Het bericht 'Illegale prijsafspraken Indiase staalbedrijven, waaronder Tata Steel' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Illegale prijsafspraken Indiase staalbedrijven, waaronder Tata Steel»?1
Ja.
Bent u bekend met het bericht dat de Indiase mededingingsautoriteit (Competition Commission of India) heeft vastgesteld dat meerdere Indiase staalbedrijven, waaronder Tata Steel, zich schuldig hebben gemaakt aan illegale prijsafspraken?
Ja.
Kunt u een reflectie geven op de mogelijke illegale prijsafspraken die zijn gemaakt door Indiase staalbedrijven waaronder Tata Steel?
Er is op dit moment nog weinig informatie bekend over de bevindingen van de Competition Commission of India (CCI), de omvang van de vermeende overtredingen en het mogelijke aandeel van Tata Steel India hierin. De tussentijdse rapportage van de CCI is niet gepubliceerd. Het is niet aan het kabinet om hier op dit moment op te reflecteren.
Hoe beoordeelt u het feit dat een bedrijf dat in India mogelijk wordt veroordeeld voor kartelvorming, in Nederland nog steeds kan rekenen op politieke steun, maatwerkafspraken en mogelijke staatssteun voor verduurzaming?
Op dit moment zijn er geen conclusies verbonden aan of (gerechtelijke) stappen ondernomen naar aanleiding van de bevindingen van de CCI. Het is ook niet aan het kabinet om een beoordeling te geven, maar op dergelijke onderwerpen is het aan de daarvoor ingestelde onafhankelijke instanties om gedegen onderzoek te doen en tot een oordeelsvorming te komen. Het kabinet kan en wil hier niet op vooruitlopen. Het Ministerie van KGG blijft de ontwikkelingen volgen.
De gesprekken met Tata Steel Nederland over een maatwerkafspraak hebben als doel om de leefomgeving en gezondheid van omwonenden in de IJmond te verbeteren en CO2-reductie te bewerkstelligen. Het behalen van die doelen is van belang voor de omwonenden en de maatschappij als geheel. Het kabinet werkt daarom toe naar een maatwerkafspraak omdat dit de snelste manier is om die doelen te behalen. Uiteindelijk zal een afweging moeten worden gemaakt of het mogelijk en passend is om tot een maatwerkafspraak te komen.
Welke risico’s loopt de Nederlandse staat indien zij steun blijft geven aan Tata Steel terwijl het moederbedrijf mogelijk veroordeeld wordt voor illegale prijsafspraken?
Er zijn (nog) geen (gerechtelijke) stappen genomen naar aanleiding van de bevindingen van de CCI. Deze vraag gaat daarnaast uit van de aanname dat de staat nu al steun geeft aan het bedrijf in het kader van de maatwerkafspraken. Hier is geen sprake van. De staat overweegt Tata Steel Nederland steun te geven voor het verduurzamen van de staalproductie in de IJmond. Hiervoor dient eerst een definitieve maatwerkafspraak te worden ondertekend met daarin voldoende waarborgen om zeker te stellen dat de subsidie ook daadwerkelijk zorgt voor het behalen van de doelen. Het behalen van de doelen voor de verbetering van de gezondheid en het reduceren van de CO2-uitstoot is immers de reden dat we in dit traject met Tata Steel zitten. Het voornemen van de partijen is om uiterlijk eind september 2026 overeenstemming te bereiken over de definitieve maatwerkafspraak.
Had Tata Steel Nederland u op de hoogte gesteld van de ingestelde onderzoeken? Zo ja wanneer en wat hebben zij hierover vermeld?
TSN heeft het Ministerie van KGG feitelijk geïnformeerd na publicatie van het artikel dat het onderzoek loopt en aangegeven de verdere ontwikkelingen af te wachten. Zoals in de beantwoording van vraag 3 aangegeven is er nog weinig informatie bekend.
Kunt u aangeven wat de consequenties zijn voor de maatwerkafspraken als Tata Steel Limited daadwerkelijk schuldig wordt bevonden aan illegale prijsafspraken? Zo niet, waarom niet?
Zoals ook aangegeven in de beantwoording op vragen 3, 4 en 5 is er nog geen maatwerkafspraak en de Indiase autoriteiten hebben nog geen juridische procedure opgestart of conclusies verbonden n.a.v. een afgerond onderzoek. Laat staan dat er een veroordeling heeft plaatsgevonden. Het kabinet kan daarom nu niet ingaan op de mogelijke consequenties bij een eventuele veroordeling.
In hoeverre is Tata Steel Nederland betrokken bij en/of op de hoogte van de illegale prijsafspraken die in India zijn gemaakt?
Hierover heeft het kabinet geen informatie.
Acht u in, in het licht van het onderzoek, Tata Steel nog steeds een betrouwbare partner van de Nederlandse overheid? Zo ja waarom?
Vooropgesteld staat dat het bedrijf, net als ieder ander bedrijf, moet voldoen aan de geldende wet- en regelgeving. Het is aan de bevoegde instanties om de naleving van wet- en regelgeving te controleren en waar zij dat nodig achten te besluiten om onderzoek te doen en eventuele vervolgstappen te nemen. Op dit moment is er nog geen definitieve conclusie en het is ook niet aan het kabinet om hier nu een oordeel over te vormen of op vooruit te lopen. De inzet in de maatwerkafspraak is om zo snel mogelijk tot verbetering van de leefomgeving en gezondheid van de omwonenden in de IJmond te komen en CO2-reductie te bewerkstelligen. Zoals ook in de beantwoording van vraag 4 aangegeven, is dat waar het kabinet op inzet, waarbij uiteindelijk ook een afweging moet worden gemaakt of het mogelijk en passend is om tot een maatwerkafspraak te komen.
Bent u van plan op basis van deze bevindingen de Joint Letter of Intent te beëindigen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet ziet op dit moment geen aanleiding om de JLoI te beëindigen. De onderhandelingen worden voortgezet. Uitstel of afstel van een maatwerkafspraak leidt er immers toe dat de klimaatwinst, de verbetering van de leefomgeving en de daaruit volgende gezondheidswinst voor omwonenden niet of pas veel later optreedt. De snelste weg om deze doelen te kunnen behalen is via een maatwerkafspraak. Daarnaast is ook relevant dat het om een onderzoek gaat waar nog geen definitieve conclusie uit is gekomen. Het spreekt voor zich dat het Ministerie van KGG de ontwikkelingen zal blijven volgen. Uiteindelijk zal een afweging moeten worden gemaakt of het mogelijk en passend is om tot een maatwerkafspraak te komen.
Kunt de bovenstaande vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Google en Microsoft houden energieverbruik van hyperscale-datacenters geheim voor de overheid’ |
|
Jimmy Dijk |
|
Vincent Karremans (VVD), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het bericht «Google en Microsoft houden energiegebruik van hyperscale-datacenters geheim voor de overheid»?1
Deelt u de opmerking dat techbedrijven zich moeten houden aan de wet, en daarom hun energieverbruik moeten delen, in lijn met de Energy Efficiency Directive (EED)?
Zijn netbeheerders in bezit van data over het energieverbruik van datacenters? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u samen met netbeheerders deze data met de Kamer delen?
Herkent u de in het artikel genoemde cijfers dat de stroomverbruik van datacenters binnen vijf jaar naar 15 procent van het totale stroom in Nederland zal groeien? Zo nee, welke ontwikkelingen ziet u wel voor zich? Zo ja, kunt u dat toelichten?
Deelt u de mening dat een grote inzet op datacenters geen verstandige keuze is, aangezien veel delen van Nederland kampen met netcongestie en de ontwikkelingen en winsten die voortvloeien uit datacenters niet terecht komen bij Nederlandse huishoudens?
Welke toegevoegde waarde hebben datacenters voor de Nederlandse economie en samenleving, als de winsten doorvloeien naar Amerikaanse techbedrijven en Nederland geen zeggenschap heeft over de technologie?
Deelt u de mening dat technologie geen doel maar een middel is, en dat technologische ontwikkelingen zoals «Artificial Intelligence' (AI) ook bredere maatschappelijke doelen, zoals het verlagen van werkdruk en het verminderen van werk, moet dienen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, deelt u dan ook de mening dat publieke zeggenschap over AI essentieel is om het als middel te gebruiken?
Heeft u zicht op ontwikkelingen op de arbeidsmarkt door de introductie van AI? Zijn er functies die nu of in de komende jaren geraakt worden door AI? Welke stappen worden gezet om mensen die door AI hun baan (zullen) kwijtraken om en bij te scholen voor behoud van werk?
Het artikel 'Van ‘arrogant takkewijf’ tot ‘val dood’: Delta-schandaal veel groter, provider start meldpunt' |
|
Jimmy Dijk |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving over agressieve en mogelijk misleidende verkoopmethoden door medewerkers van DELTA Fiber, waaronder intimidatie, bedreigingen en het onder valse voorwendselen afsluiten van abonnementen?1
Ja.
Deelt u de kwalificatie dat hier sprake lijkt van structurele problematiek in plaats van op zichzelf staande incidenten?
Toezichthouder Autoriteit Consument en Markt (hierna: ACM) en de Consumentenbond krijgen al jaren veel klachten over colportage.2 Deze klachten zien onder meer op de verkoop van contracten voor energie, loterijen, internet, televisie en telefonie. Deze klachtenstroom is serieus en aanhoudend. Zo krijgt de ACM elke maand tientallen signalen over deurverkoop, bijvoorbeeld over agressieve bejegening of het negeren van een geen-colportage-sticker. Dat gaat over verschillende bedrijven en verschillende sectoren.
Welke specifieke normen gelden voor colportage en huis-aan-huisverkoop in de telecomsector (waaronder omgang met nee/nee- en geen-colportage-stickers)? Worden deze normen naar uw oordeel effectief gecontroleerd en gehandhaafd? Zo nee, welke middelen heeft de Autoriteit Consument & Markt (ACM) nodig om dit wel effectief te doen?
De consument heeft bij colportage onder meer recht op een bedenktijd van veertien dagen en de verkoper is verplicht om de consument hierover duidelijk te informeren voor het sluiten van de overeenkomst.3 Doet de verkoper dit niet, dan wordt de bedenktijd verlengd met maximaal twaalf maanden. Daarnaast kan de consument een overeenkomst vernietigen die onder invloed van een oneerlijke handelspraktijk tot stand is gekomen. Daarvan is bijvoorbeeld sprake als een verkoper zich agressief opstelt jegens de consument, onwaarheden vertelt bedoeld om de consument te overtuigen of een geen-colportage-sticker negeert. Deze regels gelden (met uitzondering van de in de wet voorziene uitzonderingen) voor alle sectoren die colportage gebruiken. Er gelden geen specifieke wettelijke colportageregels voor de telecomsector.
Dit wettelijk kader wordt aangevuld met zelfregulering, in de vorm van de Code Fieldmarketing die onder de vlag van de Reclame Code Commissie is opgesteld. De sector heeft hierin afgesproken dat consumenten die geen prijs stellen op colportage dit kunnen aangeven via een sticker aan de deur. Verkopers moeten dergelijke stickers en andere ondubbelzinnige mededelingen respecteren. Wanneer deze code wordt overtreden of wanneer een consument een andere klacht heeft over colportage kan hij of zij dit melden bij de ACM. De ACM kan dan handhavend optreden.
Wat vindt u ervan dat juist ouderen en andere kwetsbare groepen doelwit lijken te zijn van deze verkooppraktijken? Welke aanvullende beschermingsmaatregelen acht u hier passend?
Het is inherent aan de verkoopmethode colportage dat consumenten een bepaalde mate van druk voelen om een besluit te nemen over een overeenkomst terwijl de verkoper aan de deur of op straat staat. Met name kwetsbare consumenten, zoals ouderen of consumenten die moeite hebben met «nee» zeggen, lopen het risico een overeenkomst te ondertekenen, waarvan zij de gevolgen niet volledig kunnen overzien.
In april 2024 heeft mijn voorganger een voorstel voor een afkoelperiode aangekondigd.4 Consumenten krijgen daarmee drie werkdagen de tijd om rustig een besluit te nemen of zij een overeenkomst willen aangaan waarover zij buiten de verkoopruimte zijn aangesproken. De verkoper mag de consument tijdens de afkoelperiode niet benaderen. De afkoelperiode legt de regie voor het aangaan van de overeenkomst bij de consument, stelt hem in de gelegenheid om de informatie die hij heeft ontvangen in alle rust te lezen en te begrijpen (zonder druk van de meekijkende verkoper) en de informatie eventueel ook te vergelijken met andere aanbiedingen. Dit wetsvoorstel is in de tweede helft van 2025 in internetconsultatie geweest. De reacties uit deze consultatie worden momenteel verwerkt.
In aanvulling daarop ga ik, conform de motie van het lid Van Lanschot (CDA)5, in kaart brengen welke opties er zijn, landelijk en lokaal, om ongevraagde commerciële verkoop aan de deur zo veel mogelijk te beperken, waarbij ruimte blijft voor goede doelen en kleinschalige initiatieven.
Een verbod op colportage is Europeesrechtelijk op dit moment niet mogelijk. Ik zet mij er daarom in Brussel voor in dat lidstaten de mogelijkheid krijgen om colportage sectoraal of geheel te verbieden.
Hoe beoordeelt u de meldingen over ongevraagde graaf- en installatiewerkzaamheden in tuinen en woningen, met schade en kosten voor bewoners tot gevolg? Vindt u dat telecombedrijven voldoende zorgvuldig omgaan met toestemming en herstel?
Ik ga ervan uit dat bij deze vraag gedoeld wordt op graaf- en installatiewerkzaamheden in de eigen tuin en woning van bewoners. Om dergelijke werkzaamheden uit te voeren is het nodig dat de bewoner aangesloten wil worden en hiervoor toestemming geeft. Ik vind het belangrijk dat telecompartijen zorgvuldig omgaan met aanleg in eigen tuinen en woningen van bewoners en wijs daarbij op hun verplichting voor toestemming en herstel. In het geval van klachten over ongevraagde werkzaamheden kunnen bewoners zich melden bij de ACM, die bij veel klachten over een specifieke partij, die partij daarop kan aanspreken. Navraag bij de ACM leert dat de ACM in beperkte mate meldingen ontvangt over ongevraagde werkzaamheden, maar dat personen mogelijk ook niet altijd melding doen.
Wat betreft eventuele schade als gevolg van werkzaamheden, is het aan de telecompartijen om deze te herstellen dan wel te vergoeden. Telecompartijen geven aan dat dit doorgaans ter plaatse direct in overleg met de bewoner wordt opgelost. Bij dergelijke schade die niet (volledig) wordt vergoed of hersteld, kunnen bewoners zich wenden tot de civiele rechter.
Wat is uw reactie op signalen dat monteurs contante betalingen zonder factuur vragen («zwart geld»), onder het mom van aanvullende werkzaamheden?
Het is niet toegestaan om zwart te werken of mensen onder druk te zetten om contant geld af te staan. Het is ook niet toegestaan om kosten in rekening te brengen voor werkzaamheden, die feitelijk niet (of niet controleerbaar) hebben plaatsgevonden en waartoe bewoners geen opdracht of toestemming hebben gegeven.
Acht u de door Delta geopende meldpuntregeling een toereikende reactie? Hoe wordt voorkomen dat klachten blijven liggen of intern worden weggeboekt zonder daadwerkelijke oplossing?
Ik ga ervan uit dat Delta naar aanleiding van de berichtgeving passende en effectieve maatregelen neemt om klachten van consumenten te registreren en op te lossen. Daarnaast heeft de ACM naar aanleiding van de berichtgeving contact opgenomen met Delta om de klachten te bespreken en naar oplossingen te kijken. Dit beschouw ik als een stok achter de deur.
Bent u bereid om een verdiepend onderzoek te doen naar de wervingspraktijken in de glasvezelmarkt, inclusief de rol van ingehuurde verkooporganisaties en onderaannemers?
Het is aan de ACM als onafhankelijke toezichthouder om te bepalen of en wanneer een onderzoek naar de wervingspraktijken in de glasvezelmarkt wordt uitgevoerd.
Overweegt u aanscherping van regelgeving, bijvoorbeeld een verbod of zwaardere beperking op huis-aan-huisverkoop in telecom, verplichte cooling off (herroepingsrecht) bevestigingen via onafhankelijke kanalen, zwaardere boetes bij misleiding van kwetsbare consumenten, een verplicht klachtenregister dat openbaar wordt gemaakt, etc.?
Ja. Zie verder de beantwoording van vraag 4.
Wat is bekend over deur-aan-deurverkoop in andere sectoren zoals energie, mobiele telefonie en internetdiensten?
Zoals aangegeven bij de beantwoording van vraag 2, krijgt de ACM elke maand tientallen signalen over deurverkoop. Dat gaat over verschillende bedrijven en verschillende sectoren.
In welke mate wordt deze deur-aan-deurverkoop in deze sectoren gecontroleerd en gehandhaafd, en door welke toezichthouders?
De ACM is als onafhankelijk markttoezichthouder verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van de regels voor deur-aan-deurverkoop. De ACM kan niet alle zaken oppakken en bepaalt zelf haar prioriteiten.6 De ACM heeft in de afgelopen jaren herhaaldelijk in het openbaar opgetreden tegen handelaren die gebruikmaken van colportage en zich niet aan de regels houden.7
Hoe beoordelen consumenten deze verkooppraktijken, bijvoorbeeld wat betreft transparantie, ervaren druk aan de deur en het risico op misleiding?
Uit onderzoek in 2022 van de ACM blijkt dat een aanzienlijk deel van de ondervraagden die wel eens een verkoper aan de deur kreeg, dit contact als negatief heeft ervaren (45%).8 Slechts een klein deel van de ondervraagden gaf aan een (zeer) positieve ervaring met colportage gehad te hebben (9%). Van de ondervraagden die wel eens een verkoper aan de deur kreeg, gaf meer dan 90% aan dat zij dit heeft ervaren als onprettig, onbetrouwbaar of niet nuttig.
Een onderzoek van de Consumentenbond in 2025 onder 7500 panelleden bevestigt het negatieve beeld van consumenten rondom verkoop aan de deur.9 Hieruit blijkt dat 92% van de panelleden zich stoort aan de verkoop van producten en diensten aan de deur. Vooral omdat ze er niet om gevraagd hebben, verkopers erg opdringerig kunnen zijn en vaak op een ongelukkig moment aanbellen. Daarnaast blijkt dat 63% van de panelleden met een bel-niet-aan-sticker alsnog verkopers aan de deur hebben gehad.
Ziet u in de gesignaleerde agressieve verkooppraktijken een verband met sterke commerciële prikkels zoals concurrentie op groei, marktaandeel en winst? Zo ja, welke voorstellen heeft u om deze prikkels weg te nemen?
Ik herken de sterke commerciële prikkels in de markt voor het aanleggen van glasvezel. Deze prikkels zorgen op zichzelf voor een snelle aanleg van een landelijk dekkend glasvezelnetwerk met een hoge technische capaciteit. Vanwege de hoge kosten voor het aanleggen van het netwerk, is het voor marktpartijen aantrekkelijk om zo snel mogelijk een groot netwerk aan te leggen met zo veel mogelijk aansluitingen per wijk (een hoge bezettingsgraad). Commerciële prikkels mogen echter nooit leiden tot agressieve handelspraktijken. In de beantwoording van vraag 4 geef ik aan welke stappen ik neem om dergelijke verkooppraktijken tegen te gaan.
Acht u deze dynamiek van commerciële prikkels problematisch voor diensten die feitelijk essentieel zijn voor burgers?
Zie antwoord vraag 13.
In hoeverre acht u het wenselijk om, ter voorkoming van dit soort praktijken en ter verhoging van efficiëntie, deze voorzieningen meer publiek of collectief te organiseren?
Ik acht het onnodig en onwenselijk om het aanleggen van het glasvezelnetwerk meer publiek of collectief te organiseren. Nederland heeft gekozen voor de aanleg van een glasvezelnetwerk door marktpartijen, met strenge eisen van de ACM over onder andere het openstellen van het netwerk. Op dit moment zijn er bijna 9 miljoen glasvezelaansluitingen in Nederland en de ACM verwacht een volledige dekking in 2030. Ik voorzie een sterke vertraging van het proces en hoge uitvoeringskosten als zou worden overgestapt op een model waarbij de uitrol meer publiek of collectief zou worden georganiseerd.
Bent u bereid scenario’s en beleidsopties voor zulke vormen van publieke of collectieve organisatie te laten uitwerken en naar de Kamer te sturen?
Zie antwoord vraag 15.
De Chinese militaire oefeningen en simulatie van een blokkade rond Taiwan. |
|
Tom van der Lee (GL), Derk Boswijk (CDA), Jan Paternotte (D66), Eric van der Burg (VVD), Raymond de Roon (PVV) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Taiwan: China’s massive military drills stir invasion fears» van Deutsche Welle1?
Ja.
Hoe beoordeelt u deze grootste militaire oefeningen rondom Taiwan ooit?
De Chinese autoriteiten treden in toenemende mate assertief op in de eigen regio en in het multilaterale systeem en verhogen structureel de druk op Taiwan en landen die met Taiwan samenwerken. Sinds 2022 omvat dit onder andere reguliere, grootschalige militaire oefeningen en (des)informatiecampagnes. Deze zijn onderdeel van de Chinese strategie om onder andere met hybride activiteiten de inlijving van Taiwan in de Volksrepubliek China te bewerkstelligen. De recente militaire oefening past binnen deze inzet maar was omvangrijker dan recente voorgaande oefeningen. De boodschap van de Chinese autoriteiten was daarbij expliciet ook gericht aan externe partijen die zich, volgens China, inmengen in Taiwan. De inzet van het kabinet en de EU is gericht op behoud van de status quo.
Deelt u de mening van de Europese Commissie, die middels een verklaring van EDEO heeft aangegeven dat deze oefeningen een nieuwe bedreiging zijn voor internationale vrede en stabiliteit, en oproept af te zien van zulke acties die voor escalatie kunnen zorgen?
Ik deel de zorgen zoals uitgedragen door de woordvoerder van EDEO over de recente Chinese militaire oefening rond Taiwan; dat heb ik via sociale media ook duidelijk gemaakt. Conform diverse moties spreekt Nederland zich binnen de kaders van het één-Chinabeleid samen met de EU en gelijkgezinde landen uit vóór de-escalatie en tégen destabiliserende unilaterale acties die de status quo bedreigen. Het Taiwan-vraagstuk dient op vreedzame wijze te worden opgelost, waarbij rekening gehouden moet worden met de wensen van de Taiwanese bevolking. Alle betrokken partijen dienen zich te onthouden van unilaterale acties, dreiging of geweld gericht op het wijzigen van de status quo.
Deelt u de mening dat Nederland een extra groot belang heeft bij het handhaven van de status quo in China en Taiwan, mede gezien onze positie in wereldwijde logistiek en de halfgeleiderindustrie?
Het kabinet en de EU zijn zich bewust van de mogelijke repercussies van een crisis rond Taiwan, niet alleen voor de Taiwanese bevolking maar ook voor de hele regio en de wereldeconomie. Een eventueel conflict zou rampzalig zijn voor alle betrokkenen, maar ook grote mondiale repercussies hebben, inclusief voor Nederland. Dat betekent dat dit meer is dan een lokale kwestie en de internationale gemeenschap zich in dient te zetten om dergelijke scenario’s te voorkomen.
Dat vergt overleg met gelijkgezinden en huiswerk voor de EU om voorbereid te zijn. Dit is evenwel geen exercitie die in het openbaar kan worden gedaan.
Heeft u zicht op de exacte impact voor de Nederlandse economie van een langdurige blokkade van Taiwanese havens?
Ik kan niet speculeren over de exacte impact voor de Nederlandse economie in het hypothetische geval van een langdurige blokkade van Taiwanese havens. Zoals gezegd dient de internationale gemeenschap zich in te zetten om dergelijke scenario’s te voorkomen en vergt dat overleg met gelijkgezinden en huiswerk voor de EU om voorbereid te zijn, maar kan ik daar niet verder op ingaan in het openbaar.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk beantwoorden voor het commissiedebat van 13 januari over de Raad Buitenlandse Zaken?
Ja.
De aanschaf van Chinese slimme meters door netbeheerders. |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Vincent Karremans (VVD), Foort van Oosten (VVD), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat netbeheerders Alliander (Liander), Enexis en Stedin onderdelen voor circa vier miljoen (slimme) meters betrekken van Kaifa uit China?1, 2, 3
Ja, ik ben bekend met deze berichtgeving. Zoals aangegeven in de beantwoording van eerdere Kamervragen over deze berichtgeving (Kamerstuk 2025Z227414) gaat het in dit nieuwsbericht over de meetmodule, een onderdeel van de slimme meter dat alleen het elektriciteitsverbruik op digitale wijze meet. Deze meetmodule introduceert daarmee geen risico voor de leveringszekerheid van energie.
De verzending en de versleuteling van data naar de netbeheerders en de communicatie met andere apparaten loopt niet via deze meetmodule. De meetmodule bevat ook geen schakelaar en kan niet op afstand worden uitgeschakeld waardoor er geen effect is op de beschikbaarheid van energie. De leveranciers van het betreffende onderdeel en andere niet-geautoriseerde partijen kunnen niet meelezen met de data van de nieuwe generatie slimme meter. De veiligheid van de data wordt door de netbeheerders gewaarborgd door middel van encryptie en autorisaties. Het kabinet is tegen deze achtergrond van oordeel dat de betreffende inkoop geen ontoelaatbaar risico vormt voor Nederlandse consumenten. Zie voor een verdere toelichting op dataveiligheid ook de antwoorden op vraag 7, 8 en 9 in Kamerstuk 2025Z22741.5
Is deze gunning volgens uw beoordeling wenselijk? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat het hier gaat om een aanbesteding/gunning voor «sensoronderdelen» en kunt u de Kamer een feitenoverzicht sturen met scope, aantallen, contractwaarde, looptijd, opties en betrokken entiteiten, inclusief Kaifa Technology Netherlands?
Zoals toegelicht in het voorgaande antwoord gaat het hier over de meetmodule, een onderdeel van de slimme meter dat het elektriciteitsverbruik op digitale wijze meet.
De netbeheerders hebben – conform Europese aanbestedingsregels – deze component gegund middels een aanbesteding met openbare selectie. Het gevraagde feitenoverzicht is te vinden in het door de netbeheerders openbaar gepubliceerde aanbestedingsdocument. In het aanbestedingsdocument is opgenomen dat de verwachte aantallen voor deze meetmodule 7.933.740 eenheden zijn en de contractwaarde € 592.517.432 is. De totale opdracht zal worden geleverd door 2 leveranciers: 60% door Kaifa Technology Netherlands B.V. uit China en 40% door Sagemcom Energy & Telecom uit Frankrijk. De afzonderlijke netbeheerders zijn overeenkomsten aangegaan voor een initiële periode van acht jaar, met de mogelijkheid tot verlenging met 3 keer 2 jaar. Het is aan de netbeheerders om te beslissen of zij gebruik maken van deze verlengingsoptie. Verdere details zijn te vinden in het aanbestedingsdocument dat is opgesteld door de netbeheerders.6
Kunt u toelichten welke onderdelen van de meter(s) uit China komen (sensor, printplaten, communicatiemodule, firmware, etcetera) en welke onderdelen in Nederland en de Europese Unie worden geproduceerd of geassembleerd?
In de nieuwe generatie slimme meter zijn in de basis vijf separate componenten te onderscheiden die ieder apart worden ingekocht.
(1) Basis elektriciteit meetmodule (hardware). Deze inkoop is verlopen zoals beschreven in de beantwoording van deze Kamervragen en in Kamerstuk 2025Z227417.
(2) De gateway (hardware met een besturingssysteem). Voor dit onderdeel loopt op dit moment de aanbestedingsprocedure. Als eis is assemblage en productie van kritieke onderdelen in een GPA-land opgenomen.8
(3) De applicatielaag (software). Dit onderdeel is gegund aan een Nederlandse partij.
(4) De gasmeter (hardware). Dit onderdeel is gegund aan twee Europese leveranciers.
(5) De Public Key Infrastructure (encryptie). Bij dit onderdeel zijn vertrouwelijke veiligheidsmaatregelen toegepast en het onderdeel wordt geleverd door een Nederlandse partij.
Kunt u bevestigen welke (in)directe staatsinvloed er is en hoe dit is meegewogen in de risicoafweging, aangezien in de berichtgeving wordt gesteld dat China Electronics Corporation (CEC) een belang van 35% heeft in Kaifa?
Dat er mogelijk sprake kan zijn van (in)directe staatsinvloed is een van de redenen geweest waarom de netbeheerders een risicoanalyse hebben uitgevoerd. Hierbij is onder andere gekeken naar cyber- en energie leveringszekerheidsrisico’s, zoals beïnvloeding op afstand, ongeautoriseerde toegang tot meterdata, alsook naar productleveringszekerheidsrisico’s.
Voor de verschillende onderdelen van het systeem is een uitgebreide marktconsultatie gedaan. Voor de componenten die niet als risicovol beschouwd zijn, is gekozen voor maximale concurrentie om de maatschappelijke kosten zo laag mogelijk te houden.
Om zo goed mogelijk te verifiëren of er eventueel sprake zou zijn van een inschrijving onder kostprijs, hebben de netbeheerders een uitvraag gedaan bij de Europese Commissie in het «Foreign Subsidies Regulation» mechanisme. Het Foreign Subsidies Regulation (FSR) is een EU-verordening die bedoeld is om oneerlijke concurrentie op de interne markt tegen te gaan wanneer bedrijven financiële steun krijgen van landen buiten de EU. Uit deze melding heeft de Europese Commissie geen belemmeringen waargenomen en gecommuniceerd aan de netbeheerders.
Is vooraf door of namens het kabinet een nationale veiligheids- of ketenafhankelijkheidsanalyse uitgevoerd voor deze aanbesteding (AIVD/MIVD/NCTV/RDI of anders)? Zo ja, door wie en met welke hoofdconclusies? Zo nee, waarom niet?
Zoals ook toegelicht in beantwoording van eerdere Kamervragen9 hebben de netbeheerders een risicoanalyse en onderzoek uitgevoerd. Hierbij is gebruik gemaakt van verschillende analyses, waaronder het Dreigingsbeeld Statelijke Actoren (DBSA) en het Cybersecuritybeeld Nederland, beide gepubliceerd door de NCTV. Daarnaast hebben de netbeheerders de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) bevraagd over risico's in dit aanbestedingstraject. In overleg met de netbeheerders en het Ministerie van Klimaat en Groene Groei heeft de AIVD in algemene zin het dreigingsbeeld, conform bovengenoemde analyses, geschetst op het concept van de nieuwe generatie slimme meter.
De nieuwe generatie slimme meters is opgebouwd uit verschillende hard- en softwarecomponenten en voor ieder van deze componenten geldt een ander risicoprofiel. De berichtgeving gaat over de meetmodule, een onderdeel van de slimme meter dat het elektriciteitsverbruik op digitale wijze meet. Zoals beantwoord in Kamerstuk 2025Z2274110, kent de elektriciteit meetmodule daardoor een laag risicoprofiel. Mede op basis van deze informatie hebben de netbeheerders maatregelen toegepast waarmee er geen ontoelaatbaar risico is. Het betreft mitigerende maatregelen ten aanzien van de energie- en productleveringszekerheid en dataveiligheid.
Heeft u in dit dossier geïntervenieerd of een toets gevraagd, aangezien in 2022 door het kabinet is gesteld dat de overheid bij een Nederlands project kan interveniëren als de nationale veiligheid in het geding is? Zo nee, waarom is dit niet als «veiligheidsdossier» behandeld?
Zie antwoord vraag 6.
Vindt u (slimme) energiemeters, gezien hun rol in netbeheer en gegevensverwerking, onderdeel van vitale infrastructuur of «kritieke ketencomponenten»? Welke definitie hanteert u, en wie beslist daarover?
Binnen de Aanpak Vitaal11 zijn door het kabinet processen binnen de energiesector aangemerkt als vitaal. Het betreft elektriciteit (transport, distributie en productie van elektriciteit op land en op zee) en gas (transport, distributie, productie, hervergassing en opslag van gas op land en op zee)12. Een vitaal proces is een proces waarvan uitval, verstoring of manipulatie tot dusdanig ernstige effecten kan leiden dat dit de nationale veiligheid kan schaden en daarmee maatschappelijke ontwrichting kan veroorzaken.
Binnen deze processen gelden de regionale netbeheerders als vitale aanbieders. De regionale netbeheerders Alliander, Enexis en Stedin verwerven gezamenlijk de nieuwe slimme meter. De netbeheerders hebben zelf de verantwoordelijkheid om de mate waarin een component kritiek is vast te stellen en daar ook rekening mee te houden bij hun verwervingstrategieën. De Minister van Klimaat en Groene Groei kan, indien nodig, de netbeheerders opdragen om maatregelen te treffen.
Netbeheer Nederland stelt dat het om een meetsensor zonder schakelaar of telecommunicatietechnologie gaat en dat audits niets hebben opgeleverd; welke audits waren dit (scope, frequentie, onafhankelijke partij, bevindingen) en kan de Kamer inzage krijgen?
De audit rapporten zijn vertrouwelijk omdat deze bedrijfsgevoelige informatie bevatten. De netbeheerders hebben contractueel vastgelegd deze concurrentiegevoelige informatie niet te delen.
Kunt u uitsluiten dat via deze componenten (direct of indirect) manipulatie van meetwaarden, (direct of indirect) aanvallen op de toeleveringsketen of ongeautoriseerde toegang tot meterdata mogelijk is? Zo nee, zijn er mitigatieplannen aanwezig door het Rijk dan wel de netbeheerders, die de risico’s zoveel als mogelijk beperken?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe borgt u dat burgers niet worden gedwongen een meter te accepteren waarvan de risico’s niet transparant zijn beoordeeld, aangezien de Energiewet per 1 januari 2026 is ingegaan en de vervanging van analoge meters verplicht maakt (meewerkingsplicht)?
Bij de vervanging van de laatste analoge meters wordt dit jaar en volgend jaar nog de huidige (5e generatie) slimme meter aangeboden en nog niet de nieuwe meter, aangezien de bestaande voorraad naar verwachting strekt tot in het najaar van 2027. Consumenten kunnen de vervanging van een oude analoge meter met de Energiewet niet meer weigeren, maar er zijn wel twee alternatieven als iemand bezwaar heeft tegen het op afstand uitlezen van de meter. Zo kan de communicatiefunctionaliteit van de slimme meter op verzoek van de afnemer worden uitgezet. Ook kan worden gekozen voor een zogeheten digitale meter. Beide meten verbruik en invoeding apart. Als consumenten hiervoor kiezen, moeten ze net als nu wel de meterstanden zelf blijven doorgeven aan de energieleverancier.
Welke aanbestedingsruimte hebben netbeheerders benut om leveringszekerheid, staatsinvloeden en cybersecurity als (uitsluitings)criteria te hanteren, en welke ruimte is volgens u onbenut gebleven?
Zoals beantwoord in Kamerstuk 2025Z2274113 is de slimme meter modulair ontworpen en is voor de afzonderlijke componenten een risicobeoordeling opgesteld. De beschikbare analyses en informatie zijn bij het opstellen van deze risicobeoordelingen meegenomen. De risicobeoordeling heeft geresulteerd in mitigerende maatregelen, waaronder die ten aanzien van productleveringszekerheid en dataveiligheid.
Daarnaast zijn de netbeheerders gehouden aan de nationale en Europese aanbestedingsregels. Ter verdere bevordering van de bescherming van vitale processen in de energiesector zijn in de nieuwe Energiewet – die sinds 1 januari van kracht is – regels opgenomen voor de bescherming van deze processen. Deze regels worden momenteel nader uitgewerkt in onderliggende regelgeving.
Zijn Europese leveranciers in dit traject aantoonbaar in staat geweest om mee te dingen en te leveren (volume/tijd), en kunt u de Kamer informeren welke Europese aanbieders zijn afgevallen en om welke redenen?
Ja, Europese aanbieders hebben zich kunnen inschrijven voor deze aanbesteding. De netbeheerders hebben – conform Europese aanbestedingsregels – dit onderdeel gegund middels een openbare aanbesteding. Er is geen restrictie geweest op deelname uit landen. Iedere aanbieder heeft kunnen inschrijven voor de selectiefase van de aanbesteding. Gekwalificeerde aanbieders konden in de gunningsfase van de aanbesteding een aanbieding doen.
Kandidaten kunnen niet openbaar gemaakt worden. Deze gegevens zijn bedrijfsvertrouwelijk en concurrentiegevoelig. De gegunde leveranciers bestaan uit Kaifa Technology Netherlands B.V. en Sagemcom Energy & Telecom SAS. Dit is weergegeven op Tenderned.14
Is onderzocht of sprake is van een abnormaal lage inschrijving (onder kostprijs) en/of een verstorend effect van staatssteun? Zo ja, wat was de uitkomst. Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Welke scenario’s zijn uitgewerkt voor het geval leveringen/onderhoud/updates vanuit China (tijdelijk) wegvallen door geopolitieke spanningen, en welke buffer/alternatieve leveranciers zijn (contractueel) geborgd?
Zoals beantwoord in Kamerstuk 2025Z2274115 zijn betrouwbare waardeketens voor vitale energie-infrastructuur essentieel voor het waarborgen van de leveringszekerheid en onze nationale veiligheid. Leveringszekerheid in de product waardeketen is één van de onderdelen van de risicoanalyse die is uitgevoerd door de netbeheerders. Om risico’s ten aanzien van de leveringszekerheid te mitigeren, is onder andere besloten voor elke hardware component in de slimme meter voor twee verschillende leveranciers te kiezen. Eén van de twee leveranciers dient afkomstig te zijn uit een land dat partij is bij de multilaterale Overeenkomst inzake overheidsopdrachten (Government Procurement Agreement – GPA).16 In dit geval betekent dit dat de meetmodule die Kaifa Technology levert, ook wordt geleverd door het Franse Sagemcom. Indien noodzakelijk kunnen de netbeheerders een beroep doen op de Franse leverancier om alle leveringen over te nemen en de dienstverlening te continueren. Dit houdt in dat, indien één van de partijen niet in staat is om te leveren, de andere partij over voldoende capaciteit beschikt om de levering tot 100% te continueren. Hierdoor is de leveringszekerheid van dit onderdeel geborgd. Voor dit leveranciersmodel is ook gekozen om de Europese productie van meetmodules te versterken en beschikbaar te houden.
Welke concrete artikelen en AMvB’s in de huidige Energiewet geven netbeheerders nu wél/geen handvatten om hoog-risico leveranciers te weren bij (digitale/slimme) meters, aangezien in 2022 het kabinet aangaf dat wijzigingen (o.a. mogelijkheid tot gebruik Aanbestedingswet Defensie en Veiligheid) in de Energiewet zouden landen?
Netbeheerders hebben op grond van de Energiewet de verplichting om de veiligheid en betrouwbaarheid van de netten en het transport over de netten op de meest doelmatige wijze te waarborgen. Daarnaast geldt de verplichting de netten te beschermen tegen invloeden van buitenaf. Dit is een wettelijke taak van netbeheerders.
De netbeheerders kunnen via drie kaders producten of diensten aanschaffen. Deze kaders hebben ieder in meer of mindere mate mogelijkheden om de veiligheid van de producten en diensten en daarmee de nationale veiligheid te waarborgen.17 Er zijn veiligheidsmaatregelen mogelijk in de Aanbestedingswet 2012 (AW2012), de Aanbestedingswet op Defensie en Veiligheidsgebied (ADV) en er kan gebruik gemaakt worden van het inroepen van artikel 346 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie.18
Om een veilige energietransitie te borgen, heeft het kabinet besloten de mogelijkheden voor de netbeheerders om veiligheidsmaatregelen te nemen uit te breiden en te uniformeren. Er wordt tevens verkend in hoeverre harmonisatie van bevoegdheden op termijn mogelijk en wenselijk is, met het oog op een meer uniforme en uitvoerbare systematiek. De nieuwe Energiewet creëert onder artikel 3.18 de bevoegdheid voor de Minister van Klimaat en Groene Groei om aanvullende eisen te stellen aan kritieke processen van de netbeheerders ter bescherming van de nationale veiligheid. Deze regels worden momenteel nader uitgewerkt in onderliggende regelgeving. Hierdoor wordt het voor de netbeheerders gemakkelijker om gebruik te maken van de veiligheidsmaatregelen in de hierboven beschreven wettelijke kaders.
Daarnaast heeft het Ministerie van Justitie en Veiligheid momenteel in de onderliggende conceptwetgeving van de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten en de Cyberbeveiligingswet, te weten het Besluit weerbaarheid kritieke entiteiten en het Cyberbeveiligingsbesluit, een artikel opgenomen waarbij entiteiten verplicht kunnen worden om bepaalde producten of diensten van specifieke leveranciers niet te gebruiken. De desbetreffende vakminister kan een dergelijke bevoegdheid inzetten – in overeenstemming met de Minister van Justitie en Veiligheid – indien dat noodzakelijk is om risico’s voor de nationale veiligheid te voorkomen, te beperken of te beheersen. De vakminister dient hiervoor een beoordelingskader te doorlopen en aan de hand daarvan te bepalen of er al dan niet sprake is van de noodzaak om de verplichting op te leggen.
Bent u bereid om zo spoedig mogelijk met een kader voor vertrouwde leveranciers voor vitale energiecomponenten (incl. meters) te komen, met heldere criteria (staatsinvloed, ketentransparantie, cybersecurity) en een toetsingsproces voor netbeheerders?
Zie antwoord vraag 16.
Het artikel ‘Woede om miljoenenorder: vier miljoen slimme meters komen straks uit China’ |
|
Peter de Groot (VVD), Eric van der Burg (VVD), Henk Jumelet (CDA), Felix Klos (D66), Jan Paternotte (D66), Derk Boswijk (CDA), Pieter Grinwis (CU) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving dat netbeheerders circa vier miljoen slimme meters gaan inkopen bij Chinese leveranciers? Zo ja, wat is uw oordeel hierover?1
Ja, ik ben bekend met deze berichtgeving. De berichtgeving gaat over de meetmodule, een onderdeel van de slimme meter dat alleen het elektriciteitsverbruik op digitale wijze meet. Deze meetmodule introduceert daarmee geen risico voor de leveringszekerheid van energie.
De verzending en de versleuteling van data naar de netbeheerders en de communicatie met andere apparaten loopt niet via deze meetmodule. De meetmodule bevat ook geen schakelaar en kan niet op afstand worden uitgeschakeld waardoor er geen effect is op de beschikbaarheid van energie. De leveranciers van het betreffende onderdeel en andere niet-geautoriseerde partijen kunnen niet meelezen met de data van de nieuwe generatie slimme meter. De veiligheid van de data wordt door de netbeheerders gewaarborgd door middel van encryptie en autorisaties. In de beantwoording van vraag 7, 8, 9 en 10 wordt dataveiligheid nader verdiept. Het kabinet is tegen deze achtergrond van oordeel dat de betreffende inkoop geen ontoelaatbaar risico vormt voor Nederlandse consumenten.
Welke afwegingen zijn gemaakt over de economische afhankelijkheid van China bij de keuze voor deze leveranciers?
Betrouwbare waardeketens voor vitale energie-infrastructuur zijn essentieel voor het waarborgen van de leveringszekerheid en onze nationale veiligheid. Leveringszekerheid in de product waardeketen is één van de onderdelen van de risicoanalyse die is uitgevoerd door de netbeheerders. Om risico’s ten aanzien van de leveringszekerheid te mitigeren, is onder andere besloten voor elke hardware component in de slimme meter voor twee verschillende leveranciers te kiezen. Eén van de twee leveranciers dient afkomstig te zijn uit een land dat partij is bij de multilaterale Overeenkomst inzake overheidsopdrachten (Government Procurement Agreement – GPA). Deze overeenkomst beoogt wederzijdse openstelling van overheidsopdrachten tussen deelnemende landen op basis van transparantie, non-discriminatie en rechtszekerheid. De Europese Unie onderhoudt met deze GPA-partijen structurele en wederkerige handelsrelaties die zijn gebaseerd op internationale afspraken, hetgeen bijdraagt aan een betrouwbare samenwerking binnen de publieke aanbestedingen.
In dit geval betekent dit dat de meetmodule die Kaifa Technology levert, ook wordt geleverd door het Franse Sagemcom. Indien noodzakelijk kunnen de netbeheerders een beroep doen op de Franse leverancier om alle leveringen over te nemen en de dienstverlening te continueren. Dit houdt in dat, indien één van de partijen niet in staat is om te leveren, de andere partij over voldoende capaciteit beschikt om de levering tot 100% te continueren. Hierdoor is de leveringszekerheid van dit onderdeel geborgd. Voor dit leveranciersmodel is ook gekozen om de Europese productie van meetmodules te versterken en beschikbaar te houden.
Voor de verschillende onderdelen van het systeem is een uitgebreide marktconsultatie gedaan. Voor de componenten die niet als risicovol beschouwd zijn, is gekozen voor maximale concurrentie om de maatschappelijke kosten zo laag mogelijk te houden.
Is onderzocht of voldoende capaciteit bestaat bij Europese of Nederlandse producenten om deze meters te leveren? Zo ja, wat zijn de uitkomsten?
Zie antwoord vraag 2.
Welke risicoanalyses zijn uitgevoerd met betrekking tot nationale veiligheid en cybersecurity bij het gebruik van slimme meters, die geproduceerd zijn door bedrijven gevestigd in China?
De netbeheerders hebben een risicoanalyse en onderzoek uitgevoerd. Hierbij is gebruik gemaakt van verschillende analyses, waaronder het Dreigingsbeeld Statelijke Actoren (DBSA) en het Cybersecuritybeeld Nederland, beide gepubliceerd door de NCTV. Daarnaast hebben de netbeheerders de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) bevraagd over risico's in dit aanbestedingstraject. In overleg met de netbeheerders en het Ministerie van Klimaat en Groene Groei heeft de AIVD in algemene zin het dreigingsbeeld, conform bovengenoemde analyses, geschetst op het concept van de nieuwe generatie slimme meter. Mede op basis van deze informatie hebben de netbeheerders maatregelen toegepast waarmee er geen ontoelaatbaar risico is.
De slimme meter is modulair ontworpen en voor de afzonderlijke componenten is een risicobeoordeling opgesteld. De beschikbare analyses en informatie zijn bij het opstellen van deze risicobeoordelingen meegenomen. De risicobeoordeling heeft geresulteerd in mitigerende maatregelen, waaronder die ten aanzien van productleveringszekerheid en dataveiligheid. Er is dus vooraf rekening gehouden met mogelijke risico's voor bijvoorbeeld de energie- en productleveringszekerheid en de dataveiligheid van consumenten bij het vormgeven van de aanbesteding.
Daarnaast zijn de netbeheerders gehouden aan de nationale en Europese aanbestedingsregels. Ter verdere bevordering van de bescherming van vitale processen in de energiesector zijn in de nieuwe Energiewet – die sinds 1 januari van kracht is – regels opgenomen voor de bescherming van deze processen. Deze regels worden momenteel nader uitgewerkt in onderliggende regelgeving.
Zijn er specifieke dreigingsanalyses voor mogelijke beïnvloeding van het energiesysteem (bijvoorbeeld verbruikscijfers manipuleren of storingen veroorzaken) wanneer apparaten in handen zijn van derde landen met potentiële tegenstellingen?
Zie antwoord vraag 4.
Hebben de AIVD, MIVD of NCTV hierover advies uitgebracht richting het kabinet of netbeheerders? Kunt u die adviezen openbaar maken of samenvatten?
Zie antwoord vraag 4.
Welke data worden precies verzameld door deze slimme meters en op welke frequentie (bijvoorbeeld per minuut, per uur)?
De netbeheerders houden zich aan de wettelijke voorschriften omtrent databeheer en privacy en zijn op grond van de Energiewet2 verplicht hun gegevens te beveiligen en te beschermen. De huidige circa 8 miljoen slimme meters voldoen aan de gestelde (technische) eisen in het Besluit op afstand uitleesbare meetinrichtingen (BOAUM), die gelden onder de Energiewet.3 Ook bij de nieuwe generatie slimme meter geven de netbeheerders uitvoering aan de eisen uit het BOAUM. In deze eisen is onder meer vereist dat de meters zodanig beveiligd zijn tegen fraude met, misbruik van of inbreuk op de meters dat een passend beveiligingsniveau is gegarandeerd. Hierbij moet rekening gehouden worden met de internationale stand van de techniek en de uitvoeringskosten.
Conform het BOAUM registreert de meter het actuele vermogen (in Watt) en per kwartier de meterstand. De netbeheerders lezen de meters maximaal één keer per dag uit, vaak in de nacht. De netbeheerder leest enkel datgene uit wat noodzakelijk is voor het functioneren van het elektriciteitssysteem in den brede, wat ook is vastgelegd in de Energiewet en onderliggende regelgeving. Onder de Energiewet4 is de netbeheerder bevoegd per aansluiting de kwartierstanden uit te lezen ten behoeve van de onbalansverrekening als onderdeel van de balanceringstaak van TenneT.
Naast het regime van de Energiewet geldt, voor zover het gaat om persoonsgegevens, ook de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Bij elke verwerking van persoonsgegevens geldt voor de netbeheerders dat deze verwerking rechtmatig moet zijn in het licht van de voorwaarden in artikel 6 AVG. Ten aanzien van de omgang met slimme meterdata voor de uitvoering van hun wettelijke taken hebben de netbeheerders de «Gedragscode Slim Netbeheer» opgesteld die in februari 2022 door de Autoriteit Persoonsgegevens is goedgekeurd.5
Wordt er onderscheid gemaakt tussen noodzakelijke data voor het energienetbeheer en privacygevoelige data? Zo ja, hoe worden die gescheiden?
Zie antwoord vraag 7.
Welke maatregelen zijn getroffen om te waarborgen dat gegevensuitwisseling volledig conform de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en EU-privacyregels verloopt?
Zie antwoord vraag 7.
Welke technische safeguards zijn ingebouwd om te voorkomen dat externe (buitenlandse) fabrikanten of andere externe partijen toegang krijgen tot het backend-systeem waarmee meters data uitwisselen?
Zoals hiervoor opgemerkt gelden voor de netbeheerders verplichtingen ten aanzien van gegevensbescherming en -beveiliging. Voor het uitlezen van de nieuwe generatie slimme meters wordt door de netbeheerders een centraal systeem opgezet. De netbeheerders ontwikkelen dit systeem zelf en maken daarbij geen gebruik van buitenlandse fabrikanten, om de veiligheid van de data te waarborgen. De veiligheid van de data wordt door de netbeheerders gewaarborgd door middel van encryptie.
Is er nog een mogelijkheid dat de Rijksoverheid ingrijpt en deze aanbesteding terugdraait, indien blijkt dat de veiligheid teveel in het geding komt?
Het waarborgen van productleveringszekerheid en nationale veiligheid is voor het kabinet van groot belang. De beoordeling van de netbeheerders dat de meetmodule een laag risicoprofiel kent, in combinatie met de genomen mitigerende maatregelen passend bij dit risicoprofiel, resulteert erin dat het kabinet vanuit veiligheidsoverwegingen op dit moment geen reden ziet om in te grijpen bij deze aanbesteding. Indien het kabinet in de toekomst risico’s vaststelt voor de nationale veiligheid of leveringszekerheid zal het maatregelen treffen om een dergelijk risico te mitigeren.
Het bericht ‘Misbruik via de plof-bv: kinderlijk eenvoudig en niemand krijgt er vat op’ |
|
Jeltje Straatman (CDA) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel in het FD: «Misbruik via de plof-bv kinderlijk eenvoudig en niemand krijgt er grip op»?1
Ja, ik heb kennisgenomen van dit artikel.
Was het risico dat turboliquidaties gebruikt kunnen worden als verdwijningstruc voor fraudeurs bij introductie van het voorstel voorzien? Zo ja, waarom is dit risico destijds ingeschat als acceptabel?
De wetgever heeft het wenselijk geacht dat lege, inactieve rechtspersonen op eenvoudige wijze konden worden beëindigd. De turboliquidatie is ingevoerd om dit mogelijk te maken.2 In de praktijk heeft de turboliquidatieregeling ruimte geboden aan bonafide ondernemers om betrekkelijk snel en eenvoudig naar de beëindiging van hun onderneming toe te werken, door (voorafgaand aan de ontbinding) alles van waarde te verkopen en met de opbrengst daarvan de schulden zoveel mogelijk af te lossen. Tegelijkertijd heeft de regeling zorgen doen ontstaan over misbruik door kwaadwillenden, met name als er schulden achterblijven.3 Er zijn minder procedurele waarborgen dan bij een gewone, maar kostbaardere en langere faillissementsprocedure. Dit risico werd dus onderkend en er werd ingezien dat de regeling verbetering behoefde,4 ook al is de aard en omvang van mogelijk misbruik niet precies vast te stellen. Deze verbetering kreeg urgentie toen de Minister voor Rechtsbescherming in 2022 in verband met de gevolgen van de COVID-19 pandemie voor het bedrijfsleven een mogelijke toename in bedrijfsbeëindigingen verwachtte. Dit heeft geleid tot de Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie met een aantal additionele maatregelen. Zo moet het bestuur van de ontbonden rechtspersoon een financiële verantwoording opstellen en deponeren bij het handelsregister. Hierdoor kunnen schuldeisers beter beoordelen of de regeling correct is toegepast. Bestuurders kunnen verder een bestuursverbod krijgen, onder meer als zij niet aan de genoemde verantwoordingsverplichting hebben voldaan of doelbewust één of meer schuldeisers aanmerkelijk hebben benadeeld, bijvoorbeeld door frauduleus handelen.5
Deelt u de mening dat er geen volledig beeld is van de omvang van het misbruik van turboliquidaties? Zo ja, waarom? Zo nee, kunt u het volledige beeld delen met de Kamer?
Ik deel deze mening. Uit de praktijk volgt dat misbruik zich voordoet, maar de omvang hiervan is lastig vast te stellen. De reden hiervoor is dat het, vanwege het beperkte inzicht in de financiële stukken van een rechtspersoon, achteraf moeilijk is om te bepalen of bestuurders frauduleus hebben gehandeld.
Waarom zijn de negatieve signalen, zoals 1. dat de helft van degenen die gebruik maken van turboliquidaties, jarenlang of nooit een jaarrekening deponeerden, ondanks dat dit verplicht is, 2. dat de helft van de ontbindingen te laat zijn gemeld bij de Kamer van Koophandel of 3. dat de opheffing gebeurde met terugwerkende kracht, niet eerder boven tafel gekomen? Waarom is er niet eerder op deze signalen geacteerd?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, waren er in het verleden diverse signalen van misbruik van de turboliquidatieregeling. Om deze reden zijn er met de Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie diverse maatregelen doorgevoerd, waaronder de aangescherpte verantwoordingsplicht, de mogelijkheid voor schuldeisers om bij niet-naleving van deze verplichting inzicht te krijgen in de administratie van de ontbonden rechtspersoon en aangescherpte sancties, zoals de mogelijkheid tot oplegging van een civielrechtelijk bestuursverbod bij het niet voldoen aan de deponeringsverplichting.
De Staatssecretaris Rechtsbescherming heeft het WODC-onderzoek naar de effecten van deze wet op 12 augustus 2025 aan uw Kamer aangeboden.6 In deze brief heeft de Staatssecretaris toegelicht welke verbeteringsmogelijkheden de onderzoekers signaleren en dat zij concluderen dat de Tijdelijke wet bij naleving hiervan bijdraagt aan meer transparantie en in mindere mate bijdraagt aan het voorkomen van misbruik.
In reactie op het onderzoek is de looptijd van de Tijdelijke wet verlengd tot 15 november 2027. De Staatssecretaris Rechtsbescherming heeft daarnaast een wetgevingstraject aangekondigd om de voorzieningen uit de Tijdelijke wet permanent in te voeren. Bij dit wetgevingstraject worden de bevindingen uit het onderzoeksrapport betrokken en zal worden bezien welke aanpassingen van de regeling wenselijk zijn, ook in het licht van het verrichte evaluatieonderzoek. Het streven is om in het tweede kwartaal van dit jaar een nadere, inhoudelijke beleidsreactie op het onderzoek met uw Kamer te delen.
Wat is er nodig om het toezicht op het bij een turboliquidatie verplicht deponeren van extra documenten te intensiveren zodat er inzicht ontstaat over de omvang van het probleem en zodat er gehandhaafd en opgetreden kan worden, aangezien het eerste bestuursverbod wegens foute turboliquidatie nog uitgedeeld moet worden?
De handhaving van de verantwoordingsplicht is de taak van Bureau Economische Handhaving (dat onderdeel was van de Belastingdienst en verder gaat onder de naam DFEI (Dienst financieel-Economische Integriteit) als onderdeel van het kerndepartement Financiën). Zoals in reactie op vraag 4 is aangegeven, zal in het kader van het nieuwe wetgevingstraject worden bezien welke aanpassingen van de regeling wenselijk zijn. Hieronder valt ook de handhaving van de verantwoordingsplicht. Voor wat betreft de verlengde duur van de tijdelijke wet zal het huidige budget en de huidige capaciteit in het toezicht moeten voorzien.
Wanneer is het rapport van het in 2019 gelastte onderzoek naar de omvang van het misbruik bij turboliquidaties gereed? Zal dit rapport enkel constateringen of ook oplossingsrichtingen bevatten?
Het onderzoek is op eigen initiatief door de Belastingdienst uitgevoerd. Het rapport wordt op korte termijn openbaar gemaakt en door de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane met uw Kamer gedeeld. Het rapport bevat voornamelijk bevindingen en aanbevelingen uit de (tussen)rapportage, die al in 2025 openbaar gemaakt is. Een aantal aanbevelingen, bijvoorbeeld, maar niet uitsluitend, het aanpassen van de opleiding voor nieuwe en huidige medewerkers en het opnemen van signalen in de invorderingssystemen, heeft de Belastingdienst uitgevoerd. Enkele aanbevelingen worden momenteel nog uitgewerkt binnen de Belastingdienst en zullen daarna worden geïmplementeerd.
Hoe kijkt u naar de wetsbepaling die in Duitsland bestaat die ondernemers dwingt om bij betalingsonmacht hun eigen faillissement aan te vragen? Zou een dergelijke wetsbepaling een onderdeel van de oplossing van het probleem kunnen zijn?
Ik vind dat we ondernemers in financiële problemen moeten stimuleren om tijdig maatregelen te nemen om deze problemen op te lossen. Bij tijdig ingrijpen wordt in de regel de schade voor schuldeisers beperkt, bijvoorbeeld wanneer met hen een akkoord kan worden gesloten over een financiële herstructurering. Bedrijfsbeëindiging kan in zo’n situatie ook een reële mogelijkheid zijn. Dit kan op verschillende manieren. Turboliquidatie biedt hiervoor een laagdrempelige mogelijkheid en brengt minder kosten met zich dan een faillissement. Dat is een voordeel, want hoe lager de kosten zijn, hoe meer er onder de schuldeisers kan worden verdeeld.
Een verplichting voor bestuurders om in geval van ernstige financiële problemen het faillissement van de onderneming aan te vragen maakt onderdeel uit van het recente richtlijnvoorstel tot harmonisering van het materiële insolventierecht (een «duty to file»).7 Nederland was hier kritisch op, omdat het moeilijk is om te bepalen wanneer zo’n verplichting geldt en zo’n plicht een aanzienlijk aansprakelijkheidsrisico in het leven zou roepen voor goedwillende ondernemers. Bovendien zijn er in Nederland al voldoende mogelijkheden om bestuurders aan te spreken indien zij op onrechtmatige wijze schuldeisers benadelen.8 Mede door de Nederlandse inzet bevat de richtlijn niet alleen een duty to file,9 maar ook twee alternatieven.10 Die alternatieven zijn11 een mogelijke verplichting voor ondernemers in financiële moeilijkheden om transparant te zijn naar schuldeisers en12 een mogelijke verplichting om andere maatregelen te treffen waarvan verwacht mag worden dat ze een vergelijkbaar niveau van schuldeisersbescherming bieden. Dit biedt de nodige flexibiliteit die Nederland wilde behouden voor reddingspogingen van ondernemingen die in potentie levensvatbaar zijn.
Tijdens de implementatie zal worden bezien op welke wijze aan de nieuwe verplichtingen van de richtlijn gevolg en invulling zal worden gegeven. De verwachting is dat de richtlijn in de loop van 2026 formeel in werking treedt, waarna de implementatietermijn gaat lopen.
De nieuwe fiscale regeling om medewerkersparticipatie voor startups en scale-ups te stimuleren |
|
Inge van Dijk (CDA), Maes van Lanschot (CDA) |
|
Heijnen , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat in de beoogde regeling bij een IPO met lock-up voorwaarden er pas na afloop van de lock-up periode fiscaal afgerekend hoeft te worden (Kamerstuk 32 140, nr. 285)?
Ja, het is beoogd dat in de nieuwe fiscale regeling bij een beursgang rekening wordt gehouden met bepalingen die ervoor zorgen dat de aandelen tijdelijk nog niet verhandelbaar zijn, zoals een lock-up. Hierbij wordt ook beoogd een maximale periode te hanteren om onbedoeld gebruik en misbruik uit te sluiten.
Hoe geldt dit voor een reguliere bedrijfsverkoop die non-cash is (bijvoorbeeld een aandelenruil) of op een earn-out regeling gebaseerd is?
Het kabinet wil een aantrekkelijke en internationaal concurrerende regeling introduceren, een wens die ook door uw Kamer is geuit. Daarnaast is het belangrijk dat de Belastingdienst de fiscale regeling effectief kan handhaven. De exacte vormgeving van de fiscale regeling is op dit moment nog niet volledig uitgewerkt. Bij de vormgeving van de fiscale regeling wordt met dit soort situaties zo veel als mogelijk rekening gehouden. Daarbij heeft het kabinet oog voor de voorkoming van liquiditeitsknelpunten.
Hoe voorkomt het kabinet dat de aanbiedingsplicht van een individuele werknemer een blokkade wordt bij een beoogde overname van alle aandelen in de start / scale-up door een derde partij?
Het kabinet wil dit mogelijke knelpunt juist ondervangen. Door de aanbiedingsplicht is de (ex)-werkgever in staat om de aandelen terug te kopen. Dit helpt ook in het geval van een eventuele overname. Daarnaast zijn in optieplannen vaak drag-along bepalingen opgenomen waardoor minderheidsaandeelhouders worden gedwongen om mee te verkopen bij een overname.
Bij verlopen van de status wordt teruggevallen op de bestaande regeling, waarin belastingheffing uiterlijk plaatsvindt bij verhandelbaarheid van aandelen, valt een beperkte interne verkoop-ronde ook onder de definitie van deze regeling?
In de praktijk zal het moment van de verhandelbaarheid en de verkoop van de aandelen vaak dicht bij elkaar liggen. Aansluiten bij het moment van verhandelbaarheid zal dus niet vaak leiden tot een knelpunt. Bij het heffingsmoment wordt tijdsevenredig rekening gehouden met de belastingkorting. Het begrip verhandelbaarheid is uitgewerkt in artikel 10a van de Wet op de loonbelasting 1964, zoals gewijzigd per 2023, met het doel om voor startups en scale-ups zoveel mogelijk liquiditeitsknelpunten weg te nemen.
Hieruit volgt dat wordt verstaan onder het verhandelbaar worden van de bij uitoefening verkregen aandelen: het eerste moment waarop de betreffende werknemer de mogelijkheid heeft deze aandelen te vervreemden. Dat is niet alleen het geval wanneer de aandelen aan een willekeurige derde verkocht kunnen worden, maar ook wanneer de aandelen slechts aan een selecte groep verkocht kunnen worden zoals aan andere personen die binnen de onderneming werkzaam zijn.1
Hoe mitigeert het kabinet het liquiditeitsrisico voor medewerkers bij het verlopen van de status (met bijvoorbeeld een betalingsregeling)?
Indien de startup status vervalt, betalen medewerkers belasting op het moment dat zij ook daadwerkelijk in staat zijn om hun belasting te betalen (moment van verhandelbaarheid). In de meeste gevallen zal dit moment samenvallen met het moment waarop liquide middelen beschikbaar zijn om de verschuldigde belasting te betalen. Een specifieke betalingsregeling voor dergelijke gevallen acht het kabinet daarmee niet noodzakelijk.
Bent u bekend met het artikel «Ronald Plasterk: dat een ngo dit durft te doen, tekent de enorme macht van deze organisaties in Brussel» van 18 december 2025?1
Ja.
Bent u ook bekend met het speciaal verslag van de Europese Rekenkamer van 11/2025, getiteld «Transparantie van aan ngo’s toegekende EU-financiering – Ondanks vooruitgang nog steeds geen betrouwbaar overzicht»?2
Ja.
Bent u voorts bekend met de website ngotransparency.eu waarop een van de Europese Commissie verkregen database is geopenbaard over financiering van ngo’s in de Europese Unie, waaronder ook in Nederland?
Ja.
Klopt het dat deze subsidies worden verstrekt op basis van contracten en werkprogramma’s waarin concrete activiteiten zijn vastgelegd, waaronder lobby richting Europese instellingen, politieke fracties en nationale politieke partijen. En klopt het dat deze contracten en werkprogramma’s niet openbaar zijn?
Organisaties die subsidiegelden benutten stellen bij aanvraag van subsidie zelfstandig hun werkprogramma’s op aan de hand van gestelde toetsingscriteria. Er is dus geen sprake van dat de Europese Commissie bepaalt (op welke wijze) belangenbehartiging plaatsvindt bij bepaalde partijen.
Op grond van EU-wetgeving worden programma’s vastgesteld voor de duur van ieder meerjarig financieel kader. Deze programma’s zijn openbaar. Informatie daarover is te vinden op het EU Funding & Tenders Portal. Deze programma’s worden uitgevoerd door middel van werkprogramma’s. Deze worden door de Europese Commissie vastgesteld via comitologie en zijn ook openbaar. De contracten die met ngo’s worden gesloten zijn niet openbaar, dat is ook niet verplicht. Wel moeten belangenvertegenwoordigers die geen commerciële belangen vertegenwoordigen, waaronder doorgaans ngo’s, hun lobbyactiviteiten melden in het EU-transparantieregister. Hiernaast is de Europese Commissie volgens het Financieel Reglement van de Unie verplicht om het Europees parlement en de Raad op hun verzoek een verslag te sturen met informatie over subsidies, waaronder het aantal aanvragers van subsidies, het aantal subsidies en de betrokken bedragen van het voorgaande begrotingsjaar.3
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat belastinggeld wordt gebruikt om organisaties te financieren die tot doel hebben politieke besluitvorming te beïnvloeden?
De Europese Commissie gebruikt subsidieverstrekking om bepaalde EU-beleidsdoelstellingen te verwezenlijken. Ook maatschappelijke organisaties kunnen zich aanmelden voor deze subsidies. Afhankelijk van de beleidsdoelen en de daarvoor opgezette instrumenten kan beleidsbeïnvloeding een subsidiabele activiteit zijn. Wanneer dit soort activiteiten niet subsidiabel is, kunnen organisaties uiteraard wel uit eigen middelen aan beleidsbeïnvloeding doen. Het kabinet acht het onwenselijk dat overheidsgeld dat is bedoeld voor ontwikkelingshulp wordt gebruikt voor de financiering van beleidsbeïnvloeding in Nederland.
Bent u bereid te onderzoeken welke EU-financiering aan in Nederland gevestigde en/of werkzame ngo’s is verstrekt en wat er voor die bedragen concreet is gedaan, welke activiteiten daarmee zijn gefinancierd en in hoeverre deze activiteiten gericht waren op politieke beïnvloeding? Zo nee, waarom niet?
In het financiële transparantieregister van de EU staan de ontvangers per fonds en per land opgenomen. Het kabinet houdt zelf geen overzicht bij van in Nederland gevestigde en/of werkzame ngo’s die subsidies van de Europese Commissie ontvangen en is ook niet voornemens dat te doen. De Europese Commissie heeft een eigenstandige verantwoordelijkheid om subsidieovereenkomsten aan te gaan met maatschappelijke organisaties. De Europese Commissie dient daarbij, naast de afspraken over transparantie, de voorwaarden en doelstellingen van het betreffende fonds en van het Financieel Reglement van de Unie in acht te nemen.
Bent u bereid bij de Europese Commissie volledige transparantie over EU-financiering van NGO’s te eisen, inclusief alle contracten, werkprogramma’s, lobbyactiviteiten en daarbij ook de rol van de Nederlandse Eurocommissaris te onderzoeken, zo nodig via een extern onafhankelijk bureau? Zo nee, waarom niet?
Transparantie en verantwoording over subsidies en belangenbehartiging zijn essentieel om het vertrouwen van burgers in de Unie te behouden. Het Europees parlement en de Europese Commissie hebben in 2011 het EU-transparantieregister ingesteld door middel van een interinstitutioneel akkoord. De Raad is in 2021 toegetreden tot dit akkoord. Het kabinet is hier voorstander van en heeft zich hiervoor ingezet. Het akkoord biedt een kader voor een transparante en integere interactie tussen de EU-instellingen en belangenvertegenwoordigers. De EU-instellingen hebben zich gecommitteerd alleen bepaalde interacties met belangenvertegenwoordigers aan te gaan wanneer deze zijn ingeschreven in het register. Het kabinet heeft op het moment geen signalen dat geldende transparantie- en lobbyregels zijn overtreden en ziet dan ook geen noodzaak om nadere informatie op te vragen.
Deelt het kabinet de mening dat dit deze praktijken haaks staan op artikel 11 VEU, aangezien het (lid 1) niet de vertegenwoordigers zijn die hún mening geven maar de Europese Commissie is die háár mening geeft, en dit voorts (lid 2) niet open en transparant gebeurt?
Zie het antwoord op vraag 4.
Hoe verhouden deze door de Europese Commissie gesubsidieerde lobby-praktijken ter beïnvloeding van het politieke (beleidsvórmings-)proces zich tot artikel 317 VWEU?
Zie het antwoord op vraag 6.
Wat vindt u ervan dat de Europese Commissie telkens anderen (EU-lidstaten maar ook derde-landen) de maat neemt over transparantie, democratie en «rule of law», terwijl zij zelf alle regels aan haar laars lapt, mede gezien alle recent bekend geworden corruptieschandalen? Wat gaat u doen om de Europese Commissie tot de orde te roepen en een toontje lager te laten zingen?
Het kabinet hecht waarde aan het waarborgen van integriteit van de instellingen om het vertrouwen van burgers in de EU te behouden. Het is belangrijk om daarover afspraken te maken tussen EU-instellingen. Nederland maakt zich daarom hard voor het snel voltooien van het interinstitutioneel orgaan voor ethiek (Ethics Body). Het kabinet zet zich in om het orgaan zo effectief mogelijk te maken. Bijvoorbeeld door te onderzoeken hoe het orgaan ook instellingen kan aansporen om anti-corruptietrainingen aan te bieden. Zoals in bovenstaande antwoorden aangegeven, is Nederland ook voorstander van initiatieven zoals het in 2011 ingestelde EU-transparantieregister, op basis van een interinstitutioneel akkoord tussen Europees parlement en de Europese Commissie, en sinds 2021 de Raad. Ook zet Nederland zich in voor opvolging van de aanbevelingen van de Europese Ombudsman uit 2024 over het verbeteren van de werking van dit EU-transparantieregister.
De aangekondigde tegenreactie van de Verenigde Staten gericht op Europese techbedrijven |
|
Tom van der Lee (GL), Laurens Dassen (Volt), Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Vincent Karremans (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «VS dreigen met wraak om EU-acties tegen Amerikaanse techbedrijven»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de aankondiging dat de Verenigde Staten tegenmaatregelen wil nemen tegen de zogenaamde «discriminatie» van Amerikaanse techbedrijven in de Europese Unie?
Europese digitale wetgeving geldt voor alle bedrijven die actief zijn in de EU, ongeacht hun vestigingsplaats. Van ongelijke behandeling van Amerikaanse bedrijven is dus geen sprake. Mogelijke tegenmaatregelen vanwege vermeende ongelijke behandeling, inclusief mogelijke maatregelen gericht op Europese techbedrijven, ziet dit kabinet als onterecht.
Is deze aankondiging, naast in een publieke tweet op X, ook formeel overgebracht aan de Europese Commissie of aan afzonderlijke lidstaten? Zo ja, wanneer werd u hiervan op de hoogte gesteld?
Voor zover bekend is de aankondiging om tegenmaatregelen te nemen tegen Europese techbedrijven, naast het bericht van de United States Trade Representative (USTR) op X, niet formeel overgebracht aan de Europese Commissie of aan afzonderlijke lidstaten.
Heeft u contact gehad met de bedrijven die in de tweet van de vertegenwoordiger van de Verenigde Staten worden genoemd? Wat is uw boodschap richting deze Nederlandse en Europese bedrijven?
In zijn algemeenheid heeft het kabinet geregeld contact met Nederlandse en Europese bedrijven. Onze boodschap is dat het kabinet blijft staan achter de Europese digitale regels die zorgen voor een veilige, eerlijke en gelijkwaardige concurrentie tussen bedrijven en de handhaving daarvan. De EU stelt zelf de regels op voor diensten die in de Unie worden aangeboden en handhaaft deze regels ook. Eventuele tegenacties tegen Nederlandse en Europese bedrijven zal het kabinet volgen en uiteraard zal het kabinet daarbij in gezamenlijkheid met de Europese Commissie en lidstaten opkomen voor hun belangen.
Deelt u de opvatting van de indieners dat de waarschuwing van de Verenigde Staten past in een bredere strategie om de Europese Unie onder druk te zetten om digitale wet- en regelgeving af te zwakken?
De positie van de VS ten aanzien van Europese digitale wet- en regelgeving is bij ons bekend. Het is daarom van belang om actief in gesprek te blijven met de VS en Amerikaanse techbedrijven over het belang (van naleving) van digitale wet- en regelgeving voor zover het de diensten betreft die in Unie worden geleverd, en om te proberen om zorgen over vermeende ongelijke behandeling van Amerikaanse techbedrijven weg te nemen.
Hoe geeft u, in het licht van de druk uit de Verenigde Staten, uitvoering aan de motie-Kathmann die verzoekt om ondubbelzinnig aan te dringen op de maximale naleving, handhaving en versteviging van regelgeving van grote onlineplatforms?2
Het kabinet zet zich binnen de EU actief in om de Commissie te ondersteunen in het daadkrachtig optreden in haar rol als toezichthouder voor zeer grote onlineplatforms en zeer grote onlinezoekmachines. Tevens heeft Nederland begin vorig jaar met tien andere lidstaten een brief gestuurd aan de Commissie waarin wordt gevraagd volledig gebruik te maken van de handhavingscapaciteiten van de Digital Services Act (DSA). Er is ook gesproken met Eurocommissaris Virkkunen, die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de DSA en de Digital Markets Act (DMA). Tijdens dit gesprek is, in lijn met de motie Kathmann, aandacht gevraagd voor het belang van naleving van, en handhaving op de zeer grote onlineplatforms en de zeer grote onlinezoekmachines, ongeacht waar ze vandaan komen. Inmiddels heeft de Commissie ook daadwerkelijk handhavingsbesluiten genomen wegens overtredingen van de DMA respectievelijk de DSA. Op nationaal niveau geldt dat dat de bevoegde toezichthouders, de Autoriteit Consument en Markt (ACM) en de Autoriteit Persoonsgegevens (AP), hun taken onafhankelijk uitvoeren. Wel blijft het kabinet in gesprek met zowel de Europese Commissie als de nationale toezichthouders, volgt het kabinet hun werkzaamheden, en biedt het kabinet waar mogelijk en nodig ondersteuning.
Hoe geeft u tevens uitvoering aan de motie-Kathmann/Dassen die verzoekt om aanvullende Nederlandse voorwaarden te stellen in de onderhandelingen over de Digitale Omnibus?3 Hoe voorkomt u dat de druk van de Verenigde Staten leidt tot aanvullende afzwakkingen van wet- en regelgeving in de Digitale Omnibus?
De EU gaat over haar eigen wet- en regelgeving. In het kader van de simplificatie-agenda werkt de EU aan het verminderen van onnodige regelgeving. Dit doet het kabinet waar mogelijk en nodig om de Europese concurrentiepositie te versterken, niet om concessies te doen aan derde landen. De Kamer is middels een BNC-fiche geïnformeerd over de positie van het kabinet ten aanzien van de digitale omnibus.4
Bent u bereid om, samen met andere EU-lidstaten, erop aan te dringen dat digitale wet- en regelgeving onder geen enkele voorwaarde wordt afgezwakt of vertraagd naar aanleiding van druk uit de Verenigde Staten?
Zie antwoord op vraag 7. Daarbij vindt het kabinet dat aanpassing van regelgeving onder druk van derde landen niet moet gebeuren. Aanpassing van regelgeving is gerechtvaardigd wanneer regelgeving ook bedrijven onnodig of disproportioneel in de weg kan zitten, wat zeer noodzakelijke investeringen in de EU en daarmee samenhangende economische groei kan belemmeren.
Komt er een officiële en eenduidige Europese reactie op dit dreigement van de Verenigde Staten? Zo ja, wanneer wordt deze geformuleerd?
Een officiële gezamenlijke Europese reactie op de aankondiging op X om tegenmaatregelen te nemen gericht op Europese techbedrijven is (vooralsnog) niet voorzien. Wel heeft de Europese Commissie op 24 december 2025 een publiek statement gepubliceerd, waarin zij de visa-restricties afkeurt die de VS heeft opgelegd aan een vijftal Europeanen vanwege beschuldigingen van censuur, waaronder voormalig Eurocommissaris Thierry Breton.5 Ook dit kabinet en andere individuele Europese leiders, hebben hun zorgen uitgesproken en de actie veroordeeld.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
Het artikel ‘Hoe de nikkelhandel via Rotterdam Poetins oorlogskas vult en China aan kritieke metalen helpt’ |
|
Derk Boswijk (CDA), Felix Klos (D66) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Vincent Karremans (VVD), Aukje de Vries (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Hoe de nikkelhandel via Rotterdam Poetins oorlogskas vult en China aan kritieke metalen helpt», waarin wordt beschreven dat de blijvende betrokkenheid van Nederlandse bedrijven bij de import en doorvoer van Russische nikkel en koper direct bijdraagt aan de Russische staatsinkomsten en oorlogseconomie?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat Nederland en andere lidstaten van de Europese Unie, door Russische nikkel- en koperimport niet te sanctioneren, Rusland jaarlijks met miljarden euro’s aan exportinkomsten blijven voorzien, terwijl Rusland een agressieoorlog voert tegen Oekraïne?
In reactie op de Russische agressie tegen Oekraïne heeft de Europese Unie tot op heden negentien omvangrijke sanctiepakketten aangenomen, waarbij Nederland steeds een voortrekkersrol gespeeld heeft. Als gevolg van deze sancties is in het derde kwartaal van 2025 de totale import van de EU uit Rusland met 89% afgenomen ten opzichte van het vierde kwartaal van 2021. Hiermee loopt Rusland reeds zeer veel inkomsten mis. Op bepaalde producten, zoals nikkel en koper, gelden inderdaad nog geen EU-sancties. Het kabinet onderzoekt voortdurend de mogelijkheid van sanctie-uitbreiding waarbij in principe alle opties op tafel liggen. Hiervoor is wel steeds voldoende draagvlak binnen de EU vereist.
Deelt u de mening dat dit het imago van Nederland en de Europese Unie, evenals de geloofwaardigheid van onze inzet ter ondersteuning van Oekraïne, ondermijnt?
Het kabinet twijfelt niet aan de geloofwaardigheid van de zeer substantiële inzet van Nederland en de Europese Unie ter ondersteuning van Oekraïne.
Ziet u mogelijkheden om, in navolging van de Verenigde Staten (VS) en het Verenigd Koninkrijk (VK), in EU-verband de import van Russisch nikkel en koper alsnog aan banden te leggen, bijvoorbeeld door Russische producenten zoals Norilsk Nickel op EU-sanctielijsten te plaatsen? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet? En waarom kunnen de VS en het VK dit wél?
Het kabinet onderzoekt voortdurend de mogelijkheden om de sancties tegen Rusland te verzwaren en spant zich hier in EU-verband actief voor in. Harmonisatie van sancties met G7-partners als VS en VK hebben hierbij bijzondere aandacht van het kabinet. Randvoorwaarde hierbij is dat voor EU-sancties unanimiteit vereist is. Het is niet in het belang van de Nederlandse onderhandelingspositie om in meer detail in te gaan op de besprekingen die hierover binnen de EU gevoerd worden.
Hoe beoordeelt u het feit dat voor het vervoer van Russisch nikkel naar Nederland gebruik wordt gemaakt van schimmige constructies met ondoorzichtige eigendomsstructuren en recent opgerichte rederijen, terwijl de daaropvolgende opslag, doorvoer en herexport vanuit Nederland volledig legaal plaatsvinden?
Het kabinet acht het onwenselijk wanneer handel plaatsvindt via ondoorzichtige eigendomsstructuren, mede omdat dit risico’s op sanctie-ontwijking, witwassen en fraude kan vergroten. Waar er signalen zijn van mogelijke overtredingen is het aan de bevoegde autoriteiten om onderzoek te doen en zo nodig handhavend op te treden.
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat Nederlandse bedrijven direct en indirect bijdragen aan het in stand houden van mondiale waardeketens die deze lucratieve export mogelijk maken, en daarbij zelf financieel profiteren van handel die bijdraagt aan de voortzetting van de Russische agressie tegen Oekraïne?
Het kabinet deelt de mening dat het onwenselijk is dat Nederlandse bedrijven bijdragen aan waardeketens die inkomsten genereren voor Rusland. Daarom spant het kabinet zich voortdurend in voor het verzwaren van de EU-sancties tegen Rusland, opdat dergelijke activiteiten verboden worden. Voor wat betreft ongesanctioneerde handel met Rusland geldt dat deze weliswaar legaal is, maar dat het kabinet deze niet stimuleert doordat het alle handelsbevordering met Rusland gestaakt heeft. Daarnaast roept het kabinet bedrijven op zich waar mogelijk terug te trekken uit Rusland.
Heeft u deze bedrijven daarop aangesproken?
Het kabinet doet geen uitspraken over contacten met individuele bedrijven. Wel wordt in brede zin met sectoren en relevante partijen gesproken over sanctienaleving, risico’s op ontwijking en de maatschappelijke verantwoordelijkheid van ondernemingen.
Ziet u mogelijkheden om werk te maken van het verbieden of beperken van de herexport van Russische metalen vanuit Nederland of de Europese Unie naar landen buiten de EU? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet onderzoekt voortdurend de mogelijkheden om de sancties tegen Rusland te verzwaren en spant zich hier in EU-verband actief voor in. Randvoorwaarde hierbij is dat voor EU-sancties unanimiteit vereist is. Het is niet in het belang van de Nederlandse onderhandelingspositie om in meer detail in te gaan op de besprekingen die hierover binnen de EU gevoerd worden.
Wilt u deze vragen één voor één, op zo kort mogelijke termijn beantwoorden?
Ja.
Naheffingen verbruiksbelasting. |
|
Arend Kisteman (VVD), Wendy van Eijk-Nagel (VVD) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat ondernemers die voedingssupplementen in poedervorm produceren recent bericht hebben ontvangen van de Douane met de mededeling dat zij met terugwerkende kracht (vanaf 2020) alsnog verbruiksbelasting zijn verschuldigd1?
Vanwege de fiscale geheimhoudingsplicht2 en mogelijk lopende procedures kan ik niet op individuele gevallen ingaan, wel kan ik in het algemeen het volgende antwoorden.
De Douane is een uitvoeringsorganisatie en handhaaft de juiste toepassing van geldende wet- en regelgeving, onder meer op het gebied van de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken. Voor de handhaving kan de Douane onder andere administratieve controles inzetten. Met dergelijke administratieve controles wordt aan de hand van de administratie gecontroleerd of belanghebbende zich in een vooraf bepaalde controleperiode aan de in die periode geldende wet- en regelgeving heeft gehouden.
Uit een administratieve controle kan blijken dat in het verleden niet is voldaan aan de destijds geldende wet- en regelgeving. Wanneer dat het geval is, kan de Douane naheffingen opleggen voor de in het verleden liggende controleperiode.
Op basis van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan de inspecteur de te weinig geheven belasting naheffen.3 Dat betekent kort gezegd dat de belasting die te weinig is afgedragen, alsnog moet worden voldaan. De bevoegdheid tot naheffing vervalt vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan of de teruggaaf is verleend.4 In het jaar 2025 kan er dus een naheffing worden opgelegd over belasting die een belanghebbende was verschuldigd in het kalenderjaar 2020. Het op deze manier uitvoeren van administratieve controles is zeer gebruikelijk. Belasting wordt uiteraard alleen nageheven als blijkt dat een belanghebbende niet aan wet- en regelgeving heeft voldaan waardoor te weinig of geen belasting is afgedragen.
Uiteraard beschikken belanghebbenden hierbij over rechtsmiddelen. Als een belanghebbende het niet eens is met de naheffing omdat hij bijvoorbeeld van mening is wél aan wet- en regelgeving te hebben voldaan, kan hij bezwaar maken tegen de naheffingsaanslag. Uiteindelijk kunnen belanghebbenden hierover bij de belastingrechter terecht. Naast de genoemde rechtsmiddelen bestaan er ook betalingsregelingen om te voorkomen dat belanghebbenden financieel in de problemen komen. Als belanghebbenden een aanslag hebben ontvangen die niet tijdig kan worden betaald, kan bij de Douane uitstel van betaling of een betalingsregeling worden aangevraagd.
Te allen tijde is van belang dat wordt gecontroleerd op basis van de geldende wet- en regelgeving in de controleperiode zelf. Die wet- en regelgeving is leidend bij de administratieve controle. Ook wordt bij een eventuele naheffing rekening gehouden met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Klopt het dat de Douane een aantal van deze ondernemers heeft bezocht en dat dit heeft geleid tot een sommering of gaat leiden tot een sommering om met terugwerkende kracht de verbruiksbelasting alsnog te voldoen? Zo ja, waarom?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dan ook dat ondernemers alleen op de hoogte konden zijn van deze verbruiksbelasting door het handboek verbruiksbelasting alcoholvrije dranken op de website van de Douane te lezen? Deelt u dan ook de mening dat dit voor ondernemers een lastige taak is om continu te volgen?
Vooropstaat dat de wet altijd leidend is. Die wet wordt geacht kenbaar te zijn voor belastingplichtigen en het is de plicht van de belastingplichtige zich hieraan te houden. In het geval een wetswijziging ophanden is, wordt dit ruim van tevoren aangekondigd en gecommuniceerd. Wat betreft producten die onder de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken vallen, geldt dat de wet sinds 1993 zo goed als ongewijzigd is gebleven.5 Naast wetgeving heeft de Douane ook handboeken, waarnaar de leden verwijzen. In deze handboeken wordt wet- en regelgeving uitgelegd met verwijzing naar van toepassing zijnde jurisprudentie. In een handboek worden primair instructies gegeven voor de operationele medewerkers van de Douane zodat de wet zo consistent mogelijk kan worden toegepast. Met het oog op een transparante overheid is het handboek verbruiksbelasting alcoholvrije dranken in 2017 openbaar gemaakt, waardoor externen ook het handboek kunnen raadplegen. Het handboek is in die zin een service en een verduidelijking van de wet- en regelgeving naar buiten toe.
Communicatie vindt plaats via regulier contact tussen de Douane en het bedrijfsleven, bijvoorbeeld via het Overleg Douane Bedrijfsleven (ODB), het Douane Contact Center (DCC) of bij individuele klantbehandeling.
De Douane zet zich in voor transparantie, communicatie en dienstverlening. Openbaarmaking van bijvoorbeeld handboeken, verslagen van coördinatie- of kennisgroepen en kennisgroepstandpunten dragen hier in positieve zin aan bij.
Hoe kijkt u aan tegen de kans dat deze bedrijven failliet gaan of ons land zullen verlaten door het innen van deze verbruiksbelasting met terugwerkende kracht? Wat wil hij hieraan doen?
Zoals eerder toegelicht, kan de inspecteur belasting naheffen tot vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan of de teruggaaf is verleend. De nageheven bedragen zien op te weinig of niet betaalde belasting. Kortgezegd, de belanghebbende zou deze belasting in de vijf voorgaande jaren reeds betaald moeten hebben bij juiste toepassing van geldende wet- en regelgeving. Vanzelfsprekend is het niet de bedoeling dat bedrijven financieel in de problemen komen of het land verlaten door de heffing en inning van belastingen. Ondernemers kunnen bij de Douane een verzoek doen om uitstel van betaling of een betalingsregeling. Uiteraard geldt wel dat belasting die is verschuldigd, dient te worden voldaan. Dit is onder andere van belang in het kader van gelijkheid tussen belastingplichtige ondernemers onderling en tussen ondernemers en burgers.
Volgens de wet zouden deze bedrijven een vergunning moeten hebben voor Inrichting voor Verbruiksbelastinggoederen (IVV): hoe kan het dat geen van deze acht producenten de vergunning heeft en hier niet van op de hoogte was?
Zoals hiervoor aangegeven kan ik niet ingaan op individuele gevallen. Op basis van de Wet op de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken geldt dat voor de productie van verbruiksbelastinggoederen vooraf een vergunning inrichting voor verbruiksbelastinggoederen («IVV») door de inspecteur moet zijn afgegeven. Voor goederen die zijn uitgezonderd van verbruiksbelasting is een dergelijke vergunning wettelijk niet vereist. Het is de verantwoordelijkheid van de ondernemer om aan alle geldende wet- en regelgeving te voldoen. Zoals gezegd ga ik hier niet verder in op individuele gevallen.
Waarom worden deze bedrijven nu alsnog verplicht deze vergunning aan te vragen en klopt het dat zij met sluiting worden gedwongen als zij dit niet doen?
Ik herhaal graag dat ik vanwege de fiscale geheimhoudingsplicht en mogelijk lopende procedures niet in kan gaan op individuele gevallen. In het algemeen geldt het volgende. Als uit de administratieve controle blijkt dat de goederen die worden geproduceerd belast zijn met verbruiksbelasting, dan moet de betreffende belanghebbende alsnog een vergunning IVV aanvragen bij de inspecteur. Het is ter beoordeling van de inspecteur of wordt voldaan aan de voorwaarden zodat de vergunning kan worden afgegeven.
Het is wettelijk verboden om verbruiksbelastinggoederen te produceren zonder een daarvoor aangewezen vergunning. Het tot sluiting dwingen van bedrijven behoort niet tot de bevoegdheden van de Douane.
Hoe kijkt u aan tegen de interpretatie dat voedingssupplementen in poedervorm die wei bevatten, onder ranja vallen en gaat die strekking dan niet veel verder dan ooit de bedoeling was bij het opstellen van de wet?
Alcoholvrije dranken in vaste vorm (bijvoorbeeld poeder) of als concentraat die zijn bestemd om door aanlenging alcoholvrije dranken te maken die kennelijk zijn bestemd om onverwarmd te worden gedronken, worden al sinds de introductie van de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken in 1993 belast.6Dergelijke dranken worden belast aan de hand van een omrekening van het volume van het product in vaste of geconcentreerde vorm naar het volume van een alcoholvrije drank op basis van de factor 4. Dat betekent dat 1 liter concentraat wordt belast als 4 liter gereed product.
Wei of andere alcoholvrije dranken die wei bevatten, zijn expliciet niet uitgezonderd van de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken. Ook niet als zij in vaste vorm of als concentraat worden aangeboden. De wet beschrijft dat melk of uit melk bereide dranken, «niet zijnde een uit wei of weiproducten vervaardigde drank», zijn vrijgesteld van de belasting. Ook deze zinsnede staat reeds sinds de introductie van de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken in 1993 in de wet.7 Er is daarbij geen grens bepaald van de hoeveelheid wei die aanwezig moet zijn om te spreken van een uit wei of weiproducten vervaardigde drank.
Dat de preparaten in poedervorm, zoals beschreven door de leden, worden belast onder de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken is dus geen onbedoeld gevolg van de wet. Deze preparaten maken geen onderdeel uit van de richtlijnen Goede Voeding van de Gezondheidsraad. Er zijn dan ook geen gezondheidsargumenten om deze preparaten een uitzonderingspositie te geven.
Bent u het ermee eens dat ondernemen in Nederland weer leuk moet worden, dat we onze ondernemers moeten koesteren en moeten voorkomen dat zij de ons land verlaten?
Het kabinet zet zich onverminderd in voor een goed ondernemingsklimaat in Nederland, met de juiste randvoorwaarden. Zoals een sterke internationale concurrentiepositie en een gelijk speelveld tussen bedrijven. Juist in het kader van een gelijk speelveld tussen bedrijven is het van belang dat belasting wordt nageheven als blijkt dat een belanghebbende niet aan wet- en regelgeving heeft voldaan waardoor te weinig of geen belasting is afgedragen.
De uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 3 december 2025 aangaande de zout- en gaswinning onder de Waddenzee |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Rummenie , Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op op de hoogte van de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland waarin de rechter vaststelt dat de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) de mogelijke nadelige gevolgen van mijnbouwactiviteiten op de Waddenzee onvoldoende in overweging had genomen, onder andere door informatie van het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI) over klimaatverandering en zeespiegelstijging rond de Waddenzee niet mee in zijn beoordeling op te nemen?1
Ja.
Wat betekent deze uitspraak voor huidige en nieuwe mijnbouw in de Wadden?
De uitspraak heeft geen effect op de huidige mijnbouw onder de Waddenzee. Op 10 februari 2023 heeft het Ministerie van LVVN een handhavingsverzoek over de natuurvergunning voor gas- en zoutwinning in de Waddenzee afgewezen. De Waddenvereniging is hiertegen in bezwaar gegaan. De uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland gaat over dit bezwaar. Het handhavingsverzoek had, volgens de rechtbank, moeten worden gezien als een verzoek om de natuurvergunning te wijzigingen. In de afwijzing is volgens de rechtbank niet voldoende rekening gehouden met de laatste inzichten van het KNMI. De rechtbank heeft het betreffende besluit over het afwijzen van het handhavingsverzoek daarom vernietigd.
Sinds het besluit over het afwijzen van het handhavingsverzoek (10 februari 2023) zijn nieuwe gebruiksruimtebesluiten gepubliceerd (meest recent op 25 april 2024). Mijnbouwprojecten in de Waddenzee moeten aan die gebruiksruimte voldoen. Voor elk nieuw gebruiksruimtebesluit wordt advies gevraagd aan experts, waaronder het KNMI, over de zeespiegelstijging. Daarbij worden de nieuwste inzichten betrokken. Het gebruiksruimtebesluit geeft daarmee een actueel beeld weer van de ruimte die er met het oog op de te beschermen natuurwaarden van de Waddenzee is voor gas- en zoutwinning. De uitspraak van de rechter is daarmee inmiddels achterhaald; in het thans geldende gebruiksruimtebesluit, waarbinnen de (bestaande) mijnbouwactiviteiten moeten opereren, is de informatie van het KNMI meegenomen.
Wat betekent de uitspraak specifiek voor bestaande zoutwinning onder de Wadden? Hoeveel zoutwinningsprojecten zijn momenteel actief onder de Waddenzee? Hoe wordt gemonitord dat deze aan de voorwaarden van de milieuvergunningen blijven voldoen, ook wanneer er nieuwe wetenschappelijke informatie beschikbaar komt over de mogelijke negatieve gevolgen van die zoutwinning?
Zoals in het antwoord van vraag 2 wordt aangegeven heeft de uitspraak geen effect op de huidige mijnbouw onder de Waddenzee, dus ook niet voor de huidige zoutwinning. Op dit moment wordt onder de Waddenzee alleen zout gewonnen in het zogenaamde Havenmond gebied, nabij Harlingen. Delfstoffenwinning onder de Waddenzee vindt plaats via het «hand aan de kraan» principe. In dit kader moeten vergunninghouders jaarlijks rapporteren over de bodemdaling, de gebruiksruimte en de ecologische monitoring. Deze rapportages worden beoordeeld door de Auditcommissie gaswinning onder de Waddenzee of de Auditcommissie zoutwinning onder de Waddenzee. Het advies van deze Auditcommissies wordt jaarlijks met de Tweede Kamer gedeeld. De Kamer heeft op 18 december 2025 de meest recente adviezen ontvangen2. De Auditcommissies geven in hun adviezen aan dat de winning binnen de vastgestelde gebruiksruimte blijft en dat er geen aantasting van de natuur in en rondom de Waddenzee is geconstateerd. Hierbij wordt verwezen naar het gebruiksruimtebesluit 2024 waarbij de nieuwste informatie van het KNMI is meegenomen. Het gebruiksruimtebesluit wordt elke 5 jaar herzien met de nieuwste inzichten over de zeespiegelstijging. Indien er tussentijds nieuwe inzichten zijn dan kan het kabinet deze eerder aanpassen. Ook biedt het «hand aan de kraan»-principe – met de systematiek van voortdurende monitoring van natuurwaarden, bodemdaling en zeespiegelstijging – inzicht in de ontwikkelingen in het gebied waardoor tijdig ingegrepen kan worden als dit nodig is.
Wat betekent de uitspraak voor de bij het Ministerie van Klimaat en Groene Groei (KGG) lopende vergunningsaanvraag van het Duitse bedrijf ESCO voor extra zoutwinning onder de Waddenzee, gezien de mogelijkheid van een bodemdaling van anderhalve meter onder het Wad en meer bodemdaling dan verwacht onder de zeedijk in Noord-West Friesland?
De uitspraak heeft geen invloed op de aanvraag van Frisia. Zoals bij vraag 2 aangegeven is ondertussen een nieuw gebruiksruimtebesluit vastgesteld. De aanvraag van Frisia moet aan dit gebruiksruimtebesluit voldoen.
Kan deze uitspraak volgens u als basis dienen om geen nieuwe vergunningen te leveren voor zoutwinning onder de Waddenzee? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Nee, zoals al opgemerkt onder 2 heeft de uitspraak van de rechtbank betrekking op een eerder gebruiksruimtebesluit. Het thans geldende gebruiksruimtebesluit is van 25 april 2024. Dit besluit is genomen op basis van de meest recente wetenschappelijke inzichten, inclusief de informatie van het KNMI. Mijnbouwprojecten moeten aan dit gebruiksruimtebesluit voldoen. Nieuwe winning van delfstoffen is met de aanpassing van de Mijnbouwwet in mei 2024 niet meer mogelijk onder de Waddenzee, tenzij een aanvraag voor 1 mei 2024 was ingediend.
Heeft het Ministerie van KGG of het Ministerie van LVVN momenteel weet van andere bestaande aanvragen of potentiële aanvragen die door marktpartijen voorbereid worden voor zoutwinning onder de Waddenzee?
Nee, er zijn geen andere aanvragen of potentiële aanvragen voor zoutwinning onder de Waddenzee bekend anders dan de aanvraag van Frisia die voor de aanpassing van de Mijnbouwwet is ingediend.
Hoe beoordeelt u het geldende Gebruiksruimtebesluit onder de Wadden in het licht van deze uitspraak?
Zoals al opgemerkt onder 2 heeft de uitspraak van de rechtbank betrekking op een eerder gebruiksruimtebesluit. Het thans geldende gebruiksruimtebesluit is vastgesteld op 25 april 2024. Dit besluit is genomen op basis van de meest recente wetenschappelijke inzichten. De uitspraak heeft daarom geen gevolgen voor het thans geldende gebruiksruimtebesluit.
In welke mate werden specifiek de in de uitspraak aangehaalde scenario's van het KNMI meegenomen in het geldende Gebruiksruimtebesluit onder de Wadden?
De in de uitspraak aangehaalde scenario's van het KNMI zijn meegenomen in het thans geldende gebruiksruimtebesluit van 25 april 2024. Dit besluit is gebaseerd op het advies van experts (van het KNMI, Deltares, NIOZ, TU Delft, TNO-Geologische dienst en de Universiteit Utrecht) van 31 januari 2024 over zeespiegelstijgingsscenario’s voor de Waddenzee. Dit advies volgde op de publicatie van de klimaatscenario's van het KNMI (9 oktober 2023).
Hoe schat u op basis van deze uitspraak de toegenomen waarschijnlijkheid in dat de Raad van State in 2026 zal oordelen dat de gebruiksruimte zou moeten worden herzien?
Tegen het huidige gebruiksruimtebesluit van 25 april 2024 is een aantal beroepen ingesteld. Naar verwachting zullen deze beroepen in 2026 door de Afdeling bestuursrechtspraak ter zitting worden behandeld. Het is uiteraard niet aan het kabinet om iets te zeggen over hoe de Afdeling uiteindelijk zal oordelen.
Aangezien u in uw antwoord van 5 december 2025 op vraag 20 van mijn schriftelijke vragen heeft geantwoord dat in geval van een dergelijke uitspraak van de Raad van State het kabinet de gebruiksruimte zou herzien, deelt u de mening dat het in het licht van deze uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland wijselijk is een dergelijke wijzing reeds voor te bereiden om een strikte natuurbescherming van de Wadden te garanderen?2 Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Nee, zoals in het antwoord van vraag 2 wordt aangegeven heeft de uitspraak geen effect op de huidige mijnbouw onder de Waddenzee. In het thans geldende gebruiksruimtebesluit zijn de meest recente inzichten over de zeespiegelstijging, die in de uitspraak worden aangehaald, meegenomen. Daarmee geeft het thans geldende gebruiksruimtebesluit een actueel beeld weer van de ruimte die er met het oog op de te beschermen natuurwaarden van de Waddenzee is voor gas- en zoutwinning. Het kabinet ziet daarom vooralsnog geen aanleiding om een wijziging van het gebruiksruimtebesluit voor te bereiden.
Gezien uw antwoord van 5 december 2025 op vraag 21 van mijn schriftelijke vragen dat de modellen van het KNMI te beperkt zouden zijn of niet toegespitst zouden zijn op de Nederlandse situatie, maar dat de rechtbank Noord-Nederland tegelijk aangeeft dat de informatie van het KNMI wel degelijk relevant is in de context van zoutwinning, bent u bereid uw eerdere antwoord te herzien en aan het KNMI alsnog te vragen een actualisatie van het Gebruiksruimtebesluit Waddenzee te laten maken op basis van de meest recente wetenschappelijk inzichten over klimaatverandering en zeespiegelstijging en indien nodig de modellen meer toe te spitsen op de Nederlandse situatie?3 Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Vraag 21 ging niet over nieuwe inzichten van het KNMI maar over generieke nieuwe wetenschappelijke inzichten over klimaatverandering en zeespiegelstijging. De laatste publicatie van het KNMI over klimaatscenario’s is van 9 oktober 2023. Deze publicatie is meegenomen in het advies door experts van 31 januari 2024. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 8 is het KNMI een van deze experts. Het is de verwachting dat in het geval het KNMI nieuwe klimaatscenario’s publiceert, deze dan weer zullen worden meegenomen in een nieuw advies door experts en een nieuw gebruiksruimtebesluit. Daarbij is het belangrijk om te benadrukken dat nieuwe wetenschappelijke inzichten niet altijd direct toepasbaar zijn op de Nederlandse situatie. Hiervoor is vaak een vertaling of aanvullend onderzoek nodig.
Wat is uw inzet in het overleg met de provinciale en lokale overheden in de noordelijke provincies rond zoutwinning en de schade als gevolg daarvan? Wat bent u van plan met de vragen en bezwaren van deze lokale overheden over dit onderwerp?
Er is regelmatig contact met de provinciale en lokale overheden in de noordelijke provincies rond zoutwinning en de gevolgen daarvan. De vragen en bezwaren van de decentrale overheden worden in elke procedure bekeken en meegenomen.
Kunt u deze vragen beantwoorden ruim voorafgaand aan het commissiedebat Mijnbouw op 29 januari 2026?
Ja.
De compensatieregeling vuurwerkbranche |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de «compensatieregeling» voor ondernemers uit de vuurwerkbranche die gedwongen moeten stoppen in verband met het verbod op consumentenvuurwerk?
Hoe verhoudt het ontbreken van een goede compensatie zich tot uw eerdere publieke uitspraken waarin u stelde te «streven naar een nette en eerlijke compensatie»?
Hoe beoordeelt u het risico dat honderden ondernemers failliet dreigen te gaan, omdat zij worden geconfronteerd met het verbod, maar noch kunnen overstappen op andere bedrijfsmodellen, noch hun investeringen kunnen terugverdienen?
Wordt de schade voor vuurwerkondernemers die hebben geïnvesteerd in inpandige bunkers, externe opslaglocaties en zware veiligheidsvoorzieningen, gecompenseerd, aangezien deze investeringen door het verbod waardeloos worden? Zo nee, waarom niet?
Hoe wordt in de compensatieregeling omgegaan met ondernemers die nog voor meerdere jaren vastzitten aan langdurige huurcontracten, terwijl zij geen inkomsten meer kunnen genereren uit de verkoop van vuurwerk?
Bent u bereid om in de compensatieregeling een aparte component op te nemen voor transitievergoedingen die moeten worden betaald aan personeel dat vanwege het verbod moet worden ontslagen?
Bent u van mening dat het eerlijk is om het verdienmodel van ondernemers af te nemen en om hen vervolgens te compenseren met slechts een percentage van de jaaromzet?
Deelt u de mening dat wetgeving die ondernemers dwingt hun (kern)activiteit te beëindigen zonder adequate compensatie, op gespannen voet staat met de rechtsstaat, het eigendomsrecht en de beginselen van behoorlijk bestuur?
Bent u bekend met het amendement van het lid Michon-Derkzen (Kamerstuk 35 386, nr. 16) dat voorschrijft dat het ontwerp-koninklijk besluit tot inwerkingtreding van de wet via een zware voorhangprocedure aan de Staten-Generaal moet worden voorgelegd?
Deelt u de opvatting dat het amendement duidelijk stelt dat voor inwerkingtreding van de wet een «eerlijke en nette compensatieregeling» moet zijn vastgesteld in afstemming met de vuurwerkbranche? Zo ja, kunt u toelichten welke criteria u hanteert om te beoordelen of aan deze voorwaarde is voldaan?
Erkent u dat het ontbreken van een volledige compensatieregeling betekent dat de wet, conform de voorwaarden van het amendement, niet in werking kan treden? Zo nee, waarom niet?
Wanneer kunnen de Kamer en de branche een volledig uitgewerkte compensatieregeling verwachten die voldoet aan de voorwaarden van het amendement, inclusief een sluitende financiële dekking?
Kunt u uiterlijk op 1 februari 2026 bevestigen dat er voldoende budget beschikbaar is voor de compensatieregeling? Zo nee, bent u dan bereid tot uitstel van de invoering van de wet, totdat er voldaan is aan een eerlijke en nette compensatieregeling?
Het artikel dat stelt dat de tolheffing op de A24, bij de Blankenburgtunnel, een ‘boetemachine’ wordt. |
|
Hidde Heutink (PVV) |
|
Tieman |
|
|
|
|
Bent u het eens met de stelling dat € 9,– voor een herinnering niets meer is dan geldklopperij van de automobilist, dat deze verhoging compleet onaanvaardbaar is en dat we hier zo snel als mogelijk mee moeten stoppen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?1
Ja.
Waarom is er ervoor gekozen om bij de eerste herinnering direct een verhoging van € 9,– toe te passen en is er niet voor gekozen om nietsvermoedende automobilisten eerst kosteloos te herinneren aan hun tolplicht?
Het Ministerie van VRO is geen partij in deze wijziging. De beleidskeuzes zijn aan DUWO.
Gelet op het feit dat een dienstverlener conform de wetgeving verplicht is een factuur te sturen aan de automobilist bij tolverplichting, en een ministerie dat niet is: waarom is er gekozen voor dit onderscheid en bent u het eens met de stelling dat dit onderscheid er actief voor zorgt dat automobilisten onduidelijkheid ervaren rondom het tolsysteem en zodoende de fout ingaan?
Het is niet aan mij om uitspraken te doen over de wijze van verdelen van woningen met gedeelde voorzieningen. In het land worden daarvoor verschillende systemen gebruikt. Dit varieert van vormen waarbij de zittende huurders met verschillende maten van vrijheid zelf kunnen kiezen, tot vormen waarbij de kamerzoekende zelf kan kiezen wanneer die volgens objectieve criteria aan de beurt is.
Bent u het eens met de stelling dat de onduidelijkheid rondom het betalen van elektronische tol bewust in stand gehouden wordt, mede gelet op het feit dat de ontvangen boetegelden voor de komende jaren al zijn vastgelegd in de begroting, teneinde het beoogde boetebedrag binnen te halen? Zo nee, waarom niet?
DUWO heeft als sociale woningcorporatie de verantwoordelijkheid om voor studenten die op achterstand staan zorg te dragen voor gelijke kansen. Zij wijst daarbij onder andere op de student van ver die een kamer nodig heeft om te kúnnen studeren, de eerste-generatie student die de weg niet voldoende weet en nog geen groot netwerk heeft of een MBO-student. Dat sluit direct aan bij haar taakstelling die zij heeft als Toegelaten Instelling die in het belang van de volkshuisvesting werkt. DUWO is daarbij onderworpen aan de regels van de Woningwet, de overlegwet huurders-verhuurders en heeft ook te maken met de bepalingen van de Wet Goed Verhuurderschap.
Verhuurders kunnen zich hierbij niet ontdoen van de plicht om de woningtoewijzing (gedeeltelijk) elders onder te brengen. In het kader van de Wet goed verhuurderschap acht ik het voor sociale studentenhuisvesters noodzakelijk om een heldere en transparante manier van toewijzing te hanteren, waar objectieve selectiecriteria een rol spelen. Coöptatie met een vorm van voorselectie voldoet aan deze voorwaarden.
In hoeverre en op welke wijze worden mensen die niet of minder digitaal vaardig zijn geholpen als het gaat om het voldoen van hun elektronische tol en hoe gaat u hen in de toekomst nog beter helpen?
Het Ministerie van VRO is geen partij in deze wijzigingen.
Kunt u aan het einde van beide rijrichtingen alsnog tolhuisjes, dan wel betaalautomaten, plaatsen om automobilisten een eerlijk alternatief te bieden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer start u hiermee?
De vraag of en in welke mate bestaande voorrangsregelingen bijdragen aan het bredere beleidsdoel zie ik als onderdeel van het goede gesprek tussen DUWO en haar stakeholders en is niet aan mij ter beoordeling.
Berichtgeving rondom de ratificatie van de EU-Chili geavanceerde kaderovereenkomst (AFA) en de ontwikkeling van een Nederlandse strategie voor kritieke grondstoffen met Chili. |
|
Elles van Ark (CDA), Derk Boswijk (CDA) |
|
Aukje de Vries (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u in staat te reflecteren op de bevindingen uit dit artikel over de ratificatie van de EU-Chili geavanceerde kaderovereenkomst (AFA)?1
Ja. Het artikel stelt dat het gewenst is om de Advanced Framework Agreement (AFA) tussen de EU en Chili te ratificeren vanwege het nakomen van partnerschapsbeloftes, ondersteuning van inzet op de diversificatie van grondstoffenwaardeketens en versterking van bescherming van investeringen. Er is een kabinetsappreciatie2 van zowel het AFA als het interim handelsverdrag (iTA) opgesteld. Het kabinet onderschrijft het belang van tijdige ratificatie welke in voorbereiding is. Daarbij dient te worden opgemerkt dat de handelsonderdelen van het AFA vallend onder de exclusieve bevoegdheid van de Europese Unie geheel zijn gerepliceerd in het iTA en daarmee reeds sinds 1 februari 2025 in werking zijn. Ratificatie van het AFA biedt geen aanvullende handelsvoordelen, aangezien de delen die buiten het iTA vallen zien op politieke samenwerking en investeringsbescherming.
Kan u aangeven wat de huidige stand van zaken is met betrekking tot de Nederlandse ratificatieprocedure van de EU-Chili geavanceerde kaderovereenkomst (AFA)?
De geavanceerde kaderovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Chili, anderzijds is op 13 december 2023 ondertekend en wordt deels voorlopig toegepast. Daarnaast zijn de handelsafspraken zoals opgenomen in het iTA sinds 1 februari 2025 in werking. Voordat de overeenkomst in werking kan treden, dienen alle EU-lidstaten hun interne procedures te hebben afgerond. De stukken die nodig zijn voor de Nederlandse parlementaire goedkeuringsprocedure zijn in voorbereiding.
Op welke termijn verwacht u het ratificatiewetsvoorstel aan de Kamer voor te kunnen leggen?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 2 zijn de goedkeuringsstukken in voorbereiding. De goedkeuringsstukken betreffen het wetsvoorstel tot goedkeuring van de overeenkomst en een memorie van toelichting. Na instemming van de ministerraad wordt het wetsvoorstel tot goedkeuring van de overeenkomst met de memorie van toelichting aan de Raad van State voor advies voorgelegd. Na de verwerking van het advies in een nader rapport, wordt het wetsvoorstel tot goedkeuring van de overeenkomst, met de memorie van toelichting en het nader rapport, aan de Tweede Kamer en de Eerste Kamer voor goedkeuring voorgelegd. Zodra beide Kamers hun goedkeuring aan het wetsvoorstel hebben verleend kan over worden gegaan tot ratificatie van de overeenkomst door Nederland. Het kabinet zet in op ratificatie door Nederland op afzienbare termijn.
Zou u kunnen aangeven of er bepaalde bezwaren denkbaar zijn tegen ratificatie?
Zoals aangegeven in antwoord op de vragen 2 en 3 zijn de parlementaire goedkeuringsstukken in voorbereiding. Het kabinet is een groot voorstander van het verdiepen van de samenwerking tussen de EU en Chili en is positief over de uitkomst van de onderhandelingen over het AFA.3
Dit handelsverdrag beoogt meerdere doelen gelijktijdig te realiseren: meer onderlinge handel en investeringen, gezamenlijke aanpak van wereldwijde uitdagingen en verdieping van politieke samenwerking. Bent u het ermee eens dat dit handelsverdrag als model kan dienen voor EU-handelsverdragen met andere landen?
Ja.
Chili herbergt een van de grootste lithiumreserves van de wereld. Onderschrijft u het belang van stabiele toeleveringsketens van kritieke grondstoffen voor de Nederlandse en Europese markt?
Ja.
Hoe kijkt u naar het opzetten van een Nederlandse of Europese strategie rondom het structureel vergaren van kritieke grondstoffen in het kader van de agressievere benadering van de markt door onder andere China en de Verenigde Staten?
Het kabinet onderschrijft de noodzaak tot deze strategieën en wijst op de Nationale Grondstoffenstrategie4, het BNC-fiche over de EU Critical Raw Materials act5 en de recent gepubliceerde mededeling ReSourceEU, waarover uw Kamer binnen de gestelde termijn een BNC-fiche ontvangt.
Bent u het eens dat de AFA een belangrijke bijdrage kan leveren aan de Europese en Nederlandse toegang tot lithium, koper en ook andere zeldzame metalen?
Op dit moment is het interim handelsverdrag (iTA) tussen de EU en Chili in werking. Hierin is het handelsdeel van de AFA dat valt onder de exclusieve bevoegdheid van de Europese Unie gerepliceerd. In het iTA staan afspraken over de toegang tot grondstoffen, zoals over het beperken van exportrestricties (zoals heffingen en quota’s), een verbod op monopolies met exclusieve rechten voor import en export van ruwe kritieke grondstoffen, en het inkaderen van het beleid van lagere grondstofprijzen voor binnenlandse producenten. Dit zijn afspraken die de voorspelbaarheid van de grondstofhandel bevorderen. Daarnaast zijn in het politieke deel van de AFA enkele intenties op het gebied van grondstoffenhandel overeengekomen, zoals het bevorderen van de samenwerking op transparantie van de mondiale grondstoffenmarkt.
Bent u het in dat kader eens dat de AFA zo spoedig mogelijk in werking moet treden?
Ja, waarbij opgemerkt wordt dat voor de Nederlandse ratificatie van de overeenkomst een goedkeuringsprocedure dient te worden doorlopen. De goedkeuringsstukken zijn in voorbereiding en de overeenkomst dient, na adviesvoorziening door de Raad van State, door beide Kamers te worden goedgekeurd.
Bent u bereid er bij de lidstaten die de AFA nog niet hebben geratificeerd in hun nationale parlement erop aan te dringen dit alsnog zo spoedig mogelijk te doen?
Het kabinet zet in op ratificatie door Nederland op afzienbare termijn. Op dat moment ligt het voor de hand ook andere lidstaten hiertoe op te roepen.
China heeft in 2025 exportbeperkingen ingevoerd op gallium, germanium en andere kritieke grondstoffen; bent u van mening dat dit de urgentie versterkt voor Nederland om de samenwerking met Chili op het gebied van zeldzame aardmetalen te intensiveren?
Het kabinet erkent de urgentie van het vergroten van de leveringszekerheid van kritieke grondstoffen, en werkt hieraan via de nationale grondstoffenstrategie en de EU Critical Raw Materials Act. Het diversifiëren van de waardeketens is hier een belangrijk onderdeel van. Nederland (en de EU) kijken hierbij naar diverse landen, waaronder Chili.
De Chinese exportcontrolemaatregelen op gallium en germanium uit 2023 en op onder meer een aantal zeldzame aardemetalen uit april 2025 onderstrepen het belang hiervan. Het zij opgemerkt dat zeldzame aardmetalen een aparte groep grondstoffen is, die momenteel niet in Chili gewonnen of verwerkt wordt maar die wel deels aanwezig zijn in Chili. Winning en verwerking hiervan wordt momenteel verkend.6 Gallium en germanium worden ook niet in Chili gewonnen of verwerkt.
Desalniettemin is Chili is een belangrijke producent van grondstoffen, met name koper, lithium en boor (aangewezen als kritieke grondstoffen door de Europese Commissie). Daarom steunt het kabinet het Memorandum of Understanding (MoU) dat de Europese Unie in 2023 heeft afgesloten met Chili op kritieke grondstoffen. Hierin is afgesproken dat partijen onder andere samen werken aan het bevorderen van projecten, open en eerlijke markten, en environmental, social, governance(ESG) standaarden.
Nederland geeft invulling aan dit MoU middels diverse activiteiten. Zo hebben het Nederlands Materialen Observatorium en Nederlandse universiteiten een samenwerking met Chileense universiteiten en steunt Nederland een Europa-brede studie op basis van aanbevelingen van CEPAL over hoe de regio zijn lithium- en koperwaardeketens duurzaam kan ontwikkelen. Ook heeft TNO een samenwerking met het Nationaal Lithiuminstituut (INLiSa).
Bent u bereid om een integrale beleidsnotitie op te stellen over de kansen en uitdagingen voor Nederland op het gebied van zeldzame aardmetalen in Chili, waarin de hierboven genoemde aspecten in samenhang worden bezien?
In de Nationale Grondstoffenstrategie is diversificatie één van de pijlers om de leveringszekerheid van kritieke grondstoffen te versterken7. Samenwerking met derde landen, waaronder Chili, valt onder deze pijler. Voor de beleidsinzet verwijs ik u daarom naar deze strategie. Het kabinet zal geen integrale beleidsnotitie opstellen over de kansen en uitdagingen voor Nederland op het gebied van zeldzame aardmetalen in Chili.
Daarnaast heeft voor internationale grondstoffensamenwerking een Europese aanpak die zich richt op de hele waardeketen de voorkeur, omdat de Nederlandse industrie deze grondstoffen niet of nauwelijks direct importeert of gebruikt8. Nederland importeert vooral producten waar kritieke grondstoffen in verwerkt zitten. Naast de reeds bestaande kaders voor internationale samenwerking op kritieke grondstoffen wordt uw Kamer binnenkort ook geïnformeerd over de kabinetspositie t.a.v. het ResourceEU actieplan, dat onder andere ingaat op de Europese aanpak van partnerschappen met grondstofrijke landen.
Zoals genoemd in het antwoord op vraag 11 is Chili een belangrijke producent van kritieke grondstoffen. Daarom steunt het kabinet grondstoffensamenwerking in EU-verband, via het Memorandum of Understanding (MoU) tussen de EU en Chili.
Kan u toezeggen de Kamer periodiek te informeren over de voortgang van zowel de ratificatie van de EU-Chili AFA als de Nederlandse inzet op het gebied van kritieke grondstoffen met Chili?
De Kamer wordt regulier geïnformeerd over de voortgang van onderhandelingen en ratificaties van handels- en investeringsakkoorden via de voortgangsrapportage handelsakkoorden9, die vier maal per jaar als bijlage bij de geannoteerde agenda’s voor de Raden Buitenlandse Zaken Handel aan uw Kamer worden gezonden.
In de voortgangsrapportage Nationale Grondstoffenstrategie10 is een update gegeven over de samenwerking met derde landen. Zoals hierboven genoemd wordt uw Kamer binnenkort geïnformeerd over de kabinetspositie t.a.v. het Commissievoorstel voor ResourceEU, dat ook ingaat op de Europese aanpak van partnerschappen met grondstofrijke landen.
Het intrekken van een wetenschappelijk stuk na mogelijke betaling door glyfosaatproducent |
|
Laura Bromet (GL) |
|
Bruijn , Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NOS-artikel van 3 december 2025, waarin wordt beschreven dat een invloedrijk wetenschappelijk artikel over het onkruidbestrijdingsmiddel glyfosaat na 25 jaar is ingetrokken?1
Ja
Kunt u uiteenzetten welke grondslag dit wetenschappelijk artikel heeft of heeft gehad in het beleid dat Nederland, en breder gezien, Europa voert bij het gebruik van glyfosaat?
Het artikel van Williams en anderen2 is een zogenoemd review-artikel waarin gegevens uit meerdere individuele wetenschappelijke studies worden samengevat en geanalyseerd. Bij de beoordeling van een werkzame stof (of gewasbeschermingsmiddel) worden alleen originele studierapporten gebruikt en geen review-studies. De conclusies uit dit review-artikel zijn geen onderdeel van de risicobeoordeling van glyfosaat3 en zijn niet meegenomen in de Europese besluitvorming bij de hernieuwde goedkeuring van de stof in 2023. Het intrekken van dit review-artikel heeft dan ook geen gevolgen voor de goedkeuring van de stof glyfosaat of toelating van middelen op basis van deze werkzame stof.
Bent u verder bekend met wetenschappelijke studies over pesticiden, glyfosaat in het bijzonder, waarbij aanleiding bestaat om te twijfelen aan de legitimiteit van het onderzoek, wat de invloed was van dergelijke onderzoeken was en hoe zowel positieve als negatieve uitkomsten van deze onderzoeken gewogen en getoetst worden aan bronnen en belangen?
Nee, ik ben verder niet op hoogte van dergelijke onderzoeken.
In hoeverre acht u deze berichtgeving, over rectificatie van wetenschappelijke onderzoeken en mogelijke inmenging van de fabrikant om gevaren en risico’s van het bestrijdingsmiddel te bagatelliseren, als een belangrijk moment voor herziening van onze omgangsnormen met betrekking tot glyfosaat, variërend van bijvoorbeeld toelatingsprocedures tot aan subsidies?
Ik vind het belangrijk dat besluitvorming over werkzame stoffen wordt gebaseerd op betrouwbare en onafhankelijke wetenschappelijke informatie. Het intrekken van het review-artikel geeft geen aanleiding om te twijfelen aan eerdere besluitvorming over glyfosaat.
Welke waarborgen bestaan er momenteel om niet gedegen wetenschappelijke onderzoeken te weren uit de certificering en besluitvorming en daaropvolgende onderzoeken te herzien als deze op dergelijke onderzoeken zijn gebaseerd?
Er zijn verschillende waarborgen binnen het proces van de stofbeoordeling ingebouwd om niet gedegen wetenschappelijke onderzoeken te weren. Allereerst baseren de toelatingsautoriteiten zich in eerste instantie op onderzoek dat is uitgevoerd volgens Good Laboratory Practice (GLP)4. Dit is een systeem om de kwaliteit van de experimenten in laboratoria te waarborgen waar de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) toezicht op houdt. De rapporteur lidstaat (RMS) beoordeelt alle studies, inclusief studies uit de wetenschappelijke literatuur, en kijkt hierbij op een gestructureerde wijze naar de betrouwbaarheid, bijvoorbeeld met behulp van de Klimisch criteria5, en de relevantie van de studies. De betrouwbaarheid en relevantie bepalen samen de aanvaardbaarheid van de studie. Alle relevante, betrouwbare wetenschappelijke technische kennis wordt tegen elkaar afgewogen om tot een eindconclusie te komen. Hierbij wegen relevante en betrouwbare studies zwaarder dan minder betrouwbare/relevante studies. Niet-acceptabele studies worden niet meegenomen. De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) voert samen met alle andere lidstaten een collegiale toetsing (peer review) uit op het beoordelingsrapport van de RMS. Ook vindt er een openbare consultatie plaats. Bovendien moeten aanvragers sinds 2019 op basis van de Algemene Levensmiddelenverordening de autoriteiten al vooraf informeren dat een nieuwe studie begint en moeten ze het melden als de studie is afgerond. Dit om te voorkomen dat bedrijven onderzoeksresultaten achterhouden.
In hoeverre bent u bereid om het Europees vastgestelde toetsingskader ter discussie te stellen nu de legitimiteit van invloedrijke wetenschappelijke onderbouwingen die mogelijk ten grondslag liggen aan onze opvattingen over glyfosaat in twijfel wordt getrokken of zelfs wordt gerectificeerd?
Het intrekken van het betreffende review-artikel heeft geen invloed op de uitkomst van de risicobeoordeling van glyfosaat en deze hoeft daarom niet nationaal of Europees bediscussieerd te worden.
In aanvulling daarop, bent u bereid om bij het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) aan te dringen op herziening van het toetsingskader voor het gebruik van glyfosaat, wellicht in afwachting van herziening van het Europese toetsingskader?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening dat Montsano geen gesprekspartner moet zijn van Nederland of via andere manieren de mogelijkheid moet hebben om de sterke lobby voor de gifindustrie voort te zetten? Ziet u dus de wenselijkheid van een lobbyverbod voor de gifindustrie in?
Besluitvorming over de toelating van gewasbeschermingsmiddelen dient altijd gebaseerd te zijn op onafhankelijke wetenschappelijke beoordelingen. Ik vind het daarom van grote waarde dat het Ctgb, als onafhankelijke toelatingsautoriteit, deze beoordelingen uitvoert zonder inmenging van derden, zoals fabrikanten of politiek. Het Ctgb wijst iedere vorm van ongeoorloofde beïnvloeding van de wetenschappelijke oordeelsvorming categorisch af. Waar het gaat om mijn eigen beleidsvorming praat ik met telers, NGO’s, belangenbehartigers, andere overheden en ook fabrikanten om een goed beeld te hebben van de wensen en ontwikkelingen binnen de samenleving en eventuele gevolgen van (toekomstig) beleid. Ik hecht waarde aan deze dialoog met alle onderdelen van de samenleving.
Is er naar aanleiding van het advies van de Afdeling Advisering van de Raad van State op de Wijziging van het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden een onderzoek ingesteld naar de reikwijdte van de verplichtstelling van alternatieven voor glyfosaat?
Uw Kamer wordt separaat schriftelijk geïnformeerd over het betreffende advies van de Afdeling advisering van de Raad van State en de verdere stappen op dit onderwerp.
Hoe gaat u waarborgen dat dit onderzoek onafhankelijk en zorgvuldig wordt uitgevoerd, waarbij scherp wordt gelet op mogelijke belangenverstrenging of illegitimiteit van aangehaalde onderzoeken, helemaal gelet op recente berichtgevingen?
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u uiteenzetten in hoeverre de effecten van glyfosaat onafhankelijk worden onderzocht en de basis vormen voor het toetsingskader voor de verplichtstelling van alternatieven?
Zie antwoord vraag 9.
Bent u bereid om naar aanleiding van deze en eerdere negatieve berichtgeving over de schadelijke effecten van glyfosaat concrete vervolgstappen te geven aan het aanpassen van het glyfosaatbeleid in Nederland?
Glyfosaat is in 2023 opnieuw Europees goedgekeurd op basis van een zeer omvattend wetenschappelijk dossier met meer dan 2400 studies. De onafhankelijke wetenschappelijke adviezen van de hiervoor aangewezen instituten concluderen dat glyfosaat veilig kan worden toegepast. Op basis van deze conclusies zijn momenteel geen aanvullende maatregelen nodig.
Bent u bereid om, indien onderzoeken deze uitkomst aanbevelen, de verplichting tot het gebruik van alternatieven aan te scherpen en voor eenieder te codificeren in de Wijzigingen van het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden?
Uw Kamer wordt separaat schriftelijk geïnformeerd over het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State op de beoogde wijziging van het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden en over de verdere stappen op dit onderwerp.
De additionele kosten voor Tata Steel aangaande de maatwerkafspraak. |
|
Ines Kostić (PvdD), Ani Zalinyan (GroenLinks-PvdA), Laurens Dassen (Volt), Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de analyse van SOMO1 waaruit blijkt dat de voorwaarden in de intentieverklaring met Tata Steel jaarlijks 375 tot 580 miljoen euro aan additionele kosten kunnen meebrengen boven op de eenmalige subsidie van 2 miljard euro?
Ja.
Graag geeft het kabinet eerst een algemene toelichting waar in verschillende antwoorden naar zal worden verwezen. De mogelijke maatwerkafspraak met Tata Steel Nederland (TSN) gaat over een aantal grote en maatschappelijk belangrijke doelstellingen en de beoogde ondersteuning vanuit de staat is omvangrijk. Het is dan ook begrijpelijk dat hier uitvoerig en kritisch naar wordt gekeken door bijvoorbeeld Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen (SOMO).
Het is daarbij van belang dat de informatie uit de Joint Letter of Intent (JLoI) op juiste wijze wordt geïnterpreteerd zodat hier geen misverstanden over ontstaan. De JLoI bevat inspanningsverplichtingen en de contouren van de definitieve maatwerkafspraak, waaronder de beoogde doelen, projecten en het financiële kader. In deze JLoI is opgenomen dat het kabinet maximaal 2 miljard euro beschikbaar stelt voor de verduurzaming en het schoner maken van de staalproductie bij TSN. Met de JLoI committeert de staat zich op dit moment op geen enkele manier aan kostenstijgingen boven op de beoogde maatwerksubsidie van 2 miljard euro.
De SOMO-analyse stelt op basis van de opzeggronden voor TSN en de inspanningen van de staat uit de JLoI dat de staat met de maatwerkafspraak met TSN in een subsidiefuik terecht komt. Gelet op bovenstaande onderschrijft het kabinet deze stelling niet. Dit wordt hierna verder toegelicht.
Met de opzeggronden op het gebied van netwerkkosten, de nationale CO2-heffing en het beleid rond staalslakken committeert de staat zich op dit moment op geen enkele wijze aan compensatie of het betalen van kostenstijgingen aan TSN. Het zijn opzeggronden voor de JLoI voor het bedrijf, geen voorwaarden waaraan de staat verplicht is te voldoen. De staat maakt beleid dat zij nodig acht voor klimaat, gezondheid en veiligheid en de afspraken in de JLoI beperken de staat hier op geen enkele manier in. Indien (nieuw) beleid op deze punten leidt tot een substantiële negatieve impact op de businesscase van TSN, is het aan TSN om een afweging te maken of zij de JLoI op willen zeggen op basis van één van deze opzeggronden. Daarbij gelden de opzeggronden enkel voor de JLoI en niet meer op het moment dat er een definitieve maatwerkafspraak is gesloten. Een subsidieaanvraag en een maatwerkafspraak is een vrijwillig traject. Dit betekent dat TSN altijd zelf een overweging zal moeten maken om wel of niet tot een maatwerkafspraak over te gaan. Zoals in de JLoI vermeld, stelt de staat maximaal 2 miljard euro maatwerksubsidie beschikbaar voor de maatwerkafspraak met TSN. De overige kosten en de investeringsbeslissing zijn voor rekening en risico van TSN zelf.
De inspanningsverplichtingen van de staat uit de SOMO-analyse betreffen beleidsmatige vraagstukken die al nadrukkelijk op de politieke agenda staan, los van dit maatwerktraject met TSN. Dit betreffen randvoorwaarden voor de verduurzaming van de industrie in den brede, zoals de marktontwikkeling van biomethaan en de benodigde infrastructuur voor CO2-afvang en -opslag (CCS). Ook hiermee committeert de staat zich op dit moment op geen enkele manier aan het betalen van meerkosten aan TSN. Dit zijn generieke beleidsvraagstukken die in de volle breedte moeten worden opgelost, ook als er geen maatwerkafspraak met TSN wordt gesloten. Daarbij rekenen we de kosten van generieke investeringen in infrastructuur of van beleidsmaatregelen (zoals kortingen) bij geen enkel (maatwerk)bedrijf toe aan de individuele bedrijven.
Tenslotte geldt dat het ontvangen van een eventuele maatwerksubsidie niet betekent dat het bedrijf geen aanspraak kan maken op andere generieke duurzaamheidssubsidies, zoals bijvoorbeeld de SDE++ voor CCS. Dit zijn immers generieke subsidies waar ieder bedrijf een aanvraag voor kan indienen. Zoals in de JLoI ook staat beschreven, mag TSN in de toekomst een subsidie aanvraag indienen en zal deze aanvraag worden getoetst en gewogen zoals bij ieder ander bedrijf. Het al dan niet verkrijgen van deze eventuele generieke subsidie biedt geen mogelijkheid tot opzeggen van de maatwerkafspraak.
De komende periode onderhandelen de Ministeries van KGG en IenW verder met het bedrijf om tot een definitieve maatwerkafspraak te komen. Het kabinet zal openbaar informatie delen voor zover dat mogelijk is. Gelet op de bedrijfsvertrouwelijkheid en mogelijke koersgevoeligheid van de informatie kan niet alles openbaar gedeeld worden, maar kan het kabinet de Kamer daar wel vertrouwelijk over informeren.
Kunt u per voorwaarde in de intentieverklaring aangeven wat de verwachte meerkosten voor de Staat zijn, uitgesplitst naar:
Zoals ook aangegeven in de reactie van het ministerie op de analyse van SOMO2 en in de toelichting bij de beantwoording van deze vragen committeert de staat zich met de intentieverklaring met TSN op geen enkele manier aan enige kostenstijgingen, dus ook niet voor hierboven genoemde punten. De door het SOMO genoemde punten zijn ofwel opzeggronden die enkel voor de JLoI gelden en niet meer op het moment dat er een definitieve maatwerkafspraak is gesloten, ofwel inspanningen vanuit de staat waarmee op geen enkele manier compensatie of meerkosten aan TSN zijn toegezegd.
Indien u geen ramingen kunt geven voor bovenstaande kostenposten, bent u dan bereid deze ramingen alsnog te laten opstellen voordat een definitieve maatwerkafspraak wordt gesloten, aangezien het gaat om geld van burgers? Zo nee, waarom niet?
Zoals in de toelichting op vraag 1 is aangegeven zijn de genoemde punten ofwel opzeggronden die enkel voor de JLoI gelden en niet meer op het moment dat er een definitieve maatwerkafspraak is gesloten, ofwel inspanningen vanuit de staat waarmee op geen enkele manier compensatie of meerkosten aan TSN zijn toegezegd.
Kunt u precies aangeven welke delen van de SOMO-analyse volgens u onjuist zijn, en wat volgens u wel de correcte ramingen zijn gezien uw reactie op het ESB stuk, dat het «onduidelijk is waar de aanvullende subsidies en bedragen op gebaseerd zijn.»?2
De onderzoekers van het SOMO hebben het Ministerie van KGG de kans gegeven om te reageren op een concept van het artikel, deze reactie van het ministerie is ook gepubliceerd in het ESB. Zoals ook aangegeven in antwoord 1 wordt het werk van het SOMO gewaardeerd, maar herkent het ministerie zich niet in de conclusies. Ook de berekeningen van het SOMO kunnen niet gevolgd worden. Dit is ook zo meegegeven aan het SOMO in de reactie op het conceptartikel. In deze reactie benadrukt het ministerie, net als in deze beantwoording, dat de inspanningsverplichtingen voor de staat en opzeggronden uit de JLoI geen enkele financiële garanties of enig recht op subsidies aan Tata Steel geven. De maatwerkafspraak wordt gemaakt op vrijwillige basis. Dit betekent dat TSN altijd zelf een overweging zal moeten maken om wel of niet tot een maatwerkafspraak over te gaan. Tata Steel kan gebruik maken van het generieke subsidie-instrumentarium, maar er zal geen aanvullende maatwerksteun worden gegeven. Volgens de staat en de Adviescommissie Maatwerk Verduurzaming Industrie is de beoogde maatwerksubsidie zeer kosteneffectief en kan zij leiden tot een grote CO2-reductie en de leefomgeving voor omwonenden fors verbeteren.
Welke drempelwaarde in euro’s of percentages hanteert de Staat bij de beoordeling of een kostenstijging «significant» of «aanzienlijk» is in de zin van artikel 15, vierde lid 4, van de Joint Letter of Intent (JLoI)? Indien u geen drempelwaarde kunt geven (vanwege de huidige onderhandeling), kunt u dan aangeven of überhaupt een drempelwaarde is vastgesteld, zonder deze te specificeren?
De opzeggronden, en zo ook artikel 15 lid 4, zijn opzettelijk niet verder ingekaderd en het benoemen van drempelwaardes kan de onderhandelingspositie van de staat schaden.
Welke oplossingen voor de drie opzeggronden (netwerkkosten, CO2-heffing, staalslakken) worden momenteel besproken met Tata Steel, gegeven de uitspraak van het bedrijf dat er «(zicht op) een oplossing moet zijn»3 om tot een maatwerkovereenkomst te komen?
Het voornemen van de partijen is om in september 2026 overeenstemming te bereiken over de definitieve maatwerkafspraak.
In algemene zin kan worden gezegd dat de vraagstukken op het gebied van de netwerktarieven en de CO2-heffing deel uitmaken van een breder beleidsvraagstuk waar generiek naar oplossingen wordt gekeken voor de hele industrie, en waar dus niet specifiek met TSN over wordt gesproken. Onder andere Gehrels5 en Van Kempen6 hebben in hun rapporten onderzoek gedaan naar beleidsmatige keuzes in klimaat- en energiebeleid waarin ook de opties voor de CO2-heffing en de netwerktarieven zijn meegenomen. Het is aan het volgende kabinet om hier een oplossing voor te kiezen en implementeren.
Voor staalslakken wordt op dit moment gewerkt aan de voorbereiding van (generieke) beleidsverbeteringen. Zoals dit voor iedere beleidsaanpassing geldt, wordt hierbij afstemming gezocht met het bedrijfsleven. Onderdeel van de afspraken uit de JLoI is een project voor de verbetering van de kwaliteit van staalslak (zie artikel 3.3.b en 6.1.b.II van de JLoI, en Annex II onder 3.B). Daarnaast neemt TSN verschillende maatregelen om de uitvoering van zijn zorgplicht met betrekking tot de behandeling en toepassing van staalslak te versterken (zie artikel 10.2.b van de JLoI).
Welke voorwaarden, garanties of risicoverdelingsmechanismen uit de JLoI worden naar verwachting overgenomen in de definitieve maatwerkafspraak? Welke komen te vervallen? Indien dit nog niet bekend is, per wanneer verwacht u hierover duidelijkheid te kunnen geven?
De JLoI bevat inspanningsverplichtingen en de contouren van de maatwerkafspraak, waaronder de beoogde doelen, projecten en het financiële kader. Het kabinet heeft de ambitie om uiterlijk eind september 2026 tot een definitieve maatwerkafspraak te komen. Zoals aangegeven bij antwoord 1 zal het kabinet de Kamer in de tussentijd waar mogelijk openbaar en waar nodig vertrouwelijk informeren over de voortgang van de onderhandelingen.
Welke factoren weegt u mee bij een besluit over het instellen van een kolenverbod? Behoren de geïnvesteerde 2 miljard euro en het risico op opzegging door Tata Steel tot die factoren?
Voor het behalen van de klimaatdoelstellingen is het voor de staat van belang om te borgen dat het industrieel gebruik van kolen op termijn wordt beëindigd. In artikel 11, lid 2 van de JLoI staat over het kolenverbod opgenomen: «Partijen treden met het oog op het aangaan van de maatwerkafspraak te goeder trouw met elkaar in overleg over de details van een mogelijk verbod op steenkool, rekening houdend met de redelijke belangen van zowel TSN als de Staat en onverminderd de bevoegdheid van de Staat om hiervoor beleid of wetgeving vast te stellen met inachtneming van de geldende wettelijke procedures.7»
De staat tracht met TSN privaatrechtelijke afspraken te maken over het beëindigen van het gebruik van kolen voor staalproductie door het bedrijf. Deze privaatrechtelijke afspraken sluiten de mogelijkheid niet uit om het einde van het kolengebruik door TSN ook publiekrechtelijk te borgen.
Het is aan de staat om hierover beleid of wetgeving vast te stellen en eventueel voorafgaand afspraken te maken in de maatwerkafspraak waarin dit ook opgenomen kan worden.
Tevens wil het kabinet graag benadrukken dat er nog geen sprake is van «de geïnvesteerde 2 miljard euro». Met de JLoI hebben de partijen zich gecommitteerd aan inspanningsverplichtingen om tot een maatwerkafspraak te komen, gebaseerd op de in de JLoI geschetste kaders. Pas na het overeenkomen van een definitieve maatwerkafspraak zal de subsidie vanuit de staat, in tranches bij het behalen van vooraf vastgestelde mijlpalen, worden uitgekeerd aan het bedrijf.
Kan Tata Steel bij deze formulering (artikel 11, tweede lid, van de JLoI) na ondertekening van een definitieve maatwerkafspraak een schadeclaim indienen tegen de Nederlandse staat indien de staat een kolenverbod instelt? Zo ja, wat is de maximale omvang van zo’n claim?
Zoals ook aangegeven in het antwoord op de vorige vraag is het aan de staat om wel/niet beleid of wetgeving vast te stellen over (de vormgeving van) een publiekrechtelijk kolenverbod. In geval van een publiekrechtelijk kolenverbod zal altijd rekening worden gehouden met het waarborgen van de belangen van de bedrijven die hieronder zouden komen te vallen, conform wetgeving.
Geldt het instellen van een verbod op kolen in Nederland als opzeggrond voor de JLOI? Zo nee, waarom geeft de CFO van Tata Steel India dan aan dat dit een voorwaarde is om te komen tot maatwerkafspraken4?
Nee, een verbod op het gebruik van kolen is niet een van de opzeggronden voor de JLoI. Op grond van artikel 11 van de JLoI is het wel opgenomen als onderwerp dat in de komende periode verder uitgewerkt wordt. Zie de beantwoording bij vraag 8 voor de bewoording van de bepaling uit de JLoI.
Welke argumenten heeft Tata Steel aangevoerd voor het opnemen van de opzeggronden bij hogere netwerkkosten, een nationale CO2-heffing, of nieuwe milieuregels voor staalslakken? Welke alternatieven zijn overwogen?
De maatwerkafspraak vraagt om een grote investering van het bedrijf en moederbedrijf, naast een subsidiebijdrage van de staat. Om tot een maatwerkafspraak te komen is het van belang dat het bedrijf een positieve businesscase ziet voor verduurzaming. De randvoorwaarden voor het doen van de investering zijn dus van belang.
TSN is een private onderneming die zelf verantwoordelijk is en blijft om investeringsbeslissingen te nemen en zicht te houden op een gezonde financiële toekomst. Het verlenen van een subsidie en het maken van een maatwerkafspraak gebeurt op vrijwillige basis en uiteindelijk moeten alle partijen dus bereid zijn om afspraken met elkaar te maken. Afgesproken is dat TSN de JLoI kan opzeggen als op een van de hierboven genoemde terreinen maatregelen worden geïntroduceerd (of uitblijven) waardoor de businesscase onhaalbaar wordt en het bedrijf mogelijk niet meer in staat is om de benodigde investeringen te doen. De opzeggronden doen geen enkele afbreuk aan de mogelijkheden van de staat om nieuw beleid op deze terreinen in te voeren of bestaand beleid aan te scherpen.
Klopt het dat de intentieverklaring Tata het recht geeft de deal op te zeggen als «nationaal beleid voor staalslakken de financiële positie aanzienlijk negatief beïnvloedt»? Betekent dit dat de overheid moet compenseren als staalslakken permanent verboden worden in de wegenbouw of andere toepassingen?
De specifieke opzeggrond rondom staalslakken staat in artikel 15, vierde lid onder c: «Het nationale beleid of de nationale beleidsmaatregelen met betrekking tot staalslakken veranderen op een zodanige wijze dat dit een aanzienlijk negatief effect heeft op de activiteiten, projecten, bedrijfsvoering of financiële positie van TSN.9» De opzeggrond over staalslakken heeft dus alleen betrekking op wijzigingen in nationaal beleid rondom staalslakken die de businesscase van TSN aanzienlijk negatief beïnvloeden. Het is expliciet niet zo dat het bedrijf dat bij elke wijziging van beleid zou kunnen doen. Het tijdelijke verbod op bepaalde toepassingen van staalslakken is geen verbod op de productie van staalslakken. Ook is relevant dat de markt voor de toepassing van staalslakken een internationale markt is; de mogelijkheden voor export beïnvloeden de businesscase dus ook. Nederland is momenteel het enige land ter wereld dat voor bepaalde toepassingen van staalslakken restricties oplegt.
Deze opzeggrond staat kortom niet in de weg bij het maken of aanpassen van nationaal beleid rondom staalslakken, maar biedt TSN in het geval dat dergelijk beleid de businesscase van TSN aanzienlijk negatief beïnvloedt de mogelijkheid de JLoI – de inspanningsverplichting om te komen tot bindende afspraken – op te zeggen.
De opzeggrond in de JLoI betekent niet dat de overheid TSN moet compenseren voor mogelijke extra kosten door nieuw beleid of maatregelen op het gebied van staalslakken. Deze opzeggrond doet ook geen enkele afbreuk aan de verplichting van het bedrijf om op verantwoorde wijze om te gaan met staalslakken, in overeenstemming met de huidige geldende wet- en regelgeving. Ook laat dit de mogelijkheden om het nationale beleid aan te scherpen onverlet.
Wat zijn de totale maatschappelijke kosten van staalslakken die Tata jaarlijks produceert (650.000 ton)? Kunt u een overzicht geven van alle saneringen en vervuiling schade, inclusief de situatie in Spijk (670.000 ton, geschatte sanering 100 miljoen euro), en aangeven wie voor deze kosten opdraait?
De productie van circa 650.000 ton staalslak per jaar door TSN leidt niet automatisch tot maatschappelijke kosten: die ontstaan alleen wanneer staalslak onjuist of in strijd met de zorgplicht is toegepast en daardoor milieuschade optreedt. Saneringen en kosten worden per locatie en per geval beoordeeld door het bevoegd gezag. Er is daardoor geen totaalbeeld beschikbaar en er bestaat geen landelijk overzicht van de totale maatschappelijke kosten van staalslak dat jaarlijks wordt geproduceerd, noch van alle saneringen en schadegevallen.
De situatie in Spijk, waar circa 670.000 ton staalslak is toegepast en lokaal wordt gesproken over een saneringsopgave van circa € 100 miljoen, betreft een locatiespecifieke raming en geen landelijk vastgestelde kosteninschatting. Wie voor herstel- en saneringskosten opdraait, is niet generiek vast te stellen en hangt af van de concrete omstandigheden. In beginsel is de toepasser verantwoordelijk voor juiste toepassing, mogelijke aansprakelijkheid van producent of leverancier indien wettelijke verplichtingen niet zijn nageleefd.
Zijn de kosten van staalslakkenverwerking en -sanering meegenomen in de totale businesscase van Tata Steel? Zo nee, wat is de reden hiervoor en wat is de omvang van deze kosten?
De beoogde maatwerksubsidie van 2 miljard euro valt uiteen twee delen: 1) een lening van 200 miljoen euro voor de aankoop van biomethaan en/of waterstof, en 2) 1,8 miljard euro aan investeringssteun voor de bouw van een Direct Reduction Plant en Electric Arc Furnace (DRP-EAF) en de extra milieumaatregelen. Alleen de investeringskosten van de projecten uit de JLoI komen in aanmerking voor deze investeringssteun van 1,8 miljard euro. Investeringskosten betreffen onder andere materiaal- en bouwkosten voor de DRP-EAF en voor de aanvullende milieumaatregelen. De huidige kosten voor staalslakkenverwerking en -sanering vallen hier dus niet onder.
Een van de projecten uit de JLoI is gericht op verbetering van de kwaliteit van staalslak (art. 3.3.b en 6.1.b.II JLoI en annex II onder 3.B). Dit betreft een innovatieve methode voor de verwerking van staalslak in de toekomst. Dit project is onderdeel van de JLoI (aanvullende milieumaatregelen) en zodoende wel meegenomen in de businesscase. Zoals in het antwoord op vraag 13 aangegeven is in beginsel de toepasser van staalslak verantwoordelijk voor de juiste toepassing.
Welke andere maatschappelijke kosten van Tata Steel’s operatie erkent u naast staalslakken, zoals gezondheidsschade door luchtvervuiling, stikstofuitstoot, en milieuschade? Kunt u deze kosten kwantificeren en aangeven in hoeverre deze worden meegewogen in de afweging over de subsidiedeal?
De bedrijfsactiviteiten van TSN zorgen, net als de activiteiten van ieder industrieel bedrijf, voor maatschappelijke baten (o.a. werkgelegenheid; investeringen in onderzoek en innovatie; belastingopbrengsten; strategische autonomie) en kosten (o.a. emissies van vervuilende stoffen en als gevolg daarvan gezondheids- en milieuschade en -risico's; emissies van broeikasgassen en als gevolg daarvan klimaatverandering). Het PBL heeft becijferd9 dat de totale milieuschade door Nederlandse industrie in 2022 € 9,6 miljard bedroeg. De bruto toegevoegde waarde van de Nederlandse industrie bedroeg in 2022 volgens CBS-cijfers € 102,8 miljard.
Bij het toepassen van de door het PBL gehanteerde methode op de specifieke maatschappelijke kosten als gevolg van uitstoot door Tata Steel zouden veel methodologische slagen om de arm moeten worden gehouden. Een dergelijke berekening zou dan ook niet veel zeggingskracht hebben. Om deze reden is deze dan ook niet meegenomen in de afwegingen en onderhandelingen over het wel of niet inzetten op een maatwerkafspraak met Tata Steel.
Dat neemt niet weg dat de inzet van het kabinet is om de maatschappelijke kosten van de bedrijfsactiviteiten fors te doen afnemen. Voor gezondheid specifiek geldt dat het RIVM op verzoek van het kabinet in kaart heeft gebracht welk causaal verband bestaat tussen bepaalde emissies door Tata Steel en gezondheidsschade bij omwonenden. Deze schade is uiteraard zeer onwenselijk en daarom is een belangrijk doel van de maatwerkafspraak om schadelijke emissies fors te reduceren. Daarbij ligt de focus op die stoffen waarvoor het causale verband tussen uitstoot en gezondheidsschade (door blootstelling op immissieniveau) het duidelijkst is. Die aanpak is in lijn met het advies van de Expertgroep Gezondheid IJmond.
Welke mechanismen voorziet u op te nemen in de definitieve maatwerkafspraak om te voorkomen dat de Staat gedwongen wordt tot aanvullende investeringen om eerder geïnvesteerd kapitaal te beschermen?
Zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 1 committeert de staat zich met de JLoI op geen enkele manier aan aanvullende investeringen boven op de beoogde maatwerksubsidie van 2 miljard euro.
In de JLoI staan een aantal mechanismen genoemd waarmee wordt geborgd dat de maatwerksubsidie wordt gebruikt voor het realiseren van de maatschappelijke doelen. Allereerst is er vooraf een grondige beoordeling van de businesscase gemaakt, waarin mogelijke financiële risico’s worden geïdentificeerd. De businesscase wordt getoetst door een financieel adviseur van de staat. Daarnaast zal tijdens de projectperiode de subsidie worden uitgekeerd in tranches; na het behalen van vooraf vastgestelde mijlpalen wordt een tranche voorlopig uitgekeerd. Dat betekent dat de staat de volgende tranche van de subsidie pas overmaakt als er voldoende voortgang is in de projecten en de subsidie wordt pas definitief vastgesteld als de afgesproken doelen zijn behaald. De laatste tranche van de subsidie wordt pas overgemaakt nadat alle projecten zijn opgeleverd. De staat heeft ook de mogelijkheid om de subsidie op te schorten als er een tekort blijkt om de projecten te realiseren. Ook zal een clawback mechanisme worden ingesteld om overcompensatie te voorkomen. In de JLoI staan ook de financiële verplichtingen van TSN en TSL, waaronder dat alle kosten voor de projecten buiten de € 2 miljard bijdrage van de staat voor rekening van Tata Steel zijn. De staat zal ook zekerheden krijgen om de verstrekte subsidie te beschermen. In de definitieve maatwerkafspraak zullen de afspraken en mechanismen nader worden uitgewerkt.
Wat betekent de formulering «as it currently stands» in Artikel 7 van de JLoI? Onder welke omstandigheden zou deze formulering niet meer gelden en zou vervolgfinanciering alsnog worden overwogen? Erkent u dat dit ruimte biedt voor toekomstige subsidieverzoeken?
Dit betekent dat de staat op dit moment geen realistisch scenario voor zich ziet waarin de tweede fase van de verduurzaming van TSN in aanmerking komt voor maatwerkondersteuning. Ten eerste is de kans op goedkeuring van de EC voor een tweede steunverzoek voor één bedrijf klein. Daarnaast zal de tweede fase pas medio jaren «30 worden uitgevoerd. Op dat moment zijn naar verwachting hoge EU ETS kosten en een goedwerkende CBAM in combinatie met een mogelijk kolenverbod aan de orde, waarmee er vermoedelijk geen sprake is van een onrendabele top en/of bovenwettelijke maatregelen. Dit alles maakt het zeer onwaarschijnlijk dat er überhaupt subsidie mag worden verstrekt voor deze fase.
Tegelijkertijd kan dit scenario nooit volledig uitgesloten worden, omdat zowel wet- en regelgeving als klimaatbeleid in de toekomst kunnen wijzigen en een bedrijf niet op voorhand uitgesloten kan worden van eventueel in de toekomst bestaande generieke subsidie-instrumenten. Zoals ook in het antwoord op vraag 1 is beschreven geldt daarnaast dat het ontvangen van een eventuele maatwerksubsidie niet betekent dat het bedrijf geen aanspraak kan maken op andere generieke duurzaamheidssubsidies, zoals bijvoorbeeld de SDE++ voor CCS.
Welke garanties (naast het terugbetalen van 200 miljoen euro) heeft de Staat dat de klimaatdoelstellingen daadwerkelijk worden behaald indien biomethaan niet beschikbaar of betaalbaar blijkt, gezien de analyse door SOMO dat als de biomethaanmarkt niet van de grond komt, Tata Steel afhankelijk blijft van LNG-import, waardoor de CO2-besparing grotendeels teniet wordt gedaan?
De grootste CO2 reductie wordt bereikt door over te stappen van kolen op aardgas. In de JLoI is overeengekomen dat TSN in de periode 2032–2037 het aardgas in de DRP zal vervangen door groene waterstof en/of biomethaan. Voor de aankoop van deze groene energiebronnen verstrekt de staat een lening van 200 miljoen euro. Indien er in de gehele periode geen groene waterstof en/of biomethaan wordt gekocht door TSN, moet de lening inclusief rente en een (eventuele) boete worden terugbetaald. Als de waterstof en/of biomethaan wel wordt ingekocht, wordt de lening (proportioneel) omgezet in een subsidie. Zie hiervoor ook artikel 7.2.2 van de JLoI. Verdere juridische waarborgen worden de komende tijd uitgewerkt en opgenomen in de maatwerkafspraak. Daarbij is het voorkomen van een lock-in op aardgas een van de eisen uit het relevante staatssteunkader van de EC, de Guidelines on State aid for climate, environmental protection and energy (CEEAG).
Zullen de CO2-reductiedoelstellingen via CCS (Carbon Capture and Storage) en biomethaan in de JLoI in de maatwerkafspraak worden omgezet in resultaatverplichtingen, of blijven het inspanningsverplichtingen?
Zoals ook aangegeven in het antwoord op de vorige vraag, is het voorkomen van een lock-in op aardgas een van de eisen die volgt uit het relevante staatssteunkader en zal TSN daar dus de benodigde stappen voor moeten zetten. De komende tijd zal verder worden uitgewerkt hoe dit als resultaatsverplichting kan worden vastgelegd in de definitieve maatwerkafspraak.
Hoeveel kubieke meter aardgas moet worden vervangen door biomethaan om de uitstoot van Tata Steel tussen 2032 en 2037 jaarlijks met 1,2 megaton omlaag te brengen?
Vanaf 2032 begint TSN met het inzetten van maximaal 0,5 bcm biomethaan per jaar in de DRP ter vervanging van aardgas. Hiermee kan een extra CO2-reductie tot 1,2 Mton per jaar worden bereikt.
Welke analyse heeft het kabinet gemaakt van het risico dat biomethaansubsidies de transitie naar een landbouwsysteem met minder dieren vertragen, gegeven dat mest als grondstof een economische prikkel vormt voor het in stand houden van de huidige veestapel?
Gezien er andere rest- en afvalstromen zijn die ook benut kunnen worden voor de productie van biomethaan, is er geen afhankelijkheid van mest. Daarnaast wordt ook import van biomethaan voorzien.
Het milieubeleid en de bijbehorende regelgeving in de landbouw, waar een vermindering van de omvang van de veestapel onderdeel van uitmaakt, bepaalt de hoeveelheid mest die geproduceerd wordt in Nederland. Het is verstandig om mest nuttig te gebruiken, zowel vanuit het oogpunt van het benutten van laagwaardige reststromen als vanuit de noodzaak om methaanemissie uit mest in stallen te voorkomen. Het kabinet houdt bij de vormgeving van biomethaanbeleid rekening met een krimp van de veestapel10. Waarbij een daling in de hoeveelheid beschikbare mest geen risico vormt voor het biomethaan beleid. Het kabinet zet samen met de landbouwsector in op innovaties, zoals stikstof- en ammoniakstrippers, om de bijdrage van vergisters aan de reductie van stikstof- en methaanemissies te vergroten.
Welk percentage van de productiekosten van biomethaan wordt momenteel gedekt door subsidies? Welke exitstrategie hanteert het kabinet om te voorkomen dat publieke middelen langdurig worden ingezet voor een sector die zonder subsidie niet rendabel is?
Hebt u kennisgenomen van de conclusie van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL)5 dat «verlies van biodiversiteit een reëel risico» is bij grootschalige biomassaproductie? Welke maximale hoeveelheid biomethaan acht het kabinet duurzaam produceerbaar in Nederland zonder negatieve effecten op biodiversiteit en landgebruik?
De binnenlandse productie van biomethaan wordt o.a. gesubsidieerd via de SDE++. De SDE++ dekt de onrendabele top af, de hoogte van de subsidie ligt niet vast en hangt onder meer af van de opbrengsten uit de geleverde energie en hangt dus af van de marktprijs van biomethaan.
Het doel van de maatwerkafspraak met TSN is, naast de realisatie van schone en groene staalproductie in de IJmond, juist ook om een duurzaam verdienmodel te realiseren (zonder structurele subsidies). Er moet daarbij zicht zijn op winstgevendheid van de onderneming, voordat een eventuele subsidie toegekend wordt. Het Groen Staal Plan betreft een zeer omvangrijke investering van TSN en het moederbedrijf Tata Steel Limited (TSL). Het bedrijf zal niet investeren zonder zicht op een lange termijn verdienmodel. Daarnaast zijn ook strenge voorwaarden verbonden aan een subsidie die verleend wordt door de overheid. Op basis van de Europese regels voor staatssteun voor verduurzaming die van toepassing zijn, geldt dat steun niet ingezet mag worden om een verlieslatend bedrijf overeind te houden. De EC toetst hier streng op.
Hoeveel hectare landbouwgrond of organisch restmateriaal is nodig voor de productie van 0,5 miljard m3 biomethaan per jaar die Tata Steel beoogt af te nemen?
Biomethaan kan via verschillende methodes en op basis van verschillende reststromen geproduceerd worden. Er kan daarom niet een generiek aantal hectares gekoppeld worden aan de productie van 0,5 bcm biomethaan. De mogelijke nationale biomethaan productie is afhankelijk van de hoeveelheid grondstoffen (doorgaans rest- en afvalstromen) die beschikbaar komen in de maatschappij, niet andersom. In een recent rapport12 dat is opgesteld in opdracht van het kabinet, is becijferd dat in Nederland een productiepotentie is die oploopt van 1,4 bcm in 2035 tot 2,8 bcm in 2050. Daarnaast is het voor TSN ook mogelijk om biomethaan te importeren vanuit bijvoorbeeld Europese landen, via het bestaande gasnetwerk. Het importpotentieel voor Nederland loopt volgens dit rapport tussen op van 3,3 bcm in 2035 tot 7,4 bcm in 2050. Externe adviseur Common Futures schat het Europese productiepotentieel voor biomethaan productie op 100 bcm, meer dan genoeg om aan de vraag van TSN te voldoen13. Het rapport van Common Futures is meegestuurd bij verzending van de JLoI aan de Tweede Kamer.
Onder welke omstandigheden zou het kabinet overwegen om voor fase 2 van het verduurzamingsplan alsnog subsidie te verstrekken, hetzij via maatwerk, hetzij via generieke instrumenten, zoals SDE++ of NIKI? Welk maximumbedrag is hiervoor denkbaar?
Zie het antwoord op vraag 17.
Bent u bekend met de uitspraken van de CFO van Tata Steel Limited tijdens de kwartaalcijferpresentatie6, waarin hij stelt: «We did not want to go that hydrogen route. Hydrogen is uncertain on availability and economics, so we are focused on natural gas with an optionality of the auctioning of biomethane»? Komen deze uitspraken overeen met de aannames in de JLoI over de toekomstige energiedragers?
Het verduurzamingsplan van TSN uit november 2023 waarin wordt uitgegaan van de bouw van een DRP-EAF op waterstof vormt nog altijd de basis voor de JLoI met TSN. Het beeld dat de CFO van TSL schetst dat de beschikbaarheid en prijzen van waterstof onzeker zijn, wordt herkend. De ontwikkeling van de waterstofmarkt gaat trager dan voorzien ten tijde van het opstellen van het verduurzamingsplan door TSN. Om deze reden zijn de plannen van TSN ook verder doorontwikkeld en heeft biomethaan een rol gekregen. Echter, om de beoogde CO2-reductie te realiseren en aan de eisen van het staatssteunkader te voldoen zal TSN moeten overstappen op groene energiebronnen. De staat wil deze overstap ondersteunen met een subsidie in de vorm van een lening die TSN moet gebruiken om groene waterstof en/of biomethaan aan te kopen via tenders. De tenders voor biomethaan en groene waterstof moeten in de markt worden gezet, deze zogenaamde «auctioning» is verplicht en geen «optionality». Indien TSN in de periode 2032–2037 geen waterstof of biomethaan koopt, zal de lening moeten worden terugbetaald met rente en een eventuele boete.
Heeft u er kennis van genomen dat de CFO van Tata Steel Limited stelt dat biomethaan pas «much later, post 2035» relevant wordt voor Tata Steel Nederland7, terwijl de JLoI uigaat van overschakeling naar biomethaan vanaf 2032? Welke van deze twee tijdlijnen is correct?
In de JLoI is afgesproken dat TSN in de periode 2032–2037 gaat overstappen op groene waterstof en/of biomethaan. Zoals in het antwoord op de vorige vraag aangegeven gaat TSN hiervoor tenders in de markt zetten. Over de precieze voorwaarden van deze tenders zullen afspraken worden gemaakt tussen de overheid en het bedrijf. Wanneer exact wordt overgestapt is afhankelijk van het slagen van deze tenders. Het zou dus kunnen voorkomen dat het in 2032 niet gelijk lukt om de volledige volumes in te kopen. Dan zou de overstap op groene energiebronnen later in de tijd gemaakt worden en wordt de bijbehorende CO2-reductie dus ook later gerealiseerd. De doelen en waarborgen voor het behalen van deze doelen worden de komende tijd uitgewerkt en opgenomen in de maatwerkafspraak.
Hoe interpreteert u de uitspraak van de CFO die stelt dat het «possible [is] to buy it on paper, as a hedge, if the physical does not flow»8? Betekent dit dat Tata Steel voornemens is biomethaan slechts administratief in te kopen via certificaten, zonder daadwerkelijk fysiek biomethaan te gebruiken?
Het proces met certificaten bij biomethaan werkt vergelijkbaar met het aankopen van groene elektriciteit met certificaten. Omdat transport via pijpleiding de meest duurzame en efficiënte transportmethode voor gassen is worden biomethaan en aardgas beiden in het reguliere Europese gasnet ingevoed. Hiermee ontstaat een mix van biomethaan en aardgas die alleen onderscheiden kan worden middels certificering. Met de certificaten kan de duurzame herkomst van de biomethaan worden aangetoond en de CO2-reductie van het gebruik van biomethaan worden toegekend.
In de JLoI staat opgenomen dat TSN alleen biomethaan mag gebruiken dat voldoet aan de duurzaamheidseisen van de Europese Unie (RED II). TSN zal de duurzaamheid van de gekochte biomethaan moeten aantonen met zowel een Garantie van Oorsprong (GvO) als een Proof of Sustainability certificaat. Hiermee is de duurzaamheid en de CO2-reductie die gepaard gaat met het gebruik van biomethaan geborgd.
Om de benodigde hoeveelheid biomethaan te kunnen inkopen zal TSN, naast het inkopen van in Nederland geproduceerde biomethaan, ook biomethaan (via certificaten) moeten importeren uit andere Europese landen. Vanwege de mondiale afspraken over emissiestatistieken tellen buitenlandse GvO’s niet mee voor de doelen in de nationale Klimaatwet, omdat de emissiereductie meetelt in het land waar biomethaan wordt geïnjecteerd in het gasnet. Het telt juridisch gezien wel mee als emissiereductie onder het EU-ETS. Echter, vanwege praktische beperkingen is dit binnen het ETS op het moment nog niet mogelijk. Er is namelijk nog geen Europese databank/monitoringssysteem om dubbeltelling van GvO’s te voorkomen. Hierdoor tellen momenteel in Nederland alleen Nederlandse GvO’s voor CO2-reductie onder het EU ETS. Op basis van gesprekken met de EC en de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) is de verwachting dat tegen de tijd dat TSN overstapt op biomethaan de Europese Union Database for Biofuels is geïmplementeerd, waardoor dubbeltelling van GvO’s wordt voorkomen en ook buitenlandse GvO’s kunnen meetellen onder EU ETS.
Voor de gezondheidswinst van de omwonenden maakt het niet uit of TSN aardgas of biomethaan gebruikt. Deze gassen zijn chemisch gezien namelijk exact hetzelfde samengesteld, waardoor de effecten op gezondheid ook gelijk zijn. De grootste gezondheidswinst wordt gerealiseerd door de overstap van kolen op aardgas.
Welke consequenties heeft het voor de daadwerkelijke CO2-reductie als Tata Steel inderdaad biomethaan «op papier» zou inkopen in plaats van fysiek? En welke consequenties heeft dit voor de gezondheidswinst van omwonenden die met deze deal beoogd worden?
Zie antwoord vraag 28.
Wanneer is het idee van het gebruik van biomethaan precies op tafel gekomen, wie heeft dat precies ingebracht (Tata Steel Nederland, Tata Steel India, de Nederlandse Staat, of anders) en welke afwegingen lagen hieraan ten grondslag? Kunt u daar een tijdlijn van schetsen? Kunt u ons alle correspondentie sturen die te maken heeft met biomethaan en Tata Steel tussen het ministerie en externen en ook de interne correspondentie hierover sinds de onderhandelingen zijn begonnen (conform informatieplicht)?
Het uitgangpunt voor de verduurzaming van TSN is nog altijd het plan van TSN: het bouwen van een DRP-EAF op groene waterstof. In landen om ons heen zien we dat staalproducenten hun verduurzamingsplannen op basis van waterstof heroverwegen (ThyssenKrupp in Duitsland), uitstellen (ArcelorMittal in België) of niet uitvoeren en de verkregen subsidie teruggeven (ArcelorMittal in Duitsland). Daarnaast is de afgelopen jaren de ontwikkeling van de waterstofmarkt langzamer op gang gekomen dan eerder verwacht. Vanwege het belang om uiteindelijk over te gaan op groene energiebronnen en verdere CO2-reductie te realiseren, is daarom door partijen onderzocht of een andere groene energiebron een mogelijkheid zou zijn.
In het staalproductieproces is koolstof nodig als grondstof om van ijzer staal te maken. Ook bij staalproductie op basis van waterstof is er altijd nog een koolstofbron nodig om staal te kunnen maken. Een duurzame koolstofbron hiervoor is biomethaan. Momenteel gebruikt TSN al biomethaan ter vervanging van aardgas in een aantal processen. TSN heeft dus al ervaring opgedaan met het aankopen en inzetten van biomethaan.
De overheid ziet biomethaan als een belangrijke duurzame koolstof- en energiebron voor processen waar andere technologieën zoals elektrificatie niet toereikend zijn. Om de biomethaan-markt verder op te schalen wordt biomethaan-productie gestimuleerd middels de SDE++ en aan de afname kant komt er een bijmengverplichting voor ETS2 sectoren voor biomethaan. Daarbij, zoals de AMVI in haar advies ook onderstreept, kan de vraag van grote industriële afnemers zoals TSN ook bijdragen aan marktontwikkeling door het bieden van lange termijn afnamezekerheid aan producenten. Uit het recent door Guidehouse afgeronde onderzoek naar de lange termijn productie en inzet van biomethaan komt staal naar voren als een van de sectoren waar biomethaan een goedkoper alternatief is dan waterstof, mede door de hoogwaardige inzet als grondstof17.
Gegeven de hierboven geschetste ontwikkelingen en nieuwe inzichten is de inzet van biomethaan (naast waterstof) opgenomen in het plan van TSN. De mogelijkheid om biomethaan of waterstof in te zetten in plaats van alleen waterstof geeft meer mogelijkheden om uiteindelijk een verdere verduurzamingsslag te maken. Het is aan de onderneming om – afhankelijk van de ontwikkelingen – te kiezen voor biomethaan of groene waterstof.
Bij het versturen van de Kamerbrief over de ondertekening van de JLoI is ook het rapport van Common Futures meegestuurd18. Dit rapport gaat nader in op de mogelijkheden van biomethaan. In bovengenoemd antwoord is geschetst hoe, naast de mogelijkheid van waterstof, ook de mogelijkheid van biomethaan is opgenomen in de JLoI. Het is op dit moment niet mogelijk om alle correspondentie sinds de onderhandelingen over biomethaan te delen, dit zou namelijk de onderhandelingspositie van de staat kunnen benadelen.
Hoe strookt de timing van deze verandering van het idee om waterstof te gebruiken naar het idee om biomethaan te gebruiken met het feit dat de technische review van het groen staalplan mid 2024 is uitgevoerd, en de economische review begin 2025 al is afgerond9? Heeft Mott Macdonald daarmee de meest recente plannen beoordeeld?
De technische en financiële adviseurs van de staat hebben hun reviews voortdurend gedaan, en dus ook op basis van de laatste, doorontwikkelde versie van de plannen, zoals deze ook in de JLoI zijn opgenomen. De DRP-EAF is flexibel voor wat betreft het gebruik van aardgas, waterstof en biomethaan. Omdat aardgas en biomethaan chemisch exact hetzelfde zijn heeft een aanpassing van gebruikte volumes geen invloed op de technische review. Waterstof is sinds het begin van dit traject onderdeel van de plannen en is ook meegenomen in de technische review. De review van de te behalen CO2-reductie met biomethaan was onderdeel van de environmental review van begin 2025.
Heeft u de uitspraken van de CFO van Tata Steel Limited tijdens de earnings call van 6 november 2025 voorgelegd aan Tata Steel Nederland met het verzoek om opheldering? Zo ja, wat was de reactie? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen en de Kamer over de uitkomst te informeren?
De uitspraken die TSN en TSL in dit soort bijeenkomsten voor aandeelhouders doen zijn aan hen. De in de JLoI vastgelegde doelen, projecten en het financiële kader zijn overeengekomen door alle partijen. Op basis hiervan wordt de definitieve maatwerkafspraak uit onderhandeld.
Is het een voorwaarde voor de uitkering van de maatwerksubsidie van 200 miljoen euro dat Tata Steel biomethaan of groene waterstof fysiek bijmengt in de installaties? Is het ook toegestaan dat Tata Steel met die subsidie groencertificaten inkoopt uit het buitenland? Zo ja, hoe draagt dit dan bij aan het behalen van de Nederlandse klimaat- en biodiversiteitsdoelen?
Nee, dat is geen voorwaarde. TSN mag ook gebruik maken van certificaten en inkopen uit het buitenland. Zie verder het antwoord op vraag 28 en 29.
Kan Tata Steel aanspraak maken op de SDE++ of andere subsidieregelingen voor het eventueel inkopen van groencertificaten voor biomethaan of groene waterstof?
De SDE++ is een exploitatiesubsidie en kan zodoende niet worden gebruikt om biomethaan of groene waterstof aan te kopen. TSN krijgt een maatwerksubsidie voor de aankoop van (gecertificeerde) biomethaan en/of groene waterstof (de lening van 200 miljoen euro). Binnen de geldende staatssteunkaders is het niet toegestaan om dezelfde kosten dubbel te financieren met verschillende subsidies. RVO voert altijd een cumulatietoets uit, waarmee getoetst wordt of er sprake is van overstimulering. Dit zal ook worden gedaan als er een aanvraag komt voor steun vanuit een andere regeling voor de aankoop van groencertificaten. Indien een deel toch gesubsidieerd kan worden, zal de subsidie nooit hoger zijn dan het toegestane plafond.
Hoe beoordeelt u dit risico op precedentwerking, zoals gesteld in het ESB artikel: «Als Tata bijvoorbeeld een uitzondering krijgt op de nationale CO2-heffing, hoe kan een nieuw kabinet dan andere bedrijven een nationale heffing opleggen?»
Zie voor dit antwoord de inleidende tekst onder antwoord 1. Er is geen sprake van dat TSN een uitzondering zou kunnen krijgen op de nationale CO2-heffing. Het beleid rondom deze heffing heeft een generieke werking die van toepassing is op alle bedrijven. Indien (nieuw) beleid op dit punt leidt tot een substantiële negatieve impact op de businesscase van TSN, is het aan TSN om een afweging te maken of zij de JLoI op willen zeggen op basis van deze opzeggrond.
Overweegt u een tegemoetkoming voor alleen Tata van netwerkkosten en de CO2-heffing, of zou dit altijd voor alle bedrijven gelden?
Er wordt geen specifieke tegemoetkoming aan TSN voor de netwerkkosten en de CO2-heffing overwogen, omdat het generiek beleid betreft dat voor alle bedrijven binnen een sector geldt. Een oplossing zal dus altijd gevonden moeten worden via een generieke beleidswijziging, zie ook het antwoord op vraag 1.
Heeft het kabinet een impactanalyse gemaakt van de precedentwerking van de Tata-deal voor andere maatwerkafspraken? Zo ja, kunt u deze met de Kamer delen?
De steuncasus voor TSN is dermate specifiek (er zijn geen andere (staal)fabrikanten of maatwerkbedrijven in Nederland die een soortgelijke CO2-reductie kunnen realiseren), dat een definitieve maatwerkafspraak niet kan worden gekopieerd naar andere gevallen en de precedentwerking van de afspraken op nihil wordt ingeschat.
Op welke gronden kunt u een verzoek van een ander bedrijf om dezelfde opzeggronden als Tata Steel (netwerkkosten, CO2-heffing) afwijzen zonder in strijd te handelen met het gelijkheidsbeginsel?
Er wordt geen uitzondering gemaakt voor een bedrijf in de maatwerkaanpak. Met bedrijven die onderdeel zijn van de maatwerkaanpak wordt gesproken over de benodigde randvoorwaarden om te kunnen investeren Een maatwerkafspraak is een vrijwillig traject. Bedrijven moeten altijd zelf een overweging maken om wel of niet tot een maatwerkafspraak over te gaan.
Waarom is, gegeven de autonome prikkel vanuit het ETS (vanaf 2031 verdwijnen 78% van de gratis emissierechten voor Tata Steel, en vanaf 2034 vervallen deze volledig), een aanvullende maatwerksubsidie van 2 miljard euro noodzakelijk?
Voor de beoogde maximale subsidie voor de verduurzamingsprojecten van 1,4 miljard euro is gekeken naar de businesscase van het project zodat er niet meer steun wordt gegeven dan de onrendabele top van het project. De verwachte ETS kosten alleen blijken onvoldoende om deze investering rendabel te maken. Investeringssteun is noodzakelijk om tot een investeringsbeslissing te kunnen komen. Dit wordt ook getoetst door de EC voordat een eventueel steunverzoek wordt goedgekeurd. Alle Europese staalfabrikanten moeten verduurzamen en ook zij hebben hiervoor steun nodig vanuit de overheden. In de beoogde maatwerksubsidie van 2 miljard euro is 600 miljoen euro gereserveerd voor de milieumaatregelen, deze 600 miljoen euro subsidie levert geen CO2-reductie op.
Hoeveel jaar eerder dan de ETS-verplichting (netto-nul in 2040) bereikt Tata Steel met dit plan netto-nul uitstoot? Wat zijn de kosten per jaar versnelling?
In de JLoI is opgenomen dat TSN ernaar streeft om uiterlijk 2045 en zo snel als redelijkerwijs mogelijk is klimaatneutraliteit te bereiken. Het ETS is een handelssysteem met een emissieplafond dat afloopt. Het feit dat er geen gratis rechten meer worden uitgekeerd betekent niet dat een bedrijf geen CO2 meer uit kan stoten. Zo kunnen rechten worden gekocht of overgehouden rechten van eerdere jaren worden meegenomen en later ingezet. Het ETS is een prikkel om CO2 te reduceren en zorgt ervoor dat er geen nieuwe rechten meer worden uitgegeven na 2039.
Bent u bereid om, alvorens een definitieve maatwerkafspraak te sluiten, de Kamer een integrale kosten-batenanalyse te doen toekomen waarin alle directe en indirecte kosten van de deal zijn opgenomen, inclusief de kosten van de zes voorwaarden uit de intentieverklaring?
Zoals in het antwoord op vraag 1 is toegelicht, worden er geen extra kosten voor TSN voor de door SOMO aangehaalde punten voorzien. De kosten en baten van de plannen in de JLoI zijn door de AMVI beoordeeld in termen van de doelmatigheid van de steun, waarbij zij aangeeft dat er een aanzienlijke emissiereductie wordt bereikt tegen relatief lage kosten. De financieel adviseur van de staat ziet toe op de onderbouwing en haalbaarheid van de businesscase. Ook de EC toetst hierop. Het rapport van de financiële adviseur zal bij de definitieve maatwerkafspraak openbaar worden gemaakt.
Bent u bereid de Kamer vooraf te informeren over de risicoverdeling in de definitieve maatwerkafspraak, zodat de Kamer kan beoordelen in hoeverre publieke middelen worden ingezet om private risico’s af te dekken?
De Kamer wordt regelmatig, waar mogelijk openbaar en waar nodig vertrouwelijk, geïnformeerd over de voortgang van de maatwerkafspraken met Tata Steel, bijvoorbeeld via Kamerbrieven en technische briefings. Ook in de toekomst zal het kabinet dit blijven doen. Indien gewenst kan de stand van zaken op dit vlak worden toegelicht in een (vertrouwelijke) technische briefing.
Kunt u toezeggen dat een definitieve maatwerkafspraak niet wordt gesloten zonder expliciete instemming van de Kamer, gegeven de omvang van de publieke middelen en de structurele aard van de verplichtingen?
Bij maatwerkafspraken is – zoals vaker met de Tweede Kamer is gecommuniceerd – het geëigende moment om te spreken over de contouren van de maatwerkafspraak op het moment dat de JLoI aan de Kamer wordt gestuurd. Daarna gaat het kabinet immers proberen te komen tot een afspraak binnen de kaders van die JLoI. Het kabinet gaat dan ook graag met de Tweede Kamer over de JLoI in gesprek tijdens het nog in te plannen plenaire debat dat is aangevraagd. Daaraan voorafgaand zal ook een technische briefing worden georganiseerd over de JLoI met TSN. Voor wat betreft de finale maatwerkafspraak en de financiële implicaties daarvan geldt – zoals ook aangegeven in de Kamerbrief over het vaststellen van het mandaat voor de onderhandelingen over de maatwerkafspraak met Tata Steel – dat deze onder voorbehoud van parlementaire autorisatie van de begroting is.20
Gezien het feit dat de commissies die ingesteld zijn om te adviseren over de maatwerkafspraken (AMVI en Expertgroep Gezondheid IJmond) in hun advies aangeven dat onder andere de financiële modellen en bijbehorende aannames rondom het Groen Staalplan «nog niet in een finale fase» waren ten tijde van hun advies10, bent u bereid een volgende versie inclusief de relevante aannames alsnog aan hen voor te leggen voor advies? Zo nee, hoe beoordeelt u dan het feit dat deze commissies advies hebben moeten geven terwijl nog grote (financiële) aannames niet transparant waren en dus niet getoetst konden worden?
De AMVI adviseert in haar advies om «een professionele partij een rapport/verklaring af te laten geven ten aanzien van de werking van de modellen, modelopbouw, analyse van aannames, validatie van uitkomsten en werking van de scenario’s». Dat advies neemt het kabinet over. Zo zullen, in lijn met het advies, verschillende scenario’s worden uitgewerkt waarmee de financiële implicaties van een aantal scenario’s inzichtelijk worden gemaakt. De financiële beoordeling van de businesscase is met een grondige toets van externe, onafhankelijke financieel adviseurs, die hierover met een definitieve maatwerkafspraak een openbaar rapport over zullen uitbrengen en controle door de EC op proportionaliteit voldoende geborgd.
Welke due diligence heeft de Staat gaat de op de financiële modellen van Tata Steel voordat de JLoI werd getekend om de businesscase te toetsen? Welke externe financiële adviseur heeft de Staat hierbij betrokken en wat waren de conclusies van dit advies?
De staat wordt vanaf de start van de gesprekken over een maatwerkafspraak met TSN bijgestaan door externe adviseurs. Zo zijn onder andere de financiële modellen getoetst door onze adviseur KPMG. Ook wordt een technisch, commercieel en dus ook financieel due diligence gedaan door verschillende experts die de overheid bijstaan in dit traject. Voor de definitieve maatwerkafspraak zullen de finale financiële modellen eveneens opnieuw door de externe financieel adviseurs worden getoetst. De adviseurs zullen ook een openbaar rapport opstellen dat meegestuurd kan worden bij een definitieve maatwerkafspraak. Tot slot is en wordt de businesscase ook door de EC getoetst op o.a. proportionaliteit.
Bent u bereid volledige transparantie te bieden over alle financiële implicaties, inclusief maatschappelijke kosten zoals staalslakkenverwerking, een onafhankelijke second opinion op de businesscase en alle structurele kostenposten, voordat u de Kamer om instemming met de definitieve overeenkomst vraagt?
Zoals ook aangegeven in het antwoord op de vorige vraag is de businesscase uitvoerig getoetst door de adviseurs van de staat en door de EC. Bij de definitieve maatwerkafspraak zullen ook stukken van de adviseurs openbaar worden gemaakt. Hiermee wordt volgens het kabinet volledige transparantie geboden binnen de mogelijkheden die er zijn, rekening houdend met de bedrijfsvertrouwelijke informatie die de staat ontvangt en waar prudent mee moet worden omgegaan. De Kamer kan desgewenst tussentijds (vertrouwelijk) worden geïnformeerd over de voortgang van de onderhandelingen over de maatwerkafspraak.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het plenaire debat over de JLoI met Tata Steel?
Ja.
Het bericht 'Servische regering treitert buitenlandse supermarkten, Ahold Delhaize gaat winkels sluiten' |
|
André Flach (SGP), Chris Stoffer (SGP) |
|
Vincent Karremans (VVD), Aukje de Vries (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel in Het Financieele Dagblad van 12 november 2025, getiteld «Servische regering treitert buitenlandse supermarkten, Ahold Delhaize gaat winkels sluiten»?1
Ja.
Klopt het dat Ahold Delhaize in Servië vanwege aanzienlijke financiële verliezen 25 winkels heeft moeten sluiten en dat honderden werknemers hun baan verliezen als direct gevolg van het prijsplafond dat de Servische regering heeft ingevoerd? Zo ja, wat is uw reactie hierop?
Volgens Ahold Delhaize heeft het door de Servische regering ingestelde prijsplafond aanzienlijke gevolgen gehad voor de activiteiten van Delhaize Servië, waaronder de sluiting van een aantal winkels. Nederland volgt de situatie met zorg en heeft het belang van een voorspelbaar investerings- en ondernemingsklimaat op verschillende niveaus bij Servië onder de aandacht gebracht. Servië voerde deze maatregel in, vanwege hoge inflatiecijfers. Deze zijn echter weer gedaald.
Zo heb ik persoonlijk bij de Servische Ministers van Handel en van Financiën mijn zorgen geuit over de impact van het retail margin cap-decreet op het zaken- en investeringsklimaat in Servië en de gevolgen voor Ahold Delhaize in Servië.
Deelt u de mening dat de Servische regering met deze maatregel ingrijpt in de vrije interne markt?
Het kabinet acht de maatregel marktverstorend en is van mening dat deze op gespannen voet staat met de economische criteria bij EU-toetreding, zoals ook benoemd in de recente kabinetsappreciatie van het jaarlijkse uitbreidingspakket (Kamerstuk 23 987, nr. 398). Nederland weegt dit daarom zeker mee bij het EU-toetredingsproces van Servië. Servië maakt geen onderdeel uit van de interne markt van de EU.
Bent u bereid de Servische regering op te roepen deze maatregel zo spoedig mogelijk in te trekken, omdat deze in strijd is met de Stabilisatie- en associatieovereenkomst met Servië en de nodige vragen oproept over het Servische EU-kandidaat-lidmaatschap?
Ik heb er bij mijn Servische collega’s voor gepleit de maatregelen zo snel mogelijk in te trekken en geen andere maatregel in te voeren met vergelijkbare gevolgen en impact op het zaken- en investeringsklimaat in Servië.
Bent u bereid de Servische ambassadeur te ontbieden om uitleg te vragen over deze maatregel, die verliezen voor supermarkten veroorzaakt en banen op het spel zet?
Nederland heeft de Servische autoriteiten op verschillende niveaus aangesproken om uitleg te vragen over deze maatregelen en de Servische autoriteiten aan te sporen deze zo spoedig mogelijk op te heffen.
Deelt u de kritiek op Servië, zoals verwoord in het recente toetredingsrapport van de Europese Commissie, dat maatregelen als een prijsplafond de markt verstoren en buitenlandse investeringen ontmoedigen?
Ja, het kabinet deelt de zienswijze dat de maatregelen marktverstorend zijn en een negatieve impact kunnen hebben op het ondernemings- en investeringsklimaat in Servië, en daarmee buitenlandse investeringen ontmoedigen.
Welke acties ondernemen het kabinet en de Europese Commissie om ervoor te zorgen dat marktverstorende maatregelen door de regering-Vucic zo snel mogelijk worden beëindigd?
Het kabinet heeft de Servische autoriteiten hier op verschillende niveaus op aangesproken. Ook heeft het kabinet de Europese Commissie opgeroepen om haar contacten met Servië aan te wenden om de kwestie ter discussie te stellen. Zowel het kabinet als de Europese Commissie zijn in contact met de Servische autoriteiten over de negatieve gevolgen van het maatregelenpakket.
Het bericht 'Bedrijven zetten recherche in bij ziekmeldingen werknemers: ’Toen bleek hij ergens anders aan het werk te zijn’' |
|
Daan de Kort (VVD) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Wat is volgens u de oorzaak van het feit dat Nederland meer (deels) arbeidsongeschikten heeft dan de meeste andere Europese landen? Bent u het ermee eens dat er in ons stelsel in Nederland juist «prikkels» zijn die erop gericht zijn om dit te voorkomen? Welke van dit soort prikkels zijn er aanwezig in ons stelsel? Welke hiervan liggen bij werkgevers, welke bij werknemers en welke bij uitvoeringsinstanties?1 2 3 4
Er zijn diverse verklaringen voor waarom het aandeel arbeidsongeschikten per land verschillend is. Voor een deel zitten de verschillen bijvoorbeeld al in de definitie van arbeidsongeschiktheid en de voorwaarden om recht te krijgen op een arbeidsongeschiktheidsuitkering. En in welke soorten uitkeringen in de statistieken meetellen als arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Een van de verklaringen voor de internationale verschillen die ook in één van de in de vraag aangehaalde krantenartikelen staat, is dat in Nederland wordt beoordeeld in hoeverre iemand nog wel kan werken naast een arbeidsbeperking. Dat is niet in alle andere landen zo. Hierdoor zijn er weliswaar in verhouding meer mensen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering, maar een relatief groot deel van die mensen werkt ook naast de uitkering. Daarnaast spelen de relatief hoge arbeidsongeschiktheidsuitkeringen in Nederland mogelijk een rol. Ook heeft Nederland relatief veel mensen die werken in een tijdelijke arbeidsovereenkomst en blijft de re-integratie van deze groep werknemers achter.5 Verschillen tussen socialezekerheidsstelsels en statistieken daarover daarvan moeten altijd met de nodige voorzichtigheid worden geïnterpreteerd.
Vooral na problemen met de hoge instroom in de toenmalige WAO, zijn verschillende prikkels ingevoerd om re-integratie bij ziekte en arbeidsongeschiktheid te bevorderen en het aantal arbeidsongeschiktheidsuitkeringen te beheersen. Die prikkels zitten door het hele stelsel, vanaf de periode van loondoorbetaling bij ziekte tot in de uitkeringshoogte en premiebetaling voor de ZW en de WIA. Voor werkgevers zijn de belangrijkste prikkels de wettelijke verplichting om gedurende de eerste twee jaar van ziekte 70% van het loon door te betalen en zich in te spannen voor re-integratie. De wettelijke loondoorbetaling van 70% geeft de werknemer ook een financiële prikkel om zo snel mogelijk het werk te hervatten, hoewel werkgevers en werknemers in CAO’s vaak bovenwettelijke aanvullingen afspreken tot 100% loondoorbetaling waarmee deze prikkel vermindert of verdwijnt. Ook heeft de werknemer in deze periode de verplichting om mee te werken aan re-integratie.
Als de werknemer na die twee jaar recht krijgt op een WIA-uitkering, dan betaalt de (oud-) werkgever nog maximaal 10 jaar mee aan de uitkering van deze werknemer. Als de werknemer instroomt in de WIA en nog arbeidsvermogen heeft, bestaan de belangrijkste prikkels voor de werknemer uit:
In hoeverre is het hoge verzuimniveau te verklaren door macrotrends, zoals een stijging van mentale klachten, de «hypernerveuze» samenleving, deeltijdcultuur met voltijdse taaklast, een krappe arbeidsmarkt en toegenomen werkdruk?
Een deel van het verzuim in Nederland kan door macrotrends en ontwikkelingen in de samenleving en op arbeidsmarkt worden verklaard.
Uit de tweejaarlijkse Arbobalans6 van TNO, in opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, volgt dat van het totale ziekteverzuim in Nederland ongeveer 8% komt door psychische klachten. Na griep, verkoudheid en virusinfecties zijn psychische klachten hiermee de tweede reden die werknemers voor 2024 opgeven voor verzuim.7
Uit verschillende onderzoeken blijkt dat meer mensen psychische problemen ervaren en vaker verzuimen op het werk. De Raad voor Volksgezondheid en Samenleving (RVS) concludeert in een recent rapport dat onze «hypernerveuze samenleving» de mentale gezondheid onder druk zet.8 De toename van uitval door psychische klachten komt voort uit een samenspel van maatschappelijke, werkgerelateerde en individuele factoren. De toename van psychische aandoeningen in de WIA-instroom is geen uniek Nederlands verschijnsel en is ook niet inherent verbonden aan ons stelsel. Het past in een bredere, internationale, trend.9
Afgaande op de laatste vier metingen van de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden over 2021–2024 lijkt er geen toename te zijn qua werkdruk, maar juist een afname. Wel blijft werkdruk als voornaamste reden van verzuim veroorzaakt door het werk in de periode 2022–2024 vrij stabiel rond de 27%.10 Eveneens blijkt uit de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden dat in de periode 2021–2024 het aandeel werknemers met burn-outklachten niet verder is gestegen.11, 12, 13, 14
Met betrekking tot het huidige en toekomstige verzuimniveau speelt een rol dat werknemers steeds langer doorwerken en dat het aandeel oudere werknemers is toegenomen. Hierdoor neemt het aandeel werknemers met chronische klachten en het daaraan gerelateerde verzuim toe.
De toegenomen instroom in de WIA kan voor een deel worden verklaard door de dubbele vergrijzing. Ongeveer de helft van de stijging tussen 2006 en 2024 is toe te schrijven aan het langer doorwerken van oudere werknemers. Dit is het gevolg van het afbouwen van vroegpensioenregelingen en de beleidsmatige verhoging van de AOW-leeftijd.15
Houdt uw ministerie een integraal en actueel overzicht bij van knelpunten in het stelsel van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid, zoals ervaren door werkgevers? Zo ja, kunt u dit overzicht, inclusief eventuele oplossingsrichtingen, met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet en bent u bereid dit alsnog structureel te gaan monitoren?
De (belangrijkste) knelpunten binnen het ziekte- en arbeidsongeschiktheidsstelsel zijn recent in het kader van onder meer de probleemanalyse en het advies van de Onafhankelijke Commissie Toekomst Arbeidsongeschiktheidsstelsel (OCTAS)16, 17.
Mijn voorgangster heeft OCTAS verzocht om deze knelpunten en de mogelijke oplossingsrichtingen in kaart te brengen en daarover een advies uit te brengen. De probleemanalyse van deze commissie geeft de belangrijkste knelpunten weer en in het eindrapport wordt verder ingegaan op de mogelijke oplosrichtingen. Beide documenten zijn aan de Tweede Kamer aangeboden.18
Het nieuwe kabinet kan keuzes maken op basis van deze gesignaleerde actuele knelpunten en gepresenteerde oplossingsrichtingen en aanbevelingen.
Daarnaast zijn we altijd in gesprek met sociale partners over knelpunten die zij ervaren in het huidige stelsel. Mede op basis van die input en aanbevelingen wordt als onderdeel van arbeidsmarktpakket gewerkt aan een wetsvoorstel dat werkgevers eerder duidelijkheid gaat geven over de re-integratie en vervanging van langdurig zieke werknemers.
Ook werken we aan een wetsvoorstel om per 2028 het advies van de bedrijfsarts over de belastbaarheid van de zieke werknemer leidend te maken bij de toets die het UWV uitvoert op het re-integratieverslag (de RIV-toets). Hierdoor kunnen werkgevers uitgaan van het advies van de bedrijfsarts over de belastbaarheid en neemt het risico op een verlenging van de loondoorbetalingsperiode met maximaal 52 weken (loonsanctie) af.
Treft de regering aanvullend beleid om ziekteverzuim in Nederland terug te dringen?
In Nederland zijn werkgevers verplicht ervoor te zorgen dat hun werknemers veilig en gezond kunnen werken. De mate van bescherming die zij moeten bieden, is door de overheid vastgelegd in de Arbowet. Hiertoe dient elk bedrijf arbobeleid te voeren. Een goed arbobeleid leidt tot duurzame inzetbaarheid en verhoogde productiviteit. Het arbobeleid beperkt de gezondheidsrisico’s, vermindert het ziekteverzuim en bevordert de re-integratie.
In de Arbovisie 2040 presenteerde het kabinet de missie van nul doden door werk («zero death») en zo min mogelijk ongevallen en zieken door werk. Daarbij is focus op preventie essentieel. Met de Arbovisie 2040 is een traject ingezet om te komen tot een toekomstbestendig arbostelsel. Structurele verbeteringen zijn alleen te realiseren door een stevig commitment en goede samenwerking tussen werkgevers, werknemers en de overheid en door inspanning van alle betrokkenen. Het realiseren van een trendbreuk van «zero-death» vraagt om een meerjarige, gefaseerde aanpak, die door het kabinet uiteen is gezet in de kabinetsreactie op het SER-advies «Gezond en veilig werken door effectieve regels en preventie».19
Daarnaast voert het kabinet een gezondheidsbeleid om te voorkomen dat mensen ziek worden en moeten verzuimen. Er zijn bijvoorbeeld landelijke afspraken en samenwerkingen voor een gezonde leefstijl, zoals het Preventieakkoord20, het Integraal Zorgakkoord21 en aanvullend zorg- en welzijnsakkoord22. Om te bevorderen dat zieke werkenden tijdens hun behandeling (deels) aan het werk kunnen blijven of na behandeling sneller weer aan het werk kunnen is samenwerking tussen arbeidsgerelateerde zorg en curatieve zorg essentieel.
Initiatieven vanuit de beroepsgroepen van bedrijfsartsen en medisch specialisten dragen hier inmiddels aan bij, met ondersteuning van het Ministerie van SZW.23
Beschikt de regering over cijfers of schattingen van misbruik van ziekmeldingen, re-integratieverzuim of ten onrechte ontvangen loon- of WIA-voorschotten? Indien dergelijke cijfers ontbreken: waarom worden deze niet systematisch verzameld en bent u bereid dit te verbeteren?
De regering beschikt niet over cijfers die inzichtelijk maken of en in welke mate er door werknemers misbruik zou worden gemaakt van ziekmeldingen, re-integratieverzuim of ten onrechte ontvangen loon. Bij eventuele twijfel over de ziekmelding of de (medische) belastbaarheid van de werknemer kan de werkgever de bedrijfsarts vragen daar op basis van diens medische expertise een inschatting van te laten maken. Ik zie in centrale registratie van deze cijfers, als die überhaupt mogelijk zou zijn, onvoldoende toegevoegde waarde. Daarnaast zou dit voor werkgevers aanzienlijke extra administratieve lasten en kosten met zich meebrengen.
Ook over eventueel misbruik van WIA-voorschotten zijn geen cijfers beschikbaar. Het gaat hier om het kwijtscheldbeleid rondom WIA-voorschotten dat sinds medio 2021 geldt.24 Hierop ga ik verder in bij het antwoord op vraag 13. Er zijn geen signalen bekend dat er misbruik wordt gemaakt van dit beleid.
Bent u het ermee eens dat de rechten die ziekte meebrengt voor werknemers, en de plichten die ziekte meebrengt voor werkgevers soms tot complexiteit en mogelijk misbruik leiden? Zijn u cijfers bekend van misbruik van ziekmeldingen en het recht op doorbetaling?
Voor wat betreft uw vraag over de aanwezigheid van eventueel misbruik van ziekmeldingen en het recht op loondoorbetaling verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 5.
In veel situaties zal er bij de werkgever geen aanleiding zijn om te twijfelen aan de ziekmelding van de werknemer. Zoals ik in mijn antwoord op vraag 5 uiteen heb gezet, heeft een werkgever, in het geval er toch aanleiding voor twijfel is over de ziekmelding of de (medische) belastbaarheid van de werknemer, de mogelijkheid de bedrijfsarts te vragen op basis van diens medische expertise een inschatting te maken.
Een ziekmelding is voor de werknemer overigens niet vrijblijvend. Voor zowel de werkgever als werknemer gelden na een ziekmelding verplichtingen om te werken aan spoedige en duurzame re-integratie van de werknemer terug naar arbeid. Bij het (verwijtbaar) niet voldoen aan de re-integratieverplichtingen heeft de werkgever mogelijkheden om over te gaan tot, waarschuwen, loonopschorting, loonstop of – in ernstige gevallen – ontslag (zie ook mijn antwoord op vraag25.
Ik kan mij enerzijds voorstellen dat het advies van de bedrijfsarts, en in sommige gevallen beperkt inzicht in de toestand van de werknemer, soms tot onduidelijkheid en vragen leidt bij werkgevers en daarmee dus ook extra complexiteit met zich meebrengt. Anderzijds is het voor een zorgvuldige inschatting in het belang van zowel de werkgever als de werknemer noodzakelijk dat juist een deskundig en onafhankelijk arts die inschatting maakt. Daarbij geldt dat van de bedrijfsarts verwacht mag worden dat hij een duidelijke inschatting maakt van wat de werkgever, bij medische beperkingen van de werknemer, wel en niet mag verwachten in het kader van het re-integratietraject. Dat moet de werkgever voldoende duidelijkheid en houvast geven om goede afspraken met de werknemer te maken over een passend re-integratietraject.
Waar het stelsel enerzijds effectief is gebleken waar het gaat om het terugdringen van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid26 begrijp ik anderzijds dat werkgevers, en zeker kleine, werkgevers dit als zwaar en complex kunnen ervaren. We werken dan ook aan verschillende (wets)trajecten om werkgevers bij de verplichtingen rondom loondoorbetaling bij ziekte te ontlasten:
Tot slot is het ook aan het nieuwe kabinet om keuzes te maken naar aanleiding van de aanbevelingen en adviezen van de OCTAS en het IBO-WIA, gericht op een beter uitlegbaar, betaalbaar en uitvoerbaar stelsel voor ziekte- en arbeidsongeschiktheid, ook voor werkgevers. Zie daarvoor ook mijn antwoord op vraag 3.
Klopt het dat er in de praktijk beperkt sancties worden uitgedeeld aan werknemers die hun re-integratieverplichtingen niet nakomen? Hoe verhoudt dit zich tot sancties die aan werkgevers opgelegd worden? Kunnen werkgevers loonsancties opgelegd krijgen door verwijtbaar handelen van de werknemer? Zo nee, zijn er signalen (zoals uit het artikel) dat dit wel gebeurt? Bent u bereid dit nader te onderzoeken?
Wanneer een werknemer niet of onvoldoende meewerkt aan de re-integratie en daarmee (verwijtbaar) geen gevolg geeft aan diens wettelijke verplichtingen, heeft de werkgever verschillende mogelijkheden om in te grijpen. Denk daarbij aan het, na een (schriftelijke) waarschuwing, eventueel opschorten van het loon, een loonstop, of -in ernstige gevallen- ontslag wegens verwijtbaar niet meewerken aan re-integratie. Voor de onderbouwing van een dusdanig ontslagverzoek bij de kantonrechter is in ieder geval een deskundigenoordeel van UWV nodig. Over in hoeveel situaties gebruik wordt gemaakt van die mogelijkheden zijn geen cijfers.
Verschillende door de rechtspraak gepubliceerde uitspraken geven inzicht in voorbeelden maar kunnen niet als indicatie gebruik worden voor het daadwerkelijk aantal gevallen. In het door werkgevers laten registreren van dit soort cijfers zie ik overigens onvoldoende meerwaarde, temeer omdat dit voor werkgevers extra administratieve lasten en (regeldruk)kosten met zich mee zou brengen.
Een verlenging van de loondoorbetalingsplicht bij het verrichten van onvoldoende re-integratie-inspanningen (de loonsanctie) kan alleen door UWV opgelegd worden aan een werkgever. Wel kan UWV bij de conclusie dat de werknemer onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht een maatregel opleggen zoals een korting op de WIA-uitkering.
Wanneer een werknemer onvoldoende re-integratieverplichtingen verricht kan dit een rol spelen bij het opleggen van een loonsanctie. Uit cijfers van UWV blijkt dat loonsancties die (mede) door verwijtbaar handelen van de werknemer aan de werkgever worden opgelegd nauwelijks voorkomen (0,6% van de loonsancties in de periode 2022–2024). Daarbij is van belang op te merken dat een loonsanctie in deze situaties alleen opgelegd kan worden indien de werkgever onvoldoende heeft gedaan om de werknemer tot medewerking te bewegen. Wanneer de werkgever aan diens verplichtingen heeft voldaan, waaronder in voldoende mate heeft gepoogd de werknemer te activeren, maar de werknemer niet, dan is dat geen aanleiding voor het opleggen van een loonsanctie aan de werkgever.
Ik acht het met u van groot belang dat een werkgever geen loonsanctie opgelegd krijgt indien hij in het kader van de re-integratie van de werknemer heeft gedaan wat van hem verwacht wordt. In dat kader wordt zoals genoemd in mijn antwoord op vraag 6, onder meer gewerkt aan het wetsvoorstel dat bij de RIV-toets van UWV het advies van de bedrijfsarts over de belastbaarheid van de werknemer leidend maakt, dit wetsvoorstel geeft de werkgever vooraf (vóór de RIV-toets van UWV) meer zekerheid over wat van hem in het kader van de re-integratie verwacht mag worden.
Hoe duidt u de scherpe stijging van mentale klachten als verzuimreden, onder zowel werknemers als zelfstandigen? Kunt u aangeven in hoeverre deze klachten volgens wetenschappelijke inzichten werkgerelateerd zijn, dan wel voortkomen uit privéomstandigheden of maatschappelijke druk?
Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 2 is, op basis van de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden werkdruk als verzuimreden veroorzaakt door het werk, voor werknemers in de afgelopen drie jaar stabiel rond de 27% gebleven. Uit de Arbobalans 2024 blijkt voor werknemers dat 75% van de psychische klachten als verzuimreden, hoofdzakelijk of deels, werkgerelateerd is.
Daarvan uitgaande kan worden verondersteld dat de overige 25% wordt veroorzaakt door privéomstandigheden en/of maatschappelijke oorzaken.
Op basis van de Zelfstandigen Enquête Arbeidsomstandigheden blijkt dat psychische klachten, overspannenheid en burn-out als verzuimreden voor zelfstandigen in de periode 2021–2025 is gezakt van 6,4% naar 4,5%.27, 28, 29
Uit de Zelfstandigen Enquête Arbeidsomstandigheden blijkt dat verzuim hoofdzakelijk of deels veroorzaakt door werk is gezakt van 30% naar 19%. Hierin is een te hoge werkdruk als belangrijkste reden van verzuim gezakt van 26% naar ongeveer 20%.
Zoals beschreven zijn psychische klachten door het werk een groot deel van de totale verzuimkosten zijn. Het is daarom van belang om in de aanpak van werkstress en werkdruk te blijven investeren.30 Niet alleen is het vervelend als een werknemer zijn beroep niet kan uitoefenen of dat een werkgever zijn arbeidskracht moet missen. Ook brengt een (langdurig) uitvallende werknemer de nodige maatschappelijke kosten met zich mee.
Zijn de re-integratietrajecten die toegepast worden op mentale problematiek in lijn met de wetenschappelijke inzichten die we hebben over mentale klachten? Hoe worden werkgevers hierbij betrokken? Hebben zij inspraak in de re-integratieaanpak? Is dat wat u betreft voldoende effectief?
Een aanzienlijk deel van het ziekteverzuim (ongeveer 8%) heeft betrekking op psychosociale klachten.31 Wat voor medische behandeling eventueel wordt toegepast bij mentale problematiek hangt af van de diagnose en de aard van de aandoening en klachten. Vaak zal de behandelaar (of behandelend arts) op basis van de huidige kennis over de specifieke problematiek een eventuele behandeling voorschrijven.
De Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en bedrijfsgeneeskunde (NVAB) heeft voor bedrijfsartsen en verzekeringsartsen een richtlijn voor het handelen bij werkenden met psychische problemen.32 De bedrijfsarts zal bij (potentieel) langdurig verzuim op basis van de medische klachten een probleemanalyse opstellen die ook ingaat op de belastbaarheid van de werknemer. Op basis van de probleemanalyse van de bedrijfsarts wordt uiterlijk in de achtste ziekteweek een plan van aanpak opgesteld door werkgever en werknemer. In dat plan van aanpak worden afspraken gemaakt over de re-integratie-inspanningen die nodig zijn om weer te komen tot een duurzame en (waar mogelijk) spoedige terugkeer van de werknemer naar werk. De werkgever heeft daarbij inspraak en een belangrijke rol bij de totstandkoming van het plan van aanpak (en dus ook het re-integratietraject) alsmede bij de regelmatige evaluatie en, waar nodig, aanpassing daarvan.
Deze bovenstaande aanpak is onderdeel van de Wet verbetering poortwachter. De Wet verbetering poortwachter is vanaf de invoering effectief gebleken in het terugdringen van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid.33 Tegelijkertijd vraagt het veel van werkgevers en werken we dan ook aan verschillende (wets)trajecten om werkgevers op dit vlak te ontlasten. Zie daarvoor ook mijn antwoord op vraag 3 en vraag 7.
Voor mensen met mentale problematiek stelt UWV voor de UWV- en gemeentelijke doelgroep het instrument IPS (Individuele Plaatsing en Steun) ter beschikking.
IPS is wetenschappelijk onderbouwd en is dé methode om mensen met een ernstige psychische aandoening te helpen bij het verkrijgen en behouden van betaald werk. GGZ-instellingen die voldoen aan het door kenniscentrum Phrenos opgestelde kwaliteitskader voor de implementatie van IPS kunnen dit instrument in overleg met een cliënt aanvragen. De uitvoering van dit instrument gebeurt door mensen die door Phrenos zijn opgeleid als IPS-begeleider. Naast IPS voor mensen met ernstige psychische aandoeningen wordt ook geëxperimenteerd met IPS voor lichtere psychische aandoeningen (IPS-CMD). Naast IPS biedt UWV aan mensen met mentale problematiek en een UWV uitkering persoonlijke ondersteuning bij hun re-integratie, waarbij UWV ook de mogelijkheid heeft om re-integratie trajecten en of scholing in te kopen.
UWV heeft daarnaast via de werkgeversdienstverlening ook aandacht voor werkgevers rond dit thema. Zo biedt de divisie Werkbedrijf proactief kennis aan, bijvoorbeeld middels kennissessies over een mentaal gezonde werkvloer. Maar ook door middel van gerichte begeleidingstrajecten worden werkgevers ondersteund.
Hoort bij alle mentale klachten automatisch het advies tot volledige arbeidsongeschiktheid, of is er sprake van een mismatch tussen klachten en de feitelijke medische noodzaak van ziekmelding? Hoe wordt voorkomen dat ziekmelding een «toevluchtsoord» wordt bij conflicten, werkdruk of privéproblemen? Welke rol mogen werkgevers hierin spelen?
De aanwezigheid van mentale klachten leidt niet per definitie tot de conclusie dat de betreffende werknemer niet of in het geheel niet in staat is diens of andere passende werkzaamheden te verrichten, noch leidt dit per definitie tot de conclusie dat de werknemer volledig arbeidsongeschikt is in de zin van de Wet WIA. Indien een werknemer zich ziekmeldt ten gevolge van mentale klachten kan de werkgever de bedrijfsarts om advies vragen vanuit diens medische expertise over in welke mate die klachten de werknemer beperken om diens werkzaamheden uit te oefenen.
Indien de klachten geen medische oorzaak blijken te hebben maar bijvoorbeeld voortkomen uit een conflict (denk aan zogenaamde «situatieve arbeidsongeschiktheid» bij een conflict), dan gaat het niet om uitval door ziekte maar zijn er andere redenen voor de werkgever en werknemer om samen om de tafel te gaan zitten. Daarbij komt aan de werkgever als een van de twee partijen in de arbeidsrelatie uiteraard een essentiële rol toe.
Het is aan diegene met medische expertise om te kunnen beoordelen of er sprake is van arbeidsuitval door ziekte of niet. Daarvoor zijn in ons stelsel de bedrijfsarts en verzekeringsarts de aangewezen deskundigen.
Klopt het dat werkgevers niet mogen vragen naar de aard of oorzaak van de ziekte, maar wel volledig verantwoordelijk zijn voor re-integratie en voor naleving van alle verplichtingen uit de Wet verbetering poortwachter? Zijn er signalen bij u bekend dat werkgevers problemen ervaren met de privacywetgeving omtrent zieke werknemers? Hoe beoordeelt u deze asymmetrie? Kunt u aangeven welke informatie een werkgever minimaal zou moeten kunnen krijgen om effectief en verantwoordelijk te kunnen re-integreren zonder de privacywetgeving te schenden?
Gegevens over zieke werknemers zijn bijzondere, zeer privacygevoelige persoonsgegevens. Daarvoor gelden strenge regels. Het vastleggen en delen (verwerken) van bijzondere persoonsgegevens over zieke werknemers door de werkgever is verboden. Dit betekent dat bij een ziekmelding de werkgever alleen voor hem noodzakelijke gegevens mag registreren, bijvoorbeeld of ziekte verband houdt met een arbeidsongeval. Elke werkgever in Nederland moet een basiscontract hebben afgesloten met een gecertificeerde arbodienst of BIG-geregistreerde bedrijfsarts. Zij ondersteunen de werkgever bij preventieve taken en verzuimbegeleiding. Bij langdurig verzuim is het aan de arbodienst of bedrijfsarts om de werkgever te informeren over de verwachte duur van de ziekte en te adviseren over de belastbaarheid van de werknemer in geval van herstel en re-integratie. De bedrijfsarts dient die informatie ook inzichtelijk te maken in de, uiterlijk in de zesde week van ziekte op te stellen, probleemanalyse. Inzicht in de belastbaarheid van de werknemer is voor de werkgever van belang om samen met de werknemer een effectief en verantwoord re-integratietraject tot stand te kunnen brengen zonder dat daarmee medische gegevens gedeeld hoeven te worden. De probleemanalyse van de bedrijfsarts biedt de werkgever en werknemer dan ook een belangrijke basis voor het opstellen van het plan van aanpak waarin onderlinge afspraken worden gemaakt over de re-integratie van de werknemer.
Klopt het dat werkgevers geen inspraak hebben in de door UWV opgelegde stappen in het plan van aanpak, maar wel aansprakelijk zijn voor het niet tijdig of volledig uitvoeren hiervan? Bent u bereid te onderzoeken of de positie van werkgevers hierin evenwichtiger kan worden ingericht?
Uiterlijk in de zesde week van het ziekteverzuim dient een gesprek met de bedrijfsarts plaats te vinden waarna deze (de bedrijfsarts of de arbodienst) een probleemanalyse opstelt. In die probleemanalyse wordt onder meer inzicht gegeven in welke belastbaarheid de werknemer heeft.
Uiterlijk in de achtste week van het ziekteverzuim dienen werkgever en werknemer het plan van aanpak op te stellen. Daarbij heeft het UWV geen rol maar gaat het dus om de afspraken die werkgever en werknemer onderling maken over het te volgen re-integratietraject. Zij gebruiken daarbij wel de probleemanalyse van de bedrijfsarts en zo nodig kunnen andere deskundigen adviseren (zoals een arbeidsdeskundige).
Op dit moment wordt gewerkt aan een wetsvoorstel dat er toe moet leiden dat de inschatting van de bedrijfsarts over de belastbaarheid van de zieke werknemer leidend is bij de toets die het UWV uitvoert op het re-integratieverslag (de RIV-toets). Hierdoor kunnen werkgevers, o.a. bij het vormgeven van het plan van aanpak, blijven uitgaan van het advies van de bedrijfsarts over de belastbaarheid en hoeven zij zich geen zorgen te maken over de vraag of de verzekeringsarts van UWV, na twee jaar, mogelijk een andere inschatting over de belastbaarheid maakt. Daarmee neemt voor de werkgever het risico op een verlenging van de loondoorbetalingsperiode met maximaal 52 weken (loonsanctie) af.
Hoe beoordeelt u de praktijk waarin arbeidsongeschikten een voorschot houden wanneer UWV bij de uiteindelijke beoordeling vaststelt dat de werknemer niet of minder arbeidsongeschikt is dan eerder aangenomen? Geldt dit ook wanneer sprake is van aantoonbare misleiding of kwade trouw? Zo ja, acht u dit wenselijk? Zo nee, hoe waarborgt u dat misbruik wordt aangepakt?
Het gaat hier om het kwijtscheldbeleid rondom WIA-voorschotten dat sinds medio 2021 geldt.34 Op dit moment is dat beleid tegenwettelijk en daarom was het beleid altijd tijdelijk. Vanwege de verwachting dat het beleid langer nodig is, zijn afgelopen voorjaar middelen vrijgemaakt om het tijdelijke kwijtscheldbeleid van WIA-voorschotten structureel te maken.35 Dit geeft mensen de zekerheid dat zij het voorschot dat ze krijgen in afwachting van de WIA-claimbeoordeling niet hoeven terug te betalen. Wel kan het voorschot verrekend worden met een WGA- of WW-uitkering als na de WIA-claimbeoordeling blijkt dat er tijdens de voorschotperiode recht was op een dergelijke uitkering. Er zijn geen signalen bekend dat er misbruik wordt gemaakt van dit beleid.
De afgelopen periode is er gewerkt aan het creëren van een wettelijke grondslag voor dit beleid. Het wetsvoorstel hiertoe wordt naar verwachting voor de zomer aan uw Kamer aangeboden.