Het bericht Eén op de vijf horecazaken en supermarkten lapt tabaksverbod aan laars: ’Vapes en sigaretten liggen in achterkamertje in holle bank’ |
|
Rosanne Hertzberger (VVD) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht dat één op de vijf supermarkten en horecabedrijven zich niet aan het tabaksverkoopverbod hebben gehouden? Kunt u toelichten hoe u dit beoordeelt?1
Zijn er nog aanvullende maatregelen nodig bovenop het Actieplan tegen Vapen waarin de online verkoop van vapes wordt verboden? Zo ja, welke maatregelen acht u kansrijk en welke stappen gaat u concreet nemen om dit te realiseren?
Welke concrete stappen gaat u nemen om de handhavingsbevoegdheden van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) te verruimen om de in het artikel geschetste situatie aan banden te leggen?
Verwacht u dat de, in reactie op de motie Jansen c.s. aangekondigde maatregelen, genoeg zijn om het tij te keren en een Rookvrije Generatie in 2040 te realiseren? Zo niet, wat is er aanvullend nodig om dit doel te bereiken?2, 3
Hoe gaat u ervoor zorgen dat, nadat de verkoop van tabaksproducten voorbehouden is aan tabaksspeciaalzaken, volgens de motie Jansen c.s. vanaf 2028, de huidige parktijken van verkoop onder de toonbank en in achterkamertjes zich niet of in mindere mate zullen herhalen wanneer de verkoop verder wordt beperkt bij gemakszaken?4
Wanneer verwacht u het onderzoek naar de gevolgen op grensoverschrijdende aankopen en het advies van de landsadvocaat over deze motie te kunnen delen met de Kamer?
Hoe komt u in de Kamerbrief «voortgang vape- en tabaksbeleid» tot de conclusie dat het generatiegebonden verkoopverbod een algeheel verbod op tabaksproducten inhoudt als de producten in het plan Rookvrije generatie niet geheel verboden worden of uit de handel worden genomen? Deelt u de mening dat dit vraagstuk juridisch niet zo zwart-wit is als in de Kamerbrief wordt geschetst?5
Het artikel ‘Acute zorg in Nederland kraakt onder een tekort aan personeel’ |
|
Jimmy Dijk |
|
Daniëlle Jansen (NSC) |
|
Bent u op de hoogte van de langdurige sluiting van de spoedeisende hulp (SEH) van het Zuyderland Ziekenhuis in Sittard-Geleen? Wat vindt u van het feit dat deze afdeling naar verwachting pas in januari 2026 heropent?
Wat zijn volgens u de voor- en nadelen van het sluiten van een SEH? En in dit geval tijdelijk voor 6 maanden van de SEH in het Zuyderland ziekenhuis in Sittard-Geleen?
Hoe beoordeelt u het feit dat het aantal SEH’s in tien jaar is gedaald van 95 naar 79, en tegelijkertijd het aantal tijdelijke SEH-stops met 22% is toegenomen ten opzichte van een jaar eerder? Acht u dit een zorgwekkende trend? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
Wat zegt volgens u de toename in SEH-stops en de toename in totale sluitingsduur over de staat van de acute zorg in Nederland?
Deelt u de zorgen van gezondheidseconoom Schrijvers dat het risico op sterfgevallen toeneemt als patiënten verder moeten reizen voor acute zorg? Welke maatregelen treft u om dergelijke risico’s te voorkomen in regio’s waar SEH’s sluiten?
Deelt u de analyse van internist Kremers dat SEH-problemen vaak veroorzaakt worden door haperende doorstroming naar andere zorgvormen (zoals verpleeghuizen en thuiszorg)? Zo ja, hoe is dit probleem ten aanzien van doorstroom ontstaan en wat gaat u hieraan doen?
Ziet u kansen om, zoals voorgesteld door gezondheidseconoom Schrijvers, lokaal acute-zorgopleidingen op te zetten om personeel sneller en gerichter op te leiden? Zo ja, welke rol ziet u voor uzelf en het ministerie hierin? Zijn er al plannen in de regio Parkstad om dit op te zetten?
Hoe gaat u voorkomen dat ook in andere regio’s SEH-afdelingen langdurig of structureel gesloten worden, zoals nu al gepland is in Heerlen (Zuyderland, 2030)?
Op welke wijze wordt de regio Sittard-Geleen de komende maanden gecompenseerd voor het wegvallen van acute zorg? Zijn er extra ambulances, extra capaciteit elders of andere noodmaatregelen voorzien?
Erkent u dat het sluiten van SEH’s vooral de inwoners van regio’s buiten de Randstad treft, en dat hierdoor zorgongelijkheid dreigt te ontstaan? Welke stappen onderneemt u om de toegankelijkheid van spoedzorg in alle regio’s gelijkwaardig te houden?
Weet u in welke andere ziekenhuizen in Nederland er sprake is van een tekort aan personeel op de SEH? En in welke ziekenhuizen de overweging speelt om de SEH te sluiten, al dan niet tijdelijk of structureel?
Is er onderzocht wat de gevolgen zijn voor patiënten als een SEH sluit? Zo ja, wat zijn deze uitkomsten en wat vindt u hiervan?
De regio toonde zich bereid om mee te werken aan de problemen door het aantrekken van personeel middels voorzieningen en huisvesting te stimuleren, wat zijn de resultaten hiervan geweest?
Deelt u de mening van afdelingshoofd Kuipers, acute geneeskunde bij Erasmus MC, dat als «het spaak loopt bij een SEH, dit vaak het eerste signaal is dat er dieperliggende problemen zijn in het zorgsysteem»? Zo ja, wat zijn volgens u deze dieperliggende problemen en hoe zijn deze ontstaan? Zo nee, waarom niet?
Ziet u in dat een tekort aan verpleegkundigen en SEH-personeel deels het gevolg is van jarenlang beleid waarin arbeidsvoorwaarden, werkdruk en waardering voor zorgpersoneel onder druk stonden? Wat doet u concreet om het vak aantrekkelijker te maken?
Bent u bekend met de Kamerbrief van voormalig Minister Agema d.d. 17 maart 2025 over «Terugkoppeling gesprek Zuyderland en moties debat Zuyderland» waarin de voormalig Minister aangaf «dat het personeelstekort in het Zuyderland ziekenhuis in Heerlen er weliswaar was, maar beperkt was mede omdat het ziekenhuis actief extra personeel aannam en scholingen deed waardoor het zorgaanbod in Heerlen grotendeels gehandhaafd bleef. Hierdoor viel het personeelstekort mee en was er sprake van het inlopen van het tekort»? Weet u hoe dit in het ziekenhuis van Heerlen is gegaan en wat daarin goed werkte? Zijn hier lessen uit te trekken die eventueel toepasbaar zijn op het Zuyderland ziekenhuis in Sittard-Geleen?
Het uitvoeren van aangenomen voorstellen |
|
Jimmy Dijk |
|
Daniëlle Jansen (NSC) |
|
Welke betekenis hebben aangenomen moties in de Kamer op uw beleid?
Moties die zijn aangenomen door de Tweede Kamer hebben een belangrijke betekenis. Moties zijn immers een duidelijk signaal van de wens van uw Kamer. Ik hecht er dan ook belang aan om moties uit te voeren waar dit kan en zolang ze uitvoerbaar zijn.
Wat vindt u ervan dat uw voorganger weigerde om door de Kamer aangenomen motiesuit te voeren?
Ik oordeel niet over mijn voorganger. Over het algemeen zal het kabinet bij de uitvoering van moties altijd een weging moeten maken op basis van in ieder geval uitvoerbaarheid, financiële dekking en juridische mogelijkheden.
Deelt u de mening dat het doelbewust en stelselmatig negeren van wensen van de Kamer door een Minister, een grove schande is richting de gekozen volksvertegenwoordiging?
Zoals ook geantwoord bij vraag 2 zal het kabinet bij de uitvoering van moties altijd een weging moeten maken op basis van in ieder geval uitvoerbaarheid, financiële dekking en juridische mogelijkheden. Soms is het zo dat ik een motie niet kan uitvoeren. In die gevallen zal ik uw Kamer daarover informeren.
Bent u in tegenstelling tot uw voorganger Minister Agema wel van plan om door de Kamer aangenomen voorstellen uit te voeren?
Net als mijn voorganger neem ik aangenomen moties vanuit de Kamer zeer serieus en daar waar het kan voer ik deze ook uit. Ik verwijs verder naar mijn eerdere beantwoording.
Wanneer kan de Kamer een totaalverbod op private equity verwachten, waartoe is opgeroepen door een meerderheid van de Kamer via verschillende moties?
Op dit moment ben ik bezig met het opstellen van een Kamerbrief naar aanleiding van de motie van het lid Claassen1 over dit onderwerp. In deze brief, die ik na het zomerreces naar de Kamer zal sturen, ga ik in op de oproep van de Tweede Kamer om met een plan van aanpak te komen hoe private equity uit de zorg kan worden geweerd.
Wanneer besluit u om het sluiten van afdelingen in het Zuyderland ziekenhuis in Heerlen, zoals de acute verloskunde en de spoedeisende hulp, te stoppen en het ziekenhuis volwaardig te houden, zoals toe is opgeroepen door een meerderheid van de Tweede Kamer via verschillende moties?
In mijn brief van 3 juli 2025 heb ik een reactie gegeven op de uitvoering van moties over het Zuyderland Ziekenhuis, die zijn aangenomen tijdens het tweeminutendebat Medisch Zorglandschap van 21 mei 2025.2 Zoals eerder aangegeven benadruk ik dat keuzes over de inrichting van het zorgaanbod in het ziekenhuis alleen door het ziekenhuis (in afstemming met de zorgverzekeraar) worden gemaakt. Bestuurders en zorgprofessionals van het ziekenhuis moeten immers altijd de verantwoordelijkheid kunnen dragen voor het leveren van veilige zorg. Als de Kamer zou verplichten dat een zorgaanbieder zorg levert, ondanks personeelsgebrek, dan kan een bestuurder deze verantwoordelijkheid niet meer nemen, met mogelijk ernstige gevolgen voor patiënten en de zorgmedewerkers.
Wanneer kan de Kamer een voorstel verwachten om medisch specialisten in loondienst te brengen, zoals door een meerderheid van de Kamer is besloten?
Zoals toegezegd tijdens het debat over de begrotingsbehandeling3 is de inzet gericht op het vervolgonderzoek dat nodig is om een afweging te maken over regelgeving die een overgang naar loondienst verplicht. Dit vraagstuk is geen gemakkelijke opgave, zoals mijn ambtsvoorganger eerder ook heeft toegelicht, omdat een verplichting om medisch specialisten in loondienst te brengen raakt aan het eigendomsrecht en de juridische waarborgen die daarvoor gelden. Onderdeel van het vervolgonderzoek is de monitor van de NZa die gedurende twee jaar de financiële prikkels binnen een medisch specialistisch bedrijf (msb) volgt, alsmede de positie van de msb’s in relatie tot de bestuurbaarheid van ziekenhuizen. Eind 2025 verwacht ik de volgende monitor van de NZa, om daarna te bezien of het verbeterpotentieel behaald is. Parallel daaraan verken ik of wetgeving voorbereid kan worden, gericht op het normeren en maximeren van de verdiensten van medisch specialisten4.
Wanneer kan de Kamer het masterplan personeel voor het geboortecentrum in Heerlen verwachten?
In mijn brief aan de Tweede Kamer van 3 juli 2025 heb ik toegelicht hoe ik opvolging geef aan de motie van het lid Dijk, over een masterplan personeel voor het geboortecentrum in Heerlen. Net als de indieners van deze motie onderschrijf ik het belang van voldoende beschikbaar en gekwalificeerd personeel voor het Zuyderland ziekenhuis en meer specifiek voor de geboortezorg in Heerlen. Het werven en behouden van zorgpersoneel is aan het ziekenhuis zelf, in afstemming met de partijen in de regio. Via landelijk beleid ondersteunt het Ministerie van VWS de aanpak om het personeelstekort terug te dringen.
Wanneer kan de Kamer plannen verwachten voor een nationaal centrum voor geboortezorg en innovatie in Heerlen?
In mijn brief van 3 juli jl. heb ik toegelicht hoe ik opvolging geef aan de motie van het lid Dijk, over een nationaal centrum voor geboortezorg en innovatie in de stadsregio Parkstad Limburg. Ik heb onder meer aangegeven dat ik de wens van de Kamer zal overbrengen aan het ziekenhuis en de zorgverzekeraar(s) waar de plannen voor de geboortezorg worden uitgewerkt, zodat dit voorstel kan worden besproken in de werkgroep met de regionale partners.
Wanneer kan de Kamer de uitwerking verwachten van de aangenomen motie Dijk die verzoekt om de zorgbezuinigingen te schrappen, zodat de verschillende zorgsectoren daar ook rekening mee kunnen houden?
De motie Dijk verzoekt om bezuinigingen in de zorg te schrappen, zonder aan te geven waar de dekking vandaan komt. Dit telt op tot een ongedekte rekening van structureel 3,1 miljard euro. Zoals de Minister van Financiën u per brief5 heeft laten weten naar aanleiding van de (eventuele) wijzigingen in de voorjaarsnota 2025, kunnen moties niet uitgevoerd worden als hier geen dekking voor wordt aangeleverd.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Aan dit verzoek is voldaan.
Het (demissionaire) kabinetsstandpunt inzake het initiatiefwetsvoorstel Centraal Aandeelhoudersregister (CAHR) |
|
Michiel van Nispen , Tom van der Lee (GL) |
|
Eelco Heinen (minister , minister ) (VVD), David van Weel (minister , minister ) |
|
![]() |
Bent u bekend met het KPMG-rapport «Krachten gebundeld – naar een effectievere en efficiëntere invulling van de poortwachtersrol in Nederland» (2023), waarin wordt aanbevolen lopende wetgevingsinitiatieven die poortwachters versterken – zoals het voorstel van wet van de leden Van der Lee en Van Nispen tot wijziging van de Registratiewet 1970 in verband met de instelling van een centraal aandeelhoudersregister (Wet centraal aandeelhoudersregister; Kamerstuk 34 661) – voortvarend op te pakken?1
In hoeverre geeft het demissionaire kabinet invulling aan deze aanbeveling, mede gezien de brede steun vanuit poortwachters voor een dergelijk register?
Herinnert u zich de toezegging van Minister van Weel van Justitie en Veiligheid tijdens het tweeminutendebat van d.d. 19 februari 2025 naar aanleiding van het commissiedebat «Criminaliteitsbestrijding, ondermijning en georganiseerde criminaliteit» om het kabinetsstandpunt over het initiatiefwetsvoorstel voor een centraal aandeelhoudersregister (CAHR) opnieuw te bezien?
Herinnert u zich de toezegging van de Minister van Justitie en Veiligheid om hierover te rapporteren in de halfjaarbrief Ondermijning vóór de zomer van 2025?
Wanneer kan de Kamer de nadere appreciatie, zoals beloofd door de Minister van Justitie en Veiligheid, tegemoetzien? Kunt u alvast delen welke inhoudelijke en juridische overwegingen hierin worden meegenomen?
Acht u het aannemelijk dat een CAHR poortwachters effectiever laat werken én misbruik van complexe eigendomsstructuren tegengaat en daarmee aansluit op de kabinetsbrief «Nieuwe anti-witwasaanpak» van 14 mei 2025, waarin wordt benadrukt dat de aanpak van witwassen enerzijds lastenverlichting voor bonafide ondernemers beoogt, en anderzijds barrières opwerpt voor criminelen?2 Kunt u dit toelichten?
Bent u ook van mening dat het huidige en toekomstige UBO-register – vanwege de (meer dan) 25%-drempel – geen volledig zicht biedt op de uiteindelijk belanghebbenden binnen vennootschappen, waardoor bijvoorbeeld aandeelhouders met 24% buiten beeld blijven?
Deelt u de opvatting dat een CAHR waarin álle aandeelhouders (beursgenoteerde bedrijven uitgezonderd) worden geregistreerd, ongeacht de omvang van het belang, dit transparantie gat kan dichten? Zo nee, waarom niet?
Bent u het ermee eens dat een CAHR, gevuld op basis van notariële akten, betrouwbaardere en completere gegevens zal bevatten dan het UBO-register, dat afhankelijk is van zelfregistratie door vennootschappen?
Heeft u kennisgenomen van het recente standpunt van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) in haar position paper van 21 mei 2025, waarin zij aangeeft invoering van het CAHR noodzakelijk te achten en technisch in staat te zijn het register te houden?
Ziet u technische of juridische belemmeringen bij implementatie via de KNB? Zo ja, hoe bent u voornemens deze weg te nemen?
Wordt de uitvoeringstoets die de Kamer van Koophandel uitvoert naar het CAHR op verzoek gedaan van het kabinet? Zo ja, overweegt het kabinet de KNB ook te vragen om het uitvoeren van een dergelijke uitvoeringstoets? Zo nee, waarom niet?
Het bericht ‘Overstap naar nieuw stelsel drijft kosten pensioenfondsen flink op’ |
|
Agnes Joseph (NSC) |
|
Eddy van Hijum (minister , minister ) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Overstap naar nieuw stelsel drijft kosten pensioenfondsen flink op»?1
Ja, hier ben ik mee bekend.
Is een stijging van de kosten van de grootste vijf pensioenfondsen met 20% door de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel wat u betreft een acceptabele stijging? Zo ja, waarom?
Een grote stelselwijziging gaat logischerwijs gepaard met tijdelijk hogere kosten, zo ook de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel. In de memorie van toelichting (MvT) van de Wtp staat dat de implementatiekosten gemiddeld voor de gehele transitie ongeveer vijf miljoen euro per pensioenfonds bedragen, in totaal betreft dit circa € 1 miljard euro. De stijging van de kosten zoals gerapporteerd in de jaarverslagen past binnen deze raming. Daarbij dient opgemerkt te worden dat deze geconstateerde kostenstijging niet alleen het gevolg is van de kosten voor de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel. Immers, veel pensioenfondsen grijpen de transitie naar het nieuwe stelsel ook aan als aanleiding om toch al noodzakelijke verbeteringen op het gebied van bijvoorbeeld datakwaliteit en pensioenadministratie door te voeren. De kosten die hiermee gepaard gaan, hadden ook zonder deze transitie gemaakt moeten worden. Op basis van de huidige inzichten is er geen aanleiding om te veronderstellen dat de totale transitiekosten hoger uitvallen dan verwacht.
Kunt u bevestigen dat de jaarlijkse kosten per deelnemer van gemiddeld € 120 rechtstreeks ten koste gaan van de deelnemer door ofwel een lager pensioen of een hogere pensioenpremie?
De kosten voor de overstap naar het nieuwe pensioenstelsel worden in principe uit het daarvoor gereserveerde vermogen gehaald, het collectieve pensioenvermogen. Dat betekent dat deelnemers indirect meebetalen aan de kosten. Daar staat tegenover dat de huidige en ook toekomstige pensioendeelnemers er een ander pensioenstelsel en een andere pensioenregeling voor terugkrijgen. In het licht van de verbeteringen die de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel brengt, vind ik een incidentele kostenstijging aanvaardbaar.
Hoe wenselijk is het volgens u voor de bestaanszekerheid van pensioendeelnemers dat de kosten voor pensioenuitvoering sterker stijgen dan de inflatie?
Dat de kosten voor pensioenuitvoering als gevolg van de incidentele transitiekosten stijgen, is voorzien. Deze kosten komen ten laste van het collectieve pensioenvermogen van het pensioenfonds. Daarom is het van belang dat pensioenfondsbesturen verantwoording afleggen over de uitvoeringskosten, deze kritisch evalueren en waar mogelijk verbeteringen doorvoeren.
Is het volgens u aan de deelnemers uit te leggen dat een pensioenfonds pas in het boekjaar 2027 terugkeert naar «een acceptabel kostenniveau»? Zo ja, op welke wijze?
De transitie naar het nieuwe pensioenstelsel betreft een grote stelselwijziging, waar de nodige voorbereiding en bijbehorende werkzaamheden mee gepaard gaan. Daarnaast grijpen veel pensioenfondsen de transitie naar het nieuwe stelsel ook aan als aanleiding om toch al noodzakelijke verbeteringen op het gebied van datakwaliteit en pensioenadministratie door te voeren. Mede afhankelijk van het transitiemoment van een pensioenfonds worden de kosten die hiermee gepaard gaan, gespreid in de tijd. Het ligt dan ook voor de hand dat de kosten die een pensioenfonds maakt in het kader van de transitie, pas na de afronding van de transitie weer stabiliseren. Hoe de kosten zich dan verhouden tot de kosten voor transitie, is mede afhankelijk van de keuzes die worden gemaakt. De hoogte van de kosten worden immers onder andere bepaald door het geboden serviceniveau, de complexiteit c.q. maatwerkopties van de pensioenregeling en de beleggingsstrategie.
Kunt u een overzicht geven van de totale kosten voor pensioenuitvoering per jaar vanaf 2023?
De kosten voor pensioenuitvoering (de uitvoeringskosten) zijn te onderscheiden in pensioenbeheerkosten, de kosten van vermogensbeheer en transactiekosten. Uit het meest recente rapport van Actuarieel Adviesbureau Bell blijkt dat de totale uitvoeringskosten van alle pensioenfondsen in 2023 € 8,4 miljard bedroegen, bijna 13% minder dan in 2022.2 , 3 Deze daling van bijna € 1,2 miljard wordt nagenoeg volledig veroorzaakt door de prestatievergoedingen (kosten vermogensbeheer), die € 0,9 miljard lager waren dan in 2022. De transactiekosten daalden met € 0,3 miljard. De pensioenbeheerkosten stegen daarentegen met ruim € 0,1 miljard. Het volgende rapport van Actuarieel Adviesbureau Bell, over de uitvoeringskosten in 2024, verschijnt naar verwachting in het najaar van 2025. Over deze nieuwe cijfers, samen met de informatie van de toezichthouders en de informatie uit de volgende transitiemonitor, wordt u via de voortgangsrapportage monitoring Wtp (winter »26) geïnformeerd.
In hoeverre is het volgens u nog realistisch dat de totale kosten van de transitie uit zullen komen op maximaal € 1 miljard, als de kosten voor pensioenuitvoering voor alleen de grootste vijf pensioenfondsen afgelopen jaar al zijn opgelopen naar in totaal € 637,2 miljoen?
Een grote stelselwijziging gaat zoals gezegd logischerwijs gepaard met tijdelijk hogere kosten, zo ook de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel. De raming van de extra kosten als gevolg van de implementatie van de Wtp bedraagt, zoals in de MvT is toegelicht, ongeveer € 1 mld. Dit betreft een geaggregeerde raming van alle genoemde handelingen in het kader van de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel. De kosten verschillen per pensioenuitvoerder en hangen onder andere af van complexiteit van het fonds, de complexiteit van de bestaande en gewijzigde pensioenregeling en de wijze waarop de transitie wordt ingevuld. Uit het eerdergenoemde rapport van Bell uit 2024 blijkt dat van 93 pensioenfondsen bekend is hoeveel uitvoeringskosten in 2023 waren toe te rekenen aan de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel. Voor deze 93 fondsen was hiermee een bedrag van ruim € 90 miljoen gemoeid. Indien deze kosten worden doorgetrokken naar alle pensioenfondsen (circa 200 pensioenfondsen) gedurende de transitieperiode van 5 jaar, komt dit dan nagenoeg overeenkomt met de inschatting van € 1 miljard. Aanvullend blijkt uit de nieuwste nog te verschijnen transitiemonitor Wtp dat de incidentele transitiekosten in een aantal gevallen hoger uitpakt dan initieel verwacht. Deze stijging is veelal verklaarbaar als gevolg van bijvoorbeeld de samenloop met andere ontwikkelingen zoals de overstap naar een andere pensioenuitvoeringsorganisatie en eventuele kosten die altijd al gemaakt hadden moeten worden waaronder het op orde brengen van de eerdergenoemde datakwaliteit. Daarnaast wordt dit beeld door sommige pensioenuitvoeringsorganisaties weer genuanceerd. Zo gaf APG aan dat slechts 11 euro op het conto van de transitiekosten kwam en dat de kosten voor de reguliere dienstverlening in reële termen daalden.4 Samenvattend, op basis van de huidige inzichten is er nog geen aanleiding om te veronderstellen dat de totale transitiekosten hoger gaan uitvallen dan verwacht bij de Wet toekomst pensioenen.
Wat zegt het volgens u over de transparantie van de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel dat niet ingeschat kan worden hoe hoog de transitiekosten uiteindelijk zullen uitvallen?
Uw opvatting dat er geen inschatting gemaakt kan worden van de hoogte van de uiteindelijke transitiekosten deel ik niet. Zoals in het antwoord op vraag 7 aangeven, is er nog geen aanleiding om te veronderstellen dat de totale transitiekosten hoger uitvallen dan verwacht bij de Wet toekomst pensioenen. Wel merk ik op dat in de uitvoeringspraktijk een evident onderscheid of kosten worden gemaakt enkel vanwege de transitie of dat de kosten sowieso zouden worden gemaakt, niet altijd mogelijk is.
Hoe bent u voornemens om pensioenfondsen een duidelijker onderscheid te laten maken tussen kosten die gerelateerd zijn aan de transitie in het kader van de Wet toekomst pensioenen en kosten voor vernieuwing en onderhoud van de uitvoering die ook zonder de transitie waren gemaakt?
Aangezien het onderscheid in de uitvoeringspraktijk tussen aan de transitie gerelateerde kosten en kosten die daar los van staan niet altijd duidelijk is te maken, ben ik niet voornemens om pensioenfondsen hiertoe te verplichten. Dit zou leiden tot schijnprecisie, die niet tot nieuwe inzichten of kostenbeheersing leidt, maar wel de administratieve lasten opdrijft. Wel vind ik het, zoals eerder afgesproken met uw Kamer, belangrijk om met elkaar de vinger aan de pols te houden. In de voortgangsrapportage monitoring Wtp ga ik dan ook nader in op uitvoeringskosten en de verwachte ontwikkeling daarvan. Daarnaast is in de pensioenwet een aantal waarborgen opgenomen om deze kosten voor deelnemers inzichtelijk te maken. Zo moet op het uniforme pensioenoverzicht (UPO) van iedere deelnemer staan welke kosten de pensioenuitvoerder maakt en moet het pensioenfonds in het bestuursverslag verantwoording afleggen over de uitvoeringskosten en deze kosten kritisch evalueren, en waar mogelijk verbeteringen doorvoeren. Dit komt de transparantie over dit onderwerp ten goede. Daarnaast zorgt een goede verantwoording ervoor dat de discussie op de juiste manier gevoerd wordt; niet alleen over de hoogte van de kosten, maar juist ook over de hoogte in relatie tot wat de deelnemer hiervoor terugkrijgt.
De Nationale Crisisstructuur |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
David van Weel (minister , minister ) |
|
![]() |
Is de Nationale Crisisstructuur momenteel actief?
Nee
In welke perioden is deze crisisstructuur actief geweest sinds september 2016? Kan de Kamer, per onderwerp («crisis») waarvoor de Nationale Crisisstructuur is geactiveerd de «reden van activering», de «periode van activering» en de namen van de personen of instanties die het besluit hebben genomen tot activering van de Nationale Crisisstructuur ontvangen?
Het Instellingsbesluit Ministeriële Commissie Crisisbeheersing (MCCb) en het Nationaal Handboek Crisisbeheersing vormen het kader waarin afspraken over de inrichting en werkwijze van de nationale crisisstructuur zijn vastgelegd1. In een situatie waarbij de nationale veiligheid in het geding is of kan zijn, of die anderszins een grote uitwerking op de maatschappij heeft of kan hebben, kan het gewenst zijn dat de Rijksoverheid op politiek-bestuurlijk niveau zorgdraagt voor coördinatie van en besluitvorming met een spoedeisend karakter over het geheel van maatregelen, voorzieningen, voorschriften en handelingsperspectieven die in samenwerking met betrokken publieke en private partners met het oog op een samenhangende aanpak moeten worden getroffen. Veelal gaat het om situaties, waarbij de reguliere besluitvormingsstructuren en procedures niet toereikend zijn. Ingevolge artikel 25, eerste lid, van het Reglement van orde voor de ministerraad bestaat daarvoor de MCCb die in de bedoelde situaties bijeengeroepen kan worden.
De Minister van Justitie en Veiligheid is coördinerend Minister voor crisisbeheersing en voorzitter van de MCCb tenzij de Minister-President beslist zelf voor te zitten. De MCCb wordt op hoog-ambtelijk niveau geadviseerd door de Interdepartementale Commissie Crisisbeheersing (ICCb), voorgezeten door de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV). ICCb en MCCb vormen de kern van de nationale crisisstructuur. Iedere Minister of Staatssecretaris kan de Minister van Justitie en Veiligheid verzoeken de MCCb in vergadering bijeen te roepen. De Minister van Justitie en Veiligheid besluit over het verzoek in overeenstemming met de Minister-President, en na overleg met de Minister of Staatssecretaris die als eerste verantwoordelijk is voor de aangelegenheid waarop het verzoek betrekking heeft.
Het instellingsbesluit en het Handboek zijn beide eind 2022 herzien en geactualiseerd. Bij die herziening is in het Handboek de afspraak opgenomen dat de Tweede Kamer zo spoedig mogelijk wordt geïnformeerd over het bijeenroepen van de MCCb.
De nationale crisisstructuur is sinds 2016 in zes situaties volledig, dat wil zeggen tot en met de MCCb, geactiveerd geweest.
Op 18 maart 2019 vond een tramaanslag plaats op het oktoberplein in Utrecht. Omdat het een aanslag betrof met een vermoedelijk terroristisch motief is na besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid in overeenstemming met de Minister-President de MCCb bijeengeroepen. Op 19 maart 2019 is in de MCCb besloten de nationale crisisstructuur te deactiveren.
Vanaf 9 maart 2020 was de nationale crisisstructuur actief voor de aanpak van het coronavirus. De MCCb is voor het eerst op 3 maart 2020 bijeen geweest. Het besluit tot inzet van de nationale crisisstructuur werd genomen door de Minister van Justitie in overeenstemming met de Minister-President, na overleg met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. De activering vond plaats vanwege de brede maatschappelijke consequenties van het coronavirus op het gebied van de volksgezondheid en de samenhangende sociale, financiële en economische effecten. Op 3 juli 2020 is de nationale crisisstructuur gedeactiveerd en de MCCb vervangen door een Ministeriële Commissie Covid-19 (MCC-19). De laatste MCCb vond plaats op 24 juni 2020.
In juli 2021 kampte de provincie Limburg met omvangrijke wateroverlast. De impact van de wateroverlast was enorm. Zowel op 15 juli als op 16 juli zijn de ICCb en de MCCb bijeengekomen. De verdere afwikkeling, waaronder de toepassing van de Regeling tegemoetkoming waterschade in Limburg op grond van de Wet tegemoetkoming schade bij rampen (Wts) vond plaats buiten de crisisstructuur.
Vanaf 9 maart 2022 is de nationale crisisstructuur actief geweest voor de opvang van ontheemden uit de Oekraïne. Het activeren van de structuur voor crisisbesluitvorming was noodzakelijk voor het op korte termijn kunnen samenbrengen van alle disciplines zoals huisvesting, zorg, onderwijs, werk en veiligheid. Per 10 mei 2022 is de nationale crisisstructuur gedeactiveerd en is overgegaan op een specifieke structuur voor Opvang ontheemden Oekraïne.
Vanaf 17 juni 2022 is de nationale crisisstructuur actief geweest om de doorstroom en uitstroom in de migratieketen te verbeteren. Activering van de crisisstructuur was noodzakelijk omdat de situatie in de gehele migratie-keten (in-, door- en uitstroom) zeer onder druk was komen te staan. Hierbij zijn bij herhaling mensen opgevangen in tenten en de buitenlucht. Deze situatie maakte het noodzakelijk om tijdelijk op hoog ambtelijk en politiek-bestuurlijk niveau coördinatie en besluitvorming ten aanzien van doorstroom in de migratieketen in te richten. Per 22 september 2022 is de nationale crisisstructuur gedeactiveerd en ging de coördinatie over naar een specifieke crisisstructuur.
Naar aanleiding van ontwikkelingen in het Midden-Oosten werd op 22 juni 2025 na besluit daartoe van de Minister van Justitie en Veiligheid in overeenstemming met de Minister-President en na overleg met de Minister van Buitenlandse Zaken de MCCb bijeengeroepen. In de MCCb is besloten tot actieve ondersteuning van gestrande Nederlandse reizigers in de regio en om daarbij tot georganiseerd vertrek over te gaan.
Is de Kamer geïnformeerd over de activeringen sinds 2016? Zo ja, hoe en wanneer heeft dit plaatsgevonden?
Ja. Over de tramaanslag in Utrecht en de inzet van de nationale crisisstructuur is uw Kamer per brief geïnformeerd op 21 maart en 24 april 20192. Voorts heeft u een rapportage met een evaluatie van het functioneren van de nationale crisisstructuur naar aanleiding van de tramaanslag ontvangen3. Over de activering van de nationale crisisstructuur voor het coronavirus is uw Kamer per brief geïnformeerd op 13 maart 20204. Over de situatie rondom de wateroverlast in Limburg is uw Kamer per brief geïnformeerd op 16 juli 20215. Op 16 juli is ook een bericht op Rijksoverheid.nl geplaatst dat er crisisoverleg (MCCb) heeft plaatsgevonden6. Over de inzet van de nationale crisisstructuur voor de opvang van ontheemden uit de Oekraïne is uw Kamer per brief geïnformeerd op 8 maart 20227. Over de inzet van de nationale crisisstructuur voor de verbetering van de doorstroom in de migratieketen bent u per brief van 17 juni 2022 geïnformeerd8.
Over de besluitvorming in de MCCb naar aanleiding van ontwikkelingen in het Midden-Oosten over de ondersteuning van gestrande Nederlandse reizigers in de regio en om over te gaan tot georganiseerd vertrek bent u geïnformeerd per brief van de Minister van Buitenlandse Zaken van 22 juni 20259.
Worden er notulen gemaakt van de Interdepartementale Commissie Crisisbeheersing (ICCb) en de Ministeriële Commissie Crisisbeheersing (MCCb)? Zo ja, kunt u de notulen van deze vergaderingen die hebben plaatsgevonden aan de Kamer doen toekomen? Zo nee, waarom niet?
Zowel van de ICCb als van de MCCb wordt verslag gedaan inclusief een besluitenlijst, waarin de conclusies zijn opgenomen. De MCCb is een ministeriële commissie. Ten aanzien van hetgeen besproken wordt of geschiedt in de MCCb bestaat een geheimhoudingsplicht (zie artikel 26, eerste en derde lid, Reglement van orde van de ministerraad). Verslagen en besluitenlijsten van de MCCb worden niet openbaar gemaakt. De besluitenlijst van de MCCb wordt ter goedkeuring vastgesteld door de ministerraad. De besluitenlijst van de ministerraad wordt na afloop gepubliceerd op www.rijksoverheid.nl. De ICCb is, als voorportaal van de MCCb, een hoog-ambtelijke commissie. Verslagen en besluitenlijsten daarvan zijn vertrouwelijk en worden als regel niet openbaar gemaakt. In zijn algemeenheid is het zo dat uw Kamer langs reguliere lijnen wordt geïnformeerd over de besluitvorming die plaatsheeft in zowel ICCb’s als MCCb’s.
Naast Kamerbrieven zijn er vanwege de acute aard van de crisissituaties veelal ook persconferenties en nieuwsberichten op www.rijksoverheid.nl waarbij het algemene publiek wordt geïnformeerd.
Zijn het Nationaal Crisiscentrum (NCC), het Nationaal Kernteam Crisiscommunicatie (NKC) en het Landelijk Operationeel Coördinatiecentrum (LOCC) momenteel operationeel? Zo ja, op welke thema’s richten het NCC en het NKC zich momenteel? Kunt u de vergaderverslagen van de periode januari 2022 tot heden met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
Het Nationaal Crisiscentrum (NCC) en het Landelijk Operationeel Coördinatiecentrum (LOCC) zijn staande organisaties die niet alleen tijdens activeringen van de nationale crisisstructuur actief zijn10. Het NCC vervult permanent op 27/4 basis de functie van interdepartementaal coördinatiecentrum en knooppunt van en voor de informatievoorziening op nationaal niveau bij een (dreigende) crisis. Het ondersteunt de nationale crisisstructuur en betrokken partijen met informatiemanagement, kennis en voorzieningen. Het richt zich ook op preparatie (o.a. landelijke crisisplannen) en op beleidsvorming in het landelijke crisisdomein.
Het LOCC is onderdeel van het Ministerie van Justitie en Veiligheid en maakt deel uit van de nationale crisisstructuur. Het ondersteunt permanent hulpdiensten en crisisorganisaties bij bovenregionale incidenten, crises of rampen, of bij de dreiging daarvan. Het LOCC wordt bemensd door vertegenwoordigers van hulpdiensten en crisispartners zoals Politie, Brandweer, Defensie, GGD GHOR, veiligheidsregio’s en gemeenten.
De NCTV kent een staande afdeling Communicatie. Indien er sprake is van een (dreigende) crisis kan er een Nationaal Kernteam Communicatie worden ingesteld.
Het NCC en het NKC richten zich, afgezien van beleidsvorming en preparatie van crisisbeheersing in den brede op actuele thema’s als de weerbaarheid van de samenleving.
Zowel in als vanuit het NCC en het LOCC wordt veelvuldig overleg gevoerd. Dit behoort tot de dagelijkse gang van zaken van de organisaties. De uitkomsten hiervan worden betrokken bij dan wel leiden tot documenten die uw Kamer ontvangt in de vorm van Kamerbrieven, nota’s, rapportages etc.
Kunt u de vragen binnen drie weken en afzonderlijk beantwoorden?
De vragen zijn binnen de zes weken termijn en afzonderlijk beantwoord.
De beantwoording van Kamervragen |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Ruben Brekelmans (minister ) (VVD) |
|
![]() |
Waarom weigert de Minister van Defensie, zoals aangegeven in de beslisnota bij de beantwoording van Kamervragen 2025Z01466, de beantwoording (mede) te ondertekenen terwijl, aldus de Minister van volksgezondheid in deze beslisnota, «Het Ministerie van Defensie heeft zorggedragen voor de beantwoording voor het merendeel van de vragen»?
Het ontslag van de bewindspersonen |
|
Michiel van Nispen |
|
Dick Schoof (minister-president ) (INDEP) |
|
Door wie en op welk moment is precies besloten dat aan al deze bewindspersonen ontslag is verleend? Waren zij het daar ook allemaal zelf mee eens? Zo niet, waarom niet?
De voorzitter van de PVV-fractie in de Tweede Kamer heeft op 26 mei jl. in een persconferentie voorstellen op het gebied van asiel en migratie gedaan. Naar aanleiding hiervan heeft overleg plaatsgevonden tussen de voorzitters van de fracties PVV, VVD, NSC en BBB. Dit overleg heeft de fractievoorzitter van de PVV tot de conclusie gebracht dat zijn fractie in de Tweede Kamer niet langer steun verleent aan het kabinet. Hij heeft mij hierover op 3 juni jl., mede namens de andere fractievoorzitters, geïnformeerd.
Ik heb vervolgens op diezelfde dag de ministerraad bijeen geroepen voor beraad over de ontstane situatie. Een en ander heeft de Ministers en Staatssecretarissen die door de voorzitter van de PVV-fractie zijn voorgedragen voor benoeming in het kabinet aanleiding gegeven hun ontslag aan te bieden. De Minister-President en de overige Ministers en Staatssecretarissen hebben hierin aanleiding gevonden hun portefeuille of ambt respectievelijk functie ter beschikking te stellen.
Welke staatsrechtelijke regel zou zich er tegen verzetten bewindspersonen, door welke politieke partij ze dan ook oorspronkelijk zijn voorgedragen, demissionair hun werk voort te laten zetten, zo lang een meerderheid van de Kamer niet het vertrouwen in hen opzegt?
Er is geen staatsrechtelijke regel die zich verzet tegen het voortzetten van het werk als demissionair bewindspersoon. Wel had het kabinet zich te verhouden tot de op 3 juni ontstane situatie. Een en ander heeft de Ministers en Staatssecretarissen die door de voorzitter van de PVV-fractie zijn voorgedragen voor benoeming in het kabinet aanleiding gegeven hun ontslag aan te bieden. De Minister-President en de overige Ministers en Staatssecretarissen hebben hierin aanleiding gevonden hun portefeuille of ambt respectievelijk functie ter beschikking te stellen.
Is overwogen om sommige (door de PVV voorgedragen) bewindspersonen partijloos door te laten gaan met hun werk? Zo niet, waarom niet? Zo ja, waarom is daar niet voor gekozen? Hoe is dit precies gegaan?
Zie het antwoord op vraag 2.
Briefings op het ministerie van Algemene Zaken |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Dick Schoof (minister-president ) (INDEP) |
|
![]() |
Wie heeft, als het niet de Minister-President zelf is geweest (antwoord vraag 8 op eerder gestelde vragen door het lid Dekker 2025Z01466), dan wel het initiatief genomen voor de briefings op het Ministerie van Algemene Zaken?
Het is de taak van de ambtelijke dienst bewindslieden actief te informeren over relevante aangelegenheden. In dit kader hebben de betrokken ministeries dit initiatief gezamenlijk genomen.
Het belang van verslavingsartsen en de resultaten van een enquête hierover |
|
Sarah Dobbe , Michiel van Nispen |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
Bent u bekend met de rapportage van de Vereniging Verslavingsgeneeskunde Nederland (VVGN), waarin inzicht wordt gegeven in wat de medische beroepspraktijk vindt van het uitbreiden van de opleiding tot verslavingsarts met 1 jaar interdisciplinaire stage?1
Wat vindt u van de conclusies over de ervaringen van de verslavingsartsen dat de huidige tweejarige opleiding te kort is en inhoudelijk te smal voor een goede start in de praktijk?
Wat vindt u ervan dat 94% van de respondenten vindt dat verslavingsartsen, om mensen met een verslavingsprobleem optimale zorg te kunnen bieden, kennis en ervaring zouden moeten opdoen buiten de verslavingszorg: in de psychiatrie, het ziekenhuis en binnen het sociaal domein?
Deelt u de mening dat het niet ideaal is dat er momenteel in de opleiding geen sprake is van het opdoen van praktijkervaring middels een stage?
Kunt u reflecteren op de conclusie dat verslavingsartsen en aios-verslavingsgeneeskunde, maar ook andere artsen, vinden dat de voorgenomen uitbreiding van de opleiding een inhoudelijke verrijking zou zijn?
Deel u de conclusies van de rapportage dat een uitbreiding van de opleiding van 2 jaar naar 3 jaar ook geen effect zal hebben op de bereidheid om wel of niet aan de opleiding te beginnen, wat als positief kan worden gezien?
Deelt u de mening dat de uitbreiding van de opleiding van toegevoegde waarde kan zijn voor de kwaliteit van de verslavingszorg in Nederland?
Bent u bereid om te onderzoeken of het financieel mogelijk zou zijn de opleiding tot verslavingsarts uit te breiden van 2 naar 3 jaar en welke kosten hieraan verbonden zijn?
De nieuwsberichten rondom de paasviering in Jeruzalem |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
Caspar Veldkamp (minister ) (NSC) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van de nieuwsberichten rondom de paasvieringen in Jeruzalem?1 2
Ja.
Bent u er van op de hoogte dat het toegang beperken voor gelovigen bij heilige plaatsen voor christenen en moslims door de Israëlische overheid past in een trend van de afgelopen jaren? Zou u hierop kunnen reflecteren?
Christenen en moslims worden in toenemende mate beperkt bij het betreden van de Oude Stad van Jeruzalem, vooral tijdens religieuze feestdagen/maanden als Pasen en de Ramadan. In 2025 werden slechts vierduizend vergunningen verstrekt aan een gemeenschap van ongeveer vijftigduizend christenen om naar Jeruzalem te komen. Voor de vrijdaggebeden tijdens de Ramadan werden alleen vergunningen versterkt aan moslims ouder dan vijftig jaar en jonger dan twaalf jaar. Dit zijn zorgelijke ontwikkelingen. Het kabinet acht het essentieel dat gelovigen vrije en onbelemmerde toegang hebben tot de heilige plaatsen in Jeruzalem en dat de status quo van de heilige plaatsen wordt gerespecteerd.
Bent u het eens dat deze beperkingen van toegang tot heilige plaatsen passen in een breder beeld van toenemende verbale en fysieke dreigingen en beslagleggingen van eigendommen jegens christenen en moslims in Jeruzalem? Zo niet, waarom niet?
Christenen en moslims worden steeds vaker geconfronteerd met controleposten en barrières, waardoor heilige plaatsen niet of moeilijk bereikbaar zijn. Ook hebben gelovigen steeds vaker te maken met geweld en intimidatie door Israëlische betogers in de Oude Stad.
Bent u het eens dat de vrijheid van godsdienst en aanbidding een universeel mensenrecht is zoals vastgelegd in artikel 18 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens? Zo ja, bent u het dan eens dat Nederland de plicht heeft zich hier internationaal voor in te zetten?
Nederland erkent de universaliteit van de mensenrechten, zoals vastgelegd in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Vrijheid van religie en levensovertuiging is een fundamenteel mensenrecht dat voor iedereen geldt, ongeacht achtergrond of overtuiging. Nederland zet zich hier actief voor in, onder andere via het Mensenrechtenfonds, bilaterale diplomatie en in multilaterale gremia en initiatieven. Daarbij wordt opgekomen voor de rechten van alle religieuze groepen, onder wie christenen en moslims.
Bent u bekend met de status quo in Jeruzalem en Bethlehem die als politieke en religieuze afspraak bestaat sinds 1852 en die de toegang van gelovigen tot heilige plaatsen garandeert?
Ja.
Bent u het eens dat het belang van het behoud van de status quo extra onderschreven dient te worden in de richting van Israël nu christenen en moslims te maken krijgen met toenemende bedreigingen van hun vrijheid van godsdienst en beweging en daarnaast met een toename van geweld?
Het kabinet acht de handhaving van de status quo van de heilige plaatsen essentieel en roept alle partijen op om daartoe hun verantwoordelijkheid te nemen. Nederland spreekt hierover bijvoorbeeld geregeld met Jordanië aangezien dit land een significante rol speelt in Jeruzalem. Het Jordaanse koningshuis is namelijk in de zogenaamde status quo afspraken aangewezen als hoeder (custodian) van de religieuze gebieden Haram al-Sharif/Tempelberg. Het kabinet benadrukt het belang van de handhaving van de status quo ook bij de Israëlische autoriteiten. Ook heeft Nederland dit op 17 juni jl. nog benoemd in de inbreng bij de interactieve dialoog met «the Commission of Inquiry on the Occupied Palestinian Territory, including East Jerusalem and in Israel» tijdens de 59ste Mensenrechtenraad. Nederland steunt daarnaast verschillende projecten gericht op de bevordering van vrijheid van religie in Israël en de Palestijnse Gebieden.
Bent u bereid om zich in te zetten om de status quo in Jeruzalem te behouden zodat daarmee de vrijheid van godsdienst en beweging kan worden gegarandeerd voor christenen en moslims in Jeruzalem? Zo ja, welke stappen bent u van plan te zetten?
Zie antwoord op vraag 6. Nederland zet zich actief in om de vrijheid van religie en levensovertuiging te waarborgen, onder andere via het Mensenrechtenfonds, bilaterale diplomatie en in multilaterale gremia en initiatieven. Via deze wegen blijft Nederland zich ook inzetten voor het behoud van de status quo.
Bent u op de hoogte van het statement van de Europese Unie (EU) aangaande de incidenten rondom de Paasvieringen in Jeruzalem van dit jaar?3
Ja.
Bent u het eens dat in navolging van dit EU-statement ook vervolgstappen ondernomen moeten worden? Zo ja, bent u dan bereid om zich hiervoor in te zetten in EU-verband?
Ja, zie de antwoorden op vragen 4 en 6.
Medicinale cannabis |
|
Joost Sneller (D66), Wieke Paulusma (D66) |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
![]() |
Hoe staat het met de implementatie van de tweede beleidsregel omtrent medicinale cannabis, die oorspronkelijk per januari 2025 ingevoerd zou worden maar nu vertraagd is naar uiterlijk 1 januari 2026?
Ik verwacht deze beleidsregel zonder verdere vertraging in te kunnen voeren.
Waarom zijn veldpartijen, ondanks hun relevante kennis en ervaring, tot op heden slechts beperkt betrokken bij de totstandkoming van het beleid en de aanstaande wetswijziging? Welke stappen onderneemt u om deze partijen alsnog actief en in een vroeg stadium te betrekken bij de beleidsvorming?
Veldpartijen hebben gelegenheid om input te leveren op nieuw beleid en nieuwe wetgeving bij de internetconsultaties van deze voorstellen. Ik organiseer daarbij ook nog online bijeenkomsten rondom deze consultaties. Dat is gebeurd bij de implementatie van de beleidsregel die in september 2024 in werking is getreden. Dat zal ook bij volgende beleids- en wetsvoorstellen het geval zijn.
Is er naar aanleiding van de beoogde internetconsultatie nog voldoende tijd om daadwerkelijk veranderingen aan te brengen in het voorgenomen beleid naar aanleiding van eventuele feedback uit het veld of van belanghebbenden?
Ja.
Hoe ziet u de balans tussen tijdige uitvoering en betekenisvolle participatie van belanghebbenden?
Ik neem aan dat met participatie in dezen wordt bedoeld de mogelijkheid van het leveren van inbreng door veldpartijen aan beleids- en wetstrajecten. Betekenisvolle participatie is daarmee participatie die verbetering van beleids- en wetsvoorstellen kan bewerkstelligen. Daarvoor moet er, zoals door de vraagstellers al wordt geïmpliceerd, voldoende tijd zijn voor mijn ministerie om zinvolle inbreng in voorstellen te verwerken. Ik geloof dat dit mogelijk is.
Wat is het plan met betrekking tot eventuele nieuwe aanbestedingen, nu het lopende aanbestedingstraject dat tot een tweede gecontracteerde teler had moeten leiden is beëindigd en Bureau Medicinale Cannabis (BMC) de wens heeft het contract met de overgebleven teler per 1 januari 2026 te beëindigen?
Het Ministerie van VWS is niet van plan over te gaan tot het uitzetten van nieuwe aanbestedingen. Zoals aangekondigd in de Kamerbrief van 21 februari jl.1 zal de overeenkomst met de huidige gecontracteerde teler worden beëindigd. Levering aan de Nederlandse patiënt wordt daarna uit bestaande voorraad gedaan tot aan de wetswijziging. Die voorraad wordt momenteel opgebouwd.
Op welke wijze gaat u garanderen dat de beschikbaarheid van medicinale cannabis voor patiënten in Nederland en daarbuiten per 1 januari 2026 en verder is gewaarborgd? Wat zijn hiervoor de concrete plannen en maatregelen?
Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 21 februari jl.2 zal de Nederlandse patiënt worden voorzien van cannabis die het BMC nog in voorraad heeft. Ik voorzie dat deze levering tot aan de wetswijziging kan worden voortgezet. Op dat moment kunnen marktpartijen deze levering overnemen.
Het is niet aannemelijk, maar ook niet volledig uitgesloten dat de bestaande voorraad niet meer in de vraag van Nederlandse patiënt kan voorzien. Voor dit scenario heb ik plannen uitgewerkt. Het Ministerie van VWS zal dan overgaan tot import van medicinale cannabis als «gereed product». Dit kan dan aan apotheken en apotheekhoudend artsen worden geleverd. In dit scenario moet het Ministerie van VWS wel overgaan tot een aanbesteding van «gereed product». Voor zover mogelijk is hiervoor alle benodigde documentatie gereed. Ook is een marktverkenning uitgevoerd.
Of de voorraad medicinale cannabis is uitgeput voordat de wetswijziging is ingevoerd, zal op tijd genoeg duidelijk zijn om tijdig alternatieve import te realiseren.
Hoe verhoudt het voornemen om de levering van medicinale cannabis aan patiënten in het buitenland door BMC in de loop van 2026 in zijn geheel te stoppen, zich tot het belang van goede zorg voor deze patiënten?
Dat verhoudt zich goed tot elkaar. BMC voorziet slechts in een klein deel van de totale buitenlandse vraag naar medicinale cannabis. Het wegvallen van het aanbod van BMC zal door andere marktpartijen goed kunnen worden overgenomen. Daarbij komt ook nog dat BMC buitenlandse overheden op tijd heeft geïnformeerd over dit voornemen.
Aannemelijk daarbij is zelfs dat cannabisproducten die BMC bij haar huidige gecontracteerde teler laat telen op de markt beschikbaar blijven. Deze teler heeft op haar website aangegeven in een ander Europees land haar producten te gaan produceren.
U stelt dat om beschikbaarheidsproblemen per 2026 te voorkomen, medicinale cannabis uit bestaande voorraden geleverd zal worden: in hoeverre bestaat nu al een voorraad, wie beheert die en hoe is deze voorraadopbouw juridisch geregeld onder de Opiumwet?
Er is op dit moment sprake van een voorraad medicinale cannabis. Deze is in beheer van het BMC. Deze voorraad wordt verder uitgebouwd. Daarbij is er ook vriezercapaciteit beschikbaar, die de houdbaarheid van cannabis kan verlengen. Onder artikel 8i, vijfde lid, onder c, van de Opiumwet is de Minister van VWS onder meer bevoegd om medicinale cannabis («hennep, hasjiesj en hennepolie») aanwezig te hebben. Deze verantwoordelijkheid is gemachtigd aan het BMC.
Hoe realistisch is het aanleggen van een werkbare en adequate voorraad medicinale cannabis tot het moment van een wetswijziging in 2027, aangezien de vooralsnog aanbestede teler vrij specifieke hoeveelheden levert en er dus geen goede voorraad aangelegd zou kunnen worden?
Ik ben het niet met u eens dat er geen goede voorraad aangelegd zou kunnen worden. Het BMC kan goede inschattingen maken van de vraag van de Nederlandse patiënt, omdat deze al jaren redelijk consistent is. Met kennis van de historische vraag heeft BMC dus adequaat «vooruitbesteld».
Deelt u de zorgen dat veel patiënten moeite hebben om de juiste vorm van medicinale cannabis te verkrijgen via de reguliere apotheekkanalen? Hoe weegt u dit in het licht van het recht op goede zorg?
Ik herken dit niet als breed gedragen signaal. Ik deel ook niet dat «recht op goede zorg» voorziet in een (morele) plicht tot het beschikbaar stellen van nog meer variëteiten medicinale cannabis. Volgens artikel 8h en 8i van de Opiumwet is de Minister van VWS onder andere verantwoordelijk voor het beschikbaar maken van medicinale cannabis. Aan deze verantwoordelijkheid, gemandateerd aan het BMC, is invulling gegeven door de teelt van vijf variëteiten te contracteren.
In Nederland worden geneesmiddelen vanuit het basispakket vergoed wanneer voldaan is aan de stand van de wetenschap en praktijk. Dat betekent dat het geneesmiddel voldoende bewezen effectief is. Het Zorginstituut Nederland heeft geconstateerd dat de resultaten van onderzoek onvoldoende zijn om van een bewezen werkzaamheid van de therapeutische toepassing van medicinale cannabis te kunnen spreken3.
Ik vind dat ik met het beschikbaar stellen van vijf variëteiten voldoende tegemoetkom aan mijn verantwoordelijkheid. Zeker kijkend naar de genoemde constatering van het Zorginstituut.
Herkent u het signaal dat het voor patiënten soms eenvoudiger is om via de legale wietteelt aan cannabis te komen dan via de apotheek? Acht u dit wenselijk?
Ik kan dit signaal zonder verdere informatie niet goed op waarde schatten. Ik constateer dat iedereen in Nederland medicinale cannabis na consultatie van een arts op voorschrift kan krijgen. De arts en apotheker kunnen adviseren en monitoren tijdens het gebruik ervan. Dit is de enige wenselijke manier waarop cannabis voor medicinale doeleinden kan worden verkregen en gebruikt.
Dat het in Nederland eenvoudiger is om cannabis zónder voorschrift uit het recreatieve circuit te halen is evident. Er is hiervoor geen betrokkenheid van arts en apotheker nodig. Slechts één bezoek naar de coffeeshop volstaat. Er zijn mensen die deze cannabis naar eigen inzicht voor medicinale doeleinden gebruiken. Ik vind dat onverstandig, maar dit staat hen vrij.
Wat zijn uw plannen om deze scheve situatie, waarin patiënten mogelijk tussen wal en schip vallen, te corrigeren?
Ik heb op dit moment geen plannen om deze situatie te verhelpen.
Klopt het dat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) vier extra inspecteurs beschikbaar heeft aangesteld in dit dossier, nu er slechts zeer beperkte uitbreiding van de ruimte voor activiteiten met medicinale cannabis in de open keten plaatsvindt en aanbestedingen zijn stilgelegd? Wat is dan concreet de taak en inzet van deze inspecteurs?
Dit is niet correct. De IGJ heeft 2025 nodig om de extra inspecteurs aan te trekken en in te werken. Daarmee kunnen zij per 1 januari 2026 toezicht houden op de uitvoering van de aanstaande beleidsregel. Met deze beleidsregel worden aanvullende mogelijkheden geschept voor verhandeling via het BMC van medicinale cannabis buiten de «gesloten keten».
Wat is de stand van zaken ten aanzien van de vergoeding van medicinale cannabis via de zorgverzekering? Bent u voornemend te onderzoeken of dit verbeterd kan worden?
Het Zorginstituut heeft tot dusver geen aanleiding gezien haar advies aan te passen. Zij kan dit doen als meer onderzoeksuitkomsten beschikbaar komen die de werkzaamheid van cannabis onderschrijven. Aanstaande beleids- en wetsvoorstellen zijn erop gestoeld veldpartijen meer ruimte te geven voor verhandeling van medicinale cannabis in de keten van geneesmiddelen en werkzame stoffen. Indirect moet dit bijdragen aan een beter klimaat voor partijen die in onderzoek en geneesmiddelenproductie met cannabis willen investeren.
Ik zie voor het Ministerie van VWS geen rol weggelegd om actief in wetenschappelijke onderzoeken naar de werkzaamheid van cannabis te investeren.
Wat is uw reflectie op hetgeen in het kader van de Verantwoordingsdag bij de VWS-begroting van 2024 naar voren is gebracht: «het agentschap CIBG heeft een bestaande overeenkomst voor medicinale cannabis onrechtmatig verlengd, dit heeft geleid tot € 14,5 miljoen aan fouten»?
Het is onwenselijk dat het Ministerie van VWS in strijd met de aanbestedingsregels opdrachten verleent of verlengt. Dat de opdracht voor medicinale cannabis uiteindelijk niet via de aanbesteding verstrekt kon worden komt door de voorgenomen wetswijziging, waaronder BMC geen opdrachten tot teelt meer zal verlenen. Om na intrekking van de aanbesteding de productie te borgen tot het moment van wetswijziging is het contract met de huidige teler tijdelijk verlengd. Met het beëindigen van het contract met de huidige teler per januari 2026 komt een einde aan de onrechtmatige opdrachtverlening.
Onder het voorgenomen wetsvoorstel wordt de rol van de overheid in de toeleveringsketen zo verkleind, dat van publieke aanbestedingen voor teelt geen sprake meer zal zijn. Ook andere marktpartijen dan de huidige teler kunnen zich vanaf dat moment op de markt van apotheektoelevering gaan begeven.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het commissiedebat Drugsbeleid op 3 juli a.s.?
Het commissiedebat van 3 juli is door de Tweede Kamer tot nader orde uitgesteld.
De verder aan het licht gekomen misstanden in sektes door undercover onderzoek |
|
Michiel van Nispen |
|
Coenradie , David van Weel (minister , minister ) |
|
Bent u bekend met de uitzending van Undercover in Nederland waarin misstanden in de sekte «de lichtfamilie», die actief is in Nederland, zijn vastgesteld middels een undercover infiltrant?1 2
Ja, ik heb kennis genomen van het tweeluik van Undercover in Nederland over de sekte De Lichtfamilie.
Wat is uw reactie op deze documentaire waarin wordt gesproken over grensoverschrijdend gedrag binnen deze sekte, zoals shunning, het aftroggelen van geld van de leden en vernederen?
In zijn algemeenheid geldt dat iedereen het recht heeft om zijn eigen godsdienst of levensovertuiging te kiezen en zich daarop te baseren, mits dit binnen de wettelijke kaders blijft. Zo mogen mensen in principe afstand doen van hun persoonlijke bezittingen, maar dit mag niet gepaard gaan met strafbaar gedrag zoals manipulatie, dwang of vernedering. Dergelijke handelingen zijn onaanvaardbaar en kunnen juridische gevolgen hebben, vooral als ze leiden tot psychisch of fysiek letsel. Het Openbaar Ministerie (OM) kan strafrechtelijk ingrijpen als er voldoende bewijs is dat er sprake is van strafbare feiten.
Wat vindt u ervan dat in deze sekte er sprake is van een overtuiging dat mensen die ernstig ziek, zoals mensen met kanker, dit aan zichzelf te wijten hebben en door de «Draak» te verdrijven ook de genezing zelf in de hand hebben?
Dit vind ik bedrieglijk en gevaarlijk. Een overtuiging uitspreken – zoals de sekteleider in de uitzending doet – is overigens niet hetzelfde als alternatieve zorg verlenen. Voor de volledigheid kan ik hier benoemen dat zodra er sprake is van een alternatieve behandeling, de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (hierna: Wkkgz) en de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (hierna: Wet BIG) grenzen stellen. Een alternatieve zorgaanbieder mag volgens de Wkkgz geen schade of een aanmerkelijke kans op schade aan de gezondheid veroorzaken. Van schade of een aanmerkelijke kans daarop kan bijvoorbeeld sprake zijn als patiënten worden afgehouden van reguliere zorg.
In dat geval kan de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) ingrijpen. Het is voor de samenleving erg belangrijk dat mensen die negatieve gevolgen ondervinden van dergelijke keuzes, dit melden bij de IGJ. De IGJ kan de situatie dan onderzoeken en ingrijpen als dat nodig is. Daarnaast kan een behandelaar strafrechtelijk worden vervolgd als hij een aanmerkelijke kans op benadeling van de gezondheid van de cliënt veroorzaakt of als hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zijn behandeling en advisering daartoe leidt. Hierover kan aangifte worden gedaan. Dit is geregeld in de Wet BIG.
Ik roep iedereen op om alert te zijn en eventuele zorgen of problemen over alternatieve behandelingen te melden bij de IGJ. Het is van groot belang dat we de veiligheid en gezondheid van patiënten vooropstellen, terwijl we ook hun recht op geloof en keuzevrijheid respecteren.
Deelt u de mening dat het niet aanvaardbaar is dat mensen worden gemanipuleerd en gekleineerd in het afstaan van hun bezittingen, alle contacten met mensen buiten de sekte en het ondergaan van grensoverschrijdende handelingen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat dit zeker geen nieuw fenomeen is gezien een eerdere documentaire van Undercover in Nederland in 2011, toen over de «Miracle of Love» sekte? En alle andere onthullingen over misstanden bij verschillende sektes in de jaren daarna?
Ja, ik ben het eens dat het bestaan van «sektes» geen nieuw fenomeen is. Neutraal gedefinieerd zijn «sektes» georganiseerde groepen mensen binnen een religie die dezelfde geloofsovertuigingen delen. Door de geschiedenis heen zijn ze in diverse vormen en onder verschillende omstandigheden ontstaan, vaak als reactie op sociale, culturele of religieuze veranderingen, wat aantoont dat ze van alle tijden zijn. De recente aandacht in de media en de maatschappij voor groeperingen die als sektes worden bestempeld, vooral door onthullingen van misstanden, hebben geleid tot een verhoogd bewustzijn en discussie over de problematiek die binnen deze groeperingen speelt.
Hoe groot en ernstig is volgens u momenteel de problematiek van sektes en misstanden die zich daarbinnen afspelen in Nederland?
Het is belangrijk te benadrukken dat gesloten groeperingen niet per definitie schadelijk zijn. Echter, er zijn gesloten groeperingen waarin misstanden voorkomen, waaronder strafbare feiten die ernstige gevolgen hebben voor hun leden en de samenleving. In dergelijke groeperingen kan het delen van ervaringen en het zoeken naar hulp bemoeilijkt worden door sterke loyaliteit, geheimhouding, machtsstructuren en een hoge mate van (dwingende) controle. Leden voelen zich vaak niet veilig om te spreken uit angst voor sociale uitsluiting of repercussies, wat leidt tot isolement en beperkte toegang tot externe hulpbronnen. Dit is zeer schadelijk, want fysiek en psychisch misbruik zijn ernstige schendingen van de lichamelijke en geestelijke integriteit van slachtoffers, met langdurige gevolgen die hun dagelijks leven, relaties, werk en welzijn ingrijpend kunnen beïnvloeden.
Er zijn geen exacte cijfers over «sektes», omdat hier niet op wordt geregistreerd. Bovendien is er geen overeenstemming over de definitie van een «sekte», wat het moeilijk maakt om te bepalen of een bepaalde groep als sekte kan worden aangemerkt.
Kunt u in algemene zin aangeven hoe de beleidsmatige aanpak van sektes in Nederland zich de afgelopen jaren heeft ontwikkeld?
De beleidsmatige aanpak van gesloten groeperingen in Nederland heeft de afgelopen jaren een belangrijke ontwikkeling doorgemaakt. Tussen 2012 en 2020 bestond het meldpunt Sektesignaal. Na het opheffen van het meldpunt hebben de leden Van Wijngaarden/Michon-Derkzen (VVD) en Van Nispen (SP) via diverse moties en Kamervragen verzocht om een nieuw meldpunt. Mede naar aanleiding hiervan is expertisecentrum Fier in opdracht van het Ministerie van Justitie en Veiligheid op 1 juni 2024 gestart met een 2,5-jarige pilot om een hulppunt in te richten zodat er één herkenbaar punt komt voor hulp en doorverwijzing aan slachtoffers van onveiligheid en dwingende controle in (gesloten) groeperingen en hun omgeving. Het hulppunt zal op 1 juli 2025 van start gaan.
Waar hulpverleners en overheidsinstanties eerder geringe kennis hadden over gesloten groeperingen, zijn zij nu actiever geworden in het verzamelen van informatie. Er zijn initiatieven ontwikkeld om voorlichting te geven over risicofactoren van een gesloten groepering en het herkennen van problematiek. Het hulppunt van Fier zal investeren in het ontwikkelen van expertise op het gebied van onveiligheid en dwingende controle in (gesloten) groeperingen, met als doel een landelijke kennisfunctie te creëren. Daarnaast wordt er gewerkt aan een betere samenwerking tussen verschillende instanties, zoals hulpverleningsorganisaties, politie en inspecties, om een effectieve aanpak te waarborgen. Deze stappen wijzen op een groeiende erkenning van de problematiek die kan spelen binnen gesloten groeperingen en de noodzaak voor adequate ondersteuning van slachtoffers.
Deelt u de mening dat een goed functionerend en laagdrempelig Meldpunt voor sektes van het grootste belang is? Kunt u de Kamer uitgebreid informeren hoe dit Meldpunt, nu bij Fier, vorm is gegeven en hoe er voor wordt gezorgd dat slachtoffers hulp krijgen en naasten advies, maar ook dat er een landelijke kennisfunctie gaat ontstaan?
Ik deel de mening dat slachtoffers en hun naasten hebben baat bij een herkenbare plek in de hulpverlening. Met het inrichten van het hulppunt van Fier komt er zo een herkenbare plek waar signalen van onveiligheid en dwingende controle in (gesloten) groeperingen samenkomen, en waar kennis en expertise voorhanden is om informatie te verstrekken over problematiek binnen deze groeperingen. Op de website kunnen gebruikers informatie vinden, zoals risico-indicatoren en een hulpwijzer. Het hulppunt biedt ook passende (na)zorg voor personen die fysiek of emotioneel schade ondervinden doordat zij deel uitmaken of deel uit hebben gemaakt van een groepering waarin misstanden plaatsvinden. Slachtoffers en naasten kunnen via de website veilig, vertrouwelijk en kosteloos chatten met Fier, waar ze informatie, advies en professionele hulp door hbo-opgeleide hulpverleners kunnen ontvangen. De chat staat in verbinding met hulpverleningspartners en opsporingsinstanties, zodat slachtoffers ook offline ondersteuning kunnen krijgen indien zij dat wensen.
De chat met Fier is al geopend en kan ondersteuning bieden aan mensen die bijvoorbeeld seksueel geweld, psychisch geweld of uitbuiting hebben meegemaakt. Vanaf 1 juli 2025 kunnen mensen bij Fier terecht voor ondersteuning vanuit de specialisatie onveiligheid en dwingende controle in (gesloten) groeperingen.
Het hulppunt van Fier investeert in het ontwikkelen van expertise op het gebied van onveiligheid en dwingende controle in (gesloten) groeperingen, met als doel een landelijke kennisfunctie te creëren. Hiervoor wordt samengewerkt met deskundigen op operationeel en wetenschappelijk vlak, zowel nationaal als internationaal. De verworven kennis vormt de basis voor het hulppunt en de gerichte, onderbouwde inzet van hulpprofessionals die betrokken zijn bij de online hulpverlening. Vanuit deze kennispositie wordt er gewerkt aan kennisdeling, onder andere door het organiseren van voorlichtingssessies voor professionals. Daarnaast wordt er actief aandacht besteed aan samenwerking en het uitwisselen van informatie over trends en ontwikkelingen met gemeenten, politie en het OM.
Er is nadrukkelijk niet gekozen voor de oprichting van een nieuw meldpunt. De politie is het centrale punt voor het doen van meldingen en aangiftes van strafbare feiten. Bovendien kan een punt dat uitsluitend voor meldingen is bedoeld, geen directe en laagdrempelige hulp of ondersteuning door hiertoe opgeleide professionals aan slachtoffers en bezorgde familieleden bieden. Dit zou betekenen dat mensen altijd doorverwezen moeten worden. Het voordeel van de samenwerking met Fier is dat deze organisatie al over kennis beschikt met betrekking tot geweld in afhankelijkheidsrelaties en de benodigde samenwerkingsstructuren heeft. Bovendien zou een nieuw meldpunt leiden tot verdere versnippering van de hulpverlening voor slachtoffers.
Over de nadere vormgeving van het hulppunt bij Fier wordt de Kamer geïnformeerd in de Kamerbrief onveiligheid en dwingende controle in (gesloten) groeperingen die voor het zomerreces uitgaat.
Hoe zal er voor gezorgd worden dat slachtoffers en naasten aan de ene kant er zeker van zijn dat hulpvragen en zorgen laagdrempelig en veilig gemeld kunnen worden bij het meldpunt, maar aan de andere kant ernstige misstanden niet zonder gevolgen blijven en er lijntjes zijn met onder andere de politie en eventueel Inspecties om in te grijpen in de situaties die daar om vragen?
Het hulppunt van Fier zal 1 juli 2025 live gaan. Slachtoffers en hun naasten kunnen dan kosteloos op een veilige en vertrouwelijke manier chatten, en via die weg informatie, advies en hulp ontvangen. Chatgebruikers kunnen een account aanmaken, zodat ze op hun eigen gewenste momenten meerdere keren terug kunnen komen voor hulp. De laagdrempelige vorm van hulp maakt dat slachtoffers in beeld komen die anders niet gezien worden. Het is de bedoeling dat het hulppunt van Fier in contact staat met (opsporings)instanties en hulpverleningspartners, zodat Fier een warme overdacht kan faciliteren richting face-to-face hulpverlening of het doen van een melding of aangifte, als slachtoffers hiervoor openstaan. Het hulppunt zal daartoe met de politie samenwerken, onder meer met politiemedewerkers met de kenniscompetentie sektes en gesloten gemeenschappen.
De precieze uitwerking van de samenwerking wordt waar nodig bijgesteld op basis van ervaringen. Het hulppunt is daarnaast vanuit zijn expertpositie beschikbaar voor de politie voor kennis en informatie ten behoeve van opsporing en vervolging.
Welke financiering is er op dit moment gemoeid met dit «nieuwe» (ooit wegbezuinigde) Meldpunt voor sektes?
De (incidentele) kosten voor de 2,5-jarige pilot om een hulppunt in te richten bij Fier worden gedekt uit het beleidsbudget voor Slachtofferbeleid en bedragen € 926.907,–. Als de pilot succesvol blijkt te zijn, is het streven om deze hulpverlening duurzaam in te richten.
Hoe staat het met de aangenomen motie-Van Nispen/Michon-Derkzen waarin het kabinet wordt gevraagd werk te maken van hoe mensen beter beschermd kunnen worden tegen sektes en of, en zo ja hoe, voorkomen kan worden dat kinderen formeel toetreden tot gesloten gemeenschappen en waarin wordt verzocht in het kader van de aanstaande nieuwe wet omtrent strafbaarstelling van psychisch geweld het beleid rondom sektes beter vorm te geven en hierover al in een vroeg stadium te overleggen met deskundigen, Fier en de politie?3
Hierover wordt de Kamer geïnformeerd in de Kamerbrief onveiligheid en dwingende controle in (gesloten) groeperingen die voor het zomerreces uitgaat.
Bent u bereid deze vragen voor het commissiedebat slachtofferbeleid op 18 juni te beantwoorden?
Ik heb bewerkstelligd dat de beantwoording van de vragen is toegezonden voorafgaande aan het commissiedebat slachtofferbeleid, dat thans geagendeerd staat op 2 juli.
Het bericht van WNL dat hulporganisaties met overheidsgeld rechtszaken aan zouden spannen |
|
Daniëlle Hirsch (GL) |
|
Reinette Klever (PVV) |
|
![]() |
Klopt het dat u op zondag 1 juni een bericht op X heeft gedeeld van WNL waarin wordt gesteld: «hulporganisaties, waaronder Oxfam Novib, spannen met overheidsgeld rechtszaken aan»?1
Dat klopt niet. De toenmalige Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp Reinette Klever heeft op zondag 1 juni een bericht op X gedeeld van WNL met een kort fragment van haar gesprek bij WNL, waarin zij stelde dat ontwikkelingshulpgeld niet is bedoeld om te lobbyen bij en tegen de Nederlandse overheid. Dit is wel mogelijk binnen het aflopende beleidskader Versterking Maatschappelijk Middenveld (2021–2025), maar niet meer in het nieuwe beleidskader voor de samenwerking met maatschappelijke organisaties in ontwikkelingshulp (2026–2030).2 Op een eerder moment in de betreffende uitzending noemde de presentator, Rick Nieman, de rechtszaak die Oxfam Novib in 2023 heeft aangespannen tegen de Staat over de levering van F-35-onderdelen aan Israël. Noch Nieman, noch voormalig Minister Klever heeft beweerd dat deze rechtszaak met overheidsgeld is gefinancierd.
Bent u bekend met het feit dat de F-35-rechtszaak aangespannen door onder meer Oxfam Novib, voor 100% door donaties wordt gefinancierd? Onderkent u dus dat deze rechtszaak niet is betaald met overheidsgeld? Zo nee, waarom niet?
Oxfam Novib en/of PAX hebben zowel publiekelijk3 als in gesprekken met Buitenlandse Zaken aangegeven dat de rechtszaak is gefinancierd door een crowdfundingsactie en niet met overheidsgeld.
Deelt u de mening dat een Minister goed op de hoogte zou moeten zijn van waar het overheidsgeld uit zijn/haar begroting aan besteed wordt door partners?
Ja, die mening deel ik en de toenmalige Minister voor BHO was daar goed van op de hoogte.
Waarom deelt u online feitelijk onjuiste informatie over hoe geld van uw eigen begroting besteed wordt?
De toenmalige Minister voor BHO heeft geen feitelijk onjuiste informatie gedeeld over de besteding van het geld van haar begroting. Zie ook het antwoord op vraag 1.
Bent u bereid dit bericht te rectificeren? Zo niet, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u van mening dat maatschappelijke organisaties het recht hebben om naar de rechter te stappen om het handelen van de regering aan democratisch vastgestelde wet- en regelgeving te toetsen? Zo niet, waarom niet?
Jazeker, dat recht hebben ze.
Kunt u aangeven wat de kosten zijn van de cassatie die de regering heeft aangespannen nadat het Gerechtshof Oxfam Novib en andere ngo’s in februari 2024 in het gelijk stelde en concludeerde dat Nederland met de levering van F35-onderdelen bijdraagt aan oorlogsmisdaden in Gaza?2
Ik ga ervan uit dat u doelt op de cassatie die is ingesteld naar aanleiding van het arrest van het Hof van 12 februari 2024 over de export van F-35-onderdelen vanuit Nederland naar Israël.
Er zijn de afgelopen jaren kosten gemaakt in verband met de verschillende procedures rond de export van F-35-onderdelen vanuit Nederland naar Israël en het bredere Israël-beleid. Het gaat dan met name om kosten voor de inzet van ambtenaren en het inschakelen van het kantoor van de Landsadvocaat. Het ministerie beschikt niet over een totaaloverzicht van die kosten.
Ik hecht eraan te benadrukken dat het besluit van de Staat om in cassatie te gaan tegen het arrest van het Hof Den Haag losstaat van de catastrofale situatie in Gaza. De cassatiezaak gaat over de principiële rechtsvraag in hoeverre de Staat zijn eigen buitenlandbeleid kan vormgeven. Het Hof Den Haag heeft overigens in het arrest niet geconcludeerd dat Nederland met de levering van F-35-onderdelen bijdraagt aan oorlogsmisdaden in Gaza. Wel oordeelde het Hof dat er een duidelijk risico bestond dat naar Israël uit te voeren F-35-onderdelen gebruikt worden bij het begaan van ernstige schendingen van het humanitair oorlogsrecht. Op grond daarvan heeft het Hof geoordeeld dat de uitvoer van F-35-onderdelen vanuit Nederland naar Israël dient te worden gestaakt. Daaraan heeft de Staat onmiddellijk gevolg gegeven.
Het bericht ’UvA verhaalt schade bezettingen mei 2024 niet op demonstranten’. |
|
Claire Martens-America (VVD), Ingrid Michon (VVD) |
|
David van Weel (minister , minister ) , Eppo Bruins (minister ) (NSC) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «UvA verhaalt schade bezettingen mei 2024 niet op demonstranten»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het besluit van de Universiteit van Amsterdam (UvA) om de schade van bijna 1,5 miljoen euro, veroorzaakt tijdens de bezettingen op het Roeterseiland en Binnengasthuisterrein in mei 2024, niet op de demonstranten te verhalen vanwege juridische onhaalbaarheid?
De Universiteit van Amsterdam (hierna: UvA) geeft aan dat het de juridische mogelijkheden grondig heeft onderzocht en op basis daarvan tot dit besluit is gekomen. Ik vertrouw erop dat dit besluit zorgvuldig tot stand is gekomen.
Bent u het eens met de stelling dat het zeer onwenselijk is dat de kosten van vernielingen en schade als gevolg van ordeverstorende rellen op universiteiten verhaald worden op onschuldige studenten en de belastingbetaler?
Ik vind het belangrijk dat daders die schade veroorzaken, deze zoveel mogelijk vergoeden. Om schade te kunnen verhalen, moet duidelijk zijn wie voor de schade verantwoordelijk is. Helaas is er bij rellen vaak sprake van chaotische, onoverzichtelijke situaties. Hierdoor is het niet altijd mogelijk om aan te tonen wie welke schade heeft aangericht. Schadeverhaal op de daders zonder dat hun identiteit bekend is, is niet mogelijk. Zie ook het antwoord op vraag 5. Uit het mediabericht, waar in de eerste vraag naar verwezen wordt, blijkt dat het grootste gedeelte van de schade is vergoed door de verzekeraar. Op deze manier komt de schade niet ten laste van het onderwijsbudget, en ook niet ten laste van de overheid en daarmee de belastingbetaler.
Deelt u de mening dat het onvermogen van de UvA om individuele demonstranten aansprakelijk te stellen voor de aangerichte schade een precedent schept dat toekomstige gewelddadige of vernielzuchtige protesten kan aanmoedigen, gezien het gebrek aan (financiële) consequenties voor de daders?
Er is helaas bij een aantal demonstraties een kleine groep die de demonstratie aangrijpt om willens en wetens herhaaldelijk en soms serieuze strafbare feiten te plegen, soms al direct nadat de demonstratie een aanvang heeft genomen.
In dit geval hebben dertien van de veertien vervolgde demonstranten van de bezettingen in mei voor de rechter gestaan. Acht van hen zijn veroordeeld, van wie vier tot een gevangenisstraf, voornamelijk voor geweld tegen de politie. In dit kader is ook van belang dat zoveel mogelijk schade wordt verhaald, maar dat is niet altijd mogelijk, zie de antwoorden op vragen 3 en 5.
Welke juridische belemmeringen maken het voor onderwijsinstellingen moeilijk om schade veroorzaakt door demonstranten op hen te verhalen?
In veel gevallen zijn belemmeringen om schade te verhalen niet zozeer juridisch maar praktisch van aard. Als de identiteit van dader niet bekend is en niet te achterhalen is, is het verhalen van schade praktisch onmogelijk, ook als de juridische mogelijkheden er zijn. Het civiele recht biedt verschillende mogelijkheden om schade te verhalen. Degene die door een onrechtmatige daad schade toebrengt aan een ander, bijvoorbeeld aan eigendommen van een onderwijsinstelling, is verplicht om deze schade te vergoeden (artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek).
Bij rellen kan er sprake zijn van onrechtmatige gedragingen in groepsverband. In dat geval is het vaak moeilijk om aan te tonen wie welke schade heeft aangericht. Om te voorkomen dat een groepsdeelnemer die niet zelf rechtstreeks de schade heeft toegebracht, zich kan verweren met het betoog dat de schade ook zou zijn ontstaan als hij niet aan de rellen had deelgenomen, is de zogenoemde groepsaansprakelijkheid ingevoerd (artikel 6:166 van het Burgerlijk Wetboek).
Bij groepsaansprakelijkheid gaat het om een individuele aansprakelijkheid van tot een groep behorende personen (deelnemers) voor onrechtmatig vanuit de groep toegebrachte schade.2 Ook voor groepsaansprakelijkheid is dus vereist dat de identiteit van de leden van de groep bekend is. Daarnaast moet hiervoor aan de volgende vereisten zijn voldaan:
Als aan deze vereisten is voldaan, zijn de deelnemers van de groep hoofdelijk aansprakelijk voor de schade. Dit betekent dat de benadeelde elke individuele deelnemer kan aanspreken voor het volledige schadebedrag.
Of een benadeelde zich met succes op de groepsaansprakelijkheid kan beroepen, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Benadeelden kunnen hierbij praktische belemmeringen ervaren. Zo kan het moeilijk zijn om te achterhalen welke (groepen van) personen de schade hebben aangericht. Ik heb begrepen dat dat ook in de situatie waar deze Kamervragen betrekking op hebben (de pro-Palestinabezettingen in mei 2024) niet goed mogelijk is. Zoals ook blijkt uit het mediabericht waarnaar in de eerste vraag verwezen wordt, is de UvA wel voornemens om de schade van een kleine pro-Palestinabezetting op 21 juni 2024 te verhalen op demonstranten bij dat protest. Uit dat mediabericht blijkt dat deze vernielingen zijn aangericht in een kleinere ruimte en verricht door een klein aantal demonstranten.
Bent u bereid om deze belemmeringen te betrekken bij de uitvoering van de motie van de leden Six Dijkstra en Michon-Derkzen over het wegenemen van praktische en juridische belemmeringen om schadekosten te verhalen op vandalen en kan worden aangegeven wanneer de Kamer hierover wordt geïnformeerd?2
Over de uitvoering van de genoemde motie van de leden Six Dijkstra en Michon-Derkzen heeft de Minister van Justitie en Veiligheid uw Kamer geïnformeerd op 12 juni jongstleden in het Eerste Halfjaarbericht Politie 20255. Hierin is aangegeven dat het door het onoverzichtelijke en chaotische karakter van dergelijke situaties niet altijd mogelijk is om te achterhalen wie verantwoordelijk is voor welke concrete schade. Politie en Openbaar Ministerie (OM) zetten zich altijd in om dit zoveel mogelijk te achterhalen.
Welke aanvullende maatregelen kunnen onderwijsinstellingen zelf treffen om tijdens protesten beter bewijs te verzamelen zodat het aansprakelijk stellen van relschoppers, zowel individueel als in groepsverband, haalbaarder wordt in de praktijk en op welke wijze ondersteunt het kabinet de onderwijsinstellingen hierbij?
Zoals aangegeven in de antwoorden op vraag 5 en 6 kunnen er tijdens protesten onoverzichtelijke en chaotische situaties ontstaan waardoor het niet mogelijk is een specifieke schade aan een dader te koppelen. Instellingen spannen zich in om studenten, personeel en bezoekers een veilige leer- en werkomgeving te bieden en het demonstratierecht te faciliteren. Indien bekend is of als er een vermoeden is dat er een demonstratie of bezetting zal plaatsvinden, dan treffen de onderwijsinstellingen zelf preventief maatregelen om schade en hinder zoveel mogelijk te voorkomen. Instellingen leren van elkaars ervaringen in de omgang met protesten, maar het is voor instellingen geen doel op zich om de capaciteit van hun crisis- en veiligheidsorganisatie specifiek in te zetten louter om beter bewijs tegen relschoppers te verzamelen. Het uitvoeren van opsporingstaken is een taak van de overheid die uitgevoerd wordt door de politie onder het gezag van het OM. Indien er een opsporingsonderzoek wordt uitgevoerd naar de identiteit van de veroorzakers is er altijd overleg met de onderwijsinstellingen en worden waar nodig gegevens gevorderd.
Verder is het de verantwoordelijkheid van de individuele instelling om te beoordelen of het gevoerde beleid afdoende is, of dat er extra maatregelen nodig zijn, bijvoorbeeld het aanscherpen van het cameratoezicht op locaties met een verhoogd risico. Ik ondersteun de instellingen door regelmatig met bestuurders van instellingen te spreken over de omgang met protesten en waar nodig betrek ik daarbij ook vertegenwoordigers van de veiligheidsdiensten of de lokale driehoek.
Wat is de status van de uitvoering van de motie van het lid Boswijk over het makkelijker maken van het verhalen van schade op individuele relschoppers?3
Over de uitvoering van deze motie is uw Kamer door de Minister van Justitie en Veiligheid geïnformeerd via het Eerste Halfjaarbericht Politie 2025.
Klopt het dat er groepsaansprakelijkheid toepasbaar was bij schadeverhaal bij de Maagdenhuisbezetting in 2015 en in hoeverre is dat bij deze en andere recente rellen het geval?
Op 22 januari 2016 heeft de toenmalige Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in beantwoording van schriftelijke vragen7 aangegeven de zienswijze niet te onderschrijven dat in het geval van de Maagdenhuisbezetting de schade verhaalbaar was, omdat bij die bezetting nauwelijks kon worden gesproken van één bepaalde groep. Voorts verzamel ik als Minister geen gegevens over het wel of niet toepasbaar zijn van groepsaansprakelijkheid bij rellen in het hoger onderwijs. De individuele instellingen dienen zelf te beoordelen of ze hierop beroep kunnen doen en het is vervolgens aan de rechter om daarover uitspraak te doen.
Bij de recente Maagdenhuisbezetting van 14 april 2025 is er wel een groep aangehouden die zich binnen het gebouw verschanst had waar mogelijk sprake kan zijn van groepsaansprakelijkheid. De UvA heeft aangifte gedaan en aangegeven de kosten te willen verhalen op de bezetters.
Hoe is de motie van het lid Duisenberg c.s., die de regering verzocht alles in het werk te stellen om binnen de juridische mogelijkheden schade maximaal te verhalen op relschoppers, uitgevoerd?4
Zoals aangegeven in bovengenoemde brief van 22 januari 2016, heeft de toenmalige Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap hierover destijds meerdere malen gesproken met de UvA. Ik heb – zoals ik uw Kamer heb toegezegd – dit gesprek met de instellingen opnieuw gevoerd. De instellingen hebben aangegeven altijd aangifte te doen van strafbare feiten.
In hoeverre acht u het wenselijk dat universiteiten, zoals de UvA, afhankelijk zijn van verzekeringsuitkeringen om schade door gewelddadige protesten te dekken en wat gebeurt er als een claim door de verzekeraar afgewezen wordt?
Verzekeraars hebben een belangrijke maatschappelijk functie om de schade te vergoeden die kan ontstaan uit allerlei onvoorziene ingrijpende gebeurtenissen. Afhankelijk van de voorwaarden van de verzekeraar, geldt dit ook voor de schade als gevolg van ongeregeldheden. Als de verzekeraar de schade uitkeert, kan deze vervolgens regres nemen op de dader. Indien een verzekeraar een claim afwijst betekent dit dat de verzekeringsnemer de schade niet vergoed krijgt via de verzekeraar. De universiteit kan dan nog steeds proberen de schade rechtstreeks op de daders te verhalen, indien zij bekend zijn. Als dat niet mogelijk is, zijn zij aangewezen op eigen middelen.
Deelt u de mening dat wannneer relschoppers strafrechtelijk worden vervolgd voor strafbare feiten die zijn gepleegd tijdens rellen bij onderwijsinstellingen, onderwijsinstellingen altijd zich zouden moeten voegen in het strafproces om een vordering benadeelde partij in te stellen en – los van civielrechtelijke procedures – ook strafrechtelijk maximaal in te zetten op verhaal van schade op relschoppers? Zo ja, hoe vaak is dat de afgelopen tien jaren gebeurd?
Als onderwijsinstellingen schade hebben geleden als gevolg van rellen zijn er verschillende mogelijkheden om de schade te verhalen. Welke weg gekozen wordt, bepalen de instellingen zelf. Daar hoort ook zeker de mogelijkheid bij om zich met hun schade als benadeelde partij te voegen bij het strafrechtelijk proces tegen de daders van strafbare feiten. Als de rechter de schadevordering toewijst en de schadevergoedingsmaatregel oplegt, int het CJIB de schade voor de universiteit bij de dader. Dat hoeft de universiteit niet zelf te doen. Verder kan de strafrechter bij een voorwaardelijke straf als bijzondere voorwaarde opleggen het storten van een geldbedrag aan het Schadefonds geweldsmisdrijven of aan een instelling die slachtofferbelangen behartigt.
Andere mogelijkheden zijn ook het verhalen van de schade via de verzekeraar. Als de verzekeraar de schade uitkeert, kan de verzekeraar vervolgens regres nemen op de daders. Als de daders bekend zijn, kunnen universiteiten de schade ook op hen verhalen via het civiele recht. Ten aanzien van de vraag hoe vaak dit de afgelopen tien jaar is gebeurd, heeft de rechtspraak laten weten dat deze informatie niet beschikbaar is in de managementinformatiesystemen. Ook ik beschik niet over informatie over rechtszaken die onderwijsinstellingen aangaan.
Het bericht ‘Uniper stopt met veel investeringen in Nederland vanwege onduidelijk beleid’ |
|
Ilana Rooderkerk (D66) |
|
Sophie Hermans (minister , minister ) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Uniper stopt met veel investeringen in Nederland vanwege onduidelijk beleid»?1
Ja.
Kunt u toelichten welke specifieke projecten van Uniper niet doorgaan als gevolg van deze investeringsbeslissing? Hoeveel miljoen aan investeringen zet Uniper stop?
Het kabinet beschikt niet over details met betrekking tot de betreffende projecten van Uniper of de omvang van de hiermee gepaard gaande investeringen. Uniper heeft geen officiële mededelingen hierover gedaan. In het artikel uit vraag 1 worden een groengasfabriek in Amsterdam en een project in Limburg voor het omzetten van biomassa in een gas voor de productie van waterstof (CarbHyGreen) genoemd.
Wat zijn de bredere economische effecten heeft deze beslissing van Uniper? Wat voor effect heeft dit op investeringsbeslissingen van andere bedrijven?
Het is van belang om te onderstrepen dat Uniper heeft aangegeven dat het doorgaat met zijn groene waterstofproject op de Maasvlakte en vasthoudt aan de vier bestaande elektriciteitscentrales in Nederland.
Omdat Uniper geen mededeling heeft gedaan over details van genoemde investeringsbeslissing, zijn de bredere economische effecten hiervan nog niet bekend. Een inschatting van de regionale impact is daarmee ook lastig te maken. Het kabinet hecht aan een goed investeringsklimaat in Nederland. Daarom is het kabinet blijvend in gesprek met Uniper en andere bedrijven en zet het zich maximaal in om belemmeringen voor het vestigingsklimaat te adresseren.
Wat is de regionale impact van deze investeringsbeslissing? Kunt u daarbij in ieder geval ingaan op de economische impact van deze beslissing voor Amsterdam, Rotterdam en Limburg.
Zie antwoord vraag 3.
Wat voor impact heeft deze investeringsbeslissing op het gebied van de ontwikkeling waterstof, groen gas en het realiseren CO2-reductie?
De in het artikel genoemde projecten zijn beide relevant voor de ontwikkeling van groen gas en waterstof. Dit zou mogelijk een negatieve invloed kunnen hebben op innovaties en CO₂-reductie. Dit is echter niet eenduidig omdat, zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 2, Uniper geen details heeft vrijgegeven.
Kunt u daarbij specifiek ingaan op de effecten van het stoppen van de groengasfabriek in Amsterdam, het Hydrogen to Maasvlakte (H2M)-project op de Maasvlakte en de Syngasfabriek in Limburg?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 t/m 5 zijn de details van de beslissing door Uniper niet bekend en is het hierdoor niet mogelijk om een eenduidig beeld te krijgen van de effecten. Daarbij zij aangetekend dat in het genoemde artikel uit vraag 1 is aangegeven dat Uniper doorgaat met zijn groene waterstofproject op de Maasvlakte.
Onderkent u dat er te veel onduidelijkheid is over het energiebeleid voor energiebedrijven en overige betrokkenen om te investeren en te verduurzamen?
Het kabinet erkent dat voorspelbaarheid en duidelijkheid essentieel zijn voor energiebedrijven om te kunnen investeren en verduurzamen. Hoewel het energiebeleid complex is en zich onder invloed van wisselende omstandigheden ontwikkelt, zet het kabinet zich actief in om onduidelijkheden zoveel mogelijk te verminderen en het investeringsklimaat zo stabiel mogelijk te maken. Daarbij investeert het kabinet in mogelijkheden om meer zekerheid te creëren en consistentie van het beleid te versterken. Zo werkt het kabinet aan concrete maatregelen zoals de bijmengverplichting voor groen gas, de ontwikkeling van de waterstofketen en het stimuleren van duurzame koolstofketens en innovatieve (klimaat)technologieën. Deze stappen dragen bij aan een stabieler en voorspelbaarder energiebeleid voor betrokken partijen.
Welke mogelijkheden ziet u in brede zin om meer duidelijkheid te geven over de toekomst van het energiesysteem?
Het kabinet geeft met het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE) zoveel mogelijk duidelijkheid over de toekomst van het energiesysteem en de route ernaartoe. Dit plan wordt conform de oorspronkelijke planning in 2026 geactualiseerd, waarbij actuele ontwikkelingen en de laatste inzichten worden meegenomen. Daarnaast biedt het kabinet ook tussentijds inzicht in de voortgang van beleid. Op 24 oktober 2024 is met de Energienota het actuele beleid toegelicht in de bijbehorende beleidsagenda2. Later dit jaar, met Prinsjesdag, zal de Klimaat- en Energienota verschijnen waarin de voortgang en actualiteit van het energiebeleid nader worden geduid. In de actualisatie van het NPE in 2026 wordt dan vervolgens richting gegeven aan het energiesysteem van de toekomst en de concrete uitvoering daarvan.
Bent u voornemens om bij de actualisatie van het Nationaal Plan Energie in 2026 ook een concreet implementatieplan te maken?
Zie antwoord vraag 8.
Wat voor effect heeft dit investeringsbesluit voor de leveringszekerheid van energie in Nederland voor de komende vijf jaar en na 2030?
Over de leveringszekerheid van elektriciteit heeft het kabinet de Tweede Kamer op 15 mei 2025 geïnformeerd.3 De monitor leveringszekerheid van TenneT geeft inzicht in de verwachte leveringszekerheid in de jaren 2030, 2033 en 2035. In het artikel staat dat Uniper vasthoudt aan de bestaande centrales in Nederland. Op basis hiervan is er geen aanleiding om aan te nemen dat het geschetste beeld in de monitor leveringszekerheid van TenneT zal veranderen.
Kunt u in beeld brengen of, en zo ja hoeveel, opgesteld vermogen in de jaren tot 2030 en de jaren 2030–2033 al uit de markt gaat, of zou kunnen gaan, vanwege het ontbreken van economische levensvatbaarheid?
De monitor leveringszekerheid (MLZ) van TenneT van 20254, waarover het kabinet de Tweede Kamer op 15 mei 2025 heeft geïnformeerd, geeft inzicht in het verwachte vermogen in de jaren 2030 en 2033. Dit betreft 14,4 respectievelijk 12,7 GW aan gasvermogen. Volgens deze monitor is het grootste deel hiervan «waarschijnlijk levensvatbaar» of «zeer waarschijnlijk levensvatbaar». Voor ongeveer 1,7 GW aan gascentrales geldt dat er een risico is voor de levensvatbaarheid. Dit betreft met name oudere centrales met een lagere efficiëntie. Van deze laatstgenoemde elektriciteitscentrales wordt niet verwacht dat ze de investeringskosten van periodiek groot onderhoud kunnen terugverdienen. Hierdoor bestaat de mogelijkheid dat energiebedrijven deze centrales uit bedrijf zullen nemen wanneer groot onderhoud nodig is. Voor sommige van deze centrales zijn daarom sluitingen aangekondigd tussen 2030 en 2033. Specifiek gaat het dan volgens de MLZ 2025 om een afname van 1,7 GW tussen 2030 (14,4 GW gasgestookt regelbaar vermogen) en 2033 (12,7 GW gasgestookt regelbaar vermogen).
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat juist investeringen in duurzaam regelbaar vermogen geschrapt wordt?
Het kabinet onderschrijft de noodzaak van duurzaam regelbaar vermogen. Daarom blijft het kabinet steeds in gesprek met Uniper en andere energiebedrijven om investeringen in duurzaam regelbaar vermogen te stimuleren.
Wat gaat u doen om voldoende duurzaam regelbaar vermogen in Nederland te behouden?
In de brief over de leveringszekerheid van elektriciteit heeft het kabinet onder andere aangegeven dat wordt gewerkt aan een wettelijke basis voor bredere vormen van capaciteitsmechanismen. Ook laat het kabinet onderzoeken uitvoeren naar capaciteitsmechanismen en mogelijkheden naar vraagrespons. In de genoemde brief is ook aangegeven dat gestreefd wordt in de eerste helft van 2026 een besluit te nemen hoe instrumenten vorm gegeven kunnen worden die de leveringszekerheid op de langere termijn blijven borgen.
Hoe kijkt u naar de suggestie van onder andere Uniper dat een capaciteitsmechanisme voor regelbaar vermogen noodzakelijk is?
De laatste monitor van TenneT laat zien dat de leveringszekerheid vanaf 2033 naar alle waarschijnlijkheid onder de streefwaarde komt. Het kabinet onderzoekt daarom welk aanvullend beleid nodig is om de leveringszekerheid ook in de toekomst te borgen. Een capaciteitsmechanisme voor regelbaar vermogen is een van de mogelijkheden voor aanvullend beleid, maar er zijn ook andere opties om de leveringszekerheid te borgen zoals het bevorderen van vraagrespons of het stimuleren van middellange en lange termijn energieopslag. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 13 is het streven in de eerste helft van 2026 een besluit te nemen hoe instrumenten vorm gegeven kunnen worden die de leveringszekerheid op de langere termijn blijven borgen.
Het gevaar van Russische inmenging bij de aanstaande verkiezingen in Moldavië |
|
Eric van der Burg (VVD), Derk Boswijk (CDA), Thom van Campen (VVD) |
|
Caspar Veldkamp (minister ) (NSC) |
|
![]() ![]() |
Deelt u de zorgen over Russische inmenging in de aanloop naar en tijdens de verkiezingen in Moldavië in september 2025?
Ja.
In hoeverre signaleert u al Russische pogingen tot destabilisatie in Moldavië met als doel om de verkiezingen te beïnvloeden?
In januari 2025 heeft Rusland onrechtmatig de gasleveranties aan Moldavië stopgezet, met ernstig ontwrichtende sociale en economische gevolgen. Deze vorm van destabilisatie was een duidelijke poging om de aankomende verkiezingen te beïnvloeden. Het kabinet beschouwt deze vorm van beïnvloeding als onderdeel van een bredere, langer lopende trend. Al tijdens de presidentsverkiezingen en het EU-referendum in het najaar van 2024 was er sprake van grootschalige Russische beïnvloeding, waaronder cyberaanvallen, desinformatiecampagnes, het falsificeren en vervolgens publiceren van overheidsdocumenten, deep-fake video’s en het illegaal kopen van stemmen. Deze trend zet zich voort in de aanloop naar de komende parlementsverkiezingen.
Welke maatregelen neemt u al om Moldavië te ondersteunen om Russische inmenging tegen te gaan?
De afgelopen jaren heeft Nederland zijn inzet in Moldavië geïntensiveerd. In 2023 opende Nederland een ambassade in Chisinau. De focus van de bilaterale samenwerking ligt op het versterken van de rechtstaat en weerstand tegen hybride dreigingen met name op cybergebied. Zo steunt Nederland via de European Union Partnership Mission voor Moldavië de cyberweerbaarheid in Moldavië met EUR 4 miljoen en heeft Nederland in 2024 een cyberexpert gedetacheerd in Moldavië om de Moldavische cyberinfrastructuur te versterken. Nederland steunt daarnaast Moldavische instanties zoals de Centrale Electorale Commissie, de Audiovisuele Raad en het Stratcom Centrum, die zien op het versterken van de weerbaarheid in aanloop naar de verkiezingen.
Bent u het ermee eens dat maatregelen om Moldavië tegen Russische inmenging te beschermen opgeschaald moeten worden? Welke concrete stappen gaat u hiervoor op korte termijn zetten?
Het kabinet is de steun aan Moldavië om zich tegen Russische inmenging te beschermen aan het opschalen in aanloop naar de verkiezingen, net als is gedaan bij de verkiezingen in 2024. Samen met bondgenoten en partners zal Nederland zich inzetten voor het verhogen van cyberweerbaarheid en hybride weerbaarheid. Concreet zal dit kabinet met een nieuwe bijdrage van EUR 1,5 miljoen geven aan het versterken van de institutionele weerbaarheid tegen hybride dreigingen en politieke corruptie via o.a. het Nationale Anticorruptie Centrum en de Financiële Inlichtingen Eenheid van Moldavië, alsmede het versterken van de weerbaarheid en toegankelijkheid van electorale processen en onafhankelijke media in de strijd tegen Russische desinformatie via het Moldavische Stratcom centrum en verschillende onafhankelijke media organisaties.
In hoeverre kunt u defensiesamenwerking met Moldavië, met name om hybride dreigingen tegen te gaan, via de Europese Unie (EU) uitbreiden? Zet Nederland zich in de EU in om een Permanent Structured Cooperation (PESCO)-projectteam gespecialiseerd in hybride dreigingen op te zetten zodat die bij de verkiezingen in Moldavië kan ondersteunen?
Samen met de EU en andere bondgenoten steunt Nederland Moldavië in het versterken van zijn weerbaarheid. Het kabinet heeft zich in Europees verband ingezet voor het versterken van de EU-Partnership Mission voor Moldavië, die ziet op het versterken van de Moldavische weerbaarheid tegen hybride dreigingen. Bovendien kijkt het kabinet bij aanvragen van Moldavië voor de inzet van speciale rapid respons teams,waaronder PESCO, altijd constructief naar het leveren van de gevraagde specialistische capaciteit, indien Nederland deze beschikbaar heeft.
In 2023 heeft het kabinet ten behoeve van landen die kwetsbaar zijn voor Russische inmenging (Georgië, Bosnië en Herzegovina en Moldavië) een nieuwe bijdrage van EUR 8 miljoen gedaan aan het Defence and Related Security Capacity Building Initiative (DCB) van de NAVO. Via een deel van deze bijdrage wordt in Moldavië gewerkt aan het versterken van de defensiecapaciteiten en nationale (cyber)weerbaarheid. Daarnaast wordt er via de EU en de NAVO de veiligheidssamenwerking verder uitgebreid, onder meer door steunpakketten ter waarde van EUR 197 miljoen vanuit de Europese Vredesfaciliteit. Het meest recente militaire hulppakket van EUR 60 miljoen werd in april jl. goedgekeurd. Nederland speelt hierin een actieve rol en pleit nadrukkelijk voor het ophogen van militaire steun.
Wilt u zich inzetten om de bilaterale veiligheidssamenwerking met Moldavië uit te breiden? Zo ja, hoe gaat u zich hier concreet voor inzetten?
Nederland heeft de afgelopen jaren de bilaterale veiligheidssamenwerking met Moldavië uitgebreid. In lijn met motie Paternotte/Brekelmans (motienr 21501-02-2854) blijft het kabinet de verschillende opties om nadere veiligheidssamenwerking met Moldavië te vergroten bezien. Nederland tekende in dit licht in april 2024 een intentieverklaring met Moldavië ter uitbreiding van de veiligheidssamenwerking. De samenwerking op het gebied van cyberveiligheid is verder geïntensiveerd door het houden van bilaterale cyberconsultaties tussen Nederland en Moldavië in januari jl.
Klopt het dat er weer een EU-verkiezingswaarnemingsmissie in Moldavië zal zijn? Hoe zet Nederland zich in om deze missie extra te steunen?
De EU en de OVSE houden in beginsel een werkverdeling aan om dubbele missies en daarmee gepaard gaande kosten te vermijden: de OVSE neemt in beginsel verkiezingen waar in de OVSE-regio en de EU doet dit daarbuiten. Nederland zal Nederlandse experts leveren aan de verkiezingswaarnemingsmissie van het Office for Democratic Institutions and Human Rights(ODHIR) van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa voor de parlementaire verkiezingen van Moldavië als een uitnodiging daartoe ontvangen wordt.
Kunt u zich inzetten in de EU om de sancties tegen Moldavische pro-Russische oligarchen uit te breiden?
Nederland zet zich in EU verband in voor sancties tegen personen die verantwoordelijk zijn voor acties gericht op het destabiliseren, ondermijnen of bedreigen van de soevereiniteit en onafhankelijkheid van de Republiek Moldavië. Deze beperkende maatregelen zijn momenteel van toepassing op in totaal 16 Moldavische personen en 2 Moldavische entiteiten. Deze sancties bestaan uit een tegoedenbevriezing en een verbod om, direct of indirect, middelen of economische hulpbronnen aan hen ter beschikking te stellen. Daarnaast geldt voor de natuurlijke personen een inreisverbod. Nederland blijft zich hier onverminderd voor inzetten.
Kunt u de Kamer blijvend informeren over significante Russische pogingen tot beïnvloeding van de verkiezingen in Moldavië, indien u inschat dat deze pogingen een wezenlijk en mogelijk verstorend effect op het verkiezingsproces kunnen hebben?
Ja.
Het beoordelen en terugsturen van christelijke vluchtelingen |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
![]() |
Hoe beoordeelt u het terugsturen van christelijke vluchtelingen naar Nigeria, waar christenvervolging aan de orde van de dag is (met name in het noordelijke deel van Nigeria) en waarvan de mate van vervolging door Open Doors als «extreem» wordt aangeduid, ook in het licht van de recente aanval waarbij zeker 42 christenen om het leven zijn gebracht?1 2
Het landgebonden asielbeleid voor Nigeria is neergelegd in de Vreemdelingencirculaire (paragraaf C7/25). In het huidige beleid worden christenen niet als groep of profiel aangemerkt waarvoor een verhoogd risico geldt. Dat laat onverlet dat altijd een individuele beoordeling van de asielaanvraag plaatsvindt, waarbij de vrees voor vervolging of het risico op ernstige schade bij terugkeer naar land van herkomst wordt getoetst aan actuele landeninformatie. Het is daarbij aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat hij bij terugkeer te vrezen heeft.
Een terugkeerbesluit wordt pas opgelegd als door de IND is vastgesteld dat de vreemdeling geen gegronde vrees heeft voor vervolging en geen reëel risico loopt op ernstige schade.
Hoe wordt bij terugkeerbesluit meegewogen in hoeverre de situatie voor christelijke vluchtelingen veilig is in het land van herkomst?
Zie antwoord vraag 1.
Zijn de medewerkers van de immigratie- en naturalisatiedienst (IND) volgens u voldoende op de hoogte van de situatie waarin christenen in Nigeria zich momenteel bevinden en wat mogelijke consequenties zijn van terugkeer?
Ja, medewerkers van de IND worden opgeleid om zowel in het horen als beslissen actuele landeninformatie te betrekken. Ter ondersteuning van de hoor- en beslismedewerkers van de IND en om in de informatiebehoefte te voorzien, zijn op de aanmeldcentra medewerkers van het Regionaal Informatiecentrum aanwezig die landinhoudelijke vragen kunnen beantwoorden. Het Team Onderzoek en Expertise Land en Taal (TOELT) verzamelt daarnaast landinhoudelijke informatie, onderhoudt kennis(netwerken) en stelt (actuele) landeninformatie beschikbaar aan medewerkers in het beslisproces.
Zowel informatie die door de medewerkers zelf wordt verzameld, als informatie die door de vreemdeling of de advocaat wordt overgelegd, moet worden betrokken in de beslissing op de asielaanvraag.
Hoe wordt de hiervoor benodigde informatie door de IND verkregen en geverifieerd?
De landeninformatie die nodig is om een beslissing te maken op de asielaanvraag wordt op verschillende manieren verkregen. Medewerkers hebben zelf toegang tot actuele landeninformatie middels (thematische) ambtsberichten en andere rapporten en factsheets. Daarnaast kan, zoals beschreven in het antwoord op vraag 3, om specifieke, recente landeninformatie worden verzocht bij het RIC en TOELT. Tot slot wordt ook informatie aangedragen door de vreemdeling of advocaat betrokken bij de beoordeling van de asielaanvraag.
In hoeverre hebben de hoor- en beslismedewerkers van de IND voldoende expertise om de geloofwaardigheid van gelovigen en bekeerlingen te beoordelen?
De IND zet in op het behoud van expertise door alle medewerkers generalistisch te trainen. Hierdoor zijn alle medewerkers getraind in het beoordelen van aanvragen waarin bekering of afvalligheid als motief wordt aangevoerd, en blijft de IND in staat deze beoordeling te verrichten.
De IND investeert op verschillende manieren in het actualiseren en op peil houden
van de kennis en vaardigheden van de medewerkers, ook ten aanzien van de geloofwaardigheid van de relazen van (gesteld) gelovigen en bekeerlingen. Naast de verplichte EUAA-modules Evidence Assessment, Inclusion, en Interviewing Vulnerable Persons en modules over de uitvoering van de Procedurerichtlijn en de geloofwaardigheidsbeoordeling, worden er specifieke trainingen gegeven over bekering en afvalligheid. Verder wordt in elke zaak een bekeringscoördinator geraadpleegd. Dit zijn medewerkers met kennis van en ervaring met zaken waarin een religieus motief wordt aangevoerd. De bekeringscoördinatoren overleggen periodiek met elkaar, waarbij ervaringen worden gedeeld over zaken waarin een religieus motief is aangevoerd, jurisprudentie wordt besproken en (beleids)ontwikkelingen worden toegelicht. Ook vinden er gesprekken plaats met het maatschappelijk middenveld. Voor zaken waarin een religieus motief is aangevoerd, zijn er, gelet hierop, dan ook al een aantal kwaliteitswaarborgen geïmplementeerd.
De deskundigheid van de IND is verder verankerd in werkinstructies, waarbij de Werkinstructie 2022/3 Bekering en afvalligheid steeds door IND-medewerkers betrokken wordt in zaken waarin een bekeringsmotief is aangevoerd.
In individuele gevallen kan ook informatie worden ingebracht van externe experts. De relevantie en weging van deze externe expertise is ook neergelegd in de verschillende werkinstructies.
Hoe wordt de kennis van het christelijk geloof bij beoordeling van geloofwaardigheid van bekering door de IND geborgd en versterkt?
Zie antwoord vraag 5.
Welke rol speelt professionalisering van de IND-medewerkers door middel van externe experts hierin? Hoe vaak heeft dit plaatsgevonden in de achterliggende jaren?
In individuele zaken weegt de IND ingebrachte informatie van externe experts, zoals de rapporten van Commissie Plaisier, altijd mee in het kader van de beoordeling van de geloofwaardigheid van een gestelde bekering. De relevantie en weging van deze externe expertise is ook neergelegd in de verschillende werkinstructies. Hiermee is de rol van een externe deskundige dus reeds vastgelegd in de asielprocedure. Het gewicht dat wordt toegekend aan externe expertise is afhankelijk van de geleverde input, op welke wijze dit tot stand is gekomen en van de individuele omstandigheden van de zaak.
Het is echter primair aan de asielzoeker om middels zijn eigen verklaringen aannemelijk te maken aan de IND dat hij is bekeerd. Daarnaast is het aan de IND om een oordeel te vormen ten aanzien van de geloofwaardigheid van de bekering op grond van de gegeven verklaringen.
Voorts vinden er, zoals in antwoord op vraag 5 en 6 reeds genoemd, gesprekken plaats met het maatschappelijk middenveld en zijn er themadagen voor de bekeringscoördinatoren, waarop uitwisseling plaatsvindt met externe partijen.
Hoe vaak en wanneer wordt een bekeringscoördinator geraadpleegd bij een besluit over een asielaanvraag van een mogelijke bekeerling?
In elke zaak waarbij de beoordeling van bekering of afvalligheid als motief is aangedragen, wordt in de regel een bekeringscoördinator geraadpleegd. Afhankelijk van de zaak kan de betrokkenheid van de bekeringscoördinator meer of minder zijn, maar in ieder geval worden alle beslissingen aan hen voorgelegd.
Deelt u de mening dat het wenselijk is dat de expertise bij de IND voor bekeringszaken versterkt wordt? Vindt u ook dat daarbij externe expertise betrokken dient te worden?
Ik zie geen concrete aanleiding om de expertise bij de IND voor bekeringszaken verder te versterken, omdat al doorlopend wordt ingezet op het trainen en toerusten van medewerkers in bekeringszaken. Zoals toegelicht in de beantwoording op voorgaande vragen, zijn in bekeringszaken al meer waarborgen aanwezig dan in andere zaken. Daarbij wordt reeds externe deskundigheid betrokken, zowel als het gaat om het meewegen van rapportages van externe deskundigen in individuele zaken, als het neerleggen van externe expertise in verschillende werkinstructies.
Het bericht ‘Nieuwe behandeling? Alleen nog vergoeden als die klimaat en zorgpersoneel spaart’ |
|
René Claassen (PVV) |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht in de Volkskrant over «Nieuwe behandelingen alleen nog vergoeden als het klimaat en het zorgpersoneel gespaard worden»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Deelt u de mening dat het feitelijk totale onzin is om CO2-reductie mede leidend te laten zijn om te komen tot een keuze voor een medische behandeling? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het belangrijk dat effectieve zorg beschikbaar is voor elke patiënt. Tegelijkertijd staat de zorg voor grote maatschappelijke uitdagingen, onder andere rondom arbeidsinzet en de impact van zorg op klimaat en milieu. Het kabinet werkt daarom samen met de sector toe naar een stelsel van (publieke) zorg en welzijn dat zuiniger omgaat met de beschikbare materialen en grondstoffen, zoals eerder dit voorjaar ook met uw Kamer gedeeld2. Vanuit het belang dat ook het pakketbeheer bijdraagt aan het oplossen van deze uitdagingen, heeft mijn ambtsvoorganger een onafhankelijke commissie gevraagd onder leiding van prof. Mackenbach te adviseren of deze elementen onderdeel moeten zijn van het pakketbeheer, en op welke wijze dit mogelijk is.
Ook zorgpartijen willen samen aan deze pakketopgaven werken. Ze zien deze opgaven in de praktijk vaak al als prioriteit3. Dat geldt ook voor patiënten, ook zij zijn bereid om hun bijdrage te leveren, ook op het gebied van duurzaamheid.4
Deelt u de mening dat effectiviteit van een behandeling te allen tijde leidend zou moeten zijn? Zo nee, waarom niet?
Ja. De effectiviteit van een behandeling staat voorop en is op dit moment als enige van de pakketcriteria in regelgeving verankerd. Dat betekent dat het uitgangspunt is dat de meest effectieve behandeling onderdeel is van het basispakket.
Tegelijkertijd zijn de maatschappelijke opgaven rondom arbeidsinzet en duurzaamheid zo groot zijn dat ze (soms) belangrijker zijn dan effectiviteit. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren als een nieuwe behandeling beter werkt dan een bestaande, maar veel meer zorgpersoneel nodig heeft, of veel minder duurzaam is.
Ik wil daarom onderzoeken of dit in de toekomst een plek moet krijgen in het pakketbeheer. Het advies «Arbeidsinzet en duurzaamheid als criteria bij keuzen in de zorg» van de commissie Mackenbach is een belangrijk onderdeel daarin.
Wat is de precieze opzet van het driejarig experiment waarmee het Zorginstituut begin deze maand start en waarbij twee nieuwe criteria worden getoetst?
Gezien de maatschappelijke urgentie vind ik het belangrijk dat er snel wordt gestart met het opdoen van kennis en ervaring over deze twee mogelijke pakketcriteria. De commissie Mackenbach heeft voorstellen gedaan hoe de arbeidsinzet en milieu-impact van zorg en het effect op schaarste berekend kan worden. Ik heb het Zorginstituut gevraagd om op korte termijn een plan van aanpak te maken voor de proefperiode. Daarbij heb ik het Zorginstituut gevraagd om de adviezen van de commissie verder uit te werken. Omdat het Zorginstituut parallel werkt aan het herzien van de kwaliteitstaken, vraag ik hen om bij de uitwerking ook uitdrukkelijk te kijken hoe de resultaten ook gebruikt kunnen worden in richtlijnen van partijen of kwaliteitsstandaarden. Dit sluit ook aan op de afspraken die ik met partijen beoog te maken in het AZWA. Daarnaast heb ik ZonMw opdracht gegeven om ruimte vrij te maken in het Kaderprogramma Passende Zorg, zodat waar nodig meteen gestart kan worden met relevant onderzoek.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Zorgverzekeringsstelsel dat gepland is op 19 juni a.s.?
Ja, met de beantwoording op deze datum is aan het verzoek voldaan.
De geëscaleerde demonstratie bij een bijeenkomst van Christenen voor Israël |
|
Mirjam Bikker (CU), Diederik van Dijk (SGP) |
|
Judith Uitermark (minister ) (NSC), David van Weel (minister , minister ) |
|
![]() ![]() |
Heeft u kennisgenomen van de beelden van de demonstratie in Barneveld op maandag 26 mei 2025 bij een bijeenkomst van Christenen voor Israël?1 Kunt u uitgebreid reageren op de ontstane situatie nadat een pro-Palestijnse demonstratie uit de hand liep?
Ja, daar heb ik kennis van genomen. De burgemeester van Barneveld stelt in zijn reactie: «Samenkomsten en (tegen)demonstraties mogen er zijn. Geweld van wie dan ook keur ik af en betreur ik zeer». Het kabinet onderschrijft deze reactie.
In hoeverre acht u het gewenst dat bezoekers van een bijeenkomst door demonstranten gedwongen worden om door een haag van schreeuwende en joelende demonstranten over een besmeurde vlag en langs bebloede poppen moeten lopen om de bijeenkomst te kunnen bezoeken? Ziet u dit ook als een vorm van intimidatie?
Ik vind het onacceptabel dat bezoekers van de bijeenkomst zich geïntimideerd hebben gevoeld. Zowel het recht op vereniging/vergadering als het demonstratierecht zijn essentieel in een democratische rechtsstaat en verdienen beide bescherming. Hoe in een concrete situatie een afweging gemaakt wordt om beide rechten te faciliteren is aan het lokaal gezag. Uit het statement van de burgemeester van Barneveld blijkt dat de bijeenkomst heeft kunnen plaatsvinden, waarmee zij het recht op vereniging/vergadering hebben kunnen uitoefenen. Ook geeft de burgemeester aan dat de politie heeft optreden waar dat nodig is geweest.
Kunt u aangeven in hoeverre u van mening bent dat de bezoekers van de bijeenkomst van Christenen voor Israël hun grondwettelijk recht op vereniging hebben kunnen uitoefenen? Kunt u aangeven of u van mening bent dat de intimiderende acties van de demonstranten beschermd worden door het demonstratierecht?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven op welke wijze het bevoegd gezag en de politie hebben opgetreden om de vrijheid van vergadering én de fysieke veiligheid van de bezoekers bij deze bijeenkomst te waarborgen?
Zowel het recht op vereniging/vergadering en het demonstratierecht verdienen bescherming. Het is de verantwoordelijkheid van het lokaal gezag, in het bijzonder de burgemeester, om demonstraties zoveel mogelijk te faciliteren en waar nodig in te grijpen. De burgemeester legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad. Het is niet aan mij om hier een oordeel over te geven. In het raadsmemo van de burgemeester van Barneveld wordt het verloop van de avond beschreven, inclusief op welke wijze er is opgetreden.2
Daarbij merk ik op dat het kabinet vaker ziet dat het demonstratierecht botst met andere grondrechten. Mede om die reden wordt via het WODC de mate verkend waarin het wettelijk kader bestendigd kan worden en het handelingsperspectief voor alle betrokkenen verstevigd kan worden. De uitkomsten van dit onderzoek worden in de zomer van 2025 verwacht, waarna het kabinet uw Kamer in het najaar zal informeren over de uitkomsten en onze reactie daarop.
Bent u van mening dat het wenselijk was geweest deze demonstratie op grotere afstand van de ingang van de vergaderlocatie en/of in een daartoe aangewezen vak te laten plaats vinden? Hoe ondersteunt u burgemeesters in de afweging om demonstraties bij vergaderingen op zo'n manier plaats te laten vinden dat het recht op demonstratie niet ten koste gaat van het recht op vrije vergadering?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe beoordeelt u het feit dat, getuige de beelden, de demonstranten deels gemaskerd hun intimiderende acties hebben uitgevoerd? Kunt u aangeven waarom dit feit blijkbaar geen aanleiding vormde voor het bevoegd gezag om handhavend op te treden?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe beoordeelt u het feit dat de locatie van samenkomst van bijeenkomsten van Christenen voor Israël geheim moet worden gehouden tot het laatste moment? Bent u het eens met de stelling dat alleen dit feit al dit zeer intimiderend is voor zowel organisatie als bezoekers van deze bijeenkomsten? In hoeverre wordt hiermee het recht op vrijheid van vereniging (artikel 8 van de Grondwet) geschonden?
Zie antwoord vraag 2.
Herkent u het beeld waarbij demonstranten het recht op vrije vergadering inperken door agressieve demonstratiemethoden, waaronder intimidatie, van bezoekers van zulke vergaderingen, in het bijzonder van Christenen voor Israël? Herkent u het beeld dat na eerdere betogingen in Zaltbommel, Katwijk en nu Barneveld hier ook een escalerende beweging te zien is? Hoe luidt uw reactie hierop?
Zie antwoord vraag 2.
Op welke wijze wordt het recht op vrijheid van vereniging geborgd voor bijeenkomsten georganiseerd door Christenen voor Israël? Bent u bereid zich extra in te spannen om dit recht ook voor deze organisatie structureel te waarborgen?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid om in gesprek te treden met Christenen voor Israël over bijeenkomsten in de nabije toekomst om ervoor te zorgen dat deze, conform het recht op vrije vergadering, op ongestoorde wijze kunnen plaats vinden?
Zie antwoord vraag 4.