Het artikel 'Noodfonds Energie opent op 4 januari, 'verborgen energiearmoede niet opgelost' |
|
Wimar Bolhuis (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het artikel «Noodfonds Energie opent op 4 januari, «verborgen energiearmoede niet opgelost»»?1
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat er een groep huishoudens is, naar schatting rond de 124.000 mensen, die hun kachel niet aanzetten uit angst voor hoge energiekosten en toch niet in aanmerking komen voor het Tijdelijk Noodfonds Energie juist omdat zij te lage kosten hebben?2
Kunt u deze huishoudens met verborgen energiearmoede en onderconsumptie alsnog toegang geven tot een tegemoetkoming uit het Noodfonds Energie?
Zouden energiecoaches, gemeenten, hulpverleners en energieleveranciers kunnen helpen bij het signaleren van deze huishoudens met energiearmoede bij het Noodfonds Energie of deze huishoudens kunnen aanmelden bij het Noodfonds Energie? Aangezien vanuit deze partijen, zeker vanuit energiecoaches, vele praktijksignalen naar boven kunnen worden gehaald?
Welke ideeën heeft u overwogen om mensen die, omdat ze bang zijn voor een te hoge energierekening, toch te compenseren vanuit het Noodfonds Energie? Waarom zijn deze ideeën afgevallen? Hoe wilt u er (in de toekomst voor zorgen) dat deze groep ook op compensatie kan rekenen?
Op welke manier kunnen energiecoaches, gemeenten, hulpverleners en energieleveranciers (die worden genoemd in de brief aan de Tweede Kamer van 29 september) bijdragen aan het benaderen van mensen die mogelijk al wel recht hebben op compensatie vanuit het Tijdelijk Noodfonds Energie?
Is het mogelijk dat gemeenten, hulpverleners en energieleveranciers hun data gebruiken om ook zoveel mogelijk mensen waarbij vermoedelijk onderconsumptie plaatsvindt, benaderen om hen op de hoogte te stellen van het Noodfonds Energie?
Hoe zorgt u ervoor dat deze cyclus van de noodzaak van financiële compensatie in de komende jaren doorbroken wordt? Welke concrete maatregelen worden hiervoor genomen?
De opbrengsten en publieke kosten van windenergie op zee |
|
Mona Keijzer |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
Bent u bekend met het wetenschappelijk memo van TU Delft van 19 december 2025, waarin staat dat de opbrengst van grootschalige windparken sterk afhangt van de gekozen aannames?1
Welke aannames over de jaarlijkse elektriciteitsproductie zijn gehanteerd bij de besluitvorming over publieke investeringen in wind op zee en hoe gevoelig zijn deze berekeningen voor lagere opbrengsten?
Herinnert u zich uw reactie van 20 januari 2026 waarin schrijft u dat de lagere opbrengst uit het onderzoek van Ferreira c.s. te conservatief is (Kamerstuk 33 561, nr. 100)? Van welke jaarlijkse elektriciteitsproductie gaat u nu uit en is deze aanname ook gebruikt bij de berekening van de benodigde publieke middelen?
Kunt u voor ieder operationeel Nederlands windpark op zee aangeven hoeveel elektriciteit bij de aanleg jaarlijks werd verwacht, hoeveel in 2024 en 2025 daadwerkelijk is geproduceerd en hoeveel publieke middelen met de aanleg en aansluiting van het park waren gemoeid?
Welke gevolgen hebben deze praktijkcijfers voor de beoordeling van de doelmatigheid van de publieke uitgaven aan de nog te bouwen windparken?
Hoeveel publiek geld is tot nu toe uitgegeven, toegezegd of gereserveerd voor de aanleg en aansluiting van windparken op zee?
Hoeveel publiek geld verwacht u de komende jaren nog nodig te hebben voor de geplande uitbreiding van wind op zee en hoe bent u voornemens dit te financieren?
Kunt u uitsplitsen welk deel van de publieke kosten voor wind op zee bestaat uit subsidies, welk deel uit netaansluitingen, welk deel uit netverzwaring en welk deel uit overige investeringen?
Welke gevolgen heeft een lagere elektriciteitsproductie dan waarmee nu wordt gerekend voor de benodigde publieke ondersteuning en voor de kosten per geproduceerde MWh?
Welke criteria gebruikt u om te beoordelen of de publieke uitgaven aan wind op zee doelmatig zijn en worden daarbij de totale publieke kosten afgezet tegen de daadwerkelijk geproduceerde hoeveelheid elektriciteit?
Bent u bereid voor nieuwe grote financiële verplichtingen voor wind op zee onafhankelijk te laten toetsen wat bestaande windparken daadwerkelijk hebben opgeleverd, wat de totale publieke kosten daarvan waren en welke lessen daaruit moeten worden getrokken voor nieuwe investeringen?
Heeft het kabinet een maximumnorm voor de publieke kosten per daadwerkelijk geproduceerde MWh elektriciteit uit wind op zee? Zo ja, welke?
Vanaf welk niveau van tegenvallende elektriciteitsproductie zou het kabinet eerdere investeringsbeslissingen achteraf als ondoelmatig beoordelen?
Kunt u deze vragen allemaal afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Het bericht ‘Nederland weet amper hoeveel stroom en water zijn datacentra opslokken’ |
|
Barbara Kathmann (GroenLinks-PvdA), Ani Zalinyan (GroenLinks-PvdA) |
|
Aerdts , de Bat , Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht: «Nederland weet amper hoeveel stroom en water zijn datacentra opslokken»?1
Weet u hoeveel stroom en water onze datacentra opslokken?
Zo ja, kunt u deze gegevens publiceren en duidelijk maken welke datacentra het meest verbruiken?
Wat is uw reactie op het artikel en het onderzoek van Lighthouse Reports?
Deelt u de mening dat het publieke belang van transparantie over het stroomverbruik, zwaarder weegt dan het zogenaamd bewaken van bedrijfsgeheimen?
Wat is uw visie op enerzijds het digitaal autonoom maken van Nederland en Europa, en anderzijds de groeiende vraag om stroom en water voor datacentra?
Klopt het dat deze bedrijven hun milieudata zoals stroom en waterverbruik moeten publiceren?
Hoeveel verbruiken de overheidsdatacentra? Kunt u hier actuele gegevens over delen?
Hoe zorgt u ervoor dat het stroomverbruik van datacentra niet ten koste gaat van het verbruik door huishoudens en ander maatschappelijk belangrijk gebruik?
Bent u bereid in de onderhandelingen over het Europese Tech Sovereignty Package te pleiten voor duurzaamheids- en transparantieverplichtingen voor datacentra?
Welke plannen heeft u om overheidsdatacentra te verduurzamen?
Kunt u de aanname van netbeheerder Tennet, dat per 2030 ongeveer 10 tot 15 procent van de Nederlandse stroom naar datacentra gaat, onderbouwen? Hoe wordt de Energy Efficiency Directive (EED) Europees of in Nederland gehandhaafd?
Wat zijn de gevolgen voor een bedrijf dat weigert om aan de EED-richtlijnen te voldoen?
Kunt u laten weten welke bedrijven zich momenteel niet aan deze eisen houden?
Hoe en door wie worden andere milieuregels voor datacentra gehandhaafd?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en vóór het commissiedebat Digitale autonomie van 19 november 2026 beantwoorden?
Het nieuws dat gegevens over het energie-en watergebruik van datacenters ontbreken |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Aerdts , Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met de artikelen in Trouw Toenemend verzet werkt irritatie bij datacentra: «Het zijn cave people»1 en Van driekwart van datacentra is volstrekt onduidelijk over water- en stroomgebruik2?
Hoe kan het dat de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) van slechts 104 datacenters gegevens heeft over de milieubelasting, terwijl er in ieder geval 186 commerciële datacentra gevestigd zijn in Nederland met een vermogen van meer dan 500 kilowatt?
Hoe wordt gehandhaafd dat datacenters gegevens over hun elektriciteit- en waterverbruik rapporteren? Welke maatregelen kan het Rijk of het RVO nemen als datacenters deze gegevens niet of onvolledig aanleveren?
Worden gegevens over de milieubelasting van datacentra, zoals het energie- en watergebruik, aangemerkt als bedrijfsgevoelige informatie?
Bent u het ermee eens dat het publieke belang van transparantie over de milieubelasting van datacenters zwaarder weegt dan het bedrijfsgeheim? Zo nee, waarom niet?
Erkent u dat uit het toenemende lokale verzet tegen de vestiging van datacenters blijkt dat het gaat om een publiek belang?
Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) meldde in 2024 dat het elektriciteitsgebruik van datacenters was gegroeid naar 4,6% van het landelijk elektriciteitsverbruik. Wat was het aandeel van datacenters in het Nederlandse elektriciteitsverbruik in 2025?
Is het kabinet bereid zich binnen de Europese Unie in te zetten voor meer transparantie over de milieubelasting van datacenters, bijvoorbeeld door rapportage en openbaarmaking van belangrijke gegevens te verplichten en hierop hand te haven?
Bent u het eens met de Europese Commissie dat de datacentrumcapaciteit in de Europese Unie in de komende vijf tot zeven jaar zou moet verdrievoudigen? Vindt u dat dit ook geldt voor de Nederlandse datacentrumcapaciteit?
Het bericht ‘Trump overweegt exportverbod diesel, 'zou heel Europa veel last van hebben'’ |
|
Alisha Müller (VVD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het nieuwsartikel «Trump overweegt exportverbod diesel, «zou heel Europa veel last van hebben»»?1
Heeft u aanleiding om te denken dat er op korte termijn mogelijk een exportverbod op Amerikaans geproduceerde diesel kan worden ingevoerd?
Kunt u inzicht geven over hoeveel diesel Nederland en de Europese Unie momenteel uit de Verenigde Staten importeren en welk percentage van het Nederlandse en Europese dieselverbruik daarmee wordt gedekt?
Hoe heeft de import afhankelijkheid van olie en olieproducten vanuit de Verenigde Staten zich de afgelopen jaren ontwikkeld en wat zijn de oorzaken van deze ontwikkeling?
Welke gevolgen zou een Amerikaans exportverbod hebben voor de beschikbaarheid en prijs van diesel in Nederland?
Zijn er voldoende alternatieve leveranciers die op korte termijn in staat zijn het volume op te vangen, en zo ja welke?
Welke gevolgen zou een Amerikaans exportverbod hebben voor Nederlandse huishoudens?
Welke gevolgen zou het hebben voor de Nederlandse raffinaderijen; hebben zij nog ruimte om een deel van de wegvallende productie op te vangen?
Wordt er met lidstaten van het Internationaal Energieagentschap overleg gevoerd over onder welke omstandigheden er opnieuw strategische dieselvoorraden zouden worden vrijgegeven en hoe deze ook weer worden aangevuld en wat is daarin de Nederlandse inzet?
Wordt er in de Europese Unie een reactie voorbereidt op een Amerikaans exportverbod en wat is daarin de Nederlandse inzet?
Hoe beoordeelt u het strategische belang van voldoende raffinagecapaciteit in Nederland en Europa voor de voorzieningszekerheid, mede in het licht van de huidige krapte en een eventueel exportverbod?
Deelt u de constatering van de Secretaris-Generaal van de NAVO dat speciaal voor de operationele capaciteiten van onze strijdkrachten voldoende raffinagecapaciteit cruciaal is?
Wanneer verwacht u de visie op raffinage met de Tweede Kamer te delen en hoe betrekt het kabinet de behoefte van de Nederlandse krijgsmacht en onze NAVO-verplichtingen?
Het gebrek aan gegevens over het energie- en watergebruik van datacenters |
|
André Flach (SGP) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat van veel datacenters in Nederland geen informatie beschikbaar is over het energie- en watergebruik1?
Hoe waardeert u de gebrekkige beschikbaarheid van genoemde gegevens, gelet op de geldende verplichtingen op basis van de Energie-Efficiëntierichtlijn en de Nederlandse implementatie daarvan via onder meer de Omgevingsregeling en op de netcongestie- en milieuproblematiek?
Is de constatering juist dat de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) slechts van 104 datacenters gegevens heeft ontvangen, terwijl in Nederland meer dan 180 datacenters aanwezig zijn die verplicht zijn om onder meer gegevens over energie- en watergebruik te verstrekken? Zo ja, kunt u hier een verklaring voor geven?
Hoe wordt ervoor gezorgd dat alle meldingsplichtige datacenter hun gegevens met betrekking tot energie- en watergebruik gaan verstrekken?
Kunt u aangeven welk deel van de datacenters die genoemde gegevens verstrekt hebben de betreffende gegevens als bedrijfsvertrouwelijk heeft aangemerkt?
Is de veronderstelling juist dat bij milieu-informatie de overheid de afweging kan maken om het publieke belang van transparantie zwaarder te laten wegen dan het belang van de individuele bedrijven?
Hoe weegt u in het geval van datacenters, mede gelet op de grote impact van hun energie- en watergebruik op het energiesysteem en het lokale watersysteem, het publieke belang van transparantie ten opzichte van het belang van de individuele bedrijven?
Hoe gaat u ervoor zorgen dat er meer transparantie komt inzake het energie- en watergebruik van individuele datacenter?
Energieprijzen elektriciteit intensieve industrie |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Herbert , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Hoe is het kabinet van plan onze Nederlandse industrie te behouden voor Nederland terwijl elektriciteit intensieve bedrijven in 2027 opnieuw met fors hogere netkosten worden geconfronteerd en concurrenten in onze buurlanden aanzienlijk lagere totale elektriciteitskosten hebben?
Welke concrete maatregelen neemt het kabinet in 2027 om te voorkomen dat onze elektriciteit intensieve industrie vertrekt naar het buitenland?
Gezien de elektriciteitsenvelop pas vanaf 2028 beschikbaar is, welk instrument en welk budget zet het kabinet in 2027 in om het elektriciteitskostennadeel voor de Nederlandse elektriciteit intensieve industrie te verkleinen?
Het verlagen van de vuldoelen voor de gasvoorraden |
|
Alexander Kops (PVV) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat u voornemens bent het vuldoel voor de gasvoorraden te verlagen van 80% naar 64% om zo prijspieken te voorkomen?1
Het kabinet heeft op 11 september jl. een brief gestuurd over het actuele beeld van de gasleveringszekerheid en een vooruitblik op de winter van 2026–2027.2 Daarin is toegelicht dat het actuele beeld is dat de gasleveringszekerheid in aanloop naar de winter van 2026/2027 voldoende is geborgd. In deze brief is ook toegelicht dat en waarom Nederland gehoor heeft gegeven aan de oproep van de Europese Commissie om het EU-vuldoel voor Nederland te verlagen met 10 procentpunt om te voorkomen dat de gasprijzen onnodig (verder) worden opgedreven. Daarmee komt het Europees vuldoel voor Nederland uit op 64%, dat is afgerond 93 TWh.
Deelt u de mening dat het een bizarre gang van zaken is (1) dat u eerst zélf een nationaal vuldoel vaststelt omdat u dat nodig acht, (2) dat u dat doel echter niet haalt en (3) dat u vervolgens het doel verlaagt? Kunt u zich voorstellen dat dit niet bepaald geruststellend overkomt?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat u «garandeert» dat de Nederlanders komende winter níét in de kou komen te zitten en dat er géén gastekort zal ontstaan? Zo ja, waarop is deze «garantie» gebaseerd, aangezien (1) de Gasunie de gasvoorraden nu weliswaar voldoende acht, maar een gastekort ook niet kan uitsluiten en (2) energiespecialisten er juist voor pleiten de gasvoorraden verder te vúllen, vrezend voor een zeer strenge winter en/of verstoringen?
Zie antwoord vraag 1.
Welk concreet effect verwacht u van het verlagen van het vuldoel op de gasprijs? Kunt u ook de «garantie» uitspreken dat de Nederlanders daadwerkelijk fors minder gaan betalen – en als dat niet middels een lagere gasprijs is, dan bijvoorbeeld door een lagere btw op energie?
Nederland heeft zelfstandig beperkte invloed op gasprijzen op de internationale groothandelsmarkt. De Europese Unie als geheel kan daar een groter effect op hebben. Daarom heeft de Europese Commissie alle lidstaten gezamenlijk opgeroepen om hun vuldoel met 10 procentpunt te verlagen. Zoals ik in het antwoord op de vragen 1, 2 en 3 heb aangegeven, geeft Nederland gehoor aan die oproep van de Europese Commissie. Verder heeft het kabinet dit voorjaar een pakket aan maatregelen vastgesteld om de weerbaarheid tegen hogere energieprijzen te vergroten en de mogelijke gevolgen op korte termijn te beperken.3
Klopt het dat Energie Beheer Nederland (EBN) met belastinggeld van de Nederlanders de gasvoorraden vult voor zover de markt dat nalaat, maar dat dat gas uiteindelijk ook naar het buitenland kan vloeien? Deelt u de conclusie dat de Nederlanders zich niet blauw betalen om andere landen van gas te voorzien?
Voor deze winter speelt EBN een belangrijke rol om voldoende gas op te slaan. Het gas dat in Nederland wordt opgeslagen wordt gekocht door leveranciers die klanten in Nederland kunnen beleveren maar ook klanten in buurlanden. Voor Nederlandse klanten gekocht gas blijft in Nederland en komt terecht bij Nederlandse afnemers. Andersom kunnen leveranciers met klanten in Nederland ook gas inkopen dat bijvoorbeeld in Duitsland wordt opgeslagen. De weerbaarheid van de Europese gasmarkt is gebaat bij een gezamenlijke aanpak. Daarom legt de Verordening gasleveringszekerheid4 ook alle landen met opslagcapaciteit een jaarlijks vuldoel op. Een gezamenlijke weerbare Europese gasmarkt komt de leveringszekerheid van alle lidstaten ten goede, inclusief Nederland. Gezien onze relatief grote opslagcapaciteit draagt Nederland daar wel meer dan sommige andere landen aan bij. Het kabinet pleit in dit kader in Brussel voor het aanpassen van het huidige systeem met behoud van leveringszekerheid.
Deelt u de mening dat óns gas van óns is? Gaat u ervoor zorgen dat ónze gasvoorraden louter ónze leveringszekerheid ten goede komen?
Zie antwoord vraag 5.
De gasvelden in Groningen |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Is het correct dat het afdichten van de gasputten in Groningen ongeveer 2 miljard euro kost?1 Indien dit niet correct is, hoeveel kost het afdichten van deze gasputten de Nederlandse belastingbetaling bij benadering dan ongeveer?
De kosten voor het opruimen van de gasputten van het Groningenveld zijn kosten die hoe dan ook op enig moment gemaakt zouden moeten worden, want op basis van de Mijnbouwwet is een operator verplicht buitenwerking gestelde mijnbouwwerken te ontmantelen. Een deel van de opbrengst van de winning is hiervoor in het verleden opzijgezet.
NAM geeft desgevraagd aan dat de kosten voor alleen het opruimen van enkel de resterende putten van het Groningenveld ongeveer € 0,5 miljard bedragen (peildatum eind 2025). Hiervoor geldt dat 40% daarvan (€ 0,2 miljard) door EBN wordt gedragen. Zowel NAM als EBN hebben hiervoor voorzieningen genomen. Tenslotte drukken de opruimkosten het resultaat van NAM, wat leidt tot gemiste belastinginkomsten.
Zoals hierboven gesteld, zijn dit geen extra kosten gerelateerd aan huidige beleidskeuzes, maar kosten die altijd op enig moment gemaakt worden.
Is het correct dat de gasinstallaties boven het Groningse gasveld inmiddels deels naar Oekraïne zijn verscheept?
Ik verwijs naar de antwoorden van de Staatssecretaris Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp op vragen van de van de leden Klos en Van der Werf (beiden D66) over het artikel «Oekraïne wil oude gasinstallaties uit Groningen hebben»2, die op 2 februari jl. zijn toegezonden aan de Tweede Kamer. Daarin is aangegeven dat het kabinet in verband met de veiligheidssituatie in Oekraïne geen uitspraken doet over concrete leveringen.
Hoeveel tijd en geld zou het Nederland, bij benadering, kosten om, in een noodsituatie waarbij er uit het buitenland ineens niet voldoende gas naar Nederland kan worden gehaald, onze Groningse gasvelden, die nu met beton worden dichtgestort en waarvan de gasinstallaties worden ontmanteld, weer operationeel te maken?
Er is een duidelijke belofte gedaan na jaren van leed en onduidelijkheid: het Groningenveld blijft dicht. Het wetsvoorstel waarmee de beëindiging van de gaswinning uit het Groningenveld wettelijk is verankerd, is begin 2024 met een overgrote meerderheid door zowel de Eerste als de Tweede Kamer aangenomen. Een betrouwbare overheid komt daar niet op terug. Er is daarom geen tijds- en kosteninschatting van het opnieuw operationeel maken van de gasinstallaties.
Voor het ondervangen van noodsituaties is het Bescherm- en Herstelplan Gas (BHG) ontwikkeld. Ook wordt een voorlopige strategische gasopslag aangelegd in de PGI Alkmaar. Voor een grotere strategische gasopslag ga ik graag in gesprek met de Kamer op basis van de brief over strategisch gasbeleid die op korte termijn aan de Kamer wordt toegezonden. Daarnaast werkt het kabinet het voorstel voor de Wet bestrijden energieleveringscrisis en de daarbij horende lagere regelgeving verder uit.
Vindt u het verstandig, met een dreigende internationale energiecrisis op komst, de gasputten naar onze nationale strategische gasreserve vol te storten met beton en de gasinstallaties te ontmantelen en verschepen naar Oekraïne?
Zie het antwoord op vraag 3.
Voor hoeveel procent, ongeveer, is de Nederlandse strategische gasopslag op dit moment gevuld en loopt het vullen hiervan volgens schema?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar de recente Kamerbrief over gasleveringszekerheid3. Daarin is aangegeven dat de Nederlandse opslagen op 9 september met 51% gevuld waren. Het vullen loopt op schema.
Het uitblijven van een besluit over nationale normen voor windturbines op land |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Bertram , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de toezegging, gedaan tijdens het commissiedebat Hernieuwbare Energie op 15 april 2026 en die is herhaald in het antwoord van 22 mei 2026 op Kamervragen van de leden Huidekooper en Klos over milieunormen voor windturbines op land1, om de Kamer vóór de zomer te informeren over de nieuwe landelijke normen voor windturbines op land?
Ja.
Kunt u bevestigen dat dit besluit wel op de agenda van de ministerraad van 10 juli 2026 stond maar daarna niet naar de Kamer is gestuurd? Zo ja, wat is hiervan de reden?
Ja, het onderwerp stond op de agenda van de ministerraad van 10 juli jl. Daar heeft echter geen finale besluitvorming plaatsgevonden waardoor het informeren van de Kamer niet mogelijk is gebleken. Het onderwerp is in de ministerraad van 28 augustus opnieuw behandeld.
Klopt het dat de overbruggingsregeling voor bestaande windparken opnieuw is verlengd, ditmaal tot en met 31 december 2027? Betekent dit dat de eerdergenoemde inwerkingtredingsdatum van 1 januari 2027 voor de definitieve milieunormen niet langer haalbaar wordt geacht?2
Het kabinet is voornemens de overbruggingsregeling te verlengen. Het voorstel hiertoe ligt nu bij de Raad van State. Inwerkingtreding van de nieuwe normen zal niet voor 1 januari 2027 kunnen plaatsvinden.
Welke gevolgen heeft dit hernieuwde uitstel voor provincies en gemeenten die bij hun ruimtelijke besluitvorming over windparken op land wachten op landelijke duidelijkheid?
Met de Kamerbrief die na de ministerraad van 28 augustus is verzonden, wordt de Kamer geïnformeerd dat het ontwerpbesluit voor het einde van dit jaar voor voorhang wordt aangeboden. Hiermee wordt zo spoedig mogelijk duidelijkheid gecreëerd over de landelijke milieu- en afstandsnormen voor windturbines op land. In de tussentijd kunnen provincies en gemeenten zelf normen stellen om ruimtelijke besluitvorming over windparken doorgang te laten vinden en zorgt de tijdelijke overbruggingsregeling ervoor dat de huidige milieunormen blijven gelden voor bestaande windparken.
Welke gevolgen heeft dit hernieuwde uitstel voor de realisatiegraad van wind op land, die volgens het Nationaal Programma Regionale Energiestrategie (NP RES) steeds verder afneemt?
Zoals blijkt uit de Monitor Wind op Land3, neemt de verwachte toekomstige realisatiegraad en pijplijn voor windturbines af. Naast factoren als netcongestie, vertraging door bezwaar- en beroepsprocedures en beperkingen als gevolg van defensieactiviteiten, draagt ook de onzekerheid over het uitblijven van duidelijkheid over landelijke afstandsnormen voor windturbines op land hieraan bij. Het ontbreken daarvan is daarmee niet de enige, maar wel één van de factoren die de realisatie van windturbines beperkt.
Erkent u dat het verder uitstellen van een besluit ervoor zorgt dat de uitrol van wind op land stagneert en de RES-doelen niet worden gehaald en dat de Nederlandse energie-afhankelijkheid hierdoor langer in stand wordt gehouden? Zo ja, gaat u dan zo spoedig mogelijk landelijke milieunormen vaststellen?
Zoals benoemd in het antwoord op vraag 5 heeft de onzekerheid over het uitblijven van landelijke normen inderdaad bijgedragen aan een daling in de verwachte toekomstige realisatiegraad en pijplijn voor windturbines op land.
Bent u ermee bekend dat de provincie Gelderland voornemens is een afstandsnorm in de provinciale Omgevingsverordening op te nemen en deze in september 2026 vast te stellen?
Ja, zoals blijkt uit Statenstukken Uitwerking Initiatiefvoorstel RES en 2x tip – Impact afstandsnorm en Andere vormen van opwek4 zal de Omgevingsverordening worden voorgelegd aan de Staten in het derde kwartaal van 2026.
Bent u ermee bekend dat deze afstandsnorm ervoor zorgt dat het RES-doel in Gelderland waar de provincie zich ook aan heeft gecommitteerd, niet meer wordt gehaald, zoals uit een eigen analyse van de provincie blijkt?3
Uit de Statenstukken Uitwerking Initiatiefvoorstel RES en 2x tip – Impact afstandsnorm en Andere vormen van opwek blijkt dat de Provincie Gelderland concludeert dat een afstandsnorm van twee keer de tiphoogte ertoe leidt dat Regio Foodvalley niet de RES-doelstelling voor windenergie op land kan behalen.
Omdat de Gelderse RES-regio’s hebben afgesproken elkaars RES-opgave niet over te nemen, concludeert de provincie Gelderland dat de Gelderse RES-doelstelling niet haalbaar is. Daarbij benoemen de provincie Gelderland dat de RES-doelstelling in Gelderland ook zonder afstandsnorm al onder druk staat door o.a. netcongestie en de aanwezigheid van de wespendief.
Het kabinet heeft de Kamer op 28 augustus 2026 geïnformeerd dat het voornemens is om in het Ontwerpbesluit windturbines leefomgeving een instructieregel op te nemen op grond waarvan bij het nemen van ruimtelijke besluiten, zoals het vaststellen van een omgevingsplan, rekening moet worden gehouden met een afstand van twee keer de tiphoogte tussen een windturbine en de dichtstbijzijnde woning.
«Rekening houden met» betekent dat de afstandsnorm zwaar weegt in de belangenafweging die in het kader van dergelijke besluiten plaatsvindt, maar niet dwingt tot een bepaalde uitkomst. Gemotiveerd kan een kleinere afstand worden gehanteerd. Dat biedt ruimte voor het nastreven van de RES-doelstelling in Gelderland en om aanvullende opwek mogelijk te maken.
Zoals benoemd in de Kamerbrief Versterking van de Decentrale Ontwikkelingen in het Energiesysteem6, zal de Minister van Klimaat en Groene Groei, in het licht van de actualisatie van het Nationaal Plan Energiesysteem, toewerken naar nieuwe richtwaarden voor de opwek van zon en wind op land voor 2040, en deze laten landen in de te maken energieafspraken met medeoverheden.
Is de afstandsnorm die Gelderland beoogt afwijkend van de milieunormen die u beoogt? Zo ja, kunt u uitleggen waarin deze norm van Gelderland afwijkt?
Met de Kamerbrief die na de MR van 28 augustus is verzonden, wordt de Kamer geïnformeerd dat er gekozen is voor een afstandsnorm van twee keer tiphoogte met uitzonderingen, en de ruimte om daar beargumenteerd naar beneden toe van af te wijken.
Bent u het ermee eens dat het zeer wenselijk is dat er zo snel mogelijk landelijke milieunormen voor windmolens op land worden vastgesteld die enerzijds milieueffecten van windmolens op land beperken, maar wel zorgen dat de RES-doelen binnen de afgesproken termijn worden behaald?
Ja.
Bent u het ermee eens dat het onwenselijk is dat gemeenten en provincies eigen, van elkaar afwijkende normen gaan vaststellen die ervoor zorgen dat de al jaren gewenste duidelijkheid rond de milieunormen voor windmolens op land voor omwonenden, initiatiefnemers, gemeenten en provincies blijft ontbreken?
Ja. Met de Kamerbrief die na de MR van 28 augustus is verzonden, biedt het kabinet meer duidelijkheid over de nieuwe normen voor windturbines op land.
Hoe voorkomt u dat er door het ontbreken van landelijke regie een wildgroei aan afstandsnormen op regionaal niveau (zoals o.a. in Drenthe en Gelderland) gaat ontstaan?
Met de Kamerbrief die na de MR van 28 augustus is verzonden, is de Kamer geïnformeerd over de keuze voor een instructieregel die bepaalt dat bij het vaststellen van een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met een afstand van twee keer de tiphoogte tussen windturbine(s) en de dichtstbijzijnde woning. Deze instructieregel wordt de komende periode uitgewerkt in de ontwerp-AMvB, die nog dit jaar aan het parlement zal worden verzonden in het kader van de voorhang. Met deze instructieregel wordt op nationaal niveau voorzien in één uniforme afstandsnorm. Daarmee wordt voorkomen dat provincies eigen instructieregels over de afstand tot windturbines kunnen stellen.
Wat is uw standpunt over een afstandsnorm voor windmolens op land? Kunt u hierbij uw antwoorden van 22 mei 2026 op Kamervragen van de leden Huidekooper en Klos over milieunormen voor windturbines op land, waarin u het gebrek aan meerwaarde c.q. de nadelen van een afstandsnorm noemt, hierbij betrekken? Kunt u hierbij ook de brief van o.a. VNG, NVDE en VNO NCW over milieunormen betrekken?4
Zoals ook hierboven beantwoord, is de Kamer na de MR van 28 augustus geïnformeerd dat het kabinet kiest om de in het ontwerpbesluit opgenomen afstandsnorm van twee keer de tiphoogte van een windturbine met uitzonderingen te behouden. Een afstandsnorm biedt geen extra bescherming tegen hinder van windturbines, deze wordt immers al door de milieunormen over bijvoorbeeld geluid verzekerd. De afstandsnorm biedt enkel duidelijkheid aan burgers, omwonenden en bestuurders over de afstand tussen woningen en windturbines. In de verzonden Kamerbrief wordt toegelicht hoe de keuze recht doet aan het belang van de energieopgave enerzijds en aan de zorgen van omwonenden anderzijds.
Kunt u een concrete datum noemen waarop de Kamer de toegezegde brief alsnog kan verwachten? Kunt u toezeggen dat het besluit over landelijke normen alsnog in de eerstvolgende ministerraad, die gepland is voor 14 augustus 2026, wordt genomen?
De Kamer is op 28 augustus jl. over het besluit van het kabinet geïnformeerd.
Kunt u deze vragen uiterlijk 1 september 2026 beantwoorden, zodat er snel meer duidelijkheid komt?
Ja.
De langdurige storing van kerncentrale Borssele |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat kerncentrale Borssele sinds 27 juni 2026 twee weken buiten bedrijf was vanwege een lekkage in het nucleaire gedeelte?1
Ja.
Klopt het dat, drie weken na afronding van deze onderhoudsstop, de centrale opnieuw moest worden stilgelegd vanwege een lekkage?
Ja. De reden hiervoor was een kleine lekkage aan een afsluiter in het nucleaire deel van de kerncentrale. Om dit zorgvuldig en volgens protocol te verhelpen, is de centrale tijdelijk uit bedrijf genomen.
Wat zijn de gevolgen van deze lekkage en het stilleggen van de kerncentrale?
De lekkage en het stilleggen van de centrale heeft geen gevolgen gehad voor de medewerkers van EPZ, omwonenden en de kerncentrale. De afsluiter die lekte is vervangen. Tijdens de reparatiewerkzaamheden vond EPZ in dezelfde ruimte een leiding in mindere staat. EPZ heeft een deel van deze leiding vervangen. Op 16 juli jl. is de kerncentrale volgens protocol weer veilig in bedrijf gegaan.
EPZ heeft de toezichthouder Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) gedurende het gehele proces op de hoogte gehouden van de ontwikkelingen.
De kerncentrale heeft een elektrisch vermogen van 485 MW. Dat betekent dat de centrale 11.640 MWh elektriciteit per dag kan leveren als de centrale 24 uur op vol vermogen kan draaien. De centrale was aan het begin van de zomer 19 dagen buiten bedrijf. In die periode had 221.160 MWh elektriciteit opgewekt kunnen worden.
Wanneer gaat de centrale weer stroom leveren? Hoeveel stroom is er door dit onderhoud minder opgewekt dan voorzien?
Zie antwoord vraag 3.
Is de storing gerelateerd aan de leeftijd van de reactor? Zijn er nog leveranciers om dit soort storingen te verhelpen?
Er is geen verband tussen het optreden van de lekkage en de leeftijd van de reactor. Zoals aangegeven is de lekkage gerepareerd en is de kerncentrale weer veilig in bedrijf.
Hoe verhoudt dit incident zich met de voorgenomen bedrijfsduurverlenging van Borssele?
Er is geen relatie tussen deze ongewone gebeurtenis en de voorgenomen bedrijfsduurverlenging van de kerncentrale Borssele. Voordat de bedrijfsduurverlenging van de kerncentrale vergund kan worden door de ANVS, zal zij uiteraard uitvoerig verouderingsaspecten en de daarbij behorende eisen om de veiligheid te borgen onderzoeken, als onderdeel van het vergunningsverleningsproces.
In hoeverre wordt de ervaring met de betrouwbaarheid en onderhoudsgevoeligheid (en de daarmee verbonden kosten) van de bestaande centrale in Borssele meegewogen in de besluitvorming over de twee nieuwe, aanzienlijk grotere kerncentrales?
Het kabinet beschouwt kernenergie als een betrouwbare en waardevolle aanvulling op de Nederlandse energiemix. Net als andere grote energiecentrales heeft een kerncentrale periodiek onderhoud nodig. De kosten hiervoor vormen een vast onderdeel van de structurele operationele uitgaven en worden meegenomen in de business case voor de nieuwe centrales.
Bent u bereid de Kamer, zodra de centrale weer in bedrijf is, een overzicht te sturen over de oorzaak en gevolgen van deze storing, inclusief het oordeel van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS)?
Jaarlijks stuurt de Staatssecretaris van IenW de rapportage Ongewone Gebeurtenissen met daarin de meldplichtige gebeurtenissen bij nucleaire installaties (opgesteld door de ANVS) aan de Kamer en publiceert de ANVS deze op haar website. Dat zal in de toekomst zo blijven. Ook deze ongewone gebeurtenis zal in de rapportage over 2026 gemeld worden. Een actueel overzicht van ongewone gebeurtenissen is ook te vinden op de website van de ANVS2.
De beantwoording van Kamervragen over zwerfstroom en aanhoudende problemen bij veehouderijen |
|
Chris Stoffer (SGP), André Flach (SGP) |
|
Bertram , Silvio Erkens (VVD), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Deelt u de constatering dat er tenminste signalen zijn dat meerdere veehouderijbedrijven dierenwelzijns- en andere problemen hebben mogelijk als gevolg van zwerfstroom?1 2
Ja, er zijn signalen dat er op enkele veehouderijen dierenwelzijns- en gezondheidsproblemen worden waargenomen, waarbij de veehouders de link leggen met zwerfstroom.
Hoe waardeert u de kritiek van experts, waaronder hoogleraar elektromagnetisme Frank Leferink, op de uitgevoerde second opinion door DNV?3
De second opinion waar het gaat om de casus Ooltgensplaat is niet door DNV uitgevoerd maar door een ingenieursbureau. De onderzoeksopzet van de second opinion is indertijd tevoren goedgekeurd door hoogleraar Leferink. Hoogleraar Leferink geeft in zijn reactie op de second opinion aan dat, op basis van (de wijze van meten in) de uitgevoerde second opinion, het volgens hem niet duidelijk is of er wel of geen zwerfstromen rondom de boerderij(en) aanwezig zijn.
DNV is door de provincie Zuid-Holland gevraagd om het oorspronkelijke onderzoek en de second opinion te bestuderen en van commentaar te voorzien. DNV heeft dit in een memo gericht aan de provincie opgeschreven (Memo nr. 10536763 – 31-01-2025). De reactie van hoogleraar Leferink lijkt niet gericht op deze DNV-memo. Volgens DNV bevat het oorspronkelijke onderzoek geen bewijs of indicatie dat externe invloeden de veroorzaker zouden kunnen zijn voor de gemelde klachten binnen de twee bedrijven («De metingen zijn ongeschikt om zwerfstromen te detecteren, laat staan deze in verband te brengen met externe oorzaken»). Wel constateerde DNV dat de elektrische installatie van het melkveebedrijf vermoedelijk niet aan de geldende veiligheidsnormen voldeed.
In het artikel waarnaar verwezen wordt benadrukt ook hoogleraar Leferink dat veebedrijven hightech bedrijven zijn geworden en dat als filters van de apparaten niet goed zijn ingesteld er lekstromen kunnen ontstaan.
In recent onderzoek («Onderzoek lek- en zwerfstromen door windturbines, zonneparken en batterijopslagsystemen», d.d. 15 juni 2026) constateert DNV dat windturbines, zonneparken en batterijopslagsystemen op enkele meters afstand geen waarneembare zwerfstromen voor landbouwdieren veroorzaken.
Bent u op de hoogte van de brief verstuurd vanuit gedeputeerde staten Zuid-Holland aan de provinciale staten?4
Ja.
Hoe waardeert u de breed gedeelde conclusies die getrokken zijn naar aanleiding van uitgevoerd onderzoek, de second opinion en overleg tussen betrokkenen en experts dat het voorkomen van de problematiek op twee losse maar in de buurt van elkaar gelegen bedrijfslocaties doet vermoeden dat er sprake is van bedrijfsoverstijgende oorzaken, dat de problematiek overeenkomt met andere bekende gevallen van zwerfstroom, dat elektrificatie mogelijk nieuwe uitdagingen oplevert waardoor vraagstukken over zwerfstroom meer gaan spelen, dat er nog geen eenduidige oorzaak van de problematiek is aan te wijzen en dat derhalve multidisciplinair onderzoek nodig is?
De conclusie die breed gedragen wordt is dat elektrificatie mogelijk nieuwe uitdagingen oplevert. Veehouderijbedrijven zijn als gevolg van de elektrificatie hightech bedrijven geworden met diverse elektrische apparaten die onderling afgesteld moeten worden. Het is daarbij goed voorstelbaar dat de veehouders zorgen hebben, gezien de klachten die zij ervaren. Er is geen aanleiding voor multidisciplinair onderzoek omdat dat pas zinvol is er in monodisciplines geen mogelijke oorzaak van de problemen wordt gevonden.
Is de veronderstelling juist dat er concrete veiligheidsnormering is beneden 2,5 kHz (netcode/technische code) en boven 150 kHz (op basis van de Europese EMC-richtlijn), maar niet in het middengebied?
Het is niet correct dat er geen normstelling is in het middengebied tussen 2,5 en 150 kHz is. Productregelgeving zoals de machinerichtlijn, radioapparatenrichtlijn en laagspanningsrichtlijn stelt eisen aan dierenwelzijn gerelateerd aan zwerfstroom zonder frequentie beperkingen en dekt dus ook het middengebied.
Is de veronderstelling juist dat zwerfstroom voorkomen kan worden via technische oplossingen, bijvoorbeeld door goede filtering bij elektrische installaties, ook in het frequentiegebied tussen 2,5 en 150 kHz?
Ja, voor alle frequenties zijn technische maatregelen te treffen om zwerfstroom terug te brengen naar een acceptabel niveau.
Is het uw voornemen om meer grip te krijgen op de problematiek van zwerfstroom? Zo ja, hoe?
Zoals ook blijkt uit bovenstaande antwoorden is grip krijgen op zwerfstroom vooral een technisch en geen beleidsmatig vraagstuk. Zoals aangegeven in eerdere antwoorden op vragen van de leden Flach en Stoffer5 ontstaat zwerfstroom wanneer elektrische installaties niet goed geaard zijn of bedradingen niet goed geïsoleerd zijn. Ook kunnen zwerfstromen ontstaan als de opbouw en capaciteit van de elektrische installatie onvoldoende is of apparatuur wordt gebruikt die niet voldoet aan de Europese veiligheidsregels. De grootste uitdaging zit in de correcte aanleg, onderhoud en controles van de elektrische installaties door gecertificeerde elektrotechnische installatiedeskundigen.
Is de veronderstelling juist dat de huidige normering geen uitsluitsel geeft wat betreft de invloed van elektrische verschijnselen op biologisch gedrag of stress bij dieren?
De genoemde regelgeving en richtlijnen in het antwoord op vraag 5 veronderstellen dat er voldoende normering is voor wat betreft de invloed van elektrische verschijnselen op dierenwelzijn. Het recente onderzoek van DNV («Onderzoek lek- en zwerfstromen door windturbines, zonneparken en batterijopslagsystemen», d.d. 15 juni 2026) bevat een kort literatuuronderzoek naar technisch-wetenschappelijk onderzoek aan zwerfspanningen in agrarische omgevingen.
Het is bekend dat elektrische verschijnselen invloed kunnen hebben op het gedrag van dieren en stress bij dieren kan veroorzaken. Vanuit de zorgplicht voor dieren volgt dan ook dat dierhouders verantwoordelijk zijn om de elektrische installaties op hun bedrijf te onderhouden.
Deelt u de mening dat een probleem dat zich in de praktijk voordoet, maar institutioneel moeilijk te adresseren is, toch opgepakt en uitgezocht moet worden?5
Ik begrijp dat veehouders die problemen ervaren met de gezondheid van hun dieren zorgen hebben over zwerfstroom. Het is dan ook van belang dat bedrijven in ieder geval goed onderzoeken of de bedrijfsinstallatie niet onverhoopt tot zwerfstroom leidt. De verantwoordelijkheid daarvoor ligt primair bij de ondernemer en de installateur van de bedrijfsinstallaties.
Bent u bereid in overleg te gaan met betrokken experts over de noodzaak en eventuele opzet van het gevraagde multidisciplinair onderzoek naar zwerfstroom?
Afgelopen anderhalf jaar is diverse keren gesproken met de provincie, gemeente, de getroffen veehouder en kennispartijen zoals het Kennisplatform elektromagnetische velden. Deze gesprekken hebben geen nieuwe inzichten opgeleverd op basis waarvan een multidisciplinair onderzoek gerechtvaardigd zou zijn. Dit wordt ondersteund door de second opinion en het DNV-memo en -onderzoek.
Het uitzetten van het stroomnet in Brabant vanwege overbelasting en netcongestie |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
de Bat |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel: «Buitenlandse bedrijven mijden Nederland door dreiging netcongestie»?1
Ja.
Wat is uw reactie op het tijdelijk afschakelen van delen van het stroomnet?
Na vernomen te hebben dat netbeheerder Enexis zich genoodzaakt zag over te gaan tot het tijdelijk afschakelen van ongeveer 18.000 klanten in en nabij Tilburg, is direct contact gelegd met de netbeheerder om goed geïnformeerd te worden over de situatie. Een stroomstoring is altijd een vervelende situatie voor de getroffen huishoudens en bedrijven. Hoewel later is gebleken dat de aanleiding een foutieve meetweergave was (zie het antwoord op vraag 3), hebben de medewerkers van Enexis, met beperkte tijd en informatie op dat moment, juist gehandeld. Daarbij is het indrukwekkend dat Enexis bij 17.900 klanten de stroom binnen een kwartier heeft hersteld en bij de laatste 90 getroffen klanten binnen 40 minuten.
Is de exacte oorzaak van deze situatie inmiddels bij u bekend? Zo ja, wat is deze oorzaak? Zo nee, bent u bereid dit nader te laten uitzoeken en de Kamer hierover alsnog te informeren?
Ja, de oorzaak is bekend. De afschakeling van een deel van het stroomnet in Tilburg was niet het gevolg van een daadwerkelijke stroompiek. Uit nadere analyse is gebleken dat meetapparatuur na werkzaamheden was teruggevallen naar de fabrieksinstellingen, waardoor ten onrechte een aanzienlijk hogere stroomdoorvoer werd geregistreerd dan feitelijk het geval was. Op basis van de op dat moment beschikbare informatie was afschakeling noodzakelijk om de netveiligheid te waarborgen en daarmee mogelijk langdurige uitval door herstelwerkzaamheden van kapotte apparatuur te voorkomen. Enexis doet onderzoek hoe het kan dat de apparatuur is teruggevallen naar de fabrieksinstellingen om dit soort situaties in de toekomst te voorkomen.
Verwacht u dat dergelijke noodmaatregelen vaker nodig zullen zijn? Zo ja, met welke frequentie verwacht u dat dit zal gebeuren en wat is naar verwachting de duur per verstoring?
De druk op het stroomnet neemt op verschillende plekken toe. Netbeheerders nemen maatregelen om overbelasting zoveel mogelijk te voorkomen, zoals de inzet van de storingsreserve op het stroomnet, mobiele batterijen en afspraken met bedrijven over hun afname van elektriciteit. Desondanks is niet uit te sluiten dat in uitzonderlijke situaties noodmaatregelen nodig zijn. De frequentie waarmee dit zou kunnen voorkomen is niet generiek te voorspellen; dit is sterk afhankelijk van lokale (weers)omstandigheden en de actuele belasting van het net.
Wordt er bij dergelijke beslissingen door netbeheerders gecommuniceerd met kritieke sectoren en de overheid? Zo ja, hoe verloopt deze communicatie? Zo nee, waarom niet en wordt dit op termijn alsnog ingericht?
Bij elke collectieve storing of collectieve afschakeling informeert de netbeheerder direct na de gebeurtenis, binnen vijf minuten, de betreffende veiligheidsregio over het getroffen gebied, het aantal getroffen klanten en verwachte eindtijd. Dit is ook bij het incident in Tilburg gebeurd. Bij grote of langdurige storingen sturen de netbeheerders tussentijdse updates. Er is doorlopend goed contact tussen netbeheerders en de crisisorganisaties in de veiligheidsregio, en zij trainen gezamenlijk op dergelijke scenario’s.
Netbeheerders werken aan manieren om klanten snel te waarschuwen op het moment er een voorzienbare afschakeling aan komt. In de praktijk zullen overbelastingssituaties vaak een onverwacht en acuut karakter hebben, waardoor binnen enkele minuten moet worden besloten tot afschakeling. In dergelijke situaties is voorafgaande communicatie niet altijd mogelijk, anders dan bij bijvoorbeeld geplande werkzaamheden.
Deelt u de zorg dat dit incident laat zien dat netcongestie niet langer alleen een probleem is voor nieuwe aansluitingen of uitbreidingen, maar inmiddels ook raakt aan de betrouwbaarheid van de bestaande stroomvoorziening?
Dit incident werd niet veroorzaakt door netcongestie; zie het antwoord op vraag 3.
Komt u met een vervolg op of aanvulling van het Landelijk Actieprogramma Netcongestie, aangezien de waarschuwingen over het vollopende stroomnet elkaar haast wekelijks opvolgen? Wanneer verwacht u de eerste resultaten van de maatregelen?
Het Landelijk Actieprogramma Netcongestie (LAN) is een belangrijke pijler van de aanpak van netcongestie door het kabinet, samen met netbeheerders, medeoverheden, marktpartijen en de ACM. Het is sinds de start een «levend programma»: het wordt doorlopend aangevuld en bijgestuurd aan de hand van ontwikkelingen en resultaten. De afgelopen tijd zijn bijvoorbeeld acties uit het Aansluitoffensief2 en de aanpak sneller uitbreiden elektriciteitsnet3 toegevoegd aan het LAN. Ik heb uw Kamer op 30 juni jl. geïnformeerd4 over de nieuwe structuur van het LAN, gericht op sneller en effectiever handelen en op versterking van de samenwerking en wisselwerking tussen regionale trajecten en landelijk beleid.
Voor de voortgang en resultaten van het LAN verwijs ik naar de voortgangsrapportages en begeleidende brieven die uw Kamer twee keer per jaar ontvangt5, waarin onder meer de fysieke netuitbreiding en afgesloten flexibele contracten worden bijgehouden. In de genoemde brief van 30 juni zijn aanvullend enkele concrete resultaten genoemd in specifieke gebieden (Zeeland, Oostzaan) waar extra ruimte op het net is gevonden voor partijen op de wachtrij.
Hoe hoog verwacht u dat de maatschappelijke effecten zijn van de directe kosten van netuitbreiding die richting 2040 oplopen tot 270 miljard euro2, en het overvolle stroomnet dat tegelijkertijd uitbreidingen en economische groei remt? Als dit onbekend is, bent u dan bereid hiervan een raming te maken, uitgesplitst naar vermeden investeringen, beperking van economische groei en banen?
De schaarste aan transportcapaciteit voor elektriciteit kan bedrijven belemmeren bij gewenste uitbreiding of vestiging in Nederland. Dit heeft gevolgen voor de economische groei en de werkgelegenheid. Op basis van onderzoek van Ecorys7 schat BCG in dat Nederland circa € 10 tot € 35 mld. per jaar aan economische baten misloopt door netcongestie8. Er staan op dit moment bij de regionale netbeheerders zo’n 15.000 partijen op de wachtrij voor grootverbruik, voor in totaal ruim 9.300 MW aan afnamecapaciteit. Dit betreft voor een groot deel (industriële) bedrijven met ambities voor groei en/of verduurzaming. Deze situatie onderstreept de urgentie van de aanpak van netcongestie voor de economie en de energietransitie. Er bestaan echter grote verschillen tussen economische sectoren en individuele bedrijven in zowel de toegevoegde waarde per MWh gebruikte elektriciteit, als in de mate waarin mitigerende maatregelen en alternatieven beschikbaar zijn, zoals vraagverschuiving in de tijd en opwek of opslag «achter de meter». In het algemeen geldt dat zowel het financiële resultaat van individuele bedrijven als de groei van de economie als geheel van vele factoren afhankelijk is, waar netcongestie er één van is. Het is zodoende onmogelijk om te kwantificeren hoeveel bedrijven als gevolg van netcongestie niet in Nederland hebben geïnvesteerd. Met het Aansluitoffensief9 werken netbeheerders, bedrijfsleven en overheid samen om meer bedrijven te helpen om ondanks netcongestie uit te kunnen breiden. Ook nemen regionale netbeheerders initiatieven om bedrijven op de wachtrij voor vaste capaciteit actief te benaderen om capaciteit aan te bieden op momenten dat die wél beschikbaar is.
Kunt u in cijfers uitdrukken hoeveel bedrijven Nederland hebben gemeden of zijn uitgeweken naar het buitenland, hoeveel banen dit Nederland kost en wat de economische kosten hiervan zijn, aangezien ook internationale bedrijven niet meer naar Nederland komen vanwege netcongestie?
Zie antwoord vraag 8.
Worden de ontwikkelingen op het stroomnet en de gevolgen hiervan voor het investeringsklimaat ook meegenomen in de modellen voor voorspellingen over de verwachte energievraag? Zo ja, waar en op welke wijze? Welke gevolgen heeft dit tot op heden voor de prognoses?
Ja. Beelden van de toekomstige energievraag worden gemaakt door o.a. het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) in de jaarlijkse Klimaat- en Energieverkenning (KEV), door de netbeheerders ten behoeve van hun investeringsplannen, en door het Ministerie van EZK als onderdeel van het Nationaal Plan Energiesysteem. In de KEV schetst het PBL de verwachte energievraag bij vastgesteld en voorgenomen beleid en maakt daarbij gebruik van actuele marktverwachtingen en andere omstandigheden zoals netcongestie. De netbeheerders monitoren continu de ontwikkelingen in de energievraag en betrekken de bredere economische en investeringsontwikkelingen bij analyses en scenario’s van het energiesysteem. De meest recente uitwerking hiervan is de Verkenning Vertraagde Transitie (VVT) van Netbeheer Nederland10, gebaseerd op actuele trends en ontwikkelingen. Dit scenario heeft als doel om beschikbare netcapaciteit in beeld te brengen via een realistische korte termijn voorspelling van elektriciteitsvraag, rekening houdend met netcongestie. De verwachte elektriciteitsvraag is daarin naar beneden bijgesteld. Alle congestieonderzoeken worden uiterlijk eind 2026 up-to-date gemaakt met het VVT scenario. Naar verwachting gaat dit in sommige gebieden significante ruimte bieden aan de wachtrij. Deze verkenning is aanvullend op de scenario’s11 voor de langere termijn die Netbeheer Nederland tweejaarlijks opstelt als basis voor hun investeringsplannen. Naar verwachting publiceren de netbeheerders begin 2027 nieuwe scenario’s.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en voor het einde van juli beantwoorden?
Helaas is het, mede door de vakantieperiode, niet gelukt om tijdig alle voor de beantwoording noodzakelijke informatie in te winnen.
Het artikel 'Honderden euro’s bonus voor slim gebruik elektriciteit tegen overvol stroomnet: ‘Auto buiten piekuren opladen’' |
|
Alisha Müller (VVD) |
|
de Bat |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Energiebedrijven zetten geld in tegen overvol stroomnet: vergoeding voor slim laden en gebruik thuisbatterij»? Hoe beoordeelt u deze samenwerking van regionale netbeheerders?1
Het kabinet ziet dit initiatief van netbeheerders, energieleveranciers en marktpartijen als een positieve ontwikkeling en is verheugd met de samenwerking.
Het initiatief is versneld tot stand gekomen in het kader van de FGU-aanpak, waarover de Kamer onlangs is geïnformeerd2. De intensieve samenwerking binnen deze FGU-aanpak heeft eraan bijgedragen dat deze oplossing snel kon worden ontwikkeld. De ACM en het kabinet werken daarnaast aan het wegnemen van knelpunten in wet- en regelgeving om verdere opschaling mogelijk te maken.
Ziet u het ook als een win-win-win dat door het slim aansturen van laadpalen, thuisbatterijen en hybride warmtepompen het stroomnet op piekuren wordt ontzien, er ruimte komt op het net voor nieuwe aansluitingen en huishoudens geld kunnen verdienen?
Ja. Dit sluit volledig aan bij de reeds ingezette aanpak binnen het spoor «Beter benutten – kleinverbruikers» van het Landelijk Actieprogramma Netcongestie (LAN).
Flexibel elektriciteitsverbruik door huishoudens biedt aanzienlijke mogelijkheden om het elektriciteitssysteem tijdens piekmomenten te ontlasten. Dat kan door het gebruik van elektrische apparaten te verschuiven naar momenten buiten de piek. Vooral slimme «net-intensieve» apparaten, zoals laadpalen, thuisbatterijen en warmtepompen, kunnen daarbij een verschil maken.
Onderdeel van deze aanpak zijn ook de normen die het Nederlands Normalisatie Instituut (NEN) ontwikkelt voor slimme apparaten die deelname aan flexibiliteitsdiensten makkelijker maken. Zo kunnen huishoudens eenvoudiger bijdragen aan een stabieler elektriciteitsnet en beter sturen op elektriciteitskosten om meer grip te krijgen op hun energierekening.
Heeft u er kennis van genomen dat klanten van Essent met een «buurtbonus» een jaarlijkse bonus kunenn krijgen van 400 euro per jaar als zij meer eigen zonnestroom gebruikem en dat ook huishoudens geld kunnen verdienen als zij hun batterij actief gebruiken voor het ondersteunen van het net? Deelt u dat dit een goede stimulans kan zijn voor huishoudens om zonnepanelen en batterijen aan te schaffen?
Het is aan energieleveranciers en andere marktpartijen om aantrekkelijke en begrijpelijke proposities voor consumenten te ontwikkelen. Daarbij is een belangrijke rol weggelegd voor partijen die huishoudens ontzorgen en hen helpen te profiteren van prijsprikkels, bijvoorbeeld via slimme apps en energiemanagementsystemen die apparaten zoals thuisbatterijen, laadpalen en warmtepompen automatisch aansturen op basis van de situatie op het elektriciteitsnet en de elektriciteitsprijs.
Het kabinet ziet dat marktpartijen, zowel landelijk als regionaal, steeds meer van dit soort flexibiliteitsdiensten ontwikkelen. Daarmee dragen zij bij aan een efficiënter gebruik van het elektriciteitssysteem, minder druk op het stroomnet en kunnen huishoudens hiervan financieel profiteren.
Kunt u andere regionale netbeheerders aansporen hier ook mee aan de slag te gaan, zodat dit ook in gang gezet kan worden buiten de FGU-regio?
Dit initiatief is een samenwerking van alle regionale netbeheerders. In deze fase richt het zich op de FGU-regio en Noord-Brabant, omdat daar de netcongestieproblematiek het meest kritiek is. Het is nadrukkelijk de bedoeling om succesvolle elementen van deze aanpak in een volgende fase breder, en bij voorkeur landelijk, toe te passen.
Hoe gaat u van dit samenwerkingsverband leren?
Dit initiatief maakt onderdeel uit van de aanpak van netcongestie door het Rijk, netbeheerders, medeoverheden en de ACM, zowel binnen de FGU-aanpak als binnen de Landelijke Aanpak Netcongestie (LAN). Het laat zien hoe deze intensieve samenwerkingen bijdraagt aan innovatieve en structurele oplossingen voor netcongestie. Binnen deze aanpakken worden maatregelen gemonitord en worden succesfactoren continu in kaart gebracht. De opgedane kennis wordt actief gedeeld en benut om de aanpak van netcongestie in andere regio’s verder te verbeteren.
De Kamer wordt via de halfjaarlijkse voortgangsrapportages3 geïnformeerd over de voortgang van de landelijke aanpak netcongestie, waaronder relevante ontwikkelingen en de lessen die daaruit worden getrokken. Daarnaast heeft het lid Grinwis het kabinet verzocht4 de geleerde lessen en succesvolle maatregelen uit de FGU-aanpak in kaart te brengen. Hierover wordt de Kamer geïnformeerd in de volgende voortgangsrapportage, die in oktober wordt verwacht.
Hoe verhoudt dit plan zich tot de volume en tijdsafhankelijke tarieven, waarmee de Autoriteit Consument & Markt (ACM) deze zomer komt?
In het toekomstige elektriciteitssysteem zijn zowel tijdsafhankelijke nettarieven als marktgebaseerde flexibiliteitsdiensten, zoals hierboven beschreven, nodig om het stroomnet efficiënter te benutten. Het nieuwe tariefstelsel zal naar verwachting een belangrijk deel van de benodigde verschuiving van het elektriciteitsverbruik naar rustigere momenten realiseren. Flexibiliteitsdiensten vormen daarop een waardevolle aanvulling, doordat ze lokaal en op specifieke momenten extra flexibiliteit kunnen vrijmaken. Daarmee helpen ze resterende knelpunten te verminderen en ruimte te creëren voor nieuwe aansluitingen.
De afwezigheid van het habitattype grijze duinen in Natura 2000 gebied Westerschelde |
|
André Flach (SGP) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de Integrale Effectenanalyse voor de locatiekeuze voor nieuwe kerncentrales (Kamerstuk 2026D31307), waarin wordt aangegeven: «In de verkenning zijn hoge depositiebijdragen berekend op nabijgelegen (zoekgebied voor) grijze duinen. Dit zoekgebied/ deze habitat die is opgenomen in Aerius blijkt echter niet aanwezig. Dit vraagt om aanpassing van Aerius.»?
Ja.
Deelt u de analyse dat het habitattype grijze duinen niet voorkomt in het betreffende Natura 2000-gebied?
In aanwijzingsbesluit van Westerschelde & Saeftinghe is het habitattype grijze duinen (kalkrijk) opgenomen met het doel «behoud oppervlakte en kwaliteit». Dit habitattype is aanwezig en beschermd in het betreffende N2000-gebied.
De opmerking in de Effectenanalyse gaat over de aanwezigheid op een specifieke locatie. Het is aan de voortouwnemer van het gebied om de habitatkartering actueel te houden. In dit geval is Rijkswaterstaat de voortouwnemer.
Bent u voornemens ervoor te zorgen dat Aerius hier zo snel mogelijk op wordt aangepast?
AERIUS bevat de habitatkaarten zoals deze worden aangeleverd door de voortouwnemers. Ieder jaar wordt AERIUS geactualiseerd, onder andere om de habitatkartering bij te werken naar de laatste versie. Over deze specifieke casus ben ik in gesprek met Rijkswaterstaat.
De berichten dat de nieuwe kerncentrales in Eemshaven of Terneuzen gaan komen |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
de Bat |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Eemshaven in Groningen toch weer in beeld voor nieuwe kerncentrales» en «Twee grote kerncentrales? Ook Terneuzen staat niet te springen»?1, 2
Ja.
Herinnert u zich de toezegging van het vorige kabinet aan de provincie Groningen dat er in Groningen geen kerncentrales zouden komen, mede als erkenning van de gaswinningsproblematiek en de aardbevingsschade die de regio heeft getroffen? Bent u het ermee eens dat het huidige kabinet gebonden is aan deze toezegging? Bent u bereid deze belofte onvoorwaardelijk te herbevestigen?
Bij de start van de projectprocedure voor de nieuwbouw van de kerncentrales was het uitgangspunt van het kabinet om de locatie Eemshaven niet mee te nemen in de onderzoeken, omdat het voornemen was om de Eemshaven als waarborgingsgebied te schrappen. Het schrappen van Eemshaven als waarborgingsgebied volgt uit aangenomen moties van de Kamer3 4 en is per 1 juli 2026 doorgevoerd in het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Het vorige kabinet heeft de Kamer op 11 februari 20255 geïnformeerd over dat het meenemen van de Eemshaven in de projectprocedure nodig was om tot een houdbaar projectbesluit te komen. In de Kamerbrief van 19 juni jl.6 licht het kabinet toe dat een tussenstap in de procedure om te komen tot een voorkeurslocatie voor de kerncentrales nodig was. Uit de uitgevoerde locatiestudies volgt dat twee locaties in de Eemshaven op technische aspecten het beste scoren. In de Kamerbrief wordt dit onderzoeksresultaat van duiding voorzien. Belangrijk element van deze duiding is dat draagvlak voor de locatie Eemshaven ontbreekt, zoals ook volgt uit moties waarin de Tweede Kamer, provinciale staten en gemeenteraden zich uitspreken tegen de komst van kerncentrales in Groningen. Het kabinet houdt mede daarom vast aan de lijn van voorgaande kabinetten, waarbij is afgesproken dat, als na het uitvoeren van de onderzoeken meerdere locaties geschikt blijken te zijn voor de bouw van kerncentrales, de voorkeur zal worden gegeven aan een locatie in Zeeland. Tegelijkertijd vraagt de nu door TenneT aangeleverde informatie om het wegen van de dilemma’s die daaruit voortvloeien. Waarbij de eventuele inpassing van de kerncentrales in Zeeland complex is en waarbij voor de bouw van een kerncentrale in de Eemshaven geen draagvlak is.
Aangezien de Kamer zich eerder heeft uitgesproken tegen het opleggen van kerncentrales aan Groningen, hoe verhoudt het toch doorzetten van de Eemshaven als onderzoekslocatie zich tot deze uitspraak van de Kamer? Beschouwt u dit als een schending van eerder gemaakte afspraken?
Zie het antwoord op vraag 2 voor duiding over de Kamerbrief van 19 juni jl. en hoe dit zich verhoudt tot de moties uit de Kamer.
Heeft u kennisgenomen van de stelling van wethouder Dijkhuis van gemeente Het Hogeland dat Den Haag het gebied «erin gerommeld» heeft? Hoe reflecteert u hierop? Wat doet deze keuze volgens u met de bestuurlijke verhoudingen tussen het kabinet en Groningen? Welke concrete stappen gaat u zetten om het vertrouwen te herstellen?
Ja, deze uitspraak is mij bekend en komt overeen met wat bestuurders uit Groningen in gesprekken met mij hebben gedeeld. Ik begrijp dat de boodschap die uit de locatieonderzoeken volgt, dat twee locaties in de Eemshaven op technische aspecten het meest geschikt lijken, impact heeft op de betrokkenen. Over deze uitkomsten en de impact van de boodschap ben ik in gesprek met bestuurders en andere betrokkenen in de regio's. Zoals ook in de voorgaande antwoorden staat toegelicht zal het kabinet later dit jaar de voorkeur voor een locatie uitspreken en is er op dit moment nog geen sprake van besluitvorming over een voorkeurslocatie.
De locaties in Eemshaven zijn onderdeel geworden van de projectprocedure om de besluitvorming over een definitieve locatie, vanuit het oogpunt van beoordeling van verschillende locaties en alternatieven, zorgvuldig te laten verlopen. In het Voornemen en voorstel voor Participatie is uiteengezet hoe locaties in principe overal in Nederland mogelijk zijn. Op basis van beleidskeuzes uit het verleden waren op dat moment in ieder geval Maasvlakte I en het Sloegebied (Borssele/Vlissingen) in beeld voor het onderzoek. Eemshaven was op dat moment niet in beeld. Het publiek heeft gereageerd op dit VenP, waaruit ook 39 extra te onderzoeken gebieden en locaties uit voort zijn gekomen. Daarin is de Eemshaven ook meermaals genoemd als alternatief. Uit de beoordeling op objectieve gronden kwam de Eemshaven als redelijk alternatief naar voren.
Naar aanleiding van deze bevindingen is, na consultatie van bestuurders in Groningen, aan de landsadvocaat gevraagd of er een mogelijkheid was om Eemshaven toch uit te sluiten van het onderzoek. Op basis van het advies van de landsadvocaat heeft het kabinet begin 2025 geconcludeerd dat het niet mogelijk is Eemshaven uit te sluiten van de projectprocedure en tegelijkertijd te komen tot een juridisch houdbaar besluit over de locatie.
Heeft u kennisgenomen van de stelling van Tennet dat plaatsing van kerncentrales in Terneuzen grootschalige knelpunten in het hoogspanningsnet veroorzaakt waardoor windturbines zullen moeten worden uitgeschakeld? Hoe weegt u dit verlies aan hernieuwbare capaciteit van wind op zee af tegen de veronderstelde winst van nieuwe kerncentrales op die locatie?
TenneT stelt dat in Zeeland aanvullende maatregelen nodig zijn voor inpassing van kernenergie en dat zonder integraal en sturend beleid realisatie van nieuwe kernenergie in Zeeland niet reëel is. Een van de opties die TenneT schetst is afschakelen van windenergie, maar dat is niet de enige optie die TenneT schetst.
Uit de analyse van TenneT blijkt dat er een sterke toename nodig is van de elektriciteitsvraag in Zeeland, als gevolg van het sterk groeiende productieaanbod in dat gebied van zowel wind-op-zee als mogelijk kernenergie. Deze elektriciteitsvraag is lokaal nodig, omdat de transportcapaciteit uit Zeeland uit de analyses van TenneT te beperkt is om alle productie van Zeeland naar andere gebieden te transporteren.
Zoals uit het TenneT rapport blijkt, geldt dat deze sterke toename in met name flexibele elektriciteitsvraag ten opzichte van de huidige vraag in alle scenario’s noodzakelijk is, ook in scenario’s zonder kernenergie. Deze noodzakelijke toename geldt ook niet alleen in Zeeland, maar in meerdere kustregio’s.
Daarom wordt in de voorbereiding van de besluitvorming rondom inpassing van kernenergie in breder opzicht verkend hoe de elektriciteitsvraag in Nederland zich sneller kan ontwikkelen dan het huidige tempo. De mate waarin dit mogelijk is, welk beleid en middelen hiervoor vereist zijn, en hoe dit samenhangt met andere productiemiddelen in Zeeland neem ik mee in de verdere afweging. Ook hier vraagt de door TenneT aangeleverde informatie dus om het uitwerken en wegen van de dilemma’s die daaruit voortvloeien.
In de actualisatie van het NPE, dat op Prinsjesdag gepubliceerd wordt, gaat het kabinet in meer detail in op de verwachte vraag- en aanbodontwikkeling richting 2040. De ontwikkeling van nieuwe kerncentrales moet zoals aangegeven passen bij de toekomstige vraag naar elektriciteit en bijdragen aan een systeemefficiënte en robuust aanbodportfolio. In de actualisatie van het NPE en in de verdere NPE-cyclus schetst het kabinet richting 2029 de rol van kernenergie in de bredere context van het hele energiesysteem en de daarin verwachte vraagontwikkeling naar elektriciteit (zowel in volume als in mate van flexibiliteit) om op basis daarvan stapsgewijs besluiten te kunnen nemen over de bouw van aanvullende kerncentrales en aanvullend productievermogen in de breedte.
Heeft u er kennis van genomen dat Tennet als oplossing voor het gebrek aan afnemers in Zeeland schetst dat stroom uit kerncentrales naar waterstofproductie of nieuwe datacenters zou moeten gaan? Is kabinet bereid miljarden aan publieke investeringen in het net te doen ten behoeve van stroomafname door energie-intensieve (tech)bedrijven? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot het publieke belang?
Zoals in het voorgaande antwoord is beschreven, adviseert TenneT vanwege de grenzen van de maakbaarheid van het elektriciteitsnet om vraag en aanbod bij elkaar te ontwikkelen. Zo zijn er geen of zo min mogelijk additionele uitbreidingen, ten opzichte van wat al gepland is, nodig.
Voor Zeeland wordt nu onderzocht of het haalbaar is additionele elektriciteitsvraag in Zeeland te realiseren, bovenop de vraaggroei uit de scenario's waar TenneT vanuit is gegaan. Het is nog onzeker of dit voldoende zal zijn om het verwachte transportknelpunt in het net op te lossen. Ook is het onzeker of het noodzakelijk is om aanbod te verminderen, om balans te krijgen tussen aanbod, vraag en transport. Uit de analyse van TenneT blijkt dat voor inpassing er maatregelen nodig zijn om kernenergie in te passen, maar blijkt ook dat zonder inpassing van kernenergie er ook maatregelen voor deze balans nodig zijn. Of potentiële aanvullende vraagontwikkeling, transportuitbreiding of aanbodvermindering en bijbehorende maatschappelijke waarde in balans is bij de maatschappelijke meerkosten, zal in het vervolgproces rondom de locatiekeuze worden vormgegeven.
Is het vestigen van een vaorkeursrecht op grond in zowel Eemshaven als Terneuzen, terwijl beide locaties aantoonbare en door Tennet erkende technische en/of maatschappelijke bezwaren kennen, niet in feite al een locatiekeuze in plaats van een stap in een open onderzoeksfase?
Voor nieuwbouw van de twee kerncentrales wordt de projectprocedure gevolgd. De eerstvolgende stap in de projectprocedure is het aanwijzen van een locatie voor de bouw. De Kamerbrief van 19 juni jl. vormt hierin een tussenstap en informeert de Kamer, de medeoverheden en andere betrokken over de onderzoeksresultaten. Uit deze resultaten blijkt dat alleen de locaties Eemshaven en Terneuzen in beeld blijven als mogelijke voorkeurslocatie. Doordat deze informatie met de brief van 19 juni openbaar is geworden, is daarmee het risico op grondspeculatie en kavelsplitsing op deze locaties toegenomen. Het voorkeursrecht is een instrument om dit risico te mitigeren. Om deze reden heb ik de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening verzocht om op beide locaties een voorkeursrecht te vestigen. Vestiging van het voorkeursrecht betekent niet dat er al een besluit is genomen over de locatie.
Wanneer is voor u een locatie technisch of maatschappelijk ongeschikt genoeg om definitief af te vallen, aangezien het afgelopen jaar zeven locaties zijn onderzocht, waarvan vijf zijn afgevallen vanwege ruimtelijke, ecologische of netgerelateerde bezwaren, terwijl de twee overgebleven locaties eveneens aanzienlijke bezwaren kennen? Wat moet er gebeuren om de plannen voor twee kerncentrales definitief te staken?
In de Kamerbrief van 19 juni jl licht het kabinet toe welke drie locaties nog in aanmerking komen als voorkeurslocatie voor de bouw van twee kerncentrales. In deze brief staat verder toegelicht hoe belemmerende factoren bij vijf locaties dusdanig optellen dat het kabinet deze niet als voorkeurslocatie zal aanmerken. De overgebleven drie locaties vragen nadere uitwerking. Voor de locatie in Terneuzen zal ik, zoals ook beschreven in mijn antwoord op vraag 7, de komende periode onderzoeken de benodigde en verwachte ontwikkeling van de lokale energievraag onderzoeken.
Voor Eemshaven ga ik bestuurlijk het gesprek aan over de uitkomsten van de locatiestudies. De aanvullende informatie weegt het kabinet mee bij het selecteren van een voorkeurslocatie voor de bouw van de kerncentrales later dit jaar. Dit wordt vervolgens uitgewerkt in een ontwerp Voorkeursbeslissing in de eerste helft van 2027.
Kunt u deze vragen voorafgaand aan het commissiedebat Kernenergie op 2 juli 2026 beantwoorden?
Nee, doordat afstemming over de antwoorden nodig was, is het niet gelukt deze vragen voorafgaand aan het Commissiedebat Kernenergie te beantwoorden.
Het artikel dat de hogere energieprijzen vooral de armste huishoudens treffen |
|
Hidde Heutink (PVV) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de inhoud van de studie van het CPB waaruit blijkt dat huishoudens in de laagste inkomensgroep in het negatieve scenario tot wel 6% van hun inkomen meer kwijt zijn aan energie? Zo ja, wat is uw eerste reactie hierop?1
Ja. Uit de studie van het CPB blijkt dat de inkomenseffecten van hogere energie- en brandstofprijzen voor de meeste huishoudens beperkt zijn, maar dat er ook groepen zijn die hierdoor merkbaar harder geraakt worden2. Het gaat daarbij met name om huishoudens met een inkomen tot modaal die relatief veel gas verbruiken, veel kilometers rijden of beide doen. In een negatief scenario kan het inkomenseffect voor deze huishoudens oplopen tot 6% van het besteedbaar inkomen. Het Kabinet heeft bijzondere aandacht voor huishoudens die minder financiële ruimte hebben. Daarom zijn in het voorjaar extra middelen vrijgemaakt zodat huishoudens kunnen meekomen in de energietransitie en voor het openstellen van het Noodfonds. Op deze manier komt de ondersteuning terecht bij de huishoudens die dat het meeste nodig hebben.
Bent u het eens met de stelling dat het onrechtvaardig is dat hogere inkomensgroepen zich dankzij overheidssubsidies voor zonnepanelen, warmtepompen en elektrische auto’s beter hebben kunnen beschermen tegen energieprijsstijgingen, terwijl de laagste inkomens dit niet konden en nu de rekening gepresenteerd krijgen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet vindt het belangrijk dat ook huishoudens met een lager inkomen kunnen profiteren van verduurzaming en zich daarmee beter kunnen beschermen tegen te hoge energieprijzen of het risico op sterke fluctuatie van die prijzen. Daarom zijn er verschillende gerichte maatregelen om deze huishoudens te ondersteunen.
Het kabinet en medeoverheden realiseren zich bovendien dat naast geld vaak meer nodig is. Via gemeenten worden huishoudens met een slecht geïsoleerde woning geholpen met subsidies, energiecoaches, energiefixers en begeleiding bij de uitvoering van maatregelen. Ook kunnen huishoudens met een lager inkomen gebruik maken van aanvullende regelingen. Zo verstrekt het Nationaal Warmtefonds leningen tegen aantrekkelijke voorwaarden, met 0% rente bij een inkomen lager dan 60.000 euro, om verduurzamingsmaatregelen te kunnen financieren. Met het energiehuis wordt toegewerkt naar één herkenbare plek waar huishoudens terechtkunnen voor informatie, advies, financiering en ondersteuning.
De Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE) is voor iedereen beschikbaar om het nemen van isolatiemaatregelen, een warmtepomp en/of een zonneboiler te stimuleren.
Klopt het dat verduurzamingsbeleid van de afgelopen jaren in de praktijk voornamelijk ten goede is gekomen aan hogere inkomens? Zo nee, kunt u dit met cijfers onderbouwen?
Veel subsidies die gericht zijn op het stimuleren van energiebesparende maatregelen in woningen en mobiliteit werden voorheen veel gebruikt door mensen met hoge middeninkomens en hoge inkomens. Uit cijfers van het CBS over 2024 blijkt dat van de toegekende subsidies voor woningen 29,4% terechtkwam bij huishoudens met een verzamelinkomen van meer dan € 100.000. Bij de ISDE was dit ongeveer 33%.
Voor huishoudens in een kwetsbare positie is vaak aanvullende financiële en praktische ondersteuning nodig om verduurzamingsmaatregelen te kunnen nemen en gebruik te kunnen maken van landelijke subsidies. Daarom zet de overheid gericht in op ondersteuning van huishoudens die dit het hardst nodig hebben, onder meer via het Nationaal Isolatieprogramma, energiecoaches en energiefixers.
Daarnaast zijn maatregelen getroffen zoals het uitfaseren van de labels E, F en G uiterlijk in 2028 in de huursector, het Nationaal Warmtefonds, het Isolatieoffensief en het Energiehuis. Zo heeft inmiddels ruim de helft van de particuliere leningnemers bij het Nationaal Warmtefonds een verzamelinkomen tot € 60.000. Voor deze groep geldt bovendien een rentepercentage van 0%.
Hoeveel huishoudens in de laagste inkomensgroep beschikken momenteel over een slecht geïsoleerde woning? En bij hoeveel van deze woningen is een woningcorporatie verantwoordelijk voor de verduurzaming en onderhoud?
In 2024 hadden ongeveer 241 duizend huishoudens zowel een laag inkomen (<130% van de lage inkomensgrens) als een woning met een lage energetische kwaliteit (LILEK). Dit komt overeen met 2,9% van alle huishoudens.3
De bredere groep huishoudens met energiearmoede bestond in 2024 uit ongeveer 510.000 huishoudens, oftewel 6,1% van alle huishoudens. Van deze groep woonde 74,6% in een corporatiewoning, 17,2% in een overige huurwoning en 8,1% in een koopwoning.
Erkent u dat de hoge brandstofprijzen en de beslissing van de regering om de accijns niet te verlagen ervoor zorgt dat de groep mensen die een auto nodig heeft voor hun werk, ook binnen de laagste inkomensgroepen, nog meer in de knel komt? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
De prijs van ruwe olie fluctueert aanzienlijk, inmiddels is de prijs van weer gedaald vergeleken met een aantal weken terug. Wanneer de prijs van ruwe olie hoger wordt kan dit wel een negatieve impact hebben op de bereikbaarheid van laagste inkomensgroepen, omdat de brandstofkosten ten opzichte van het totale besteedbaar inkomen kunnen toenemen. Dit is echter sterk afhankelijk van autobezit en van de hoeveelheid kilometers die gereden wordt.
Een accijnskorting zou ook voor een groot deel terecht komen bij hogere inkomens, omdat daar zowel meer autobezit als meer gereden kilometers zijn. Het kabinet kiest voor gerichtere maatregelen, die niet tot gevolg hebben dat de vraag naar fossiele brandstoffen verder stijgen nu de commerciële reserves van brandstoffen nog schaars zijn.
Erkent u dat de hoge brandstofprijzen ervoor zorgen dat mensen die afhankelijk zijn van een auto op deze manier vereenzamen, zich noodgedwongen isoleren van de samenleving en niet langer onderdeel uitmaken van de samenleving? Zo ja, wat bent u voornemens hier aan te gaan doen?
Sociale isolatie en vereenzaming zijn complexe problemen die het gevolg kunnen zijn van uiteenlopende persoonlijke, sociale en financiële omstandigheden, maar ook samenhangen met de mate waarin mensen in staat zijn hulp in te schakelen. Het kabinet verhoogt de maximale onbelaste reiskostenvergoeding en versnelt de inruilregeling voor oude fossiele auto’s voor huishoudens met lagere (midden)inkomens. Gemeentes hebben daarnaast zelf vaak sociaal beleid als het gaat om het creëren van ontmoetingsplekken in de wijk, die op korte afstand zijn en lopend te bereiken (buurtcentra, buurttuinen etc.).
Welke maatregelen neemt het kabinet om ervoor te zorgen dat werkende Nederlanders hun werk kunnen blijven uitvoeren, ondanks de torenhoge brandstofprijzen?
Het kabinet verhoogt de maximale onbelaste reiskostenvergoeding met terugwerkende kracht voor heel 2026 van € 0,23 naar € 0,25 per kilometer. Daarnaast wordt de openstelling van de inruilregeling voor oude fossiele auto’s voor huishoudens met lagere (midden)inkomens versneld naar het vierde kwartaal van 2026. Daarnaast houdt het kabinet de brandstofprijzen en koopkrachtontwikkelingen van burgers nauwgezet in de gaten. Mocht hier aanleiding voor zijn, dan kan het kabinet nieuwe gerichte maatregelen overwegen in de jaarlijkse koopkrachtbesluitvorming in augustus.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat de energietransitie de allerarmsten in ons land het hardst raakt, en dat dit beleid fundamenteel herzien moet worden? Zo ja, welke stappen gaat u zetten om herziening van dit beleid te bewerkstelligen? Zo nee, hoe verklaart u de bevindingen van het CPB dan?
Het Kabinet wil er voor zorgen dat alle groepen mee kunnen in de transitie. Dit kabinet zet daarom al meerdere jaren stappen in het verduurzamen van huur- en koopwoningen en zet daar met het Isolatieoffensief en het Energiehuis extra kracht bij. Ook wordt op dit moment gewerkt aan een voorstel voor het Europese Sociaal Klimaatfonds waarin op zowel de woningbouw als mobiliteit plannen worden opgenomen voor de lagere inkomens. In het voorjaar van 2027 ligt de brede beleidsherziening van het energie- en klimaatbeleid voor, waarbij de overheid ook aandacht zal schenken aan de gevolgen voor kwetsbare huishoudens.
Bent u van plan de aanbeveling van het CPB, dat de overheid actief moet ingrijpen om lagere inkomens te helpen fossiele energie te vervangen, over te nemen? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Ja, het kabinet deelt het belang om huishoudens met een lager inkomen te ondersteunen bij het verminderen van hun afhankelijkheid van fossiele energie. Daarom zet het kabinet onder meer in op gerichte ondersteuning bij woningisolatie en op een sloop- en vervangingsregeling voor particuliere auto’s.
Via het Nationaal Isolatieprogramma en gemeenten kunnen huishoudens met een slecht geïsoleerde woning aanvullende subsidies, begeleiding en ontzorging krijgen. Met het Energiehuis wordt toegewerkt naar één herkenbare plek voor informatie, advies, financiering en ondersteuning. Ook wordt ingezet op gerichte communicatie om huishoudens beter te bereiken.
Daarnaast kunnen huishoudens met een lager inkomen via het Nationaal Warmtefonds gebruikmaken van leningen tegen 0% rente. In de huursector wordt ingezet op het uitfaseren van slechte energielabels en het verduurzamen van sociale en particuliere huurwoningen. Zo verkleint het kabinet de afhankelijkheid van fossiele energie voor lagere inkomens via maatregelen op het gebied van wonen en mobiliteit.
Dreigende elektriciteitstekorten |
|
Alexander Kops (PVV) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Hoe alarmerend is voor u de berichtgeving dat er volgens netbeheerder Tennet niet – zoals eerder voorspeld – vanaf 2030, maar al vanaf 2028 elektriciteitstekorten dreigen, waardoor delen van het land urenlang zonder elektriciteit komen te zitten?1
Het kabinet neemt de signalen uit de Monitor Voorzieningszekerheid (MVZ) 2026, waarin TenneT waarschuwt dat het risico op een mogelijk elektriciteitstekort vanaf 2028 toeneemt, zeer serieus. Daarom heeft het kabinet de Kamer op 19 juni jl. geïnformeerd2 over het besluit om een capaciteitsmechanisme te introduceren om de voorzieningszekerheid te waarborgen.
Deelt u de mening dat het onacceptabel en beschamend is dat – in Nederland waar het hebben van elektriciteit ooit, zoals het hoort, vanzelfsprekend was – de norm van een jaarlijks elektriciteitstekort van maximaal vier uur ruimschoots overschreden zal worden?
Het kabinet deelt de zorg van de Kamer en vindt het essentieel dat de norm niet overschreden wordt. Daarom introduceert het kabinet een capaciteitsmechanisme om voldoende elektriciteit beschikbaar te hebben.
Deelt u de mening dat het ronduit zorgwekkend is dat elektriciteitstekorten zich met name in de winter in de ochtend- en avonduren zullen voordoen, terwijl dat júíst de momenten zijn waarop huishoudens relatief veel energie verbruiken? Kunt u garanderen dat huishoudens níét in het donker en de kou komen te zitten?
Het kabinet erkent dat elektriciteitstekorten tijdens winterse ochtend- en avonduren, wanneer de vraag naar elektriciteit het hoogst is, volgens de MVZ 2026 een risico vormen. Het door het kabinet te introduceren capaciteitsmechanisme is er daarom op gericht om voldoende aanbod te genereren, ook tijdens deze piekmomenten. Hiermee wordt het risico dat huishoudens zonder stroom komen te zitten zoveel mogelijk beperkt.
Deelt u de mening dat het volstrekt tegenstrijdig en onuitlegbaar is:
De Europese en ook de Nederlandse economie is zeer kwetsbaar door de grote afhankelijkheid van de import van fossiele brandstoffen die nog in belangrijke mate onderdeel uitmaken van onze energiemix. Het is belangrijk dat we die afhankelijkheid afbouwen en onze geopolitieke weerbaarheid opbouwen. Dat is een transitie.
De MVZ 2026 laat zien dat de druk op de voorzieningszekerheid het gevolg is van een combinatie van factoren, waaronder de groeiende elektriciteitsvraag door elektrificatie en de afname van regelbaar vermogen in Nederland evenals in omringende landen. De energietransitie brengt veranderingen in het elektriciteitssysteem met zich mee die vragen om aanpassing van zowel de energie-infrastructuur, zoals de aanpak van netcongestie, als de elektriciteitsmarkt middels een capaciteitsmechanisme.
Voorzieningszekerheid draait daarbij om voldoende beschikbaar vermogen en flexibiliteit in het elektriciteitssysteem als geheel, niet om één specifieke technologie. Daaraan kunnen verschillende technologieën bijdragen, waaronder batterijen, opslag, vraagrespons en gascentrales.
Hoe reageert u op Tennet dat stelt: «Vorig jaar adviseerden we nog om zo’n capaciteitsmechanisme te besturen. Dat heeft het kabinet ook gedaan. Maar nu is de tijd van bestuderen en adviesrapporten wel voorbij»? Komt u met een capaciteitsmechanisme? Zo ja, zal dit – zoals door Tennet geadviseerd – in de winter van 2029–2030 operationeel zijn? Zo nee, wat is dan wél uw oplossing?
Ja. Het kabinet gaat een marktbreed capaciteitsmechanisme implementeren dat in de winter 2029/2030 operationeel zal zijn om de voorzieningszekerheid van elektriciteit ook op de langere termijn te waarborgen. De eerste contouren daarvan worden geschetst in de Kamerbrief voorzieningszekerheid van elektriciteit die op 19 juni met de Tweede Kamer is gedeeld3.
Wat bedoelt u met uw uitspraak: «Ik wil een «verzekering» afsluiten die de risico’s op uitval vermindert, zodat Tennet ervoor kan zorgen dat er ook op termijn voldoende elektriciteit is»? Wat voor «verzekering» precies?
Met de «verzekering» wordt het marktbrede capaciteitsmechanisme bedoeld waar het kabinet aan werkt. Dit mechanisme zorgt ervoor dat voldoende regelbaar vermogen beschikbaar blijft om ook op piekmomenten aan de elektriciteitsvraag te voldoen. Aanbieders van elektriciteit ontvangen hiervoor een vergoeding voor het beschikbaar houden van capaciteit.
Deelt u, resumerend, bovenal de conclusie dat het veel beter is om:
Nee, het kabinet deelt die conclusie niet. Het doel van het klimaat- en energiebeleid is juist om toe te werken naar een energiesysteem dat betrouwbaar, betaalbaar en duurzaam is. Daarbij zet het kabinet in op diverse maatregelen die leiden tot een mix van hernieuwbare energie, kernenergie, energiebesparing, flexibiliteit, opslag en voldoende regelbaar vermogen. Zoals ook aangegeven is in het antwoord op vraag 4, is de Europese en ook de Nederlandse economie zeer kwetsbaar door de grote afhankelijkheid van de import van fossiele brandstoffen die nog in belangrijke mate onderdeel uitmaken van onze energiemix. Het is belangrijk dat we die afhankelijkheid afbouwen en onze geopolitieke weerbaarheid opbouwen. De MVZ 2026 onderstreept het belang van aanvullende maatregelen om de voorzieningszekerheid ook in de toekomst te waarborgen. Het kabinet neemt dit signaal serieus en werkt daarom aan een technologieneutraal capaciteitsmechanisme, waardoor verschillende technologieën en flexibiliteitsopties kunnen bijdragen aan de voorzieningszekerheid. Een dergelijke diversiteit draagt eveneens bij aan de weerbaarheid van het energiesysteem.
Het Tennet Rapport: Monitor Voorzieningszekerheid, gepubliceerd op 10 juni 2026 |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de Monitor Voorzieningszekerheid 2026 van TenneT?
Ja.
Welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat Nederland vanaf 2030 niet langer voldoet aan de geldende norm voor voorzieningszekerheid van maximaal 4 uur en onder de wettelijke norm terechtkomt?
Het kabinet gaat een marktbreed capaciteitsmechanisme implementeren dat in de winter 2029/2030 operationeel zal zijn om de voorzieningszekerheid van elektriciteit ook op de langere termijn te waarborgen. De eerste contouren daarvan worden geschetst in de Kamerbrief voorzieningszekerheid van elektriciteit die op 19 juni met de Tweede Kamer is gedeeld1.
Welke economische schade verwacht u wanneer de voorzieningszekerheidsnorm gedurende meerdere jaren wordt overschreden, en zijn hierover risicoanalyses uitgevoerd?
Een overschrijding van de norm geeft aan dat de kans op situaties waarin de elektriciteitsvraag niet volledig kan worden gedekt, groter is dan maatschappelijk aanvaardbaar wordt geacht. Een overschrijding van de norm leidt niet één-op-één tot daadwerkelijke stroomuitval of economische schade, maar wel tot een grotere kans daarop. De economische schade die eventueel ontstaat als gevolg van elektriciteitstekorten hangt af van de duur, het moment, de omvang en de getroffen gebruikers. Vanwege onzekerheid over het optreden, de omvang van uitval en de waarde daarvan, is deze schade niet eenduidig vast te stellen.
Waarom acht u elektriciteitsimport uit omringende landen een voldoende betrouwbare pijler onder het Nederlandse beleid voor voorzieningszekerheid, terwijl hier ook sprake is van schaarste?
De Monitor Voorzieningszekerheid (MVZ) 2026 van TenneT houdt reeds rekening met schaarste in andere landen. Omdat schaarste echter niet altijd gelijktijdig in verschillende landen optreedt, blijft interconnectie één van de pijlers onder het Nederlandse beleid voor voorzieningszekerheid, naast vraagrespons, batterijen en regelbaar vermogen in Nederland.
Deelt u de opvatting dat uiterlijk in de winter van 2029–2030 een capaciteitsmechanisme operationeel moet zijn? Zo nee, waarom niet?
Ja, zoals in de Kamerbrief2 is aangegeven werkt het kabinet toe naar een capaciteitsmechanisme dat in de winter van 2029–2030 operationeel is.
Wanneer verwacht u de formele voorzieningszekerheidsstandaard conform Europese regelgeving vast te stellen, zodat de invoering van een capaciteitsmechanisme juridisch mogelijk wordt?
Het kabinet verwacht de formele standaard in 2027 vast te stellen, ruim voordat het capaciteitsmechanisme vanaf de winter 2029/2030 operationeel zal zijn.
Welke concrete stappen moeten tussen nu en 2029 nog worden gezet voor invoering van een capaciteitsmechanisme, en welke risico’s ziet u voor vertraging?
Voor de implementatie van het capaciteitsmechanisme is onder andere een uitwerking van het ontwerp van het mechanisme nodig, waar de focus voor dit jaar op ligt, waarna in 2027 consultatie plaatsvindt en de benodigde wet- en regelgeving moet worden vastgesteld en in werking treden, de Europese Commissie moet haar goedkeuring verlenen en de uitvoering dient te worden voorbereid, met als doel de eerste veilingen in 2028 te organiseren. Het kabinet zet zich hiervoor, samen met betrokken partijen zoals TenneT en de ACM, met maximale inzet in. Zo wordt al gewerkt aan de nadere vormgeving van het mechanisme, de juridische inbedding en de voorbereiding van de uitvoering.Een element dat mogelijke risico’s op vertraging met zich meebrengt is de doorlooptijd van nationale en Europese procedures, waaronder een nationale wettelijke basis voor een marktbreed capaciteitsmechanisme via het Electricity Market Design (EMD)-wetsvoorstel3 en het verkrijgen van staatssteungoedkeuring van de Europese Commissie. Het kabinet hoopt op een spoedige behandeling van het Electricity Market Design (EMD)-wetsvoorstel.
Kunt u uitsluiten dat bestaande gascentrales vóór invoering van een capaciteitsmechanisme economisch onrendabel worden en daardoor sluiten?
Nee, in de Europese elektriciteitsmarkt beslissen marktpartijen over investeringen en eventuele sluiting van productiecapaciteit. Het kabinet heeft geen directe invloed op deze commerciële afwegingen. Daarom werkt het kabinet toe naar een tijdige invoering van een capaciteitsmechanisme om de voorzieningszekerheid te waarborgen door (behoud van) voldoende (maar niet noodzakelijk alle) centrales in combinatie met vraagrespons, batterijen en import.
Bent u bereid om vooruitlopend op een definitief capaciteitsmechanisme tijdelijke maatregelen te treffen om bestaand regelbaar vermogen beschikbaar te houden?
Op basis van de huidige inzichten, onder meer gepresenteerd in de MVZ 2026, ziet het kabinet naast de introductie van een tijdig operationeel marktbreed capaciteitsmechanisme geen aanleiding voor aanvullende tijdelijke maatregelen.
Acht u de verwachte omvang van het Nederlandse kernvermogen van circa 0,5 GW tot 2035 voldoende om bij te dragen aan de voorzieningszekerheid ondanks dat TenneT aangeeft dat er een behoefte bestaat aan extra regelbaar vermgen? Zo ja, waarop baseert u dat oordeel?
Met de huidige verwachtingen voor vraag naar en aanbod van elektriciteit uit de MVZ 2026 van TenneT, waarbij reeds rekening is gehouden met 0,5 GW kernvermogen in 2035, is de voorzieningszekerheid ook met dit aandeel van kernvermogen onvoldoende geborgd.
Welke bijdrage verwacht u dat nieuwe kerncentrales vóór 2040 daadwerkelijk kunnen leveren aan de voorzieningszekerheid?
De MVZ 2026 ziet op de periode tot en met 2035. Binnen die periode wordt geen bijdrage van nieuwe kerncentrales aan de voorzieningszekerheid verwacht, aangezien deze naar huidige inzichten niet vóór 2035 beschikbaar zullen zijn.
Hoeveel gigawatt aan gascentrales, batterijen of andere regelbare capaciteit zou volgens u kunnen worden vervangen door de geplande uitbreiding van kernenergie?
Dan hangt er sterk vanaf hoe de elektriciteitsmix er tegen die tijd uit ziet en hoe technieken als vraagrespons, opslag en centrales zich ontwikkelen. Bij meer kernenergie zal minder capaciteit van de andere technieken nodig zijn.
Heeft u onderzocht of versnelling van kernenergieprojecten kan bijdragen aan het verminderen van verwachte tekorten in de elektriciteitsvoorziening? Zo ja, wat waren daarvan de uitkomsten?
De MVZ kijkt maximaal tien jaar vooruit en brengt dit jaar de voorzieningszekerheidsrisico’s in beeld voor de periode tot en met 2035. Nieuwe grootschalige kerncentrales zullen, ook bij een zo voortvarend mogelijke uitvoering van het huidige traject, naar huidige inzichten op zijn vroegst eind jaren ’30 beschikbaar komen. Zij kunnen daarom geen bijdrage leveren aan het adresseren van de voorzieningszekerheidsrisico’s die de monitor identificeert.
Hoe wordt het wegvallen van circa 4 GW regelbaar kolenvermogen vóór 2030 vervangen?
Het is in de Europese elektriciteitsmarkt aan marktpartijen om te beslissen over investeringen in of behoud van vraagrespons, batterijen en regelbaar vermogen. Het kabinet ziet geen noodzaak om het wegvallende kolenvermogen één-op-één te vervangen.
Welke hoeveelheid nieuw regelbaar vermogen moet volgens u vóór 2030 beschikbaar komen om het wegvallen van kolencentrales volledig te compenseren?
Zie antwoord vraag 14.
Bent u bereid te onderzoeken of bestaande kolencentrales tijdelijk kunnen worden aangehouden als strategische reserve voor noodsituaties?
Met de Kamerbrief van 19 juni jl. heeft het kabinet aangegeven te kiezen voor een zo spoedig mogelijke implementatie van een marktbreed capaciteitsmechanisme.
In deze brief is aangegeven dat een strategische reserve minder geschikt is om de risico’s uit de MVZ 2026 te mitigeren, omdat deze risico’s voor de voorzieningszekerheid het gevolg zijn van structurele veranderingen op de elektriciteitsmarkt. De implementatie van een strategische reserve voorafgaand aan een capaciteitsmechanisme zou ook leiden tot dubbele implementatielast. Dit zou de introductie van het marktbreed capaciteitsmechanisme vertragen.
Hoe beoordeelt u de mogelijkheid om bestaande kolencentrales om te bouwen naar biomassa voor extra capaciteit?
Het staat marktpartijen vrij om bestaande centrales om te bouwen naar andere brandstoffen, waaronder biomassa.
Hoe verhoudt het uitstel van elektrificatieprojecten als gevolg van beperkte netcapaciteit zich tot het kabinetsbeleid om de industrie versneld te verduurzamen?
Het oplossen van netcongestie en elektrificatie in de industrie heeft de volle aandacht van het kabinet, zoals beschreven in de Kamerbrieven van 2 april 20264 en 10 april 20265.
Hoeveel uur leveringszekerheid kunnen de verwachte batterijvolumes volgens u bieden tijdens langdurige windarme winterperiodes?
Dit is niet aan te geven. Welke bronnen op een bepaald moment in de vraag voorzien hangt af van de weerssituatie, eventuele uitval van capaciteit en de omvang van de vraag. Daarbij wordt een combinatie ingezet van vraagrespons, batterijen, regelbaar vermogen en import. Batterijen kunnen in dit proces op sommige momenten opladen en op andere momenten juist ontladen.
Welke zekerheid bestaat er dat de geplande waterstofcentrales daadwerkelijk vóór 2030 operationeel zijn en over voldoende waterstof kunnen beschikken?
Op dit moment is het niet de verwachting dat waterstofcentrales vóór 2030 een rol van betekenis zullen spelen in de elektriciteitsvoorziening van Nederland.
Erkent u dat Nederland ook na 2035 afhankelijk zal blijven van regelbaar gasgestookt vermogen voor de leveringszekerheid? Zo nee, waarom niet?
De MVZ kijkt maximaal tien jaar vooruit, tot en met 2035. Op basis van deze monitor kunnen geen uitspraken worden gedaan over de rol van gasgestookt vermogen na 2035. In het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE), dat na de zomer met de Kamer zal worden gedeeld, zal vooruit gekeken worden richting 2040.
Welke gevolgen verwacht u voor de elektriciteitsprijs van huishoudens en bedrijven indien de tekorten oplopen tot het niveau dat TenneT in 2035 voorziet?
De MVZ 2026 laat zien dat zonder aanvullende maatregelen de kans op tekorten richting 2035 toeneemt. Dit kan leiden tot meer prijspieken voor huishoudens en bedrijven. Om het risico op tekorten en prijspieken te verminderen, werkt het kabinet aan de introductie van een capaciteitsmechanisme als verzekering om voldoende vermogen beschikbaar te hebben. Dit zal leiden tot een dempend effect op de elektriciteitsprijs in vergelijking met de situatie zonder een capaciteitsmechanisme. Tegelijk kost een capaciteitsmechanisme, net zoals de premie van een verzekering, ook geld dat via tarieven van de netbeheerders in rekening gebracht zal worden bij huishoudens en bedrijven.
Kunt u aangeven hoeveel gigawatt regelbaar vermogen volgens de huidige inzichten ontbreekt indien geen capaciteitsmechanisme wordt ingevoerd?
In de MVZ 2026 heeft TenneT de ontbrekende capaciteit onderzocht voor de jaren 2030 en 2035. Dit betreft 0,4 respectievelijk 2,8 GW als andere landen op gelijkmatige wijze capaciteit toevoegen om aan hun eigen voorzieningszekerheidsnorm te voldoen. In deze ontbrekende capaciteit kan worden voorzien door een combinatie van vraagrespons, batterijen en regelbaar vermogen.
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja, met uitzondering van de beantwoording van vraag 14 en 15. Deze zijn voor een goede beantwoording samengenomen.
De extreem lage gasvoorraden |
|
Alexander Kops (PVV) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Energietekort dreigt komende winter door extreem lage gasvoorraad: huishoudens staan voor hogere energierekening»?1
Ja
Hoe reageert u op de waarschuwingen van de Gasunie dat het vultempo van de gasvoorraden zorgelijk laag is om voor komende winter huishoudens en bedrijven genoeg buffer te bieden, dat het besluit over de aanleg van een strategische gasvoorraad te lang duurt en dat er, kortom, meer urgentie moet komen om energietekorten en nog hogere energierekeningen te voorkomen?
Ik zie de uitlatingen van Gasunie als een oprechte zorg. Ik deel de mening dat de leveringszekerheid van gas moet worden geborgd tegen redelijke kosten. Daar is mijn beleid, waarbij Gasunie een adviserende rol heeft, ook op gericht.
Bent u ervan op de hoogte dat de Gasunie al in maart jl. waarschuwde «dat Nederland onvoldoende is voorbereid op grote gastekorten» en opriep om een strategische gasvoorraad op te bouwen?2 Wat hebt u sindsdien gedaan om het vullen van de voorraden en het aanleggen van een strategische voorraad te versnellen?
De uitlatingen van Gasunie zijn mij bekend. Ik heb ervoor gezorgd dat EBN Capital B.V. (hierna: EBN) vanaf april is begonnen met het injecteren van gas. EBN ligt op schema om, indien nodig, 80 TWh gas op te slaan. Daarnaast treft EBN de voorbereidingen voor het aanleggen van een strategische opslag (noodvoorraad) van 5 TWh in de PGI Alkmaar. Zodoende kan EBN indien nodig omdat marktpartijen onvoldoende vullen driekwart van het vuldoel voor komende winter voor haar rekening nemen. Hiermee zorgen we voor voldoende gas deze winter. Daarnaast werk ik, samen met alle partijen, aan een brief over strategisch gasbeleid om ervoor te zorgen dat we structureel voldoende gas achter de hand hebben voor noodsituaties. Daarover voer ik ook gesprekken in Europa om te voorkomen dat de Nederlandse belastingbetaler alleen voor hoge kosten opdraait, terwijl de Europese Unie in de breedte van deze garantie zou kunnen profiteren.
Op welke vulgraad verwacht u, met het huidige te lage tempo, in oktober uit te komen, en wat zal dat doen met de leveringszekerheid en energieprijzen? Wat gaat u doen om op een vulgraad van minimaal 80% uit te komen?
Het EU-vuldoel voor Nederland dit jaar bedraagt 74%, oftewel ca. 107 TWh tussen 1 oktober en 1 december. Het nationale vuldoel voor Nederland op 1 november is 80%, oftewel 115 TWh. Beide zijn nog binnen bereik. Of deze doelen worden gehaald hangt ook samen met hoeveel marktpartijen, die het eerst aan zet zijn bij het vullen, deze zomer opslaan. De stappen die de overheid via EBN heeft gezet om de doelen te halen zijn toegelicht in antwoord 3.
Klopt het dat inkopers (commerciële bedrijven) weten dat Nederland vroeg of laat moet vullen en daarom zo lang mogelijk wachten zodat het Rijk hen met een bonus verleidt om de bergingen toch te vullen? Wat gaat u doen om deze opportunistische prikkel weg te nemen en ervoor te zorgen dat de voorraden alsnog tijdig en voldoende worden gevuld?
Gasleveranciers hebben verplichtingen om te leveren in de winter en kiezen zelf hoe ze dat doen, bijvoorbeeld door in te kopen via een handelsplaats, import van LNG, via pijpleidingen of gebruik van gasopslagen. Zij moeten ook bij een zeer koude periode, een periode met uitzonderlijk hoge vraag, of bij uitval van een installatie in staat zijn om hun afnemers te beleveren. Hoe zij invulling geven aan die verplichtingen is aan hen. Als partijen ervoor kiezen om geen gas op slaan, ontslaat hen dat niet van hun leveringsverplichtingen. Mogelijk zullen zij wel tegen hoge(re) kosten moeten inkopen op dat moment. Het Rijk zal geen «bonussen» verstrekken aan marktpartijen om gasopslagen te vullen. Dat is overigens ook niet toegestaan vanwege staatssteunregels.
Hoe reflecteert u op uw uitspraak om «samen met EBN te zoeken naar de balans tussen leveringszekerheid voor volgende winter, het beperken van marktverstoring en kosten zo laag mogelijk houden»? Deelt u de conclusie dat dit, tot dusverre, niet is gelukt?
Die mening deel ik niet. Het zoeken naar een balans tussen deze drie is gegeven de huidige marktomstandigheden niet eenvoudig en vraagt continu monitoring en waar nodig bijsturen. Dat zal ik deze zomer blijven doen.
Hoe reageert u op het advies van hoogleraar Martien Visser om ondanks het prijsopdrukkende effect de voorraden te vullen, omdat «de prijsgevolgen van te lege bergingen aan het begin van de winter veel groter zijn»?
Ik herken dat de activiteiten van EBN prijs opdrukkende effecten kunnen hebben en dat het tegelijkertijd nodig is om EBN als vulagent een rol te geven bij het vullen van de bergingen indien marktpartijen onvoldoende vullen. Voor deze rol heb ik EBN ruimte gegeven om maximaal 80 TWh aan gas op te slaan in de seizoensopslagen en te starten met het aanleggen van een strategische opslag (tijdelijke noodvoorraad). Gasunie Transport Services (GTS) raamde eerder de gemiddelde jaarlijkse behoefte aan seizoensflexibiliteit, uitgaande van een gemiddeld temperatuurjaar, op 71 TWh.3
Wat gaat u doen om verdere stijging van de energieprijzen te voorkomen? Sterker nog, bent u bereid de btw op energie van 21% naar 9% én de energiebelasting te verlagen?
Het kabinet heeft dit voorjaar over een pakket aan maatregelen besloten om de gevolgen van de hogere energieprijzen te beperken. Het eerstvolgende moment om eventuele koopkrachtmaatregelen te presenteren is op Prinsjesdag, waarbij het kabinet altijd integraal weegt.