Het bericht 'Ambtenaren verzwegen Palestijnse dodentallen voor Schoof' |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Dick Schoof (minister-president ) (INDEP), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel van Vrij Nederland, over het verzwijgen van Palestijnse dodentallen door ambtenaren voor de Minister-President?1
Het beeld dat moedwillig informatie wordt achtergehouden is onjuist. Ik ervaar de advisering binnen het ministerie als professioneel en volledig, waarbij alle relevante invalshoeken en feiten worden meegenomen. Over de oorlog in de Gazastrook is er een constante informatiestroom, ook richting het Ministerie van Algemene Zaken. Daarin zijn met grote regelmaat cijfers over aantallen slachtoffers (ongeacht nationaliteit) opgenomen. Er zijn verschillende manieren waarop bewindslieden geïnformeerd worden over een kwestie, een gespreksfiche is daar één van.
Kunt u inzage geven in het proces van het opstellen van het desbetreffende gespreksfiche uit het artikel? Klopt het dat meerdere malen de cijfers over de Palestijnse en Libanese slachtoffers uit het feitenrelaas zijn gehaald?
Een gespreksfiche bestaat onder meer uit spreekpunten en achtergrondinformatie. In de achtergrondinformatie dient de informatie te staan die nodig is om het gesprek inhoudelijk goed te kunnen voeren. De gesprekspunten bieden een basis voor de manier waarop het gesprek gevoerd kan worden. Met het opstellen van de gesprekspunten wordt de afweging gemaakt op welke wijze het meest effectief een boodschap wordt overgebracht. Dat is mede afhankelijk van de gesprekspartner in kwestie, zijn of haar kennis over een situatie of onderwerp, en de relatie van een land ten opzichte van het te bespreken onderwerp. Hierdoor is het niet altijd nodig of opportuun in de gesprekspunten een situatie te beschrijven om er wel over te spreken. Naast de gesprekspunten zelf, wordt tijdens het gesprek ook gebruik gemaakt van de achtergrondinformatie.
Het artikel in Vrij Nederland refereert aan een gesprek van de Minister-President met een Arabische leider in het najaar van 2024. Hoewel er geen duidelijkheid bestaat over het exacte gesprek waar het artikel aan refereert, is naar aanleiding van de publicatie nagegaan welk gesprek het mogelijk kan betreffen. Hierbij kwam een specifiek gesprek naar voren, waarbij slachtofferaantallen in de achtergrondinformatie stonden. Zie daarnaast ook het antwoord op vraag 1.
Hoe kan het dat relevante feitelijke informatie uit een gespreksfiche wordt gehaald? Wat zijn de vereisten bij het opstellen van zo’n fiche en wie controleert dit? Is er sprake van een vier-ogen principe?
Zie het antwoord op vraag 1 en 2. Bij het opstellen van een gespreksfiche zijn diverse personen betrokken, zowel op het departement in Den Haag als op de Nederlandse posten in de regio. Het aantal betrokkenen hangt met name af van de inhoud van het gesprek en het aantal gespreksonderwerpen. Daarnaast wordt een gespreksfiche op verschillende niveaus geaccordeerd. Waar nodig ook op politiek niveau. In ieder geval kijken altijd meer dan twee mensen.
Hoe verantwoordt u dat Israëlische doden een hogere status krijgen op het Ministerie van Buitenlandse zaken, dan Palestijnse of Libanese doden?
Daarvan is geen sprake. Het kabinet werpt deze aantijging verre van zich.
Bent u bereid een onderzoek te starten naar de dubbele moraal en mogelijke angstcultuur op het Ministerie van Buitenlandse Zaken? Zo niet, waarom?
Nee. Buitenlandse Zaken hecht aan een open en veilige werkcultuur, waarbinnen ruimte bestaat voor kritisch intern debat. De ambtelijke leiding draagt deze norm actief uit, evenals de norm van brede en deskundige ambtelijke advisering. Het departement investeert in een inclusieve werkomgeving, met ruimte voor diversiteit van perspectieven, en de ontwikkeling van vaardigheden als luisteren en het voeren van een open dialoog. De effecten van die inzet worden regulier gemeten in o.a. het tweejaarlijkse medewerkerstevredenheidsonderzoek, het jaarlijkse arbojaarverslag en Rijksbrede instrumenten als de nieuwe Inclusiemonitor. De uitkomsten uit deze metingen bieden voldoende inzicht voor de verdere ontwikkeling van de organisatie.
Het bericht ‘Commission wrong to give Hungary €10B, says EU top court adviser’ van Politico. |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Commission wrong to give Hungary € 10B, says EU top court adviser?» dat op 12 februari 2026 verscheen op Politico?1
Hoe weegt u de claim van Europarlementariërs dat het geld dat in 2023 toch is vrijgegeven aan Hongarije politiek gemotiveerd was en dus onterecht was?
Bent u het eens dat het in ieder geval niet door positieve ontwikkelingen wat betreft de rechtsstaat in Hongarije kwam dat de 10 miljard euro waren vrijgegeven?
Vindt u dat het vrijgeven van Europese Unie (EU)-fondsen op merites gebaseerd moet blijven?
Als het Europees Hof van Justitie het eens is dat het geld onrechtmatig is vrijgegeven, op welke termijn moet Hongarije de 10 miljard euro dan terugbetalen?
Klopt het dat als blijkt dat Hongarije het geld moet terugbetalen, maar ze dit niet doen, er kan worden ingehouden op andere fondsen voor Hongarije?
Is het in dit licht niet ook opzienbarend dat Hongarije per capita de grootste ontvanger wordt van het Security Action for Europe (SAFE)-instrument van de EU?
Bent u van mening dat het terecht is dat Hongarije per capita de grootste ontvanger wordt van SAFE?
Zijn er mogelijkheden om het aandeel van Hongarije voor SAFE te beperken op basis van rechtsstaatschendingen of anderszins?
Bent u bekend met het bericht «Starter gezocht: leeftijd steeds vaker reden voor discriminatie» waaruit blijkt dat leeftijd steeds vaker een reden is voor discriminatie, onder andere bij werving en selectie?1
Kunt u reageren op de inhoud van dit bericht?
Hoe verklaart u dat leeftijdsdiscriminatie ondanks een wettelijk verbod toch voorkomt op de arbeidsmarkt? Waar schiet volgens u de huidige aanpak tekort?
Herkent u het beeld dat er een toename is van leeftijdsdiscriminatie? In hoeverre speelt een hogere meldingsbereidheid een rol in de stijgende cijfers?
Heeft u in beeld of leeftijdsdiscriminatie een algemeen verschijnsel is op de arbeidsmarkt ofwel voornamelijk voorkomt in specifieke sectoren en gevallen?
Op welk vlak schiet het huidige beleid tekort als veel 55-plussers ondanks de aanhoudende krapte op de arbeidsmarkt toch moeite hebben om passend werk te vinden?
Bent u het eens dat discriminatie, en meldingen van discriminatie, serieus genomen en beter afgehandeld moeten worden?
Hoe zorgt u op het moment ervoor dat werkgevers en HR-professionals beter worden voorbereid op het herkennen en voorkomen van leeftijdsdiscriminatie?
Welke andere maatregelen neemt u om oudere mensen aangesloten te houden op de arbeidsmarkt?
Welke consequenties zijn momenteel verbonden aan leeftijdsdiscriminerend handelen door werkgevers of organisaties?
Kunt u ons nader informeren wat de stand van zaken is en welke concrete resultaten de ingezette maatregelen hebben opgeleverd, zoals die zijn aangekondigd in de Kamerbrief van 18 januari 2024?2 Zijn er sinds deze Kamerbrief aanvullende acties ondernomen? Zo ja, welke? Zo nee, bent u nog voornemens aanvullende acties te ondernemen?
Bent u bereid om met werkgeversorganisaties verder te verkennen hoe beeldvorming van 55-plussers kan worden verbeterd, gelet op het belang van een positieve beeldvorming van 55-plussers waar het kabinet in dezelfde brief over schrijft?
Kijkt u in het kader van de verkenning die is aangekondigd in de Kamerbrief van 18 december 2025 ook expliciet naar het stimuleren van LLO-deelname bij 55-plussers, aangezien zij gemiddeld juist minder vaak deelnemen aan deze programma’s? Zo nee, bent u bereid dit expliciet op te nemen in de aangekondigde verkenning?
Het bericht dat Frankrijk het ontslag eist van de antisemitische VN-functionaris Albanese |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Frankrijk het ontslag eist van de antisemitische VN-functionaris Albanese?1
Vindt u haar opmerking dat Israël de «gemeenschappelijke vijand van de mensheid is» ook onacceptabel en buitengewoon onsmakelijk? Zo nee, waarom niet?
Ziet u ook dat haar recente uitspraken geen incident zijn, maar onderdeel vormen van een bredere activistische haatcampagne tegen Israël en het Joodse volk? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om zich achter Frankrijk te scharen en bij de VN-mensenrechtenraad onomwonden te pleiten voor het ontslag van Albanese? Zo nee, waarom niet?
Wilt u deze vragen vóór de eerstvolgende sessie van de VN-mensenrechtenraad beantwoorden?
Het artikel 'Ondanks toename bedreigingen en intimidatie willen meeste raadsleden door' |
|
Jan Struijs (50PLUS) |
|
Rijkaart |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Ondanks toename bedreigingen en intimidatie willen de meeste raadsleden door»?1
Hoe oordeelt u over het bericht dat de agressie, bedreiging en intimidatie die gemeenteraadsraadsleden ervaren sinds vier jaar meer dan verdubbeld is?
Hoe oordeelt u over het bericht dat een derde van de raadsleden in de afgelopen bestuursperiode te maken heeft gehad met agressie, bedreiging of (verbaal) geweld, ruim twee keer zoveel als in 2022 en ruim zes keer zoveel als in 2015?
Hoe oordeelt u over het bericht dat dertig procent van de bedreigde raadsleden aangeeft dat haar functioneren hierdoor wordt beïnvloed?
Hoe oordeelt u over het bericht dat vrouwelijke raadsleden meer bedreigd worden dan mannelijke raadsleden?
Wat gebeurt er om de raadsleden beter te beschermen en weerbaar te maken tegen dit soort praktijken?
Wat kunt u verbeteren in de aanpak van agressie en bedreiging tegen raadsleden?
Bent u bereid hierin waar nodig samen te werken met de Ministerie van Justitie en Veiligheid, bijvoorbeeld door aanscherping van het programma «Bewaken en beveiligen»?
Het gebruik van foutieve algoritmes bij de reclassering |
|
Jan Struijs (50PLUS) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het rapport «Risicovol algoritmegebruik» van de Inspectie Justitie en Veiligheid (IJenV) waaruit blijkt dat de reclassering jarenlang een gebrekkig algoritme gebruikte om recidiverisico’s te voorspellen?1
Hoelang worden deze foutieve algoritmes gebruikt?
Hoelang was u al op de hoogte van deze problemen bij de reclassering?
Waarom zijn deze foutieve algoritmes niet eerder stopgezet?
Hoeveel plegers van ernstige geweldsmisdrijven zijn door deze foutieve algoritmen eerder op straat gekomen?
Hoe beoordeelt u de conclusie van de IJenV dat in circa een kwart van de gevallen het recidiverisico te hoog of te laag is ingeschat door fouten in het algoritme?
In hoeverre kunt u vaststellen dat op basis van deze gebrekkige algoritmes er verkeerde beslissingen worden genomen?
Acht u het mogelijk dat fouten als gevolg van gebrekkige algoritmes invloed hebben op de veiligheid van de samenleving of de rechtspositie van betrokkenen?
Gaat u onderzoek doen naar de gevolgen van het gebruik van deze algoritmes door de reclassering?
Hoe oordeelt u over de conclusie van het College voor de Rechten van de Mens dat door het gebruik van kenmerken als postcode en inkomen in algoritmen, er indirect sprake kan zijn van discriminatie?
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om de fouten door het gebruik van gebrekkige algoritmen te herstellen en het systeem te verbeteren om herhaling te voorkomen?
Wanneer verwacht u de Kamer informeren over de voortgang van het herstel en de verbeteringen?
Het bericht dat jongeren in de jeugdzorg niet durven te klagen over misstanden. |
|
Hilde Wendel (VVD) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Kinderombudsman: jongeren in de jeugdzorg durven niet te klagen over misstanden» in de Trouw d.d. 11 februari 2026?
Deelt u de mening dat het van cruciaal belang is dat kinderen in de jeugdzorg zich veilig genoeg voelen om een klacht in te dienen bij misstanden?
Wat vindt u ervan dat uit onderzoek van de Kinderombudsman blijkt dat kinderen problemen in de jeugdzorg niet informeel durven aan te kaarten?
Herkent u de signalen uit het onderzoek van de Kinderombudsman, waaruit blijkt dat kinderen in de jeugdzorg vrijwel nooit een formele klacht durven in te dienen uit angst voor repercussies? Wat vindt u hiervan?
Bent u op de hoogte van de wijze waarop jeugdzorgorganisaties hun klachtenprocedures inrichten?
Het onderzoek stelt dat de klachtenprocedures te ingewikkeld zijn en het voor jongeren vaak niet duidelijk is hoe de klachtenprocedure werkt, herkent u de conclusies uit het onderzoek van de Kinderombudsman over de gebreken in de klachtenprocedures van de jeugdzorg?
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat de klachtenprocedures in de jeugdzorg verbeterd worden en kinderen zich veilig voelen om informeel, dan wel formeel te melden?
Klopt het dat in sommige gevallen een officiële klacht ingediend moet worden via een begeleider?
Het onderzoek van de Kinderombudsman stelt ook dat de afhandeling van klachten onvoldoende verloopt, herkent u dit beeld en zo ja hoe gaat u ervoor zorgen dat dit wordt verbeterd?
Deelt u de mening dat een gebrek aan lerend vermogen bij de organisatie naar aanleiding van een klacht de drempels hiertoe voor een jongere nog hoger maakt? Hoe kunt u ervoor zorgen dat dit lerend vermogen toeneemt?
Kunt u aangeven op welke manier klachtenprocedures binnen de residentiële jeugdhulp beter kunnen aansluiten bij de aanbevelingen die de Kinderombudsman in 2016 hierover heeft gedaan?
Hoe ziet u uw rol als stelselverantwoordelijke ten aanzien van de jeugdzorg in het verbeteren van de klachtenprocedures?
Kunt u deze vragen individueel beantwoorden?
Het bericht ‘Zeker 48 Joodse begraafplaatsen geruimd na de oorlog’ |
|
André Flach (SGP), Chris Stoffer (SGP) |
|
Moes , Rijkaart |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Zeker 48 Joodse begraafplaatsen geruimd na de oorlog»?1
Wat is uw reactie op de conclusie dat na de oorlog tientallen keren Joodse begraafplaatsen zijn geruimd?
Hoe is het mogelijk dat zich op sommige begraafplaatsen die als geruimd te boek stonden nog steeds graven bevonden?
Op welke wijze wilt u richting de Joodse gemeenschap erkenning geven van deze pijnlijke situaties, zeker gezien de status die binnen de Joodse gemeenschap aan het begraven wordt toegekend?
Hoe wilt u bijdragen aan meer duidelijkheid over de precieze omvang van het probleem en de noodzakelijke stappen die op basis daarvan gezet dienen te worden?
Gaat u in overleg met betrokken (overheids)organisaties om nader onderzoek en een betere verantwoording en inventarisatie mogelijk te maken?
Op welke wijze zorgt u er in samenwerking met gemeenten voor dat van alle voormalige Joodse begraafplaatsen duidelijk wordt of er zich ondanks de gewijzigde bestemming toch nog graven bevinden en hoe verdere schade wordt voorkomen? Wilt u hiervoor in samenwerking met de VNG een plan opstellen?
Bent u bereid om in overleg te treden met vertegenwoordigers van de Joodse gemeenschap over de wijze waarop de overheid kan bijdragen aan erkenning en verwerking van deze gebeurtenissen en de gevolgen ervan voor nabestaanden en het treffen van gedragen maatregelen waar dat nodig blijkt?
Het onderzoek van de Consumentenbond naar tekortkomingen in de bescherming van online gokkers en de lopende massaclaim van de Consumentenbond. |
|
Sarah Dobbe (SP), Mirjam Bikker (CU) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Verboden trucs in legale online casino’s: massaclaim in de maak»1 en «Consumenten voor totaalverbod gokreclame én betere bescherming»2?
Hoe weegt u het feit dat 84% van door de Consumentenbond onderzochte populatie een totaalverbod op gokreclame steunt en 88% betere bescherming tegen dark patterns verlangt?
Kunt u expliciet aangeven of u van oordeel bent dat de Wet kansspelen op afstand, zoals deze sinds 2021 wordt uitgevoerd, onvoldoende bescherming biedt aan kwetsbare spelers en waarop u dat oordeel baseert?
Bent u het ermee eens dat de belofte van «veilig en gecontroleerd» online gokken niet is waargemaakt, nu structureel sprake is van toenemende gokverslavingen, ernstige financiële schade bij gedupeerde burgers en het gebruik van gedragsbeïnvloedende technieken door legale aanbieders?
Deelt u de opvatting dat het toepassen van dergelijke gedragsbeïnvloedende technieken door vergunninghoudende gokbedrijven onverenigbaar is met hun zorgplicht, juist omdat zij aantoonbaar bijdragen aan problematisch speelgedrag?
Is het ontbreken van een expliciet wettelijk verbod op dark patterns een lacune in de bescherming van burgers die actief zijn op online gokplatforms? Zo ja, hoe en op welke wijze en termijn bent u van plan dit probleem aan te pakken?
Hoe beoordeelt u de vaststelling van de Consumentenbond dat meerdere legale aanbieders werken met oneerlijke standaardinstellingen en extreem hoge speellimieten, en kunt u bevestigen of dit naar uw oordeel in strijd is met geldende wet- en regelgeving?
Kunt u concreet aangeven welke maximale speellimieten en welke uitgangspunten voor standaardinstellingen momenteel wettelijk of beleidsmatig gelden, en waarom deze niet hebben voorkomen dat spelers gemiddeld duizenden euro’s verliezen?
Hoe vaak heeft de Kansspelautoriteit sinds 2021 handhavend opgetreden tegen legale aanbieders wegens schending van de zorgplicht, en kunt u daarbij per jaar aangeven hoeveel waarschuwingen, boetes en vergunningmaatregelen zijn opgelegd? Acht u deze handhavingspraktijk, bezien in het licht van de huidige maatschappelijke schade en de lopende massaclaim, voldoende afschrikwekkend, en zo ja, waarom?
Deelt u de juridische opvatting dat het structureel schenden van de zorgplicht en het toepassen van verboden of misleidende technieken kan worden aangemerkt als onrechtmatig handelen, met als mogelijke consequentie ongeldigverklaring van contracten en schadevergoeding aan gedupeerden?
Welke concrete gevolgen zou een rechterlijke vaststelling van dergelijk onrechtmatig handelen volgens u moeten hebben voor de vergunningverlening, verlenging of intrekking bij betrokken aanbieders?
Kunt u concreet aangeven welke aanvullende wettelijke maatregelen u op korte termijn zult nemen om de zorgplicht van online kansspelaanbieders afdwingbaar te versterken, en op welke termijn de Kamer hierover voorstellen kan verwachten?
Het nodeloos vertragen van de openbaarmaking van emissiegegevens van veehouderijen. |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Hoe reflecteert u op het feit dat het Adviescollege Openbaarheid en Informatiehuishouding (ACOI) zich genoodzaakt ziet om voor de tweede keer een zeer kritisch advies uit te brengen omdat u vasthoudt aan een onnodige, kostbare en bureaucratische zienswijzeprocedure, die in strijd is met het eerdere advies van het Adviescollege?1
Ik heb kennisgenomen van het ACOI-advies en de inhoud daarvan. Bij brief van 4 februari 2026 heb ik uw Kamer geïnformeerd over het advies van het ACOI en mijn reactie daarop2.
Kunt u bevestigen dat het ACOI u expliciet heeft geadviseerd uw keuze voor individuele aanschrijvingen voor zienswijzeverzoeken te herzien?
Het advies van ACOI is bij uw Kamer bekend en ik heb op 4 februari 2026 mijn reactie daarop met uw Kamer gedeeld.
Kunt u bevestigen dat het ACOI u heeft geadviseerd om in te zetten op actieve openbaarmaking die recht doet aan álle betrokken belangen, waaronder het publieke belang van transparantie?
Het advies van ACOI is bij uw Kamer bekend en ik heb op 4 februari 2026 mijn reactie daarop met uw Kamer gedeeld.
Erkent u dat u deze adviezen naast u neerlegt?
Nee. In mijn brief van 4 februari 2026 heb ik bij uw Kamer aangegeven wat mijn reactie is op de adviezen van het ACOI.
Waarom weigert u nog altijd uitvoering te geven aan de Wet open overheid (Woo)-verzoeken over emissiegegevens van veehouderijen in Nederland in 2023, 2024 en 2025?
De behandeling van deze verzoeken verloopt volgens wettelijke kaders, waaronder de garantie op zorgvuldige besluitvorming en rechtsbescherming. Zie ook mijn brief van 4 februari 2026.
Wat bedoelt u precies met uw uitspraak dat emissiegegevens binnen de huidige wetgeving «in principe» openbaar gemaakt zouden moeten worden (Kamerstuk 32 802, nr. 137)?
Emissiegegevens moeten openbaar worden gemaakt. Dit doet echter geen afbreuk aan het feit dat sprake moet zijn van een ordentelijk proces en notificatie richting agrarisch ondernemers, zodat zij (als zij daar aanleiding toe zien) ook de gelegenheid hebben om rechtsmiddelen aan te wenden. De mogelijkheid bestaat dat in voorkomende gevallen conform de wet wordt besloten dat (een deel van) de gevraagde informatie niet openbaar wordt gemaakt.
Onderschrijft u de uitspraak van het ACOI dat de wet géén ruimte laat om de emissiegegevens níet openbaar te maken en dat deze gegevens dus niet «in principe», maar onvoorwaardelijk openbaar moeten worden gemaakt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Waarom wekt u desondanks de indruk dat een zienswijzeprocedure nog invloed kan hebben op de verplichting tot openbaarmaking van deze emissiegegevens?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u zich ervan bewust dat uw handelwijze feitelijk leidt tot een jarenlange vertraging van de toegang tot emissiegegevens voor journalisten, maatschappelijke organisaties en burgers? Wat vindt u hiervan?
Ik vind een zorgvuldige en juridisch houdbare aanpak belangrijk, ook als dit extra tijd vergt. In het geval van emissiegegevens van agrarische bedrijven vind ik zorgvuldigheid des te meer van belang omdat het daar vaak ook
gaat om privéadressen van agrarische ondernemers en hun gezinnen.
Bent u zich ervan bewust dat uw handelwijze leidt tot grootschalige verspilling van schaarse publieke middelen? Wat vindt u hiervan?
Ik ben mij ervan bewust dat het beoordelen van zienswijzen en bezwaren tijd en inzet vergt. Een zienswijzeprocedure moet naar mijn mening op een zodanige wijze worden ingericht dat zo veel mogelijk derde-belanghebbenden worden bereikt. Ik verwerp dan ook het door het ACOI geschetste beeld van verspilling van schaarse publieke middelen, omdat dit voorbij gaat aan het bieden van een mogelijkheid aan agrarisch ondernemers om van hun recht gebruik te maken om een zienswijze te geven.
Hoe rechtvaardigt u dat mogelijk tot 60 miljoen euro, circa 20 procent van het totale budget van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), wordt besteed aan een onnodige, vertragende en juridisch ondeugdelijke zienswijzeprocedure?
Allereerst wil ik ten zeerste weerspreken dat zienswijzenprocedures onnodig, vertragend en juridisch ondeugdelijk zijn. Ik ben mij ervan bewust dat uitvoeringsprocedures publieke middelen vergen. De kosten van de zienswijzeprocedure zijn afhankelijk van hoeveel Woo-verzoeken naar emissiegegevens ingediend worden en hoeveel zienswijzen gevraagd worden. Begin 2025 is een eerste kosteninschatting gemaakt. De genoemde 60 miljoen euro waren het maximum scenario met het uitgangspunt dat 90% van de aangeschreven agrarisch ondernemers een zienswijze in zou dienen. Het is op dit moment niet in te schatten hoeveel van de aangeschreven agrarisch ondernemers zienswijze zal indienen en hoeveel omvangrijke Woo-verzoeken nog volgen. Zoals hiervoor benoemd, ben ik van mening dat een zienswijzeprocedure op een zodanige wijze moet worden ingericht dat zo veel mogelijk derde-belanghebbenden worden bereikt. Zij kunnen dan zelf de afweging maken of zij een zienswijze willen indienen. Zo levert deze uitgave een bijdrage aan het opbouwen van het vertrouwen in de overheid.
Kunt u concreet aangeven welke taken van de RVO hierdoor onder druk komen te staan of niet meer kunnen worden uitgevoerd?
Zie antwoord vraag 11.
Heeft u hierover overleg gevoerd met de RVO? Zo ja, wat is hun oordeel over deze gang van zaken?
Uiteraard heb ik hierover ook gesproken met RVO. Tijdens gesprekken hierover is onder andere gesproken over de gevolgen van de individuele procedure.
Waarom blijft u doorgaan met het ten onrechte gebruiken van uw bevoegdheid om openbaarmakingsbesluiten in te trekken, zoals de Raad van State oordeelde op 24 september 2025 in haar uitspraak over de openbaarmaking van emissiegegevens?2
Ik heb naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State besloten om bij Woo-verzoeken waarbij reeds zienswijzen zijn uitgevraagd via de Staatscourant, niet opnieuw zienswijzen uit te vragen via de individuele procedure. Ik zal dus enkel bij Woo-verzoeken waarbij nog geen zienswijzen zijn uitgevraagd kiezen voor individuele benadering.
Neemt u het oordeel van de Raad van State over dat stelt dat de zienswijzeprocedure die heeft plaatsgevonden al in overeenstemming was met artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)?3
Zie antwoord vraag 14.
Neemt u het oordeel van de Raad van State over dat stelt dat u niet bevoegd was om de openbaarmakingsbesluiten op bezwaar in te trekken?4
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 24 september 2025 geoordeeld dat de eerder genomen besluiten op bezwaar om informatie openbaar te maken, niet hadden mogen worden ingetrokken en dat de gevraagde informatie binnen twee weken openbaar moet worden gemaakt. Ik heb de gegevens die centraal stonden in die zaak reeds openbaar gemaakt.
Deelt u de conclusie van het ACOI dat uw handelwijze ertoe leidt dat de samenleving uw beleid om de uitstoot van schadelijke stoffen terug te dringen onvoldoende kan controleren? Zo nee, waarom niet?5
Nee, ik deel de mening van het ACOI niet dat de individuele procedure ertoe zou leiden dat de samenleving het beleid onvoldoende kan controleren. Openbaarheid van overheidsinformatie is een groot goed. Volgens het Verdrag van Aarhus en de Europese milieu-informatierichtlijn7 is Nederland verplicht om emissiegegevens openbaar te maken. Bij het openbaar maken van informatie is echter zorgvuldigheid voor alle betrokkenen gewenst, ook de betrokken ondernemers.
Bent u bereid om uw besluit te herzien, de aanbevelingen van het ACOI alsnog op te volgen en per direct in te zetten op actieve openbaarmaking? Zo nee, waarom niet?
Nee, zoals hiervoor aangegeven vind ik dat derde-belanghebbenden proactief en persoonlijk op de hoogte moeten worden gesteld dat er een Woo-verzoek loopt over openbaarmaking van hun gegevens en ze de gelegenheid hebben om een zienswijze in te dienen.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
De vragen zijn binnen de gebruikelijke termijn beantwoord.
Hoe reageert u op de recente bevindingen van het laboratorium SGS Search, waaruit blijkt dat meer speelgoed asbest bevat dan uit het oorspronkelijke onderzoek bleek?
Bent u bereid, gezien de problemen steeds groter blijken, het zekere voor het onzekere te nemen en direct te komen tot een verkoopverbod? Zo nee, waarom niet?
Aangezien meerdere laboratoria inmiddels onderzoek hebben gedaan en hebben geconstateerd dat meerdere producten met speelzand asbest bevat, bent u bereid samen te werken met deze laboratoria en experts om onderzoek te doen en veiligheidsmaatregelen op te stellen?
Kunt u inschatten hoeveel kinderen, ouders en medewerkers van scholen en kinderdagverblijven door dit speelgoed zijn blootgesteld aan asbestvezels?
Aangezien het speelzand is aangetroffen op basisscholen en kinderdagverblijven, bent u bereid de Nederlandse Arbeidsinspectie opdracht te geven onderzoek te doen naar de aanwezigheid van asbest op scholen waar dit speelzand is gebruikt?
Bent u bereid grootschalig onderzoek te doen naar alle vormen van consumentenartikelen die mineralen bevatten die gemijnd worden in gebieden waar van nature asbest vormt, zoals make-up dat talk bevat?
Wanneer was de NVWA op de hoogte van de problemen in Australië en Nieuw-Zeeland? Wanneer zijn ze begonnen met onderzoeken? Welk laboratorium voert het onderzoek uit en is dit laboratorium geaccrediteerd voor asbest analyse? Kunt u een tijdlijn geven van alle gezette stappen en acties die zijn ondernomen?
Bent u bereid de conclusies van het onderzoek van de NVWA naar de asbestvezels in het speelveld met de Kamer te delen? Zo ja, wanneer kan de Kamer deze brief verwachten?
Waar kunnen ouders die zich zorgen maken over mogelijke asbestvervuiling van hun woning door het speelzand terecht om hier onderzoek naar te doen?
Welke verantwoordelijkheden hebben verkopers om dit asbest-vervuild speelzand te saneren of veilig te storten?
Welke consequenties zijn er voor de verkopers, leveranciers en producenten van het asbestvervuilde speelzand voor het verspreiden van het speelzand en het blootstellen van kinderen aan asbest? Bent u bereid terugroepacties te verplichten?
Bent u bereid samen met andere landen in Europees verband te pleiten voor een importverbod voor dit soort speelzand zolang het onduidelijk is of deze producten asbest bevatten?
De oproep van strafrechters om het tbs-systeem te ontlasten |
|
Fatihya Abdi (PvdA) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat strafrechters het tbs-stelsel zien vastlopen?1 Zo ja, wat vindt u van dit bericht?
Hoe beoordeelt u de oplossingsrichtingen die de twee genoemde vooraanstaande strafrechters schetsen om de bestaande overbelasting van het tbs-stelsel te helpen bestrijden, naast de voorgenomen uitbreiding van 200 extra tbs-plekken? Wat vindt u van het voorstel van deze strafrechters om het aantal plekken in lichtere forensische klinieken en in beschermd woonprojecten uit te breiden?
Kunt u aangeven welke voorzieningen beschikbaar zijn voor forensische zorg, om hoeveel plekken het daarbij gaat, welke problemen bij de toeleiding naar de afzonderlijke zorgvormen bestaan, hoe het concreet met de doorstroom van tbs-gestelden naar alternatieve zorgvormen is gesteld en hoe de afzonderlijke zorgaanbieders met elkaar samenwerken om onder de huidige bestaande omstandigheden een maximaal aantal patiënten de gepaste (beveiligde) zorg en begeleiding te bieden?
Kunt u uitsluiten dat de huidige capaciteitsdruk leidt tot onveilige situaties voor personeel en samenleving? En in hoeverre leidt de passantenproblematiek tot schadevergoedingen wegens onrechtmatige detentie?
Welke maatregelen zijn nodig om het vastgelopen stelsel vlot te trekken door te voorzien in een adequaat aantal tbs-plekken, om de doorstroom naar alternatieve zorgvormen te optimaliseren en om de samenwerking tussen betrokken organisaties en overheden (onder andere het Openbaar Ministerie, de advocatuur, de Rechtspraak, de Dienst Justitiële Inrichtingen, de Geestelijke Gezondheidszorg, zorginstellingen, decentrale overheden en begeleidende organisaties) te optimaliseren? Bent u bereid om hiervoor de noodzakelijke stappen te zetten, zoals bijvoorbeeld het instellen van een taskforce? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u de Kamer informeren over de verdere besluitvorming hierover?
De dreigende uittocht van specialisten bij Rijkwaterstaat |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Tieman |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Uittocht van specialisten bij Rijkswaterstaat dreigt: houden we nog droge voeten?»?1
Ja, het bericht is bekend. Eveneens heeft Rijkswaterstaat voorafgaand aan de publicatie vragen van de betrokken journalist beantwoord.
Herkent u het beeld zoals in het artikel geschetst wordt? Zo nee, waarom niet?
Herkend wordt dat er contracten met zzp’ers worden beëindigd om conform de Wet DBA te handelen. Dit kan niet geheel zonder impact op het werk, ook al is die impact nog niet precies te duiden. De ruimte is geboden om extern ingehuurde zzp’ers met risico op schijnzelfstandigheid in dienst te nemen. De ingezette middelen die zijn beoogd voor externe inhuur, worden dan toegevoegd aan de reguliere personele budgetten, zodat er ook dekking is voor deze functies. Met het in vaste dienst nemen van zzp’ers die dat willen en door te zoeken naar interne oplossingen wordt geprobeerd de impact te beperken. Via werving en selectie worden de resterende plekken uiteindelijk weer vervuld.
Hoeveel zzp’ers zullen per 31 december a.s. naar verwachting hun opdracht bij Rijkswaterstaat verliezen?
Op 27 november is voor circa tweehonderd van de ruim zevenhonderd zzp’ers die voor Rijkswaterstaat werken het contract opgezegd op basis van mogelijke schijnzelfstandigheid. Het is mogelijk dat daar nog enkele gevallen bijkomen tot 31 december.
Hoeveel van deze zzp’ers zijn actief bij belangrijke taakonderdelen zoals verkeersmanagement, inspectie, beheer en onderhoud?
Binnen de organisatie wordt dit onderscheid niet gemaakt. Hierdoor is een aantal noemen niet mogelijk. Per casus wordt bekeken op welke wijze schijnzelfstandigheid, met zo klein mogelijke impact op het werk, kan worden voorkomen.
Kunt u schetsen wat het vertrek van deze zzp’ers zou betekenen qua verlies van deskundigheid en expertise?
Het vertrek van deze groep zzp’ers betekent niet dat Rijkswaterstaat alle beschikbare deskundigheid en expertise op de diverse vakgebieden verliest. Het is zaak de beschikbare capaciteit slim te verdelen over de opgave, zodat er zo min mogelijk merkbare effecten zijn. Rijkswaterstaat zit momenteel nog volop in het proces van omzetting van contractvormen en verkennen van interne schuifmogelijkheden. Geprobeerd wordt de gevolgen en impact te minimaliseren door mensen in vaste dienst te nemen en te zoeken naar interne oplossingen. Via werving en selectie worden de resterende plekken uiteindelijk weer vervuld. Rijkswaterstaat behoudt de mogelijkheid te werken met zzp’ers. Er kunnen waar nodig dus ook nieuwe, binnen het wettelijk kader passende, inhuurovereenkomsten gesloten worden.
Wat betekent het vertrek van deze zzp’ers voor veiligheid, projectduur en doorstroming?
Zoals hierboven reeds beschreven. Rijkswaterstaat zit momenteel nog volop in de omzetting van contractvormen en het verkennen van interne schuifmogelijkheden. Daarbij wordt uiteraard ook de gebruikelijke wijze van prioriteren van werkzaamheden gehanteerd, zodat de veiligheid altijd gewaarborgd wordt en de overige effecten zo klein mogelijk zijn. Dit proces is nog niet klaar en het is daarom ook nog niet duidelijk welke precieze gevolgen er zijn voor lopende projecten waar op dit moment zzp’ers worden ingezet. Verwacht wordt dat het uiteindelijk een tijdelijk, vertragend effect zal blijken, omdat er vooruitkijkend mogelijkheden blijven bestaan om de capaciteit weer aan de organisatie te binden. De organisatie heeft enkel tijd nodig om dit op passende wijze te realiseren.
Hoe wordt dit opgevangen?
Geprobeerd wordt de impact te beperken door zzp’ers in vaste dienst te nemen en te zoeken naar interne oplossingen. De verwachting is dat via werving en selectie resterende plekken uiteindelijk weer vervuld kunnen worden. Rijkswaterstaat behoudt de mogelijkheid te werken met zzp’ers. Er kunnen, waar nodig, dus ook nieuwe, binnen het wettelijk kader passende, overeenkomsten gesloten worden.
Wat is het afgelopen jaar gedaan om bedoelde zzp’ers in vaste dienst te nemen, dan wel via een detacherings- of uitzendconstructie te laten werken?
Rijkswaterstaat werkt in lijn met de geldende wet- en regelgeving. Wanneer na analyse van de inhuurrelatie met een zzp’er risico op schijnzelfstandigheid is geconstateerd, waren verschillende scenario’s denkbaar. Het gaat dan om beëindiging van de overeenkomst, aanpassing van de constructie (bijvoorbeeld detachering), aanpassing van de opdracht of verambtelijking (in dienst nemen). Om conform de Wet DBA te handelen, is de ruimte geboden om extern ingehuurde zzp’ers met risico op schijnzelfstandigheid in dienst te nemen dan wel de opdracht aan te passen of de constructie te veranderen. De betrokken managers zijn zoveel mogelijk in gesprek gegaan met de zzp’ers waarvoor risico’s zijn geconstateerd en hebben de verschillende mogelijkheden toegelicht. In nauw overleg met brokers/intermediairs, zzp’ers en interne betrokkenen is zoveel mogelijk getracht de impact op de productie te minimaliseren, wel altijd in lijn met de geldende wet- en regelgeving. Dat is voor het merendeel van de cases ook gelukt.
Waarom hebben veel zzp’ers nog steeds geen duidelijkheid?
Dit signaal wordt niet herkend. Rijkswaterstaat heeft in de communicatie aangegeven dat er vier mogelijke scenario’s zijn indien sprake is van (mogelijke) schijnzelfstandigheid. Namelijk verambtelijking (in dienst nemen), aanpassing van de constructie, aanpassing van de opdracht en beëindiging van de overeenkomst. Het kan zijn dat in specifieke gevallen nog geen exacte duidelijkheid was, omdat de analyse van inhuurrelatie en de mogelijkheid op schijnzelfstandigheid nog gaande was. Dit zou echter gaan over enkele situaties.
Hoeveel zzp’ers die werkten in opdracht van Rijkswaterstaat zijn alsnog aan de slag gegaan voor Rijkswaterstaat via een detacherings- of uitzendconstructie, dan wel zijn in vaste dienst aangenomen?
Er is (t/m 21/11) voor 150,6 fte verambtelijking (in dienst nemen) aangevraagd en toegekend. Niet in al die gevallen heeft de mogelijkheid ook daadwerkelijkheid tot verambtelijking geleid; meestal omdat de zzp’er zelf niet in dienst wilde treden. In de gevallen dat het arbeidsvoorwaardengesprek niet heeft geleid tot verambtelijking, wordt een vacature uitgezet. Het aantal zzp’ers dat via een detacherings- of uitzendconstructie aan de slag gaat bij Rijkswaterstaat is nog niet exact te geven. De contractvorming is op dit moment nog gaande en een exact aantal aangeven is daarom nog prematuur.
Wat zijn de budgettaire consequenties van het op peil houden van de bezetting?
De budgettaire consequenties zijn op dit moment nog lastig aan te geven. In de regel geldt dat het werken met eigen personeel per saldo voordeliger is dan externe inhuur. De uitstroom van zzp’ers leidt daarmee niet zozeer tot een budgettair vraagstuk.
Verenso |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Bruijn |
|
|
|
|
Bent u bekend met dit rapport1 van Verenso met een aantal specifieke medische aandachtspunten bij het vaccineren met Comirnaty van Pfizer/BioNTech bij bewoners in de langdurige zorg waarbij een specialist ouderengeneeskunde of arts voor verstandelijk gehandicapten de regiebehandelaar is?
Ja.
Bent u bekend met het volgende advies in dit document: «Overweeg, in overleg met de familie, zeer kwetsbare patiënten met een sterk beperkte levensverwachting niet te (booster)vaccineren in verband met bijwerkingen als koorts en misselijkheid/braken en daarmee de kans op overlijden.»?
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat Lareb dit advies heeft overgenomen?2
Ja.
Waarom is deze waarschuwing (bijvoorbeeld in de uitnodigingsbrief voor de coronavaccinatie) niet met het publiek gedeeld?
Via verschillende (online) kanalen kunnen mensen informatie vinden over de COVID-19-vaccins en de mogelijke bijwerkingen die kunnen optreden. Bij de uitnodigingsbrief is bijvoorbeeld een flyer gevoegd met aanvullende informatie over het mRNA-vaccin en de belangrijkste bijwerkingen, met een QR-code die verwijst naar de website van het RIVM.3
Deelt u de mening dat het belangrijk is, omdat het een mRNA vaccin betreft, dat er ook naar alternatieven wordt gekeken? Bent u op de hoogte van de beschikbaarheid van het Hipra vaccin (Bimervax) dat geen mRNA vaccin is maar een eiwit vaccin dat voor veel mensen acceptabeler is dan een mRNA vaccin?
Ik onderschrijf het belang van een alternatief vaccin voor mensen die om medische redenen geen mRNA-vaccin kunnen of willen krijgen. Daarom is het Hipra-vaccin beschikbaar gesteld.
Is de beschikbaarheid van dit vaccin aan het publiek kenbaar gemaakt? Zo nee, waarom niet?
Ja, op de website van het RIVM wordt gecommuniceerd over de beschikbaarheid van een eiwitvaccin voor mensen die om medische redenen geen mRNA-vaccin willen of kunnen krijgen.
Staat de beschikbaarheid van het eiwit-vaccin bijvoorbeeld in de uitnodigingsbrief voor de coronavaccinatie? Zo nee, waarom niet?
Nee, omdat het eiwitvaccin alleen bedoeld is voor mensen die om medische redenen geen mRNA-vaccin willen of kunnen ontvangen. Dit betreft een heel kleine groep mensen.
Is er bijvoorbeeld een tv-spotje of een andere media-uiting van de rijksoverheid geweest waarin expliciet werd vermeld dat er ook een eiwit vaccin beschikbaar is? Zo nee, waarom niet?
Nee, zie het antwoord op vraag 7.
Kunnen de bovenstaande vragen afzonderlijk en binnen drie weken worden beantwoord?
Ja.
Het afschaffen van de begeleidersregeling bij Nationaal Park Hoge Veluwe |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Rummenie , Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Extra kosten voor gehandicapten in NP De Hoge Veluwe?»1
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat er een klacht is ingediend bij het College voor de Rechten van de Mens aangaande deze maatregel?
Ja.
Hoeveel nationale parken in Nederland hanteren een begeleidersregeling? Bestaat er eenduidig, landelijk beleid voor een begeleidersregeling voor nationale parken en andere recreatieplekken? Zo nee, waarom niet?
Voor zover bekend hanteert alleen De Hoge Veluwe (een particulier park) de begeleidersregeling. Er is geen landelijk beleid voor begeleidersregelingen voor andere recreatievoorzieningen, dit valt onder regionaal beleid voor provincies en gemeenten.
Hoe rijmt het voornemen tot het afschaffen van de begeleidersregeling met artikel 5b, lid 1, en artikel 5c, lid 1 van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte?
Deze wet vereist dat personen met een beperking gelijke toegang hebben tot diensten/goederen en dat, indien nodig en voor zover aanpassing binnen de wet redelijk is, maatregelen worden genomen om personen met een handicap of chronische ziekte gelijke toegang te geven. Echter, deze maatregelen moeten wel redelijkerwijs mogelijk zijn en geen onevenredige belasting vormen. Dit uitgangpunt geldt ook voor toegang tot nationale parken. De Hoge Veluwe is een particulier park met eigen verantwoordelijkheid over haar toegangsbeleid.
Hoe reflecteert u op de toegankelijkheid van recreatie- en natuurparken binnen Nederland voor mensen met een beperking, waarbij er rekening wordt gehouden met de variatie in beperkingen en de verschillende behoeften per soorten beperking?
Nationale parken moeten voldoen aan de voorwaarden van de Wet gelijke behandeling en de Omgevingswet (Art.3.68 BKL). In de Omgevingswet is vastgelegd dat de gebieden zijn opengesteld voor bezoekers voor educatieve, culturele en recreatieve doeleinden, waarbij aan de openstelling voorwaarden en beperkingen kunnen worden verbonden met het oog op het behoud van de wezenlijke kenmerken van het gebied. De parken zijn zich bewust van het belang van een goede toegankelijkheid voor alle bezoekers en daarom wordt daar binnen de parken aandacht aan besteed. De recreatieparken in Nederland zijn particulier bezit, de rijksoverheid heeft daar geen zeggenschap over.
Welke rol ziet u voor uzelf en uw ambtscollega’s met betrekking tot het concreet verbeteren van de toegankelijkheid van recreatie voor mensen met een beperking?
Met de uitwerking van de werkagenda VN Verdrag Handicap zet de rijksoverheid stappen om natuur- en recreatieparken voor gehandicapten toegankelijk te maken. Door het Ministerie van Economische Zaken wordt in samenspraak met de recreatiesector een voorstel gemaakt voor mogelijke maatregelen op toegankelijke recreatie. Na vaststelling van deze maatregelen is het aan de recreatiesector om deze maatregelen uit te voeren. Hierin speelt de rijksoverheid een stimulerende, faciliterende en verbindende rol. Daar waar nodig worden organisaties in de sector hierop aangesproken.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met nationale parken, waaronder NP De Hoge Veluwe, over begeleidersregelingen, en mensen met een beperking en hun belangenorganisaties en hierin met hen op zoek te gaan naar een passende oplossing?
Het Ministerie van LVVN heeft veelvuldig contact met alle nationale parken. De parken zijn zich bewust van het belang van toegankelijkheid van hun park en besteden daar aandacht aan. In de gesprekken met de nationale parken zal het ministerie het belang van de gelijke toegang voor iedereen blijven benadrukken.
Hoe zal de European Disability Card (EDC), die in de toekomst ingevoerd zal worden in Nederland, zich verhouden tot de gehandicaptenparkeerkaart (GPK)?
De European Disability Card (EDC) dient als communicatiemiddel voor mensen met een beperking. De EDC kan worden gebruikt om toegang te krijgen tot specifieke toegankelijkheidsfaciliteiten die al beschikbaar zijn voor mensen met een beperking bij publieke of private dienstverleners, zowel nationaal als in andere Europese lidstaten.
De EDC zal bestaan naast de gehandicaptenparkeerkaart (GPK) die al tientallen jaren bestaat. Beide kaarten hebben hun eigen criteria voor toekenning en daarmee verschillende doelgroepen. De doelgroep van de EDC zal aanzienlijk ruimer zijn dan die van de GPK omdat de laatste alleen wordt verleend aan personen die door een aandoening redelijkerwijs een afstand van 100 meter niet te voet kunnen afleggen. De GPK speelt vooral een rol bij het parkeren op de openbare weg op de speciaal hiervoor gereserveerde plaatsen, meestal in combinatie met het specifieke verkeersbord dat in de regelgeving is vastgelegd. De kaart wordt door de gemeente verleend na onderzoek door een keuringsarts.
Het bericht 'Vaders niet vervolgd voor huiselijk geweld: ‘Niet in het belang van het kind’' |
|
Bente Becker (VVD) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB), Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vaders niet vervolgd voor huiselijk geweld: «Niet in het belang van het kind»»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat gerechtshoven in een substantieel aantal artikel 12-zaken besluiten om vervolging niet te gelasten met als reden dat het niet in het belang van het kind zou zijn?
Dat de belangen van het kind de eerste overweging vormen bij «alle maatregelen betreffende kinderen» (zoals rechterlijke beslissingen) is een belangrijke verdragsverplichting die is vastgelegd in artikel 3 van het Verdrag van de Rechten voor het Kind. Het is echter niet aan mij om in gerechtelijke beslissingen te treden.
Hoeveel zaken van huiselijk geweld worden er per jaar geseponeerd waarbij expliciet het argument «in het belang van het kind» wordt genoemd? Worden deze gegevens al bijgehouden? Zo ja, kunt u deze gegevens delen met de Kamer? Zo niet, bent u bereid dit te laten monitoren?
De inhoudelijke redenen voor een sepot worden niet systematisch gedocumenteerd op het niveau van individuele zaken. Enkel dossieronderzoek, dat veel tijd en capaciteit kost, zou hier meer inzicht in kunnen geven. Ik heb het vertrouwen dat het Openbaar Ministerie in staat is om de juiste afweging te maken in deze zaken, waarbij de belangen van slachtoffers, waaronder kinderen, voorop staan.
Op welke basis waarvan wordt het «belang van het kind» gewogen in beslissingen van het Openbaar Ministerie (OM) om huiselijk geweld niet te vervolgen? Zijn dit landelijke kaders of afhankelijk van het gerechtshof? In welke mate heeft u invloed op deze kaders?
Het belang van het kind wordt gewogen op grond van de bestaande (internationale en Europese) wet- en regelgeving, de beleidsregels van het Openbaar Ministerie en de stukken uit het strafdossier, waaronder rapportages die omtrent het kind zijn opgemaakt. De beleidsregels zijn voor wat betreft huiselijk geweldzaken neergelegd in de Richtlijn voor Strafvordering Huiselijk Geweld en de Aanwijzing Huiselijk Geweld en Kindermishandeling.
Landelijke richtlijnen en Aanwijzingen worden formeel vastgesteld door het College van Procureurs-Generaal. Ik heb dan ook geen directe invloed op deze kaders. Het is wel mogelijk via algemene beleidsaanwijzingen en wetgeving indirect invloed uit te oefenen op deze kaders.
Bent u bereid met het OM te bespreken een richtlijn te ontwikkelen voor zaken van huiselijk geweld waarbij kinderen zijn betrokken waarbij het uitgangspunt is dat bij een geweldsdelict niet geseponeerd wordt?
Uit de Richtlijn voor strafvordering Huiselijk Geweld volgt dat het uitgangspunt is dat bij zaken van huiselijk geweld wordt gedagvaard, vanwege de ernst van het plegen van geweld in afhankelijkheidsrelaties en de bestraffing die daarbij passend is.
Uit de Aanwijzing Huiselijk Geweld en Kindermishandeling volgt dat alleen zaken waarin sprake is van het ontbreken van letsel, dan wel (heel) licht letsel, het ontbreken van een dreiging van nieuw geweld, een eerste incident en/of een berouwvolle dader die hulp zoekt en aanvaardt, voor een OM-strafbeschikking in aanmerking komen. Verder kan aan een OM-strafbeschikking een gedragsaanwijzing worden verbonden conform artikel 257c lid 1 Sv, mits de verdachte door de officier van justitie is gehoord en zich bereid heeft verklaard zich aan de betreffende gedragsaanwijzing te houden. Delicten die met een buitengerechtelijke afdoening kunnen worden afgedaan zijn vernieling (art. 350 Sr), verbale bedreiging (art. 285 Sr) en eenvoudige mishandeling (art. 300 Sr).2 Andere delicten die vallen onder huiselijk geweld en belaging in de zin van stalking door een (ex-)partner of door iemand anders uit de huiselijke kring of privésfeer worden alleen buitengerechtelijk afgedaan bij hoge uitzondering met expliciete toestemming van de reclasseringsofficier.
Zowel uit de Richtlijn als de Aanwijzing van het Openbaar Ministerie volgt dat zaken die vallen onder huiselijk geweld in beginsel worden gedagvaard en in uitzonderlijke gevallen met een OM-strafbeschikking worden afgedaan.
Bent u bekend met het gegeven dat er geen wetenschappelijke onderbouwing bestaat voor de stelling dat het vervolgen van een ouder negatieve effecten heeft op kinderen? Zo ja, welke onderbouwing gebruikt het OM om dit argument wel te laten meewegen in de beslissing?
Het is bekend dat er geen eenduidige wetenschappelijke consensus bestaat over de negatieve effecten van vervolging van ouders op kinderen. Het Openbaar Ministerie weegt zijn beslissing tot vervolging zorgvuldig af op grond van alle dossierstukken, inclusief rapportages van deskundigen (waaronder de Raad voor de Kinderbescherming) en adviezen van (jeugd)hulpinstanties waarin de belangen van het kind zijn meegenomen. Op grond van alle informatie tezamen beslist het Openbaar Ministerie welk belang per individuele casus het zwaarst weegt.
Hoe verhoudt deze praktijk zich tot de algemene plicht van het OM om strafbare feiten te vervolgen? Deelt u de mening dat het een bijzonder voorbeeld schept dat er bij zaken van huiselijk geweld wel wordt geseponeerd in het belang van het kind waarbij juist het kind in sommige gevallen ook slachtoffer is, en in gevallen van bijvoorbeeld drugssmokkel dit argument niet wordt gebruikt?
Het Openbaar Ministerie heeft de wettelijke taak om strafbare feiten te vervolgen. Hierbij spelen ook maatschappelijke belangen mee, zoals de bescherming van kwetsbare kinderen. Het seponeren van zaken van huiselijk geweld in het belang van het kind raakt aan de taak en onafhankelijkheid van het Openbaar Ministerie. De vergelijking in de vraag toont de complexiteit van het vervolgingsmonopolie en de noodzaak voor een zorgvuldige afweging die elke keer opnieuw dient plaats te vinden wanneer er kinderen betrokken zijn.
Hoe ziet u het zelfstandig gebruik van het argument «in het belang van het kind» om af te zien van vervolging? Bent u het met de deskundigen in het artikel eens dat dit vrouwen en kinderen in situaties van huiselijk geweld extra kwetsbaar kan maken?
Het Openbaar Ministerie kan op grond van het opportuniteitsbeginsel beslissen om een zaak niet te vervolgen (artikel 167 en artikel 242 Sv). Uit de beleidsregels van het Openbaar Ministerie volgt echter dat bewijsbare huiselijk geweld zaken in beginsel wel worden vervolgd. In uitzonderlijke gevallen wordt daarvan afgezien, bijvoorbeeld wanneer het gaat om een gering feit of wanneer de pleger meteen verantwoordelijkheid heeft genomen door te bekennen en vrijwillig in behandeling te gaan voor bijvoorbeeld gedragsproblemen. Wanneer het Openbaar Ministerie besluit om niet te vervolgen, kan de zaak middels een artikel 12 procedure aan het gerechtshof worden voorgelegd om op die manier een vervolging te bewerkstelligen. De omstandigheid dat de belangen van het kind in elke individuele zaak zorgvuldig en als eerste overweging worden meegewogen, ook wanneer wordt beslist om niet te vervolgen, is op zichzelf een goede praktijk. Het is daarbij uiteraard van belang dat steeds wordt bezien of een beslissing om niet te vervolgen alle rechten en belangen van het kind, waaronder ook diens recht op bescherming tegen geweld, voldoende borgt. Uit verschillende onderzoeken volgt immers dat kinderen die getuige zijn van huiselijk geweld blijvend schade kunnen oplopen, en dat dit zelfs intergenerationeel kan doorwerken. Voor slachtoffers, nabestaanden en ook de maatschappij is het belangrijk dat een pleger wordt gestopt, en verantwoordelijk wordt gehouden voor zijn daden. Daar horen consequenties bij, zoals een straf en/of het zoeken naar hulp om het gebruik van geweld in de toekomst te voorkomen. Elke zaak is uniek. Dit betekent dat elke keer opnieuw een zorgvuldige afweging moet worden gemaakt tussen de verschillende belangen, waarbij die van het kind de eerste overweging vormen.
Hoe wordt geborgd dat slachtoffers van huiselijk geweld voldoende bescherming, rechtszekerheid en toegang tot het recht hebben wanneer het OM besluit niet te vervolgen?
Er zijn verschillende mogelijkheden om het slachtoffer te beschermen wanneer het Openbaar Ministerie besluit om een zaak niet te vervolgen. Wanneer sprake is van acute onveiligheid kan via de burgemeester een beroep worden gedaan op het tijdelijk huisverbod. Hiermee is het slachtoffer voor een periode van maximaal 28 dagen beschermd tegen de pleger, die dan het huis niet mag betreden en ook geen contact mag opnemen met het slachtoffer en de kinderen. Verder kan een melding worden gedaan bij Veilig Thuis die vervolgens een risico-inschatting kan doen en een veiligheidsplan kan opstellen. Wanneer hulpverleningsinstanties zoals Veilig Thuis concluderen dat sprake is van acute onveiligheid dan kan het slachtoffer – onder voorwaarden – in aanmerking komen voor een AWARE-knop. Dit is een draagbare noodknop waarmee de politie kan worden gealarmeerd in geval van acuut gevaar. De politie kan met behulp van die knop de locatie van het slachtoffer bepalen en snel ter plaatse komen.
Rechtszekerheid en toegang tot het recht zijn geborgd doordat een slachtoffer middels een kort geding bij de civiele rechter een contactverbod kan eisen. Tot slot kan een slachtoffer via een artikel 12-procedure bij het gerechtshof een vervolging afdwingen.
Kunt u deze vragen een voor een en voor het kerstreces beantwoorden in combinatie met de set schriftelijke vragen van het lid Becker van 17 november 2025?
De antwoorden op de set Kamervragen van 17 november 2025 zijn op 19 december 2025 verzonden. Helaas is het niet gelukt om onderhavige set Kamervragen voor het kerstreces te beantwoorden.
Het CPB-rapport 'Macro-economische effecten van hogere defensie-uitgaven' |
|
Maes van Lanschot (CDA) |
|
Vincent Karremans (VVD), Gijs Tuinman (BBB), Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Onderschrijft u de stelling van het CPB dat op een termijn van 1–4 jaar «de hogere defensie-uitgaven volledig ten koste gaan van andere economische activiteiten en geen extra toename van het bbp bewerkstelligen.»?1
Investeren in Defensie is in eerste instantie een investering in de veiligheid van Nederland en Europa. Veiligheid is een cruciale voorwaarde voor het goed functioneren van een economie. De baten van veiligheid zijn echter niet altijd makkelijk uit te drukken in economische waarden.
Het kabinet onderschrijft niet de stelling dat hogere defensie-uitgaven volledig ten koste gaan van andere economische activiteiten. Tegelijkertijd erkent het kabinet wel de door het CPB geschetste beperkingen voor extra economische groei op de korte termijn (1–4 jaar) in de Nederlandse context. Deze beperkingen hangen samen met structurele knelpunten, zoals de krapte op de arbeidsmarkt, ruimtelijke beperkingen en het risico op verdringing van bestaande economische activiteiten. Het CPB wijst er bovendien op dat de macro-economische effecten mede afhangen van de wijze van financiering (schulden, ombuigingen of belastingen), waarover besluitvorming aan een volgend kabinet is.
Defensie zet momenteel stappen op verschillende punten die het CPB benoemt. Met de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie (D-SII) 2025–20292 wordt ingezet op industrieversterkend inkopen in Nederland en Europa en op de gerichte opschaling van deze industrieën. Daarnaast kunnen defensie-investeringen bijdragen aan regionale economische activiteit, bijvoorbeeld rond defensielocaties en innovatieve ecosystemen. Het CPB geeft aan dat dergelijke investeringen kunnen leiden tot positieve economische spill-overeffecten, onder meer voor lokale ondernemers. Tegen deze achtergrond is de Nederlandse defensie-industrie tussen 2022 en 2023 gegroeid van circa € 5,7 mld. naar € 7,7 mld.
Daarbij merkt het kabinet op dat een belangrijk deel van de economische effecten van defensie-investeringen zich vooral op de middellange en lange termijn zal voordoen. Positieve economische effecten ontstaan vooral wanneer deze inzet gepaard gaat met gerichte investeringen in R&D, het realiseren van schaalvoordelen en het benutten van Nederlandse comparatieve voordelen, zoals uitgewerkt in de beantwoording van vraag 4.
Kunt u, indien dat niet het geval is, aangeven waar u verschillen ziet? Bijvoorbeeld ten aanzien van de onderliggende methodologie (literatuuronderzoek), de gebruikte data of de daaruit volgende conclusie.
Zie het antwoord op vraag 1.
Deelt u de mening dat we een «once in a generation» kans hebben om toe te groeien naar de afgesproken NAVO-norm van 3,5% én tegelijkertijd onze Nederlandse en Europese (defensie-)industrie te versterken?
Wij delen de opvatting dat de huidige situatie een bijzondere gelegenheid biedt om zowel de NAVO-norm van 3,5% defensie-uitgaven te realiseren als de Nederlandse en Europese defensie-industrie te versterken. Het is een kans om op een strategische manier te investeren in nationale veiligheid, noodzakelijke capaciteiten en technologische vernieuwing. Defensie en EZ werken samen met de Nederlandse industrie en onze NAVO-bondgenoten aan het benutten van de kansen voor de industrie.
Kunt u een overzicht geven van de knoppen waaraan uw ministeries op de korte (1–4 jaar) en langere termijn (5–15 jaar) kunnen draaien om de «defensie-multiplier» te verhogen?
Er zijn verschillende knoppen die benut (kunnen) worden om de economische effecten van Defensie-uitgaven op de (midden)lange termijn zo gunstig mogelijk te maken:
Tot slot geldt dat het oplossen van algemene knelpunten in de Nederlandse economie eraan bijdragen dat de bovenstaande knoppen tot minder verdringing van andere economische activiteiten plaatsvindt wanneer uitgaven aan defensie worden verhoogd.
Kunt u aangeven welke van deze knoppen u als meest kansrijk ziet? Kunt u een inschatting geven op hoofdlijnen aan de hand van de variabelen moeite (inclusief kosten) en impact?
Met de D-SII 2025–2029 heeft het kabinet reeds een belangrijke stap gezet om zowel de nationale en internationale veiligheid te garanderen als de economische baten te verhogen. Dit wordt gedaan door gecombineerde inzet op de beschreven knoppen. Dit draagt bij aan een sterke Nederlandse Krijgsmacht die een technologische voorsprong heeft op potentiële tegenstanders en toegang behoudt tot hoogwaardig, betaalbaar materieel waarbij leveringszekerheid noodzakelijk is. Ook zal de Economische beleidsanalyse (EBA) defensie-industrie in de tweede helft van 2026 een advies uitbrengen dat hier rekenschap van zal geven.
Kunt u aangeven welke initiatieven er vanuit uw ministeries ten aanzien van deze knoppen lopen?
Zie beantwoording vraag 4.
De Eurobarometer |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het volgende artikel: «De Eurobarometer tekent systematisch een te positief beeld van de EU»?1
Ja.
Hoe kijkt u aan tegen de bewering, gedaan in dit artikel, dat, vanwege een sterke oververtegenwoordiging van hoger opgeleiden in de (Nederlandse) steekproef van de Eurobarometer en een sterke non-reponse bias de Eurobarometer structureel en systematisch een (veel) te positief beeld van de Europese Unie geeft? Deelt u deze conclusie? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet vindt kwalitatief hoogwaardig opinieonderzoek belangrijk. Het is daarbij van belang dat bij opiniepeilingen verantwoording wordt afgelegd over de methodologie en steekproefselectie. Het Eurobarometer-onderzoek waar het nieuwsbericht naar verwijst (EP Winter 2025 survey), bevat uitleg over de methodologie en technische specificaties over hoe de streekproefselectie tot stand is gekomen.2 Het is verder niet aan het kabinet om zich uit te spreken over de uitvoering van dit opinieonderzoek.
Bent u ermee bekend dat zowel de opdrachtgever van de Eurobarometer als het onderzoeksbureau dat het onderzoek in Nederland uitvoert (Verian) door de auteurs van het bovengenoemde stuk zijn benaderd en daarmee dus weliswaar van dit probleem op de hoogte zijn gesteld, maar desalniettemin te kennen gaven dat «continuïteit» voor hen belangrijker was (dan accuraatheid) en daarom weigeren het onderzoek aan te passen? Wat vindt u van deze opstelling? Is, wat opinieonderzoek betreft, voor u continuïteit ook belangrijker dan accuraatheid?
De Eurobarometer is een opinie-instrument dat regelmatig wordt gebruikt in alle EU-lidstaten in opdracht van de Europese Commissie, het Europees Parlement en andere EU-instellingen en agentschappen om inzicht te krijgen in de publieke opinie in de EU-lidstaten. Het is verder niet aan het kabinet om zich uit te spreken over de uitvoering van opinieonderzoek.
Bent u bekend met dit artikel van het Max Planck Instituut getiteld «How the Eurobarometer blurs the line between research and propaganda»?2
Ja.
Hoe kijkt u aan tegen de conclusie van dit artikel, namelijk dat in de Eurobarometer door middel van selectie en framing van vragen, ongebalanceerde antwoordopties, insinuerende vragen, alsmede het strategisch verwijderen van vragen, systematisch een te rooskleurig beeld wordt gegeven van de publieke opinie met betrekking tot de Europese Unie in het algemeen en het doel van een «ever closer union» in het bijzonder? Deelt u de conclusie van dit (wetenschappelijk) artikel? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 2 en 3.
Maakt u zich zorgen over de kwaliteit van de Eurobarometer? Zo nee, waarom niet? Indien dit wel het geval is, wat gaat u met deze zorgen doen? Bent u bijvoorbeeld bereid de Europese Unie te bevragen over de betrouwbaarheid van de Eurobarometer? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 2 en 3.
Wordt de Eurobarometer door de rijksoverheid, bijvoorbeeld in beleidsstukken, Kamerbrieven of door instellingen zoals het CBS en SCP, als bron gebruikt? Zou het niet beter zijn hiermee te stoppen, niet alleen omdat de Eurobarometer inmiddels zo omstreden is, maar ook omdat het er sterk op lijkt dat de Eurobarometer niet een neutraal opinieonderzoek maar een propaganda-instrument van de Europese Unie is (geworden)?
In algemene zin gebruikt de Rijksoverheid voor beleidsstukken, Kamerbrieven en andere stukken informatie vanuit verschillende perspectieven en die herleidbaar is naar de bron. Informatie dient zoveel mogelijk onafhankelijk geverifieerd te kunnen worden. Op basis van deze informatie worden ambtelijke adviezen opgesteld waarbij het vervolgens aan de Minister is om een politieke afweging te maken.
Kunt u de bovenstaande zeven vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het niet naar tevredenheid beantwoorden van een vraag over de Catshuissessie met moslimjongeren |
|
Doğukan Ergin (DENK) |
|
Jurgen Nobel (VVD) |
|
|
|
|
Hoeveel berichten heeft u precies ontvangen toen u stelde dat uw inbox na de Catshuissessie «volstroomde» met reacties? Om welke inbox gaat het?
Tijdens het debat heb ik, in reactie op uw vragen over een Trouw-artikel over de Catshuissessie met moslimjongeren, aangegeven dat ik naast de in het artikel aangehaalde reacties ook andere reacties over het gesprek zelf heb ontvangen. Daarbij gaat het om deelnemers die ik na afloop van het gesprek gesproken heb en om een aantal berichten die ik van een van de deelnemers aan de Catshuissessie heb ontvangen in mijn persoonlijke LinkedIn-inbox.
Kunt u specificeren binnen welke datum en tijdspanne deze vermeende stroom aan berichten binnenkwam?
Hierbij gaat het om berichten die ik, na afloop van de Catshuissessie, op 27 augustus en op 29 augustus heb ontvangen.
Op basis van welke objectieve criteria kwam u tot de conclusie dat uw inbox «volstroomde»? Kunt u de onderbouwing van deze kwalificatie inzichtelijk maken?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 1 heb ik tijdens het debat verwoord dat ik van diverse aanwezigen andere reacties over het gesprek zelf heb ontvangen, zowel na afloop van het gesprek als later op digitale wijze.
Hoe rijmt u uw publieke bewering van een «stroom aan berichten» met uw weigering om deze correspondentie – zelfs volledig geanonimiseerd – met de Kamer te delen? Kunt u deze tegenstrijdigheid toelichten?
In uw eerdere Kamervragen is niet gevraagd naar een geanonimiseerde opsomming, maar naar «de volledige correspondentie, inclusief de reacties en berichten». In de beantwoording op deze vragen is toegelicht waarom het niet wenselijk is om de correspondentie op de gevraagde manier openbaar te maken. Ik vind het belangrijk dat burgers zich vrij voelen om hun ervaringen rechtstreeks met een bewindspersoon te delen. Dat kan alleen als zij erop kunnen vertrouwen dat hun persoonlijke berichten niet zonder meer openbaar worden gemaakt. Het waarborgen van dat vertrouwen is van groot belang voor een open en veilige uitwisseling tussen burgers en overheid, zeker bij gevoelige onderwerpen als discriminatie en uitsluiting. Daarbij gaat het hier om enkele betrokkenen.
Ondanks deze toelichting, houdt u vast aan uw verzoek. Een goede verhouding tussen parlement en kabinet acht ik van groot belang en vanzelfsprekend hecht ik waarde aan het, waar mogelijk, verstrekken van gevraagde inlichtingen. Daarom heb ik betrokkene geïnformeerd dat de correspondentie geanonimiseerd openbaar wordt gemaakt. Het gaat om twee berichten, verzonden op 27 en 29 augustus jongstleden.
In het eerste bericht wordt geschreven: «Hoi Jurgen, ik wil je graag even bedanken voor het gesprek van vandaag. Ik voelde dat je daar oprecht zat om te luisteren en helpen. Dat waardeer ik enorm. Ondanks (of door) de emoties en zwaarte, denk ik dat we de eerste «muren» hebben afgebroken en een hele mooie stap hebben gezet. Bedankt voor je bereidwilligheid, openheid en aanwezigheid ondanks de drukte!».
De reactie hierop is: «Goedemorgen [naam], bedankt voor je bericht. Ik vond het een constructief gesprek. Jammer van de negatieve berichtgeving over het overleg in de media.».
In het tweede bericht wordt geschreven: «Fijn om te horen. Ja dat is inderdaad jammer, maar ik kijk terug op een waardevol gesprek waarin we samen een mooie stap hebben gezet.».
Bent u bereid te bevestigen dat uw uitspraak over het «volstromen» van uw inbox gebaseerd is op feitelijk verifieerbare correspondentie? Zo ja, waarom weigert u dan de mogelijkheid tot verificatie?
Ja. Zie hiervoor verder het antwoord op vraag 1 en 4.
Kunt u uitsluiten dat uw uitspraak over een «stroom aan berichten» een overdrijving is geweest of een verkeerde indruk heeft gewekt over de werkelijke hoeveelheid reacties? Zo ja, waarop baseert u dat uitgesloten kan worden?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 1 en 4.
Waarom heeft u niet gekozen voor een geanonimiseerde opsomming van de ontvangen berichten bijvoorbeeld het aantal reacties, de globale aard van de inhoud, de verhouding tussen positieve en negatieve signalen zodat de Kamer kan toetsen of uw uitspraak feitelijk juist was?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 4.
Vindt u het verantwoord om in een parlementair debat een beroep te doen op de hoeveelheid ontvangen reacties, terwijl u vervolgens geen enkele vorm van onderbouwing of verificatie verstrekt aan de Kamer?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 4.
Erkent u dat uw weigering om enige onderbouwing te geven bij uw claim van een «stroom aan berichten» de indruk kan wekken dat deze stroom niet (in die omvang) heeft plaatsgevonden? Waarom wel of niet?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 1 en 4.
Waarom duurde het 69 dagen voordat u met een antwoord kwam dat geen aantallen noemt, geen categorisering bevat en geen enkele onderbouwing geeft van uw publieke uitspraak?
Het verzoek om de correspondentie ziet toe op mondelinge gesprekken en ontvangen berichten in mijn persoonlijke LinkedIn-inbox. Het beoordelen van de wijze waarop deze informatie openbaar gemaakt kan worden, kostte meer tijd dan op voorhand voorzienbaar was.
Kunt u toelichten op basis van welke concrete uitzonderingsgrond uit de Wet open overheid (Woo) u heeft besloten om geen enkel onderdeel van de door u genoemde berichten te verstrekken, ook niet in geanonimiseerde of samengevatte vorm, terwijl de Woo nadrukkelijk mogelijkheden biedt voor gedeeltelijke openbaarmaking en anonimisering? Welke Woo-grond past u precies toe, en waarom?
Voor de goede orde merk ik op dat voor de informatievoorziening aan de Kamer niet de Woo, maar artikel 68 van de Grondwet het wettelijk kader vormt. Zoals ik in het antwoord in vraag 4 heb toegelicht is de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen aan de orde. Daarbij vind ik het belangrijk dat burgers zich vrij voelen om hun ervaringen rechtstreeks met een bewindspersoon te delen, zonder dat zij bang hoeven te zijn dat deze berichten openbaar worden gemaakt. Deze uitleg heeft u niet op andere gedachten gebracht. Nu ik een goede verhouding tussen parlement en kabinet van groot belang achten waarde te hecht aan het, waar mogelijk, verstrekken van gevraagde inlichtingen, heb ik betrokkene geïnformeerd dat de correspondentie openbaar wordt gemaakt.
Ik kom aan uw verzoek tegemoet door bij vraag 4 de geanonimiseerde versie van berichten te verstrekken.
Kunt u aan de Kamer geanonimiseerd doen toekomen de volledige correspondentie, inclusief de reacties en berichten die u naar eigen zeggen na de Catshuissessie over moslimdiscriminatie in uw inbox heeft ontvangen, en deze openbaar maken zodat de Kamer inzicht krijgt in de zorgen, pijnlijke ervaringen en kritische signalen die daaruit naar voren zijn gekomen, mede in het licht van de uitlatingen van deelnemers die aangeven met «buikpijn» uit het gesprek te zijn gekomen en die politici die bij dit gesprek aanwezig waren ervoeren als faciliterend aan moslimhaat? Zo nee, waarom niet?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 4.
Ziet u in dat uw weigering om de door u zelf aangehaalde correspondentie met de Kamer te delen de situatie creëert waarin Kamerleden zich genoodzaakt kunnen voelen om via de Woo toegang tot informatie te vragen, en acht u dat wenselijk in het licht van de verhouding tussen parlement en kabinet?
Zoals aangegeven is voor de informatievoorziening aan de Kamer niet de Woo, maar artikel 68 van de Grondwet het wettelijk kader. Het recht op inlichtingen van een Kamerlid op grond van artikel 68 van de Grondwet is minimaal even sterk als het recht op openbaarheid onder de Woo. Kamerleden hoeven zich dan ook niet op de Woo te beroepen om toegang tot informatie te krijgen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden en binnen de gestelde termijn beantwoorden?
Op 16 december 2025 heeft u hieromtrent een uitstelbrief ontvangen.
De stand van zaken bij de aanpak van speculatieve grondhandel |
|
André Flach (SGP) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD), Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Maatschappelijke en juridische ontwikkelingen bij de windhandel in opgeknipte agrarische percelen»?1
Ja, daar heb ik kennis van genomen.
Waarom is de Kamer nog steeds niet geïnformeerd over de uitkomst van het toegezegde ambtelijke onderzoek naar de aanpak van speculatieve grondhandel?2
Uw Kamer is op 20 november 2025 bij brief, mede namens de Minister van Financiën en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, geïnformeerd over de uitkomst van het ambtelijk onderzoek naar maatregelen om speculatieve grondhandel met opgesplitste percelen gericht op particulieren te voorkomen en tegen te gaan.3 In diezelfde brief is uw Kamer geïnformeerd over de uitkomsten van een extern onderzoek naar een splitsingsverbod bij speculatieve grondhandel,4 en over een update door het Kadaster van de inzichten over de aard en omvang van de voorliggende problematiek.5
Wat is de stand van zaken van het genoemde ambtelijke onderzoek? Wanneer wordt de uitkomst met de Kamer gedeeld?
Zie het antwoord op vraag 2.
Deelt u de analyse dat het voor consumenten niet eenvoudig is om een gesloten koopovereenkomst voor opgeknipte landbouwpercelen ontbonden te krijgen en verhaal te halen?
Een consument heeft meerdere privaatrechtelijke mogelijkheden om een met een grondhandelaar gesloten koopovereenkomst over een gesplitst perceel te vernietigen.6 Zo kan een consument zich onder andere beroepen op een oneerlijke handelspraktijk, dwaling, bedreiging, bedrog, misbruik van omstandigheden of de onbepaalbaarheid van de koop. Uit de rechtspraak blijkt dat een beroep op een oneerlijke handelspraktijk of dwaling het meest voorkomt. Er is sprake van een oneerlijke handelspraktijk7 als de handelaar informatie heeft verstrekt die feitelijk onjuist is of de informatie op zodanige wijze heeft gepresenteerd dat de consument daardoor wordt misleid en de gemiddelde consument door die misleiding een besluit over de overeenkomst neemt, dat hij anders niet had genomen. Dit kan het geval zijn als het verkochte perceel de functie van «landbouwgrond» heeft en de grondhandelaar de – onjuiste – suggestie heeft gewekt dat een (omgevings)planwijziging op komst is, waardoor de grond een waardesprong zal maken en daarmee rendement oplevert. Bij een beroep op dwaling8 gaat het om het ontbreken van een juiste voorstelling van zaken, waardoor de consument een overeenkomst heeft gesloten die hij anders niet of niet op dezelfde voorwaarden zou zijn aangegaan. De dwaling moet te wijten zijn aan een mededeling of het zwijgen van de grondhandelaar, of beide partijen moeten van dezelfde onjuiste veronderstelling zijn uitgegaan (wederzijdse dwaling).
De consument die meent dat sprake was van dwaling of een oneerlijke handelspraktijk kan de overeenkomst vernietigen door een buitengerechtelijke verklaring te doen aan de handelaar, bijvoorbeeld in de vorm van een brief, of door een procedure bij de rechter te starten. Door vernietiging verliest de overeenkomst met terugwerkende kracht haar werking. Reeds verrichte prestaties, zoals betaling van de koopsom, kunnen worden teruggevorderd als onverschuldigde betaling. Indien de consument een beroep doet op een oneerlijke handelspraktijk, rust de bewijslast voor de juistheid en volledigheid van de verstrekte informatie op de handelaar. Een handelaar die een oneerlijke handelspraktijk heeft verricht, heeft bovendien onrechtmatig gehandeld jegens de consument en is daarmee in beginsel aansprakelijk voor de schade die de consument als gevolg daarvan heeft geleden.
Indien een consument de koopovereenkomst heeft vernietigd, is hiermee tevens een eventueel in de koopovereenkomst opgenomen boetebeding vernietigd. In de praktijk komt het namelijk voor dat een grondhandelaar een boetebeding heeft opgenomen in de koopovereenkomst met de consument. Dit beding kan bijvoorbeeld inhouden dat de consument een boete verbeurt als hij de koopovereenkomst buitengerechtelijk ontbindt. Ook komt het voor dat de grondhandelaar een beding opneemt dat inhoudt dat de consument geen beroep kan doen op ontbinding of vernietiging van de overeenkomst. Dit kan de koper afschrikken om gebruik te maken van zijn wettelijke mogelijkheden om af te zien van de koop. Zo’n beding doet echter niets af aan de hiervoor genoemde mogelijkheden om de koopovereenkomst te vernietigen. Ook kan de rechter onder omstandigheden een dergelijk beding terzijde schuiven op de grond dat het beding op grond van de redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.9 Als het beding is opgenomen in de algemene voorwaarden kan de rechter het beding vernietigen als het onredelijk bezwarend is voor de consument.10
In aanvulling op de bestaande mogelijkheden voor consumenten om van de koopovereenkomst af te komen, zullen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid en ik de wenselijkheid van een wettelijke bedenktijd bij de aankoop van grond door consumenten onderzoeken. Deze verkenning is aangekondigd in de Kamerbrief van 20 november 2025. Een dergelijke wettelijke bedenktijd geldt reeds bij de koop van een woning door een particulier (consument). De consument krijgt dan gedurende drie dagen na het sluiten van de koopovereenkomst het recht de overeenkomst te ontbinden. Met een bedenktijd krijgt een consument tijd om na te denken over zijn aankoop. In die periode kan de consument de door de verkoper verschafte informatie nagaan en tevens kan de consument, wanneer deze onder druk is gezet door een grondhandelaar om een beleggingsperceel te kopen, alsnog eenvoudig van de koop afzien. Het invoeren van een wettelijke bedenktijd voor particuliere kopers van grond zou deze kopers dus extra bescherming kunnen bieden. In de verkenning wordt onderzocht in hoeverre een wettelijke bedenktijd een oplossing kan zijn om consumenten beter te beschermen en malafide praktijken rondom speculatieve grondhandel tegen te gaan.
Deelt u de analyse dat het versnipperen van eigendomsrechten van landbouwpercelen onwenselijk is vanuit het oogpunt van gebiedsontwikkeling?
Waar dergelijke versnippering plaatsvindt en ter plaatse tevens sprake is van gebiedsontwikkeling, is dit versnipperen onwenselijk. In het ambtelijke onderzoek is een groot aantal maatregelen rond het thema speculatieve grondhandel gericht op particulieren onderzocht en beoordeeld. Bij de beoordeling van de maatregelen is betrokken, dat op landelijke schaal de reguliere gebiedsontwikkeling nauwelijks wordt gehinderd. Het onderzoeksrapport van het Kadaster bevestigt het eerdere beeld dat het aandeel beleggingspercelen op het totaal van de landbouwgrond klein is.11 Uit het onderzoek van het Kadaster blijkt verder dat er bij speculatieve grondhandel slechts in zeer zeldzame gevallen sprake is geweest van grond die ten behoeve van een gebiedsontwikkeling weer is verkocht (of onteigend). Grondhandelaren die zich richten op particulieren wekken namelijk de – meestal onjuiste – suggestie dat een (omgevings)planwijziging met een gebiedsontwikkeling op komst is. Wanneer toch een gebiedsontwikkeling is voorzien ter plaatse van versnipperde percelen kan niet worden uitgesloten dat deze vanwege de complexiteit en het aantal eigenaren, leidt tot een vertraging in de gebiedsontwikkeling. Omdat de overheid beschikt over instrumenten als het voorkeursrecht en onteigening, staan versnipperde eigendomsposities niet per definitie in de weg aan de verwezenlijking van ruimtelijke plannen.
Kunt u, zowel kwalitatief als kwantitatief, de gevolgen van de geschetste speculatieve grondhandel voor de woningbouw duiden?
Zie het antwoord op vraag 5 alsmede de Kamerbrief van 20 november waarin de onderzoeken van het Kadaster toegelicht worden.
Hoe waardeert u de analyse van het Kadaster dat de windhandel leidt tot vervuiling van kadastrale registers, omdat voorlopige grensaanduidingen bij transacties niet opgevolgd worden door definitieve grensvaststellingen, en dat percelen hiermee de facto onverkoopbaar worden en geen rechten als overpad, erfpacht en opstal gevestigd kunnen worden?
Op deze bredere problematiek die het Kadaster schetst, ga ik in mijn brief van 20 november 2025 in. Een gedachte hierbij is om nieuwe perceelsgrenzen definitief vast te stellen voorafgaand aan de eigendomsoverdracht en inschrijving. Het ter plaatse moeten verschijnen voor een fysieke inmeting, zou de grondhandel kunnen tegengaan. Echter, dit stuit op problemen in de uitvoeringspraktijk van reguliere gebiedsontwikkeling. Voor een nadere toelichting verwijs ik naar voornoemde brief. Over de problematiek rond het achterwege blijvende definitieve grensvaststelling gaat het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (verder) met het Kadaster in gesprek.
Hoe waardeert u de constatering dat de rechtspraak, de rechtswetenschap en de rechtspraktijk inmiddels het standpunt inneemt dat het aanbieden van opgeknipte kavels landbouwgrond voor handelaren een vergunningplichtige activiteit in het kader van de Wet financieel toezicht is? Wat betekent dit voor de opstelling van de Autoriteit Financiële Markten (AFM)?
Of er sprake is van een vergunningplichtige activiteit is afhankelijk van de casus. Hierbij speelt het beheercriterium een cruciale rol, zoals beschreven in de Kamerbrief. Wanneer speculatieve grondhandel kwalificeert als beleggingsobject is dit reeds vergunningplichtig onder de Wet op het financieel toezicht (Wft). Daarnaast kunnen de toezichthouders Autoriteit Financiële Markten (AFM) en Autoriteit Consument en Markt (ACM) optreden tegen oneerlijke handelspraktijken. Daarbij geldt dat de AFM belast is met de handhaving voor zover sprake is van een financiële dienst of activiteit en de ACM voor zover daar geen sprake van is. Indien de toezichthouders constateren dat een grondhandelaar zich bedient van oneerlijke handelspraktijken, hebben zij diverse (handhavings)instrumenten tot hun beschikking. Zo kunnen zij onder meer een zelfstandige last, bestuurlijke boete of last onder dwangsom opleggen. De AFM en de ACM beoordelen individuele casussen op dit terrein en zullen op grond van hun mandaat optreden als dat mogelijk en noodzakelijk is.
De gedachte de opsplitsing van grond zelf aan een vergunning te binden, of om grondhandelaren aan een vergunningstelsel te binden, is uitgebreid onderzocht. Een dergelijke maatregel is niet doeltreffend en doelmatig. In de brief van 20 november 2025 is dit nader toegelicht.
Hoe waardeert u de in het artikel genoemde voorstellen: een vergunningplicht in het kader van de Wet financieel toezicht, inzet van notarissen om oorspronkelijke verkoopprijzen te vermelden en de inzet van het Kadaster om voor kleine agrarische percelen een uitmeting van de grenzen te vereisen?
Voor het antwoord inzake een vergunningplicht verwijs ik naar antwoord 8.
Het voorstel om notarissen de oorspronkelijke verkoopprijzen te laten melden ziet op vermelding in de leveringsakte. De notaris komt namelijk in beeld indien koper en verkoper zover zijn dat ze tot de juridische levering willen overgaan. De oorspronkelijke verkoopprijs is dan pas zichtbaar nadat de koper de koopovereenkomst heeft gesloten en de notaris de leveringsakte heeft opgemaakt.
Notarissen zijn bij de uitoefening van hun ambt verplicht te voldoen aan hoge maatstaven die gelden ten aanzien van de zorg- en informatieplicht. Indien de notaris constateert dat de gesloten koop een speculatief karakter heeft, dan dient de notaris de koper daarop te wijzen en de risico’s van een dergelijke transactie aan hem uit te leggen. Hij moet zich ervan vergewissen dat de koper zich goed bewust is van dat speculatieve karakter en de transactie desondanks wil.12 Het speculatieve karakter van de transactie kan de notaris bijvoorbeeld constateren, wanneer hij een onwaarschijnlijk waardeverschil ziet tussen de aan- en verkoopprijs van de grond. Daarnaast moet de notaris onder omstandigheden zijn dienstverlening bij een onverklaarbare prijsstijging weigeren.
Ten aanzien van de inzet van het Kadaster verwijs ik naar antwoord 7. In het kader van de op landelijke schaal relatief beperkte omvang van de problematiek van deze grondhandel ligt het niet voor de hand deze rol te veranderen. In de eerdergenoemde brief wordt hier nader op ingegaan.
Hoe wilt u op korte termijn ongewenste speculatieve grondhandel inperken? Wat verwacht u daarbij concreet van betrokken partijen als de AFM, het notariaat en het Kadaster?
Ik verwijs u naar de aangekondigde maatregelen in de Kamerbrief die ik mede namens de Minister van Financiën en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan uw Kamer heb gestuurd. De Kamerbrief van 20 november 2025 introduceert een aantal maatregelen om deze speculatieve grondhandel aan te pakken. Zo zal er online voorlichting vanuit het Rijk komen. Ook verkent de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid samen met mij de komende periode, de wenselijkheid van de invoering van een wettelijke bedenktijd voor particuliere kopers van grond. Daarnaast blijf ik de ontwikkelingen van deze praktijk volgen en wordt het Kadaster periodiek om een update van het aantal beleggingspercelen gevraagd.