Het bericht ‘Jodenhaat op sociale media groeit explosief’ |
|
Don Ceder (CU) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het bericht «Jodenhaat op sociale media groeit explosief»?1
De bevindingen zijn zeer zorgelijk. Antisemitisme, zowel offline als online, is onacceptabel. Joden moeten zich in Nederland vrij en veilig kunnen voelen. Het kabinet zet zich daarom actief in voor de bestrijding van antisemitisme, waaronder online antisemitisme.
Hoe beoordeelt u de conclusie dat het aantal antisemitische uitingen op Nederlandse sociale media tussen 2021 en 2024 is verdubbeld en dat directe bedreigingen tegen Joden zijn vervijfvoudigd?
Dat het onderzoek laat zien dat het aantal antisemitische uitingen op Nederlandse sociale media in enkele jaren is verdubbeld en het aantal directe bedreigingen zelfs is vervijfvoudigd, is een uiterst ernstige ontwikkeling. Hoewel het kabinet terughoudend is met het trekken van conclusies uit één onderzoek, sluiten de bevindingen aan bij bredere signalen van onder meer politie, het Openbaar Ministerie, de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding (NCAB) en maatschappelijke organisaties dat online antisemitisme de afgelopen jaren is toegenomen.
Antisemitisme tast niet alleen de veiligheid van Joden aan, maar ook de open en democratische rechtsstaat. Het kabinet veroordeelt deze ontwikkeling daarom nadrukkelijk.
Hoe beoordeelt u de constatering dat antisemitische uitingen steeds vaker gepaard gaan met gewelddadige retoriek, waaronder oproepen tot uitroeiing en moord op Joden?
Het kabinet beoordeelt deze ontwikkeling als buitengewoon ernstig. Oproepen tot moord, uitroeiing of geweld tegen Joden zijn niet «slechts» kwetsende uitingen, maar kunnen afhankelijk van de inhoud en context strafbare feiten opleveren, zoals het aanzetten tot haat of geweld of bedreiging. Dergelijke uitingen dragen bovendien bij aan een online klimaat waarin intimidatie en discriminatie worden genormaliseerd en kunnen ook leiden tot reële veiligheidsrisico's voor Joden.
Waar sprake is van strafbare uitingen en een aangifte daarvan, is het aan politie en OM om daartegen op te treden. Wanneer uitingen kwalificeren als terroristische online-inhoud kan er daarnaast melding worden gemaakt bij het online meldpunt van de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM). De ATKM is bevoegd om verwijderbevelen uit te vaardigen aan platformen en hostingbieders om terroristische content binnen één uur offline te halen of ontoegankelijk te maken.
Hoe beoordeelt u de constatering dat antisemitische uitingen zich niet langer beperken tot vooral binnen rechts-radicale en complotgerichte online kringen, maar zich vanaf 2023 ook verspreiden naar radicaallinkse kringen?
Het klopt dat antisemitisme zich breed manifesteert en dat dit zeker niet alleen uit rechts-radicale en complotgerichte online kringen komt. Vanuit allerlei extremistische ideologische hoeken, van links tot rechts, alsook vanuit religieus extremisme, komt jodenhaat voor. Internationale spanningen werken daarbij door in het publieke debat en op sociale media, waar antisemitische uitingen in sommige kringen steeds vaker openlijk worden geuit of genormaliseerd. Antisemitisme is onacceptabel, waar het ook vandaan komt.
Hoe beoordeelt u de constatering dat buitenlandse extremistische influencers en netwerken een steeds grotere invloed hebben op Nederlandse gebruikers van sociale media? Welke mogelijkheden ziet u om deze beïnvloeding tegen te gaan?
Het kabinet onderkent dat buitenlandse extremistische netwerken en influencers steeds meer gebruik maken van sociale media om antisemitische propaganda, complottheorieën en haatdragende narratieven internationaal te verspreiden. Online platformen kennen geen landsgrenzen, waardoor dergelijke boodschappen ook Nederlandse gebruikers bereiken en polarisatie kunnen versterken.
De Digital Services Act (DSA) verplicht zeer grote online platformen om illegale content te modereren en systeemrisico's, waaronder de verspreiding van illegale content alsook eventuele werkelijke of voorzienbare negatieve effecten op de uitoefening van de grondrechten met name o.a. het in artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie verankerde grondrecht op non-discriminatie, te analyseren en passende maatregelen te nemen. Daarnaast werkt Nederland nauw samen met de Europese Commissie en andere lidstaten om grensoverschrijdende online risico’s op beïnvloeding aan te pakken. Tegelijkertijd blijft het versterken van digitale weerbaarheid en mediawijsheid essentieel om gebruikers weerbaarder te maken tegen dergelijke beïnvloeding.
Welke concrete maatregelen neemt u momenteel om online antisemitisme op sociale media en andere online platforms tegen te gaan?
Het kabinet zet zich op verschillende manieren in om online antisemitisme op sociale media en andere online platforms tegen te gaan. De aanpak van online antisemitisme maakt deel uit van de Strategie Bestrijding Antisemitisme 2024–20302. Deze strategie vormt het samenhangende beleidskader voor de bestrijding van antisemitisme en omvat maatregelen op het gebied van bescherming en handhaving, onderwijs, preventie en het versterken van Joods leven en herdenken.
Ten aanzien van de online omgeving zet het kabinet in op een combinatie van regulering, handhaving en samenwerking met nationale en internationale partners.
Online platformen zijn gebonden aan de DSA. Deze verordening heeft als doel te zorgen voor een veilige, voorspelbare en betrouwbare online omgeving, waarin de verspreiding van illegale online inhoud en de maatschappelijke risico’s die de verspreiding van desinformatie of andere inhoud met zich kunnen brengen, worden aangepakt, en waarin de in het Handvest verankerde grondrechten doeltreffend worden beschermd. Voor dat doel bevat de DSA verschillende zorgvuldigheidsverplichtingen voor verschillende typen tussenhandeldiensten, waaronder online platforms. Zo moeten zij een zorgvuldig beleid ten aanzien van inhoudsmoderatie opnemen in hun algemene voorwaarden en dat beleid ook zorgvuldig toepassen in de praktijk (artikel 14). Zij moeten verder een toegankelijk en gebruiksvriendelijk systeem hebben waarin gebruikers of derden melding kunnen doen van illegale inhoud, waaronder haatzaaiende of discriminerende inhoud, en dat leidt tot tijdige en zorgvuldige besluiten over die meldingen (artikel 16). Zeer ernstige strafbare feiten moeten worden gemeld bij de bevoegde rechtshandhavende autoriteiten (artikel 18). De verordening verplicht aanbieders van online platforms verder om gebruikers die frequent kennelijk illegale inhoud verspreiden, tijdelijk te schorsen (artikel 23 van de verordening).
De zogenaamde zeer grote online platforms- en zoekmachines, die als zodanig moeten worden aangewezen door de Europese Commissie,3 moeten verder ten minste één keer per jaar de zogeheten systeemrisico’s die voortvloeien uit het ontwerp of uit de werking van hun dienst en de daaraan verbonden systemen, identificeren en beperken. Systeemrisico’s omvatten onder meer de verspreiding van illegale inhoud en de eventuele werkelijke of voorzienbare negatieve effecten op de openbare veiligheid of de uitoefening van grondrechten, waaronder het grondrecht op non-discriminatie. Risicobeperkende maatregelen van zeer grote online platforms kunnen onder meer de naleving van gedragscodes omvatten. In dat kader is relevant dat de Gedragscode voor de bestrijding van illegale haatzaaiende uitlatingen online+ in 2025 in de DSA is geïntegreerd. Deze gedragscode heeft tot doel de verspreiding van illegale haatzaaiende uitlatingen op onlineplatforms te voorkomen en aan te pakken door middel van toezeggingen op het gebied van algemene voorwaarden, herziening van de tijd van kennisgevingen, transparantie van inhoudsmoderatieacties, samenwerking tussen meerdere belanghebbenden en bewustmaking. De ondertekenaars,4 waaronder zeven zeer grote online platforms, verbinden zich ertoe de verbintenissen uit de code na te leven.
In Nederland is Meld Online Discriminatie (MOD) aangewezen als betrouwbare flagger onder de DSA. MOD beoordeelt meldingen van mogelijk illegale discriminatoire content en kan platforms verzoeken deze content te verwijderen.
Daarnaast blijft het kabinet online platforms aanspreken op hun verantwoordelijkheid om een veilige online omgeving te creëren. Nederland neemt deel aan internationale samenwerking, waaronder een meerjarige werkgroep van de Europese Commissie over de bestrijding van antisemitisme. Ook heeft het kabinet tijdens het ministeriële EU Internet Forum5 van 4 maart aandacht gevraagd voor de verantwoordelijkheid van platforms om online antisemitisme effectief tegen te gaan.
De Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding (NCAB) speelt eveneens een belangrijke rol. De NCAB zit een internationale werkgroep voor van nationale coördinatoren en speciaal gezanten die online platforms aanspreekt op de aanpak van online antisemitisme en organiseert jaarlijks de International Prosecutors Summit on Antisemitism (IPSA), waarin Europese openbaar aanklagers samenwerken aan de versterking van de strafrechtelijke aanpak van onder meer online antisemitisme. Ook laat de NCAB jaarlijks onderzoek naar online antisemitisme in Nederland.
Voor wat betreft het tegengaan van online radicalisering, extremisme en terrorisme coördineert de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) de Versterkte Aanpak Online (VAO). De aanpak omvat diverse interventies onder andere op het gebied van preventie en bewustwording, normerende gesprekken met de internetsector, en de inzet van het bestaande wettelijke kader – waaronder de DSA en de verordening Terroristische Online-Inhoud (TOI). Ook wordt door middel van ondersteunende bijeenkomsten, regionale adviezen via lokaal adviseurs en een verkenning naar een communicatie aanpak over online gevaren, gewerkt aan het versterken van de digitale weerbaarheid van de samenleving. Over deze beleidsinzet en recente ontwikkelingen is uw Kamer op 22 mei jl. geïnformeerd via de Voortgangsbrief Versterkte Aanpak Online inzake extremistische en terroristische content.6
Geeft het onderzoek aanwijzingen over in hoeverre zeer grote online platforms hun verplichtingen onder de Digital Services Act (DSA) om antisemitische uitingen tegen te gaan voldoende nakomen?
Nee. Voor het onderzoek heeft Textgain data van Twitter/X Facebook, Instagram, TikTok en YouTube geanalyseerd, maar ook kleinere sites als Dumpert, geenstijl.nl en Marokko.nl en internetfora als 4chan en Soyzellig. De onderzoekers concluderen dat antisemitisme op deze platforms zou zijn toegenomen, maar het onderzoek betreft geen juridisch onderzoek naar de naleving van de DSA door zeer grote online platforms. Het is aan de Europese Commissie als primaire toezichthouder op zeer grote online platforms- en zoekmachine, om te beoordelen of zij hun verplichtingen onder de DSA naleven. De Commissie is daarin onafhankelijk.
Meent u dat het wettelijk kader van de DSA toereikend is in het bestrijden van antisemitisme op online platforms? Zo nee, wat is er volgens u meer nodig?
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 6, biedt de DSA een belangrijk Europees kader voor een veiligere online omgeving. De DSA bevat enerzijds een kader voor aansprakelijkheid en anderzijds zorgvuldigheidsverplichtingen voor tussenhandeldiensten, waaronder online platforms. Deze verplichtingen zijn erop gericht illegale inhoud op online platforms terug te dringen en ervoor te zorgen dat met name zeer grote online platforms hun verantwoordelijkheid nemen om systeemrisico’s te beperken. De integratie van de Gedragscode voor de bestrijding van illegale haatzaaiende uitlatingen online in de DSA draagt bij aan de naleving en doeltreffende handhaving van de DSA op dit gebied.
Op dit moment heeft het kabinet geen reden om te twijfelen aan de toereikendheid van dit kader. Het toezicht op de DSA begint op stoom te komen, zoals onder meer blijkt uit de handhavingsacties van de Europese Commissie en de nationale toezichthouders. Tegelijkertijd vormt de DSA één onderdeel van een bredere aanpak. Effectieve bestrijding van antisemitisme vraagt eveneens om strafrechtelijke handhaving, internationale samenwerking, onderwijs en maatschappelijke weerbaarheid.
Het kabinet blijft de werking van de DSA volgen. Voor het einde van 2027 zal de DSA door de Europese Commissie worden geëvalueerd. Deze evaluatie resulteert niet automatisch in een herziening van de DSA maar kan desalniettemin kansen bieden om de werking in de praktijk te verbeteren. De Staatssecretaris Digitale Economie en Soevereiniteit coördineert de Nederlandse betrokkenheid bij de evaluatie en gaat hiervoor in gesprek met betrokken ministeries en toezichthouders.
Welke gesprekken voert u met online platforms over de bestrijding van antisemitische content gericht op Nederlandse gebruikers?
Het kabinet blijft de dialoog met de internetsector zoeken over zowel schadelijke als illegale content, waaronder trends in contentproblematiek, uitdagingen in de moderatiepraktijk, best practices en relevante wet- en regelgeving. In alle gesprekken die we met online platforms voeren worden deze onderwerpen, waaronder ook de bestrijding van antisemitische content, aan de orde gesteld. Daarnaast ondersteun ik, samen met de Staatssecretaris van Economische Zaken – Digitale Economie en Soevereiniteit, de Publiek private Samenwerking Online Content onder neutraal voorzitterschap van ECP.
In hoeverre vallen platforms als 4chan en Soyzellig onder de reikwijdte van de DSA? Welke verplichtingen gelden voor dergelijke platforms? Acht u het huidige toezicht toereikend als dergelijke platforms een belangrijke rol spelen bij de verspreiding van antisemitische uitingen?
Voor zover mij bekend, betreffen 4chan en Soyzellig beide user-generated content platforms, waarop gebruikers tekst, afbeeldingen en reacties kunnen plaatsen. Of zij onder de reikwijdte van de DSA vallen, hangt af van de vraag of zij kwalificeren als «tussenhandeldienst», meer specifiek als «hosting dienst» en «online platform» als subcategorie van hostingdiensten. Hoewel het aan de bevoegde toezichthouders en/of rechter is om dit vast te stellen, lijkt dit voor beide platforms voorshands het geval, in welk geval zij zullen moeten voldoen aan de verplichtingen in de DSA die gelden voor online platforms. Het betreft onder meer de zorgvuldigheidsverplichtingen zoals toegelicht in het antwoord op vraag 6, met de kanttekening dat 4chan en Soyzellig niet zijn aangewezen als «zeer groot online platform» en dus niet aan de verplichtingen inzake systeemrisico’s hoeven te voldoen. Die verplichtingen gelden enkel voor de platforms met een gemiddeld aantal maandelijks actieve afnemers van 45 miljoen of meer.
Acht u de huidige capaciteit en mogelijkheden van de toezichthouder, politie, het Openbaar Ministerie en opsporingsdiensten voldoende om online antisemitisme effectief te bestrijden? Zo nee, welke stappen gaat u ondernemen?
Zowel de politie als het OM hebben expertisecentra gericht op de aanpak van discriminatiezaken. Bij de politie levert het Expertise Centrum Aanpak Discriminatie-Politie (ECAD-P) op verschillende manieren expertise met betrekking tot de aanpak van discriminatie (waaronder antisemitisme) aan de politieorganisatie. De capaciteit van het ECAD-P is het afgelopen jaar uitgebreid en bestendigd met structurele middelen. Bij het ECAD-P leveren discriminatierechercheurs ondersteuning aan collega’s in regionale eenheden bij de behandeling van discriminatiezaken en helpen zij de basisteams proactief bij het herkennen en oppakken van meldingen en aangiftes met een discriminatoir karakter. Wanneer iemand melding of aangifte doet van discriminatie in een politie-eenheid dan pakt de medewerker uit die eenheid deze zaak op en rondt deze zelf af. Bij complexere zaken kan een beroep worden gedaan op de discriminatierechercheur die aan de eenheid is gekoppeld. Daarnaast zijn thematische discriminatierechercheurs bij het ECAD-P werkzaam, onder andere specifiek op de thema’s antisemitisme en online discriminatie.
Het Landelijk Expertisecentrum Discriminatie (LECD) van het OM zorgt voor het adviseren en informeren van officieren en andere medewerkers binnen het OM op het gebied van de aanpak van discriminatiezaken. Elk arrondissementsparket heeft officieren van justitie die gespecialiseerd zijn in strafbare discriminatie. Zij behandelen complexe discriminatiezaken en zijn vraagbaak voor andere collega’s. De discriminatieofficieren en andere gespecialiseerde OM-medewerkers komen meerdere keren per jaar met het LECD samen om geïnformeerd te blijven en tijdig nieuwe ontwikkelingen rondom strafbare discriminatie, waaronder online antisemitisme, te signaleren. Het OM is op dit moment bezig om de aanpak van online discriminatie te intensiveren. Binnen het huidige beleid bestaat ruimte om in uitzonderlijke gevallen ook ambtshalve discriminatiezaken op te pakken. Die ruimte wordt binnen het OM de komende periode beter benut door vanuit de discriminatieaanpak nadrukkelijker samen te werken met de aanpak van (online) terrorismezaken.
Welke aanvullende maatregelen overweegt u naar aanleiding van de bevindingen uit dit onderzoek?
Het kabinet blijft zich onverminderd inzetten voor de strijd tegen (online) antisemitisme en voor de veiligheid van Joden in Nederland. De bevindingen van dit onderzoek neemt het kabinet dan ook serieus en zal deze betrekken bij de verdere uitvoering van de Strategie Bestrijding Antisemitisme 2024–2030 en het Plan van aanpak online discriminatie waar antisemitisme deel van uitmaakt.
Het bericht 'Frankrijk wil op eigen AI-benen staan en gaat stoppen met gebruik Amerikaans Palantir voor inlichtingendienst DGSI' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Aerdts , Herbert , Enneüs Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NRC-artikel «Frankrijk wil op eigen AI-benen staan en gaat stoppen met gebruik Amerikaans Palantir voor inlichtingendienst DGSI»?1
Ja.
In welke mate ziet u, net als uw Europese collega’s doen, risico’s voor Defensie en politie in het blijven werken met het Amerikaanse Palantir, en kunt u deze uitleggen?
Soevereiniteit is een belangrijk aandachtspunt wanneer sprake is van afhankelijkheid van een leverancier.
Om digitale soevereiniteit te waarborgen hanteert het Ministerie van Defensie een tweesporenbeleid2. Het primaire spoor richt zich op de realisatie van een Europees AI-Decision Support System (DSS), waarbij juridische soevereiniteit, open standaarden en datasoevereiniteit belangrijke uitgangspunten zijn. Om te voorkomen dat de Krijgsmacht operationele risico’s loopt op zowel tactische als strategische gebied en om de operationele continuïteit, flexibiliteit en interoperabiliteit o.a. binnen NAVO te borgen, voorziet het tweede spoor in de tijdelijke toepassing van Palantir totdat het door Spoor 1 ontwikkelde Europese AI-DSS operationeel is.
De politie gebruikt de software van Palantir enkel binnen de zogenaamde «Raffinaderij». «De Raffinaderij» is een analyseomgeving waar Palantir onderdeel van uitmaakt. Wat betreft de toepassing van Palantir bij de politie moet worden benadrukt dat dit gebruik van veel waarborgen is voorzien. De data binnen «de Raffinaderij» blijft strikt binnen het domein van de politie en wordt niet met de leverancier gedeeld. Het gaat hierbij alleen om politiedata. De analysesoftware wordt volledig door een eigen team van de politie beheerd en gehost in eigen rekencentra. De thema’s waarop de analyses uit «de Raffinaderij» worden ingezet zijn zeer belangrijk en hebben grote maatschappelijke impact, namelijk bestrijding van zware en georganiseerde criminaliteit en het voorkomen van aanslagen. Met voorgenoemde werkwijze is het gebruik van Palantir door de politie van veel waarborgen voorzien.
Bent u in contact met uw Franse collega en heeft u aangegeven dat u graag bijdraagt aan de ontwikkeling van een Europees alternatief? Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van Defensie is in contact met o.a. Frankrijk om tot een gezamenlijke ontwikkelagenda voor een Europees AI-DSS te komen.
Overweegt u om ook binnen de Nederlandse overheid Palantir volledig te vervangen met een Europees alternatief?
Het kabinet kiest ervoor om gericht in te zetten op het afbouwen van de zogenaamde risicovolle strategische afhankelijkheden (RSA’s). Specifiek voor het Ministerie van Defensie geldt dat er op dit moment een onderzoek naar mogelijke technologische alternatieven wordt uitgevoerd.
Vanuit het oogpunt van continuïteit en verhoging van de weerbaarheid is de politie met betrekking tot het totale palet van IT-dienstverlening reeds actief bezig met initiatieven die gericht zijn op het vergroten van de digitale autonomie.3 Er worden stappen gezet om technologieën te ontwikkelen die beter aansluiten bij de behoeften door op zoek te gaan naar robuuste alternatieve oplossingen voor bestaande systemen, zodat de politie altijd kan beschikken over de best mogelijke tools. Deze zoektocht is essentieel om de operationele flexibiliteit en veiligheid te waarborgen in een steeds veranderende digitale omgeving. Het ontwikkelen en implementeren van dergelijke alternatieven is een complex proces dat tijd, financiële middelen en specialistische kennis vraagt en moet passen binnen de kaders van bijvoorbeeld privacy, proportionaliteit en beschikbare financiën. De politie weegt voortdurend de risico’s die verbonden zijn aan het gebruikt van IT-systemen.
Wat zou, met in acht neming van juridische haalbaarheid, het snelste pad zijn naar een volledige breuk met Palantir binnen onze overheid?
Zoals reeds in antwoord 4 gesteld, zijn zowel het Ministerie van Defensie als de politie actief bezig met het verkennen van alternatieven.
Bent u van mening dat nu kiezen voor Europese alternatieven betekent dat we dan niet meer de beste systemen kunnen gebruiken?
Dat kan niet in zijn algemeenheid zo gesteld worden. Dit is afhankelijk van de use case en de gevraagde functionaliteiten.
Zo ja, kunt u reflecteren op de self fulfiling prophecy dat wij geen alternatieven kunnen opbouwen als we daar geen politieke keuzes voor maken?
Zoals reeds in antwoord 4 en 5 gesteld werken bijvoorbeeld het Ministerie van Defensie en de politie aan een onderzoek naar mogelijke technologische alternatieven die tegemoetkomen aan het afbouwen van de zogenaamde risicovolle strategische afhankelijkheden (RSA’s).
Bent u van mening dat we in Europa een eigen AI-industrie nodig hebben om niet afhankelijk te zijn van niet-Europese techbedrijven? Zo ja, welke stappen zet u nu om hiertoe te komen?
Ja, het kabinet is van mening dat een sterke AI-industrie van strategisch belang is om de digitale soevereiniteit, weerbaarheid, het innovatievermogen en economische concurrentiekracht van Europa te versterken. Om deze reden zet het kabinet zich in Europees verband in voor de ontwikkeling van een concurrerend Europees AI-ecosysteem. Daarbij wordt onder meer ingezet op investeringen in AI-onderzoek en innovatie, versterking van de Europese reken- en data-infrastructuur en ondersteuning voor startups en scale-ups, zoals geschetst in het Europese AI Continent Actieplan.4 Nationaal werkt het kabinet via de Ministeriële Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat momenteel aan een Industrieprogramma Digitale Diensten en AI. AI speelt een toenemende rol in uiteenlopende capaciteiten waar het Ministerie van Defensie nu en in de toekomst over moet beschikken. Het Nederlandse voortzettingsecosysteem dat we hiervoor opbouwen via het Nationaal Programma Defensie Industrie en Innovatie voorziet daarom ook in op te bouwen Nederlandse en Europese AI-capaciteiten. Ook kunnen het nog op te richten Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI), de Nationale Investeringsinstelling (NII) en de Defensie Innovatie en Opschalingsautoriteit (DIOA) bijdragen aan het versterken van het AI-ecosysteem. Eerder is via het Nationaal Groeifonds in AI-programma’s geïnvesteerd (o.a. AiNed en NOLAI), evenals in de AI Fabriek in Groningen.
Kunt u uitleggen waarom het kabinet ervoor heeft gekozen om niet aan te sluiten op de tender vanuit de Europese Unie voor een gigafabriek in Nederland?
Zoals toegelicht in de brief aan uw Kamer op 31 maart jl.5, heeft het kabinet er voor gekozen om niet mee te doen met een gezamenlijke Europese publieke aanbesteding van rekencapaciteit bij nog te selecteren AI-gigafabrieken. AI-gigafabrieken kunnen vanwege hun commerciële oriëntatie in beginsel volledig privaat gefinancierd worden. De achterliggende inhoudelijke overwegingen zoals genoemd in de brief en de budgettaire situatie hebben samen geleid tot de afweging om geen publieke financiële verplichting aan te gaan in deze gezamenlijke Europese aanbesteding. Ambitieuze private initiatieven en investeringen in AI-infrastructuur die het Nederlandse en Europese AI-ecosysteem versterken worden door het kabinet aangemoedigd. Voor het kabinet ligt voornamelijk een taak om de randvoorwaarden te versterken.
Kunt u uitleggen waarom er geen middelen gereserveerd zijn voor de digitale ambities in het coalitieakkoord, inclusief de Nederlandse Digitaliseringsstrategie? En welke rol kan defensie hierin spelen?
Zoals in het wetgevingsoverleg over de Jaarverslagen en Slotwetten 2025 van de Ministeries EZ, BZK en JenV voor zover het onderwerpen betreft die zien op digitalisering is toegezegd, krijgt uw Kamer binnenkort een brief over de inzet op digitale ambities, met prioritering en de benodigde keuzes.6 Die brief komt na Prinsjesdag.
Welk tijdspad ziet u als realistisch om de afhankelijkheid van Amerikaanse tech-industrie voldoende afgebouwd te hebben? En kunt u een beeld schetsen van wat u als voldoende acht in deze kwestie?
Het kabinet kiest ervoor om gericht in te zetten op het afbouwen van de zogenaamde risicovolle strategische afhankelijkheden (RSA’s). Het schetsen van concrete tijdspaden is daarbij niet realistisch, onder meer vanwege de snelle technologische ontwikkelingen. Bovendien wordt er niet in het openbaar gecommuniceerd over RSA’s. Het kabinet acht het afbouwen van een afhankelijkheid als voldoende als het geen RSA meer is. Dit is het geval wanneer het risico van een waardeketenverstoring niet meer als hoog wordt ingeschat.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat de Verenigde Staten ASML beschuldigen van de verkoop van EUV-technologie aan China |
|
Michiel Hoogeveen (JA21) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving van Bloomberg dat Amerikaanse regeringsfunctionarissen zorgen zouden hebben geuit over de mogelijke aanwezigheid van EUV-technologie in China ondanks geldende exportbeperkingen?1
Ja.
Kunt u toelichten of het kabinet voorafgaand aan deze berichtgeving bekend was met deze specifieke beschuldigingen?
Heeft de Amerikaanse regering concrete informatie, bewijs of nadere onderbouwing met Nederland gedeeld?
Is er bij het kabinet op dit moment enige aanleiding om te veronderstellen dat de genoemde beschuldigingen onderbouwd zouden kunnen zijn?
Hoe beoordeelt het kabinet de verklaring van ASML dat het bedrijf zich volledig inzet voor naleving van alle toepasselijke regelgeving en eerdere geruchten over niet-naleving reeds heeft weersproken?
Het kabinet heeft goed en regelmatig contact met bedrijven in de halfgeleidersector. In die relatie is er voortdurend aandacht voor de naleving van exportcontroleregels.
Het kabinet gaat in het openbaar niet in op individuele bedrijven en gaat dus ook in het openbaar geen inhoudelijke beoordeling geven van specifieke uitspraken of verklaringen.
Deelt het kabinet de opvatting dat bij berichtgeving over een strategisch Nederlands bedrijf als ASML grote zorgvuldigheid past, gelet op de positie van het bedrijf, en het belang van vertrouwen in zowel Nederlandse exportcontrole als de bredere trans-Atlantische samenwerking?
Ja.
Deelt het kabinet de opvatting dat Nederland open moet staan voor signalen van internationale partners, maar dat Nederlandse exportcontroles niet mogen worden gestuurd door onbewezen aantijgingen of buitenlandse druk?
Ja.
Hoe bewaakt het kabinet in gesprekken met internationale partners dat een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen feitelijke nalevingskwesties en bredere beleidsdiscussies over exportrestricties richting China?
Zie het antwoord op vraag 2,3 en 4.
Het bericht 'Oranje op scherm kijken peperduur terwijl het in België gratis kan: ‘Wij zijn het braafste jongetje van de klas’' |
|
Arend Kisteman (VVD) |
|
Herbert , Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Oranje op scherm kijken peperduur terwijl het in België gratis kan: «Wij zijn het braafste jongetje van de klas»» uit de Telegraaf van 13 juni 2026, mede gebaseerd op uw Kamerbrief over dit onderwerp van 11 juni 2026?1, 2
Ja.
Zou u het goed vinden als het uitzenden van voetbalwedstrijden op schermen tot 5000 bezoekers voor ondernemers gratis zou zijn?
Zoals eerder is aangegeven in de Kamerbrief van 11 juni 2026 met de reactie op de twee moties over het WK-voetbal, gunt het kabinet eenieder om van het WK-voetbal te genieten.3 Samen voetbal kijken zorgt voor saamhorigheid en verbinding. Maar er zijn ook regels van toepassing op het vertonen van sportwedstrijden buiten de huiselijke kring (de zogenoemde public viewings). Zoals toegelicht in de brief zijn er verschillende situaties waarop verschillende regels van toepassing zijn. Het gaat onder andere om het dienstbaarheidsverbod uit de Mediawet 2008, mede gebaseerd op Europese staatssteunregels, en om de contractuele bepalingen uit de overeenkomst van de NOS met de FIFA inzake de uitzendrechten voor het WK-voetbal. Uit deze regels vloeit voort dat er een vergoeding gevraagd moet worden voor vertoningen met een commercieel karakter buiten de huiselijke kring.
De betreffende (horeca)ondernemers behalen een direct economisch voordeel door de vertoning van de wedstrijden, omdat uit ervaring blijkt dat deze op dat moment leidt tot een toename van het aantal bezoekers en daarmee tot extra omzet. Dit voordeel manifesteert zich voorafgaand, tijdens en ook na de vertoning en staat in rechtstreeks verband met de beschikbaarstelling van de uitzending. Tegen die achtergrond is de toepasselijkheid van het dienstbaarheidsverbod niet afhankelijk van het overschrijden van een bezoekersdrempel van 5.000 personen. De economische bevoordeling doet zich immers voor ongeacht de omvang van het publiek, zodat ook viewing evenementen met lagere bezoekersaantallen onder de reikwijdte van het dienstbaarheidsverbod vallen.
Waar baseert u het op dat de NOS door het gratis uitzenden van het WK-voetbal tot 5.000 personen, dienstbaar zou zijn aan het maken van een meer dan normale winst van (horeca)ondernemers en dat het daarmee het dienstbaarheidsverbod in de Mediawet zou schenden, bijvoorbeeld indachtig onderzoek dat aantoont dat het WK-voetbal nauwelijks zorgt voor extra horeca-omzet omdat mensen hun bestedingspatroon verschuiven?3
Het vertonen van WK-wedstrijden in horecagelegenheden of op andere locaties is een commerciële exploitatie van de uitzendingen die zorgt voor (meer) bezoekers en bijdraagt aan meer omzet voor de ondernemers op dat moment. Ook worden speciale WK-vertoningen georganiseerd waarbij het doel nadrukkelijk is om winst te genereren middels kaartverkoop en/of door extra omzet uit de verkoop van eten en drinken. Aan de andere kant staat het horecaondernemers altijd vrij om geen WK-vertoningen te organiseren als de inschatting wordt gemaakt dat dit commercieel niet interessant is.
Dat de uitzendingen van WK-wedstrijden een substantieel commercieel voordeel kunnen opleveren, blijkt onder meer uit de vele speciaal georganiseerde WK-evenementen. Ook blijkt een aanzienlijke stijging van het aantal pintransacties en de horecaomzet tijdens wedstrijden van het Nederlands elftal.5 Dat de extra horeca-inkomsten tijdens WK-wedstrijden worden gevolgd door mogelijk lagere inkomsten op momenten dat er geen WK-wedstrijden zijn, is niet relevant voor de toepassing van het dienstbaarheidsbeginsel.
Waar baseert u het op dat derden een concurrentievoordeel behalen als de NOS voor het uitzenden van het WK-voetbal tot 5.000 personen geen vergoeding vraagt, bijvoorbeeld indachtig het feit dat in dat geval iedere (horeca)ondernemer hiervan kan profiteren en er tussen (horeca)ondernemers onderling dus geen concurrentievoordeel ontstaat?
Het dienstbaarheidsverbod uit de Mediawet verbiedt publieke omroepen bij te dragen aan het behalen van een meer dan normale winst (of concurrentievoordeel) door commerciële partijen. Dit beginsel is een uitwerking van het EU-verbod op ongeoorloofde staatssteun, dat beoogt te voorkomen dat publieke middelen worden aangewend ter bevoordeling van marktpartijen.
Zie verder ook het antwoord op vraag 2.
Waarom is de NOS in Nederland wel in het bezit van de rechten voor public viewings terwijl de Vlaamse Radio- en Televisieomroeporganisatie (VRT) in België dit niet is? Acht u het wenselijk dat de NOS bij volgende grote voetbaltoernooien niet in het bezit van deze public viewing is, om te voorkomen dat zij, volgens u, geld moet vragen voor deze public viewings?
De NOS verkrijgt de public viewing-rechten als onderdeel van het totale rechtenpakket dat met de FIFA wordt overeengekomen. Over deze rechten wordt niet afzonderlijk onderhandeld. De huidige overeenkomst ziet overigens op zowel het WK 2026 als het WK 2030. Het niet door de NOS verwerven van de public viewing-rechten betekent overigens niet dat dan voor het commerciële gebruik van deze rechten geen vergoeding verschuldigd zou zijn. In dat geval zullen organisatoren zoals horecaondernemingen of gemeenten de benodigde rechten rechtstreeks bij de FIFA moeten afnemen. De FIFA hanteert daarbij een tariefstructuur die afhankelijk is van het verwachte bezoekersaantal. Zo geldt bijvoorbeeld een vergoeding van 1.000 USD voor evenementen tot en met 1.000 bezoekers, 2.000 USD voor 1.001 tot en met 2.000 bezoekers en 4.000 USD voor evenementen van 2.001 tot en met 5.000 bezoekers.
Daarnaast ontslaat een rechtstreekse licentie bij de FIFA de (horeca)ondernemers niet van de verplichting om toestemming te verkrijgen voor de auteursrechtelijke openbaarmaking van de betreffende uitzending. Daarvoor is in Nederland nog steeds een afzonderlijke licentie van de NOS vereist. In dat scenario zouden organisatoren derhalve met twee afzonderlijke licentieverleners moeten contracteren en twee afzonderlijke licenties moeten verkrijgen.
Een belangrijk verschil met Nederland is dat België niet beschikt over een collectieve beheersorganisatie vergelijkbaar met Videma in Nederland. De Vlaamse publieke omroep VRT is verantwoordelijk voor de licentieverlening voor de openbaarmaking van haar uitzendingen, maar verwijst ondernemers daarnaast naar de FIFA voor het verkrijgen van de benodigde public viewing-licentie. Hierdoor kunnen organisatoren geconfronteerd worden met verschillende rechthebbenden en afzonderlijke licenties met voorwaarden. In Vlaanderen kan deze onduidelijkheid leiden tot onzekerheid bij ondernemers die publieke vertoningen van wedstrijden willen organiseren.
Bent u van mening dat het gratis uitzenden van het WK-voetbal door de NOS tot 5.000 bezoekers tot «maatschappelijke problemen» leidt en/of een groot risico voor het «publiek belang» kent, welke kernwaarden van het toezichtkader van het Commissariaat van de Media vormen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom doet u dan geen moreel appel op het Commissariaat van de Media om in deze casus niet te handhaven op deze bepaling uit de Mediawet?
Het maatschappelijk belang dat hier aan de orde is, is de naleving van nationale en internationale (wettelijke) normen en het onafhankelijk toezicht daarop. Het Commissariaat voor de Media is de onafhankelijke toezichthouder voor de Nederlandse mediasector. Als zelfstandig bestuursorgaan opereert het Commissariaat volledig onafhankelijk, zonder politieke of bestuurlijke inmenging. Juist voor de mediasector is het van belang dat het toezicht onafhankelijk is, mede gelet op het belang van deze sector voor de onafhankelijke nieuwsvoorziening en de democratische rechtsorde. Daarom wil ik als Minister geen moreel appel doen en de deur openzetten voor andere oproepen vanuit de politiek.
Maatschappelijke problemen en/of een groot risico voor het publiek belang zijn algemene uitgangspunten die het Commissariaat voor de Media hanteert in het kader van de prioritering binnen zijn toezichtstrategie maar als onafhankelijke toezichthouder bepaalt het Commissariaat – binnen de bevoegdheden die de Mediawet hem geeft – zelf op welke zaken hij zich in zijn toezicht richt.
De NOS dient zich als publieke omroep te houden aan de regels uit de Mediawet, waaronder het dienstbaarheidsverbod. Op het moment dat het Commissariaat signalen krijgt of uit eigen onderzoek blijkt dat de NOS zich niet aan de Mediawet houdt, is het aan de onafhankelijke toezichthouder om een handhavingstraject te starten. Het past mij niet om een moreel appel te doen op het Commissariaat om dat niet te doen, of mij anderszins te mengen in de uitvoering van het toezicht door het Commissariaat.
Waarom geeft u in de genoemde Kamerbrief als reactie op de motie niet aan dat u voor de lange termijn werkt aan een wetswijziging om deze situatie bij een Europees Kampioenschap over twee jaar te voorkomen? Bent u daartoe bereid?
Het dienstbaarheidsverbod is een algemeen beginsel uit de Mediawet 2008 en is tot stand gekomen na langdurige gesprekken met de Europese Commissie over de financiering van de publieke omroep. De Europese Commissie heeft in 2010 bij de afronding van die zaak aangegeven dat het dienstbaarheidsverbod belangrijk is om te zorgen dat de financiering van de publieke omroep conform de staatssteunregels verloopt en dat de publieke omroep zich marktconform gedraagt.6 De Europese staatssteunregels bieden naar mijn mening geen ruimte om voor specifieke evenementen zoals een EK- of WK-voetbal een (wettelijke) uitzondering te maken op het dienstbaarheidsverbod uit de Mediawet. Ik zie dan ook geen mogelijkheden om hiervoor een wetswijziging in gang te zetten. Het dienstbaarheidsverbod is gebaseerd op Europese staatssteunregels en is juist bedoeld om ondernemers te beschermen. De publieke omroep dient zich marktconform te gedragen en voorkomen moet worden dat de ene groep ondernemers (bovenmatig) kan profiteren terwijl een andere groep dat niet kan. Zonder het dienstbaarheidsverbod zou er dus oneerlijke concurrentie kunnen plaatsvinden, ofwel doordat de publieke omroep met eigen activiteiten marktverstorend werkt, ofwel doordat bepaalde marktpartijen de markt verstoren vanwege voordelen die zij van de publieke omroep verkrijgen.
Waarom geeft u in de Kamerbrief niet duidelijker aan het wenselijk te vinden als (horeca)ondernemers en Oranjesupporters ook in de overige 60% van de Nederlandse gemeenten kunnen genieten van ruimere openingstijden?
Zoals werd aangegeven in de Kamerbrief van 11 juni 2026 is de regulering van openingstijden (van horeca) een lokale aangelegenheid. Het kabinet is naar aanleiding van de moties in gesprek gegaan met de VNG en heeft de oproep gedaan aan gemeenten om horecaondernemingen tegemoet te komen wanneer zij plannen hebben om WK-wedstrijden te vertonen en daarvoor ruimere openingstijden vereist zijn. De praktijk heeft laten zien dat gemeenten horecaondernemers deze ruimte ook hebben geboden. Steeds meer gemeenten verruimden de openingstijden. Waar in maart 2026 slechts 11% van de gemeenten ruimere openingstijden dan de reguliere sluitingstijden had ingesteld voor het WK, was dat ten tijde van de brief opgelopen naar circa 40%. Later is dit nog verder gestegen naar circa 55%.7 Zoals ook aangegeven in de brief heeft het Rijk geen eigen bevoegdheid om openingstijden landelijk te regelen of gemeenten te verplichten tijdelijk ruimere openingstijden te hanteren.
Kunt u deze vragen deze week nog beantwoorden, aangezien het WK al is begonnen?
U vroeg mij deze vragen binnen een week te beantwoorden. Dat is helaas niet gelukt aangezien ik voor de beantwoording van de vragen afhankelijk was van informatie van derden en ik de antwoorden ook nog interdepartementaal diende af te stemmen. Op 10 juli 2026 heb ik u een uitstelbrief gestuurd voor de beantwoording van deze (en andere) Kamervragen.
Het wereldwijd uitschakelen van Anthropic's Fable- en Mythos-modellen |
|
Sarah El Boujdaini (D66), Ouafa Oualhadj (D66) |
|
Herbert , Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving dat Anthropic op 12 juni 2026, na een Amerikaans exportcontrolebesluit, de modellen Fable 5 en Mythos 5 wereldwijd heeft uitgeschakeld voor niet-Amerikaanse staatsburgers?
Ja.
Klopt het dat Nederlandse en Europese gebruikers hierdoor abrupt hun toegang tot een frontier-AI-model (grensmodel) verloren, uitsluitend op grond van een binnenlands Amerikaans besluit en zonder enige Europese inspraak of beroepsmogelijkheid?
Ja. Het verliezen van toegang tot deze modellen gold voor alle gebruikers.
Was u vooraf op de hoogte van dit besluit of het risico daarop en op welke wijze zijn Nederland en de EU hierover geïnformeerd of geconsulteerd?
Nee. Het kabinet is niet vooraf op de hoogte gesteld van dit besluit.
Deelt u de analyse dat dit incident blootlegt hoe afhankelijk Nederland en Europa zijn van een handvol Amerikaanse aanbieders voor de meest geavanceerde AI, en dat die toegang aantoonbaar als geopolitiek drukmiddel kan worden in- en uitgeschakeld? Hoe verhoudt zich dat tot uw constatering in de beleidsbrief Economische Zaken en Klimaat van 24 april 2026 dat Nederland «niet chantabel» moet zijn door strategische afhankelijkheden af te bouwen?1
Het klopt dat Nederland afhankelijk is van Amerikaanse aanbieders voor de meest geavanceerde AI. Het kabinet onderschrijft het belang van toegang tot geavanceerde AI modellen zoals onder meer beschreven in de Internationale AI Strategie (2026), Internationale Veiligheidsstrategie 2026–20302 en de Kamerbrief Reactie op factsheets digitale strategische autonomie (2025)3 over AI-soevereiniteit. Daarom benadrukken deze ontwikkelingen de urgentie om de Europese en nationale AI-capaciteiten fors te versterken. Daar zet het kabinet dan ook op in. Zo wordt in de Ministeriële Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat momenteel gewerkt aan een Industrieprogramma Digitale Diensten en AI. Ook zullen het nog op te richten Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI) en de Nationale Investeringsinstelling (NII) een rol spelen. Eerder is ook via het NGF in AI-programma’s geïnvesteerd, evenals in de AI Fabriek in Groningen.
Welk Europees of Nederlands alternatief kan op dit moment een frontier-model van vergelijkbaar niveau leveren wanneer Amerikaanse toegang wegvalt, en hoe beoordeelt u de situatie indien een dergelijk alternatief ontbreekt?
Er zijn momenteel geen Europese alternatieven van vergelijkbaar niveau als Fable en Mythos. Tegelijkertijd zijn geavanceerde capaciteiten niet enkel meer voorbehouden aan gesloten modellen. Ook open, vrij toegankelijke AI-modellen komen in de buurt van de meest geavanceerde modellen. Dit wordt versterkt door het feit dat de capaciteiten van een AI-model niet enkel of grotendeels voortkomen uit het model zelf, maar juist uit de technische infrastructuur (het «harnas») om het AI-model heen. Het is onzeker hoe de markt van AI-modellen en technische infrastructuur zich de komende jaren zal ontwikkelen en welke rol open modellen daarin zullen spelen. Dat houdt het kabinet nauwlettend in de gaten. Omdat Europa niet over eigen geavanceerde AI-modellen beschikt, is het van belang dat Nederland tevens samen met EU-partners en andere gelijkgezinde middle powers werkt aan toegang tot noodzakelijke AI-capaciteiten.4
Welke concrete risico’s brengt de blokkade van dit model met zich mee voor het Nederlandse bedrijfsleven, in het bijzonder wanneer toegang als drukmiddel wordt ingezet, en geldt dit risico naar uw oordeel ook voor andere frontier-modellen van Amerikaanse aanbieders zoals OpenAI (ChatGPT) en Google (Gemini)?
Vanwege het recent beëindigen van de ingevoerde exportrestricties zullen de gevolgen voor het Nederlandse bedrijfsleven beperkt zijn. Het kabinet schat de directe impact op het concurrentievermogen van een exportverbod op een individueel AI-model laag in, omdat er momenteel nog voldoende hoogwaardige alternatieven modellen beschikbaar zijn. Tegelijkertijd is onduidelijk hoe de markt voor AI-modellen (en daarop gebaseerde toepassingen) zich zal ontwikkelen. De impact van vergelijkbare besluiten in de toekomst kan dus mogelijk anders zijn. Het integreren van frontier AI-modellen buiten de EU in Nederlandse digitale processen vergroot de afhankelijkheid van niet-Europese aanbieders, met bijbehorende risico’s op het gebied van datasoevereiniteit, continuïteit, vertrouwelijkheid en strategische afhankelijkheid. Zoals verder toegelicht in de antwoorden op vragen 7 en 8 kunnen modellen als Mythos in ieder geval impact hebben op de cyberveiligheid.
Heeft de plotselinge uitschakeling van Mythos – een model dat eerder met een select aantal organisaties in vitale sectoren werd gedeeld om softwarekwetsbaarheden op te sporen voordat kwaadwillenden deze konden misbruiken – gevolgen gehad voor de cyberweerbaarheid van Nederlandse of Europese organisaties die dit model gebruikten?
Zoals toegelicht in de beantwoording op Kamervragen van de leden El Boujdaini en Kathmann van 1 juni jl.5 laat onafhankelijk onderzoek zien dat toegang tot AI-frontiermodellen in veel gevallen niet noodzakelijk is voor effectieve detectie van kwetsbaarheden maar dat ook andere modellen in staat zijn kwetsbaarheden te vinden. Het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) kijkt daarom naar bredere ontwikkeling van AI-modellen die gebruikt kunnen worden voor cybersecurity doeleinden, en welke kans de toepassing van AI biedt voor het verbeteren van onze digitale weerbaarheid. Het NCSC zoekt actief contact met relevante organisaties in het hele ecosysteem om op de hoogte te blijven van relevante ontwikkelingen op het gebied van deze technologie en de mogelijke gevolgen daarvan voor cyberveiligheid en digitale veerkracht.
Op termijn kan het niet of onvoldoende voor handen hebben van geavanceerde frontier AI-modellen wel tot gevolg hebben dat bedrijven zonder toegang minder zelf in staat worden gesteld kwetsbaarheden te vinden met behulp van AI en deze te verhelpen. Ook daarom is het van belang om binnen Nederland en de EU met urgentie te bouwen aan het versterken van de ontwikkeling van AI en toepassingen hiervan en zolang de eigen capaciteit ontbreekt, samen te werken voor toegang tot noodzakelijke capaciteiten.
Welke risico’s ziet u in het gegeven dat een AI-model met dergelijke geavanceerde capaciteiten voor het opsporen van cyberkwetsbaarheden zowel defensief als offensief inzetbaar wordt geacht, en in hoeverre weegt dit mee in de Nederlandse of Europese beoordeling van AI-systemen met een hoog risicoprofiel?
De ontwikkelingen volgen elkaar in snel tempo op, risico’s zijn dan ook zeer situationeel afhankelijk. Geavanceerde AI-modellen spelen in algemene zin op twee manieren een rol in het huidige dreigingsbeeld.
Enerzijds kunnen AI-modellen worden ingezet door kwaadwillenden om systemen aan te vallen. Dankzij dergelijke AI-modellen kunnen in veel kortere tijd en op grotere schaal kwetsbaarheden in software worden opgespoord en misbruikt worden voor aanvallen dan eerder mogelijk was. Hierdoor kan de tijd tussen ontdekking van een kwetsbaarheid en het moment dat deze wordt misbruikt significant worden verkort.
Anderzijds kunnen AI-modellen ook worden gebruikt voor digitale verdediging, bijvoorbeeld door ze als softwareontwikkelaar zelf te gebruiken om kwetsbaarheden te vinden maar ook om het patchen, monitoren, detecteren en de respons geautomatiseerd te laten verlopen. Ook hiervoor geldt dat dergelijke processen sneller en op grotere schaal kunnen worden uitgevoerd. De opkomst en het gebruik van geavanceerde AI-systemen kan daarmee leiden tot scheefgroei tussen organisaties die hun digitale verdediging op orde hebben (al dan niet met gebruik van AI) en organisaties die hier minder aandacht aan besteden of minder toe in staat zijn. Aangezien er met behulp van AI onderdelen van de verdediging geautomatiseerd en sneller kunnen worden uitgevoerd, zullen organisaties die niet gebruik (kunnen) maken van geautomatiseerde verdediging en bijvoorbeeld handmatig patchen of reageren, hier minder efficiënt en effectief in zijn en dus relatief kwetsbaarder worden.
Om digitaal weerbaar te zijn en te blijven is het voor individuele organisaties cruciaal om de basismaatregelen continu en tijdig toe te passen. Dit was altijd al het geval, maar de opkomst en toegankelijkheid van AI-modellen onderstreept de urgentie. Wel bepleit het kabinet terughoudendheid ten aanzien van toegang tot operationeel gebruik van een niet-Europees leveranciersmodel als oplossingsrichting voor preventieve kwetsbaarheidsdetectie door de mogelijke afhankelijkheidsrisico’s, zoals beschreven in vraag 6.
Tenslotte stelt de Europese AI-verordening eisen aan AI-systemen en -modellen op basis van het risico van deze systemen. Zo stelt de verordening eisen aan AI-modellen voor algemene doeleinden waarbij de regels steviger zijn voor modellen met systeemrisico’s. Alle AI-modellen voor algemene doeleinden moeten technische documentatie opstellen waarin in ieder geval informatie staat over het beoogde doel van het model, trainingsmethoden en gebruikte data. Aanbieders van modellen met een systeemrisico moeten daarbovenop deze risico’s in kaart brengen en kwetsbaarheden in het model opsporen. Risico’s worden op deze manier ook meegenomen in het toezicht op deze modellen door het Europese AI Office.
Beschikken de rijksoverheid en de beheerders van vitale infrastructuur over een continuïteits- of exitstrategie voor het geval dat Amerikaanse frontier-modellen waarop hun diensten draaien plotseling wegvallen, en zo nee, bent u voornemens een dergelijke strategie te ontwikkelen?
Op grond van de Cyberbeveiligingswet is het in eerste instantie aan entiteiten, waaronder de Rijksoverheid en aan beheerders van vitale infrastructuur, zelf om vast te stellen welke technische of organisatorische maatregelen passend en evenredig zijn om de risico’s voor de beveiliging van hun netwerk- en informatiesystemen, waaronder AI frontier-modellen, waarmee zij geconfronteerd worden, te kunnen beheersen. Entiteiten hebben immers zelf inzicht in risico’s die hun dienstverlening kunnen raken en hebben de meeste kennis van hun eigen systemen en processen.
De Cyberbeveiligingswet is op 15 augustus 2026 in werking is getreden. De zorgplicht die deze entiteiten onder de Cyberbeveiligingswet hebben, ziet op de maatregelen met het oog op de beveiliging van netwerk- en informatiesystemen die worden toegepast voor de dienstverlening van entiteiten of voor het verrichten van hun activiteiten. Wanneer entiteiten overwegen welke maatregelen in dit verband passend zijn, moeten zij rekening houden met de specifieke kwetsbaarheden van hun rechtstreekse leveranciers en dienstverleners en met de algemene kwaliteit van de producten en de cyberbeveiligingspraktijken van hun leveranciers en dienstverleners. Echter, voor zover de entiteit gebruik maakt van AI frontier modellen is de zorgplicht ook hierop van toepassing. Ten aanzien van de continuïteit van de dienstverlening is in het Cyberbeveiligingsbesluit in artikel 9 opgenomen dat een entiteit over een vastgesteld bedrijfscontinuïteitsbeleid en -plan met betrekking tot haar netwerk- en informatiesystemen moet beschikken. Daarin moeten risico’s voor continuïteit worden meegenomen, zoals in het voorliggende geval via het wegvallen van frontier-modellen. De uitkomsten van de verplichte risicoanalyse die de entiteit heeft uitgevoerd zal bepalen welke mitigerende maatregelen de entiteit moet nemen om de continuïteit van de dienstverlening bij uitval te herstellen. De entiteit legt deze maatregelen vast in haar bedrijfscontinuïteitsplan. Wat een entiteit nodig heeft zal per entiteit verschillen. Het is dan ook niet aan de overheid om ten behoeve van entiteiten continuïteits- of exitstrategieën op te stellen voor de verschillende technieken die entiteiten gebruiken. Wel ondersteunt de Rijksoverheid entiteiten via communicatie om te kunnen voldoen aan de zorgplicht. Zo voorziet de website van het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) in allerlei adviezen, zoals over het opstellen van een bedrijfscontinuïteitsplan en hoe entiteiten meer grip kunnen krijgen op hun digitale afhankelijkheden.
Welke maatregelen treft u op korte termijn, al dan niet in Europees verband, om een dergelijke situatie te voorkomen of op te vangen?
Nederland zet zich in EU-verband in voor een gezamenlijke aanpak om risicovolle strategische afhankelijkheden in de AI-waardeketen terug te dringen. Ook blijft het kabinet zich inspannen om de Europese en nationale AI-capaciteiten te versterken. Het kabinet onderschrijft de urgentie hiervan en staat in nauw contact met diverse AI-bedrijven en -experts om te bespreken welke aanvullende inzet nodig is. In het kader van de Ministeriële Taskforce Toekomstige Welvaart en Verdienvermogen is recent bijvoorbeeld een sectortafel omtrent digitale diensten en AI georganiseerd. Daar waar Europa onvoldoende eigen (geavanceerde) AI-capaciteiten heeft, werkt Nederland samen met EU-partners aan het veiligstellen van toegang tot noodzakelijke AI-capaciteiten, met waarborgen voor veiligheid, betrouwbaarheid en bescherming van fundamentele rechten. Voorts neemt Nederland initiatief voor versterking en coördinatie van het externe optreden van de EU op het gebied van AI.
Hoe versnelt u de totstandkoming van een Europees alternatief op topniveau, bijvoorbeeld door opschaling van de samenwerking met Mistral of door investeringen in rekencapaciteit?
Voor de ontwikkeling van een Europees AI-alternatief op topniveau zijn voldoende rekenkracht, kapitaal, talent en hoogwaardige data randvoorwaardelijk. Het kabinet zet daarom in op nauwe Europese samenwerking en richt zich daarbij in het bijzonder op initiatieven die de Europese AI-capaciteit en technologische slagkracht versterken. Via de EuroHPC Joint Undertaking wordt geïnvesteerd in grootschalige Europese rekencapaciteit, die beschikbaar wordt gesteld aan bedrijven, kennisinstellingen en overheden. De AI-fabriek in Groningen draagt hieraan bij als onderdeel van het Europese netwerk van AI-fabrieken, dat de toegang tot rekenkracht, data en expertise versterkt. Voor de verdere opschaling van rekencapaciteit zet het kabinet daarnaast in op betere randvoorwaarden voor private investeringen, waaronder het stroomlijnen van vergunningsprocedures, zodat nieuwe initiatieven sneller kunnen worden gerealiseerd. Dit sluit aan bij de aanbevelingen uit het rapport-Wennink. Daarnaast dragen de projecten OpenEuroLLM en EuroLLM bij aan de ontwikkeling van hoogwaardige, open en meertalige Europese taalmodellen en daarmee aan een sterker en onafhankelijker Europees AI-ecosysteem. Ook staat het kabinet in nauw contact met relevante AI-bedrijven, waaronder Mistral.
Frankrijk en Duitsland werken samen met de Europese Commissie aan het Frontier AI-initiatief, dat is opgenomen in de Apply AI-strategie. Binnen dit initiatief wordt gewerkt aan de oprichting van een nieuwe publiek-private juridische entiteit die inspeelt op zowel industriële als maatschappelijke behoeften op het gebied van Frontier AI. Het is de bedoeling dat deze entiteit geavanceerde, pre-commerciële en concurrerende AI-systemen gaat ontwikkelen en daarmee de Europese AI-capaciteiten verder versterkt. Voor dit project wordt nog gezocht naar Europese partners die het initiatief kunnen ondersteunen. Nederland heeft tegenover de Europese Commissie onder voorbehoud belangstelling voor betrokkenheid kenbaar gemaakt en onderzoekt momenteel de mogelijkheden om aan dit initiatief bij te dragen.
Bent u bekend met het scenario «Europe 2031», waarin wordt beschreven hoe Europa bij voortzetting van de huidige AI-koers afglijdt naar irrelevantie?2
Ja.
Onderschrijft u de bevinding dat Europa nog circa 5 procent van de wereldwijde AI-compute beheerst tegenover circa 80 procent in de Verenigde Staten en dat de 200 miljard euro aan InvestAI grotendeels herverpakt geld betreft dat in het niet valt bij één jaar Amerikaanse investeringen? Zo nee, op welke punten en op basis van welke cijfers wijkt uw beeld af?
Het kabinet onderkent dat Europa momenteel een achterstand heeft ten opzichte van de Verenigde Staten op het gebied van AI-rekencapaciteit en private investeringen in AI. De in de vraag genoemde schattingen van circa 5 procent van de wereldwijde AI-compute voor Europa en circa 80 procent voor de Verenigde Staten zijn gebaseerd op onderzoek van het instituut Epoch AI, zoals gepubliceerd in een artikel uit juni 2025.7 Het kabinet beschikt niet over recentere bronnen die deze percentages bevestigen. Binnen het kader van EuroHPC zal komende jaren de totale rekencapaciteit in Europa vergroot worden met de komst van AI-fabrieken en AI-gigafabrieken onder de controle van Europese partijen.
Ten aanzien van InvestAI benadrukt het kabinet dat de genoemde € 200 miljard geen fonds is dat volledig door de Europese Commissie wordt gevuld. Het betreft een publiek-private investeringsdoelstelling, waarbij de Europese Unie beoogt in totaal € 200 miljard aan AI-investeringen te mobiliseren uit verschillende bronnen, waaronder substantiële private investeringen. Een deel van de publieke middelen bouwt daarbij voort op bestaande Europese financieringsinstrumenten. Het kabinet deelt daarom niet de kwalificatie dat InvestAI grotendeels uit «herverpakt geld» bestaat.
Tegelijkertijd is duidelijk dat de investeringsambities in de Verenigde Staten, met name op het gebied van AI-infrastructuur, momenteel groter zijn dan in Europa. Daarbij is het wel van belang onderscheid te maken tussen publieke overheidsuitgaven en gemobiliseerde private investeringen, omdat deze niet één-op-één vergelijkbaar zijn. Hoewel we waarde blijven hechten aan de samenwerking met de Verenigde Staten op het gebied van AI, zet het kabinet in op nauwe Europese samenwerking om de randvoorwaarden voor een concurrerend Europees AI-ecosysteem te versterken.
Deelt u de tijdsdiagnose dat de zomer van 2026 het laatste reële moment is om bij te sturen voordat de achterstand zichzelf versterkt? Zo nee, welk eigen ijkpunt hanteert u en waarop baseert u dat?
Het kabinet hanteert geen eigen ijkpunt, omdat precieze tijdsvoorspellingen in een domein dat zich zo snel ontwikkelt inherent onzeker zijn. Dat geldt ook voor de tijdsdiagnose in Europe 2031. Wat het kabinet wél deelt, is de urgentie die ten grondslag ligt aan het scenario. De dynamieken tussen compute, modelcapaciteit en investeringscycli zijn reëel en vragen nu om actie. Het afgelopen jaar is daarom zowel op Europees als op nationaal niveau gewerkt aan nieuw beleid op dit terrein, waarvan het Tech Sovereignty Package, de internationale AI-strategie en de werkzaamheden in het kader van de Ministeriële Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat enkele relevante voorbeelden zijn.
Bent u bereid dit incident en andere mogelijke strategische AI-afhankelijkheden te (laten) bestuderen en de Kamer te informeren hoe Nederland zich voorbereidt op een scenario waarin de toegang tot buitenlandse AI-modellen voor Nederlandse burgers abrupt wordt beperkt of als drukmiddel wordt ingezet, en daarbij in te gaan op de economische, strategische en soevereiniteitsgevolgen voor Nederland?
Het kabinet communiceert vanwege strategische en diplomatieke gevoeligheden niet in het openbaar over de analyses die zij uitvoert naar (risicovolle) strategische afhankelijkheden en eventuele voorbereidingen op scenario's over geopolitieke incidenten. De Kamer kan daarover vertrouwelijk worden geïnformeerd.
Wat doet u om meer strategische technologie te ontwikkelen waarvan anderen juist afhankelijk zijn – naar het voorbeeld van ASML – zodat de kans kleiner wordt dat Nederland wordt afgesloten van kritieke technologie zoals AI?
Het kabinet zet hiertoe in op het versterken van het concurrentievermogen van Nederland, onder andere via de Nationale Technologiestrategie en de Ministeriële Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat.
Bent u bereid de positie uit de brief aan de Kamer van 31 maart 2026 – dat er binnen de huidige begroting geen ruimte is voor de financiële verplichting om deel te nemen aan de Europese aanbesteding van rekencapaciteit en daarmee aanspraak te maken op het fonds van 20 miljard euro voor maximaal vijf AI-gigafabrieken – te heroverwegen, nu het Fable-incident precies de geopolitieke verstoring is die in diezelfde brief als reden werd genoemd waarom Nederland en Europa zelfstandig AI-modellen moeten kunnen ontwikkelen en hosten?3
Het kabinet erkent het belang van AI-infrastructuur als cruciale bouwsteen voor de ontwikkeling en toepassing van AI-modellen en applicaties. Tegelijkertijd is het kabinet, in lijn met het rapport-Wennink, onverminderd voorstander van AI-gigafabrieken die volledig door de markt worden gefinancierd, waarbij voor het kabinet een taak ligt om de randvoorwaarden te versterken.
Hoe verhoudt de ambitie om nationale rekencapaciteit op te bouwen zich tot de huidige netcongestie, de schaarse ruimte en het verbod op hyperscale-datacenters op nieuwe locaties, en welke concrete randvoorwaarden op het gebied van energie, netaansluiting en vergunningverlening neemt u op welke termijn weg?
Voor AI-rekenfaciliteiten geldt dat het huidige beleid hier ruimte voor biedt mits zij voldoen aan geldende wet- en regelgeving. Grootschalige AI-rekenfaciliteiten brengen aanzienlijke ruimtelijke claims met zich mee en vragen om substantiële hoeveelheden elektriciteit. Nederland staat voor uitdagingen op het gebied van netcongestie en ruimtelijke schaarste. Het kabinet vindt het noodzakelijk dat nieuwe AI-infrastructuur zorgvuldig wordt ingepast binnen de nationale energie- en ruimtelijke kaders, met aandacht voor energie-efficiënte, duurzaamheid en de impact op het elektriciteitsnet. Tegelijkertijd hecht het kabinet eraan dat Nederland beschikt over de rekencapaciteit die nodig is voor het realiseren van de (digitale) economie van de toekomst en voor het streven naar meer digitale autonomie. Deze twee perspectieven, ruimtelijke inpassing en impact op het energiesysteem enerzijds, en economische ontwikkeling en autonomie anderzijds, vragen om een samenhangende afweging. Daarom wordt onder regie van het Ministerie van EZK, samen met VRO, gezamenlijk gewerkt aan een nationale geïntegreerde aanpak datacenters. Onder de werktitel «regie op datacenterontwikkeling» wordt uw Kamer dit najaar geïnformeerd over deze aanpak.
Bent u bereid de oprichting van een Nederlands European Lab for Learning and Intelligent Systems (ELLIS) Instituut als nationaal AI-onderzoekscentrum, zoals aanbevolen in het rapport-Wennink, op korte termijn mogelijk te maken en te financieren? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment werken initiatiefnemers uit het veld het concept van een ELLIS Instituut nader uit. Het Ministerie van EZK staat in contact met deze initiatiefnemers. Voor de oprichting van een ELLIS Instituut zijn op dit moment geen middelen op de Rijksbegroting gereserveerd.
Hoe beoordeelt u het feit dat Nederland, anders dan het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten, niet over een eigen AI Safety Institute beschikt en daarmee geen onafhankelijke capaciteit heeft om de frontier-modellen waarvan onze economie en vitale sectoren afhankelijk zijn zelf te beoordelen of te testen – zoals het Britse AI Safety Institute wel doet via toegangsafspraken met onder meer Anthropic, Google en OpenAI – mede in het licht van het gegeven dat juist een jailbreak (gevangenisuitbraak) van Mythos de aanleiding vormde voor het uitschakelen van Fable? Bent u bereid een Nederlands AI Safety Institute met die taak en passende bevoegdheden op te richten?
Het kabinet onderkent het belang van het monitoren en afdekken van veiligheidsrisico’s van geavanceerde AI en is van mening dat dit een aanpak vereist die stevig is verankerd in inhoudelijke expertise. Hiertoe wordt er binnen Nederland, Europa en diverse kennisinstellingen gewerkt aan het verder versterken van kennis, expertise en samenwerking op het gebied van AI-veiligheid.
Zoals reeds aan de Kamer aangegeven9 loopt er in dit kader een interdepartementale verkenning naar de mogelijke inrichting van een onafhankelijk AI-veiligheidsinstituut. Dit, naar voorbeeld van internationale initiatieven zoals het AI Security Institute (AISI) in het Verenigd Koninkrijk. De verkenning zal naar verwachting in september resulteren in een adviesrapport. Op basis van de uitkomsten daarvan zal het kabinet besluiten of en op welke wijze een dergelijk instituut kan worden ingericht, inclusief de taken, bevoegdheden en benodigde randvoorwaarden. Het kabinet houdt daarbij rekening met de verschillende bestaande instituten en initiatieven die de overheid en private organisaties reeds voorzien van advies en expertise op het gebied van AI en cybersecurity.
Onderschrijft u het feit dat het versterken van de brede strategische relevantie van op Nederland gerichte investeringen vraagt om technologische doorbraken over meerdere domeinen, en niet alleen in AI? Welke rol ziet u daarbij voor het Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI) als motor voor disruptieve doorbraken over de volle breedte van de door Wennink benoemde strategische domeinen (digitalisering en AI, veiligheid en weerbaarheid, gezondheid en biotechnologie, energie- en klimaattechnologie)?
Dat onderschrijf ik. En dat is ook een van de redenen dat het kabinet inzet op verschillende technologiegebieden in de Nationale Technologiestrategie en de Ministeriële Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat. Het doel van NADI is om technologische doorbraken te realiseren voor grote maatschappelijke uitdagingen. Het ligt voor de hand dat AI en de andere genoemde technologieën daar een bijdrage aan kunnen leveren.
Bent u bereid te laten onderzoeken of het NADI volgens de ARPA-methode een programma kan opzetten dat de ontwikkeling van AI-infrastructuur op Europese bodem versterkt, in het bijzonder chips en de bijbehorende ontwerp- en productietooling?
Ja, daar ben ik toe bereid. Daarbij zal worden bezien of een verdere specificering van de scope tijdens de verkenning wenselijk is, bijvoorbeeld de inzet op basismodellen in het fysieke domein. Bovendien kan het gegeven dat dit onderwerp nadrukkelijk op de Europese agenda staat mogelijk ook kansen bieden om een dergelijk programma te versterken met Europese financiering.
Bent u bereid de Kamer vóór Prinsjesdag een samenhangend tijdpad te sturen voor het vergroten van de strategische relevantie van Nederland op AI- en breder technologisch gebied, met daarin in elk geval de besluitvorming over nationale rekencapaciteit en energie, een ELLIS Instituut, een AI Safety Institute, de versnelde oprichting van het NADI en de opschaling van de Nationale Investeringsinstelling?
Het door u gevraagde tijdspad voor de initiatieven hebben een raakvlak met AI en met AI modellen, maar zijn onderdeel van verschillende, bredere beleidstrajecten, zoals deze onder meer in de Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat of in een proces van beoordeling van voorstellen van de Commissie wordt geapprecieerd. Uw kamer wordt deze zomer geïnformeerd over de stand van zaken met betrekking tot de (implementatie en integratie van de) NADI en de Nationale Investeringsinstelling in een brief vanuit de Taskforce. Over het vraagstuk van nationale rekencapaciteit en energie kan ik u aanvullend melden dat het kabinet deze zomer in het kader van het Tech Sovereignty Packcage van de Europese Commissie een BNC-fiche over het voorstellen ut de Strategic Roadmap for Digitalisation and AI in Energy met uw kamer zal delen. Voor het ELLIS Institute wacht het kabinet op de nadere uitwerking van de initiatiefnemers uit het veld. Zoals eerder in deze brief aangegeven is er t.a.v. de wenselijkheid en mogelijke inrichting van een onafhankelijk AI veiligheidsinstituut een verkenning gestart. Naar verwachting wordt het adviesrapport in september opgeleverd. Dit wacht het kabinet af alvorens hierover beslissingen te nemen.
Het bericht 'Bestuurders Tata Steel krijgen toch extraatje voor inspanning in ‘moeilijke tijden’ |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van het Financieele Dagblad over de beloningen van bestuurders van Tata Steel Nederland?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het dat Tata Steel Nederland in een periode waarin met het Rijk wordt onderhandeld over een mogelijke subsidie van € 2 miljard voor de verduurzaming van de staalproductie en een ontslagronde, extra beloningen aan bestuurders uitkeert?
Het kabinet snapt dat dit bericht vragen oproept. Het besluit over het beloningsbeleid van een private onderneming is echter aan de onderneming zelf. Wel is in artikel 10 van de Joint letter of intent (JLoI) met Tata Steel Nederland (TSN), Tata Steel Limited (TSL) en de Provincie Noord-Holland (PNH) opgenomen dat de onderneming een passend, redelijk en uitlegbaar beloningsbeleid voert. De daadwerkelijke invulling hiervan is onderdeel van de uitwerking van de JLoI in een maatwerkovereenkomst.
Zijn afspraken over bestuurdersbeloningen, dividenduitkeringen, kapitaaluitkeringen aan aandeelhouders en het inkopen van eigen aandelen onderdeel van de onderhandelingen over de maatwerkafspraken met Tata Steel?
In artikel 10 van de JLoI is opgenomen dat TSN een passend, redelijk en uitlegbaar beloningsbeleid moet implementeren. De daadwerkelijke invulling hiervan is onderdeel van de uitwerking in een maatwerkovereenkomst.
Bent u bereid om dergelijke afspraken op te nemen voor gedurende de looptijd van de subsidie?
De gesprekken over de uitwerking van de JLoI lopen op dit moment en ik kan dan ook niet vooruitlopen op de precieze invulling van deze afspraken. Conform artikel 10 JLoI, is het de inzet van partijen om tot afspraken te komen over het beloningsbeleid in een maatwerkafspraak.
Bent u verder bekend met de passages uit het Jaarverslag van Tata Steel waarin de financiering van het groen staal plan wordt uitgewerkt?
Ja.
Beschikt u over concrete aanwijzingen dat Tata Steel Limited bereid is substantieel eigen vermogen beschikbaar te stellen voor het Groen Staal-project in IJmuiden? Zo ja, om welke omvang gaat het?
In artikel 7 van de JLoI zijn afspraken gemaakt over de investering en financiering van en door TSL en TSN. Deze afspraken laten de investeringsbereidheid van TSL en TSN zien. Ook is duidelijk dat de staat maximaal 2 miljard zal bijdragen. De verdere uitwerking van de JLoI is onderwerp van gesprek en daar kan het kabinet nu niet op vooruitlopen. Zoals bekend vindt de staat het belangrijk dat TSL significant bijdraagt en op enige wijze garant staat en dit komt dus ook duidelijk naar voren in de afspraken die in de JLoI zijn gemaakt.
Heeft de verhouding tussen eigen vermogen en vreemd vermogen gevolgen voor de omvang of voorwaarden van de eventuele staatssteun?
Het is in beginsel aan het bedrijf zelf om de financiering precies uit te werken. Hierover wordt gesproken in de onderhandelingen voor de maatwerkovereenkomst.
Welke minimale financiële bijdrage van Tata Steel Limited acht u redelijk alvorens publieke middelen beschikbaar worden gesteld?
De verdeling van de financiële bijdrage is vastgelegd in de JLoI die onder andere door de staat, TSL en TSN ondertekend is. In de JLoI staat opgenomen dat de totale investeringskosten voor de projecten tussen de 4–6,5 miljard euro zijn. De bijdrage van de staat is gemaximeerd op 2 miljard euro, ongeacht waar het bedrag in de bandbreedte van 4–6,5 miljard euro op uitkomt. Er staat in artikel 7.1.1. sub a van de JLoI dan ook expliciet opgenomen dat de staat niet verantwoordelijk is voor eventuele benodigde resterende financiering bovenop dit bedrag. De investering van TSL en TSN en de bijdrage van de staat zijn proportioneel en dienen in lijn te zijn met de Europese regels voor staatssteun. Als de investering van TSN en TSL lager uitvalt dan de verwachte bandbreedte zal de bijdrage van de staat ook lager worden. TSL en TSN dragen het risico als de kosten hoger worden dan voorzien.
Het bericht ‘Tiktokshop komt naar Nederland, 'een giftige cocktail voor impulsaankopen’ |
|
Inge van Dijk (CDA), Jantine Zwinkels (CDA), Judith Buhler (CDA) |
|
Aerdts , Herbert , Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Tiktokshop komt naar Nederland, «een giftige cocktail voor impulsaankopen»» van de NOS?1 Erkent u dat de combinatie van sociale media, verslavende aanbevelingsalgoritmen en directe aankoopmogelijkheden het risico op impulsieve en onverantwoorde aankopen vergroot?
Ja, ik ben bekend met het artikel. Ik erken dat de combinatie van sociale media, gepersonaliseerde aanbevelingsalgoritmen en directe aankoopmogelijkheden het risico op impulsieve aankopen kan vergroten.
Hoe beoordeelt u de verenigbaarheid van de Tiktokshop met Europese consumentenbeschermingsregels, nu gebruikers producten kunnen aanschaffen zonder de app te verlaten en daarmee voortdurend worden blootgesteld aan commerciële prikkels? Acht u het risico reëel dat hierbij sprake is van verboden manipulatieve ontwerpkeuzes (dark patterns)?
Ik deel de zorgen over manipulatieve ontwerpkeuzes bij sommige webshops. In dat kader zet het kabinet via de aangekondigde Digital Fairness Act (DFA) in op een verdere aanpak van dark patterns door het reeds bestaande verbod uit de Digital Services Act (DSA)2 over te nemen in het algemene consumentenrecht en het expliciet verbieden van specifieke dark patterns, zoals het emotioneel manipuleren van consumenten om bepaalde acties te verrichten3. Daarnaast is misleiding van consumenten reeds verboden onder het bestaande consumentenrecht. Of er sprake is van een overtreding is aan het oordeel van de toezichthouder Autoriteit Consument en Markt (ACM).
Heeft u inzicht in de wijze waarop de Tiktokshop gebruikmaakt van livestreamverkoop, aftellende aanbiedingen, schaarsteclaims en influencer marketing? Erkent u dat deze technieken specifiek zijn ontworpen om consumenten aan te zetten tot snelle en impulsieve aankopen en daarmee het risico op financiële problemen kunnen vergroten, met name onder jongeren?
Ik erken dat deze verkooptechnieken consumenten – en met name jongeren – kunnen aanzetten tot impulsieve aankopen en daarmee het risico op financiële problemen kunnen vergroten. Dat is zorgelijk. TikTok geeft aan een leeftijdsgrens van 18 jaar te hanteren voor de Tiktokshop. Op grond van het consumentenrecht zijn misleidende praktijken – zoals misleidende aftelklokken en het onterecht claimen van schaarste- reeds verboden4. Monitoring en handhaving hiervan valt in Nederland onder de verantwoordelijkheid van ACM.
Welke concrete stappen zetten de Autoriteit Consument & Markt (ACM) en andere bevoegde toezichthouders, waaronder de Autoriteit Persoonsgegevens en de Europese Commissie in het kader van de Europese digitaledienstenverordening (Digital Services Act), om de Tiktokshop vanaf de introductie actief te controleren op overtredingen van de toepasselijke regelgeving? Acht u deze toezichthouders voldoende toegerust qua bevoegdheden en capaciteit?
De ACM en de Europese Commissie houden toezicht op de naleving van de DSA. In het geval van «zeer grote online platforms» zoals Tiktok is dit primair de taak van de Europese Commissie. De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) houdt toezicht op naleving van de AVG.
Voor een «zeer groot online platform» als Tiktok gelden op basis van de DSA de meest strenge eisen. Zo is TikTok verplicht om alle zogenaamde systeemrisico’s die voortvloeien uit het ontwerp of uit de werking van hun dienst en de daaraan verbonden systemen en uit het gebruik van hun diensten te analyseren en beperken. Deze risicobeoordelingen moeten ten minste één keer per jaar worden uitgevoerd. Ook moet een beoordeling plaatsvinden voorafgaand aan de uitrol van functionaliteiten die waarschijnlijk kritieke gevolgen zullen hebben voor de vastgestelde systeem risico’s. Naar ik begrijp heeft TikTok voorafgaand aan de lancering van Tiktokshop contact gehad met de Europese Commissie, die primair toezicht houdt op de zeer grote online platforms. Ik begrijp dat TikTok in dat kader ook een risicobeoordeling met de Europese Commissie heeft gedeeld en inmiddels de eerste systeem risicobeoordeling onder de DSA heeft uitgevoerd. Ook heeft TikTok desgevraagd aangegeven doorlopend contact te houden met nationale toezichthouders.
TikTok is niet gevestigd in Nederland, maar in Ierland. Hierdoor is het handhavingsperspectief van de ACM wanneer het gaat om optreden op basis van de DSA in deze casus beperkt. Dit is aan de Europese Commissie en de Ierse toezichthouder. Wel werkt de ACM nauw samen met de Europese Commissie en de Ierse toezichthouder, bijvoorbeeld door het verzamelen en doorsturen van ontvangen meldingen over Tiktok(shop). De ACM heeft naar aanleiding van de inwerkingtreding van de DSA extra capaciteit gekregen om haar taken uit te voeren.
Bent u bereid de introductie van de Tiktokshop actief te monitoren, waaronder consumentenklachten, retourpercentages, signalen van misleiding en problematische impulsaankopen, en de Kamer hierover periodiek te informeren?
De ACM heeft richting mij aangegeven actief te zullen toezien op de naleving van de relevante wet- en regelgeving, waaronder het monitoren van consumentenklachten en andere parameters die zij relevant acht. Ook de Europese Commissie houdt actief toezicht op de naleving van de DSA. Zo heeft de Europese Commissie in februari 2026 het voorlopig oordeel gepubliceerd dat het verslavende ontwerp op TikTok in strijd is met de DSA.5 De ACM staat in dit verband ook in nauw contact met de Europese Commissie en de Ierse toezichthouder op de DSA. Mochten hieruit bevindingen komen die van belang zijn voor het bredere beleid, dan zal ik de Kamer hierover informeren.
Welke ervaringen zijn bij u bekend uit landen waar de Tiktokshop reeds actief is, waaronder meldingen van consumentenmisleiding, agressieve verkooppraktijken en handhavingsmaatregelen door toezichthouders? Welke lessen trekt u hieruit voor de Nederlandse situatie?
Ik beschik niet over specifieke inzichten over de effecten van Tiktokshop in andere landen. Waar nodig werkt de ACM echter (in het kader van de DSA en consumentenwetgeving) samen met toezichthouders uit andere lidstaten.
Deelt u de opvatting dat de bestaande regelgeving onvoldoende is toegesneden op social-commerceplatforms die aanbevelingsalgoritmen, influencer marketing en directe aankoopfunctionaliteiten combineren? Zo nee, waarop baseert u die conclusie? Zo ja, welke aanvullende maatregelen zult u in Europees verband bepleiten?
Momenteel biedt bestaande regelgeving – onder meer de DSA, de AVG en de consumentenwetgeving – al een stevig kader voor social-commerce platforms. Zo is TikTok in het kader van de DSA verplicht om jaarlijks systeemrisicobeoordelingen uit te voeren en moet het bedrijf voldoen aan regels met betrekking tot transparantie van aanbevelingssystemen en het tegengaan van manipulatieve ontwerpkeuzes (dark patterns). Van een dark pattern onder de DSA is sprake in het geval dat online platforms hun interface zodanig ontwerpen, organiseren of beheren dat zij de afnemers van hun dienst misleiden of manipuleren of hun vermogen om vrije en geïnformeerde beslissingen te nemen, anderszins wezenlijk verstoren of ondermijnen.
Daarbovenop biedt de DFA, die momenteel in Europees verband wordt ontwikkeld, een goede mogelijkheid om de bestaande consumentenregelgeving verder aan te scherpen. Hiermee zal aanvullende bescherming worden geboden aan consumenten online, met name voor kwetsbare groepen zoals jongeren. In dat kader zet ik mij actief in voor de opname van een verbod op verslavende ontwerptechnieken, meer controlemogelijkheden voor gebruikers en een verbod op dark patterns in het consumentenrecht. Met deze aanvullende regelgeving zal een nog stevigere basis worden gelegd voor de regulering van social-commerceplatforms.
Een LinkedIn-bericht van minister-president Rob Jetten over regeldruk en ondernemerschap |
|
Arend Kisteman (VVD) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat regeldrukvermindering belangrijk is voor een aantrekkelijk ondernemersklimaat?1
Ja, ik deel die mening. Alhoewel de bedoeling achter regels meestal goed is – vaak ter bescherming van een gerechtvaardigd belang, zoals de bescherming van werknemers, consumenten en ons milieu – hebben ondernemers momenteel te maken met onnodige regeldruk. Dit belemmert het ondernemerschap en verslechtert het ondernemingsklimaat. Wanneer ondernemers worden geconfronteerd met complexe administratieve verplichtingen, gaat dat ten koste van de tijd om te ondernemen en soms ook ten koste van innovatie, investeringen en groei. Ondernemers moeten minder tijd en geld kwijt zijn aan administratieve verplichtingen en meer ruimte krijgen om te doen waar zij goed in zijn: ondernemen.
Onderschrijft u de knelpunten in de regeldrukagenda van FME?
Ja, dit zijn herkenbare knelpunten voor ondernemers.
Gaat u opvolging geven aan de regeldruklijst van FME en zo ja, op welke termijn kan de Kamer resultaten verwachten?
Ja, ik ga opvolging geven aan de regeldruklijst van FME en zet mij samen met de Staatssecretaris Koninkrijksrelaties en Slagvaardige Overheid in om knelpunten voor ondernemers structureel aan te pakken. De komende tijd zullen we intensief gaan samenwerken met werkgeversorganisaties, waaronder FME, om regeldruk gericht te verminderen – niet alleen in aantallen, maar met focus op impact. Uw Kamer wordt hier verder over geïnformeerd in een Kamerbrief over de bredere vereenvoudingsaanpak die dit jaar wordt verstuurd.
Wanneer gaat u per ministerie een target opleggen voor regeldrukvermindering, conform het coalitieakkoord? Hoe gaat u handhaven op deze targets?
Het kabinet heeft zichzelf het ambitieuze doel gesteld om jaarlijks minimaal 500 regels te schrappen of te vereenvoudigen. Alle bewindspersonen en hun departementen krijgen hiervoor concrete reductiedoelstellingen, gecoördineerd door de Taskforce Slagvaardige Overheid, die vóór 1 oktober zullen worden vastgesteld. Met de installatie van het nieuwe kabinet is de verantwoordelijkheid voor de coördinatie van de vereenvoudigingsopgave overgegaan naar de Staatssecretaris Koninkrijksrelaties en Slagvaardige Overheid, en daarmee ook voor de coördinatie van deze jaarlijkse doelstelling. Uw Kamer wordt hier verder over geïnformeerd in een Kamerbrief over de bredere vereenvoudigingsaanpak die dit jaar wordt verstuurd.
Wordt de Kamer nog voor de zomer geïnformeerd over uitgewerkte standaarden met gemeenten voor minder regeldruk voor ondernemers, conform een toezegging aan mij tijdens de afgelopen begrotingsbehandeling van Economische Zaken op 21 en 22 januari 2026 en zoals opgenomen in het coalitieakkoord?
Nee. Hierover loopt nog overleg met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. U wordt hier in het najaar nader over geïnformeerd.
Wanneer wordt er een oplossing gevonden voor de bijschrijfplicht in de horeca, conform de aangenomen motie-Kisteman uit 2025?2
Op 29 januari jl. heeft het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR) advies uitgebracht over een regeldruksignaal ten aanzien van de bijschrijfplicht voor dagleidinggevenden in de horeca dat ATR heeft ontvangen van MKB-Nederland. Op 10 april jl. heeft het kabinet de Kamer geïnformeerd dat het kabinet het advies zorgvuldig bekijkt en werkt aan een reactie.3 Recent heeft het kabinet de Kamer geïnformeerd dat de Minister van JenV, samen met gemeenten verkent, of de bijschrijfplicht voor dagleidinggevenden lokaal kan worden georganiseerd.
Zodra deze verkenning is afgerond zal het kabinet u zo spoedig mogelijk (uiterlijk voor oktober 2026) een beleidsreactie op het ATR-advies doen toekomen.
Het tegengaan van indirecte import van Russisch aluminium via derde landen |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Eerenberg , Berendsen , Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met signalen vanuit de Nederlandse aluminiumindustrie dat Russisch primair aluminium, ondanks het bestaande Europese importverbod, via derde landen alsnog de Europese markt kan bereiken nadat het daar is verwerkt in halffabricaten of andere aluminiumproducten?
Ja, het kabinet staat in contact met de aluminiumindustrie en is bekend met de signalen uit de sector over mogelijke indirecte import van Russisch aluminium.
Klopt het dat de Europese Unie (EU) met het 16e sanctiepakket een direct importverbod heeft ingesteld op Russisch primair aluminium, maar dat dit verbod niet zonder meer voorkomt dat aluminium met Russische oorsprong via verwerking in derde landen alsnog als verwerkt product de EU binnenkomt?
Ja, het klopt dat de EU met aanname van het zestiende sanctiepakket op 24 februari 2025 de import van ruw aluminium uit Rusland verboden heeft, terwijl de import van aluminiumproducten uit derde landen op basis van ruw aluminium met Russische oorsprong tot op heden niet verboden is. Met aanname van het twintigste sanctiepakket op 23 april jl. is het importverbod op ruw aluminium wel uitgebreid met diverse aluminiumproducten.
Deelt u de zorg dat deze indirecte instroom de effectiviteit van het Europese sanctieregime kan ondermijnen, omdat inkomsten uit Russisch aluminium daarmee alsnog kunnen blijven bijdragen aan de Russische economie en daarmee indirect aan de Russische oorlogskas?
Het verbeteren van de effectiviteit van de Ruslandsancties is voorwerp van voortdurende aandacht van het kabinet. Het kabinet neemt daarbij alle beschikbare signalen serieus en treedt op waar noodzakelijk.
Deelt u daarnaast de zorg dat Europese aluminiumproducenten hierdoor op achterstand kunnen worden gezet ten opzichte van producenten buiten de EU die goedkoper Russisch primair aluminium kunnen inkopen, verwerken en vervolgens als halffabricaat of eindproduct op de Europese markt kunnen brengen?
Het kabinet onderkent het risico dat Europese aluminiumproducenten hierdoor potentieel een concurrentienadeel kunnen ondervinden ten opzichte van producenten buiten de EU die goedkoper Russisch aluminium kunnen inkopen, verwerken en vervolgens als halffabricaat of eindproduct op de Europese markt kunnen afzetten. Dit zou kunnen leiden tot verstoringen van het gelijke speelveld. Het kabinet onderzoekt daarom voortdurend hoe de naleving van geldende sancties kan worden verbeterd en hoe, waar nodig, sancties verder kunnen worden aangescherpt om omzeiling te voorkomen. Het kabinet hecht daarbij grote waarde aan signalen als deze.
Heeft het kabinet zicht op de omvang van indirecte importstromen van aluminiumproducten waarin Russisch primair aluminium is verwerkt, uitgesplitst naar herkomstland, productcategorie en importvolume? Zo ja, kunt u deze gegevens met de Kamer delen? Zo nee, bent u bereid dit met spoed in kaart te brengen?
Nee, het kabinet beschikt momenteel niet over gegevens op basis waarvan de omvang van indirecte importstromen van aluminiumproducten waarin Russisch aluminium is verwerkt, betrouwbaar kan worden vastgesteld. De oorsprong van het gebruikte aluminium wordt doorgaans niet geregistreerd in handels- of douanegegevens van derde landen. Hierdoor is het moeilijk vast te stellen of en in welke mate Russisch aluminium via verwerking in derde landen alsnog op de Europese markt komt.
Gezien het grensoverschrijdende karakter van deze handelsstromen ligt een dergelijke analyse primair op Europees niveau. Het kabinet is bereid zich in EU-verband in te zetten voor een beter inzicht in deze stromen en zal bezien welke mogelijkheden er zijn om de impact hiervan nader in kaart te brengen.
Welke derde landen ziet het kabinet als verhoogd risico voor omleiding, verwerking of heretikettering van Russisch aluminium richting de Europese markt?
Het kabinet heeft op dit moment geen specifieke landen op het oog waar een verhoogd risico vanuit gaat voor wat betreft import van producten of halffabricaten waarin Russisch aluminium in verwerkt is.
Is het kabinet bereid om in de onderhandelingen over het 21e sanctiepakket tegen Rusland te pleiten voor een indirect invoerverbod op aluminiumproducten waarin Russisch primair aluminium is verwerkt?
Op moment van schrijven bevinden de onderhandelingen over het 21e sanctiepakket zich in een vergevorderd stadium. Het kabinet is bereid in aanloop naar een volgend sanctiepakket te onderzoeken of en hoe het huidige sanctieregime aangescherpt kan worden om het verdienvermogen van de Russische aluminiumsector verder te ondermijnen.
Is het kabinet bereid om daarbij ook te pleiten voor verplichte rapportagevereisten bij import van aluminiumproducten, waaronder het land van de eerste en tweede belangrijkste smeltstap en het land waar de laatste gietstap heeft plaatsgevonden?
Het kabinet is bereid te onderzoeken hoe het huidige sanctieregime aangescherpt kan worden om de naleving te verbeteren. Bij het instellen van rapportageplichten is hierbij van belang dat de hiermee gepaard gaande administratieve lasten voor het bedrijfsleven proportioneel zijn in verhouding tot de mate waarin deze bijdragen aan het behalen van de beleidsdoelen.
Bent u bereid te onderzoeken of de EU kan aansluiten bij internationale voorbeelden waarbij de smelt- en gietoorsprong van aluminium expliciet wordt geregistreerd, zodat sanctieontwijking via derde landen beter kan worden tegengegaan?
Ja, het kabinet is bereid om in EU-verband te onderzoeken of registratie van de smelt- en gietoorsprong van aluminium kan bijdragen aan het tegengaan van sanctieontwijking via derde landen. Daarbij zal ook gekeken moeten worden naar internationale voorbeelden en bestaande systemen voor oorsprongsregistratie.
Het kabinet constateert dat ook de Europese aluminiumindustrie pleit voor meer transparantie over de smelt- en gietoorsprong van aluminium. Tegelijkertijd acht het kabinet het van belang dat eventuele maatregelen uitvoerbaar zijn, effectief bijdragen aan het bereiken van de beleidsdoelen en niet leiden tot onnodige administratieve lasten voor bedrijven.
Welke rol ziet het kabinet hierbij voor de Douane, de Europese Commissie en nationale toezichthouders om te controleren of aluminiumproducten daadwerkelijk vrij zijn van Russische primaire aluminiuminput?
Afhankelijk van de wijze waarop een potentieel importverbod op aluminiumproducten op basis van Russisch aluminium zou worden vormgegeven kunnen verschillende nationaal bevoegde autoriteiten een rol spelen bij toezicht en handhaving. Als het verbod gemodelleerd zou worden naar de huidige importverboden op ijzer- en staalproducten lijkt er in ieder geval een rol voor de Douane weggelegd ten aanzien van de handhaving aan de EU-buitengrens. Tegelijkertijd moedigt het kabinet aan dat de Europese Commissie een actieve rol speelt in het verbeteren van de naleving op Europees niveau, onder andere door middel van data-analyse en informatiedeling.
Hoe voorkomt het kabinet dat bonafide Nederlandse en Europese bedrijven met extra administratieve lasten worden geconfronteerd, terwijl bedrijven die via derde landen profiteren van goedkoop Russisch aluminium buiten schot blijven?
Tijdens onderhandelingen over nieuwe sanctiemaatregelen weegt het kabinet steeds zorgvuldig de proportionaliteit van de administratieve lasten voor het bedrijfsleven ten opzichte van het beoogde doel om het Russische verdienvermogen te raken.
Deelt u de opvatting dat de aluminiumsector van strategisch belang is voor Europa, onder meer voor defensie, energie-infrastructuur, mobiliteit, bouw, netverzwaring en industriële weerbaarheid?
Ja, het kabinet deelt de opvatting dat de aluminiumsector van strategisch belang is voor Europa. Aluminium is een essentiële grondstof voor uiteenlopende sectoren, waaronder defensie, energie-infrastructuur, mobiliteit, bouw en de versterking van elektriciteitsnetten. Een concurrerende en weerbare Europese aluminiumketen draagt daarmee bij aan de strategische autonomie en economische veiligheid van de EU.
Daarnaast is aluminium opgenomen op de Europese lijst van strategische grondstoffen onder de Europese Critical Raw Materials Act (CRMA). Ook worden bij de productie van aluminium andere strategisch relevante materialen gewonnen, waaronder het kritieke grondstof gallium, dat van groot belang is voor halfgeleiders, defensietoepassingen en de energietransitie.
Bent u bereid zich in Europees verband actief in te zetten voor het sluiten van deze lacune in het sanctieregime en de Kamer voorafgaand aan de besluitvorming over het 21e sanctiepakket te informeren over de Nederlandse inzet op dit punt?
Het kabinet is bereid te onderzoeken hoe de effectiviteit van de geldende sancties tegen Russisch aluminium verhoogd kan worden en of aanvullende maatregelen kunnen bijdragen aan het verder ondermijnen van het verdienvermogen van de Russische aluminiumsector. Voor eventuele aanvullende sanctiemaatregelen is een unaniem Raadsbesluit vereist. Het is niet in het belang van de Nederlandse onderhandelingspositie om in aanloop naar een volgend sanctiepakket te communiceren over de Nederlandse onderhandelingsinzet.
AI-gigafabrieken en de klimaatimpact van grootschalige datacenters |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Herbert , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Waarom AI zo’n energieslurper is: deze cijfers laten zien wat ChatGPT en datacenters van de planeet vragen»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de waarschuwingen van onderzoekers en de VN dat de snelle groei van hyperscale-datacenters voor AI de energie- en klimaattransitie in gevaar brengt?
Het kabinet neemt deze waarschuwingen serieus en werkt momenteel aan de geïntegreerde nationale aanpak datacentra die in het najaar verschijnt. Hoewel datacenters en AI belangrijk zijn voor ons toekomstig (economisch) verdienvermogen en onze digitale strategische autonomie, legt hun enorme elektriciteitsvraag druk op het Nederlandse energiesysteem. Bij nieuwe en uitbreidende datacenters bestaan nu al knelpunten bij netaansluitingen. Ook wordt door de opkomst van datacenters een forse en structurele groei in de elektriciteitsvraag verwacht, die sneller kan gaan dan de beschikbare uitbouw van hernieuwbare bronnen en het elektriciteitsnet.
Bent u het ermee eens dat datacenters die gebruikmaken van hernieuwbare energie niet automatisch duurzaam zijn? Zo nee, waarom niet?
Ja, hernieuwbare energie, fysieke ruimte en de transportcapaciteit op het elektriciteitsnet zijn schaars. Het feit dat een datacenter groene stroom inkoopt, maakt de faciliteit in de context van onze totale energietransitie niet automatisch volledig duurzaam.
Datacenters kenmerken zich door een continu elektriciteitsverbruik. Omdat de productie van hernieuwbare bronnen zoals wind en zon weersafhankelijk is, betekent dit dat er op de momenten dat er onvoldoende hernieuwbare stroom beschikbaar is, er conventionele centrales moeten bijspringen. Daarnaast kan er sprake zijn van een verdringingseffect. De verwachte groei in de elektriciteitsvraag van datacenters en AI is meegenomen in de actualisatie van het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE). Deze actualisatie wordt met Prinsjesdag gepresenteerd.
Tegelijkertijd benadrukt het kabinet dat datacenters een belangrijke schakel vormen in onze digitale infrastructuur en ons dagelijks leven. Investeren in voldoende datacentercapaciteit voor de ontwikkeling is een randvoorwaarde voor de brede welvaart, ons innovatieklimaat en het veiligstellen van ons toekomstig verdienvermogen. Hoewel de verdere groei van datacenters hiermee niet volledig duurzaam is, zoekt het kabinet vanuit deze economische en strategische belangen nadrukkelijk naar manieren om deze faciliteiten wel mogelijk in ons systeem in te passen.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is om nieuwe energieslurpende AI-gigafabrieken te faciliteren zolang Nederland kampt met netcongestie en grote uitdagingen bij het behalen van de klimaatdoelen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet deelt de zorgen omtrent de zware belasting van het stroomnet en de grote uitdagingen in de klimaattransitie. Er is een uitdaging voor de inpassing van de inflexibele stroomvraag van AI-gigafabrieken en de beschikbare transportcapaciteit op het elektriciteitsnet. Het aanpakken van de huidige netcongestieproblematiek heeft prioriteit voor dit kabinet. Tegelijkertijd ontwikkelt kunstmatige intelligentie (AI) zich in hoog tempo en vormt het een steeds belangrijkere motor voor innovatie, economische groei en het versterken van het Europese concurrentievermogen. Om zelfstandig AI-modellen te kunnen trainen en toepassen en zo de afhankelijkheden van derde landen te verminderen, is de realisatie van soevereine rekeninfrastructuur in Europa en Nederland noodzakelijk.
Grootschalige AI-rekenfaciliteiten vragen om substantiële hoeveelheden elektriciteit. Het kabinet vindt het noodzakelijk dat nieuwe AI-infrastructuur zorgvuldig wordt ingepast binnen de nationale energie- en ruimtelijke kaders, met aandacht voor energie efficiëntie, duurzaamheid en de impact op het elektriciteitsnet. De daadwerkelijke impact van een AI-gigafabriek is sterk afhankelijk van onder meer het ontwerp, de schaal en de locatie.
In de brief aan de Kamer over AI-gigafabrieken geeft u aan private investeringen in AI-gigafabrieken te willen faciliteren door de juiste randvoorwaarden te creëren; welke randvoorwaarden worden hier bedoeld?2
Het kabinet kiest ervoor dat de ontwikkeling van AI-infrastructuur, waaronder zogeheten AI-gigafabrieken, in beginsel door private partijen wordt gedragen en gefinancierd. De overheid ziet daarbij primair een rol in het creëren van de juiste randvoorwaarden, bijvoorbeeld op het gebied van beschikbare energie-infrastructuur, geschikte locaties en vergunningsprocedures. Het doel is om het voor private partijen aantrekkelijker en uitvoerbaarder te maken om dit soort investeringen daadwerkelijk hier van de grond te krijgen.
Kunt u bevestigen dat AI-gigafabrieken volledig moeten voldoen aan de bestaande regels die gelden voor grootschalige datacenters? Zo ja, waarin verschilt het faciliteren van AI-gigafabrieken dan feitelijk van het bestaande beleid? Zo nee, welke uitzonderingen worden overwogen?
De instructieregel voor hyperscale datacentra geldt voor alle datacentra die voldoen aan de criteria voor omvang (bebouwd oppervlak van meer dan 10 hectare) en vermogen (elektrisch aansluitvermogen van 70 MW of meer).3 Er wordt momenteel gewerkt aan een nationale geïntegreerde aanpak voor datacenters, als onderdeel waarvan onder meer mogelijkheden voor een aanscherping van deze criteria worden verkend.4 Ik verwacht uw Kamer in het najaar te informeren over deze geïntegreerde aanpak.
De overheid ziet een rol voor zichzelf om binnen de geldende kaders de juiste randvoorwaarden te creëren voor het ontwikkelen van AI-infrastructuur, met oog voor de ruimtelijke en energetische inpasbaarheid. Het doel hiervan is om het voor private partijen aantrekkelijker en uitvoerbaarder te maken om dit soort investeringen daadwerkelijk van de grond te krijgen, wat van belang is voor het kunnen trainen en toepassen van AI-modellen.
Hoe verhoudt het faciliteren van AI-gigafabrieken zich tot de uitvoering van de aangenomen motie Grinwis c.s. om de vestiging van hyperscale-datacenters juist strenger te reguleren?3
Zoals toegelicht onder het antwoord op vraag 6 verzoekt de motie-Grinwis tot een aanscherping van de huidige juridische criteria voor hyperscale datacenters. De uitwerking van deze motie wordt meegenomen in een bredere, nationale geïntegreerde aanpak voor datacenters, waarover uw Kamer in het najaar wordt geïnformeerd.
Deelt u de mening dat de maatschappelijke kosten van AI-infrastructuur, waaronder het beslag op energie, water, ruimte en netcapaciteit, expliciet moeten worden meegewogen bij toekomstige besluiten over de vestiging van nieuwe hyperscale-datacenters en AI-gigafabrieken? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet vindt het noodzakelijk dat nieuwe AI-infrastructuur zorgvuldig wordt ingepast binnen nationale energie- en ruimtelijke kaders, met aandacht voor energie efficiëntie, duurzaamheid en de impact op het elektriciteitsnet, zoals verwoord in de kamerbrief van 31 maart.6 Deze factoren zijn ook meegewogen in de instructieregel voor hyperscale datacentra, benoemd in de beantwoording van vraag 6. Voor AI-gigafabrieken en andere grootschalige datacenters die binnen de kaders van de instructieregel ontwikkeld mogen worden geldt dat vergunningverlening in beginsel aan relevante regionale autoriteiten is.
Bent u bereid bij de vergunningverlening van datacenters een milieu-effectrapportage verplicht te stellen waarbij alle gevolgen voor koolstof, water en land worden afgewogen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet zet zich via diverse kaders actief in om de impact van datacenters op klimaat, water en ruimte te minimaliseren:
Het kabinet is niet voornemens om daarnaast een afzonderlijke, nationale m.e.r.-plicht specifiek voor datacenters te introduceren:
Het artikel ‘Bijna 3000 banen minder in Limburgse industrie en handel’ |
|
Elles van Ark (CDA), Judith Buhler (CDA) |
|
Herbert , Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Bijna 3000 banen minder in Limburgse industrie en handel» van L11 en met de onderliggende arbeidsmarktprognoses van het UWV? Herkent u de daarin geschetste ontwikkeling van de werkgelegenheid in Limburg?
Ja, ik ben bekend met het artikel en de arbeidsmarktprognoses van het UWV. Ik herken de verwachting dat de werkgelegenheid in Limburg afneemt. Daar staat tegenover dat de arbeidsmarkt in Limburg nog steeds krap is. Het is dus lastig voor werkgevers om de juiste mensen te vinden. Daarbij helpt het als werknemers en werkzoekenden zich blijven ontwikkelen.
Onderschrijft u de zorgen van het UWV over de verwachte afname van de werkgelegenheid in industrie en detailhandel?
Het UWV verwacht dat het aantal banen in Limburg zal afnemen, ook bij lagere energieprijzen. Bij hogere energieprijzen zal die afname groter zijn en vooral plaatsvinden in sectoren als de industrie en detailhandel. Tegelijkertijd verwacht het UWV ook dat de werkgelegenheid toeneemt in sectoren als de zorg en de ICT. Het gaat er daarnaast ook om hoeveel mensen instromen in de arbeidsmarkt en wat hun vaardigheden zijn. Het is belangrijk dat werknemers en werkzoekenden hun vaardigheden zo kunnen ontwikkelen dat deze passen bij de economische ontwikkelingen. Daarin moeten we extra aandacht hebben voor werkenden en werkzoekenden met vaardigheden die minder gevraagd worden in de toekomstige economie. Daarom werken we bijvoorbeeld in regionale werkcentra aan dienstverlening voor deze mensen.
Welke risico’s ziet u voor de economische vitaliteit, leefbaarheid en brede welvaart van Limburg en vergelijkbare regio’s wanneer de werkgelegenheid in industrie en detailhandel structureel afneemt?
Wanneer de werkgelegenheid in de regionale economie over de volle breedte structureel onder druk staat, raakt dit direct het regionale verdienvermogen en daarmee potentieel ook de brede welvaart, leefbaarheid en economische vitaliteit van die regio. Een sectorale terugval hoeft echter niet per definitie tot dergelijke risico’s te leiden. Indien krimp in bijvoorbeeld industrie en detailhandel wordt gecompenseerd door groei in andere sectoren, kan de economische basis zich juist herstructureren zonder verlies aan vitaliteit. Dit past binnen het bredere beeld van een economie in transitie, waarin verschuivingen tussen sectoren onvermijdelijk zijn. Werkgelegenheid en bestaanszekerheid blijven daarbij nauw met elkaar verbonden, maar vragen om een brede/tweeledige benadering waarin zowel wordt ingezet op verduurzaming van bestaande sectoren als op de ontwikkeling van nieuwe, stuwende economische activiteiten.
Deelt u de opvatting dat verlies van werkgelegenheid in Limburg extra zwaar kan doorwerken vanwege de demografische ontwikkelingen, vergrijzing en de positie van Limburg als grensregio?
Zoals de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050 signaleert, krijgen Limburg en andere grensregio’s de komende jaren te maken met toenemende bevolkingskrimp en vergrijzing, onder meer doordat relatief veel jongeren deze gebieden verlaten. Deze regionale demografische ontwikkelingen beïnvloeden de arbeidsmarkt door enerzijds een verminderde instroom en vergrote uitstroom van arbeid en anderzijds door vraagverschuiving, bijvoorbeeld doordat de vraag naar arbeid verschuift richting sectoren als de zorg. Tegelijkertijd staat Limburg voor de opgave de economische structuur te versterken en de transitie naar een meer hoogproductieve en welvarende economie vorm te geven. Het is daarom van belang zowel in te zetten op de randvoorwaarden voor deze economische transitie als op ondersteuning van kwetsbare groepen bij het ontwikkelen van vaardigheden die aansluiten op de veranderende arbeidsvraag, conform het antwoord op vraag 2.
Wordt onderzocht welke effecten het verdwijnen van industriële werkgelegenheid heeft op het vestigingsklimaat, investeringsbereidheid van bedrijven en het behoud van strategische bedrijvigheid in Limburg? Zo ja, kunt u de resultaten daarvan delen?
Nee, een dergelijk onderzoek wordt op dit moment niet door ons uitgevoerd.
Welke concrete maatregelen worden momenteel genomen om strategische bedrijvigheid te behouden en verdere uitstroom van werkgelegenheid te voorkomen?
In Limburg is relatief veel industriële werkgelegenheid. Het Kabinet zet zich in om de internationale concurrentiepositie van de energie-intensieve industrie te verbeteren. Allereerst in Europa, bijvoorbeeld via aanpassingen binnen het EU-ETS en CBAM ter verbetering en versterking van het systeem, hetgeen bijdraagt aan betere bescherming van de industrie tegen import uit derde landen. Op nationaal niveau werkt het Kabinet aan verbetering van het level playing field, onder andere via de aangekondigde afschaffing van de CO2-heffing, verlaging van de energie- en elektriciteitskosten en het continueren van de SDE++ subsidieregeling. Daarnaast zijn er regionale agenda's opgesteld in het kader van het Nationaal Programma Vitale Regio's om een gebiedsgerichte aanpak te bevorderen. Op 30 januari 2026 (2) is de Kamer over de voortgang geïnformeerd. Aanvullend heeft het Kabinet in het Coalitieakkoord aangekondigd zich met de maatwerkaanpak te willen richten op industriële clusters of gebieden. Cluster Chemelot heeft in dit kader een clusterplan opgesteld dat inzicht geeft in hoe het toekomstperspectief van het cluster weer kan worden verbeterd. Dit clusterplan is aangeboden aan het Ministerie van EZK en de Provincie Limburg. De komende maanden worden de ambities uit het plan, samen met de betrokken bedrijven, verder geconcretiseerd.
In hoeverre sluiten de huidige scholings- en arbeidsmarktinstrumenten van UWV, gemeenten en provincies aan op de toekomstige personeelsvraag in sectoren waar juist tekorten bestaan, zoals techniek, zorg, energie en logistiek?
Zowel UWV als gemeenten zetten scholing en arbeidsmarktinstrumenten in om aan te sluiten bij de lokale en regionale personeelsvraag en zo werkzoekenden te begeleiden naar werk. Dit doen UWV en gemeenten vanuit hun publieke re-integratietaken en in regionaal verband via de arbeidsmarktinfrastructuur, met medebetrokkenheid van sociale partners en in samenwerking met tekortsectoren.
Sinds 2025 bestaat daarnaast de SLIM-Scholingssubsidie voor werkgevers in de maatschappelijk cruciale sectoren techniek, bouw en energie, ICT, groen, zorg en welzijn, kinderopvang en onderwijs. De subsidie heeft tot doel om met behulp van scholing instroom van werkzoekenden en doorstroom of overstappen van werkenden te stimuleren en zo bij te dragen aan de aanpak van personeelstekorten in deze sectoren. Opleidingen waarvoor de subsidie kan worden ingezet, komen voort uit de sectorale Ontwikkelpaden. De Ontwikkelpaden geven inzicht in welke functies er zijn, hoe deze elkaar opvolgen en welke opleidingen daarvoor nodig zijn. Deze worden door sociale partners gemaakt en door de Minister van SZW erkend. Dit is een goed werkbaar instrument voor werkgevers, werknemers en werkzoekenden, sectoren, opleiders en arbeidsmarktprofessionals. SZW ondersteunt samen met landelijke partners de ingebruikname van Ontwikkelpaden door de arbeidsmarktregio’s in samenwerking met sectoren voor de matching van werkzoekenden.
Het Kabinet werkt bovendien aan een Talenstrategie: een breed pakket aan maatregelen voor met als doel schaars talent te bewegen naar opgaven die cruciaal zijn voor onze toekomstige welvaart en verdienvermogen. Daarbij gaat het om talent in de breedste zin van het woord: van kinderen in het basisonderwijs, studenten in het vervolgonderwijs, tot werknemers en werkzoekenden. En van praktische vaardigheden tot theoretische kennis. Hierin trekt het kabinet nauw op met relevante stakeholders, waaronder vanzelfsprekend ook medeoverheden en het UWV.
Bent u bereid om samen met werkgevers, onderwijsinstellingen, vakbonden en UWV te onderzoeken of een regionale agenda opgesteld kan worden om de werkgelegenheid in Limburg te behouden en werknemers tijdig van werk naar werk te begeleiden?
Het is niet nodig om een extra regionale agenda op te stellen voor Limburg, omdat er al regionale agenda’s ontwikkeld worden. In het kader van de hervorming van de arbeidsmarktinfrastructuur zijn in alle arbeidsmarktregio’s regionale beraden opgericht, bestaande uit gemeenten, het UWV, sociale partners, onderwijsinstellingen en SBB. Onder regie van de centrumgemeenten stellen zij regionale meerjarenagenda’s op, gericht op onder meer het behoud van werkgelegenheid.
Ook in de Limburgse arbeidsmarktregio’s worden deze agenda’s ontwikkeld, waarbij opgaven en ontwikkelingen op het gebied van arbeidsmarkt, onderwijs en economie in samenhang worden benaderd. Van werk naar werk dienstverlening valt onder verantwoordelijkheid van sociale partners. De aanpak wordt verbonden aan de regionale samenwerking.
Het bericht ‘Winkelsluiting op zondag verder onder vuur: 'Een aanslag op privélevens van duizenden medewerkers'' |
|
André Flach (SGP), Jimmy Dijk (SP) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Winkelsluiting op zondag verder onder vuur: «Een aanslag op privélevens van duizenden medewerkers»»?1
Ja, ik heb kennis genomen van dit bericht.
Herinnert u zich de toezegging van de Minister-President in de richting van de fractie van de SGP tijdens het debat over de regeringsverklaring dat «deze regering de gemeentelijke vrijheid erkent voor zover in de Winkeltijdenwet is vastgelegd»?
Ja.
Welke consequenties heeft dit standpunt van de regering voor de eventuele uitkomsten van de evaluatie van de Winkeltijdenwet?
In de evaluatie van de Winkeltijdenwet wordt rekening gehouden met de gemeentelijke vrijheid zoals vastgelegd in de Winkeltijdenwet. Daarbij wordt ook gekeken naar de belangen van werkgevers, werknemers en de samenleving als geheel. Zoals toegezegd in de antwoorden op de vragen over de Winkeltijdenwet van het lid Kisteman (VVD)2 wordt uw Kamer in september geïnformeerd over de uitkomsten van de evaluatie en over het standpunt van het kabinet.
Kunt u hierbij toezeggen dat naar aanleiding van de evaluatie van de Winkeltijdenwet de mogelijkheden voor zondagsopenstelling voor winkeliers op geen enkele wijze zullen worden verruimd, vanwege het belang van zondagsrust voor onder meer kleine werkgevers, werknemers en de samenleving als geheel?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid, in aanvulling op de reeds geschetste opties in een eerdere Kamerbrief over verruiming van de zondagsopenstelling2, in de kabinetsreactie over de uitkomsten van de evaluatie ook opties voor verdere bescherming van de zondagsrust op te nemen, zodat er een compleet beeld ontstaat van de mogelijkheden voor aanpassing van de Winkeltijdenwet ten aanzien van winkeltijden op zondag?
Conform de Kamerbrief over verruiming van de zondagsopenstelling4 van begin dit jaar lag de focus van het onderzoek, dat onlangs werd afgerond, op drie onderdelen. Deze onderdelen zijn: marktanalyse en consumentengedrag in het kader van zon- en feestdagen, mogelijkheid van het (gedeeltelijk) loslaten van het openingsverbod op zon- en feestdagen, en een evaluatie van het verbod op eenzijdige wijziging winkeltijden. Het perspectief van werknemers over de zondagsrust en een toelichting over de vereisten onder zondagswet komen terug in de evaluatie. In het onderzoek zijn echter geen opties in kaart gebracht om de zondagsrust verder te beschermen. Om die reden zal dit niet terugkomen in de begeleidende kabinetsreactie.
Hoe reageert u op de oproep van de FNV aan het kabinet om «het weekend niet af te schaffen»?3
Ik begrijp de zorgen van de FNV over de positie van werknemers in winkels en distributiecentra. In de evaluatie wordt daarom onder meer onderzocht hoe werknemers de huidige regels rond winkeltijden ervaren en wat de gevolgen voor hen zouden zijn van een eventuele (gedeeltelijke) afschaffing van het openingsverbod op zon- en feestdagen.
Bent u bereid uw reactie op de brief van FNV Handel te delen met de Kamer?
De brief van FNV Handel betrof een oproep aan mij als Minister van Economische Zaken en Klimaat om de openingstijden niet op te rekken. Hoewel er geen schriftelijke reactie wordt opgesteld, kan ik u mededelen dat mijn ministerie wel in gesprek gaat met de FNV. Dit gesprek zal plaatsvinden voordat het eindrapport van de evaluatie van de Winkeltijdenwet en de begeleidende kabinetsreactie aan uw Kamer wordt aangeboden.
Erkent u dat met een verdere openstelling van de winkeltijden op zondag de bescherming van werknemers onder druk kan komen te staan?
Ik ben mij bewust dat een verdere openstelling van de winkeltijden op zondag effect kan hebben op de werktijden van werknemers. Het perspectief van werknemers is dan ook meegenomen in de evaluatie. Mijn reflectie hierop komt terug in de begeleidende brief die uw Kamer in september ontvangt.
Kunt u uitgebreid aangeven in hoeverre en op welke wijze de positie van werknemers expliciet wordt meegenomen in de evaluatie van de Winkeltijdenwet?
Als onderdeel van de evaluatie zijn gesprekken gevoerd met de FNV en de AVV om het werknemersperspectief ook vanuit de bonden mee te nemen.
Klopt het dat «een grootschalig onderzoek naar de ervaringen van medewerkers in de sector is uitgebleven», zoals beschreven in genoemde brief? Zo ja, bent u bereid hier alsnog onderzoek naar te doen en dit te betrekken bij de uitkomsten van de evaluatie van de Winkeltijdenwet?
Dat klopt, er is geen grootschalig onderzoek gedaan naar de ervaringen van medewerkers in de sector. Dat wil echter niet zeggen dat het werknemersbelang niet wordt meegewogen. Om die reden zijn er ook gesprekken gevoerd met de FNV en de AVV. Omdat de evaluatie is afgerond vind ik het niet opportuun om een grootschalig onderzoek uit te voeren naar de ervaringen van medewerkers in de sector.
Hoe wordt in het evaluatieonderzoek invulling gegeven aan de toezegging van voormalig Minister van Economische Zaken Karremans in de richting van het lid Flach (SGP) dat ook de belangen van ondernemers die hechten aan zondagsrust hierin zullen worden meegenomen?
In het evaluatieonderzoek is op meerdere manieren rekening gehouden met de belangen van ondernemers die hechten aan de zondagsrust. Zo is bij de enquête onder winkeliers expliciet gevraagd naar de redenen om niet open te gaan op zon- en feestdagen. Daarnaast zijn er verschillende casestudies uitgevoerd in specifieke gemeenten, waaronder gemeenten met een grote geloofsgemeenschap en waar de zondagsrust een nadrukkelijke rol speelt in het lokale beleid.
Het artikel 'NADI dreigt vast te lopen door gebrek aan relevant budget' |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van het Instituut voor Publieke Economie (IPE) over het Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI)?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat het NADI-ontwerpvoorstel dat op 9 februari jl. met de Kamer is gedeeld, het huidige ontwerp betreft dat verder wordt uitgewerkt, inclusief doelen, werkwijze en besluitvorming?
Ja, het NADI-ontwerpvoorstel dat door mijn voorganger met uw Kamer is gedeeld is leidend voor de oprichting van NADI.
Deelt u de lezing van het IPE dat het ontwerp en het beoogde doel van NADI alleen kunnen worden gerealiseerd indien het agentschap beschikt over risicodragend kapitaal zonder minimumrendementseisen? Zo nee, waarom niet?
Ja, die analyse deel ik grotendeels. Het doel van NADI is om technologische oplossingen te ontwikkelen voor grote maatschappelijke uitdagingen. Daarbij gaat het om high-risk/high-reward trajecten die in het reguliere innovatiebeleid vaak moeilijk van de grond komen. Een volledige revolverendheidsdoelstelling staat naar verwachting op gespannen voet met de risicotolerantie die nodig is om de organisatie effectief te laten opereren.
Tegelijkertijd verwacht ik dat NADI mogelijk wel voor een klein deel revolverend kan worden vormgegeven, bijvoorbeeld via terugbetalingsverplichtingen bij succesvolle projecten, met een verwachte terugbetalingstermijn van 10 tot 15 jaar. Daarbij is het wel van belang dat deze afspraken zo worden vormgegeven dat zij geen drempel vormen voor partijen om aan een NADI-programma deel te nemen.
Ik ben bezig met de uitwerking waaronder de vormgeving en de voorgenomen financiering uit het Coalitieakkoord. U wordt hierover binnenkort geïnformeerd.
Kunt u uiteenzetten of de voorgenomen kapitaalstorting van 500 miljoen euro in NADI naar verwachting leidt tot een toename van de EMU-schuld, en zo nee, op basis van welke beoordeling u tot die conclusie komt?
Bij een niet saldo-relevante storting zal de staatsschuld oplopen, maar verslechtert het EMU-saldo niet.
Kunt u uiteenzetten wat het gevolg is van een niet-EMU-saldorelevante kapitaalstorting voor het ontwerp, het beoogde doel en de effectiviteit van NADI?
In lijn met mijn antwoord op vraag 3, ben ik de vormgeving in combinatie met de kapitaalstorting in het Coalitieakkoord aan het uitwerken. Ik kan hier niet op vooruitlopen, maar u wordt hierover binnenkort geïnformeerd.
Kunt u aangeven welke concrete dekkingsopties op dit moment door het kabinet worden overwogen voor de kapitaalstorting in NADI?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid alternatieve dekkingsopties te onderzoeken indien blijkt dat de doelen van het NADI-ontwerpvoorstel niet haalbaar zijn met de huidige voorgenomen financieringsopties?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe beoordeelt u het voorstel van IPE om de Innovatiebox te versoberen om NADI te financieren, mede in het licht van de beperkte effectiviteit en doelmatigheid van deze regeling?
Het voorstel van IPE gaat voorbij aan het hoofddoel van de innovatiebox: het bevorderen van het fiscale vestigingsklimaat voor innovatieve bedrijven. De innovatiebox bewerkstelligt, kort samengevat, dat winsten uit succesvolle R&D-activiteiten in Nederland effectief minder zwaar worden belast dan andere winsten. Als een innovatief bedrijf met kwalificerende activiteiten hogere winsten behaalt, dan heeft dat bedrijf een groter innovatieboxvoordeel maar betaalt het dus ook meer vennootschapsbelasting in Nederland. Dit voordeel is derhalve relatief.
Het kabinet hecht een groot belang aan een stabiel en voorspelbaar fiscaal vestigingsklimaat. Het kabinet onderschrijft in dat kader de primaire doelstelling van de innovatiebox, namelijk het bevorderen van het vestigings- en investeringsklimaat voor innovatieve ondernemingen. Uit de evaluatie blijkt dat de regeling hieraan bijdraagt door Nederland aantrekkelijk te houden voor R&D-investeringen en hoogwaardige werkgelegenheid. Het kabinet ziet daarom geen enkele aanleiding om de bestaande regeling te versoberen.
Het IPE stelt dat voor een EMU-relevante dekking circa 150 miljoen euro per jaar nodig is; herkent u dit bedrag en kunt u dit toelichten?
Zoals eerder gezegd kan ik niet vooruitlopen op besluitvorming over de vormgeving van NADI in combinatie met de in het Coalitieakkoord voorziene kapitaalstorting.
Tegelijkertijd begrijp ik dat het IPE op dit bedrag uitkomt, kijkend naar de jaarbudgetten van vergelijkbare organisaties in het buitenland, zoals de ARPA-organisaties in de Verenigde Staten (jaarbudget ca. € 7,5 miljard), SPRIND in Duitsland (jaarbudget ca. € 250 miljoen) en ARIA in het Verenigd Koninkrijk (jaarbudget ca. € 300 miljoen).
Hoe beoordeelt u de conclusie van het IPE dat deze dekking cruciaal is om NADI zodanig vorm te geven dat het daadwerkelijk kan functioneren conform het beoogde doel?
Die conclusie kan ik volgen. Maar in lijn met mijn eerdere antwoorden kan ik niet vooruitlopen op de besluitvorming hierover. Ik zal uw Kamer hier binnenkort over informeren.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het geplande commissiedebat Innovatie op 25 juni 2026?
Ja.
De beschikbaarheid van bouwgrondstoffen voor woningbouw, infrastructuur en waterveiligheid |
|
Dieke van Groningen (VVD) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat de provincie Gelderland haar ontgrondingenbeleid aanscherpt en daarbij meer beperkingen stelt aan de winning van primaire bouwgrondstoffen, zoals zand, grind en klei?1
Ik ben ermee bekend dat de provincie Gelderland werkt aan vernieuwing van haar ontgrondingenbeleid. Ik heb begrepen dat de uitwerking daarvan op dit moment plaatsvindt. Het meest recente document in die fase is de Notitie Reikwijdte en Detailniveau2. Op basis daarvan is niet vast te stellen welke richting de provincie voor het vernieuwde beleid gaat kiezen en of er gevolgen zijn voor de toekomstige beschikbaarheid van primaire bouwgrondstoffen.
In hoeverre heeft u inzicht in de gevolgen die deze provinciale beleidswijzigingen kunnen hebben voor de toekomstige beschikbaarheid van bouwgrondstoffen ten behoeve van woningbouw, infrastructuur, waterveiligheid en de energietransitie?
Zie het antwoord op vraag 1.
Kunt u aangeven hoe de nationale behoefte aan primaire bouwgrondstoffen zich de afgelopen jaren heeft ontwikkeld en hoe deze zich naar verwachting gaat ontwikkelen richting 2030, 2040 en 2050? Zo nee, waarom niet?
Hoe de nationale behoefte aan primaire bouwgrondstoffen zich de afgelopen jaren heeft ontwikkeld en hoe deze zich naar verwachting gaat ontwikkelen richting 2030, 2040 en 2050 heeft de toenmalige Staatssecretaris van IenW met uw Kamer gedeeld per brief van 23 april 20243. In de twee destijds onderzochte economische scenario’s neemt bij ongewijzigd beleid tot 2050 de vraag naar grind, steenslag, industriezand en kalkzandsteenzand af, vooral door de lager geprognosticeerde bevolkingsgroei en nieuwbouw vanaf 2030. In beide scenario’s is de verwachting dat de vraag naar ophoogzand en klei zal stijgen, vooral door de behoefte voor de kustverdediging.
Beschikt het kabinet over actuele ramingen van de benodigde hoeveelheden zand, grind en klei voor de woningbouwopgave, infrastructuurprojecten, waterveiligheidsmaatregelen en de energietransitie? Zo ja, kunt u deze met de Kamer delen?
Zie het antwoord op vraag 3.
Heeft het Rijk inzicht in de cumulatieve effecten van provinciale beleidskeuzes op de nationale beschikbaarheid van bouwgrondstoffen? Zo ja, wat zijn daarvan de belangrijkste bevindingen?
Nee. Zulke cumulatieve effecten zijn ook niet vast te stellen. Provincies kunnen te allen tijde beleidskeuzes maken die meer of minder ruimte geven voor vergunningen voor de winning van primaire bouwgrondstoffen. Dat betekent overigens niet dat er een lineaire relatie is tussen provinciale beleidskeuzes en de nationale beschikbaarheid van primaire bouwgrondstoffen. Er is bijvoorbeeld ook sprake van import en export.
In hoeverre acht u de huidige en vergunde winningscapaciteit voldoende om in de toekomstige nationale behoefte aan bouwgrondstoffen te voorzien?
In de brief die ik parallel met deze antwoorden aan uw Kamer aanbied, is dit nader beschreven.4 Suppletiezand is voorlopig voldoende voorhanden maar om de bereikbaarheid ervan voor de (verdere) toekomst te verzekeren, moeten wellicht vanaf 2037 in bepaalde delen van de Noordzee meer wingebieden worden gereserveerd. Bij gelijkblijvende winning kan de Nederlandse productie van industriezand, ophoogzand en klei tot 2050 even groot zijn als de verwachte nationale vraag. Uit gesprekken met Rijkswaterstaat en de provincies blijkt dat er voor ophoogzand en industriezand momenteel nog voldoende ruimte is met betrekking tot de lopende vergunningen (verleend en in aanvraag). Lopende vergunningen van grote winningen worden, gelet op de maximale looptijd van vijftien jaar, vaak verlengd en/of uitgebreid. Grind is daarvoor onvoldoende aanwezig en moet, net als tot dusver, grotendeels worden geïmporteerd. Verder in de toekomst kijken betekent meer en grotere onzekerheden. Daarom beschrijf ik in de brief maatregelen die erop gericht zijn om de situatie te monitoren en indien nodig tijdig te kunnen ingrijpen.
Kunt u aangeven welk percentage zand, grind en andere primaire bouwgrondstoffen momenteel uit Nederland afkomstig is en welk percentage geïmporteerd wordt van buiten Nederland?
Bouwgrondstoffen worden in Nederland geïmporteerd en geëxporteerd. In de bij vraag 6 genoemde brief aan uw Kamer wordt gerefereerd aan onderzoeken waaruit volgt dat de Nederlandse import en export een omvang heeft van de orde-grootte van enkele tientallen procenten van de binnenlandse productie.
Verwacht u dat deze afhankelijkheid de komende jaren zal toenemen, indien de binnenlandse winningscapaciteit verder onder druk komt te staan? Zo ja, waarom?
Bij meer druk op de binnenlandse winningscapaciteit zal de markt op zoek gaan naar andere oplossingen. De afgelopen decennia werd in voorkomende gevallen vooral meer geïmporteerd. Daarnaast kan de markt het gebruik van primaire bouwgrondstoffen op diverse manieren verminderen, bijvoorbeeld door bouwmaterialen te hergebruiken, door bij locatiekeuzes meer rekening te houden met de benodigde hoeveelheid ophoogzand en door het aanpassen, en door het renoveren, verduurzamen, optoppen en transformeren van bestaande gebouwen te stimuleren.
Op welke manier waarborgt u dat geïmporteerde materialen niet vervuild zijn met bijvoorbeeld PFAS?
Geïmporteerde grond, bagger en bouwstoffen moeten om in Nederland op of in de bodem te kunnen worden toegepast voorzien zijn van een milieuverklaring bodemkwaliteit, waarvoor de regels volgen uit het Besluit bodemkwaliteit. Hier ligt een keuring aan ten grondslag. Uit de milieuverklaring bodemkwaliteit moet blijken of PFAS in deze keuring is meegenomen. Geïmporteerd materiaal moet aan dezelfde voorwaarden voldoen als niet geïmporteerd materiaal.
Welke risico’s ziet u voor de woningbouwopgave, infrastructuurprojecten en waterveiligheidsmaatregelen, wanneer de binnenlandse winning van bouwgrondstoffen verder afneemt?
Op basis van het landelijke beeld, dat is beschreven in de bij vraag 6 genoemde brief aan uw Kamer, zie ik vooralsnog weinig risico’s voor de woningbouwopgave en infrastructuurprojecten. Indien de binnenlandse winning van industriezand en ophoogzand afneemt zal de markt op zoek gaan naar andere oplossingen, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 8. Suppletiezand moet voldoende beschikbaar zijn voor de kustverdediging. Daarom is in de ontwerp Nota Ruimte opgenomen dat het van belang is op de Noordzee extra ruimte voor zandwinning te reserveren. Zoals aangegeven in antwoord op vraag 6 blijf ik de situatie monitoren om indien nodig tijdig te kunnen ingrijpen.
Deelt u de opvatting dat de beschikbaarheid van primaire bouwgrondstoffen een nationaal strategisch belang is, gelet op de grote maatschappelijke opgaven waarvoor Nederland staat?
In het ontwerp van de Nota Ruimte is beschreven dat de reserveringszone voor zandwinning op de Noordzee is aangewezen als het gebied waarbinnen zandwinning als activiteit van nationaal belang (voor waterveiligheid en klimaatbestendige inrichting) voorrang heeft op ander ruimtegebruik.
Hoe beziet u de verhouding tussen provinciale bevoegdheden ten aanzien van ontgrondingen enerzijds en de nationale belangen op het gebied van woningbouw, infrastructuur, waterveiligheid en economische ontwikkeling anderzijds?
In het sinds 2003 geldende ontgrondingenbeleid is de tijdige en voldoende voorziening van primaire bouwgrondstoffen aan de markt overgelaten. Concreet betekent dit dat het bedrijfsleven verantwoordelijk is voor het indienen van de aanvragen voor omgevingsvergunningen voor ontgrondingen. Daarbij moet het bedrijfsleven zich richten op kwalitatief goede en maatschappelijk verantwoorde projecten. De provincies hebben in het huidige ontgrondingenbeleid de verantwoordelijkheid om een vergunningaanvraag te beoordelen op ruimtelijke en milieukundige aspecten. De provincies wegen hierbij ook het belang van de primaire bouwgrondstoffen voor waterveiligheid, infrastructuur en woningbouw mee.
Deelt u de opvatting dat provincies met winbare voorraden van bouwgrondstoffen, binnen de randvoorwaarden van natuur- en omgevingsbeleid, een verantwoordelijkheid hebben om bij te dragen aan de nationale grondstoffenvoorziening?
In het sinds 2003 geldende ontgrondingenbeleid is de tijdige en voldoende voorziening van primaire bouwgrondstoffen aan de markt overgelaten. Concreet betekent dit dat het bedrijfsleven zich bij aanvragen voor een vergunning moet richten op kwalitatief goede en maatschappelijk verantwoorde projecten. In het huidige ontgrondingenbeleid wegen de provincies de winning van primaire bouwgrondstoffen mee bij het opstellen van regionale ruimtelijke plannen en in vergunningprocedures.5
Bent u bereid om samen met provincies in kaart te brengen of de toekomstige beschikbaarheid van bouwgrondstoffen voldoende is om de nationale opgaven op het gebied van woningbouw, infrastructuur, energietransitie en waterveiligheid te realiseren?
In de bij vraag 6 genoemde brief aan uw Kamer beschrijf ik dat ik via monitoring zicht ga houden op vraag en aanbod en dat ik een structureel overleg zal organiseren om samen met de provincies en de winbedrijven zicht te houden op het aantal ingediende vergunningaanvragen, de voortgang van de vergunningverlening en de ruimte onder de lopende vergunningen.
Bent u, indien blijkt dat we door provinciale beleidskeuzes te weinig beschikking hebben over bouwgrondstoffen, bereid hier het gesprek over te voeren en in te grijpen?
Hiervoor verwijs ik naar het antwoord op vraag 14.
Bent u bereid de Kamer te informeren over eventuele knelpunten in de toekomstige beschikbaarheid van bouwgrondstoffen en mogelijke maatregelen om deze te voorkomen?
Ja. Ik blijf de situatie monitoren om indien nodig tijdig te kunnen ingrijpen. Ik informeer uw Kamer mocht dit laatste zich voordoen.
Het bericht ‘Gedoodverfd opvolger van DigiD is niet te gebruiken zonder Gmail-account of Apple-ID’ |
|
Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Aerdts , Enneüs Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Gedoodverfd opvolger van DigiD is niet te gebruiken zonder Gmail-account of Apple-ID»?1
Ja.
Deelt u de mening dat apps en oplossingen die ontwikkeld worden door de Rijksoverheid altijd zo toegankelijk mogelijk zouden moeten zijn voor elke Nederlander? Zo ja, hoe beoordeelt u dan de keuze tot verplichting van een Google-account of Apple-ID voor het gebruik van NL Wallet?
Ja, ik deel die mening.
Er is geen keuze gemaakt tot de verplichting van een Google-account of Apple-ID voor het gebruik van de NL Wallet en dit is ook niet ons streven.
De publieke wallet wordt stapsgewijs ontwikkeld en dat gebeurt transparant. Dagelijks worden nieuwe wijzigingen aan de broncode aangebracht en gepubliceerd zodat iedereen die dat wil de ontwikkeling kan volgen. In de huidige versie zijn beveiligingsmaatregelen opgenomen om gebruikers te beschermen tegen malafide apps, waarmee hun persoonsgegevens worden beschermd en identiteitsfraude wordt bestreden. Voor de grootste gebruikersgroepen (mensen met een Google-account of Apple-ID) zijn deze maatregelen nu gerealiseerd. Voor andere gebruikersgroepen zijn andere maatregelen nodig. Die maatregelen zullen worden onderzocht en, indien dat veilig kan, worden geïmplementeerd voordat de publieke wallet beschikbaar komt voor gebruikers.
Deelt u de mening dat ook mensen die geen gebruik maken van telefoons met Google of van telefoons met Apple-ID in staat zouden moeten zijn om gebruik te maken van NL Wallet? Zijn deze mogelijkheden bij de ontwikkeling van NL Wallet verkend? Zo ja, waarom is dan gekozen om alsnog voor deze technische voorwaarden te gaan voor NL Wallet? Zo nee, waarom niet?
Ja ik deel die mening.
De beveiligingsmaatregelen die gebruikers zonder Google-account of Apple-ID in staat stellen om ook gebruik te maken van de publieke wallet worden nog verkend. Hiervoor wordt ook van gedachten gewisseld met experts van andere lidstaten. Als deze opties veilig zijn, zullen die worden geïmplementeerd voordat de wallet live gaat.
Deelt u de mening dat in het kader van toegankelijkheid ook mensen die geen gebruik willen of kunnen maken van een smartphone de app NL Wallet zouden moeten kunnen gebruiken? Zo nee, waarom niet?
Mensen die geen gebruik willen maken van de NL wallet, hoeven dat ook niet. De vrijwilligheid is wettelijk geborgd in de verordening. Met het oog op de toegankelijkheid van de NL Wallet betrekken wij gebruikers bij de ontwikkeling, bijvoorbeeld mensen met een beperking. Verder zullen we verkennen hoe we de toegankelijkheid van de NL wallet kunnen vergroten, ook voor mensen die geen smartphone willen of kunnen gebruiken.
Kunt u uitleggen waarom DigiD wel te gebruiken is voor mensen zonder iOS-telefoon of Google-account of zonder smartphone? Waarin verschilt DigiD van NL Wallet waardoor dit voor NL Wallet niet mogelijk zou zijn?
De werking van inlogmiddelen als DigiD verschilt van die van EDI wallets als de NL Wallet, wat andere beveiligingsrisico’s met zich meebrengt en zodoende om andere maatregelen vraagt. Zoals aangegeven bij antwoord 2 is de NL Wallet nog in ontwikkeling en streven we ernaar om deze ook beschikbaar te maken voor mensen zonder Apple-ID of Google-account. Met DigiD kun je bij bepaalde overheidsdiensten inloggen zonder smartphone, met de SMS-check. Bij diensten die een hoger betrouwbaarheidsniveau vereisen heb je een smartphone met DigiD app nodig. BZK onderzoekt de mogelijkheid om een DigiD ook op hogere betrouwbaarheidsniveaus zonder smartphone beschikbaar te stellen. EDI-wallets, zoals de NL Wallet, moeten worden uitgegeven op het hoogste betrouwbaarheidsniveau. We bekijken of we de ontwikkelingen bij DigiD kunnen benutten voor EDI-wallets, inclusief de NL Wallet.
Hoe complex is het om de NL Wallet zo om te bouwen dat het hebben van een Apple Account of Google Account niet voorwaardelijk is?
Zoals gezegd moeten deze maatregelen nog worden onderzocht. Daaruit zal ook blijken hoe complex dit is.
Kunt u garanderen dat NL Wallet niet de rol van DigiD in de toekomst zal overnemen, zo lang voor het gebruik van NL Wallet een Apple-ID of Google-account voorwaardelijk is? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
DigiD blijft bestaan zoals reeds eerder aan de Kamer is toegezegd2. Het gebruik van de NL-wallet is vrijwillig, zoals ik heb aangegeven in de beantwoording van vraag 4.
Kunt u garanderen dat organisaties die op dit moment DigiD ondersteunen en die NL Wallet willen ondersteunen, in de toekomst DigiD ook blijven ondersteunen naast NL Wallet? Zo nee, deelt u de mening dat dat betekent dat Nederlanders tot het gebruik van een Google-account of Apple-ID worden gedwongen?
Ja, de acceptatieverplichtingen voor DigiD blijven bestaan naast de acceptatieverplichtingen voor EDI-wallets.
Zoals gezegd is er nog geen keuze gemaakt om een Google-account of Apple-ID te verplichten voor de NL Wallet en is dit ook niet ons streven.
Kunnen gebruikers van NL Wallet van wie het Google-account of de Apple-ID om wat voor reden dan ook door Google of Apple wordt geblokkeerd gebruik blijven maken van NL Wallet? Zo nee, kunt u dan garanderen dat Nederlanders die gebruik maken van NL Wallet niet in de problemen komen? Zo ja, kunt u aangeven waarom dit acceptabel is?
De NL Wallet kan niet voorkomen dat gebruikers worden geblokkeerd door de aanbieder van hun smartphone, besturingssysteem of andere de software die daarop draait. Om die reden hecht ik er waarde aan om te zorgen dat de NL Wallet niet van een kleine groep aanbieders afhankelijk is en onderzoek ik mogelijkheden om ook een veilige oplossing te bieden aan burgers zonder Google-account of Apple-ID.
Hoe kijkt u vanuit het oogpunt van digitale soevereiniteit naar de keuze om een Google-account of Apple-ID voor een NL Wallet voorwaardelijk te maken?
Zoals gezegd is er geen keuze gemaakt om het Apple-ID of Google-account voorwaardelijk te maken en is dit ook niet ons streven.
Hoe bent u van plan om in het vervolg, bij ontwikkeling van apps door de overheid, het gemak van de ontwikkeling af te wegen tegen digitale soevereiniteit en toegankelijkheid?
Bij de ontwikkeling van apps worden meerdere factoren meegewogen. De borging van publieke waarden waaronder veiligheid, privacy, inclusie en soevereiniteit staat centraal. Gemak van de ontwikkeling speelt hierin geen rol.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en binnen de gestelde termijn beantwoorden?
Ja, de vragen worden afzonderlijk van elkaar beantwoord. Ik heb uw Kamer met een uitstelbrief laten weten dat beantwoording langer ging duren.
Dat bezuinigingen op zorg en sociale zekerheid een voedingsbodem vormen voor toename van populisme en opkomst van radicaal- en extreemrechts |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Herinnert u zich nog dat de Partij voor de Dieren u tijdens het debat over de regeringsverklaring wees op de conclusies van de VN-rapporteur voor armoede, die adviseert om te investeren in publieke en sociale voorzieningen en dat niet te zien als een kostenpost, maar als een belangrijk instrument om je sociale weefsel en je democratische samenleving in stand te houden en extreemrechts geen kans te geven?
Ja.
Herinnert u zich nog dat u had toegezegd dit advies en andere onderzoeken waaruit blijkt dat bezuinigingen op sociale voorzieningen de voedingsbodem voor radicaal- en extreemrechts vergroten tot u te nemen?
Ja.
Wat neemt uw mee in uw beleid uit onderzoeken zoals die van Lattanzio en Savu (2022), Baccini en Sattler (2024), waaruit af te leiden is dat vooral populistische en radicaal rechtse partijen profiteren van bezuinigingen op het sociale stelsel, met name bij groepen in kwetsbare positie?1, 2
Het kabinet ziet het belang van een sterk en toekomstbestendig sociaal stelsel, dat we samen met sociale partners en medeoverheden vormgeven – ook met het oog op toekomstige generaties. Daarom kiest dit kabinet voor hervormingen én gerichte investeringen, zodat iedereen kan meedoen en we alle talent in de samenleving ondersteunen en benutten. Het is niet aan het kabinet om uitspraken te doen over mogelijke verbanden tussen gevoerd beleid en electorale ontwikkelingen. Wel legt het kabinet verantwoording af over het gevoerde beleid, altijd met oog voor de kwetsbaarsten in onze samenleving.
Bent u inmiddels bekend met het VN-rapport van Speciaal rapporteur Extreme armoede en mensenrechten Olivier De Schutter met de titel «Promotion and protection of human rights: human rights questions, including alternative approaches for improving the effective enjoyment of human rights and fundamental freedoms» en de conclusies die de rapporteur eraan verbindt?3
Ja.
Bent u het eens met de VN-rapporteur dat het belangrijk is om te investeren in publieke en sociale voorzieningen, en dat niet te zien als een kostenpost, maar als een belangrijk instrument om je sociale weefsel en je democratische samenleving in stand te houden en radicaal- en extreemrechts geen kans te geven? Zo nee, waarom niet?
Dit kabinet deelt de visie dat investeren in publieke en sociale voorzieningen essentieel is voor een sterk sociaal weefsel en een democratische samenleving. Een toekomstbestendig stelsel, dat we samen met sociale partners en medeoverheden opbouwen, zorgt ervoor dat iedereen kan meedoen en dat we alle talent in onze samenleving benutten. Dat is precies waarom we kiezen voor hervormingen én gerichte investeringen. De basis hiervoor ligt in het coalitieakkoord, waarin onder andere is opgenomen dat wie niet kan werken, moet kunnen vertrouwen op een goed stelsel van sociale zekerheid. Tegelijkertijd is het tijd om keuzes te maken voor de middellange termijn, zodat we ook toekomstige generaties kunnen voorzien van een houdbaar en goed stelsel van sociale zekerheid.
Bent u het eens met de bevindingen van VN-rapporteur De Schutter dat sociale zekerheid een dam is tegen radicaal-rechts populisme? Zo nee, waar baseert u zich op?
Zie het antwoord op vraag 3.
Bent u het eens met de bevindingen van de VN-rapporteur dat bezuinigingen op het sociale stelsel en verschuiving van collectieve bescherming naar risico’s voor individuen leiden tot gevoel van schaarste, onzekerheid, ongelijkheid en wantrouwen in de overheid, wat een vruchtbare bodem vormt voor radicaal-rechts? Zo nee, waar baseert u zich dan op?
Zie het antwoord op vraag 3.
Welke lessen trekt u uit de conclusies van de VN-rapporteur voor uw beleid in de toekomst om de voedingsbodem voor extreem en radicaalrechts weg te nemen? Welke stappen gaat u naar aanleiding hiervan zetten?
Zie het antwoord op vraag 3.
Bent u bekend met het pas verschenen boek De symfonie van onvrede: de opmars van radicaal rechts in Europa, geschreven door Catherine de Vries?
Ja.
Bent u het eens met de analyse dat de Nederlandse sociale zekerheid in de afgelopen decennia verschraald is door verschillende kabinetten? Zo nee, op basis van welke bronnen en cijfers stelt u dat?
Dit kabinet hecht grote waarde aan een sterk en toekomstbestendig sociaal stelsel, dat we samen met sociale partners en medeoverheden vormgeven – ook met het oog op toekomstige generaties. Daarom kiezen we voor hervormingen én gerichte investeringen, zodat iedereen kan meedoen en we alle talent in de samenleving ondersteunen en benutten. Met enige regelmaat verschijnen er publicaties die proberen een beschrijving te geven van langjarige veranderingen in de samenleving en in de verhouding tussen overheid en samenleving, of het nu gaat over sociale zekerheid of over klimaatbeleid. In zijn algemeenheid dragen dergelijke publicaties bij aan een levendig maatschappelijk debat over een veelheid aan fenomenen. Het is echter niet aan het kabinet om standpunten in dergelijke debatten in te nemen of standpunten van anderen te waarderen, anders dan door verantwoording af te leggen over het gevoerde kabinetsbeleid en de onderliggende gronden voor het gekozen kabinetsbeleid toe te lichten.
Herkent u zich in het oordeel van de Vries op bladzijde 58 dat «onder het vaandel van marktwerking en modernisering publieke taken werden verzelfstandigd of geprivatiseerd, terwijl de bestuurstaal verschoof van rechten en nabijheid naar doelmatigheid, contracten en controle»? Zo ja, hoe waardeert u deze verandering? Zo nee, waarom niet? Welke bronnen heeft u daarvoor?
Zie het antwoord op vraag 10.
Bent u het eens met haar oordeel op dezelfde bladzijde dat «hierdoor de relatie tussen burgers en de overheid veranderde: meer benchmarks en verantwoordingsdruk, minder relatie en wederkerigheid»? Zo ja, hoe waardeert u deze verandering? Zo nee, waarom niet? Welke bronnen heeft u daarvoor?
Zie het antwoord op vraag 10.
Hoe waardeert u de oplossingsrichting van De Vries om als overheid meer te gaan werken aan nabijheid (zie hoofdstuk 8)? Kunt u toelichten wat u daaruit meeneemt en hoe u dit gaat implementeren in het beleid?
Zie het antwoord op vraag 10.
Erkent u dat uit cijfers van het Centraal Planbureau (CPB) blijkt dat met uw kabinet de sociale zekerheid en zorg de grootste bezuinigingsposten zijn, burgers grotere lasten dragen dan bedrijven, uitkeringsgerechtigden en langdurig zieken relatief zwaar worden geraakt door uw beleid, en grote vermogens en superrijken relatief worden ontzien?
Zie het antwoord op vraag 10.
Erkent u dat er veel maatschappelijke weerstand is over de keuzes van het kabinet om te bezuinigen op o.a. de WW, WIA en de zorg?
Zie het antwoord op vraag 10.
Erkent u dat ook uit onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) naar draagvlak voor klimaatbeleid blijkt dat mensen klimaatbeleid in meerderheid steunen, maar het niet rechtvaardig vinden dat de lasten vooral bij burgers terechtkomen, terwijl bedrijven worden ontzien? Erkent u dat mensen het belangrijk vinden dat lasten eerlijker verdeeld moeten worden? Wat is uw reactie daarop?
Zie het antwoord op vraag 10.
Erkent u dat mensen in dat licht de afschaffing CO2-heffing voor vervuilers, het in stand houden van fossiele subsidies, en miljarden uitgeven aan buitenlandse multinationals als Tata Steel onbegrijpelijk zouden kunnen vinden?
Zie het antwoord op vraag 10.
Bent u zich ervan bewust dat uit onder andere de eerdergenoemde onderzoeken volgt dat de bezuinigingen op de sociale zekerheid en de zorg die het kabinet wil doorzetten, ertoe kunnen leiden dat de onvrede en onrust onder burgers in de samenleving worden vergroot?
Zie het antwoord op vraag 10.
Realiseert u zich dat uit onder andere eerdergenoemde onderzoeken volgt dat burgers door zulke bezuinigingsmaatregelen van het kabinet burgers in toenemende mate hun vertrouwen kunnen verliezen in de overheid en haar instituten, en gevoeliger kunnen worden voor populistisch en radicaal- en extreemrechts gedachtegoed? Zo nee, waar baseert u zich op?
Zie het antwoord op vraag 10.
Gezien de wetenschappelijke analyse (genoemd in het boek van De Vries, zie bladzijde 160) die wijst op de samenhang tussen ervaren verschraling en steun voor radicaal-rechtse partijen, waarom bezuinigt u dan toch op onder andere de WW en de WIA, en laat u superrijken en grote vermogens relatief met rust? Ziet u in dat u door het verschralen van de sociale zekerheid de voedingsbodem legt voor radicaal-rechts gedachtegoed, zoals ook De Vries beschrijft?
Zie het antwoord op vraag 10.
Ziet u bijvoorbeeld dat radicaal- en extreemrechts meteen gebruik maakt van de keuzes van uw kabinet om te bezuinigen op de zorg en sociale zekerheid, om mensen op te hitsen tegen onder andere vluchtelingen en de LHTBQIA+ gemeenschap en om onrust aan te wakkeren, waar de tweet van Eva Vlaardingerbroek (vlak na de presentatie van de plannen van uw kabinet) exemplarisch voor is?4
Zie het antwoord op vraag 10.
Welke lessen trekt u uit alle bovengenoemde onderzoeken en analyses voor uw beleid in de toekomst, om de voedingsbodem voor radicaal- en extreemrechts weg te nemen?
Zie het antwoord op vraag 10.
Erkent u dat er alternatieve financieringsmogelijkheden zijn, die de lasten eerlijker leggen bij grote vermogens en grote vervuilers, in plaats van bij sociale zekerheid, zorg en werkende mensen?
Zie het antwoord op vraag 10.
Bent u, ook gezien de verschillende onderzoeken, bereid om niet verder te bezuinigen op de sociale zekerheid en zorg, maar om de lasten eerlijker te verdelen en meer geld op te halen bij grote vervuilers, grote vermogenden en de superrijken?
Zie het antwoord op vraag 10.
Kunt de vragen zo snel mogelijk en één voor één beantwoorden?
De vragen zijn zo spoedig als mogelijk en separaat beantwoord.
Spoorgoederenvervoer |
|
Björn Schutz (VVD) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Investigation confirms: Dutch rail freight costs far exceed those of neighbouring countries»?1
Ja, ik ben bekend met dit artikel.
Herkent en onderschrijft u de analyse van spoorgoederenkosten/infraheffingen die ProRail en Havenbedrijf Rotterdam hebben gemaakt?
De analyse geeft een goed inzicht in de verschillende tarieven in Nederland, Duitsland en België en de wijze waarop die uitwerken op diverse vervoersroutes. Daarmee biedt het een bruikbaar beeld van de kosten waarmee spoorgoederenvervoerders op deze routes worden geconfronteerd. Het onderzoek onderstreept dat er grote verschillen bestaan tussen landen in de hoogte van tarieven en in de mate waarop het spoorgoederenvervoer aanvullend gesubsidieerd wordt.
Erkent u dat de Nederlandse economie is gebaat bij een (goederen)vervoerssysteem verspreid over de diverse modaliteiten?
Voor een robuust en betrouwbaar goederenvervoerssysteem zijn alle modaliteiten van belang. Een goede balans tussen weg, spoor, binnenvaart, zeevaart en buisleidingen draagt bij aan de bereikbaarheid, leveringszekerheid en economische kracht van Nederland. Dit uitgangspunt is terug te vinden in de recente beleidsbrief IenW en ook terug te vinden in de Beleidsagenda Goederenvervoer en het Toekomstbeeld Spoorgoederenvervoer 2050, die in onderlinge samenhang zijn opgesteld.
In hoeverre onderschrijft u de stelling dat er de afgelopen jaren sprake is van een «reverse modal shift», waarbij goederen die voorheen per spoor of binnenvaart werden vervoerd, steeds vaker via de weg worden vervoerd? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het aandeel van het spoor in de modal split is de afgelopen jaren afgenomen. Tussen 2015 en 2021 schommelde het vervoerde volume per spoor tussen ongeveer 40 en 43 miljoen ton. Na een incidentele piek in 2022, onder meer als gevolg van een extra vraag naar kolenvervoer, is dit volume gedaald naar ruim 36 miljoen ton in 2025. De ontwikkeling van de modal split wordt beïnvloed door diverse factoren, waaronder economische ontwikkelingen, veranderingen in goederenstromen en de concurrentiepositie van de verschillende modaliteiten, havens en industriegebieden in binnen- en buitenland.
Bent u – zoals uit het artikel blijkt – van mening dat de hoge kosten waar spoorgoederenvervoer bedrijven zich in Nederland voor gesteld zien, bijdragen aan deze «reverse modal shift»? Zo nee, waarom niet?
De kosten die vervoerders betalen voor het gebruik van het spoor vormen een wezenlijk onderdeel van de totale kosten van het spoorgoederenvervoer.
Tegelijkertijd wordt de afname van het spoorgoederenvervoer de afgelopen jaren grotendeels verklaard door andere ontwikkelingen. De belangrijkste oorzaak is de sterke afname van het kolenvervoer als gevolg van de voorziene sluiting van kolencentrales in Duitsland. ProRail concludeert in de jaarrapportages over het spoorgoederenvervoer onder meer het volgende:
Voor het intermodale vervoer zijn de volumes relatief stabiel gebleven, maar ik hoor wel dat er verschuivingen hebben plaatsgevonden: vooral op de kortere afstanden is het moeilijker geworden om met de weg te concurreren en daar kunnen kosten een rol in spelen. Verder constateer ik dat het vervoerders momenteel onvoldoende lukt om nieuwe ladingstromen naar het spoor te trekken. De kostenpositie van het spoor kan daarin een factor zijn.
Waarom heeft Nederland geen gelijk speelveld met de met ons omringende landen?
Er is één Europees kader voor vaststelling van de gebruiksvergoeding, maar daarbinnen zijn bepaalde vrijheden om dit nader in te vullen. Zo kan ervoor gekozen worden om een extra heffing in te voeren om extra kosten door te berekenen aan de gebruikers van het spoor, op voorwaarde dat de markt dit kan dragen. Omgekeerd kan voor de dienstvoorzieningen (zoals de dienst opstellen en rangeren) gekozen worden om de kosten niet geheel door te berekenen. In aanvulling op de vaststelling van de gebruiksvergoeding gaan landen verschillend om met inzet van het subsidie-instrumentarium. Deze combinatie leidt er op dit moment toe dat het spoorgoederenvervoer vanuit Rotterdam op de onderzochte routes «duurder» is dan vanuit Antwerpen. Kijkend naar Hamburg is te zien dat Rotterdam meestal vergelijkbaar of «goedkoper» is.
Worden de infraheffingen voor het rijden van goederentreinen en die voor het opstellen en rangeren van goederentreinen taakstellend bepaald of vastgesteld? Zo ja, door wie?
Het vaststellen van de gebruiksvergoedingstarieven ligt bij ProRail. De gebruiksvergoedingstarieven dekken nu ongeveer 18% van de kosten van ProRail voor het beheer en onderhoud van het spoor. De rest van de kosten wordt door de rijksbijdrage van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) aan ProRail gedekt. Het (eventueel) verstrekken van directe subsidies aan vervoerders of het via een extra heffing extra kosten doorberekenen aan de markt is de verantwoordelijkheid van het Ministerie van IenW.
Wie neemt het besluit en wat is de basis voor de infraheffingstarieven?
De gebruiksvergoedingstarieven worden door ProRail vastgesteld binnen de Europese en nationale wettelijke kaders die daarvoor gelden. De regels voor de vergoedingen voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur vinden hun basis in de Europese sera-richtlijn (richtlijn 2012/34/EU). De sera-richtlijn verplicht de infrastructuurbeheerder de kosten die rechtstreeks uit de exploitatie van de treindienst voortvloeien door te berekenen aan spoorwegondernemingen. Daaronder valt bijvoorbeeld een deel van de kosten voor spooronderhoud en de personeelskosten van treindienstleiders. Dit gebeurt via de vergoeding minimumtoegangspakket (VMT). Hiervoor zijn nadere regels gesteld in uitvoeringsverordening 2015/909/EU «betreffende de modaliteiten voor de berekening van de kosten die rechtstreeks uit de exploitatie van de treindienst voortvloeien». De methodiek waarin ProRail beschrijft welke kosten worden opgenomen in de VMT moet voor de toepassing van de vergoedingen worden goedgekeurd door de Autoriteit Consument en Markt.
Daarnaast worden er op basis van de sera-richtlijn door ProRail ook vergoedingen berekend voor het gebruik van bepaalde diensten, zoals opstellen en rangeren.
De sera-richtlijn is nationaal geïmplementeerd via de Spoorwegwet en het onderliggende besluit implementatie richtlijn 2012/34/EU tot instelling van één Europese spoorwegruimte.
Wordt bij de vaststelling van de infraheffingen gestuurd op een optimaal evenwicht tussen opbrengsten uit infraheffingen en het behoud of de groei van het goederenvervoer per spoor? Daarbij rekening houdend met de prijsgevoeligheid van verladers bij de keuze tussen vervoerwijzen. Kunt u dit toelichten?
Op basis van de sera-richtlijn is ProRail verplicht om de kosten die rechtstreeks voortvloeien uit de exploitatie van de treindienst door te berekenen aan spoorwegondernemingen. Daarbij kan dus niet gezocht worden naar een evenwicht tussen opbrengsten en effecten op de markt.
Kosten die niet rechtstreeks voortvloeien uit de exploitatie kunnen via een eventuele extra heffing op verzoek van het Ministerie van IenW worden doorberekend, op voorwaarde dat de markt dit kan dragen. Hierbij wordt rekening gehouden met de prijselasticiteit van onder andere goederenvervoerders. Op dit moment wordt echter geen extra heffing toegepast en toepassing hiervan is voor de huidige tariefperiode van de gebruiksvergoeding (2026–2029) ook niet voorzien.
Voor het bepalen van de kosten voor diensten als opstellen en rangeren worden door ProRail minimaal de directe kosten doorberekend.
Welke factoren bepalen de hoogte van de infraheffingstarieven? Kunt u toelichten hoe deze factoren worden meegewogen?
ProRail bepaalt de hoogte van de gebruiksvergoedingstarieven. Zoals bij vraag 8 is aangegeven doet ProRail dat binnen de Europese en nationale wettelijke kaders die van toepassing zijn.
ProRail spant zich in om, voor zover mogelijk, te zorgen dat het spoor betaalbaar blijft en neemt hiervoor verschillende maatregelen binnen het door IenW en ProRail gezamenlijk vastgestelde Basis Kwaliteitsniveau Spoor (BKN). Door scherpe keuzes te maken in de inrichting van het onderhoud en efficiënte inzet van mensen en capaciteit, wordt geprobeerd de capaciteit van het spoor zo optimaal en betaalbaar mogelijk te benutten.
Wordt er daarbij rekening gehouden met tarieven in het buitenland?
Bij het vaststellen van tarieven voor een nieuwe periode van de gebruiksvergoeding wordt ook gekeken naar andere landen. Het verschil in kosten voor gebruikers van het spoor tussen Nederland en omringende landen zit onder andere in verleende subsidies door de omringende landen.
Welke mogelijkheden ziet u om het spoorgoederenvervoer in Nederland een «level playing field» te bieden met het buitenland?
De tarieven voor opstellen en rangeren zijn met de tariefswijzigingen per 1 januari 2026 verlaagd. Er is toen ook besloten om geen subsidie meer te geven2. Met deze wijzigingen is het verschil met de ons omringende landen per 2026 minder geworden3. Vanuit vervoerders wordt gepleit voor verdere verlaging van de tarieven naar een niveau voor 2023 toen de tarieven voor opstellen en rangeren nog lager waren. Dit is een maatregel met een tijdelijk effect. Gelet op de schaarste aan financiële middelen is mijn kabinetsinzet gericht op maatregelen die de kostenpositie structureel versterken in plaats van tijdelijke subsidies. Voorbeelden van deze inzet zijn de focus op een goede instandhouding en op het kunnen rijden met 740 meter lange treinen.
De grote tariefverschillen tussen landen vind ik niet wenselijk. Daarom zet ik mij in Europees verband al geruime tijd in voor verdere harmonisatie richting een meer uniforme toepassing van het Europees raamwerk voor de gebruiksvergoeding. Deze inzet zal tijd vragen. Recentelijk nog heeft de Minister van Economische Zaken en Klimaat de actualisatie van de interne-marktactieagenda naar de Tweede Kamer gestuurd waarin dit ook is opgenomen4.
Is er een relatie tussen de hoogte van de infraheffing en de geleverde kwaliteit van de dienstverlening van de nationale spoorbeheerder? Zo nee, waarom niet?
Voor de periode 2026–2029 is besloten om 18% van de instandhoudingskosten te dekken uit de gebruiksvergoeding die vervoerders betalen. Dit percentage is gelijk aan de periode 2023–20255. De prestaties van het goederenspoor zijn de afgelopen jaren verbeterd. Via het verbeterprogramma Zee-Zevenaar is door ProRail veel werk verzet in het wegwerken van achterstallig onderhoud op de Rotterdamse havenspoorlijn. Dit heeft geleid tot een forse reductie in het aantal hinderrijke storingen.
Is het niet zaak nu het vervoer per spoor Europees (zowel personen- als goederenvervoer) meer wordt geüniformeerd (bijv. qua stelsel, marktordening, spoorveiligheid, etc.) om ook de publieke lastendruk van de spoorgoederensector (meer) te harmoniseren?
Daar zet ik mij voor in. Ik verwijs daarbij ook naar mijn antwoord op vraag 12.
Zijn de infraheffingen voor het opstellen van goederentreinen op de emplacementen in de havens, bij de inland terminals en in de industriegebieden, in lijn met die van het wegtransport? Kunt u dit toelichten?
De tarieven voor het opstellen en rangeren van goederentreinen zijn niet direct vergelijkbaar met bijvoorbeeld de kosten van parkeren in het wegvervoer.
Welke mogelijkheden ziet u verder om van overheidswege de «reverse modal shift» te keren?
Voorafgaand aan het Commissiedebat Spoorgoederenvervoer ontvangt u een brief, waarin ik mijn beleidsinzet voor het spoorgoederenvervoer voor de komende jaren uiteenzet.
Bent u bereid deze schriftelijke vragen te beantwoorden voor het commissiedebat Spoorgoederenvervoer van woensdag 17 juni 2026?
Een ernstig datalek binnen de EBI |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van berichtgeving dat vertrouwelijke dossierinformatie van een gedetineerde met een zware risicostatus zichtbaar is geweest voor een andere gedetineerde binnen de Extra Beveiligde Inrichting (EBI)?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat juist binnen de zwaarst beveiligde inrichting van Nederland vertrouwelijke strafrechtelijke informatie kennelijk bij een andere gedetineerde terecht heeft kunnen komen?
Uit onderzoek naar het incident blijkt dat tijdens het volgen van de procedure sprake is geweest van een menselijke fout. Op basis van het onderzoek valt niet vast te stellen of daadwerkelijk inzage in vertrouwelijke informatie heeft plaatsgevonden. Dit moet echter te allen tijde worden voorkomen. DJI treft dan ook aanvullende maatregelen om de kans op herhaling te verkleinen. Zo is een extra controlestap in de procedure aangebracht die ziet op het uitschakelen van de laptop. Ook voert DJI daarnaast nog enkele technische verbeteringen door. Vanuit een veiligheidsoogpunt kan ik deze niet gedetailleerd delen.
Klopt het dat de voorgeschreven veiligheidsprocedures in dit geval niet zijn gevolgd? Zo ja, hoe heeft dit kunnen gebeuren?
Uit onderzoek is gebleken dat tijdens het volgen van deze procedure sprake is geweest van een menselijke fout. DJI treft maatregelen om de kans op herhaling te verkleinen.
De reguliere procedure is dat nadat een gedetineerde een dergelijke laptop heeft gebruikt, de laptop wordt uitgeschakeld. Door middel van het uitschakelen van de laptop wordt alle historie automatisch verwijderd en daarmee «geschoond». Pas daarna mag de laptop worden uitgegeven aan een andere gedetineerde.
Geeft dit incident aanleiding tot het herzien van de veiligheidsprocedures? Zo nee, waarom niet?
De resultaten van het onderzoek naar aanleiding van het incident geven aanleiding tot het treffen van maatregelen. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 1, betreft dit een extra controlestap.
Kan worden uitgesloten dat vertrouwelijke informatie van andere gedetineerden eveneens onbevoegd is ingezien? Zo nee, waarom niet?
Op basis van het onderzoek valt niet vast te stellen of daadwerkelijk inzage in vertrouwelijke informatie van de betreffende gedetineerde heeft plaatsgevonden. Vanwege veiligheidsredenen kan niet verder worden ingegaan op de details van het onderzoek.
Er is nu geen aanleiding te vermoeden dat vergelijkbare incidenten zich eerder hebben voorgedaan.
Deelt u de mening dat een dergelijke blunder ernstige veiligheidsrisico’s met zich kan brengen voor lopende strafzaken, getuigen, slachtoffers, personeel en de openbare veiligheid? Zo nee, waarom niet?
Ik wil voorop stellen dat ik het uiteraard betreur dat deze fout zich voor heeft kunnen doen. Zoals aangegeven in mijn vorige antwoord op vraag 5, valt op basis van het onderzoek niet vast te stellen of daadwerkelijke inzage in vertrouwelijke informatie heeft plaatsgevonden.
Het Openbaar Ministerie, de betrokken gedetineerde en diens advocaat zijn inmiddels geïnformeerd. Het onderzoek heeft in afstemming met hen plaatsgevonden. Bij het vermoeden van een datalek is vereist dat binnen 72 uur een melding hiervan wordt gedaan bij de Autoriteit Persoonsgegevens. DJI heeft dit gedaan. Door DJI wordt op basis van de onderzoeksresultaten bekeken of hier nog verdere actie op moet volgen.
Acht u het verantwoord dat gedetineerden met een zware risicostatus zonder toezicht toegang hebben tot apparatuur waarmee dergelijke fouten kennelijk kunnen ontstaan? Zo ja, waarom?
De laptops die aan gedetineerden worden uitgereikt betreffen stand alone laptops die uitsluitend over functionaliteiten beschikken om het strafdossier te raadplegen.
Op basis van een uitspraak van RSJ2 moeten OM en DJI bij omvangrijke dossiers digitale inzage faciliteren. Bovendien is het uitsluitend op papier verstrekken van het strafdossier bij omvangrijke dossiers niet uitvoerbaar vanwege de beheersingsproblematiek die daarbij komt kijken. Niet enkel op het gebied van logistiek (het veilig transporteren van dossier van OM naar gedetineerde, bij overplaatsingen en bij beëindiging van inzage) maar ook op het gebied van informatieveiligheid en fysieke veiligheid (denk aan brandlast op cel).
Bent u bereid te onderzoeken of dossierinzage voor hoogrisicogedetineerden voortaan uitsluitend onder toezicht en op papier dient plaats te vinden, zodat deze gedetineerden in zijn geheel geen toegang meer hebben tot laptops, waar wij al eerder voor hebben gepleit, en dit soort datalekken daardoor onmogelijk wordt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Welke disciplinaire, organisatorische of personele consequenties worden verbonden aan het niet naleven van de veiligheidsprocedures die tot dit incident hebben geleid? Gaat de toedracht van dit incident worden onderzocht op mogelijk opzettelijk handelen?
Ik ga niet in op individuele personele en disciplinaire kwesties.
Kunt u garanderen dat zich binnen de EBI momenteel geen vergelijkbare beveiligingslekken voordoen waardoor gedetineerden toegang kunnen krijgen tot informatie die niet voor hen bestemd is? Zo nee, waarom niet?
DJI zet zich onvermoeibaar in voor een veilige omgeving, zowel fysiek als digitaal. De extra maatregelen die worden genomen naar aanleiding van het onderzoek zullen hieraan bijdragen.
Kunt u toelichten waarom de voor DigiD benodigde digitale infrastructuur en diensten niet rijksbreed zijn georganiseerd, maar via afzonderlijke aanbestedingen en contracten worden ingekocht? Welke afwegingen liggen hieraan ten grondslag?
De genoemde voorzieningen zijn rijksbreed georganiseerd. Logius is rijksbreed verantwoordelijk voor het beheer en de doorontwikkeling van voorzieningen als DigiD. De verschillende leveranciers die hierbij zijn betrokken zijn geselecteerd via verschillende Europese aanbestedingen. Logius maakt hierbij gebruik van geldende regels rondom aanbestedingen en van rijksbrede kaders ten aanzien van digitalisering, zoals bijvoorbeeld het Rijkscloudbeleid.
Bij het vormgeven van deze aanbestedingen stond de ondersteuning van de continuïteit van de dienstverlening, digitale weerbaarheid en efficiënt gebruik van IT-diensten centraal.
De voorkeur is om op langere termijn gebruik te maken van de soevereine overheidscloud voor de levering van het platform, infrastructuur en datacenters. Hiervoor is het van essentieel belang dat de overheidscloud klaar is om de continuïteit en veiligheid van Logius dienstverlening te waarborgen.
Wanneer gaat het kabinet kritieke digitale overheidsvoorzieningen, zoals DigiD, MijnOverheid, Digipoort en vergelijkbare voorzieningen, wél rijksbreed organiseren of ten minste rijksbreed normeren?
De genoemde voorzieningen zijn rijksbreed georganiseerd. Logius voert het beheer uit van deze overheidsvoorzieningen ten behoeve van andere overheidsdienstverleners. De normering voor risicomanagement en cybersecurity volgt uit de Cyberbeveiligingswet (Cbw).
Hoe en wanneer geeft het kabinet uitvoering aan de aangenomen motie-Van den Berg c.s. over een rijksbreed dataclassificatie- en datalocatiebeleid (Kamerstuk 26 643, nr. 1482)?
De motie verzoekt het opstellen en uitrollen van een rijksbreed dataclassificatie- en datalocatiebeleid. Een rijksbreed dataclassificatiebeleid is reeds vastgesteld in het VIR-BI 2025. Daarbij geldt dat voor de zwaarste categorieën (Staatsgeheim, of Te Beschermen Belangen 1–3) het gebruik van publieke cloud niet toegestaan is. Wanneer voor de opslag en verwerking van dergelijk gerubriceerde data een externe leverancier wordt overwogen, moet deze leverancier voldoen aan de eisen van de Algemene Beveiligingseisen voor Rijksoverheidsopdrachten (ABRO). De ABRO stelt onder andere eisen aan sleutelbeheer voor encryptie. Controle of de leverancier hieraan voldoet, bij zowel aanvang als tijdens de looptijd van de overeenkomst wordt gecontroleerd door het Nationaal Bureau Industrie Veiligheid (NBIV). De ABRO is in december 2025 goedgekeurd, organisaties krijgen twee jaar de tijd om de ABRO in te voeren, daarom verschilt de ingangsdatum per organisatie. Andere overheidsonderdelen en leveranciers die onder de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten vallen, kunnen in de toekomst verplicht worden de ABRO te gebruiken.
Daarnaast stelt het huidige rijksbreed cloudbeleid dat de data bij gebruik van publieke clouddiensten moet worden verwerkt binnen de landen van de Europese Economische Ruimte (EER), in landen waarvoor de Europese Commissie een adequaatheidsbesluit heeft genomen, of in landen die anderszins voldoen aan de eisen van art. 46, AVG. De uit te voeren risicoanalyse, onderdeel van het beleid, geeft de organisatie ook inzichten in de vraag of het land van de cloudprovider via extraterritoriale wetgeving toegang kan krijgen tot de data. Daarnaast moeten er plannen ter schadebeperking worden overwogen. Dit is een vorm van het door u voorgestelde te implementeren localisatiebeleid.
Later dit jaar wordt het herziene rijksbrede cloudbeleid met uw Kamer gedeeld. De werking van het cloudbeleid wordt verbreed van de rijksdienst naar de Rijksoverheid. Ook is er in dit beleid meer aandacht voor geopolitieke risico’s in situaties waarin een leverancier (mede) onder een niet-Europese jurisdictie valt. Voor bepaalde toepassingen wordt het gebruik van dergelijke leveranciers of van de publieke cloud niet langer toegestaan. Op deze manier zijn wij voornemens om de motie uit te voeren.
Welke concrete stappen zijn sinds aanneming van deze motie gezet, welke bewindspersoon is eerstverantwoordelijk en wanneer ontvangt de Kamer een voortgangsrapportage?
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 3 ontvangt de Kamer dit jaar het herziene rijksbrede cloudbeleid 2026. Daarnaast stelt de Rijksoverheid voor gevoelige overheidsdata en processen beveiligingseisen verplicht op basis van de BIO2 via de Cyberbeveiligingswet (Cbw). Verder wordt het belang van «veilig inkopen» en de risico’s van mogelijke buitenlandse inmenging in toenemende mate erkend. De ABRO stelt eisen aan de veiligheid bij de leverancier. Waar uit de risicoanalyses blijkt dat het risico van statelijke actoren reëel is, bieden de BIO2, de Aanbestedingswet op defensie- en veiligheidsgebied (ADV) en ABRO (de laatste twee in het kader van inkoop), middelen om de risico’s goed te beheren. Op basis van deze beleidskaders en wettelijke verplichtingen worden overheidsorganisaties geholpen bij het maximaal beschermen van data en beveiligingsmaatregelen. Aan de hand van deze kaders, zoals het uitvoeren van een risicoanalyse, kunnen organisaties zelf vaststellen hoe en waar zij data veilig kunnen opslaan en bewerken.
Daarnaast wordt op dit moment, in het kader van de Nederlandse Digitaliseringsstrategie, gewerkt aan de verkenning naar de realisatie van een soevereine overheidscloud. Dit zal hand in hand gaan met de verdere ontwikkeling van het daarmee samenhangende beleid.
De Rijksoverheid versterkt continu haar integrale weerbaarheid. Binnen dit verband, zoals toegelicht in deze brief, zijn de afgelopen jaren verschillende beveiligingskaders, -normen en wetten aangepast zoals VIR-BI2025, BIO2, de ABRO. Ook bereiden we ons voor op aankomende wetgeving zoals de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (Wwke) en de Cbw. De effectieve toepassing van deze wetten verhoogt de basisbeveiliging, zoals ook het beheer en opslag van data van overheidsorganisaties. Gezien het feit dat een deel van deze regelgeving pas recent is ingegaan of op korte termijn ingaat, en gelet op de nadere verwachte EU wet- en regelgeving op dit gebied, kies ik er vooralsnog voor nu geen aanvullend beleid te maken, maar eerst te bezien of de nieuwe wet- en regelgeving ook de beoogde verbetering van weerbaarheid bereikt.
Welke voorzieningen kwalificeert het kabinet, naast DigiD, als kritieke digitale overheidsinfrastructuur?
Op dit moment ligt dat besloten in de «Aanpak Vitaal». Deze wordt later dit jaar vervangen door de Wet weerbaarheid Kritieke Entiteiten (Wwke). De betrokken vakministers bepalen welke overheidsvoorzieningen onder deze wet zullen vallen.
Bestaat er inmiddels een rijksbreed overzicht van kritieke digitale overheidsvoorzieningen en de daarbij betrokken niet-Nederlandse of niet-Europese leveranciers? Zo nee, waarom niet?
Er bestaat geen rijksbreed overzicht van kritieke digitale overheidsvoorzieningen.
Het Besluit beveiliging netwerk- en informatiesystemen (Bbni) stelt eisen aan aanbieders ten aanzien van de beveiliging van ICT-systemen. De later dit jaar van kracht wordende Cyberbeveiligingswet stelt eisen aan risico- en ketenmanagement. Daarmee zullen overheidsorganisaties die kritieke digitale overheidsvoorzieningen beheren, inzage moeten hebben in welke niet-Nederlandse of niet-Europese leveranciers in de keten een rol spelen. De mogelijke risico’s daarvan moeten worden beoordeeld en worden gemitigeerd of geaccepteerd.
Er bestaat geen centraal register van dergelijke leveranciers per kritieke overheidsvoorziening. Als reactie op het onderzoek «Van Kwetsbaar naar weerbaar», dat is uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, wordt door de Taskforce Continuïteit ICT Dienstverlening een pilot uitgevoerd voor het monitoren van belangrijke leveranciers voor de overheid.
Wanneer komt er een dergelijk overzicht, inclusief inzicht in cloud, hosting, beheer, datatoegang, encryptiesleutels, operationele zeggenschap, onderaannemers, ketenafhankelijkheden en exittermijnen?
Een dergelijk overzicht is er niet. Het is in het kader van veiligheid ook niet wenselijk dat er een dergelijk overzicht komt. Dergelijke data op één plaats vastleggen zou namelijk een operationeel veiligheidsrisico vormen.
Wat is het doel van het kabinet ten aanzien van de toekomstige inrichting van DigiD? Is het streven gericht op andere technologie, een andere leverancier, Europese of Nederlandse zeggenschap, publiek beheer of een combinatie daarvan?
Het streven is met name gericht op het vormgeven van het nieuwe aanbestedingstraject op basis van de aanbestedingswet Defensie en Veiligheid (ADV), zoals vermeld in de Kamerbrief van 4 juni jl.1 Deze aanbesteding ziet op het opnieuw aanbesteden van het beheer van het huidige platform. De ADV biedt meer mogelijkheden dan een reguliere Europese aanbesteding om risico’s voor de nationale veiligheid te beperken. Zodra een nieuwe leverancier is geworven, zal er een overdracht moeten plaatsvinden. Omdat het maatwerk betreft, is kennis van en ervaring met het platform noodzakelijk om de Logius-voorzieningen goed te laten draaien. Hiervoor wordt een periode van 6–12 maanden gehanteerd.
De voorkeur is om op langere termijn gebruik te maken van de soevereine overheidscloud voor de levering van het platform, infrastructuur en datacenters.
Welke rol speelt digitale soevereiniteit precies bij de toekomstige inrichting van DigiD? Welke concrete risico’s worden hiermee beoogd te verminderen?
Zoals hiervoor aangegeven biedt een ADV-aanbesteding meer mogelijkheden dan een reguliere Europese Aanbesteding om risico’s voor de nationale veiligheid te beperken. Op dit moment treft Logius de voorbereidingen voor het uitvoeren van de aanbesteding.
Hoe verhoudt het Nederlandse beleid zich tot landen die eveneens streven naar digitale autonomie, maar daarbij gebruikmaken van technologie van niet-Europese aanbieders?
Er is geen overzicht van keuzes die andere Europese landen maken voor het inrichten van hun digitale infrastructuur. In de «Verkenning naar de soevereine overheidscloud» in het kader van de NDS wordt een eerste set keuzes voor de vormgeving van een soevereine overheidscloud gepubliceerd. Deze wordt naar verwachting vóór het zomerreces nog aan uw Kamer verstuurd.
De Europese Commissie heeft recent het voorstel voor de Cloud and AI Development Act (CADA) gepubliceerd. Deze verwoordt de ambitie van de Commissie om te komen tot sterkere en uniforme eisen aan de soevereiniteit van door overheden gebruikte cloudoplossingen. Het Nederlandse beleid zal in de toekomst hier verder op afgestemd worden. De verwachting is dat overheden in lidstaten als gevolg van de CADA op een uniforme manier risicobeoordelingen maken voor het gebruik van public clouddiensten en gebruik zullen maken van passende, erkende soevereine clouddiensten. Een BNC-fiche over het wetsvoorstel voor de CADA wordt op korte termijn met de Tweede Kamer gedeeld.
In de kabinetsreactie van 23 mei 2025 op de motie-Koekkoek (Kamerstuk 26 643, nr. 1338) werd gesteld dat er kwalitatief hoogwaardige Europese clouddiensten beschikbaar zijn. Op welke concrete marktverkenning, technische toets of aanbestedingservaring was die conclusie gebaseerd? Zag die conclusie bovendien op generieke clouddiensten, of ook op kritieke digitale identiteitsinfrastructuur zoals DigiD, MijnOverheid en Digipoort?
In de genoemde Kamerbrief2 wordt gesteld dat deze conclusie gebaseerd is op een quickscan onderzoek naar de verschillen in technische, juridische en organisatorische aspecten van het dienstenaanbod van Nederlandse en Europese aanbieders van clouddiensten ten opzichte van de drie grootste aanbieders van buiten de EU. Dit onderzoek is in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat uitgevoerd door KPMG.3 Dit onderzoek zag op de gehele markt voor clouddiensten en had geen specifieke focus op kritieke digitale identiteitsinfrastructuur.
Welke concrete stappen zijn tussen 23 mei 2025 en 2 juni 2026 gezet om Nederlandse of Europese alternatieven daadwerkelijk geschikt te maken voor het beheer van DigiD of vergelijkbare kritieke voorzieningen?
De ADV-aanbesteding biedt meer mogelijkheden dan een reguliere Europese aanbesteding om risico’s voor nationale veiligheid te beperken. In de aanbestedingsfase worden de (beveiligings)technische en operationele eisen gesteld waaraan een leverancier moet voldoen om in aanmerking te komen. Deze eisen zijn specifiek toegesneden op het beheer van kritieke digitale infrastructuur op nationale schaal. Op dit moment treft Logius de voorbereidingen voor het uitvoeren van de aanbesteding onder de ADV.
In eerdere beantwoording heeft u gesteld dat sprake is van gelijkwaardige technologieën van Europese en Nederlandse aanbieders. Wat verstaat het kabinet precies onder een «gelijkwaardig alternatief» voor de huidige DigiD-dienstverlening?
Onder een gelijkwaardig alternatief verstaat het kabinet andere Nederlandse en Europese IT-dienstverleners die in staat zijn om diensten te leveren die functioneel, kwalitatief en beveiligingstechnisch vergelijkbaar zijn met de dienstverlening die Solvinity momenteel aan Logius levert, namelijk de beheerwerkzaamheden van het PICARD-platform. Het gaat daarbij om aanbieders die aantoonbaar kunnen voldoen aan de eisen voor continuïteit, beveiliging, compliance en schaalbaarheid van de DigiD-dienstverlening.
Welke criteria worden gehanteerd om vast te stellen of een alternatief gelijkwaardig is? Wordt daarbij gekeken naar functionaliteit, schaalbaarheid, beveiliging, beschikbaarheid, betrouwbaarheid, certificeringen, prestaties, migratierisico’s, operationele ervaring, continuïteit en bewezen beheer van kritieke digitale infrastructuur op nationale schaal?
Criteria worden verwoord en van weging voorzien gedurende het proces om te gaan aanbesteden, bij het uitvragen van een behoefte naar de algehele markt en conform processen die voortvloeien uit diverse kaders (financieel, juridisch, technisch, etc.). Een opdrachtgever is hiervoor verantwoordelijk en zal daarbij ondersteund worden door een multidisciplinair team. Het wisselt dus per opdrachtgever en per opdracht welke criteria gehanteerd worden (dan wel hoe zwaar die wegen). De hele gedachte van een aanbestedingsproces is om de pluraliteit van de markt te benutten en een te grote afhankelijkheid te vermijden.
Deelt u de opvatting dat DigiD vanwege zijn unieke en kritieke rol moeilijk één-op-één vergelijkbaar is met generieke cloud-, hosting- of authenticatiediensten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u toelichten hoe deze unieke rol van DigiD zich verhoudt tot de conclusie van de ACM dat er voldoende concurrentie overblijft omdat er andere IT-dienstverleners zijn die soortgelijke diensten leveren?
Zoals in het antwoord op vraag 8 aangegeven betreft de technische inrichting van DigiD maatwerk. Omdat het maatwerk betreft, is kennis van en ervaring met het platform noodzakelijk om de Logius-voorzieningen goed te laten draaien. In de overdrachtsperiode van 6–12 maanden kan een nieuwe contractant deze ervaring opbouwen.
Wat verstaat het kabinet in dit verband onder «soortgelijke diensten»? Gaat het daarbij om algemene IT-dienstverlening, of specifiek om bewezen beheer van kritieke digitale identiteitsinfrastructuur op nationale schaal?
In het geval van DigiD en andere Logius-voorzieningen verstaat het kabinet onder «soortgelijke» diensten het overnemen van de beheerwerkzaamheden van het PICARD-platform. In de aanbestedingsfase worden de (beveiligings)technische en operationele eisen gesteld waaraan een leverancier moet voldoen om in aanmerking te komen. Deze eisen zijn specifiek toegesneden op het beheer van kritieke digitale infrastructuur op nationale schaal.
Welke minimale eisen gelden voor cloud, hosting, beheer, encryptiesleutels, toegangsbeheer, logging, monitoring, incidentrespons, onderaannemers en operationele zeggenschap bij DigiD?
DigiD voldoet aan strenge eisen en regelgeving rondom veiligheid en privacy. Daarvoor worden verschillende vormen van toegangsbeveiliging en versleuteling toegepast.
Alle informatie over de werking van DigiD is terug te vinden op de website van Logius. Op de website is alle documentatie terug te vinden ten aanzien van het aansluiten op DigiD door afnemers, de functionele beschrijvingen van DigiD (inclusief verwerking persoonsgegevens), en de technische documentatie over de werking van DigiD.
U kunt de informatie terugvinden via de volgende link: https://www.logius.nl/onze-dienstverlening/toegang/digid/documentatie
Hoe wordt geborgd dat encryptiesleutels, beheerrechten en operationele toegang tot DigiD niet onder zeggenschap vallen van niet-Europese moederbedrijven of buitenlandse wettelijke bevoegdheden?
Op 21 mei jl. bent u middels een vertrouwelijke technische briefing geïnformeerd over de situatie bij Logius. Daarnaast biedt een aanbesteding via de ADV mogelijkheden om risico’s voor de nationale veiligheid te beperken.
Heeft iedere kritieke digitale overheidsvoorziening een actueel exitplan? Zo ja, hoe vaak worden deze exitplannen getest?
Het, nog vast te stellen, herziene rijksbrede cloudbeleid scherpt de eis van een exitstrategie aan naar het hebben van een exitplan. Dat exitplan moet jaarlijks op actualiteit worden beoordeeld. Exitplannen zijn contractuele afspraken over de (geplande of plotselinge) afronding van een contract. Het is wel van belang dat hierin realistische afspraken worden opgenomen afhankelijk van de situatie en context van de specifieke voorziening.
De aanstaande Wet weerbaarheid kritieke entiteiten stelt eisen aan de weerbaarheid en continuïteit van de dienstverlening voor organisaties die daaronder vallen. Dit geldt eveneens als er geen gebruik van clouddiensten wordt gemaakt.
Welke kritieke digitale voorzieningen hebben een verwachte migratietermijn van meer dan zes maanden, en welke continuïteitsrisico’s levert dat op?
Zie het antwoord op vraag 6. Daarnaast is – gezien de aanbestedingsverplichtingen waar overheidsorganisaties aan dienen te voldoen – zes maanden überhaupt een zeer korte termijn. Het herziene rijksbrede cloudbeleid geeft aan dat de Rijksoverheid organisaties beschikken over een exitplan waarin ook rekening wordt gehouden met het onverwacht niet-beschikbaar zijn van de gebruikte clouddienst. De organisatie moet een plan maken hoe de betrokken overheidsdienst binnen acceptabele termijn kan worden hersteld. De meeste migraties nemen meer tijd in beslag. Migratietermijnen kunnen vanuit technisch oogpunt jaren duren, afhankelijk van de type dienstverlening en kenmerken.
Welke onderdelen van de TFEV- of BTI-analyse rond Solvinity/Kyndryl kunnen openbaar met de Kamer worden gedeeld, en welke onderdelen kunnen vertrouwelijk worden verstrekt?
Wat betreft de analyse van het Bureau Toetsing Investeringen (BTI) maakt het kabinet de onderliggende adviezen, risicoanalyses en vertrouwelijke overwegingen die ten grondslag liggen aan een advies niet openbaar. Deze stukken bevatten vertrouwelijke bedrijfsinformatie en informatie die raakt aan de bescherming van de nationale veiligheid. Openbaarmaking zou afbreuk kunnen doen aan de belangen die de wet juist beoogt te beschermen. Wat betreft de bespreking in de Taskforce Economische Veiligheid (TFEV) geldt dat ook deze vertrouwelijk is en informatie bevat die raakt aan de bescherming van de nationale veiligheid. Het kabinet hecht tegelijkertijd aan een goede informatievoorziening van de Kamer. Daarom is de Kamer in de gelegenheid gesteld om in de vertrouwelijke technische briefing van 10 juni jl. te worden geïnformeerd over de analyse en toetsing onder de Wet ongewenste zeggenschap Telecommunicatie die door BTI is verricht en met advies aan de Staatssecretaris Digitale Economie en Soevereiniteit is voorgelegd.
Kunt u de vragen afzonderlijk en voor het commissiedebat inzake Bescherming persoonsgegevens en grote datalekken van 25 juni aanstaande beantwoorden?
Ja
Het bericht 'Baanbrekende en miljoenenbesparende zorginnovaties sneuvelen door starre regels rond financiering: 'Dit is niet uit te leggen'' |
|
René Claassen (PVV) |
|
Herbert , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Baanbrekende en miljoenenbesparende zorginnovaties sneuvelen door starre regels rond financiering»?1
Ja
Deelt u de constatering dat veel veelbelovende zorginnovaties niet verder komen dan de pilotfase en dat dit vooral te wijten is aan de complexe bekostiging? Zo nee, op basis van welke cijfers?
Het kabinet deelt niet dat de complexe bekostiging de voornaamste oorzaak is dat veelbelovende zorginnovaties niet verder komen dan de experimenteerfase. Het kan een reden zijn, maar vaak is het een combinatie van factoren die ervoor zorgt dat de zorginnovaties niet altijd snel en geïmplementeerd en opgeschaald worden. Hierbij kan het dan gaan om financiële prikkels in bredere zin (loont de inzet van de zorginnovatie voldoende voor de zorgaanbieder) of bijvoorbeeld de (soms beperkte) ruimte die de aanspraken in de wetten (Zvw en Wlz) bieden.
Verder is het van belang dat de innovatie, naast dat die veelbelovend is, tot positieve impact leidt in termen van passende zorg, toegankelijkheid, kwaliteit, betaalbaarheid en zelfredzaamheid bij toenemende zorgvraag en schaarste aan professionals. De beoordeling of een innovatie leidt tot genoeg positieve impact op deze aspecten, wordt gemaakt door de verschillende partijen binnen het zorgveld. Er wordt daarbij een bredere afweging gemaakt op de hiervoor genoemde aspecten. Daarbij zijn doelmatige inzet en schaalbaarheid ook aandachtspunten.
Tegelijk ligt de uiteindelijke keuze om een veelbelovende zorginnovatie individueel of gezamenlijk te implementeren en op te schalen primair bij zorgaanbieders die daarvoor eigen afwegingen en een eigen business case hebben.
In de zorgakkoorden (IZA, AZWA, HLO) en het Missiegedreven Innovatiebeleid hebben partijen (waaronder VWS) afspraken gemaakt met het doel om implementatie en opschaling van veelbelovende zorginnovaties te faciliteren en te stimuleren. Daarbij gaat het ook om afspraken op het gebied van financiering, bekostiging en contractering.
Hoeveel zorginnovaties die in een pilot- of proeftuinfase aantoonbaar kosteneffectief zijn gebleken, zijn de afgelopen vijf jaar daadwerkelijk opgeschaald naar reguliere, structureel bekostigde zorg? Kunt u dit per jaar uitsplitsen?
Deze vraag kan het kabinet helaas niet beantwoorden. Dit overzicht is er niet, onder andere omdat de afweging of een zorginnovatie kosteneffectief is en vervolgens wordt opgeschaald, vooral aan zorgaanbieders is in samenspraak met zorg inkopende partijen en leveranciers van innovatieve oplossingen.
Of een innovatieve oplossing kosteneffectief kan worden ingezet hangt ook sterk af van de manier waarop zorgaanbieders processen (her)inrichten. Dus ook daarover is hooguit op macro-niveau iets te zeggen.
Wel biedt het kabinet ondersteuning aan zorginnovatoren om veelbelovende innovaties die bijdragen aan passende zorg, inclusief ondersteuning van gezondheid en welzijn, op te schalen en onderdeel te maken van reguliere passende zorg via onder andere Zorg voor innoveren, en instrumenten zoals de financiële wegwijzer voor ondernemers. En daarnaast via diverse andere instrumenten vanuit de akkoorden (IZA, AZWA, HLO), het missiegedreven innovatiebeleid en samen met andere departementen zoals EZK.
Bovendien zijn er via de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) mogelijkheden om te experimenteren met een andere vorm van bekostiging (onder de Beleidsregel innovatie). Ook is de Wegwijzer bekostiging digitale zorg 2026 raadpleegbaar2.
Bent u bereid de Kamer per brief een overzicht te sturen van de gemiddelde kosten die medtech-bedrijven maken van concept tot markttoelating en vergoeding (R&D, klinische validatie, CE-markering/MDR, markttoegang), en die kosten zowel economisch als gezondheidseconomisch te duiden?
Er is geen eenduidig antwoord te geven over de gemiddelde investering van medtech bedrijven. De markt voor medische technologie zeer heterogeen. Medische hulpmiddelen lopen uiteen van relatief simpel tot uiterst complexe scanapparatuur met bijbehorende software. De kosten voor certificering zijn daardoor variabel per medisch hulpmiddel en hangen ook voor een groot deel af van de fabrikant en haar voorbereiding. Branchevereniging Medtech Europe3 stelde in 2024, op basis van een onderzoek onder eigen leden, dat ~74% van de totale kosten opgaat aan personeel, ~6% aan de kosten van een aangemelde instantie, ~10% aan jaarlijkse onderhoudskosten en ~10% aan hercertificering na vijf jaar. Er bestaan geen objectieve cijfers over de ontwikkelkosten van veelbelovende medische technologie.
Het kabinet wil benadrukken dat markttoelating en vergoeding verschillende processen zijn en dat de bedragen waar u naar vraagt in de regel bedrijfsvertrouwelijk zijn en daardoor niet openbaar beschikbaar.
Bent u bereid in diezelfde brief dezelfde uitsplitsing op te nemen voor biotech-bedrijven, met onderscheid tussen diagnostiek en farmaceutische ontwikkeling, en die ook economisch en gezondheidseconomisch te duiden?
Hier gelden redelijke vergelijkbare problemen als geschetst in het antwoord op vraag 4. Mijn ambtsvoorganger heeft wel getracht om dit waar mogelijk inzichtelijk te maken voor de ontwikkeling van nieuwe geneesmiddelen, het kabinet verwijst dan ook naar het rapport dat destijds met de Kamer is gedeeld4.
Beschikt u (of het Zorginstituut, de NZa en Invest-NL) überhaupt over een integraal beeld van deze kosten per subsector? Zo nee, hoe kan het kabinet dan gericht innovatie- en bekostigingsbeleid voeren?
Het kabinet heeft geen integraal beeld van deze kosten per subsector, voornamelijk door de genoemde belemmeringen in het antwoord op vraag 4 en 5. Wel onderhoud het structureel contact met bedrijven, kennisinstellingen, Publiek-Private Samenwerkingen, maatschappelijke organisaties en meer, binnen bijvoorbeeld de Kabinetsvisie Biotechnologie, de Medtech-Visie en het Missiegedreven Innovatiebeleid, om een integraal beeld van het innovatie- en industrie-ecosysteem te ontwikkelen.
Welk deel van deze kosten komt voort uit regeldruk en bekostigingseisen die de overheid zelf oplegt (MDR/IVDR, pakketbeoordeling, schotten in de bekostiging), en welke maatregelen neemt u om juist dat deel te verlagen?
Ook hiervoor ontbreekt de benodigde openbare informatie. Overigens heeft de wetgeving waar u naar refereert als regeldruk het doel om enkel veilige en effectieve medische hulpmiddelen op de markt toe te laten. Hoewel het kabinet altijd kijkt of processen beter kunnen worden ingericht gaat het kabinet niet mee in de aanname dat regeldruk altijd slecht is, bijvoorbeeld wanneer deze ten goede komt aan de veiligheid van de patiënt. Het kabinet zet in op verlaging van de regeldruk, mét behoud van patiëntveiligheid, zoals bij de Europese onderhandelingen rondom de vereenvoudiging van de MDR en IVDR.
Welk percentage van de medtech- en biotech-startups dat seed funding ontvangt, haalt een vervolgronde (Serie A en verder) en bereikt de markt? Kunt u dit uitsplitsen naar (a) medtech, (b) biotech-diagnostiek en (c) biotech-farma?
Deze informatie is niet beschikbaar en is ook niet gemakkelijk te verkrijgen. Zo is op basis van de beschikbare ROM-data (regionale ontwikkel maatschappij) het niet mogelijk om specifieke percentages te geven voor het aandeel bedrijven dat een vervolgronde realiseert of de markt bereikt.
Dit hangt samen met twee belangrijke beperkingen. Ten eerste is er geen eenduidige definitie van wat als een vervolgronde (zoals Serie A) wordt beschouwd in beschikbare databronnen. Ten tweede is de beschikbare dataset beperkt in tijd (vanaf 2021), waardoor eerdere financieringsrondes niet altijd zichtbaar zijn en conversieratio’s vertekend raken.
Er bestaan indicatieve inschattingen uit de praktijk, waarbij wordt aangenomen dat een deel van de bedrijven een vervolgronde bereikt, terwijl het percentage dat daadwerkelijk de markt bereikt veel lager ligt. Dit geldt met name voor bedrijven in de sector biotech-farma. Deze inschattingen zijn echter niet gebaseerd op robuuste data en moeten daarom met voorzichtigheid worden gebruikt.
Het kabinet heeft geen reden om aan te nemen dat dit voor data verkregen van buiten de ROM-database anders is.
Kunt u deze slagingskansen ook uitsplitsen per regio of life-sciences-cluster (onder meer Leiden, Oss/Brabant, Eindhoven, Nijmegen, Groningen, Amsterdam, Utrecht en Limburg)? Welke regio’s blijven achter, en waarom?
Het is niet mogelijk om specifieke uitspraken te doen over verschillen in slagingskansen per regio, vanwege beperkingen in de dataset en het ontbreken van consistente definities.
Wel kan kwalitatief worden aangegeven dat de ontwikkeling en eventuele verplaatsing van medtech- en biotechbedrijven in sterke mate samenhangt met de beschikbaarheid van kennisinstellingen, onderzoeksfaciliteiten, patiëntenpopulaties en sterke ecosystemen. Ondernemingen starten vaak in de nabijheid van universiteiten en kunnen zich in latere fases verplaatsen naar locaties waar betere faciliteiten of samenwerkingen beschikbaar zijn.
Klopt het dat de meeste Nederlandse zorginnovaties sneuvelen in de fase na seed funding, de zogenoemde «valley of death»? Welk maatschappelijk en economisch rendement gaat hierdoor naar uw schatting jaarlijks verloren?
Het kabinet heeft geen data beschikbaar die kan bevestigen dat de meeste Nederlandse zorginnovatie sneuvelen in de fase na seed funding. Wel is inderdaad bekend dat er één of meer «valleys of death» worden ervaren om zorginnovaties naar de markt te brengen, te implementeren en op te schalen. Het Ministerie van EZK is, o.a. in samenwerking met Invest-NL en de Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen actief bezig met het ontwikkelen van een duurzame financieringsketen. Essentieel hierin is het «uitlokken» van privaat kapitaal, waarmee we ook onze doelstelling van de 3% procent van ons BBP aan onderzoek en innovatie uitgeven, kunnen behalen. Tegelijk ligt de keuze om zorginnovaties te implementeren en op te schalen primair bij zorgaanbieders, die als private partijen in het zorgstelsel zelf die afweging maken, waarbij overheid en zorginkopende partijen zoals zorgverzekeraars via regelgevende kaders en afspraken via contractering kunnen faciliteren en (waar wenselijk) stimuleren.
Hoeveel van de bedrijven die via het Nationaal Groeifonds zijn ondersteund (volgens recente analyses circa 1,3 miljard euro voor life sciences, waaronder 246 miljoen euro via het programma Biotech Booster) zijn inmiddels doorgegroeid naar de opschalings- of marktfase, en hoe verhoudt zich dat tot de gestelde doelen?2
Het Nationaal Groeifonds ondersteunt zeven life sciences & health projecten met een totaalbedrag van 1.032 miljoen euro. Het betreft de projecten Biotech Booster (identificeren, begeleiden en financieren van kansrijke vroegefase ideeën en deze naar de markt brengen, 246 miljoen euro), Health-RI (gericht op het bundelen van gezondheidsdata ten behoeve van onderzoek, 69 miljoen euro), Ombion (vertaling van biomedische kennis naar toepassingen zoals geneesmiddelen en medische technologie, zonder dierproeven, 125 miljoen euro) Oncode Accelerator (innovatieve modellen en methoden voor kankeronderzoek, 325 miljoen euro), PharmaNL (medicijnontwikkeling, 79 miljoen euro), RegMed XB (onderzoek, klinische toepassing en productie van regeneratieve behandelmethoden, 56 miljoen euro) en DUTCH (ontwikkelen fysieke en digitale simulatiemodules voor medische opleidingen, 132 miljoen euro). De programma’s worden op deze doelstelling strak gemonitord. De programma’s laten al resultaten zien, maar specifieke gegevens over opschaling van individuele bedrijven worden niet bijgehouden. Wel wordt er gekeken naar andere relevante indicatoren, zoals het aantal verkregen octrooien en spin-off en spin-out bedrijven. Het succes van de verschillende groeifondsprojecten kan na afloop beter geanalyseerd worden.
Hoe verhouden de slagingskansen, doorlooptijden en kosten om zorginnovaties naar de markt te brengen zich tot die in België en Duitsland? Kunt u dit kwantitatief onderbouwen?
Het kabinet beschikt niet over de informatie om deze vergelijking te kunnen maken. Het kan wel opmerken dat veel bedrijven en investeerders in deze sector internationaal opereren. Een innovatief bedrijf kan samenwerken met kennisinstellingen of bedrijven over de grens heen. Ook kent een investeringsronde in de regel meerdere investeerders die ook niet allemaal uit hetzelfde land hoeven te komen.
Op welke punten presteren België (onder meer Vlaanderen) en Duitsland aantoonbaar beter in het opschalen en vergoeden van bewezen zorginnovaties, en welke concrete lessen trekt u daaruit?
Elk land heeft zijn eigen sterke kanten rondom zorginnovaties, maar kent ook punten die verbeterd kunnen worden. Dit geldt ook voor Nederland. Hierbij moet ook het zorgstelsel per land worden meegewogen, deze verschillen dusdanig dat beleid niet direct verplaatsbaar is. Tegelijk is het altijd zinnig om te kijken naar de best-practices van landen om ons heen. Zo is Vlaanderen erg succesvol in het valoriseren van medische biotechnologie innovaties door het Vlaams Instituut Biotechnologie (VIB). Het organisatiemodel en de werkwijze van het VIB hebben als blauwdruk gediend voor Nederlandse initiatieven waaronder Biotech Booster.
Deelt u de zorg dat Nederlandse zorginnovatoren en investeringen weglekken naar het buitenland wanneer opschaling en vergoeding hier trager en duurder verlopen dan over de grens? Zo nee, waarom niet?
Bedrijven baseren hun strategie op een brede set indicatoren, in algemene zin noemen we dit het vestigingsklimaat. Het is evident dat het Kabinet zich inzet voor een sterk vestigingsklimaat in Nederland. Dit is ook een opgave die nadrukkelijk is benoemd in het coalitieakkoord. Het kabinet voert voortdurend gesprekken met bedrijven om te luisteren naar hun zorgen en om te kijken hoe we Nederland samen aantrekkelijk kunnen houden voor onderzoek en innovatie. Het is belangrijk om hierbij oog te houden voor het totaalplaatje en niet de focus te leggen op één of twee factoren die wellicht een rol spelen.
Bent u of is uw ministerie de afgelopen kabinetsperiode met uw Belgische en Duitse ambtsgenoten in gesprek geweest over grensregionale samenwerking bij de financiering, validatie en opschaling van zorginnovaties? Zo ja, met welk resultaat? Zo nee, waarom niet?
De Minister van EZK is recent in gesprek geweest met haar Duitse ambtsgenoot Minister Reiche van Economie en Energie. Het onderwerp grensregionale samenwerking bij de financiering, validatie en opschaling van zorginnovaties is te specifiek om in de kennismaking aan te doen. Wel ging het over generiekere onderwerpen als concurrentievermogen, energie- en industriebeleid.
Ook de Minister van VWS heeft contact gehad met haar (toenmalig) ambtsgenoot Minister Warken van Volksgezondheid. Daarbij is eveneens op een globaler niveau over uitdagingen in de zorg en mogelijke innovatieve oplossingen is gesproken.
Daarnaast vindt er binnen de Interreg A programma’s ook regelmatig overleg plaats met Vlaamse, Waalse en Duitse ambtgenoten om grensoverschrijdende samenwerking en innovatie te versterken. Dit heeft geleid tot concrete projecten op het gebied van zorginnovatie, waaronder digitale zorgoplossingen, efficiëntere zorgprocessen en AI-gestuurde diagnostiek. Een voorbeeld is het CrossCare 2.0 project binnen het Interreg Vlaanderen-Nederland programma dat subsidie vouchers verstrekt aan bedrijven en zorgorganisaties om innovatieve ideeën verder te ontwikkelen6.
Een ander voorbeeld waarin een initiatief vanuit het Ministerie van EZK grensoverschrijdende zorginnovatie probeert te stimuleren is RegMed XB, dat staat voor Regenerative Medicine Crossing Borders.
Ziet u kansen om voor een grensregio als Limburg een gezamenlijke, grensoverschrijdende proeftuin voor zorginnovatie met gedeelde financiering op te zetten, samen met kennisinstellingen als Maastricht University, UHasselt en RWTH Aachen en de ROM LIOF (en de ROM-equivalenten België en Duitsland)? Zo nee, waarom niet?
Dit is aan de regio zelf om te verkennen. Op verschillende vlakken lopen hier al initiatieven, zoals gezamenlijke onderzoeksinstituten, data-uitwisseling, gedeelde kennisnetwerken, en samenwerking binnen EU-gefinancierde onderzoeksinitiatieven.
Bent u bereid de Interreg-structuren (Euregio Maas-Rijn en Vlaanderen–Nederland) gerichter in te zetten om financierings- en regelgevingsbarrières voor zorginnovaties in de grensregio weg te nemen?
Binnen de Interreg A programma’s ligt de nadruk op het wegnemen van financierings- en regelgevingsbarrières voor grensoverschrijdende innovaties. Door het beschikbaar stellen van Europese subsidie en Rijkscofinanciering wordt samenwerking, verduurzaming en innovatie in de zorg gestimuleerd, onder andere via harmonisatie van regelgeving, het op elkaar afstemmen van zorgsystemen, pilotprojecten en kennisuitwisseling tussen landen.
Bent u bereid gezamenlijk te komen tot een concreet plan van aanpak om de «valley of death» voor bewezen, kostenbesparende zorginnovaties te overbruggen, inclusief meetbare doelen en een tijdpad waarop de Kamer de voortgang kan toetsen?
Binnen de Ministeries van VWS en EZK is er al verschillend beleid ter ondersteuning van startups via bijvoorbeeld de seed capital regeling, de vroege fase financiering, en de thematisch technology transfer regeling. Daarnaast is er ook de publiek-private samenwerking innovatieregeling waarin startups met kennisinstellingen subsidie kunnen aanwenden.
Daarnaast wordt er in de Taskforce Toekomstig Verdienvermogen en Vestigingsklimaat (TTVW), onder voorzitterschap van de Minister van EZK, gekeken hoe we bedrijven, o.a. in de biotech en medtech, kunnen laten groeien.
Bent u bereid de in de vragen 4 en 5 genoemde Kamerbrief uiterlijk voor de aanstaande begrotingsbehandeling te sturen en daarin ook (a) de slagingskansen na seed funding per regio en (b) een vergelijking met België en Duitsland op te nemen?
In mijn antwoord op vraag 4 en 5 had ik al aangeven dat het helaas niet mogelijk is deze informatie te verschaffen in een Kamerbrief.
Kunt u inzichtelijk maken hoeveel medtech- en biotech-bedrijven zich de afgelopen vijf jaar uit kansarme of krimpregio's hebben teruggetrokken of zijn vertrokken naar de Randstad of het buitenland, welk verlies dat opleverde, en hoe de ROM-investeringen (e.g. LIOF, BOM, Oost NL, etc.) in zorginnovatie over de regio's zijn verdeeld?
Kunt u inzichtelijk maken hoeveel medtech- en biotech-bedrijven zich de afgelopen vijf jaar uit kansarme of krimpregio’s hebben teruggetrokken of zijn vertrokken naar de Randstad of het buitenland, welk verlies dat opleverde, en hoe de ROM-investeringen (e.g. LIOF, BOM, Oost NL, etc.) in zorginnovatie over de regio’s zijn verdeeld?
Vanuit de Ministeries van VWS en EZK hanteert het kabinet geen definities van kansarme of krimpregio's, zodat het eerste deel van uw vraag niet beantwoord kan worden. Daarnaast geldt ook dat het op basis van de beschikbare ROM-data niet mogelijk is om inzichtelijk te maken hoeveel bedrijven zich uit specifieke regio’s hebben teruggetrokken of zijn verplaatst. Voor een dergelijke analyse is longitudinale data nodig over vestigingslocaties, bijvoorbeeld uit bronnen zoals het CBS of de Kamer van Koophandel.
Wel kan kwalitatief worden aangegeven dat verplaatsingen binnen Nederland vaak samenhangen met de ontwikkelfase van bedrijven en de behoefte aan specifieke faciliteiten of ecosystemen. Dergelijke verplaatsingen leiden niet per definitie tot waardeverlies en kunnen ook bijdragen aan verdere groei van de onderneming. Vertrek naar het buitenland is in dat kader een belangrijker aandachtspunt.
Welke formele eisen aan eigen inbreng of cofinanciering stellen publieke fondsen en de ROM’s (waaronder LIOF en BOM) bij seedfinanciering aan startups, en zijn deze publiek kenbaar?
Er zijn doorgaan geen of beperkt formele eisen ten aan zien van eigen inbreng, in ieder geval t.a.v. de ROM's. In de praktijk zorgt eigen inbreng juist voor «skin-in-the-game» en is daarom belangrijk voor het succes van de onderneming.
Ten aanzien van cofinanciering met private financiers (derden) zijn wel formele eisen vastgelegd. De ROM’s opereren met inachtneming van Europese regelgeving inzake staatssteun en risicokapitaal, ongeacht of een ROM rechtstreeks of via een tussenfonds (bijvoorbeeld via een technofonds) in een onderneming participeert. Het publieke aandelenbelang (van ROM’s en eventuele andere publieke organisaties samen) vormt daarom altijd minder dan 50% van de totale participatie in een onderneming. De eisen aan cofinanciering verschillen per fonds en per fase van de onderneming. Voor vroegefasefinanciering (zoals VFF/EFRO) geldt doorgaans dat geen cofinanciering vereist is.
Voor seed- en vervolgfondsen geldt in de regel dat cofinanciering door private partijen wordt gevraagd. Deze ligt vaak in een bandbreedte van circa 30% tot 50% of hoger. In de praktijk wordt regelmatig een hoger aandeel private middelen gerealiseerd dan het minimum.
In specifieke fondsen worden concrete ondergrenzen gehanteerd (bijvoorbeeld meer dan 25% of meer dan 50%), terwijl in andere gevallen geen vast percentage is vastgelegd maar wel een duidelijke verwachting bestaat dat privaat kapitaal wordt aangetrokken. De voorwaarden zijn over het algemeen op hoofdlijnen publiek kenbaar, bijvoorbeeld via investeringsreglementen of fondswebsites.
In hoeverre hanteren individuele investment managers en investeringscommissies van deze fondsen daarbovenop informele, niet-gecodificeerde verwachtingen over eigen inbreng van oprichters (bijvoorbeeld een bedrag in de orde van 50.000 euro of een co-investeringseis), en in hoeveel gevallen is zo’n verwachting een drempel of afwijzingsgrond gebleken?
Private partijen bepalen in de basis de voorwaarden van de investering. Bij voorkeur wordt, gelijktijdig en onder vergelijkbare condities en voorwaarden, gezamenlijk geparticipeerd met private partijen waarbij de ROM’s een minderheidsbelang nemen. Dat marktpartijen de voorwaarden van een investering bepalen is vooral van belang voor vervolgrondes. Startups moeten toekomstige financiering ook privaat ophalen.
Afwijzingsgronden bij investeringen zijn vaak gerelateerd aan onvoldoende ervaring in een team, onvoldoende marktpotentieel of een onduidelijk ondernemersplan. Eigen inbreng van oprichters zal niet snel een afwijzingsgrond zijn voor een investeringscommissie. Het is wel gebruikelijk dat oprichters aandelen in het bedrijf nemen en hierdoor een stimulans hebben om het bedrijf te laten groeien. Dit refereert terug naar het eerdergenoemde «skin-in-the-game».
Kortom, er is doorgaans geen sprake van strikt genormeerde of gecodificeerde ondergrenzen. De beoordeling is maatwerk en afhankelijk van factoren zoals de fase van de onderneming, het team, de markt en de aanwezigheid van co-investeerders. Het ontbreken van eigen inbreng is in de regel geen formele afwijzingsgrond, maar kan in de praktijk wel zwaar meewegen in het investeringsbesluit.
Welk deel van de ontwikkelkosten van veelbelovende medtech- en diagnostiekstartups gaat op aan het voldoen aan de MDR en IVDR (klinische evaluatie, technische documentatie, beoordeling door een aangemelde instantie), en hoeveel startups komen hierdoor in financiële problemen of haken af?
Er is geen eenduidig antwoord te geven over de hoeveelheid startups dat onvoldoende voorbereid is op de kosten voor certificering onder de MDR of IVDR. Zoals eerder benoemd is de markt voor medische technologie zeer heterogeen. Medische hulpmiddelen lopen uiteen van relatief simpel tot uiterst complexe scanapparatuur met bijbehorende software. De kosten voor certificering zijn daardoor variabel per medisch hulpmiddel en hangen ook voor een groot deel af van de fabrikant en haar voorbereiding. Branchevereniging Medtech Europe7 stelde in 2024, op basis van een onderzoek onder eigen leden, dat ~74% van de totale kosten opgaat aan personeel, ~6% aan de kosten van een aangemelde instantie, ~10% aan jaarlijkse onderhoudskosten en ~10% aan hercertificering na vijf jaar. Er bestaan geen objectieve cijfers over de ontwikkelkosten van veelbelovende medische technologie.
In hoeverre hanteren publieke fondsen en ROM’s bij seedfinanciering voorwaarden die een redelijk ondernemerssalaris voor oprichters beperken of ontmoedigen, en hoeveel oprichters stoppen mede daardoor?
Dusdanige voorwaarden worden niet door de ROM’s gehanteerd. Uiteraard kan het in die fase zo zijn dat de ondernemers moeite hebben met het betalen van hun eigen management fee. Dit vloeit niet voort uit voorwaarden van de ROM’s die een onredelijk ondernemerssalaris voor oprichters zouden bepalen.
In hoeverre leiden de rendements- en revolverendheidseisen aan de ROM’s ertoe dat publiek kapitaal vooral naar veilige, latere-fase- en Randstad-investeringen vloeit, ten koste van vroege-fase-zorginnovatie in kansarme regio’s?
De ROM's zijn met hun investeringsbeleid gebonden aan hun eigen regio en kunnen daarom niet investeren in de Randstad, tenzij de ROM hier gevestigd is. De rendements- en revolverendheidseis heeft dus geen invloed op in welke regio investeringen landen.
Qua aantallen investeringen zijn de meeste investeringen van ROM’s buiten de Randstad. De meeste actieve ROM’s qua aantallen investeringen zijn de Brabantse Ontwikkelings Maatschappij (Noord-Brabant), OostNL (Gelderland en Overijssel), de Noordelijke Ontwikkelings Maatschappij (Friesland, Groningen en Drenthe) en InnovationQuarter (Zuid-Holland). De spreiding van ROM-investeringen is dus echt landsdekkend.
Bent u bereid, als kansarme regio’s structureel blijken achter te blijven, gezamenlijk geoormerkt extra kapitaal vrij te maken voor de ROM’s in die regio’s, gericht op behoud en opschaling van zorginnovatie?
Subsidieverlening op lokaal niveau is waarschijnlijk passender dan het oormerken van kapitaal. Voor private investeerders is de mogelijkheid tot opschaling namelijk essentieel bij investeringsbeslissingen. Het vrijmaken van extra kapitaal bij ROM’s zal het probleem niet oplossen dat private partijen niet willen investeren in lokale zorginnovaties. Hiervoor zijn meer structurele wijzigingen nodig in het zorgsysteem.
Bent u bereid de seedfinanciering voor zorgtechstartups (incl. biotech en medtech) te verhogen en de eis van een directe, substantiële eigen inbreng te schrappen of te versoepelen?
Het kabinet ziet op dit moment geen aanleiding om de Seedfinanciering voor zorgstartups (incl. Biotech en medtech) te verhogen zoals hier wordt gevraagd. Wel wordt er door de Ministeries van VWS en EZK gekeken hoe er meer financiering beschikbaar gesteld kan worden voor publiek-private samenwerkingen binnen en medtech-sector. Ook is biotechnologie aangeduid als één van de strategische markten waar het Ministerie van EZK op wil inzetten, al dan niet met additionele seedfinanciering.
Zoals eerder beschreven in het antwoord op vraag 22 is er doorgaans geen sprake van strikt genormeerde of gecodificeerde ondergrenzen voor een dergelijke eigen inbreng.
Bent u bereid een subsidieregeling in te richten die voor kansrijke medtech- en diagnostiekstartups een groot deel van de MDR- en IVDR-nalevingskosten vergoedt?
Nee, op dit moment ziet het kabinet geen aanleiding om een subsidieregeling in te richten die voor kansrijke medtech- en diagnostiekstartups een groot deel van de MDR- en IVDR-nalevingskosten vergoed. Wel wordt er door de Ministeries van VWS en EZK gekeken hoe er meer financiering beschikbaar gesteld kan worden voor publiek-private samenwerkingen binnen de medtech-sector.
Daarnaast zet het kabinet zich, tijdens de Europese onderhandelingen, in voor vereenvoudiging van de wetgeving voor medische technologie en het creëren van versnelde paden voor innovatie. Nationaal zet het kabinet ook in op het delen van heldere en toegankelijke informatie via bijvoorbeeld Zorg voor Innoveren.
Bent u bereid de ROM’s en publieke fondsen ertoe aan te zetten oprichters tijdens de seedfase een redelijk salaris toe te staan, in plaats van te verlangen dat zij zonder inkomen ondernemen?
Het kabinet vindt het belangrijk dat oprichters zich in de seedfase volledig kunnen richten op de ontwikkeling van hun onderneming. Daarbij past dat zij in redelijkheid kunnen voorzien in hun levensonderhoud.
Tegelijkertijd is dit maatwerk. ROM’s en publieke fondsen beoordelen per investering wat passend is, gelet op de fase van het bedrijf, het financieringsplan en de inzet van publieke middelen. Het kabinet zal in de reguliere gesprekken met ROM’s en publieke fondsen aandacht vragen voor een evenwichtige toepassing.
Bent u bereid de opdracht en rendementseisen van de ROM’s zo bij te stellen dat vroege-fase-zorginnovatie in kansarme regio’s wordt aangemoedigd, en de Kamer met meetbare doelen en periodieke rapportage te tonen of het extra kapitaal daadwerkelijk in die regio’s en die vroege fase terechtkomt?
Op dit moment is de opdracht en de rendementseisen (additioneel aan de markt) al zo ingericht dat vrijwel elke vorm van innovatie in elke regio wordt aangemoedigd. De ROM’s investeren alleen in de vroege fase. Daarnaast rapporteert elke ROM elk kwartaal over hun ontwikkeltaken en investeringen.
Ook publiceren de ROM’s elk ieder jaar een jaarverslag. Deze zijn publiekelijk beschikbaar.