De VN-resolutie inzake de trans-Atlantische slavenhandel. |
|
Ralf Dekker (FVD), Tom Russcher (FVD) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de VN-resolutie die de trans-Atlantische slavenhandel bestempelt als «de ernstigste misdaad tegen de menselijkheid» ooit?
Ja. Het kabinet is bekend met de betreffende resolutie.
Kunt u toelichten waarom Nederland zich heeft onthouden van stemming in plaats van tegen te stemmen?
Het kabinet heeft zich, samen met 51 andere landen waaronder alle EU lidstaten, onthouden van stemming. Deze keuze is gemaakt omdat de resolutie enerzijds elementen bevat die het kabinet onderschrijft, namelijk de erkenning van de bijzondere ernst van het slavernijverleden en de trans-Atlantische slavenhandel, evenals de doorwerking daarvan in het heden. Het kabinet zet zich in voor blijvende aandacht voor dit verleden, onder meer via erkenning, herdenken en een beter begrip van de doorwerkingen van het slavernijverleden, bijvoorbeeld door middel van maatschappelijke dialoog, aanpassingen in het onderwijs en de bestrijding van racisme en discriminatie. Anderzijds bevat de resolutie ook onderdelen waar wij principiële en juridische bezwaren tegen hebben, waaronder het aanbrengen van een hiërarchie in misdrijven tegen de menselijkheid, het toepassen van internationaal recht met terugwerkende kracht en de juridische implicaties die daaraan worden verbonden. Zowel betrokkenheid bij het onderwerp als de bezwaren tegen specifieke onderdelen zijn door middel van een onthouding inclusief stemverklaring duidelijk gemaakt.
Deelt u de opvatting dat het creëren van een hiërarchie van historische wreedheden onwenselijk is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom heeft Nederland niet tegengestemd?
Alle misdrijven tegen de menselijkheid, waaronder de Holocaust en (hedendaagse) slavernij, zijn van uitzonderlijke ernst en verdienen blijvende erkenning en herdenking. Het kabinet ondersteunt het aanbrengen van een hiërarchie tussen dergelijke misdrijven niet en heeft dit standpunt ook kenbaar gemaakt in het kader van de resolutie.
Deelt u de mening dat talloze andere gruweldaden door deze resolutie impliciet worden gebagatelliseerd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom heeft Nederland niet tegen gestemd?
Het kabinet acht het onwenselijk om verschillende misdrijven tegen de menselijkheid in een rangorde te plaatsen. Daarmee is niet gezegd dat deze resolutie beoogt andere historische gruweldaden te bagatelliseren, maar wel dat het kabinet de gekozen formulering juridisch en principieel onjuist acht en zich daarom kritisch heeft opgesteld. Het kabinet heeft desondanks niet tegen de resolutie gestemd, omdat de tekst ook onderdelen bevat die het kabinet onderschrijft.
Hoe gaat u garanderen dat deze resolutie op geen enkele wijze zal leiden tot financiële verplichtingen voor Nederland?
De resolutie schept geen juridisch bindende verplichtingen voor Nederland tot het bieden van rechtsherstel, zoals herstelbetalingen. Het kabinet heeft zich bovendien expliciet uitgesproken tegen passages die zouden kunnen suggereren dat sprake is van een juridische verplichting tot het bieden van rechtsherstel, inclusief herstelbetalingen.
Erkent u dat het internationaal recht ten tijde van de slavenhandel slavernij niet verbood, en dat terugwerkende toepassing van hedendaagse normen juridisch onhoudbaar is? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet heeft bezwaar tegen verwijzingen in de resolutie die neerkomen op retroactieve toepassing van internationaal recht. Nederland kan niet instemmen met de suggestie dat historische slavernij en slavenhandel destijds al een schending van een internationaalrechtelijke verplichting zou hebben opgeleverd zoals die nu in de resolutie wordt voorgesteld. Juist dat punt vormde een van de kernbezwaren tegen de tekst en reden om te onthouden van stemming. Dat laat onverlet dat het kabinet de bijzondere ernst van het slavernijverleden en de trans-Atlantische slavenhandel, evenals de doorwerking daarvan in het heden erkent.
Deelt u het standpunt dat er geen recht op herstelbetalingen bestaat voor handelingen die destijds niet illegaal waren onder het internationaal recht? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet deelt het standpunt dat het internationaal recht niet met terugwerkende kracht kan worden toegepast en dat geen juridische verplichtingen voortvloeien uit handelingen die destijds niet in strijd waren met internationaal recht.
Tegen die achtergrond heeft het kabinet bezwaar gemaakt tegen onderdelen van de resolutie die uitgaan van een retroactieve toepassing van internationaal recht en de suggestie wekken dat er een juridische verplichting tot het bieden van rechtsherstel, inclusief herstelbetalingen zou bestaan.
Hoe beoordeelt u de oproep in de resolutie om in gesprek te gaan over herstelbetalingen aan nazaten van slaven?
De resolutie schept geen juridisch bindende verplichting tot het bieden van rechtsherstel, zoals herstelbetalingen. Na het aanbieden van excuses in 2022 door de Minister-President en in 2023 door de Koning is er langs een brede agenda gewerkt aan erkenning, herdenking, en een beter begrip van de doorwerkingen van het slavernijverleden, onder meer door in gesprek te gaan met betrokken gemeenschappen van nazaten van tot slaafgemaakten.
Kunt u uitsluiten dat Nederland onder druk van deze resolutie in de toekomst zal overgaan tot herstelbetalingen, in welke vorm dan ook?
De resolutie schept geen juridisch bindende verplichtingen tot het bieden van rechtsherstel, zoals herstelbetalingen voor Nederland. Het kabinet baseert zijn handelen op politieke en juridische afwegingen.
Bent u bereid de eerder gemaakte excuses voor het slavernijverleden te heroverwegen, nu blijkt dat deze worden gebruikt als hefboom voor financiële claims? Zo nee, waarom niet?
Nee. De excuses voor het slavernijverleden zijn weloverwogen aangeboden en blijven van betekenis als erkenning van het historische onrecht en de doorwerking daarvan.
Deelt u de mening dat het aanbieden van excuses door premier Rutte in 2022 en Koning Willem-Alexander in 2023 een strategische fout is gebleken, aangezien dit de deur heeft geopend voor verdergaande eisen?
Nee. De excuses waren een bewuste keuze in het kader van erkenning van het historische onrecht en de doorwerking daarvan. En het kabinet blijft zich inzetten voor erkenning, herdenken en bewustwording over de doorwerking van het slavernijverleden. Tegelijkertijd zijn die excuses geen juridische grondslag voor een verplichting tot het bieden van rechtsherstel, zoals herstelbetalingen.
Bent u van mening dat de moderne Nederlander schuld draagt voor handelingen die eeuwen geleden plaatsvonden?
Nee. Het kabinet spreekt niet in termen van individuele schuld van huidige generaties. De excuses zien op de verantwoordelijkheid van de Nederlandse staat voor zijn historische rol en de doorwerking daarvan.
Bent u bekend met het historische fenomeen van blanke slavernij in Arabische en Noord-Afrikaanse landen, waaronder de zogenaamde Barbarijse slavenhandel waarbij naar schatting meer dan een miljoen Europeanen werden geroofd en tot slaaf gemaakt, en deelt u de mening dat het eenzijdig aanwijzen van Europese landen als daders van slavernij een onvolledig en misleidend beeld schetst van de geschiedenis?
Het kabinet is bekend met het feit dat slavernij in verschillende tijden en regio’s heeft bestaan. Dat laat onverlet dat Nederland verantwoordelijkheid neemt voor zijn eigen rol in het trans-Atlantische slavernijverleden en de doorwerking daarvan.
Acht u het rechtvaardig dat huidige generaties Nederlandse belastingbetalers financieel aansprakelijk worden gesteld voor historische gebeurtenissen waaraan zij geen deel hadden?
De resolutie schept geen juridisch bindende verplichtingen voor Nederland ook niet tot het bieden van rechtsherstel, zoals herstelbetalingen.
Waarom richt deze resolutie zich uitsluitend op de trans-Atlantische slavenhandel en niet op de Arabische slavenhandel, die langer duurde en naar schatting evenveel of meer slachtoffers maakte?
De resolutie richt zich specifiek op de trans-Atlantische slavenhandel en de historische en hedendaagse gevolgen daarvan. Het staat een indiener van een resolutie in de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, in dit geval Ghana, vrij zelf een thematische focus te kiezen. Nederland onderschrijft dat alle vormen van slavernij en slavenhandel, waar ook, ernstige misdrijven en grove schendingen van de menselijke waardigheid zijn.
Heeft Nederland bij de beraadslagingen in de Algemene Vergadering aandacht gevraagd voor slavernij die tot op de dag van vandaag voortbestaat in delen van Afrika en het Midden-Oosten?
In de beraadslagingen in de Algemene Vergadering heeft Nederland zich gericht op de inhoud van de voorliggende resolutie en de daarbij relevante juridische en beleidsmatige aspecten.
Deelt u de mening dat het hypocriet is dat landen waar moderne slavernij nog steeds voorkomt, mede-indieners zijn van een resolutie over historische slavernij, vooral gezien in die tijd deze landen actief hun eigen medemensen verkochten aan mensen van over de hele wereld?
Het kabinet herkent zich niet in deze kwalificatie. Het tegengaan van hedendaagse vormen van slavernij en mensenhandel is een mondiale opgave die alle landen aangaat, ongeacht hun historische rol. Nederland zet zich hier actief voor in, zowel bilateraal als in internationaal verband, waaronder binnen de VN.
Tegelijkertijd acht het kabinet het van belang dat ook het slavernijverleden en de doorwerking daarvan worden erkend en besproken. Dat landen zich inzetten voor aandacht voor historische slavernij staat niet op gespannen voet met de noodzaak om hedendaagse vormen van slavernij krachtig te bestrijden. Beide sporen zijn complementair en vereisen blijvende inzet.
Hoe verhoudt deze resolutie zich tot het feit dat Nederland als een van de eerste landen slavernij heeft afgeschaft?
Het kabinet onderschrijft die feitelijke veronderstelling niet. Nederland schafte slavernij in de voormalige koloniën af in 1863; in Suriname gold tot 1873 een periode van staatstoezicht. Hoewel slaven officieel vrij waren, moesten zij in Suriname nog tien jaar lang verplicht onder staatstoezicht op de plantages werken.
Nederland is in Europa het eerste land dat formeel excuses aanbood voor het slavernijverleden, en heeft die excuses bovendien verbonden aan een meerjarig beleidsprogramma voor erkenning, herdenken, bewustwording en de aanpak van de doorwerking in het heden.
Acht u het gepast om ontwikkelingshulp te blijven verstrekken aan landen die tegelijkertijd herstelbetalingen van Nederland eisen?
Het kabinet beziet ontwikkelingssamenwerking en discussies over het slavernijverleden als twee afzonderlijke trajecten met elk een eigen doel en afwegingskader. Ontwikkelingssamenwerking is gericht op het bevorderen van stabiliteit, armoedebestrijding, mensenrechten en duurzame ontwikkeling, en gebeurt op basis van beleidsmatige en internationale afspraken.
Kunt u bevestigen dat slavernij een wereldwijd fenomeen was dat in vrijwel alle beschavingen heeft bestaan, en dat het selectief aanwijzen van West-Europese landen een vertekend historisch beeld geeft?
Het kabinet kan bevestigen dat slavernij historisch een wereldwijd fenomeen is geweest. Dat neemt niet weg dat Nederland een eigen verantwoordelijkheid heeft voor zijn rol in de trans-Atlantische slavenhandel en slavernij en voor de doorwerking daarvan.
Deelt u de mening dat het Nederlandse volk niet gebaat is bij een voortdurende schuldcultuur over historische gebeurtenissen?
Het kabinet herkent zich niet in de term «schuldcultuur». Het beleid is gericht op erkenning van historisch onrecht, kennis en bewustwording, dialoog en het tegengaan van racisme en discriminatie.
De toezegging inzake de tenuitvoerlegging van vonnissen over in Nederland veroordeelde Pakistanen |
|
Geert Wilders (PVV) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw gedane toezegging tijdens het debat over de regeringsverklaring van 25 februari 2026, dat u de Kamer zou informeren over of én welke stappen Nederland heeft gezet om de gerechtelijke vonnissen, waaronder die zijn opgenomen onder ECLI:NL:RBDHA:2023:13579, ECLI:NL:RBDHA:2024:14348 en ECLI:NL:RBDHA:2024:14347, waarin een aantal Pakistanen zijn veroordeeld voor ernstige misdrijven gericht tegen ondergetekende waaronder het uitvaardigen van fatwa’s door imams om mij te vermoorden, ten uitvoer te leggen én of de desbetreffende veroordeelden aan Nederland uitgeleverd te krijgen?
Wij kunnen bevestigen dat de Minister-President bij het debat over de regeringsverklaring op 25 februari jl. heeft toegezegd zich ertoe te zullen inspannen om de Pakistaanse autoriteiten te laten meewerken aan de verzoeken met betrekking tot de in Nederland veroordeelde personen.
Kunt u de Kamer op korte termijn op de hoogte stellen van alle concrete stappen de regering sinds voornoemde vonnissen heeft genomen om de onherroepelijk veroordeelde Pakistanen hun straf te laten uitzitten respectievelijk aan Nederland te laten uitleveren? Welke stappen heeft de regering inmiddels genomen om de veroordelingen effectief ten uitvoer te leggen? Welke stappen bent u nog voornemens te nemen?
Nederland heeft Pakistan eind 2024 formeel verzocht om de uitlevering van diverse in Nederland veroordeelde personen. Het is aan Pakistan om op de uitleveringsverzoeken te reageren. We kunnen uw Kamer verzekeren dat Nederland de uitleveringsverzoeken met grote regelmaat op alle geëigende niveaus nadrukkelijk onder de aandacht brengt bij de Pakistaanse autoriteiten.
Over welke inspanningen precies zijn gepleegd, doen wij gezien de vertrouwelijke aard van het diplomatieke verkeer met buitenlandse autoriteiten, geen verdere uitspraken. Dit kan de internationale strafrechtelijke samenwerking met andere landen en het land in kwestie, zowel in het algemeen als met betrekking tot deze specifieke zaken, belemmeren.
Bij brief van 2 september 2024 is geschetst welke inspanningen worden geleverd in geval van rechtshulp- en uitleveringsverzoeken.1 Daarnaast wordt ingegaan op de diplomatieke inzet van het kabinet indien landen niet meewerken aan de opsporing, vervolging of berechting van personen die verdacht worden van, of veroordeeld zijn voor, het bedreigen van politieke ambtsdragers.
Nederland zal niet schuwen om te blijven aandringen op uitvoering. Het belang dat Nederland aan deze verzoeken hecht wordt duidelijk overgebracht en er kan aan de zijde van Pakistan geen misverstand bestaan over de noodzaak van een adequate opvolging van de Nederlandse verzoeken.
Deelt u nog steeds de mening dat het onaanvaardbaar is als personen, waaronder imams, die zijn veroordeeld door een Nederlandse rechtbank vanwege het uitbrengen van een of meerdere fatwa’s waarin moslims wordt opgeroepen mij te vermoorden, hun straf niet hoeven uit te zitten omdat de Pakistaanse autoriteiten niet meewerken?
We zijn ons ervan bewust dat het lid Wilders al jarenlang wordt geconfronteerd met ernstige bedreigingen. Het kabinet keurt fatwa’s en bedreigingen nadrukkelijk af. Bedreigingen tegen politieke ambtsdragers door of vanuit andere landen die niet meewerken aan opsporing, vervolging of berechting hiervan, worden niet geaccepteerd en hierop wordt geacteerd. Dit uitgangspunt staat buiten kijf.
Het kabinet spant zich maximaal in om de Pakistaanse autoriteiten te laten meewerken aan de verzoeken met betrekking tot de in Nederland veroordeelde personen. Nederland brengt de verzoeken op alle geëigende niveaus veelvuldig en nadrukkelijk onder de aandacht van de Pakistaanse autoriteiten.
Welke politieke en diplomatieke stappen bent u bereid te nemen tegen Pakistan als dat land blijft weigeren mee te werken aan het effectueren van het vonnis van de Nederlandse rechtbank? Bent u bereid sancties te overwegen? Zo ja welke, zo neen waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u deze vragen binnen een week beantwoorden?
De vragen zijn zo snel als mogelijk beantwoord.
Het bericht dat de Verenigde Naties slavenhandel als ergste misdaad tegen de menselijkheid ooit bestempelt |
|
Mikal Tseggai (PvdA) |
|
Enneüs Heerma (CDA), Berendsen , Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat de Verenigde Naties (VN) slavenhandel als ergste misdaad tegen de menselijkheid ooit bestempelt?1 Zo ja, wat vindt u van dit bericht?
Ja. Het kabinet is bekend met de betreffende VN-resolutie. Het kabinet onderstreept het grote belang van blijvende internationale aandacht voor het slavernijverleden en de trans-Atlantische slavenhandel. Daarbij wordt volledig erkend dat hiermee een immens onrecht is aangedaan aan tot slaaf gemaakten en dat de gevolgen daarvan tot op de dag van vandaag doorwerken in de vorm van onder meer racisme, discriminatie en ongelijkheid.
Nederland heeft dit ook expliciet erkend door het aanbieden van excuses in 2022 door de Minister-President en in 2023 door de Koning. Sindsdien wordt langs een brede agenda gewerkt aan erkenning, herdenking, en een beter begrip van de doorwerkingen van het slavernijverleden.
Anderzijds bevat de resolutie ook onderdelen waar principiële en juridische bezwaren tegen bestaan, waaronder het aanbrengen van een hiërarchie in misdrijven tegen de menselijkheid, het toepassen van internationaal recht met terugwerkende kracht en de juridische implicaties die daaraan worden verbonden. Door middel van een onthouding inclusief stemverklaring heeft het kabinet zowel zijn betrokkenheid bij het onderwerp als zijn bezwaren tegen specifieke onderdelen duidelijk gemaakt.
Klopt het dat Nederland zich heeft onthouden van stemming? Zo ja, waarom?
Ja. het kabinet heeft zich, samen met 51 andere landen waaronder alle EU lidstaten, onthouden van stemming over deze resolutie.
Deze keuze is gemaakt omdat de resolutie enerzijds elementen bevat die het kabinet onderschrijft: Nederland erkent de bijzondere ernst van het slavernijverleden en de trans-Atlantische slavenhandel, evenals de doorwerking daarvan in het heden. Het kabinet zet zich in voor
blijvende aandacht voor dit verleden, onder meer via erkenning en herdenken en een beter begrip van de doorwerkingen van het slavernijverleden. Dat doet het kabinet bijvoorbeeld door middel van maatschappelijke dialoog, aanpassingen in het onderwijs en de bestrijding van racisme en discriminatie. Anderzijds bevat de resolutie ook onderdelen waar wij principiële en juridische bezwaren tegen hebben, waaronder het aanbrengen van een hiërarchie in misdrijven tegen de menselijkheid, het toepassen van internationaal recht met terugwerkende kracht en de juridische implicaties die daaraan worden verbonden. Zowel betrokkenheid bij het onderwerp als de bezwaren tegen specifieke onderdelen zijn door middel van een onthouding inclusief stemverklaring duidelijk gemaakt.
Bent u het eens met de stelling dat van landen met een koloniaal verleden en directe betrokkenheid bij (trans-Atlantische) slavenhandel, zoals Nederland, een expliciete erkenning verwacht mag worden? Zo nee, waarom niet? Hoe verhoudt deze stemonthouding in de Algemene Vergadering van de VN zich tot de officiële excuses voor het handelen van de Nederlandse staat, waarbij, in de bewoordingen van de toenmalige Minister-President Rutte, «een komma, geen punt» werd gezet? Had het niet meer in deze benadering gepast om wél in te stemmen met deze VN-resolutie?
Het kabinet onderschrijft dat van landen met een koloniaal verleden, zoals Nederland, een expliciete erkenning van het slavernijverleden verwacht mag worden.
Het kabinet begrijpt dat de onthouding vragen of teleurstelling kan oproepen.
Die onthouding doet echter niets af aan de erkenning van het grote historische onrecht, de door de regering gemaakte excuses en de inzet op de opvolging daarvan.
Juist omdat de doorwerking van het slavernijverleden voor veel mensen in het heden voelbaar is, blijft het kabinet zich inzetten voor erkenning, herdenken en meer bewustwording, in gesprek met betrokken gemeenschappen. Zoals eerder is gezegd: de excuses vormden geen eindpunt, maar een volgende stap. Daarom wordt onder andere gewerkt aan meer kennis en onderzoek, het versterken van maatschappelijke initiatieven, en zijn er aanpassingen gedaan in het onderwijs.
De onthouding bij deze resolutie, samen met 51 andere landen waaronder alle EU lidstaten, staat niet op gespannen voet met deze lijn. Deze gezamenlijke positie laat zien dat de juridische bezwaren tegen onderdelen van de resolutie breder worden gedeeld. De keuze om te onthouden is ingegeven door specifieke juridische bezwaren tegen onderdelen van de resolutietekst, en niet door een gebrek aan erkenning van het historische onrecht.
Hoe beoordeelt u de oproep van de secretaris-generaal van de VN om te komen tot «een confrontatie met de nalatenschap van de slavernij en racisme»? Wat valt, in dit licht bezien, te verwachten aan kabinetsmaatregelen?
Het kabinet onderschrijft de oproep van de secretaris-generaal van de VN om de nalatenschap van slavernij en racisme onder ogen te zien. Het kabinet geeft uitvoering aan de onderdelen van de resolutie die het onderschrijft al via bestaand beleid. Het is van groot belang om deze geschiedenis te blijven erkennen, te begrijpen en bespreekbaar te maken, juist vanwege de blijvende impact ervan op samenlevingen wereldwijd en in Nederland.
Het kabinet werkt hier op verschillende manieren aan. Zo is het Herdenkingscomité Slavernijverleden al sinds januari 2025 formeel aan het werk, met een werkorganisatie in Europees Nederland en in het Caribisch deel van het Koninkrijk. Het Comité draagt bij aan de nationale herdenking op 1 juli en ondersteunt ook lokale en gemeenschap specifieke herdenkingen.
Daarnaast zijn subsidieregelingen voor maatschappelijke initiatieven in Europees Nederland en het Caribisch deel van het Koninkrijk opengesteld en wordt geïnvesteerd in onderwijs, musea, archieven en erfgoed, kennis en onderzoek, en publiekscommunicatie met betrekking tot antidiscriminatievoorzieningen.
Eind 2025 zijn bijvoorbeeld de definitieve conceptkerndoelen voor het leergebied Mens en Maatschappij opgeleverd. Hierin is, specifieker dan in de huidige kerndoelen, opgenomen dat leerlingen kennis moeten opdoen over het koloniaal en slavernijverleden. Het Surinamemuseum is geopend en het Nationaal Slavernijmuseum zal de komende jaren verder worden opgebouwd. In 2026 wordt een kennissynthese opgeleverd dat de doorwerking van het koloniaal- en (trans-Atlantisch) slavernijverleden in hedendaags racisme en discriminatie inzichtelijk maakt. Ook is al begonnen om de doorwerking van het slavernijverleden in zorg en welzijn in kaart te brengen.
Met oog voor historische context en binnen de kaders van het internationaal recht blijft het kabinet zich constructief inzetten in internationale fora, zoals de VN, voor een zorgvuldige en evenwichtige benadering van dit verleden, met oog voor de blijvende doorwerking ervan in het heden. Daarbij blijft het kabinet kritisch op voorstellen die juridisch of beleidsmatig onwenselijk worden geacht.
Bent u bereid om deze vragen vóór het aankomende commissiedebat Discriminatie, racisme en mensenrechten te beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Enige school in Haagse Binckhorst stopt aan het einde van schooljaar’ |
|
Hanneke Steen (CDA) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Enige school in Haagse Binckhorst stopt aan het einde van schooljaar»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Deelt u de opvatting dat voorzieningen zoals basisscholen niet alleen een functionele rol vervullen, maar ook van essentieel belang zijn voor gemeenschapsvorming, sociale samenhang en de leefbaarheid van nieuwe wijken?
Ik deel dat voorzieningen een functionele en soms ook een essentiële rol vervullen voor gemeenschapsvorming, sociale samenhang en leefbaarheid van nieuwe wijken.
Hoe borgt u dat bij grootschalige woningbouwontwikkelingen, zoals in de Binckhorst, vanaf het begin wordt ingezet op de opbouw van hechte gemeenschappen, waarbij onderwijsvoorzieningen, verenigingen en zorg een centrale plaats innemen?
Gemeenten zijn primair verantwoordelijk en aan zet voor het borgen en inplannen van voldoende voorzieningen in grootschalige woningbouwontwikkelingen. Het Rijk neemt vanuit haar regierol actief deel aan de ontwikkeling van nationaal grootschalige woningbouwlocaties. Conform het coalitieakkoord werk ik momenteel aan de uitwerking van een totaalaanpak waardoor meer geborgd wordt dat d.m.v. koppelkansen functies als wonen, werken, bereikbaarheid, groen en maatschappelijke voorzieningen samen worden ontwikkeld. Het is overigens niet zo dat deze voorzieningen allemaal vanaf dag één in de wijk zelf aanwezig moeten zijn. In de Taskforce Versnellen Woningbouw zie ik toe op het actief benutten van deze koppelkansen binnen grootschalige woningbouw-ontwikkelingen.
Deelt u de zorg dat het ontbreken of verdwijnen van een basisschool in een wijk in ontwikkeling het risico vergroot dat bewoners zich minder verbonden voelen met hun leefomgeving en met elkaar?
Die zorg deel ik. Scholen kunnen een belangrijke functie hebben voor de leefbaarheid van een wijk. Tegelijkertijd moet ook de afweging worden gemaakt waar kleine scholen hun rol het beste kunnen vervullen. Het huidige scholenlandschap is erg divers en fijnmazig. Dit is waardevol, maar het grote aantal (te kleine) scholen drukt sterk op de oplopende tekorten in het onderwijsveld. Uw Kamer is geïnformeerd over de stelselwijziging scholenlandschap.2 Mijn ministerie zet verder in op de uitwerking van een totaalaanpak in de Taskforce Versnellen Woningbouw die toeziet op het actief benutten van eerder genoemde koppelkansen zodat we bouwen aan sterke gemeenschappen met voldoende voorzieningen.
Hoe beoordeelt u in dat licht het feit dat de enige basisschool in de Binckhorst moet sluiten, terwijl het aantal inwoners in de komende jaren juist sterk zal toenemen?
Deze basisschool had in haar vierde jaar niet voldoende leerlingen om de tussentijdse toets te halen (62 leerlingen, terwijl 167 leerlingen nodig zijn). Het schoolbestuur had tegelijkertijd gecommuniceerd dat de school zou worden gesloten en bij DUO een beroep gedaan op een uitzonderingsgrond om bekostiging te blijven ontvangen. Het is uiteindelijk aan het schoolbestuur om te besluiten of een school wordt gesloten. Het schoolbestuur heeft ondertussen laten weten hun besluit terug te draaien. De basisschool op de Binckhorst hoeft dus niet te sluiten.
Kunt u in kaart brengen in hoeveel andere grootschalige gebiedsontwikkelingen de voorzieningen op soortgelijke wijze onder druk staan, terwijl wordt voorzien dat er binnen een paar jaar juist méér behoefte is aan dergelijke voorzieningen?
Het is bekend dat voorzieningen in grootschalige gebiedsontwikkelingen soms op soortgelijke wijze onder druk staan. Als onderdeel van de uitwerking van de totaalaanpak heeft dit mijn aandacht.
Kunt u toelichten in hoeverre bij de planning van dergelijke gebiedsontwikkelingen rekening is gehouden met het belang van continuïteit van voorzieningen als dragers van gemeenschap en ontmoeting?
Binnen nationaal grootschalige gebiedsontwikkelingen wordt middels financieel instrumentarium (het gebiedsbudget) de ontwikkeling van openbare ruimte (denk aan parken en pleinen) nu al mogelijk gemaakt. Daarnaast ziet het Rijk vanuit haar regierol toe op de ontwikkeling van voldoende (maatschappelijke) voorzieningen in de breedte conform totaalaanpak.
Hoe kijkt u naar het spanningsveld tussen enerzijds de huidige bekostigingssystematiek, die sterk is gebaseerd op leerlingaantallen, en anderzijds de noodzaak om in nieuwe wijken voorzieningen in stand te houden juist in de aanloopfase, ten behoeve van gemeenschapsvorming?
Het klopt dat de ontwikkeling van een nieuwe wijk niet altijd lineair verloopt. Op de site van DUO staat dat schoolbesturen en gemeenten rekening moeten houden met vertraging in de oplevering en dat schoolbesturen hun stichtingsaanvraag dus goed moeten plannen.3 De start van een school kan met één jaar worden uitgesteld. Uit evaluatie blijkt dat gemeenten en schoolbesturen in sommige gevallen, zoals een nieuwe school in een nieuwbouwwijk, behoefte hebben aan meer flexibiliteit. De Minister van OCW verkend daarom of de mogelijkheid voor een tweede jaar uitstel gecreëerd kan worden.
Een nieuwe school wordt in het vierde jaar en in het achtste jaar getoetst op de groei van het aantal leerlingen. De groei van een school kan, om verschillende redenen, achterblijven. Een schoolbestuur kan de Minister van OCW verzoeken om de bekostiging niet te stoppen door een beroep te doen op een uitzonderingsgrond. Doormiddel van een uitzonderingsgrond kan bekostiging worden behouden.
Ziet u mogelijkheden om in groeigebieden meer ruimte te bieden voor maatwerk, bijvoorbeeld door het tijdelijk ondersteunen van voorzieningen die nog niet aan de norm voldoen, maar wel cruciaal zijn voor de sociale infrastructuur van een wijk?
Zoals in antwoord op vraag 8 staat beschreven verkent de Minister van OCW de mogelijkheid voor een extra jaar uitstel voor de start van een school, naast de huidige mogelijkheid van één jaar uitstel. Ook kan een schoolbestuur een beroep doen op een uitzonderingsgrond als een van hun scholen niet snel genoeg groeit. In uitzonderlijke gevallen kan de Minister van OCW de discretionaire bevoegdheid inzetten om de bekostiging voort te zetten.
In hoeverre wordt vanuit het Rijk in de huidige gebiedsontwikkelingen integraal gestuurd op het gelijktijdig realiseren van woningen én sociale infrastructuur, waaronder onderwijs, sport en ontmoeting?
Zie antwoord op vraag 3.
Acht u de huidige instrumenten toereikend om te waarborgen dat nieuwe woonwijken zich ontwikkelen tot leefbare gemeenschappen met voldoende voorzieningen vanaf de start?
Als onderdeel van de uitwerking van de totaalaanpak heeft dit mijn aandacht.
Zo nee, welke aanvullende maatregelen overweegt u om dit beter te borgen?
In de uitwerking van de totaalaanpak onderzoek ik de noodzaak en mogelijkheden voor aanvullende maatregelen.
De aangenomen VN-resolutie over de trans-Atlantische slavenhandel bestempelen als de ernstigste misdaad tegen de menselijkheid |
|
Mpanzu Bamenga (D66), Heera Dijk (D66) |
|
Enneüs Heerma (CDA), Berendsen |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de aangenomen VN-resolutie over de trans-Atlantische slavenhandel bestempelen als de ernstigste misdaad tegen de menselijkheid ooit?1
Het kabinet onderstreept het belang van blijvende internationale aandacht voor het slavernijverleden en de trans-Atlantische slavenhandel. Daarbij wordt volledig erkend dat hiermee een immens onrecht is aangedaan aan tot slaaf gemaakt en dat de gevolgen daarvan tot op de dag van vandaag doorwerken in de vorm van onder meer racisme, discriminatie en ongelijkheid.
Nederland heeft dit ook expliciet erkend met de excuses die in 2022 door de Minister-President en in 2023 door de Koning zijn aangeboden. Sindsdien wordt langs een brede agenda gewerkt aan erkenning, herdenking, en een beter begrip van de doorwerkingen van het slavernijverleden.
Tegelijkertijd heeft het kabinet zich kritisch opgesteld ten aanzien van onderdelen van de resolutie, waaronder het aanbrengen van een hiërarchie in misdrijven tegen de menselijkheid, het toepassen van internationaal recht met terugwerkende kracht en de juridische implicaties die daaraan worden verbonden. Door middel van een onthouding inclusief stemverklaring heeft het kabinet zowel zijn betrokkenheid bij het onderwerp als zijn bezwaren tegen specifieke onderdelen duidelijk gemaakt. Het staat landen verder vrij om resoluties in te dienen over onderwerpen die zij belangrijk vinden.
Kunt u, overwegende dat de Nederlandse staat in 2022 excuses heeft gemaakt voor het slavernijverleden, toelichten waarom Nederland zich heeft onthouden van stemming?
Ja. Het kabinet heeft zich, samen met 51 andere landen waaronder alle EU lidstaten, onthouden van stemming over deze resolutie.
Deze keuze is gemaakt omdat de resolutie enerzijds elementen bevat die het kabinet onderschrijft: Nederland erkent de bijzondere ernst van het slavernijverleden en de trans-Atlantische slavenhandel, evenals de doorwerking daarvan in het heden. Het kabinet zet zich in voor
blijvende aandacht voor dit verleden, onder meer via erkenning en herdenken en een beter begrip van de doorwerkingen van het slavernijverleden. Dat doet het kabinet bijvoorbeeld door middel van maatschappelijke dialoog, aanpassingen in het onderwijs en de bestrijding van racisme en discriminatie. Anderzijds bevat de resolutie ook onderdelen waar wij principiële en juridische bezwaren tegen hebben, waaronder het aanbrengen van een hiërarchie in misdrijven tegen de menselijkheid, het toepassen van internationaal recht met terugwerkende kracht en de juridische implicaties die daaraan worden verbonden. Zowel betrokkenheid bij het onderwerp als de bezwaren tegen specifieke onderdelen zijn door middel van een onthouding inclusief stemverklaring duidelijk gemaakt.
Welke boodschap heeft u voor Nederlanders die dagelijks last hebben van de doorwerking van het koloniale en slavernijverleden en geschrokken zijn van de stemonthouding?
Het kabinet begrijpt dat de onthouding vragen of teleurstelling kan oproepen.
Die onthouding doet echter niets af aan de erkenning van het grote historische onrecht, de door de regering gemaakte excuses en de inzet op de opvolging daarvan.
Juist omdat de doorwerking van het slavernijverleden voor veel mensen in het heden voelbaar is, blijft het kabinet zich inzetten voor erkenning, herdenken en meer bewustwording, in gesprek met betrokken gemeenschappen. Zoals eerder is gezegd: de excuses vormden geen eindpunt, maar een volgende stap. Daarom wordt onder andere gewerkt aan meer kennis en onderzoek, het versterken van maatschappelijke initiatieven, en zijn er aanpassingen gedaan in het onderwijs.
Op welke manieren werkt u momenteel al aan bewustwording over en herstel van (de doorwerking van) het Nederlandse koloniale- en slavernijverleden?
Het kabinet werkt hier op verschillende manieren aan. Zo is het Herdenkingscomité Slavernijverleden al sinds januari 2025 formeel aan het werk, met een werkorganisatie in Europees Nederland en in het Caribisch deel van het Koninkrijk. Het Comité draagt bij aan de nationale herdenking op 1 juli en ondersteunt ook lokale en gemeenschap specifieke herdenkingen.
Daarnaast zijn subsidieregelingen voor maatschappelijke initiatieven in Europees Nederland en het Caribisch deel van het Koninkrijk opengesteld en wordt geïnvesteerd in onderwijs, musea, archieven en erfgoed, kennis en onderzoek, en publiekscommunicatie met betrekking tot antidiscriminatievoorzieningen.
Eind 2025 zijn bijvoorbeeld de definitieve conceptkerndoelen voor het leergebied Mens en Maatschappij opgeleverd. Hierin is, specifieker dan in de huidige kerndoelen, opgenomen dat leerlingen kennis moeten opdoen over het koloniaal en slavernijverleden. Het Surinamemuseum is geopend en het Nationaal Slavernijmuseum zal de komende jaren verder worden opgebouwd. In 2026 wordt een kennissynthese opgeleverd dat de doorwerking van het koloniaal- en (trans-Atlantisch) slavernijverleden in hedendaags racisme en discriminatie inzichtelijk maakt. Ook is al begonnen om de doorwerking van het slavernijverleden in zorg en welzijn in kaart te brengen.
Hoe gaat u uitvoering geven aan de aangenomen VN-resolutie?
Het kabinet onderschrijft de oproep van de secretaris-generaal van de VN om de nalatenschap van slavernij en racisme onder ogen te zien. Het kabinet geeft al uitvoering aan de onderdelen van de resolutie die het onderschrijft via bestaand beleid. Dat ziet onder meer op erkenning, herdenken en het creëren van een beter begrip van de doorwerkingen van het slavernijverleden. Bijvoorbeeld door het versterken van maatschappelijke initiatieven, aanpassingen in het onderwijs, meer onderzoek, dialoog met betrokken gemeenschappen en de aanpak van racisme en discriminatie.
Daarmee wordt niet vanaf nul begonnen, maar voortgebouwd op een programma dat al in uitvoering is en de komende periode verder wordt verdiept. Met oog voor de historische context en binnen de kaders van het internationaal recht blijft het kabinet zich constructief inzetten in internationale fora, zoals de VN, voor een zorgvuldige en evenwichtige benadering van dit verleden, met oog voor de blijvende doorwerking ervan in het heden. Daarbij blijft het kabinet kritisch op voorstellen die juridisch of beleidsmatig onwenselijk worden geacht.
Hoe gaat u uitvoering geven aan de in het regeerakkoord opgenomen ambitie om actief te werken aan maatschappelijke bewustwording over het koloniale- en het slavernijverleden en de blijvende impact daarvan, en hoe gaat u in ieder geval de zes Caribische eilanden daarbij betrekken?
Ja.
De zes Caribische eilanden zijn daarbij vanaf het begin betrokken.
In samenwerking met Aruba, Bonaire, Curaçao, Saba, Sint Maarten en Sint Eustatius is gewerkt aan eilandelijke actieagenda’s, waarin toezeggingen van 19 december 2022 zijn vertaald in concrete projectplannen. Deze zijn inmiddels aangeboden en toegekend. Voorbeelden van impactvolle projecten zijn DNA onderzoek naar oorspronkelijke afkomst van de gemeenschappen op de Bovenwindse eilanden, (multifunctionele) erfgoedcentra op Aruba en Sint Eustatius, ontwikkeling van een NT3-model (een onderwijskundig concept) waarbij Nederlands als vreemde taal wordt geïmplementeerd in het primair onderwijs op Bonaire en de digitalisering en het vervolgens toegankelijk maken van koloniale archieven op onder andere Curaçao. Daarnaast is op verschillende momenten input opgehaald vanuit de gemeenschappen voor de vormgeving van de subsidieregeling maatschappelijke initiatieven trans-Atlantisch slavernijverleden.
Kunt u de uitvoering van de VN-resolutie opnemen in de aangekondigde voortgangsbrief slavernijverleden die de Kamer in het eerste kwartaal zou ontvangen, en kunt u aangeven wanneer u de Kamer deze brief toezendt?
Ja. In de aangekondigde brief over de voortgang van de acties rond het slavernijverleden zal, voor zover relevant, ook worden ingegaan op de internationale context van deze resolutie en op de wijze waarop Nederland reeds invulling geeft aan de onderdelen die het onderschrijft.
De brief wordt voor het zomerreces aan uw Kamer toegezonden.
Het bericht ‘De lange arm van Marokko: actiegroep waarschuwt Kamer voor spionage en intimidatie in Nederland’ |
|
Annabel Nanninga (JA21), Ingrid Michon (VVD) |
|
David van Weel (VVD), Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met artikel van Elsevier Weekblad «De lange arm van Marokko: actiegroep waarschuwt Kamer voor spionage en intimidatie in Nederland»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de in het artikel geschetste signalen en stellingen over buitenlandse inmenging, beïnvloeding en intimidatie in Nederland?
Het kabinet vindt alle vormen van ongewenste buitenlandse inmenging (OBI, of: statelijke inmenging) in Nederland volstrekt onacceptabel. Iedereen in Nederland moet in vrijheid kunnen leven en keuzes kunnen maken, zonder daarin door autoriteiten van andere landen te worden beperkt.
Welke instrumenten heeft het kabinet om buitenlandse inmenging tegen te gaan?
Het kabinet werkt Rijksbreed doorlopend aan het tegengaan van statelijke inmenging in Nederland binnen de landenneutrale aanpak OBI. Hierbinnen wordt Rijksbreed de dreiging tegen de nationale veiligheid in kaart gebracht. Landen die zich schuldig maken aan ongewenste buitenlandse inmenging worden daar consequent op aangesproken. Bij dreigende incidenten of verdenking van strafbare feiten wordt niet geschroomd om binnen eigenstandige taken en bevoegdheden op te treden via bestuurlijke dan wel strafrechtelijke maatregelen. Daarnaast wordt doorlopend gewerkt aan het verhogen van de weerbaarheid van diasporagemeenschappen. Dit gebeurt onder meer door transparant te zijn over de dreiging en zodoende de bewustwording te vergroten.
Wat doet het kabinet aan het beschermen van onze samenleving voor buitenlandse inmenging?
Zie graag het antwoord op vraag 3.
Ziet u een verhoogde dreiging door de onrust in het Midden Oosten?
Momenteel zijn bij het kabinet geen signalen bekend dat de dreiging van buitenlandse inmenging van Marokko zou zijn toegenomen door de onrust in het Midden-Oosten. Het kabinet monitort de ontwikkelingen in het Midden-Oosten, bijvoorbeeld via bilaterale en multilaterale contacten en het postennetwerk. Mocht dit conflict aanleiding geven tot het vaststellen van een verhoogde dreiging van ongewenste buitenlandse inmenging, dan zullen de onder het antwoord op vraag 3 genoemde stappen worden ondernomen om de dreiging tegen te gaan.
Welke acties onderneemt het kabinet nu de Wet transparantie maatschappelijke organisaties (Wtmo) niet door de Eerste Kamer is aangenomen?
Om effectief op te kunnen treden tegen ongewenste buitenlandse financiering dienen instrumenten zich op specifieke vormen van financiering te richten. Nederland kent daarom een systeem waarbij in de eerste plaats de inlichtingen- en veiligheidsdiensten onderzoek kunnen doen in de gevallen waarin er ernstige vermoedens zijn van financiering vanuit het buitenland, die een gevaar opleveren voor de democratische rechtsorde of waardoor risico’s ontstaan voor de nationale veiligheid. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken kan notes verbales over financieringsstromen, die zij ontvangen van Golfstaten, doorsturen naar de AIVD. Ook kent Nederland verschillende instrumenten om witwassen en terrorismefinanciering tegen te gaan. Zo analyseert de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU) ongebruikelijke en verdachte transacties en kan de FIU deze delen met de opsporings-, inlichtingen- en veiligheidsdiensten om hierop te acteren.
Daarnaast blijft in de aanpak van ongewenste buitenlandse financiering Europese samenwerking essentieel om dit probleem aan te pakken. Binnen het Radicalisation Awareness Netwerk (RAN) en diens opvolger: de Knowledge Hub van de EU, wordt gewerkt aan bewustwording over het onderwerp binnen de lidstaten onder andere in de vorm van het delen van best practices en het komen tot mogelijke maatregelen. Er zal nader worden bezien of een aanvullend instrument passend is.
Welke instrumenten, wetgevende maatregelen en samenwerkingsvormen gebruiken andere landen (met name Duitsland) om buitenlandse inmenging te voorkomen, en hoe kunnen deze voorbeelden Nederland helpen zijn eigen weerbaarheid te versterken?
Om de weerbaarheid van gemeenschappen tegen ongewenste buitenlandse inmenging te vergroten hebben enkele landen centrale punten opgericht waar signalen van OBI kunnen worden gemeld, waaronder Duitsland.
Gelijkgezinde landen spreken andere landen op vergelijkbare wijze aan op OBI als de Nederlandse overheid. De wijze waarop vergt altijd een per casus bekeken benadering. Dat kan voor, of achter de schermen plaatsvinden. Deze gesprekken zijn altijd onderdeel van een bredere afweging.
Nederland onderhoudt contact met gelijkgezinde landen om ervaringen in de aanpak van OBI te delen en mee te nemen in de praktijk. In vergelijking met gelijkgezinde landen is Nederland een van de koplopers in het hanteren van een gecoördineerde whole-of-governmentbenadering van het fenomeen ongewenste buitenlandse inmenging, door de Rijksbrede aanpak OBI zoals beschreven in het antwoord op vraag 3.
Wat is de stand van zaken van het toegezegde meldpunt waar slachtoffers anoniem terecht kunnen, gelet op het feit dat de Kamer reeds in oktober 2023 heeft verzocht om de inrichting van een dergelijk meldpunt? Waarom laat dit zo lang op zich wachten?
Zoals beschreven in de kamerbrief2 over de stand van zaken rondom het centraal meldpunt OBI is het kabinet gestart met de inrichting van een centraal OBI-meldpunt buiten de rijksoverheid. Onder coördinatie van de NCTV is het afgelopen jaar een projectstructuur op touw gezet voor het realiseren van dit meldpunt. Deze projectstructuur bevindt zich momenteel in een afrondende fase.
Uw Kamer wordt conform het verzoek van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid van 16 april 2026 zo spoedig mogelijk integraal geïnformeerd over de stand van zaken OBI inclusief de voortgang van het centraal OBI-meldpunt.
Wat is het handelingskader van de overheid als er dreigingen zijn? Hoe vaak is het strafrecht ingezet in de afgelopen vijf jaar? Wat is een alternatieve route via bestuursrecht?
De bij de OBI-aanpak betrokken departementen en uitvoeringsorganisaties kunnen passende maatregelen treffen of voor opvolging zorgen in het kader van hun eigenstandige taken en bevoegdheden. Deze maatregelen kunnen zien op diplomatieke actie, bestuurlijke maatregelen, dan wel verhoging van de weerbaarheid van personen die te maken hebben met OBI.
Daar waar sprake is van een verdenking van strafbare feiten, kunnen OM en politie strafrechtelijk onderzoek doen, mede op basis van de uitgebreide strafbaarstelling spionage. De Minister van Justitie en Veiligheid doet geen uitspraken over individuele strafzaken, dat is aan het OM. Er vindt geen aparte registratie plaats ten aanzien van de vraag of een strafrechtelijk onderzoek verband houdt met een mogelijk motief vanuit de context van statelijke inmenging of diasporaproblematiek.
In algemene zin kunnen onder voorwaarden maatregelen uit het bestuursrecht van toepassing zijn in het optreden tegen dit type dreiging, al vindt hiervan ook geen aparte registratie plaats.
Wat doet het kabinet aan de uitspraak van de Kamer om het Moslimbroederschap te verbieden?
Op 17 maart jl. heeft uw Kamer de motie van de leden Boon en Wilders (beiden PVV) aangenomen die de regering verzoekt om de Moslimbroederschap en daaraan gelieerde organisaties in Nederland te verbieden.3 Ik beoog uw Kamer zo spoedig mogelijk over de afhandeling van de motie te informeren.
Openbaarmaking bedrijfsgegevens naar aanleiding van de technische briefing over doelsturing |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Enneüs Heerma (CDA), van Essen |
|
|
|
|
Klopt het dat bij een systeem van doelsturing op bedrijfsniveau gegevens over emissies, managementmaatregelen of prestaties van individuele landbouwbedrijven verzameld en verwerkt zullen worden?
Ja, dat klopt.
Klopt het dat dergelijke gegevens, wanneer zij bij de overheid berusten, in beginsel onder de reikwijdte van de Wet open overheid (Woo) kunnen vallen?
Ja, dat kan. De Woo geeft algemene regels voor het openbaar maken van de informatie waarover de overheid beschikt. Daaronder vallen in beginsel ook de bedrijfsgegevens van individuele bedrijven waar de overheid over beschikt, ongeacht hoe de overheid daarover de beschikking heeft gekregen. Doorslaggevend voor de vraag of gegevens onder de reikwijdte van de Woo vallen, is of er een verband bestaat tussen de informatie en de publieke taak van het bestuursorgaan. Niet alle gegevens die bij de overheid berusten zijn per definitie verbonden aan de publieke taak van in dit geval de Minister van LVVN. Wat publieke taken zijn moet ruim worden uitgelegd zo blijkt uit de memorie van toelichting bij de Woo.1
Deelt u de zorg dat openbaarmaking van gedetailleerde bedrijfsgegevens van individuele landbouwbedrijven kan leiden tot ongewenste effecten zoals reputatieschade, actiedruk of juridisering richting individuele ondernemers?
Ik begrijp dat openbaarmaking van gedetailleerde bedrijfsgegevens van individuele landbouwbedrijven impact kan hebben voor individuele ondernemers, zeker als bedrijfsgegevens gelijk zijn aan het privéadres. Ik begrijp dat dit zijn weerslag kan hebben op ondernemers en hun gezinnen. Zoals ik in mijn brief over de zienswijzeprocedure bij de openbaarmaking van emissiegegevens 15 april 20262 heb aangegeven werk ik in dit kader met het Ministerie van Justitie en Veiligheid aan een onderzoek naar de sociale veiligheid van agrarisch ondernemers.
Hoe wordt voorkomen dat bedrijfsgegevens die nodig zijn voor doelsturing via Woo-verzoeken openbaar gemaakt kunnen worden?
Openbaarheid van overheidsinformatie is een belangrijk onderdeel van onze democratische rechtsstaat. Openbaarheid van gegevens maakt het mogelijk voor belangenorganisaties, onderzoekers en burgers informatie te vergaren over onder andere hun leefomgeving.
Daarom zijn er internationaal afspraken gemaakt over openbaarheid van informatie. Deze afspraken zijn vastgelegd in het Verdrag van Aarhus (hierna: het verdrag) en de Europese milieu-informatierichtlijn (Richtlijn 2003/4/EG, hierna: de richtlijn). De richtlijn en het verdrag zijn geïmplementeerd in de Woo.
Ik streef er dan ook niet naar om dergelijke informatie te onttrekken van de openbaarheid. Tegelijkertijd kunnen er wel dilemma’s spelen, bijvoorbeeld wanneer de openbaarmaking van dergelijke gegevens mede raakt aan de persoonlijke levenssfeer van agrarische ondernemers. Daarbij spelen een aantal elementen een rol.
Als er een verzoek wordt gedaan tot openbaarmaking, is het van belang om welke gegevens verzocht wordt. Als bedrijfsgegevens ook als milieu-informatie aan te merken zijn, dan dient een afweging te worden gemaakt tussen het belang van openbaarmaking tegenover het belang van het bedrijf om de bedrijfsgegevens niet openbaar te maken. Bij deze belangenafweging staat openbaarmaking van de gegevens voorop. Er kan alleen van openbaarmaking van de (betreffende) informatie worden afgezien wanneer het bedrijf concreet kan onderbouwen dat openbaarmaking daadwerkelijk en ernstige schade toebrengt aan het bedrijfsbelang3.
Op grond van artikel 5.1, zevende lid, van de Woo mogen er bij emissiegegevens geen uitzonderingsgronden worden toegepast. Deze gegevens moeten dan ook altijd openbaar worden gemaakt als daartoe een verzoek wordt gedaan. Ook als het hierbij gaat om gegevens die de persoonlijke levenssfeer raken, zoals bedrijfsadressen die tevens woonadressen zijn.4 Dit laatste is een verplichting die direct voortvloeit uit de richtlijn.
Ik realiseer mij dat er zich dilemma’s kunnen voordoen bij de openbaarmaking van informatie, bijvoorbeeld wanneer openbaarmaking van informatie mede raakt aan de persoonlijke levenssfeer van agrarische ondernemers. Ik vind het daarom van belang om de verschillende belangen die hier kunnen spelen af te wegen, binnen de kaders die onder meer de Woo, de richtlijn en het verdrag bieden. Dit zal ook worden meegenomen in de wetsevaluatie van de Woo en bij de vormgeving van doelsturing.
Wordt overwogen om de dataverzameling voor doelsturing (deels) buiten de overheid te organiseren, bijvoorbeeld via ketenorganisaties, sectorale systemen of onafhankelijke dataplatforms?
In het kader van doelsturing zal nog besloten moeten worden hoe de organisatie van data delen ingericht zal worden. Daarbij is het goed om op te merken dat informatie die nodig is voor een goede taakuitoefening door de overheid niet gepositioneerd kan worden buiten de invloedsfeer van het ministerie waardoor documenten buiten de reikwijdte van de Woo vallen. Ook indien het verzamelen, controleren en bewerken van agrarische bedrijfsinformatie gebeurt door een specifiek daarvoor op te richten private entiteit, is niet uit te sluiten dat die entiteit geheel of gedeeltelijk onder de Woo valt, omdat voor milieu-informatie een ruim begrip van «overheid» moet worden gehanteerd. Bij besluitvorming door de overheid is het noodzakelijk dat de overheid over relevante gegevens beschikt.
Bent u bekend met systemen in de veehouderij waarbij gegevens over diergezondheid en bedrijfsvoering via ketenpartijen worden verzameld, zoals binnen de zuivelsector via systemen als KoeMonitor/KoeKompas?
Ja, daar ben ik mee bekend.
Ziet u mogelijkheden om monitoring in het kader van doelsturing primair via gebiedsmonitoring te organiseren, bijvoorbeeld via gebiedscoöperaties of andere collectieve verbanden van boeren, zodat niet direct bedrijfsgegevens van individuele landbouwbedrijven bij de overheid berusten?
Bij een systeem van doelsturing op bedrijfsniveau zal monitoring primair via individuele landbouwbedrijven georganiseerd worden. Bovendien is voor sommige toepassingsvormen van doelsturing herleidbaarheid naar bedrijven een vereiste. Hiernaast kunnen de mogelijkheden naar gebiedsmonitoring verkend worden om gegevens op een meer geaggregeerd niveau te verzamelen. Zie ook het antwoord op vragen 4 en 5 voor het geval herleidbaarheid naar bedrijven nodig is.
Welke waarborgen worden overwogen om ervoor te zorgen dat boeren veilig en zonder risico op openbaarmaking van bedrijfsgevoelige informatie kunnen deelnemen aan systemen voor doelsturing?
Er moeten hierover nog keuzes worden gemaakt, waarbij uiteindelijk van belang is dat besluiten zorgvuldig worden voorbereid en dragend worden gemotiveerd. Bij het maken van deze keuzes zal ik de belangen van openbaarheid en de bescherming van bedrijfs- en persoonsgegevens afwegen binnen de geldende kaders.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het op donderdag 9 april 2026 geplande commissiedebat Doelsturing?
Het commissiedebat Doelsturing is door uw Kamer uitgesteld tot nader order. De reguliere termijn voor het beantwoorden van Kamervragen is gehanteerd.
Het bericht 'Ouders in verzet tegen sluiting van enige school in nieuwbouwwijk: ‘Waar moeten onze kinderen heen?’' |
|
Etkin Armut (CDA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Kent u dit bericht? Zo ja, wat vindt u hiervan?1
Ja, ik ken dit bericht. Het is jammer dat onrust is ontstaan over de school. In de beantwoording op de vragen van de leden Van Asten en Rooderkerk (beiden D66) over hetzelfde onderwerp is aangegeven dat het schoolbestuur het besluit om de school te sluiten heeft teruggedraaid.
Klopt het dat er momenteel 65 kinderen op deze school zijn ingeschreven en dat er eigenlijk nu 160 kinderen op deze school moeten zijn ingeschreven om structurele financiering te ontvangen?
Volgens de laatste cijfers van DUO staan op deze school 62 leerlingen ingeschreven. Er hadden 167 leerlingen ingeschreven moeten staan om te voldoen aan de vereiste leerlingenaantallen van de stichtingsnorm voor scholen. Deze norm verschilt per gemeente en wordt vastgesteld op basis van de leerlingdichtheid in de gemeente.
In hoeverre wordt er bij de beslissing om een school wel of niet te financieren rekening gehouden met de verwachte groei van het aantal leerlingen in de komende jaren doordat er huizen gebouwd gaan worden? Waarom wel of waarom niet?
Bij de stichtingsaanvraag moet een schoolbestuur aantonen, met een belangstellingsmeting, dat de nieuwe school in het 11e jaar na de aanvraag op voldoende leerlingen kan rekenen. Deze belangstellingsmeting gebeurt 1) aan de hand van verklaringen van ouders in het voedingsgebied met kinderen in de juiste leeftijdscategorie en 2) het aantal leerlingen op het moment van de stichtingsaanvraag en 3) het geprognostiseerde aantal leerlingen in het 11e jaar na de stichtingsaanvraag. De verwachte groei van het aantal leerlingen in een gebied is dus onderdeel van de aanvraagprocedure voor een nieuwe school.
Wat zijn de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de kleine schooltoeslag of dunbevolktheidstoeslag?
Basisscholen die op de teldatum van het aantal leerlingen minder dan 150 leerlingen hebben, ontvangen momenteel kleinescholentoeslag. De school De Binck ontvangt daarom kleinescholentoeslag. Op dit moment wordt gewerkt aan het omvormen van de kleinescholentoeslag naar dunbevolktheidstoeslag. Uw Kamer is door mijn voorganger geïnformeerd over deze wijziging.2
Komt deze school in aanmerking voor deze toeslag? Waarom wel of waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u het ermee eens dat kleine scholen een belangrijke functie hebben voor de leefbaarheid van een wijk en of iemand wel of niet wil gaan wonen in deze wijk?
Ja, scholen kunnen een belangrijke functie hebben voor de leefbaarheid van een wijk. Tegelijkertijd moet ook de afweging worden gemaakt waar kleine scholen hun rol het beste kunnen vervullen. Het huidige scholenlandschap is erg divers en fijnmazig. Dit is waardevol, maar het grote aantal (te kleine) scholen drukt sterk op de oplopende tekorten in het onderwijsveld. Dat is zeker het geval in stedelijke gebieden. De aangekondigde stelselwijziging zal op dit vraagstuk ingaan. Uw Kamer ontvang voor het zomerreces nog een brief met een update over de beoogde stelselwijziging.
In hoeverre wordt er bij de beslissing om een school wel of niet te financieren rekening gehouden met het aantal beschikbare plaatsen bij basisscholen in de directe omgeving?
Het aantal beschikbare plaatsen bij basisscholen in de directe omgeving is geen criterium bij het al dan niet bekostigen van een nieuwe school.
Zijn er alternatieven overwogen, zoals vergaande samenwerking met andere basisscholen, om sluiting te voorkomen?
Vergaande samenwerking met andere basisscholen, bijvoorbeeld in de vorm van een fusie, kan een mooie manier zijn om het onderwijs en de identiteit van een te kleine school te behouden. Met het oog op de stelselwijziging moedig ik schoolbesturen van te kleine scholen aan om mogelijkheden voor samenwerking of fusies in hun omgeving te onderzoeken. Het zoeken naar samenwerking blijft immers een verantwoordelijkheid van een schoolbestuur.
De keuze om leerlingen op een basisschool in te schrijven is verder aan de ouders, die vrij zijn om daar zelf een afweging in te maken.
Zou dit ertoe kunnen leiden dat leerlingen naar een andere gemeente moeten om onderwijs te krijgen?
Zie antwoord vraag 8.
Het artikel ‘Zorggeld verdwijnt naar aandeelhouders: 311 miljoen uitgekeerd’ |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met bovengenoemd artikel?1
Ja, ik ben bekend met bovengenoemd artikel.
Hoe oordeelt u over het bericht dat er 311 miljoen euro aan zorggeld is uitgekeerd aan aandeelhouders en niet opnieuw geïnvesteerd in de zorg of beschikbaar gehouden voor tegenvallers?
Financiële belangen mogen nooit ten koste gaan van kwalitatief goede, betaalbare en toegankelijke zorg voor de patiënt. Ik vind excessieve winstuitkeringen onwenselijk en zorggeld hoort primair ten goede te komen aan de zorg zelf. Maar we hebben investeringen in de zorg ook nodig, bijvoorbeeld om innovaties te kunnen financieren. Een investeerder loopt risico met het investeren van zijn geld, het is niet gek dat daar een beloning tegenover staat in de vorm van dividenduitkering. Net als een bank die rente vraagt voor een lening die wordt aangegaan.
Echter, een winstuitkering dient wel verantwoord te zijn. Het is belangrijk dat er een financiële buffer is bij zorgaanbieders om tegenvallers op te vangen en reserves op peil te houden. Zoals eerder aan de Kamer is medegedeeld, kijkt het kabinet met de aanscherping van de Wet integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieder (Wibz) ook naar extra maatregelen die zien op winstuitkeringen. Ik verwacht uw Kamer voor de zomer hierover te informeren.
Hoe oordeelt u over de stelling dat bij 47 procent van de zorgaanbieders die winst uitkeerden, de financiële reserve minder dan 15 procent was, terwijl dat als ondergrens wordt gehanteerd in de financiële sector?
Ik vind het onwenselijk dat bijna de helft van de zorgaanbieders die winst heeft uitgekeerd niet voldoende weerstandsvermogen heeft om financiële tegenvallers op te vangen. Er kunnen zich daardoor grote risico’s voordoen voor de kwaliteit en toegankelijkheid van zorg, als aan het maximaliseren van uitkeerbare winst een groter belang wordt gehecht dan aan de maatschappelijke belangen van zorg. Dit kan de financiële stabiliteit en continuïteit van zorg in gevaar brengen. Daarom wordt er met de Wibz voorwaarden gesteld aan winstuitkeringen, waarvan een weerstandsvermogen van minimaal 15% er één is. Hiernaast ben ik bezig met het aanscherpen van de Wibz, waarbij ik ook kijk naar extra maatregelen rondom winstuitkering. Ik verwacht uw Kamer voor de zomer hierover te informeren.
Hoe oordeelt u over het bericht dat door een maas in de wet veelal zelfstandige klinieken winstuitkeringen kunnen doen terwijl dat eigenlijk niet de bedoeling is van de wetgeving?
Ik kan op basis van de informatiekaart dividenduitkeringen van de NZa niet vaststellen of het dividend in de medisch specialistische zorg afkomstig is van zelfstandige klinieken2. In algemene zin kan ik wel zeggen dat op basis van het huidige winstuitkeringsverbod medisch specialistische zorg geen winst mag uitkeren. Dit geldt echter niet voor onderaannemers. Dit neemt niet weg dat ik wil dat elke zorgeuro goed terecht komt en de toegankelijkheid, kwaliteit en het belang van de patiënt altijd voorop staat. Met de Wibz wil ik voorkomen dat winst mag worden uitgekeerd als dit de continuïteit van de zorgaanbieder in gevaar brengt, of wanneer dit ten koste gaat van de kwaliteit van zorg. Daarom worden er voorwaarden gesteld aan winstuitkering die betrekking hebben op financiële ratio’s en het voldoen aan kwaliteitsstandaarden. Deze voorwaarden gelden voor zowel hoofd- als onderaannemers.
Bent u bereid deze maas in de wet te dichten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals aangegeven in de beantwoording op vraag 4, kan ik op basis van de informatiekaart dividenduitkeringen van de NZa niet vaststellen of het dividend in de medisch specialistische zorg afkomstig is van zelfstandige klinieken3. Met de Wibz worden voorwaarden gesteld aan het doen van een winstuitkering. Deze voorwaarden hebben betrekking op zowel financiële ratio’s, als het voldoen aan kwaliteitseisen. Bovendien zullen deze voorwaarden aan winstuitkering gelden voor zowel hoofd- als onderaannemers, waardoor ook onderaannemers aan voorwaarden moeten voldoen alvorens winst kan worden uitgekeerd.
Momenteel ben ik mij aan het herbezinnen op aanscherpingen van de Wibz. Hierbij kijk ik ook naar extra maatregelen die zien op de reikwijdte van het winstuitkeringsverbod, zodat deze op een coherente en consistente manier wordt vormgegeven. Ik verwacht uw Kamer voor de zomer over de uitkomst hiervan te informeren.
Hoe oordeelt u over het bericht dat de directeur Toezicht van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) stelt dat het «belangrijk is dat er duidelijke regels komen voor winstuitkering in de zorg, zodat er helderheid voor de sector ontstaat over wat nu verantwoord is»?
Ik ben het met de NZa eens dat het belangrijk is dat er duidelijke regels voor winstuitkeringen in de zorg nodig zijn. Financiële belangen mogen namelijk nooit ten koste gaan van goede en toegankelijke zorg en mogen de continuïteit van zorg niet in gevaar brengen. Bovendien helpen duidelijke regels de toezichthouder ook in haar toezicht en eventuele handhaving. Met de Wibz ben ik voornemens deze helderheid over verantwoord ondernemerschap te creëren door voorwaarden te stellen aan winstuitkeringen. Deze voorwaarden voor winstuitkering zullen voor zowel hoofd- als onderaannemers gelden. De NZa krijgt de mogelijkheid te handhaven bij het schenden van deze voorwaarden.
Is het correct dat er gewerkt wordt aan aanscherping van de Wet integere bedrijfsvoering zorg om winstuitkering in de zorg tegen te gaan? Zo ja, wanneer kan de Kamer deze wetgeving verwachten?
Ik werk momenteel aan een aangescherpte versie van de Wibz. Zoals vermeld in de Kamerbrief van december 20254, neem ik de voorwaarden voor het doen van winstuitkeringen hierin mee. Ook is de reikwijdte van het winstuitkeringsverbod onderdeel van de aanscherping. Ik verwacht uw Kamer voor de zomer hierover te informeren.
Is de genoemde winst van 7,3 miljard euro en de dividenduitkering van 0,311 miljard euro de totaaltelling van winsten en dividenden binnen het kader Zorg in 2024 of vallen er ook delen of niches buiten de scope van deze cijfers? Denk bijvoorbeeld aan de winst en het dividend van maatschappen van specialisten of van private equity investeringen in specifieke delen van de zorgsector. Zijn de gegeven cijfers volledig en/of uitputtend ten aanzien van winst en dividend in de zorgsector of niet?
De winst van 7,3 miljard euro en de dividenduitkeringen van 0,311 miljard euro betreft de totaaltelling van de winsten (in het geval van rechtspersonen betreft dit het resultaat na belasting; in geval van eenmanszaken en personenvennootschappen is dit de winst voor belasting – de eigenaar/eigenaren moet(en) in dit geval nog inkomstenbelasting betalen over de winst uit onderneming) en dividenduitkeringen van de ruim 18.000 zorgaanbieders die een jaarverantwoording hebben ingediend.
Deze cijfers zijn niet volledig, omdat niet alle zorgaanbieders een jaarverantwoording hebben ingediend. Van alle zorgaanbieders die zijn aangeschreven om een jaarverantwoording in te dienen, heeft ruim een kwart dit niet gedaan. De NZa hanteert een risicogestuurd handhavingsbeleid ten aanzien van het niet tijdig, juist of volledig indienen van de jaarverantwoording. Het bedrag van 0,311 miljard euro dividenduitkering is ook niet volledig, omdat uitkeringen door micro rechtspersonen hierin niet zijn meegenomen. Door de beperkte jaarverantwoording van micro zorgaanbieders is niet vast te stellen of zij dividend hebben uitgekeerd.
Kunt u iets zeggen over de samenstelling en de kenmerken van de groep zorgaanbieders die wel dividend uitkeren, versus de aanbieders die dat niet of nauwelijks doen? Zijn de aanbieders die dividend uitkeren bijvoorbeeld relatief groot of juist relatief klein? Worden de dividenden vooral getrokken wanneer private equity in het spel is of juist niet? Graag een zo uitgebreid mogelijke toelichting op de kenmerken van de aanbieders die wel of geen dividend uitkeren.
Samenstelling en kenmerken van de groep zorgaanbieders die dividend heeft uitgekeerd vallen buiten de scope van hetgeen is gepubliceerd in de informatiekaart. De NZa is voornemens om een nadere analyse uit te voeren op de cijfers van deze groep die dividend heeft uitgekeerd.
Welk deel van de niet uitgekeerde winst van zorgaanbieders wordt gemaakt door instellingen met een «weerstandvermogen» beneden de 15% en welk deel van de niet uitgekeerde winst van zorgaanbieders wordt gemaakt door instellingen met een «weerstandvermogen» boven de 15%?
Voor de ruim 7,3 miljard euro verantwoorde winst geldt dat in 59% van de gevallen de zorgaanbieder een weerstandsvermogen heeft van meer dan 15%. In 41% van de gevallen is het weerstandvermogen dus beneden de 15%.
Bent u bekend met het rapport ‘The Foreign Censorship Threat, Part II: Europe’s Decade-Long Campaign to Censor the Global Internet and how it harms American Speech in the United States’ van de Committee on the Judiciary van het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden, waarin wordt ingegaan op het signaleren en/of «flaggen» van berichten op sociale media door overheden en Europese instellingen?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Kunt u bevestigen of, en zo ja op welke wijze, het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en/of andere ministeries contact hebben gehad met de Europese Commissie over het signaleren, «flaggen» of laten verwijderen van berichten op sociale media?
Zoals uitgelegd in de Kamerbrief van 9 januari 2026 over de evaluatie Tweede Kamerverkiezing 28 oktober 2025 maakt het Ministerie van BZK het contact met de platformen na afloop van de verkiezingen openbaar in een rapport via de evaluatie van de desbetreffende verkiezing.2 De Europese Commissie speelt hierin geen rol. Het ministerie heeft met de platformen van X, Meta, TikTok, Google en Snapchat de vrijwillige afspraak dat zij meldingen van het Ministerie van BZK gedurende de verkiezingsperiode met prioriteit behandelden. Hierbij blijft het platform te allen tijde zelf verantwoordelijk voor de afhandeling en de beoordeling van de melding die gedaan wordt, in relatie tot geldende regelgeving en de gebruikersvoorwaarden. Het Ministerie van BZK heeft geen bevoegdheid content te laten verwijderen.
Klopt het dat het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties door de Europese Commissie is aangewezen als zogenoemde «trusted flagger» onder de Digital Services Act? Zo ja, op basis van welke bevoegdheid of afspraak is deze rol aan het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties toegekend?
Nee, de Europese Commissie heeft BZK niet aangewezen als «trusted flagger». Zoals reeds aangegeven in mijn brief van 4 maart jl. aan uw Kamer is deze rol toebedeeld aan de ACM.3 BZK heeft een vrijwillige afspraak met enkele platformen, zoals uitgelegd in het antwoord op vraag 2. Dit noemen we de «verkiezingen flagger status».
Kunt u een overzicht geven van alle relevante informatie tussen Nederlandse ministeries en de Europese Commissie over het «flaggen», modereren of verwijderen van sociale-mediaberichten met betrekking tot de laatste Kamerverkiezingen?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 2.
Hoeveel sociale-mediaberichten zijn door Nederlandse overheidsinstanties of via samenwerking met Europese instellingen gemarkeerd of «geflagged» bij sociale-mediaplatforms? Bij welke sociale-mediaplatforms zijn deze meldingen gedaan? Hoeveel van die «geflagde» berichten zijn daadwerkelijk door de betreffende sociale-mediaplatforms verwijderd, verborgen, gedeprioriteerd of anderszins beperkt in zichtbaarheid?
Zie de brief aan uw Kamer van 9 januari jl. van mijn ambtsvoorganger met als bijlage het rapport over de inzet van de verkiezingen flagger status.4 Zie ook mijn brief van 4 maart jl. aan uw Kamer met een reactie op vragen van het lid Stöteler (PVV) over de inzet van de flagger status door BZK.5 Hierin is vermeld dat de flagger status tweemaal is ingezet bij de Tweede Kamerverkiezing in 2025. Eenmaal richting X en eenmaal richting Meta.
Op basis van welke criteria of richtlijnen werden berichten «geflagged» of gemeld bij sociale-mediaplatforms, en in hoeveel gevallen ging het bij de gemelde berichten om politieke uitingen, meningen of bijdragen aan het politieke debat?
In het rapport dat op 9 januari jl. met uw Kamer is gedeeld, is te lezen dat het Ministerie van BZK niet kijkt naar en geen uitspraken doet over verkiezingsbeloften of politieke of maatschappelijke uitingen.6 Het Ministerie van BZK zet de verkiezingen flagger status met grote terughoudendheid in en alleen wanneer berichtgeving op sociale media platformen de integriteit van het verkiezingsproces mogelijk in gevaar brengt. Bijvoorbeeld bij berichtgeving over een verkeerde verkiezingsdatum, of feitelijk onjuiste informatie over hoe en waar te stemmen.
Bent u het eens dat het meer dan onwenselijk is dat overheden, Europese instellingen of door hen aangewezen organisaties invloed uitoefenen op de moderatie van politieke content op sociale media, met name in de aanloop naar verkiezingen?
Ik hecht aan een open publiek debat, waar politieke uitingen een essentieel onderdeel van zijn. Er wordt door BZK niet gemodereerd op politieke content, zoals vermeld in het antwoord op vraag 6. Wel vind ik het belangrijk, zoals aangegeven in mijn brief van 4 maart jl. aan uw Kamer, dat platformen hun verantwoordelijkheid nemen voor het beschermen van het publieke debat en het verkiezingsproces onder de Europese digitale wetgeving, en voert het kabinet daarover ook gesprekken met de platformen.7 Het kabinet steunt de Autoriteit Consument en Markt (ACM) en de Europese Commissie volledig in hun toezichthoudende taken.
Deelt u de mening dat de vrijheid van meningsuiting hét fundament van onze vrije samenleving is en moet blijven? Zo ja, hoe borgt u dat? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het van belang dat rekening wordt gehouden met alle toepasselijke grondrechten, waaronder de vrijheid van meningsuiting. Dit blijkt onder meer uit de wijze waarop de Digital Services Act (DSA) is ingericht. Niets in de DSA verplicht platformen ertoe legale content te verwijderen, en overheden krijgen nadrukkelijk geen bevoegdheden om informatie te laten verwijderen.
De brief van meer dan honderd economen over de economische doelmatigheid van de maatwerkafspraken met Tata Steel Nederland |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de open brief van meer dan honderd economen, waaronder ruim tachtig hoogleraren, gepubliceerd op ESB.nu, waarin zij de economische doelmatigheid en effectiviteit van de voorgestelde maatwerkafspraken met Tata Steel Nederland ter discussie stellen?1 Hoe beoordeelt u de daarin geuite kritiek?
Herinnert uw zich uw antwoord op schriftelijke vragen d.d. 2 februari 2026, waarin u stelt dat een maatwerkafspraak de snelste weg is om klimaatwinst en gezondheidswinst voor omwonenden te behalen? Komt u, als u de overwegingen van de economen in de brief betrekt bij deze afweging, tot dezelfde conclusie? Zo ja, kunt u aangeven waar de economen volgens u dan verkeerd redeneren?
Herinnert u zich uw anwoord op schriftelijke vragen d.d. 2 februari 2026, waarin u stelt geen aanleiding te zien de intentieverklaring te beëindigen en de onderhandelingen voort te zetten, onder meer omdat uitstel of afstel zou leiden tot het later of niet optreden van klimaatwinst en gezondheidswinst? Komt u, als u de overwegingen van de economen in de brief betrekt bij deze afweging, tot dezelfde conclusie? Zo ja, kunt u gemotiveerd toelichten waarom?
Erkent u dat Tata Steel Nederland over de periode 2023–2025 gemiddeld circa 157 miljoen euro per jaar operationeel verlies heeft geleden en daarmee structureel onvoldoende winstgevend is? Zo nee, op basis van welke cijfers of analyses komt u tot een andere beoordeling?
Hoe beoordeelt u het risico dat de voorgestelde eenmalige bijdrage van twee miljard euro zich ontwikkelt tot een open-eindverplichting, gezien de structureel zwakke financiële positie van Tata Steel Nederland?
Heeft u kennisgenomen van de stelling van de economen dat een Europese aanbesteding voor waterstofstaal economisch efficiënter is dan een nationale steunoperatie? Hoe kijkt u kabinet tegen een dergelijk Europees aanbestedingsproces, en bent u bereid zich hiervoor in te zetten? Zo nee, waarom niet?
Erkent u dat Tata Steel Nederland, gelet op het feit dat negentig procent van de staalproductie wordt geëxporteerd, geen wezenlijk verschil maakt voor de Nederlandse hoogwaardige maakindustrie en daarmee geen cruciale schakel vormt in een innovatief ecosysteem? Zo nee, op welke onderbouwing baseert u een ander oordeel?
Hoe beoordeelt u de juridische kwetsbaarheid van de maatwerkafspraken, zowel wat betreft de staatssteunrechtelijke verdedigbaarheid als de lopende juridische procedures rondom gezondheidsschade voor omwonenden, en kunt u daarbij ingaan op de stelling van de economen dat publieke middelen worden ingezet zonder het onderliggende gezondheidsprobleem op te lossen?
Hoe ziet u de voorgestelde maatwerkafspraken in het licht van het rapport van de Wetenschappelijke Klimaatraad (2026) dat stelt dat Nederland onvoldoende ruimte heeft om de huidige omvang van de energie-intensieve industrie in stand te houden, en het rapport-Wennink dat het kabinet oproept tot het maken van scherpe keuzes?
Gezien EU-ETS Tata Steel al tot CO2-neutraliteit vóór 2040 verplicht en de maatwerkafspraken sturen op 2045, kunt u aantonen dat de subsidie van twee miljard euro een transitie ondersteunt die aantoonbaar sneller of verder gaat dan waartoe Tata Steel al wettelijk verplicht is? Zo nee, hoe houdt deze staatssteun juridisch stand?
Heeft u kennisgenomen van de stelling van de economen dat de schaarse middelen die worden voorgesteld voor Tata Steel, waaronder technisch geschoolde arbeid, netcapaciteit, duurzame energie en stikstofruimte, doelmatiger kunnen worden ingezet voor innovatieve maakindustrie, netverzwaring en circulaire ketens. Deelt u deze analyse? Zo nee, waarom niet, en kunt u dit per punt uiteenzetten?
Heeft u kennisgenomen van de stelling van de economen dat strategische autonomie behoud van staalproductie in Europa vereist, maar niet specifiek in Nederland? Deelt u deze redenering? Zo nee, op welke gronden meent u dat staalproductie specifiek in Nederland noodzakelijk is voor onze strategische autonomie?
Heeft u kennisgenomen van de stelling van de economen dat afzien van steun aan structureel verliesgevende bedrijven in een economie met schaarste geen politieke keuze maar een economische noodzaak is? Deelt u deze kwalificatie? Zo nee, op welke analyse baseert het de conclusie dat steun aan Tata Steel per saldo welvaartswinst oplevert?
Deelt u de mening dat een nationale steunoperatie Europese coördinatie op basis van comparatief voordeel doorkruist? Zo ja, waarom kiest u hier toch voor in plaats van in te zetten op een Europese aanbesteding?
Gezien de nationale steunoperatie voor Tata Steel bijdraagt aan een Europese subsidierace waarbij lidstaten elkaar overbieden met publieke middelen, zoals Duitsland illustreert met zijn energieprijsplafond, erkent u dat deze wedloop per saldo duurder uitvalt voor Nederland dan wanneer het zou inzetten op Europese samenwerking en coördinatie?
Gezien de schaarse middelen die Nederland tot haar beschikking heeft en het essentiële belang van het steunen van de Nederlandse maakindustrie, erkent het kabinet dan dat de middelen die voor de maatwerkafspraken met Tata Steel worden gebruikt doelmatiger kunnen worden ingezet? Zo nee, kunt u toelichten waarom niet?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en voor het debat over de maatwerkafspraken en/of binnen de geldende termijn beantwoorden?
Het bericht dat Koningin Máxima aanwezig is bij de viering van het 70-jarig jubileum van Oxfam Novib |
|
Gidi Markuszower (PVV), Annelotte Lammers (PVV) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Koningin Máxima op 31 maart 2026 aanwezig zal zijn bij de viering van het 70-jarig jubileum van Oxfam Novib in Den Haag?1
Ja.
Bent u bekend met het feit dat Oxfam Novib Israël, een bondgenoot van Nederland, beschuldigt van «genocide», «apartheid» en een «bezettingsregime», en oproept tot een verbod op handel en investeringen?
Het kabinet is bekend met het standpunt van Oxfam Novib. Ngo’s maken zelfstandig keuzes over hun standpunten en publieke communicatie. Die ruimte is een fundamenteel onderdeel van hun onafhankelijkheid en valt onder de vrijheid van meningsuiting. Het is een democratische verworvenheid dat maatschappelijke organisaties zich kritisch mogen uitlaten over dergelijke kwesties, ook wanneer dat niet in lijn is met het standpunt van het kabinet.
Deelt u de mening dat deze ongefundeerde aantijgingen één-op-één Hamas-propaganda zijn en neerkomen op het delegitimeren van de Joodse staat?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bekend met recente berichtgeving, waar eerder ook schriftelijke vragen over zijn gesteld2, waaruit blijkt dat de terroristische organisatie Hamas een «flinke vinger in de pap heeft» bij organisaties als Oxfam Novib?3
Ja, het kabinet is bekend met deze berichtgeving. Echter, er is geen informatie voorhanden die de aantijgingen van deze berichtgeving of het rapport van NGO Monitor waarin deze aantijgingen worden gedaan, steunt. Partnerorganisaties waar Nederland mee werkt zijn professionele organisaties met een bewezen goede staat van dienst, óók in buitengewoon moeilijke contexten als Gaza waar risico’s nooit volledig uit te bannen zijn. Direct na 7 oktober 2023 heeft er een doorlichting van de Nederlandse en EU-ontwikkelingshulp voor de Palestijnse Gebieden plaatsgevonden. Hieruit is gebleken dat de due diligence-processen, die ervoor waken dat geld niet (in)direct ten goede komt aan terroristische organisaties, op orde zijn. Dat geldt ook voor de genoemde organisaties in het NGO Monitor rapport. Ook zijn er geen signalen naar voren gekomen dat Nederlands of Europees geld terecht is gekomen bij onbedoelde bestemmingen. Bij elke subsidieaanvraag wordt er opnieuw op toegezien dat deze due diligence-processen (nog steeds) op orde zijn. Verder wijst het kabinet ook op bestaande kritiek op de handelwijze van NGO Monitor, zoals benoemd in de beantwoording van eerdere Kamervragen over NGO Monitor en de kabinetsreactie op andere rapporten van NGO Monitor.
Deelt u de mening dat het volstrekt onaanvaardbaar is dat het Koninklijk Huis een jubileum bijwoont van een organisatie die antisemitische propaganda verspreidt, een bondgenoot delegitimeert en aan het koordje van Hamas loopt?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 en 3, maken ngo’s zelfstandig keuzes over hun standpunten en communicatie. Het kabinet heeft daarbij vertrouwen in de betrouwbaarheid en professionaliteit van onze partnerorganisaties. Dit geldt ook voor Oxfam Novib.
Hoe is het bezoek aan deze organisatie te rijmen met de toespraak van de Koning, die zich in 2024 rechtstreeks tot Joodse Nederlanders richtte met de woorden «blijf, wij horen samen», terwijl deze organisatie actief bijdraagt aan een klimaat waarin Joden ons land worden uitgejaagd?4
Dit bezoek staat volledig los van hetgeen Zijne Majesteit de Koning heeft gezegd in 2024. Die oproep geldt overigens nog steeds.
Bent u bereid met het Koninklijk Huis in gesprek te gaan om te voorkomen dat deze aanwezigheid bij het jubileum van Oxfam Novib doorgang vindt?
Het kabinet ziet hier geen enkele reden toe.
Terugvorderingen van de kinderopvangtoeslag |
|
Pieter Grinwis (CU) |
|
Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «gemeente Groningen breidt pilot met gratis kinderopvang uit: veel ouders durven zich niet aan te melden of weten niet hoe»?1
Ja.
Herkent u het signaal uit dit artikel dat ouders terughoudend zijn om gebruik te maken van kinderopvangvoorzieningen, onder meer uit angst voor financiële risico’s en mogelijke terugvorderingen van kinderopvangtoeslag?
Het signaal dat ouders terughoudend zijn in het aanvragen van kinderopvangvoorzieningen uit angst voor terugvorderingen wordt herkend. Dit is helaas een uitwerking van de vormgeving van het toeslagenstelsel. De voorschotsystematiek brengt met zich mee dat er terugvorderingen kunnen ontstaan. Dit komt voor wanneer achteraf blijkt dat gegevens in de toeslagaanvraag niet kloppen. Dit kan bijvoorbeeld gaan om situaties waarin het voorschotinkomen afwijkt van het door de Belastingdienst vastgestelde inkomen of dat niet wordt voldaan aan de arbeidseis. Deze problematiek is een bevestiging dat het toeslagenstelsel beter kan worden vormgegeven. Het kabinet gaat hiermee aan de slag en werkt onder meer aan een wetsvoorstel voor een nieuw financieringsstelsel. Hierbij wordt de kinderopvangtoeslag vervangen door een subsidiestelsel met directe financiering van kinderopvangorganisaties waardoor er geen terugvorderingen meer mogelijk zijn.
Het niet-gebruik van de kinderopvangtoeslag is geschat op 3,4%.2 In 2024 is toeslagen breed een strategie opgesteld om niet-gebruik tegen te gaan, die bestaat uit publiekscampagnes en voor sommige toeslagen individuele attenderingen. Daarnaast worden activiteiten uitgevoerd om terugvorderingen te voorkomen om zo het vertrouwen van burgers te vergroten en het niet-gebruik te verminderen. Er is een succesvolle pilot afgerond die ziet op het muteren van het aantal uren opvang waarvoor de toeslag is aangevraagd. Hierbij wordt de aanvraag ambtshalve gemuteerd wanneer uit betrouwbare gegevens van de kinderopvangorganisatie blijkt dat het aantal door de ouder opgegeven uren niet klopt. De evaluatie van deze pilot laat een positief beeld zien en de Dienst Toeslagen werkt aan een vervolg op deze pilot.3
Indien mensen niet voldoen aan de arbeidseis kunnen zij worden doorverwezen naar gemeenten voor een Sociaal Medische Indicatie (SMI). Ouders die niet voldoen aan de arbeidseis, maar waarbij sprake is van sociaal-medische problematiek kunnen zo toch via individueel maatwerk een vergoeding voor kinderopvang ontvangen. Gemeenten hebben vrijheid om beleidsmatige invulling te geven aan SMI.
Klopt het dat huishoudens bij het aanvragen van kinderopvangtoeslag moeten aangeven dat zij voldoen aan de arbeidseis, terwijl controle hierop vaak pas achteraf plaatsvindt?
Bij een aanvraag kinderopvangtoeslag dient de aanvrager aan te geven of wordt voldaan aan de arbeidseis. Bij het recht op kinderopvangtoeslag is het verrichten van betaald werk voorwaardelijk, dat geldt voor zowel aanvrager als een eventuele toeslagpartner. Bij een aanvraag voor kinderopvangtoeslag wordt vooraf uitgevraagd of sprake is van betaald werk of dat de ouder aangemerkt kan worden als doelgroeper. Als doelgroeper wordt aangemerkt een ouder die een traject gericht op arbeidsinschakeling volgt, een inburgeringstraject volgt of studeert. Ook bestaat er recht op kinderopvangtoeslag als de toeslagpartner in bepaalde gevallen niet kan werken, zoals bij een tijdelijke of permanente Wlz-indicatie.
Controle op de arbeidseis vindt in de regel achteraf plaats bij het definitief toekennen van de toeslag. Op dat moment wordt gecontroleerd of sprake is van betaalde arbeid of dat de aanvrager (of toeslagpartner) kan worden aangemerkt als doelgroeper. Daarnaast geldt dat in sommige gevallen ook in de voorschotfase op de arbeidseis wordt gecontroleerd. Dat gebeurt wanneer een aanvraag uitvalt voor handmatige behandeling. Bij zo’n handmatige behandeling wordt ook gecontroleerd op de arbeidseis.
Daarnaast zijn in de afgelopen jaren binnen het Verbetertraject Kinderopvangtoeslag door Dienst Toeslagen, het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en het Ministerie van Financiën stappen gezet om de terugvorderingsproblematiek rond de arbeidseis aan te pakken. Als onderdeel van dit verbetertraject is bijvoorbeeld vroegsignalering ingevoerd. Ouders worden gestimuleerd en ondersteund bij het tijdig doorgeven van wijzigingen in hun toeslagaanvraag. Aandacht is daarbij ook voor de arbeidseis. Op basis van gegevens van UWV, DUO en BIDN4 ontvangen ouders een attendering indien zij niet voldoen aan de arbeidseis of niet tot een doelgroep behoren. Zo werden in 2024 ongeveer 1.000 ouders geattendeerd op het niet voldoen aan de arbeidseis en ongeveer 2.700 ouders over de doelgroepstatus. Een deel van de ouders kwam naar aanleiding van deze attendering in actie en voerde een wijziging door in de gegevens.5 Daarmee werden terugvorderingen voorkomen. Tegelijkertijd bleek ook dat niet alle ouders in actie kwamen na een attendering. Het kabinet blijft de komende jaren inzetten op het verbeteren van ondersteuning van ouders bij het actueel houden van hun gegevens.6
Deelt u de zorg dat wanneer achteraf blijkt dat niet aan de arbeidseis is voldaan, dit kan leiden tot forse terugvorderingen, die gezinnen in financiële problemen kunnen brengen?
De zorg dat terugvorderingen van kinderopvangtoeslag die zien op de arbeidseis grote financiële gevolgen kunnen hebben wordt gedeeld. De arbeidseis is namelijk een alles-of-niets voorwaarde. Daarnaast zijn de voorschotbedragen van de kinderopvangtoeslag hoger dan bij de andere toeslagen. Op het moment dat achteraf blijkt dat één van de toeslagpartners niet voldoet aan de arbeidseis moet het gehele toeslagbedrag worden teruggevorderd. Over een heel jaar kan dat om tienduizenden euro’s gaan.
Dienst Toeslagen biedt betalingsregelingen aan wanneer de terugvordering niet in één keer kan worden voldaan, waarna een 24-maanden terugbetaalperiode start. Als dat niet mogelijk is, biedt Dienst Toeslagen ook persoonlijke begeleiding aan. Mensen met hoge terugvorderingen worden daarbij door Dienst Toeslagen langdurig geholpen met een betalingsregeling en een vast aanspreekpunt. De burger wordt daarnaast aan de voorkant zo goed mogelijk geïnformeerd over de vereiste van arbeid, zodat mensen niet onterecht een aanvraag doen.
In het voorstel voor het nieuwe financieringsstelsel voor de kinderopvang is de arbeidseis zo vormgegeven dat terugvorderingen als gevolg van de arbeidseis niet meer voorkomen. Als er iets wijzigt in de situatie van ouders heeft dat in het nieuwe financieringsstelsel altijd alleen «naar de toekomst toe» gevolgen voor hun recht op gesubsidieerde kinderopvang. Dit betekent bijvoorbeeld dat als een ouder niet meer voldoet aan de arbeidseis, de subsidie die aan de houder van het
kindercentrum of het gastouderbureau wordt uitbetaald alleen vanaf een datum in de toekomst stopgezet zal worden. De al ontvangen subsidie hoeft in deze situatie niet terugbetaald te worden.7
Kunt u aangeven hoeveel terugvorderingen van kinderopvangtoeslag er per jaar zijn geweest vanwege het niet voldoen aan de arbeidseis sinds de invoering van deze eis, uitgesplitst naar het jaar waarin gebruik is gemaakt van de kinderopvang?
In tabel 1 treft u de gevraagde cijfers over de terugvordering van kinderopvangtoeslag waarbij (onvoldoende) arbeidseis een aanleiding is geweest. Hierbij zijn een paar opmerkingen te maken. Sinds de invoering van de kinderopvangtoeslag is er sprake van een arbeidseis. In 2012 is daar de koppeling aan het aantal gewerkte uren (kgu) aan toegevoegd, waardoor het aantal gewerkte uren van invloed was op het aantal uren waarvoor aanspraak gemaakt kon worden op kinderopvangtoeslag. In 2023 is deze kgu weer afgeschaft. De reden voor het afschaffen was om ervoor te zorgen dat ouders beter hun gewenste urengebruik kunnen realiseren, waardoor zij effectiever worden ondersteund en gestimuleerd om (meer uren) te gaan werken. Het zorgde tegelijkertijd voor een vereenvoudiging van de systematiek voor ouders. In tabel 1 zijn vanaf 2012 de gevraagd cijfers weergegeven van terugvorderingen die ontstaan zijn als gevolg van het niet voldoen aan beide criteria.8 Voor wat betreft de gevraagde minimale terugvordering en standaarddeviatie is in tabel 2 een verdeling naar vijf klassen weergegeven van de jaarlijkse terugvorderingen om inzicht te geven in de hoogte en spreiding.
Uit de cijfers blijkt dat het bij terugvorderingen voor de arbeidseis in de praktijk om (zeer) hoge bedragen kan gaan. In 2024 was de gemiddelde terugvordering als gevolg van de arbeidseis bijvoorbeeld € 6.772. De maximale terugvordering betrof bijna € 53.000. Deze cijfers tonen de soms harde uitwerking van de voorschotsystematiek van de kinderopvangtoeslag. Vooral bij financieel kwetsbare ouders heeft dit veel impact op het leven. Zoals in het antwoord op vraag 4 aangegeven kunnen ze naast de standaardbetalingsregeling van 24 maanden ook in aanmerking komen voor maatwerk. De omvang van deze terugvorderingen benadrukt het belang van het herzien van het financieringsstelsel voor de kinderopvang. Het kabinet blijft daarom vol inzetten op een eenvoudiger stelsel voor ouders, met meer (financiële) zekerheid waarin terugvorderingen niet meer voorkomen. In de jaren in aanloop naar dit nieuwe stelsel wordt ingezet op vroegsignalering (zie hiervoor ook het antwoord op vraag 3) en een betere dienstverlening aan ouders om hoge terugvordering zoveel mogelijk te voorkomen.
2012
1.161
5,2
28.218
4.479
2013
2.563
8,9
32.553
3.472
2014
3.320
9,9
34.177
2.982
2015
10.380
18,8
32.509
1.811
2016
6.745
12,9
27.499
1.913
2017
1.978
4,9
29.205
2.477
2018
1.179
2,6
20.876
2.205
2019
454
1,5
21.066
3.304
2020
413
1,8
61.581
4.358
2021
345
1,5
31.100
4.348
2022
809
6
64.876
7.417
2023
541
3,8
67.877
7.024
2024
443
3
52.699
6.772
2012
1.161
11
61
91
638
360
2013
2.563
38
309
349
1.256
611
2014
3.320
57
447
554
1.693
569
2015
10.380
439
2.410
2.132
4.605
794
2016
6.745
186
1.571
1.447
2.952
589
2017
1.978
29
267
294
1.176
212
2018
1.179
26
271
241
490
151
2019
454
7
52
73
230
92
2020
413
8
58
47
177
123
2021
345
2
45
37
158
103
2022
809
8
51
67
252
431
2023
541
9
39
47
195
251
2024
443
6
48
48
143
198
Kunt u daarbij inzicht geven in de totale omvang van deze terugvorderingen per jaar?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u tevens inzicht geven in de verdeling van de hoogte van deze terugvorderingen door in elk geval per jaar het gemiddelde, het minimum, het maximum en de standaarddeviatie van de teruggevorderde bedragen te verstrekken?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bekend met de berichtgeving van GeenStijl waaruit blijkt dat de Turkse diplomaat Ömer Özgül een centrale rol speelt binnen de Islamitische Stichting Nederland (ISN), terwijl ISN stelt een zelfstandige en onafhankelijke organisatie te zijn?
Kunt u bevestigen dat de heer Özgül, als officieel religieus attaché van de Turkse ambassade, regelmatig aanwezig is in het pand van ISN en ook meereist met ISN-delegaties naar het buitenland, waaronder naar Ankara?
Hoe verhoudt de aanwezigheid van een Turkse diplomaat als feitelijk leidinggevende binnen ISN zich tot de belofte die ISN in 2020 aan de Kamer deed om de Turkse diplomatieke invloed uit de organisatie te weren?
Waarom heeft het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid via het Kennisplatform Inclusief Samenleven samengewerkt met en subsidie verstrekt aan een stichting die zo nauw verbonden blijkt te zijn met de Turkse staat?
Bent u het eens dat financiering van onderzoek door een stichting die onder invloed staat van een buitenlandse mogendheid de objectiviteit en betrouwbaarheid van dat onderzoek ernstig ondermijnt?
Welke due diligence heeft u uitgevoerd alvorens samen te werken met ISN, en waarom is de bekende voorgeschiedenis van Turkse inmenging daarin niet meegewogen?
Bent u bereid alle subsidierelaties met ISN en de ISN Academie per direct op te schorten totdat volledige helderheid bestaat over de mate van Turkse staatsinvloed binnen deze organisatie?
Bent u bereid de AIVD (Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst) te vragen een actueel dreigingsbeeld op te stellen over de rol van de Turkse Diyanet en daaraan gelieerde organisaties in Nederland, en de Kamer daarover te informeren?
Bent u bereid de diplomatieke status van de heer Özgül opnieuw te beoordelen in het licht van zijn activiteiten buiten de ambassade, en zo nodig stappen te ondernemen richting de Turkse ambassade?
Het artikel 'Von der Leyen: ‘Europese afbouw kernenergie was strategische fout’' |
|
Henk Jumelet (CDA), Alisha Müller (VVD) |
|
de Bat , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Hoe apprecieert u het krantenartikel «Von der Leyen: «Europese afbouw kernenergie was strategische fout»»?1 Deelt u de mening van Von der Leyen dat het een strategische fout is geweest van Europese landen om kernenergie de rug toe te keren omdat het Europa kwetsbaarder heeft gemaakt voor hoge energieprijzen en afhankelijkheid van energie-import?
Het kabinet deelt de analyse over het belang van een robuuste, betaalbare en onafhankelijke energievoorziening in Europa. Deze vermindert onze kwetsbaarheid voor prijsvolatiliteit en geopolitieke risico’s. Keuzes omtrent energie – en daarmee de keuze voor kernenergie in de energiemix – zijn een nationale bevoegdheid. Het kabinet verwelkomt dan ook het stevige signaal van Commissievoorzitter Von der Leyen dat de grotere rol erkent die kernenergie in de toekomst zal spelen in de energiemix, in Europese lidstaten waaronder Nederland, om zo een bijdrage te leveren aan het behalen van Europese strategische doelstellingen.
Heeft u er kennis van genomen dat de Europese Commissie (EC) heeft aangekondigd voor 200 miljoen euro aan garanties beschikbaar te stellen voor investeringen in innovatieve kerntechnologieën, waaronder small modular reactors (SMR’s)? Hoe gaat u ervoor zorgen dat Nederlandse bedrijven, kennisinstellingen en projecten maximaal gebruik kunnen maken van deze middelen?
Zoals beschreven in de Kamerbrief van 16 juni 20252, werkt het kabinet aan het versterken van het nucleaire ecosysteem via kennisopbouw, netwerkontwikkeling en concrete activiteiten op drie samenhangende terreinen:
Op deze manier zorgt het kabinet ervoor dat kennis- en onderzoeksorganisaties, onderwijsinstellingen en bedrijven kunnen aansluiten bij de bouw van nieuwe kerncentrales in Nederland (inclusief SMR’s) en waar mogelijk internationale mogelijkheden kunnen benutten, waaronder een rol als exporteur van nucleaire technologie, kennis en diensten.
Ook de Europese Commissie is bezig met het vormgeven van de ondersteuning van innovatieve kerntechnologieën. Een voorbeeld hiervan is de genoemde € 200 miljoen aan garanties voor innovatieve nucleaire technologieën die onlangs door de Europese Commissie is aangekondigd en wordt toegevoegd aan het Europese InvestEU-fonds. Projecten kunnen hierop aanspraak maken via de Europese Investeringsbank; kleinere projecten in Nederland kunnen hierop via InvestNL aanspraak maken. Als onderdeel van het MMIP Kernenergie ondersteunt RVO Nederlandse partijen die SMR's willen ontwikkelen hierbij, zoals dat ook gebeurt bij het EU Innovatiefonds en andere EU-programma's.
Voor de zomer zal de Kamer nader per brief over de nationale aanpak voor de versterking van het nucleaire ecosysteem worden geïnformeerd.
Heeft u er kennis van genomen dat de EC de regels tevens wil versimpelen zodat nieuwe nucleaire technologieën sneller getest en opgeschaald kunnen worden? Welke nationale regels en/of procedures vormen momenteel de grootste belemmeringen in Nederland?
Nederland heeft een zorgvuldig doordacht kader voor de bouw en inpassing van kerncentrales. Dit kader is gericht op veiligheid, participatie en het waarborgen van een goede ruimtelijke inpassing en biedt ruimte voor innovatieve technologieën. De handreiking voor het Veilig Ontwerp en veilig Bedrijven van Kernreactoren (VOBK) is afgelopen jaar door de ANVS geactualiseerd, met als voornaamste stappen het beter harmoniseren met internationale richtlijnen en het toepasbaar maken op meer innovatieve technieken. Dit is behulpzaam voor SMR’s en internationale techniekleveranciers.
Het kabinet verwelkomt daarnaast de aanpassingen van het EU staatssteunkader3 dat lidstaten meer ruimte geeft om nationale industrieën financieel te ondersteunen bij energie- en duurzaamheidsinvesteringen.
Hoe verlopen de gesprekken met bedrijven die geïnteresseerd zijn in de ontwikkeling of bouw van SMR’s in Nederland? Hoe kan de rol van de overheid bij het faciliteren van deze projecten worden versterkt?
Het kabinet is in contact met ontwikkelaars en partijen die geïnteresseerd zijn in de bouw van SMR's en heeft eerder in kaart gebracht wat zij nodig hebben voor verdere ontwikkeling. Naar aanleiding van deze gesprekken is het kabinet tot de conclusie gekomen dat ondersteuning op dit moment vooral gewenst is voor vroege haalbaarheidsstudies of vergunbaarheidsanalyses. Het kabinet zal met de SMR-strategie tot € 20 miljoen beschikbaar maken voor concrete initiatieven om hiermee de haalbaarheidsstudies en vergunbaarheidsanalyses te ondersteunen. Het kabinet is blijvend in gesprek met bedrijven en zal een marktconsultatie starten om inzicht te krijgen in de huidige status van initiatieven in Nederland om hiermee het financieringsinstrument (voor de genoemde € 20 miljoen) in te kunnen richten. Aanvullend verkent de marktconsultatie financieringsmogelijkheden voor latere fasen van private SMR-projecten, zoals bouw en exploitatie.
Wat kan het kabinet doen om de realisatie van nieuwe kerncentrales in Nederland verder te versnellen?
Het kabinet heeft voortdurend de mogelijkheden voor versnelling voor ogen, uiteraard met inachtneming van de risico's en kosten die hiermee gemoeid zijn. In de voortgangsbrief nieuwbouw kernenergie van mei en oktober4 jl. is ingegaan op versnellingsopties. Het kabinet zal u voor de zomer een volgende voortgangsbrief sturen.
Hoe zorgt het kabinet ervoor dat Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen maximaal kunnen profiteren van de bouw van de nieuwe kerncentrales in Nederland, bijvoorbeeld via betrokkenheid in de toeleveringsketen en kennisontwikkeling?
Zie het antwoord op vraag 2.
Hoe bereidt het kabinet Nederland voor op een mogelijke rol als exporteur van nucleaire technologie, kennis en diensten?
Zie het antwoord op vraag 2.
Hoe gaat Nederland zich in Europees verband inzetten om de ontwikkeling van kernenergie en innovatieve nucleaire technologieën verder te versnellen, zodat Europa minder afhankelijk wordt van fossiele energie-importen?
Nederland zet zich al geruime tijd in voor de ontwikkeling van kernenergie en SMR's binnen de Europese Unie. Nederland heeft een actieve rol binnen de Nucleaire Alliantie en binnen de SMR Industriële Alliantie. Daarnaast heeft het kabinet bilateraal contact met verschillende landen in Europa om synergiën op te zoeken. Het kabinet blijft zich binnen en buiten de genoemde gremia inzetten voor het ondersteunen en versnellen van de uitrol van kernenergie.
Het bericht 'Jonge mensen met psychische problemen overlijden in hospice door stoppen met eten en drinken: 'Heel erg zorgelijk'' |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Jonge mensen met psychische problemen overlijden in hospice door stoppen met eten en drinken: «Heel erg zorgelijk»»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Herkent u het beeld dat in de uitzending wordt geschetst, namelijk een toename onder jonge mensen met psychische problemen die de keuze maken om te overlijden door te stoppen met eten en drinken?
Er is in Nederland niet een organisatie die cijfers bijhoudt hoe vaak jonge mensen met psychische klachten overlijden door te stoppen met eten en drinken. Hoewel ik bekend ben met de berichten in de media, kan ik niet op basis van cijfers staven of sprake is van een toename onder jonge mensen met psychische klachten die stoppen met eten en drinken.
Worden er cijfers bijgehouden over het aantal mensen in Nederland dat overlijdt door te stoppen met eten en drinken? Zo ja, kunt u dit uitsplitsen naar aantallen per jaar, leeftijd en ziektebeeld? Zo nee, waarom worden die cijfers niet bijgehouden?
In de KNMG-handreiking Zorg voor mensen die stoppen met eten en drinken om het levenseinde te bespoedigen (januari 2024)2 wordt verwezen naar twee onderzoeken uit 2007 en 2015. In deze onderzoeken komt naar voren dat het in 0,5–1,7% van alle sterfgevallen in Nederland mensen betreft die bewust stopten met eten en drinken. Het ging daarbij soms om mensen met een doodswens van wie het euthanasieverzoek was afgewezen, maar ook om mensen die principiële of emotionele bezwaren hadden tegen euthanasie, of de arts daarmee niet wilden belasten. Anderen vonden dat het hun eigen verantwoordelijkheid was om een zelfgekozen levenseinde te realiseren. In 19 tot 45% van de gevallen waarin mensen bewust stoppen met eten en drinken is sprake van een afgewezen of niet uitgevoerd euthanasieverzoek. Als een wilsbekwame patiënt bewust besluit om te stoppen met eten en drinken, moet de zorgverlener het besluit van de patiënt en daarmee de autonomie van de patiënt respecteren, ongeacht of daarbij sprake is van een eerder afgewezen of niet uitgevoerd euthanasieverzoek.
Uit recent onderzoek naar euthanasieverzoeken vanwege psychisch lijden onder jonge mensen (<24 jaar) blijkt dat bij twee van de in totaal 353 hulpvragers het euthanasietraject bij Expertisecentrum Euthanasie eindigde door te stoppen met eten en drinken, ofwel in ca. 0,5% van de gevallen3.
Uit een eerder dossieronderzoek van Expertisecentrum Euthanasie (EE) naar de achtergronden en het verloop van euthanasieverzoeken op grond van psychiatrisch lijden bij EE van 1.308 patiënten in de periode 2012–2018 is gebleken dat acht hulpvragers stopten met eten en drinken op een totaal aantal van 267 geregistreerde sterfgevallen4.
Bent u bekend met signalen dat hospices van jongvolwassenen met psychische problemen het verzoek krijgen om daar te mogen overlijden door middel van versterving? Klopt het dat het aantal verzoeken toeneemt?
De hospices waarover het in het bericht gaat wensen anoniem te blijven. Dat bemoeilijkt het geven van een reactie. Wel heb ik via de koepelorganisatie Vrijwilligers Palliatieve Terminale Zorg Nederland (VPTZ) meer vernomen over de achtergrond van deze situatie. Zij hebben contact gehad met het hospice waar drie van de vier jongvolwassenen zijn opgenomen die tot nu toe bekend zijn. Het hospice heeft aangegeven dat zij deze jongvolwassenen vanuit betrokkenheid heeft ondersteund. Tegelijkertijd ziet het hospice in dat jongvolwassenen met dergelijke problematiek eerder in het zorgtraject passende hulp en begeleiding zouden moeten kunnen krijgen, zodat zij niet bij een hospice hoeven aan te kloppen. Het hospice heeft toegezegd in de toekomst geen jongvolwassenen onder de 25 jaar met psychische problematiek en een Bewust Stoppen met Eten en Drinken-wens (BSTED-wens) meer op te nemen.
Ik acht het van belang dat hospices zich richten op hun kerntaak: het bieden van palliatieve terminale zorg aan mensen in de laatste levensfase (mensen met een levensverwachting van maximaal drie maanden). Daarbij past niet dat jongvolwassenen met psychische problematiek en een BSTED-wens worden opgenomen. Hospicezorg is niet passend voor deze jongvolwassenen. Ik ga er dan ook van uit dat hospices in dergelijke situaties geen opname zullen bieden en dat deze jongvolwassenen elders passende ondersteuning en zorg krijgen. In het antwoord op vraag 7 en 8 ga ik in op afspraken, in het kader van het IZA en AZWA, die ertoe moeten leiden dat de toegankelijkheid van de ggz verbetert, zeker voor (jonge) mensen met complexe problematiek.
Weet u ook wat de reden is? Kan het te maken hebben met de wachtlijsten bij de Levenseindekliniek?
Zoals in het betreffende bericht wordt aangegeven worden in besloten Facebook-groepen «tips» uitgewisseld over wat je kunt doen als een euthanasieverzoek is afgewezen of als je een euthanasietraject te lang vindt duren. In die groepen laten mensen elkaar weten dat stoppen met eten en drinken een alternatief is en ze zeggen daarbij dat je dat in een hospice vrijwillig kunt doen.
Bij EE is niet bekend of de reden dat jongvolwassenen voor deze optie kiezen te maken kan hebben met een afgewezen euthanasieverzoek of omdat zij een euthanasietraject te lang vinden duren. EE houdt hierover geen gegevens bij.
Welke regels en richtlijnen zijn er voor hospices bij verzoeken tot versterving? Kunnen deze regels per hospice verschillen?
Patiënten kunnen na verwijzing door een arts, waarbij sprake is van een levensverwachting van maximaal 3 maanden, worden opgenomen in een hospice. Voor opname wordt een zorgvuldig proces doorlopen, samen met de patiënt, naasten en de behandelend arts. Het beleid rond bewust stoppen met eten en drinken bij hospices is afhankelijk van de signatuur en het beleid van de individuele hospices maar beweegt zich strikt binnen de kaders van de Zorgverzekeringswet en de overeenkomsten met zorgverzekeraars. Ik verwijs hiervoor ook naar de reactie op het bericht van koepelorganisatie Associatie Hospicezorg Nederland (AHzN)5.
Deelt u de mening dat het schrijnend is dat jongvolwassenen uitkomen op de optie versterving omdat zij onvoldoende psychische hulp krijgen of kunnen vinden voor hun problematiek?
Ik vind het beeld uit de rapportage erg zorgelijk en pijnlijk. Helemaal omdat het over jongvolwassenen gaat. Niet meer willen leven zegt iets over hoe ernstig iemands lijdensdruk is. Het is daarom des te belangrijker dat (jonge) mensen tijdig passende zorg en ondersteuning krijgen, die echt aansluit bij hun problematiek en zorgvraag. Het kabinet zet zich er stevig voor in dat de toegankelijkheid van de ggz verbetert, zeker voor mensen die kampen met ernstige en/of complexe problematiek. Zo zijn in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) onder meer afspraken gemaakt over het vergroten van de behandelcapaciteit voor patiënten met een complexe zorgvraag en het schrappen van exclusiecriteria in de ggz. Ook gaat het kabinet aan de slag met het hervormen van de financiering en organisatie van de ggz, zodat er capaciteit in menskracht en budget komt voor complexe zorg. Bij de uitwerking hiervan zal het kabinet de probleemanalyse en beleidsopties uit het interdepartementaal beleidsonderzoek (IBO) Mentale gezondheid en ggz betrekken. Zoals door de Minister van VWS bij de begrotingsbehandeling toegezegd, volgt voor de begrotingsbehandeling 2027 een kabinetsreactie op het IBO.
Zo ja, erkent u ook dat dit het gevolg is van jarenlang onvoldoende prioriteit geven aan het verbeteren van de ggz?
Nee. Al jaren wordt er gewerkt aan het vergroten van de toegankelijkheid van de ggz. Zo is het terugdringen van de wachttijden in de ggz één van de doelen uit het Integraal Zorgakkoord (IZA). In het AZWA hebben partijen aanvullende afspraken gemaakt die ertoe moeten leiden dat de toegankelijkheid van de ggz verbetert, zeker voor patiënten met complexe zorgvraag. Het gaat onder meer om afspraken over het verbeteren van de samenwerking tussen zorg en sociaal domein, het vergroten van behandelcapaciteit voor patiënten met een complexe zorgvraag, het realiseren van proactieve zorgbemiddeling en het schrappen van exclusiecriteria.
Zoals ik aangaf bij het antwoord op vraag 7 gaat het kabinet aanvullend hierop aan de slag met het hervormen van de financiering en organisatie van de ggz, zodat er capaciteit in menskracht en budget komt voor complexe zorg.
Met welke concrete maatregelen gaat u ervoor zorgen dat specifiek deze groep jongvolwassenen wél de passende specialistische ggz hulp krijgen die zij verdienen?
Het is belangrijk dat (jonge) mensen met psychische problematiek tijdig passende ondersteuning en/of zorg krijgen. Zoals geschetst bij het antwoord op vraag 7 en 8 zijn in het IZA en AZWA afspraken gemaakt die ertoe moeten leiden dat de toegankelijkheid van de ggz verbetert, zeker voor mensen met complexe problematiek. Aanvullend hierop zal het kabinet aan de slag gaan met het hervormen van de financiering en organisatie van de ggz, zodat er capaciteit in menskracht en budget komt voor complexe zorg.
Het is belangrijk dat in de spreekkamer het lijden en de doodswens onderwerp van gesprek zijn, zodat hier door zorgprofessionals passend naar gehandeld kan worden. Behandelaren volgen hierbij richtlijnen en zorgstandaarden. Het is aan het veld om te oordelen over de effectiviteit van behandelingen en op basis daarvan richtlijnen eventueel aan te passen.
De impact van de EU Methane Emissions Regulation op de leveringszekerheid van aardgas |
|
Henk Jumelet (CDA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «EU Methane Emissions Regulation – Analysis of Market Impacts»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u, mede in het licht van de huidige instabiele geopolitieke situatie en het belang van leveringszekerheid, de bevindingen uit het rapport dat door de importvereisten volgend uit de Europese Methane Regulation vanaf 2027 mogelijk tot 43% van de huidige gasimport van de EU (circa 114 bcm) en 87% van de ruwe olie niet meer aan de regelgeving voldoet en daarmee niet geïmporteerd kan worden?
Ik neem deze zorgen serieus en ik ben hierover in gesprek met de Europese Commissie, andere lidstaten, marktpartijen en toezichthouders. Uiteraard onderschrijf ik daarbij het belang van voorzieningszekerheid en is het van het grootste belang dat Nederland genoeg gas en olie heeft om in de behoefte van onze huishoudens en bedrijven te voorzien, ook aangezien tijdens de transitie deze nog geruime tijd essentieel zijn.
Hoe beoordeelt u het risico dat deze regelgeving daardoor zal leiden tot een aanbodtekort aan aardgas in Europa, aangezien het rapport concludeert dat de hoeveelheid gas die aan de EU-eisen voldoet mogelijk lager is dan de Europese vraag vanaf 2027?
De methaanverordening bevat geen importbeperking, maar het valt niet uit te sluiten dat de gestelde rapportage- en onderzoeksverplichtingen een beperkend effect kunnen hebben. Dit risico wordt op Europees niveau aangekaart, aangezien de eisen die volgen uit de verordening en een eventuele oplossing dus ook op dat niveau gezocht moet worden.
Overigens kent de verordening een clausule die het risico op een aanbodtekort reeds zou kunnen mitigeren. De verordening bepaalt namelijk dat bevoegde instanties bepaalde sancties alleen kunnen opleggen bij overtreding van bepaalde artikelen, waaronder deze importverplichtingen, als die de energievoorzieningszekerheid niet in gevaar brengen.2
Deelt u de zorg uit het rapport dat een door regelgeving veroorzaakt aanbodtekort kan leiden tot sterk stijgende gasprijzen en mogelijke vraagvernietiging, met gevolgen voor huishoudens, elektriciteitsproductie en energie-intensieve industrieën?
De verordening kent een clausule die het risico op een aanbodtekort kan mitigeren, zoals ik ook bij het antwoord op vraag 3 heb aangegeven.
De verordening erkent verder dat de naleving van de verplichtingen uit deze verordening waarschijnlijk investeringen vereist. De verordening bepaalt echter ook dat de noodzakelijke kosten hiervoor geen disproportionele financiële last voor eindgebruikers en consumenten mogen meebrengen.3
De kosten van de verordening moeten daarbij worden afgewogen tegen de baten. Het recent gepubliceerde rapport, waar in vraag 1 naar wordt verwezen, laat de potentiële klimaatwinst zien die behaald kan worden door de inzet op methaanreductie wereldwijd, zolang de vraag naar olie, aardgas en steenkolen nodig blijft in de transitie naar schone energie. Methaan is één van de krachtigste broeikasgassen. De methaanverordening is één van de maatregelen van het Fit for 55-wetgevingspakket om de Europese reductiedoelstellingen van broeikasgasemissies in de energiesector tot stand te brengen.
Welke mogelijkheden ziet het u om bij de verdere implementatie van de Europese Methaanverordening te voorkomen dat de leveringszekerheid van aardgas in gevaar komt, bijvoorbeeld door aanpassingen in de eisen rond monitoring, rapportage en verificatie voor importeurs? In hoeverre zijn dergelijke aanpassingen volgens u wenselijk en mogelijk?
De eisen rond monitoring, rapportage en verificatie voor importeurs volgen rechtstreeks uit de Europese verordening. Aanpassing van deze eisen is op nationaal niveau niet mogelijk. Voor het volledige antwoord op deze vraag verwijs ik verder naar het antwoord op vraag 6.
In hoeverre en onder welke voorwaarden bent u bereid zich in Europees verband in te zetten voor een pragmatische implementatie of gerichte aanpassing van de regelgeving, zoals in het rapport wordt voorgesteld, om verstoringen van de Europese gas- en olievoorziening te voorkomen?
Ik zet mij hier reeds voor in. De eisen zijn zoals hiervoor aangegeven opgenomen in de Europese methaanverordening en daar moet ook de oplossing in worden gezocht. Uw Kamer is op 18 februari jl. door mijn voorganger over de implementatie van de verordening en de aandachtspunten hierbij geïnformeerd4. Deze aandachtspunten zien ook op de monitoring-, rapportage- en verificatiemaatregelen die per 1 januari 2027 ingaan. Nederland wijst in de gesprekken met de Europese Commissie voortdurend op knelpunten die worden ervaren bij de uitvoering van de verordening en zoekt daarbij samen met de Commissie ook naar praktische oplossingen. Een brede groep landen deelt deze zorgen. Het kabinet is hierover eveneens in gesprek met het bedrijfsleven en toezichthouders.
Eventuele aanpassing van de regelgeving is niet aan een lidstaat en dus ook niet aan het kabinet. Daarover moet de Europese Commissie zich een oordeel over vormen. Gezien de huidige situatie in het Midden-Oosten zijn de knelpunten die zich voordoen bij de implementatie van de methaanverordening nog urgenter geworden. Ik breng deze knelpunten daarom opnieuw onder de aandacht van de Commissie met de vraag om een oplossing die rekening houdt met de geuite zorgen en de recente ontwikkelingen.
De brief van 117 economen betreffende de economische beoordeling maatwerkafspraken met Tata Steel Nederland |
|
Ines Kostić (PvdD), Christine Teunissen (PvdD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend de brief van 117 economen, waaronder 80 hoogleraren, betreffende de economische beoordeling maatwerkafspraken met Tata Steel Nederland?1
Ja.
Deelt u de mening van de 117 economen dat de businesscase voor staalproductie in Nederland ontbreekt en dat zonder structurele winstgevendheid Tata Steel opnieuw om publieke steun zal vragen? Zo nee, kunt u toelichten op welke wetenschappelijke bronnen u dit standpunt baseert?
Nee. Het doel van de maatwerkafspraak met Tata Steel is juist ook, naast de versnelde realisatie van schonere en groenere staalproductie in de IJmond, juist ook om een duurzaam verdienmodel te realiseren. Er moet zicht zijn op winstgevendheid van de onderneming, voordat een eventuele subsidie toegekend wordt. Daarbij is bij de maatwerkaanpak sprake van een wederkerig traject: het gaat om een grote investering van Tata Steel Nederland (TSN) en moederbedrijf Tata Steel Limited (TSL) zelf in de verduurzaming en het schoner maken van de productie, ondersteund vanuit de staat. Het bedrijf en moederbedrijf zullen niet investeren zonder zicht op een lange termijn verdienmodel.
De businesscase van het bedrijf doorlopend uitvoerig getoetst door de staat, de financieel adviseur van de staat en de Europese Commissie (EC).2 Naast de beleidsmatige toets of het verantwoord is om steun te verlenen aan een specifiek bedrijf zijn er ook strenge voorwaarden verbonden aan een subsidie die verleend wordt door de overheid. Zo geldt op basis van de Europese regels voor staatssteun voor verduurzaming dat steun niet ingezet mag worden om een verlieslatend bedrijf overeind te houden. De EC toetst hier op. Verder biedt de maatwerkafspraak ook de mogelijkheid voor de overheid om afspraken te maken over de beheersing van mogelijke risico’s, wat bij de huidige uitwerking van de maatwerkafspraak de aandacht heeft.
Deelt u de mening van de 117 economen dat wanneer het geld in Tata Steel wordt gestoken, er een reel risico is dat dit publieke geld verloren zal gaan omdat Tata Steel onvoldoende winstgevendheid heeft? Zo nee, kunt u toegelichten op welke wetenschappelijke bronnen u dit standpunt baseert?
Zoals in het antwoord op de vorige vraag is aangeven, wordt de businesscase uitvoerig getoetst door de staat, de financieel adviseur van de staat en de EC. Uitgangspunt hierbij is dat er zicht moet zijn op winstgevendheid van de onderneming, voordat een eventuele subsidie toegekend wordt. Daarbij zijn het bedrijf en moederbedrijf zelf ook voornemens een grote investering te doen. Dit geeft vertrouwen dat er ook na de transitie een winstgevende onderneming bestaat.
Het kabinet erkent dat er aan elke grote investering risico’s verbonden zijn. Als de investering risicovrij zou zijn, was steun vanuit de staat waarschijnlijk niet nodig geweest. Risico’s en onzekerheden zijn inherent aan de transitie. De maatwerkafspraak biedt de mogelijkheid voor de overheid om afspraken te maken over de beheersing van mogelijke risico’s, bijvoorbeeld door afspraken te maken over financiële garanties en clawback-mechanismen.
Daarbij dient tevens opgemerkt te worden dat het scenario waarin de staat niks doet ook grote nadelige gevolgen kent. De huidige situatie is niet houdbaar en onwenselijk gezien de impact van de staalproductie op het klimaat en de gezondheid van omwonenden. Op basis van de adviezen van externe adviseurs Wijers en Blom3, de Expertgroep Gezondheid IJmond (Expertgroep)4 en de Adviescommissie Maatwerkafspraken Verduurzaming Industrie (AMVI)5 is besloten om in te (blijven) zetten op een maatwerkafspraak met TSN omdat dit de snelste en effectiefste route is naar verduurzaming en verbetering van de gezondheid en leefomgeving.
Er wordt op dit moment nog nergens in de wereld op grote schaal groen staal geproduceerd. Zolang wij als samenleving staal blijven gebruiken, hebben we ook een verantwoordelijkheid om bij te dragen aan het verduurzamen van de productie daarvan. Als we dit niet doen, zal dit betekenen dat we nog langdurig gebruik maken van grijs staal. De maatwerkafspraak met TSN maakt het mogelijk om in Nederland groen staal te kunnen produceren; dit zal een economische en strategische meerwaarde hebben voor Nederland en Europa. Tot slot draagt de eigen productie van staal bij aan onze weerbaarheid en het verminderen van de afhankelijkheid van landen buiten Europa.
Deelt de Minister de mening van de 117 economen dat de investeringen in Tata Steel investeringen in industrieën met hogere maatschappelijke opbrengsten verdringen omdat we te maken hebben met schaarse arbeid, energie en ruimte? Zo nee, kunt u toelichten op welke wetenschappelijke bronnen u dit standpunt baseert?
De onderliggende suggestie uit de vraag dat de schaarse arbeid, energie en ruimte vraagt om het maken van keuzes, deel ik. De aanname dat al deze productiemiddelen zonder enige frictie elders in de economie ingezet kunnen worden, is echter een te simpele weergave van de werkelijkheid. Daarbij leren eerdere ervaringen, bijvoorbeeld uit Limburg, ons dat het verdwijnen van grote industrie nog decennialang kan doorwerken in de sociaaleconomische structuur.
Het kabinet heeft de keuze gemaakt om in te zetten op een maatwerkafspraak met TSN en daarmee het realiseren van groenere, schonere en meer circulaire staalproductie in de IJmond.
Het kabinet heeft oog voor de maatschappelijke opbrengsten van verschillende industrieën. Onderdeel van deze maatschappelijke opbrengsten zijn ook weerbaarheid en zelfvoorzienendheid, zelf staal kunnen produceren draagt hieraan bij. Deze publieke waarden zijn de afgelopen jaren steeds belangrijker geworden in de nationale en vooral ook Europese context als gevolg van geopolitieke ontwikkelingen die kwetsbare schakels in mondiale aanvoerlijnen hebben blootgelegd. Daarbij is staal extra relevant (maar ook brandstoffen en chemieproducten), omdat dit product deel uitmaakt van defensie-gerelateerde productieketens. Uit het onderzoek van Wijers en Blom is gebleken dat TSN binnen Europa een gunstige uitgangspositie heeft voor verduurzaming.
Basisindustrie is inherent energie-intensief, overal ter wereld. Zolang we deze producten gebruiken acht het kabinet het niet verstandig om voor onze consumptie (volledig) te leunen op productie in andere landen. Bovendien zou dat voorlopig neerkomen op weglek van productie, waarschijnlijk naar plekken waar staalproductie gepaard gaat met een relatief grotere klimaat- en milieu-impact dan in Nederland.6 Met de maatwerkafspraak met TSN kunnen we belangrijke stappen zetten op verduurzaming en verbetering van de gezondheid. Zoals ook in het vorige antwoord aangegeven draagt een groenere, schonere staalindustrie ook bij aan het concurrentievermogen en onze weerbaarheid.
Bent u bereid een plan B te onderzoeken voor het gebied, de ontwikkeling van maakindustrie, huizen, energieopwek (windmolens) en natuur?
Zoals ook in het antwoord op vergelijkbare vragen is aangegeven, is het kabinet hier niet toe bereid, omdat eerder al uitvoerig naar alternatieven gekeken is.7 In een eerder stadium zijn diverse scenario’s, waaronder een scenario waarin TSN sluit, door Wijers en Blom onderzocht en door het kabinet gewogen.8 Het is de prioriteit van dit kabinet om TSN te verduurzamen en om de gezondheidssituatie voor omwonenden in de IJmond zo snel mogelijk te verbeteren. Dat doet het kabinet door in te zetten op een maatwerkafspraak met TSN: dat is de snelste en effectiefste manier om, met de beschikbare middelen, de gezondheidsrisico's (flink) te verminderen en tot verduurzaming te komen. Daarbij draagt de eigen productie van staal bij aan onze weerbaarheid en het verminderen van de strategische importafhankelijkheid van Europa. Daarom is het niet opportuun om nu opnieuw onderzoek te doen naar (de potentie van) deze alternatieve denkrichtingen.
In het rapport van Wijers en Blom werd de sluitingsroute als ongunstig beoordeeld, met zeer hoge financiële (juist ook voor de staat) en uitvoeringsrisico’s. Het kabinet kiest, mede gelet op de economische en strategische waarde, voor behoud van staalproductie in de IJmond. Om die reden wordt de sluitingsroute niet verder uitgewerkt.
Deelt u de mening van de 117 economen dat de maatwerkafspraken met Tata Steel de markt verstoren en staatsteunrechtelijk kwetsbaar zijn, aangezien de plannen om volledig te verduurzamen (2045) niet verder gaan dan huidige Europese wetgeving (EU ETS die afloopt in 2040)? Zo nee, kunt u toelichten op welke wetenschappelijke bronnen u dit standpunt baseert?
Nee. De Nederlandse staat mag alleen staatssteun verlenen als wordt voldaan aan de voorwaarden van het toepasselijke Europese staatssteunkader, in dit geval de Guidelines on State aid for Climate, Environmental Protection and Energy (CEEAG). De EC toetst hierbij onder meer of de Nederlandse staat alleen maatregelen steunt die verder gaan dan Unienormen, alleen steun verstrekt die geschikt, proportioneel en niet marktverstorend is en geen steun verleent aan een onderneming die in financiële moeilijkheden verkeert. De beoogde steunmaatregel wordt zo vormgegeven dat aan de voorwaarden en verplichtingen uit het CEEAG-kader wordt voldaan. Hierover vinden ook gesprekken plaats met de EC in het kader van de prenotificatiefase van deze steunmaatregel. De EC moet de uiteindelijke steunmaatregel beoordelen en zal de voorgestelde maatregel toetsen aan de hand van het CEEAG kader. De steun mag niet worden verleend zonder dat de EC deze heeft beoordeeld en goedgekeurd. Daarbij wordt opgemerkt dat het kabinet met verduurzamingssubsidies, zoals de maatwerksubsidies en ook de SDE++, juist beoogt om gedrag van bedrijven bij te sturen, in het publieke belang van een verduurzaming van de industrie en hele economie. De subsidie moet daarom worden afgezet tegen andere verduurzamingssubsidies, en niet tegen andersoortig beleid met andere doelstellingen.
Het ETS is een handelssysteem met een emissieplafond dat afloopt. Het feit dat er geen gratis rechten meer worden uitgekeerd betekent niet dat een bedrijf geen CO2 meer uit kan stoten. Zo kunnen rechten worden gekocht of overgehouden rechten van eerdere jaren worden meegenomen en later ingezet. Het ETS is een prikkel om CO2 te reduceren en zorgt ervoor dat er geen nieuwe rechten meer worden uitgegeven na 2039. Daarbij is het ETS alleen onvoldoende om tot investeringen in verduurzaming te leiden, zoals te zien is in de populariteit van de SDE++ en steunmaatregelen voor de industrie die buurlanden nemen. Ook andere Europese landen, waaronder België, Duitsland en Frankrijk, geven steun om hun staalproducenten te helpen met verduurzamen. Zoals door de AMVI geconcludeerd is het beoogde steunbedrag voor de verduurzaming van TSN laag ten opzichte van de steun die andere landen aan hun staalindustrie geven en ook zeer kosteneffectief.9
Deelt u de mening van de 117 economen dat medewerkers van Tata Steel waardevolle technische ervaring hebben die, met gerichte omscholing, inzetbaar kunnen zijn in sectoren met acute tekorten voor bijvoorbeeld de installaties van warmtepompen? Zo nee, kunt u toelichten op welke wetenschappelijke bronnen u dit standpunt baseert?
De waardevolle technische kennis en ervaring van de medewerkers van TSN en het belang hiervan voor de energietransitie, onderschrijf ik. De medewerkers van TSN zijn een van de drijfveren van deze transitie: het plan is vroeg op tafel gelegd door de vakbonden en de werknemers zijn hard nodig om het project uiteindelijk uit te voeren. Mede dankzij het technisch geschoolde personeel kan TSN een belangrijke bijdrage leveren aan de innovatiekracht van Nederland en behoort TSN tot de Top 30 R&D bedrijven in Nederland.10 TSN draagt met haar eigen MBO opleiding ook bij aan het opleiden van technisch geschoold personeel.11
Gelet op het aantal vacatures in de techniek zal een deel van de werknemers bij een eventuele sluiting van het bedrijf elders werk kunnen vinden. Desalniettemin zal de impact op de regio groot zijn. Daarnaast is het omscholen van werknemers minder eenvoudig dan het met een macro-economische bril lijkt. Ook uit gesprekken die het kabinet voert met regionale belanghebbenden, waaronder werkgever- en werknemersorganisaties zoals de FNV, blijkt dat het lastig is om personeel in de regio naar ander werk te begeleiden met een vergelijkbaar inkomens- en kennisniveau.
Deelt u de mening van de 117 economen dat de gezondheid van omwonenden onvoldoende wordt geborgd en hierdoor staatsteun economisch onverdedigbaar is en juridisch kwetsbaar? Zo nee, kunt u toelichten op welke wetenschappelijke bronnen u dit standpunt baseert?
Om de impact van het bedrijf op de leefomgeving en gezondheid van omwonenden zo snel en ver mogelijk te reduceren zijn de meest kosteneffectieve maatregelen geselecteerd, waarmee de grootste reductie kan worden bereikt met de beschikbare middelen. Deze maatregelen leiden tot een forse reductie van de uitstoot van schadelijke stoffen en dragen daarmee bij aan de vermindering van de impact op de leefomgeving en gezondheid van omwonenden. De juridische borging van het behalen van de gezondheidsdoelen wordt nu uitgewerkt en opgenomen in de maatwerkafspraak.
Wat betreft de economische verdedigbaarheid en juridische kwetsbaarheid van de staatssteun, geldt dat de steun binnen een Europees steunkader moet passen en dat alleen maatregelen die verder gaan dan Unienormen in aanmerking komen voor steun. De staat en de EC zien hier streng op toe. Voor de milieumaatregelen specifiek is een juridische analyse gemaakt door de Landsadvocaat, hieruit volgt dat de voorgestelde milieumaatregelen op dit moment niet wettelijk afdwingbaar en dus bovenwettelijk zijn.12 Deze juridische analyse is samen met de JLoI met de Kamer gedeeld. De maatwerkafspraken zijn naar de overtuiging van het kabinet de snelste weg om tot verbetering te komen van de leefomgeving en gezondheid van omwonenden.
In het licht van de opmerking in de brief over de kooksgasfabrieken (KGF's) is het nog relevant op te merken dat de maatwerkaanpak alleen ziet op bovenwettelijke maatregelen. Op 19 december 2024 is door de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (OD NZKG) een aanzeggingsbesluit genomen en openbaar gemaakt. Vanwege de handhavingsstappen van de OD NZKG is dit onderdeel in het wettelijke traject terecht gekomen en kan op dit moment daarom geen steun worden verleend voor vervroegde sluiting van KGF2. De maatwerksteun is voor de bouw van de nieuwe groenere en schonere installaties.
Deelt u de mening van de 117 economen dat Tata Steel geen cruciale schakel is in Nederlands hoogwaardige maakindustrie? Zo nee, kunt u toelichten op welke wetenschappelijke bronnen u dit standpunt baseert?
De economen stellen dat TSN geen cruciale schakel is in de Nederlandse hoogwaardige maakindustrie omdat TSN veel staal exporteert. Dat TSN veel staal exporteert is juist een teken van concurrentiekracht. De Nederlandse industrie is grotendeels gericht op export en opereert in grote mate in een Europese context. TSN exporteert twee derde van de productie binnen Europa en draagt daarmee bij aan het verkleinen van de strategische importafhankelijkheid van Europa voor verschillende sectoren, waaronder de maakindustrie, zoals de automotive- en batterijensector. Zoals de economen terecht betogen, moet strategische autonomie altijd in een Europese context worden bezien. De activiteiten van TSN zorgen daarnaast voor veel omliggende bedrijvigheid in de regio en bij ketenpartners in verschillende sectoren13. De verduurzaming van TSN is een groot innovatief project en biedt ook kansen voor de regio en de Nederlandse economie.14
Deelt u de mening van de 117 economen dat strategische autonomie vereist dat we staalproductie in Europa hebben, maar dat in Nederland staal blijven produceren economisch juist irrationeel is? Zo nee, kunt u toelichten op welke wetenschappelijke bronnen u dit standpunt baseert?
Op dit moment is er in Europa voldoende staalproductie. Maar, zoals in het antwoord op vraag 3 ook aangegeven wordt voorlopig nog nergens in de wereld op commerciële schaal groen staal geproduceerd, onder meer door gebrek aan productie van (betaalbare) groene waterstof. In de Trajectverkenning Klimaatneutraal 2050 geeft PBL aan dat dit betekent dat import van onder andere groen staal naar Nederland voor 2050 niet erg waarschijnlijk is.15 Het opbouwen van nieuwe groene productiecapaciteit kost tijd en geld. Wijers en Blom16 gaven al aan dat het inderdaad zo is dat zon- en windenergie elders in Europa goedkoper kunnen zijn, maar er zijn ook studies die aangeven dat deze verschillen nog erg onzeker zijn17 en in de toekomst ook weer kleiner kunnen worden.18 Ook hebben zij in beeld gebracht dat Nederland juist een relatief logische plek is binnen Europa voor een staalfabriek. Daarnaast lopen ook nieuwe projecten, bijvoorbeeld in Zweden en Spanje, tegen vertraging en problemen aan, bijvoorbeeld met draagvlak voor de nieuwe fabrieken vanwege impact op de omgeving, de versterking van het elektriciteitsnet, infrastructuur, beschikbaarheid van water en de beschikbaarheid en betaalbaarheid van groene waterstof, zoals een aantal andere economen in reactie op het ESB artikel ook beschreven.19, 20, 21 Daarbij is TSN gunstig gelegen ten opzichte van hernieuwbare energiebronnen (groene stroom uit wind op zee) en kan TSN gebruik maken van bestaande logistieke infrastructuur en de ligging aan zee, wat een concurrentievoordeel oplevert ten opzichte van de geheel nieuwe productielocaties.22
Vóór 2050 zal er naar verwachting geen substantiële groene staalproductie elders in Europa zijn die de productie van TSN kan vervangen. Het kabinet kiest ervoor om daar niet op te wachten en onze verantwoordelijkheid te nemen door in te zetten op een maatwerkafspraak om in Nederland groener en schonere staal te kunnen produceren.
Deelt u de mening van de 117 economen dat het gezien de feiten die voorliggen, het nu (economisch) verstandiger is om de stekker uit de Joint Letter of Intent te halen dan ermee door te gaan? Zo nee, kunt u toelichten op welke wetenschappelijke bronnen u dit standpunt baseert?
Nee. Zoals eerder in de beantwoording aangegeven wil het kabinet verantwoordelijkheid nemen en hier groenere en schonere staalproductie realiseren middels een maatwerkafspraak met TSN om zo onder andere bij te dragen aan ons toekomstige verdienvermogen en onze weerbaarheid en zelfvoorzienendheid te versterken, naast de doelen van verduurzaming en verbetering van de leefomgeving.
Kunt u de vragen één voor één en in alle volledigheid beantwoorden?
Ja.
Kunt u de vragen beantwoorden voorafgaand aan het debat over de Joint Letter of Intent met Tata Steel?
Ja.
Aanhangers van het Iraanse Islamitische regime in Nederland |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met diverse gevallen van personen in Nederland die zich positief over het Iraanse Islamitische regime uitlaten of zelfs publiekelijk dit regime steunen?
Het is bekend dat de Iraanse diaspora scheidslijnen kent. Uit de nieuwsberichten over demonstraties waarmee steun aan het Iraanse regime wordt betuigd, kan worden geconcludeerd dat zich personen in Nederland bevinden die zich positief over dit regime uitlaten.
Op welke wijze kan volgens u het strafrecht worden ingezet indien personen zich positief uitlaten over de Islamitische Revolutionaire Garde (IRGC) of deze zelfs steunen, nu de IRGC in de EU is aangemerkt als terroristische organisatie?
Het kabinet is er alles aan gelegen om de Nederlandse democratische rechtsstaat en vrijheden te beschermen tegen terrorisme en extremisme. De Islamitische Revolutionaire Garde (IRGC) is sinds 19 februari jl. op de Europese sanctielijst terrorisme (GS931) geplaatst. De IRGC is als terroristische organisatie gekwalificeerd en er zijn verschillende sancties opgelegd in het kader van de EU-sanctieregeling voor terrorismebestrijding. Hierdoor is eventuele deelname aan deze terroristische organisatie strafbaar en publieke steunbetuigingen aan IRGC worden met grote zorgen bezien.
Of er in een specifieke casus sprake is van (een verdenking van) een strafbaar feit – en dus of het strafrecht ingezet kan worden –, hangt af van de feiten en omstandigheden van dat geval. Het is dus van belang waaruit het «positief uitlaten» of «steunen» bestaat en met welke feitelijkheden dit gepaard gaat. Indien een persoon bijvoorbeeld een terroristische organisatie steunt door middel van financiële middelen, kan sprake zijn van terrorismefinanciering, hetgeen een misdrijf is.
Plaatsing van een organisatie op de nationale en/of Europese sanctielijst heeft tot gevolg dat de tegoeden van de betreffende persoon of organisatie worden bevroren. Tegelijkertijd is het verboden om financiële tegoeden/diensten en (op geld waardeerbare) middelen aan deze persoon of organisatie ter beschikking te stellen. Plaatsing van een persoon of organisatie op de EU-terrorisme sanctielijst heeft tot gevolg dat die persoon of organisatie van rechtswege in Nederland is verboden (artikel 2:20, vierde lid, Burgerlijk Wetboek). Op grond van artikel 140, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is het «voortzetten van de werkzaamheid van een van rechtswege verboden organisatie» strafbaar. Het «voortzetten van de werkzaamheid» moet ruim worden geïnterpreteerd; het gaat daarbij om iedere gedraging die ten dienste staat aan het voortbestaan van de verboden organisatie. Dit kan bijvoorbeeld zijn het organiseren van een betoging, evenement of vergadering, het oprichten van een nieuwe (vergelijkbare) organisatie, het «in de lucht» houden van een website of het houden van fondsenwervingsacties ten behoeve van een verboden rechtspersoon. Een enkele handeling kan al bijdragen aan het voortbestaan van de organisatie. Of daar in een specifieke situatie sprake van is, zal afhangen van de feiten en omstandigheden van het geval. Dat is aan het Openbaar Ministerie, en uiteindelijk aan de rechter, om te bepalen.
Ook het «positief uitlaten» (in de brede zin van het woord) kan onder omstandigheden een strafbaar feit opleveren. Dit kan mogelijk kwalificeren als opruiing of het aanzetten tot haat en geweld, maar dat zal per geval aan de hand van de feiten en omstandigheden moeten worden beoordeeld. Hierbij speelt ook de context waarbinnen de uiting is gedaan een rol. Dit kan mogelijk kwalificeren als opruiing of het aanzetten tot haat of geweld. Om dergelijke laakbare uitingen met betrekking tot terrorisme nog beter en gerichter aan te kunnen pakken, heeft het kabinet een wetsvoorstel in voorbereiding waarin twee nieuwe strafbaarstellingen zijn opgenomen, te weten de strafbaarstelling van het verheerlijken van terrorisme en de strafbaarstelling van het openlijk betuigen van steun aan een terroristische organisatie. Dit wetsvoorstel ligt op dit moment voor advies bij de Raad van State.
Wat vindt u ervan dat personen in Nederland het Iraanse Islamitische Regime en/of de Islamitische Revolutionaire Garde publiekelijk steunen?
De IRGC staat sinds 19 februari jl. op de Europese sanctielijst terrorisme (GS931) waardoor er beperkende sancties zijn opgelegd in het kader van de EU-sanctieregeling voor terrorismebestrijding. Nederland heeft zich hiervoor onverminderd ingezet en een voortrekkende rol vervuld. Deze Nederlandse inzet is ook in een brief aan uw Kamer geïnformeerd.1 Het kabinet vindt het uitspreken van steun aan deze organisatie dan ook absoluut verwerpelijk. De vrijheid van meningsuiting is een fundamenteel onderdeel van onze democratie, maar dit recht kent wel grenzen. Zoals in het bovenstaande antwoord benoemd zal per geval beoordeeld moeten worden of deze grenzen zijn overschreden en of er mogelijk sprake is van een strafbaar feit. Dit is aan het Openbaar Ministerie, en uiteindelijk aan de rechter, om te bepalen.
Op welke wijze worden aangiften behandeld indien zij zien op bedreigingen richting Iraanse diaspora, dissidenten en hun familieleden in Iran?
Bij vermoedens van bijvoorbeeld bedreigingen richting Iraanse diaspora, dissidenten en hun familieleden in Iran kan er melding of aangifte worden gedaan bij de politie. De politie behandelt deze meldingen en aangiftes zorgvuldig en heeft daarbij oog voor de huidige internationale situatie.
Worden deze aangiften voortvarend behandeld vanwege de huidige internationale situatie en de mogelijkheid tot tegenacties van het Iraanse regime?
Zie antwoord vraag 4.
Wordt op dit moment daadwerkelijk grondig onderzoek gedaan welke personen in Nederland feitelijk verlengstukken van het Iraanse Islamitische Regime (en/of de IRGC) zijn en op welke wijze wordt actie tegen deze personen ondernomen? Zo ja/nee, waarom?
Uw vraag betreft het kennisniveau en het functioneren van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Daarover worden in het openbaar geen mededelingen gedaan. In algemene zin kan ik uw Kamer mededelen dat voortdurend en op basis van het dreigingsbeeld wordt bezien wat mogelijk is om ongewenste buitenlandse inmenging te voorzien, verstoren, verijdelen en/of mitigeren. Voor een actueel overzicht verwijs ik uw Kamer naar de meest recente publicaties over dit thema.2
Kunt u deze vragen afzonderlijk en vóór het plenaire debat over Iran op 12 maart 2026 beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Odido-routers stuurden klantgegevens naar Amerikaans AI-bedrijf' |
|
Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat telecomprovider Odido zonder medeweten van klanten MAC-adressen en apparaatnamen uit consumentenrouters heeft doorgestuurd naar een Amerikaans AI-bedrijf?1
Ja.
Kunt u toelichten in hoeverre MAC-adressen en apparaatnamen volgens de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) als persoonsgegevens kunnen worden beschouwd?
Alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon kan een persoonsgegeven zijn (artikel 4, eerste lid, van de Algemene Verordening Gegevensbescherming, AVG). Ook een MAC-adres of een apparaatnaam kan als persoonsgegeven worden beschouwd.
Hoe beoordeelt u de privacyrisico’s van het verzamelen en delen van deze gegevens, omdat daarmee mogelijk ook huishoudens kunnen worden herkend of gevolgd?
Het is van belang dat persoonsgegevens worden verwerkt op een wijze die rechtmatig, behoorlijk en transparant is. Een verwerking is bijvoorbeeld rechtmatig, als er toestemming voor is gegeven, een gerechtvaardigd belang is of als de verwerking noodzakelijk is voor de uitvoering van een overeenkomst. Het is niet aan het kabinet binnen het stelsel van de AVG om in te gaan op individuele gevallen, maar in eerste instantie aan de Autoriteit Persoonsgegevens (AP). De taken en bevoegdheden om op te treden tegen overtredingen zijn vastgelegd in de AVG. De AP kan daartoe handhavend optreden, advies verstrekken en klachten behandelen over een inbreuk op de bescherming van persoonsgegevens. Zij toetst of sprake is van strijdigheid met de Europese gegevensbeschermingsregels. De AP is op de hoogte van de genoemde berichtgeving over Odido.
Hoe beoordeelt u het feit dat deze gegevens naar een Amerikaans AI-bedrijf zijn doorgestuurd?
Doorgifte van persoonsgegevens naar een bedrijf dat buiten de Europese Economische Ruimte (EER) is gevestigd is op grond van de AVG alleen toegestaan onder voorwaarden. Persoonsgegevens mogen alleen buiten de EER worden verwerkt in overeenstemming met de voorwaarden voor dergelijke doorgiften die zijn vastgelegd in hoofdstuk V van de AVG. Bijvoorbeeld als de Europese Commissie een adequaatheidsbesluit heeft genomen of dat er door het bedrijf passende waarborgen zijn genomen. Of in deze casus wel of geen grondslag was voor het al dan niet delen van deze gegevens buiten de EER, evenals de vraag of de waarborgen van hoofdstuk V van de AVG in acht zijn genomen, is niet aan het kabinet om te beoordelen, maar aan de toezichthouder. De AP is op de hoogte van de genoemde berichtgeving over Odido.
Deelt u de opvatting van de Autoriteit Persoonsgegevens dat MAC-adressen kunnen worden beschouwd als persoonsgegevens? Zo ja, welke eisen gelden voor het verzamelen en delen van deze gegevens door telecomproviders?
Ja. Zie het antwoord op vraag 2. De AVG geeft algemene regels voor de verwerking van persoonsgegevens. Daarnaast stelt de Telecommunicatiewet specifieke regels voor telecomaanbieders.
Welke risico’s ziet u voor de privacy en veiligheid van burgers wanneer grote hoeveelheden metadata over wifi-netwerken en apparaten worden verzameld en mogelijk gecombineerd met andere datasets?
Dat hangt af van de omstandigheden van het geval. Een risico dat volgt uit het niet naleven van de AVG is in ieder geval dat de betrokkenen hun rechten niet (volledig) kunnen uitoefenen. Denk hierbij aan het inzien, corrigeren, of verwijderen van hun eigen persoonsgegevens.
Is de Autoriteit Persoonsgegevens betrokken bij deze kwestie en wordt onderzocht of Odido de privacyregels heeft nageleefd?
De AP is op de hoogte van de genoemde berichtgeving over Odido. Het is aan de AP om opheldering te vragen aan Odido.
Welke stappen verwacht u van Odido richting klanten, bijvoorbeeld om hen te informeren over welke gegevens zijn gedeeld en welke maatregelen worden genomen om dit in de toekomst te voorkomen?
Dit is niet aan het kabinet, maar in eerste instantie aan de AP. De AP toetst of sprake is van strijdigheid met de Europese gegevensbeschermingsregels. In zijn algemeenheid hangt het van meerdere factoren af. Onder andere de vraag of er een grondslag is voor het verwerken van deze gegevens en, indien er sprake is van doorgifte buiten de EER, of de waarborgen van de AVG in acht zijn genomen.
Ziet u aanleiding om strengere eisen te stellen aan telecomproviders die AI-diensten gebruiken, zodat gegevens van gebruikers beter worden beschermd en transparanter wordt omgegaan met dataverzameling?
Nee. De AVG geeft duidelijke regels voor de bescherming van persoonsgegevens. Daarnaast stelt de Telecommunicatiewet specifieke regels voor telecomaanbieders. Ook de AI-verordening kent een duidelijke set van regels. Er is wel aanleiding om het gesprek te voeren met het veld, waaronder telecomaanbieders, over de bescherming van persoonsgegevens in de praktijk. Vervolgens zal dit betrokken worden bij het voornemen om de toepassing van de AVG in Nederland tegen het licht te houden.
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden en dit doen voor 23 maart 2026 vanwege het wetgevingsoverleg over de Cyberbeveiligingswet en de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten?
Dat is helaas niet gelukt.