De groep mensen die hun coronatoegangsbewijs verliezen |
|
Maarten Hijink |
|
Kuipers |
|
Hoe snel groeit de groep mensen van wie het coronatoegangsbewijs (CTB) op basis van vaccinatie of herstel verloopt, als gevolg van de recente wijzigingen in de geldigheidsduur van het CTB?
De geldigheidsduur van het 3G-coronatoegangsbewijs is gelijkgetrokken met die van het DCC. Beiden vervallen bij mensen die de basisserie afgerond hebben en niet binnen 9 maanden na de bassiserie een boostvaccinatie halen, of bij hen die hersteld zijn van een COVID-19-besmetting en niet (volledig) gevaccineerd zijn 180 dagen na de besmetting. Er vervallen dagelijks 3G-ctb’s en het is niet mogelijk om hier een vast aantal per dag voor te geven. Dit hangt namelijk af van verschillende factoren zoals het aantal gezette vaccinaties per dag, doorgemaakte COVID-19-besmettingen en de overlap hiertussen.
De inzet van het 3G-ctb is per 25 februari vervallen, waardoor er geen ctb’s meer gebruikt worden op basis van vaccinatie of herstel. Vanaf 25 februari kan met een coronatoegangsbewijs toegang worden verkregen op basis van een negatief testbewijs (1G). De inzet hiervan is beperkt tot locaties waar meer dan 500 bezoekers ongeplaceerd per binnenruimte aanwezig (kunnen) zijn. Vanaf 23 maart vervalt ook het 1G-coronatoegangsbewijs voor deze locaties. Het vervallen van het ctb op basis van vaccinatie of herstel heeft dus sinds 25 februari geen consequenties voor het verkrijgen van toegang tot plaatsen binnen Nederland.
Hoeveel mensen zullen op 15 februari aanstaande hun CTB op basis van de basisvaccinatiereeks zijn verloren als gevolg van de inkorting van de geldigheidsduur, uitgaande van de huidige boostergraad?
De antwoorden op onderstaande vragen (tot en met vraag 12) zijn door het RIVM berekend op basis van GGD-data. Hierbij is vaccinatiedata gekoppeld aan besmettingsdata. De peildatum van deze data is 3 maart 2022. Het is daarbij mogelijk dat vervallen ctb’s weer geactiveerd zijn, omdat er alsnog een boostprik gehaald is. Daarnaast is het ook mogelijk dat iemand voor de vervaldatum in de toekomst alsnog een boostprik haalt of een COVID-besmetting doormaakt, deze zal dan uit de dataset vallen. De cijfers in navolgende antwoorden zijn dus indicatief. De cijfers in de antwoorden op de vragen 4, 5, 6, 9, 10, 11 en 12 hebben in verband met het vervallen van 3G geen feitelijke betekenis.
De data is op persoonsniveau voor Nederlanders van 18 jaar en ouder. Hierbij is rekening gehouden met het ctb met de langste duur. Als bijvoorbeeld een vaccinatiebewijs zou verlopen op 1 maart, maar er nog een herstelbewijs actief is tot 15 april, is deze meegenomen bij 15 april.
Al voor het inkorten van de geldigheid was voor circa 87.000 personen het herstelbewijs van 365 dagen verlopen. Op 15 februari jl. was bij circa 258.000 mensen hun ctb op basis van de basisvaccinatiereeks verlopen als gevolg van de inkorting van de geldigheidsduur.
Hoeveel mensen zullen op 1 maart aanstaande hun CTB op basis van de basisvaccinatiereeks zijn verloren als gevolg van de inkorting van de geldigheidsduur, uitgaande van de huidige boostergraad?
Op 1 maart is naar schatting van nog eens circa 116.000 mensen hun ctb op basis van de basisvaccinatiereeks verlopen als gevolg van de inkorting van de geldigheidsduur.
Hoeveel mensen zullen op 15 maart aanstaande hun CTB op basis van de basisvaccinatiereeks zijn verloren als gevolg van de inkorting van de geldigheidsduur, uitgaande van de huidige boostergraad?
Op 15 maart zal bij naar schatting van nog eens circa 152.000 mensen hun ctb op basis van de basisvaccinatiereeks verlopen als gevolg van de inkorting van de geldigheidsduur als zij geen boostprik gaan halen.
Hoeveel mensen zullen op 1 april aanstaande hun CTB op basis van de basisvaccinatiereeks zijn verloren als gevolg van de inkorting van de geldigheidsduur, uitgaande van de huidige boostergraad?
Op 1 april zal bij naar schatting van nog eens circa 255.000 mensen hun ctb op basis van de basisvaccinatiereeks verlopen als gevolg van de inkorting van de geldigheidsduur als zij geen boostprik gaan halen.
Hoeveel mensen zullen op 15 april aanstaande hun CTB op basis van de basisvaccinatiereeks zijn verloren als gevolg van de inkorting van de geldigheidsduur, uitgaande van de huidige boostergraad?
Op 15 april zal bij naar schatting van nog eens circa 254.000 mensen hun ctb op basis van de basisvaccinatiereeks verlopen, als gevolg van de inkorting van de geldigheidsduur als zij geen boostprik gaan halen.
Hoe groot was de groep waarvan het CTB op basis van herstel verliep, als gevolg van de inkorting van de geldigheidsduur naar 180 dagen, op het moment dat deze wijziging in werking trad?
Op 8 februari jl. zijn naar schatting circa 95.000 mensen hun ctb op basis van herstel verloren door de inkorting van de geldigheidsduur van het herstelbewijs naar 180 dagen.
Hoeveel mensen zullen op 15 februari aanstaande hun CTB op basis van herstel zijn verloren als gevolg van de inkorting van de geldigheidsduur, die zonder deze wijziging nog wel een CTB zouden hebben, uitgaande van de huidige boostergraad?
Op 15 februari is bij naar schatting van nog eens circa 100.000 mensen hun ctb op basis van herstel verlopen als gevolg van de inkorting van de geldigheidsduur.
Hoeveel mensen zullen op 1 maart aanstaande hun CTB op basis van herstel zijn verloren als gevolg van de inkorting van de geldigheidsduur, die zonder deze wijziging nog wel een CTB zouden hebben, uitgaande van de huidige boostergraad?
Op 1 maart is bij naar schatting van nog eens circa 10.000 mensen hun ctb op basis van herstel verlopen als gevolg van de inkorting van de geldigheidsduur.
Hoeveel mensen zullen op 15 maart aanstaande hun CTB op basis van herstel zijn verloren als gevolg van de inkorting van de geldigheidsduur, die zonder deze wijziging nog wel een CTB zouden hebben, uitgaande van de huidige boostergraad?
Op 15 maart zal bij naar schatting van nog eens circa 9.000 mensen hun ctb op basis van herstel verlopen als gevolg van de inkorting van de geldigheidsduur als zij niet voor die tijd een (boost)vaccinatie halen.
Hoeveel mensen zullen op 1 april aanstaande hun CTB op basis van herstel zijn verloren als gevolg van de inkorting van de geldigheidsduur, die zonder deze wijziging nog wel een CTB zouden hebben, uitgaande van de huidige boostergraad?
Op 1 april zal bij naar schatting van nog eens circa 8.000 mensen hun CTB op basis van herstel verlopen als gevolg van de inkorting van de geldigheidsduur als zij niet voor die tijd een (boost)vaccinatie halen.
Hoeveel mensen zullen op 15 april aanstaande hun CTB op basis van herstel zijn verloren als gevolg van de inkorting van de geldigheidsduur, die zonder deze wijziging nog wel een CTB zouden hebben, uitgaande van de huidige boostergraad?
Op 15 april zal bij naar schatting van nog eens circa 13.000 mensen hun CTB op basis van herstel verlopen als gevolg van de inkorting van de geldigheidsduur als zij niet voor die tijd een (boost)vaccinatie halen.
Bent u nog steeds van mening dat de inkorting van de geldigheid van het CTB een proportionele maatregel was?
Het ctb wordt alleen ingezet zolang het proportioneel en epidemiologisch noodzakelijk is. Daarom is er ook voor gekozen om het 3G-ctb per 25 februari te laten vervallen en het 1G-ctb met ingang van 23 maart te laten vervallen.
De epidemiologische situatie is eind december 2021 sterk veranderd door de introductie van de inmiddels dominante omikronvariant. De effectiviteit van de primaire vaccinatieserie tegen ziekenhuisopname, besmetting en infectie neemt af naarmate het moment van vaccineren langer geleden is. Ook naarmate iemand langer geleden hersteld is van een infectie, neemt de kans op herinfectie toe. Dit effect is bovendien versterkt door de intrede van de omikronvariant. De reeds opgebouwde immuniteit kan door nieuwe varianten makkelijker worden omzeild1.
Het doel van het ctb is om de samenleving voor iedereen eerder te heropenen en langer open te houden. Dat doel kan alleen worden bereikt als bewijzen op basis van vaccins en doorgemaakte infecties in voldoende mate bescherming tegen transmissie en ziekenhuisopnames. Gegeven dat doel, en de afnemende mate van bescherming naarmate de tijd vordert, vind ik het proportioneel om de geldigheidsduur voor bewijzen op basis van herstel en vaccinatie aan te passen.
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk te beantwoorden en deze antwoorden voor het eerstvolgende debat over de ontwikkelingen rondom het coronavirus naar de Kamer te sturen?
Ik heb er naar gestreefd uw vragen zo snel mogelijk te beantwoorden.
De zorgwekkende frisdrankconsumptie van jongeren. |
|
Eva van Esch (PvdD) |
|
Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Drie keer per dag cola en dan nog een sapje; Amsterdamse jongere drinkt te veel frisdrank»?1
Ja
Bent u ook geschrokken van de uitkomsten van het onderzoek van de GGD Amsterdam naar de frisdrankconsumptie onder Amsterdamse jongeren?
Het is mij bekend dat onder andere jongeren (veel) meer frisdrank drinken dan geadviseerd wordt. Ik vind het wel ernstig dat kinderen en jongeren al zulke ongezonde gewoontes hebben omdat ongezond eten en drinken op jonge leeftijd vaak een voorbode is voor ongezondheid op latere leeftijd, bijvoorbeeld door overgewicht. Daarnaast is frequente consumptie van suikerhoudende dranken slecht voor de tanden.
Bent u bereid een vergelijkbaar landelijk onderzoek te doen naar de frisdrankconsumptie onder jongeren?
Nee, dat ben ik niet van plan. In opdracht van VWS voert het RIVM regelmatig voedselconsumptiepeilingen (VCP) uit onder de algemene bevolking van 1 tot 79 jaar. Met deze peiling worden gegevens verzameld over wat, wanneer en waar geconsumeerd wordt door verschillende leeftijdsgroepen. Uit de VCP komen landelijke cijfers over de frisdrankenconsumptie en hiermee kan bijvoorbeeld ook de bijdrage van de frisdrankconsumptie aan de totale consumptie van suikers in beeld worden gebracht. Dit najaar verwacht ik de publicatie van nieuwe cijfers van de meest recente peiling (2019–2021).
Resultaten van de VCP zijn te zien op www.wateetnederland.nl.
Wat doet u momenteel om de frisdrankconsumptie onder jongeren te verminderen?
Voor kinderen en jongeren werk ik aan een gezonde schoolomgeving waarin bijvoorbeeld het drinken van water wordt gestimuleerd en het gebruik van suikerhoudende frisdrank wordt ontmoedigd. Een voorbeeld is dat waterdrinken een bindend uitgangspunt is van de Gezonde School-aanpak2. Vanuit de subsidieregeling watertappunten hebben meer dan 900 scholen (po, vo en mbo) een watertappunt gerealiseerd.
Via het Akkoord Gezonde Voeding Op Scholen (2021–2025) werken JOGG en Voedingscentrum samen met aanbodbepalende partijen als cateraars, groothandels, voedselproducenten en leveranciers. Dit helpt scholen ook bij het bereiken van een Gezonde Schoolkantine.
Deze inzet heeft er toe bijgedragen dat het aanbod aan frisdrank op scholen de afgelopen jaren is veranderd. Dranken op scholen bevatten steeds minder suikers. Veel regular dranken zijn vervangen door calorie loze en light varianten.
De verschuiving in het frisdrankaanbod komt ook voort uit de toezegging in het preventieakkoord van de Nederlandse frisdranksector om de hoeveelheid calorieën (suiker) in het volume aan drank dat ze verkopen met 30% te verlagen in 2025 (ten opzichte van 2012). Dit doen ze onder andere door meer marketing voor calorie loze of light producten op de markt. Er zijn ook waters met een smaakje op de markt bijgekomen die weinig calorieën bevatten. Daarnaast hebben de Nederlandse frisdrankproducenten in het Nationaal Preventie Akkoord afgesproken per 2019 te stoppen met de verkoop van de traditionele, suikerhoudende frisdranken aan middelbare scholen en adviseren ze betreffende cateraars alleen nog water en laagcalorische en calorievrije frisdranken te verkopen.
In het Nationaal Preventieakkoord hebben partijen zich verbonden aan productverbetering. De nieuwe aanpak hiervoor heb ik recent aan uw Kamer gestuurd3. Het verbeteren van de samenstelling van frisdrank is onderdeel van deze nieuwe aanpak.
In het coalitieakkoord is hier bovenop aangekondigd dat de belasting op frisdranken wordt verhoogd.
Kunt u in gesprek gaan met het Voedingscentrum en eventueel andere betrokkenen om de voorlichting aan jongeren over de ongezonde eigenschappen van vruchtensap te verbeteren?
Educatie is een belangrijke pijler binnen de Gezonde School-aanpak. Erkende educatieprogramma’s die onderdeel van deze aanpak zijn, zoals Smaaklessen, leren kinderen wat gezonde en ongezonde dranken zijn. Er wordt bijvoorbeeld behandeld waarom water de beste dorstlesser is en wat de nadelen zijn van frisdrank.
Gaat de invoering van de Nutri-Score jongeren helpen om ongezonde vruchtensappen en frisdrank voortaan te laten staan?
Nutri-Score kan consumenten helpen om producten uit dezelfde productgroep met elkaar te vergelijken. Nutri-Score geeft aan mineraal- en bronwater een donker groene A. Suikerhoudende frisdranken én vruchtensap krijgen over het algemeen een Score C of lager. Nutri-Score maakt dus inzichtelijk wat de gezondere optie is en is daarmee een hulpmiddel, ook voor jongeren, om die gezondere keuze in de winkel of online te maken.
Wanneer verwacht u dat consumenten de Nutri-Score op alle verpakkingen terug kunnen vinden?
Het definitieve besluit over de invoering van Nutri-Score in Nederland heb ik nog niet genomen. Hiervoor wacht ik op de uitkomsten van de evaluatie van het algoritme van Nutri-Score die momenteel wordt uitgevoerd door een internationaal wetenschappelijk comité.
Als Nederland besluit tot invoering kunnen levensmiddelenfabrikanten en supermarkten vrijwillig kiezen om het logo te gebruiken. Op een aantal producten in het winkelschap zien we al het Nutri-Score logo. Het gaat in dit geval om producten die in buitenlandse bedrijven zijn geproduceerd en daarom met het logo legaal op de Nederlandse markt mogen worden afgezet (wederzijdse erkenning), of om pilots. De verwachting is dat het aantal verpakkingen met Nutri-Score snel en sterk zal toenemen zodra het besluit tot invoering van Nutri-Score in Nederland formeel is genomen.
Deelt u de aanbeveling van de GGD Amsterdam dat er een bredere beweging nodig is om tegen te gaan dat het normaal is om frisdrank te drinken, zoals dit ook is gebeurd bij de ontmoediging van tabak?
Ik deel de urgentie die de GGD schetst. Daarom is ook voortzetting en versterking van de preventieaanpak nodig die in gang is gezet met het Nationaal Preventieakkoord en komt er een belastingverhoging op frisdranken. Die urgentie zit hem wat mij betreft niet alleen in te hoge frisdrankconsumptie maar in meerdere factoren die ten grondslag liggen aan overgewicht en ongezonde voeding.
Bent u bereid de lessen en successen van de campagne voor een rookvrije generatie te betrekken bij de aanpak van het verminderen van frisdrankconsumptie onder jongeren?
Daar ben ik zeker toe bereid. In het coalitieakkoord is niet voor niks afgesproken dat we de doelen van het preventieakkoord doorzetten, met als doel een gezonde generatie in 2040 met een focus op de jeugd door sport, voeding en bewegen. Daarin werk ik onder andere samen met de Samenwerkende Gezondheidsfondsen (SGF) die ook een belangrijke partij zijn bij de beweging naar een rookvrije generatie. Zij nemen deze ervaring ook mee.
Bent u bereid werk te maken van sobere verpakkingen, gezonde alternatieven en een verbod op reclame en marketing voor frisdrank gericht op jongeren?
Aanvullende maatregelen op het preventieakkoord werk ik de komende tijd nog uit, waar mogelijk samen met de NPA tafel overgewicht en waar nodig daarbuiten. Om de dagelijkse voedselomgeving gezonder te maken, verken ik de wettelijke mogelijkheden om een gezonde voedselomgeving te bevorderen. Hiermee zouden we ook eventuele regels kunnen stellen met betrekking tot ongezonde drank-, snoep- en snackautomaten in bijvoorbeeld de schoolomgeving of beperken van marketing van ongezonde producten gericht op kinderen. Ik hoop uw Kamer voor de zomer te informeren over de aanvullende maatregelen.
Er zijn naast gewoon kraanwater al diverse gezonde alternatieven beschikbaar. Producenten zetten hier onder invloed van marktvraag en afspraken al op in. Ook bestaat er een Reclamecode voor Voedingsmiddelen met zelfreguleringsafspraken over marketing voor ongezonde producten gericht op kinderen.
Bent u bereid in overleg met het onderwijsveld ervoor te zorgen dat er geen frisdrank wordt verkocht op scholen en dat (flits)bezorgers niet worden toegestaan op het schoolplein?
Wat mij betreft moeten we erop alert zijn dat bepaalde maatregelen, zoals een verbod op (flits)bezorgers, er voor kunnen zorgen dat het probleem zich verplaatst naar buiten de schoolgrenzen. Een samenwerking tussen scholen, gemeenten, en voedselaanbieders rond scholen is daarom noodzakelijk. Dit is toegepast in de pilot Gezonde Schoolomgeving4. JOGG gaat deze pilot opschalen om meerdere gemeenten met deze aanpak te ondersteunen.
Daarnaast kijk ik in de verkenning die ik in antwoord 10 noem hoe ik gemeenten juridische handvatten kan bieden om de voedselomgeving, onder andere rond de school, gezonder te maken.
Wanneer kan de Kamer het voorstel om gemeenten meer instrumenten te geven voor het creëren van een gezonde voedselomgeving verwachten?2
Ik werk de komende tijd mijn aanpak op het gebied van overgewicht en voeding verder uit. Het gezonder maken van de voedselomgeving is daar een belangrijke pijler in. Het bieden van juridische handvatten aan gemeenten zie ik als een onderdeel hiervan. Ik hoop uw Kamer hier voor de zomer over te informeren.
Wanneer kan de Kamer het voorstel voor een belasting op suikerhoudende dranken verwachten?3
De aanpassing van de verbruiksbelasting op niet-alcoholische dranken zal meelopen in het pakket Belastingplan 2023 dat met Prinsjesdag aan de Tweede Kamer zal worden aangeboden.
Kunt u deze vragen een-voor-een en voorafgaand aan het commissiedebat over leefstijlpreventie op 24 maart 2022 aanstaande beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Luchtvaartonderzoek houdt vliegherrie buiten beeld, waarschuwt GGD’ |
|
Lammert van Raan (PvdD), Eva van Esch (PvdD) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Luchtvaartonderzoek houdt vliegherrie buiten beeld, waarschuwt GGD»?1
Ja
Wat is uw reactie geweest op de dringende oproep die de Gemeentelijke Geneeskundige Diensten (GGD’en) samen hebben gedaan over de foutieve wijze waarop geluidsoverlast van de luchtvaart wordt meegenomen in de maatschappelijke kosten-batenanalyses (MKBA)?
Zoals het artikel in Trouw aangeeft heeft de GGD GHOR Nederland op 14 januari 2022 een brief gestuurd waarin wordt opgeroepen specifieke waarderingskengetallen voor geluidhinder in de werkwijzer voor luchtvaartspecifieke MKBA’s te laten toevoegen. Het is inderdaad van belang dat geluidhinder op goede wijze wordt meegenomen in MKBA’s. Uit het advies van de opstellers van de werkwijzer wordt duidelijk dat hiervoor over de relatie tussen geluidbelasting en ervaren hinder meer kennis moet worden ontwikkeld. Dat wordt in gang gezet en daarbij zal ook aandacht besteed worden aan het in geld waarderen van geluidhinder conform de aanbeveling hierover in de onderzoeksagenda bij de werkwijzer. Alle nieuwe inzichten en zienswijzen, dus ook die van de GGD GHOR Nederland, worden daarbij betrokken.
Kunt u aangeven waarom de MKBA nog altijd afwijkt van de richtlijnen van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), zeker gegeven het feit dat de WHO expliciet waarschuwt dat ook met de WHO-normen er nog «ernstige hinder en slaapverstoring» is?
Het kabinet heeft nog geen inhoudelijk standpunt bepaald inzake de doorwerking in het geluidbeleid van de publicatie «Environmental Noise Guidelines for the European Region» van de WHO. De opstellers van de werkwijzer voor luchtvaartspecifieke MKBA’s hebben dit als uitgangspunt genomen en aansluiting gezocht bij de grenswaarden zoals die thans in beleid, wet- en regelgeving over luchtvaart worden gehanteerd.
Is door uw ministerie op enigerlei wijze invloed uitgeoefend op de geluidsnormering of werkwijze die in de MKBA is opgenomen? Zo ja, op welke manier?
Nee, het ministerie heeft geen invloed uitgeoefend op de in de werkwijzer voor luchtvaartspecifieke MKBA’s opgenomen geluidnormen. Tijdens de totstandkoming van de werkwijzer was het ministerie, naast het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid (KiM) en de planbureaus PBL en CPB, vertegenwoordigd in de begeleidingsgroep. Ambtelijke reacties op conceptstukken in een dergelijk traject beperken zich tot controle op de feiten op het gebied van huidige wet- en regelgeving en staand beleid. Voorgaande is gebruikelijk om te voorkomen dat er onjuistheden in definitieve rapporten staan.
Kunt u aangeven wat het verschil zou zijn (in euro’s) wanneer bijvoorbeeld voor Schiphol (met relatief veel woningen en geplande woningen in de omgeving) gerekend wordt met de MKBA-normen of wanneer gerekend wordt met de WHO-normen?
De WHO adviseert in «Environmental Noise Guidelines for the European Region» om de blootstelling van woningen aan een geluidbelasting te beperken tot maximaal 45 dB Lden. In de werkwijzer luchtvaartspecifieke MKBA’s wordt een geluidwaarderingstabel als richtlijn meegegeven waarbij de geluidbelasting per persoon een bepaalde kostprijs krijgt. Deze geluidwaarderingstabel loopt tot 50 dB Lden. Zolang aanvullend onderzoek naar lagere waarden niet is uitgevoerd, kan het verschil niet worden bepaald. De opstellers van de werkwijzer gaven aan dat bij de toepassing van de methode gebruikt in het Verenigd Koninkrijk, en waarop de geluidwaarderingstabel is gebaseerd, geen berekeningen worden uitgevoerd onder de 50 dB Lden.
Daarnaast zijn het WHO-advies, MKBA’s en de m.e.r. allemaal middelen om te komen tot besluitvorming rondom luchthavens die zoveel mogelijk verschillende factoren in beeld brengen. Een van de redenen om een verscheidenheid aan ondersteunende middelen voor besluitvorming in te zetten, is juist dat een eenvoudige rekensom in enkel euro’s onvoldoende recht doet aan de complexiteit van een situatie. Daar waar de uitkomsten van berekeningen in verschillende richtingen wijzen, zal altijd een bestuurlijke afweging moeten worden gemaakt die rekening houdt met alle (tegenstrijdige) belangen.
Vindt u uw Werkwijzer Luchtvaartspecifieke MKBA’s nog geloofwaardig, nu er naast de terechte kritiek op de reistijdberekening (die altijd veel te positief uitvalt voor de luchtvaartsector) nu ook terechte kritiek is op de geluidsberekeningen (die wederom altijd te positief uitvallen voor de luchtvaartsector)?
Zoals PBL en CPB in de beoordelingsbrief2 zeggen is de in juli 2021 gepubliceerde werkwijzer een adequate leidraad voor het opstellen van luchtvaartspecifieke MKBA’s. De werkwijzer is een belangrijke stap geweest om meer duidelijkheid te scheppen over uitgangspunten en methodieken om luchtvaartspecifieke MKBA’s zo consistent en goed mogelijk uit te voeren. Het is van belang om te beseffen dat de werkwijzer een eerste versie is en dat deze op een aantal punten nog verbeterd kan worden, omdat op een aantal onderdelen nog aanvullend onderzoek nodig is. Die verbeterpunten staan ook genoemd in de werkwijzer en de daarbij gevoegde onderzoeksagenda. Waar verbeteringen mogelijk zijn heeft het consortium in de werkwijzer voorlopige aanbevelingen opgenomen en gevoeligheidsanalyses voorgesteld. Overigens is het goed om daarbij te benadrukken dat de werkwijzer naast aanbevelingen over reistijd- en geluidhinderwaarderingen ook aanbevelingen over berekening van andere welvaartskosten en -baten bevat en dat ook die in de onderzoeksagenda aan bod komen.
De uitvoering van de onderzoeksagenda is inmiddels gestart. Zo voert het KiM momenteel onderzoek naar reistijdwaarderingen uit. De uitvoering van de onderzoeksagenda zal tot aanvullende inzichten leiden. Op basis daarvan zal er een volgende, verbeterde versie van de werkwijzer opgesteld worden. Daarbij wordt gestreefd naar zo breed mogelijke consensus bij deskundigen. Zoals PBL en CPB ook aangeven in hun kwaliteitstoets op de werkwijzer blijft het tot die tijd de taak van elke MKBA-opsteller om de meest recente kennis over input en methodes voor MKBA’s in de uitwerking mee te nemen. Waar nodig kan met gevoeligheidsanalyses gewerkt worden om aan te geven wat andere aannames betekenen voor de robuustheid van de analyse.
Kunt u zich voorstellen dat hierdoor het beeld ontstaat dat alle uitgangspunten zo gekozen zijn dat deze positief uitvallen voor de luchtvaart (en negatief voor omwonende, natuur, klimaat, milieu etc.)?
Benadrukt moet worden dat het beeld niet correct is dat er bewust zou zijn gekozen voor uitgangspunten die altijd positief zouden uitvallen voor de luchtvaart en negatief voor klimaat en leefomgeving. De werkwijzer voor luchtvaartspecifieke MKBA’s kent een integrale aanpak en is op een verantwoorde onafhankelijke en wetenschappelijke wijze tot stand gekomen. De uitbesteding is geheel volgens de regels van betrokkenheid als opdrachtgever bij onafhankelijk onderzoek in de Gedragscode Integriteit Rijk verlopen3. De onderzoeksbureaus die de werkwijzer hebben opgesteld zijn onafhankelijk en beschikken over uitgebreide kennis en ervaring met MKBA-onderzoek op het gebied van luchtvaart. De voortgang van het onderzoek en de opstelling van de werkwijzer is bewaakt door een begeleidingsgroep waarin de planbureaus CPB en PBL (onder meer vertegenwoordigd door de auteurs van de Algemene MKBA-leidraad uit 2013) alsmede experts op het gebied van MKBA’s van het KiM waren vertegenwoordigd. Naast literatuurstudie en analyse heeft het consortium veel uiteenlopende experts geïnterviewd, waaronder de relevante andere instituten en adviesbureaus met kennis op het gebied van luchtvaartspecifieke MKBA’s. Na oplevering is de werkwijzer volgens voorschrift door het PBL en het CPB getoetst aan hun Algemene MKBA-leidraad. De conclusie van deze toets was dat de werkwijzer een adequate leidraad is voor het opstellen van luchtvaartspecifieke MKBA’s. De kwaliteitstoets is samen met de werkwijzer aan de uw Kamer gezonden4.
Kunt u aangeven op welke wijze in de Omgevingswet de (luchtvaarts)geluidhinder meegenomen wordt? En hoe daarbij omgegaan wordt met geluidscumulatie van verschillende bronnen? Geeft dat naar uw mening een compleet en correct beeld?
De wijze waarop de geluidhinder als gevolg van luchtvaart wordt meegenomen in de Omgevingswet is uitgebreid beschreven in een Kamerbrief.5 De wijze waarop wordt omgegaan met geluidcumulatie van verschillende bronnen is onderdeel geweest van een impactanalyse waarover acht onderzoeksrapporten zijn verschenen die bij genoemde Kamerbrief zijn gevoegd. Deze geven naar de mening van het kabinet een compleet en correct beeld.
Kunt u zich herinneren dat uw voorganger (Cora van Nieuwenhuizen) zich expliciet ten doel had gesteld om «het vertrouwen van omwonenden weer te herstellen»? Deelt u dat doel?
Het is altijd belangrijk dat omwonenden rondom luchthavens, reizigers, en luchtvaartsector hun vertrouwen in het gevoerde luchtvaartbeleid behouden en als dit verloren is gegaan, dit vertrouwen weer te herstellen. Het ministerie spreekt regelmatig met belanghebbenden in het kader van beleidsvorming op het gebied van luchtvaart, ook naast de formele wettelijk vereiste betrokkenheid.
Kunt u zich voorstellen dat dit soort rekentrucs niet bijdragen aan het herstellen van het vertrouwen?
Er is geen sprake van rekentrucs. Wel is het te betreuren dat de integriteit van de werkwijzer voor luchtvaartspecifieke MKBA’s en de totstandkoming daarvan sinds de publicatie ten onrechte in twijfel wordt getrokken, want daar is het vertrouwen niet bij gebaat.
Het op straat zetten van alleenstaande gezinnen |
|
Fonda Sahla (D66) |
|
Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Kinderen dreigen dakloos te worden door strikt beleid van gemeenten tegenover alleenstaande ouders»?1
Ja, ik ben hiermee bekend.
Welke oorzaak ziet u voor de observatie van Defence for Children dat zij de afgelopen twee jaar ruim honderd zaken ontvingen van kinderen die dakloos dreigden te raken, terwijl dat tot vijf jaar geleden nauwelijks voorkwam?
Regelmatig ontstaan huisvestingsproblemen voor kinderen doordat ouders er na een relatiebreuk niet in slagen snel andere woonruimte te vinden op de krappe woningmarkt. De afgelopen jaren is de woningnood toegenomen. Dit heeft verschillende oorzaken. Ook echtscheiding speelt hier een rol, want waar je eerst één woning nodig had voor één gezin, heb je na een echtscheiding twee huizen nodig voor datzelfde (voorheen) gezin. In 2021 was er in Nederland een tekort aan 279.000 woningen, met name in het betaalbare segment.
Gemeenten gaan over de woonruimteverdeling. Zij hebben op basis van de Huisvestingswet 2014 de bevoegdheid om urgentiecategorieën aan te wijzen voor de toewijzing van woonruimten. Hier kunnen zij ook de doelgroep gescheiden ouders met kinderen in opnemen. Gemeenten en woningcorporaties hebben te maken met veel concurrerende wensen voor de slechts beperkte beschikbare woonruimte. Voorrang geven aan het ene huishouden, betekent langer wachten voor een ander huishouden.
Om in de huisvestingsbehoefte, waaronder van de groep gescheiden ouders en hun kinderen, te voorzien, zijn er meer woningen nodig. Daarom zet de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) zich in voor het sneller realiseren van meer woningen. In de eerste helft van maart 2022 presenteert hij de Nationale Woon- en Bouwagenda, later dit voorjaar volgt de uitwerking van het programma «Een thuis voor iedereen» gericht op de huisvesting van aandachtsgroepen. De Nationale Woon- en Bouwagenda gaat in op de gewenste versnelling van het aantal te bouwen woningen en de wijze waarop de woningvoorraad kan worden aangepast op de woonwensen.
Hoe kijkt u aan tegen het gegeven dat een kwart van de gemeenten geen voorrang geeft aan alleenstaande ouders en bijna de helft van de gemeenten wijst naar de andere ouder zonder rekening te houden met het kind?
Het woonbeleid, waaronder het beleid ten aanzien van de verdeling van woonruimte, is decentraal belegd. Gemeenten die schaarste aan woonruimte hebben kunnen een huisvestingsverordening toepassen, met een urgentiebepaling. De gemeenten kunnen hierin categorieën mensen aanwijzen die met voorrang worden gehuisvest. Zoals gezegd is het noodzakelijk dat het aantal betaalbare woningen toeneemt, om toenemende concurrentie tussen woningzoekenden te voorkomen.
In de zomer van 2021 nam uw Kamer de motie Koerhuis aan, die de regering verzoekt onderzoek te doen naar kinderen van gescheiden ouders die extra kwetsbaar zijn doordat zij niet altijd als urgentie-categorie worden aangewezen (Kamerstuk 32 847, nr. 749). Momenteel laat de Minister voor VRO daarom onderzoek doen naar de wijze waarop in Nederland de woningtoewijzing door woningcorporaties wordt gedaan als sprake is van urgentie. De resultaten worden voor de zomer met uw Kamer gedeeld.
Bent u het eens dat kinderen op straat zetten in strijd is met het kinderrechtenverdrag? Wat gaat u doen om dit te allen tijde te voorkomen?
Volgens het Internationaal Verdrag van de Rechten van het Kind (IVRK) moet het belang van het kind altijd voorop staan, waarbij ook recht gedaan moet worden aan een toereikende levensstandaard waar het recht op onderdak (artikel 27 IVRK) en het recht op gezinsleven (artikel 9 IVRK) onder vallen. Ouders zijn primair verantwoordelijk voor de opvoeding van hun kind (artikel 18.1 IVRK) en hebben het recht op ondersteuning van de overheid. Alle inspanningen dienen in de eerste plaats erop gericht te zijn dat de jeugdige bij zijn ouders kan blijven, naar hen kan terugkeren, of eventueel bij naaste familieleden kan worden ondergebracht. In brede zin zetten we met de aanpak van dakloosheid onder andere in op het voorkomen van huisuitzettingen (van gezinnen) en vroegsignalering. Het Kabinet heeft structureel 65 miljoen vrijgemaakt voor de aanpak van dakloosheid bovenop de reguliere middelen van 385 miljoen voor de maatschappelijke opvang waarmee ingezet wordt op preventie van dakloosheid, vernieuwing van de opvang en wonen met begeleiding.
Bent u bekend met signalen uit gemeenten waar ouders die dakloos dreigen te raken, geadviseerd worden hun kinderen vrijwillig uit huis te laten plaatsen?
Deze signalen zijn mij niet bekend. Ook een vrijwillige uithuisplaatsing is een uiterst middel en zal alleen aan de orde zijn wanneer dit in het belang van het kind is. Als ouders bijvoorbeeld dakloos dreigen te raken, dient alles in het werk te worden gesteld (zoals ambulante zorg, praktische steun en hulp, inzet vanuit het netwerk) om de noodzaak van een uithuisplaatsing te voorkomen.
Bent u bekend met signalen dat ouders ook bedreigd worden met ondertoezichtstelling of uithuisplaatsing als gevolg van dak- of thuisloosheid?
Deze signalen zijn mij niet bekend. Van de kwalificatie dat de jeugdbescherming zou «dreigen» met de inzet van een kinderbeschermingsmaatregel wordt afstand genomen. Dat is niet hoe de jeugdbescherming werkt. Het proces van vrijwillige hulp en van gedwongen hulp dient steeds in transparantie en in samenspraak met kind, ouders en andere betrokkenen plaats te vinden.
Alleen het hebben van huisvestingsproblemen vormt geen grond voor een ondertoezichtstelling en/of uithuisplaatsing. Een kinderbeschermingsmaatregel, zoals een ondertoezichtstelling, kan alleen worden ingezet wanneer is aangetoond dat er enerzijds sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging of veiligheidsrisico van een kind en anderzijds ouders geen gebruik willen of kunnen maken van vrijwillige hulpverlening. Vaak betreft het een gezin dat te maken heeft met een stapeling van problemen op verschillende terreinen. Het is wel mogelijk dat huisvestingsproblemen samen met andere risicofactoren van negatieve invloed zijn op een thuissituatie. Bescherming, hulp en/of steun aan het gezin is in dergelijke situaties gericht op het behandelen, opheffen of verminderen van problemen in het gezin, waardoor de situatie kan stabiliseren en een eventuele kinderbeschermingsmaatregel kan worden beëindigd.
Hoe vaak komen situaties zoals genoemd onder vragen 5 en 6 per jaar voor in de afgelopen vijf jaar?
Deze situaties zijn ons niet bekend, er zijn dus ook geen cijfers beschikbaar.
Hoe verhoudt een dergelijk dreigement voor een jeugdbeschermingsmaatregel als gevolg van dak- of thuisloosheid zich met nationale en internationale wet- en regelgeving?
Zoals ook gesteld in het antwoord op vraag 5 wordt van de kwalificatie dat de jeugdbescherming zou «dreigen» met de inzet van een kinderbeschermingsmaatregel afstand genomen. Nogmaals, dat is niet hoe de jeugdbescherming werkt. De nationale en internationale wetgeving ter bescherming van de rechten van het kind en de ouders zijn onverkort van kracht. Ouders hebben het recht en de plicht om hun kind op te voeden en de jeugdige heeft het recht om door de eigen ouders te worden opgevoed (artikel 7 IVRK; artikel 247.1 BW). Een kinderbeschermingsmaatregel is alleen op zijn plaats wanneer de rechter heeft vastgesteld dat de ontwikkeling van het kind wordt bedreigd (artikel 255 lid 1 BW) en het kind in een onveilige situatie opgroeit. Het kind heeft recht op een gezinsleven en een toereikende levensstandaard en daarmee op onderdak (IVRK artikel 9 en 27).
Welke invloed heeft het op de rechtspositie van de ouder wanneer zij onder druk kiezen voor een vrijwillige uithuisplaatsing?
Ouders en jeugdigen worden in het proces voorafgaand aan een vrijwillige uithuisplaatsing zorgvuldig bij de besluitvorming betrokken (artikelen 3.1, 3.2, 9.1 en 12 IVRK). Elke vorm van druk op ouders bij een vrijwillige uithuisplaatsing is niet acceptabel. Een vrijwillige uithuisplaatsing betekent dat er sprake is van een uithuisplaatsing zonder een door de kinderrechter verplichte opgelegde kinderbeschermingsmaatregel. Dit betekent dat de ouders het gezag hebben en niets in hun rechtspositie is gewijzigd indien er sprake is van vrijwillige uithuisplaatsing. Ouders (en de jeugdige boven zestien jaar) beslissen zelf tot een vrijwillige uithuisplaatsing. Dit kan mede op advies zijn van en in overleg met bijvoorbeeld familie, jeugdzorg of de gemeente. In die situatie zijn er omstandigheden als gevolg waarvan ouders (en kind) zelf vinden dat ze (tijdelijk) de zorg voor hun kind niet kunnen dragen. Een kind kan dan verblijven bij een familielid, in een pleeggezin, een gezinshuis of in een behandelkliniek. Dit kan fulltime zijn, alleen in weekenden of voor een aantal dagen in de week. De inzet van een vrijwillige uithuisplaatsing is er ook op gericht dat ouders zelf weer de verantwoordelijkheid over de verzorging en opvoeding van het kind kunnen dragen. Een beslissing om een vrijwillige uithuisplaatsing weer ongedaan te maken en het kind weer volledig bij de ouders te laten opgroeien, wordt door de ouders (en de jeugdige boven zestien jaar) genomen. Eventueel in samenspraak met het netwerk en/of betrokken professionals.
Welk deel van de (vrijwillig) uithuisgeplaatste kinderen houdt verband met huisvestingsproblematiek?
Dit is niet bekend. Dit wordt niet als zodanig geregistreerd.
Bij welk deel van de (vrijwillig) uithuisgeplaatste kinderen was huisvestingsproblematiek de enige of doorslaggevende reden om kinderen uit huis te plaatsen?
Dit is niet bekend. Zie ook antwoord op vraag 6 over de inzet van een kinderbeschermingsmaatregel.
Bent u van mening dat er direct gekeken moet worden naar terugplaatsing van kinderen, als huisvestingsproblematiek de enige of doorslaggevende reden was voor een beschermingsmaatregel en de ouder vervangende woonruimte heeft gevonden?
Voor de beantwoording van deze vraag kan ik enkel aangegeven dat de huisvestingsproblematiek geen wettelijke grond vormt voor een kinderbeschermingsmaatregel.
Wat gaat u doen tegen het feit dat gemeenten in dit soort gevallen slechts naar de positie van de ouders kijkt in plaats van naar de positie van het kind?
In algemene zin ben ik van mening dat de gemeente de totale gezinssituatie in ogenschouw moet nemen bij de beoordeling van huisvestingsvraagstukken, waarbij de belangen van kinderen zwaar wegen. Het is aan gemeenten om hierin de juiste afweging te maken. Zoals eerder aangegeven bij beantwoording van vraag 2 en 3, is de verdeling van woonruimte belegd bij gemeenten. Zij kunnen deze doelgroep als urgentiecategorie opnemen in hun huisvestingsverordening.
Als er geen verordening is, dan is woonruimteverdeling en dus ook huisvesting van urgente groepen belegd bij woningcorporaties. Zij kunnen naast het belang van de ouders, ook het ontwikkelbelang van kinderen meewegen bij beslissingen rondom huisvesting. De Kinderombudsman vroeg eind 2020 in het rapport «Ongehoord! De onzichtbaarheid van kinderen met huisvestingsproblemen» aandacht voor huisvestingsproblematiek van kinderen. Zij doet hierin de aanbevelingen om het belang van kinderen structureel te betrekken bij beslissingen rondom huisvestingsproblemen en om huisvesting te betrekken in de ontwikkeling van het integrale armoedebeleid. Het stappenplan «Het beste besluit voor het kind bij huisvestingsproblemen» dat de Kinderombudsman ontwikkelde voor gemeenten en woningcorporaties, kan urgentiecommissies daarbij helpen.
Zoals eerder benoemd, laat de Minister voor VRO in navolging van een motie van lid Koerhuis onderzoek doen naar de wijze waarop in Nederland de woningtoewijzing door woningcorporaties wordt gedaan als sprake is van urgentie. De resultaten worden voor de zomer met uw Kamer gedeeld.
Hoe borgt u het recht van kinderen, op grond van het VN-Kinderrechtenverdrag en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens op onderdak en recht op bescherming tegen inbreuk op hun gezinsleven, in het licht van de genoemde signalen?
Ieder kind heeft recht op onderdak en gezinsleven (IVRK artikel 9 en 27). Wanneer het de ouders niet lukt hun kinderen een toereikende levensstandaard te bieden, kunnen zij in aanmerking komen voor opvang en begeleiding op basis van de Wmo2015. Het is aan gemeenten om te beoordelen of ze daar recht op hebben en om vanuit het recht van het kind passende hulp en opvang te realiseren in geval van nood.
De boostprik tegen COVID-19 voor adolescenten die jonger zijn dan 18 jaar |
|
Wieke Paulusma (D66) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het advies van de Gezondheidsraad over het wel of niet boosten van adolescenten tegen COVID-19?1
Ja.
Klopt het dat de Gezondheidsraad een boostprik niet afraadt?
De Gezondheidsraad geeft aan dat er geen medisch-wetenschappelijke reden is om een boostvaccinatie programmatisch aan te bieden aan alle 12- tot en met 17-jarigen. Eén van de argumenten daarbij is dat het EMA de voordelen nog niet had afgewogen tegen de eventuele risico’s.
Welke mogelijkheden hebben adolescenten tot achttien jaar om een boostprik te krijgen in het geval dat zij familieleden of naasten hebben die extra kwetsbaar zijn voor het oplopen van COVID-19?
Op 24 februari jl. heeft het EMA positief geoordeeld over de boostprik voor adolescenten. Het wordt op korte termijn voor alle adolescenten van 12 tot en met 17 jaar mogelijk om een boostprik te halen. Adolescenten die een boostprik willen, bijvoorbeeld om een kwetsbaar familielid te beschermen, kunnen hier dan gebruik van maken.
Hoe kijkt u aan tegen de beslissing van de Gezondheidsraden van landen als Duitsland en Frankrijk, die dit wel adviseren?
Landen maken hun eigen afwegingen om een vaccin, al dan niet vooruitlopend op een oordeel van het EMA, in te zetten. Sommige landen hebben daarbij gekeken naar de effecten op het verminderen van transmissie over de gehele bevolking. In het advies van de Gezondheidsraad van 4 februari jl. schreef de raad dat het verwachte effect van een boostprik voor adolescenten op transmissie in de bevolking beperkt is. Daarnaast werd de indirecte gezondheidswinst voor deze groep laag geschat. Ik heb er mede daarom voor gekozen te wachten op het oordeel van het EMA, voor ik een boostprik voor adolescenten beschikbaar stelde.
Bent u het eens met de stelling dat een boostprik in deze situatie kan worden gezien als een reizigersvaccinatie, omdat andere EU-landen deze boostprik als eis hanteren voor het reizen naar- en het reizen in deze landen? Zo ja, kunt u dit per direct mogelijk maken? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik in het antwoord op vraag 4 heb aangegeven, maken landen hun eigen afwegingen om een vaccin in te zetten, al dan niet vooruitlopend op een oordeel van het EMA. Ik ben geen voorstander van off label gebruik van een vaccin als daar geen medische aanleiding voor is. Ook bij een reizigersvaccinatie moet zorgvuldig worden gekeken naar de onderliggende wetenschappelijke gegevens, en daarom heb ik dan ook besloten te wachten op het oordeel van het EMA. Het EMA heeft op 24 februari een positief oordeel over boostvaccinaties voor jongeren afgegeven. Naar aanleiding van de beoordeling door het EMA, heb ik aangegeven dat jongeren die dat willen op korte termijn terecht kunnen voor een boostvaccinatie. Er kunnen verschillende redenen zijn voor jongeren om deze boostvaccinatie te halen.
Hoe kijkt u naar toekomstige vaccinaties tegen COVID-19 als deze voor bepaalde (leeftijds)groepen gekwalificeerd gaan worden als reizigersvaccinatie?
Op dit moment werkt het kabinet aan een aanpak voor de langere termijn. Ik heb de Gezondheidsraad gevraagd mij ten aanzien van het vaccinatiebeleid hierover te adviseren. Op dit moment zijn de COVID-19-vaccins alleen via het vaccinatieprogramma van de overheid verkrijgbaar. Ik zal uw Kamer op een later moment informeren of en, zo ja, wanneer COVID-19-vaccins beschikbaar (kunnen) komen als reizigersvaccinatie.
Wat is uw mening ten aanzien van de blijvende keuzevrijheid van mensen om te kiezen voor een boostprik ook al wordt deze niet via rijkswege (gratis) aangeboden, of dit nou voor reizen of als eigen wens voor extra zekerheid is?
Zoals ik in het antwoord op vraag 6 heb aangegeven, zijn de COVID-19- vaccins op dit moment alleen via het vaccinatieprogramma van de overheid verkrijgbaar. Of en voor wie het mogelijk is om op eigen initiatief een additionele dosis te krijgen zal op een later moment bepaald worden.
Kunt u gezien de actualiteit deze vragen met spoed beantwoorden?
Ja.
PFAS in de Westerschelde |
|
Laura Bromet (GL), Bouchallikh |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA), Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Welke stappen heeft u ondernomen sinds in december 2021 bleek dat het PFAS-gehalte (poly- en perfluoralkylstoffen) in vis uit Westerschelde gigantisch is en tot wel 812 keer meer schadelijke stoffen bevatten dan de grenswaarde? Wat heeft u gedaan met het nadrukkelijke advies aan burgers om geen vis en zeegroenten uit het oostelijke deel van de Westerschelde te eten1? Worden burgers in Zeeland hier actief over geïnformeerd?
Naar aanleiding van onderzoek in België naar de blootstelling van omwonenden van de fabriek van 3M in Zwijndrecht en het rapport van Rijkswaterstaat naar PFAS begin april 2021, heeft de Provincie Zeeland het voortouw genomen om te onderzoeken wat de consequenties daarvan kunnen zijn voor mensen op en rond de Westerschelde. Over de invulling van het onderzoek is overleg geweest met vertegenwoordigers van de Ministeries van IenW, LNV en VWS. Het artikel in de PZC waarnaar u verwijst, is bij dit onderzoek betrokken. Daarnaast neemt Rijkswaterstaat PFAS mee in de metingen voor drie representatieve zwemwaterlocaties langs de Westerschelde.
De rijksoverheid heeft middelen beschikbaar gesteld voor onderzoek naar PFAS-gehalten in diverse bronnen, waaronder eetbare dieren en planten. Het onderzoek is inmiddels gestart en zal naar verwachting in het voorjaar van 2022 opgeleverd worden. De eerste resultaten van dit onderzoek laten zien dat de consumptie van zelfgevangen bot en garnalen afkomstig uit het oostelijk deel van Westerschelde al bij zeer lage consumptiehoeveelheden zou kunnen leiden tot een overschrijding van de gezondheidskundige grenswaarde van PFAS. De grenswaarde betreft de maximale hoeveelheid PFAS waaraan iemand mag worden blootgesteld, zonder dat gevolgen voor de gezondheid worden verwacht. In het definitieve onderzoeksrapport worden de data van meer monsters benut afkomstig uit de gehele Westerschelde en komen er gegevens van andere vissoorten en lamsoor bij.
Op basis van de eerste beelden, waaronder de resultaten van het onderzoek dat genoemd is in de PZC, heeft GGD Zeeland op 15 december 2021 een voorzorgsadvies gegeven om geen zelf gevangen vis uit de Westerschelde te eten. Dit voorzorgsadvies is op 24 februari 2022 aangevuld om ook geen zelf gevangen garnalen te eten. Daarnaast adviseert de GGD om de consumptie van zelf geraapte mosselen en oesters uit de Westerschelde te beperken tot niet meer dan tien keer per jaar. Dit advies is in aanvulling op het algemene geldende advies van het Voedingscentrum om niet regelmatig zelf gevangen zoetwatervis te eten uit Nederlandse wateren. Zowel door de Provincie Zeeland als de GGD Zeeland is dit besluit actief gecommuniceerd.2
Waarom wordt er überhaupt niet actief gecommuniceerd over het advies van de overheid om «niet te veel zelf gevangen vis» te eten, zoals u schreef in uw brief van 13 december 20212? Bent u voornemens om een publiekscampagne hierover op te zetten om op deze manier de gezondheid van burgers te beschermen?
Voedingsadviezen van de rijksoverheid worden gegeven door het Voedingscentrum. Het advies om niet regelmatig zelf gevangen vis te eten, is in hun berichtgeving en de website van het Voedingscentrum terug te vinden.4 Daarnaast heeft de GGD op 15 december 2021 een consumptieadvies uitgedaan.5
In het algemeen geldt dat de overheid geen toezicht heeft op zelf gevangen, geteeld, geplukt en geraapt voedsel. Een deel van de mensen in Nederland kiest ervoor om op die manier in (een deel van) hun dieet te voorzien en niet of minder gebruik te maken van commercieel aangeboden voedsel. Dat betekent ook dat er een grotere verantwoordelijkheid bij henzelf ligt om zich goed te informeren. Het Rijk is voornemens om samen met lokale en regionale overheden te blijven zorgen voor goede beschikbaarheid van informatie over bekende risico’s van zelf gevangen, geteeld, geplukt en geraapt voedsel.
Kunt u garanderen dat het wel veilig is om commercieel gevangen zoetwatervis te eten als u die garantie niet kunt geven voor zelf gevangen vis? Zo ja, hoe kunt u dit garanderen? Zo nee, wordt dit vraagstuk meegenomen in het onderzoek naar PFAS-gehaltes in levensmiddelen? Wanneer worden de resultaten van dit onderzoek verwacht?
Het onderzoek waar u in uw vragen aan refereert, heeft betrekking op een kleinschalig onderzoek naar de recreatief gevangen vissoort bot in de Westerschelde. De resultaten van dit onderzoek worden voor begin april verwacht. Dit heeft betrekking op vis uit het zoute water. Bedrijven die vis in de handel brengen, uit zoet of zout water, dienen er voor te zorgen dat die vis voldoet aan de wettelijke eisen, onder andere met betrekking tot contaminanten. Monitoring daarop vindt jaarlijks plaats.6
Omtrent PFAS loopt op dit moment een Europees traject voor het vaststellen van Maximum Limieten (MLs) voor o.a. vis. In Europees verband zijn hiervoor data verzameld en in dit traject zijn ook de zoetwatersoorten meegenomen.
In 2021 is onderzoek gestart naar PFAS-gehaltes in levensmiddelen. Dit onderzoek is bedoeld om een inschatting te kunnen maken van de blootstelling van de consumenten van PFAS via voedsel. Hiervoor is gekozen om PFAS te meten in levensmiddelen die vaak worden geconsumeerd, waarbij o.a. zoet- en zoutwater vis zijn inbegrepen.
Neemt het Rijk op dit moment extra maatregelen waardoor bedreigingen, als gevolg van PFAS, voor de volksgezondheid en het gehele Natura2000-gebied (Westerschelde) worden weggenomen of verminderd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen worden genomen
Ja, Nederland werkt sinds 2020 samen met Duitsland, Denemarken, Zweden en Noorwegen aan een Europees verbod op het gebruik van PFAS. Het beoogde doel van dit restrictievoorstel op basis van de Europese verordening REACH is dat alle PFAS, zo’n 6.000 in totaal, in één keer verboden gaan worden.
Vorig jaar heeft de toenmalige Minister van Infrastructuur en Waterstaat bij haar Vlaamse collega aangedrongen op het verminderen van emissies van PFAS naar de Westerschelde. Eind oktober vorig jaar hebben de Vlaamse autoriteiten de productieprocessen bij 3M waar PFAS vrijkomt stilgelegd totdat er een nieuwe vergunning is. Op 25 maart vindt een kennismakingsgesprek plaats tussen de Minister van IenW en zijn Vlaamse collega Demir. In dit gesprek zal opnieuw aangedrongen worden op het verminderen van emissies van PFAS naar de Westerschelde.
Daarnaast is een onderzoek gestart naar actuele PFAS-waarden in veel geconsumeerde voedselproducten in Nederland. We verwachten de resultaten van dat onderzoek in de tweede helft van 2022.
Zoals de Minister van IenW en de Staatssecretaris van VWS in de vorige kabinetsperiode aan de Tweede Kamer hebben gemeld, wordt met het RIVM gewerkt aan de opzet voor een onderzoeksprogramma naar de beste wijze waarop we de blootstelling van mensen aan PFAS kunnen terugdringen. PFAS zijn zeer persistente stoffen die moeilijk uit het milieu gehaald kunnen worden en dat betekent dat het ook moeilijk is om de blootstelling van mensen aan PFAS terug te dringen. We moeten daarom op zoek naar een goede en duurzame aanpak.
Deelt u de opvatting dat tijdige en volledige informatie over alles wat met de complexe materie van PFAS in de Westerschelde te maken heeft van groot belang is? Is er voldoende afstemming en overleg tussen de Vlaamse en Nederlandse overheden, betrokken instanties, belanghebbenden en de volksvertegenwoordigers? Kunt u toezeggen dat de communicatie tussen alle geledingen hierover telkens tijdig en volledig zal plaatsvinden?
Wij delen die opvatting. Daarom zetten we ons in om de communicatie tussen de betrokken partijen te versterken. Op dit moment vindt dat bijvoorbeeld al plaats via reguliere kanalen, zoals de Internationale Schelde Commissie en de Vlaams-Nederlandse Scheldecommissie. In die context worden ook extra overleggen en acties ingezet. Daarnaast en in toenemende mate zijn de Nederlandse en Vlaamse overheden in contact en stemmen bilateraal af over de aanpak op PFAS voor grensoverschrijdende vergunningen. Het gesprek op 25 maart tussen de Minister van IenW en Minister Demir van Vlaanderen wordt hier ook voor benut.
Waarom heeft u besloten dat het ontpolderingstraject in de Hedwigepolder doorgang kan vinden? Klopt het dat de Hedwigepolder alsnog vervuild zal raken met PFAS-houdend slib, ondanks het nieuws dat de hoeveelheid onder de norm valt?3 Moet de verspreiding van PFAS niet alsnog voorkomen worden?
In de Kamerbrief over gevolgen PFAS voor ontpoldering van de Hedwigepolder van 5 oktober 20218 en in de in de beantwoording van Kamervragen over gevolgen van PFAS-concentraties Westerschelde voor de Hedwigepolder van 16 november 20219 hebben de Minister en Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat aangegeven dat de PFAS-concentraties in zwevend stof hoger zijn dan de concentraties die zich op dit moment op de bodem van de Hedwigepolder bevinden, maar zijn niet dusdanig hoog dat deze in strijd zijn met de zorgplichtbepaling uit de Waterwet. Vele onderzoeken en adviezen benadrukken de noodzaak van deze natuurontwikkeling voor de internationale biodiversiteit. De eerdere ingebrekestelling door de Europese Commissie onderstreept de urgentie om dit project uit te voeren. Om de verspreiding van PFAS te voorkomen is het vooral van belang in Europees verband de productie en toepassing van PFAS te verbieden. De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat maakt zich hiervoor in Europees verband met vier andere lidstaten hard. Tegelijkertijd wordt druk op Vlaanderen uitgeoefend om de emissie van PFAS terug te dringen en de vergunningvoorwaarden voor vervuilende bedrijven aan te scherpen.
Is er voldoende duidelijk over de mate waarmee het met PFAS vervuilde water een bedreiging vormt voor de bodem, flora en fauna in het betreffende gebied?
Het water dat straks de Hedwigepolder zal instromen, heeft dezelfde kwaliteit als het water van de Westerschelde. Voor de op termijn te verwachten kwaliteit van de waterbodem zijn de PFAS-gehalten in zwevend stof de beste indicatie. Deze zwevend stofdeeltjes zullen immers bezinken. Het zijn dan ook díe metingen die worden gehanteerd bij het bepalen van de verwachte kwaliteit van de waterbodem. De PFAS-concentraties in zwevend stof zijn lager dan de PFAS-concentraties in het water van de Westerschelde. Zoals aangegeven, passen deze waarden binnen de milieuhygiënische vereisten vanuit de zorgplicht in de Waterwet. Daarmee is er geen reden om dit project niet voort te zetten.
Hebben de PFAS-concentraties invloed op de te vormen natuur en de ecologische kwaliteit? Wordt een snelle afname van de concentraties in water en slib verwacht waardoor uitstel van de ontpoldering «besmetting» kan verminderen, of maakt dat niet uit?
Zoals bij de vorige vraag geschetst, zijn de gemeten PFAS-concentraties in water en zwevend stof geen reden om deze natuurontwikkeling niet te laten plaatsvinden. De PFAS-problematiek staat sinds vorig jaar zomer ook in Vlaanderen op de kaart. Vlaanderen brengt de bronnen van PFAS in beeld en scherpt vergunningvoorwaarden voor vervuilende bedrijven aan. De verwachting is dat door de vermindering van emissies bovenstrooms de PFAS-concentraties in de Westerschelde zullen dalen. Deze lagere concentraties zullen er op termijn ook voor zorgen dat zich minder PFAS aan slib en waterbodem zullen hechten.
Bent u bereid om een PFAS-coördinator aan te stellen – waar het dagelijks provinciebestuur van Zeeland ook al naar gevraagd heeft – voor de complete PFAS-problematiek in en rond de Westerschelde opdat er sneller de juiste maatregelen kunnen worden genomen door het Rijk, Rijkswaterstaat en/of de provincie in aansluiting op en in samenhang met die van de Vlaamse autoriteiten? Zo nee, waarom niet?
In reactie op de brief van gedeputeerde staten van Zeeland heeft de Minister van Infrastructuur en Waterstaat aangegeven bij zowel de rijksoverheid als de provincie Zeeland op hoogambtelijk niveau een coördinator te willen aanwijzen, die overzicht en samenhang moet brengen in alle acties die al zijn uitgezet. Over de uitwerking hiervan gaat de Minister met GS van Zeeland in gesprek. Overigens heeft zijn voorganger naar aanleiding van een brief van GS van Zeeland in augustus al coördinatie vanuit het Rijk aangeboden en wordt sindsdien tussen de verschillende partijen intensief samengewerkt.
De Gezondheidsraad |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat de Gezondheidsraad zich presenteert als «een onafhankelijk adviesorgaan voor regering en parlement»?1
Daar ben ik mee bekend.
Kunt u beschrijven wat volgens u de betekenis is van de beschrijving «onafhankelijk adviesorgaan» in het geval van de Gezondheidsraad? Zo nee, waarom niet?
De Gezondheidsraad is een adviescollege als bedoeld in de Kaderwet adviescolleges. Deze wet bevat waarborgen omtrent de onafhankelijkheid. De Gezondheidsraad adviseert onafhankelijk op basis van de stand van wetenschap. De raad kent vaste procedures om zorg te dragen voor wetenschappelijke kwaliteit en betrekt bij de advisering verschillende invalshoeken. Experts nemen op persoonlijke titel deel aan een commissie en moeten alle relevante belangen van tevoren aangeven, zodat de raad kan beoordelen of deze belangen verenigbaar zijn met het werk van de commissie.
In welke gevallen wordt de Gezondheidsraad door u om advies gevraagd? Zijn hiervoor specifieke criteria?
De Gezondheidsraad brengt – gevraagd en ongevraagd – advies uit aan regering en parlement over de stand van de wetenschap voor kwesties binnen het hele spectrum van de volksgezondheid. Het gaat om vraagstukken waarbij een multidisciplinaire, gezaghebbende beoordeling belangrijk is voor de besluitvorming op dat onderwerp.
Bent u ermee bekend dat de Gezondheidsraad bestaat uit een raad en een secretariaat en werkt met tijdelijke en vaste commissies?
Daar ben ik mee bekend.
Bent u ermee bekend dat in de meeste gevallen de voorzitter van de Gezondheidsraad, op dit moment de heer Kullberg, uit het grote netwerk van deskundigen een multidisciplinaire commissie samenstelt die zich over de vraag gaat buigen?
Ik ben er mee bekend dat de voorzitter van de Gezondheidsraad, op basis van artikel 24 en 25 van de Gezondheidswet, commissies samenstelt. Dit geldt voor vaste commissies en tijdelijke commissies.
Kunt u aangeven welke criteria de voorzitter van de Gezondheidsraad hanteert om deze commissies per adviesvraag samen te stellen? Zo nee, waarom niet?
De samenstelling van commissies wordt bepaald door de benodigde deskundigheid in relatie tot de adviesaanvraag. In het algemeen zijn de criteria voor het samenstellen van commissies: het streven naar (a) evenredige betrokkenheid van personen van verschillend geslacht en etnische of culturele achtergrond, en naar (b) een evenredige spreiding over de relevante wetenschappelijke disciplines en (c) een evenwichtige verdeling over universiteiten en onderzoeksinstellingen.
Bent u ermee bekend dat de benoeming van de voorzitter van de Gezondheidsraad instemming nodig heeft van de ministerraad en dat de voorzitter wordt voorgedragen door de Minister van VWS, in het geval van de huidige voorzitter was dit toenmalig Minister van VWS De Jonge?2
Daar ben ik mee bekend. Conform artikel 11 van de Kaderwet adviescolleges, waar ook de Gezondheidsraad onder valt, worden de leden van de Gezondheidsraad (dus ook de voorzitter) bij koninklijk besluit benoemd. De regering (ministerraad) neemt in dat geval een besluit, op voordracht van de Minister van VWS.
Kunt u aangeven in hoeverre de Gezondheidsraad een onafhankelijk adviesorgaan voor de regering is als de benoeming van de persoon die bepaalt wie er in de adviescommissies zitten, aangedragen wordt door de Minister van VWS en benoemd wordt door de ministerraad? Zo nee, waarom niet?
De werving en selectie van de voorzitter en vicevoorzitter van de Gezondheidsraad verloopt volgens een open sollicitatieprocedure, waarin de Gezondheidsraad is betrokken. De Minister van VWS draagt vervolgens de voorkeurskandidaat voor benoeming voor aan de ministerraad.
De uitoefening van de bevoegdheid van de regering om ambtsdragers te benoemen, te schorsen en te ontslaan, is ten volle aan parlementaire controle onderworpen.3
Bent u ermee bekend dat de Gezondheidsraad oog heeft voor ethische en maatschappelijke implicaties van wetenschappelijke ontwikkelingen, maar zich niet richt op de uitvoering van concreet beleid? Deelt u de visie dat de afweging die nodig is voor beleidsbeslissingen op basis van het advies van de Gezondheidsraad aan regering en parlement wordt overgelaten?3
Daar ben ik mee bekend en ik deel deze visie.
Deelt u de conclusie dat de eindverantwoordelijkheid van besluitvorming op basis van adviezen van de Gezondheidsraad derhalve altijd bij het desbetreffende ministerie en dus de minister van dat ministerie ligt? Zo nee, waarom niet?
Deze conclusie deel ik.
Bent u ermee bekend dat het Outbreak Management Team (OMT) COVID-19 en de Gezondheidsraad twee keer samen zijn gekomen, te weten op 4 en 14 januari 2021? Wat was de aanleiding om deze twee organen op dat moment samen te brengen? Waarom is dat na 14 januari 2021 niet meer het geval geweest?4 5
Daar ben ik mee bekend. De aard van de vraagstelling, een combinatie van strategische vragen over de inzet van vaccins en de samenhang met maatregelen tegen het coronavirus, was de reden voor een gecombineerde adviesaanvraag aan het OMT en de Gezondheidsraad samen. Ook na 14 januari 2021 is gezamenlijk advies aan het OMT en de Gezondheidsraad gevraagd. Op 4 juni 2021 is een gezamenlijke adviesaanvraag aan de Gezondheidsraad en het OMT gesteld over het COVID-19-vaccinatiebeleid op de korte en middellange termijn. Hier hebben het OMT en de Gezondheidsraad op 17 juni 2021 op gereageerd.7
Kunt u uw visie geven op de verhouding tussen het OMT en de Gezondheidsraad als het gaat om de advisering aan uw ministerie? In het uiterste geval van tegengestelde adviezen, heeft dan het OMT of de Gezondheidsraad het hoogste gezag?
Beide gremia vervullen een verschillende taak in deze pandemie. De Gezondheidsraad adviseert op basis van de stand van de wetenschap op het brede terrein van gezondheidszorg en volksgezondheid, waaronder de inzet van vaccins om de samenleving te beschermen tegen ernstige ziekte en sterfte. Het OMT adviseert over de algemene maatregelen voor de bestrijding van infectieziekten (i.c. de coronapandemie) op basis van actuele wetenschappelijke informatie en vakkennis. Het kabinet betrekt de adviezen van beide partijen bij de besluiten die in het kader van de pandemiebestrijding worden genomen.
Bent u ermee bekend dat in de verslaglegging van de adviezen van de samenkomst van het OMT en de Gezondheidsraad op 4 en 14 januari 2021 niet vermeld is welke OMT-leden en welke afgevaardigden van de Gezondheidsraad hierbij aanwezig waren? Kunt u vermelden welke personen er bij deze vergaderingen aanwezig waren en hoe zij geselecteerd zijn? Zo nee, waarom niet?
De Gezondheidsraad en het OMT zijn onafhankelijke adviesorganen. Zij gaan zelf over hun vertegenwoordiging.
Bent u ermee bekend dat prof. dr. Hoebe lid is van de Commissie Medische Aspecten COVID-19 (CMA COVID-19) van de Gezondheidsraad en dat hij tevens een vast uitgenodigde expert van het OMT is?6 7 8
Hier ben ik mee bekend.
Bent u ermee bekend dat prof. dr. Koopmans lid is van de CMA COVID-19 van de Gezondheidsraad en dat zij tevens een vast uitgenodigde expert van het OMT is?9 10
Hier ben ik mee bekend.
Deelt u de visie dat gezien de overlap van dezelfde experts, Hoebe en Koopmans in het OMT COVID-19 en de CMA COVID-19 van de Gezondheidsraad, de adviezen van de Gezondheidsraad niet onafhankelijk zijn ten opzichte van de adviezen van het OMT COVID-19? Zo nee, waarom niet? Deelt u de mening dat het in een situatie als deze frappant is dat er experts zijn die een dubbelrol bekleden? Zo nee, waarom niet?
Deze visie deel ik niet. Het OMT heeft een andere rol dan de Gezondheidsraad. Ik stel de zorgvuldige advisering van beide adviesorganen zeer op prijs en heb grote waardering voor de onvermoeibare inzet van de betrokken experts.
Kunt u aangeven waarom u van mening bent dat deze functies wel of niet met elkaar verenigbaar zijn?
De Gezondheidsraad en het OMT vervullen allebei een andere rol bij de advisering over de pandemiebestrijding. Zowel de commissieleden bij de Gezondheidsraad als de leden van het OMT vullen een belangenverklaring in conform de «Code ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding door belangenverstrengeling» teneinde transparant te zijn en belangenverstrengeling te voorkomen. Het bestuur van de Gezondheidsraad en de voorzitter van het OMT toetst of deze belangen deelname in de weg staan en daarmee of functies verenigbaar zijn.
Kunt u alle bovenstaande vragen afzonderlijk beantwoorden? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Hulpmiddelen voor mensen met een beperking. |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van Kassa van 15 januari jl. over het niet kunnen verzekeren van hulpmiddelen?1
Ja.
Hoe verwacht u dat mensen met een beperking, die vaak al te maken hebben met een stapeling van zorgkosten en daardoor financieel in de knel zitten,2 ook nog hoge rekeningen voor reparaties kunnen betalen?
Als gebruikers een hulpmiddel via de gemeente verstrekt hebben gekregen, hoeven zij reparaties aan dat hulpmiddel in de meeste gevallen niet zelf te betalen. Cliënten krijgen dit hulpmiddel vaak verstrekt in bruikleen, in dat geval worden reparaties die nodig zijn door gebruik en bijkomende slijtage, altijd betaald door de gemeente of de hulpmiddelenleverancier. Als het hulpmiddel is ingekocht met een persoonsgebonden budget (pgb) betaalt de gebruiker het onderhoud en de reparaties uit het pgb (tenzij anders overeengekomen met de gemeente). In het pgb is een bedrag hiervoor opgenomen.
De kosten van reparaties voor zowel preventief en periodiek onderhoud, als door gevolg van gebruik en slijtage, zijn opgenomen in het onderhoudscontract dat gemeenten afsluiten met de hulpmiddelenleverancier. Alleen als er reparaties nodig zijn na schade die op andere wijze is ontstaan, bijvoorbeeld na een ongeluk, is het afhankelijk van de verzekering die de gemeente heeft afgesloten, op wie de schade kan worden verhaald. Ik verwacht daarbij van gemeenten dat zij in hun afweging in het al dan niet vergoeden van de schade, altijd maatwerk toepassen. Ik heb van de VNG vernomen dat gemeenten zelden schade verhalen op de gebruiker.
Welke eisen zitten er aan de informatievoorziening voor mensen met een beperking over de verzekering van de hulpmiddelen?
De wetgeving stelt hier geen eisen aan. Ik heb navraag gedaan bij de branchevereniging van hulpmiddelenleveranciers (Firevaned) hoe deze informatievoorziening wordt vormgegeven. De informatievoorziening is, afhankelijk van de individuele invulling van de gemeente, opgenomen in de bruikleenovereenkomst die cliënten met een beperking ontvangen bij de aflevering van het hulpmiddel. Daarnaast ontvangen cliënten met een gemotoriseerd hulpmiddel jaarlijks een nieuw kentekenplaatje met daarbij een begeleidende brief als bewijs dat het hulpmiddel is verzekerd.
Deelt u onze mening dat ondersteuning vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) erop gericht moet zijn om mensen met een beperking meer te kunnen laten participeren? Hoe strookt dat met uitspraken dat mensen met hun hulpmiddel in de winter niet op het ijs mogen of andere dingen mogen doen die mogelijk risico op beschadiging met zich meebrengen?
Ja, ik deel deze mening. Ondersteuning uit de Wmo 2015 is gericht op het bevorderen van de zelfredzaamheid en van de participatie van mensen. Hulpmiddelen dragen daaraan bij. Bij het verstrekken van een hulpmiddel vragen gemeenten en hulpmiddelenleveranciers cliënten om zorgvuldig met het hulpmiddel om te gaan. Omdat het hulpmiddel door de gemeente in bruikleen wordt versterkt, mag verwacht worden van de gebruiker dat die daar verantwoordelijk mee omgaat. Zo kan schade voorkomen worden.
Waarom kunnen mensen met een beperking hun eigen hulpmiddelen niet casco verzekeren?
Mensen met een hulpmiddel krijgen dit vaak verstrekt in bruikleen. Deze bruikleenconstructie heeft voordelen: onderhoudskosten komen niet voor rekening van de gebruiker en als het hulpmiddel niet meer wordt gebruikt, wordt deze hergebruikt waardoor sprake is van een duurzame verstrekking. De wetgeving is zó ingeregeld dat alleen eigenaren hun goederen kunnen verzekeren. Omdat hulpmiddelengebruikers geen eigenaar zijn, kunnen zij niet zelf een verzekering afsluiten. In het geval dat iemand een Wmo-hulpmiddel inkoopt met een pgb, wordt diegene doorgaans wel eigenaar en kan dan zelfstandig besluiten een (casco)verzekering af te sluiten.
Hoe is de verzekering van hulpmiddelen geregeld voor mensen die hun hulpmiddel vergoed krijgen vanuit de Zorgverzekeringswet (Zvw) of de Wet langdurige zorg (Wlz)?
Bij een gemotoriseerd mobiliteitshulpmiddel is het verplicht een aansprakelijkheidsverzekering af te sluiten. Het gaat om een Wettelijke Aansprakelijkheid Motorvoertuigen (WAM)-verzekering voor elektrisch aangedreven hulpmiddelen. In de Wmo is de gemeente hiervoor verantwoordelijk. In de Wlz is dit volgens het landelijk protocol van de zorgkantoren een verantwoordelijkheid van de zorginstelling van de cliënt aan wie het mobiliteitshulpmiddel is verstrekt. Naast voor deze wettelijk verplichte verzekering, is de zorginstelling volgens dit protocol verantwoordelijk voor het afsluiten van een adequate (casco)verzekering voor schade die niet onder de WA-verzekering valt. Vanuit de Zvw worden geen (mobiliteits)hulpmiddelen verstrekt die WA-verzekeringsplichtig zijn.
Welke stappen kunt u zetten om de regels omtrent verzekeringen voor hulpmiddelen meer uniform te maken?
Dit is wat mij betreft niet nodig. De eerdergenoemde wettelijke verzekeringen gelden voor alle wettelijke domeinen waaruit de hulpmiddelen worden verstrekt. Het maken van aanvullende afspraken, zoals het eventueel afsluiten van een cascoverzekering, is een verantwoordelijkheid van gemeenten en zorginstellingen die past binnen de ruimte die ze hebben om maatwerk te leveren.
Welke stappen kunt u zetten om ervoor te zorgen dat gemeenten de hulpmiddelen ook casco verzekeren? Indien dat niet mogelijk is, hoe kan dan worden geregeld dat personen met een beperking zelf de hulpmiddelen kunnen verzekeren?
Zoals ook uit het antwoord op vraag 2 blijkt, zijn gemeenten verplicht om een aansprakelijkheidsverzekering af te sluiten voor gemotoriseerde hulpmiddelen. Gemeenten sluiten daarnaast met hun leveranciers een onderhoudscontract af ter dekking van de kosten van onderhoud en reparatie als gevolg van gebruik en slijtage van de hulpmiddelen.
Als hulpmiddelengebruikers toch een cascoverzekering wensen, kunnen zij met hun gemeente de mogelijkheden bespreken. De bestaande wetgeving kan de gemeente echter niet verplichten om deze kosten op zich te nemen. De vraag is overigens welke toegevoegde waarde een cascoverzekering in de meeste gevallen heeft ten opzichte van een WA-verzekering in combinatie met een onderhoudscontract. Van de VNG heb ik vernomen dat het weinig voorkomt dat gebruikers schade maken aan het hulpmiddel die in het kader van onderhoud en service niet vergoed wordt, terwijl gemeenten heel veel hulpmiddelen verstrekken. Zodoende wegen de kosten voor gemeenten om alle hulpmiddelen casco te verzekeren, niet tegen de baten op en is het vanuit doelmatigheidsoogpunt beter dat gemeenten maatwerk toepassen in individuele gevallen. Belangrijk in dit verband is ook dat een cascoverzekering geen schade als gevolg van oneigenlijk gebruik, zoals dat door de verzekeraar bepaald is, dekt.
Herkent u signalen van mensen met een beperking waarbij de reparatie van een hulpmiddel heel lang duurt?
Uit de nulmeting van de monitor hulpmiddelen die in het kader van het actieplan hulpmiddelen is opgesteld en die in oktober 2021 naar uw Kamer is gestuurd, bleek dat «reparatie» door cliënten als onvoldoende werd beoordeeld.3 De definitie die in de monitor is gehanteerd, betrof een combinatie van snelheid en kwaliteit. Dit jaar wordt een effectmeting uitgevoerd en zal blijken of de kwaliteit en de snelheid van reparaties voor gebruikers merkbaar is verbeterd.
Ik heb bij Firevaned aanvullend navraag gedaan in hoeverre de reparaties lang op zich laten wachten. Volgens Firevaned kan het voorkomen dat reparaties momenteel langer duren. Dit komt o.a. door de huidige schaarse beschikbaarheid van onderdelen en een relatief hoog ziekteverzuim i.v.m. de coronapandemie.
Welke richtlijnen zijn er voor de reparatie van hulpmiddelen? Binnen welke termijn dient dat te gebeuren? Of is hier geen landelijke regelgeving voor?
De Wmo 2015, Zvw en de Wlz bevatten geen landelijke richtlijnen voor de reparatie van hulpmiddelen.
Ten aanzien Wmo-hulpmiddelen maken gemeenten en hulpmiddelenleveranciers contractuele afspraken over de termijnen die van toepassing zijn op reparatie en onderhoud. In de handreiking inkoop hulpmiddelen doet de VNG aanbevelingen aan gemeenten over de termijnen en de mogelijkheid een vervangend hulpmiddel in te zetten in het geval van een langdurige reparatie. Het landelijk normenkader schrijft voor dat spoedreparaties binnen 24 uur worden uitgevoerd.
Ten aanzien van Wlz-hulpmiddelen hebben de zorgkantoren geen landelijke richtlijnen over wanneer reparaties moeten zijn afgerond, omdat de aard van de reparaties sterk uiteen kan lopen. De zorgaanbieder en de leverancier maken samen afspraken over wat een redelijke termijn is. Volgens het landelijk protocol van de zorgkantoren dient een hulpmiddelenleverancier spoedmeldingen vanuit de zorginstelling op de dag van de melding op te pakken.
Ten aanzien van Zvw-hulpmiddelen maakt de zorgverzekeraar afspraken met de hulpmiddelenleverancier over reparatie en vervanging indien het hulpmiddel zelf stuk gaat.
Hoeveel formulieren moeten mensen met een lichamelijke beperking gemiddeld invullen voor het verkrijgen en behouden van hulpmiddelen en met welke frequentie?
De tijd die hulpmiddelengebruikers besteden aan administratie verschilt per individu en is mede afhankelijk van of de gebruiker dit zélf doet, met hulp van een onafhankelijke cliëntondersteuner of door de vertegenwoordiger laat doen. Daarnaast is het ook mogelijk, zoals in de Wlz, dat de zorginstelling de aanvraag in overleg met de cliënt uitvoert, waardoor cliënten geen formulieren hoeven in te vullen.
Mij is bekend – en dat blijkt tevens uit de monitor hulpmiddelen – dat reparaties en aanpassingen aan hulpmiddelen tijdsintensieve trajecten (kunnen) zijn. Ik heb geen zicht op hoeveel tijd hulpmiddelengebruikers kwijt zijn aan hun administratie of hoeveel formulieren zij moeten invullen, dit wordt nergens bijgehouden. Wel krijgt het Ministerie van VWS via het programma [Ont]Regel de Zorg met enige regelmaat meldingen over administratieve lasten bij de aanvraag van hulpmiddelen, zowel van gebruikers van hulpmiddelen als van voorschrijvers.
Ik span mij ervoor in om de tijdsbesteding aan administratie te verminderen. Daarvoor ben ik continu in gesprek met o.a. zorgverzekeraars en gemeenten.
Daarnaast dragen het landelijk normenkader en de resultaten van het actieplan bij aan het vereenvoudigen van het traject voor het verstrekken van hulpmiddelen. Ik verwacht dat ook dat traject zal resulteren in het verminderen van administratie.
Hoeveel tijd zijn mensen met een beperking gemiddeld aan kwijt aan administratie en aanvragen rondom hulpmiddelen?
Zie antwoord vraag 11.
Hoe stroken de lange wachttijden voor reparaties, onmogelijkheid om casco te verzekeren en de grote hoeveelheid tijd die mensen met een beperking kwijt zijn aan administratie met de doelstellingen en normen van het Landelijk normenkader hulpmiddelen?3
Het landelijk normenkader draagt bij aan een tijdige toegang en levering van passende en adequate hulpmiddelen en bevat afspraken over reparaties. Het landelijk normenkader ziet niet expliciet op afspraken op het gebied van verzekeringen, hier wordt wel aandacht aan besteed in de handreiking inkoop hulpmiddelen. De afspraken moeten leiden tot verbetering van de kwaliteit en vereenvoudigen van het toegangs- en verstrekkingsproces van complexe hulpmiddelen.
Hoe wilt u gaan zorgen dat alle gemeenten, zorgkantoren en verzekeraars het landelijk kader en convenanten met betrekking tot hulpmiddelen beter gaan uitvoeren?
Zoals in oktober aan uw Kamer is geschreven, hebben alle bij het onderwerp betrokken partijen hun commitment uitgesproken om actief aan de slag te blijven met het verbeteren van de hulpmiddelenzorg.5 Dit wordt o.a. gedaan door initiatieven te ontplooien om gezamenlijk in de uitvoeringspraktijk de convenanten te implementeren en door extra acties richting gemeenten om hen te bewegen over te gaan tot ondertekening van de convenanten. De afstemming hierover vindt plaats via de bestuurlijke tafel hulpmiddelen.6 In het najaar van 2022 wordt de tweede monitor hulpmiddelen uitgevoerd. Dan zal blijken of de waardering van cliënten voor de verstrekking van hulpmiddelen is toegenomen. Op basis van de uitkomsten worden eventueel gerichte vervolgacties in gang gezet.
Het Bestuurlijk Afstemmingsoverleg (BAO) |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Klopt het dat de directeur-generaal Volksgezondheid (DGV) van het Ministerie van VWS de voorzitter is van het Bestuurlijk Afstemmingsoverleg (BAO)? Klopt het dat het COVID-19-advies van het Outbreak Management Team (OMT) via de directeur van het Centrum Infectieziektenbestrijding (CIb) aan het BAO wordt voorgelegd?
Het klopt dat de Directeur-Generaal Volksgezondheid (DGV), of diens plaatsvervanger in de vorm van de plv. Directeur-Generaal Covid-19 van het Ministerie van VWS (in geval van COVID-19), de voorzitter is van het Bestuurlijk Afstemmingsoverleg (BAO). De directeur CIb licht het OMT-advies in het BAO toe.
Bent u ermee bekend dat de deelnemers in het BAO vanuit het RIVM, de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en de GGD-GHOR worden betiteld als «vaste BAO leden»? Is hun status in de advisering aan de Minister van VWS anders dan van andere genodigden en bij het onderwerp betrokken lokale bestuurders? Zo ja, waarom is dat het geval? Zo nee, wat is dan de waarde van de titel «vaste BAO leden»?
Het BAO bestaat uit vaste leden op basis van het Instellingsbesluit Bestuurlijk afstemmingsoverleg infectieziektebestrijding, de Directeur-Generaal van Volksgezondheid van het ministerie, of diens plaatsvervanger tevens voorzitter, de directeur van het Centrum infectieziektebestrijding als voorzitter van het OMT, een vertegenwoordiger van de directie Publieke Gezondheid van het ministerie, tevens secretaris. Zij faciliteren het BAO. De andere vaste leden zijn een vertegenwoordiger van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, een vertegenwoordiger van de burgemeesters of wethouders betrokken bij GGD’en, vertegenwoordiger van GGD-GHOR Nederland en een vertegenwoordiger van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Tenslotte een vertegenwoordiger van de bij het onderwerp van de vergadering betrokken lokale bestuurders, in het geval van COVID-19 is dat een vertegenwoordiger van de voorzitters veiligheidsregio’s. Deze vaste leden van het BAO hebben de verantwoordelijkheid om de adviezen van het OMT op bestuurlijke haalbaarheid en wenselijkheid te beoordelen. Zij zijn namelijk betrokken bij de uitvoering van deze adviezen.
Naast de vaste leden wonen ook vertegenwoordigers van departementen en vertegenwoordigers van afdelingen binnen VWS het BAO bij, zodat zij snel op de hoogte zijn van het advies en een kabinetsreactie kunnen voorbereiden die wordt opgenomen in de brief aan de Kamer.
Bent u ermee bekend dat bij het BAO de volgende algemene beschrijving bestaat voor de overige deelnemers aan het overleg: «een vertegenwoordiger van de Directie Publieke Gezondheid van het ministerie, tevens secretaris, een vertegenwoordiger van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), door de Minister te benoemen vertegenwoordigers van de GHOR-burgemeesters, GGD-Nederland en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (GGD-GHOR en VNG), de bij het onderwerp van de vergadering betrokken lokale bestuurders, zij die op uitnodiging van de voorzitter van het BAO de vergaderingen bijwonen»?1
Ja.
Welke criteria worden door de DGV gehanteerd om te bepalen wie er naast de vaste leden bij het BAO uitgenodigd worden? Waar zijn deze criteria te vinden?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, kunnen vertegenwoordigers van departementen en vertegenwoordigers van afdelingen binnen VWS het BAO bijwonen, zodat zij snel op de hoogte zijn van het advies en dit ter hand kunnen nemen voor processen die hieruit volgen.
Welke criteria worden door de DGV gehanteerd om te bepalen wie de betrokken lokale bestuurders zijn die bij het BAO uitgenodigd worden? Waar zijn deze criteria te vinden?
Aangezien het in dit geval gaat om een landelijke crisis, zijn er geen specifieke lokale bestuurders betrokken en is daarom een vertegenwoordiger van de voorzitters veiligheidsregio’s uitgenodigd.
Kunt u een lijst overleggen van alle leden van het BAO, precies zoals dit het geval is bij het OMT? Zo nee, waarom niet?
De afgelopen 2 jaar zijn er zo’n 100 BAO’s geweest over COVID-19. Het op dit moment uitzoeken van alle deelnemers van de BAO’s van de afgelopen 2 jaar heeft geen toegevoegde waarde.
Is de informatie die door de directeur van het CIb aan het BAO wordt voorgelegd dezelfde informatie als die aan de Vaste Kamercommissie voor VWS wordt voorgelegd tijdens technische briefings? Zo nee, waarom niet?
Het BAO wordt gevraagd om het OMT-advies te beoordelen op bestuurlijke haalbaarheid en wenselijkheid. Zij krijgen daartoe het OMT-advies en de mogelijkheid om aan de voorzitter van het OMT uitleg te vragen over het advies nadat de voorzitter van het OMT het advies in het BAO mondeling heeft toegelicht. Tijdens de technische briefing geeft de directeur van het CIb aan de Vaste Kamercommissie voor VWS uitleg over de epidemiologische situatie, dat is deels andere informatie.
Wat is de werkwijze van het BAO? Is hier net als in het OMT sprake van een stemming over de geadviseerde maatregelen? Zo nee, hoe wordt dan tot besluiten gekomen? Zo ja, mogen alle aanwezigen stemmen en gelden alle stemmen even zwaar? Zo ja, wordt er gewerkt met >50 procent van de stemmen voor om een advies aan de Minister uit te brengen of werkt dit anders?
Bij het BAO wordt niet gestemd, bij het OMT overigens ook niet. De vaste leden van het BAO leveren bouwstenen aan voor het BAO-advies. Onder leiding van de voorzitter van het BAO wordt het advies met de vaste leden geformuleerd en vastgesteld. Door de secretaris van het BAO wordt het advies in de Kamerbrief opgenomen.
Bent u bekend met het interview met de heer Huurman op Weltschmertz van 27 februari 2021, die met de toenmalige NVR (de huidige Raad voor Volksgezondheid en Samenleving) in 1993 de opzet van een OMT aanbevolen heeft naar aanleiding van de toenmalige polio-uitbraak?2
Ik ben er mee bekend dat het LCI in 1995 is ingesteld naar aanleiding van de evaluatie van de polio uitbraak in 19933 en dat het LCI het eerste OMT heeft georganiseerd.
Bent u ermee bekend dat de heer Huurman het niet notuleren van de eerste drie bijeenkomsten in de polio-epidemie omschrijft als «slecht professioneel handelen»? Deelt u deze visie? Zo nee, waarom niet?3.
In principe is het opstellen van notulen van groot belang. Voor het BAO geldt dat het advies van het BAO zodanig snel na het BAO in de Kamerbrief moet worden opgenomen dat dit advies in de plaats komt van de notulen.
Bent u bekend met de door uw voorganger beschreven werkwijze van het BAO zijnde «aan de hand van persoonlijke aantekeningen van een medewerker wordt een advies opgesteld»? Deelt u de visie dat deze werkwijze kan leiden tot een inadequate verslaglegging en dientengevolge foutieve besluiten? Zo nee, waarom niet?
De voorzitter en secretaris formuleren het advies zorgvuldig op basis van het BAO. Het advies wordt via de brief waarmee het betreffende advies van het OMT aan de Kamer wordt aangeboden, openbaar. Als adviezen onjuist zouden zijn weergegeven, kunnen de leden dat aangeven bij de voorzitter of secretaris.
Waarom worden er geen notulen gemaakt van een BAO? Bent u voornemens in het vervolg wel notulen te maken van een BAO? Zo nee, waarom niet?4
Het advies van het BAO moet zodanig snel na het BAO in de Kamerbrief worden opgenomen dat dit advies als het ware de notulen vervangt.
Kunt u ervoor zorgdragen dat alle BAO-adviezen volgordelijk online te raadplegen zijn, precies zoals het geval is bij de OMT-adviezen? Zo nee, waarom niet?
De afgelopen 2 jaar zijn er zo’n 100 BAO’s geweest over COVID-19. Alle adviezen zijn opgenomen in Kamerbrieven en daarmee openbaar. Ik zie geen toegevoegde waarde aan het ook op een andere manier toegankelijk maken van deze adviezen.
Klopt het dat u als Minister van VWS op basis van het BAO-advies een besluit neemt over de te nemen maatregelen? Klopt het dat u als Minister van VWS eindverantwoordelijk bent voor de maatregelen en niet het OMT of het BAO? Deelt u de visie dat de herhaaldelijke uitspraak «wij baseren ons op het advies van het OMT» indirect toch dit OMT verantwoordelijk maakt? Zo nee, waarom niet?5 6
Het kabinet neemt een besluit over te nemen maatregelen op basis van diverse adviezen, waaronder die van OMT en BAO. Dat het kabinet aangeeft zich in zijn besluiten te baseren op adviezen betekent niet dat de adviseurs daarmee verantwoordelijk zijn voor het besluit.
Kunt u alle bovenstaande vragen afzonderlijk beantwoorden? Zo nee, waarom niet?
Alle vragen zijn beantwoord.
De GGD GHOR en de stichting Landelijke Coördinatie COVID-19 Bestrijding |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat er in Nederland sprake is van een structuur van 25 Gemeentelijke Gezondheidsdiensten (GGD’en) die elk op zich aangestuurd worden door een gemeente? En bent u ermee bekent dat deze GGD’en niet direct onder leiding staan van het Ministerie van VWS?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Klopt het dat er een overkoepelende vereniging voor deze 25 GGD’en en Geneeskundige Hulpverleningsorganisaties in de Regio (GHOR) is, de GGD GHOR? En klopt het dat de leden van deze GGD GHOR sinds 2012 de Directeuren Publieke Gezondheid (DPG) zijn, die verantwoordelijk zijn voor de GGD en GHOR in de veiligheidsregio’s?
Ja, ik kan bevestigen dat dit klopt.
Bent u ermee bekend dat de ledenvergadering van de GGD GHOR, het hoogste orgaan van een vereniging, voorgezeten wordt door de voorzitter van GGD GHOR Nederland, in dit geval de heer Rouvoet? En bent u ermee bekend dat deze voorzitter samen met 5 DPG’s het dagelijks bestuur (presidium) van de GGD GHOR vormt?
Ja, daar ben ik mee bekend.
Kunt u het proces schetsen voor de benoeming van de voorzitter van de GGD GHOR en aangeven wie uiteindelijk besluit wie dit wordt? Zo nee, waarom niet?
GGD GHOR Nederland is een vereniging waar de 25 Directeuren Publieke Gezondheid lid van zijn. GGD GHOR Nederland is een privaatrechtelijke organisatie (vereniging) waar de rijksoverheid geen lid van is en ook bij niet betrokken is en ook geen verantwoordelijkheid heeft bij de interne besluitvormingsprocessen. De besluitvorming moet voldoen aan de eisen van het geldend recht, in het Burgerlijk Wetboek.
Is de voorzitter van de GGD GHOR bevoegd om namens alle GGD’en te spreken? Dient deze voorzitter haar leden te raadplegen indien er een adviesvraag vanuit het Ministerie van VWS wordt voorgelegd of wanneer er een persbericht wordt uitgebracht? Zo nee, waarom niet?
Dit is een bevoegdheid die aan de betreffende privaatrechtelijke organisatie is, zoals ik heb beschreven in mijn antwoord bij vraag 4.
Kunt u aangeven hoe er een selectie wordt gemaakt uit de 25 DPG’s over wie zitting mag nemen in het presidium van de GGD GHOR?2
Ik ken de interne afspraken en werkwijze daarover niet. Ik wijs u op mijn antwoord bij vraag 4.
Kunt u aangeven hoe de beleidsadviezen van de GGD GHOR uitgerold worden over de 25 GGD’en en de 25 GHOR veiligheidsregio’s? Is elke GGD verplicht zich aan de adviezen / het beleid van de GGD GHOR te houden of mogen zij ook eigen keuzes maken voor hun regio? Is elke GHOR in een veiligheidsregio verplicht zich aan de adviezen / het beleid van de GGD GHOR te houden of mogen zij ook eigen keuzes maken voor hun regio?
Dit ligt in het verlangde van andere vragen die u stelde. Ik wijs u daarom op mijn antwoord bij vraag 4.
Bent u ermee bekend dat er vanuit de GGD GHOR per 1 januari 2022 een stichting Landelijke Coördinatie COVID-19 Bestrijding is opgericht? Kunt u aangeven wie opdracht heeft gegeven tot deze stichting en wanneer dit was? En kunt u aangeven wie de voorzitter van deze stichting is? Wat is de opdracht van deze nieuwe stichting? Kunt u ook ingaan op de verhouding tussen deze stichting met de GGD GHOR, en de verhouding van deze nieuwe stichting met het Ministerie van VWS? Zo nee, waarom niet?
Ja, hier ben ik bekend mee.
De (toenmalige) Minister van VWS heeft op 5 november 2021 op grond van artikel 7, eerste lid, van de Wet publieke gezondheid (Wpg) aan de voorzitters van de veiligheidsregio’s een eenzijdige opdracht (bevel) gegeven, tot het treffen van maatregelen ter bestrijding van de infectieziekte covid-19. De uitvoering van de aan de voorzitters opgedragen maatregelen gebeurt door de GGD’en. De voorzitters van de veiligheidsregio’s moesten op grond van de eenzijdige opdracht de voor die maatregelen noodzakelijke werkzaamheden op landelijk niveau laten uitvoeren door een stichting van GGH GHOR (stichting Projectenbureau Publieke Gezondheid en Veiligheid Nederland). GGD GHOR heeft besloten om de stichting Landelijke Coördinatie COVID-19 Bestrijding (LCCB) op te richten en daarin de uitvoering van de bovenbedoelde werkzaamheden op landelijk niveau onder te brengen. Voorzitter van de (Raad van Toezicht van de) stichting LCCB is de heer A. Rouvoet. Ik heb de eenzijdige opdracht aan de voorzitters van de veiligheidsregio’s inmiddels aangepast waardoor de werkzaamheden op landelijk niveau die gemeenschappelijk zijn voor GGDꞌen in 2022 moeten worden uitgevoerd door de stichting LCCB. De relatie van die stichting met het Ministerie van VWS is louter een financiële. De stichting LCCB krijgt net als de GGD’en op grond van de Wpg, de kosten ter uitvoering van de eenzijdige opdracht aan de voorzitters van de veiligheidsregio’s, vergoed ten laste van de VWS-begroting.
Kunt u alle bovenstaande vragen afzonderlijk beantwoorden? Zo nee, waarom niet?
Ja, dat kan.
Het Outbreak Management Team (OMT) COVID-19 en de verhouding tot het RIVM |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Bent u bekend met de folder van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) over de landelijke advisering bij infectieziektedreigingen en -crises, waarin onder andere de rol en werkwijze van een Outbreak Management Team (OMT) wordt beschreven?1
Ja.
Bent u bekend met het Centrum Infectieziektebestrijding (CIb) van het RIVM dat de bestrijding van infectieziekten coördineert? Wat is de betekenis van «centrum» binnen het RIVM? Is dit een afdeling of heeft het CIb een andere status? Zo ja, welke status heeft het CIb?2
Ik ben bekend met het Centrum Infectieziektebestrijding (CIb) van het RIVM. Dit centrum is een organisatorische eenheid die onder leiding staat van de directeur CIb. Het bestaat uit de Landelijke Coördinatie Infectieziektebestrijding (LCI), Epidemiologie en Surveillance van Infectieziekten (EPI), Infectieziekteonderzoek, Diagnostiek en laboratorium Surveillance (IDS), Zoönosen en Omgevingsmicrobiologie (Z&O) en Immunologie van Infectieziekten en Vaccins (IIV).
Klopt het dat het CIb, onderdeel van het RIVM, het OMT COVID-19 (dat sinds 24 januari 2020 bestaat) initieert? Welke medewerkers van het CIb hebben de eindverantwoordelijkheid voor de initiatie en samenstelling van het OMT in algemene zin en het OMT COVID-19 in het bijzonder?3
Het OMT bestaat op zichzelf al sinds 1995, en wordt georganiseerd door de LCI die sinds 2005 onderdeel uitmaakt van het CIb. De directeur van het CIb is de voorzitter van het OMT, het hoofd van de LCI is de secretaris van het OMT en het secretariaat van het OMT wordt gevormd door medewerkers van LCI. De voorzitter en secretaris van het OMT gaan in eerste instantie over initiatie en samenstelling van het OMT; het OMT COVID-19 is daar geen uitzondering op. De leden van het OMT en het OMT als geheel hebben een eigen stem in samenstelling.
Kunt u de initiële oproep delen waarin dit verzoek tot samenkomst van het OMT inzake COVID-19 is gecommuniceerd? Zo nee, waarom niet?
Ik heb niet de beschikking over die uitnodiging.
Wie is verantwoordelijk voor de aanstelling van de directeur van het CIb? Waar is deze informatie te vinden?4
De DG van het RIVM is verantwoordelijk voor de aanstelling van de directeur van het CIb. Deze informatie volgt uit het organogram van het RIVM.
Deelt u de conclusie op basis van de Wet op het RIVM dat het RIVM een onderdeel is van het Ministerie van VWS? Zo nee, hoe is dan de verhouding tussen het RIVM en het Ministerie van VWS?
Het RIVM is een baten-lasten agentschap van het Ministerie van VWS. In gevolge de Wet op het RIVM vindt de uitvoering van het wetenschappelijk onderzoek en de advisering in onafhankelijkheid plaats; daarop kan het departement noch de Minister invloed uitoefenen.
Herinnert u zich dat u in antwoorden op schriftelijke vragen heeft gesteld dat het OMT geen onderdeel is van het RIVM, maar dat dit een onafhankelijk adviesorgaan is?5
Ja.
Kunt u ingaan op wat volgens u in dit geval de betekenis is van een «onafhankelijk adviesorgaan»? En kunt u uiteenzetten wat de verhouding is tussen het RIVM en het OMT? Zo nee, waarom niet?
Een onafhankelijk adviesorgaan kan adviseren zonder over dat advies inhoudelijk verantwoording af te hoeven leggen aan degene die het advies gevraagd heeft. De LCI, dat onderdeel uitmaakt van het RIVM, faciliteert het OMT.
Indien het OMT geheel onafhankelijk is van het RIVM, waarom staat alle correspondentie van het OMT dan vermeld op de site van het RIVM, is de directeur-generaal van het RIVM de voorzitter van het OMT en nemen aan elke OMT-bijeenkomst vele medewerkers van het RIVM deel? Deelt u de visie dat deze vermenging van RIVM en OMT maakt dat het OMT geen onafhankelijk orgaan is van het RIVM? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 8 faciliteert de LCI het OMT, daarbij hoort het publiceren van de adviezen, het leveren van de voorzitter, die overigens de directeur van het CIb is en niet de DG van het RIVM, en deelname van medewerkers van het RIVM. Dit doet niets toe of af aan de onafhankelijkheid van het OMT. De leden van het OMT gaan over hun eigen advies.
Deelt u de visie dat werknemers van het RIVM uiteindelijk in dienst zijn van het Ministerie van VWS? Zo nee, waarom niet?
De werknemers zijn in dienst bij het RIVM, dat een baten en lastendienst is van het Ministerie van VWS. In de Wet op het RIVM is de wetenschappelijke onafhankelijkheid en onafhankelijkheid van advisering van het RIVM geregeld.
Klopt het dat de vaste leden van het OMT COVID-19 in dienst zijn van het RIVM? Zo nee, waarom klopt dit niet?
De voorzitter en de secretaris van het OMT zijn in dienst van het RIVM. Op de website van het RIVM staat een overzicht van de OMT-leden. Hierop is te zien waar alle OMT-leden werkzaam zijn.
Kunt u alle bovenstaande vragen afzonderlijk beantwoorden? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Mogelijke arbeidsongeschiktheid als gevolg van uitgestelde zorg vanwege corona |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met situaties waarin sprake is van (dreigende) arbeidsongeschiktheid als gevolg van uitgestelde zorg vanwege corona, zoals bijvoorbeeld iemand met een versleten knie of heup in afwachting een uitgestelde operatie voor een knie- of heupprothese?
Sinds de uitbraak van de coronapandemie staat de zorg in Nederland onder grote druk. Daardoor wordt een deel van de zorg uitgesteld. Ik ben me ervan bewust dat het uitblijven van een behandeling de belastbaarheid van een zieke werknemer en zijn re-integratie negatief kan beïnvloeden. Als een zieke werknemer door uitgestelde zorg niet binnen de periode van 104 weken loondoorbetaling bij ziekte of Ziektewet het werk volledig heeft hervat, is het mogelijk dat hij daarna een WIA-uitkering ontvangt.
Kunt u aangeven om hoeveel personen dit naar verwachting gaat?
Een werkgever en zijn zieke werknemer zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de terugkeer in het arbeidsproces. De bedrijfsarts adviseert over de re-integratiemogelijkheden op basis van de belastbaarheid van de zieke werknemer. De mate waarin uitgestelde zorg de belastbaarheid heeft beïnvloedt en het effect daarvan op de re-integratie, zal per zieke werknemer verschillen. Dit wordt niet bijgehouden of geregistreerd. Dit maakt dat er geen inzicht is in hoe groot de groep werknemers is waarbij uitgestelde zorg vanwege corona een rol speelt of heeft gespeeld in hun re-integratie.
Zijn er meer (vergelijkbare) situaties bekend waarin werknemers als gevolg van uitgestelde zorg door corona hiermee te maken krijgen?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe wordt omgegaan met werknemers die hiermee te maken krijgen?
Als door omstandigheden, gelegen buiten de werknemer zelf, een re-integratietraject geen doorgang kan vinden, blijft de werknemer zijn loon of Ziektewetuitkering ontvangen. Dit geldt in alle gevallen. Er zijn helaas meer ziekten met een onvoorspelbaar verloop, waarbij soms onverhoopt meer tijd nodig is voor de re-integratie dan de periode van 104 weken loondoorbetaling bij ziekte of Ziektewet. Na die periode komt een werknemer mogelijk in aanmerking voor een WIA-uitkering. Dat betekent niet het einde van de re-integratie. Ook voor uitkeringsgerechtigden geldt dat er nadruk ligt op ondersteuning van de re-integratie op de arbeidsmarkt.
In hoeverre wordt hierbij ook rekening gehouden met de revalidatieperiode na afloop van een uitgestelde operatie, waardoor een ziekteperiode nog langer kan duren en mogelijk de termijn van twee jaar in de Ziektewet wordt overschreden?
Voor alle werknemers die ziek worden en daardoor hun eigen werk niet meer kunnen doen, gelden de regels zoals vastgesteld in de Wet verbetering poortwachter. Re-integratie is maatwerk en de belastbaarheid van de zieke werknemer is leidend in het re-integratietraject. Dit betekent dat er wordt gekeken naar de mogelijkheden van de individuele zieke werknemer op dat moment en op basis daarvan er een re-integratieplan wordt opgesteld. Na de periode van 104 weken kan de zieke werknemer een WIA-uitkering aanvragen. Werkgever en werknemer kunnen kiezen voor een vrijwillige verlenging van de loondoorbetalingsperiode bij ziekte wanneer zij denken dat de werknemer binnenkort (volledig) terug kan keren in zijn oude werk. Verlenging van de periode van 104 weken gebeurt in samenspraak, werkgever en werknemer dienen hiertoe gezamenlijk een verzoek in bij UWV. Wanneer zij dat doen en UWV kent de verlenging toe, wordt de WIA-aanvraag uitgesteld.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat werknemers om deze reden na twee jaar in de Ziektewet te hebben gezeten in de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) terecht komen? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u om mensen in een dergelijke situatie tegemoet te komen zodat zij niet als gevolg van uitgestelde zorg ontslagen worden en een WIA-uitkering aan moeten vragen?
Als gevolg van de coronapandemie kunnen zieke werknemers langer op hun medische behandeling hebben moeten wachten of in sommige situaties mogelijk nog steeds wachten op hun behandeling. Ik kan me indenken dat dit tot onzekerheid over de gezondheid kan leiden voor werknemers die hier mee te maken krijgen. Het uitstellen van een medische behandeling kan de ziekteperiode van een werknemer verlengen. De invloed van het uitstellen van een medische behandeling verschilt per individu. Het re-integreren van zieke werknemers is en blijft maatwerk gedurende de periode van 104 weken van loondoorbetaling of Ziektewetuitkering. Als een zieke werknemer niet binnen de periode van 104 weken loondoorbetaling bij ziekte of Ziektewet het werk volledig heeft hervat, is het mogelijk dat hij daarna een WIA-uitkering ontvangt. In samenspraak kunnen werkgever en werknemer de loondoorbetalingsperiode bij ziekte met maximaal één jaar verlengen. De WIA-aanvraag wordt dan uitgesteld. Als een werknemer daarna recht heeft op een WIA-uitkering betekent dit echter niet dat de inzet op re-integratie stopt. Ook betekent het niet dat de werkgever tot ontslag moet over gaan. Ook de WIA kent mogelijkheden om de re-integratie bij de werkgever voort te zetten.
Het toekennen van een groot bedrag aan NOW-steun aan een meermaals veroordeeld bedrijf, dat weigert dwangsommen te betalen. |
|
Frank Wassenberg (PvdD), Christine Teunissen (PvdD) |
|
Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA), Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Henk Staghouwer (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Is het u bekend dat het bedrijf Bert’s Animal Verhuur € 40.000,– aan dwangsommen moet betalen? Is het u ook bekend dat het bedrijf al eerder € 100.000,– aan dwangsommen opgelegd heeft gekregen van de gemeente West Maas en Waal?1 2 3
Het is mij bekend dat er door de Inspectie lasten onder dwangsom zijn opgelegd.
Is het juist dat Bert’s Animal Verhuur in totaal € 154.875,– aan tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid (NOW)-steun heeft ontvangen?4
Gebaseerd op de door UWV gepubliceerde gegevens in de NOW-registers heeft Bert’s Animal Verhuur tot en met de NOW 4 cumulatief 170.646 euro aan NOW-subsidie ontvangen. Dit bedrag betreft een voorschot op basis van verwacht omzetverlies, de definitieve afrekening van de subsidie volgt na vaststelling van het daadwerkelijke omzetverlies. Eventueel aangevraagde subsidies voor de NOW5 en NOW6 zijn (nog) niet bekend.
Heeft dit bedrijf gebruik gemaakt van andere coronasteunregelingen?
Zoals gemeld in het openbare register van de TVL heeft dit bedrijf een TVL-subsidie ontvangen. Tot en met Q3 2021 zijn in dit register ondernemers opgenomen die meer dan € 100.000 TVL-subsidie hebben ontvangen, vanaf Q4 2021 is deze ondergrens losgelaten. Voor Bert’s Animal Verhuur staat een cumulatief bedrag vermeld van € 164.071. Ook hier geldt dat de in de registers vermelde bedragen de uitgekeerde voorschotten betreft, niet de hoogte van definitieve subsidieverstrekking.
Begrijpt u de ophef die ontstaat als er een groot bedrag aan NOW-steun gaat naar een bedrijf dat eerder is stilgelegd door de rechter wegens malversaties, waaraan verschillende dwangsommen zijn opgelegd en dat systematisch de wet overtreedt als het om dierenwelzijn gaat?
Ja, die ophef begrijp ik. In het geval van misstanden kent ons land gelukkig goede wet- en regelgeving om hier adequaat naar te handelen. Specifiek voor de NOW geldt dat het een snel opgezette regeling in crisistijd betreft die grofmazig is, om de uitvoering ervan mogelijk te houden. Er is daarom maar een beperkt aantal voorwaarden opgenomen waaraan wordt getoetst. Dierenwelzijn is geen onderdeel van deze voorwaarden. Dat betekent dat als deze werkgever voldoet aan de aan de NOW-subsidie gestelde voorwaarden, hij aanspraak mag maken op deze subsidie om de lonen door te betalen en de verstrekking hiervan dus niet onrechtmatig is. Nadat het bedrijf de definitieve vaststelling van de subsidie heeft aangevraagd, zal worden beoordeeld of aan deze voorwaarden is voldaan.
Kunt u toelichten hoe het kan dat een bedrijf dat illegaal dieren verhuurt een erkend leerbedrijf is?5
Mbo-studenten lopen stage bij een door SBB (Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven) erkend leerbedrijf. Bedrijven kunnen een erkend leerbedrijf worden wanneer zij voldoen aan de voorwaarden uit het erkenningsreglement van SBB. Zij moeten daarvoor kunnen aantonen dat ze voldoende bij de mbo-opleiding passende werkzaamheden verrichten, voldoende kwalitatieve begeleiding kunnen bieden en dat de stageplek (sociaal) veilig is voor de student. Op basis van deze criteria is Bert’s Animal Verhuur erkend als leerbedrijf voor vier mbo-opleidingen: bedrijfsleider dierverzorging, medewerker dierverzorging, medewerker veehouderij en vakbekwaam medewerker dierverzorging. Naar aanleiding van signalen over overtredingen van het bestemmingsplan van de gemeente houdt SBB extra goed vinger aan de pols of het leerbedrijf aan de voorwaarden voor erkenning kan blijven voldoen. Op basis van gegevens van SBB en DUO is bekend dat er op dit moment geen studenten stagelopen bij Bert’s Animal Verhuur.
Hoe is het mogelijk dat er nog steeds een rendier illegaal te huur wordt aangeboden op de site van Bert’s Animal Verhuur, terwijl deze illegale verhuur door uw ambtsvoorganger al in 2019 gesignaleerd is? Waarom is hier niet op gehandhaafd, aangezien dit een overtreding van bijlage IV is van het Besluit houders van dieren?6 7
Tijdens een recente inspectie is vastgesteld dat er geen rendieren meer op het bedrijf aanwezig zijn. Deze zijn al enige tijd geleden verkocht en worden dus ook niet meer voor de verhuur aangeboden.
Hoe vaak heeft de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) de afgelopen vijf jaar handhavend opgetreden tegen Bert’s Animal Verhuur?
In 2017 heeft de NVWA 3 maal handhavend opgetreden na constatering van dierwelzijnsovertredingen. In 2018 gebeurde dit twee keer, en in 2019 ook twee keer. In 2020 is eenmaal handhavend opgetreden. In alle gevallen ging het om overtredingen met betrekking tot dierwelzijn. Uiteindelijk heeft dit in 2021 geleid tot het onder verscherpt toezicht plaatsen van dit bedrijf.
Het OMT COVID-19 en eventuele belangenverstrengeling |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Klopt het dat infectieziektebestrijding in Nederland normaliter een decentrale verantwoordelijkheid is van burgemeester en Wethouders, uitgevoerd door Gemeentelijke Gezondheidsdiensten (GGD’en) en dat dit alleen in het geval van nationale crises onder verantwoordelijkheid van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport valt?1
Infectieziekten zijn normaal onderdeel van de gezondheidszorg in Nederland. Uitvoering van georganiseerde infectieziektebestrijding in het kader van de volksgezondheid is, op basis van de Wet publieke gezondheid, de verantwoordelijkheid van de gemeente, met als uitvoerder de GGD. De GGD wordt daarbij ondersteund door het RIVM. Wanneer sprake is van een infectieziekte behorend tot groep A, of een directe dreiging daarvan, geeft de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport leiding aan de bestrijding.
Kunt u aangeven wat de criteria zijn voor de status van een nationale crises die vervolgens de basis vormen voor ministeriële verantwoordelijk van infectieziektebestrijding? Kunt u de bronnen toevoegen waar deze criteria beschreven staan? Zo nee, waarom niet?
De indeling in categorie A, B1, B2 of C in de Wet publieke gezondheid (Wpg) is gebaseerd op de volgende aspecten:
Wat is de werkwijze van het Centrum Infectieziektebestrijding (CIb) bij de samenstelling van een Outbreak Management Team (OMT)? Specifiek, welke criteria werden en worden gehanteerd om iemand wel of niet bij het OMT COVID-19 uit te nodigen?
De directeur van het Centrum Infectieziektebestrijding van het RIVM is voorzitter van het OMT. Het hoofd van de Landelijke Coördinatie Infectieziektebestrijding (LCI) van het RIVM, is secretaris. Het OMT heeft een aantal vaste deelnemers. Zij zitten in het OMT omdat zij bij een organisatie werken of lid zijn van een (beroeps-)vereniging die een belangrijke rol speelt in de infectieziektebestrijding in Nederland en tevens zelf expert zijn. Het gaat dan bijvoorbeeld om leden voorgedragen door het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG), de Nederlandse Vereniging van Medische Microbiologie (NVMM) en het Landelijk Overleg Infectieziektebestrijding (LOI). Andere deelnemers aan het OMT, afhankelijk van het onderwerp, worden uitgenodigd omdat zij specifieke kennis of ervaring hebben.
Klopt het dat het OMT COVID-19 bestaat uit vaste leden, vast uitgenodigde experts, overige experts, vaste deelnemers van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en overige deelnemers van het RIVM?
Dat klopt.
Wat is in uw visie «een OMT-lid»? Zijn dat enkel de vaste leden of ook de vast uitgenodigde experts?
Een OMT-lid is iemand die aan een OMT deelneemt.
Kunt u aangeven hoe de verhouding is in de advisering tussen de vaste leden van het OMT COVID-19 en de vaste uitgenodigde experts?
Het advies van het OMT is een gezamenlijk advies. Als het advies niet unaniem is, wordt dit aangegeven in het advies.
Hebben alle aanwezigen bij een specifieke OMT-vergadering stemrecht? Zo ja, tellen de stemmen van alle aanwezigen gelijk of telt de stem van de vaste leden zwaarder dan die van leden die gevraagd zijn op basis van hun expertise? Zo nee, welke aanwezigen bij het OMT hebben stemrecht en op basis van welke criteria is dat bepaald?
De leden van het OMT hebben inbreng op basis van hun expertise; de adviezen komen tot stand op basis van de expertise van de leden samen, niet op basis van stemrecht.
Als een vast lid niet bij een OMT COVID-19 vergadering aanwezig kan zijn, wordt er dan een vervanger voor dit lid uitgenodigd? Zo ja, op basis van welke criteria wordt dit lid uitgenodigd? Zo ja, indien er een vervanger van een vast OMT-lid aanwezig is, telt de stem van deze vervanger dan even zwaar als de stem van het originele OMT-lid? Zo nee, waarom niet?
Voor de vaste deelnemers van het OMT die voorgedragen werden door een organisatie of vereniging die een belangrijke rol speelt in de infectieziektebestrijding in Nederland kan een vervanger aan de voorzitter worden voorgesteld. Zie daarnaast het antwoord op vraag 7.
Wat is de rol van de «overige experts» in het OMT COVID-19? Wat zijn de criteria om hen wel of niet om advies te vragen bij een specifieke adviesvraag? Telt hun visie even zwaar als die van de vaste OMT-leden of vaste OMT-experts?
Deze experts worden uitgenodigd voor het OMT COVID-19 omdat zij specifieke kennis of ervaring hebben, van deze kennis en ervaring wordt bij de advisering gebruik gemaakt. Alle deelnemers aan een OMT nemen op gelijkwaardige basis deel aan de discussie en de totstandkoming van het advies.
Wat is de rol van de «vaste deelnemers van het RIVM» in het OMT COVID-19?2
De opdracht aan het OMT als geheel is om te komen tot het best mogelijke professionele advies op dat moment met inbreng van alle expertise. De rol van de vaste deelnemers is het inbrengen van hun eigen expertise en ervaring. Zie overigens het antwoord op vraag 9.
Wat is de rol van de «overige deelnemers van het RIVM» in het OMT COVID-19?3
De opdracht aan het OMT als geheel is om te komen tot het best mogelijke professionele advies op dat moment met inbreng van alle expertise. De rol van de overige deelnemers van het RIVM is het inbrengen van hun eigen expertise en ervaring. Zie ook het antwoord op vragen 9 en 10.
Op basis van welke criteria wordt besloten wie van de mensen zoals beschreven op de website van het RIVM bij een specifieke OMT COVID-19 vergadering aanwezig mogen zijn?4
De vragen die beantwoord moeten worden, zijn leidend.
Klopt het dat alle OMT-leden andere specialisten kunnen voordragen voor deelname aan het OMT COVID-19? Op basis van welke criteria wordt bepaald of iemand wordt uitgenodigd voor een specifieke OMT COVID-19 vergadering? Aan welke criteria dient iemand te voldoen vooraleer deze specialist in aanmerking komt voor deelname aan het OMT COVID-19?5
Voor deelname aan het OMT worden experts uitgenodigd op basis van expertise en ervaring.
Op basis waarvan en met welke frequentie wordt beoordeeld of een expert niet langer een vast lid is van het OMT danwel of nieuwe vaste leden aan het OMT worden toegevoegd?
Wanneer de voorzitter of de leden van het OMT van mening zijn dat bepaalde expertise gemist wordt in het OMT dan nodigt de voorzitter nieuwe experts uit. Vaste leden zijn voorgedragen door hun organisaties. Nieuwe vaste leden worden voorgedragen en benoemd bij terugtreden van hun voorganger.
In de bekendmakingen van de OMT COVID-19 adviezen wordt gesproken over «Het OMT»; wie worden bedoeld met de aanduiding «het OMT»? Betreft dit alle deelnemers aan de specifieke OMT-vergadering, zijn het enkel de vaste leden van het OMT, zijn dit ook de deelnemers vanuit het RIVM, of wordt er nog iets anders bedoeld?6
Dit betreft dan alle deelnemers aan de specifieke OMT-vergadering.
Als OMT-leden in de media spreken zijn, spreken ze dan namens het OMT of op individuele titel? Hoe is dat voor de burger te herkennen?
OMT leden spreken in de media op persoonlijke titel.
Deelt u de visie dat OMT-leden terughoudend zouden moeten zijn in hun aanwezigheid in talkshows? Zo nee, waarom niet? Zo ja, zou u aan OMT-leden kunnen verzoeken niet in talkshows plaats te nemen? Zo nee, waarom niet?
Ik heb geen invloed op media optredens van OMT-leden en dat wil ik ook niet.
Klopt het dat alle deelnemers aan een OMT COVID-19 elk 200 euro per vergadering ontvangen? Zo nee, welk bedrag ontvangen zij dan? Zo ja, wordt die 200 euro betaald van budget van het RIVM en dus van budget van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport?
Op basis van een besluit van de rijksoverheid over vergoedingen voor adviescommissies ontvangen leden van het OMT, met uitzondering van diegenen die onder art 2. derde lid vallen, zoals ambtenaren, een vergoeding met een maximum van € 200,– per vergadering van het budget van het RIVM en dus van het budget van het Ministerie van VWS.
Bent u ermee bekend dat in een artikel beschreven is dat het OMT COVID-19 in totaal elf vaste leden heeft? Bent u ermee bekend dat op de RIVM website slechts zeven vaste leden van het COVID-19 OMT vermeld staan? Hoeveel vaste leden van het OMT zijn er in het geval van COVID-19? Wat zijn de namen van deze vaste leden?7, 8
Alle namen van alle OMT-leden zijn te vinden op de website van het RIVM en worden daar up to date gehouden.
Klopt het dat prof. dr. Gommers een vast uitgenodigde expert is van het OMT COVID-19 vanaf OMT 57? Bent u ermee bekend dat in het genoemde artikel wordt gemeld dat de heer Gommers vanaf februari 2022 niet langer deel uitmaakt van dit OMT?9
Het klopt dat Prof. dr. Diederik Gommers, internist-intensivist en voorzitter Nederlandse Vereniging voor Intensive Care, Erasmus vanaf OMT nr. 57 een vast uitgenodigde expert is. De heer Gommers heeft afscheid genomen als voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Intensive Care en bekijkt in samenhang daarmee zijn deelname aan het OMT.
Bent u ermee bekend dat is aangekondigd dat de opvolger van prof. dr. Gommers de nieuwe voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Intensive Care (NVIC) zal zijn? Wie bepaalt wie deze nieuwe voorzitter is? Is al bekend wie deze nieuwe voorzitter is? Zo nee, wanneer wordt dit bekend?
Ik ben daar mee bekend. De Nederlandse Vereniging voor Intensive
Care (NVIC) bepaalt zelf wie zijn voorzitter is. De heer J.C.C. van der Horst is de nieuwe voorzitter van de NVIC.
Bent u ermee bekend dat vanaf OMT 65 drs. Illy, kinderarts, deel uitmaakt van de vast uitgenodigde experts van het OMT? Wat was de aanleiding om drs. Illy op dat moment uit te nodigen bij het OMT COVID-19?10
Daar ben ik mee bekend. Er was binnen het OMT behoefte aan specifieke expertise op het gebied van kinderen.
Bent u bekend met het artikel van 12 januari 2022 waarin drs. Illy zich uitspreekt vóór kindervaccinaties, onder andere door de uitspraak «Als je de kans op schoolsluiting zo klein mogelijk wilt maken, kun je kinderen het beste laten vaccineren»?11
Daar ben ik mee bekend.
Spreekt drs. Illy in het artikel namens het OMT, of als voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde (NVK)? Hoe is dit voor de burger te herkennen?
De heer Illy spreekt, net als alle leden van het OMT, op persoonlijke titel.
Deelt u de visie dat een geneesmiddel altijd op medische gronden zou moeten worden voorgeschreven of aanbevolen? Zo nee, waarom niet?
Per definitie gebeurt het voorschrijven van een geneesmiddel op medische gronden.
Deelt u de visie dat het argument «Als je de kans op schoolsluiting zo klein mogelijk wilt maken, kun je kinderen het beste laten vaccineren» een niet medisch argument is tot het nemen van een geneesmiddel? Zo nee, waarom niet?12
Het voorkomen van schoolsluitingen is een vraagstuk met medische consequenties, vanwege vastgestelde (zowel fysieke als geestelijke) schade aan kinderen en jongeren als zij te lang in het onderwijs beperkingen ondervinden.
De Gezondheidsraad adviseert het kabinet over het vaccinatiebeleid tegen Covid-19.
Klopt het dat de beraadslagingen en stemmingen in het OMT vertrouwelijk zijn? Zo ja, waarom is dat het geval? Wie krijgen deze beraadslagingen en stemmingen wel te zien en met welke doelstelling?
De beraadslagingen in het OMT zijn vertrouwelijk omdat de leden in alle openheid met elkaar van gedachten moeten kunnen wisselen. Er is geen sprake van stemmingen. Alleen de leden van het OMT krijgen het verslag van het OMT.
Hoe is de werkwijze van het OMT in geval van stemmingen, wordt een advies uitgebracht indien >50% van de aanwezigen een stem vóór uitbrengt? Zo nee, wat is dan de werkwijze? Zo ja, heeft iedereen aanwezige een stem?
Er wordt in het OMT niet gewerkt met stemmen. Als het advies niet unaniem kan zijn, worden de verschillende opvattingen weergegeven in het advies.
Deelt u de mening dat in dit uitzonderlijke geval van COVID-19 en de grote impact van de huidige OMT-adviezen op het leven van burgers dat de beraadslagingen in het OMT COVID-19 openbaar gemaakt zouden moeten worden? Zo nee, waarom niet? Zou u deze zo spoedig mogelijk openbaar willen maken gezien het belang voor de samenleving en de volksgezondheid? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik deel niet de mening dat de beraadslagingen van het OMT openbaar moeten worden. Het advies van het OMT wordt openbaar gemaakt. Dat is ook de basis waarop bestuurlijke afwegingen plaatsvinden. Tevens kan in de openbare briefings aan de Tweede Kamer alle toelichting gevraagd worden ter verduidelijking.
De vertrouwelijkheid van het OMT-overleg is nodig zodat de leden vrijuit kunnen spreken. Dat is nodig om zonder last of ruggenspraak tot de kwalitatief beste adviezen te komen in het belang van de samenleving en van de volksgezondheid.
Bent u bekend met de bekendmaking van de OMT COVID-19 adviezen via de site van het RIVM?2 Klopt het dat het OMT COVID-19 advies pas ná ministeriële besluitvorming openbaar worden gemaakt? Zo ja, waarom is dat het geval?
Ik ben daar mee bekend. Dit is zo ingeregeld om te zorgen dat de Kamer het eerst op de hoogte is van het advies en zijn controlerende rol daarmee zo goed mogelijk kan vervullen.
Worden er nog wijzigingen aangebracht in het initiële COVID-19 OMT-advies zoals ingebracht in het Bestuurlijk Afstemmings Overleg (BAO) en het OMT-advies dat openbaar wordt gemaakt via de website van het RIVM? Zo ja, kunt u alle initiële COVID-19 OMT-adviezen zoals ingebracht in het BAO openbaar maken?13
Indien dit aan de orde is, wordt dit in het desbetreffende advies aangegeven.
Bent u bekend met de beschrijving van het RIVM over het OMT? Bent u ermee bekent dat hierin wordt beschreven dat OMT-leden onafhankelijk advies geven? Kunt u beschrijven wat volgens u de betekenis is van de beschrijving «onafhankelijk advies»? Zo nee, waarom niet?
Ik ben daar mee bekend. Onafhankelijk betekent zonder last of ruggenspraak.
Gaat de onafhankelijke advisering op voor de vaste leden, de vast uitgenodigde experts, de overige experts en de deelnemers van het RIVM?14
De onafhankelijke advisering gaat over alle leden van het OMT.
Deelt u de visie dat een persoon die inkomen haalt uit de verkoop van PCR-testen niet langer onafhankelijk advies kan geven over de inzet van deze PCR-testen? Zo nee, waarom niet?
Om te voorkomen dat dergelijke belangen invloed zouden hebben op de advisering vult elk lid van het OMT die geen ambtenaar is, een belangenverklaring in.
Deelt u de visie dat een persoon die inkomen haalt uit de verkoop van mondmaskers niet langer onafhankelijk advies kan geven over de inzet van deze mondmaskers? Zo nee, waarom niet?
Om te voorkomen dat dergelijke belangen invloed zouden hebben op de advisering vult elk lid van het OMT die geen ambtenaar is, een belangenverklaring in.
Deelt u de visie dat een persoon die inkomen haalt uit de verkoop van vaccins tegen COVID-19 niet langer onafhankelijk advies kan geven over de inzet van deze vaccins? Zo nee, waarom niet?
Om te voorkomen dat dergelijke belangen invloed zouden hebben op de advisering vult elk lid van het OMT die geen ambtenaar is, een belangenverklaring in.
Deelt u de visie dat een persoon die inkomen haalt uit de verkoop van geneesmiddelen voor de behandeling van COVID-19 niet langer onafhankelijk advies kan geven over de inzet van deze geneesmiddelen? Zo nee, waarom niet?
Om te voorkomen dat dergelijke belangen invloed zouden hebben op de advisering vult elk lid van het OMT die geen ambtenaar is, een belangenverklaring in.
Herinnert u zich dat u in antwoord op kamervragen heeft aangegeven dat elk lid van het OMT een belangenverklaring dient in te vullen? Herinnert u zich ook dat u aangaf dat deze na toetsing en ondertekening openbaar wordt gemaakt? Wat bedoelt u in dit geval met «toetsing»? Wie beoordeelt uiteindelijk of iemand in het OMT kan deelnemen op basis van de ingevulde belangenverklaring? Wat zijn criteria om iemand op basis van de ingevulde belangenverklaring niet in het OMT op te nemen en kunt u een voorbeeld geven van een persoon die initieel zou deelnemen, maar op basis van zijn/haar belangenverklaring niet deel kon nemen (eventueel anoniem)?15
De indiener van een belangenverklaring draagt zelf verantwoordelijkheid voor een correcte en voldoende invulling. De toetsing door de secretaris betreft de vraag of bij hetgeen is opgegeven op dat moment een mogelijk belangenconflict voorzien kan worden. Daarom wordt bij aanvang van elke OMT-vergadering gewezen op de noodzaak om met het oog op de voorliggende agenda zo nodig aanvullend functies of belangen te melden.
Deelt u de visie dat wanneer OMT-leden in hun belangenverklaringen melding maken van samenwerking met farmaceutische bedrijven zij weliswaar transparant zijn, maar dat dit nog niet betekent dat er geen sprake is van belangenverstrengeling of onafhankelijk advies? Zo nee, waarom niet?
De vraag of er sprake is van een conflict van belangen moet beoordeeld worden tegen het licht van de vraagstukken c.q. agenda van de betreffende OMT-vergadering.
Bent u bekend met het interview met de heer Huurman op Weltschmertz van 27 februari 2021? Bent u ermee bekend dat de heer Huurman met de NVR (huidige Raad voor Volksgezondheid en Samenleving (RVS)) in 1993 de opzet van een OMT aanbevolen heeft naar aanleiding van de toenmalige polio-uitbraak in het advies «Vaste prik»? Bent u bekend met het bijbehorende kabinetsstandpunt uit 1993?16, 17
Ik ben bekend met het kabinetsstandpunt op het genoemde advies.
Bent u ermee bekend dat in het advies «Vaste Prik» onder andere wordt aanbevolen om in het geval van een uitbraak van een infectieziekte met een epidemisch karakter een coördinatiepunt te hebben van de deskundigheid op medisch, epidemiologisch en virologisch gebied, te weten het OMT?18
Ik ben daar mee bekend.
Bent u ermee bekend dat de aanbeveling in het advies «Vaste Prik» was dat dit OMT specifiek bedoeld was om een uitbraak te managen, dus aan het begin van een uitbraak om in geval van veel onzekerheid de deskundigheid te bundelen?19
De fase waarin er veel onzekerheid is, duurt helaas, bij een nieuwe ziekte als COVID-19, lang.
Deelt u de visie dat de fase van een uitbraak in het geval van COVID-19 inmiddels voorbij is en er dus niet langer sprake is van het moeten managen van een initiële uitbraak? Zo nee, waarom niet? Deelt u vervolgens de visie dat niet langer sprake zou moeten zijn van een OMT COVID-19? Zo nee waarom niet? Zo nee, bij welke criteria is het volgens u geoorloofd het OMT COVID-19 op te heffen?20
Ik deel de visie niet dat er in het geval van COVID-19 geen sprake meer is van het moeten managen van de initiële uitbraak. Er is nog steeds behoefte aan de epidemiologische analyses en adviezen van het OMT.
Deelt u de visie dat een onafhankelijke evaluatie moet plaatsvinden over de werkwijze van het OMT COVID-19? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wie zou volgens u dit onderzoek op onafhankelijke wijze kunnen uitvoeren? Zo ja, op welke termijn is een dergelijke evaluatie te verwachten?
De OVV gaat in zijn rapport ook in op de besluitvormingsstructuur van de bestrijding van COVID-19.
Bent u ermee bekend dat OMT-lid de heer Bonten naast zijn functie als vast uitgenodigde expert bij het OMT ook adviseur is bij de farmaceuten Janssen Vaccines en Merck? Vindt u dat iemand die zulke adviseurschappen uitoefent een onafhankelijk advies kan geven met betrekking tot vaccinaties als een van deze farmaceuten vaccins levert aan Nederland en daarmee een direct financieel belang heeft?
Ik ben daar mee bekend. De advisering over de inzet van vaccinaties is een taak van de Gezondheidsraad.
Bent u ermee bekend dat OMT-lid de heer Kluytmans naast zijn functie als vast uitgenodigde expert bij het OMT ook een financieel belang (m.b.t. coronatesten) verzwegen heeft in zijn bij het RIVM ingediende belangenverklaring? Deelt u de mening dat de heer Kluytmans niet meer onafhankelijk kan zijn in zijn functie als expert bij het OMT?21, 22
Nee, ik deel die mening niet.
Kunt u alle bovenstaande vragen afzonderlijk beantwoorden? Zo nee, waarom niet?
U vindt hierbij de antwoorden.
COVID-19 in Groep A van de Wet publieke gezondheid (Wpg) en de COVID-19 IHR Emergency Committee van de World Health Organisation |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Klopt het dat de advisering tot «Public Health Emergency of International Concern» (PHEIC)-status door de International Health Regulations (2005) Emergency Committee (IHREC) van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) de aanleiding is voor de noodzaak tot ministeriële aansturing van de crisis in Nederland op basis van de Europese wet 1082/2013/EU en derhalve dat het noodzakelijk is COVID-19 in groep A van de Wet publieke gezondheid te plaatsen? Zo nee, wat is de reden om COVID-19 in groep A van de Wet publieke gezondheid te plaatsen? Hoe en door wie wordt getoetst of aan deze redenen wordt voldaan?1, 2, 3
Zoals eerder aangegeven is de indeling in categorie A, B1, B2 of C in de Wet publieke gezondheid (Wpg) gerelateerd aan het volgende:
De vraag of landelijke regie door de Minister van VWS noodzakelijk wordt geacht. Als dat het geval is, dan wordt de ziekte in categorie A ingedeeld;
De maatregelen gericht op individuen die potentieel noodzakelijk geacht worden om te kunnen worden opgelegd ter bescherming van de publieke gezondheid. Voor de B2-ziekten is dat een tijdelijk beroepsverbod. Voor B1-ziekten kan daarnaast een gedwongen onderzoek en gedwongen isolatie worden opgelegd en voor A-ziekten komt daar nog de mogelijkheid voor het opleggen van een gedwongen quarantaine bij. C-ziekten kennen geen op het individu gerichte gedwongen maatregelen, maar alleen advisering en begeleiding van individuen en groepen.
Voor alle categorieën geldt een meldingsplicht, waarbij voor een A-ziekte de melding onverwijld wordt doorgegeven aan de GGD.
De aanwijzing van een uitbraak van een ziekte als Public Health Emergency of International Concern (PHEIC) door de International Health Regulations Emergency Committee (IHREC) van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) maakt het wel voor de hand liggend dat landelijke regie noodzakelijk is.
Is het juist te concluderen dat de wetgeving in de Europese Unie in dit geval leidend is voor de in te voeren wetgeving in Nederland? Zo nee, waarom niet?
De wetgeving in de Europese Unie speelt een rol bij de vraag of landelijke regie door de Minister van VWS voor de hand ligt, maar is zeker niet leidend.
Deelt u de visie dat de wetgeving in de Europese Unie de decentrale werkwijze van Nederland in geval van infectieziektebestrijding onmogelijk maakt? Zo nee, waarom niet?
Die visie deel ik niet, zie ook het antwoord op vraag 2.
Herinnert u zich dat het Outbreak Management Team (OMT) COVID-19 op 27 januari 2020 geadviseerd heeft om een infectie met COVID-19 meldingsplichtig te maken in categorie A? Herinnert u zich dat de reden voor het OMT om COVID-19 als meldingsplichtige ziekte in groep A te adviseren was om tijdige passende maatregelen te kunnen nemen ten aanzien van patiënten en contacten om verdere verspreiding te voorkomen? Deelt u de visie dat «passende maatregelen» ook lokaal genomen zouden kunnen worden en dit dus een ander argument is dan de noodzaak tot landelijke regie? Zo nee, waarom niet?4
Ik deel uw visie dat «passende maatregelen» ook lokaal genomen kunnen worden niet. Voor een deel van de maatregelen zal dit zeker gelden, voor een belangrijk deel van de maatregelen niet. Ik wijs u op de problemen die ten aanzien van reizen en vakantie zijn ontstaan doordat verschillende lidstaten binnen Europa verschillende maatregelen nemen. Eenzelfde problematiek binnen Nederland zou voor veel meer mensen moeilijkheden opleveren.
Deelt u de visie dat bij een meldingsplicht een inbreuk wordt gedaan op het medisch beroepsgeheim en de privacy van de patiënt en dat een meldingsplicht derhalve zorgvuldig afgewogen dient te worden? Zo nee, waarom niet? Hoe is de afweging gemaakt om COVID-19 meldingsplichtig te maken? Wat zijn de criteria om COVID-19 niet langer meldingsplichtig te achten? Wie beslist hierover?
Privacy speelt een belangrijke rol bij de zorgvuldige afweging rond meldingsplicht. Het OMT heeft geadviseerd over de meldplicht voor COVID-19, de Minister van VWS beslist daarover.
Wat is de huidige casusdefinitie van COVID-19, aangezien deze ziekte meldingsplichtig is? Kunt u een overzicht geven van alle casusdefinities van COVID-19 sinds 27 januari 2020 tot de meest recente casusdefinitie? Zo nee, waarom niet?
De casusdefinitie is op genomen in de LCI richtlijn5 Bevestigde persoon: iedereen bij wie door middel van gevalideerde PCR of andere nucleïnezuuramplificatietest of een in Nederland gevalideerde antigeen(snel)test (ook zelf-afgenomen) een infectie met SARS-CoV-2 is vastgesteld. Bij deze richtlijn is ook uitgebreid versiebeheer opgenomen.6
Bent u ermee bekend dat de indeling van een infectieziekte in Groep A gerelateerd is aan de vraag of landelijke regie door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport noodzakelijk wordt geacht en de vraag of maatregelen nodig worden geacht die gericht zijn op individuen die potentieel noodzakelijk worden gedacht om te kunnen worden opgelegd ter bescherming van de publieke gezondheid? Herinnert u zich dat u in de antwoorden op vragen van het lid Baudet bij antwoord 3 aangaf dat de keuze om COVID-19 in te delen in groep A te maken heeft met de ernst van de aandoening? Deelt u de visie dat dit antwoord op vragen van het lid Baudet dat het bij plaatsing in groep A gaat om de ernst van de aandoening onjuist was? Zo nee, waarom niet?5, 6
De vraag of landelijke regie noodzakelijk is, en of op het individu gerichte maatregelen en een meldplicht aan de orde zouden moeten zijn, hangen ook samen met de ernst van de aandoening. Dat antwoord was daarmee dus niet onjuist.
Wat zijn de criteria op basis waarvan landelijke regie door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport noodzakelijk geacht? Voldoet COVID-19 aan deze criteria? Zo ja, op basis van welk bewijs?7
De vraag of landelijke regie noodzakelijk is, is het criterium. Daaraan voldoet COVID-19. Dit bewijs wordt alleen al geleverd door de ongelooflijke hoeveelheid Kamervragen die over dit onderwerp beantwoord moeten worden. Indien er geen landelijke regie is, is er ook geen rol voor de Eerste of Tweede Kamer om het kabinet ter verantwoording te roepen voor het gevoerde beleid en de genomen maatregelen ten aanzien van de bestrijding van COVID-19.
Wat zijn de criteria om te concluderen dat er maatregelen nodig worden geacht die gericht zijn op individuen die potentieel noodzakelijk worden gedacht om te kunnen worden opgelegd ter bescherming van de publieke gezondheid? Voldoet COVID-19 aan deze criteria? Zo ja, op basis van welk recent bewijs?
De vraag of maatregelen nodig worden geacht die gericht zijn op het individu is het criterium. Daaraan voldoet COVID-19. Er zijn maatregelen op het gebied van isolatie, quarantaine en dergelijke noodzakelijk gebleken.
Op welk moment vervalt de noodzaak tot het behoren tot Groep A Wgp? Wanneer zou COVID-19 afgeschaald kunnen worden naar de B- of C-groep? Op basis van welke criteria zou geconcludeerd worden dat lokale bestrijding van COVID-19 volstaat voor de bescherming van de volksgezondheid in Nederland?
In mijn brief van 9 februari jl. heb ik u geïnformeerd over de korte termijn aanpak Covid-19 en daarbij ook een doorkijk voor de lange termijn gegeven. In mijn brief over de lange termijn die ik daarbij heb aangekondigd, ga ik ook in op de criteria voor afschaling.
Herinnert u zich dat u in antwoord op vragen van de Eerste Kamer aangegeven heeft dat gebrek aan capaciteit in de zorg geen factor speelt bij de vraag of een infectieziekte wordt ingedeeld in groep A? Is het ook niet zo dat gebrek aan capaciteit in de zorg een aanleiding kan zijn om landelijke regie van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport te nemen danwel om bepaalde maatregelen aan individuen op te leggen en derhalve dat gebrek aan zorgcapaciteit via die weg toch een reden is voor plaatsing in groep A Wpg?8
Het organiseren van landelijke verdeling van capaciteit in de zorg is één van de redenen dat het goed is als er landelijke regie is. Ik zou dat geen omweg willen noemen maar een overweging.
Kunt u alle bovenstaande vragen afzonderlijk beantwoorden en wel voor 22 februari 2022 wanneer de behandeling van de wijziging Wet publieke gezondheid in verband met het coronavirus in de Eerste Kamer is? Zo nee, waarom niet?
Ik heb mijn uiterste best daarvoor gedaan.
De samenstellingsvoorschriften voor babyvoeding |
|
Roelof Bisschop (SGP) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat smeerbaar broodbeleg pas een gebruiksklaar product in de zin van richtlijn 2006/125/EC is als het op brood gesmeerd is en in combinatie met brood genuttigd wordt, zoals geïnstrueerd door de fabrikant, en dat derhalve een aanvullende handeling nodig is alvorens het product geconsumeerd wordt?1
Voor smeerbaar broodbeleg geldt dat het een gebruiksklaar product betreft, wat als zodanig wordt verkocht en zonder verdere handelingen geschikt is voor consumptie. In artikel 9, eerste lid onder j, van Verordening (EU) nr. 1169/20112 is vastgelegd dat een vermelding van de gebruiksaanwijzing verplicht is als het levensmiddel moeilijk te gebruiken is zonder gebruiksaanwijzing. Smeerbaar broodbeleg, bijvoorbeeld chocopasta, is niet moeilijk te gebruiken zonder gebruiksaanwijzing.
Is de veronderstelling juist dat richtlijn 2006/125/EC spreekt over «reconstituted as instructed by the manufacturer» en dat een verwijzing naar de Europese regels over wanneer een gebruiksaanwijzing verplicht is derhalve niet relevant is?
In artikel 7, lid 4, van Richtlijn 2006/125/EC3 wordt inderdaad gerefereerd aan «reconstituted as instructed by the manufacturer».
In bijlage IV van de Warenwetregeling Babyvoeding is voor producten vastgelegd wat de samenstellingseisen van babyvoeding zijn die als zodanig wordt verkocht of volgens de gebruiksaanwijzing van de fabrikant is aangemaakt. Een gebruiksaanwijzing behoort tot de verplichte voedselinformatie als het levensmiddel zonder deze aanwijzing moeilijk te gebruiken is. Dit is conform artikel 9, eerste lid, onder j, van Verordening (EU) nr. 1169/2011. Voor smeerbaar broodbeleg – zoals bijvoorbeeld chocoladepasta – geldt dat het een gebruiksklaar product betreft, wat zonder verdere handelingen geschikt is voor consumptie.
Deelt u de mening dat het voor de gezondheid van baby’s gaat om de samenstelling van het totale samengestelde product («uit alle bronnen», zoals geformuleerd in bijlage IV, onderdeel 3.2) dat geconsumeerd wordt, in onderhavig geval brood met beleg, en dat samenstellingsvoorschriften vanuit gezondheidsoogpunt derhalve gericht zouden moeten zijn op het totale samengestelde product dat genuttigd wordt?
In artikel 3, tweede lid van de Warenwetregeling Babyvoeding is vastgelegd dat babyvoeding die als zodanig wordt verkocht of volgens de gebruiksaanwijzing van de fabrikant is aangemaakt, moet voldoen aan eisen wat betreft de samenstelling zoals geformuleerd in bijlage IV van de Warenwetregeling Babyvoeding. Bijlage IV geeft de essentiële samenstelling van babyvoeding voor zuigelingen en peuters. De eisen ten aanzien van voedingsstoffen hebben betrekking op het gebruiksklare product, dat als zodanig wordt verkocht of volgens de gebruiksaanwijzing van de fabrikant is aangemaakt. Onderdeel 3 van deze bijlage gaat over de essentiële samenstelling van babyvoeding voor zuigelingen en peuters met betrekking tot vetten. Hier is vastgelegd dat voor alle overige eet- en drinkwaren de totale hoeveelheid vet in de eetwaar uit alle bronnen niet groter dan 1,1 g/100kJ (4,5 g/100 kcal) mag zijn.
Deelt u de mening dat ten aanzien van smeerbaar broodbeleg tenminste sprake is van een categorie babyvoeding die niet goed in de huidige regelgeving past, omdat geen sprake is van het rechtstreeks consumeren van een heel potje broodbeleg en ook niet van aanmaken met melk of water?
Voor smeerbaar broodbeleg dat als babyvoeding wordt verkocht of volgens de gebruiksaanwijzing van de fabrikant is aangemaakt, gelden de samenstellingseisen voor babyvoeding op Europees niveau die zijn vastgelegd in de Richtlijn 2006/125/EG. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd via de Warenwetregeling Babyvoeding.
Bent u bereid de Warenwetregeling Babyvoeding zo aan te passen of toe te passen dat recht wordt gedaan aan de bijzondere positie van smeerbaar broodbeleg?
Voor de samenstellingseisen voor babyvoeding, dient Nederland zich te conformeren aan de eisen zoals deze Europees zijn vastgesteld in Richtlijn 2006/125/EG.
Het bericht 'Minister zet ventilatie op scholen op 1' |
|
Kiki Hagen (D66), Jeanet van der Laan (D66) |
|
Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA), Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Minister zet ventilatie op scholen op 1»?1
Ja.
Heeft u een beeld van de ventilatie op kinder- en buitenschoolse opvanglocaties, instellingen voor vroeg- en voorschoolse educatie (vve’s) en op mbo’s, hogescholen en universiteiten? Komen daar ook CO2-meters?
Het kabinet heeft geen inzicht in de maatregelen met betrekking tot ventilatie op instellingsniveau in het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) en hoger onderwijs (ho). De verantwoordelijkheid voor een gezond onderwijs- en werkklimaat ligt primair bij de instellingen. Daarom heeft OCW regelmatig contact met de sectorraden over de ventilatie op onderwijslocaties in het mbo en ho. Zij geven aan dat onderwijsinstellingen veel aandacht hebben voor de ventilatie in de lokalen. Zij hebben OCW gemeld dat zowel in het mbo als ho de afgelopen periode inventarisaties hebben plaatsgevonden of de ventilatie in de gebouwen van de instellingen op orde is. Waar nodig zijn maatregelen getroffen om de situatie te verbeteren. Daarnaast organiseren de sectorraden bijeenkomsten over dit onderwerp en in het mbo zijn in de richtlijnen van de MBO-raad ook afspraken gemaakt over CO2-metingen2. Op het gebied van ventilatie dienen alle onderwijsruimten bovendien te voldoen aan de normen opgenomen in het Bouwbesluit 2012.3
Inzicht in de luchtkwaliteit is van belang om waar nodig extra maatregelen te kunnen nemen met betrekking tot ventilatie. Het is aan instellingen om op dit vlak zelf een passende manier te vinden om dit inzicht te verkrijgen en passende maatregelen te treffen. Om de luchtkwaliteit in de onderwijsgebouwen op peil te houden maakt een deel van de instellingen gebruik van een klimaatbeheersingssysteem. Via dit systeem krijgen de instellingen inzicht in de luchtkwaliteit in de diverse ruimtes. Daarnaast worden ook mobiele CO2-meters ingezet, om metingen te doen wanneer er zorgen zijn over de luchtkwaliteit in een specifieke ruimte.
Het kabinet heeft geen beeld van de ventilatie op kinder- en buitenschoolse opvanglocaties. De verantwoordelijkheid voor een gezonde (werk)omgeving ligt bij de houder. Locaties dienen aan bepaalde eisen te voldoen en hier wordt risico-gestuurd toezicht op gehouden. Zie verder bij het antwoord op vraag 3.
Onderschrijft u de ambitie van Minister Wiersma (Primair en Voortgezet Onderwijs) om ventilatie op scholen te verbeteren? Zo ja, welke stappen zet u om te garanderen dat elk kind, elke student en elke werknemer op kinder- en buitenschoolse opvanglocaties, vve’s, mbo’s, hogescholen en universiteiten in schone lucht werkt en studeert? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet onderschrijft dat ventilatie op alle plekken waar onderwijs gegeven wordt op orde moet zijn. Ook voor kinderen binnen kinderopvangvoorzieningen acht het kabinet een goede luchtkwaliteit van belang4. Vanuit de Wet Kinderopvang en het Bouwbesluit 2012 worden eisen gesteld aan respectievelijk het veiligheids- en gezondheidsbeleid en de luchtkwaliteit. Hierop wordt toegezien door gemeenten en de GGD.
In de Wet Kinderopvang zijn geen specifieke eisen omschreven met betrekking tot de luchtkwaliteit maar de wet schrijft wel voor dat alle kinderopvanglocaties de beschikking moeten hebben over een actueel gezondheid- en veiligheidsbeleid. In dit beleid worden de belangrijkste risico’s beschreven met betrekking tot de gezondheid en veiligheid van de kinderen. Luchtkwaliteit kan één van deze risico’s zijn. Mocht dit het geval zijn dan is de opvanglocatie verplicht om dit in zijn gezondheid- en veiligheidsbeleid te beschrijven en hier maatregelen op te nemen.
De verantwoordelijkheid voor het creëren van een gezonde (werk)omgeving in de kinderopvang ligt bij de houder, aangezien dit om een private sector gaat. Vanuit het RIVM is een handreiking5 opgesteld met richtlijnen voor onder andere het luchten, ventileren en het gebruik van een CO2-meter voor een gezond binnenmilieu ten behoeve van het beperken van de verspreiding van infectieziekten onder kinderen en medewerkers. De handreiking is geschreven voor alle medewerkers en beroepskrachten die werkzaam zijn in kinderopvangvoorzieningen.
Ook heeft de Belangenvereniging van Ouders in de Kinderopvang (BOinK), in samenwerking met Kenniscentrum Ruimte-OK, een app6 ontwikkeld die kinderopvanglocaties en scholen kan helpen de luchtkwaliteit in groepsruimtes, slaapruimtes en klaslokalen te verbeteren. De app bevat o.a. informatie, oplossingen en een stappenplan. De app is bedoeld voor pedagogisch medewerkers, leerkrachten, locatiemanagers, houders, conciërges, directeuren en besturen van kinderopvang en onderwijs.
De inspectie van de kinderopvanglocaties wordt door de GGD uitgevoerd. Het toezicht in de kinderopvang vindt risico-gestuurd plaats. Dit houdt in dat de toezichthouder het veiligheid- en gezondheidsbeleid beoordeelt, afhankelijk van onder andere het risicoprofiel van de locatie. Mocht de risico-inschatting door de houder en de situatie die de toezichthouder aantreft daartoe aanleiding geven, dan wordt luchtkwaliteit in de beoordeling meegenomen. De toezichthouder toetst of de houder de risico’s voldoende heeft beschreven en maatregelen heeft genomen.
Verder moet de huisvesting van kinderopvangvoorzieningen voldoen aan het Bouwbesluit 2012. Dit besluit omschrijft specifieke eisen voor de luchtkwaliteit in de kinderopvang. Mocht een bestaande kinderopvanglocatie niet voldoen aan de voorschriften, dan kan de desbetreffende gemeente waar de opvanglocatie is gevestigd verlangen van de houder dat het pand wordt aangepast. De zaken die niet voldoen aan de voorschriften moeten binnen een redelijke termijn worden aangepast door de eigenaar van de opvanglocatie.
In het mbo en ho ligt de verantwoordelijkheid voor een gezond werk- en onderwijsklimaat primair bij de instellingen. Zij hebben de verantwoordelijkheid om te voldoen aan de normen in het Bouwbesluit en het opvolgen van de adviezen die het RIVM op het gebied van ventilatie in onderwijsruimtes verstrekt7. Zoals aangegeven bij vraag 2 zijn er door de sectoren acties ondernomen om de ventilatie waar nodig te verbeteren. Vakbonden hebben aangegeven desalniettemin signalen te krijgen dat niet op elke plek de ventilatie op orde lijkt te zijn en zij graag zouden zien dat onderwijsbesturen meer op het vlak van ventilatie zouden ondernemen. Het ministerie heeft naar aanleiding hiervan een gesprek gefaciliteerd tussen vakbonden en de sectorraden voor mbo- en ho-instellingen hierover. De sectorraden hebben toegezegd met de werknemersorganisaties in gesprek te blijven over manieren waarop deze zorgen kunnen worden weggenomen en hun signalen serieus te nemen.
Komt de hulplijn voor primair onderwijs (PO) en voortgezet onderwijs (VO) ook beschikbaar voor kinder- en buitenschoolse opvanglocaties, vve’s, mbo’s, hogescholen en universiteiten? Zo nee, waar kunnen deze locaties terecht als zij nog geen schone lucht in klaslokalen hebben?
De hulplijn voor primair onderwijs (po) en voortgezet onderwijs (VO) wordt niet beschikbaar gesteld voor kinder- en buitenschoolse opvanglocaties, mbo en ho. De verantwoordelijkheid voor goede luchtkwaliteit in de kinderopvang ligt bij de houder en niet bij de overheid. Voor informatie over luchtkwaliteit en ventilatie is de handreiking van het RIVM8 beschikbaar, evenals de app9 van BOinK (zie antwoord 2). De app is in samenwerking met Kenniscentrum Ruimte-OK ontwikkeld. Dit is de partij die ook de hulplijn voor PO en VO beschikbaar stelt.
Voor mbo en ho geldt dat doordat de meeste instellingen eigenaar zijn van de panden die zij gebruiken, er binnen de instellingen reeds veel expertise is op het gebied van huisvesting. Daarnaast wordt er binnen de sectoren ook informatie en kennis uitgewisseld over (het gebruik van) diverse systemen om luchtverversing te realiseren. Medewerkers en studenten kunnen dan ook bij hun eigen instelling terecht als zij vragen hebben over de ventilatie in onderwijsruimtes.
Het bericht ‘Luchtvaartonderzoek houdt vliegherrie buiten beeld, waarschuwt GGD’ |
|
Raoul Boucke (D66) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de dringende oproep van de Gemeentelijke Geneeskundige Diensten (GGD’en) over de te gebruiken grenswaarden voor geluid in de werkwijzer voor luchtvaartspecifieke maatschappelijke kostenbatenanalyses (MKBA’s)?1
Om meer duidelijkheid te scheppen over uitgangspunten en methodieken om MKBA’s en welvaartsanalyses op het gebied van luchtvaart zo consistent en goed mogelijk uit te voeren is in juli 2021 een eerste versie van de werkwijzer voor luchtvaartspecifieke MKBA’s uitgebracht. Zoals in de brief van 2 februari 2022 aan de Commissie voor IenW2 ook is aangegeven, kan en zal deze werkwijzer nog verbeterd worden, omdat op een aantal punten nog aanvullend onderzoek nodig is om welvaartskosten en -baten in de toekomst beter te kunnen inschatten. Die verbeterpunten staan genoemd in de werkwijzer en de daarbij gevoegde onderzoeksagenda. Waar verbeteringen mogelijk zijn heeft de opsteller van de werkwijzer voorlopige aanbevelingen opgenomen en gevoeligheidsanalyses voorgesteld.
Zoals PBL en CPB in de beoordelingsbrief3 bij de werkwijzer hebben aangegeven geldt het principe dat de MKBA-onderzoeker zelf verantwoordelijk is voor het op een zo goed mogelijke manier in beeld brengen van alle aspecten die relevant zijn bij een MKBA. De werkwijzer helpt hierbij door aan te geven wat geschikte methoden of afwegingen zijn. Als sprake is van een algemene consensus dan is de werkwijzer voorschrijvend. Als er meerdere geschikte methoden zijn of er onduidelijkheid bestaat over de geschiktheid van methoden, dan geeft de werkwijzer een aanbeveling en is er meer keuzevrijheid voor de MKBA-onderzoeker.
Zoals het artikel in Trouw aangeeft heeft de GGD GHOR Nederland mij op 14 januari 2022 een brief gestuurd waarin wordt opgeroepen specifieke waarderingskengetallen voor geluidhinder in de werkwijzer te laten toevoegen. Ik vind het van belang dat er over de relatie tussen geluidbelasting en ervaren hinder meer kennis wordt ontwikkeld. Dat wordt in gang gezet en daarbij zal ook aandacht besteed worden aan de monetarisering van geluidhinder conform de aanbeveling hierover in de onderzoeksagenda bij de werkwijzer. Alle nieuwe inzichten en zienswijzen, dus ook die van de GGD GHOR Nederland, worden daarbij betrokken.
Ziet u, naar aanleiding van deze oproep, aanleiding de werkwijzer aan te passen?
Zie antwoord vraag 1.
Wat zijn uw beweegredenen om wel of niet een (afweging van de) geluidsbelasting van 45 decibel voor de dag en 40 decibel voor de nacht (advies van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO)) te hanteren?
Het kabinet heeft nog geen inhoudelijk standpunt bepaald inzake de doorwerking in het geluidbeleid van de publicatie «Environmental Noise Guidelines for the European Region» van de WHO. De opstellers van de werkwijzer hebben dit als uitgangspunt genomen en aansluiting gezocht bij de grenswaarden zoals die thans in beleid, wet- en regelgeving over luchtvaart worden gehanteerd. In zijn algemeenheid zijn dit 48 dB Lden voor het etmaal en 40 dB Lnight voor de nachtperiode.
Waarom is de in het artikel genoemde Engelse methodiek voor het monetaristen van geluid niet toegepast in de werkwijzer?
De werkwijzer is opgesteld door een consortium onder leiding van SEO. De andere partijen van het consortium waren Decisio, To70 en Twynstra Gudde. Het ministerie is in inhoudelijke zin niet verantwoordelijk geweest voor de keuzes van methodieken die zijn opgenomen in de werkwijzer. Het ministerie heeft vraag 4 en 5 voorgelegd aan de onderzoekers. Zij geven aan dat het Verenigd Koninkrijk (VK), in tegenstelling tot wat de GGD in haar brief beweert, een ondergrens hanteert die omgezet naar de Nederlandse situatie overeenkomt met 53 tot 55 dB Lden. Deze ondergrens wordt gebruikt in het VK in de Web-based Transport Analysis Guidance (WebTAG) die is voorgeschreven bij het monetariseren van geluid4.
Klopt het dat deze methodiek in het Verenigd Koninkrijk, waaronder dus ook bij luchthavens, reeds wordt toegepast?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u van mening dat de huidige werkwijzer voor luchtvaartspecifieke MKBA’s is gebaseerd op wetenschappelijke consensus? Zo nee, bent u bereid de werkwijzer te herzien om dit te bereiken?
Ja, ik ben van mening dat de werkwijzer op een verantwoorde onafhankelijke en wetenschappelijke wijze tot stand is gekomen.
Zoals aangegeven in de brief5 van 2 februari 2022 aan de Tweede Kamer is de uitbesteding van de opstelling van de werkwijzer geheel volgens de regels van betrokkenheid als opdrachtgever bij onafhankelijk onderzoek in de Gedragscode Integriteit Rijk verlopen6. De werkwijzer is opgesteld door een consortium onder leiding van SEO. De andere partijen van het consortium waren Decisio, To70 en Twynstra Gudde. Deze partijen beschikken over uitgebreide kennis en ervaring met MKBA-onderzoek op het gebied van luchtvaart. De voortgang van het onderzoek en de opstelling van de werkwijzer is bewaakt door een begeleidingsgroep waarin de planbureaus CPB en PBL (onder meer vertegenwoordigd door de auteurs van de Algemene MKBA-leidraad uit 2013) alsmede experts op het gebied van MKBA’s van het KiM waren vertegenwoordigd. Naast literatuurstudie en analyse heeft het consortium veel uiteenlopende experts geïnterviewd, waaronder de relevante andere instituten en adviesbureaus met kennis op het gebied van luchtvaartspecifieke MKBA’s. Na oplevering is de werkwijzer volgens voorschrift door het PBL en het CPB getoetst aan hun Algemene MKBA-leidraad. De conclusie van deze toets was dat de werkwijzer een adequate leidraad is voor het opstellen van luchtvaartspecifieke MKBA’s. De kwaliteitstoets is samen met de werkwijzer aan de Tweede Kamer gezonden7.
Na publicatie van de werkwijzer heeft een aantal organisaties8 aangegeven dat er andere visies en inzichten zijn over de aanbevelingen en methodieken in de werkwijzer. Deze hebben vooral betrekking op de waardering van geluidhinder en op het onderwerp waar in vraag 7 naar verwezen wordt, namelijk waardering van reistijden. Uiteraard zijn deze verschillen de moeite waard om nader te onderzoeken. Mogelijk nuanceren reeds in de werkwijzer opgenomen kanttekeningen en voorstellen voor gevoeligheidsanalyses de aard van deze verschillen. Het zelfde geldt voor de onderzoeksagenda die bij de werkwijzer is gevoegd. Daarin wordt aangegeven welke kennis er volgens het consortium nog ontbreekt of moet worden aangevuld om de aanbevelingen te verbeteren. De onderzoeksagenda kan overigens ook aangevuld worden met nieuwe onderwerpen. De inzichten die uit het onderzoek voortkomen zullen uiteindelijk leiden tot een herziene werkwijzer, waarbij gestreefd wordt naar zo breed mogelijke consensus over de uitgangspunten bij deskundigen. Daarbij zullen vanzelfsprekend alle verschillende visies worden betrokken. Zoals PBL en CPB ook aangeven in hun toets blijft het tot die tijd de taak van elke MKBA-opsteller om de meest recente kennis over input en methodes voor MKBA’s in de uitwerking mee te nemen. Waar nodig kan met gevoeligheidsanalyses gewerkt worden.
Zo ja, hoe weegt de kritiek dat bijvoorbeeld de kosten van extra reistijd bij een krimp van luchtvaart te hoog zijn ingeschat?
Zie antwoord vraag 6.
Gezien de constatering in de onderzoeksagenda van de werkwijzer luchtvaartspecifieke MKBA’s van mei 2021 dat discussie kan ontstaan over de in Nederland hoger dan elders ingeschatte tijdwaardering voor luchtvervoer, acht u het gepast een andere (meer dan gemiddelde) tijdwaardering toe te passen in de werkwijzer?
Op dit moment voert het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid (KiM) onderzoek uit naar reistijdwaarderingen voor het voor- en natransport bij vliegreizen. Dit vindt plaats naar aanleiding van de vraag hierover in de onderzoeksagenda, als aanvulling op het hoofdonderzoek reistijd- en betrouwbaarheidswaardering voor alle vervoersmodaliteiten. Daarbij wordt ook onderzocht of dit vergelijkbaar is met de reistijdwaardering van vliegen of van auto en ov-reizen. Met dit onderzoek wordt invulling gegeven aan de onderzoeksvragen in relatie tot reistijdwaardering in de onderzoeksagenda bij de werkwijzer. De resultaten van dit onderzoek worden begin 2023 verwacht. Daarmee zal meer kennis beschikbaar komen over kengetallen voor reistijdwaardering die in luchtvaartspecifieke MKBA’s toegepast kunnen worden.
Gezien de kritiek van verschillende partijen op de werkwijzer en daaruit volgende discussies, bent u van mening dat de werkwijzer een toereikend instrument is in het adequaat en zorgvuldig in kaart brengen van alle kosten en baten voor luchtvaartgerelateerde activiteiten?
De werkwijzer die in juli 2021 is gepubliceerd is een belangrijke stap geweest om meer duidelijkheid te scheppen over uitgangspunten en methodieken om luchtvaartspecifieke MKBA’s zo consistent en goed mogelijk uit te voeren. Het is van belang om te beseffen dat de werkwijzer een eerste versie is en dat deze op een aantal punten nog verbeterd kan worden, omdat op een aantal onderdelen nog aanvullend onderzoek nodig is. Die verbeterpunten staan ook genoemd in de werkwijzer en de daarbij gevoegde onderzoeksagenda. Waar verbeteringen mogelijk zijn heeft het consortium in de werkwijzer voorlopige aanbevelingen opgenomen en gevoeligheidsanalyses voorgesteld. Overigens is het goed om daarbij te benadrukken dat de werkwijzer naast aanbevelingen over reistijd- en geluidhinderwaarderingen ook aanbevelingen over berekening van andere welvaartskosten en -baten bevat en dat ook die in de onderzoeksagenda aan bod komen. Met de uitvoering van de onderzoeksagenda is inmiddels gestart (zie ook antwoord op vraag 12). Verder is het goed te benoemen dat in de werkwijzer is opgenomen dat een MKBA de besluitvorming dient maar deze niet vervangt. Een MKBA is niet meer en niet minder dan een belangrijke informatiebron die beschikbaar moet zijn als besluitvorming plaatsvindt.»9
Bent u bereid om bij die luchtvaartspecifieke MKBA’s waarbij de rijksoverheid betrokken is altijd een second opinion te laten uitvoeren, zoals het Centraal Planbureau (CPB) en Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) in hun brief adviseren?
Ja, zoals ook in de werkwijzer staat aangegeven is het gewenst dat indien een MKBA wordt opgesteld ten behoeve van een luchthaven(verkeer)besluit voor Schiphol en de luchthavens van nationale betekenis (waarvoor het Rijk het bevoegd gezag is) het ministerie een second opinion laat uitvoeren.
Kunt u, uitgesplitst per aandachtspunt, ingaan op de stand van zaken van de aandachtspunten zoals genoemd in de brief van het CPB en PBL die als bijlage is meegestuurd met de brief van uw voorganger van 9 juli 2021 (Kamerstuk 31 936, nr. 869)?
De aandachtspunten in de brief van CPB en PBL waaraan in de vraag wordt gerefereerd betreffen aandachtspunten bij het gebruik van de werkwijzer. Deze zijn dus vooral bedoeld voor de uitvoerders van MKBA’s. Bij second opinions van MKBA’s ten behoeve van een luchthaven(verkeer)besluit voor Schiphol en de luchthavens van nationale betekenis (waarvoor het Rijk het bevoegd gezag is) zal worden bezien hoe met deze aandachtspunten is omgegaan.
Wat is de stand van zaken van de acties en actualisaties uit de onderzoeksagenda bij de werkwijzer luchtvaartspecifieke MKBA’s» van mei 2021? Wanneer verwacht u de update van scenario’s uit de studie «Nederland in 2030–2050: twee referentiescenario’s – Toekomstverkenning Welvaart en Leefomgeving» (WLO) en reistijdwaardering (die volgens het CPB en PBL uitgevoerd zullen worden) te kunnen toepassen in de werkwijzer en de Kamer hierover te informeren?
Op dit moment werkt het ministerie een plan uit om tot uitvoering van de onderzoeksagenda bij de werkwijzer te komen. Een aantal onderzoeken is al gestart, bijvoorbeeld het onderzoek van het KiM naar reistijdwaarderingen (zie mijn antwoord op vraag 8), en ook is er inmiddels al een onderzoek beschikbaar met relevante informatie over niet-CO2-effecten10. De uitvoering van de onderzoeksagenda zal tot aanvullende inzichten leiden. Op basis daarvan zal er een volgende, verbeterde versie van de werkwijzer opgesteld worden. Daarbij wordt gestreefd naar zo breed mogelijke consensus bij deskundigen. Zoals PBL en CPB ook aangeven in hun kwaliteitstoets op de werkwijzer blijft het tot die tijd de taak van elke MKBA-opsteller om de meest recente kennis over input en methodes voor MKBA’s in de uitwerking mee te nemen. Waar nodig kan met gevoeligheidsanalyses gewerkt worden om aan te geven wat andere aannames betekenen voor de robuustheid van de analyse.
Nog bezien moet worden wanneer de werkwijzer herzien zal worden. Ik zal in samenwerking met het KiM goed de stand van nieuwe inzichten bijhouden en de Kamer, maar zeker ook de (potentiële) uitvoerders van MKBA’s, daarover informeren.
Kunt u de bovenstaande vragen ruim voor het commissiedebat Luchtvaart van 24 februari beantwoorden omwille van een goed geïnformeerd debat?
Ja.
De onrechtmatige gang van zaken rondom het vaccineren van kinderen |
|
Gideon van Meijeren (FVD) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Bent u bekend met de reportage over de onrechtmatige gang van zaken rondom het vaccineren van kinderen?1
Ik heb via YouTube kennis genomen van de door FvD gemaakte montage.
Hoe beoordeelt u de misstanden die in deze reportage aan het licht worden gebracht?
Ik heb GGD GHOR gevraagd om te beoordelen wat FvD laat zien. GGD GHOR laat weten dat er geen beelden vertoond worden van een volledig gesprek tussen GGD-medewerkers en de jongere. Hierdoor wordt de context gemist en is het moeilijk een volledig beeld te krijgen van wat er is besproken. Ik sluit me daarbij aan.
Ik ga er nog steeds vanuit dat de GGD’en zorgvuldig handelen bij het al dan niet vaccineren van jongeren van 12 tot en met 17 jaar. Wat ik een zorgelijke ontwikkeling vind is dat een montage als deze kan bijdragen aan een klimaat waarin GGD-medewerkers worden bedreigd.
Bent u bekend met de interne e-mail van de GGD aan medewerkers, waarin de GGD erkent dat de gedane uitspraken onacceptabel zijn en dat procedures niet goed zijn opgevolgd? Wat is hierop uw reactie?2
In de mail is bedoeld te zeggen dat wat er wordt gesuggereerd in de montage over de werkwijze van de GGD’en, niet in lijn is met de wijze waarop GGD’en, namelijk volgens protocol, handelen. De mail bevestigt dat GGD’en volgens protocol handelen.
De GGD’en hanteren het protocol dat jongeren van 12 tot en met 15 jaar samen met hun ouders of verzorgers beslissen of zij gevaccineerd willen worden. Indien een 12- tot en met 15-jarige alleen op locatie komt, vraagt de host of (één van) de ouders (of andere wettelijk vertegenwoordiger) op de hoogte zijn van de vaccinatie en het hier mee eens zijn. De jongere wordt verwezen naar de medische lijn. Hier wordt het gesprek aangegaan of de jongere goed geïnformeerd is. Indien nodig wordt er nadere informatie gegeven als blijkt dat de jongere voldoende is geïnformeerd en de jongere nog steeds wil worden gevaccineerd. De GGD’en verwijzen jongeren naar huis als blijkt dat de jongere twijfelt of om (opnieuw) met hun ouders te overleggen.
Erkent u dat het onacceptabel is dat er onrechtmatig inbreuk op de lichamelijke integriteit van kinderen wordt gemaakt? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het wenselijk dat jongeren van 12–15 jaar samen met hun ouders of verzorgers overleggen of zij zich willen te laten vaccineren. Als een jongere er met hen niet uitkomt en de vaccinatie blijft wensen, kan de jongere een vaccinatie ontvangen. GGD GHOR heeft mij laten weten dat zij werken volgens de uitvoeringsrichtlijn COVID-19-vaccinaties van het RIVM. De vaccinaties worden zowel voor volwassen als voor kinderen met grote zorgvuldigheid gezet. De richtlijn biedt een werkwijze en procedure die gevolgd dient te worden in het vaccinatieproces. De GGD-medewerker of GGD-arts geeft voorlichting en informeert zo nodig mensen die vragen en/of twijfels hebben. Daarnaast houdt de IGJ toezicht op de kwaliteit van het vaccinatieproces en op de naleving van de uitvoeringsrichtlijn. De IGJ bezoekt de GGD-vaccinatielocaties met grote regelmaat. Naar aanleiding van deze bezoeken worden eventuele verbeteringen doorgevoerd. In algemene zin beoordeelt de IGJ de kwaliteit van de werkzaamheden positief. Ik heb dan ook geen enkele indicatie dat er onrechtmatig inbreuk op de lichamelijke integriteit van kinderen wordt gemaakt.
Bent u bereid om schade die is of wordt veroorzaakt door dit beleid ruimhartig te compenseren? Zo nee, waarom niet?
Ik heb geen signalen ontvangen dat er schade wordt ondervonden door jongeren die zijn gevaccineerd.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de werkwijze van de GGD zo spoedig mogelijk in overeenstemming is met alle wettelijke en procedurele voorschriften?
Ik heb geen signalen dat de werkwijze van de GGD’en niet in overeenstemming is met wettelijke en procedurele voorschriften. De werkwijze van de GGD’en voldoet aan alle eisen en wordt met de allergrootste zorgvuldigheid uitgevoerd. Hierbij volgt de GGD de wettelijke en procedurele voorschriften zoals de Uitvoeringsrichtlijn Covid-19-Vaccinaties van het RIVM. Daarnaast houdt de IGJ toezicht op de werkwijze van de GGD’en en controleren of zij werken volgens de uitvoeringsrichtlijn COVID-19-vaccinaties. Gezien de bevindingen van de IGJ, vertrouw ik erop dat de GGD’en zich aan de werkwijze en protocollen houden.
Bent u bereid om de kindervaccinatiecampagne per direct te stoppen, in ieder geval tot gegarandeerd kan worden dat de werkwijze van de GGD op alle locaties in overeenstemming is met wettelijke en procedurele voorschriften? Zo nee, waarom niet?
Nee, zie mijn antwoord op vraag 4.
Wilt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en op de kortst mogelijke termijn – in ieder geval vóór vrijdag 11 februari – beantwoorden?
Ik heb de vragen zo snel als mogelijk beantwoord.
Uithuisgeplaatste kinderen en het toeslagenschandaal |
|
Pieter Omtzigt |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66), Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
Bent u bekend met het artikel «Jeugdzorgkenner: Kans op terugplaatsing kinderen toeslagenouders «vrijwel nihil»»?1
Ja.
Klopt het dat na de «aanvaardbare termijn» (een half jaar voor jonge kinderen een jaar voor oudere kinderen) kinderen volgens de geldende richtlijn in principe niet worden teruggeplaatst? Zo nee, hoeveel kinderen zijn het afgelopen jaar dan teruggeplaatst na de aanvaardbare termijn?
De richtlijn «Uithuisplaatsing voor jeugdhulp en jeugdbescherming» geeft professionals onderbouwde aanbevelingen voor besluiten over uithuisplaatsing of terugplaatsing. Belangrijk uitgangspunt bij deze besluiten is het ontwikkelingsperspectief van het kind. Met de Wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen (2015) heeft het ontwikkelingsperspectief van het kind een centrale positie gekregen in de rechtsgronden voor de ondertoezichtstelling en gezagsbeëindigende maatregel met het «aanvaardbare termijn-criterium». De aanvaardbare termijn verwijst naar de periode van onzekerheid die een kind kan overbruggen met betrekking tot de vraag waar hij verder zal opgroeien zonder schade op te lopen in zijn ontwikkeling. De richtlijn biedt ondersteuning hiervoor. De in de richtlijn genoemde termijnen zijn indicatief. Verlenging van de aanvaardbare termijn is ook mogelijk, bijvoorbeeld als ouders groei laten zien in het herstellen van de veiligheid maar de inschatting is dat zij daar nog langer de tijd voor nodig hebben.
Als de verwachting is dat ouders niet in staat zijn om, binnen een voor het kind aanvaardbare termijn, de opvoeding en verzorging weer op zich te kunnen nemen, dan doet de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) onderzoek om te bezien of en welke maatregelen voor het kind nog nodig en passend zijn.
Op dit moment zijn geen cijfers beschikbaar over hoe vaak kinderen na een uithuisplaatsing worden teruggeplaatst bij hun ouders. Mijn ministerie bespreekt met Jeugdzorg Nederland en de RvdK hoe de registratie kan worden verbeterd. Bij de eerstvolgende voortgangsbrief Jeugd van juni 2022 zullen wij uw Kamer informeren over de voortgang.
Met hoeveel van de kinder/ouder-paren, waarvan in oktober bleek dat 1115 kinderen uithuisgeplaatst waren en waarvan het aantal hoger kan zijn, aangezien alleen gedwongen uithuisplaatsingen zijn meegenomen vanaf 2015 en waarvan waarschijnlijk niet iedere uithuisplaatsing in zijn geheel door het toeslagenschandaal is veroorzaakt, is er nu – vijf maanden later – contact en wordt er gesproken over mogelijkheden van hereniging?
Het ondersteuningsteam is nog in opbouw en pas sinds medio januari kleinschalig gestart. Sinds medio januari is er contact met twaalf gedupeerde ouders waarbij in totaal 25 kinderen zijn betrokken. Gegeven de korte tijd dat deze ouders begeleid worden, is het nog te vroeg om daar nu al over terug te koppelen. Ik verwacht dat het ondersteuningsteam vanaf 1 april landelijk beschikbaar zal zijn. Vanaf dat moment zal hieraan ook breed bekendheid worden gegeven en verwacht ik dat meer ouders een beroep zullen doen op het ondersteuningsteam. In mijn brief van 22 februari jl. heb ik u toegezegd u hierover eind maart nader te informeren.
Naast de inzet van het ondersteuningsteam, zijn Gecertificeerde Instellingen, de RvdK en gemeenten extra alert op situaties waarin de toeslagenaffaire speelt. Enkele Gecertificeerde Instellingen hebben aparte teams ingericht om samen met gemeenten de situaties van de betreffende ouders en kinderen opnieuw te beoordelen en te bezien hoe extra hulp de levensomstandigheden kunnen verbeteren. Wij hebben geen zicht op het aantal gedupeerde ouders en/of kinderen waarmee in dat kader contact is en of in die gevallen gesproken wordt over de mogelijkheden van hereniging.
Overigens leidt de aanpak niet in alle gevallen tot hereniging. De mogelijkheid voor hereniging is afhankelijk van veel factoren waarbij het belang, het perspectief en de stem van het kind centraal staan. Het zicht op hereniging is een mogelijke uitkomst van de aanpak. Zoals gebruikelijk kan dit pas worden gerealiseerd als de veiligheid of ontwikkeling van het kind niet langer in het geding is.
Hoeveel van deze 1115 kinderen zijn vijf maanden na het bekend worden met hun ouder(s) herenigd, door terugplaatsing of in ieder geval met de start van een traject dat daarop gericht is?
Ik verwijs u hiervoor naar het antwoord op vraag 3.
Is het u bekend dat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) geen individuele klachtzaken van ouders in behandeling neemt, maar ouders verwijst naar de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) of de klachtencommissie van de gecertificeerde instelling?
Ja. In de Jeugdwet is vastgelegd dat de instelling waar de klacht op ziet in de eerste plaats voor de klachtafhandeling verantwoordelijk is. De IGJ behandelt zelf geen individuele klachten. Het Landelijk Meldpunt Zorg (LMZ), onderdeel van de IGJ, geeft informatie en advies bij vragen of klachten over de kwaliteit van zorg. Wanneer burgers zich bij het LMZ melden, zet deze zich in om hen te ondersteunen door eventuele vragen te beantwoorden en mee te denken over vervolgstappen. Dit kan onder andere zijn het verwijzen naar de reguliere behandelwijze van klachten bij de instelling. Ouders kunnen zich hierin laten bijstaan door het Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg (AKJ), voor informatie, advies of ondersteuning.
Klachten kunnen voor de IGJ aanleiding zijn om een toezichtsonderzoek bij een instelling te doen of een thematisch toezicht uit te voeren.
Is het u bekend dat ouders door de zeer stringente regels van het SKJ het nagenoeg onmogelijk gemaakt wordt om klachten in te dienen; tal van klachten worden reeds in het voorportaal afgewezen en sinds 1 oktober jl. kunnen er nog slechts vijf klachtonderdelen worden ingediend?
Ik deel de mening niet dat het ouders nagenoeg onmogelijk wordt gemaakt om klachten in te dienen bij het SKJ.
In het voorportaal wordt getoetst of een klacht voor inhoudelijke behandeling in aanmerking komt. Het SKJ heeft daarbij juist veel oog voor de bescherming van klagers. Omdat het ingewikkeld kan zijn om een klacht helder te formuleren en met feiten te onderbouwen, wordt een klager vaak benaderd door het SKJ met advies om de klacht beter te formuleren zodat de klacht voor inhoudelijke behandeling in aanmerking kan komen. Als dit de klager zelf niet lukt, wordt die doorverwezen naar professionele ondersteuning van bijvoorbeeld het AKJ.
Het terugbrengen van het aantal klachtonderdelen is niet bedoeld om de positie van de klager te beperken. De verwachting is dat dit ontlastend is voor zowel klager als beklaagde omdat zij beiden vaak erg veel tijd en moeite in het klachtproces steken. Klagers mogen in beginsel nog steeds zo veel klachten indienen als ze willen. Eén klacht mag evenwel uit vijf onderdelen bestaan. De ervaring van het tuchtrechtcollege leert dat het omschrijven van vijf klachtonderdelen volstaat om helder te krijgen of een professional volgens de beroepscode of richtlijnen juist heeft gehandeld. Het terugbrengen van het aantal klachtonderdelen is met alle belangrijke partijen in het jeugddomein, waaronder ervaringsdeskundigen, afgestemd. Ook het cliëntperspectief is dus meegenomen.
Is het u bekend dat wanneer ouders, conform het advies van de Inspectie, eerst alle mogelijke klachtprocedures succesvol hebben doorlopen en waarbij er vervolgens door de gecertificeerde instellinggeen gevolg wordt gegeven aan de gegrond verklaarde klachten, de Inspectie dan nog steeds volstaat met de mededeling dat zij geen individuele klachten in behandeling neemt? Acht u dat aanvaardbaar?
Als ouders niet tevreden zijn over het handelen van (medewerkers van) een Gecertificeerde Instelling, dan kunnen zij daar een klacht indienen. Als de klacht niet in een informeel gesprek wordt opgelost of als de klager niet voor een informele weg kiest, dan wordt de klacht formeel in behandeling genomen door een onafhankelijke klachtencommissie. Nadat de uitspraak van de klachtencommissie is ontvangen, deelt de Gecertificeerde Instelling binnen een maand schriftelijk aan de klager en de klachtencommissie mee of naar aanleiding van de uitspraak maatregelen worden genomen. Uitspraken van een klachtencommissie zijn niet bindend. Als de klager niet tevreden is over de wijze waarop de klacht door de Gecertificeerde Instelling wordt afgehandeld, dan kan de klager zich wenden tot de Nationale ombudsman of de Kinderombudsman.
Indien sprake is van ernstige ethische of vakinhoudelijke verwijten die zien op een individuele geregistreerde jeugdprofessional, kan er een klacht bij het SKJ worden ingediend. Als een klager zich niet kan vinden in de beoordeling door het College van Toezicht van het SKJ, dan kan de klacht nog worden voorgelegd aan het College van Beroep.
Klagers kunnen zich in al deze (tucht)klachtprocedures laten bijstaan door een vertrouwenspersoon van het AKJ.
Zoals bij de beantwoording van vraag 5 is toegelicht, behandelt de IGJ zelf geen individuele klachten. Klachten kunnen voor de IGJ wel aanleiding zijn om een toezichtsonderzoek bij een instelling te doen of een thematisch toezicht uit te voeren.
Kunt u inzichtelijk maken hoeveel individuele zaken er het afgelopen jaar zijn ingediend door ouders en hoeveel van die ingediende zaken door de Inspectie in behandeling zijn genomen?
In 2021 zijn bij de Inspectie JenV vijf meldingen van burgers geregistreerd op het domein jeugd. Deze meldingen bevatten geen informatie die er op wijst dat deze zijn ingediend door personen behorend tot de groep gedupeerden kinderopvangtoeslagenaffaire. Er werden in de periode van 2017 tot 2020 negentien melding gedaan op het domen jeugd. Deze meldingen bevatten evenmin informatie die er op wijst dat deze door gedupeerden zijn ingediend.
De Inspectie JenV heeft alle meldingen uit 2021 afgehandeld. De Inspectie
JenV kijkt naar brede ontwikkelingen binnen het systeem van (in dit geval) de jeugdbescherming. Individuele casuïstiek kan aanleiding geven om te bekijken of er relevante brede ontwikkelingen of rode draden zijn die de Inspectie JenV nader moet onderzoeken, tenzij zo ernstig of maatschappelijk ontwrichtend dat incidentonderzoek aangewezen is. Gegeven de inhoud van casuïstiek heeft zij ten aanzien van de meldingen uit 2021 niet hoeven ingrijpen op instellingsniveau volgens de middelen die zij daartoe ter beschikking heeft.
De Inspectie JenV heeft begin 2022 contact gehad met een door de toeslagenaffaire gedupeerde ouder van wie het kind uit huis is geplaatst. De Inspectie JenV heeft deze ouder uitgelegd dat zij in deze individuele gevallen niet bevoegd is om op te treden. Zij heeft de ouder daarom doorverwezen naar onder meer de gemeente. Die is immers aangewezen om ouders bij uithuisplaatsingen op diverse manieren bij te staan.
Het LMZ van de IGJ heeft in 2021 ruim 750 contacten gehad met jeugdigen, hun (groot)ouders en/of andere betrokkenen over jeugdhulp. Dit varieert van vragen over jeugdhulp tot meldingen over instellingen of opgelegde maatregelen. Bijna een kwart hiervan had betrekking op uithuisplaatsingen. Nadere analyse toont dat bij zeven contacten ouders aangaven te maken hebben gehad met de toeslagenaffaire.
Van de ruim 750 contacten over jeugdzorg hebben er ongeveer veertig geleid tot een toezichtsonderzoek bij een jeugdzorgaanbieder. Bij deze veertig zijn verschillende interventies ingezet, zoals het voeren van een gesprek met de instelling, het verzoek aan de instelling om intern onderzoek uit te voeren, of het uitvoeren van een eigenstandig onderzoek door de IGJ.
De informatie uit de contacten wordt ook gebruikt bij uitvoering van het risicogestuurde toezicht. Zo hebben signalen van burgers over de jeugdbescherming in brede zin eind vorig jaar mede geleid tot het besluit van de inspecties om in de eerste helft van 2022 een thematisch toezicht uit te voeren naar de kwaliteit van het feitenonderzoek bij gedwongen uithuisplaatsingen.
Kunt u, voor zover er door de Inspectie individuele zaken in behandeling zijn genomen, aangeven in hoeveel zaken de Inspectie heeft ingegrepen? Zo ja, wat heeft de Inspectie in die gevallen concreet gedaan?
Ik verwijs u hiervoor naar het antwoord op vraag 8.
Welke bevoegdheden heeft de Inspectie wanneer ouders klagen over een lopende casus?
Ik verwijs u hiervoor naar het antwoord op vraag 5.
Kunt u aangeven, wanneer na onderzoek van de Inspectie zou blijken dat een Gecertificeerde Instelling in een lopende zaak ernstig tekort is geschoten, welke middelen de Inspectie ten dienste staan om de gecertificeerde instelling te bewegen tot onmiddellijk handelen?
De IGJ en de Inspectie JenV zijn aangewezen als toezichthouders die toezien op de naleving van de Jeugdwet. Hierbij heeft de wetgever verduidelijkt dat de Inspectie JenV toezicht houdt op de kwaliteit waar het de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen betreft. Bij samenwerking tussen IGJ en Inspectie JenV geldt dat het primaat bij de IGJ ligt, tenzij het dus de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen betreft. De taakverdeling tussen de inspecties laat evenwel elke vorm van samenwerking tussen de IGJ en de Inspectie JenV, vanuit de eigen expertise, toe.
In algemene zin hebben de inspecties de bevoegdheden genoemd in artikel 9.3 Jeugdwet: een aanwijzing, bevel of tuchtklacht. Indien een krachtens artikel 9.3 gegeven schriftelijke aanwijzing of een bevel niet of onvoldoende wordt opgevolgd, bestaat de mogelijkheid om een last onder bestuursdwang op te leggen.
Ten aanzien van de bevoegdheden in algemene zin kan daarnaast worden verwezen naar de artikelen 5:12, 5:13, 5:15, 5:16, 5:17 en 5:20, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) die van overeenkomstige toepassing zijn ten aanzien van de ambtenaren van de inspecties. Het gaat hier onder meer om de medewerkingsplicht, het betreden van plaatsen en het vorderen van inlichtingen.
Verder is het van belang om te vermelden dat de inspecties niet de bevoegdheid hebben om te treden in rechterlijke beslissingen.
Wat is de gemiddelde doorlooptijd van een zaak die door de Inspectie in behandeling wordt genomen?
De Inspectie JenV hanteert in principe een standaardtermijn van drie weken voor een reactie op een burgermelding, maar de termijn is afhankelijk van de complexiteit van de betreffende melding.
Bij de IGJ geldt dat als er naar aanleiding van contacten met burgers een toezichtonderzoek bij een instelling wordt overwogen, burgers in principe binnen vier weken een brief met de beslissing van de IGJ krijgen. Wanneer toezichtsonderzoek nodig is, is de doorlooptijd afhankelijk van de omvang en de aard van de melding.
Wanneer uit onderzoek van de Inspectie blijkt dat er fundamentele zaken misgaan in een dossier, welk mandaat heeft de Inspectie dan om direct in de situatie in te grijpen?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 11.
Kunt u, gelet op de komende onderzoeksopdrachten met betrekking tot de toeslagenouders en de uithuisgeplaatste kinderen, aangeven wat de huidige werkvoorraad van de Inspectie is?
De Inspectie JenV neemt het voortouw in het onderzoek naar de rol van de jeugdbescherming bij door de toeslagenaffaire gedupeerde gezinnen. Door de Inspectie JenV is ruim capaciteit beschikbaar gesteld voor dit onderzoeksprogramma. De IGJ heeft een adviserende rol. De beschikbaar gestelde capaciteit van de Inspecties JenV staat los van capaciteit die is gereserveerd voor het reguliere toezicht en het afhandelen van meldingen.
Kunt u aangeven op welke wijze een rapportage van de Inspectie betrokken zou kunnen worden in het oordeel van de kinderrechter. aangezien er reeds is aangegeven dat het uiteindelijk de kinderrechter is die besluit of een kinderbeschermingsmaatregel al dan niet gehandhaafd blijft en het een feit is dat de kinderrechter zich daarbij baseert op de rapportages van de Gecertificeerde Instelling?
In zijn oordeel over een (verlenging van de) kinderbeschermingsmaatregel betrekt de kinderrechter alle relevante feiten en omstandigheden die betrekking hebben op het kind. Alle informatie die de kinderrechter aan de beslissing ten grondslag wil leggen, moet gedeeld en besproken worden op zitting.
De kinderrechter beslist aan de hand van de stukken en dat wat partijen op de zitting mondeling naar voren hebben gebracht over hun standpunt. Een rapport van de inspecties kan door partijen worden ingebracht. Daarnaast neemt de kinderrechter kennis van ontwikkelingen in het jeugdrecht in brede zin om de context van de beslissingen te kunnen plaatsen. Van de belangrijkste rapporten van de inspecties zal de kinderrechter, in de meeste gevallen, kennisnemen. Als de kinderrechter hierin feiten en omstandigheden relevant acht voor het kind dan zal de kinderrechter deze informatie aan de orde stellen en bespreken op zitting.
Is het u bekend dat wanneer de Inspectie met betrekking tot jeugdzorg onderzoek doet, zij daarbij doorgaans uitsluitend kijkt naar hoe de situatie is op het moment van onderzoek?
Dit is bij beide inspecties afhankelijk van de onderzoekvraag. De inspecties kijken naar de kwaliteit van de taakuitvoering op het moment van onderzoek (de huidige stand van zaken). Hierin wordt ook de context meegenomen inclusief ontwikkelingen die in het verleden kunnen liggen. Bij onderzoek naar incidenten wordt teruggekeken. Dit geldt ook voor het onderzoek naar hoe de jeugdbescherming omging met door de toeslagenaffaire gedupeerde gezinnen.
Is het u bekend dat met betrekking tot jeugdzorg het begrip «waarheidsvinding» al sinds jaar en dag ernstig onder druk staat? Kunt u in het verlengde daarvan aangeven op welke wijze gegarandeerd is dat het aangekondigde onderzoek van de Inspectie is gebaseerd op objectiveerbare en verifieerbare feiten?
Ja, ik ben bekend met de zorgen die worden geuit over de kwaliteit van feitenonderzoek in de jeugdbescherming.2
Met het door de inspecties aangekondigde onderzoek wordt in kaart gebracht hoe door de jeugdbescherming is omgegaan met door de toeslagenaffaire gedupeerde ouders. Het onderzoek geeft een onafhankelijk beeld van het verband tussen de problemen met de kinderopvangtoeslag en uithuisplaatsingen in het algemeen. Hierbij wordt (1) in kaart gebracht of gedupeerde gezinnen vaker dan andere gezinnen (en dus disproportioneel) te maken kregen met de jeugdbescherming. Vervolgens wordt (2) nagegaan waarom gedupeerde gezinnen (al dan niet disproportioneel) te maken kregen met de jeugdbescherming en of en hoe dit redelijkerwijs voorkomen had kunnen worden. Het CBS is gevraagd voor dit eerste deelonderzoek statistische gegevens aan te leveren, zodat het onderzoek objectiveerbaar en verifieerbaar is. Dit deel van het onderzoek is reeds gestart. Voor de nadere inhoud van het onderzoek verwijs ik u naar het onlangs openbaar gemaakte onderzoeksprogramma3 en het plan van aanpak van het eerste deelonderzoek4.
Aan welke maatregelen denkt u om de rechtspositie van ouders en kinderen te verbeteren?
In het kader van het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming zal een adviescommissie worden ingesteld met de opdracht om onder andere advies uit brengen over op welke wijze de rechtsbescherming en rechtspositie van kinderen en ouders versterkt moet worden in alle fases van het hulpverleningstraject. De verwachting is dat deze adviescommissie in het najaar van 2022 advies uitbrengt. Op basis van het advies zal ik komen met maatregelen om de rechtspositie en rechtsbescherming van ouders en kinderen waar nodig te versterken.
Wat is de precieze onderzoeksopdracht die de twee inspecties gekregen hebben om onderzoek te doen?
Er is geen sprake van een onderzoeksopdracht van het Rijk aan de inspecties. De inspecties hebben zelf aanleiding gevonden om het door de Inspectie JenV aangekondigde onderzoek in te stellen.
Meer informatie over het onderzoek is te vinden in de hiervoor genoemde aankondiging van het onderzoeksprogramma van de inspecties en de opzet van het eerste deelonderzoek.5
Is het u duidelijk dat het zeer ongewenst is om de twee inspecties onder wiens ogen deze misstand jaren heeft plaatsgevonden het onderzoek te laten doen en ze ook nog zelf een groot deel van de onderzoeksopdracht te laten opstellen?
Het is belangrijk dat naast de individuele begeleiding van de gedupeerde ouders en kinderen ook op systeemniveau onderzocht wordt wat er is gebeurd. Het onderzoek van de inspecties zal een onafhankelijk beeld geven van het verband tussen de problemen met de kinderopvangtoeslag en uithuisplaatsingen in het algemeen.
Gezien de scope van onderzoek ligt het naar ons oordeel voor de hand dat de inspecties dit onderzoek uitvoeren. De inspecties voeren toezicht uit op de bredere jeugdketen en zijn daar geen onderdeel van. Zij onderzoeken waar zich risico’s voordoen, waar het goed gaat en waar het beter kan. De inspecties zijn onafhankelijk in het doen van onderzoek en beschikken over de noodzakelijke bevoegdheden, deskundigheid en mogelijkheden om de werking van de jeugdbeschermingsketen grondig te onderzoeken. Bovendien zullen de inspecties na afronding van hun onderzoek de uitvoering van de aanbevelingen kritisch volgen en daarover zo nodig opnieuw rapporteren.
Met dit onderzoek op systeemniveau wordt zicht gekregen op de structurele werkwijze in de jeugdbeschermingsketen ten aanzien van gedupeerde ouders en kinderen. Zonder dit inzicht op systeemniveau kunnen we niet leren van het verleden. Dit leren geldt niet enkel voor de ondersteuning voor gedupeerde ouders en kinderen, maar breder voor de hele jeugdbeschermingsketen. Wij zien dit lerende aspect als een grote meerwaarde van het onderzoek zoals door de inspecties is gestart.
Voorts wijs ik u erop dat op grond van de Aanwijzingen inzake de rijksinspecties, een Minister de inhoud van de taakuitoefening van de inspecties niet mag beïnvloeden en de inspecties er niet van mag weerhouden om een bepaald onderzoek uit te voeren.
Kunt u de namen geven van de mensen die u voornemens bent de opdracht tot het onderzoek te geven? Kunt u voor die mensen aangeven welke betrokkenheid zij de afgelopen jaar gehad hebben bij de keten van jeugdzorg, uithuisplaatsingen etc.?
Nee, ik ben niet bereid u de namen te geven van de medewerkers (ambtenaren) van de inspecties die het onderzoek uitvoeren. Ik ben van oordeel dat, in het kader van goed werkgeverschap, het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van deze medewerkers zwaarder moet wegen dan het belang van openbaarheid van hun persoonsgegevens.
Kunnen de volgende zaken in ieder geval meegenomen worden in de onderzoeksopdracht:2
Zoals bij de beantwoording van vraag 19 en 20 is toegelicht, is aan de inspecties geen opdracht of aanwijzing gegeven met betrekking tot het aangekondigde onderzoek. De inspecties hebben kennis genomen van de suggesties en het is aan hen om te bepalen of zij deze zullen betrekken bij het onderzoek.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat er aanbevelingen komen rondom schadevergoeding (en het vaststellen van schade) en rondom de hereniging van de ouders en de kinderen
Zoals ik reeds heb aangegeven mag een Minister ingevolge de eerder genoemde Aanwijzingen inzake de rijksinspecties niet ingrijpen in de bevindingen of oordelen die uit een onderzoek volgen. Het is aan de inspecties om te bepalen of en welke aanbevelingen zij doen.
Is geborgd dat voor hun onderzoek er totale medewerking van iedereen is vereist (interviews, documenten, staatsgeheime en vertrouwelijk documenten)?
Artikel 5:20 Awb is van toepassing verklaard ten aanzien van de toezichthoudende ambtenaren. Dit betekent dat een ieder aan een toezichthouder binnen de door hem gestelde redelijke termijn alle medewerking dient te verlenen die deze redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden. Voorts zijn de toezichthoudende ambtenaren bevoegd tot inzage in de dossiers.
Staat in de opdracht dat de onderzoekers beschikbaar dienen te zijn om met de vaste Kamercommissie te spreken en schriftelijke vragen van de commissie te beantwoorden?
Zoals bij de beantwoording van vraag 19, 20 en 22 is toegelicht, is aan de inspecties geen opdracht gegeven om onderzoek te verrichten. Het staat uw Kamer vrij om de onderzoekers uit te nodigen voor een toelichting op het onderzoek en om hen daarover nader te bevragen.
Kunt u deze vragen een voor een en binnen twee weken beantwoorden tegelijk met de voorziene brief over uithuisplaatsingen?
De beantwoording binnen twee weken is helaas niet gelukt.