang» op hetjuistecontract.nl en de uitspraak van de rechtbank Rotterdam waarnaar wordt verwezen laten zich moeilijk vergelijken.
De (fictieve) casusposities op hetjuistecontract.nl zijn namelijk bedoeld om op een laagdrempelige manier inzicht te krijgen in de relevante feiten en omstandigheden bij de beoordeling van arbeidsrelaties. Om de casusposities op hetjuistecontract.nl niet te lang en daarmee ingewikkeld te maken, komen niet alle gezichtspunten uit het Deliveroo-arrest in alle casusposities terug. Het versimpelde feitencomplex leent zich daar ook niet voor. Dat geldt in de casus «kinderopvang» bijvoorbeeld voor het gezichtspunt «extern ondernemerschap» en «de verplichting het werk persoonlijk uit te voeren». Het gezichtspunt «extern ondernemerschap» komt bijvoorbeeld wel terug in de casusposities «onderwijs», «bouw» en «schilder», terwijl daar weer andere gezichtspunten niet in terugkomen.
Er wordt momenteel gewerkt aan het toevoegen van nieuwe casusposities waarin op basis van de gegeven feiten en omstandigheden wel een oordeel gegeven kan worden over alle gezichtspunten uit het Deliveroo-arrest. Deze zullen naast de bestaande casusposities worden opgenomen op hetjuistecontract.nl zodat er zowel laagdrempelige inzichten op kunnen worden gedaan, als meer gedetailleerde inzichten uit de uitgebreidere casusposities.
Hoe verhoudt de handhavingspraktijk van de Belastingdienst zich volgens u tot de Toelichting beoordeling arbeidsrelatie, waar persoonlijk (extern) ondernemerschap genoemd wordt als volwaardig criterium?
Zoals in de antwoorden hiervoor toegelicht worden alle gezichtspunten inclusief het extern ondernemerschap meegewogen.
Vindt u het redelijk dat zelfstandigen, die al continu moeten aantonen dat zij gewoon hun werk mogen doen, nu ook met nog niet behandelde wetten en nog niet gedane uitspraken van de Hoge Raad rekening moeten houden in het vormgeven van hun overeenkomsten en werkzaamheden? Hoe rijmt dit met de rechtszekerheid die zelfstandigen mogen verwachten?
Zoals in het antwoord op vraag 4 aangegeven handelt de Belastingdienst in overeenstemming met huidige wet- en regelgeving en jurisprudentie. De Belastingdienst loopt niet vooruit op het wetsvoorstel Vbar en toekomstige jurisprudentie. Het is niet de bedoeling om zelfstandigen te benadelen. Zij leveren een belangrijke bijdrage aan onze economie. Wij benadrukken nogmaals dat als iemand een echte ondernemer is en zelfstandig werkt, hij/zij dat gewoon kan blijven doen. Als de opdracht voldoet aan de voorwaarden om buiten loondienst te werken, kunnen opdrachtgever en opdrachtnemer gerust de samenwerking aangaan.
Kunt u deze vragen apart van elkaar beantwoorden voor het commissiedebat Zzp op 12 maart 2025?
Ja.