Het artikel ‘Besteding van innovatiegeld moet doelmatiger’ |
|
Judith Buhler (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Besteding van innovatiegeld moet doelmatiger»1 en de onderliggende analyse van Innovatiespotter in het artikel «Whitepaper Regionale groeimatrix»?2
Ja.
Herkent u het beeld dat met name kleine innovatieve ondernemers relatief weinig gebruik maken van het beschikbare ondersteuningsinstrumentarium? Zo ja, wat zijn volgens u de belangrijkste oorzaken hiervan op basis van de signalen die bij het ministerie zelf binnenkomen?
Nee, voor zover het mijn eigen instrumentarium betreft herken ik dat beeld niet. Uit de periodieke rapportage die ik recent naar uw Kamer heb gestuurd,3 blijkt dat het grootste deel van het EZK innovatie- en ondernemerschapsinstrumentarium doeltreffend is, waarbij doelgroepbereik is meegewogen. Voor zover het financiële ondersteuning betreft (subsidies en dergelijke) is de uitputting van de daarvoor beschikbare middelen op mijn begroting voor de meeste regelingen goed, in het bijzonder voor regelingen die (in belangrijke mate) gericht zijn op het innovatieve mkb. Hiermee kunnen dus niet meer, maar hooguit andere ondernemers bereikt worden.
Ik heb geen beeld van het doelgroepbereik van het regionale ondersteuningsinstrumentarium, wat de meerderheid is van alle ondersteuning. Daar zit ook veel instrumentarium bij dat geen financiële ondersteuning aan bedrijven biedt. Daarbij merk ik op dat onduidelijk is in hoeverre de groep innovatieve bedrijven die Innovatiespotter heeft geïdentificeerd ook doelgroep is van het beschikbare ondersteuningsinstrumentarium. Het doel van het instrumentarium is niet om zoveel mogelijk bedrijven te bereiken, maar om die bedrijven te bereiken die een knelpunt hebben waar een maatschappelijk belang is om dat op te lossen. Niet iedere innovatieve ondernemer heeft ook behoefte aan ondersteuning vanuit de overheid.
Het voorgaande wil niet zeggen dat ik het doelgroepbereik niet verder tracht te verbeteren. Ik verwijs daarbij naar het antwoord op vraag 4 en 5 hierna.
Deelt u de conclusie dat dit problematisch is en om verbetering vraagt?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u voornemens om de toegankelijkheid en de vindbaarheid van het ondersteuningsinstrumentarium te verbeteren en zo ja, wat is hierop uw inzet?
Ja, ik vind het van groot belang dat een zo groot mogelijk deel van de doelgroep van ondersteuningsinstrumentarium bereikt wordt. Daarbij zijn er verschillende acties vanuit publieke dienstverleners, zowel individueel als gezamenlijk, al dan niet ook samen met private dienstverleners.
Om publieke dienstverleners beter met elkaar en private ondersteuners samen te laten werken ten behoeve van de ondersteuning van ondernemers bestaat de Actieagenda mkb-dienstverlening. Dit programma richt zich op een vernieuwde samenwerking tussen bestuurslagen en private partijen binnen het stelsel van ondernemersdienstverlening voor het brede mkb. Binnen de Actieagenda wordt geëxperimenteerd met regionale, laagdrempelige ondersteuning dicht bij de ondernemer, via vertrouwde adviseurs en met meer praktische oplossingen, kennisdeling en inspiratie van andere ondernemers.
Daarnaast wordt ook gewerkt aan het beter regionaal te ontsluiten van informatie en advies waaronder over subsidieregelingen voor het brede mkb. Binnen het project Programma Generieke Digitale Infrastructuur – bouwsteen AI4 wordt een AI-infrastructuur met een datalaag, interface en ai-kennislaag opgezet waarmee ondernemers eenvoudig inzicht krijgen in voor hen relevante landelijke, provinciale en regionale informatie, advies en (al dan niet financiële) regelingen. Een eerste prototype wordt dit jaar verwacht. Daarbij wordt ingezet op een interface die regionaal kan worden ingezet, want uit onderzoek van KVK blijkt dat bijvoorbeeld voor digitalisering mkb-ers niet zoeken op overheidswebsites, maar eerder informatie halen bij collega ondernemers of brancheverenigingen. Er wordt dus ingezet om de informatie dáár juist ook te ontsluiten in plaats van in te zetten op één overheidswebsite. Een aanvullend onderzoek acht ik daarom niet noodzakelijk.
Dienstverleners werken ook nauw samen binnen het Ondernemersplein om versnippering van dienstverlening tegen te gaan. Op het Ondernemersplein kunnen ondernemers alle informatie en advies van de overheid voor ondernemers vinden. Hier is centraal de informatie beschikbaar van de KvK, Belastingdienst, RVO, CBS en andere overheidsorganisaties.
Naast deze gezamenlijke initiatieven van dienstverleners om het stelsel van ondernemersdienstverlening te verbeteren, werken individuele dienstverleners ook aan het verbeteren van de toegankelijkheid en de vindbaarheid van het ondersteuningsinstrumentarium. Zo maakt RVO zijn aanbod beschikbaar via de Open Data-website en werkt intern aan optimalisatie, zodat regionale en landelijke partijen het makkelijker kunnen integreren in hun platforms. Dit traject helpt om dubbelingen en tegenstrijdigheden te signaleren, waarna RVO actie onderneemt om de toegankelijkheid en vindbaarheid te verbeteren, in samenwerking met andere dienstverleners. Tevens stelt de KvK voor mkb ondernemers de financieringsgids beschikbaar om ondernemers beter te helpen in het vinden van passende financiering en werken de ROM’s binnen de strategie Bovenregionale Samenwerking aan betere aansluiting over de regio-grenzen heen.
Bent u daarbij bereid te onderzoeken of relevante regelingen en subsidies van het Rijk, regionale overheden en de Europese Unie (EU) beter centraal kunnen worden ontsloten, bijvoorbeeld via één overzichtelijk platform, om versnippering tegen te gaan?
Zie antwoord vraag 4.
Op welke wijze wordt bij het ontwikkelen van regelingen en subsidies, en bij de communicatie daarover, rekening gehouden met de specifieke noden en behoeften van kleinere ondernemingen en wordt er ook gekeken of een maatregel inderdaad echt aanvullend is aan wat er al is?
Zoals in het antwoord op vragen 2 en 3 aangegeven is het doel van ondersteunende maatregelen om in te spelen op knelpunten van ondernemers waarbij er een maatschappelijke meerwaarde is om daar als overheid wat aan te doen. Daarbij streef ik naar de juiste balans tussen zo min mogelijk instrumentarium om het aantal regelingen en subsidies overzichtelijk te houden en gelijktijdig zo goed mogelijk in te spelen op de verschillende knelpunten van verschillende ondernemers. Als kleinere ondernemingen specifieke knelpunten hebben, dan wordt daar op ingespeeld, maar te veel maatwerk voor specifieke doelgroepen met vergelijkbare problematiek leidt tot versnippering, minder overzicht en hogere uitvoeringslasten. Qua communicatie wordt altijd een communicatiestrategie bepaald waarmee de doelgroep zo goed mogelijk bereikt wordt.
In hoeverre worden complexiteit en regeldruk voor aanvragers meegenomen in het ontwerp en de evaluatie van dergelijke regelingen?
Bij het ontwerpen van regelingen wordt scherp gekeken hoe deze zo eenvoudig mogelijk vormgegeven kunnen worden, zowel qua administratieve lasten voor ondernemers als qua uitvoeringslast voor de betreffende uitvoeringsorganisatie. Gelijktijdig moeten regelingen doeltreffend en doelmatig zijn, wat met zich meebrengt dat ik aan uw Kamer kan verantwoorden dat daarmee gemoeide middelen een goede en efficiënte besteding van belastinggeld zijn. Dat brengt enige verantwoordingslast voor ondernemers met zich mee, passend bij de omvang van subsidie die een ondernemer ontvangt. Hier zijn regels voor vastgelegd in het Uniform Subsidiekader.5
Onderdeel van evaluaties is onderzoek naar de doelmatigheid. Onderdeel daarvan is onderzoek naar in hoeverre de administratieve lasten en uitvoeringskosten van een regeling in verhouding staan tot de daarmee gemoeide beleidsmiddelen. Een negatief oordeel daarover is altijd aanleiding om de vormgeving van de regeling daarop aan te passen.
Hoe beoordeelt u het feit dat veel bedrijven zich genoodzaakt zien subsidieadviesbureaus in te huren bij het aanvragen van innovatiegelden?
Dat veel bedrijven gebruik maken van een subsidieadviesbureau is wat mij betreft niet per definitie negatief. De redenen waarom ondernemers een beroep doen op subsidieadviesbureaus of intermediairs is divers en bedrijven maken daarin hun eigen afweging. In de laatste evaluatie van de WBSO is onderzoek gedaan naar de beweegredenen om gebruik te maken van een intermediair. Daaruit blijkt dat andere redenen dan onbekendheid met de regelingen dominant zijn om gebruik te maken van een intermediair. Intermediairs hebben een belangrijke rol in het vergroten van het doelgroepbereik en kunnen ondernemers veel werk uit handen nemen. Dat neemt niet weg dat er bedrijven zijn die gebruik maken van subsidieadviesbureaus, omdat ze geen goed beeld hebben van de subsidiemogelijkheden. Om ondernemers daarbij te helpen lopen er dus verschillende acties zoals benoemd in het antwoord op vraag 4 en 5.
Uit de WBSO-evaluatie bleek dat 80 procent van de WBSO-aanvragers gebruik te maken van een intermediair, maar bij andere regelingen voor het innovatieve mkb zoals het Innovatiekrediet en de regeling Mkb-innovatiestimulering Topsectoren (MIT) wordt 15 à 30 procent van de aanvragen ingediend met behulp van een intermediair. Bij de overige aanvragen kunnen intermediairs soms ook een rol spelen, maar daar is geen zicht op omdat de ondernemer de aanvraag vervolgens wel zelfstandig indient.
Heeft u inzicht in de vraag welk aandeel van de subsidieaanvragen (bijvoorbeeld binnen de innovatie-instrumenten) tot stand komt met ondersteuning van subsidieadviesbureaus?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u op de hoogte van de hack bij ChipSoft, het bedrijf dat software voor patiëntendossiers en andere digitale systemen voor ziekenhuizen levert?1
Ja.
Kunt u toelichten wat de ernst is van de hack en hoeveel ziekenhuizen, huisartsenpraktijken en eventuele andere zorgverleners zijn geraakt door de hack?
Patiënten moeten erop kunnen vertrouwen dat hun gegevens veilig zijn. Chipsoft voert momenteel samen met een extern team van cybersecurity-experts forensisch onderzoek uit om de oorzaak, omvang en bron van het incident vast te stellen. ChipSoft levert software aan ongeveer 70% van de Nederlandse ziekenhuizen. Uit voorzorg zijn sinds 8 april 20:00 uur de verbindingen met patiëntportalen die door ChipSoft worden gehost, verbroken. Dit betreft Zorgportaal, HiX Mobile2 en het Zorgplatform. Deze zijn hierdoor tijdelijk niet beschikbaar geweest. Inmiddels is er sinds vrijdag 17 april weer sprake van het gefaseerd opstarten van functionaliteiten, nadat deze veilig zijn bevonden. Op donderdag 16 april heeft ChipSoft gecommuniceerd met de klanten die dat betrof dat er bij de hack ook gegevens zijn gestolen. Hierover heb ik de Kamer, mede namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, in een Kamerbrief op 21 april 2026 geïnformeerd3. ChipSoft heeft geen gedetailleerde inzage gegeven in welke klanten op welke wijze getroffen zijn. In de zojuist genoemde Kamerbrief heb ik ons inzicht met u gedeeld. De resultaten van het forensisch onderzoek, die van belang zijn voor de hersteloperatie bij zorginstellingen, zullen, zo heeft ChipSoft ons laten weten, zo snel mogelijk worden gecommuniceerd. In de tussentijd ondersteunt Z-CERT, als expertisecentrum cybersecurity in de zorg, en biedt hulp aan ChipSoft voor analyse, communicatie en incidentmanagement. Z-CERT informeert en adviseert haar deelnemers over deze situatie.
Wat zijn de gevolgen van de hack voor zorgverleners en hun patiënten, bijvoorbeeld doordat zorginstellingen hun systemen offline hebben moeten halen?
Navraag bij de betrokken zorginstellingen leert dat de zorgprocessen doorlopen en zorgverleners bij de gegevens van patiënten kunnen. Patiënten kunnen echter wel hinder ondervinden bij het online maken van afspraken, dit gaat nu telefonisch. Daarnaast kunnen patiënten momenteel niet zelf hun dossier inzien. Ook is er met name impact op de uitwisseling van gegevens. Tussen zorgverleners, zoals huisarts en ziekenhuizen, kunnen digitale verwijzingen niet goed plaatsvinden.
Ziekenhuizen zijn hier echter op dit soort incidenten voorbereid en zij hebben hiervoor noodprotocollen die ook in werking zijn getreden. Hierdoor kunnen veel zorgprocessen doorlopen, maar vaak met een noodzakelijke extra inzet van personeel.
Is bepaalde zorg uitgesteld vanwege de hack en zo ja, op welke schaal?
Nee, de zorgprocessen lopen door.
Is er gevoelige data, zoals patiëntgegevens, in handen gekomen van criminelen?
Patiënten moeten erop kunnen vertrouwen dat hun gegevens veilig zijn. Op donderdag 16 april heeft ChipSoft gecommuniceerd met haar klanten dat er bij de hack patiëntgegevens zijn gestolen. Welke exacte patiëntgegevens hierbij zijn buitgemaakt is nog in onderzoek. Ik heb de Kamer, mede namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, in een Kamerbrief op 21 april hierover geïnformeerd.4 Ik vind dit een zeer ernstige zaak. ChipSoft moet alles uit de kast halen en de volle verantwoordelijkheid nemen om snel en zorgvuldig te onderzoeken en duidelijkheid te creëren voor patiënten en zorgverleners, zodat mensen weten of hun data gestolen is en om welke data het gaat.
Hoe verklaart u de verschillende aanpak van ziekenhuizen na de hack, bijvoorbeeld in het wel of niet offline halen van systemen?
Ziekenhuizen die klant zijn bij ChipSoft hebben op advies van Z-CERT, het expertisecentrum cybersecurity in de zorg, preventieve maatregelen genomen en hebben monitoring op hun lopende systemen geïntensiveerd. De keuzes die gemaakt worden, zijn door de ziekenhuizen of organisaties zelf gemaakt op basis van eigen specifieke situatie en risico inschatting.
Verschilt de impact van de hack tussen ziekenhuizen die hun gegevens lokaal, hybride of juist in een cloudomgeving opslaan? Kunt u uitleggen welke keuze de meeste weerbaarheid biedt?
De gegevens van de zorgaanbieders die gebruikmaken van de cloudomgeving van ChipSoft zijn gestolen. Van instellingen die de software van ChipSoft in eigen beheer uitvoeren of door derden laten beheren, zijn geen gegevens gestolen. Hierover heb ik de Kamer, mede namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, in een Kamerbrief op 21 april geïnformeerd.5
Er valt niet in z’n algemeenheid te zeggen welke keuze de meeste weerbaarheid biedt. Dit hangt af van de lokale context van de zorgaanbieder en de risicoafweging die gedaan is en de beheersmaatregelen die daarbij genomen zijn.
Welke rol speelt de overheid in de afwikkeling van de hack?
Wat betreft de afwikkeling van de hack en opsporing en/of vervolging ligt de verantwoordelijkheid bij de politie en het Openbaar Ministerie (OM). Diverse toezichthouders doen onderzoek naar de hack. Vanuit onze stelselverantwoordelijkheid ondersteunen we de koepelorganisaties die in het Informatieberaad Zorg zitten met informatie over de digitale aanval en een woordvoeringslijn die zij kunnen gebruiken naar hun leden.
Ook worden bijvoorbeeld handelingsperspectieven uitgewisseld. VWS en organisaties die gesubsidieerd worden door VWS ondersteunen de getroffen zorginstellingen zoveel als mogelijk. Zo financiert de overheid Z-CERT, het expertise centrum cybersecurity in de zorg. Z-CERT, biedt hulp aan ChipSoft voor analyse, communicatie en incidentmanagement. Z-CERT informeert en adviseert haar deelnemers over deze situatie. Vanuit het ministerie volgen we de ontwikkelingen zeer nauw, adviseren we koepels en zorgaanbieders en duiden we de rollen en bevoegdheden, waar nodig.
Zijn er alternatieven voorhanden bij een hack als deze, bijvoorbeeld alternatieve software waar ziekenhuizen en andere zorgverleners op kunnen terugvallen?
Ziekenhuizen hebben draaiboeken en protocollen voor als systemen niet werken om te zorgen dat het zorgproces door kan blijven gaan. Dit volgt uit de verplichte risico analyse die zij moeten doen. Zo gaan bijvoorbeeld verwijzingen van huisartsen naar Chipsoft-ziekenhuizen niet meer digitaal, maar per mail of telefonisch. Zie ook het antwoord op vraag 3. Het is aan zorgverleners zelf om deze protocollen, gegeven de specifieke situatie van de betreffende zorgverlener, in te richten. De ingebruikname van een ander elektronisch patiëntendossier of andere alternatieve software is niet iets wat in enkele dagen of weken geregeld kan worden. Dit is technisch zeer complex en kent een lange doorlooptijd. Bovendien brengt het hoge kosten en andere risico’s met zich mee.
Welke eisen gelden er voor leveranciers van cruciale zorg-ICT?
Nederlandse zorgaanbieders zijn wettelijk verplicht om te voldoen aan de norm voor informatiebeveiliging in de zorg, de NEN 7510. De NEN 7510 geeft richtlijnen voor controlemaatregelen en stelt eisen aan het informatiebeveiligingssystemen. De norm vereist ook beheersmaatregelen voor bedrijfscontinuïteit en bereikbaarheid. Bij de inzet van ICT-producten die medische gegevens verwerken, eisen zorgaanbieders van de softwareleveranciers van deze ICT-producten dat ook zij voldoen aan de NEN 7510. Softwareleveranciers dienen dit aan te tonen met een certificaat.
In de nabije toekomst zullen aanvullende eisen voor cyberweerbaarheid worden gesteld in de NIS2-richtlijn die wordt omgezet in de Cyberbeveiligingswet en het Cyberbeveiligingsbesluit. De European Health Data Space-verordening (EHDS) draagt bij aan toegankelijkheid van de zorg-ICT-markt in Nederland en Europa en betere databeschikbaarheid. Deze verordening gaat de nieuwe eis stellen dat EPD-systemen aan de kaders rondom cyberveiligheid moeten gaan voldoen conform de Cyberweerbaarheidsverordening6.
Is de ketenweerbaarheid op het gebied van ICT in de zorg wat u betreft op orde, onder andere in de domeinen hosting, beheer, en koppelingen? Waarom wel of niet?
Zorgaanbieders zijn verantwoordelijk voor de afspraken die gemaakt worden met hun ICT-leveranciers. Uit deze verantwoordelijkheid volgt dat zij handelingsperspectieven moeten opstellen op basis van de individuele risicoafwegingen en passend bij de eigen context. In de NEN7510 is de verplichting opgenomen een risicobeoordeling uit te voeren en digitale afhankelijkheden in kaart te brengen. Daarnaast gaat de Cyberbeveiligingswet (Cbw) organisaties, waaronder zorgaanbieders, verplichten om hun leveranciersketen in kaart te brengen, en om aan de leveranciers in die keten informatiebeveiligingsnormen te stellen. De Cbw is voorzien medio 2026 in te gaan.
Deelt u de opvatting dat dit geen incident is, maar een symptoom van te grote afhankelijkheid van een paar dominante leveranciers in de zorg, waarbij een incident bij één leverancier meteen een nationale zorgvraag wordt?
Nee, ik deel die opvatting niet. Zorgaanbieders dienen afspraken te maken met zorg-ICT-leveranciers en hierbij risico’s af te wegen. Het is wel zo dat de omvang van een hack groter kan zijn wanneer een leverancier met een groot marktaandeel wordt getroffen waarbij ook nog eens patiëntgegevens zijn opgeslagen.
Deelt u de zorgen over de risico’s wanneer één dominante marktpartij de infrastructuur levert voor zorginstellingen of andere essentiële publieke voorzieningen?
Het is belangrijk dat er sprake is van een gezonde marktwerking op de zorg-ICT-markt. Op verzoek van de toenmalige Minister van VWS heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) in januari 2025 een rapport uitgebracht: «Sturing op kwaliteit en betaalbaarheid zorg-ICT». Daarin staat dat onder andere in de ziekenhuiszorg een paar grote leveranciers de markt domineren. Deze marktconcentratie zorgt voor minder concurrentie, wat de prijzen op kan drijven en innovatie kan vertragen. Ook is er een definitieve leidraad goedwerkende markten voor zorg-ICT van de ACM7 gepubliceerd. Het Ministerie van VWS maakt hieruit op dat het voor nieuwe innovatieve spelers moeilijk is voet aan de grond te krijgen, omdat zorginstellingen huiverig zijn om risico’s te nemen door met kleine of nieuwe partijen in zee te gaan. Bovendien wordt toetreding tot de Nederlandse markt van nieuwe buitenlandse leveranciers bemoeilijkt door de complexe, internationaal niet te vergelijken bekostigingssystematiek in onze zorgsector. Een te grote eenzijdige afhankelijkheid kan risico’s met zich brengen voor de continuïteit van zorg. Zorginstellingen zijn zelf verantwoordelijk om deze risico’s in kaart te brengen en keuzes te maken om invulling te geven aan overwegingen van digitale autonomie.
In de brief Voortgang agenda databeschikbaarheid van 20 januari 2026 is de stand van zaken over de zorg-ICT-markt uiteengezet. Om de risico’s te beperken, ga ik de komende tijd aan de slag om de bewustwording en kennis en expertise bij bestuurders over zorg-ICT te vergroten. Ook wordt samen met partijen onderzocht hoe het inkoopproces verbeterd kan worden. Daarnaast wordt er samen met overheidspartijen met een regulerende of toezichthoudende rol in het zorgveld een zogenoemde signaleringstafel opgezet. Daar kunnen signalen over zorg-ICT worden gedeeld en kan vanuit bestaand instrumentarium bekeken worden of en zo ja welke (gezamenlijke) interventie gewenst is. Naast de hierboven genoemde acties zet ik in op de European Health Data Space (EHDS) om de markt toegankelijker te maken voor EPD-leveranciers. Om dat te bereiken worden er op Europees niveau harmoniserende regels gesteld aan interoperabiliteit tussen de EPD-systemen en aan een verplicht loggingsmechanisme voor gebruik van gegevens door zorgverleners. Ook wordt gekeken hoe het toezicht versterkt kan worden op zorg-ICT.
Zijn er maatregelen die u neemt om dergelijke marktdominantie tegen te gaan, bijvoorbeeld door afspraken te maken over het inkoop- en aanbestedingsbeleid in de zorgsector? Waarom wel of niet?
In de eerste plaats zijn zorgaanbieders zelf verantwoordelijk voor de inkoop, aanbesteding en contractering van zorg-ICT. Wel blijkt uit het NZa rapport «Sturing op kwaliteit en betaalbaarheid zorg-ICT» januari 2025 dat de bewustwording en kennis en expertise bij bestuurders over zorg-ICT vergroot kan worden. Daarom wordt samen met partijen onderzocht hoe het inkoopproces verbeterd kan worden, bijvoorbeeld door de inzet van externe expertise om gezamenlijke inkoop van een kernapplicatie te laten slagen. Dit zorgt voor schaalvoordelen en vergroot de kans op samenwerking. Over dit soort onderwerpen heeft mijn ministerie ook regelmatig overleg met de ICT-gebruikersverenigingen van de ziekenhuizen.
Hoe zorgt u voor voldoende diversificatie tussen ICT-leveranciers bij zorginstellingen? Is het uw verantwoordelijkheid om monopolievorming in de zorg-ICT tegen te gaan?
De Autoriteit Consument en Markt (ACM) houdt toezicht op eerlijke concurrentie en marktwerking, zo ook op de zorg-ICT markt. In eerste instantie is zij de toezichthouder op basis van de Mededingingswet die toezicht houdt op de markt en ook concentraties (fusies/overnames) beoordeelt. Zij heeft in haar brief op 28 januari 20258 aangegeven dat de zorg-ict markt niet goed werkt omdat ICT-systemen gesloten zijn. De ACM geeft aan dat zij op dit moment onvoldoende instrumenten heeft om eerlijke concurrentie en marktwerking structureel af te dwingen en adviseert het Ministerie van VWS om openheid van digitale informatiesystemen via wetgeving te verplichten.
Ik vind het belangrijk dat de zorg-ICT-markt toegankelijk is, zodat concurrentie en innovatie worden gestimuleerd. Met de EHDS wordt ook ingezet op een zo open mogelijke markt voor onder andere EPD-leveranciers. Ik onderzoek de mogelijkheden om als randvoorwaardelijk onderdeel van de EHDS, te komen tot additionele regulerende instrumenten.
Is het wenselijk dat zorginstellingen individueel ICT-diensten inkopen en hierover onderhandelen? Welke voor- en nadelen ziet u bij een meer gezamenlijke vorm van inkoop?
In de eerste plaats zijn zorgaanbieders zelf verantwoordelijk voor de inkoop, aanbesteding en contractering. Gezamenlijke inkoop kan schaalvoordelen opleveren, vergroot de kans op samenwerking en versterkt de positie van de zorgaanbieders. Een nadeel kan zijn dat er minder maatwerk wordt geleverd.
Wat is de status van de uitvoering van de motie-Bushoff/Bevers om bij de evaluatie van de Wet vifo te bezien of bij fusies en overnames vanuit het buitenland van digitale zorginfrastructuur vergelijkbare voorwaarden gesteld kunnen worden als bij andere cruciale sectoren, zoals de chip-, energie- en telecomsector?2
Sinds juni 2023 is de Wet Veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames (vifo) van kracht. De Wet vifo introduceerde een mechanisme voor investeringstoetsing in Nederland. Recent is de wet, conform de toezegging aan de Tweede Kamer, geëvalueerd.
Tevens is in december 2025 de herziene Foreign Direct Investment (FDI)-screeningsverordening vastgesteld. Met de wijziging van de Verordening worden de reikwijdte en procedures van de nationale investeringstoetsingsregimes in de Europese Unie gestroomlijnd om economische veiligheidsrisico’s van investeringen op een meer coherente manier aan te pakken. Nadat de herziene FDI verordening formeel is vastgesteld, start de termijn voor omzetting van de Verordening in nationale wetgeving. In Nederland wordt deze Verordening geïmplementeerd in de Wet vifo. Ik koers aan op een verwijzing in de wet vifo naar de (terminologie van de) Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (Wwke). Hiermee zullen kritieke entiteiten in de zorg in het geval van vijandige investeringen, fusies of overnames kunnen worden getoetst.
Deelt u de zorgen van de Autoriteit Consument & Markt (ACM) over gesloten datastandaarden bij ICT-aanbieders in de zorg, aangezien systemen daardoor niet goed met elkaar communiceren en zorgaanbieders minder keuze hebben in hun leveranciers, met monopolievorming tot gevolg?
Ja ik deel deze zorgen. Het niet gebruiken van open standaarden en de geslotenheid van ICT-systemen bevordert niet de door de Nationale, Visie en Strategie10 gewenste interoperabiliteit op weg naar databeschikbaarheid. Om dat te veranderen zal een mix van Europese verplichtingen en nationale keuzes nodig zijn. Met de European Health Data Space (EHDS) verordening wordt ingezet op een zo open mogelijke markt voor EPD-leveranciers. Om dat te bereiken worden er op Europees niveau harmoniserende regels gesteld aan interoperabiliteit tussen de EPD-systemen. Vanuit de NVS-ambitie stuur ik op openstelling van systemen via open gestandaardiseerde koppelvlakken: publiek beschikbare koppelvlakken,
zodat data veilig, herbruikbaar en leverancier-onafhankelijk kan stromen door het hele stelsel. De specificaties van deze open koppelvlakken zijn een publieke verantwoordelijkheid. Zo nodig zal ik deze koppelvlakken ook als open source laten ontwikkelen en beschikbaar stellen aan marktpartijen.
Wat is de status van de uitvoering van de motie-Bushoff/Kathmann over een routekaart waarlangs ICT-leveranciers in de zorg de komende jaren verplicht worden gebruik te maken van open datastandaarden?3
In mijn brief «stand van zaken landelijk dekkend netwerk» die ik voor het commissiedebat digitale zorg (gepland op 21 mei) naar uw Kamer zal sturen, zal ik dieper ingaan op dit vraagstuk.
Welke structurele problemen in de zorg-ICT legt deze hack bloot? Wie is er aan zet om deze op te lossen?
Het onderzoek naar deze hack is nog in volle gang. Het is daarmee te vroeg om een verband te leggen tussen deze hack en structurele problemen in de zorg-ICT.
Welke maatregelen neemt u om de cyberveiligheid en weerbaarheid van zorginstellingen structureel te vergroten?
In het versterken van de cyberweerbaarheid van de zorg neem ik een kader stellende, toezichthoudende, stimulerende en faciliterende rol in. In de brief over informatieveiligheid in de zorg van 4 december 2025 heeft mijn voorganger uw Kamer geïnformeerd over de maatregelen die mijn ministerie neemt12. Ik ondersteun zorginstellingen bij het voorkomen van incidenten door het verhogen van bewustzijn van zorgmedewerkers in het programma Informatieveilig gedrag in de zorg. Een groot deel van cyberincidenten zijn mede veroorzaakt door menselijk handelen. Daarnaast bied ik hulpmiddelen aan om te voldoen aan de NEN7510, de norm voor informatiebeveiliging in de zorg. Deze norm schrijft organisatorische, mensgerichte, fysieke en technologische beheersmaatregelen voor die de digitale weerbaarheid van een organisatie concreet verhogen. Dit met het doel om dreigingen te voorkomen, detecteren of erop te reageren. Tot slot helpt het expertisecentrum cybersecurity in de zorg (Z-CERT) zorginstellingen in het voorkomen van incidenten door te monitoren en eventuele dreigingsinformatie te delen. Daarnaast biedt Z-CERT ondersteuning bij het beperken van de gevolgen wanneer er onverhoopt een incident heeft plaatsgevonden.
Wat wordt de rol van de Cyberbeveiligingswet, zodra deze is aangenomen, om dergelijke hacks te voorkomen en sneller af te wikkelen? Wat gaat er concreet veranderen in een casus zoals deze?
Voor alle zorgaanbieders is de NEN 7510, de norm voor informatiebeveiliging in de zorg, nu al wettelijk verplicht. De Cyberbeveiligingswet (Cbw) gaat bredere eisen stellen aan netwerk- en informatiebeveiliging voor diverse sectoren waaronder de sector zorg. Zodra de Cbw van kracht is (voorzien medio 2026), hebben organisaties die onder de wet vallen een meldplicht. Dit houdt in dat een significante cyberincident13 binnen 24 uur wordt gemeld bij het portaal van het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC). Het NSCS werkt nauw samen met Z-CERT, het expertisecentrum op het gebied van het cybersecurity in de zorg. Deze meldplicht zorgt ervoor dat alle significante meldingen worden gemonitord en er tijdig wordt gewaarschuwd tegen cyberdreigingen. Daarnaast stelt de Cbw een zorgplicht voor organisaties verplicht. Dit houdt in dat organisaties vallend onder Cbw maatregelen moeten nemen om hun netwerk- en informatiesystemen te beschermen tegen significante incidenten. De Cbw zal cyberincidenten niet voorkomen, maar de cyberweerbaarheid in Nederland en daarmee ook in de sector zorg wordt verhoogd doordat significante cyberincidenten worden gemonitord en vervolgens snel wordt gehandeld om de beveiliging van informatiesystemen en bedrijfscontinuïteit te waarborgen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en nog vóór het commissiedebat over digitale ontwikkelingen in de zorg van 21 mei 2026 beantwoorden?
Ja.
Bent u het ermee eens dat het onacceptabel is als een gokbedrijf dat in het verleden zonder vergunning actief was op de Nederlandse markt, via de vergunning van een ander gokbedrijf of andere listige constructies, opnieuw toegang krijgt tot de Nederlandse markt?
Ja. Ik vind het onacceptabel als via constructies wordt beoogd de wettelijke eisen voor toegang tot de Nederlandse kansspelmarkt te omzeilen. Dit klemt temeer nu bij de totstandkoming van de Wet kansspelen op afstand ruimte is gelaten voor aanbieders die vóór de regulering zonder vergunning kansspelen op afstand hebben aangeboden om alsnog een vergunning te verkrijgen. Mede naar aanleiding van de motie-Postema is daarbij als uitgangspunt gehanteerd dat een aanvrager en andere relevante (rechts)personen zich gedurende twee jaar en negen maanden voorafgaand aan de aanvraag en tijdens de behandeling daarvan moesten hebben onthouden van onvergund online kansspelaanbod dat actief op Nederland was gericht.1
Klopt het dat deze praktijken voorkomen in Nederland, bijvoorbeeld in het geval van 888 dat sinds juli 2025 actief is onder een vergunning van Godwits LTD?
Het is aan de Kansspelautoriteit (Ksa) als onafhankelijk toezichthouder en zelfstandig bestuursorgaan om vergunningsaanvragen te beoordelen, vergunningen te verlenen, toezicht te houden op de naleving en zo nodig handhavend op te treden. De Ksa heeft aangegeven over voldoende instrumentarium te beschikken om op te kunnen treden. In dat kader is het ook aan de Ksa om na te gaan en te beoordelen of een vergunninghouder als betrouwbaar kan worden aangemerkt. Ik doe daarom geen uitspraken over individuele gevallen.
In hoeverre wegen overtredingen van de relevante wet- en regelgeving, zoals het aanbieden van gokproducten zonder vergunning (voorafgaand aan de legalisatie) mee bij de beoordeling van een vergunningsaanvraag van een gokbedrijf? Kunt u hierbij ook ingaan op de betrouwbaarheidstoets zoals die wordt toegepast bij vergunningverlening onder de Wet kansspelen op afstand?
Overtredingen van relevante wet- en regelgeving wegen zwaar mee bij de beoordeling van een vergunningsaanvraag. Op grond van artikel 31i van de Wet op de kansspelen moet de betrouwbaarheid van de aanvrager, de betrokken beleidsbepalers en de uiteindelijk belanghebbenden buiten twijfel staan. Daarbij betrekt de Ksa antecedenten, waaronder overtredingen van Nederlandse en buitenlandse kansspelregelgeving. Betrokkenheid bij illegaal online kansspelaanbod weegt daarbij zwaar. Zoals ik heb aangegeven in mijn antwoord op vraag 1 heeft mede naar aanleiding van de motie-Postema de Ksa beleidsregels vastgesteld op grond waarvan een aanvrager en andere relevante (rechts)personen zich gedurende twee jaar en negen maanden voorafgaand aan de aanvraag en tijdens de behandeling daarvan moesten hebben onthouden van op Nederland gericht onvergund aanbod.2 Het niet voldoen aan die criteria heeft er meerdere keren toe geleid dat een vergunning niet werd verleend.
Welke maatregelen bent u bereid te treffen om ervoor te zorgen dat dergelijke bedrijven, al dan niet via listige constructies, niet langer toegang hebben tot de Nederlandse gokmarkt?
Op dit moment zie ik geen aanleiding voor specifieke aanvullende maatregelen op het gebied van de toetsing van de betrouwbaarheid van bedrijven die een vergunning hebben aangevraagd. Voor het aanbieden van kansspelen op afstand geldt al een streng stelsel van integriteits- en betrouwbaarheidseisen. De Ksa beoordeelt vergunningaanvragen, relevante wijzigingen en signalen die aanleiding geven tot nader onderzoek. Bij twijfel kan zij binnen het bestaande instrumentarium optreden en een vergunninghouder nadere verplichtingen opleggen, boetes opleggen of zelfs overgaan tot het intrekken van een vergunning. Het is aan de Ksa om die instrumenten in concrete gevallen toe te passen.
Kunt u hierbij ook ingaan op de rol van de Kansspelautoriteit?
Zie antwoord vraag 4.
De hack bij ChipSoft dat software levert voor Nederlandse zorginstellingen |
|
Marc Vervuurt (D66), Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Aerdts , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de cyberaanval op ChipSoft, leverancier van elektronische patiëntendossiers voor een groot deel van de Nederlandse zorginstellingen?1
Ja.
Kunt u een actueel beeld geven van de aard, omvang en impact van deze aanval, en welke patiënten hierdoor zijn geraakt?
Het Ministerie van VWS onderhoudt geen klantrelatie met Chipsoft en is daarmee geen onderdeel van de informatievoorziening van Chipsoft naar zijn klanten. Uit informele contacten heb ik begrepen dat Chipsoft momenteel samen met een extern team van cybersecurity-experts forensisch onderzoek uitvoert om de oorzaak, omvang en bron van het incident vast te stellen. Naar ik begrepen heb zijn uit voorzorg de verbindingen sinds 8 april 20:00 uur met patiëntportalen die door ChipSoft worden gehost, verbroken. Dit betreft Zorgportaal, HiX Mobile2 en het Zorgplatform. Deze zijn hierdoor tijdelijk niet beschikbaar. Op donderdag 16 april heeft ChipSoft gecommuniceerd met haar klanten dat er bij de hack ook gegevens zijn gestolen. Hierover heb ik de Kamer, mede namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, in een Kamerbrief op 21 april 2026 geïnformeerd. De resultaten van het forensisch onderzoek, die van belang zijn voor de hersteloperatie bij zorginstellingen, zullen, zo heeft ChipSoft ons doen laten weten, zo snel mogelijk worden gecommuniceerd. In de tussentijd ondersteunt Z-CERT, als expertisecentrum cybersecurity in de zorg, en biedt hulp aan ChipSoft voor analyse, communicatie en incidentmanagement. Z-CERT informeert en adviseert haar deelnemers over deze situatie.
In hoeverre heeft deze aanval gevolgen (gehad) voor de continuïteit van zorg, bijvoorbeeld door verminderde toegang tot patiëntgegevens, vertragingen in zorgverlening of het moeten overschakelen op noodprocedures?
Ik heb van de betrokken zorginstellingen begrepen dat de zorgprocessen doorlopen en zorgverleners bij de gegevens van patiënten kunnen. Patiënten kunnen echter wel hinder ondervinden bij het online maken van afspraken, dit gaat nu telefonisch. Daarnaast kunnen patiënten momenteel niet zelf hun dossier inzien Ook is er met name impact op de uitwisseling van gegevens. Tussen zorgverleners, zoals huisarts en ziekenhuizen, kunnen verwijzingen niet goed plaatsvinden. Echter, ziekenhuizen zijn voorbereid op dit soort incidenten en zij hebben hiervoor noodprotocollen die ook in werking zijn getreden. Hierdoor kunnen veel zorgprocessen doorlopen, maar vaak met een noodzakelijke extra inzet van personeel. Deze situatie kan daarmee maar voor een beperkte periode bestaan. Inmiddels zo begreep ik is er sinds vrijdag 17 april weer sprake van het opstarten van functionaliteiten, nadat deze veilig zijn bevonden.
Zijn er aanwijzingen dat patiëntgegevens zijn ingezien, buitgemaakt of anderszins gecompromitteerd? Hoe wordt dit onderzocht en wanneer verwacht u hierover duidelijkheid te kunnen geven?
Op donderdag 16 april heeft ChipSoft gecommuniceerd met haar klanten dat er bij de hack patiëntgegevens zijn gestolen. Hierover heb ik de Kamer, mede namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, in een Kamerbrief op 21 april geïnformeerd. Ik vind dit een zeer ernstige zaak. ChipSoft moet alles uit de kast halen en de volle verantwoordelijkheid nemen om snel en zorgvuldig te onderzoeken en duidelijkheid te creëren voor patiënten en zorgverleners, zodat mensen weten of hun data gestolen is en om welke data het gaat.
Hoe beoordeelt u de sterke afhankelijkheid van een beperkt aantal commerciële leveranciers voor cruciale zorg-IT, en hoe worden de risico’s daarvan beperkt?
Op verzoek van de toenmalige Minister van VWS heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) in januari 2025 een rapport uitgebracht: «Sturing op kwaliteit en betaalbaarheid zorg-ICT». Daarin staat dat onder andere in de ziekenhuiszorg een paar grote leveranciers de markt domineren. Deze concentratie van marktmacht zorgt ervoor dat er minder concurrentie is, wat de prijzen op kan drijven en innovatie kan vertragen. Ook in de Definitieve leidraad goedwerkende markten voor zorg-ICT van de ACM3 staat dat het voor nieuwe, innovatieve spelers moeilijk is om voet aan de grond te krijgen, omdat zorginstellingen huiverig zijn om risico's te nemen door met kleine of nieuwe partijen in zee te gaan. Bovendien wordt toetreding tot de Nederlandse markt van nieuwe buitenlandse leveranciers bemoeilijkt door de complexe, internationaal niet te vergelijken bekostigingssystematiek in de zorgsector. Een te grote eenzijdige afhankelijkheid kan risico’s met zich brengen voor de continuïteit van zorg. Zorginstellingen zijn zelf verantwoordelijk om deze risico’s in kaart te brengen en keuzes te maken om invulling te geven aan hun digitale autonomie.
Ik ben echter ook van mening dat de ontwikkeling naar een European Health Data Space (EHDS) bij kan dragen om de markt toegankelijker te maken voor EPD-leveranciers. Om dat te bereiken worden er bijvoorbeeld op Europees niveau harmoniserende regels gesteld aan interoperabiliteit tussen de EPD-systemen en het verplicht maken van een loggingsmechanisme voor gebruik van gegevens door zorgverleners. Ook wordt gekeken hoe het toezicht versterkt kan worden. In de brief Voortgang agenda databeschikbaarheid van 20 januari 20264 is de stand van zaken over de zorg-ICT-markt uiteengezet. Om de risico’s te beperken ga ik de komende tijd aan de slag om te bezien hoe de bewustwording en kennis en expertise bij bestuurders over zorg-ICT vergroot kan worden. Daarnaast wordt samen met partijen onderzocht hoe het inkoopproces verbeterd kan worden en zal er samen met overheidspartijen met een regulerende of toezichthoudende rol in het zorgveld een zogenoemde signaleringstafel worden opgezet waar signalen aangaande zorg-IT kunnen worden gedeeld en vanuit bestaand instrumentarium kan worden bekeken of en zo ja welke (gezamenlijke) interventie gewenst is.
Welke eisen worden momenteel gesteld aan leveranciers van zorg-IT op het gebied van cybersecurity, weerbaarheid en continuïteit, en in hoeverre zijn deze eisen voldoende gezien de kritieke rol van deze partijen voor ons zorgsysteem?
Nederlandse zorgaanbieders zijn momenteel wettelijk verplicht om te voldoen aan de norm voor informatiebeveiliging in de zorg, de NEN 7510. De NEN 7510 geeft richtlijnen voor controlemaatregelen en stelt eisen aan het informatiebeveiligingssystemen. De norm vereist ook beheersmaatregelen voor bedrijfscontinuïteit en bereikbaarheid. Bij de inzet van ICT-producten die medische gegevens verwerken, eisen zorgaanbieders van de softwareleveranciers van deze ICT-producten dat ook zij voldoen aan de NEN 7510. Softwareleveranciers dienen dit aan te tonen met een certificaat. Daarnaast zullen aanvullende eisen voor cyberweerbaarheid worden gesteld in de NIS2 richtlijn die wordt omgezet in de Cyberbeveiligingswet en het Cyberbeveiligingsbesluit. Ik ga hier verder op in bij vraag 8. De EHDS draagt bij aan toegankelijkheid van de zorg-ICT-markt in Nederland en Europa en betere databeschikbaarheid. Deze verordening gaat de nieuwe eis stellen dat EPD-systemen aan de kaders rondom cyberveiligheid moeten gaan voldoen conform de Cyberweerbaarheidsverordening5.
In hoeverre zijn zorginstellingen verplicht of gestimuleerd om scenario’s uit te werken voor uitval van essentiële IT-systemen, en hoe wordt geborgd dat zorgverlening doorgang kan vinden bij langdurige verstoringen?
Het doen van een risicoanalyse is onderdeel van de norm voor informatieveiligheid in de zorg (NEN7510). Aan deze norm dienen zorgaanbieders aantoonbaar te voldoen. Bij het werken volgens de norm hoort ook het nemen van maatregelen om uitval (door bijvoorbeeld een cyberincident) te voorkomen en de impact te beperken. Een belangrijk onderdeel van de norm is bovendien dat er plannen worden gemaakt voor bedrijfscontinuïteit bij onverwachte verstoringen of uitval en dat deze periodiek getest, geëvalueerd en verbeterd worden.
Hoe wordt binnen het beleid rond de implementatie van de NIS2-richtlijn specifiek rekening gehouden met de afhankelijkheid van de zorgsector van externe IT-leveranciers?
De NIS2 richtlijn wordt omgezet in de Cyberbeveiligingswet en het Cyberbeveiligingsbesluit. In de Cyberbeveiligingswet is in artikel 10 opgenomen dat de organisaties die onder deze wet vallen verplicht zijn om beleid vast te stellen over de beveiliging van de toeleveringsketen. Dit betekent dat de zorgaanbieders die onder de reikwijdte vallen niet alleen hun eigen netwerk- en informatiesystemen op orde hebben, maar ook die van hun rechtstreekse leveranciers periodiek toetsen. Daarnaast zullen IT-leveranciers ook rechtstreeks onder de reikwijdte van de wet vallen, onder de sector digitale infrastructuur.
Ziet u aanleiding om aanvullende eisen te stellen aan leveranciers van kritieke zorg-IT, bijvoorbeeld op het gebied van redundantie, interoperabiliteit of exit-strategieën, zodat zorginstellingen minder kwetsbaar zijn bij uitval of incidenten?
Zorgaanbieders zijn verantwoordelijk voor de afspraken die gemaakt worden met hun ICT-leveranciers. Uit deze verantwoordelijkheid volgt dat zij handelingsperspectieven moeten opstellen op basis van de individuele risicoafwegingen en passend bij de eigen context. In de NEN7510 is de verplichting opgenomen een risicobeoordeling uit te voeren en digitale afhankelijkheden in kaart te brengen. Daarnaast verplicht de Cyberbeveiligingswet (Cbw) organisaties, waaronder zorgaanbieders, om hun leveranciersketen in kaart te brengen en om aan de leveranciers in die keten informatiebeveiligingsnormen te stellen.
In hoeverre wordt gewerkt aan het verminderen van single points of failure in de digitale infrastructuur van de zorg, en welke concrete stappen worden gezet om diversificatie en alternatieven te stimuleren?
Er wordt vanuit verschillende projecten en programma’s gewerkt aan het realiseren van een duurzaam en veilig gezondheidsinformatiestelsel. Bij de totstandkoming van dit stelsel is het uitgangspunt dat er sprake is van een federatief stelsel waarbij data aan de bron blijft. Voor vertrouwen in het gebruik van gezondheidsgegevens zijn enkele (centrale) vertrouwenscomponenten noodzakelijk. Om te waarborgen dat deze voorzieningen geen centrale point-of-failure worden, is bij de realisatie van de techniek rekening gehouden met de mogelijkheden om de data te kunnen repliceren zonder dat daarmee de betrouwbaarheid van data in het geding komt. Zo wordt het Landelijk Register Zorgaanbieders (LRZa) ingericht om adresseerbare punten per zorgaanbieder op te kunnen vragen zodat de decentrale punten direct met elkaar kunnen uitwisselen. Om te voorkomen dat dit een single-point-of-failure wordt, is er synchronisatie van gegevens mogelijk zodat de adresseerbare punten periodiek kunnen worden geharmoniseerd zonder dat dit de betrouwbaarheid van de gegevens in het geding brengt.
Zoals beschreven bij vraag 5 worden er bij de European Health Data Space- verordening regels opgelegd aan leveranciers om de EPD-markt beter te laten functioneren en concurrentie en innovatie te bevorderden. Daarmee wordt het voor nieuwe toetreders aantrekkelijker om toe te treden tot de Nederlandse markt. Ook wordt ingezet op een betere vraagbundeling en vraagarticulatie en het verbeteren van het inkoopproces.
Welke andere lessen trekt u uit dit incident voor de bredere digitalisering van de zorg, met name op het gebied van digitale autonomie, en hoe worden deze lessen vertaald naar concreet beleid?
Digitale veiligheid is nooit voor honderd procent te garanderen en dit soort aanvallen zijn nooit helemaal te voorkomen. Wat we wel gezamenlijk kunnen doen, is de risico’s zoveel mogelijk beperken en ervoor zorgen dat eventueel misbruik snel wordt gesignaleerd en doeltreffend wordt aangepakt. Ik vind het belangrijk dat zorgaanbieders regie nemen over hun digitale autonomie. Bij digitale autonomie hoort een inzicht én keuzes jegens kwetsbaarheden in veiligheid, maar ook in eenzijdige afhankelijkheden van dominante marktpartijen. Dit vraagstuk is niet specifiek voor de zorg. Hier kan de zorg dus inspiratie putten uit stappen die in andere sectoren gezet worden. Zonder in contractuele verplichtingen te willen treden, zie ik het als mijn taak de zorgsector in deze bredere maatschappelijke beweging mee te krijgen.
Kunt u de Kamer op korte termijn informeren over de uitkomsten van het onderzoek naar deze aanval, inclusief de implicaties voor het beleid rondom digitale weerbaarheid in de zorg?
In eerste instantie is ChipSoft zelf verantwoordelijk om te communiceren over de bevindingen van het forensisch onderzoek dat zij momenteel, in samenwerking met cybersecurity-experts, laten uitvoeren. Ik volg de zaak uiteraard nauwlettend. Mocht de rapportage van ChipSoft aanleiding zijn voor mij om vanuit mijn systeemverantwoordelijkheid aanvullende acties te ondernemen dan zal ik uw Kamer hierover informeren.
Het bericht 'Nederlands grootste pensioenfonds stapt uit techbedrijf dat zaken doet met ICE' |
|
Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Aerdts |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het besluit van het grootste Nederlandse pensioenfonds (ABP) om zich terug te trekken uit Palantir vanwege zorgen over mensenrechten en ethisch verantwoord investeren?1
Een pensioenfondsbestuur is verantwoordelijk voor het beleggingsbeleid bij een pensioenfonds en ik geef daar geen oordeel over. Voor beleggingen zijn pensioenfondsen gehouden aan de prudent person regel. Deze regel stelt dat het vermogen in het belang van de deelnemers en pensioengerechtigden moet worden belegd. ABP weegt daarin tal van aspecten af, waaronder rendement, risico, kosten, ethische aspecten, mensenrechten en duurzaamheid. Deze afwegingen en de uiteindelijke investeringsbeslissingen die daaruit volgen zijn aan het ABP-bestuur.
Deelt u de zorg dat afhankelijkheid van buitenlandse technologiebedrijven zoals Palantir de digitale soevereiniteit van Nederland kan ondermijnen? Zo nee, waarom niet?
Het voorkomen en waar nodig mitigeren van risicovolle strategische afhankelijkheden in digitale technologie is een prioriteit van het kabinet. Daarbij wordt gekeken naar alle lagen van de digitale stack. Versterking van onze positie op AI heeft een centrale plek in verschillende beleidskaders, zoals de Agenda Digitale Open Strategische Autonomie en de Nationale Technologiestrategie. Hiertoe neemt het kabinet stimulerende maatregelen (promote), beschermende maatregelen (protect) en maatregelen tot het verdiepen van internationale samenwerking (partnership).
Kunt u uiteenzetten waar binnen de overheid de diensten en producten van Palantir worden gebruikt en waarvoor deze worden ingezet? Zo nee, waarom niet?
In antwoord op diverse Kamervragen van het lid Van Houwelingen (FvD),2, evenals van de leden Van Vroonhoven en Six Dijkstra,3 is aangegeven dat op dit moment alleen de politie en Defensie gebruik maken van Palantir.
De politie gebruikt de software van Palantir enkel binnen de zogenaamde «Raffinaderij». «De Raffinaderij» is een analyseomgeving waar Palantir onderdeel van uitmaakt. Deze wordt alleen aangewend voor de bestrijding van zware en georganiseerde criminaliteit en het voorkomen van aanslagen.
Binnen de Nederlandse krijgsmacht wordt gebruik gemaakt van de Palantir-software in het kader van interoperabiliteit tussen NAVO-partners ter ondersteuning van het militaire optreden.
Hoe beoordeelt u het gebruikmaken door Nederlandse (semi-)overheidsorganisaties van technologie van bedrijven zoals Palantir, waarover ernstige zorgen bestaan over betrokkenheid bij mensenrechtenschendingen? En op welke gronden wordt dit beoordeeld?
Het kabinet zal zich immer inzetten voor de bescherming van mensenrechten en de democratische rechtstaat, ook bij de inzet van technologie zoals AI. Daarbij heeft het kabinet ook aandacht voor de mogelijk discriminerende aspecten van technologie, en het beschermen van de democratie.
Welke ethische kaders hanteert het kabinet bij de inkoop en inzet van data-analyse- en AI-systemen van commerciële partijen zoals Palantir, en hoe worden deze kaders in de praktijk toegepast en gehandhaafd?
Vanuit de Nederlandse Digitaliseringsstrategie (NDS) werk ik aan een AI-inkoopaanpak. Hierin worden de inzichten uit de ethische kaders omtrent algoritmen en AI vanuit de overheid gebundeld, zoals het Algoritmekader en de leidraad van de Community of Practice Digitale Innovaties vanuit het Expertisecentrum Aanbesteden PIANOo. Daarin wordt bijvoorbeeld aangespoord een Fundamental Rights Impact Assessment (FRIA) uit te voeren, wat volgens de AI-verordening verplicht wordt bij hoog-risico AI-systemen. Een mogelijke invulling van zo’n FRIA is het Impact Assessment Mensenrechten en Algoritmes (IAMA). De uitkomsten van een IAMA kan leiden tot het treffen van maatregelen om mensenrechten te beschermen door de opdrachtgever of opdrachtnemer. In het Commissiedebat Digitaliserende overheid van 29 januari 2026 heeft de toenmalige Staatssecretaris van Koninkrijksrelaties en Digitale Zaken toegezegd dat deze AI-inkoopaanpak in 2026 met uw Kamer zal worden gedeeld.
Welke concrete waarborgen, zoals toezicht, impact assessments en transparantiemechanismen, worden ingezet om te voorkomen dat het gebruik van dergelijke technologie leidt tot discriminatie, profilering of schending van privacyrechten?
Voorafgaand aan een voorgenomen gegevensverwerking, al dan niet door een leverancier van diensten, wordt een data protection impact assessment (DPIA) uitgevoerd om de risico’s voor de rechten en vrijheden van betrokkenen in kaart te brengen. Beoordeeld wordt welke (aanvullende) maatregelen getroffen moeten worden om eventuele risico’s voor de bescherming van persoonsgegevens en de rechten en vrijheden van betrokkenen zoveel mogelijk te mitigeren. In geval van doorgifte van persoonsgegevens aan landen buiten de EER wordt een data transfer impact assessment (DTIA) uitgevoerd, om te beoordelen of het betreffende land of internationale organisatie een passend beschermingsniveau waarborgt. Zoals eerder gemeld, wordt de FRIA volgens de AI-verordening verplicht bij hoog-risico AI-systemen. Een mogelijke invulling van zo’n FRIA is het IAMA. Wat de verantwoorde en transparante inzet van algoritmen en AI binnen de overheid betreft, wordt daarnaast ook ingezet op instrumenten als het Algoritmeregister en het Algoritmekader. In mijn brief aan de Kamer van 20 april heb ik u tevens geïnformeerd over de wijze waarop het kabinet voornemens is het toezicht op de naleving van de Europese AI-verordening vorm te geven.4
Bij een verwerking van persoonsgegevens door een leverancier worden met deze leverancier afspraken gemaakt over de naleving van de mitigerende maatregelen. Deze maatregelen gelden voor de gehele toeleveranciersketen. De verwerkingsverantwoordelijke kan bij de leverancier informatie opvragen over de naleving van de betreffende maatregelen. Het uitvoeren van dergelijke assessments is een verantwoordelijkheid van de verwerkingsverantwoordelijke.
Bent u bereid om aanvullende richtlijnen of toetsingskaders te ontwikkelen voor samenwerking met technologiebedrijven die actief zijn in veiligheids- en surveillancedomeinen, die de digitale soevereiniteit ten goede komen? Zo nee, waarom niet?
In de NDS wordt onder de versneller versterking digitale weerbaarheid en digitale autonomie tevens gewerkt aan kaders die de digitale autonomie ten goede komen. Deze kaders worden sectorneutraal opgesteld, waardoor deze kaders naast het veiligheids- en surveillancedomein, ook in andere situaties gebruikt kunnen worden.
Bent u bereid om, in navolging van het besluit van ABP, voortaan expliciet en vooraf te toetsen of samenwerkingen met technologiebedrijven zoals Palantir verenigbaar zijn met Nederlandse en Europese normen, en deze toets openbaar te maken? Zo nee, waarom niet?
Zoals uit de voorgaande antwoorden ook blijkt zijn er diverse instrumenten, of worden deze op dit moment ontwikkeld, waarmee getoetst wordt of, op welke wijze en met welke eventuele aanvullende maatregelen bepaalde diensten verenigbaar zijn met Nederlandse en Europese normen. Het openbaar maken van dergelijke toetsen is aan de opdrachtgevende organisatie zelf, maar is niet wettelijk verplicht. Er kunnen moverende redenen zijn om dit ook niet te doen.
Zou u deze vragen afzonderlijk van elkaar kunnen beantwoorden?
Ja.
Het kabinetsbesluit inzake AI-gigafabrieken |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Aerdts |
|
|
|
|
Herinnert u zich dat u in het commissiedebat Digitale Infrastructuur en Economie d.d. 8 april aangaf dat het ontbreken van middelen op de begroting de doorslaggevende reden was om niet deel te nemen aan het Europese AI-gigafabriekeninitiatief?
Ja, ik herinner mij het debat. Daarin heb ik onder andere aangeven dat er geen middelen zijn om aan de Europese tender voor een gezamenlijke inkoop van rekenkracht mee te doen. Daarnaast heb ik aangegeven positief te staan tegenover AI-infrastructuur die vanuit private middelen gefinancierd kan worden, zoals ook in het rapport-Wennink wordt aangegeven. Ook heb ik aangegeven dat ik daarom in gesprek blijf met de partijen die AI-infrastructuur initiatieven proberen te realiseren en over de randvoorwaarden die daarvoor nodig zijn.
Klopt het dat in de beslisnota d.d. 23 maart bij de Kamerbrief «Positie van het kabinet ten aanzien van deelname aan het Europese AI-gigafabriekeninitiatief» (Kamerstuk 26 643-1499) staat dat in de StafEZ van 10 maart 2026 is vastgesteld dat binnen de huidige begroting geen ruimte bestaat voor de vereiste financiële verplichtingen?
Ja.
Klopt het dat eerst is geconcludeerd dat er geen geld beschikbaar was, en dat pas daarna inhoudelijke argumenten, waaronder een verwijzing naar het rapport-Wennink, zijn gebruikt om dit besluit te onderbouwen? Zo nee, kan de Staatssecretaris dan precies uiteenzetten in welke volgorde de budgettaire en inhoudelijke afwegingen zijn gemaakt?
Nee. De conclusie dat er geen middelen beschikbaar waren, is niet los van de inhoudelijke afwegingen bereikt. In 2025 heeft Ecorys in opdracht van EZK de potentiële meerwaarde van een AI-gigafabriek onderzocht. Dit rapport schetst verschillende scenario’s en benoemt zowel kansen als onzekerheden en randvoorwaarden voor publieke betrokkenheid. Daarbij plaatst het rapport kanttekeningen bij de publieke meerwaarde en wijst het onder meer op de verhouding tussen training en inferentie, en de rol die marktpartijen zelf kunnen vervullen. Ook andere inzichten, waaronder het rapport-Wennink, geven aan dat substantiële private betrokkenheid bij de realisatie van dergelijke infrastructuur voor de hand ligt.
Parallel hieraan heeft EZK de budgettaire mogelijkheden verkend. Daaruit bleek dat er geen middelen beschikbaar waren. In samenhang hebben deze inhoudelijke bevindingen en de budgettaire beperkingen geleid tot het besluit om niet deel te nemen aan een gezamenlijke aanbesteding via EuroHPC.
Kan de Staatssecretaris alsnog de stukken openbaar maken die ten grondslag lagen aan het overleg in de StafEZ van 10 maart 2026, conform het eerder gedane informatieverzoek van de Kamer gedaan tijdens het commissiedebat Digitale infrastructuur en economie, waaronder memo’s, notities, berekeningen, scenario’s en de stukken waarmee de Staatssecretaris en de betrokken ambtenaren dat overleg zijn ingegaan? Indien volledige openbaarmaking niet mogelijk is, is de Staatssecretaris dan bereid om ten aanzien van het deel waarvan openbaring niet mogelijk is, deze stukken vertrouwelijk ter inzage te geven?
De belangrijkste basis voor de inhoudelijke afweging waren diverse gesprekken met consortia over hun plannen, de Europese EuroHPC regelgeving en het Ecorys-rapport, dat in opdracht van het Ministerie van EZK is opgesteld en op 19 december jl. met de Tweede Kamer is gedeeld. Ook andere inzichten, zoals het rapport-Wennink, dat ook openbaar is, zijn hierin meegenomen.
Herinnert u zich dat u zich zowel in het debat, als in de Kamerbrief betreft de Positie van het kabinet ten aanzien van deelname aan het Europese AI-gigafabriekeninitiatief, beriep op het rapport-Wennink, en dat dat rapport volgens het kabinet geheel in lijn zou zijn met het standpunt van het kabinet om AI-gigafabrieken volledig door de markt te laten financieren?
Ja.
Deelt u de mening dat in het rapport-Wennink staat dat «Nieuwe initiatieven [...] zijn (nog) niet volledig privaat te financieren door hoge opstartkosten en lange, onzekere terugverdientermijnen.»?
Ja. Daarbij wordt echter op pagina van 90 van het rapport de kanttekening gemaakt dat dit met name geldt voor nieuwe initiatieven in nog onbewezen markten. Tegelijkertijd vermeldt het rapport dat de AI Gigafabriek, vanwege haar sterke commerciële oriëntatie, in beginsel wél volledig privaat gefinancierd kan worden en marktconforme rekenkracht kan aanbieden.
Deelt u de mening dat in het rapport-Wennink staat dat «Publieke financiering – en cofinanciering door EU-instrumenten – kan een vliegwieleffect hebben.»?
Ja.
Deelt u de mening dat in het rapport-Wennink staat dat «Nederland heeft grootschalige private én publieke investeringen nodig.»?
Ja.
Deelt u de mening dat u stelt te handelen in lijn met het rapport-Wennink, terwijl datzelfde rapport expliciet aangeeft dat grootschalige digitale infrastructuur juist níet volledig privaat te financieren is en publieke cofinanciering noodzakelijk is om investeringen los te krijgen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Het rapport-Wennink maakt een onderscheid tussen verschillende typen digitale infrastructuur. Waar het voor een deel van de grootschalige infrastructuur inderdaad wijst op het belang van publieke cofinanciering, wordt in het geval van AI-gigafabrieken expliciet benoemd dat deze in beginsel volledig privaat gefinancierd kunnen worden. Dat beeld wordt ondersteund door recente marktontwikkelingen. Zo halen Europese AI-(neo)cloudbedrijven zelfstandig kapitaal op voor de bouw van AI-infrastructuur. Dit laat zien dat er binnen dit specifieke segment voldoende private investeringsbereidheid bestaat.
Is hier niet gewoon sprake van het gebruiken van het rapport-Wennink als dekmantel voor een besluit dat puur budgettair is genomen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Het rapport-Wennink is niet gebruikt als dekmantel voor een budgettaire keuze. Aan de kabinetspositie ligt, naast de gesprekken met de geïnteresseerde consortia, in de eerste plaats het rapport van Ecorys ten grondslag, waarin de relevante economische en investeringsafwegingen zijn geanalyseerd, zoals toegelicht in het antwoord op vraag 3.
Deelt de Staatssecretaris de opvatting dat dit de indruk wekt van «cherry picking»? Zo nee, waarom niet?
Nee. Die indruk deel ik niet, omdat er niet uitsluitend naar het rapport-Wennink is gekeken om tot deze conclusie te komen.
Herinnert u zich dat u zich in het debat ook beriep op het Ecorys-rapport? Kan de Staatssecretaris bevestigen dat Ecorys niet concludeert dat een AI-gigafabriek per definitie niet rendabel of niet zinvol is, maar juist dat de meerwaarde afhangt van ontwerp, gebruiksdoel en strategische inbedding? Waarom wordt dit rapport dan door het kabinet wel gebruikt als argument om af te haken?
Ja, dat kan ik mij herinneren en dat kan ik bevestigen. Het Ecorys-rapport stelt inderdaad niet dat een AI-gigafabriek per definitie niet rendabel of niet zinvol is. Het benadrukt juist dat de meerwaarde en businesscase sterk afhangen van het ontwerp, het beoogde gebruik en de strategische inbedding. Ecorys geeft daarbij aan dat een gecentraliseerde AI-gigafabriek vooral meerwaarde kan hebben voor de training van zeer grote modellen, maar plaatst daar tegelijkertijd de kanttekening dat het aantal partijen dat deze schaal van trainingscapaciteit daadwerkelijk benut in de Nederlandse context gering is.
Het kabinet gebruikt dit rapport niet als oordeel dat dergelijke infrastructuur «niet wenselijk» zou zijn, maar als onderbouwing voor de conclusie dat voor de varianten die juist meerwaarde hebben en op de Nederlandse markt zijn gericht, publieke financiering niet noodzakelijk is, omdat de markt daarin zelf kan voorzien. Op basis daarvan, tezamen met de budgettaire situatie, is de afweging gemaakt om geen publieke rol te nemen in een aanbesteding met financiële verplichtingen waarbij het initiatief in de specifieke vorm nog onduidelijk is.
Deelt de Staatssecretaris de opvatting dat ook in dit geval dit de indruk wekt van cherry picking? Zo nee, waarom niet?
Nee, zie de toelichting in de beantwoording op vraag 12.
Kan de Staatssecretaris bevestigen dat het kabinet ervan uitgaat dat Nederlandse partijen later ook rekenkracht kunnen inkopen bij AI-gigafabrieken elders in Europa? Waarop baseert het kabinet de aanname dat die capaciteit bij toenemende schaarste daadwerkelijk beschikbaar blijft voor Nederlandse bedrijven, kennisinstellingen en overheden, in plaats van dat Nederland achteraan aansluit in de rij?
Ja, het kabinet gaat er in beginsel van uit dat Nederlandse partijen toegang kunnen krijgen tot rekenkracht bij AI-gigafabrieken elders in Europa. Die aanname is gebaseerd op de afspraken en de EuroHPC-verordening, het wetgevingskader dat de EuroHPC Joint Undertaking reguleert.
Tegelijkertijd wil ik benadrukken dat dit geen vanzelfsprekendheid zonder voorwaarden is. Het kabinet onderkent dat bij toenemende schaarste in rekencapaciteit private aanbieders geneigd kunnen zijn om prioriteit te geven aan contractueel gebonden gebruikers.
Kan de Staatssecretaris ingaan op de analyse van het The Hague Centre for Strategic Studies dat toegang tot kritieke digitale infrastructuur in toenemende mate afhankelijk is van geopolitieke verhoudingen en dat bij schaarste landen primair hun eigen belangen zullen beschermen? Hoe rijmt de Staatssecretaris dit met de aanname dat Nederlandse partijen bij toenemende vraag en schaarste probleemloos gebruik kunnen blijven maken van rekenkracht in andere lidstaten of daarbuiten?
Zoals ik bij de vorige vraag heb toegelicht, baseer ik mij op de afspraken binnen de EuroHPC Joint Undertaking en het daarbij behorende Europese wettelijke kader. Dat kader is er juist op gericht om gezamenlijke Europese toegang tot high-performance computing en aanverwante digitale infrastructuur te borgen, ook in situaties van toenemende schaarste of geopolitieke spanning. Lidstaten hebben zich daaraan gecommitteerd, inclusief afspraken over beschikbaarheid en gedeeld gebruik van capaciteit.
Kan de Staatssecretaris bevestigen dat het kabinet kiest voor AI-gigafabrieken die volledig door de markt worden gefinancierd? Hoe realistisch acht de Staatssecretaris dat, gelet op het feit dat het rapport-Wennink juist wijst op achterblijvende private investeringen?
Het kabinet kiest ervoor dat de ontwikkeling van AI-infrastructuur, waaronder zogeheten AI-gigafabrieken, in beginsel door private partijen wordt gedragen en gefinancierd. De overheid ziet daarbij primair een rol in het creëren van de juiste randvoorwaarden, bijvoorbeeld op het gebied van beschikbare energie-infrastructuur, geschikte locaties en vergunningsprocedures. Het doel is om het voor private partijen aantrekkelijker en uitvoerbaarder te maken om dit soort investeringen daadwerkelijk hier van de grond te krijgen.
In de genoemde Kamerbrief schrijft het kabinet dat het kiest voor een ontwikkeling van AI-infrastructuur die meegroeit met de marktvraag; hoe verhoudt zich dat tot de constatering in de onderliggende analyses dat de ontwikkeling van AI-infrastructuur juist sterk aanbodgedreven kan zijn, en dat investeringen in capaciteit zelf vraag, innovatie en ecosysteemvorming aanjagen? Loopt Nederland door deze afwachtende houding niet juist het risico achter te blijven omdat vraag pas ontstaat waar capaciteit al aanwezig is?
Ik ben het met u eens dat de ontwikkeling van AI-infrastructuur in bepaalde gevallen aanbodgedreven kan zijn en daarmee juist ook vraag, innovatie en ecosysteemvorming kan stimuleren. Dat is ook precies de reden dat het kabinet wél inzet op de realisatie van de publiek gefinancierde AI-fabriek in Groningen, waar sprake is van een strategische Europese investering in rekenkracht en kennisopbouw.
Tegelijkertijd geldt dat niet alle typen AI-infrastructuur dezelfde dynamiek kennen. In veel segmenten kan de markt zelf goed inspringen op groeiende vraag, mits de randvoorwaarden op orde zijn, zoals voldoende beschikbare energie, ruimte en een voorspelbaar vergunningsproces.
Is de Staatssecretaris, gelet op het feit dat de doorslaggevende overweging blijkens de beslisnota budgettair was en rapporten waarachter het kabinet zich verschuilt het kabinet lijken te tegenspreken, bereid het besluit alsnog te heroverwegen en de Kamer een scenario te sturen waarin Nederland wél, al dan niet gefaseerd, kan aansluiten bij het Europese AI-gigafabriekeninitiatief?
Nee. Deelname aan de door EuroHPC geleide aanbesteding zou een substantiële financiële verplichting met zich meebrengen, die het kabinet op dit moment niet wil aangaan. De inhoudelijke afwegingen zoals toegelicht in deze beantwoording geven geen aanleiding om de positie van het kabinet te herzien. Daarbij wil ik bovendien benadrukken dat deelname aan het Europese traject geen garantie biedt op de realisatie van een AI-gigafabriek in Nederland, maar primair ziet op het indienen van een voorstel in competitie met voorstellen uit andere lidstaten.
Kunt u deze vragen in ieder geval voor het tweeminutendebat naar aanleiding van het commissiedebat Digitale Infrastructuur en Economie, een voor een, beantwoorden?
Ja.
Heeft u kennisgenomen van het bericht «KLM-topvrouw pakt 30 procent meer salaris ondanks financiële problemen en interne onrust bij vliegmaatschappij: Rintel verdient 1,6 miljoen euro»?1
Ja.
In hoeverre deelt u de opvatting dat terughoudendheid in de stijging van beloningen van de top gepast is bij ondernemingen waar de overheid een belang in heeft en die het, door financiële druk, hoge energieprijzen en operationele problemen moeilijk heeft, terwijl het verdienvermogen onder druk staat door de onrust in Oekraïne en het Midden-Oosten?
Ik acht het, zeker gezien de huidige uitdagingen bij KLM, van groot belang dat de onderneming terughoudend is met stijging van de (variabele) beloning. Daarnaast vind ik dat er een verkeerd signaal uitgaat van een ruime beloning voor bestuurders. De financiële positie van KLM staat namelijk onder druk en KLM wil de winstgevendheid verhogen. Dat betekent dat er op de kosten bespaard moet worden. Hoge variabele beloningen voor de top dragen hier niet aan bij.
Hoe verhoudt de toegenomen beloning zich met eventuele afspraken of verwachtingen die samenhangen met de uitlatingen van de Minister in 2025 en ook met de eerdere staatssteun aan KLM?
Het deelnemingenbeleid is duidelijk over het verwachte beleid bij deelnemingen rondom variabele beloningen. Een variabele beloning mag maximaal 20% van de vaste beloning zijn. De variabele beloning bij KLM ligt hier ruimschoots boven. Daarom heeft mijn voorganger in 2024 tegen het huidige beloningsbeleid gestemd en heb ik vorig jaar bezwaar geuit tegen de hoogte van de variabele beloning. De staat is echter als minderheidsaandeelhouder (5,9%) overstemd door andere aandeelhouders.
Op 18 april 2023 is het steunpakket aan KLM beëindigd.2 De financiële voorwaarden die zijn gesteld aan het verlenen van het steunpakket, waaronder de afspraken over beloningen, zijn op dat moment komen te vervallen.
Heeft u de intentie om, binnen de bestaande governance-structuur, invloed uit te oefenen op het beloningsbeleid van KLM en, zo ja, hoe?
De raad van commissarissen is verantwoordelijk voor het opstellen en uitvoeren van het beloningsbeleid van de directie. Alleen een wijziging van het beloningsbeleid wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de algemene vergadering van aandeelhouders. In 2024 heb ik tegen het huidige beloningsbeleid gestemd, omdat het niet past binnen het deelnemingenbeleid van maximaal 20% variabele beloning ten opzichte van het vaste salaris. Omdat de Nederlandse staat slechts een minderheidsbelang van 5,9% heeft en de meerderheid van de aandeelhouders destijds vóór het voorstel heeft gestemd, is het beloningsbeleid ondanks ons bezwaar vastgesteld. Niettemin zal ik mij ook in de toekomst blijven uitspreken tegen dit beleid en het standpunt van de Nederlandse staat duidelijk onder de aandacht blijven brengen.
Bent u bereid om, naast het uitoefenen van druk als aandeelhouder, bij KLM en ook Air France-KLM aan te dringen op een gesprek om te benadrukken dat maatschappelijk draagvlak en voorbeeldgedrag van de top essentieel zijn voor het vertrouwen in het bedrijf en de staatsdeelname in het bedrijf?
Ik voer regelmatig gesprekken met de directies van zowel KLM als Air France-KLM, waarin ik het belang van passende beloningen benadruk. Gezien de huidige uitdagingen waar KLM mee te maken heeft, vind ik het belangrijk om hierover in gesprek te blijven.
Tijdens de algemene vergadering van aandeelhouders van KLM op 23 april 2026 heb ik mijn bezwaar tegen de ruimere variabele beloningen over 2025 ook formeel kenbaar gemaakt.
Het artikel 'ING krijgt Russisch dochterbedrijf maar niet verkocht' |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op bericht dat het ING nog steeds niet lukt om van haar Russische bankactiviteiten af te komen?1
Het kabinet moedigt bedrijven actief aan om vanwege de oorlog in Oekraïne niet langer actief te zijn op de Russische markt en wijst bedrijven op de risico’s van zaken doen in Rusland.
Sinds de invoer van de sancties tegen Rusland na de inval in Oekraïne geldt dat diverse bedrijven hun activiteiten hebben gestopt, het land hebben verlaten of bezig zijn om zich terug te trekken uit Rusland. Vertrekken uit Rusland is echter niet altijd eenvoudig. Het presidentieel decreet van september 2022, verbiedt buitenlandse bedrijven uit «onvriendelijke landen», waaronder de EU, hun activiteiten vrijelijk te verkopen. Bedrijven kunnen slechts op basis van een speciale vergunning van de Russische autoriteiten activiteiten verkopen. Voor verkoop van een bank is bovendien vereist dat de beoogde koper wordt goedgekeurd. In het onderhavige geval heeft ING bekendgemaakt dat de benodigde toestemmingen niet zijn verleend.
In hoeverre gaan de activiteiten en dienstverlening van ING momenteel door in Rusland, ondanks het voornemen de activiteiten in Rusland af te bouwen?
Wegens bedrijfsvertrouwelijkheid ga ik niet in op investeringen van private instellingen. In zijn algemeenheid kan ik zeggen dat ING eerder in persberichten heeft aangegeven dat zij sinds 2022 haar activiteiten in Rusland afbouwt en geen nieuwe zaken met Russische cliënten meer doet.
Waarom is de dienstverlening van ING in Rusland niet gestaakt, ondanks dat er geen overname kandidaat is gevonden?
Hoewel het kabinet bedrijven actief aanmoedigt om niet langer actief te zijn op de Russische markt, is het aan bedrijven zelf om te beoordelen wat de beste manier is om hiermee om te gaan. Daarbij geldt dat het staken van de dienstverlening niet altijd mogelijk is. Daarnaast is de vraag of het staken van de dienstverlening, bijvoorbeeld via liquidatie, wenselijk is. In dat geval zouden bezittingen namelijk ook in Russische handen kunnen komen, waarbij er mogelijk minder controle is op de bestemming van de bezittingen. Ik heb geen zicht op de specifieke afweging bij ING.
Waarom geeft u geen antwoord op de vraag of ING is doorgegaan met het financieren van de Russische staat na de illegale inval in Oekraïne in februari 2022? Bent u bereid deze vraag alsnog, in algemene zin, te beantwoorden zonder bedrijfsgevoelige informatie te delen?2
Zoals bij de beantwoording op vraag 2 aangegeven, kan ik geen uitspraken doen over de investeringen van private bedrijven. Wel heeft de Minister van Financiën verschillende keren contact gehad met ING over het voornemen van ING om haar dochterbedrijf in Rusland te verkopen. Over de contacten kunnen verder geen inhoudelijke mededelingen worden gedaan.
De Minister van Financiën en ik zijn verder niet betrokken bij het voornemen van ING om uit Rusland te vertrekken of de activiteiten van het dochterbedrijf in Rusland te verkopen. Zie ook de beantwoording van de Kamervragen die op 8 april 2026 zijn gesteld door het lid Van Eijk (VVD) over het bericht «ING ziet af van verkoop Russische dochter».
Het bericht 'ING ziet af van verkoop Russische dochter' |
|
Wendy van Eijk-Nagel (VVD) |
|
Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «ING ziet af van verkoop Russische dochter»1?
Ja.
Bent u in gesprek met ING om een vertrek uit Rusland en de beëindiging van activiteiten in Rusland te vereenvoudigen en/of de activiteiten versneld af te bouwen?
Ik heb verschillende keren contact gehad met ING over het voornemen van ING om haar dochterbedrijf in Rusland te verkopen. Ik doe geen inhoudelijke mededelingen over deze contacten aangezien dit grotendeels gaat om bedrijfsvertrouwelijke informatie. Wel kan ik aangeven dat ik ING op verzoek heb geïnformeerd over de toepasselijke EU-sanctiemaatregelen. Ik ben verder niet actief betrokken bij het voornemen van ING om uit Rusland te vertrekken, de besluitvorming daaromtrent en het proces van toestemming die ING nodig heeft van de Russische autoriteiten voor verkoop van haar Russische dochter.
Denkt u dat de Russische autoriteiten een verkoop van de Russische dochteronderneming bewust blokkeren?
Ik heb geen informatie over de motivatie van de Russische autoriteiten om geen toestemming te verlenen voor de beoogde verkoop van de Russische dochter van ING. Ik wil ook niet speculeren over de mogelijke redenen van de Russische autoriteiten om geen toestemming te geven voor de verkoop.
Hoe beoordeelt u de toegang van de Russische economie tot Swift door de aanwezigheid van westerse banken? Zijn er mogelijkheden om dit samen met de westerse banken te beperken?
De sancties tegen Rusland moeten de mogelijkheden van Rusland beperken om de oorlog in Oekraïne voort te zetten. Sancties maken het onder andere moeilijker voor Rusland om de oorlog te bekostigen, mede door verschillende maatregelen die het betalingsverkeer beperken. Door de sancties heeft een groot aantal Russische banken geen toegang meer tot Swift. Swift is het beveiligde communicatienetwerk dat financiële instellingen gebruiken om met elkaar te communiceren over betalingen. Swift verwerkt de betalingen niet zelf.
Het doel van de sancties is daarmee niet om het gehele handels- en betalingsverkeer met Rusland onmogelijk te maken. Zo zijn er in de sancties diverse uitzonderingen opgenomen, bijvoorbeeld voor voedsel, rechtsbijstand en betalingen van contracten afgesloten voordat sancties ingingen. Voor die toegestane handel blijft een vorm van betalingsverkeer nodig. Doordat in Rusland nog een klein aantal banken aangesloten is op Swift, kan de communicatie voor dergelijke betalingen toch plaatsvinden via dat systeem.
Ik vind het belangrijk dat westerse banken terughoudend zijn in het faciliteren van transacties van en naar Rusland. Tegelijkertijd heb ik er wel een voorkeur voor dat financiële transacties die wel toegestaan blijven van en naar Rusland verlopen via het reguliere bancaire betalingsverkeer. Het volledig beperken van het betalingsverkeer via banken zou tot gevolg kunnen hebben dat minder goed controleerbare betalingskanalen en/of -constructies worden gebruikt.
Zijn er nog meer Nederlandse bedrijven met activiteiten in Rusland die moeite hebben deze af te stoten? Welke rol speelt uw ministerie om dit te ondersteunen?
Op grond van het Russisch presidentieel decreet van september 2022 is het buitenlandse bedrijven uit «onvriendelijke landen», waaronder de EU-lidstaten en de VS, verboden hun Russische activiteiten zonder een speciale vergunning te verkopen. Over de vraag of er meer Nederlandse bedrijven zijn die hiermee te maken hebben, kan ik vanwege vertrouwelijkheid geen verdere uitspraken doen.
In algemene zin geldt dat de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking Nederlandse bedrijven ondersteunt die zich uit Rusland willen terugtrekken, onder meer door ontheffingen te verlenen voor de overdracht van gesanctioneerde goederen die samenhangt met de verkoop van hun Russische activa. Op grond van EU-sanctieverordening 833/2014 is de overdracht van bepaalde goederen aan Russische entiteiten of voor gebruik in Rusland in beginsel namelijk verboden. Diezelfde verordening biedt echter de mogelijkheid om een ontheffing te verlenen wanneer de overdracht van deze goederen noodzakelijk is voor de terugtrekking van een Europees bedrijf uit Rusland.
Het bericht ‘Rouwkaart versturen die binnen 24 uur moet aankomen? Dat gaat je enkele euro's per kaart kosten’ |
|
Judith Buhler (CDA) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel in het AD: «Rouwkaart versturen die binnen 24 uur moet aankomen? Dat gaat je enkele euro’s per kaart kosten»?1
Ja.
Hoe groot is de omvang van de rouwpost binnen de universele postdienst (UPD), zowel in absolute aantallen als in percentage van het totale postvolume?
Van PostNL begrijp ik dat zij in 2025 ongeveer 5 miljoen stukken rouwpost heeft verwerkt. In 2025 bedroeg het totale aantal UPD-brieven ongeveer 115 miljoen. Rouwpost vertegenwoordigt daarmee zo’n 4% van het totale aantal UPD-brieven. De volumedaling van rouwpost gaat met hetzelfde percentage als het totale brievenvolume: in 2025 ongeveer 8% ten opzichte van 2024.
Overigens gebruiken mensen voor het snel informeren over het overlijden van iemand al veelvuldig digitaal verzonden berichten.
Is het zeker dat de prijs van een rouwzegel binnenkort hoger komt te liggen dan reguliere postzegels?
Per 1 juli 2026 worden de kwaliteitseisen voor de UPD-post aangepast. Vanaf dan geldt voor reguliere UPD-post een bezorgtermijn van twee dagen (D+2), met een bezorgbetrouwbaarheid van ten minste 90%. De kwaliteitseisen voor rouwpost blijven ongewijzigd, namelijk bezorging binnen één dag (D+1) met 95% bezorgzekerheid.
Om te kunnen blijven voldoen aan de bezorging binnen één dag voor rouw- en medische post richt PostNL een apart proces in. Deze post zal voortaan via het pakketnetwerk bezorgd worden. De hogere kosten die daarmee gepaard gaan, worden doorberekend in een nieuw, hoger tarief. De burger heeft ook de keuze om een rouwbrief niet als zodanig aan te bieden, maar als reguliere UPD-brief te versturen. In dat geval gelden de wettelijke eisen voor rouwpost niet en wordt de brief bezorgd binnen een voor reguliere UPD-post geldende termijn van twee dagen (en per 1 juli 2027 drie dagen). Hiervoor hanteert PostNL het tarief van reguliere UPD-post. Gelet op het speciale karakter van deze post, komt PostNL wel met een passende rouwpostzegel.
Waarop is de uitspraak van Branchevereniging Gecertificeerde Nederlandse Uitvaartondernemingen (BGNU) gebaseerd dat de prijs van een rouwzegel mogelijk zal stijgen van € 1,40 naar circa € 3,25?
PostNL heeft in een eerder stadium aangegeven dat de prijzen voor de rouwpost binnen de UPD hoger zullen worden. Het is aan PostNL om hierover met partijen te communiceren, nadat de ACM de tarieven getoetst heeft. Ieder jaar legt PostNL de voorgenomen wijziging van de tarieven ter toetsing voor bij de ACM. De ACM beoordeelt momenteel of deze wijziging past binnen de door de ACM vastgestelde tariefruimte. PostNL zal vervolgens bekendmaken wat de definitieve tarieven worden.
Klopt het dat er gesprekken lopen met de Autoriteit Consument & Markt (ACM) over een apart tarief voor zogenaamde «pripost» waar rouwpost onder komt te vallen?
Nee, dat klopt niet. Rouwpost blijft, ook na 1 juli, als aparte postsoort onder de UPD vallen. De ACM stelt ieder jaar de tariefruimte vast voor de postdiensten die onder de reikwijdte van de UPD vallen vast. Dit betreft de maximale gemiddelde prijs die PostNL mag rekenen voor deze postdiensten. PostNL heeft de gegevens verstrekt aan de ACM die nodig zijn voor de vaststelling van de tariefruimte voor rouwpost en medische post vanaf juli 2026.
Daarbij heeft PostNL ook aan ACM laten weten dat er een algemeen prioriteitsproduct komt, waar rouwpost dus niet onder valt, met bezorging binnen D+1 voor consumentenpost en dat hiervoor een apart tarief zal gelden. Het prioriteitsproduct valt buiten de reikwijdte van de UPD en daarom maakt het voorgenomen tarief geen deel uit van de tariefmelding door PostNL aan de ACM.
Op welke wijze bent u betrokken bij deze gesprekken en besluitvorming?
Bij de vaststelling van de tarieven binnen de wettelijke tariefruimte en de contacten daarover tussen de ACM en PostNL ben ik niet betrokken. Vanuit mijn verantwoordelijkheid voor de UPD heb ik wel regelmatig contact met de ACM en PostNL.
Hoe beoordeelt u een mogelijk hoger tarief voor rouwpost, in het licht van de terechte uitzonderingspositie voor rouw- en medische post in het Postbesluit ten aanzien van de bezorgtermijn (één dag) en de betrouwbaarheid (95%)?
Ik vind het belangrijk dat mensen de mogelijkheid houden tot snelle en betrouwbare bezorging van hun rouw- en medische post. Daarom heb ik in het gewijzigde Postbesluit de bestaande eisen voor de overkomstduur en bezorgbetrouwbaarheid van deze postsoort gehandhaafd. Tegelijkertijd is duidelijk dat PostNL hogere kosten maakt voor snelle bezorging en hoge betrouwbaarheid. Die kosten zullen in rekening gebracht moeten worden. Van belang hierbij is wel dat mensen de mogelijkheid behouden om rouwpost die binnen twee dagen bezorgd wordt tegen een lager tarief te kunnen versturen. Ook kan rouwpost via een digitaal bericht verstuurd worden. Dit wordt al veel gedaan. Er zijn dus alternatieven beschikbaar.
In hoeverre is bij de totstandkoming van het Postbesluit rekening gehouden met mogelijke gevolgen van deze uitzonderingspositie voor de tarifering van rouwpost?
Bij de aanpassing van het Postbesluit is rekening gehouden met de mogelijkheid dat PostNL ervoor kiest om voor een postproduct met snelle bezorging een hoger tarief te rekenen2. Dat weerspiegelt immers de kosten ervan. Dit is toegestaan zolang het tarief past binnen de wettelijke tariefruimte.
Deze aanpassing van het Postbesluit is mede gebaseerd op het onderzoek «De postmarkt in transitie» van de ACM van medio 2025. Daarin constateert de ACM dat bij de overgang naar D+2 voor standaard UPD-brieven, urgente brieven waarvoor het D+1 servicekader blijft gelden, zoals rouwpost, via het pakkettennetwerk zullen worden bezorgd tegen een aanzienlijk hoger tarief.
Hoe weegt u de mogelijke gevolgen van een hoger tarief voor rouwpost voor burgers die in een periode van rouw afhankelijk zijn van tijdige en betaalbare postbezorging?
De periode na het overlijden van een dierbare is voor mensen een roerige tijd, daar ben ik mij bewust van. Het is aan PostNL om constant een afweging te maken tussen enerzijds de stijgende kosten, afnemende volumes en arbeidsmarktkrapte en anderzijds de voorkeuren van gebruikers van postdiensten. In die afweging kan het voorkomen dat PostNL keuzes maakt die ertoe leiden dat burgers van dezelfde dienstverlening gebruik kunnen blijven maken tegen hogere prijzen. Binnen de wettelijke tariefruimte kan PostNL ervoor kiezen om de tarieven van postsoorten te verhogen. Het is in deze afweging en in de gehele context van de postmarkt dat PostNL ervoor kiest de prijzen voor postbezorging te verhogen. Dit kan ertoe leiden dat mensen hun rouwberichten via digitale alternatieven gaan versturen. Dit wordt overigens al veel gedaan.
Bent u het ermee eens dat een prijsstijging naar circa € 3,25 voor rouwpost onwenselijk is?
Ik ben mij ervan bewust dat een prijsverhoging vervelend kan zijn, maar PostNL kiest ervoor om de hogere kosten die zij maakt voor de bezorging van rouwpost ook door te voeren in de prijs die mensen ervoor betalen. Hierbij handelt PostNL binnen de ruimte die wordt gegeven. Dit geldt ook voor postdiensten, en in het bijzonder voor post die binnen een korte termijn met hoge betrouwbaarheid bezorgd moet worden. Dat is ook van toepassing op rouwpost.
Welke mogelijkheden ziet u om deze prijsstijging te voorkomen?
Het is aan de ACM om te toetsen of de prijsstijging past binnen de wettelijke tariefruimte. De ACM toetst dit op dit moment.
Het bericht ‘Calvé en andere Unilever-merken worden Amerikaans, kans op beursnotering in NL’ |
|
Claire Martens-America (VVD) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Calvé, Cup A Soup en Hellmann’s van Unilever Amerikaans worden, met een kans op beursnotering in Nederland, op de website van de NOS van 31 maart 2026?1
Ja.
Hoe reflecteert u op de keuze van McCormick om het internationale hoofdkantoor in Nederland te vestigen? Hoe reflecteert u op het nieuws dat het voedselinnovatiecentrum van Unilever in Wageningen blijft?
Voor Nederland is het goed nieuws dat is bevestigd dat het internationale hoofdkwartier (Rotterdam) en de wereldwijde R&D (Wageningen) van de voedingsdivisie in Nederland blijven. Dit toont aan dat continue aandacht voor het ondernemings- en vestigingsklimaat belangrijk maar ook lonend is. Het kabinet heeft over de ontwikkelingen bij de voedingstak met Unilever gesproken en gaat ook in gesprek met de nieuwe eigenaar.
Ziet u mogelijkheden om positieve economische spillovers van de vestiging van grote bedrijven in Nederland, zoals McCormick, te versterken? Zo ja, op welke manier?
De Nederlandse economie is mede sterk vanwege toonaangevende, hoogproductieve en innovatieve grote bedrijven, die kiezen voor groei en een duurzame toekomst in Nederland. Hoe beter deze bedrijven ingebed raken in Nederlandse ecosystemen, hoe groter de spillover effecten. De Netherlands Foreign Investment Agency en de regionale partners in het Invest in Holland netwerk voeren regelmatig gesprekken met in Nederland gevestigde grote bedrijven en verbinden deze waar mogelijk aan relevante ecosysteem partners.
Hoe probeert u precies McCormick naar de Nederlandse beurs te halen?
Het kabinet zal de kwaliteit van het Nederlandse vestigingsklimaat onder de aandacht brengen om de voedingsactiviteiten zoveel mogelijk in Nederland te versterken en te verankeren. Hierbij focussen we op voorspelbaar beleid en (fiscale) stabiliteit, omdat bedrijven investeringsbesluiten voor de lange termijn nemen. We werken aan een internationaal krachtige, innovatieve en duurzame Nederlandse agrifood-sector. Om te zorgen dat bedrijven betere toegang krijgen tot financiering werken we aan een Nationale Investeringsinstelling en in Europa aan een kapitaalmarktunie. Ook heeft Nederland een uitstekende positie met grote handelsplatformen en de grootste Europese beurs (Euronext). Nederland zet mede daarom in op een leidende rol bij de ontwikkeling van de Europese kapitaalmarktunie, zodat bedrijven beter toegang krijgen tot kapitaal en de Amsterdamse beurs nog aantrekkelijker wordt voor bedrijven.
Wat is uw bredere strategie om grote bedrijven ertoe te bewegen zich in Nederland te vestigen of te kiezen voor een notering aan de beurs in Amsterdam?
Eén van mijn grootste prioriteiten is het versterken van het ondernemings-en vestigingsklimaat. Het kabinet streeft naar een sterk en voorspelbaar ondernemings- en vestigingsklimaat, waarbij bedrijven optimaal kunnen ondernemen, investeren en innoveren. Voor internationale bedrijven zijn voorspelbaar beleid, concurrerende fiscaliteit, toegang tot talent en goede fysieke randvoorwaarden zoals netaansluiting en ruimte, doorslaggevend bij de keuze waar zij zich vestigen.
Verder werkt het kabinet aan het versterken van het financieringsecosysteem over de volle breedte: van start-up en scale-up tot beursgang. Dat vraagt om voldoende beschikbaar kapitaal, actieve betrokkenheid van private en institutionele investeerders en een goed functionerende kapitaalmarkt.
Ook werkt het kabinet aan het vergroten van de internationale aantrekkingskracht van de Nederlandse en Europese kapitaalmarkt. Nederland heeft een uitstekende positie met grote handelsplatformen en de grootste Europese beurs (Euronext). Nederland pakt mede daarom een leidende rol bij de ontwikkeling van de Europese kapitaalmarktunie, zodat bedrijven beter toegang krijgen tot kapitaal en de Amsterdamse beurs nog aantrekkelijker wordt voor bedrijven.
Deze lijnen versterken elkaar: een sterk ondernemings- en vestigingsklimaat trekt bedrijven aan, een goed financieringsecosysteem laat ze groeien en een krachtige kapitaalmarkt biedt ze perspectief op verdere opschaling en notering.
Daarnaast zetten we met de Netherlands Foreign Investment Agency in op het gericht aantrekken van buitenlandse bedrijven, die toegevoegde waarde hebben voor Nederland, doordat zij impact realiseren op (i) verdienvermogen, door hoogproductieve en innovatieve activiteiten te ontplooien, (ii) economische weerbaarheid, door bij te dragen aan strategische autonomie, het versterken van ecosystemen en de internationale relevantie van Nederland, (iii) maatschappelijke opgaven, bijvoorbeeld activiteiten ontplooien die ons helpen in de energietransitie of digitalisering.
Ik houd de staat van het ondernemings- en vestigingsklimaat goed in de gaten. Zo behoort Nederland tot de top-10 van de World Competitiveness Ranking van het IMD (International Institute for Management Development), waarin 69 landen worden beoordeeld op hun concurrentievermogen. Uit de Monitor Ondernemingsklimaat blijkt tegelijkertijd dat het Nederlandse ondernemingsklimaat, inclusief het vestigingsklimaat, de laatste jaren voor toenemende uitdagingen staat, zoals de onvoorspelbaarheid van beleid of regeldruk.2
Hoe kan de Kamer u helpen om ervoor te zorgen dat grote bedrijven zich vaker in Nederland vestigen of dat grote bedrijven vaker kiezen voor een notering aan de Amsterdamse beurs?
Ik stel het aanbod van de helpende hand vanuit de Kamer zeer op prijs. In aanvulling op het antwoord op vraag 5 begint het bij het versterken van het verdienvermogen van Nederland: Bedrijven – van startup tot multinational – vormen de motor van onze economie en samenleving.
De Kamer kan hieraan bijdragen door te sturen op een aantrekkelijk en voorspelbaar ondernemings- en vestigingsklimaat. De keuze voor een beursnotering hangt vaak samen met de keuze voor vestiging. Dat vraagt om stabiel en consistent beleid, concurrerende fiscaliteit, voldoende aandacht voor talent en goede randvoorwaarden.
Daarnaast kan de Kamer het kabinet ondersteunen bij het versterken van de kapitaalmarkt, onder meer via de Europese kapitaalmarktunie. De beurs speelt een cruciale rol in de groei van volwassen bedrijven en trekt internationaal kapitaal aan. Grote bedrijven hebben daarbij een aanzuigende werking: zij verbeteren de toegang tot kapitaal en verlagen financieringskosten voor kleinere bedrijven. Door op deze punten gericht te sturen, draagt de Kamer bij aan zowel meer vestigingen als meer beursnoteringen in Nederland.
Het bericht ‘700 euro voor een half uur werk: malafide elektriciens via Google lichten klanten op in Rijssen’ |
|
Pieter Grinwis (CU) |
|
Herbert , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Slaan bij u niet de stoppen door bij het lezen van het bericht «700 euro voor een half uur werk: malafide elektriciens via Google lichten klanten op in Rijssen»?1 Hoe luidt uw reactie op dit bericht?
Het bericht is zorgelijk. Het beschreven geval, waarbij een consument 700 euro betaalt voor een half uur werk, het probleem onopgelost blijft en contact achteraf onmogelijk blijkt, illustreert een problematiek die al jaren speelt en die ik en mijn ambtsgenoot de Minister van Justitie en Veiligheid serieus nemen. Mensen die in een spoedsituatie snel een vakman nodig hebben zijn kwetsbaar voor dit soort praktijken.
De problematiek van malafide spoeddiensten die via internet consumenten oplichten is helaas niet nieuw. Zij deed zich eerder ook voor bij slotenmakers en loodgieters, en heeft inmiddels tot concrete handhaving geleid, waarop ik in de beantwoording van de volgende vragen nader inga. Het bericht en de toename in meldingen bij zowel ACM als de politie laten zien dat vergelijkbare praktijken zich ook bij elektriciens voordoen. De Autoriteit Consument en Markt (ACM) en de politie zijn op de hoogte van deze bredere problematiek en hebben hier actief stappen in gezet.
Kunt u meer delen over de aard en schaal van de schokkende problematiek van dergelijke malafide bedrijven, nadat eerder ook malafide slotenmakers in het nieuws kwamen en daar Kamervragen over werden gesteld?2 Indien er geen cijfers beschikbaar zijn, bent u dan bereid om de aard en schaal van deze problematiek beter in kaart te brengen?
Uit eerder onderzoek van de ACM is gebleken dat het gaat om georganiseerde netwerken van personen en bedrijven die stelselmatig van naam, website en telefoonnummer wisselen en professionele verhullingstechnieken toepassen.3 Dezelfde netwerken zijn actief in meerdere branches: naast slotenmakers ook bij loodgieters, elektriciens, rioolontstoppers, dakdekkers, schoorsteenvegers, ongediertebestrijders en pechhulp voor gemotoriseerd verkeer.
In 2025 heeft de ACM ruim duizend meldingen ontvangen die te relateren zijn aan deze problematiek bij «spoeddiensten», een toename van ruim 50% ten opzichte van 2024. De politie ziet ook een toename in het aantal meldingen: in de eerste negen maanden van 2025 lag het gemiddelde op 87 meldingen per maand, in het laatste kwartaal van 2025 op 150 meldingen per maand. In de eerste drie maanden van 2026 lag het gemiddelde op 141 meldingen per maand, waarbij het werkelijke aantal naar verwachting hoger ligt vanwege een na-ijleffect in de registratie van de meldingen.
Het is niet zeker of de problemen daadwerkelijk vaker voorkomen (dit lijkt wel aannemelijk) of dat mensen deze problemen enkel vaker melden bij de ACM en politie. Media-aandacht leidt er vaak toe dat het aantal meldingen toeneemt, omdat terecht wordt opgeroepen om problemen te melden bij betrokken instanties.
Welke (juridische) stappen kunnen gedupeerden zetten nadat ze slachtoffer zijn geworden van malafide vakmensen als malafide elektriciens, loodgieters en slotenmakers? Kunnen gedupeerden volgens u voldoende worden geholpen door bijvoorbeeld politie en banken? Zo nee, wat bent u van plan om te doen om het perspectief voor deze groep te verbeteren?
Gedupeerden die slachtoffer zijn geworden van malafide aanbieders van spoeddiensten kunnen een aantal stappen ondernemen. Ten eerste kunnen zij aangifte doen bij de politie van, afhankelijk van het specifieke geval, bijvoorbeeld oplichting (artikel 326 WvSr), valsheid in geschrifte (artikel 225 WvSr) of vernieling (artikel 350 WvSr). Daarnaast kunnen zij melding doen bij de Fraudehelpdesk, de Autoriteit Consument en Markt (ACM). Ook kunnen zij contact opnemen met de bank om te laten onderzoeken of een eventuele betaling nog gestorneerd kan worden.
Tot slot kunnen gedupeerden een zaak starten, bijvoorbeeld via het Juridisch Loket of hun rechtsbijstandsverzekering. De gedupeerde stelt de malafide vakmensen dan officieel in gebreke waarna er in sommige gevallen via een geschillencommissie, beslaglegging of door tussenkomst van een rechter schade verhaald kan worden.
Op dit moment lopen er op deze problematiek een aantal strafrechtelijke onderzoeken. Zo is in 2023 een landelijke bende van criminele elektriciens aangehouden. De politie heeft het aangifteproces aangepast zodat gedupeerden sneller en eenvoudiger aangifte kunnen doen. In algemene zin geldt dat de capaciteit van politie schaars is en er, onder gezag van het Openbaar Ministerie, altijd keuzes gemaakt zullen worden over de inzet ervan.
Heeft de politie volgens u voldoende grip op de opsporing en het aanpakken van deze malafide elektriciens? Kan er bijvoorbeeld voldoende opvolging worden gegeven aan aangiftes die worden gedaan? Zo nee, wat zou volgens de politie helpen?
Zie antwoord vraag 3.
Is er voldoende capaciteit bij de Autoriteit Consument & Markt (ACM) om dergelijke malafide praktijken aan te pakken? Zo nee, wat is nodig om deze capaciteit beter op orde te krijgen? Op welke manier zou de handhaving door de ACM volgens u kunnen worden verbeterd?
De aanpak van malafide spoeddiensten ligt bij meerdere instanties, waaronder de ACM, de politie en de FIOD. De ACM kan handhaven als sprake is van een collectieve inbreuk in het consumentenrecht, zoals misleiding of agressieve handelspraktijken. In de praktijk blijkt echter dat malafide spoeddiensten vaak opereren als criminele netwerken die zich schuldig maken aan strafrechtelijk handelen zoals oplichting, btw-fraude en witwassen. In dat geval zijn politie en FIOD de aangewezen instanties. Tussen de handhavingsinstanties wordt intensief samengewerkt en worden signalen uitgewisseld.
Een specifieke uitdaging bij de handhaving door de ACM is dat overtreders zich vaak niet goed identificeren, zich verhullen achter lege of opgeheven rechtspersonen of buitenlandse entiteiten en geen vaste vestigingsplaats hebben. Dergelijke omstandigheden hinderen het reguliere handhavingsinstrumentarium van de ACM en verhogen de onderzoeks- en handhavingskosten aanzienlijk met een onzeker resultaat.
Naast handhaving zet de ACM in op voorlichting om consumenten weerbaarder te maken. Consumenten worden geadviseerd niet direct op de bovenste link in zoekresultaten te klikken, omdat dit vaak een advertentie betreft, en vooraf duidelijke afspraken te maken over prijs en werkzaamheden. Meer tips zijn te vinden op ACM ConsuWijzer.4
Klopt het dat advertenties van loodgieters en slotenmakers inmiddels worden geweerd van Google? Geldt dit ook voor andere zoekmachines? In hoeverre is hierdoor de problematiek van malafide loodgieters en slotenmakers afgenomen?
Na overleg met de ACM heeft Google in 2021 toegezegd dat onbetrouwbare slotenmakers niet langer gebruik kunnen maken van Google Advertenties.5 Begin 2024 heeft Google daarnaast besloten geen advertenties van loodgieters meer te tonen.6
Of en in hoeverre de problematiek hierdoor is afgenomen valt moeilijk te beoordelen. Acties van Google hebben een hinderend effect op advertenties van malafide partijen, die na de acties zichtbaar afnemen. Tegelijkertijd vinden malafide partijen ook andere wegen om consumenten te benaderen. Bovendien leiden naast advertenties ook reguliere zoekresultaten naar websites van malafide bedrijven, waardoor het probleem hiermee niet volledig wordt opgelost. Een algeheel advertentieverbod voor alle spoeddiensten is niet proportioneel, omdat ook betrouwbare partijen adverteren en zij niet de dupe mogen worden van de aanpak.
Voor zover mij bekend zijn er door de ACM geen afspraken met andere zoekmachines gemaakt.
Zijn u of de ACM bereid om grote zoekmachines te vragen om voortaan snel advertenties te weren als er signalen komen over oplichting door malafide vakmensen, zoals in dit geval elektriciens? Zo nee, waarom deze weerstand?
Grote zoekmachines zoals Google hebben onder de Digitaledienstenverordening (DSA) verplichtingen die bijdragen aan de aanpak van dit soort misleidende praktijken. Ten eerste kwalificeert de zoekmachineadvertentiedienst van Google als hostingdienst onder de DSA. Dit betekent dat Google, zodra zij signalen ontvangt over illegale inhoud via advertenties, die meldingen tijdig en zorgvuldig moet behandelen en de betreffende advertenties moet verwijderen. Op grond van de DSA kan echter geen algemene verplichting worden opgelegd om alle informatie vooraf actief te monitoren.
Ten tweede zijn online platformen op grond van artikel 26 van de DSA verplicht transparantie te bieden over reclames. Voor elke advertentie moet duidelijk zijn dat het om reclame gaat, wie de adverteerder is, wie ervoor betaalt en waarom de advertentie wordt getoond. Dit vergroot de mogelijkheid om malafide adverteerders te identificeren en aan te pakken. Daarnaast moeten platformen maatregelen nemen om de identiteit van adverteerders te kennen en te verifiëren.
De ACM is niet de bevoegde toezichthouder op zeer grote online zoekmachines zoals Google onder de DSA. Omdat Google zijn Europese hoofdkantoor in Ierland heeft, is de Ierse toezichthouder primair bevoegd. Daarnaast heeft de Europese Commissie een rol bij de handhaving jegens zeer grote online platforms en zoekmachines. De ACM kan wel signalen doorgeven aan deze toezichthouders. Daarnaast voert de ACM in de praktijk gesprekken met platforms en zoekmachines, waaronder Google, en brengt zij dit soort kwesties daarin onder de aandacht.
Ongewenste financiële constructies |
|
Julian Bushoff (PvdA), Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
David van Weel (VVD), Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat uitkering van toekomstige winst door een besloten vennootschap (BV) in de regel leidt tot een gelijk bedrag aan schulden aan banken, leveranciers en consumenten?
Hoe vaak komt het volgens u voor dat ondernemingen overgaan tot het uitkeren van toekomstige winst? In welke sectoren komt dit vaak voor en bij welke financieringsmodellen?
Bent u het ermee eens dat het onwenselijk is als ondernemingen schulden aangaan om aandeelhouders vooruit te financieren in plaats van om te investeren?
Kunt u aangeven in hoeverre de in 2012 doorgevoerde flexibilisering van het BV-recht, waaronder de mogelijkheid om toekomstige winst uit te keren in plaats van reeds gerealiseerde winst, daadwerkelijk heeft geleid tot meer bedrijvigheid?
Bij de herziening van het BV-recht in 2012 stond voorop dat de BV een bruikbare rechtsvorm moet zijn die zoveel mogelijk tegemoetkomt aan de behoeften die in de praktijk leven. Dit sloot aan bij het streven naar wetgeving die een infrastructuur biedt waarin bedrijven de inrichting van de rechtsvorm kunnen afstemmen op de aard van ondernemingsactiviteiten.2 Onder de Wet vereenvoudiging en flexibilisering BV-recht werden de kapitaalbeschermingsregels voor het bijeenbrengen van kapitaal soepeler. Zo werd het minimumkapitaalvereiste afgeschaft, net als de verplichte accountantsverklaring bij inbreng op aandelen in natura. Daarentegen zijn ook nieuwe kapitaalbeschermingsregels voor het bijeenhouden van kapitaal ingevoerd namelijk de introductie van een uitkeringstest (zie nader het antwoord op vraag 5 over deze test en de uitkering van winst aan aandeelhouders).
Over het algemeen is het moeilijk te kwantificeren of de flexibilisering van het BV-recht op zichzelf (en niet andere ontwikkelingen) tot meer bedrijvigheid heeft geleid. Wel is het zo dat in de jaren 2010–2020 een duidelijke stijging van het aantal BV’s is te zien.3 Hierbij dient de kanttekening te worden geplaatst dat een toename van het aantal BV’s niet automatisch hetzelfde is als «meer bedrijvigheid» in de zin van bijvoorbeeld extra economische activiteit, werkgelegenheid of investeringen.
Wat vindt u ervan dat het uitkeren van toekomstige winst kan leiden tot het aangaan van bedrijfsvreemde schulden ten laste van de onderneming en daarmee ten koste kan gaan van crediteuren? Zo ja, ziet u aanleiding deze mogelijkheid te beperken?
Sinds de herziening van het BV-recht geldt dat de algemene vergadering van aandeelhouders van de BV op grond van artikel 2:216 lid 1 BW in het algemeen bevoegd is om te besluiten tot vaststelling van uitkeringen. Dit geldt niet alleen voor de winst, maar ook voor uitkeringen ten laste van vrije reserves.4 De toelaatbaarheid van uitkeringen wordt onder die regeling niet meer bepaald door de aanwezigheid van een bepaald kapitaal zoals voor deze herziening, maar door de vraag of de vennootschap na de uitkering kan voortgaan met het betalen van haar opeisbare schulden. Op de balans zal de uitkering dan ook niet ten laste gebracht moeten worden van het gestorte kapitaal, maar moeten leiden tot een negatieve reserve. Die negatieve reserve zal vervolgens aangezuiverd moeten worden bijvoorbeeld door het maken van winst.5 Voor zover een en ander de mogelijkheid zou bieden om in de praktijk toekomstige winst uit te keren6, zijn er diverse waarborgen voor onder meer schuldeisers in de wet opgenomen. Een voorbeeld hiervan is de zogenoemde uitkeringstest uit artikel 2:216 lid 2 BW. Een besluit dat strekt tot uitkering heeft op grond van deze bepaling geen gevolgen zolang het bestuur hiervoor geen toestemming verleent. Het bestuur weigert daarbij slechts zijn medewerking indien het weet of redelijkerwijs behoort te voorzien dat de vennootschap door uitkering niet zal kunnen blijven voortgaan met het betalen van haar opeisbare schulden.
Daarnaast is het de taak van bestuurders om te beoordelen of een bepaalde transactie in het belang van de vennootschap is en na te gaan of de vennootschap na het aangaan van die transactie nog in staat zal zijn de vorderingen van crediteuren te voldoen. Als het bestuur goedkeuring verleent en een uitkering plaatsvindt, terwijl het bestuur wist of redelijkerwijs behoorde te voorzien dat de vennootschap door een uitkering niet zou kunnen voortgaan met het betalen van haar opeisbare schulden, zijn de bestuurders op grond van artikel 2:216 lid 3 BW hoofdelijk aansprakelijk jegens de vennootschap voor het tekort dat door de uitkering is ontstaan.
Er gelden dus randvoorwaarden aan het doen van uitkeringen aan aandeelhouders. Zoals aangegeven in beantwoording van vragen hierboven, zal het kabinet in gesprek gaan met de Commissie vennootschapsrecht over of onder die randvoorwaarden uitkering van toekomstige winst juridisch mogelijk is en in de praktijk plaatsvindt, en, zo ja, of dit mogelijk onwenselijke gevolgen met zich meebrengt.
Deelt u de opvatting dat rente op schulden die zijn aangegaan ter financiering van uitkeringen aan aandeelhouders – zoals uitkeringen van toekomstige winst – in beginsel niet aftrekbaar zou moeten zijn voor de vennootschapsbelasting, en niet alleen wanneer deze rente verschuldigd is aan een verbonden lichaam zoals bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het kabinet deelt deze opvatting niet. Artikel 10a Wet Vpb 1969 beoogt fiscale winstdrainage tegen te gaan, waarbij belastingplichtigen in concernverband structuren opzetten om op gekunstelde wijze rentekosten te creëren die leiden tot aftrek in Nederland, terwijl de rentebaten niet of (zeer) laag worden belast. Overigens is de renteaftrekbeperking van artikel 15b Wet Vpb 1969 van toepassing als sprake is van excessieve schuldfinanciering ongeacht of er sprake is van groepsleningen of van leningen van derden.
Kunt u aangeven of in de ons omringende landen rechtspersonen vergelijkbaar met de Nederlandse BV de mogelijkheid hebben om onder voorwaarden toekomstige winst uit te keren?
Naar Belgisch, Luxemburgs en Frans recht is het enkel mogelijk om de werkelijk gemaakte winst uit te keren aan de aandeelhouders. Onder Duits recht is de heersende leer dat het mogelijk is om een tussentijdse winstuitkering te doen, maar slechts onder strikte voorwaarden. Daarbij geldt onder meer dat er een redelijke winstverwachting moet zijn en dat de aandeelhouders hiertoe een besluit hebben genomen.
Bent u bekend met de praktijk dat na het afschaffen van de anti-financiële-steunmaatregel voor de BV (artikel 2:207c van het BW) het bestuur in de praktijk vaak de overnameschuld garandeert, terwijl daar in de vereiste afweging tegenover geen wezenlijke tegenprestatie staat? Kunt u hierop reflecteren?
De achtergrond van anti-financiële-steunmaatregelen is te voorkomen dat restricties ten aanzien van inkoop van eigen aandelen worden vermeden, bijvoorbeeld via aankoop door derden in ruil voor het verstrekken van een lening of zekerheidsstelling door de vennootschap. Een handeling in strijd hiermee wordt als nietig aangemerkt. Voor de NV is deze anti-financiële-steunmaatregel opgenomen in artikel 2:98c BW. Tot 2012 was deze voor de BV opgenomen in artikel 2:207c BW.
Bij de flexibilisering en modernisering van het BV-recht in 2012 is de anti-financiële-steunmaatregel voor BV’s geschrapt. Een reden voor afschaffing van de anti-financiële-steunmaatregel voor de BV was dat het een ingewikkelde bepaling was die in de praktijk leidde tot onduidelijkheid over de precieze reikwijdte van de regeling. Daarnaast werd de anti-financiële-steunmaatregel uit artikel 2:207c BW niet noodzakelijk geacht voor bescherming van aandeelhouders en schuldeisers. Het verrichten van steuntransacties verschilt namelijk niet dusdanig van andere zakelijke transacties die het bestuur aangaat – bijvoorbeeld het verstrekken van leningen aan aandeelhouders, bestuurders of derden anders dan met het oog op het verwerven van aandelen – dat dit een speciale wettelijke regeling rechtvaardigt. Bij het verlenen van financiële steun is het aan het bestuur om te beoordelen of die handelingen in het belang zijn van de vennootschap en wat de gevolgen zijn voor de financiële positie van de vennootschap. Net als bij andere transacties die door het bestuur namens de vennootschap worden aangegaan, geldt de sanctie van aansprakelijkheid indien niet de vereiste zorgvuldigheid in acht wordt genomen. Dit betekent onder andere dat steuntransacties niet mogen worden aangegaan tegen voorwaarden die niet aan gebruikelijke marktvoorwaarden zijn onderworpen of zeer ongunstig uitwerken voor de vennootschap.7 Met deze aansprakelijkheidssanctie worden de belangen van de onderneming en ook de schuldeisers voldoende gewaarborgd.
Deelt u de opvatting dat de gedachte achter anti-financiële-steunmaatregelen is dat ondernemingen gevrijwaard dienen te blijven van lasten die buiten de onderneming liggen, en dat overnameschulden – die vaak zijn afgeleid van de koopsom en daarmee van toekomstige winstverwachtingen – disproportioneel kunnen zijn voor de bestaande onderneming?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bekend met de praktijk dat een overgenomen vennootschap juridisch wordt gefuseerd met het acquisitievehikel, waardoor de overnameschuld uiteindelijk rust op de gefuseerde onderneming?
Het kabinet is bekend met de praktijk van fusies en de beschikking van de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam in de Estro-kinderopvangzaak8.
De opvatting van de vragenstellers deelt het kabinet niet in algemene zin. In de specifieke Estro-kinderopvangzaak geldt dat de Ondernemingskamer onder meer heeft geoordeeld dat het bestuur met betrekking tot de fusie wanbeleid heeft gevoerd. Dit staat echter los van de in algemene zin door de wet vereiste overgang van alle activa en passiva (zonder uitzonderingen) op een verkrijgende vennootschap bij een juridische fusie (zie nader het antwoord op vraag 13).
Deelt u de opvatting dat een dergelijke constructie onwenselijk is omdat hierdoor bedrijfsvreemde schulden op de onderneming worden afgewenteld, zoals onder meer aan de orde was in de Estro-kinderopvangzaak? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 10.
Ziet u het als een optie om de anti-financiële-steunmaatregelen die voorheen voor de BV golden – en die nog steeds gelden voor de NV – opnieuw voor de BV in te voeren? Zo nee, waarom niet?
In antwoord hierop zij verwezen naar het antwoord op vragen 8 en 9. Om de daar genoemde redenen ziet het kabinet geen reden voor herinvoering van het verbod.
Is het wat u betreft een goed idee om juridische fusies die uiteindelijk de gefuseerde onderneming haar overnameschulden laten dragen te verbieden? Zo nee, waarom niet?
De juridische fusie is een rechtshandeling waarmee het vermogen van één of meer verdwijnende rechtspersonen onder algemene titel overgaat op een bestaande of nieuw in te richten rechtspersoon. Dit wil zeggen dat alle activa en passiva mee overgaan op de verkrijgende rechtspersoon. Dit volgt in het Nederlands recht uit artikel 2:309 BW. Verder wordt de verplichte overgang van alle activa en passiva (zonder uitzonderingen) ook voorgeschreven door het Europees recht in de Vennootschapsrechtrichtlijn waar het de binnenlandse juridische fusie van NV’s en de grensoverschrijdende juridische fusie van NV’s en BV’s betreft.9 Wat het kabinet betreft is er ook geen reden om op dit principe van overgang onder algemene titel een uitzondering te maken voor overnameschulden. Een dergelijke uitzondering kan ertoe leiden dat dergelijke schulden tussen wal en schip vallen als noch de verkrijgende vennootschap noch de fuserende vennootschappen deze schuld hoeven te dragen. Verder kent Nederland waarborgen voor schuldeisers, werknemers en aandeelhouders tegen misbruik van fusies voor oneigenlijke doeleinden. Een voorbeeld hiervan is dat schuldeisers, wanneer zij door de fusie in hun verhaalsmogelijkheden beperkt worden, onder bepaalde voorwaarden zekerheid of een andere waarborg kunnen verlangen. Wanneer deze zekerheid of waarborg niet wordt verleend, kunnen schuldeisers zich op grond van artikel 2:316 BW verzetten tegen het fusieplan. Ook heeft de SER Fusiegedragsregels opgesteld met daarin regels ter bescherming van werknemers. Op grond van de Fusiegedragsregels moeten betrokken ondernemingen of organisaties de vakorganisaties op tijd informeren over de fusieplannen, zodat die organisaties invloed kunnen uitoefenen op de gevolgen voor de werknemers.10
Acht u het wenselijk de huidige anti-financiële-steunmaatregel voor de NV uit te breiden om doorleenstructuren, zoals aan de orde in de zaak Muller tegen Rabobank Katwijk, tegen te gaan? Zo nee, waarom niet?
Het verbod op financial assistance is voor NV’s reeds opgenomen in artikel 2:98c BW. Achtergrond hiervan is te voorkomen dat restricties ten aanzien van inkoop van eigen aandelen worden omzeild, bijvoorbeeld via aankoop door derden in ruil voor het verstrekken van een lening of zekerheidsstelling door de vennootschap. Dit biedt naar het oordeel van het kabinet voldoende waarborgen tegen doorleenstructuren.
Deelt u de opvatting dat wanneer persoonlijke belangen van een bestuurder niet stroken met het belang van de vennootschap, deze bestuurder zich dient te onthouden van besluitvorming? Ziet u mogelijkheden om dit principe wettelijk te borgen?
Graag bevestigt het kabinet dat uit artikel 2:129 leden 5 en 6 BW (voor de NV) en artikel 2:239 leden 5 en 6 BW (voor de BV) reeds volgt dat een bestuurder niet deelneemt aan de beraadslaging en besluitvorming indien hij daarbij een direct of indirect belang heeft dat tegenstrijdig is aan belang van de vennootschap en de daaraan verbonden onderneming. Daarmee is dit principe reeds wettelijk vastgelegd.
Deelt u de opvatting dat een bestuurder die aanzienlijke persoonlijke financiële belangen heeft in de vennootschap – bijvoorbeeld door lucratieve aandelenbelangen, schuldfinanciering voor de aankoop van aandelen of verplichtingen uit een aandeelhoudersovereenkomst – een verhoogd risico loopt primair in het belang van aandeelhouders te handelen en niet alle belangen van de vennootschap en haar stakeholders te wegen?
Of een bestuurder een tegenstrijdig belang heeft ten opzichte van de vennootschap moet, zoals hiervoor is aangegeven, worden afgeleid uit de omstandigheden van het geval.11 De enkele omstandigheid dat een bestuurder een eigen (financieel) belang heeft, hoeft niet te leiden tot de kwalificatie van een tegenstrijdig belang. Er is geen sprake van een tegenstrijdig belang in de zin van het vennootschapsrecht zolang de belangen van de bestuurder parallel lopen met de belangen van de vennootschap. Zo leidt de aanwezigheid van een arbeidsovereenkomst met de vennootschap, het bezit van aandelen in de vennootschap of een aandeelovereenkomst niet automatisch tot een tegenstrijdig belang van de bestuurder. Wel kan het zijn dat een eigen belang, bijvoorbeeld door een wijziging van omstandigheden, een tegenstrijdig belang wordt. Dit kan het geval zijn in bijvoorbeeld een overnamesituatie. In een dergelijke situatie is oplettendheid van bestuurders gepast, bijvoorbeeld in het geval dat de bestuurder bij het slagen van de overname een vergoeding in het vooruitzicht is gesteld.12
Bent u van mening dat dergelijke regelingen kunnen leiden tot een persoonlijk belang in de zin van het vennootschapsrecht?
Zie antwoord vraag 16.
Deelt u de opvatting dat dergelijke constructies het risico met zich brengen dat het stakeholdermodel feitelijk wordt ingeruild voor een aandeelhoudersmodel?
Nee, deze opvatting deelt het kabinet niet. Het Rijnlands stakeholdermodel – dat ten grondslag ligt aan het Nederlandse vennootschapsrecht – houdt in dat bestuurders zich dienen te richten naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming (zie artikel 2:129/239 lid 5 BW). Hierbij dienen alle deelbelangen waaronder die van de aandeelhouders, werknemers, schuldeisers en klanten, te worden betrokken. Zoals in antwoord op de vragen 16 en 17 is aangegeven, is er bij door de vragenstellers genoemde constructies niet zonder meer sprake van een belang dat tegenstrijdig is ten opzichte van dit belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming.
Acht u het wenselijk dat de continuïteit van ondernemingen in sectoren zoals kinderopvang, ouderenzorg en gezondheidszorg in gevaar kan komen doordat deze ondernemingen worden belast met bedrijfsvreemde schulden die zijn ontstaan bij overnames, juridische fusies of uitkeringen van toekomstige winst?
Het kabinet acht het niet wenselijk dat de continuïteit van zorgaanbieders, zowel in de ouderenzorg als breder in de gezondheidszorg, en kinderopvangaanbieders in gevaar komt doordat onverantwoorde risico’s zijn genomen bij het aangaan van schulden. Dat is ongeacht de precieze ontstaansreden van deze schulden. Het Wetsvoorstel integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders (Wibz)13 voorziet dat een zorgaanbieder niet langer onverantwoorde risico’s mag nemen bij het aantrekken of terugbetalen van eigen of vreemd vermogen. Hiernaast heeft het kabinet een aanscherping van het wetsvoorstel in voorbereiding van normen voor verantwoord ondernemerschap in de zorg, waaronder het inperken van de uitwassen van private equity. De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport zal u hierover namens het kabinet in een brief voor de zomer informeren.
Met oog op de continuïteit in de kinderopvang neemt het kabinet in het wetsvoorstel financiering kinderopvang verschillende maatregelen, waaronder een verplichting om de jaarverantwoording openbaar te maken. De openbaarmaking van de jaarverantwoording heeft als doel om financiële stromen beter inzichtelijk en controleerbaar te maken. In lagere regelgeving worden regels gesteld over de inhoud en inrichting van die jaarverantwoording. Daarbij zullen ook regels worden gesteld ten aanzien van transparantie over solvabiliteit.
In welke van de ons omringende landen bestaat de mogelijkheid om een stichting of een vergelijkbare rechtspersoon om te zetten in een BV of een vergelijkbare vennootschap?
Zowel naar Belgisch als naar Frans, Duits en Luxemburgs recht is het niet mogelijk om een stichting om te zetten in een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid. In Luxemburg kunnen stichtingen wel worden omgezet in een zogenaamde sociale-impactvennootschap (société d’impact sociétal), die zelf onder bepaalde voorwaarden de vorm kan aannemen van een naamloze vennootschap, een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of een coöperatie. Eén van de voorwaarden is dat de stichting door het bevoegde ministerie is geaccrediteerd als sociale-impactvennootschap en dat het aandelenkapitaal bij de omzetting volledig uit zogenaamde impactaandelen bestaat.
Hoe is in Nederland het toezicht geregeld op het gebruik van beklemd vermogen van stichtingen, en hoe wordt gewaarborgd dat dit vermogen wordt aangewend voor het oorspronkelijke doel van de stichting?
In Nederland geldt dat voor de omzetting van een stichting in een NV of BV een rechterlijke machtiging vereist is. Bij het beoordelen van een algemene rechterlijke machtiging voor de rechtshandeling van de omzetting (artikel 2:18 leden 4 en 5 BW) zal een rechter alle relevante aspecten een rol laten spelen, zoals de belangen van contractspartijen en van participanten. Uit hoofde van artikel 2:18 lid 6 BW geldt verder dat na omzetting van een stichting uit de statuten moet blijken dat het vermogen dat zij bij de omzetting heeft slechts met toestemming van de rechter anders mag worden besteed dan voor de omzetting was voorgeschreven. Deze rechterlijke toestemming speelt een rol als het gaat om de daadwerkelijke aanwending van vermogen na de omzetting. Na omzetting van een stichting wordt het vermogen van de stichting aldus gefixeerd of beklemd. Met deze regeling wordt zeker gesteld dat het vermogen van de stichting zoals dit is op het moment van de omzetting, slechts met toestemming van de rechter voor andere doeleinden dan de (oude) doeleinden van de stichting kan worden aangewend. Voor zover het bestuur de vermogensklem doorbreekt, is de sanctie gelegen in onbehoorlijk bestuur en kan het bestuur daarop worden aangesproken. Verder is denkbaar dat bij overtreding de omgezette rechtspersoon op de voet van artikel 2:21 lid 3 wordt ontbonden omdat de rechtspersoon in ernstige mate in strijd met zijn statuten handelt.14 Zo’n ontbinding kan worden uitgesproken door de rechter op verzoek van een belanghebbende of het openbaar ministerie.
Daarnaast is voor zover een toezichthoudend orgaan is ingesteld, het diens taak om toezicht te houden op de naleving van de vermogensklem door het bestuur. Verder vindt er ook toezicht plaats door de notaris aangezien hij de akte van omzetting dient te verlijden. De notaris moet toezien op het opnemen van de vermogensklembepaling uit hoofde van Boek 2 BW en de Wet op het notarisambt.
Bent u bekend met het feit dat financiële partijen toenemende belangstelling tonen voor de overname van ondernemingen in de kinderopvang, gezondheidszorg en ouderenzorg die vaak in de vorm van een stichting opereren?
Het kabinet is bekend met een toename van financiële partijen in de zorg, zoals investeerders. Dit is overigens een fenomeen dat breed in Europa speelt.15 Het kabinet ziet hierbij zowel kansen als risico’s voor de zorg. Om te voorkomen dat de kwaliteit, continuïteit en betaalbaarheid van zorg in het geding komen rondom overnames, heeft het kabinet een aanscherping in voorbereiding van de zorgspecifieke fusietoets waarbij fusies en overnames inhoudelijker worden getoetst door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). Hiernaast stelt het kabinet met het wetsvoorstel Wibz verschillende eisen aan zorgaanbieders die zien op winstuitkering en kwaliteit om te voorkomen dat financiële belangen niet ten koste gaan van kwalitatief goede, betaalbare en toegankelijke zorg voor de patiënt of cliënt.
In de kinderopvang zijn geen aanwijzingen dat er op dit moment op grote schaal nieuwe financiële partijen toetreden. Wel zijn er aanwijzingen dat (grote) kinderopvangorganisaties op dit moment uitbreiden, om aan de toenemende vraag naar kinderopvang te kunnen voldoen. Het kabinet blijft de ontwikkelingen in de kinderopvang doorlopend monitoren, onder andere via het Dashboard kinderopvang van het CBS.16
Bent u bekend met signalen dat beklemd vermogen van dergelijke organisaties in de praktijk kan verwateren en uiteindelijk bij aandeelhouders terecht kan komen? Zo ja, wat is uw reactie hierop?
Ik ben niet bekend met signalen uit de praktijk dat het beklemd vermogen uiteindelijk bij de aandeelhouders terechtkomt. Er gelden verschillende wettelijke waarborgen die voorkomen dat het vermogen wordt aangewend voor andere doeleinden dan de (oude) doeleinden van de stichting (zie hiervoor het antwoord op vraag 21).
Kunt u een overzicht verstrekken van alle stichtingen die sinds 2015 zijn omgezet in een BV, inclusief de namen van deze rechtspersonen?
Een rechtspersoon moet opgave van de omzetting in het Handelsregister doen (zie artikel 2:18 lid 7 BW). Uit het Handelsregister blijkt dat sinds 2015 231 stichtingen zijn omgezet in BV’s. Een overzicht daarvan wordt als bijlage met de beantwoording van deze Kamervragen meegestuurd. Dit betreffen openbare gegevens uit het Handelsregister.
Wat verstaat u onder «private equity»?
Private equity is de verzamelnaam voor partijen die vermogen aanbieden aan niet-beursgenoteerde ondernemingen. Investeringen vinden doorgaans plaats in de vorm van het verkrijgen van een meerderheidsaandeel. De fondsen voor dergelijke investeringen zijn hoofdzakelijk afkomstig van institutionele investeerders, zoals pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen of particulieren en worden beheerd door private equity partijen. De voornaamste bron van rendement voor de investeerders is de verkoop van de onderneming waarin zij investeren.
Wat verstaat u onder «de uitwassen van private equity» (coalitieakkoord, pagina 67)?
Onder «de uitwassen van private equity» als aangehaald in het hoofdstuk uit het regeerakkoord «Geld voor zorg naar zorg», verstaat het kabinet dat de betrokkenheid van een private investeerder ertoe leidt dat het financiële belang bij een zorgaanbieder ten koste gaat van kwalitatief goede, en toegankelijke zorg, nu en in de toekomst. Daarbij benadrukt het kabinet dat private investeerders zowel kansen als risico’s bieden voor de zorg. Private equity kan uitkomst bieden voor zorgaanbieders die moeite hebben met het vinden van financiering of bedrijfsopvolging. Maar we moeten voorkomen dat partijen kwalitatief goede zorg ondergeschikt maken aan hun financiële positie. Bijvoorbeeld doordat partijen onnodige risico’s nemen bij bijvoorbeeld het aangaan van schulden waarbij de continuïteit in gevaar komt. Of doordat partijen bezuinigen op kwaliteit om zo kosten te besparen en zo de financiële positie te verbeteren. Daarom treft het kabinet maatregelen voor een betere balans, waarbij ruimte blijft voor verantwoord ondernemerschap in de zorg, maar uitwassen en excessen voorkomen kunnen worden.
Hoe gaat u «de uitwassen van private equity» inperken?
Het kabinet is voornemens om met de Wibz voorwaarden te stellen aan zorgaanbieders die onder andere zien op winstuitkering, onverantwoorde risico’s en het borgen van de kwaliteit van zorg. Momenteel heeft het kabinet een aanscherping van de Wibz in voorbereiding. De aanscherpingen zien op onder andere de voorwaarden voor winstuitkering, de reikwijdte van het winstuitkeringsverbod en de excessen van private equity. De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport zal namens het kabinet de Tweede Kamer hier in een brief voor de zomer over informeren. Hiernaast scherpt het kabinet de zorgspecifieke fusietoets aan, waarbij fusies en overnames meer inhoudelijk getoetst kunnen worden door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa).
Ook voor de kinderopvang treft het kabinet een aantal maatregelen in het wetsvoorstel financiering kinderopvang om te borgen dat de extra middelen voor kinderopvang ook daadwerkelijk bij kinderopvang terecht komen. Voorbeeld hiervan is het verplichten van openbare jaarverantwoording.
Openbaarmaking bedrijfsgegevens naar aanleiding van de technische briefing over doelsturing |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
van Essen , Enneüs Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het dat bij een systeem van doelsturing op bedrijfsniveau gegevens over emissies, managementmaatregelen of prestaties van individuele landbouwbedrijven verzameld en verwerkt zullen worden?
Ja, dat klopt.
Klopt het dat dergelijke gegevens, wanneer zij bij de overheid berusten, in beginsel onder de reikwijdte van de Wet open overheid (Woo) kunnen vallen?
Ja, dat kan. De Woo geeft algemene regels voor het openbaar maken van de informatie waarover de overheid beschikt. Daaronder vallen in beginsel ook de bedrijfsgegevens van individuele bedrijven waar de overheid over beschikt, ongeacht hoe de overheid daarover de beschikking heeft gekregen. Doorslaggevend voor de vraag of gegevens onder de reikwijdte van de Woo vallen, is of er een verband bestaat tussen de informatie en de publieke taak van het bestuursorgaan. Niet alle gegevens die bij de overheid berusten zijn per definitie verbonden aan de publieke taak van in dit geval de Minister van LVVN. Wat publieke taken zijn moet ruim worden uitgelegd zo blijkt uit de memorie van toelichting bij de Woo.1
Deelt u de zorg dat openbaarmaking van gedetailleerde bedrijfsgegevens van individuele landbouwbedrijven kan leiden tot ongewenste effecten zoals reputatieschade, actiedruk of juridisering richting individuele ondernemers?
Ik begrijp dat openbaarmaking van gedetailleerde bedrijfsgegevens van individuele landbouwbedrijven impact kan hebben voor individuele ondernemers, zeker als bedrijfsgegevens gelijk zijn aan het privéadres. Ik begrijp dat dit zijn weerslag kan hebben op ondernemers en hun gezinnen. Zoals ik in mijn brief over de zienswijzeprocedure bij de openbaarmaking van emissiegegevens 15 april 20262 heb aangegeven werk ik in dit kader met het Ministerie van Justitie en Veiligheid aan een onderzoek naar de sociale veiligheid van agrarisch ondernemers.
Hoe wordt voorkomen dat bedrijfsgegevens die nodig zijn voor doelsturing via Woo-verzoeken openbaar gemaakt kunnen worden?
Openbaarheid van overheidsinformatie is een belangrijk onderdeel van onze democratische rechtsstaat. Openbaarheid van gegevens maakt het mogelijk voor belangenorganisaties, onderzoekers en burgers informatie te vergaren over onder andere hun leefomgeving.
Daarom zijn er internationaal afspraken gemaakt over openbaarheid van informatie. Deze afspraken zijn vastgelegd in het Verdrag van Aarhus (hierna: het verdrag) en de Europese milieu-informatierichtlijn (Richtlijn 2003/4/EG, hierna: de richtlijn). De richtlijn en het verdrag zijn geïmplementeerd in de Woo.
Ik streef er dan ook niet naar om dergelijke informatie te onttrekken van de openbaarheid. Tegelijkertijd kunnen er wel dilemma’s spelen, bijvoorbeeld wanneer de openbaarmaking van dergelijke gegevens mede raakt aan de persoonlijke levenssfeer van agrarische ondernemers. Daarbij spelen een aantal elementen een rol.
Als er een verzoek wordt gedaan tot openbaarmaking, is het van belang om welke gegevens verzocht wordt. Als bedrijfsgegevens ook als milieu-informatie aan te merken zijn, dan dient een afweging te worden gemaakt tussen het belang van openbaarmaking tegenover het belang van het bedrijf om de bedrijfsgegevens niet openbaar te maken. Bij deze belangenafweging staat openbaarmaking van de gegevens voorop. Er kan alleen van openbaarmaking van de (betreffende) informatie worden afgezien wanneer het bedrijf concreet kan onderbouwen dat openbaarmaking daadwerkelijk en ernstige schade toebrengt aan het bedrijfsbelang3.
Op grond van artikel 5.1, zevende lid, van de Woo mogen er bij emissiegegevens geen uitzonderingsgronden worden toegepast. Deze gegevens moeten dan ook altijd openbaar worden gemaakt als daartoe een verzoek wordt gedaan. Ook als het hierbij gaat om gegevens die de persoonlijke levenssfeer raken, zoals bedrijfsadressen die tevens woonadressen zijn.4 Dit laatste is een verplichting die direct voortvloeit uit de richtlijn.
Ik realiseer mij dat er zich dilemma’s kunnen voordoen bij de openbaarmaking van informatie, bijvoorbeeld wanneer openbaarmaking van informatie mede raakt aan de persoonlijke levenssfeer van agrarische ondernemers. Ik vind het daarom van belang om de verschillende belangen die hier kunnen spelen af te wegen, binnen de kaders die onder meer de Woo, de richtlijn en het verdrag bieden. Dit zal ook worden meegenomen in de wetsevaluatie van de Woo en bij de vormgeving van doelsturing.
Wordt overwogen om de dataverzameling voor doelsturing (deels) buiten de overheid te organiseren, bijvoorbeeld via ketenorganisaties, sectorale systemen of onafhankelijke dataplatforms?
In het kader van doelsturing zal nog besloten moeten worden hoe de organisatie van data delen ingericht zal worden. Daarbij is het goed om op te merken dat informatie die nodig is voor een goede taakuitoefening door de overheid niet gepositioneerd kan worden buiten de invloedsfeer van het ministerie waardoor documenten buiten de reikwijdte van de Woo vallen. Ook indien het verzamelen, controleren en bewerken van agrarische bedrijfsinformatie gebeurt door een specifiek daarvoor op te richten private entiteit, is niet uit te sluiten dat die entiteit geheel of gedeeltelijk onder de Woo valt, omdat voor milieu-informatie een ruim begrip van «overheid» moet worden gehanteerd. Bij besluitvorming door de overheid is het noodzakelijk dat de overheid over relevante gegevens beschikt.
Bent u bekend met systemen in de veehouderij waarbij gegevens over diergezondheid en bedrijfsvoering via ketenpartijen worden verzameld, zoals binnen de zuivelsector via systemen als KoeMonitor/KoeKompas?
Ja, daar ben ik mee bekend.
Ziet u mogelijkheden om monitoring in het kader van doelsturing primair via gebiedsmonitoring te organiseren, bijvoorbeeld via gebiedscoöperaties of andere collectieve verbanden van boeren, zodat niet direct bedrijfsgegevens van individuele landbouwbedrijven bij de overheid berusten?
Bij een systeem van doelsturing op bedrijfsniveau zal monitoring primair via individuele landbouwbedrijven georganiseerd worden. Bovendien is voor sommige toepassingsvormen van doelsturing herleidbaarheid naar bedrijven een vereiste. Hiernaast kunnen de mogelijkheden naar gebiedsmonitoring verkend worden om gegevens op een meer geaggregeerd niveau te verzamelen. Zie ook het antwoord op vragen 4 en 5 voor het geval herleidbaarheid naar bedrijven nodig is.
Welke waarborgen worden overwogen om ervoor te zorgen dat boeren veilig en zonder risico op openbaarmaking van bedrijfsgevoelige informatie kunnen deelnemen aan systemen voor doelsturing?
Er moeten hierover nog keuzes worden gemaakt, waarbij uiteindelijk van belang is dat besluiten zorgvuldig worden voorbereid en dragend worden gemotiveerd. Bij het maken van deze keuzes zal ik de belangen van openbaarheid en de bescherming van bedrijfs- en persoonsgegevens afwegen binnen de geldende kaders.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het op donderdag 9 april 2026 geplande commissiedebat Doelsturing?
Het commissiedebat Doelsturing is door uw Kamer uitgesteld tot nader order. De reguliere termijn voor het beantwoorden van Kamervragen is gehanteerd.
Het bericht 'Rotterdamse huisartsenpost toont clip 'Boom Boom Tel Aviv' op groot scherm' |
|
Mona Keijzer , René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat bij de huisartsenpost Rotterdam Zuidplein op een groot scherm een videoclip is vertoond waarin geweld wordt verheerlijkt, zoals te zien was op beelden die op sociale media circuleerden?1
Op de gevel van een huisartsenpraktijk in Rotterdam, huisartsenpost Zuidplein, hangt een scherm. Het is goed te zien vanaf de straat. Op dat scherm verscheen in maart een videoclip. Het liedje uit de clip heeft als titel: «Boom, Boom, Tel Aviv». Een van de strofen uit het liedje luidt: «But humanity never expected good behavior from your Jews».
Dit bericht roept afschuw op bij het kabinet. De vertoning van een dergelijke videoclip op de gevel van een huisartsenpraktijk vindt het kabinet volkomen onacceptabel.
Worden deze beelden door of namens deze huisartsenpost zelf aangestuurd of door een externe advertentiedienst?
Wie de beelden aanstuurde, is voor het kabinet vooralsnog onduidelijk. Er is inmiddels een opsporingsonderzoek opgestart onder leiding van het Openbaar Ministerie. Vermoedelijk zal daaruit blijken wie de beelden aanstuurde. Na afronding van het opsporingsonderzoek zal de officier van justitie beslissen wat de volgende stap is.
Heeft deze huisartsenpost een verantwoordelijkheid om bij (potentiële) patiënten geen enkele zorg te laten ontstaan over de vraag dat ongeacht de herkomst of nationaliteit van een persoon deze kan rekenen op de best beschikbare zorg?
Huisartsen moeten zich houden aan de gedragscode van Artsenfederatie KNMG. Die gedragscode is een leidraad voor het handelen van artsen en maakt deel uit van de professionele standaard. De gedragscode is tot stand gekomen in nauw overleg met artsen, experts en andere stakeholders, zoals de Patiëntenfederatie Nederland.2 De gedragscode bestaat uit vijftien kernregels. In de tweede kernregel is opgenomen: «Als arts draag je bij aan de beschikbaarheid en toegankelijkheid van de gezondheidszorg. Je behandelt iedereen in gelijke gevallen gelijk en in ongelijke gevallen ongelijk, en je discrimineert dan ook niet».3
Dit betekent dat een huisarts ervoor moet zorgen dat patiënten zich veilig en welkom voelen in de praktijk. De praktijk moet toegankelijk zijn voor iedere patiënt, ongeacht diens godsdienst, afkomst, nationaliteit of politieke gezindheid.
Deelt u de opvatting dat zorgverleners, en zorginstellingen in het bijzonder, een neutrale, veilige en niet-politieke omgeving moeten bieden aan alle patiënten, ongeacht herkomst, religie of politieke opvatting?
Ja.
Hoe verhoudt het vertonen van een video waarin geweld wordt gevierd zich volgens u tot de professionele normen, zoals beschreven door de KNMG en in bredere zin in de medische beroepsethiek, waaronder het uitgangspunt dat artsen en zorginstellingen handelen op een wijze die geen schade toebrengt, vertrouwen wekt en respect voor iedere patiënt waarborgt?2
Zoals hierboven uitgelegd, moeten huisartsen zich houden aan de gedragscode van Artsenfederatie KNMG. De gedragscode biedt artsen een leidraad voor het professionele handelen en maakt deel uit van de professionele standaard. De gedragscode bestaat uit vijftien kernregels. Zoals hierboven aangegeven, staat in de tweede kernregel: «Als arts draag je bij aan de beschikbaarheid en toegankelijkheid van de gezondheidszorg. Je behandelt iedereen in gelijke gevallen gelijk en in ongelijke gevallen ongelijk, en je discrimineert dan ook niet». Dit betekent dat een huisarts ervoor moet zorgen dat patiënten zich veilig en welkom voelen in de praktijk. De praktijk moet toegankelijk zijn voor iedere patiënt, ongeacht diens godsdienst, afkomst, nationaliteit of politieke gezindheid.
Een videoclip met het liedje «Boom, Boom, Tel Aviv» acht het kabinet volkomen onacceptabel. Een dergelijke videoclip kan een drempel opwerpen voor Rotterdammers om zich welkom te voelen als patiënt in de huisartsenpraktijk en kan daarmee de toegang tot zorg belemmeren.
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) ziet toe op de kwaliteit en de veiligheid van de zorg. De naleving van professionele standaarden, waaronder de KNMG-gedragscode, maakt daar deel van uit.
Kunt u bevestigen dat de Nederlandse artseneed, zoals opgenomen in de universitaire opleidingen sinds 2003, artsen onder meer verplicht tot het bevorderen van vertrouwen, het voorkomen van schade en het professioneel handelen in het belang van de patiënt? Acht u het vertonen van deze video in lijn met die eed en professionele verplichtingen?
De artseneed is een morele en ethische belofte. De artseneed is niet juridisch bindend. De bovengenoemde gedragscode van de KNMG is een leidraad voor het handelen van artsen. Die maakt deel uit van de professionele standaard.
Twee kernregels uit de gedragscode zijn hier relevant:
Kernregel 8 van de gedragscode geldt ook voor publieke uitingen.5 In de toelichting bij deze kernregel is opgenomen dat dit geldt voor uitingen zowel binnen de spreekkamer als voor uitingen daarbuiten, zoals in de media of in het maatschappelijk debat. Een arts heeft daarbij de verantwoordelijkheid om bij de eigen expertise te blijven en zich te onthouden van uitingen die buiten de eigen kennis en kunde vallen. De artsen-titel legt nu eenmaal gewicht in de schaal. In het algemeen wordt meer waarde toegekend aan een uitspraak van een arts vanuit diens professionele deskundigheid, zeker als die op zijn eigen werkterrein ligt. Het is daarom dat een arts zorgvuldig moet omgaan met (persoonlijke) uitingen en het verspreiden van informatie. De gedragscode is een leidraad van de beroepsgroep zelf en artsen kunnen daarop terugvallen en de gedragscode als ruggensteun gebruiken. Ook de tuchtcolleges voor de gezondheidszorg kunnen de gedragscode betrekken bij het toetsen van het handelen van een arts, ongeacht of een arts lid is van de KNMG. Overigens geldt de gedragscode voor alle artsen die in het BIG-register zijn opgenomen.
Een videoclip met het liedje «Boom, Boom, Tel Aviv» roept afschuw op bij het kabinet. De vertoning van een dergelijke videoclip op de gevel van een huisartsenpraktijk vindt het kabinet volkomen onacceptabel. Het kan een drempel opwerpen voor Rotterdammers om zich welkom te voelen als patiënt in de huisartsenpraktijk. Daarnaast hebben het bombarderen van Tel Aviv en een hatelijke boodschap over Joden niets te maken met huisartsenzorg.
Zijn er eerder uitingen op dit scherm geweest die vraagtekens zetten bij de genoemde normen die gelden voor leden van de medische beroepsgroepen?
Het College van burgemeester en Wethouders van Rotterdam heeft in 2023 vragen beantwoord van de gemeenteraad over antiwesterse en pro-Palestijnse posts op de LinkedIn-pagina van Huisartsenpost Zuidplein.
Bent u ervan op de hoogte dat buurtbewoners inmiddels klachten hebben ingediend over het scherm en dat het scherm inmiddels is uitgezet? Worden deze klachten betrokken bij een onderzoek of bestuurlijke beoordeling?
In hoeverre buurtbewoners hebben geklaagd en bij wie, is het kabinet niet bekend. Wel is bekend dat er een opsporingsonderzoek is opgestart onder leiding van het Openbaar Ministerie. Na afronding van het opsporingsonderzoek zal de officier van justitie beslissen wat de volgende stap is.
Daarnaast heeft Bouw- en Woningtoezicht van de gemeente Rotterdam een toezichtsonderzoek opgestart. Voor het plaatsen van een scherm aan een gevel is op grond van de Omgevingswet een vergunning vereist. Een dergelijke vergunning blijkt echter niet aangevraagd te zijn voor het scherm op de huisartsenpraktijk.
Kunt u uiteenzetten welke mogelijkheden patiënten hebben om een formele klacht in te dienen wanneer zij zich door dergelijke politieke of gewelddadige boodschappen onveilig, ongewenst of bedreigd voelen bij het bezoeken van een huisartsenpost?
Patiënten die zich onveilig, ongewenst of bedreigd voelen, kunnen een melding doen bij het Landelijk Meldpunt Zorg van de IGJ. Zie: Ik heb een klacht | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd
Daarnaast kunnen patiënten een klacht indienen bij de zorgaanbieder zelf. De zorgaanbieder is verplicht een schriftelijke regeling op te stellen voor een effectieve en laagdrempelige opvang en afhandeling van hem betreffende klachten.
Kunt u toezeggen om deze situatie onder de aandacht te brengen van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)?
De IGJ is op de hoogte van signalen over deze situatie en betrekt deze binnen haar toezicht op de kwaliteit en veiligheid van de zorg.
Wat vindt uzelf van het vertonen van deze videoboodschap boven een huisartsenpost in relatie tot de KNMG-gedragsregels en de medische beroepsethiek, inclusief de normen over neutraliteit, veiligheid en het vermijden van schade?
De vertoning van een dergelijke videoclip op de gevel van een huisartsenpraktijk vindt het kabinet volkomen onacceptabel. Het kan een drempel opwerpen voor Rotterdammers om zich welkom te voelen als patiënt in de huisartsenpraktijk. Daarnaast hebben het bombarderen van Tel Aviv en een hatelijke boodschap over Joden niets te maken met huisartsenzorg.
Welke voorwaarden gelden er voor met premie, c.q. belastinggeld, betaalde zorginstellingen ten aanzien van het gebruiken van publieke schermen of uitingen voor politieke, activerende of mogelijk polariserende boodschappen? Zijn deze waarborgen volgens u voldoende?
De vertoning van beelden op een scherm aan de gevel van een huisartsenpraktijk moet aan diverse normen voldoen. Het kabinet acht deze normen voldoende. De vertoning mag allereerst niet strafbaar zijn. Of er sprake is van strafbaarheid wordt uitgezocht in het reeds opgestarte opsporingsonderzoek onder leiding van het Openbaar Ministerie. Na afronding van het opsporingsonderzoek zal de officier van justitie beslissen wat de volgende stap is.
Daarnaast is voor het plaatsen van een scherm aan een gevel een vergunning vereist. Dat is geregeld in de Omgevingswet. Een dergelijke vergunning blijkt echter niet aangevraagd te zijn voor het scherm op de huisartsenpraktijk. Bouw- en Woningtoezicht van de gemeente Rotterdam heeft een toezichtsonderzoek opgestart.
Tot slot moeten huisartsen zich houden aan de gedragscode van Artsenfederatie KNMG. Die gedragscode maakt deel uit van de professionele standaard. De IGJ is op de hoogte van signalen over deze situatie en betrekt deze binnen haar toezicht op de kwaliteit en veiligheid van de zorg.
Deelt u de opvatting dat het vertonen van gewelddadige en polariserende content vanaf een zorginstelling niet alleen onverenigbaar is met de rol van een huisartsenpost, maar ook onwenselijk is in de openbare ruimte?
Ja.
Welke bestuurlijke maatregelen acht u passend indien een zorginstelling (herhaaldelijk) uitingen verspreidt die angst of haat kunnen aanwakkeren in de openbare ruimte? Wordt daarbij ook de mogelijkheid betrokken van (tijdelijke) sluiting of het intrekken van vergunningen indien normen structureel worden overschreden?
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft in dit geval niet de bevoegdheid om bestuurlijke maatregelen te treffen. Toezichtsonderzoek en de eventuele beslissing om handhavingsmaatregelen te treffen is aan de toezichthouders: de IGJ en Bouw- en Woningtoezicht van de gemeente Rotterdam.
Kunt u toezeggen de Kamer te informeren over de uitkomsten van eventueel onderzoek door IGJ of andere toezichthouders, en over eventuele maatregelen die u naar aanleiding daarvan noodzakelijk acht?
Ja, voor zover dat binnen de geldende wettelijke kaders mogelijk is, zal ik de Kamer informeren over de uitkomsten van eventueel onderzoek door de IGJ of andere toezichthouders, evenals over eventuele maatregelen die naar aanleiding daarvan noodzakelijk worden geacht.
De Joint Letter of Intent met Tata Steel en het vervolg van de maatwerkafspraak |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Ani Zalinyan (GroenLinks-PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Bertram |
|
|
|
|
Kunt u toelichten welke rol u voor de Expertgroep Gezondheid IJmond ziet in de verdere uitwerking van de maatwerkafspraak met Tata Steel en de opvolging van de afspraken?
Kunt u toelichten hoe u de adviezen van de Expertgroep Gezondheid IJmond heeft meegewogen – en waarom bepaalde adviezen wel of niet zijn overgenomen – bij het opstellen van de Joint Letter of Internt (JLoI) met Tata Steel?
Bent u van plan om in lijn met de motie-Tijssen c.s. (Kamerstuk 28 089, nr. 307) de adviezen van de Expertgroep Gezondheid IJmond, ook voor zover deze niet in de JLoI zijn opgenomen, als harde voorwaarde mee te nemen in de onderhandelingen en uitwerking van de uiteindelijke maatwerkafspraak?
Kunt u een toelichting geven op het proces, inclusief de tijdlijn, om te komen tot een MER en een GER, en op de rol die beide instrumenten hebben bij vergunningverlening en het al dan niet verstrekken van subsidie?
Indien de maatwerkafspraak in september wordt ondertekend, heeft u, en daarmee de Kamer, dan voldoende inzicht in de gezondheidseffecten van de afspraken, afrekenbare garanties op vermindering van schadelijke effecten, vergunningverlening en de mogelijk te verstrekken subsidie?
Wordt de GER, naast een informatief instrument, ook een sturend instrument?
Zullen, zoals geadviseerd door de Expertgroep Gezondheid IJmond, naast de MER ook de resultaten van de GER voorwaardelijk worden gemaakt voor vergunningverlening?
Hoe gaat u de kennis- en meetlacunes ten aanzien van gezondheidseffecten, bijvoorbeeld van zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) en ultrafijnstof, adresseren?
Hoe gaat u de noodzakelijke omvang van het meetnetwerk, nieuwe meetmethoden en de resultaten daarvan een integraal en afdwingbaar onderdeel maken van de maatwerkafspraken?
Bent u van plan om, in lijn met het advies van de Expertgroep Gezondheid IJmond, afdwingbare gezondheidsdoelen op te nemen in de uiteindelijke maatwerkafspraak, en hoe worden deze doelen vastgesteld (bijvoorbeeld op basis van waarden voor een gemiddelde stad of WHO-richtlijnen)?
Gaat u naast emissiedoelen ook immissiedoelen opnemen in de maatwerkafspraak?
Hoe bent u voornemens op dergelijke doelen te handhaven, en welke consequenties – zoals ontbindende voorwaarden, boetes of terugvorderingen – worden verbonden aan het niet behalen van de gezondheidsdoelen?
Bent u voornemens om periodieke evaluatiemomenten (bijvoorbeeld elke twee jaar) vast te leggen, waarin wordt beoordeeld of aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn?
Bent u van plan om in lijn met het advies van de Expertgroep Gezondheid IJmond naast gezondheidsafspraken en -doelen voor nieuwe installaties ook afspraken over bestaande installaties op te nemen in de maatwerkafspraak?
Hoe gaat u de weging en toetsing van het kosteneffectiviteitsbeginsel specifiek voor investeringen in Best Beschikbare Technieken (BBT) voor ZZS, versterken en verbreden met maatschappelijke waarden zoals gezondheid?
Heeft u Tata Steel verzocht om in de MER-alternatieven op te nemen die bijvoorbeeld de gezondheidswinst of de CO2-reductie maximaliseren, zodat een betere afweging kan worden gemaakt?
Waarom hanteert Tata Steel in de MER een andere productiecapaciteit – en daarmee mogelijk een andere uitstoot – dan in de JLoI, en wat zijn daarvan de consequenties?
Hoe (juridisch) zeker zijn de vergunningen voor emissies van Tata als de gezondheid en dus het belang van omwonenden onvoldoende is meegewogen? Kunt u bij het beantwoorden van deze vraag de jurisprudentie van de RBV-zaak van omwonenden tegen Schiphol meewegen, waarbij de rechter oordeelde met verwijzing naar het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden?
Hoe houdbaar zijn de maatwerkafspraken als deze vergunningen vereisen die niet vergunbaar zijn of door de rechter worden vernietigd? Wat zijn de gevolgen van een vernietigde vergunning voor de maatwerkafspraken en de subsidies of andere incentives?
Kunt u toelichten hoe de economische en maatschappelijke baten van Tata Steel voor Nederland zich verhouden tot de NOx-emissie en welke maatschappelijke baten gegenereerd kunnen worden door deze emissie te verminderen of anders «te besteden»?
Kunt u toelichten op welke wijze de voorgenomen maatwerkafspraak met Tata Steel leidt tot additionele CO2-reductie ten opzichte van de geldende Nederlandse en Europese klimaatdoelstellingen?
Onderschrijft u dat binnen het EU ETS productbenchmarks worden toegepast om de hoeveelheid gratis emissierechten voor individuele installaties te bepalen en niet bepalend zijn voor de hoeveelheid emissierechten binnen het EU ETS?
Onderschrijft u dat ETS-benchmarks primair gebaseerd zijn op de prestaties van bestaande installaties en daarmee een afspiegeling vormen van de huidige stand van de techniek, niet het reductiepotentieel of de beschikbare transitie- of mitigatieopties?
Kunt u toelichten welke rol ETS-benchmarks spelen in de beoordeling of de voorgenomen CO2-reductie door Tata Steel additioneel is ten opzichte van wat reeds door het EU ETS wordt afgedwongen, en heeft een aanpassing van de benchmarks – zoals aangekondigd door de Europese Commissie – hier invloed op?
Welke criteria hanteert u om te bepalen of sprake is van «versnelde» CO2-reductie in het geval van Tata Steel, en hoe verhouden deze criteria zich tot het reductietempo dat reeds volgt uit het EU ETS?
Kunt u toelichten welke rol deze criteria, en specifiek de ETS-benchmarks, spelen in de beoordeling of Tata Steel in aanmerking komt voor staatssteun?
Hoe weegt u in dit kader de Europese CO2-grensheffing (CBAM) en de versnelde afbouw van gratis rechten en de prikkel die daarmee ontstaat, ongeacht mogelijke staatssteun, om te investeren in verduurzaming?
Is er nog steeds sprake van «versnelde» CO2-reductie, en voldoende onderbouwing voor staatssteun, als Tata Steel slechts de overstap van kolen naar aardgas maakt in fase 1 – en niet overstapt op groen gas of -waterstof?
Worden er harde doelen en tijdlijnen opgenomen over CO2-reductie en investeringen in fase 2 – de tweede helft van de fabriek – of staat het Tata Steel vrij om die investeringen niet te doen of zelfs de tweede helft van de fabriek te sluiten?
Worden er met het oog op de strategische autonomie en importafhankelijkheid harde garanties opgenomen in de maatwerkafspraak dat Tata Steel ten laatste voor 2032 overstapt op hernieuwbare energie en dat nieuwe installaties niet nog vele jaren op aardgas draaien?
Hoe worden de ketenemissies van aardgas – zoals methaanlekkage en transportkosten – meegenomen in de afspraken? Zijn daar analyses van en worden ook daar doelen voor gesteld?
Kunt u bevestigen dat Tata Steel, afgaande op afspraken in de intentieverklaring, de 200 miljoen euro staatssteun kan gebruiken om, mogelijk zelfs buiten Nederland, certificaten voor groen gas te kopen en dus kan beslissen om fysiek door te draaien op aardgas?
Hoe wordt de businesscase van wind op zee meegewogen in de beslissing om te kiezen voor groen gas of groene waterstof?
Waarom wordt wat betreft groen gas of waterstof enkel gekozen voor optionele subsidiering, in plaats van, of in combinatie met afdwingbare afspraken – en wordt dit in de maatwerkafspraak aangepast?
Is er door u een vergelijking gemaakt tussen de (maatschappelijke) kosten van het huidige plannen en een scenario waarbij afspraken worden gemaakt met andere landen of producenten over de import van met hernieuwbare energie geproduceerde Hot Briquetted Iron (HBI), dat vervolgens door Tata Steel IJmuiden wordt verwerkt tot groen staal?
Hoe weegt u de maatschappelijke kosten, zoals werkgelegenheid, benodigde subsidie en investeringen met een scenario met (ten dele) HBI-import?
Hoe weegt u consequenties van de import van HBI tegenover de import van aardgas, kolen, groen gas, waterstof en ijzererts voor de Nederlandse en Europese strategische autonomie?
In hoeverre wordt de ambitie uit het coalitieakkoord om in 2050 een volledig circulaire economie te hebben meegenomen in de uitwerking van de intentieverklaring?
Worden er circulaire (tussen)doelen opgenomen in de afspraken – zowel in fase 1 als 2 – en die afrekenbaar gemaakt?
Hoe betrekt u de rest van de keten – denk aan afspraken over het oplopend gebruik van schroot, maar ook vraagcreatie voor circulair- en groen staal – bij de uitwerking van de intentieverklaring?
Ziet u het borgen van de financiële verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid van Tata Steel Ltd. als een belangrijk onderdeel van de maatwerkafspraak?
In hoeverre zal Tata Steel Ltd. financieel bijdragen aan de investeringen aan de kant van Tata Steel en op welke manier?
Wat zijn de financiële consequenties voor de staat als de vergunningverlening vertraging oploopt en daarmee afspraken zoals nu uitgewerkt niet meer haalbaar blijken?
Maakt u zich in de onderhandelingen hard voor een financiële garantstelling – een zogenaamde 403-verklaring – van Tata Steel Ltd voor zaken als schulden, schoonmaakkosten of een sociaal plan?
Hoe wordt het Sociaal Contract Groen Staal – bedoeld om de werknemers zekerheid te verschaffen over hun toekomst – betrokken in de uitwerking van de intentieverklaring?
Gaat u een koppeling maken tussen de ondertekening van de maatwerkafspraak en de activering van het Sociaal Contract Groen Staal?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het plenaire debat over de intentieverklaring met Tata Steel?
De voortgang van de vermindering in regeldruk voor ondernemers |
|
Arend Kisteman (VVD) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat vermindering van de regeldruk voor ondernemers heel belangrijk is voor het verbeteren van het ondernemersklimaat? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik deel die mening. Alhoewel de bedoeling achter regels meestal goed is – vaak ter bescherming van een gerechtvaardigd belang, zoals de bescherming van werknemers, consumenten en ons milieu – hebben ondernemers momenteel te maken met onnodige regeldruk. Dit belemmert het ondernemerschap en verslechtert het ondernemingsklimaat. Wanneer ondernemers worden geconfronteerd met complexe administratieve verplichtingen, gaat dat ten koste van de tijd om te ondernemen en soms ook ten koste van innovatie, investeringen en groei. Ondernemers moeten minder tijd en geld kwijt zijn aan administratieve verplichtingen en meer ruimte krijgen om te doen waar zij goed in zijn: ondernemen.
Vindt u het ook zorgelijk dat de productiviteit van het midden- en kleinbedrijf achterblijft en deelt u de mening dat meer ruimte voor ondernemers door een afname van de regeldruk de productiviteit kan verhogen? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het ook zorgelijk dat de productiviteit van het midden- en kleinbedrijf achterblijft, omdat juist daar een belangrijk deel van ons verdienvermogen en onze brede welvaart wordt gerealiseerd. Een afname van de regeldruk kan de productiviteit van het mkb verbeteren doordat ondernemers zich dan weer kunnen richten op waar zij het verschil maken: vakmanschap, innovatie en groei. Tegelijkertijd zet het kabinet breder in op het versterken van productiviteit, onder meer via de oprichting van de Productiviteitsraad. Deze adviesraad zal het kabinet tenminste jaarlijks informeren over de ontwikkeling van de productiviteit in Nederland en concrete beleidsaanbevelingen te doen om de productiviteitsgroei, zowel binnen en buiten het mkb, te bevorderen. Ook dienen de aanbevelingen van de raad als basis voor de jaarlijks terugkerende Productiviteitsagenda van het kabinet.
Wat is uw interpretatie van het begrip «voor de zomer», in de afspraak met de Kamer om «voor de zomer» 500 ondernemersregels af te schaffen of te versoepelen?1
Dit kabinet zet de aanpak voor regeldrukvermindering voor ondernemers, die is gestart in september 2025, voort. Het is een aanpak waarbij álle ministeries die regels hebben voor ondernemers meedoen. Het doel is om voor de zomer 500 regels aan te pakken voor ondernemers om de regeldruk te verminderen. Ook wanneer het kabinet bezig is om regelgeving aan te passen of te schrappen, wordt dit opgenomen in de lijst. Regelgeving is namelijk niet zomaar aangepast. Voor het schrappen of aanpassen van regels moet hetzelfde wetgevingsproces worden doorlopen als voor het maken van regels (dat duurt vaak minimaal 1 à 2 jaar). Ik zal uw Kamer in juli 2026 informeren over de tussenstand.
Klopt het dat de vermindering van regeldruk door het wijzigen van 32 ondernemersregels het meest recente getal betreft?2 Zo niet, wat is dan het actuele aantal aangepaste of afgeschafte ondernemersregels?
Nee, het genoemde getal van 32 ondernemersregels is niet meer actueel. Inmiddels is voor 78 regels de regeldruk daadwerkelijk verminderd. Voor de kerst heeft het vorige kabinet aangekondigd aan de slag te gaan om voor 218 regels de regeldruk te verminderen. Ook dit kabinet blijft de komende maanden werken aan de doelstelling om voor de zomer 500 regels aan te pakken door ze te schrappen of te vereenvoudigen. De voortgang hiervan wordt weergegeven via de regeldrukteller op de regeldrukmonitor.3 Op 9 april is de regeldrukmonitor geactualiseerd waaruit blijkt dat dit kabinet nog eens 97 aanvullende regels aanpakt die ondernemers onnodig belasten. In totaal komt dit neer op 315 regels.
Van die 315 regels is de regeldruk voor 78 regels al verminderd. Ondernemers kunnen hier al de eerste effecten van merken. Het verschil tussen aangekondigde en gerealiseerde regels komt doordat juridische en praktische stappen tijd kosten. Ondernemers merken pas echt minder regeldruk als de wijzigingen in de praktijk zijn doorgevoerd. In de tabel hieronder staat de voortgang per ministerie. De kolom «lopend» laat zien voor hoeveel regels de wijziging al in gang is gezet. De kolom «gerealiseerd» geeft weer voor hoeveel regels de regeldrukvermindering is doorgevoerd (en waar ondernemers nu al profijt van hebben).
Lopend
Gerealiseerd
Totaal
1
1
1
1
40
5
45
30
2
32
30
39
69
33
3
36
14
1
15
3
9
12
2
2
52
13
65
11
1
12
20
5
25
237
78
315
Wat is de voortgang van het schrappen of vereenvoudigen van de andere geïnventariseerde ondernemersregels in de brief aan de Kamer van 15 december 2025?3
Zie het antwoord op vraag 3 en 4.
Wanneer kan de Kamer een inventarisatie ontvangen van de overige 282 ondernemersregels die nog voor de zomer 2026 moeten worden vereenvoudigd of afgeschaft?
De regeldrukmonitor is op 9 april geactualiseerd. Het doel is om voor de zomer van 2026 500 regels aan te pakken om de regeldruk te verminderen. Ik zal uw Kamer in juli 2026 informeren over de tussenstand.
Gaat u de doelstelling van het aanpakken van 500 ondernemersregels voor de deadline halen?
De inzet van dit kabinet is om de Aanpak Regeldruk die door het vorige kabinet is gestart door te zetten en voor de zomer 2026 500 regels aan te pakken om de regeldruk te verminderen. Het kabinet werkt hard aan die doelstelling en er is al substantiële voortgang geboekt. Tegelijkertijd is het structureel verminderen van onnodige regeldruk niet eenvoudig. De regelgeving die we hebben, is een ingewikkeld bouwwerk geworden. Of we de 500 regels voor de zomer dit jaar precies halen weet ik niet, maar ik hecht grote waarde aan het vasthouden aan de doelstelling. Die stimuleert namelijk de noodzakelijke actie. Belangrijker nog is dat ondernemers horen, zien en ervaren dat het kabinet werkt aan vermindering van regeldruk.
Juist daarom blijft de focus voor de komende jaren zo belangrijk. Dit is geen eenmalige actie, maar een structurele opgave om regelgeving eenvoudiger en werkbaarder te maken. Ik blijf mij inzetten om knelpunten die ondernemers ervaren aan te pakken en zoveel mogelijk regels te vereenvoudigen of te schrappen, zodat ondernemers in de praktijk merken dat regeldruk afneemt en ze minder tijd kwijt zijn aan de verplichtingen.
De publicatie van de Handelsmonitor 2025 |
|
Frederik Jansen (FVD) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met de publicatie van de Handelsmonitor 2025, opgesteld door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) waaruit blijkt dat 45% van de Nederlandse ondernemers een (sterk) negatieve impact ervaart als gevolg van het handelsbeleid van de VS?
Ja, deze handelsmonitor wordt jaarlijks in opdracht van BZ door RVO uitgevoerd. Ondernemers ervaren in het algemeen negatieve impact door geopolitieke verschuivingen en handelsstromen, zo ook in de VS. Tegelijkertijd zijn Nederlandse ondernemers innovatief en veerkrachtig: 79% spreekt zijn vertrouwen uit in toekomstige exportgroei.
Deelt u de zorgen van deze ondernemers? Zo ja, welke concrete stappen bent u voornemens te zetten om hen te ondersteunen? Zo nee, waarom niet?
De zorgen begrijp ik goed. Ik heb regelmatig contact met bedrijven en spreek hen om hun ervaringen, knelpunten en behoeften mee te nemen in ons beleid. Met de diverse bestaande handelsinstrumenten ondersteunen we de ondernemers met hun internationale activiteiten. In de VS en elders, ook bij het betreden van andere markten indien de geopolitieke situatie daarom vraagt. Met RVO en VNO-NCW zorgen we ervoor dat bedrijven beschikken over relevante informatie en worden regelmatig informatiesessies georganiseerd over diverse relevante onderwerpen. Het kabinet zet zich in om in landen zelf deuren te openen voor Nederlandse ondernemers.
Bent u bereid een lastenverlichting voor internationaal opererende Nederlandse ondernemers te onderzoeken, bijvoorbeeld in de vorm van verlaging van de vennootschapsbelasting of door het opzetten van exportgerelateerde aftrekposten, teneinde hun concurrentiepositie te versterken? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet hecht een groot belang aan het ondernemingsklimaat. Het kabinet zet daarom in op stabiel beleid en stabiele belastingen voor alle ondernemers, inclusief de internationaal opererende ondernemers. Het is binnen de vennootschapsbelasting niet mogelijk om specifiek voor internationaal opererende Nederlandse ondernemers de lasten te verlichten. Het zou het gelijk speelveld verstoren met ondernemers die (nog) enkel nationaal actief zijn.
Bent u bereid exportbevorderende maatregelen te intensiveren, bijvoorbeeld door uitbreiding van het budget voor handelsmissies en RVO-subsidieregelingen gericht op markttoegang?
Het bestaande handelsinstrumentarium en het ambassadenetwerk van Nederland biedt voldoende mogelijkheden om de ondernemer te ondersteunen, maar het budget voor het handelsinstrumentarium daalt wel in reële termen door inflatie en kostenstijgingen wereldwijd. Aanvullende maatregelen zijn vooralsnog niet aan de orde en niet nodig.
In hoeverre acht u de huidige garantieregelingen van RVO, zoals de Exportkredietverzekering en Borgstelling MKB-kredieten (BMKB), toereikend voor ondernemers die als gevolg van de veranderende geopolitieke verhoudingen moeilijker toegang hebben tot financiering? Bent u bereid deze regelingen te verruimen?
De exportkredietverzekering (ekv) is geen garantiestelling aangeboden door RVO. De ekv is een instrument dat namens de Staat wordt uitgevoerd door Atradius Dutch State Business (ADSB). Met de ekv worden betalingsrisico’s verzekerd die zijn verbonden aan Nederlandse export en investeringen in het buitenland. Hierdoor wordt ook export mogelijk voor transacties waar ondernemers normaliter moeilijker toegang zouden hebben voor financiering. De ekv heeft daarvoor voldoende ruimte en is juist nu van toegevoegde waarde voor ondernemers die lastig aan financiering komen. De ekv-uitvoerder zal de mogelijkheden van de ekv actief en breder onder de aandacht van het Nederlandse bedrijfsleven brengen. De BMKB wordt wel door RVO uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Zoals aangekondigd in het pakket met maatregelen voor de stijgende energiekosten wordt de BMKB-regeling tijdelijk verruimd, om ondernemers tegemoet te komen.1
Bent u bereid te onderzoeken of de innovatieboxregeling en de Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk (WBSO) uitgebreid kunnen worden voor bedrijven die actief investeren in het diversifiëren van hun afzetmarkten? Zo nee, waarom niet?
De WBSO2 is gericht op het bevorderen van R&D-uitgaven in Nederland, door een afgebakend deel hiervan – speur- en ontwikkelingswerk – fiscaal te stimuleren. Bedrijven kunnen een percentage van de loon- en andere kosten die ze maken voor speur- en ontwikkelingswerk in mindering brengen op de loonheffing die ze verschuldigd zijn in Nederland. De regeling focust dus specifiek op het aantrekkelijk houden van het verrichten van R&D-werkzaamheden in Nederland. Zodra de producten, processen of programmatuur in kwestie op de markt gebracht kunnen worden, is de WBSO ook niet meer van toepassing. Een link met de afzetmarkt van gebruikers is er dus niet binnen de regeling. Een dergelijke aanpassing is daarom niet voor de hand liggend en past niet bij de doelstelling van de WBSO, waardoor dit niet verkend zal worden.
De innovatiebox heeft een hieraan gerelateerde doelstelling. Deze regeling biedt innovatieve bedrijven een korting op hun vennootschapsbelasting om het vestigingsklimaat van Nederland voor deze bedrijven aantrekkelijk te houden. Om aanspraak te maken op de innovatiebox is een verklaring vanuit de WBSO en/of een octrooi nodig. De combinatie van de twee regelingen doelt er dus op om innovatieve activiteiten, banen, infrastructuur en de bijbehorende opbrengsten in Nederland te stimuleren en te houden. Een aanpassing om buitenlandse handel te diversifiëren is ook in dit geval dus niet voor de hand liggend en passend binnen de doelstelling, waardoor ook dit niet verkend zal worden.
Bent u bereid te onderzoeken of een aanvullende fiscale aftrek mogelijk is voor mkb-bedrijven die kosten maken voor het verkennen en betreden van nieuwe exportmarkten? Zo nee, waarom niet?
Kosten die ondernemers maken voor het verkennen en betreden van nieuwe exportmarkten zijn kosten die ondernemers maken in hun normale bedrijfsuitoefening. Deze kosten zullen daarom in de regel aftrekbaar zijn voor de inkomsten- en vennootschapsbelasting.
Het bericht ‘PostNL schuift met winsten van kwakkelend postbedrijf naar pakketten’ |
|
Arend Kisteman (VVD) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «PostNL schuift met winsten van kwakkelend postbedrijf naar pakketten»?1
Ja.
Hoe reflecteert u op het bericht dat PostNL met winsten zou schuiven tussen het post- en het pakketdeel van het bedrijf?
Ik herken dat de geïntegreerde bedrijfsvoering van PostNL een eenduidige scheiding van kosten en winsten binnen PostNL complex maakt. Op dit moment hebben zowel de ACM als ik geen concrete aanwijzingen dat PostNL met winsten schuift tussen het post- en het pakketdeel van het bedrijf. In de beantwoording van vraag 4 ga ik nader in op het gehanteerde systeem en het toezicht van ACM.
Artikel 22 van de Postwet 2009 verplicht – overeenkomstig artikel 14 van de Postrichtlijn – PostNL als UPD-verlener een boekhoudkundige scheiding aan te brengen tussen kosten en opbrengsten van de UPD en andere activiteiten, en deze inzichtelijk te maken aan de ACM. Nadere regels over de inrichting en toerekening van de boekhouding en over de wijze waarop de toerekening van kosten en opbrengsten inzichtelijk moet worden gemaakt, zijn vastgelegd in de Postregeling 2009 (artikelen 13 en 13a). Binnen deze wettelijke kaders houdt ACM toezicht en kan PostNL bepalen welke kosten aan de UPD worden toegerekend.
Voor de kostentoerekening hanteert PostNL een kostentoerekeningsysteem (KTS) dat in 2015 is goedgekeurd door de ACM. Onder het door de ACM goedgekeurde KTS vallen alle kosten die uitsluitend worden gemaakt voor het uitvoeren van diensten die onder de UPD vallen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de kosten die PostNL maakt voor het legen van de brievenbussen. Andere kosten die zowel worden gemaakt voor de uitvoering van UPD-diensten als voor andere activiteiten, mag PostNL uitsluitend toerekenen voor zover de Postregeling 2009 dit toestaat. PostNL legt hier jaarlijks achteraf een door een accountant gecontroleerde financiële verantwoording over af.
Hoe kijkt u naar het subsidieverzoek van PostNL, met deze verschuivingen in het achterhoofd?
Zoals in de beantwoording van vraag 2 uiteengezet, hebben de ACM en ik geen aanwijzingen dat PostNL in strijd met het KTS handelt. Ik zie verder geen direct verband tussen deze berichtgeving en het subsidieverzoek van PostNL. Het subsidieverzoek van PostNL is door mijn ambtsvoorganger in 2025 afgewezen, omdat subsidie onnodig is bij realistische kaders voor de uitvoering van de UPD. Realistische kaders ontstaan door de voorgenomen versoepelingen van de bezorgeisen in het Postbesluit 2009.2
Bent u er nog steeds van overtuigd dat het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat of de Autoriteit Consument & Markt (ACM) een duidelijk beeld hebben van de omrekeningfactor van de universele postdienst (UPD) binnen het bedrijf? Hebben zij een duidelijk beeld van de feitelijke omzetten en winsten binnen de stromingen bij PostNL?
De ACM houdt toezicht op een juiste toerekening van kosten door PostNL binnen het KTS. De ACM heeft het KTS in 2023 globaal bekeken en geen afwijkingen ten opzichte van de huidige wet- en regelgeving geconstateerd. Wel geeft de ACM aan dat er vooraf een bepaalde toerekeningsratio voor gedeelde kosten wordt vastgesteld en dat deze niet altijd in lijn hoeft te zijn met de daadwerkelijke ratio aan kosten die voor UPD en niet-UPD werkzaamheden gemaakt worden. Zo kan het bijvoorbeeld wettelijk toegestaan zijn om 50% van de kosten van het loon van de postbode of de kosten van het sorteercentrum toe te rekenen aan de UPD, terwijl de tas van de postbode en de sorteermachine niet altijd voor 50% met UPD-post gevuld hoeft te zijn. Naast de toerekening van kosten is er sprake van onderlinge leveringen tussen de post- en pakketdivisie (en vice versa). Deze worden in eerste instantie op marktconforme tarieven bij elkaar in rekening gebracht. Aan het einde van het jaar worden deze onderlinge leveringen tegen (integrale kostprijs) opnieuw berekend en als zodanig in de financiële verantwoording verwerkt. Volgens ACM is deze werkwijze van herberekening naar integrale kostprijs in overeenstemming met het KTS. Ten slotte ziet de ACM dat het huidige KTS-model complex en onnodig gedetailleerd is.
Ik ben in gesprek met de ACM om te verkennen of en hoe dit systeem versimpeld kan worden, zodat toezicht door de ACM eenvoudiger en effectiever kan worden uitgevoerd.
Wat doet dit bericht met uw visie op de toekomst van de postmarkt? Geeft dit bericht aanleiding om in de Postwet 2009 op te nemen dat de aanbieder van de UPD een gescheiden boekhouding moet voeren zodat de ACM goed toezicht kan houden?
Artikel 22 van de Postwet 2009 verplicht PostNL al om een boekhoudkundige scheiding aan te brengen tussen kosten en opbrengsten van de UPD en andere activiteiten en deze inzichtelijk te maken aan de ACM. Zoals in de beantwoording van vraag 2 en 4 nader toegelicht houdt ACM hierop toezicht.
Daarnaast kan de ACM in principe op ieder moment besluiten tot een herbeoordeling van het kostentoerekeningsysteem dat wordt gehanteerd; de specifieke meldingen en informatieverplichtingen in de Postregeling zijn slechts voorbeelden van logische momenten voor toetsing, en doen niets af aan haar bevoegdheid om ook tussentijds gegevens op te vragen en handhavend op te treden. Naast deze specifieke informatiebepalingen heeft de ACM ook de algemene bevoegdheid om alle gegevens en inlichtingen op te vragen die zij nodig heeft om het toezicht op de Postwet 2009 uit te kunnen voeren.3 Zoals hierboven beschreven ziet de ACM dat het huidige KTS-model complex en onnodig gedetailleerd is. Herbeoordeling is daarom een intensief proces waarbij discussies kunnen ontstaan tussen de ACM en PostNL over de noodzaak en proportionaliteit van een herbeoordeling.
In gesprekken met de ACM wordt bekeken of zij in de praktijk voldoende toegerust is om toezicht te houden op de kostentoerekening en de naleving van de regels rond de UPD. Als uit de gesprekken blijkt dat aanvullende taken of bevoegdheden nodig zijn om het publiek belang beter te borgen, zal ik bezien hoe hieraan opvolging kan worden gegeven. De ACM geeft aan dat om toezicht te houden op (de ontwikkeling van) de kosten van de UPD het van belang is dat er een transparant KTS door PostNL wordt opgesteld dat vooraf wordt goedgekeurd door de ACM. Na ingebruikname is het van belang dat dit KTS periodiek wordt geactualiseerd en opnieuw vooraf wordt beoordeeld door de ACM.
Wanneer kan de Kamer uw visie op de postmarkt verwachten?
Zoals verzocht in de motie van Kisteman c.s.4 zal ik een routekaart uitwerken voor de toekomst van de postmarkt. Mijn voornemen is om deze voor de zomer naar de Kamer te sturen.
Een visie op de postmarkt op hoofdlijnen, waaronder het creëren van ruimte voor concurrentie en de transitie naar een brede bezorgmarkt is op 10 februari jl. gegeven in de nota naar aanleiding van het nader verslag bij het wetsvoorstel tot wijziging van de Postwet 20095. Kort samengevat is deze visie dat het primair aan marktpartijen is om te bepalen hoe zij actief zijn op de postmarkt. Ik zie het als mijn verantwoordelijkheid om de wettelijke kaders zó vorm te geven dat zij ruimte bieden voor vernieuwing, samenwerking en nieuwe vormen van dienstverlening. Alleen zo kan een bredere bezorgmarkt ontstaan waarin niet alleen efficiëntie, maar ook innovatie en toekomstbestendige werkgelegenheid een plek krijgen, en waarin het ook in de toekomst vanzelfsprekend blijft dat mensen elkaar een kaartje of brief kunnen sturen. Deze transitie naar een bredere bezorgmarkt vraagt om realisme. De UPD is geen exclusief recht en kan niet worden ingezet als instrument om marktposities te verdelen. Door het wettelijk kader te moderniseren, ontstaat ruimte voor meer partijen om op een verantwoorde manier postdiensten aan te bieden. Dat vergroot de kans dat nieuwe aanbieders – zoals folder en pakketbezorgers – daadwerkelijk toetreden tot relevante postsegmenten, zoals brievenbuspakketjes, aangetekende post en prioriteitspost, voor zover daar in de markt blijvend vraag naar bestaat. De rol van de overheid is in dit proces het wegnemen van belemmeringen en het bewaken van een evenwichtig speelveld, zodat deze ontwikkeling kan plaatsvinden zonder dat de continuïteit van de UPD in gevaar komt. Zo kan de bezorgmarkt zich geleidelijk verbreden, terwijl de publieke dienstverlening geborgd blijft.
Het bericht ‘Palantir CEO Makes Shocking Confession on Disrupting Democratic Power’ |
|
Sarah El Boujdaini (D66), Michelle Jagtenberg (D66) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD), Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Palantir CEO Makes Shocking Confession on Disrupting Democratic Power» van The New Republic?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het gegeven in het artikel dat het bedrijf Palantir doelbewust inzet op discriminerende aspecten van hun technologie waarmee democratische verhoudingen worden verslechterd?
Het Kabinet zal zich immer inzetten voor de bescherming van mensenrechten en de democratische rechtstaat, ook bij de inzet van technologie zoals AI. Daarbij heeft het kabinet ook aandacht voor de mogelijk discriminerende aspecten van technologie, en het beschermen van de democratie. Het is niet aan het kabinet om opvattingen van het bestuur van een bedrijf van een oordeel te voorzien.
Welke rol spelen bedrijven als Palantir Technologies momenteel in Nederlandse overheidsprocessen, bijvoorbeeld op het gebied van data-analyse, veiligheid of publieke dienstverlening?
In antwoord op diverse Kamervragen van het lid Van Houwelingen (FvD),2 evenals van de leden Van Vroonhoven en Six Dijkstra (beiden NSC),3 is aangegeven dat op dit moment alleen de politie en Defensie gebruik maken van Palantir.
De politie gebruikt de software van Palantir enkel binnen de zogenaamde «Raffinaderij». «De Raffinaderij» is een analyseomgeving waar Palantir onderdeel van uitmaakt. Deze wordt alleen aangewend voor de bestrijding van zware en georganiseerde criminaliteit en het voorkomen van aanslagen.
Binnen de Nederlandse krijgsmacht wordt bij een aantal (operationele) defensieonderdelen gebruik gemaakt van de Palantir-software. Dit gebeurt onder strikte maatregelen en in volledige afgesloten omgevingen. Hierbij gaat het in alle gevallen om een «beproeving» van deze technologie, waardoor het slechts in beperkte mate ondersteunend is aan het militair optreden. Daarnaast wordt in het kader van interoperabiliteit tussen NAVO-partners onderzocht in hoeverre deze technologie hieraan kan bijdragen.
In hoeverre acht het kabinet het wenselijk dat technologiebedrijven die nauw samenwerken met overheden of veiligheidsdiensten ook uitgesproken politieke visies hebben over de werking van democratieën?
Het kabinet is van mening dat vrijheid van gedachten (cf. art. 7 Gw en art. 9 EVRM) een recht is wat mensen toekomt, en dat bedrijven niet als zodanig politieke visies kunnen hebben. Het is niet aan het kabinet om opvattingen van het bestuur van een bedrijf van een oordeel te voorzien.
Hoe is er in de aanbesteding van de software van Palantir nagedacht over de impact van deze samenwerking op de democratie en maatschappij?
De Rijksoverheid gebruikt bij aanbestedingen en inkoopopdrachten de Algemene Inkoopvoorwaarden (ARIV), de Algemene Rijksvoorwaarden voor het verstrekken van opdrachten tot het verrichten van Diensten (ARVODI) en de Algemene Rijksvoorwaarden bij IT-overeenkomsten (ARBIT).
Daarnaast nemen overheidsorganisaties verschillende maatregelen om de cyberveiligheid van de ICT-processen van de overheid, en de bescherming van persoonsgegevens van alle betrokkenen te waarborgen. De basis ligt hiervoor in wet- en regelgeving. Zo zijn overheidsorganisaties verplicht om conform de Baseline Informatiebeveiliging Overheid 2 (BIO 2) risicogebaseerd maatregelen te nemen voor hun informatiebeveiliging. Daarnaast volgt er uit de AVG een verplichting tot het uitvoeren van een risicoanalyse met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens en het nemen van maatregelen om onderkende risico’s te mitigeren.
Voorafgaand aan een voorgenomen verwerking van persoonsgegevens, moet een data protection impact assessment (DPIA) uitgevoerd worden om de risico’s voor de rechten en vrijheden van betrokkenen in kaart te brengen. Beoordeeld wordt welke (aanvullende) operationele, technische, procedurele, informatiebeveiligings- of bestuurlijke maatregelen getroffen moeten worden om eventuele risico’s voor de bescherming van persoonsgegevens en de rechten en vrijheden van betrokkenen te mitigeren. In geval van doorgifte van persoonsgegevens aan landen buiten de EER wordt een data transfer impact assessment (DTIA) uitgevoerd om te beoordelen of het betreffende land of internationale organisatie een passend beschermingsniveau waarborgt. Volgens de AI-verordening wordt de Fundamental Rights Impact Assessment (FRIA) verplicht bij hoog-risico AI-systemen. Een mogelijke invulling van zo’n FRIA is het Impact Assessment Mensenrechten en Algoritmes (IAMA). Wat de verantwoorde en transparante inzet van algoritmen en AI binnen de overheid betreft, wordt daarnaast ook ingezet op instrumenten als het Algoritmeregister en het Algoritmekader. In de Kamerbrief van 20 april heb ik u tevens geïnformeerd over de wijze waarop het kabinet voornemens is het toezicht op de naleving van de Europese AI-verordening vorm te geven.4
In referentie naar de aangenomen motie van het lid Six Dijkstra c.s. over het onafhankelijk maken van Palantir, wat is de status van de uitvoering van de drie gevraagde actielijnen uit deze motie2?
Ik verwijs u graag naar de Kamerbrief uitvoering aangenomen ontraden moties over ICT-onderwerpen, ingediend tijdens het Notaoverleg over de Nederlandse Digitaliseringsstrategie d.d. 29 september 2025 en het Tweeminutendebat Telecomraad (informeel) dd. 9 december 2025, waar is ingegaan op de uitvoering van deze motie.6
Kunt u een plan aanleveren om de verschillende functionaliteiten van Palantir waar de Nederlandse overheid gebruik van maakt om te zetten naar volwaardige alternatieven, en welke EU-bedrijven dit kunnen leveren? Zo ja, kan er ook een overzicht gemaakt worden welke EU-bedrijven deze functionaliteiten kunnen leveren, en kunt u de Kamer dit doen toekomen?
Dit is niet mogelijk. Ik verwijs u graag naar de Kamerbrief uitvoering aangenomen ontraden moties over ICT-onderwerpen, ingediend tijdens het Notaoverleg over de Nederlandse Digitaliseringsstrategie d.d. 29 september 2025 en het Tweeminutendebat Telecomraad (informeel) dd. 9 december 2025, waar is ingegaan op de uitvoering van deze motie.7
Is het kabinet bereid, als de benodigde capaciteiten nog niet op de Europese markt beschikbaar zijn, om te verkennen of de talenten binnen JIVC (Joint Informatievoorziening Commando) benut kunnen worden om de benodigde capaciteiten zelf te ontwikkelen, al dan niet in samenwerking met het Nederlandse of Europese bedrijfsleven?
Specifiek voor Defensie geldt dat er op dit moment een onderzoek naar mogelijke technologische alternatieven binnen Europa wordt uitgevoerd. Hieruit moet ook het beeld ontstaan welke specifieke kennis noodzakelijk is en welke positie JIVC hierin kan of moet vervullen.
Is het kabinet bereid te onderzoeken of aanvullende transparantie- of governance-eisen nodig zijn voor technologiebedrijven die AI-systemen leveren aan overheden, zeker wanneer deze bedrijven ook actief zijn in defensie- en veiligheidssectoren?
De AI-verordening voorziet al in transparantie- en governance-eisen voor een breed scala aan hoog-risico AI. Deze zijn onderdeel van het Europese standaardisatieproces dat momenteel loopt in het kader van deze wet. Ik beoog daar zoveel mogelijk bij aan te sluiten. Daarnaast werk ik vanuit de Nederlandse Digitaliseringsstrategie aan een AI-inkoopaanpak. Hierin wordt ook aandacht besteed aan transparantie-eisen die bij het inkoopproces kunnen worden opgelegd aan technologiebedrijven die AI-systemen leveren aan overheden. Voorbeelden van deze eisen zijn dat zij documentatie kunnen voorleggen die toelicht hoe de AI-component van het systeem werkt. In het Commissiedebat Digitaliserende overheid van 29 januari 2026 heeft de toenmalige Staatssecretaris van Koninkrijksrelaties en Digitalisering toegezegd dat deze AI-inkoopaanpak in 2026 met uw Kamer zal worden gedeeld. Dat wordt beoogd in uiterlijk Q4 2026.
Binnen Defensie wordt op dit moment een beleidskader ontwikkelt, dat voortborduurt op het eerder vastgestelde algoritmebeleid en waarin alle noodzakelijke maatregelen worden uitgewerkt. Deze zal van toepassing zijn op alle nog te verwerven en bestaande AI-systemen die ondersteunend zijn aan het militair optreden.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.