Bent u bekend met het bericht «Pedobots gewoon te vinden op internet en dat mag volgens de wet: Anya (7) is vastgebonden en huilt»?1
Ja.
Deelt u de mening dat dergelijke AI-toepassingen net als kindersekspoppen bijdragen aan de normalisering van seksueel misbruik van minderjarigen, ook wanneer er geen fysiek kind bij betrokken is?
Wij zijn met zijn allen verantwoordelijk voor de bescherming van onze kinderen en moeten elke subcultuur die seksueel misbruik van kinderen normaliseert, bestrijden. Seksueel misbruik van kinderen is onacceptabel en heeft ernstige gevolgen voor de slachtoffers en hun omgeving. Elk slachtoffer van (online) seksueel kindermisbruik is er één te veel. De AI-ontwikkelingen die op dit moment gaande zijn op dit vlak, en de berichten die hierover naar buiten komen, baren mij zorgen. Dit soort ontwikkelingen zijn zeer onwenselijk.
Deelt u de mening dat gedragingen die in de fysieke wereld strafbaar zijn, ook online niet moeten worden getolereerd, ook wanneer het gaat om nabootsing door middel van AI?
Die mening deel ik. Uitgangspunt van de Wet seksuele misdrijven (hierna: WSM) is dat wat offline strafbaar is, ook online strafbaar is. Het voeren van seksgesprekken met of het aanbieden van AI-seksbots van kinderen keur ik af;iedere poging tot normalisering van seksueel misbruik van kinderen is zeer onwenselijk.
Het enkel voeren van seksgesprekken met een AI-chatbot die zich voordoet als een kind is op dit moment niet als zodanig strafbaar. Datzelfde geldt voor het vervaardigen van een AI-chatbot die zich kan voordoen als een kind.
Dat betekent overigens niet dat gebruikers van zo’n chatbot vrij spel hebben: bepaalde aspecten van het bevragen van of praten met een AI-chatbot zijn mogelijk wel strafbaar, bijvoorbeeld het uitvragen van tips voor seksueel misbruik van kinderen, ex artikel 250a Wetboek van Strafrecht en het via zo’n AI-chatbot uitvragen van/creëren van kinderporno, ex artikel 252 van het Wetboek van Strafrecht.
De strafzaak waarnaar wordt verwezen in het door u aangehaalde artikel van het Algemeen Dagblad is een voorbeeld waarin wel sprake was van een strafbare situatie. Hoewel een en ander altijd afhankelijk is van de omstandigheden van het geval overwoog de rechtbank dat sprake was van voorbereidingshandelingen van seksueel kindermisbruik. In de gesprekken die de verdachte met de AI-chatbot voerde werd niet alleen gesproken, of «gefantaseerd», over misbruik, maar werd hoofdzakelijk informatie vergaard over een methode voor het groomen van het neefje van de verdachte om de voorwaarden te scheppen waarin dat misbruik zou kunnen plaatsvinden. De rechtbank oordeelde dat het chatgesprek daarmee, in samenhang met de geschetste context, een duidelijk instructieve inslag had.2
In hoeverre biedt het huidige strafrecht voldoende mogelijkheden om op te treden tegen het ontwikkelen van dergelijke bots, het verspreiden ervan en het gebruiken van dergelijks bots met een seksueel oogmerk?
Het ontwikkelen, verspreiden en gebruiken van dergelijke bots is niet strafbaar gesteld. Bepaalde aspecten van het bevragen van/praten met een dergelijke bot zijn mogelijk wel strafbaar, bijvoorbeeld het uitvragen van tips voor seksueel misbruik van kinderen, ex artikel 250a Wetboek van Strafrecht, en het via zo’n AI-chatbot uitvragen van/creëren van kinderporno, ex artikel 252 Wetboek van strafrecht.
Bent u bereid om het Wetboek van Strafrecht aan te passen zodat ook het creëren, aanbieden of gebruiken van seksueel expliciete AI-personages die minderjarigen voorstellen strafbaar wordt gesteld?
Als beantwoord in de vragen 3 en 4 kunnen bepaalde aspecten van het gebruiken van dit soort bots strafbaar zijn, daarmee zijn er dus nu al instrumenten om dit gedrag aan te pakken. Ik heb daarom op dit moment niet het voornemen om het creëren, aanbieden of gebruiken van deze bots apart strafbaar te stellen.
Het bericht dat QatarEnergy zich beroept op overmacht. |
|
Hidde Heutink (PVV) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte gesteld door QatarEnergy dat zij zich beroepen op overmacht en daarom op dit moment hun contractuele verplichtingen niet kunnen nakomen?1
Ja.
Kunt u aangeven of er sprake is van contractbreuk met QatarEnergy (27-jarig contract)?
De Staat heeft geen contracten met (markt)partijen, zoals QatarEnergy, over gasleveringen. Het leveren van gas wordt gedaan door energiebedrijven die hiervoor leveringscontracten sluiten. Marktpartijen hebben in deze contracten vaak clausules opgenomen waardoor het toegestaan is geen gas te leveren onder extreme omstandigheden, zoals door oorlog (force majeur/overmacht). Deze clausules zijn zeer gebruikelijk. Zonder dit soort clausules zouden de contracten veel duurder zijn. Het staat marktpartijen vrij om indien zij zich benadeeld achten en het contract geschonden is een schadevergoeding te vorderen.
Zijn er passages in het contract waarop Nederland zich in dit soort situaties zich kan beroepen?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om een schadeclaim in te dienen bij QatarEnergy?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om (al dan niet vertrouwelijk) het contract met QatarEnergy ter inzage aan de Kamer te leggen?
Zoals in het antwoord op vraag 4 aangegeven heeft de Staat geen leveringscontracten.
Wat zijn de gevolgen voor Nederland nu QatarEnergy zich beroept op overmacht en de productie van LNG stopt?
Ik kan aangeven dat Nederland in 2025 geen LNG-volumes rechtstreeks uit Qatar heeft ontvangen via de LNG-terminals in Rotterdam en de Eemshaven. Het heeft daarom geen directe consequenties op de LNG-volumes die naar Nederland stromen. Wel zien we op de wereldmarkt dat de prijs van gas stijgt en daarmee ook op de prijs die men in Nederland hiervoor betaalt. Voor wat betreft de stopzetting van de LNG-productie door QatarEnergy en de bijbehorende leveringscontracten, daar heb ik geen kennis over.
Vindt u het niet ongelofelijk dom dat wij de gasvoorraad van Nederlandse bodem, de grootste van Europa, gaan dichtmetselen terwijl we zien dat onze leverancier van LNG in één keer de toevoer kan stoppen, om welke reden dan ook?
Nee. Zoals onder meer op 5 maart jl. aangegeven in het Commissiedebat over de Energieraad zijn er duidelijke beloftes gedaan aan Groningen en de Groningers na jaren van leed en onduidelijkheid: het Groningenveld blijft dicht. Een betrouwbare overheid komt daar niet op terug. Het verbod op winning uit het Groningenveld is in 2024 vastgelegd in een wet die met overgrote meerderheid in beide Kamers is aangenomen. Op dat moment was bekend dat de geopolitieke situatie veranderd was. Rusland was de Oekraïne al binnengevallen.
Het opnieuw in gebruik nemen van het Groninger gasveld voor enkel nationaal gebruik is niet mogelijk. Nederland is immers onderdeel van een Europese gasmarkt. Dit is vastgelegd in Europese wetgeving. Op grond van deze wetgeving mogen lidstaten geen maatregelen nemen die de gasstromen binnen de interne markt beperken.
Uiteraard is het essentieel dat onze gasvoorziening op orde is. Er dreigen echter geen fysieke tekorten en het openhouden van Groningen verlaagt de prijzen op de internationale gasmarkt niet. De prijzen zullen ook dan dus hoog blijven voor huishoudens. Wel zal staatsbedrijf EBN deze zomer opnieuw de gasopslagen vullen voor zover de markt het niet doet. Daar is eerder al geld voor vrijgemaakt. Daarnaast houden we de gaswinning op de Noordzee op peil, is de importcapaciteit van LNG sinds 2022 fors uitgebreid en blijven we inzetten op duurzame energie zodat we minder afhankelijk worden van import van fossiele brandstoffen.
Bent u bereid om het Groninger gasveld opnieuw in gebruik te nemen, exclusief voor nationaal gebruik, mits u de Groningers ruimhartig en zonder bureaucratische hobbels compenseert, om zo de komende 20 jaar voor vaste (goedkope) prijzen gas aan alle Nederlanders te leveren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u het ermee eens dat het opnieuw in gebruik nemen van het Groninger gasveld goed is voor de Nederlandse economie en dus zorgt voor meer rust in de portemonnee? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bereid om deze vragen voor dinsdag 15:00 uur te beantwoorden en in de tussentijd direct te beginnen met het winnen van gas van Nederlandse bodem? Zo nee, waarom niet?
Beantwoording voor dinsdag 15.00 is niet mogelijk gebleken, de vragen zijn zo snel als mogelijk beantwoord.
Het bericht 'Chinese staatszender kocht een week lang reclameruimte in NS-treinen' |
|
Björn Schutz (VVD), Bente Becker (VVD) |
|
Bertram , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Chinese staatszender kocht een week lang reclameruimte in NS-treinen»?1
Bent u ervan op de hoogte dat in de treinen van de NS-reclame is uitgezonden van China Media Group (CMG)?
Deelt u de mening dat het Centrale Propaganda Departement onder andere gericht is op buitenlandse beïnvloeding? Zo nee, waarom niet?
In hoeverre acht u het wenselijk dat buitenlandse mogendheden toegang hebben tot advertentieruimte in Nederlandse infrastructuur, zoals het openbaar vervoer?
Deelt u de mening dat staatsbedrijven, zoals de NS, een voorbeeldfunctie hebben om buitenlandse mogendheden geen reclameruimte te bieden? Zo nee, waarom niet?
In hoeverre kunnen staatsbedrijven, zoals de NS, afstemmen en schakelen met een contactpersoon binnen de rijksoverheid over zaken als buitenlandse inmenging en beïnvloeding? Zo ja, tot wie kunnen zij zich richten en is dat op dit moment ook gebeurd? Zo niet, bent u bereid te onderzoeken of hier behoefte aan is?
In hoeverre kunnen commerciële partijen, zoals DSBP-consultants, schakelen met contactpersonen binnen de rijksoverheid over ongewenste buitenlandse inmenging en beïnvloeding?
Bestaan er richtlijnen of kaders vanuit de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid of de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst over samenwerking met buitenlandse propagandakanalen? Zo ja, kunt u deze delen met de Kamer en zijn deze ook gedeeld met de NS? Zo nee, waarom niet?
Bent u van plan om in gesprek te treden met de NS over bovenstaande zaak en het advertentiebeleid? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat de NS zich niet kan verschuilen achter het argument dat het advertentiebeleid formeel is nageleefd?
Zijn er bij u andere gevallen bekend van de afgelopen twaalf maanden waarbij buitenlandse mogendheden gebruik maken van advertentieruimte van de NS?
Het bericht ‘Nederlands bedrijf exporteerde duizenden keren illegaal naar Rusland’ |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Berendsen , Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het RTL-bericht «Nederlands bedrijf exporteerde duizenden keren illegaal naar Rusland»?1
Ja.
Hoe kan het dat een Nederlands bedrijf zo lang ongemerkt illegaal producten kon exporteren naar Rusland via Azerbeidzjan die rechtstreeks nodig zijn voor de illegale oorlogsvoering ter waarde van tientallen miljoenen euro’s?
In algemene zin geldt dat sanctieomzeiling onacceptabel is. Daarom heeft de aanpak van sanctie-omzeiling de hoogste prioriteit voor het kabinet. Daarbij wordt ingezet op analyse van handelsstromen, samenwerking, handhaving en aanvullende sanctiemaatregelen waar nodig. De handhaving van sanctiemaatregelen ten aanzien van de in-, door- en uitvoer van goederen is de verantwoordelijkheid van de Douane in opdracht van de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Daarbij wordt ook nadrukkelijk ingezet op het tegengaan van omzeiling.
In zijn algemeenheid kan worden gezegd dat de Douane risicogericht handhaaft. Als er een verhoogd risico op sanctieomzeiling wordt geconstateerd, dan worden de gehanteerde risicoprofielen hierop aangescherpt. De Douane werkt nationaal en internationaal samen met andere (uitvoerings-)organisaties, de Europese Commissie en andere lidstaten om signalen die mogelijk op omzeiling wijzen uit te wisselen.
Desalniettemin blijft het tegengaan van omzeiling van de sanctiemaatregelen tegen Rusland via derde landen een grote uitdaging in de handhaving. Dit komt door de lange en complexe handelsketens, maar ook de omvang van handelsstromen vanuit Nederland. Over individuele bedrijven, specifieke handhavingsaanpak en de door de Douane onderkende risico’s doet het Kabinet geen uitspraken.
Is het bedrijf inmiddels gestopt met de illegale import? Op welke manier wordt dit gecontroleerd?
Zie antwoord vraag 2.
Wordt het bedrijf gesanctioneerd, zo ja, wat is de sanctie? Zo nee, waarom niet?
Het schenden of omzeilen van EU-sancties geldt als een economisch delict. Wanneer vanuit de handhavingstaak van de Douane geconcludeerd wordt dat een bedrijf sancties heeft overtreden, wordt de zaak voorgelegd aan het OM voor strafrechtelijke vervolging. Zo heeft de Douane in 2025 422 handhavingsonderzoeken afgerond waar onder andere onderzoek is gedaan naar de naleving van de sanctiewetgeving. In 2025 zijn 16 onderzoeken overgedragen aan het Functioneel Pakket van het OM.
Wordt er meteen via het ImportGenius databedrijf uitgezocht of er meer illegale goederen worden geëxporteerd? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet gebruikt diverse informatiebronnen om handelsstromen richting Rusland te onderzoeken en omzeiling op te sporen.
Heeft het bedrijf Valvoline AZ nog anderszins banden met Nederland?
Het kabinet gaat niet in op individuele bedrijven. Wanneer signalen over sanctieomzeiling naar specifieke entiteiten in derde landen aan het licht komen neemt de Douane gepaste actie om dit naar de toekomst toe te voorkomen. Daarnaast vinden uiteraard ook eventuele handhavingsacties binnen Nederland plaats.
Gezondheid en kankerrisico’s rond Chemelot |
|
René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het RIVM-rapport «Gezondheid en leefomgeving rond Chemelot» (19 december 2025), waarin wordt geconcludeerd dat er onvoldoende gezondheidsgegevens beschikbaar zijn om vast te stellen of ziekten, waaronder kanker, rond Chemelot vaker voorkomen dan elders in Nederland?
Ja
Hoe verklaart u dat anno 2026 nog geen epidemiologisch gezondheidsonderzoek onder omwonenden van Chemelot is uitgevoerd, terwijl het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) aangeeft dat bestaande gegevens onvoldoende zijn om mogelijke gezondheidseffecten van het chemiecluster te beoordelen?
GGD Zuid-Limburg voert in opdracht van de gemeenten een vierjaarlijkse GGD Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen uit die een beeld geeft van de gezondheid in Zuid-Limburg, waaronder ook in de gemeenten rond Chemelot. De GGD doet dit onderzoek voor gemeenten. Gemeenten hebben, buiten deze monitor, niet om aanvullend onderzoek gevraagd en tot op heden heeft de GGD geen aanleiding gezien zelf dergelijk aanvullend onderzoek uit te voeren. Het RIVM geeft aan dat aanvullend onderzoek op hun verkenning vooral zinvol is als op basis van de analyse van de blootstelling aan stoffen gezondheidsrisico’s te verwachten zijn, als uit ander onderzoek blijkt dat er (mogelijk) milieugerelateerde gezondheidseffecten zijn en/of als er geen (betrouwbaar) beeld is over blootstelling en/of gezondheid. Dat lijkt alleen voor geluidbelasting van toepassing. De luchtkwaliteit komt weliswaar als aandachtspunt voor de gezondheid naar voren, maar de gezondheidsrisico’s vanuit luchtkwaliteit komen voor een belangrijk deel door fijnstof en stikstofoxiden. Deze luchtvervuiling is voor een groot deel afkomstig van andere bronnen, waarbij de totale waarden in de gebieden rond het chemiecluster niet opvallend hoog zijn en de opgetelde bijdrage van de belangrijkste zeer zorgwekkende stoffen op een concentratie rond het niveau van het maximaal toelaatbaar risiconiveau wordt geschat. De verantwoordelijke voor de vergunningverlening (provincie Limburg) heeft provinciale staten op 19 december 2025 een reactie gestuurd op het onderzoek van het RIVM met het beleid dat in de regio wordt gevoerd. Het is aan provinciale staten om daarop te reageren.
Klopt het dat blootstelling van omwonenden aan chemische stoffen rond Chemelot momenteel niet rechtstreeks via biomonitoring (bijvoorbeeld bloed- of urinemonsters) wordt gemeten, maar hoofdzakelijk wordt geschat via milieumetingen en modellen? Zo ja, acht u dit voldoende voor gezondheidsbescherming?
Het kabinet heeft hierover contact gehad met de provincie Limburg, die verantwoordelijk is voor de vergunningverlening aan Chemelot, en met GGD Zuid-Limburg. Het klopt dat geen onderzoeken zijn uitgevoerd met behulp van biomonitoring. Met behulp van biomonitoring kan worden vastgesteld of bepaalde gevaarlijke stoffen aanwezig zijn in het bloed of andere lichaamsstoffen van omwonenden, maar daarmee kan niet aangetoond worden hoeveel van die stoffen afkomstig is van Chemelot. Om te kunnen adviseren over maatregelen die Chemelot kan nemen, is het belangrijker om naar de uitstoot van Chemelot te kijken en die waar nodig terug te dringen.
De Gezondheidsraad heeft in 2023 geadviseerd een structureel landelijk meetprogramma op te zetten voor de blootstelling aan chemische stoffen met behulp van biomonitoring. Het kabinet heeft het RIVM gevraagd in beeld te brengen hoe zo’n meetprogramma eruit zou kunnen zien en hoeveel dat zou kosten. Het kabinet heeft toegezegd voor de zomer van 2026 daar een besluit over te nemen en dat aan de Tweede Kamer te sturen.
Bent u bereid te laten onderzoeken in hoeverre mogelijke verhoogde ziekte- en zorgkosten in de Chemelot-regio samenhangen met industriële blootstelling en leefomgevingsfactoren, en wat de sociaaleconomische gevolgen zijn voor bewoners, zorgstelsel en regionale gezondheidsverschillen?
Het Ministerie van IenW heeft in 2024 aan de Kamer toegezegd te onderzoeken hoe zorgkosten voor inwoners nabij industrie kunnen worden gerelateerd aan industrie. Dit gaat om een algemeen onderzoek, dus niet specifiek toegespitst op Chemelot. Uit een gegeven opdracht aan een extern onderzoekbureau bleek afgelopen jaar dat het een complex onderzoek is. Daarom heeft het Ministerie van IenW de vraag nu aan het RIVM gesteld. RIVM voert dit onderzoek uit als onderdeel van de opdracht om tot een handreiking te komen voor het bepalen van de gezondheidsrisico’s als gevolg van industriële activiteiten. RIVM maakt hiervoor inzichtelijk welke informatie op dit vlak er al ligt (bijvoorbeeld handleidingen die de GGD’en gebruiken), samen met de leerpunten uit de onderzoeken die afgelopen jaren zijn gedaan. Waar nodig vult het RIVM dit aan om kennislacunes te dichten. Eén van die onderdelen betreft zorgkosten. Naar verwachting levert het RIVM na de zomer het eerste deel van deze studie op (inzicht in bestaand materiaal met lessen uit uitgevoerd onderzoek). De overige onderdelen, waaronder het onderdeel over zorgkosten, volgen daarna. Bij dit onderdeel zal het RIVM starten met een verkenning van de mogelijkheden én onmogelijkheden van het ontwikkelen van een methode om de zorgkosten veroorzaakt door industrie inzichtelijk te maken, waarbij experts aangeven dat het zinvol kan zijn te kijken naar specifieke kosten of naar specifieke aandoeningen.
Kunt u inzicht geven in hoeveel inwoners uit de Chemelot-regio zorg ontvangen voor aanhoudende lichamelijke klachten (SOLK/ALK), voor chronische en respiratoire aandoeningen en voor kanker, en of deze ziekte- en zorgpatronen afwijken van landelijke gemiddelden?
Het kabinet heeft geen specifieke rapportages of overzichten op dat schaalniveau («Chemelot-regio»). In opdracht van het kabinet worden echter wel veel gegevens op het schaalniveau van GGD-regio’s en gemeenten beschikbaar gesteld. De informatie is vindbaar in de Atlas VZinfo waarin regionale verschillen rondom zorg en ziekten in beeld worden gebracht op meer dan 500 kaarten, waaronder kaarten over chronische en respiratoire aandoeningen, kanker en de ervaren gezondheid.1 Daarnaast beheert het Integraal Kankercentrum Nederland (IKNL) de Nederlandse Kanker Atlas, waar op driecijferig postcodeniveau gegevens worden weergeven van kankerdiagnoses.2
Kunt u aangeven welke concrete gezondheidskundige onderzoeken en maatregelen het kabinet voor 2030 rond Chemelot zal uitvoeren om eventuele verhoogde gezondheids- en kankerrisico’s voor omwonenden aantoonbaar vast te stellen en te verminderen? Kunt u daarbij toezeggen dat een biomonitoringsprogramma onder omwonenden wordt opgezet, inclusief periodiek bloed- en urinemonsteronderzoek naar blootstelling aan relevante (zeer zorgwekkende) chemische stoffen?
De verantwoordelijke voor de vergunningverlening (provincie Limburg) heeft op 19 december 2025 een reactie op het RIVM-rapport gestuurd aan provinciale staten met het beleid dat in de regio wordt gevoerd. Het is aan provinciale staten daarop te reageren.
Zoals in het antwoord op vraag 3 is aangegeven, heeft het Ministerie van IenW het RIVM gevraagd om te onderzoeken hoe zorgkosten voor inwoners nabij industrie kunnen worden gerelateerd aan industrie. Dit gaat om een algemeen onderzoek, dus niet specifiek toegespitst op Chemelot. Daarnaast loopt de studie van het RIVM waarmee in beeld gebracht wordt hoe een landelijk meetprogramma voor blootstelling aan chemische stoffen eruit zou kunnen zien en hoeveel dat zou kosten. Het kabinet heeft toegezegd voor de zomer van 2026 daar een besluit over te nemen en dat aan de Tweede Kamer te sturen. Dit zou ook gaan om een algemeen meetprogramma, dus niet specifiek toegespitst op Chemelot.
Hackers hadden vijf maanden toegang tot gegevens DJI-medewerkers |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hackers hadden vijf maanden toegang tot gegevens DJI-medewerkers»?1
Ja.
Deelt u de mening dat met spoed onderzocht moet worden tot welke gegevens de hackers toegang hebben/hadden?
Ja, deze mening deel ik en dit onderzoek wordt momenteel uitgevoerd.
Het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) is op 29 januari jl. door Ivanti op de hoogte gesteld van kwetsbaarheden in Ivanti Endpoint Manager Mobile (EPMM) en doet technisch onderzoek2. Ivanti EPMM is een softwareplatform dat door verschillende organisaties wordt gebruikt om mobiele apparaten centraal te beheren en te beveiligen. Uw Kamer is op 27 februari 2026 geïnformeerd omtrent de organisaties die door de kwetsbaarheid in Ivanti EPMM zijn getroffen.3 De Justitiële ICT Organisatie (JIO), de IT-leverancier van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI), heeft een extern expertisebureau de opdracht gegeven technisch/forensisch onderzoek uit te voeren. Waar nodig doen zij dit met specialistische adviespartijen.
De uitkomsten van de onderzoeken zijn nog niet bekend. Indien sprake is van relevante ontwikkelingen zal de Kamer worden geïnformeerd.
Hoe kan het dan zo zijn dat de u aangeeft dat het geen reden is om aan te nemen dat medewerkers onveilig zouden zijn, terwijl ook voormalig gevangenisdirecteur Klaas Brandsma aangeeft dat medewerkers van Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) lopen extra risico op chantage en afpersing?
De informatie waar toegang tot is verkregen betreft persoonsgegevens van medewerkers zoals namen, emailadressen, telefoonnummers en locatiegegevens. In algemene zin geldt dat de aard van de werkzaamheden van DJI maakt dat medewerkers mogelijk een aanvullend risico lopen op chantage en afpersing indien dergelijke gegevens bij derden bekend raken. Vanwege dit risico vind ik het dan ook erg belangrijk dat waar nodig veiligheidsmaatregelen zijn getroffen. Dit alles heeft uiteraard impact op de medewerkers van DJI. DJI houdt samen met JIO alsmede met partners uit de keten nauwlettend in de gaten welke eventuele gevolgen de onbevoegde toegang heeft voor de DJI-medewerkers. Daaruit volgt dat er op dit moment geen signalen zijn dat er sprake is van eventuele gevolgen voor de veiligheid van de DJI medewerkers.
Op basis van de voorlopige uitkomsten van het forensisch onderzoek heeft het NCSC een handelingsperspectief opgesteld dat op 16 februari 2026 is gedeeld met DJI. DJI heeft hierop in samenwerking met JIO en NCSC direct maatregelen getroffen die zowel zien op de techniek als op de monitoring van (cyber)dreigingen. Daarover communiceert DJI periodiek naar alle medewerkers. Daarnaast heeft DJI de medewerkers voorzien van een handelingskader, waaronder een oproep tot extra alertheid en instructies hoe om te gaan locatiegegevens.
Zijn DJI-medewerkers van de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) ook getroffen?
Zoals in de beantwoording van vraag één is aangegeven, wordt er momenteel onderzoek gedaan naar de precieze omvang van de daadwerkelijke onbevoegde toegang tot devices die draaien op Ivanti. Vanuit het oogpunt van de veiligheid van de medewerkers kan ik niet verder ingaan op welke medewerkers dit onderzoek ziet. Uit voorzorg heeft DJI breed alle medewerkers van een handelingskader voorzien.
Bent u van mening dat het datalek mogelijk invloed kan hebben op behoud van het huidige personeel en de aanwerving van nieuw personeel? Welke maatregelen gaat u nemen om het getroffen personeel tegemoet te komen?
Ik ben me zeer bewust van welke impact deze situatie kan hebben op de medewerkers van DJI. De effecten hiervan op de werving van nieuw personeel zijn onvoorspelbaar. Dergelijke onbevoegd toegang tot systemen heeft impact op medewerkers, met name op hen die al werkzaam zijn voor DJI. Het kan tot vragen leiden over het uitvoeren van de werkzaamheden en mogelijk ook tot gevoelens van onzekerheid, met name over de veiligheid. Daarom is het van belang dat er maatregelen zijn genomen zoals het periodiek informeren van de medewerkers. Ten aanzien van de maatregelen verwijs ik u naar de beantwoording bij vraag drie.
Welke extra maatregelen gaat u nemen om dergelijke scenario’s in de toekomst te voorkomen?
De eerste prioriteit ligt bij de veiligheid van de medewerkers en het afronden van het onderzoek. Nadat het onderzoek is afgerond zal een evaluatie en oorzakenanalyse plaatsvinden om te komen tot potentiële verbeteringen.
Ik kan niet vooruitlopen op de uitkomsten van de onderzoeken die op dit moment lopen. Zoals bij de beantwoording van vraag drie is aangegeven houdt DJI samen met partners uit de keten nauwlettend in de gaten welke eventuele gevolgen de onbevoegde toegang heeft voor de DJI medewerkers. Indien nodig worden aanvullende maatregelen getroffen.
Een Amerikaanse aanbesteding voor ICT van de Belastingdienst |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Jan Struijs (50PLUS) |
|
Eerenberg , Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Digitale autonomie en de uitbesteding applicatiediensten omzetbelasting door de Staat»1 en de desbetreffende aanbesteding van de Belastingdienst?2
Ja.
Wat is uw reactie op het bericht en de aanbesteding?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar de Kamerbrief die u op 17 maart jl. over dit onderwerp heeft ontvangen.
Op welke gronden is gekozen om (het beheer en het onderhoud van) de software van de omzetbelasting bij FAST Enterprises in te kopen, namelijk het softwarepakket «GenTax»?
Het systeem voor de omzetbelasting is sterk verouderd en dringend toe aan modernisering. Daarover is uw Kamer in de laatste jaren veelvuldig geïnformeerd. De Belastingdienst is in 2020 gestart met het traject om het verouderde omzetbelastingsysteem te moderniseren. In 2021 heeft de Belastingdienst een marktconsultatie gedaan, waaruit bleek dat er oplossingen in de markt beschikbaar zijn. In 2022 is na extern advies besloten om een aanbesteding te starten en een pakketoplossing uit de markt aan te schaffen in plaats van zelf een nieuw systeem te bouwen. Uit het advies bleek dat een oplossing uit de markt sneller en tegen lagere kosten zou kunnen worden gerealiseerd dan wanneer de Belastingdienst zelf een systeem zou bouwen.
In 2023 is de Belastingdienst een aanbestedingsprocedure (een concurrentiegerichte dialoog) gestart. Na het doorlopen van een zorgvuldige Europese aanbestedingsprocedure is de opdracht gegund aan het Amerikaanse bedrijf Fast Enterprises. Dit bedrijf scoorde het beste op de aangegeven criteria uit de vooraf via TenderNed openbaar gemaakte aanbestedingsstukken. Voorbeelden van criteria zijn: gebruiksvriendelijkheid, gegevensbeheer, informatiebeveiliging en datamigratie.
Op welke manier is er, ten tijde van de aanbesteding, rekening gehouden met digitale autonomie als voorwaarde voor aanbestedingen van overheids-ICT? Zou u dit in de huidige politieke context anders beoordelen?
Het traject is gestart in een andere (geo)politieke context. Het versterken van de nationale digitale autonomie door het beperken van de afhankelijkheid van niet-Europese technologie speelde destijds een beperktere rol in de afwegingen. Er is bewust gezocht naar bewezen technologie en gekeken naar de ervaringen van andere Europese landen.
De aanbesteding is zorgvuldig doorlopen conform de Europese aanbestedingsregels. De gevolgde Europese aanbestedingsregels maken het niet mogelijk om niet-Europese landen uit te sluiten indien hier handelsverdragen mee zijn gesloten.
Tegelijkertijd ziet dit kabinet ook dat Nederland kwetsbaar is geworden door afhankelijkheid van een klein aantal buitenlandse (tech)spelers en kijkt daarom met veel aandacht naar de digitale, en open strategische, autonomie van Nederland. In Europees verband wordt daarom gesproken over het herzien van de aanbestedingswet- en regelgeving, en een eventueel EU-voorkeursprincipe bij aanbestedingen in specifieke sectoren.
Indien de keuze voor FAST Enterprises de digitale autonomie niet bevordert, kunt u dan onderbouwen waarom dit alsnog de voorkeursoptie is?
In 2020 startte de Belastingdienst het traject voor de modernisering van het verouderde omzetbelastingsysteem. Een marktconsultatie in 2021 wees uit dat er geschikte pakketoplossingen beschikbaar waren in de markt. In 2022 is na een onderzoek uitgevoerd door McKinsey besloten om een aanbesteding te starten om een bewezen pakketoplossing voor de omzetbelasting aan te schaffen in plaats van zelf een nieuw systeem te bouwen.3 Uit het onderzoek bleek dat het aanschaffen van een systeem sneller te realiseren is dan zelf bouwen. Een tweede onafhankelijk onderzoek heeft dit beeld bevestigd.
De Belastingdienst heeft een zorgvuldige Europese aanbestedingsprocedure doorlopen in de vorm van een concurrentiegerichte dialoog. Het stond Nederlandse en Europese bedrijven uiteraard vrij om hieraan deel te nemen, dat hebben zij ook gedaan. Na het doorlopen van deze aanbestedingsprocedure is de opdracht gegund aan het Amerikaanse bedrijf, Fast Enterprises. Zoals ik reeds aangaf in het antwoord op vraag 3 scoorde dit bedrijf het beste op de van te voren aangegeven criteria in de aanbestedingsstukken. Daarnaast sluiten de gevolgde Europese aanbestedingsregels Amerikaanse bedrijven niet uit.
Kunt u onderbouwen waarom er niet is gekozen om de software van de omzetbelasting intern te ontwikkelen en beheren of dit in te kopen bij een Nederland of Europees bedrijf?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe garandeert u dat de relatie met FAST Enterprises niet door de Verenigde Staten gebruikt zal worden als drukmiddel, in het licht van de Nationale Veiligheidsstrategie van de VS?3 Kunt u inzicht geven in alle maatregelen die zijn genomen om dit risico te voorkomen?
Ik kan u die garantie niet geven. Het volledig uitsluiten van dit risico is bij een afhankelijkheid van een externe leverancier niet mogelijk. Het kabinet is doorlopend met de Verenigde Staten in gesprek om dergelijke vergaande maatregelen te voorkomen.5 In een extreem geval, kan de leverancier onder statelijke druk gedwongen worden om te stoppen met het leveren van diensten. In de recente geschiedenis is dit alleen onder zeer specifieke sanctiewetgeving gebeurd. De risico’s rondom continuïteit in relatie tot de Amerikaanse leverancier dienen te worden afgewogen tegen de risico’s die samenhangen met het langer in stand houden van het huidige verouderde systeem waarover ik u in de oplegbrief heb geïnformeerd. Deze risico’s acht ik groter en reëler dan dat de relatie met de leverancier als drukmiddel wordt ingezet.
De Belastingdienst voert als onderdeel van het programma een risicoanalyse conform de IRAM (Information Risk Assessment Methodology) uit. Op basis daarvan worden maatregelen uitgewerkt en geïmplementeerd en vervolgens op hun effectiviteit getoetst. Gelijktijdig en als onderdeel van de risicoanalyse laat ik parallel onderzoeken op welke termijn en onder welke voorwaarden de Belastingdienst het beheer en onderhoud van de infrastructuur van het systeem kan overnemen van Fast Enterprises. Dit kan als een alternatieve route dienen in het geval uit de risicoanalyse blijkt dat de restrisico’s, na het treffen van de beheersmaatregelen, niet tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden teruggebracht. Het zorgvuldig uitwerken van deze alternatieve route vergt tijd. Ik zal uw Kamer hierover informeren voor het zomerreces.
Ik zal hierbij ingaan op een aantal maatregelen die nader worden uitgewerkt. De Belastingdienst werkt met Fast aan de invulling van deze mitigerende maatregelen. Zo zal de leverancier gaan werken op locatie in Apeldoorn onder toezicht van medewerkers van de Belastingdienst die worden opgeleid om het systeem te beheren. Er wordt door de leverancier, eenmaal in productie, geen beheer op afstand vanuit de Verenigde Staten gevoerd. De Belastingdienst heeft de infrastructuur ingericht als een «onvertrouwde» omgeving binnen de infrastructuur van de Belastingdienst. De omgeving is gezoneerd en koppelingen of verbindingen met andere systemen worden gecontroleerd.
De Belastingdienst is in gesprek met de leverancier over het treffen van aanvullende beheersmaatregelen. Het gaat daarbij onder meer, maar niet uitsluitend, om te bewerkstelligen dat er wordt gewerkt met medewerkers die niet onder Amerikaanse jurisdictie vallen. Ook is de Belastingdienst in gesprek met de leverancier om de escrow-regeling die is opgenomen in de overeenkomst met Fast een ruimere toepassing te geven. Dit is een regeling die dient als waarborg op de continuïteit van de dienstverlening. Er wordt een kopie van de broncode en documentatie in bewaring gegeven bij een Nederlandse onafhankelijke derde partij. In geval van het niet nakomen van dienstverleningsafspraken wordt deze broncode en documentatie vrijgegeven. De Belastingdienst gaat een proces inrichten om te zorgen dat de Belastingdienstmedewerkers in dat geval over de benodigde expertise beschikken en werkzaamheden kunnen uitvoeren.
Kan de Belastingdienst gedurende de looptijd van het contract wel of niet volledig zelfstandig en zonder bijdrage van FAST Enterprises: 1) reageren op incidenten in GenTax; 2) bugfixes doorvoeren in GenTax; en 3) GenTax aanpassen zodat het voldoet aan nieuwe regelgeving?
Nee, deze handelingen kan de Belastingdienst niet volledig zelfstandig uitvoeren. Dit onderwerp is wel onderdeel van de kritische blik op de beheersmaatregelen en de nadere uitwerking hiervan. Zoals hiervoor aangegeven is de Belastingdienst een proces aan het inrichten om te zorgen dat de Belastingdienstmedewerkers de benodigde expertise hebben om continuïteit te waarborgen ingeval van niet nakomen van dienstverleningsafspraken.
Kunt u precies aangeven wat de werkzaamheden en de taken zijn van het projectteam van FAST Enterprises dat op Nederlandse bodem diensten zal leveren, zowel vóór als na de implementatie van GenTax?4
De implementatie betreft een integrale oplossing waarbij Fast het beheer gaat voeren op het totale systeem (software en infrastructuur). De infrastructuur staat in Apeldoorn, maar wordt beheerd door Fast (door middel van een housing-oplossing geleverd door de Belastingdienst). Zoals in de specificatie van de opdracht beschreven zal het projectteam van Fast, op Nederlandse bodem, werkzaamheden uitvoeren die samenhangen met de realisatie, configuratie en implementatie van GenTax. Dit gebeurt onder toezicht van Belastingdienstmedewerkers (vier-ogenprincipe). De Belastingdienst werkt met Fast aan wijze waarop hier invulling aan wordt gegeven.
Het projectteam van Fast ondersteunt daarnaast de voorbereiding en uitvoering van de migratie naar de nieuwe oplossing en begeleidt de organisatorische inbedding daarvan. Ook verzorgt Fast de opleidingsmaterialen die nodig zijn om medewerkers met het nieuwe systeem te laten werken.
Na de implementatie is Fast verantwoordelijk voor het onderhoud van de oplossing, waaronder het herstellen en verbeteren van functionaliteit en het doorvoeren van productupdates. Verder draagt het projectteam van Fast op dit moment zorg voor het technisch applicatiebeheer en de beschikbaarheid en werking van de oplossing op basis van de overeengekomen service levels. Fast biedt daarnaast ondersteuning bij vragen en verstoringen en blijft, waar nodig en binnen de functionele kaders van de oplossing, configuratiewijzigingen doorvoeren wanneer wet- en regelgeving verandert.
In geval van wijzigingen in wet- en regelgeving ondersteunt Fast bij de configuratie hiervan. Deze wijzigingen voert Fast niet zelfstandig uit. Hiervoor geldt het voortbrengingsproces waarbij Fast bij het configureren samenwerkt met de Belastingdienst. De configuratie van het systeem moet worden goedgekeurd door de Belastingdienst. Dat gebeurt via een proces van definities, verschillende testen, goedkeuren en acceptatie.
Verder werkt Fast doorlopend aan verbeteringen van het Gentax-pakket. Deze verbeteringen kunnen zowel betrekking hebben op de implementatie van nieuwe Europese wet- en regelgeving als functionele en technische verbeteringen van het Gentax-pakket zelf. Het doorvoeren van deze verbeteringen vindt plaats onder regie van de Belastingdienst.
Valt FAST Enterprises volledig en uitsluitend onder Nederlandse en Europese jurisdictie? Zo niet, heeft u dan in kaart gebracht welke gevolgen deze aanbesteding heeft voor de digitale autonomie van Nederland?
Nee, Fast Enterprises is een Amerikaans bedrijf en valt daarmee onder Amerikaanse jurisdictie. Daarmee komen de gegevens waartoe de leverancier, na implementatie, toegang krijgt in potentie binnen reikwijdte van extraterritoriale wetgeving zoals de CLOUD Act en de FISA Amendments Act.
De Belastingdienst is met de leverancier in gesprek over de mogelijkheid dat zij een onafhankelijke Europese entiteit oprichten met de intentie om het contract met de Belastingdienst, dat valt onder Nederlands recht, daarheen te verhuizen. Dit wordt momenteel juridisch nader verkend.
Welke analyses zijn uitgevoerd op het risico op spionage, dataweglek en het vergroten van de afhankelijkheid van de Verenigde Staten door deze keuze? Kunt u deze aan de Kamer doen toekomen (al dan niet vertrouwelijk), en de uitkomsten op hoofdlijnen delen?
De Belastingdienst voert als onderdeel van het programma een risicoanalyse conform de IRAM (Information Risk Assessment Methodology) uit. Dit is een internationaal erkende methodiek om informatierisico's systematisch in kaart te brengen en te beoordelen. Deze analyse is nog niet afgerond; op basis van de uitkomsten worden maatregelen uitgewerkt en geïmplementeerd, en vervolgens op hun effectiviteit getoetst. Het nieuwe systeem wordt niet in gebruik genomen voordat de beheersmaatregelen aantoonbaar effectief zijn ingericht.
Aangezien de IRAM nog wordt uitgevoerd, kan ik de uitkomsten op dit moment nog niet met uw Kamer delen. Zodra de analyse is afgerond, ben ik bereid de resultaten en de daaruit voortvloeiende maatregelen vertrouwelijk ter inzage aan uw Kamer aan te bieden.
Kunt u alle relevante notities, adviezen, (risico)analyses en documenten, die betrokken zijn bij de keuze voor FAST Enterprises, in volledigheid met de Kamer delen?
Tijdens de regeling van werkzaamheden op 3 maart jl. heeft uw Kamer verzocht om alle relevante stukken en notities die de keuze onderbouwen te ontvangen. Dit verzoek heb ik ontvangen. Omdat ik het belangrijk vind uw Kamer voor het debat van 19 maart te informeren, is de zoekslag met prioriteit uitgevoerd. Daardoor kan ik uw Kamer documenten doen toekomen die bezien op de aanbesteding, advisering, informatievoorziening en besluitvorming vanuit verschillende fasen binnen de overstap naar een ander OB-systeem. De documenten zijn bijgevoegd bij de Kamerbrief over het systeem voor de omzetbelasting die u op 17 maart jl. heeft ontvangen.
Wanneer er nieuwe relevantie informatie naar boven komt, waarmee een nieuw licht wordt geschenen op de reeds gedeelde inlichtingen, wordt dit op korte termijn met u gedeeld.
Onder welke voorwaarden is het in eigen beheer en onderhoud nemen van de applicatiediensten voor de omzetbelasting een haalbare oplossing? Welke aanvullende middelen of capaciteit is nodig om dit te realiseren?
De Belastingdienst heeft dit jaar op hoofdlijnen een aantal andere scenario’s verkend. Eén van deze scenario’s is dat de Belastingdienst het beheer van de infrastructuur overneemt (van housing naar hosting). Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 7 en in de Kamerbrief die u heeft ontvangen laat ik de mogelijkheid tot het zelfstandig beheren van de infrastructuur gelijktijdig en als onderdeel van de risicoanalyse parallel onderzoeken en zal ik uw Kamer hier voor het zomerreces over informeren. Voor een besluit wordt genomen of een toezegging wordt gedaan voor een andere variant dan het continueren van de huidige koers geldt wel dat de impact in beeld moet worden gebracht en expliciet worden gewogen inclusief de daarbij behorende dekking.
In het geval dat er voor een andere koers wordt gekozen dan de huidige zullen de risico’s en gevolgen die samenhangen met het langer in stand houden van het huidige verouderde systeem toenemen. Dat betekent dat het gevolgen kan hebben voor de tijdige implementatie van Europese wet- en regelgeving zoals de ViDA. Als deze wetgeving niet tijdig wordt geïmplementeerd kan dit leiden tot ingebrekestellingen van de Europese Commissie en problemen voor het (Nederlandse) bedrijfsleven.
Heeft de Belastingdienst een duidelijke sourcingstrategie voor het inkopen van ICT-diensten? Zo ja, kunt u deze met de Kamer delen?
Ja de Belastingdienst heeft een ICT-sourcingstrategie opgesteld. Deze strategie is erop gericht om een onderbouwde keuze te maken bij de aanschaf van software. De voorkeur is om bewezen standaardoplossingen uit de markt te gebruiken, zodat de Belastingdienst marktconform kan werken. Deze strategie is eerder in oktober 2024 met uw Kamer gedeeld.7
De Belastingdienst zal het sourcingbeleid herzien en waar nodig actualiseren. Daarbij zal rekening worden gehouden met recente (geo)politieke en technische ontwikkelingen.
Welke mogelijkheden heeft u om alsnog van deze leverancier af te zien, gezien de veranderende politieke situatie en de uitgesproken wens van de Kamer om digitale afhankelijkheden af te bouwen?
Het is mogelijk om de overeenkomst (onder voorwaarden) met de leverancier te ontbinden. Ik zie dat niet als een reëel scenario. Voor de systemen van de omzetbelasting geldt dat de modernisering niet langer kan wachten. Dit systeem is inmiddels rond de veertig jaar oud, de kennis wordt schaarser, de risico’s op storingen en uitval groter en de mogelijkheid om nieuw beleid uit te voeren is zeer beperkt. De keuze voor deze oplossing is weloverwogen gemaakt. De Belastingdienst heeft de aanbestedingsprocedure zorgvuldig doorlopen en de gunning is in maart 2025 definitief verleend. Zoals aangegeven in de Kamerbrief die u heeft ontvangen en in mijn antwoord op vraag 7 zet ik het traject voort en laat ik parellel onderzoeken door de Belastingdienst of het beheer en onderhoud van de infrastructuur door de Belastingdienst kan worden overgenomen.
Waarom is het McKinsey-rapport «Kopen of zelf bouwen?,» dat betrokken is geweest bij de keuze om de software van de omzetbelasting in te kopen, niet meer Openbaar?5 Kunt u het rapport opnieuw Openbaar maken?
Het rapport staat nog steeds online. De link uit het artikel is verouderd. Het is in te zien via: Open overheid.
Welke ambities zijn er om het gebruik van GenTax uit te breiden naar andere middelen dan de omzetbelasting, aangezien in het McKinsey-rapport wordt gesteld dat uitbreiding een voordeel is van het inkopen van een extern pakket?
Op dit moment zijn er geen plannen om het gebruik van GenTax uit te breiden naar andere belastingmiddelen.
Uit welk advies bleek dat ook het beheer en onderhoud van de applicatiediensten uitbesteed moest worden? Op welke momenten is de Kamer geïnformeerd dat beheer en onderhoud bij een niet-Europees bedrijf zou worden belegd?
Hierover is geen extern advies ingewonnen.
De Tweede Kamer is periodiek geïnformeerd over de voortgang van de aanbesteding. Tijdens het commissiedebat Belastingdienst in maart 2025 is aangegeven dat de gunning aan Fast Enterprises had plaatsgevonden. Aangezien het ongebruikelijk is om uw Kamer op dit detailniveau te informeren over aanbestedingen, bent u niet specifiek geïnformeerd over het uitbesteden van het beheer en onderhoud van applicatiediensten.
Zijn de waarschuwing en het advies van het Adviescollege ICT uit 2024 naar behoren opgevolgd?6 Zo nee, om welke redenen is dit niet nageleefd?
Ja. Het Adviescollege ICT heeft in april 2024 advies uitgebracht over het programma modernisering omzetbelasting. In dit advies onderschreef het Adviescollege de keuze van de Belastingdienst voor een pakketoplossing, maar werd de Belastingdienst geadviseerd de voorbereiding op een aantal punten te versterken. Mijn ambtsvoorganger heeft uw Kamer op 7 mei 2024 geïnformeerd over de wijze waarop de Belastingdienst deze adviezen zou opvolgen.10 Deze adviezen zijn opgepakt en benut door de Belastingdienst voor het verdere verloop van het traject.
Kunt u nauwkeurig toelichten in welke mate medewerkers van FAST Enterprises toegang krijgt tot de gegevens die verwerkt worden bij het heffen van de omzetbelasting? Welke garantie is er dat data via deze medewerkers toegankelijk wordt voor Amerikaanse overheidsdiensten?
Fast Enterprises zal de servers gaan beheren die geplaatst worden in het datacenter van de Belastingdienst in Apeldoorn. Daardoor krijgt Fast Enterprises, als de OB-regeling(en) in productie zijn genomen, toegang tot data van belastingplichtigen. De mate waarin medewerkers van Fast toegang krijgen tot data die in deze servers staat hangt af van hun autorisatie. Het uitgangspunt is dat medewerkers van Fast tijdens de productiefase geen toegang hebben tot productiedata en daartoe alleen tijdelijk toegang verkrijgen wanneer dit nodig is om hun beheerwerk te verrichten.
Fast Enterprises heeft een geheimhoudingsverklaring ondertekend. Deze verklaring voorkomt niet dat de Amerikaanse Staat voorgenoemde data kan vorderen op basis van extra territoriale wetgeving zoals de CLOUD Act en FISA Amendments Act. Er worden maatregelen genomen om dit risico te mitigeren, zoals het inrichten van het eerdergenoemde vier-ogen principe en infrastructurele beperkingen om data uit het systeem te kunnen halen, en logging en monitoring.
Deelt u de zienswijze dat het feit dat de servers van de Belastingdienst in Nederland blijven onvoldoende is om de risico’s voor de vertrouwelijkheid en cyberveiligheid weg te nemen, als een Amerikaanse partij straks toegang krijgt tot de servers?
Het gegeven dat de servers in het datacenter van de Belastingdienst staan is op zichzelf niet afdoende om alle risico’s weg te nemen. Daarom gaat de Belastingdienst ook aanvullende maatregelen nemen, zoals aangegeven in de brief die u bij met deze antwoorden heeft ontvangen, om deze risico’s tot een acceptabel niveau terug te brengen.
Bent u bereid om een kort, onafhankelijk onderzoek uit te voeren naar de mogelijkheid om het project alsnog stop te zetten, met behoud van de continuïteit van de belastingheffing?
Het stopzetten van het project acht ik niet verstandig, de redenen daarvoor heb ik uitgebreid toegelicht in de Kamerbrief die u heeft ontvangen. Een onderzoek met als uitgangspunt het stopzetten van dit traject lijkt mij prematuur gezien het feit dat de risicoanalyse en de uitwerking van beheersmaatregelen nog gaande zijn. Zoals aangegeven in de Kamerbrief die u heeft ontvangen en in mijn antwoord op vraag 7 laat ik, als onderdeel van de risicoanalyse, door de Belastingdienst parellel onderzoeken of het beheer en onderhoud van de infrastructuur door de Belastingdienst kan worden overgenomen.
Ik acht het zorgvuldiger om eerst het uitwerken van deze route en het afronden van de risicoanalyse af te wachten en vervolgens de uitkomsten hiervan te beoordelen. Voorafgaand aan de ingebruikname van het nieuwe systeem zullen alle beheersmaatregelen worden getoetst op hun effectiviteit. Ik ben bereid deze toetsing door een onafhankelijke partij te laten doen en de resultaten met uw Kamer te delen.
Kunt u een actueel overzicht geven van de planning van het lopende implementatietraject?
De Belastingdienst heeft gekozen voor een stapsgewijze implementatie. Deze planning is door mijn ambtsvoorganger op 13 november 2025 met uw Kamer gedeeld.11
Juli 2026
Juli 2027
4. Kleine ondernemersregeling (NL-KOR): de btw-vrijstelling voor ondernemers met een jaaromzet in Nederland tot en met € 20.000;.
Juli 2028
Kunt u toezeggen om geen onomkeerbare stappen te zetten in de migratie van de diensten naar FAST Enterprises, totdat volledig is uitgesloten dat de digitale autonomie hierdoor wordt ondermijnd en de Kamer zich hierover heeft kunnen uitspreken?
Er wordt op dit moment nog geen gebruik gemaakt van het nieuwe systeem. Het huidige systeem functioneert ongewijzigd. Wel wordt er doorgewerkt aan de voorbereiding van de ingebruikname om te voorkomen dat er vertraging optreedt en de risico’s met betrekking tot de continuïteit van het systeem daarmee toenemen. Daarbij merk ik op dat de gunning in maart 2025 definitief is geworden en het contact met Fast Enterprises is getekend. De Belastingdienst is als contractpartij gehouden aan de verplichtingen die hieruit voortvloeien. Het opzeggen of niet nakomen van het contract zal juridische en financiële consequenties met zich meebrengen.
Zoals aangegeven in de Kamerbrief en in de antwoorden op vraag 7 en 13 zal ik u voor het zomerreces en dus voor de ingebruikname van het systeem informeren over het uitwerken van de alternatieve route en de risicoanalyse.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo snel mogelijk beantwoorden en in ieder geval te voldoen aan de aanvullende informatieverzoeken voordat het commissiedebat Belastingdienst van 19 maart 2026 plaatsvindt?
Ja, de vragen zijn zoveel mogelijk afzonderlijk van elkaar beantwoord.
Het bericht ‘Odido-datalek erger dan gemeld, ook burgerservicenummers gelekt’. |
|
Sarah El Boujdaini (D66) |
|
David van Weel (VVD), Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van RTL waarin wordt gemeld dat bij telecomprovider Odido een grootschalig datalek heeft plaatsgevonden en dat hierbij, anders dan eerder door het bedrijf gecommuniceerd, ook burgerservicenummers (BSN) zijn gelekt?1
Ja
Hoe beoordeelt u de ernst van het incident, in het bijzonder het lekken van BSN, vanuit het perspectief van de bescherming van fundamentele rechten van burgers en hoe ingrijpend beoordeelt u de impact op burgers?
De schaal van dit datalek, de hoeveelheid getroffen burgers en de soms gevoelige aard van de gelekte gegevens maken dit tot een bijzondere situatie. Het maakt duidelijk dat datalekken grote gevolgen kunnen hebben. Zonder iets te willen of kunnen zeggen over de oorzaken van het onderhavige datalek, maakt dit in meer algemene zin duidelijk dat een goede beveiliging van persoonsgegevens zoals vereist in de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) pure noodzaak is en een cruciaal onderdeel van de bedrijfsprocessen moet zijn. De gevraagde beoordeling van dit datalek is uiteindelijk aan de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) en Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (RDI) als onafhankelijke toezichthouders. Daarnaast doet de politie onder leiding van het Landelijk Parket een strafrechtelijk onderzoek naar de aanval en de daders.
De gelekte gegevens waaronder ook het BSN zijn niet direct bruikbaar voor fraudeurs om zelfstandig fraude op naam van gedupeerden te plegen. Criminelen gebruiken de gegevens vooral om phishingaanvallen uit te voeren en gedupeerden te verleiden om op een link te klikken of nog meer gegevens prijs te geven.
Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties adviseert niet om paspoorten of identiteitskaarten te vernieuwen. Er zijn alleen paspoortnummers gelekt. Alleen met die informatie kunnen criminelen niet zelfstandig fraude plegen. Zij kunnen die informatie echter wel gebruiken voor bijvoorbeeld gerichte phishingaanvallen. Met behulp van de gestolen informatie proberen ze dan om zo betrouwbaar mogelijk te lijken en in te spelen op het gevoel van burgers met als doel om meer informatie te ontfutselen of burgers te verleiden op een link, button of QR-code te klikken.
In hoeverre acht u daarbij het recht op privacy en gegevensbescherming geschonden, nu (oud-)klanten van Odido buiten hun eigen schuld risico lopen op misbruik van hun persoonsgegevens?
In algemene zin is een datalek een inbreuk in verband met het recht op persoonsgegevens. Of, en zo ja in hoeverre, de privacy en het recht op gegevensbescherming van betrokken in deze concrete zaak zijn geschonden, is niet aan het kabinet om te beoordelen. Dit is aan de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) en de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (RDI) als toezichthouders of in voorkomende gevallen aan de rechter om te beoordelen.
Hoe beoordeelt u het advies aan Odido om geen losgeld te betalen, gelet op de huidige situatie waarin de hackersgroep Shinyhunters is overgegaan tot publicatie van gestolen persoonsgegevens, met mogelijke ernstige gevolgen voor de (oud-)klanten van Odido?2
Het besluit van Odido om geen losgeld te betalen sluit aan bij de visie van het kabinet. Slachtoffer worden van dergelijke afperspraktijken kan veel impact hebben. De schade kan enorm oplopen en plaatst een getroffen bedrijf in een moeilijke positie, ook richting hun klanten. Zeker in dit geval waar het aantal gestolen gegevens zo omvangrijk is. De uiteindelijke afweging ligt bij de getroffen organisatie, maar het dringende advies van de overheid blijft om geen losgeld te betalen. Betaling van losgeld biedt geen garantie dat criminelen systemen herstellen, gestolen data verwijderen of ervan afzien deze openbaar te maken of door te verkopen aan andere criminelen. Daarnaast houdt het betalen van losgeld het verdienmodel van cybercriminelen in stand. De opbrengsten worden veelal ingezet voor verdere, geavanceerde cyberaanvallen, waarmee nieuwe slachtoffers worden gemaakt. Dit kan bovendien nieuwe aanvallen op Nederlandse organisaties uitlokken.
Kunt u aangeven welke opsporingsprioriteit wordt gegeven aan het strafrechtelijk onderzoek dat is gestart door het Openbaar Ministerie en ligt daarbij ook een rol voor de digitale recherche?
Het OM gaat over de opsporingsprioriteit. De politie is onder gezag van het Openbaar Ministerie een opsporingsonderzoek gestart. Een team van het Team High Tech Crime, dat gespecialiseerd is in dit soort cybercriminaliteit, doet onderzoek naar het incident.
Welke rol ziet u bij het ondersteunen en informeren van burgers van wie persoonsgegevens door cybercriminelen zijn gepubliceerd en acht u het huidige instrumentarium hiervoor toereikend?
De overheid geeft praktische tips om de digitale weerbaarheid van burgers te vergroten. Zo hebben burgers de mogelijkheid om websites zoals veiliginternetten.nl en die van het NCSC te raadplegen waar veel informatie en adviezen worden gegeven over hoe ze zich online kunnen beschermen en over de basisprincipes van digitale weerbaarheid. Via Centraal Meldpunt Identiteitsfraude (CMI) kan er melding worden gedaan van fraude, hier is ook een specifieke pagina over de Odido hack. Daarnaast zal het kabinet met een reactie komen in lijn met de gedane toezegging door de Staatssecretaris van Economische Zaken – digitale economie en soevereiniteit en de aangenomen motie van het lid Rajokowski die opriep tot een duidelijk handelingskader voor slachtoffers van datalekken.3
Ziet u aanleiding om het strafrechtelijk kader of de opsporingscapaciteit op het terrein van hacks en digitale afpersing te versterken, bijvoorbeeld door intensivering van de digitale recherche van de politie of door aanpassing van wet- en regelgeving?
Door het Ministerie van Justitie en Veiligheid worden met de politie en het OM worden gesprekken gevoerd over wat er nodig is om de aanpak van online criminaliteit een stap verder te brengen, daarin zullen de recente incidenten zoals de hacks bij Clinical Diagnostics en Odido worden meegenomen.
In het coalitieakkoord is verder aangekondigd dat de strafmaxima voor zware cyberdelicten zullen worden verhoogd. Bij de nadere beleidsuitwerking hiervan zal ook aandacht worden besteed aan deze recente incidenten.
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden en dit doen voorafgaand aan de behandeling van de Cyberbeveiligingswet?
Dit is helaas niet gelukt.
Het bericht 'US orders diplomats to fight data sovereignty initiatives' |
|
Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van Reuters waarin wordt gesteld dat de Amerikaanse regering diplomaten instrueert om buitenlandse initiatieven op het gebied van datasoevereiniteit actief tegen te gaan?1
Ja.
Hoe beoordeelt u deze instructie van de Amerikaanse regering in het licht van het belang dat Europa zelf zeggenschap houdt over waar en hoe gevoelige data van burgers, bedrijven en overheden wordt opgeslagen en verwerkt?
Voor het kabinet staat voorop dat Nederland en de EU soeverein zijn in het bepalen van hun eigen wet- en regelgeving, inclusief wetgeving op het gebied van Europese datasoevereiniteit, en dat aanpassing van regelgeving onder druk van derde landen niet mag gebeuren.
Wel zal de EU haar concurrentievermogen moeten vergroten en weerbaarder moeten worden, ook op digitaal vlak. In dat kader waardeert het kabinet de inspanningen die hiertoe op EU-niveau worden gedaan en kijkt het met interesse uit naar het aankomende Technology Sovereignty Package van de Europese Commissie, dat naar verwachting onder meer voorstellen bevat voor een Cloud & AI Development Act (CADA) en herziening van de Chips Act. Het kabinet gaat daarover t.z.t. graag in gesprek met uw Kamer. Ook de Agenda Digitale Open Strategische Autonomie van het kabinet past in de inzet om het concurrentievermogen en de weerbaarheid van de (digitale) economie te vergroten.
Tot slot is het van belang om met al onze bondgenoten, waaronder de VS, actief in gesprek te blijven.
Is bij u bekend of Amerikaanse diplomaten richting Nederland of bij de Europese Commissie pogingen hebben ondernomen om beleid op het gebied van datasoevereiniteit te beïnvloeden, en zo ja, op welke wijze en in welke context?
Het is niet ongebruikelijk dat belanghebbenden – zoals overheden, bedrijven, onderzoeksinstellingen en andere belangengroepen – invloed proberen uit te oefenen op politieke besluitvormingsprocessen en daartoe hun zienswijzen delen. Dit geldt ook voor de VS. Uiteindelijk besluit het kabinet zelf welke zienswijzen het verwerkt in zijn standpuntbepaling. Specifiek naar aanleiding van de casus waarnaar in deze vragen wordt verwezen, is mij niet bekend dat hierop door Amerikaanse diplomaten actie is ondernomen.
Welke gevolgen kan het afzwakken van beleid op het gebied van datasoevereiniteit hebben voor de bescherming van persoonsgegevens, de online veiligheid en de controle die burgers hebben over hun eigen data?
De Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) geldt als hoeksteen van het EU beleid in de digitale ruimte. De AVG beschermt grondrechten en de fundamentele vrijheden van natuurlijke personen en met name hun recht op bescherming van persoonsgegevens. De online veiligheid wordt onder meer beschermd doordat verwerkingsverantwoordelijke organisaties niet meer gegevens mogen verwerken dan noodzakelijk is, en een passende beveiliging van persoonsgegevens dienen te waarborgen. De verwerkingsverantwoordelijke dient ervoor te zorgen dat de bescherming van het grondrecht niet wordt ondermijnd, ongeacht waar de gegevens zich bevinden. In lijn met de doelstellingen van de AVG, is het Nederlandse beleid op het vlak van datasoevereiniteit erop gericht de bescherming van het grondrecht zowel in EU-verband als bij internationale doorgiften te waarborgen.
Ziet u hierin aanleiding om, samen met Europese partners, actiever in te zetten op het versterken van digitale soevereiniteit, onder meer door het bevorderen van Europese cloud- en data-infrastructuur?
Het kabinet onderschrijft in algemene zin de noodzaak om actief in te zetten op het versterken van onze digitale soevereiniteit, specifiek ten aanzien van het bevorderen van Europese cloud- en datainfrastructuur. In onder meer de kabinetsreactie op de initiatiefnota «Wolken aan de Horizon» van de leden Kathmann en Six Dijkstra heeft het kabinet erkend dat het vanwege de internationale aard van de problematiek op de cloudmarkt essentieel is om deze problemen waar mogelijk in Europees verband beleidsmatig aan te pakken. In de Kamerbrief over Europese cloud-alternatieven van maart 2025 is uw Kamer geïnformeerd over de lopende initiatieven die onderdeel zijn van de geïntegreerde Europese aanpak om Europese cloud-alternatieven te stimuleren en digitale afhankelijkheden af te bouwen.
Voorts heeft het kabinet signalen ontvangen dat de Commissie in de herziening van de aanbestedingsrichtlijnen overweegt om een Europees voorkeursprincipe bij aanbesteden voor strategische sectoren op te nemen. Daarbij kan ook gekeken worden naar de cloudsector. Het kabinet is terughoudend met de inzet van een dergelijk principe en is van mening dat per sector zorgvuldig en gericht moet worden afgewogen of de baten van de inzet van een dergelijk principe opwegen tegen de kosten. Het kabinet is tevens van mening dat het instrument in beginsel enkel moet worden ingezet om de weerbaarheid van de Unie te versterken en eventuele toepassing moet daarbij tijdelijk, doelmatig en proportioneel zijn. De toegang voor gelijkgestemde handelspartners moet hierin niet belemmerd worden. Een Europees voorkeursprincipe in aanbestedingen zou, samen met andere maatregelen, kunnen bijdragen aan het afbouwen van strategische afhankelijkheden.
Ziet u daarnaast aanleiding om in Europees verband gezamenlijke uitgangspunten over datasoevereiniteit actiever uit te dragen en te verdedigen?
Het kabinet zet in op eenduidige afspraken en definities over soevereiniteit van cloud- en datainfrastructuur in Europees verband. Er bestaan op dit moment geen uniforme principes om te bepalen wat soevereiniteit in relatie tot cloud is. Als gevolg hiervan vermarkten aanbieders op dit moment uiteenlopende clouddiensten als «soeverein». Omdat er op dit moment geen regels zijn die voorschrijven in welke mate zelfverklaarde soevereine clouddienstverlening bescherming moet bieden tegen niet-Europese extraterritoriale wetgeving, is het in de praktijk mogelijk dat er clouddienstverlening op Europese bodem wordt aangeboden als «soeverein» terwijl deze onder specifieke omstandigheden verplicht is niet-Europese veiligheids- en opsporingsdiensten toegang te geven tot opgeslagen data.
Het kabinet zet zich er daarom actief voor in dat het voorstel van de Europese Commissie voor de CADA bepalingen bevat voor het vaststellen van gezamenlijke uitgangspunten voor cloud- en datasoevereiniteit. Dit biedt aanbieders duidelijkheid over de eisen waar ze aan moeten voldoen om een soevereine cloud propositie te mogen aanbieden, terwijl afnemers zekerheid hebben dat de dienstverlening daadwerkelijk het beschermingsniveau biedt dat ze wensen. Het wetsvoorstel voor de CADA wordt verwacht in het tweede kwartaal van 2026.
De inzet van het kabinet voor het realiseren van gedeelde, uniforme uitgangspunten voor cloud- en datasoevereiniteit vindt parallel plaats aan het streven onder de Nederlandse Digitaliseringsstrategie om een soevereine overheidscloud te ontwikkelen.
Het bericht ‘Hackers persen Odido af na datalek en eisen een miljoen euro losgeld’ |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Songül Mutluer (PvdA) |
|
David van Weel (VVD), Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hackers persen Odido af na datalek en eisen een miljoen euro losgeld»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het verdienmodel van cybercriminelen voor een groot deel draait op het afpersen van slachtoffers, onder dreiging van het publiceren van gestolen data of het voor eeuwig versleutelen van systemen?
De modus operandi van cybercriminelen waarbij slachtoffers worden afgeperst onder dreiging van het publiceren van gestolen data of versleuteling is bekend.2
Vindt u dat het toegeven aan dit soort afpersing het verdienmodel van cybercriminelen in stand houdt? Hoe verhoudt dit zich volgens u tot de bescherming van slachtoffers, die hun persoonlijke data in handen van criminelen zien verdwijnen als een getroffen organisatie niet betaalt?
Slachtoffer worden van ransomware en dit soort afpersing kan veel impact hebben. De schade kan enorm oplopen en plaatst een getroffen bedrijf in een moeilijke positie, ook richting klanten. Zeker in dit geval waar het aantal gestolen gegevens zo omvangrijk is. De uiteindelijke afweging is aan de getroffen organisatie, maar het dringende advies vanuit de overheid blijft: geen losgeld betalen. Het betalen van losgeld biedt geen garantie dat criminelen systemen weer toegankelijk maken of gestolen data niet doorverkopen aan andere criminelen. Het uitbetalen van losgeld houdt bovendien het verdienmodel van criminelen in stand. En lokt daarmee mogelijk nieuwe aanvallen op Nederlandse organisaties uit.
Er kan zich spanning voordoen tussen het belang van een individueel slachtoffer om op de korte termijn schade te beperken en het bredere maatschappelijke belang om het totaal aantal (potentiële) slachtoffers te verminderen en het verdienmodel van criminelen niet in stand te houden. Het is vooral belangrijk dat getroffen personen informatie krijgen over de risico’s die zij lopen en wat zij daartegen kunnen doen. Mensen die vermoeden dat ze slachtoffer zijn geworden van de diefstal van hun gegevens, kunnen op de site van de politie controleren3 of hun data in handen van criminelen is gevallen.
Klopt het dat het voor een getroffen organisatie logisch kan lijken om losgeld te betalen (op basis van de belofte van daders dat gestolen data niet gepubliceerd worden of versleutelde systemen worden vrijgegeven), maar dat dit de samenleving als geheel juist meer kan kosten, omdat het verdienmodel van cybercriminelen in stand gehouden wordt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke manier kan de samenleving volgens u dit dilemma oplossen?
Slachtoffer worden van dergelijke afperspraktijken kan veel impact hebben. De schade kan enorm oplopen en plaatst een getroffen bedrijf in een moeilijke positie, ook richting hun klanten. Zeker in dit geval waar het aantal gestolen gegevens zo omvangrijk is. De uiteindelijke afweging ligt bij de getroffen organisatie, maar het dringende advies van de overheid blijft om geen losgeld te betalen. Betaling van losgeld biedt geen garantie dat criminelen systemen herstellen, gestolen data verwijderen of ervan afzien deze openbaar te maken of door te verkopen aan andere criminelen. Daarnaast houdt het betalen van losgeld het verdienmodel van cybercriminelen in stand. De opbrengsten worden veelal ingezet voor verdere, geavanceerde cyberaanvallen, waarmee nieuwe slachtoffers worden gemaakt. Dit kan bovendien nieuwe aanvallen op Nederlandse organisaties uitlokken.
Staat u nog steeds achter het advies van de overheid aan organisaties om geen losgeld aan hackers te betalen? Op welke expertkennis baseert u dat advies?
Ja, zie de antwoorden op de voorgaande vragen. Dit sluit aan bij het inzicht en advies van de politie en het OM.
Zou een verbod op het betalen van losgeld aan hackers de samenleving als geheel ten goede kunnen komen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet? Wat zijn volgens u de voor- en nadelen van een dergelijk verbod?
We willen organisaties die slachtoffer zijn geworden van een ransomware aanval niet criminaliseren. Er kan zich spanning voordoen tussen het belang van een individueel slachtoffer om op de korte termijn schade te beperken en het bredere maatschappelijke belang om het totaal aantal (potentiële) slachtoffers te verminderen en het verdienmodel van criminelen niet in stand te houden. Zolang die spanning niet eenduidig kan worden opgelost wordt – net als in de meeste EU landen – dringend geadviseerd om geen losgeld te betalen, in plaats van een wettelijk verbod. Daarnaast wordt ingezet op preventie, meldplichten bij toezichthouders en gerichte informatie aan individuen wier gegevens zijn getroffen.
Kan een verbod op het betalen van losgeld ook dienen als extra prikkel voor organisaties om extra werk te maken van cyberweerbaarheid? Zo nee, waarom niet?
Het huidige wettelijke kader (Telecommunicatiewet, Wbni, de AVG en de aankomende Cyberbeveiligingswet) verplicht organisaties om serieus werk te maken van cyberweerbaarheid. Zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 2 is daarbij het dringende advies om geen losgeld te betalen. Er kunnen situaties voorkomen waarbij toch een andere afweging wordt gemaakt door een organisatie. Om deze reden achten wij een volledig wettelijk verbod onwenselijk.
Welke extra prikkels en instrumenten kunt u inzetten om ervoor te zorgen dat organisaties te dwingen hun cyberweerbaarheid serieus te nemen? Denkt u dat boetes hier een effectief middel voor kunnen zijn? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Het huidige wettelijke kader (Telecommunicatiewet, Wbni en AVG) biedt de nodige handhavende bevoegdheden om in te grijpen bij vastgestelde onregelmatigheden. Ingrijpen kan bijvoorbeeld door het bevestigen van normen, het geven van waarschuwingen, stilleggen van verwerkingen van persoonsgegevens of het opleggen van boetes. Onder de zorgplicht van de Telecommunicatiewet moeten organisaties passende technische en organisatorische maatregelen nemen om beveiligingsrisico’s te beheersen. Hieronder vallen ook risico’s met betrekking tot diensten zoals een klantsysteem. De Rijksinspectie Digitale Infrastructuur houdt toezicht op de Telecomwet en de Autoriteit Persoonsgegevens houdt toezicht op de AVG.
Daarnaast wordt met de aankomende implementatie van de Cyberbeveiligingswet (Cbw) een impuls gegeven aan de wettelijke verplichtingen voor essentiële en belangrijke entiteiten om maatregelen te nemen die bijdragen aan hun eigen cyberweerbaarheid. Ook is er sprake van een meldplicht bij significante incidenten. De verplichtingen uit de Cbw worden gehandhaafd door de bevoegde toezichthouders/autoriteiten. Organisaties worden onderworpen aan een beveiligingsscan en audit, en kunnen een aanwijzing, de verplichting tot het openbaar maken van een overtreding, een last onder bestuursdwang, een last onder dwangsom en een bestuurlijke boete opgelegd krijgen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en binnen de gestelde termijn beantwoorden?
ja.
Bent u bekend met het recent gepubliceerde Amerikaanse onderzoeksrapport d.d. 3 februari jl. The foreign censorship threat, part II: Europe’s decade-long campaign to censor the global internet and how it harms American speech in the United States, waarin wordt verwezen naar Europese en nationale betrokkenheid bij moderatie van politiek-inhoudelijke uitingen op sociale media?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Hoe beoordeelt u het feit dat de EU in 2023 een handboek opstelde voor techbedrijven om te modereren bij de volgende onderwerpen: «populist rhetoric», «anti-government/anti-EU»-content, «anti-elite»-content, «political satire», «anti-migrants and Islamophobic content», «anti-refugee/immigrant sentiment», «anti-LGBTIQ... content» en «meme subculture»?2 Kunt u uw antwoord toelichten?
Het opgestelde handboek in 2023 van de Europese Unie (EU) heeft betrekking op zogeheten borderline content. Hoewel borderline content geen strikt illegaal karakter heeft en niet per definitie tot geweld hoeft te leiden, kan zij de veiligheid van burgers en instituties ernstig ondermijnen. Dit kan bijvoorbeeld doordat dergelijke uitingen aanzetten tot haat of opruiing, of doordat extremistisch gedachtengoed erdoor wordt genormaliseerd. Dit type content draagt bij aan radicaliseringsprocessen en is zeer zorgelijk. Het EU-handboek betreft een niet-bindende leidraad voor online platformen bij het omgaan met online risico’s, en daarmee het voorkomen dat de veiligheid van burgers en instituties wordt ondermijnd door terroristische en schadelijke content. In het kader van dit EU-handboek staat de vrijheid van meningsuiting centraal: uitingen zoals politieke satire, kritiek op de overheid of zogenoemde populistische retoriek maken deel uit van het democratisch debat.
Hoe beoordeelt u het feit dat de EU via de Permanent Task-Force Crisis Response Group «desinformatie bestreed» op het gebied van onderwerpen zoals bijvoorbeeld COVID-19 en een potentieel verband tussen de sancties tegen Rusland en de Europese energiecrisis? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het staat de Europese Commissie vrij om haar eigen werkprocessen en informatiestromen vorm te geven in lijn met de in de Verdragen neergelegde bevoegdheden. Het instellen van een interne taskforce om de EU Code of Practice on Disinformation effectief uit te werken valt binnen deze bevoegdheid.
Acht u het wenselijk dat de EU techbedrijven aanmoedigt dan wel opdraagt zich te bemoeien met legale, niet-gewelddadige politieke uitingen op sociale media? Kunt u uw antwoord toelichten?
De EU draagt techbedrijven niet op om zich te bemoeien met legale, niet-gewelddadige politieke uitingen op sociale media. Wel is er de digitaledienstenverordening (Digital Services Act, «DSA»), die voorschrijft dat zogenaamde zeer grote online platforms de systeemrisico’s, die voortvloeien uit het ontwerp of de werking van hun diensten, moeten identificeren. En waar nodig maatregelen te nemen. Hieronder vallen ook negatieve effecten op het publieke debat en verkiezingsproces. Of sprake is van systeemrisico’s, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval en dat moet in eerste instantie door het platform zelf beoordeeld worden. Het kabinet staat achter deze wetgeving. Daarbij is het uiteraard van belang dat rekening wordt gehouden met alle toepasselijke grondrechten, waaronder de vrijheid van meningsuiting. Dit brengt bijvoorbeeld mee dat maatregelen tegen schadelijke content niet zozeer gericht zullen zijn op het verwijderen van die content, maar bijvoorbeeld op het markeren daarvan.
Kunt u aangeven of het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in aanloop naar de Tweede Kamerverkiezingen van 2023 door de Europese Commissie is aangewezen als «trusted flagger» in het kader van de Digitale Dienstenverordening (DSA)? Zo ja, per welke datum gold deze aanwijzing en welke bevoegdheden en taken waren daaraan verbonden?
Dit klopt niet. De Europese Commissie kan deze status ook niet verlenen binnen de DSA. Dit is toebedeeld aan de nationale toezichthouder op basis van de DSA. Wel heeft het ministerie met de platformen van X, Meta, TikTok, Google, en Snapchat de vrijwillige afspraak dat zij meldingen van het Ministerie van BZK gedurende de verkiezingsperiode met prioriteit behandelden. Hierbij blijft het platform te allen tijde zelf verantwoordelijk voor de afhandeling en de beoordeling van de melding die gedaan wordt, in relatie tot geldende regelgeving en de gebruikersvoorwaarden.
Het Ministerie van BZK heeft via deze kanalen geen bevoegdheid content te laten verwijderen.
Kunt u inzicht geven in het aantal en het type meldingen dat door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, of namens Nederland, als «trusted flagger» is gedaan bij sociale mediaplatforms in de periode voorafgaand aan de Tweede Kamerverkiezingen van 2023 en 2025? Kunt u daarbij specificeren in hoeverre deze meldingen betrekking hadden op politieke of maatschappelijke uitingen? Kan de Kamer deze meldingen ontvangen of vertrouwelijk inzien? Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van BZK maakt het contact met de platformen na afloop van de verkiezingen openbaar in een rapport via de evaluatie van de desbetreffende verkiezing.3 In dit rapport is te lezen dat het Ministerie van BZK niet kijkt naar en geen uitspraken doet over verkiezingsbeloften of politieke of maatschappelijke uitingen. Het Ministerie van BZK zet dit middel met grote terughoudendheid in en alleen wanneer berichtgeving op sociale media platformen de integriteit van het verkiezingsproces mogelijk in gevaar brengt. Bijvoorbeeld bij berichtgeving over de verkeerde verkiezingsdatum, of feitelijk onjuiste informatie hoe en waar te stemmen.
Hoe beoordeelt u de rol van ministeries als «trusted flagger» in perioden waarin verkiezingen plaatsvinden? Erkent u dat hier automatisch sprake is van conflicterende belangen, aangezien de Minister van Binnenlandse Zaken tijdens verkiezingen het risico loopt te worden weggestemd? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik kan mij hier niet in vinden. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 6 neemt het Ministerie van BZK enkel contact op met een platform wanneer er een risico bestaat voor de organisatie, uitvoering en integriteit van het verkiezingsproces.
Een voorbeeld van de inzet van de flagger status bij de Provinciale Staten en waterschapsverkiezingen in 2023: Het Ministerie van BZK heeft bij X melding gemaakt van berichten die kiezers die op FvD zouden willen stemmen opriepen de naam van de landelijke fractievoorzitter op het stembiljet bij te schrijven. Het bijschrijven van een naam op een stembiljet leidt tot een ongeldige stem. In de evaluatie van deze verkiezing is deze melding aan de Tweede Kamer gerapporteerd.4
Kunt u toelichten in hoeverre Nederland, via overleg met de Europese Commissie of via directe contacten met socialemediaplatforms, betrokken is geweest bij afspraken of maatregelen over moderatie van uitingen in relatie tot verkiezingen of specifieke politieke onderwerpen zoals bijvoorbeeld de oorlog in Oekraïne, immigratie of het coronabeleid? Kunt u de Kamer informeren over de aard en omvang van deze betrokkenheid? Zo nee, waarom niet?
Zoals vermeld in vraag 6, kunt u het contact met de platformen terugvinden in de evaluatie van de desbetreffende verkiezing.
In het betreffende Amerikaans onderzoeksrapport wordt op pagina 106 geschreven dat «between 2023 and 2025, the Commission engaged with platforms and pressured them to aggressively censor content ahead of national elections in [...] the Netherlands [...]»: kunt u aangeven hoe u deze constatering beoordeelt, of u zich hierin herkent?
Het kabinet herkent zich niet in de uitspraken die worden gedaan in het rapport. Anders dan het rapport suggereert, schrijft de DSA geen censuur voor. De vrijheid van meningsuiting staat centraal in de DSA. De Europese Commissie is in gesprek gegaan met platformen over hun verantwoordelijkheden en verplichtingen op grond van de DSA. Het kabinet steunt de Europese Commissie volledig in het handhaven van de Europese digitale wetgeving, waaronder de DSA.
Kunt u de Kamer alle correspondentie doen toekomen tussen de Europese Commissie (of de EU in het algemeen) en het Ministerie van Binnenlandse Zaken (of Nederland in het algemeen) met betrekking tot «trusted flagger»-meldingen rond de verkiezingen van 2023 en 2025? Zo nee, waarom niet?
Zoals vermeld in vraag 6 is het contact met de platformen reeds openbaar gemaakt in de evaluatie van de desbetreffende verkiezing.
Klopt het, zoals op pagina 107 van het Amerikaanse overheidsrapport te lezen is, dat het Ministerie van Binnenlandse Zaken aanwezig was bij de «Verkiezingsbijeenkomst TikTok», georganiseerd door de Europese Commissie in Den Haag op vrijdag 10 november 2023? Wat was de inbreng/rol van het ministerie tijdens deze bijeenkomst? Wie waren bij deze bijeenkomst aanwezig? Wat was het programma? Kunt u de Kamer de verslagen/notulen doen toekomen die zijn gemaakt tijdens deze bijeenkomst, evenals correspondentie voorafgaand aan en na afloop daarvan? Zo nee, waarom niet?
Dit klopt niet. De bijeenkomsten die het Ministerie van BZK heeft bijgewoond kunt u terugvinden in de Kamerbrief Contact platformen in aanloop naar TK25 verkiezing.5
Klopt het dat de Autoriteit Consument en Markt (ACM) zes weken voor de verkiezingen in 2025 een bijeenkomst heeft georganiseerd over de verkiezingen, in het kader van de DSA en met vertegenwoordigers van de Europese Commissie, Alphabet, Meta, Microsoft, TikTok en X? Klopt het dat hier is gesproken over het censureren van «schadelijke content» in het kader van de verkiezingen? Hoe werd «schadelijke content» gedefinieerd? Kunt u een aantal voorbeelden van dergelijke «schadelijke content» geven?
Op 15 september 2025 heeft de ACM een rondetafelbijeenkomst georganiseerd over de DSA en de Tweede Kamerverkiezing van 29 oktober 2025.6 Tijdens de bijeenkomst spraken de deelnemers met elkaar aan de hand van vier thema’s: synthetische (door AI-genereerde) content, aanbevelingssystemen (algoritmen), toegang tot data voor onderzoekers, en viraliteit. De nadruk lag onder andere op zaken als transparantie, de praktische uitvoerbaarheid van maatregelen en de mogelijke invloed op het verkiezingsproces. Zo werd er onder andere stilgestaan bij het risico van online bedreigingen van politici en journalisten en de maatregelen die platforms hiertegen nemen. Ook kwam de mogelijke impact aan bod van AI-gegenereerde antwoorden op platforms en zoekmachines op verkiezingsgerelateerde vragen over bijvoorbeeld partijprogramma’s en kandidaten. De ACM heeft kort na afloop van de bijeenkomst ook een verslag gepubliceerd, met daarin informatie over de deelnemers en de gespreksthema’s.
Welke afspraken zijn gemaakt tijdens de bijeenkomst genoemd in vraag 12? Kunt u de Kamer de gespreksverslagen/notulen van deze bijeenkomst doen toekomen, waaronder in elk geval de presentatie van de Europese Commissie, van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en van Manon Leijten (bestuurslid van de ACM)? Zo nee, waarom niet?
Tijdens de rondetafel zijn er geen specifieke afspraken gemaakt tussen de ACM en aanwezigen. Doel van de rondetafel was kennisuitwisseling. De ACM heeft kort na afloop van de bijeenkomst ook een verslag gepubliceerd, met daarin informatie over de deelnemers en de gespreksthema’s.7 De Europese Commissie heeft tijdens de rondetafel uitleg gegeven over de werking van het raamwerk van relevante Europese regelgeving, waaronder de DSA en de Europese Verordening betreffende transparantie en gerichte politieke reclame (VPR). Hiervan zijn geen slides beschikbaar. Het Ministerie van BZK heeft een presentatie gegeven over de inrichting van het verkiezingsproces in Nederland. De daarbij gebruikte slides zijn opgenomen als bijlage. De ACM heeft de bijeenkomst geopend met een kort welkomstwoord en heeft de middag technisch voorgezeten. Er is vanuit de ACM geen presentatie gegeven.
Kunt u bovenstaande vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat AI-gegenereerde stemhulpen kiezers misleiden. |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Rijkaart |
|
|
|
|
Bent u bekend met verschillende berichten dat AI-gegenereerde stemwijzers onjuiste informatie verstrekken en kiezers misleiden, zoals in Gouda, Leiden en De Ronde Venen?1, 2, 3
Ja.
Deelt u de grote zorg dat hier stemadviezen worden gegeven op basis van tal van onjuistheden en zelfs met niet bestaande partijen?
Ik deel uw zorgen over de stemadviezen die door AI-gegenereerde stemhulpen (verder: AI-stemhulpen) worden verstrekt. Het is van belang dat de adviezen die kiezers van stemhulpen krijgen betrouwbaar, begrijpelijk en transparant zijn. Met de komst van AI-stemhulpen zie ik dat deze uitgangspunten onder druk komen te staan. AI-stemhulpen zijn namelijk stemhulpen die gebouwd zijn op basis van Large Language Models (LLM’s), bijvoorbeeld keus.nl4 dat claude.ai als basis heeft. Dit soort LLM’s produceert antwoorden door statistisch te voorspellen wat in de tekst hoort te staan op basis van taalpatronen uit trainingsdata, niet door deskundig gevalideerde verkiezingsinformatie of lokale programma’s. Daardoor geven ze antwoorden die op het eerste gezicht vaak goed lijken, maar die niet feitelijk juist, of neutraal zijn. Zelfs met zeer strikte instructies aan het algoritme, blijven de antwoorden onbetrouwbaar.
Eerder hebben de Autoriteit Persoonsgegevens en de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) daarom het gebruik van AI-stemhulpen sterk afgeraden.
De ontwikkeling van stemhulpen maakt onderdeel uit van het publieke debat rondom verkiezingen. Vanwege de neutrale positie die de overheid dient in te nemen in het debat rond verkiezingen, heeft de overheid tot nu toe geen rol ingenomen met betrekking tot stemhulpen, noch invloed uitgeoefend op stemhulpen. Dat geldt ook voor door AI gemaakte stemhulpen. Door het toenemende gebruik van AI-stemhulpen komen uitgangspunten betrouwbaarheid, begrijpelijkheid en transparantie onder druk te staan. Daarom onderzoek ik of de overheid in de borging van deze uitgangspunten een rol kan en moet vervullen en zo ja, binnen welke kaders dat kan. Ik ben voornemens u bij de evaluatie van de Gemeenteraadsverkiezingen die ik voor de zomer aan de Tweede Kamer zal sturen hier nader over te informeren.
Welke gevolgen heeft onjuiste informatieverstrekking voor de aankomende gemeenteraadsverkiezingen en welke aansprakelijkheid geldt er bij het onjuist of onvolledig verstrekken van informatie?
Zie antwoord op vraag 2.
Al eerder werd door de Autoriteit Persoonsgegevens gewaarschuwd voor de uitkomsten van AI-gegenereerde chatbots, die meer dan de helft van de tijd PVV en GroenLinks-PvdA op de eerst plek adviseerden, wat is er met deze bevindingen gedaan? Vindt u dit voldoende, zo ja waarom?
Mede naar aanleiding van dit rapport ben ik in gesprek gegaan met bedrijven die LLM’s als dienst aanbieden over hun verantwoordelijkheden voor het beschermen van het publiek debat en het verkiezingsproces. Zoals ik in het antwoord op vraag 2 noem, onderzoek ik of het wenselijk is of de overheid een rol gaat nemen bij de borging van uitgangspunten van betrouwbaarheid, begrijpelijkheid en transparantie bij de ontwikkeling van stemhulpen. In de evaluatie van de gemeenteraadsverkiezing zal ik u hier verder over informeren.
Hoe vaak zijn de in de nieuwsartikelen genoemde «stemhulpen» in de afgelopen dagen geraadpleegd? Hoe verhoudt zich dat tot het aantal kiesgerechtigden?
Ik heb daar geen zicht op. Ik verwijs u voor deze cijfers naar de betreffende websites. Voor de volledigheid wijs ik u erop dat de website keus.nl door de initiatiefnemer zelf inmiddels offline is gehaald.
Gaat u na welke initiatiefnemers er achter deze zogenaamde stemhulpen schuil gaan en met welk oogmerk zij actief zijn? Zo ja, kunt u dit met de Kamer delen? Zo nee, wie is daar wel voor verantwoordelijk?
Zie antwoord op vraag 2.
Deelt u de grote zorg dat de democratie actief wordt ondermijnd door desinformatie en dat kwaadwillenden zelfs verder kunnen gaan dan onjuist en onzorgvuldig informeren, en zelfs manipuleren? Zo ja, kunt en gaat u handhaven? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de zorgen over de ondermijning van de democratie door desinformatie. De aanpak hiervan is voor mij en het kabinet prioriteit. In het rondetafelgesprek over sociale media en inmenging met de Commissie Digitale Zaken op 4 maart jl. werd er ook op gewezen dat desinformatie ingezet kan worden om LLM’s te beïnvloeden. Naast de onbetrouwbare beantwoording van LLM’s door statistisch te voorspellen wat in de tekst hoort te staan op basis van taalpatronen uit trainingsdata, vormt de desinformatie dus ook een serieus risico voor de betrouwbaarheid van de informatie die AI stemhulpen geven. Bij de aankomende gemeenteraadsverkiezingen laten we met verschillende pilots onderzoeken hoe detectie van buitenlandse desinformatie kan plaatsvinden. Over de uitkomsten van deze pilots wordt uw Kamer na de gemeenteraadsverkiezingen nader geïnformeerd.
Waar het gaat om de inzet van AI wordt gewerkt aan een wettelijk kader voor het toezicht in Nederland op de Europese AI-verordening. Bedrijven die diensten leveren die gebruik maken van LLM’s (zoals chatbots) vallen onder de AI-verordening. Binnen deze verordening gelden AI-systemen die worden ingezet voor het beïnvloeden van «natuurlijke personen bij de uitoefening van hun stemrecht bij de verkiezingen of referenda» als hoog risico. AI-toepassingen die een hoog risico vormen, worden aan strengere regels gebonden. De uitvoeringswetgeving is op dit moment nog in ontwikkeling. Op dit moment wordt gewerkt aan de uitvoeringswet die binnenkort in openbare internetconsultatie zal gaan. Tegelijkertijd hebben ook de aanbieders van de LLM’s zelf een verantwoordelijkheid om bias en vertekening te voorkomen en systeemrisico’s te mitigeren; daarop wordt al toegezien door het Europese AI Bureau.
Omdat de huidige nationale wetgeving nog onvoldoende handvatten biedt om het gebruik van de overige AI-chatbots als stemhulp te reguleren, zet het Ministerie van BZK ook in op een dialoog met de aanbieders van AI-chatbots en op bewustwording bij kiezers. Vanwege het internationale karakter van de aanbieders van AI chatbots betrek ik deze casuïstiek ook bij de gesprekken die ik voer met de Europese Commissie.
Kunt u deze stemhulpen aansprakelijk stellen, laten aanpassen of zonodig beëindigen? Zo ja, bent u bereid dat te doen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 2.
Hoe voorkomt u dat deze aanbieders of anderen hiermee doorgaan?
Zie antwoord op vraag 2.
Op welke wijze raadt u kiezers aan zich te informeren, en hoe waarschuwt de regering burgers voor misleiding en AI-advies waarmee ze knollen voor citroenen aangesmeerd krijgen?
In mijn communicatie inzake de aanstaande gemeenteraadsverkiezing besteed ik aandacht aan de beperkingen van AI-stemhulpen. Ik benadruk hierin dat een stemhulp slechts één van de hulpmiddelen is om informatie over de verkiezing en deelnemende kandidaten te vergaren. Ik adviseer kiezers om daarnaast ook nog andere middelen hiervoor te gebruiken, zoals het volgen van debatten, het lezen van partijprogramma’s en het met anderen in gesprek gaan. Daarnaast adviseer ik politieke partijen als zij fouten aantreffen in een stemhulp om zelf contact op te nemen met de aanbieder van de stemhulp.
Bent u in overleg met lokale overheden om burgers actief te informeren over online stemwijzers die misinformatie verspreiden, over aanpassing van deze sites of zonodig sanctioneren?
In de nieuwsbrief van de Kiesraad zijn gemeenten gevraagd om hun inwoners te informeren over de risico’s van AI-gegeneerde stemhulpen.
Voor wat betreft het aanpassen van deze websites en zo nodig het sanctioneren verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 2.
Wie is in Nederland verantwoordelijk voor opsporing en handhaving in deze? Kunt u inzicht geven welke omvang of de regelgeving voldoende instrumenten geeft om met snelheid te acteren en of er voldoende capaciteit is?
Op dit moment is er in Nederland geen instantie die bevoegd is om tegen AI stemhulpen op te treden wanneer die niet aan de uitgangspunten van betrouwbare, transparante en begrijpelijke informatievoorziening voldoen.
Voor de stand van zaken omtrent het juridisch instrumentarium in deze verwijs ik u naar mijn antwoorden op de vragen 2 en 7.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoorden en in elk geval laten weten op welke wijze handhavend wordt opgetreden?
Ja.
Het bericht ‘Vuurwerkverkopers zien bedrijf wegvallen, maar vergoeding blijft uit: ‘Heb een gezin te onderhouden’' |
|
Lidewij de Vos (FVD) |
|
Vincent Karremans (VVD), Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vuurwerkverkopers zien bedrijf wegvallen, maar vergoeding blijft uit: «Heb een gezin te onderhouden»»?1
Ja.
Wat is de stand van de onderhandelingen met de vuurwerkbranche?
Sinds mei 2025 zijn er verschillende gesprekken gevoerd met de vuurwerkbranche.2 Na de Kabinetswisseling heb ik het dossier opgepakt en heb ik de gesprekken voortgezet, ook met de vuurwerkbranche. Inmiddels zijn de gesprekken afgerond en zijn de uitgangspunten voor de nadeelcompensatieregeling bekend. Een uitgebreide beschrijving van de uitgangspunten van de nadeelcompensatieregeling kunt u vinden in de Kamerbrief (Eerste en Tweede Kamer) over «de Nadeelcompensatieregeling vuurwerkbedrijven» van 8 mei 2026.
Klopt het dat het laatste aanbod van het Rijk aan de vuurwerkbranche een vergoeding is van eenmalig 20 procent van de jaaromzet, plus 15 procent? Zo nee, wat is dan het aanbod dat het Rijk wil doen? Zo ja, bent u ervan op de hoogte dat deze vergoeding door vuurwerkverkopers als (veel) te weinig wordt beschouwd en dat zij tienduizend tot honderdduizenden euro’s aan schade vrezen? Hoe beoordeelt u dit gegeven?
Nee. Voor de vormgeving van de voorgestelde nadeelcompensatieregeling verwijs ik naar de Kamerbrief van 8 mei 2026 daarover die u heden is toegezonden. Het nadeelcompensatierecht is gebaseerd op het égalitébeginsel. Dit beginsel voorziet in een recht op vergoeding van onevenredige schade die een gevolg is van rechtmatig overheidshandelen. Daarvoor is – onder meer – vereist dat de schade zoals de vuurwerkondernemers die lijden, uitstijgt boven hun normaal ondernemersrisico. Hierbij is maximaal gezocht naar een nette en eerlijke regeling zonder daarbij de grens van staatssteun te overschrijden. Binnen deze kaders wordt de nadeelcompensatieregeling uitgewerkt. In de Kamerbrief (Eerste en Tweede Kamer) van 8 mei 2026 is dit nader toegelicht.
Deelt u de mening dat een eenmalige vergoeding geen recht doet aan de gedane investeringen en toekomstig misgelopen winsten van ondernemers? Kunt u uw antwoord toelichten?
Die mening deel ik niet. Met de voorgestelde nadeelcompensatieregeling3 wordt onevenredige schade die uitgaat boven het normaal ondernemersrisico vergoed. Daarin zijn winstderving en overige schadeposten verdisconteerd.
Indien het antwoord op vraag 4 bevestigend luidt, bent u bereid een beter aanbod te doen, bijvoorbeeld een vergoeding gebaseerd op meerdere jaren misgelopen omzet en winst? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn?
Het antwoord op vraag 4 luidt niet bevestigend. Met de voorgestelde nadeelcompensatieregeling4 wordt onevenredige schade die uitgaat boven het normaal ondernemersrisico vergoed. De nadeelcompensatie bestaat hoofdzakelijk uit het vergoeden van winstderving.
Indien het antwoord op vraag 5 ontkennend luidt, bent u bereid de invoering van het vuurwerkverbod te heroverwegen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Naar het oordeel van het kabinet is tegemoetgekomen aan de wens van de Tweede Kamer om te komen tot een nette en eerlijke nadeelcompensatieregeling voor vuurwerkondernemers. De Tweede Kamer heeft nog twee andere voorwaarden gesteld: een uitgewerkt handhavingsplan en een AMVB met de mogelijkheid voor burgemeesters om groepen burgers ontheffing te verlenen om vuurwerk af te steken.
Het is nu aan beide Kamers om te bepalen of daarmee aan de voorwaarden voor inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling is voldaan. Het Kabinet streeft ernaar om het landelijk vuurwerkverbod voor consumenten (de Wet veilige jaarwisseling en het Besluit veilige jaarwisseling) per 1 augustus 2026 in werking te laten treden.
Bent u bekend met het feit dat verenigingen (na toestemming van de burgemeester) nadat het vuurwerkverbod is ingevoerd nog wel vuurwerk mogen afsteken?
Volgens het ontwerp van het Besluit veilige jaarwisseling kunnen verenigingen en stichtingen die ingeschreven staan in het handelsregister een ontheffing aanvragen bij de burgemeester voor het afsteken van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling. Het is aan de burgemeester of en hoeveel ontheffingen verleend worden.
Betekent dit dat de vuurwerkbranche (gedeeltelijk) door kan gaan met het verkopen van vuurwerk? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ja. De ontheffingsmogelijkheid biedt – hoewel in beperkte mate – nog steeds de mogelijkheid om vuurwerk te verkopen, namelijk aan verenigingen en stichtingen die een ontheffing hebben gekregen. Tevens kan de professionele toepasser consumentenvuurwerk blijven gebruiken in een vuurwerkshow. Ook blijft de verkoop van fop- en schertsvuurwerk van categorie F1 toegestaan. Het is de verwachting dat, als gevolg van het landelijk vuurwerkverbod voor consumenten, het aantal verkooppunten zal afnemen. Hoeveel verkooppunten dat zijn, of dit importeurs of detailhandelaren zijn en waar de verkooppunten zich bevinden, wordt aan de markt overgelaten.
Kunt u over de vooruitzichten voor de vuurwerkbranche zo snel mogelijk duidelijkheid verschaffen, aangezien ondernemers vuurwerk voor de komende jaarwisseling al op zeer korte termijn moeten inkopen? Kunt u aangeven op welke termijn zij deze duidelijkheid van u kunnen verwachten? Kunt u uw antwoord toelichten?
In de toelichting bij het aangenomen amendement Michon-Derkzen5 is vermeld dat de Wet veilige jaarwisseling pas in werking kan treden als aan drie voorwaarden is voldaan, te weten (1) een effectief handhavingsplan, (2) een uitgewerkte AMvB en (3) een eerlijke en nette compensatieregeling. Het handhavingsplan is reeds aan uw Kamer toegezonden en uw Kamer heeft op 31 maart jl. de voorhang van het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling (de AMvB) afgerond. Met de toezending van de uitgangspunten van de nadeelcompensatieregeling aan de beide Kamers heeft het Kabinet invulling gegeven aan de derde en laatste voorwaarde.6 Het is nu aan beide Kamers om te bepalen of daarmee aan de voorwaarden voor inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling is voldaan. Het Kabinet streeft ernaar om het landelijk vuurwerkverbod voor consumenten (de Wet veilige jaarwisseling en het Besluit veilige jaarwisseling) per 1 augustus 2026 in werking te laten treden.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja, na afronding van de gesprekken met de vuurwerkbranche zijn de vragen zo snel mogelijk beantwoord en gelijktijdig met de Kamerbrief over de uitgangspunten van de nadeelcompensatieregeling verzonden.
Het bericht ‘Hack bij Odido, gegevens miljoenen klanten in handen van criminelen’ |
|
Sarah El Boujdaini (D66), Jan Schoonis (D66) |
|
Vincent Karremans (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van de NOS over de cyberaanval bij Odido waarbij gegevens van circa 6,2 miljoen accounts zijn buitgemaakt door criminelen?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de omvang en ernst van dit datalek, mede gezien het feit dat ook gevoelige persoonsgegevens, zoals identiteitsdocumentnummers en rekeningnummers, mogelijk zijn gelekt?
De schaal van dit datalek, de hoeveelheid getroffen burgers en de soms gevoelige aard van de gelekte persoonsgegevens maken dit tot een bijzondere situatie. Het maakt duidelijk dat datalekken grote gevolgen kunnen hebben. Zonder iets te willen of kunnen zeggen over de oorzaken van het onderhavige datalek, maakt dit in meer algemene zin duidelijk dat een goede bescherming van persoonsgegevens zoals onder meer vereist in de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) noodzakelijk is en een integraal onderdeel moet zijn van primaire bedrijfsprocessen. De gevraagde beoordeling van dit datalek is uiteindelijk aan de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) en Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (RDI) als onafhankelijke toezichthouders. Daarnaast doet de politie onder leiding van het Landelijk Parket onderzoek naar de aanval en de daders.
In hoeverre heeft deze cyberaanval gevolgen voor de digitale veiligheid en weerbaarheid van Nederland, gezien de maatschappelijke rol van telecomproviders?
De AP heeft laten weten geen informatie te verstrekken over individuele zaken. In zijn algemeenheid houdt de AP bij omvangrijke datalekken onder meer toezicht op de naleving van de meldplicht datalekken en onderzoekt daarbij ook de beveiliging ten tijde van het lek en genomen vervolgstappen. Maar ook andere aspecten die specifiek zijn voor de datalekzaak kunnen door de AP worden onderzocht. Daarbij wordt ook rekening gehouden met signalen uit openbare bronnen en signalen uit klachten die de AP heeft ontvangen.
De AP beschikt over voldoende handhavende bevoegdheden vanuit de AVG om in te grijpen wanneer een (voorgenomen) verwerking van persoonsgegevens niet rechtmatig, behoorlijk en/of transparant plaatsvindt. Bijvoorbeeld door het bevestigen van normen, het geven van waarschuwingen, stilleggen van verwerkingen of het opleggen van boetes.
Hoe beoordeelt u het risico dat de bij Odido gestolen persoonsgegevens in de toekomst alsnog openbaar worden gemaakt, en welke gevolgen kan dit hebben voor de veiligheid en privacy van betrokken burgers?
De bij Odido gestolen persoonsgegevens zijn inmiddels gepubliceerd.2 In algemene zin geldt dat een dergelijke grootschalige publicatie in ieder geval het risico verhoogt op diverse vormen van oplichting en fraude zoals gerichte phishing en social engineering. Onder andere Odido, Veiliginternetten.nl, de politie en de AP communiceren naar aanleiding van het datalek actief waarvoor gestolen gegevens kunnen worden misbruikt en geven tips om gevolgen van het datalek zoveel mogelijk tegen te gaan.3
Heeft Odido het datalek tijdig gemeld bij de Autoriteit Persoonsgegevens en andere relevante instanties, en bent u op de hoogte van eventuele lopende onderzoeken?
De AP heeft laten weten dat Odido het datalek tijdig heeft gemeld bij de AP. Odido geeft aan daarnaast proactief relevante overheidsinstanties, waaronder de RDI, te hebben geïnformeerd. De RDI is op basis van de verkregen informatie mogelijke vervolgstappen aan het onderzoeken. De AP meldt op haar website dat zij aanleiding ziet om tot formeel onderzoek over te gaan.4
Is er volgens uw inschatting sprake van nalatigheid of onvoldoende naleving van de Europese privacy- en beveiligingsverplichtingen, zoals de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG), door Odido?
Het is niet aan het kabinet om dit te beoordelen. Dit is in eerste instantie aan de AP. De taken en bevoegdheden om op te treden tegen overtredingen zijn vastgelegd in de AVG. De AP kan daartoe handhaven, advies verstrekken, samenwerken met andere toezichthoudende autoriteiten en klachten behandelen over een inbreuk op de bescherming van persoonsgegevens. De AP toetst daarnaast of sprake is van strijdigheid met de Europese gegevensbeschermingsregels.
Welke risico’s lopen getroffen klanten en acht u de door Odido genomen maatregelen voldoende om deze risico’s te beperken?
Zie het antwoord op de vraag 4. De vraag of Odido voldoende maatregelen heeft genomen om te voldoen aan de zorgplicht uit de Telecommunicatiewet en de AVG is aan de toezichthouders om te beoordelen.
Welke eisen worden momenteel gesteld aan telecomproviders ten aanzien van cyberbeveiliging en gegevensbescherming en voldoen deze volgens u nog aan de huidige dreigingscontext?
Het toepasselijke normenkader stelt de strikte vereisten die noodzakelijk zijn voor een goede bescherming in een steeds veranderende dreigingscontext. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 valt Odido onder de zorgplicht van de Telecommunicatiewet. Onder de zorgplicht dienen aanbieders passende technische en organisatorische maatregelen te nemen om risico’s voor de beveiliging van hun netwerken of diensten te beheersen. Dit moet zorgen voor een veiligheidsniveau dat is afgestemd op risico's die zich voordoen. De RDI ziet toe op de naleving van de vereisten van deze zorgplicht.
Daarnaast zijn telecomproviders gebonden aan de AVG, waaronder de beginselen van behoorlijke gegevensverwerking. Het beginsel van dataminimalisatie houdt bijvoorbeeld in dat organisaties alleen persoonsgegevens mogen verzamelen en verwerken die strikt noodzakelijk zijn voor een vooraf bepaald, specifiek doel. Op verwerkingsverantwoordelijken rust daarnaast de verplichting om passende technische en organisatorische maatregelen te treffen om persoonsgegevens te beveiligen. Deze beveiligingsmaatregelen dienen een op de risico’s voor de rechten en vrijheden van personen afgestemd beveiligingsniveau te waarborgen en rekening te houden met de stand van de techniek, alsook met de aard, omvang, context en doeleinden van de verwerking. Het waarborgen van passend bewustzijn van de beveiligingsrisico's bij personen die toegang hebben tot de te verwerken gegevens is daarbij van belang. Verwerkingsverantwoordelijken dienen hun beveiligingsmaatregelen doorlopend te evalueren en zo nodig aan te passen aan nieuwe risico’s, waaronder nieuwe cyberdreigingen. Op grond van de AVG fungeert de Functionaris gegevensbescherming (FG) als onafhankelijk adviseur en ziet toe op de naleving van het gegevensbeschermingsrecht waaronder de te nemen maatregelen.
Het Nationaal Cyber Security Centrum staat rond actuele kwetsbaarheden en cyberdreigingen in nauw contact met partners binnen de telecomsector en werkt onder meer samen via het telecomgerichte Information Sharing and Analysis Center (ISAC).
EZK werkt samen met de telecomoperators in het Nationaal Continuïteit Overleg Telecom (NCOT) om gezamenlijk aan de continuïteit van de telecomdienstverlening te werken in het kader van de huidige dreiging.
Ziet u aanleiding om aanvullende eisen of toezichtmaatregelen te treffen richting telecomproviders om grootschalige datalekken te voorkomen?
Op dit moment ziet de Staatssecretaris van Economische Zaken geen aanleiding om aanvullende eisen te stellen richting telecomproviders om grootschalige datalekken te voorkomen. Zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 8 zijn onder de toepasselijke wet- en regelgeving, waaronder de Telecomwet en de AVG, organisaties zelf verantwoordelijk voor het nemen van passende maatregelen om, mede gelet op de huidige dreigingscontext, (grootschalige) datalekken te voorkomen. Het is aan de toezichthouders om daarop toe te zien en in dit verband de nodige toezichtmaatregelen te treffen. Dit is niet aan mij als bewindspersoon.
Welke rol ziet u voor de overheid bij het ondersteunen van bedrijven en burgers bij het beperken van schade na grootschalige datalekken?
De AP ziet als onafhankelijke toezichthouder toe op de naleving van de AVG en kan handhavend optreden wanneer organisaties tekortschieten. Daarnaast heeft de toezichthouder een belangrijke rol in voorlichting. Door het geven van uitleg, richtsnoeren en praktische handvatten ondersteunt de toezichthouder organisaties en burgers bij de toepassing van de AVG en het uitoefenen van hun rechten.
Ook Veiliginternetten.nl geeft adviezen in deze casus. Dit is een publiek-private website om neutrale informatie over digitale veiligheid te verstrekken aan burgers. Het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) deelt via openbare kanalen diverse adviezen en richtlijnen over cybersecurity, zoals beveiligingsadviezen, dreigingsinformatie en maatregelen om digitale incidenten te voorkomen of te beperken. Het Ministerie van EZK verstrekt jaarlijks via Mijn Cyberweerbare Zaak subsidie aan kleinere mkb’ers ter versterking van hun digitale weerbaarheid.
Mensen die vermoeden dat ze slachtoffer zijn geworden van diefstal van hun gegevens kunnen op de site van de politie controleren of hun data in handen is gevallen van criminelen.
Acht u de oproep van Odido aan klanten om «extra alert» te zijn voldoende, of ziet u een verantwoordelijkheid voor aanvullende beschermingsmaatregelen richting getroffen klanten?
Zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 8, stelt het toepasselijke normenkader, in het bijzonder de AVG, de nodige strikte vereisten. De AP ziet toe op de naleving van dat kader.
Bestaan er landelijke richtlijnen of protocollen voor ondersteuning van burgers die slachtoffer zijn van grootschalige datalekken waarbij identiteitsgegevens zijn buitgemaakt? Zo ja, worden deze in dit geval toegepast?
Het handelingskader voor slachtoffers van datalekken wordt vormgegeven door de AVG. De AVG verplicht verwerkingsverantwoordelijke organisaties om betrokkenen te informeren over een «hoog risico» datalek. De wijze waarop betrokkenen in lijn met de AVG dienen te worden geïnformeerd, wordt uitgewerkt in richtsnoeren van het Europees Comité voor gegevensbescherming (EDPB). Het is aan de AP om daarop toe te zien. Tevens heeft de AP op grond van de AVG de eigen wettelijke taak om voorlichting te geven aan burgers over hun rechten en handelingsmogelijkheden uit hoofde van de AVG bij datalekken. De website van de AP biedt een overzicht van mogelijkheden voor betrokkenen bij een datalek.
Daarnaast zal het kabinet met een reactie komen in lijn met de gedane toezegging door de Staatssecretaris van Digitale Economie en Soevereiniteit en de aangenomen motie van het lid Rajkowski die opriep voor een duidelijk handelingskader voor slachtoffers van datalekken en de gedane toezegging5.
Op welke wijze houdt de Autoriteit Persoonsgegevens toezicht op de opvolging van dit incident, en beschikt de toezichthouder volgens u over voldoende bevoegdheden en capaciteit om effectief toezicht te houden bij grootschalige datalekken?
Welke lessen trekt u uit dit incident voor het beleid richting de markt op het gebied van de weerbaarheid van organisaties die grote hoeveelheden persoonsgegevens verwerken?
Zie het antwoord op vraag 2.
Het bericht ‘Asielzoekers en Oekraïners uitgebuit bij Ibis Hotel, meer misstanden in de branche’. |
|
Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Asielzoekers en Oekraïners uitgebuit bij Ibis Hotel, meer misstanden in de branche»?1
Ja.
Kunt u zich vinden in de lezing van deskundigen dat hier sprake is van mensenhandel en uitbuiting?
Het onderzoek van de Arbeidsinspectie loopt nog. Over de inhoud en voortgang van lopende onderzoeken kan de Arbeidsinspectie geen uitspraken doen.
Vindt u het ook Nederland onwaardig dat asielzoekers en Oekraïners op deze manier worden uitgebuit zonder geldige werkpapieren en tegen zeer lage vergoedingen?
Misstanden en uitbuiting van asielzoekers en mensen die zijn gevlucht uit Oekraïne, zijn onacceptabel.
Iedereen die in Nederland werkt heeft recht op eerlijk, gezond en veilig werk. Zij moeten – conform wet- en regelgeving en cao’s – tegen goede arbeidsvoorwaarden en onder goede arbeidsomstandigheden kunnen werken.
Het is in eerste instantie de verantwoordelijkheid van werkgevers om werknemers onder goede arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden te laten werken.
Heeft u zicht op hoe wijdverspreid de problemen met illegale tewerkstelling en onderbetaling zijn in de schoonmaaksector en of dit ook in andere sectoren is gesignaleerd? Zo niet, bent u bereid dit uit te zoeken?
In de technische verkenning naar een sectoraal in- en uitleenverbod en verplicht percentage indiensttreding is geconstateerd dat er in onderdelen van de schoonmaak-, transport-, en teeltsector verhoogde arbeidsrisico’s zijn. Ook is er op sommige plekken in deze sectoren een hoog percentage overtredingen geconstateerd. Op dit moment wordt nader onderzoek gedaan naar deze sectoren. Dit betreft de arbeidsrisico’s en de overtredingen en misstanden, en waar deze zich voordoen in de sector.
In de vleessector zijn de grootste risico’s geconstateerd. De analyse in de genoemde verkenning laat zien dat dit zich vertaalt in een relatief hoog aantal overtredingen van arbeidswetten in de gehele sector.
Hoe gaat u erop toezien dat deze schoonmakers alsnog de betaling krijgen waar zij recht op hebben?
De Arbeidsinspectie houdt toezicht op naleving van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml). Als er indicaties zijn dat werknemers niet het wettelijk minimumuurloon krijgen, dan wordt hierop gecontroleerd ongeacht de verblijfsstatus van de werknemers. Indien er onderbetaling wordt vastgesteld door de inspecteur, dan wordt er een nabetalingsbrief gestuurd aan de werkgever. De werkgever krijgt vier weken de tijd om een nabetaling te doen. Er kan een last onder dwangsom worden opgelegd als er niet is nabetaald. De werknemer ontvangt een brief, waarin wordt aangegeven dat onderbetaling is geconstateerd. Deze werknemersbrief is in verschillende talen beschikbaar. Omdat de Arbeidsinspectie alleen controleert op het bruto minimumuurloon, wordt in deze brief naar het Juridisch Loket verwezen voor het eventuele problemen met het ontvangen cao-loon.
De Arbeidsinspectie heeft geen bevoegdheid om loon te vorderen namens de werknemer, ongeacht of het een vreemdeling is die illegaal is tewerkgesteld. Op grond van artikel 23 van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) kan de illegaal tewerkgestelde vreemdeling door middel van een rechtsvermoeden zelf een loonvordering instellen tegen zijn werkgever. Dit betreft enkel een civielrechtelijke mogelijkheid. De Arbeidsinspectie informeert de werknemer over diens rechten en plichten door tijdens controles een visitekaartje uit te delen van de website workinnl.nl. Daarnaast worden de overtredingen van de Wav met bedrijfsnamen openbaar gemaakt via de website «inspectieresultaten» van de Arbeidsinspectie. Daarmee is ook voor een (voormalig) werknemer zichtbaar dat de werkgever is beboet en kan deze gedupeerde en/of diens gemachtigde een civielrechtelijke procedure starten.
Bent u het eens dat deze situatie kon ontstaan doordat constructies met schimmige tussenpersonen op onze arbeidsmarkt worden toegestaan? Zo niet, waarom niet?
Het staat partijen vrij om arbeidskrachten in te huren zolang de wet daarbij wordt nageleefd. Bij het ontstaan van lange doorleenketens wordt onduidelijk wie de werkgever is van de werknemer. Om naleving te bevorderen is er een fiscale ketenaansprakelijkheid en een civiele ketenaansprakelijkheid voor betaling van het juiste loon. Dit betekent dat naast de werkgever ook de directe opdrachtgever aangesproken kan worden op het voldoen van volgens de wet en cao verschuldigde loon. Dit is met de invoering van de Wet aanpak schijnconstructies per 1 juli 2015 geregeld. Als een werknemer de directe opdrachtgever niet kan aanspreken, dan kan de werknemer naar alle volgende schakels in de keten gaan. Dit is erop gericht om onderbetaling en (ander) misbruik van ketenconstructies tegen te gaan.
Daarnaast geldt de Wet terbeschikkingstelling arbeidskrachten (Wtta) ook bij doorleenketens. De Wtta zorgt ervoor dat uitleners alleen nog werknemers mogen uitlenen als ze worden toegelaten op de uitleenmarkt. Ook mogen ondernemingen die werknemers inlenen alleen nog samenwerken met uitleners die zijn toegelaten tot de uitleenmarkt. Hierdoor kunnen de verschillende schakels in de keten worden aangesproken op naleving van wet- en regelgeving.
Hoe weegt u het feit dat de inhurende hotelketen wijst naar het Duitse schoonmaakbedrijf, en ook zij weer wijzen naar een volgend ingehuurd bedrijf?
Het is onwenselijk als partijen naar elkaar wijzen en niemand verantwoordelijkheid neemt voor het juist naleven van wet- en regelgeving. Zoals beschreven in het antwoord op vraag 6 is er in verschillende wetten een ketenaansprakelijkheid opgenomen waardoor ook inhurende partijen aangesproken kunnen worden.
Bent u het eens dat zolang het bedrijf waar de werkzaamheden uiteindelijk plaatsvinden – en waar de werknemers mee te maken krijgen – niet hoofdverantwoordelijk wordt gehouden voor uitbuiting er steeds met vingers gewezen zal worden? Zo nee, waarom niet?
In de eerste plaats is de werkgever met wie de arbeidskracht het dienstverband is overeengekomen verantwoordelijk. Indien nodig biedt de wet, zie het antwoord bij vraag 6 en 7, de mogelijkheid om ook de hoofdopdrachtgever aan te spreken voor betaling van het juiste loon.
Het vereiste van het hebben van een tewerkstellingsvergunning ligt bij de werkgever op grond van de Wet arbeid vreemdelingen. Iedere werkgever in de keten is verantwoordelijk voor de naleving van de Wet arbeid vreemdelingen. Onder het begrip «werkgever» in de zin van de Wet arbeid vreemdeling valt o.a. degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten. De inlener wordt dus ook als werkgever gezien.
Voor Oekraïense burgers die in Nederland onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming vallen, geldt dat zij in Nederland arbeid in loondienst mogen verrichten zonder tewerkstellingsvergunning. De werkgever moet hen wel melden bij het UWV2. Voor mensen in de asielprocedure geldt dat zij mogen werken indien hun werkgever een tewerkstellingsvergunning heeft gekregen van het UWV3.
Daarnaast wordt er met het wetsvoorstel modernisering en uitbreiding strafbaarstelling mensenhandel4 de strafrechtelijke aansprakelijkheid van arbeidsuitbuiting verruimd. In de beoogde nieuwe wetgeving richt de strafbaarstelling zich ook tot inleenconstructies. Wanneer een persoon of bedrijf via een uitzendbureau arbeidsmigranten tewerkstelt en weet of hele duidelijke signalen krijgt dat de betreffende persoon door het uitzendbureau ernstig wordt benadeeld of wordt uitgebuit, dan kan de inlener strafrechtelijk aansprakelijk worden gesteld.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de verantwoordelijkheid voor correcte tewerkstelling en fatsoenlijke betaling meer bij de inhuren bedrijven komt te liggen?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u het eens dat gezien deze uitbuiting waar uitzendbureaus een grote rol in speelden, en gezien de eerdere signalen vanuit de arbeidsinspectie over de schoonmaaksector2, het passend zou zijn om in deze sector een verbod op uitzendbureaus in te stellen? Of bent u op zijn minst bereid dit te onderzoeken? Zo nee, waarom niet?
Zoals beantwoord bij vraag 4 wordt op dit moment nader onderzoek gedaan naar de schoonmaaksector. Ook ben ik in gesprek met de sector over wat de partijen zelf kunnen doen. Op basis van de uitkomsten van het onderzoek en de opbrengsten van deze gesprekken ga ik mij beraden op de verdere te nemen stappen.
In de vleessector zijn de grootste risico’s geconstateerd. Door het vorige kabinet is daarom besloten een in- en uitleenverbod voor te bereiden als stok achter de deur voor de vleessector. De standaarden om te bepalen of een in- en uitleenverbod nodig is, gelden voor alle sectoren. Op dit moment wordt de impact en effectiviteit van een verbod verder ondergezocht. Dit kabinet zal vervolgens besluiten of verdere stappen, bijvoorbeeld het daadwerkelijk invoeren van een verbod, gepast en evenredig is. Ook zullen we bezien of in alle sectoren met verhoogde arbeidsrisico’s voldoende voortgang is geboekt.
Hoe ziet u een verbod op onderaanneming in de schoonmaaksector? Wat zijn hier de mogelijkheden voor?
Zie antwoord vraag 10.
Het bericht dat door extreme regenval in Marokko en Spanje de aanvoer van groente en fruit naar Nederland afneemt |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Femke Wiersma (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat door extreme regenval in Marokko en Spanje de aanvoer van groente en fruit naar Nederland afneemt?1
Ja.
Deelt u de constatering dat deze situatie zichtbaar maakt hoe afhankelijk Nederland voor een deel van zijn voedselvoorziening is van productie in het buitenland?
Voedselvoorziening is een systeemvraagstuk. Een samenhangend netwerk van import, productie, verwerking, verhandeling en logistiek. Ik deel de constatering dat de Nederlandse voedselvoorziening voor een deel is gebaseerd op invoer van voedsel uit het buitenland. Dit draagt bij aan een grote zekerheid van een divers, voedzaam en betaalbaar voedselaanbod in Nederland en daarmee aan een grote mate van voedselzekerheid.
Hoe beoordeelt u de risico’s voor de Nederlandse voedselzekerheid wanneer beschikbaarheid van voedselproducten direct wordt beïnvloed door weersomstandigheden in andere landen?
De invoer van voedsel uit het buitenland maakt het Nederlandse voedselsysteem minder kwetsbaar voor structurele verstoringen en draagt bij aan een divers en betaalbaar voedselaanbod. De Europese interne markt is daarbij van groot belang voor zowel de beschikbaarheid van voedsel uit andere EU-lidstaten als de afzet van Nederlandse producten, en draagt daarmee bij aan de robuustheid van het Europees voedselsysteem. Hetzelfde geldt voor invoer uit en afzet in derde landen.
Als Nederland de voedselvoorziening voornamelijk zou baseren op binnenlandse productie, zou het aanbod niet alleen minder divers zijn maar ook duurder uitvallen, omdat sommige producten hier niet, beperkt of alleen tegen hogere kosten dan elders kunnen worden geproduceerd. Bovendien zou de voedselzekerheid kunnen afnemen, doordat ook in Nederland buitengewone weersomstandigheden kunnen leiden tot tegenvallende of mislukte oogsten.
De gevolgen voor de Nederlandse voedselzekerheid van buitengewone weersomstandigheden in specifieke productielanden, zoals Spanje of Marokko, blijven doorgaans beperkt doordat er alternatieven beschikbaar zijn, zoals: Nederlandse seizoensproducten, verwerkte voedselproducten (o.a. ingevroren, ingeblikte of gedroogde groenten en fruit) en import uit andere landen.
Heeft u inzicht in de mate waarin Nederland voor de dagelijkse voedselvoorziening nu al afhankelijk is van specifieke buitenlandse regio’s? Zo ja, kan u dit overzicht met de Kamer delen?
Zoals eerder aan uw Kamer toegezonden, bevat het rapport: De Nederlandse agrarische sector in internationaal verband – editie 2025, in hoofdstuk 8 («Afhankelijkheden in de Nederlandse landbouwimport»), gedetailleerde informatie over de afhankelijkheid van voedselproducten uit verschillende regio’s buiten Europa.2
In hoeverre wordt in het huidige landbouw- en voedselbeleid expliciet rekening gehouden met het verkleinen van deze afhankelijkheid?
Het betrekken van voedsel uit meer bronnen dan alleen binnenlandse productie draagt bij aan een hoge mate van zekerheid en een gevarieerd, voedzaam en betaalbaar voedselaanbod. Eventuele leveringsonderbrekingen uit binnen- of buitenland kunnen in de regel worden opgevangen door productsubstitutie of diversificatie van importstromen om kwetsbaarheden te laten afnemen. Tegelijkertijd blijft het van belang om de Nederlandse voedselvoorziening voor de lange termijn weerbaar te maken tegen uiteenlopende risico's, waaronder klimaat- en geopolitieke risico's. Dit ziet niet alleen op voedselproductie zelf, maar ook op de beschikbaarheid van essentiële grondstoffen en productiemiddelen voor de landbouw, zoals kunstmest, energie, veevoergrondstoffen en (onderdelen van) landbouwmachines. Mijn departement zet zich daarom in voor de waarborging van de beschikbaarheid van deze cruciale voedsel- en productiemiddelen.
Deelt u de opvatting dat een sterke en toekomstbestendige Nederlandse landbouwsector een belangrijke randvoorwaarde is voor de voedselzekerheid van ons land?
De voedselzekerheid van Nederland leunt in belangrijke mate op een robuust, duurzaam en toekomstbestendig agrocomplex. Dat betekent niet dat we volledig zelfvoorzienend moeten zijn. Het is daarbij van belang te benadrukken dat de kracht van het Nederlandse agrocomplex ook deels is gebaseerd op de import van voedsel van binnen en buiten de EU en onmisbare productiemiddelen, die een belangrijke randvoorwaarde vormen voor een hoge mate van voedselzekerheid. Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 3 en 5 zou zonder import het voedselaanbod in Nederland minder zeker, minder divers en bovendien duurder zijn. Ik sta voor een sterke, toekomstbestendige en duurzame landbouwsector, functionerend binnen goed functionerende internationale voedselketens.
Hoe weegt u het belang van het behouden en versterken van binnenlandse voedselproductie mee bij beleidskeuzes die effect hebben op de omvang en mogelijkheden van de Nederlandse landbouwsector?
Zoals aangegeven in de beantwoording van de vragen 3, 5 en 6 produceert Nederland niet al het voedsel zelf dat in ons land wordt geconsumeerd. De binnenlandse landbouwproductie is mede afhankelijk van de invoer van productiemiddelen. Tegelijkertijd wordt in Nederland een aanzienlijke hoeveelheid voedsel geproduceerd, bewerkt en verwerkt voor de export, wat bijdraagt aan het verdienvermogen. Dit betreft onder meer de productie van dierlijke producten zoals zuivel, vlees en eieren, naast plantaardige producten zoals aardappelen, uien en diverse groenten uit de tuin- en akkerbouw waarin Nederland een belangrijke positie heeft opgebouwd. Daarnaast speelt de voedselverwerkende industrie een belangrijke rol in de verwaarding van landbouwproducten, bijvoorbeeld door melk te verwerken tot kaas of cacaobonen tot chocolade. Deze vorm van waardecreatie borgt de internationale exportpositie van Nederland.
Het versterken van de binnenlandse voedselproductie betekent in deze context dat een deel van de huidige landbouwactiviteiten vervangen zou moeten worden door de productie van voedsel dat nu in Nederland in onvoldoende mate wordt geproduceerd. Gezien de Europese interne markt acht ik dat niet noodzakelijk en kan dit bovendien leiden tot een minder optimale uitkomst wat betreft een voldoende, divers en betaalbaar voedselaanbod. Voor de voedselzekerheid in Nederland is het daarom niet vereist dat de omvang of samenstelling van de land- en tuinbouw per se ongewijzigd blijft. Daarbij geldt ook dat beslissingen over wat en hoeveel er wordt geproduceerd, primair bij de agrarische ondernemers liggen, binnen de kaders van een verantwoorde omgang met natuur, milieu en leefomgeving.
Welke concrete maatregelen neemt u om de eigen productiecapaciteit van voedsel in Nederland te beschermen en waar mogelijk te versterken, juist met het oog op toenemende internationale onzekerheden en klimaatrisico’s?
Het versterken van de weerbaarheid van de voedselvoorzieningsketen is van groot belang en heeft de volle aandacht van het kabinet. Voedselvoorziening maakt onderdeel uit van de rijksbrede aanpak voor weerbaarheid tegen militaire en hybride dreigingen. Zo wordt voedselvoorziening opgenomen in de nationale vitale infrastructuur. Tegelijkertijd brengt de overheid strategische afhankelijkheden in kaart en neemt zij waar nodig gerichte mitigerende maatregelen. Op Europees niveau draagt het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid bij aan het versterken van de voedselzekerheid door een stabiele en duurzame landbouwproductie binnen de Europese Unie te waarborgen.
Bent u bereid om voedselzekerheid expliciet als zwaarwegend criterium mee te nemen bij toekomstige besluiten die gevolgen hebben voor de Nederlandse landbouwproductie?
Voedselzekerheid is een primair beleidsdoel van de overheid. Daarom is het van belang om voldoende productie van belangrijke voedselproducten in Nederland te handhaven op een duurzame wijze. Daarnaast is het van belang om maatregelen te nemen om de invoer van voedselproducten van elders te waarborgen, om zo veel mogelijk comparatieve voordelen te benutten. Het Europees Gemeenschappelijk Landbouwbeleid, en open en diverse handelsstromen vormt daarvoor de basis.
Deelt u de opvatting dat een landbouwsector die op voldoende schaal en met voldoende productievolume opereert, economisch weerbaarder en minder kwetsbaar is voor verstoringen dan een sector die slechts op minimale schaal produceert voor uitsluitend de binnenlandse markt?
De kracht en kwetsbaarheid van land- en tuinbouwbedrijven en deelsectoren worden niet alleen bepaald door schaalgrootte en productievolume. Hoewel schaal en volume kunnen bijdragen aan efficiëntie en concurrentiekracht, brengen ze onder bepaalde omstandigheden ook risico’s met zich mee, zoals zichtbaar werd tijdens de vraaguitval in de COVID-19-pandemie en bij extreme weersomstandigheden. Daarom is het van belang dat, naast het nastreven van schaalvergroting en doelmatigheid, ook wordt ingezet op diversificatie van zowel productie als handelsstromen en op het versterken van de weerbaarheid van de landbouwsector en de gehele voedselvoorzieningsketen. Handelsverdragen kunnen hierin een aanvullende rol spelen.
Deelt u de opvatting dat export van Nederlandse landbouwproducten een logisch onderdeel is van een goed functionerende mondiale economie, waarbij Nederland landbouwproducten exporteert en andere landen bijvoorbeeld techniek, auto’s of grondstoffen exporteren die Nederland importeert?
Net zoals Nederland profiteert van de invoer van voedselproducten waarin andere landen comparatieve voordelen hebben, kan de voedselzekerheid in andere landen worden versterkt door de invoer van landbouwproducten waarin Nederland zelf comparatieve voordelen heeft. Afhankelijkheden werken immers twee kanten op. Naast landbouwproducten produceert Nederland bovendien veel andere goederen die in het buitenland gewild en gevraagd zijn. Export en import, van producten en diensten uit andere economische sectoren dan de landbouw dragen eveneens bij aan de welvaart, en daarmee ook de voedselzekerheid, in Nederland.
Deelt u de mening dat juist deze exportpositie bijdraagt aan de economische kracht, innovatie en continuïteit van de Nederlandse landbouwsector en daarmee indirect ook aan de voedselzekerheid van Nederland zelf?
Ja. Zie ook het antwoord op de vorige vraag.
Bent u bekend met het onderzoek van de Justitiecommissie van het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden, waarin Nederlandse en Europese organisaties onder vuur worden genomen vanwege hun rol bij de handhaving van de Digital Services Act (DSA)?1
Ja.
Bent u eveneens bekend met de reactie van Bits of Freedom en Justice for Prosperity? Wat is hierop uw reactie?2
Ja. Het kabinet onderschrijft het belang van de handhaving van Europese digitale wetgeving. Toezichthouders en NGO’s spelen een belangrijke rol hierin en het kabinet zet zich ervoor in dat zij hun wettelijke en maatschappelijke taken zonder belemmering kunnen uitvoeren.
Hoe reageert u op de aantijgingen die in het rapport worden gemaakt, waaronder richting de Autoriteit Consument & Markt (ACM) en NGO’s als Bits of Freedom en Justice for Prosperity?3
Het kabinet herkent zich niet in de uitspraken die worden gedaan in het rapport.
Kunt u bevestigen dat de ACM simpelweg haar wettelijke taak uitvoert door de DSA te handhaven? Deelt u de zienswijze van de indieners dat dit op geen enkele manier onder druk mag worden gezet door andere overheden?
Dat kan het kabinet bevestigen en die zienswijze deelt het kabinet.
Kunt u bevestigen dat Bits of Freedom en Justice for Prosperity hun maatschappelijke taak vervullen door betrokken te zijn bij de handhaving van de DSA? Deelt u de zienswijze van de indieners dat dit op geen enkele manier onder druk mag worden gezet door andere overheden?
Dat kan het kabinet bevestigen en die zienswijze deelt het kabinet. De effectiviteit van de DSA wordt niet alleen bepaald door handhaving door toezichthouders, maar ook door bijdragen van maatschappelijke organisaties, onderzoekers, gebruikers van platforms en onafhankelijke geschilbeslechtingsorganen, die allemaal rechten ontlenen aan de DSA.
Welke status heeft dit rapport? Heeft u reden om te geloven dat hieruit sancties of maatregelen richting EU-lidstaten kunnen of zullen volgen?
Dit document is een staff report van de Republikeinse meerderheid van het Judiciary Committee in het Huis van Afgevaardigden van de VS. Met dit rapport op zichzelf kunnen geen sancties of maatregelen jegens EU-lidstaten worden ingesteld.
Wat vindt u van de beschuldiging dat Nederlandse toezichthouders en NGO’s onder druk worden gezet omdat zij hun wettelijke en maatschappelijke taken uitvoeren? Heeft u hierover contact gehad met Amerikaanse vertegenwoordigers? Zo niet, kunt u dit alsnog doen?
Het kabinet vindt het niet passend dat Nederlandse toezichthouders en NGO’s onderwerp zijn van kritiek omdat zij hun wettelijke en maatschappelijke taken uitvoeren. Het betreft wetgeving die democratisch tot stand is gekomen. Het is onjuist om natuurlijke personen of organisaties daarop aan te spreken. Toezichthouders en NGO’s spelen een belangrijke rol in het Nederlandse bestel en het kabinet zet zich ervoor in dat zij hun wettelijke en maatschappelijke taken zonder belemmering kunnen uitvoeren.
Er is via verschillende kanalen regulier contact met Amerikaanse vertegenwoordigers. In die contacten heeft het kabinet ook haar zienswijze over deze casus uitgedragen. Zoals dat wanneer er een dispuut over beleid of regelgeving is, de discussie daarover via politici en beleidsmakers gevoerd moet worden.
In algemene zin blijft het kabinet zich inspannen voor de trans-Atlantische band. Tegelijkertijd benutten we diplomatieke kanalen om de VS aan te spreken wanneer hun acties onze waarden en belangen ondermijnen, altijd met oog voor de relatie en het behoud van kritieke veiligheidsbelangen.
Bent u op de hoogte van berichtgeving waaruit blijkt dat de Amerikaanse overheid VS-diplomaten in Europa heeft geïnstrueerd om de DSA te traineren en frustreren?4 Hoe kijkt u naar deze werkwijze van de Verenigde Staten?
Ja. Zie ook het antwoord op vraag 9.
Is de Amerikaanse ambassade in Nederland ook actief bezig met verzet tegen de handhaving van de DSA? Kunt u dit bevestigen, en toezeggen dat u contact met de ambassade opneemt om op te komen voor de vrijheid van onze toezichthouders en NGO’s?
Het staat de Amerikaanse regering vrij een positie te hebben op de DSA en deze uit te dragen.
Het kabinet is in gesprek met vertegenwoordigers van de Amerikaanse regering over de DSA. De precieze inhoud van deze gesprekken is vertrouwelijk, maar in algemene zin spant het kabinet zich ervoor in dat toezichthouders en NGO’s hun wettelijke en maatschappelijke taak zonder belemmering kunnen vervullen. Hiermee geeft het kabinet uitvoering aan het regeerakkoord waarin staat dat diplomatieke kanalen worden benut om de VS aan te spreken wanneer hun acties onze waarden en belangen ondermijnen, altijd met oog voor de relatie en het behoud van kritieke veiligheidsbelangen.
Veroordeelt u de handelwijze van de Amerikaanse justitiecommissie, nu Nederlandse organisaties onder schot staan voor het uitvoeren van hun wettelijke en maatschappelijke taken?
Het kabinet deelt de inhoud van het rapport niet. Zie verder het antwoord op vraag 7.
Bent u bereid maatregelen te nemen om de ACM, Bits of Freedom en Justice for Prosperity te beschermen tegen mogelijke Amerikaanse maatregelen naar aanleiding van het rapport van de justitiecommissie?
De inzet van het kabinet is erop gericht dat toezichthouders en NGO’s hun wettelijke en maatschappelijke taak zonder belemmering kunnen uitvoeren. Maatschappelijke organisaties hebben daarbij het recht op vereniging en vrijheid van meningsuiting. Mogelijke maatregelen naar aanleiding van het rapport tegen deze organisaties zal het kabinet volgen en het kabinet zal daarbij opkomen voor hun belangen.
Zegt u toe om deze Nederlandse organisaties bij te staan als tegen hen een inreisverbod wordt ingevoerd? Op welke manier kunt u hen hulp aanbieden?
Zie de beantwoording van vraag 11. Het kabinet volgt de ontwikkelingen en zal indien nodig opkomen voor de belangen van deze organisaties. Van inreisverboden is op dit moment echter geen sprake.
Hoe reageert u, in het licht van het rapport uit het Huis van Afgevaardigden, op het feit dat de Verenigde Staten eerder toegang tot het land hebben geweigerd voor Eurocommissaris Thierry Breton en vier vertegenwoordigers van NGO’s?
Zoals reeds aangegeven in de beantwoording van de Kamervragen van de leden Kathmann, van der Lee en Dassen over de aangekondigde tegenreactie van de Verenigde Staten gericht op Europese techbedrijven, heeft het kabinet net als de Europese Commissie en diverse andere EU-lidstaten zijn zorgen uitgesproken over deze visa-restricties en deze veroordeeld.
Veroordeelt u, net als de Europese Commissie, de handelwijze van de Verenigde Staten nu zij pleitbezorgers van techregulering bestraffen?
Zie het antwoord op vraag 13.
Deelt u de zorgen van de indiener dat de vijandige houding van de Verenigde Staten richting de EU en haar lidstaten kan leiden tot aarzeling bij het versterken en handhaven van Europese techregulering, zoals scherpere maatregelen tegen manipulatieve algoritmen en een digitaledienstenbelasting?
Het kabinet steunt de Europese Commissie en andere toezichthouders in het onverkort en niet-discriminatoir handhaven van de DSA, ongeacht waar de bedrijven vandaan komen. Op dit moment lopen diverse onderzoeken en procedures naar bedrijven, waardoor het kabinet op dit moment geen zorgen heeft dat de houding van de VS leidt tot terughoudendheid of aarzeling bij handhaving.
Bent u het met de indiener eens dat Europa juist ondubbelzinnig en eensgezind moet blijven pleiten voor het strenger handhaven van wet- en regelgeving die de macht van Big Tech beteugelen, zoals gevraagd in de motie-Kathmann [Kamerstuk 30 821-264]?
Het kabinet steunt de Europese Commissie in het handhaven van de Europese digitale wetgeving en onderstreept het belang bij het als EU eensgezind op te treden in het geval van druk of tegenmaatregelen.
Ziet u in de vijandige houding van de Verenigde Staten richting de EU aanleiding om versneld te verkennen hoe Nederland haar afhankelijkheid van Amerikaanse techdiensten kan afbouwen, zowel in de ICT-dienstverlening als bij de communicatieplatforms?
De VS zijn de wereldmacht met wie wij de meeste belangen delen. We blijven ons daarom inspannen voor goede trans-Atlantische relaties. Tegelijkertijd is het kabinet zich bewust van potentiële risico’s van afhankelijkheden. In het regeerakkoord wordt dan ook stevig ingezet op het versterken van onze digitale autonomie. Hiertoe zet het kabinet onder andere in op het versterken van de Europese digitale sector, met stimulerende, beschermende en partner maatregelen (promote, protect, partner).
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en zo snel mogelijk beantwoorden?
Ja.
De Kamerbrief Toekomst exportkredietverzekering |
|
Inge van Dijk (CDA), Maes van Lanschot (CDA) |
|
Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Loopt de aanbesteding van de exportkredietverzekeringen (EKV) nog conform planning, te weten een selectie van drie partijen in de periode januari/maart en een gunningsfase t/m september?
Ja, de verwachting is dat de aanbesteding conform planning nog dit jaar afgerond wordt. In september 2025 is een markt- en stakeholderconsultatie doorlopen, waarin belangrijke stakeholders bij de ekv-uitvoering (zoals ekv-gebruikers, ngo’s en belangenorganisaties, zoals VNO-NCW/MKB-Nederland) zijn geconsulteerd over de concept-aanbestedingsstukken. In januari van dit jaar is vervolgens de aanbesteding formeel begonnen.2
De selectiefase is recentelijk afgesloten. In deze fase hebben zich partijen gemeld om deel te nemen aan het gunningsproces. Na beoordeling van hun stukken, zijn de geselecteerde partijen uitgenodigd om deel te nemen aan de gunningsfase. De voorlopige gunning aan één partij wordt verwacht in de zomer van 2026.3 De aanbesteding bevindt zich daarmee in een vergevorderd stadium. Na afloop van de bezwaartermijn4 kan de definitieve gunning nog dit jaar plaatsvinden. Daarmee is de aanbesteding afgerond.
Kunt u een indicatie geven van de looptijd van het contract (in jaartallen vanaf 2029) dat met deze aanbesteding wordt gegund?
Ik zal de uitvoering voor een initiële periode van 7 jaar aanbesteden.5 Deze periode begint te lopen vanaf de ondertekening van een overeenkomst met een winnende partij, waarbij het streven is om dat eind van dit jaar te doen. Vanaf de start van deze overeenkomst kan deze jaarlijks met 1 jaar worden verlengd, tot maximaal 25 jaar. Dit biedt flexibiliteit voor de Staat om in de toekomst eventueel een andere uitvoeringsoptie te kiezen, terwijl de contracthorizon lang genoeg is om het Nederlandse bedrijfsleven en de ekv-uitvoerder zekerheid te bieden.
Het bovenstaande betekent concreet: de beoogde ingangsdatum van de overeenkomst is eind 2026. Dit betekent dat de initiële periode van 7 jaar eind 2033 afloopt, indien er geen tussentijdse verlenging plaatsvindt.
Erkent u de kansen die door Invest-NL en Invest International worden geschetst in hun position paper2 om het instrument EKV onderdeel te laten zijn van de op te richten Nationale Investerings Instelling (NII)?
In enkele Europese landen is het ekv-instrument met financieringsinstrumenten in een instelling gecombineerd. Dit kan voordelen bieden voor een integrale financieringsaanpak, maar deze voordelen kunnen ook bereikt worden door een goede samenwerking. Dit is reeds het geval in Nederland (zie vraag 4). De ekv-uitvoering wordt momenteel aanbesteed aangezien de huidige uitvoering onrechtmatig is. De aanbesteding is in een vergevorderd stadium. De voorbereiding van een eventuele toevoeging van de ekv aan de nog op te richten nationale investeringsinstelling is een complex en een meerjarig traject en lost de onrechtmatigheid van de ekv-uitvoering op korte termijn niet op. De genoemde contracttermijn (zie vraag 2) biedt voldoende tijd om in de toekomst eventueel een andere uitvoeringsoptie te bezien, terwijl de contracthorizon lang genoeg is om het Nederlandse bedrijfsleven en een ekv-uitvoerder zekerheid te bieden. Na afloop van het contract is voorzien in een exit plan in geval van een nieuwe uitvoerder, zoals een staatsdeelneming in de vorm van de NII. In het huidige contract met de ekv-uitvoerder bestaat een dergelijk exit plan niet.
Zo niet, hoe reflecteert u op het feit dat de EKV een integraal onderdeel is van vergelijkbare nationale publieke financieringsinstellingen, waaronder Bpifrance Frankrijk en EIFO in Denemarken?
Er zijn raakvlakken tussen de benodigde dienstverlening voor de ekv en de taken die momenteel worden uitgevoerd door Invest International. De twee partijen werken dan ook al nauw samen, bijvoorbeeld wanneer financiering door Invest International gecombineerd wordt met een ekv-dekking. Daarnaast worden klanten snel en adequaat doorverwezen naar de juiste organisatie. Hierdoor ontstaat voor ekv-gebruikers een Whole-of-Government / 1 loket ervaring, waarop de Nederlandse ekv reeds hoog scoort, vergelijkbaar met Bpifrance in Frankrijk en EIFO in Denemarken.7 De TeamNL-benadering, oftewel de gezamenlijke inzet van de Nederlandse overheid en private partners om export te stimuleren, is gericht op het versterken van de internationale concurrentiepositie van het Nederlandse bedrijfsleven. De aanpak is gericht op het wegnemen van financiële en andere handelsbelemmeringen en een optimale informatievoorziening over kansen voor Nederlandse exporteurs. Deze samenwerking en de verdere intensivering hiervan, vinden wij belangrijk en de rol van de ekv uitvoerder hierin als pro-actieve partner is als eis opgenomen in de aanbestedingsstukken.
Wat is het eerstvolgende moment waarop, wanneer de EKV gegund wordt conform lopende aanbesteding, de EKV onderdeel zou kunnen worden van de NII?
Het is op dit moment niet voorzien dat de ekv onderdeel wordt van de NII. Contractueel gezien zou dit op zijn vroegst eind 2033, conform de lopende aanbesteding, mogelijk zijn. Zie ook de termijn in antwoord op vraag 2.
Welke opties zijn er om binnen de lopende aanbesteding de EKV onder te brengen bij de op te richten NII (en dus in de praktijk bij Invest-NL/Invest International)?
Er zijn geen opties om binnen de lopende aanbesteding de ekv onder te brengen bij de op te richten NII. En zonder aanbesteding blijft de onrechtmatigheid bestaan.
Kunt u in kaart brengen wat de voor- en nadelen zouden zijn van het stopzetten van de lopende aanbesteding en de EKV zo snel mogelijk bij de op te richten NII onder te brengen?
Het vorige kabinet heeft besloten om de ekv-uitvoering aan te besteden aangezien de huidige uitvoering onrechtmatig is. Ik wil deze onrechtmatigheid zo snel mogelijk oplossen.
De aanbesteding zorgt – na een periode van onzekerheid naar aanleiding van de constatering van de Algemene Rekenkamer van de comptabele onrechtmatigheid- voor rust en duidelijkheid in de ekv-uitvoering. Inmiddels bevindt het aanbestedingsproces zich in een vergevorderd stadium. Het tussentijds beëindigen van de aanbesteding zou de overheid richting het bedrijfsleven en geïnteresseerde partijen tot een onbetrouwbare partner maken en de onzekerheid rondom de uitvoering weer vergroten. Bovendien zou de onrechtmatigheid dan dus niet worden opgelost.
Het oprichten van de NII, en eventuele toevoeging van de ekv daaraan, is een complex en een meerjarig traject. Dit biedt op de korte termijn dus geen oplossing voor de onrechtmatige uitvoering van de ekv. Dat is bestuurlijk onwenselijk en juridisch kwetsbaar. Op langere termijn – wanneer de NII is opgericht en volledig operationeel is – zou de ekv ondergebracht kunnen worden bij de NII indien daartoe dan zou worden besloten.
Het bundelen van krachten van de financieringsinstellingen wordt ook bereikt door de TeamNL-benadering in de aanbestedingstukken te eisen, waar de ekv-uitvoerder actief moet samenwerken met andere financiële instellingen (zoals Invest-NL en Invest International en in de toekomst: de NII) die instrumenten aanbieden aan het Nederlandse bedrijfsleven.
Hoe weegt u deze voor- en nadelen ten opzichte van de kansen van het bundelen van de financiële instrumenten binnen de NII?
Zie antwoord op vraag 7.
Hoe zou, in het scenario dat de EKV onderdeel wordt van de NII, het menselijk kapitaal en de meer dan 90 jaar aan kennis en kunde van uitvoerder Atradius geborgd kunnen worden?
Integratie van het ekv-instrumentarium in de NII is op dit moment niet voorzien.
De oproep van experts om AI-uitkleedsoftware wereldwijd te verbieden |
|
Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Foort van Oosten (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met het manifest, wereldwijd ondertekend, die oproept om AI-uitkleedsoftware te verbieden?1
Ja.
Wat is uw reactie op het manifest? Kunt u inhoudelijk reageren op de specifieke oproepen aan beleidsmakers van EU-lidstaten?
Het is goed dat het maatschappelijk middenveld met dit manifest breed aandacht vraagt voor de problematiek rondom nudifying-tools. De slachtoffers zijn met name vrouwen en minderjarigen, maar deepnudes kunnen in potentie van iedereen gemaakt worden. Het bericht dat zoveel mensen slachtoffer zijn geworden is zeer zorgwekkend. Het is onacceptabel om met behulp van AI zonder toestemming mensen uit te kleden. De impact en de gevolgen van deepnudes voor slachtoffers en hun omgeving zijn enorm, mede omdat het maken van deepnudes steeds geavanceerder wordt en daarmee deepnudes steeds realistischer worden.
Ten aanzien van de eerste drie specifieke oproepen: op grond van het bestaande straf- en civiele recht kan de nudify-problematiek in Nederland en de EU al grotendeels worden aangepakt. Het gebruik ervan zonder toestemming zal in de praktijk vrijwel altijd strafbaar en/of onrechtmatig zijn. Zo biedt de Nederlandse wetgeving via de artikelen 252 en 254ba Wetboek van Strafrecht voldoende mogelijkheden om strafrechtelijk op te treden tegen personen die met AI applicaties zonder toestemming deepnudes van personen, waaronder vrouwen en minderjarigen, genereren, voorhanden hebben en verspreiden.
Bij het verwerken van persoonsgegevens in deepfakes, zoals gezichts- of stemkenmerken, is verder de Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: AVG) van toepassing. De AVG verbiedt het maken en verspreiden van deepfakes die persoonsgegevens bevatten, buiten de huiselijke sfeer, zonder een geldige verwerkingsgrondslag. In de praktijk betekent dit dat een deepfake zonder toestemming, vooral wanneer het gevoelige (bijvoorbeeld seksuele) inhoud bevat, in strijd is met de AVG. Personen wiens gegevens onrechtmatig zijn verwerkt in (deepfake)content kunnen een klacht indienen bij de Autoriteit Persoonsgegevens (hierna: AP).
Het gebruik van deepfake-technologie kan onder bepaalde omstandigheden een onrechtmatige daad vormen. Dit is meestal het geval bij de publicatie van pornografische deepfakes die zonder toestemming zijn gemaakt, maar kan ook gelden voor stemimitaties. Bovendien blijkt uit de regeling van het portretrecht in de Auteurswet dat het publiceren van een portret, dat niet op verzoek is gemaakt (wat meestal het geval is bij deepfakes), niet is toegestaan als er een redelijk belang van de geportretteerde is dat zich verzet tegen openbaarmaking (artikel 21 Auteurswet).
De digitaledienstenverordening (Digital Services Act, hierna: DSA) regelt dat hostingsdiensten, waaronder online platforms, verplicht zijn om te voorzien in mechanismen via welke gebruikers meldingen kunnen doen van illegale inhoud die zich op de dienst/op het platform bevindt. De meldingen moeten vervolgens (tijdig) worden beoordeeld en verwerkt. In het geval van illegale deepnudes zal dit betekenen dat zij de betreffende inhoud, zodra zij daarvan kennis hebben, moeten verwijderen. Wanneer de hostingdiensten, waaronder online platforms, dat niet doen riskeren zij aansprakelijkheid.
Daar bovenop geldt voor de zogenaamde aangewezen «zeer grote online platforms» (zoals X, Facebook, Instagram, TikTok, YouTube, Snapchat) de verplichting om zogenaamde systeemrisico’s die voortvloeien uit het ontwerp of de werking van de dienst en daaraan verbonden systemen (waaronder algoritmes en aanbevelingssystemen), te beoordelen en te beperken. Dit omvat risico’s in verband met de verspreiding van illegale inhoud, zoals gemanipuleerde seksueel expliciete afbeeldingen, met inbegrip van inhoud die kan neerkomen op materiaal van seksueel misbruik van kinderen. In dat kader is de Europese Commissie, die primair toezicht houdt op aangewezen zeer grote online platforms- en zoekmachines, onlangs een onderzoek gestart tegen X, in verband met de risico’s voortvloeiende uit de uitrol van Grok in dat platform.2
Het kabinet staat voor een effectieve aanpak van de nudify-problematiek en daar kan een verbod deel van uitmaken. Op dit moment wordt de mogelijkheid van een verbod op het aanbieden van nudifying-tools verkend. Hiervoor is verdere studie nodig. Er is nog weinig bekend over de effectiviteit van een mogelijk verbod, waar dit eventueel opgenomen zou moeten worden, de wijze waarop dit het beste vorm kan krijgen, de handhavingsmogelijkheden en de uitvoeringsconsequenties. Mijn ministerie is momenteel in gesprek met verschillende partijen om te bezien of de aanpak kan worden versterkt.
In de aanpak van dergelijke grensoverschrijdende uitdagingen kan een Europese benadering effectiever zijn dan een nationale. Daarom is het positief dat hierover gesprekken op Europees niveau worden gevoerd. In dat kader is relevant dat de Raad op 13 maart jl. zijn mandaat voor de triloog heeft vastgesteld ten aanzien van de AI-omnibus en een amendement waarbij AI-systemen die non-consensuele expliciete deepfakes genereren (zoals nudify-tools) onder de verboden AI-praktijken in de AI-verordening worden gebracht, heeft gesteund. Op 26 maart jl. heeft het Europees Parlement ingestemd met een dergelijk verbod. Dit betekent dat de onderhandelingen tussen het Europees Parlement en de Raad over de definitieve vorm van een dergelijk verbod kunnen beginnen.3
Voor wat betreft de laatste specifieke oproep geldt dat in het kader van het herziene curriculum voor het primair en voortgezet onderwijs kerndoelen voor Digitale Geletterdheid zijn ontwikkeld. De kerndoelen richten zich onder meer op het herkennen van online risico’s, het omgaan met (ongepaste) content en het bevorderen van digitale weerbaarheid, waaronder het kritisch omgaan met AI-toepassingen. Ook in het middelbaar beroepsonderwijs is aandacht voor digitale geletterdheid, zowel in beroepsgerichte programmaonderdelen als via generieke onderdelen.
Via het Netwerk Mediawijsheid wordt aanvullend ingezet op brede bewustwording en ondersteuning van burgers van alle leeftijden. Het netwerk ontwikkelt informatie, campagnes en lesmateriaal voor leerlingen, docenten, ouders en andere doelgroepen, met aandacht voor online pesten, seksueel grensoverschrijdend gedrag en sextortion.
Steunt u het manifest? Zo ja, op welke manieren geeft u uitvoering aan de aanbevelingen?
Het is goed dat het maatschappelijk middenveld met dit manifest een duidelijke stem laat horen over de risico’s van zogenoemde nudifying tools. Door gezamenlijk stelling te nemen, maken de betrokken organisaties duidelijk dat dit een vraagstuk is voor iedereen: overheden, technologiebedrijven en de samenleving in het algemeen. Het manifest draagt eraan bij dat mensen zich bewuster worden van hun eigen rol in het tegengaan van dit probleem en spreekt iedereen aan op zijn of haar verantwoordelijkheid om bij te dragen aan een veilige (digitale) omgeving, in het bijzonder voor kinderen en jongeren. Ten aanzien van de uitvoering van de aanbevelingen verwijs ik naar de beantwoording van vraag 2.
Hoe gaat u de motie-Van der Werf c.s. [Kamerstuk 36 800 VI-80] uitvoeren die vraagt om een onderzoek naar een verbod op dergelijke apps?
Op dit moment wordt de mogelijkheid van een dergelijk verbod onderzocht. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, is een verbod op AI-uitkleedapplicaties inmiddels onderdeel van de lopende AI Omnibus-onderhandelingen. Met de voortgangsbrief seksuele misdrijven, die twee keer per jaar wordt verzonden, wordt u verder geïnformeerd over de uitvoering van deze motie.
Kunt u de wettelijke maatregelen tegen uitkleedsoftware versnellen, en zo spoedig mogelijk met wetgeving komen om AI-uitkleedsoftware te verbieden?
Er is hier sprake is van een maatschappelijk probleem dat zich in grote mate blijft voordoen en dat dit een snelle, voortvarende aanpak vereist. Het onderwerp heeft de aandacht van het kabinet, wat onder andere blijkt uit het coalitieakkoord.4 De mogelijkheden voor de aanpak van AI-uitkleedsoftware worden op dit moment verkend. Een verbod op AI-uitkleedapplicaties is verder onderdeel van de onderhandelingen over de AI-omnibus. Dit vraagstuk is complex en kent helaas geen snelle oplossing. Een zorgvuldige afweging, samen met alle betrokken partijen is noodzakelijk.
Bent u bekend met de oproep van Spanje, gesteund door Ierland, Frankrijk en Slovenië, om AI-uitkleedsoftware te verbieden in artikel 5 van de Europese AI Act?2, 3
Ik ben bekend met de oproep van verschillende lidstaten om AI-uitkleedsoftware in artikel 5 van de Europese AI Act te verbieden. Als vermeld in de beantwoording van de vragen 2, 4 en 7 is een verbod op AI-uitkleedsoftware inmiddels onderdeel van onderhandelingen over de AI-omnibus.
Deelt u de analyse van deze landen dat AI-uitkleedsoftware al is verboden in de Europese Unie? Zo niet, bent u bereid te pleiten voor een Europees verbod?
Bestaande Europese wetgeving verbiedt het maken en verspreiden van bepaalde seksueel expliciete beelden. Het gaat hier bijvoorbeeld om beelden van personen zonder hun toestemming of materiaal van seksueel kindermisbruik. Deze wetgeving maakt het vooral mogelijk om achteraf in te grijpen. De Europese ontwikkelingen ten aanzien van dit onderwerp worden meegenomen in de eerdergenoemde verkenning naar een eventueel verbod.
Bent u bereid om Nederland bij deze groep EU-lidstaten te voegen? Welke expertise en ondersteuning kan Nederland in deze groep bieden, bijvoorbeeld met organisaties als Offlimits aan tafel?
Onderdeel van eerdergenoemde verkenning is het actief aangaan van gesprekken en samenwerking met andere Europese lidstaten. Als aangegeven in de beantwoording van vraag 2 hebben in het kader van de verkenning naar de mogelijkheid van een verbod op het aanbieden van nudifying-tools ook gesprekken met verschillende stakeholders en experts plaatsgevonden. Ik informeer u hier verder over in de voortgangsbrief seksuele misdrijven.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en zo snel mogelijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat de NS ICT uitbesteedt aan een Amerikaanse leverancier |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Habtamu de Hoop (PvdA) |
|
van Marum , Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «NS besteedt ict deels uit aan Amerikaanse leverancier»?1
Ja.
Kunt u toelichten welke ICT-processen van de NS precies worden uitbesteed?2 Zijn dit (onderdelen van) kritieke processen met gevolgen voor de continuïteit van de NS indien ze langer dan één dag uitvallen?
De aanbesteding betreft een aantal verschillende systemen. Het gaat om:
Uitval van deze systemen heeft niet direct gevolgen voor het rijden van treinen. Wel kan de uitval gevolgen hebben voor andere aspecten van de dienstverlening, wat uiteindelijk tot hinder voor reizigers kan leiden. Het is overigens goed om te beseffen dat bovenstaande functies die onderdeel zijn van de uitbesteding, nu ook al zijn ondergebracht bij derde partijen.
Klopt het dat er ook (onderdelen van) beveiligingssystemen worden uitbesteed aan een Amerikaans bedrijf? Welke gevolgen heeft dit voor de digitale autonomie van de Nederlandse (spoor)infrastructuur?
Zie voor een opsomming van de betreffende systemen het antwoord op vraag 2.
Het Security Operations Center wordt door NS zelf verzorgd, op dit moment in samenwerking met een Nederlands IT-bedrijf. In deze aanbesteding heeft NS de cyberrisico’s in kaart gebracht en in lijn daarmee passende eisen gesteld en een passend risicomanagementsysteem gekozen.
Deelt u de opvatting van de NS dat de uitbestede processen niet missiekritisch zijn?3 Kunt u schetsen welke gevolgen het heeft voor de dienstverlening van de NS indien deze systemen wél uitvallen? Kunt u uitsluiten dat de uitvoering van de dienstverlening van NS (het laten rijden van treinen op het hoofdrailnet) in gevaar zou kunnen komen wanneer de betreffende systemen uitvallen? Zo ja, kunt u dit motiveren? Zo nee, deelt u dan de zorgen over deze uitbesteding?
Zie ook het antwoorden op vragen 2 en 3. Uitval van deze systemen heeft geen of beperkte directe gevolgen voor het rijden van treinen. Wel kan de uitval gevolgen hebben voor andere aspecten van de dienstverlening. De daadwerkelijke impact hangt af van de aard en de duur van de onderbreking en het specifieke onderdeel van de dienstverlening dat geraakt wordt.
Hierbij dient te worden benadrukt dat de grootste bedreiging voor de continuïteit van de (digitale) dienstverlening externe kwaadwillenden zijn. Hiertoe is het van belang dat de digitale diensten die worden afgenomen voldoen aan het vereiste beveiligingsniveau. De gekozen dienstverlener voldoet hieraan.
Kan de Amerikaanse overheid, via wet- en regelgeving zoals de CLOUD Act, Foreign Intelligence Surveillance Act (FISA), en Executive Order 12333, toegang krijgen tot gevoelige gegevens over de Nederlandse spoorinfrastructuur? Kunt u dit met een ja of nee beantwoorden en dit met concrete verwijzing naar relevante juridische bronnen toelichten?
Diverse landen kennen inderdaad wet- en regelgeving met extraterritoriale werking die medewerking van dienstverleners bij gegevensverzoeken van veiligheidsdiensten verplicht, zoals de CLOUD Act, Executive Order 12333, en FISA sectie 702 in de VS. Voor EO12333 is geen medewerking van de leverancier vereist. Dergelijke wet- en regelgeving kan in bepaalde gevallen mogelijk leiden tot ongewenste toegang tot Nederlandse gegevens. Op basis van dergelijke regelgeving kan een onder Amerikaanse zeggenschap vallende organisatie de opdracht krijgen gegevens te verstrekken aan de Amerikaanse overheid. Zie verder het antwoord op vragen 2 en 3.
Biedt de groeiende afhankelijkheid van Amerikaanse ICT-bedrijven de mogelijkheid voor de Verenigde Staten om druk uit te oefenen op Nederland, bijvoorbeeld door de continuïteit van de dienstverlening van de NS in gevaar te brengen?
In deze NS-casus ziet het kabinet geen aanleiding om aan te nemen dat door de inkoop van deze ICT-diensten de continuïteit van de dienstverlening in gevaar wordt gebracht of dat het gebruik van deze specifieke digitale dienst gebruikt zal worden om druk uit te oefenen op Nederland. Nederland en Europa zijn voor cruciale digitale infrastructuur sterk afhankelijk geworden van een klein aantal niet-Europese spelers. Dat maakt ons kwetsbaar in een wereld waarin technologie steeds vaker als geopolitiek machtsmiddel wordt ingezet. Dit levert efficiëntie en toegang tot belangrijke functionaliteiten op, maar legt ook een kwetsbaarheid bloot ten aanzien van afhankelijkheid en digitale autonomie. Daarom is in algemene zin de inzet van het kabinet er op gericht om risicovolle strategische afhankelijkheden van derde landen af te bouwen en zoveel mogelijk te diversifiëren, ook op digitaal vlak.
Deelt u de mening dat de NS digitale autonomie zou moeten betrachten en af zou moeten zien van deze aanbesteding bij een Amerikaans bedrijf? Welke concrete mogelijkheden ziet u hiertoe?
Zie het antwoord op vraag 8.
Waarom voldeed KPN niet meer als aangewezen ICT-leverancier voor deze diensten? Was het strikt noodzakelijk om de ICT uit te besteden, en zo ja, waarom aan een niet-Europees bedrijf?
NS dient zicht te houden aan de Aanbestedingswet. Het eerdere contract met KPN liep af en kende ook geen verlengingsmogelijkheden meer. NS is dan verplicht de opdracht via een Europese Aanbestedingsprocedure in de markt te zetten. Daarbij stelt NS zeer uitgebreide eisen en criteria op het gebied van prijs, kwaliteit, beschikbaarheid (zo min mogelijk storingen) en cyberveiligheid. De Nederlandse dochter van een Amerikaanse onderneming kwam als beste uit de bus.
Past de keuze van de NS om haar ICT uit te besteden aan een Amerikaans bedrijf binnen de ambitie van het kabinet om meer digitaal onafhankelijk te worden? Welke rol heeft de Staat als enig aandeelhouder hierin?
De gunning is een uitkomst van het verplichte Europese aanbestedingsproces. Het kabinet heeft als doel om bij digitale inkoop en aanbestedingen te gaan standaardiseren en centraliseren, waarbij onder meer gestuurd wordt op waarden zoals security-by-design, zero-trust, soevereiniteit, open source en ketenveiligheid.
Als aandeelhouder van NS staat de Minister van Financiën op dit onderwerp meer op afstand: operationele zaken zoals de wijze van aanbesteden zijn primair de verantwoordelijkheid van het bestuur van de deelnemingen.
Hoe kijkt u aan tegen de keuze van de NS om, tegen de achtergrond van de huidige geopolitieke situatie en nadat de Rijksoverheid herhaaldelijk het belang van digitale autonomie benadrukte, alsnog ICT uit te besteden aan een niet-Europees bedrijf?
Ik verwijs graag naar mijn antwoord op vraag 6, 8 en 9.
Acht u de lange doorlooptijd van het contract, namelijk zes tot twaalf jaar, geschikt gezien de onzekerheid van de geopolitieke relatie met de Verenigde Staten?
Een dergelijke doorlooptijd is niet ongewoon gezien de implementatietijd en -kosten van een dergelijke migratie.
Klopt het dat er geen nationale richtlijnen bestaan om Amerikaanse partijen te weren? Staat dit wel voorzien in het nieuwe cloudbeleid dat nog steeds in ontwikkeling is?
Het klopt dat er geen nationale richtlijnen zijn om Amerikaanse partijen te weren en de inzet van het kabinet is daar ook niet op gericht. Het Rijksbreed cloudbeleid is niet van toepassing op staatsdeelnemingen, en is landenneutraal opgesteld.
Het kabinet heeft wel als doel om bij digitale inkoop en aanbestedingen te gaan standaardiseren en centraliseren, waarbij onder meer gestuurd wordt op waarden zoals security-by-design, zero-trust, soevereiniteit, open source en ketenveiligheid.
Is in deze aanbesteding voldaan aan de Algemene Beveiligingseisen voor Rijksoverheidsopdrachten (ABRO), waarin staat dat er strenge eisen gesteld moeten worden aan digitale autonomie en soevereiniteit?
Het kabinet heeft besloten dat de departementen, hun diensten en agentschappen, en de politie vanaf 1 januari 2026 de ABRO gaan toepassen bij contracten met bedrijven als daarbij risico’s voor de nationale veiligheid aanwezig zijn. De NS is geen onderdeel van deze organisaties. Voor de implementatie hiervan hebben deze inkopende organisaties tot eind 2027 de tijd gekregen. Daarover is uw Kamer geïnformeerd (TK 2025/2026 26 643, nr. 1438). Als een inkopende organisatie, voordat zij besluit de ABRO toe te gaan passen, al een aanbestedingsproject in gang heeft gezet, is uitgangspunt dat deze aanbesteding niet alsnog onder de ABRO kan worden gebracht.
In bedoelde Kamerbrief is ook gemeld dat voorbereidingen worden getroffen om deze beveiligingseisen ook te laten toepassen door andere inkopende organisaties. Dat gaat om onder meer Zelfstandige Bestuursorganen, provincies, gemeenten, waterschappen en vitale sectoren. Momenteel wordt binnen het rijksbrede programma «Veilig inkopen» onderzocht welke risico’s deze organisaties lopen voor de nationale veiligheid. Het staat nog niet vast welke specifieke organisaties in dit onderzoek worden meegenomen. Voor deze inkopende organisaties worden de benodigde juridische instrumenten, financiën en organisatorische afspraken voorbereid. In het 3e kwartaal van 2026 wordt de Tweede Kamer over de stand van zaken van het programma «Veilig inkopen» geïnformeerd.
De ABRO maakt onderdeel uit van een keten. De inkopende organisatie deelt bij aanvang van een aanbesteding mee dat de ABRO wordt toegepast. Als bij een inkoop de Aanbestedingswet op Defensie- en Veiligheidsgebied (ADV) wordt gevolgd, dan biedt dat de mogelijkheid om alleen bedrijven uit de Europese Economische Ruimte én bedrijven uit nader te bepalen landen toe te laten als inschrijver op zo’n inkoop.
De ABRO ziet niet direct op digitale soevereiniteit en biedt geen directe mogelijkheden om ongewenste overnames te voorkomen of bepaalde aanbieders op voorhand uit te sluiten in een aanbesteding. Het Nationaal Bureau Industrieveiligheid (NBIV) controleert het bedrijf dat als winnaar uit zo’n aanbesteding komt of het aan de ABRO-eisen voldoet. Daarbij dient onder meer inzicht te worden gegeven in de organisatiestructuur van en de zeggenschap over een bedrijf. Als de risico’s voor de nationale veiligheid niet kunnen worden beperkt, geeft NBIV geen ABRO-verklaring af en kan in beginsel geen contract worden afgesloten.
Bij een contract waarop de ABRO is toegepast, is de contractspartij verplicht om NBIV tijdig te informeren bij potentiële overnames of wisselingen in significante invloed. Het biedt opdrachtgever en NBIV daarmee de mogelijkheid om de risico’s voor de nationale veiligheid te beperken. Indien die risico’s niet kunnen worden beperkt, kan de ABRO-verklaring worden ingetrokken en kan de inkopende organisatie het contract ontbinden.
Is het mogelijk om via het Cloud Sovereignty Framework van de EU wél voorkeur te geven aan Europese partijen bij ICT-aanbestedingen? Waarom is daar in dit geval geen gebruik van gemaakt?
Het Cloud Sovereignty Framework van de EU is niet van toepassing op deze tender en bestond nog niet ten tijde van het uitzetten van de onderhavige aanbesteding. Het is op basis van de aanbestedingsregels niet toegestaan om gedurende de aanbestedingsprocedure aanvullende eisen (zoals het EU Cloud Sovereignty Framework) toe te voegen.
Het Cloud Sovereignty Framework van de EU biedt kwalitatieve scoringseisen voor aanbestedende partijen en heeft als doel om een level playing field te bieden aan clouddienstverleners, en tevens om de sector richting Europese standaarden en waarden te drijven. Het Cloud Sovereignty Framework is dus niet gericht op het uitsluiten van partijen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en zo spoedig mogelijk beantwoorden, nog voordat er onomkeerbare stappen worden gezet?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.