Het bericht dat de Rabobank als eerste grootbank de mogelijkheden voor aflossingsvrij lenen vergaand gaat inperken. |
|
Teun van Dijck (PVV), Jeremy Mooiman (PVV) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Strengere hypotheekvoorwaarden Rabobank: aflossingsvrij lenen ingeperkt»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat de Rabobank deze maatregelen gaat nemen in relatie tot het feit dat bijna de helft (45 procent) van de totale hypotheekportefeuille in Nederland uit aflossingsvrije hypotheken bestaat?
Banken zijn op grond van de Wet op het financieel toezicht verplicht om de risico’s die zijn verbonden aan hun dienstverlening op adequate wijze te beheersen. DNB en de AFM houden daar toezicht op. Het is niet aan mij om het beleid van een individuele bank of maatregelen van de onafhankelijke toezichthouders te beoordelen. Wel blijf ik met toezichthouders en aanbieders in gesprek over de impact van de aangekondigde maatregelen.
Rabobank maakte bekend dat de bank en haar dochteronderneming Obvion het beleid ten aanzien van aflossingsvrije hypotheken gaat aanscherpen. Rabobank heeft hierover de afgelopen jaren intensief overleg gehad met de toezichthouders.2 De Nederlandsche Bank (DNB) schrijft op haar website dat zij een verhoogd risico ziet bij aflossingsvrije hypotheken ten opzichte van aflossende hypotheken. DNB licht daarbij toe dat de terugbetaling van aflossingsvrije hypotheken meestal afhankelijk is van de waarde van de woning en dat er bij aflossingsvrije hypotheken onzekerheid is over toekomstige betaalbaarheid. DNB vindt het belangrijk dat instellingen deze extra risico’s adequaat beheersen.3 Ook de Autoriteit Financiële Markten (AFM) besteedt in haar toezicht aandacht aan de risico’s van aflossingsvrije hypotheken. Zij benadrukt dat het belangrijk is dat aanbieders klanten met een aflossingsvrije hypotheek zorgvuldig blijven behandelen en klanten niet onevenredig worden getroffen door maatregelen van instellingen om risico’s te beheersen.4
Welke gevolgen heeft dit voor bestaande klanten met een aflossingsvrije hypotheek, ook indien hun woonsituatie verandert?
Wat de gevolgen van de aanscherping in het beleid van Rabobank zijn voor individuele klanten, hangt af van de specifieke situatie. Ik maak uit de berichtgeving op dat de aanscherping van het beleid ziet op bestaande en nieuwe klanten die verhuizen, of bijvoorbeeld doorstromen naar een nieuwe woning, en daarmee een nieuwe hypotheek afsluiten. Ook bij herfinancieringen en verhogingen van bestaande hypotheken, gaat per mei het nieuwe beleid gelden. Bestaande klanten die niets wijzigen aan hun hypotheek, worden hier volgens Rabobank niet door geraakt. Rabobank meldt dat in bijzondere situaties, zoals bij overlijden of klanten die uit elkaar gaan, er indien nodig samen met klanten naar passende oplossingen gekeken.
Bent u het eens met het standpunt dat de hypotheekrente veel te hoog is in Nederland (inmiddels boven de vier procent) en dat de woningmarkt met het aanscherpen van hypotheekregels alleen maar verder op slot raakt? Zo nee, waarom niet?
Ik volg de ontwikkelingen op de hypotheekmarkt nauwgezet en blijf daarover in gesprek met aanbieders van hypothecair krediet en de toezichthouders. Als gevolg van een bredere stijging van marktrentes is het gemiddelde rentepercentage van door banken aangeboden hypothecaire kredieten voor huishoudens sinds medio 2022 stijgende. Wat het specifieke rentepercentage is dat aan consumenten gerekend wordt, hangt onder andere af van de aanbieder en de door de consument gekozen rentevastperiode. In Europees vergelijkend perspectief zijn er EU-lidstaten waar de gemiddelde hypotheekrente hoger is en lidstaten waar deze lager is dan in Nederland.
De gemiddelde hypotheekrente of rente over nieuwe hypothecaire kredieten geven een beperkt beeld van de daadwerkelijke woonlasten van consumenten. Uit data van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) blijkt bijvoorbeeld dat het percentage van het inkomen dat Nederlandse huishoudens aan hypotheeklasten kwijt zijn, de afgelopen jaren is gedaald.5 Recente data laten bovendien zien dat het aantal transacties van bestaande koopwoningen stijgende is.6
Welke maatregelen bent u bereid te treffen om ervoor te zorgen dat grootbanken de hypotheekrente verlagen en de hypotheekvoorwaarden versoepelen in plaats van verder blijven aanscherpen? Bent u bereid om op zijn minst met grootbanken in gesprek te gaan hierover?
Zie antwoord vraag 4.
Het Sectorakkoord Gaswinning op Land |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u alle ingediende zienswijzen op het Sectorakkoord en met name deze van bewoners en lokale besturen, inclusief de provincies en waterschappen, met de Kamer delen?
In de werkwijze is gekozen voor een aanpak van gesprekken met medeoverheden. Deze hadden een open en informeel karakter. Daarom zijn er ook geen woordelijke verslagen van gemaakt. Die aanpak is bewust gekozen om medeoverheden de ruimte te geven om te kunnen spreken over de «hoe-vraag» (als gaswinning nodig is, hoe kan dat zo goed mogelijk voor de omgeving worden gedaan), terwijl veel van hen liever geen (nieuwe) gaswinning in hun regio wensen. Naar aanleiding van de gesprekken heeft een aantal van hen een zienswijze op schrift ingediend. Deze zijn bijgevoegd.
Ziet u op basis van deze zienwijzen een breedgedragen lokaal draagvlak voor gaswinning op land, zowel bij overheden als bij burgers in de buurt van potentiële gaswinningslocaties? Zo ja, waaruit precies blijkt dat draagvlak? Zo nee, hoe zult u met het gebrek aan draagvlak omgaan?
Het kabinet heeft voor het programma Duurzaam Gebruik Diepe Ondergrond in het voorjaar van 2025 onder inwoners een online raadpleging over toekomstig gebruik van de diepe ondergrond laten uitvoeren1. Die raadpleging ging onder andere over aardgas- en zoutwinning, aardwarmte- en energieopslag. Meer dan 5.000 Nederlanders deden mee en gaven suggesties over waar de overheid rekening mee moet houden bij het gebruik van de diepe ondergrond en locatiekeuzes hiervoor.
Uit de raadpleging blijkt onder meer dat 60–70% van de respondenten het gebruik van de diepe ondergrond in de toekomst in brede zin steunt, vooral om energie betaalbaar te houden en minder afhankelijk te worden van het buitenland, mits dit gebruik veilig gebeurt. Dit sluit aan bij de uitgangspunten van het «Sectorakkoord gaswinning in de energietransitie». Bij het afwegen van locaties is bijvoorbeeld het beschermen van natuurgebieden voor veel deelnemers een belangrijk aandachtspunt. Mensen die eerder schade hebben ervaren door ondergrondse activiteiten – zoals door gaswinning uit het Groningenveld – geven andere prioriteiten aan. Zij zijn over het algemeen terughoudender over toekomstig gebruik, vooral als het gaat om aardgas- of oliewinning. Deze groep vindt dat eerst bestaande schade goed moet worden opgelost en dat er geen nieuwe schade mag ontstaan. De inzichten uit de raadpleging worden meegenomen in de verdere uitwerking van het programma Duurzaam Gebruik Diepe Ondergrond. Op 22 januari 2026 is de Tweede Kamer over de voortgang van het programma geïnformeerd2.
Met de gemaakte aanvullende afspraken voor gaswinning op land beoogt het kabinet bij te dragen aan het maatschappelijk draagvlak voor gaswinning op land. Deze afspraken voor gaswinning op land zijn een aanvulling op het bestaande kader en dragen onder meer bij aan meer transparantie over gaswinning in de transitieperiode, het versterken van de betrokkenheid van de omgeving en batendeling voor de omgeving. Veilige en verantwoorde winning blijft daarbij centraal staan. Zie ook het antwoord op vraag 5.
Hoe onderbouwt u de stelling van EBN dat het sectorakkoord conform het klimaatakkoord van Parijs zou zijn, in het licht van de vaststellingen van het Internationaal Energie Agentschap en andere wetenschappelijke bronnen dat er geen ruimte is voor nieuwe velden als we de 1,5 °C willen halen, en is scope 3 van in Nederland op te pompen gas in die overweging meegenomen?
In de overgang naar een klimaatneutraal energiesysteem blijft aardgas voorlopig nog nodig. Hierbij heeft het kabinet een voorkeur voor aardgas met zo min mogelijk klimaatimpact en zo min mogelijk afhankelijkheid van andere landen. Met het «Sectorakkoord Gaswinning in de Energietransitie» en de «aanvullende afspraken voor gaswinning op land» zet het kabinet in op opschaling van gaswinning uit gasvelden op de Noordzee en een verantwoorde afbouw van gaswinning op land. Het wettelijk vastgelegde klimaatdoel voor 2030 is 55% CO2-reductie (ten opzichte van de emissies in 1990). Voor het nastreven van de klimaatdoelen stuurt het kabinet op het verminderen van het gebruik van fossiele brandstoffen en is de binnenlandse winning daaraan volgend. Dit is ook in lijn met de afspraak in het Noordzeeakkoord dat de Nederlandse gaswinning op de Noordzee in ieder geval onder het niveau van de binnenlandse aardgasvraag blijft. Daarmee dient de winning in Nederland enkel om import van nog meer buitenlands gas zoveel mogelijk te beperken.
Volgens de jaarlijkse prognose van TNO in het «Jaarverslag Delfstoffen en Aardwarmte»3 past een opschaling van de gaswinning op de Noordzee en verantwoorde afbouw van gaswinning op land binnen het meest progressieve aardgasvraagreductiescenario. Ook met een tijdelijk hogere gasproductie op de Noordzee en tijdelijke stabilisatie van gaswinning op land blijft dit volume ruim onder wat er binnen Nederland wordt gebruikt aan aardgas.
Ten aanzien van de mondiale CO2-emissies is het beter voor het klimaat om het benodigde gas in Nederland te winnen in plaats van dat aardgas te importeren zolang aardgas nog noodzakelijk is in onze energietransitie. Zie ook het antwoord op vraag 4. Daarnaast draagt binnenlandse gasproductie bij aan de gasleveringszekerheid en biedt het ook economische voordelen zoals werkgelegenheid, gasbaten en behoud van kennis en infrastructuur die ingezet kan worden ten behoeve van de energietransitie.
Voor scope 3 emissies maakt het niet uit waar dit gas vandaan komt. Over de uitspraak van het Europees Hof van de Rechten van de Mens (EHRM) inzake scope 3 ontvangt de Kamer in Q1 2026 een nadere analyse.
Kunt u de Kamer een vergelijking doen toekomen van de uitstoot van broeikasgassen over de gehele levenscyclus (dus inbegrepen scope 1, 2 en 3) van in Nederland gewonnen gas met gas gewonnen in de vijf belangrijkste aan Nederland gas leverende landen, gezien u schrijft dat gas uit eigen bodem klimaatvriendelijker is dan ander gas?
De klimaatafdruk (CO2-equivalenten) van winning en transport (scope 1 en 2) van Nederlands aardgas is vergelijkbaar met het Noorse aardgas dat via pijpleidingen geïmporteerd wordt. Dit is veel lager dan de klimaatafdruk van import uit overige landen zoals LNG (vloeibaar gas) uit de VS (36% lager). Scope 3 emissies (die het gevolg zijn van het verbruik van aardgas) zijn voor elk gas hetzelfde, ongeacht waar het vandaan komt. Zie voor een verdere specificatie (scope 1, 2 en 3) de infographic 2023 van Energie Beheer Nederland4.
Vergelijkbare uitkomsten volgen uit het onderzoek «Ketenemissies aardgasmix 2022–2023» dat Royal HaskoningDHV in opdracht van Rijkswaterstaat heeft uitgevoerd5. In dat onderzoek zijn de broeikasemissies in de toeleveringsketen geactualiseerd voor in Nederland geconsumeerd aardgas van G-gas en van H-gas kwaliteit. Het onderzoek concludeert onder meer dat geschat wordt dat de emissies per eenheid Nederlands gas uit kleine velden en Noors gas vergelijkbaar zijn, terwijl emissies per eenheid LNG uit de VS en uit Qatar en andere landen respectievelijk 6–7 (VS) en circa 4 (Qatar e.a.) maal groter zijn. In dit onderzoek zijn Noorwegen en de Verenigde Staten de belangrijkste landen van waaruit gas wordt geïmporteerd aan Nederland. Het onderzoek beperkt zich voor de uitgevoerde analyse daarna tot de ketenemissies in onder andere Nederland, Noorwegen en de Verenigde Staten. Dat betreft niet de gevraagde vergelijking met de gehele levenscyclus emissies in de 5 belangrijkste landen waar marktpartijen gas vandaan importeren naar Nederland voor de Noordwest Europese markt, maar wel een vergelijking met de twee belangrijkste landen van waaruit gas geïmporteerd wordt.
Voor een uitgebreidere onderbouwing van de milieu-impact op aardgas verwijst het kabinet naar de Kamerbrief van 14 februari 20256. Hierin is onder meer aangegeven dat in de afgelopen jaren LNG (vloeibaar aardgas) steeds belangrijker is geworden voor de Europese en Nederlandse gasvoorziening, vooral na het wegvallen van Russische gas via pijpleidingen en de afname van eigen productie. In die Kamerbrief is verder genoemd dat onderzoek aantoont dat LNG, vooral uit de VS, een hogere klimaatimpact heeft dan binnenlandse gaswinning of Noors aardgas via pijpleidingen evenals dat het gas dat voorheen via pijpleidingen uit de Russische federatie kwam ook hoge emissiewaarden kende. Over de milieu-impact van de Nederlandse gasaanvoer heeft Energie Beheer Nederland (EBN) in 2025 ook een infografic gepubliceerd7.
Indien de volgens artikel 2 van het Sectorakkoord betrokken omgeving, waaronder bewoners, in grote meerderheid negatief reageert op een voorstel tot gaswinning, is de vergunninghouder dan verplicht haar plannen op basis daarvan aan te passen of zelfs schrappen, of kan de vergunninghouder de inbreng van de omgeving gewoon naast zich neerleggen?
De inbreng vanuit de omgeving – zowel van bewoners als medeoverheden – is van grote meerwaarde. Hier is een belangrijke rol weggelegd voor de vergunninghouders die een activiteit willen uitvoeren. Om deze reden zijn in het akkoord aanvullende afspraken gemaakt onder meer over het betrekken van de omgeving. Zoals de afspraak dat een vergunninghouder ongeveer 3 maanden voorafgaand aan de indiening van een aanvraag voor gaswinning in gesprek gaat met de omgeving over voorgenomen plannen en de wijze waarop de omgeving betrokken wil worden. De vergunninghouder verwerkt de inbreng van de omgeving in een «betrokkenheidsplan» dat de vergunninghouder tegelijkertijd met de indiening van de vergunningaanvraag bij het Ministerie van Klimaat en Groene Groei overlegt.
Echter, het «voor-of-tegen» gaswinning zijn (de «of-vraag») is niet de vraag die voorligt bij bewoners en of medeoverheden. De beslissing of gaswinning mag plaatsvinden – mits veilig en verantwoord – betreft een nationale aangelegenheid. Als bevoegd gezag is het kabinet gebonden aan juridische kaders bij de beoordeling van individuele aanvragen om gas te winnen. Een aanvraag voor gaswinning wordt getoetst aan de Mijnbouwwet. Daarin staat op welke gronden een aanvraag kan worden afgewezen. Aanvragen voor vergunningen kunnen niet rechtmatig worden geweigerd om redenen die geen grondslag hebben in de wet.
Het kabinet vertrouwt er verder op dat een vergunninghouder zich bewust is van het belang om de omgeving in alle fases van de gaswinning zorgvuldig te betrekken en waar mogelijk en redelijk gehoor te geven aan de inbreng van de omgeving.
Kunt u aantonen hoeveel kubieke meter gas in Nederlandse velden op land effectief technisch en economisch winbaar is?
Uit de EBN-analyse (in bijlage II bij de aanvullende afspraken voor gaswinning op land8) volgt dat het winningsvolume uit kleine velden op land circa 127 miljard kuub bedraagt. Hiervan is op basis van de huidige inzichten circa 40% technisch en economisch winbaar. Dat komt neer op circa 50 miljard kuub.
Hoe lang zou die hoeveelheid gas het Nederlandse gasverbruik dekken op basis van het verbruik van 2025?
Het Nederlandse gasverbruik in 2024 bedraagt ongeveer 30 miljard kuub op jaarbasis. Uit de EBN-analyse (in bijlage II bij de aanvullende afspraken voor gaswinning op land) volgt dat ongeveer 40% van het winningsvolume als technisch potentieel kan worden bezien. Dat komt neer op ruim 1,5 jaar. Het aardgas wordt echter gewonnen over een periode van zo’n 20 tot 25 jaar en zorgt daardoor voor zo’n 1,5 tot 2 miljard kuub gas per jaar en draagt samen met de binnenlandse gasproductie op de Noordzee, opschaling van duurzame energieprojecten en inspanningen tot het verder verlagen van het aardgasverbruik tot het zoveel mogelijk beperken van de importafhankelijk van aardgas in de komende decennia op weg naar een volledig duurzame energievoorziening.
Welke stappen moeten er nog genomen worden en hoeveel tijd zal er naar verwachting over ieder van die stappen gaan vooraleer de herziening van de Mijnbouwwet naar de Kamer komt?
Op 22 januari 2026 heeft het kabinet de Tweede Kamer geïnformeerd over de voortgang en de nieuwe planning van de herziening van de Mijnbouwwet9. In die brief worden de processtappen tot en met het aanbieden van het wetsvoorstel aan de Kamer toegelicht.
Gezien in Groningen nog bijna 10.000 gezinnen wachten op versterking van hun huizen, de kosten in Groningen ten opzichte van de eerste ramingen stevig opgelopen zijn en Groningers lang hebben moeten wachten op duidelijkheid over hun schadevergoedingen, welke regelingen worden in het geval van het verlenen van een vergunning voor bijkomende gaswinning op land waar dan ook in Nederland getroffen om voldoende geld en zekerheid te garanderen voor eventuele toekomstige materiële en niet-materiële schade ten gevolge van aardbevingen en/of bodemdalingen?
De Commissie Mijnbouwschade neemt, behalve daar waar het IMG dat doet, meldingen van bewoners en kleine bedrijven in behandeling over mogelijke fysieke schade aan gebouwen door bodembeweging als gevolg van activiteiten in de diepe ondergrond. De Commissie Mijnbouwschade (CM) ondersteunt schademelders door onafhankelijk advies te geven over de vraag of er sprake is van materiële schade door bodembeweging als gevolg van activiteiten in de diepe ondergrond en, zo ja, wat de hoogte van het schadebedrag is dat door het mijnbouwbedrijf aan de schademelder moet worden vergoed. Mijnbouwbedrijven hebben zich in een overeenkomst met de staat verplicht tot het uitvoeren van deze adviezen. Het uitgangspunt van de schadeafhandeling bij de CM is dat deze laagdrempelig, transparant, deskundig en onafhankelijk is.
Zullen de maatregelen uit «Nij Begun» uitgebreid worden naar andere gebieden waar mogelijks aardbevingsschade kan komen ten gevolge van gaswinning? Indien niet alle maatregelen naar die gebieden uitgebreid worden, welke worden dan wel naar andere gebieden uitgebreid en welke niet?
De maatregelen uit «Nij Begun» kunnen niet zonder meer allemaal worden overgenomen in andere gebieden omdat die regio specifiek zijn en gerelateerd aan de gaswinning uit het Groningenveld.
Dat laat onverlet dat de ervaringen met het Groningenveld voor belangrijke verbeteringen hebben geleid die meegenomen zijn voor het gebruik van de diepe ondergrond. Die verbeteringen reiken verder dan alleen gaswinning. Zo zijn er methodieken ontwikkeld om risico's van activiteiten in de diepe ondergrond beter te kunnen beoordelen, de toezichthouder (SodM) heeft meer personele capaciteit gekregen, decentrale overheden hebben een adviesrol gekregen en de schadeafhandeling is centraal georganiseerd via de Commissie Mijnbouwschade (CM).
Verder zijn in lijn met de maatregelen uit «Nij Begun» aanvullende verbeteringen doorgevoerd. Zo wordt gewerkt aan een kennisprogramma voor onderzoek naar sociale effecten van het gebruik van de diepe ondergrond, wordt data over de ondergrond beter toegankelijk gemaakt en wordt het netwerk van KNMI om aardbevingen te meten verder uitgebreid.
Gezien burgers in Friesland nu al zelf nulmetingen aan het uitvoeren zijn en gezien burgers en lokale besturen in de noordelijke provincies met veel frustraties zitten rond de werking van de Commissie Mijnbouwschade, zal er voor alle betrokken regio’s omgekeerde bewijslast gelden bij schade die mogelijks aan aardbevingen en/of bodemdalingen toe te schrijven is?
Nee, dit zal niet het geval zijn. Het toepassen van het wettelijk bewijsvermoeden voor alle betrokken regio’s zou namelijk niet zorgen voor een verbetering van de positie van schademelders. Ook zou de invoering hiervan onvoldoende dragend gemotiveerd kunnen worden en daarmee niet juridisch houdbaar zijn. Voor een meer uitgebreide onderbouwing van dit standpunt verwijst het kabinet naar de brief van 27 maart 202510 aan de Kamer.
Welke criteria worden gehanteerd om voor een bepaalde regio waar gaswinning en andere mijnbouw potentieel kan leiden tot schade door aardbevingen en aardverzakkingen, wel of niet omgekeerde bewijslast in te voeren?
Voor de introductie van het wettelijk bewijsvermoeden is een dragende motivering nodig11. Het wettelijk bewijsvermoeden is namelijk een uitzondering op de standaardregel in het Nederlands burgerlijk recht «wie stelt, bewijst». Om te kunnen bepalen of uitbreiding van de reikwijdte van het wettelijk bewijsvermoeden naar bodembeweging als gevolg van mijnbouwactiviteiten in een groter gebied in Nederland juridisch houdbaar is, heeft het vorige kabinet voorlichting gevraagd aan de Afdeling advisering van de Raad van State12.
Voor het effectgebied van het Groningenveld en de gasopslagen Norg en Grijpskerk is het wettelijk bewijsvermoeden dragend gemotiveerd door onder meer te wijzen op 1) het grote aantal schadegevallen in dat gebied, 2) de gelijksoortigheid daarvan die 3) in het grootste deel van deze gevallen het gevolg is van één oorzaak, namelijk gaswinning. Hierbij is het goed om op te merken dat naarmate de reikwijdte voor het wettelijk bewijsvermoeden ruimer wordt, ook de motiveringseis zwaarder wordt.
Kunt u deze vragen beantwoorden en gevraagde informatie delen voorafgaand aan het commissiedebat Mijnbouw op 29 januari 2026?
Ja.
De uitvoer van Nederlandse honden naar Israël |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Ruben Brekelmans (VVD), Femke Wiersma (BBB), Heijnen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat hondenleverancier Four Winds K9 zichzelf heeft opgeheven nadat het bedrijf meerdere malen per brief is verzocht om inzage in de documenten over hun uitvoer naar Israël?1
Ja.
Kunt u op basis van douanegegevens een overzicht geven van het aantal honden dat sinds 2020 vanuit Nederland naar Israël is uitgevoerd, uitgesplitst per jaar en per maand?
Als een aangever goederen wil in-, uit- of doorvoeren, moet hiervoor een aangifte worden gedaan bij de Douane. Hierbij moet een aangever ook de goederencode (zogenaamde GN-code) van het goed opgeven. Deze goederencodes worden op Europees niveau vastgesteld en geven aan welke invoer- of uitvoertarieven voor een bepaald goed gelden. In deze indeling bestaat echter geen afzonderlijke goederencode voor honden. Honden vallen onder de categorie «andere levende dieren». Hierdoor vallen honden voor de aangifte onder dezelfde GN-code als bijvoorbeeld katten.
Om het aantal uitgevoerde honden te bepalen is het derhalve niet voldoende om enkel naar deze goederencode te kijken. Om de vraag te beantwoorden, is daarom gekeken naar de tekstuele goederenomschrijving in de aangiften ten uitvoer binnen de categorie «andere levende dieren». In dit veld moet de exporteur een handelsbenaming opgeven ten aanzien van de uit te voeren goederen. Voor de invulling van de handelsbenaming bestaat geen verplichte of voorgeschreven vorm of systematiek. De omschrijving «hond» volstaat hiervoor, maar dit kan ook specifiek een hondenras zijn of een andere beschrijving. De hieronder genoemde aantallen zijn tot stand gekomen door in de aangiftegegevens met betrekking tot de uitvoer van levende dieren onder de bovengenoemde GN-code met een goederenomschrijving met daarin de termen «hond» of «honden» te kijken. Het daadwerkelijke aantal uitgevoerde honden kan daarom hoger liggen.
Het is voor de Douane niet mogelijk om, zonder strafrechtelijke vordering, data over uitvoeraangiften van meer dan vijf jaar terug op te leveren. Hieronder zijn daarom de aantallen aanvragen voor de uitvoer van honden naar Israël voor de periode 2021 tot en met 2025 opgenomen. Onderstaande uitgesplitste cijfers slaan op de aanvragen ten uitvoer per maand. Daarnaast is er per het totaal aantal honden aangegeven dat daadwerkelijk de EU uit is gegaan via Nederland.
Januari
11
Januari
2
Januari
7
Februari
7
Februari
16
Februari
8
Maart
8
Maart
0
Maart
9
April
2
April
1
April
0
Mei
6
Mei
14
Mei
8
Juni
16
Juni
2
Juni
0
Juli
5
Juli
0
Juli
1
Augustus
2
Augustus
14
Augustus
25
September
September
1
September
5
Oktober
9
Oktober
0
Oktober
0
November
4
November
18
November
4
December
13
December
1
December
14
Januari
0
Januari
10
Februari
12
Februari
8
Maart
11
Maart
1
April
10
April
15
Mei
2
Mei
5
Juni
6
Juni
0
Juli
5
Juli
4
Augustus
18
Augustus
0
September
13
September
7
Oktober
4
Oktober
0
November
14
November
3
December
3
December
0
Kunt u aangeven hoeveel aanvragen voor veterinaire certificering ten behoeve van de uitvoer van honden naar Israël in de afgelopen jaren zijn ingediend en hoeveel daarvan door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit zijn goedgekeurd, en op basis van welke veterinaire en administratieve toetsingscriteria deze certificering wordt verleend?
Voor de uitvoer van honden naar derde landen (landen buiten de EU) is veterinaire exportcertificering geen wettelijke verplichting en dus worden ook geen aanvragen voor veterinaire certificering ingediend. De NVWA controleert bij export van honden naar derde landen uitsluitend het EU-dierenpaspoort op basis van de geldende gezondheidsvereisten (zoals bijvoorbeeld vaccinatiegegevens) van het land van bestemming.
Kunt u de in vraag 2 en 3 genoemde aantallen uitsplitsen naar uitvoer door particuliere personen enerzijds en uitvoer door bedrijven of andere rechtspersonen anderzijds?
Op basis van de uitvoeraangiften is het voor de Douane niet altijd met zekerheid te bepalen of de aangever een particulier of een bedrijf of ander rechtspersoon is. Ook zijn er bijvoorbeeld logistiek dienstverleners die voor particulieren uitvoeraangiften doen. Op basis van de entiteit die de uitvoeraangifte heeft gedaan, kan daarom niet met zekerheid worden gesteld of honden die worden uitgevoerd uiteindelijk bestemd zijn van particulieren of bedrijven of andere rechtspersonen. De NVWA houdt dergelijke gegevens niet bij.
Beschikken de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit en de Douane over cijfers met betrekking tot veterinaire keuringen en afgegeven certificaten voor de uitvoer van honden naar Israël in 2025, en zo ja, kan de Kamer inzicht krijgen in deze gegevens, bij voorkeur uitgesplitst per maand?
Voor de uitvoer van honden naar derde landen (landen buiten de EU) is veterinaire exportcertificering geen wettelijke verplichting en dus worden ook geen aanvragen voor veterinaire certificering ingediend. De NVWA controleert bij export van honden naar derde landen uitsluitend het EU-dierenpaspoort op basis van de geldende gezondheidsvereisten (zoals bijvoorbeeld vaccinatiegegevens) van het land van bestemming.
De Douane heeft geen veterinaire taak bij uitvoerzendingen van honden en houdt daarvan dus geen documenten of gegevens bij. In de taakbijlagen voor zowel niet-commercieel verkeer van Gezelschapsdieren als de commerciële veterinaire zendingen staat beschreven dat de Douane alleen bij binnenbrengen en/of invoer een controletaak heeft.
Is bij de goedkeuring van uitvoer naar Israël beoordeeld of de honden kunnen worden ingezet voor militaire of repressieve doeleinden, en zo ja, hoe is deze risico-inschatting vastgelegd?
Het is niet wettelijk verplicht om bij de uitvoer van honden naar Israël het doel van de dieren te registreren. Deze beoordeling vindt niet plaats. De huidige wet- en regelgeving met betrekking tot exportcontrole is vastgelegd in Europese wetgeving en gericht op goederen die onder specifieke controlelijsten vallen. Het kabinet heeft uw Kamer eerder geïnformeerd over de inzet om honden alsnog toe te voegen aan de controlelijst van de EU Dual-Use verordening. De uitkomst van deze gesprekken was dat de lidstaten van de Europese Unie en de Europese Commissie geen mogelijkheid zien om honden aan te merken als dual-use «producten».
Er wordt op verzoek van de Kamer nog een verkenning uitgevoerd naar andere maatregelen om de uitvoer van honden te reguleren. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft toegezegd uw Kamer hierover uiterlijk in het eerste kwartaal van 2026 te informeren.2
Acht u het wenselijk dat een bedrijf door zichzelf op te heffen feitelijk kan voorkomen dat er volledige duidelijkheid komt over mogelijke misstanden bij de uitvoer van honden?
Ik deel niet de veronderstelling dat een bedrijf door zichzelf op te heffen kan voorkomen dat onderzoek wordt verricht naar mogelijke misstanden.
Kunt u toelichten welke vormen van samenwerking de Nederlandse overheid, inclusief ministeries, uitvoeringsorganisaties of ambassades, heeft gehad met Four Winds K9 of aanverwante K9-bedrijven?
Vanuit het Programma Ondersteuning Buitenland Beleid (POBB) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken is er eenmalig financiële steun verleend met als doel het versterken van de havenbeveiliging en de samenwerking tussen de autoriteiten van Costa Rica en Nederland, om illegale drugshandel naar Nederland te verminderen. Het POBB richt zich op de financiering van activiteiten die de doelstellingen van het Nederlands buitenlandbeleid ondersteunen. De projecten dienen, direct of indirect, een bijdrage te leveren aan het behalen van de geopolitieke doelstellingen van dit beleid. Als onderdeel van het project «K9 Detection Dogs» heeft Four Winds K9 tien honden aangekocht met de financiële steun uit het POBB. De honden zijn vervolgens gedoneerd aan de drugspolitie van Costa Rica. Dit initiatief is in lijn met één van de prioriteiten van de Nederlandse samenwerking met Latijns-Amerika en de Caribische regio, namelijk het bestrijden van grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit.
Bent u bekend met een LinkedIn-bericht van de Nederlandse ambassade in Costa Rica van 22 september 2024 waarin sprake lijkt te zijn van betrokkenheid bij of promotie van Four Winds K9 activiteiten, en kunt u toelichten wat de aard van deze betrokkenheid was?2
Zie het antwoord op vraag 8.
Heeft Nederland in de afgelopen tien jaar honden geschonken, gefinancierd of op andere wijze geleverd aan buitenlandse overheden of veiligheidsdiensten, waaronder Israël? Zo ja, aan welke landen, om hoeveel honden ging het, en onder welke voorwaarden?
Zie het antwoord op vraag 8 en 9. Er zijn geen honden geschonken, gefinancierd of op andere wijze geleverd door Nederland aan andere landen dan Costa Rica.
Welke mensenrechten- en eindgebruikerschecks zijn uitgevoerd bij het schenken of uitvoeren van honden aan buitenlandse veiligheidsdiensten, en hoe wordt gecontroleerd of deze honden niet worden ingezet bij mensenrechtenschendingen?
In het geval van Costa Rica heeft Nederland via het POBB-programma bijgedragen aan de aanschaf van honden ter ondersteuning van de operationele activiteiten van de drugspolitie. De ambassade ontvangt ook regelmatig terugkoppeling over de hoeveelheden drugs die de gedoneerde honden hebben onderschept. Er was geen reden tot het uitvoeren van een specifieke mensenrechten- en eindgebruikerscheck. Costa Rica is een gelijkgezind land, onder meer ten aanzien van mensenrechten en democratie.
Acht u de huidige wet- en regelgeving toereikend om te voorkomen dat vanuit Nederland uitgevoerde diensthonden worden ingezet voor vormen van geweldgebruik die naar Nederlandse maatstaven als buitensporig of onrechtmatig zouden gelden, en zo ja, waarop baseert u dat oordeel?
Zie het antwoord op vraag 6.
Bent u bereid de Kamer te informeren over welke aanvullende maatregelen worden onderzocht om meer inzicht te krijgen in de uitvoer, het eindgebruik en de handhaving rondom vanuit Nederland uitgevoerde diensthonden, en hoe daarbij wordt gewaarborgd dat deze honden niet worden ingezet bij mensenrechtenschendingen?
Zie het antwoord op vraag 6.
Bent u bekend met publieke uitingen van Four Winds DiagNose UAE, waarin wordt gesteld dat in samenwerking met de Federal Customs Authority in korte tijd een volledige canine unit van 50 handlers en honden is opgezet in de Verenigde Arabische Emiraten?3
Ja.
Kunt u toelichten of en in hoeverre de Nederlandse overheid op de hoogte was van deze activiteiten van het VAE-zusterbedrijf van Four Winds, en of hierover informatie is gedeeld tussen Nederlandse toezichthouders en buitenlandse autoriteiten?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft naar aanleiding van de motie-Teunissen d.d. 10 april 2025 gesproken met een viertal bedrijven, waaronder Four Winds K9. In dat gesprek zijn de activiteiten van dit bedrijf, en ook de samenwerking met Four Winds DiagNose UAE, aan de orde gekomen. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken en Nederlandse toezichthouders hebben verder geen zicht in welke mate Four Winds K9 contact heeft met andere overheden. Four Winds K9 is door BZ gewezen op hun eigen verantwoordelijkheden inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen zoals vastgelegd in de OESO-richtlijnen en de United Nations Guiding Principles on Business and Human Rights. Het kabinet heeft uw Kamer geïnformeerd over de uitkomsten van deze gesprekken.5 De gesprekken hebben geen aanleiding gegeven tot nader onderzoek.
Acht u het relevant dat een bedrijf dat in Nederland honden exporteerde naar Israël, via een zusterbedrijf actief is in de VAE in nauwe samenwerking met overheidsdiensten, en ziet u aanleiding om te onderzoeken of kennis, training of honden vanuit Nederland indirect zijn ingezet bij deze activiteiten?
Zie het antwoord op vraag 15.
Kunt u deze vragen binnen twee weken beantwoorden?
Het is helaas niet gelukt de vragen binnen twee weken te beantwoorden.
Het bericht dat Curaçao wordt gebruikt als doorvoerhaven voor Venezolaanse olie |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
David van Weel (VVD), Aukje de Vries (VVD), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat een tanker met Venezolaanse olie recent is aangemeerd bij Curaçao voor tijdelijke opslag, en zo ja, welke hoeveelheden zijn betrokken en in wiens opdracht gebeurt dit?1
Ja. Nadere details over hoeveelheden en commerciële afspraken vallen onder de verantwoordelijkheid van Curaçao en betrokken marktpartijen.
Hoe beoordeelt u de uitspraak van premier Pisas dat deze ontwikkeling een «buitenkansje» is voor Curaçao?
De uitspraak van de premier van Curaçao is een eigen beoordeling van de regering van Curaçao. Het kabinet laat die beoordeling aan Curaçao zelf.
Bent u vooraf geïnformeerd over de aankomst en opslag van Venezolaanse olie op Curaçao? Zo ja, wanneer en door wie?
Nee. Besluiten over aankomst en opslag van olie vallen onder de autonome verantwoordelijkheid van Curaçao. Nederland of het Koninkrijk hebben hierin geen besluitvormende rol.
Deelt u de mening dat de oliehandel via Curaçao het signaal afgeeft dat schendingen van internationaal recht door de illegale acties van de VS geen gevolgen hoeven te hebben zolang economische belangen spelen?
Het gaat om economische activiteiten die plaatsvinden binnen de verantwoordelijkheid van Curaçao. Het kabinet ziet geen aanleiding om hieraan een nadere politieke betekenis te verbinden.
Hoe voorkomt u dat Nederlandse bedrijven economisch profiteren van een situatie die is ontstaan door illegale interventie van de VS in Venezuela?
Nederlandse bedrijven dienen te voldoen aan voor hen geldende internationale wetten en regels. Op basis van de nu bekende informatie is er geen indicatie dat internationale verplichtingen niet zijn nageleefd.
Hoe beoordeelt u het risico dat Curaçao structureel wordt gepositioneerd als fossiele doorvoerhub? Acht het kabinet dit in lijn met het Klimaatakkoord van Parijs en de EU-klimaatdoelstellingen? Zo nee, wat doet het kabinet om het structureel inbedden van een fossiele doorvoerhaven te voorkomen?
De huidige activiteiten hebben een tijdelijk karakter en er zijn geen aanwijzingen dat Curaçao structureel wordt ontwikkeld tot fossiele doorvoerhaven. Structurele economische keuzes liggen bovendien bij Curaçao en niet bij het kabinet. Nederland blijft zich inzetten voor klimaatdoelstellingen en energietransitie.
Bent u bereid om met Curaçao in gesprek te gaan over alternatieven voor economische ontwikkeling die niet leunen op fossiele doorvoer en opslag, en die niet het gevolg zijn van een illegale interventie door de VS? Zo ja, welke concrete stappen zijn daarvoor voorzien?
Ja, de gesprekken over alternatieven voor economische ontwikkeling die niet leunen op fossiele doorvoer en opslag voert het kabinet al. Binnen bestaande overlegstructuren wordt met Curaçao gesproken over duurzame economische ontwikkeling en energietransitie met respect voor de autonome positie van Curaçao. In dat kader zijn er SDE++-middelen beschikbaar gesteld voor het versterken van de energie-infrastructuur in de komende jaren.
Acht u het wenselijk dat Curaçao zich profileert als doorvoerhaven voor fossiele olie, terwijl Nederland zich internationaal uitspreekt voor klimaatdoelen, afbouw van fossiele afhankelijkheid en het beperken van de macht van olie-exporterende staten?
De economische positionering van Curaçao, al dan niet als doorvoerhaven voor fossiele olie, is een autonome keuze. Op dit moment zijn er echter geen aanwijzingen dat Curaçao structureel wordt ontwikkeld tot fossiele doorvoerhaven. Nederland blijft zich bovendien internationaal inzetten voor de afbouw van fossiele afhankelijkheid en het behalen van klimaatdoelstellingen.
Hoe verhoudt het faciliteren van de doorvoer en opslag van Venezolaanse olie via Curaçao zich tot het Nederlandse beleid om de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen en olie-exporterende staten te verminderen, en tot de inzet op strategische energie-onafhankelijkheid?
De tijdelijke opslag van olie op Curaçao maakt geen onderdeel uit van het Nederlandse energie- of klimaatbeleid en staat los van de inzet op vermindering van fossiele afhankelijkheid en versterking van energieonafhankelijkheid.
De invloed van de suikertaks op sportsupplementbedrijven zoals XXL Nutrition en de gevolgen voor het Nederlandse ondernemersklimaat. |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het nieuwsitem van Nieuws van de Dag waarin wordt gesteld dat de suikertaks ertoe leidt dat het bedrijf XXL Nutrition overweegt om naar het buitenland te verhuizen vanwege de toenemende regeldruk?1
Ja. Voorafgaand aan de verdere beantwoording wil ik u meegeven dat ik vanwege de fiscale geheimhoudingsplicht2 en mogelijk lopende procedures niet op individuele gevallen kan ingaan.
Acht u het wenselijk dat steeds meer bedrijven overwegen om Nederland te verlaten als gevolg van regelgeving en fiscale druk?
Nee, ik acht het in beginsel niet wenselijk dat bedrijven overwegen Nederland te verlaten als gevolg van regelgeving en fiscale druk. Uit de meest recente Monitor Ondernemingsklimaat3 blijkt dat het aandeel bedrijven dat overweegt te vertrekken vergelijkbaar hoog is met voorgaande jaren. Wel laten de bevindingen zien dat de plannen van deze bedrijven om daadwerkelijk stappen te zetten concreter en serieuzer worden. Dat acht ik een zorgelijke ontwikkeling.
Het kabinet hecht groot belang aan een gunstig ondernemingsklimaat met optimale randvoorwaarden, want dat is cruciaal voor het succes en groei van bedrijven. Dat is niet alleen van belang voor de bedrijven, maar ook voor ons verdienvermogen. Het kabinet zet zich daarom in voor het verbeteren van belangrijke randvoorwaarden, zoals bijvoorbeeld vermindering regeldruk, beschikbaarheid van talent of netcongestie. Belangrijk daarbij is dat we met elkaar de urgentie van een sterk ondernemingsklimaat blijven onderkennen en de aanpak van al deze randvoorwaarden hoog op de politieke agenda houden.
In het geval van XXL Nutrition moet suikertaks worden betaald over eiwit- en maaltijdshakes, omdat deze door de overheid worden aangemerkt als «limonade»; bent u het ermee eens dat een eiwitshake – en ook een maaltijdshake – niet gelijk te stellen zijn aan limonade of frisdrank?
De in het bericht genoemde «suikertaks» betreft de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken, opgenomen in de Wet op de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken (WVAD). Dit is een belasting op alcoholvrije dranken (in vaste of vloeibare vorm) met een vlak tarief van € 26,13 per hectoliter, ongeacht het suikergehalte van de drank. Op dit moment kennen wij in Nederland geen belasting of heffing op basis van het suikergehalte van een drank. Er is dan ook geen sprake van een «suikertaks».
Onder de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken worden kort gezegd gearomatiseerde alcoholvrije dranken belast die zijn bestemd om onverwarmd te worden gedronken.4 Mineraalwater en zuivel- en sojadranken zijn van de verbruiksbelasting uitgezonderd.5 Ook alcoholvrije dranken in vaste vorm (bijvoorbeeld poeder) of als concentraat waarvan door aanlenging (bijvoorbeeld met water) alcoholvrije drank kan worden gemaakt, vallen onder de verbruiksbelasting. Eiwit- en maaltijdshakes die zijn bestemd om te worden gedronken als gearomatiseerde alcoholvrije drank zoals hierboven bedoeld, zijn daarom met verbruiksbelasting belast. Dat over dit soort producten verbruiksbelasting is verschuldigd, is al het geval sinds de introductie van de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken in 1993.6
In de wet wordt dit soort dranken inderdaad gedefinieerd als limonade. In het taalgebruik wordt onder het begrip limonade echter veelal verstaan «verkoelende drank van water, suiker en vruchtensap». In de praktijk zijn er daarom verschillende alcoholvrije dranken die niet bekendstaan als limonade, maar wel onder de definitie van limonade vallen zoals opgenomen in de WVAD. Dit geldt bijvoorbeeld voor alcoholvrij bier, havermelk en, afhankelijk van de samenstelling van de drank, mogelijk ook voor bepaalde maaltijdshakes. Het kabinet is zich bewust van het feit dat het voornoemde kan zorgen voor onduidelijkheden. Mede om die reden heeft het kabinet in het Belastingplan 2026 aangekondigd dat het begrip limonade per 2027 wordt vervangen door «overige alcoholvrije drank».7 Het gaat hierbij om een verduidelijkende, tekstuele aanpassing zonder inhoudelijke gevolgen. Dat gearomatiseerde eiwit- en maaltijdshakes die zijn bestemd om te worden geconsumeerd als alcoholvrije drank («kennelijk bestemd om onverwarmd te worden gedronken») worden belast met verbruiksbelasting, verandert hiermee niet. Dit beoogt het kabinet ook niet.
Indien het antwoord op vraag 3 ja luidt, acht u het dan niet rechtvaardiger om eiwit- en maaltijdshakes uit te zonderen van de suikertaks?
Volgens de definitie van de wet zijn eiwit- of maaltijdshakes die zijn bedoeld om gearomatiseerde alcoholvrije dranken te maken die zijn bestemd om onverwarmd te worden gedronken, belast met verbruiksbelasting. Zoals eerder opgemerkt is dit al sinds 1993 het geval.8 Dit is geen onbedoeld gevolg van de wet.
Op basis van welke juridische basis wordt een eiwitshake momenteel aangemerkt als «limonade» voor de toepassing van de suikertaks?
Zoals beschreven in de beantwoording van vraag 3 betreft dit artikel 9, eerste lid van de Wet verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken (WVAD). Ook in vaste vorm of als concentraat vallen deze dranken onder de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken, zie hiervoor artikel 9, tweede lid, WVAD.
Acht u het wenselijk dat producten die primair bedoeld zijn voor sport en gezondheid onder dezelfde fiscale categorie vallen als frisdrank?
In zijn algemeenheid geldt het advies om water te drinken voor de vochtbehoefte tijdens en na het sporten. Wat betreft producten zoals eiwit- en maaltijdshakes geldt dat deze geen onderdeel uitmaken van de richtlijnen Goede Voeding van de Gezondheidsraad. Er zijn dan ook geen gezondheidsargumenten om deze producten een uitzonderingspositie te geven.
Kunt u inzichtelijk maken of de invoering van de suikertaks daadwerkelijk het beoogde effect heeft gehad op het gezonder maken van de bevolking?
De huidige verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken heeft een vlak tarief ongeacht het suikergehalte van de drank. De belasting heeft dus in zijn algemeenheid geen beoogd effect van het gezonder maken van de bevolking.
Wel wordt momenteel nagedacht over een mogelijke omzetting van de huidige verbruiksbelasting met één vlak tarief voor alle belaste alcoholvrije dranken naar een belasting op basis van het suikergehalte van de drank.9 De beoogde omzetting heeft wel een gezondheidsdoel, namelijk het verminderen van de suikerconsumptie via alcoholvrije dranken. Zoals toegezegd bij de behandeling van de het Pakket Belastingplan 2026 informeert het kabinet uw Kamer medio februari over de te maken keuzes met betrekking tot deze omzetting. De uiteindelijke keuze of wordt overgegaan tot de omzetting laat ik aan een nieuw kabinet of aan uw Kamer.
In hoeverre acht u deze interpretatie in lijn met het rechtszekerheidsbeginsel, gezien de onduidelijkheid voor ondernemers?
Vooropstaat dat de wet altijd leidend is. Die wet wordt geacht kenbaar te zijn voor belastingplichtigen. Wat betreft terminologie en de producten die onder de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken vallen, geldt dat de wet sinds 1993 zo goed als ongewijzigd is gebleven.10 Het kabinet acht dit dus ook niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.
Kunt u aangeven welke extra administratieve lasten de suikertaks met zich meebrengt voor middelgrote en grote producenten van voedingssupplementen?
Op basis van de WVAD geldt dat voor de productie van verbruiksbelastinggoederen de ondernemer een vergunning «Inrichting voor verbruiksbelastinggoederen» (IVV) moet hebben aangevraagd bij de inspecteur. Als aan de voorwaarden wordt voldaan, geeft de inspecteur deze vergunning af. De vergunninghouder stelt zekerheid voor de belasting die verschuldigd is of kan worden (het belastingbelang). Voor goederen die zijn uitgezonderd van de verbruiksbelasting is een dergelijke vergunning wettelijk niet vereist.
Producenten van bijvoorbeeld voedingssupplementen die zijn belast met verbruiksbelasting dienen ook aangifte verbruiksbelasting te doen. Vergunninghouders IVV doen periodieke aangifte (maandaangifte).
Bent u het ermee eens dat de suikertaks in de praktijk vooral een middel is gebleken om meer belastinginkomsten te genereren, in plaats van een effectief instrument voor de volksgezondheid?
Zoals beschreven in het antwoord op vraag 7, kent de huidige verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken primair geen gezondheidsdoelstelling. Er is op dit moment geen sprake van een suikertaks maar van een gelijke belasting van alle belaste alcoholvrije dranken (€ 26,13 per hectoliter).
Hoe rijmt u de suikertaks met uw beleid om oneerlijke concurrentie voor Nederlandse bedrijven tegen te gaan, aangezien diverse andere landen geen suikertaks kennen?
De verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken is een nationale (verbruiks)belasting. Deze belasting is niet op Europees niveau geharmoniseerd zoals de accijns en btw. Buiten de accijns en btw kunnen EU-lidstaten andere indirecte belastingen heffen. De keuze om dergelijke nationale belastingen wel of niet te hanteren, betreft een nationale aangelegenheid waarbij EU-lidstaten verschillende keuzes kunnen maken. Zo heeft Nederland een verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken, maar Duitsland niet. Duitsland heeft bijvoorbeeld wel een belasting op koffie, die Nederland niet heeft.
In het genoemde voorbeeld overweegt XXL Nutrition een verhuizing naar Duitsland, mede vanwege de daar ervaren grotere ondernemingsvrijheid; hoe gaat u zorgen voor een aantrekkelijker vestigingsklimaat in Nederland, zodat bedrijven als XXL Nutrition niet vertrekken of juist terugkeren?
Zie antwoord 2
U heeft op 15 december 2025 aangekondigd om vóór de zomer van 2026, 500 regels te willen schrappen die het ondernemen bemoeilijken; valt de suikertaks hier ook onder?2
De verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken maakt geen deel uit van de eerste 218 regels die ik voor de kerst naar uw Kamer heb gestuurd. De verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken ligt primair op het terrein het Ministerie van Financiën.
Volgens het item van Nieuws van de Dag zijn tot op heden slechts zeven van de beoogde 500 regels aangepast; hoe verklaart u deze beperkte voortgang?
Dat tot op heden niet alle beoogde 500 regels zijn aangepast, komt doordat de met deze aanpassingen samenhangende wetstrajecten de nodige zorgvuldigheid vereisen en daarmee tijd vergen. Voor 27 van deze regels is de voortgang van regeldrukvermindering wel al beschreven, en de teller laat daarnaast zien dat 191 regels door het kabinet in behandeling zijn genomen om de daarmee samenhangende regeldruk te verminderen. Hiermee is sprake van duidelijke voortgang binnen de nieuwe 500-regel aanpak.12
Hoe bent u concreet van plan om uw doelstelling – het schrappen van 500 regels vóór de zomer van 2026 – alsnog te realiseren?
Doordat het hele kabinet zich heeft gecommitteerd aan de target van 500 regels, hebben we na een paar maanden al de eerste 218 bestaande regels kunnen identificeren waar we regeldruk gaan verminderen. De komende maanden zal het hele kabinet hard blijven doorwerken aan het schrappen en administratief luwer maken van de regels die reeds in kaart zijn gebracht, en het in kaart brengen van meer regels om het target van 500 regels voor de zomer te halen.
Op welke wijze kan deze fractie u ondersteunen bij het zo spoedig mogelijk behalen van deze doelstellingen, zodat ondernemen in Nederland weer aantrekkelijk wordt en Nederlandse bedrijven behouden blijven voor Nederland?
Het verminderen en voorkomen van regeldruk is een opgave voor het hele kabinet. Veel regels waar ondernemers last van hebben, liggen op het terrein van mijn collega’s in het kabinet. Kamerleden kunnen in alle commissies van uw Kamer aandacht blijven geven aan dit thema. Hiermee ondersteunt de Kamer het kabinet bij het zo spoedig mogelijk behalen van deze doelstellingen.
De kansen voor Nederland en Curaçao om te profiteren van de aanlanding en opslag van Venezolaanse olie |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Vincent Karremans (VVD), Rijkaart , van Marum |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat een tanker met Venezolaanse olie is aangemeerd op Curaçao en dat deze olie daar tijdelijk wordt opgeslagen?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat deze ontwikkeling Curaçao opnieuw positioneert als een strategisch knooppunt voor energieopslag en -logistiek in het Caribisch gebied? Zo ja, welke kansen ziet u hierin voor het Koninkrijk der Nederlanden als geheel?
Het is op basis van de berichtgeving nog te vroeg om dat te concluderen. Het gaat immers vooralsnog om tijdelijke activiteiten. Daarnaast is de situatie in Venezuela nog hoogst onzeker. Er bestaan verschillende scenario’s voor een Venezuela post-Maduro. Deze onzekerheid heeft ook betrekking op de olie-industrie. Tegelijkertijd beschikt Curaçao door zijn geografische ligging en bestaande haven- en opslaginfrastructuur over kenmerken die het eiland mogelijk interessant maken voor energielogistiek in de regio. Economische aangelegenheden vallen echter binnen de autonome bevoegdheden van Curaçao en dus buiten het mandaat van Nederland en het Koninkrijk.
Ziet u mogelijkheden om de bestaande olie- en haveninfrastructuur op Curaçao structureel beter te benutten voor opslag, overslag en doorvoer van energieproducten, mede gezien de gunstige geografische ligging van het eiland?
Op dit moment wordt de olie- en haveninfrastructuur hiervoor al benut. Er zijn geen aanwijzingen dat Curaçao meer bedrijvigheid zal kennen als fossiele doorvoerhaven door de huidige ontwikkelingen. Structurele economische keuzes liggen bij Curaçao.
In hoeverre ziet u kansen voor Nederland en Nederlandse bedrijven – onder meer actief in havenontwikkeling, maritieme dienstverlening, energie-logistiek, opslagtechnologie en engineering – om te profiteren van de toegenomen rol van Curaçao in internationale energiestromen, waarbij recente ontwikkelingen meer ruimte hebben gecreëerd voor opslag, overslag en doorvoer, in het licht van de vergrote Amerikaanse betrokkenheid bij de Venezolaanse olie-industrie?
De huidige ontwikkelingen betreffen vooralsnog tijdelijke activiteiten in een specifieke geopolitieke context. Dit maakt het te vroeg om te spreken over structurele kansen voor Nederland of Nederlandse bedrijven. Dat Curaçao beschikt over bestaande haven- en opslagfaciliteiten en een strategische ligging kan het eiland in algemene zin relevant maken als energiehub in de regio. Of en in hoeverre hieruit concrete economische kansen ontstaan, is afhankelijk van verdere ontwikkelingen en betreft in de eerste plaats een autonome afweging van het land Curaçao en marktpartijen.
Is er vanuit het Rijk actief contact met de regering van Curaçao over het versterken van economische samenwerking op het gebied van energie-logistiek en strategische infrastructuur? Zo ja, hoe krijgt deze samenwerking concreet vorm?
De primaire verantwoordelijkheid voor economische keuzes en haven- en industriële activiteiten ligt bij het Land Curaçao. De rol van het Koninkrijk is daarbij onder meer om, waar aan de orde, de Rijksbrede belangen te bewaken (zoals internationale verplichtingen en veiligheid).
Tegelijkertijd is er de afgelopen jaren actief ingezet om samenwerking op het gebied van energielogistiek en strategische infrastructuur te versterken. Zo zijn via de SDE++ middelen beschikbaar gesteld voor het versterken en uitbreiden van de energie-infrastructuur, waaronder netverzwaring en batterijopslag, met als doel de betrouwbaarheid en flexibiliteit van het energiesysteem te vergroten. Daarnaast is de BMKB-regeling opengesteld voor Curaçao om de toegang tot financiering voor het midden- en kleinbedrijf te verbeteren en zo de bredere economische ontwikkeling te ondersteunen. Deze inzet is gericht op het creëren van voorwaarden waarbinnen Curaçao zelfstandig verdere keuzes kan maken.
Ziet u mogelijkheden om Curaçao binnen het Koninkrijk te ontwikkelen tot een structurele energie-hub, vergelijkbaar met de rol die Nederland zelf vervult binnen Noordwest-Europa?
Hoewel Curaçao historisch een rol heeft gespeeld in de regionale energie-infrastructuur, is het op basis van de huidige informatie te vroeg om te spreken over de ontwikkeling van Curaçao tot een structurele energiehub binnen het Koninkrijk. De recente activiteiten geven daarvoor onvoldoende aanknopingspunten en kennen een tijdelijk karakter. De ontwikkeling van een dergelijke rol vergt langdurige investeringen, beleidskeuzes en stabiliteit, waarvoor de verantwoordelijkheid bij het autonome land Curaçao ligt. Nederland kan binnen de bestaande verhoudingen ondersteunen waar dat passend is, maar stuurt hier niet op.
Welke kansen ziet u om deze ontwikkelingen te benutten voor economische groei, werkgelegenheid en kennisontwikkeling op Curaçao, en daarmee voor een versterking van de sociaaleconomische positie van het eiland binnen het Koninkrijk?
Gezien het vooralsnog tijdelijke karakter van de huidige activiteiten is het op dit moment moeilijk te bepalen wat de exacte mogelijkheden zijn om deze ontwikkelingen in te zetten voor economische groei, werkgelegenheid en kennisontwikkeling op Curaçao. Dit betreft in de eerste plaats ook een autonome afweging van het land Curaçao en marktpartijen.
In hoeverre wordt bij deze ontwikkelingen gekeken naar synergie met Nederlandse havens, logistieke netwerken en kennisinstellingen, zodat toegevoegde waarde zo veel mogelijk binnen het Koninkrijk blijft?
Op dit moment is er geen sprake van concrete trajecten gericht op structurele synergie met Nederlandse havens, logistieke netwerken of kennisinstellingen. Zolang onduidelijk is of de huidige activiteiten een duurzaam karakter krijgen, ligt de focus op het volgen van de ontwikkelingen. Indien zich op termijn meer bestendige economische activiteiten aandienen, kan worden bezien of en hoe samenwerking binnen het Koninkrijk toegevoegde waarde kan hebben, met respect voor de autonome bevoegdheden van Curaçao.
Bent u bereid om, samen met Curaçao, te verkennen hoe deze ontwikkelingen kunnen worden ingebed in een bredere economische en strategische visie voor het Koninkrijk der Nederlanden op het gebied van energie en logistiek?
Ik ben bereid om hierover met Curaçao in gesprek te blijven, binnen de bestaande overlegstructuren in het Koninkrijk. Daarbij geldt dat een eventuele bredere economische visie rekening moet houden met internationale en juridische kaders (waaronder sanctieregimes voor zover van toepassing), veiligheid en weerbaarheid van strategische infrastructuur; en milieu- en gezondheidsaspecten.
Kunt u aangeven welke vervolgstappen u ziet om deze kansen actief te benutten, en op welke termijn de Kamer hierover nader kan worden geïnformeerd?
De berichtgeving laat zien dat de ontwikkelingen rond Venezolaanse olie in de Cariben veranderlijk zijn en geopolitieke gevoelig liggen. Daarom blijf ik goed in contact met het land Curaçao over de actuele ontwikkelingen en mogelijke implicaties voor het Koninkrijk. Het is aan het autonome land Curaçao om eventuele economische kansen te benutten. Indien Nederland hier een actieve rol in krijgt, breng ik de Kamer hiervan op de hoogte stellen.
Het bericht 'Elon Musks AI-chatbot Grok onder vuur door seksueel getinte beelden' |
|
Sarah El Boujdaini (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
Foort van Oosten (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Elon Musks AI-chatbot Grok onder vuur door seksueel getinte beelden»?1
Ja.
Bent u op de hoogte van het incident waarbij AI-chatbot Grok door gebruikers werd aangespoord om seksuele deepfakes van minderjarige meisjes te genereren, en dat deze beelden tot wel 12 uur online hebben gestaan voordat ze werden verwijderd? Zo ja, hoe beoordeelt u dit incident in het licht van de Digital Services Act (DSA) verplichtingen ten aanzien van bescherming van minderjarigen?
Ja, daarvan zijn we op de hoogte. Het bericht dat zoveel mensen slachtoffer zijn geworden vinden wij zeer zorgwekkend. De slachtoffers zijn met name vrouwen en minderjarigen, maar deepnudes kunnen in potentie van iedereen gemaakt worden. De impact en de gevolgen van deepnudes voor slachtoffers en hun omgeving zijn enorm, mede omdat het maken van deepnudes steeds geavanceerder wordt en daarmee deepnudes steeds realistischer worden. Daarnaast zijn deze beelden ook schadelijk voor de samenleving, omdat iedereen, specifiek jongeren, ze online tegen kunnen komen. Het vervaardigen van seksueel beeldmateriaal van minderjarigen, of van personen zonder toestemming, is strafbaar, ook als het materiaal met AI is gegenereerd.
Als aangewezen zeer groot online platform zal X moeten voldoen aan de verplichtingen uit de Digitale Dienstenverordening (DSA). In die hoedanigheid is X verplicht om de systeemrisico’s die kunnen voortvloeien uit de verspreiding van illegale content, zoals illegale deepnudes, te identificeren en te beperken. Ook moeten zij het gebruikers mogelijk maken om illegale inhoud op eenvoudige wijze te melden, welke meldingen zij op een tijdige, zorgvuldige, niet-willekeurige en objectieve wijze moeten beoordelen.
Het primaat van het DSA-toezicht op X als zeer groot online platform ligt bij de Europese Commissie (EC). Daarbij wordt zij ondersteund door de Ierse toezichthouder, als toezichthouder van de lidstaat waar X zijn hoofdvestiging heeft. De toezichthouders beoordelen niet of specifieke content illegaal is en leggen geen verwijderverzoeken of bevelen op aan platforms, maar controleren of bijvoorbeeld bovenstaande meldingsmechanismes van platforms voldoen aan de DSA en of het platform de melding netjes en op tijd onderzoekt en melder over de beslissing informeert. Op 26 januari werd bekend dat de EC een nieuw, officieel onderzoek is gestart naar (de functies van) Grok en X onder de DSA. In dit nieuwe onderzoek zal worden beoordeeld of X de risico’s in verband met de verspreiding van illegale inhoud, waaronder gemanipuleerde seksuele afbeeldingen en inhoud die kwalificeert als seksueel misbruik van kinderen, in verband met de uitrol van Grok in de EU naar behoren heeft beoordeeld en beperkt.
Welke stappen onderneemt Nederland binnen de Raad en richting de Europese Commissie om ervoor te zorgen dat DSA-verplichtingen met betrekking tot bescherming van minderjarigen en voorkomen van AI-malafide content effectief worden nageleefd door grote platforms?
Op de DSA wordt toezicht gehouden door onafhankelijke toezichthouders en Nederland kan dienaangaande geen instructies geven. Wel kan Nederland signalen afgeven aan de EC of de Autoriteit Consument & Markt (ACM), de coördinerende toezichthouder op de DSA in Nederland, in het geval risico’s worden gezien die om aandacht vragen. Zo heeft Nederland de uitkomsten van de kinderrechtenimpactassessments met de EC gedeeld.
Bent u op de hoogte van de lopende onderzoeken van meerdere landen (o.a. Frankrijk, Zweden, Australië) tegen X over de stroom aan deepfakes en seksueel expliciete AI-beelden? Zo ja, wat is de Nederlandse positie en rol hierin?
Ja, daarvan zijn wij op de hoogte. Het is mede aan de toezichthouder van de DSA, in dit geval de EC, om te beoordelen of X aan de wettelijke verplichtingen heeft voldaan. Daarnaast hebben wij vernomen dat Frankrijk een strafrechtelijk onderzoek is gestart.2 Nederland heeft in de lopende onderzoeken tegen X geen specifieke rol. Uiteraard volgen wij de ontwikkelingen met belangstelling.
Onder DSA zijn grote platformen verplicht om duidelijke, gebruiksvriendelijke mechanismen voor het rapporteren van illegale content te hebben en deze snel te behandelen, hoe beoordeelt u de effectiviteit van de huidige mechanismen van X, mede gezien het feit dat sommige beelden pas na journalistieke publiciteit werden verwijderd?
Het niet adequaat en of snel handelen van een zeer groot online platform wordt gesanctioneerd in het derde lid van artikel 16 DSA. Dit artikel verduidelijkt dat een melding van illegale inhoud, conform de vereisten van dat artikel, leidt tot zogenaamde «daadwerkelijke kennis of bekendheid» van die illegale inhoud bij een hostingbedrijf of online platform. Zodra dat het geval is, moet een zeer groot online platform prompt handelen om die illegale inhoud te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken. Doet een platform dat niet dan kunnen ze geen beroep doen op de vrijwaring van aansprakelijkheid uit artikel 6 van de verordening en zelfstandig aansprakelijk worden gesteld voor die illegale inhoud.
Het is aan de toezichthouder, in dit geval de EC, om te beoordelen of aan bovengenoemd kader is voldaan. De EC onderzoekt dit momenteel.
Hoeveel meldingen van AI-gegenereerde illegale content, waaronder deepfakes en beelden met minderjarigen, zijn via het DSA-transparantiesysteem aan de Europese Commissie en nationale autoriteiten gerapporteerd, en wat is daarvan de uitkomst?
De ACM heeft geen inzicht in meldingen die door andere lidstaten worden gedaan bij de EC en/of de Ierse toezichthouder Coimisiún na Meán (CNAM; toezichthouder van de lidstaat waar X zijn hoofdvestiging heeft). Dit is in principe vertrouwelijk tussen de melder en de EC. Meldingen over systeemrisico’s zijn vaak beschrijvend over een bepaalde functionaliteit of risico, aangevuld met enkele voorbeelden van het betreffende onderwerp.
Kunt u duidelijkheid geven over hoe momenteel toezicht en handhaving is ingericht op het gebied van deepfake incidenten in Nederland? En is dit alleen meldings-gedreven of ook door middel van actieve detectie?
Handhaving en toezicht op illegaal deepfake-beeldmateriaal gebeurt primair op basis van meldingen bij de bevoegde handhavingsautoriteiten over de online platforms waar deze worden verspreid.
De ACM is de bevoegde Nederlandse toezichthouder op de DSA. De ACM heeft op grond van de DSA geen bevoegdheid om verwijderbevelen op te leggen. Wel bevat de DSA verplichtingen op grond waarvan de ACM kan handhaven wanneer online platforms of hostingproviders onvoldoende optreden tegen illegale inhoud en hun processen met betrekking tot meldingen niet op orde hebben. Dit kan het geval zijn als blijkt dat de onlinedienst niet of onvoldoende gemotiveerd of traag reageert op meldingen over illegale inhoud van bijvoorbeeld gebruikers of trusted flaggers.
Het kan zijn dat niet de ACM maar een toezichthouder in een andere lidstaat bevoegd is ten aanzien van de onlinedienst in kwestie. In het geval van de kwestie X/Grok is bijvoorbeeld de Europese Commissie primair bevoegd. Zij kan als bevoegd toezichthouder een onderzoek instellen en boetes opleggen tot 6% van de wereldwijde omzet. Daarnaast hebben gebruikers de mogelijkheid om, naast het doorlopen van de interne klachtenafhandelingsprocedure bij een aanbieder, ook een gerechtelijke procedure te starten.
De ACM roept slachtoffers van dergelijke beelden op om melding te doen bij het platform/de hosting provider, bij de politie of bij een trusted flagger zoals Offlimits. Deze meldingen zijn waardevol om aan te tonen dat materiaal zonder toestemming is verspreid. Ook kan naar aanleiding van de meldingen blijken dat het platform/de hosting provider onvoldoende optreedt tegen illegale inhoud, waarna de ACM daarop kan handelen.
Daarnaast is de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) op grond van de DSA en de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) een bevoegd toezichthouder op het gebied van illegale deepfakes. Als deepfakes zonder toestemming worden verspreid, kan er sprake zijn van onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens. De AP kan een onderzoek instellen naar personen of organisaties die verantwoordelijk zijn voor het (mogelijk) maken en verspreiden van dit soort materiaal. Dit kunnen in bepaalde gevallen online platforms zijn, maar ook hostingproviders die de content hosten. Voor de AP is het wel van belang dat de partij die verantwoordelijk is voor de content (afhankelijk van de omstandigheden van het geval; het individu en/of het platform) te achterhalen is, wat, anders dan bij X, niet altijd het geval is. Het kan zijn dat niet de AP maar een gegevensbeschermingsautoriteit in een andere lidstaat bevoegd is ten aanzien van de onlinedienst in kwestie. Als uit het onderzoek blijkt dat er overtredingen zijn, kan de AP of andere autoriteit aanbieders van onlinediensten bijvoorbeeld een verwerkingsverbod opleggen voor wat betreft het onrechtmatige materiaal. Het proces van onderzoek en bestuursrechtelijk handhaven zal in de regel niet leiden tot het snel offline zijn van de beelden.
De officier van justitie kan op grond van artikel 125p van het Wetboek van Strafvordering (Sv) aan een aanbieder van een communicatiedienst bevelen om strafbare online content ontoegankelijk te maken. Een dergelijk bevel kan, kort gezegd, worden gegeven als sprake is van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, ter beëindiging van dat strafbare feit en/of ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten.
Voor illegale deepfakes, op basis van de artikelen 252, 254ba en art. 285d van het Wetboek van Strafrecht (Sr), is dit het geval. Van deze mogelijkheid wordt beperkt gebruik gemaakt, omdat de politie en het Openbaar Ministerie ook gebruik kunnen maken van verwijderverzoeken op basis van de zelfregulerings-mogelijkheden. Deze zijn in de praktijk vaak sneller. Een aanbieder die niet voldoet aan een dergelijk bevel onder 125p Sv kan strafrechtelijk aansprakelijk zijn (54a Sr).
Wanneer het materiaal van minderjarigen betreft is het seksueel beeldmateriaal van kinderen en is het strafbaar op grond van artikel 252 Sr. In Nederland is dan ATKM bevoegd om aanbieders van communicatiediensten die in Nederland zijn gevestigd of die seksueel beeldmateriaal van kinderen op Nederlands grondgebied hebben opgeslagen, te verplichten om dergelijk materiaal ontoegankelijk te maken of te verwijderen. Dit geldt ook voor seksueel beeldmateriaal van minderjarigen dat is vervaardigd door middel van AI, zoals bij deepnudes. Als aanbieders van hostingdiensten niet aan deze verplichting voldoen, kan de ATKM bestuursrechtelijk handhaven. De ATKM kan in dat geval een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete opleggen, die kan oplopen tot 10% van de jaarlijkse omzet van de onderneming.
Hoe verhoudt de handhaving van de AVG zich tot de handhaving van de DSA in dit soort gevallen, en ziet u mogelijkheden om deze instrumenten gezamenlijk effectiever in te zetten?
Er kan in dit soort gevallen zowel op basis van de AVG als de DSA worden gehandhaafd. De ACM werkt momenteel nauw samen met de AP en andere betrokken instanties aan mogelijkheden om elkaar hierin te versterken.
De ACM heeft op grond van de DSA geen bevoegdheid om verwijderbevelen op te leggen. Wel bevat de DSA verplichtingen op grond waarvan de ACM kan handhaven wanneer online platforms of hostingproviders onvoldoende optreden tegen illegale inhoud en hun processen met betrekking tot meldingen niet op orde hebben. Dit kan het geval zijn als blijkt dat de onlinedienst niet of onvoldoende gemotiveerd of traag reageert op meldingen over illegale inhoud van bijvoorbeeld gebruikers of trusted flaggers. Het kan zijn dat niet de ACM maar een toezichthouder in een andere lidstaat bevoegd is wat betreft de onlinedienst in kwestie. In het geval van de kwestie X/Grok is bijvoorbeeld de Europese Commissie primair bevoegd.
De AP kan een onderzoek instellen naar personen of organisaties die verantwoordelijk zijn voor het (mogelijk) maken en verspreiden van materiaal dat in strijd is met de AVG. Dit kunnen in bepaalde gevallen online platforms zijn, maar ook hostingproviders die de content hosten. Voor de AP is het wel van belang dat de partij die verantwoordelijk is voor de content (afhankelijk van de omstandigheden van het geval; het individu en/of het platform) te achterhalen is, wat, anders dan bij X, niet altijd het geval is. Het kan verder zo zijn dat niet de AP maar een gegevensbeschermingsautoriteit in een andere lidstaat bevoegd is wat betreft de onlinedienst in kwestie. Als uit het onderzoek blijkt dat er overtredingen zijn, kan de AP of andere autoriteit aanbieders van onlinediensten bijvoorbeeld een verwerkingsverbod opleggen wat betreft het onrechtmatige materiaal. Hierin verschilt de handhavingsmogelijkheden op de AVG ten aanzien van de mogelijkheden onder de DSA. Het proces van onderzoek en bestuursrechtelijk handhaven zal in de regel niet leiden tot het snel offline zijn van de beelden.
Vindt u dat «nudify»-apps en dergelijke functies van AI-chatbots überhaupt bestaansrecht hebben? Zo nee, wat gaat u daaraan doen?
Binnen het Ministerie van Justitie en Veiligheid wordt gekeken naar de mogelijkheden om het gebruik van nudify applicaties verder tegen te gaan. Ondanks de mogelijkheid om gebruikers van de applicaties strafrechtelijk te vervolgen (via de artikelen 252 en 254ba Sr) en de mogelijkheid om elk illegaal beeld steeds te laten verwijderen, blijft het maatschappelijk probleem rondom deepnudes zich in grote mate voordoen. Om die reden wordt bezien of het wenselijk en haalbaar is het aanbieden van de applicaties zelf te verbieden, nationaal dan wel Europees. Inmiddels hebben met verschillende stakeholders en experts gesprekken plaatsgevonden. Voordat een inhoudelijke positie bepaald wordt, is verdere studie nodig.
Bent u bereid om aan te dringen op effectieve handhaving tegen X in de kwestie van AI-gegenereerde beelden van minderjarigen en zo ja, welke nationale en Europese maatregelen kunnen er genomen worden of welke sancties kunnen er worden opgelegd?
Effectieve handhaving van Europees recht is onverminderd van belang. De Europese Commissie is op 26 januari jl. een nieuw onderzoek gestart naar X dat specifiek ziet op Grok. Als de Commissie concludeert dat X de DSA heeft overtreden, kan zij verdere handhavingsmaatregelen nemen, zoals de vaststelling van een besluit tot niet-naleving en de oplegging van een boete.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Bent u bekend met het bericht «Chemiereus Sabic verkoopt twee fabrieken: gevolgen voor honderden werknemers nog niet duidelijk»?1
Ja, ik ben hiermee bekend.
Hoe taxeert u de langetermijneffecten van deze transacties op de basisindustrie in Nederland in het algemeen?
Op 8 januari jl. heeft SABIC aangekondigd voornemens te zijn haar Europese assets grotendeels te verkopen. Het gaat hierbij om twee transacties. De Europese petrochemische activiteiten worden verkocht aan het Duitse AEQUITA en de Europese en Amerikaanse activiteiten in engineering thermoplastics (ETP) aan het Duitse Mutares. Vanuit het Ministerie van KGG staan we in nauw contact met SABIC over deze ontwikkelingen en de komende periode zullen we ook met deze nieuwe eigenaren in gesprek gaan over hun toekomstplannen. De inzet daarbij is zoveel mogelijk (hoogwaardige) activiteiten en werkgelegenheid die bijdragen aan versterking van de Nederlandse basisindustrie te behouden. De precieze langetermijneffecten zijn nu nog niet bekend.
Wel is reeds bekend dat AEQUITA recent ook soortgelijke Europese assets van LyondellBasell heeft gekocht. De investeringsmaatschappij heeft daarmee straks een significant deel van de Europese petrochemiemarkt in handen. In haar persbericht spreekt AEQUITA uit te willen consolideren naar een nieuwe Europese plastics speler. De geplande grote onderhoudsstop in 2026 wordt uitgevoerd volgens planning. Dit straalt vertrouwen uit naar de toekomst.
Mutares heeft geen andere chemieactiviteiten. De installaties die Mutares overneemt van SABIC, waaronder de fabriek in Bergen op Zoom, richten zich op meer gespecialiseerde materialen en vormen ook binnen SABIC een zelfstandig bedrijfsonderdeel met een eigen markt.
Tegelijkertijd staat het investeringsklimaat voor de basisindustrie in Europa, en zeker ook in Nederland, op dit moment sterk onder druk. AEQUITA en Mutares betalen aan SABIC een lage overnameprijs, waarbij betaling ook (deels) voorwaardelijk is aan toekomstige prestaties. Dit laat de zeer uitdagende concurrentiepositie van deze Europese installaties zien. Het is belangrijk op Europees niveau te zoeken naar gezamenlijke oplossingen. Hiervoor is op initiatief van de Europese Commissie recent de Critical Chemical Alliance opgericht, waarin Nederland een grote rol speelt.
Hoe taxeert u het langetermijneffect op het samenhangende basisindustrie ecosysteem van de Chemelot campus in Geleen in het bijzonder?
De transacties zullen waarschijnlijk pas in Q4 2026 worden afgerond. Met verkoop lijkt sluiting van de kraker voorlopig van de baan, al moet wel rekening worden gehouden met mogelijke sluitingen en reorganisaties binnen het bredere portfolio van AEQUITA in de toekomst. Sluiting van de kraker zou grote gevolgen hebben voor de site Chemelot. Daarom is vanuit het Ministerie van KGG nauw contact met SABIC en zullen ook contacten worden gelegd met de nieuwe eigenaren, zoals eerder aangegeven in antwoord op vraag 2.
Bent u van plan zich in te zetten voor het in Nederland vestigen van het hoofdkantoor van de chemische activiteiten van Aequita, net zoals het hoofdkantoor van Sabic zich op dit moment al in Amsterdam bevindt?
Het hoofdkantoor van SABIC, de productie van een aantal speciale polymeren in Bergen op Zoom en de R&D faciliteit van SABIC in Bergen op Zoom en op Chemelot zijn geen onderdeel van de transacties. Deze blijven in Nederland.
De hoofdkantoren van AEQUITA en Mutares bevinden zich momenteel in Duitsland. Door de gesprekken met deze partijen proberen we een beter beeld te krijgen van hun toekomstplannen. Mocht oprichting van een zelfstandig hoofdkantoor voor de chemische activiteiten van AEQUITA aan de orde komen, dan is gezien het belang van deze activiteiten voor Nederland de verwachting dat ingezet zal worden op aantrekken van dit nieuwe hoofdkantoor. De uiteindelijke inzet zou in samenwerking met de Netherlands Foreign Investment Agency2 worden bepaald en uitgevoerd, op basis van de verwachte toegevoegde waarde voor Nederland. Het is nu nog te vroeg hier verder uitspraken over te doen.
Kunt u faciliteren dat relevante arbeidsmarktregio’s en de nieuwe eigenaar om de tafel gaan om de effecten op personeelsgebied zo snel mogelijk in kaart te brengen?
Dit is niet aan de orde. De verantwoordelijkheid ligt bij de betreffende werkgever en de nieuwe eigenaar om met de betrokken vakbonden in gesprek te gaan over de effecten op personeelsgebied en een eventueel sociaal plan.
Kunt u aangeven welke stappen u zet om, samen met werkgevers, vakbonden en regionale overheden, alles in het werk te stellen om de werkgelegenheid en de economische vitaliteit in de betrokken regio’s te borgen, nu de Nederlandse SABIC-activiteiten zijn verkocht aan investeerders?
Regio Zuid Limburg zet in op een grensoverstijgende circulaire en innovatieve (kennis)economie. In het kader van o.a. Regiodeals en het Nationaal Programma Vitale Regio’s werken Rijk en regio hierbij samen. Kansen doen zich bijvoorbeeld voor bij het benutten van grensoverstijgend economisch potentieel in chemie, life sciences&health, medtech en smart services/AI, bij de verdere ontwikkeling van de campussen in Maastricht, Geleen en Heerlen, bij de Einstein telescoop, bij de verduurzaming van Chemelot en bij de Limburg Defensie Agenda.
Regio West Brabant zet in op een innovatieve plantaardige economie met toegepaste technologie als speerpunt en biotechnologie als focus voor de toekomst. In het kader van o.a. Regiodeals werken Rijk en regio hierbij samen. Kansen doen zich bijvoorbeeld voor op terreinen als voeding, bouw, chemie en farma.
Het artikel 'Groei maskeert kwetsbaarheid kleinbedrijf: microbedrijven lopen op cashmuur af' |
|
Jan Schoonis (D66) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Groei maskeert kwetsbaarheid kleinbedrijf: Microbedrijven lopen op cashmuur af» in het Financiële Dagblad van 9 januari 2026, waaruit blijkt dat de financiële positie van micro- en kleine mkb-bedrijven (tot € 2 miljoen omzet) snel verslechtert, ondanks omzetgroei?1
Ja
Herkent u het geschetste beeld dat deze bedrijven steeds minder rendement halen en nauwelijks nog financiële buffers hebben?
Uit de langjarige cijfers van de Conjunctuurenquête2 van het CBS blijkt dat sinds 2022, na de coronacrisis, een aantal bedrijven in alle grootteklassen aangeeft financiële beperkingen te ondervinden. Het aandeel nam toe van ongeveer 5% in 2022 tot ongeveer 10% eind december 2025. Het aandeel specifiek in het kleinbedrijf (met 5–50 werkzame personen) dat financiële beperkingen ervaart nam toe van 6,8% in 2022 naar 12,9% in 2025. Dit brengt het aandeel terug richting percentages die voor corona zijn gemeten. Het aandeel bedrijven dat financiële beperkingen ervaart, blijft nog steeds een kleine minderheid.
Deze trend wordt bevestigd in recente enquêtes van de Kamer van Koophandel3 en panelonderzoek4 uit oktober 2025 van Qredits. Tegelijkertijd blijkt uit de Conjunctuurenquête dat 90% van de ondervraagde bedrijven niet aangeeft financiële beperkingen te ervaren. Via de Financieringsmonitor en de Conjunctuurenquête, beiden uitgevoerd door het CBS, en andere onderzoeken blijf ik continu de financiële positie van het mkb monitoren.
Hoe beoordeelt u de conclusie uit het onderzoek dat veel ondernemers hun coronasteun en andere leningen hebben moeten gebruiken om kosten te dekken in plaats van te investeren?
Zoals de onderzoekers van Teamleader aangegeven is er onvoldoende data om deze conclusie te trekken. Wel hebben de onderzoekers aangegeven dit te vermoeden. Ik zie dit als een logisch gevolg van de uitzonderlijke omstandigheden tijdens en na de coronaperiode. Voor veel ondernemers was het noodzakelijk om steun en leningen in te zetten om acute verplichtingen na te komen.
De coronasteunmaatregelen waren hoofdzakelijk gericht op het behoud van banen en werkgelegenheid, de voortgang van bedrijfsactiviteiten en het behoud van economische groei. De steunmaatregelen droegen bij aan een verbetering van de liquiditeit en solvabiliteit van bedrijven. Afgelopen jaar heb ik uw Kamer de evaluatie van de Tegemoetkoming Ondernemers Getroffen Sectoren COVID-19 (TOGS) en Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL) gestuurd.5 Recentelijk heeft ook de Minister van Financiën, mede namens het Ministerie van Economische Zaken (EZ) en Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), uw Kamer de synthesestudie coronasteunmaatregelen6 gestuurd. Dit syntheseonderzoek concludeert, op basis van eerdere evaluaties, dat het coronasteunpakket als geheel doeltreffend was in het behoud van werkgelegenheid en waardeketens.
Welke lessen trekt u hieruit voor de opzet en de inzet van toekomstige steun- of stimuleringsregelingen?
Alle maatregelen en financiële instrumenten voor het bedrijfsleven worden (periodiek) geëvalueerd en lessen hieruit zullen worden meegenomen bij een eventuele crisis.
In hoeverre deelt u de zorgen dat microbedrijven als «kanarie in de kolenmijn» bij een kleine tegenvaller al in grote problemen komen, mede doordat marges onder druk staan en vaste lasten en rentes stijgen?
Ik onderschrijf het grote belang van het microbedrijf. De financiële knelpunten die zich nu voordoen, hebben meerdere oorzaken, zoals stijgende lonen, energie- en huurprijzen. Alle bedrijven hebben te maken met deze prijsstijgingen. Echter, in combinatie met de smalle marges die door de kostenstructuur in een aantal sectoren bestaan, zoals horeca en detailhandel, kunnen de kostenstijgingen daar meer effect hebben. Onder reguliere omstandigheden is het een gebruikelijk proces dat bedrijven verdwijnen die financieel niet gezond zijn, een zwak businessmodel hebben of zich niet kunnen aanpassen aan veranderende omstandigheden. De huidige stijging van het aantal bedrijven dat vrijwillig stopt, kan een indicatie zijn dat er nu een inhaalslag plaatsvindt. Hierdoor blijven financieel gezonde bedrijven over die een stabiele basis vormen voor de economie. Ik blijf de ontwikkelingen in het mkb zorgvuldig monitoren.
Ziet u aanleiding voor aanvullend beleid om deze bedrijven weerbaarder te maken?
Ik zie nu geen aanleiding tot aanvullend beleid. Op verschillende manieren ondersteunen we al het mkb. Denk bijvoorbeeld aan Qredits, dat zich richt op mkb-ondernemers die financiering of coaching nodig hebben, maar niet in het reguliere financieringscircuit terecht kunnen. Of aan de Borgstelling MKB-kredieten (BMKB). Er is een samenhangend palet van instrumenten om financiële problemen tijdig te herkennen en aan te pakken. Zo speelt het Ondernemersklankbord (OKB) een belangrijke rol bij het vroegtijdig signaleren van financiële kwetsbaarheid en het bieden van onafhankelijke begeleiding aan ondernemers. Daarnaast biedt Geldfit Zakelijk ondernemers laagdrempelig inzicht in hun financiële situatie en toegang tot passende ondersteuning bij (dreigende) schulden. OKB en Geldfit Zakelijk worden financieel ondersteund door Economische Zaken en dragen eraan bij dat ondernemers eerder hulp zoeken en problemen niet onnodig escaleren. Ook zijn er fiscale instrumenten die zich specifiek richten op het mkb, zoals de Zelfstandigenaftrek en de mkb-winstvrijstelling.
Hoe kijkt u aan tegen de verslechterende toegang tot financiering voor met name micro-ondernemingen?
Uit de meeste recente CBS-Financieringsmonitor blijkt geen verslechtering in de toegang tot financiering voor het microbedrijf. De afgelopen jaren weet het microbedrijf juist vaker aan financiering te komen. Zo zijn er meer microbedrijven overgegaan tot een financieringsaanvraag en hebben deze aanvragen ook vaker geleid tot financiering. Dit is goed nieuws. Toch blijven er microbedrijven, die lastig financiering weten te vinden. Voor deze ondernemers is er onder andere de FinancieringsGids (voor informatie en advies) en Qredits (voor microkredieten).
Welke concrete stappen neemt u om de toegang tot krediet, inclusief non-bancaire financieringsvormen, te verbeteren?
Allereerst kunnen ondernemers terecht bij de FinancieringsGids. Hier vinden ondernemers informatie over kredietverleners (bancair en non-bancair) en financieringsadviseurs. Daarnaast staat er op de FinancieringsGids ook informatie over, bijvoorbeeld, hoe je het beste een financieringsaanvraag kunt indienen. Voor ondernemers die meer hulp nodig hebben is er ook de optie om een financieringsadviseur van de KvK te spreken of contact op te nemen met een private financieringsadviseur die is aangesloten bij het keurmerk Erkend Financieringsadvies MKB. Net als vorig jaar blijf ik dit jaar de FinancieringsGids door ontwikkelen.
Voor directe kredieten is er bovendien Qredits. Qredits verstrekt met name microkredieten, vooral aan starters en microbedrijven. In 2025 heb ik hierom een garantie afgegeven op een lening van de Europese Investeringsbank (EIB) aan Qredits. Met deze lening van € 40 mln. kan Qredits kredieten aan ondernemers verstrekken.
Ook stimuleer ik de professionalisering van de non-bancaire sector en financieringsadviseurs via stichting Finankeur. Deze stichting heeft drie gedragscodes: Erkend MKB Financier, Kort Zakelijk Krediet en Erkend Financieringsadvies MKB. Door deze gedragscodes wordt het voor ondernemers overzichtelijker welke financiers en financieringsadviseurs betrouwbaar zijn. Finankeur gaat komend jaar in gesprek met de sector over de versterking van de codes.
In hoeverre herkent u het belang van goed betalingsgedrag in de keten als essentieel instrument om de liquiditeitspositie van kleine ondernemers te verbeteren? Welke aanvullende maatregelen overweegt u om dit te bevorderen, bijvoorbeeld via strengere handhaving van betaaltermijnen?
Goed betalingsgedrag is essentieel voor de liquiditeitspositie van kleine ondernemers en speelt een belangrijke rol in het voorkomen van schulden. Ik onderschrijf het belang van tijdige betalingen en blijf inzetten op de bewustwording en naleving van wettelijke betaaltermijnen. Daarnaast wordt er gekeken naar mogelijkheden om handhaving en transparantie rondom betaalgedrag verder te versterken.
Het bericht 'Wereldwijde druk op X groeit om bikini-deepfakes en AI-beelden minderjarigen' |
|
Tijs van den Brink (CDA), Jantine Zwinkels (CDA) |
|
van Marum , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Wereldwijde druk op X groeit om bikini-deepfakes en AI-beelden minderjarigen»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het volstrekt onacceptabel en aanstotelijk is dat X op grote schaal seksuele deepfakes van vrouwen en minderjarigen genereert met AI-chatbot Grok?
Ja, wij vinden het onacceptabel dat met behulp van de AI-chatbot Grok op grote schaal deepnudes (seksueel getinte nepafbeeldingen of -video’s) zijn gegenereerd. Het bericht dat zoveel mensen, slachtoffer zijn geworden vinden wij zeer zorgwekkend. De slachtoffers zijn met name vrouwen en minderjarigen, maar deepnudes kunnen in potentie van iedereen gemaakt worden. De impact en de gevolgen van deepnudes voor slachtoffers en hun omgeving zijn enorm, mede omdat het maken van deepnudes steeds geavanceerder wordt en daarmee deepnudes steeds realistischer worden. Daarnaast zijn deze beelden ook schadelijk voor de samenleving, omdat iedereen, specifiek jongeren, ze online tegen kunnen komen. Het vervaardigen van seksueel beeldmateriaal van minderjarigen of van personen zonder toestemming, is strafbaar, ook als het materiaal met AI is gegenereerd.
Bent u bereid om aan te sluiten bij landen zoals Frankrijk en Australië die een onderzoek zijn begonnen tegen X en eisen dat X in actie komt tegen de stroom aan deepfakes van vrouwen? Welke concrete stappen gaat u hiervoor zetten?
In de aanpak van dit soort platforms vinden wij de Europese benadering van belang, waarbij wij als Europese lidstaten één lijn trekken. GROK AI wordt – omdat het onderdeel van X is – via de Europese Digitale Dienstenverordening (DSA) gereguleerd. X is een zeer groot online platform (meer dan 45 miljoen maandelijkse gebruikers) waarop de Europese Commissie (EC) toezicht houdt. De EC is inmiddels een onderzoek gestart in het kader van de DSA.2 Onder de DSA zijn platforms verplicht om illegale content zo snel mogelijk te verwijderen.
In het Verenigd Koninkrijk (VK) is toezichthouder Ofcom een onderzoek gestart. Het toezicht in het VK is anders geregeld, omdat het VK geen lid is van de EU en de DSA daarom niet van toepassing is.
Vindt u het wenselijk dat X veel verder gaat dan concurrenten als het gaat om het toestaan van bikini-deepfakes, terwijl voor andere AI-chatbots strengere beperkingen gelden voor wat met kunstmatige intelligentie mag worden gemaakt?
Nee, wij vinden het handelen van X op dit punt hoe dan ook niet wenselijk.
Voor al dit soort praktijken bestaat hetzelfde juridische kader dat deze praktijken tegen moet gaan. Hierbij is het relevant onderscheid te maken tussen illegale content en niet-illegale content. Alle beelden die illegaal zijn – zoals afbeeldingen van seksueel misbruik van kinderen3 – zijn ook illegaal als deze door AI gegeneerd zijn. Op grond van de DSA moet deze illegale content zo snel mogelijk verwijderd worden, zodra het platform kennis heeft van illegale content (als het bijvoorbeeld is gemeld). Voor wat betreft mogelijk schadelijke, niet-illegale content, geldt dat de DSA voorschrijft dat platforms zoals X systeemrisico’s in kaart moeten brengen en moeten mitigeren (artikel 34 DSA). Zoals hierboven aangegeven, is de EC, die hierop toezicht houdt, inmiddels een onderzoek gestart in het kader van de DSA.
Relevant is verder artikel 14 van de DSA dat regelt dat online platforms in hun gebruiksvoorwaarden informatie moeten opnemen over eventuele beperkingen die zij aan het gebruik van hun dienst opleggen met betrekking tot door de afnemers van de dienst verstrekte informatie. Die informatie omvat gegevens over eventuele beleidsmaatregelen, procedures, maatregelen en instrumenten die worden ingezet voor inhoudsmoderatie, met inbegrip van algoritmische besluitvorming en menselijke controle, alsook de procedurevoorschriften van hun interne klachtenafhandelingssysteem.
Gaat u zich inzetten om gemanipuleerde seksuele afbeeldingen van vrouwen en minderjarigen zo snel mogelijk van het platform te laten verwijderen? Zo ja, op welke manier gaat u dat doen?
Jazeker en wij zien in het geval van Grok AI al een aantal ontwikkelingen in de goede richting. Zo heeft X naar aanleiding van de toenemende druk laten weten de regels voor AI-chatbot Grok aan te scherpen, waardoor het niet meer mogelijk moet zijn om mensen ermee «uit te kleden» of afbeeldingen te creëren van echte mensen in weinig verhullende kleding. Indien er onverhoopt toch nog gemanipuleerde illegale beelden van vrouwen en minderjarigen op het platform staan, kan een ieder op grond van artikel 16 van de DSA een verwijderverzoek indienen. Het platform dient een dergelijk verwijderverzoek op een tijdige, zorgvuldige, niet-willekeurige en objectieve wijze te verwerken.
Als het verwijderen van de illegale content niet lukt door middel van een melding aan het platform, kan een gespecialiseerde hulporganisatie worden ingeschakeld. Op basis van de DSA is Offlimits door de Autoriteit Consument en Markt (ACM), de coördinerende toezichthouder op de DSA in Nederland, aangewezen als betrouwbare flagger. Dit houdt in dat zij verwijderverzoeken van illegale content kan indienen bij online platforms zoals X. X dient vervolgens onverwijld en prioritair dit verwijderverzoek te behandelen, en indien sprake is van illegale content dient het platform deze te verwijderen.
Indien een platform nalaat om adequaat op een melding te reageren, biedt de DSA mogelijkheden tot handhaving waarbij in het geval van X de Europese Commissie in kan grijpen. De EC kan als bevoegd toezichthouder een onderzoek instellen en boetes opleggen tot 6% van de wereldwijde omzet. Zoals hierboven vermeld, is de EC een onderzoek gestart naar X, waarbij specifiek wordt gekeken naar AI-chatbot Grok, vanwege mogelijke overtredingen van de DSA. Daarnaast hebben gebruikers de mogelijkheid om, naast het doorlopen van de interne klachtenafhandelingsprocedure bij een aanbieder, een gerechtelijke procedure te starten.
Is het mogelijk om op basis van de Digital Services Act (DSA) een verwijderverzoek in te dienen als het gaat om dergelijke deepfake afbeeldingen?
Ja, een ieder kan op grond van artikel 16 van de DSA een verwijderverzoek indienen wanneer er gemanipuleerde illegale beelden van vrouwen en minderjarigen op een platform staan.
Daarnaast rust op grond van de DSA op zeer grote onlineplatforms en zeer grote onlinezoekmachines de verantwoordelijkheid om illegale inhoud op hun diensten tegen te gaan en systeemrisico’s te mitigeren. Tevens dienen zij hun gebruikers in staat te stellen om illegale inhoud of inhoud die in strijd is met de gebruiksvoorwaarden van een zeer groot onlineplatform op eenvoudige wijze te melden. Het platform X is door de EC aangewezen als zeer groot online platform, waardoor al het bovenstaande van toepassing is.4
Deze zorgvuldigheidsplicht geldt ook ten aanzien van deepnudes, zodra deze illegaal zijn.5 Zo is op grond van artikel 252 Wetboek van Strafrecht (Sr) (ziet specifiek op seksueel beeldmateriaal van minderjarigen) en artikel 254ba Sr het zonder instemming maken, voorhanden hebben of verspreiden van seksueel beeldmateriaal strafbaar, ongeacht of dit door een persoon of AI is vervaardigd. Ook andere strafrechtelijke bepalingen, zoals doxing (art. 285d Sr) en smaad/laster (respectievelijk art. 261 en 262 Sr), zijn in voorkomend geval mogelijk van toepassing, bijvoorbeeld als de AI-chatbot gegenereerde beelden/ bewerkingen van personen bevatten met het oogmerk die persoon vrees aan te (laten) jagen (doxing) of opzettelijk iemands eer of goede naam aanrandt (smaad/laster), en er aan de andere voorwaarden van die specifieke wetsartikelen wordt voldaan.
Zoals ook aangegeven bij het antwoord op vraag 5, is X op grond van artikel 16 van de DSA verplicht een toegankelijk en gebruiksvriendelijk digitaal meldsysteem in te richten waarmee iedereen illegale online inhoud, zoals materiaal van illegale deepnudes, kan melden. Het derde lid van artikel 16 DSA verduidelijkt dat een melding van illegale inhoud, conform de vereisten van dat artikel, leidt tot zogenaamde «daadwerkelijke kennis of bekendheid» van die illegale inhoud bij een hostingbedrijf of online platform. Zodra dat het geval is, moet zij prompt handelen om die illegale inhoud te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken. Doet een platform dat niet dan kan zij geen beroep doen op de vrijwaring van aansprakelijkheid uit artikel 6 van de DSA en zelfstandig aansprakelijk worden gesteld voor die illegale inhoud. Voor het indienen van een verwijderverzoek kan de hulp van Offlimits, een betrouwbare flagger, worden ingeschakeld.
Zijn er voor zover bekend ook Nederlands slachtoffers van deze AI-beelden en zo ja, is voor deze slachtoffers voldoende bekend waar zij terecht kunnen voor hulp?
Slachtoffers kunnen bij verschillende organisaties, zoals Slachtofferhulp Nederland (SHN), Centrum Seksueel Geweld (CSG) en Offlimits, terecht voor hulp. Deze organisaties werken voortdurend aan het onder de aandacht brengen van hun meldpunten en/of hulplijnen, bijvoorbeeld door middel van campagnes. Als het slachtoffer overweegt een melding te maken of aangifte te doen, kan deze terecht bij de politie. Genoemde hulporganisaties kunnen slachtoffers hierover informeren of hierbij ondersteunen.
Bij bovengenoemde hulporganisaties is niet bekend of er ook Nederlanders zijn, die slachtoffer zijn geworden van de AI-naaktbeelden, die specifiek met de AI-Chatbot Grok zijn gegenereerd. Dit komt omdat bij meldingen die door slachtoffers worden gedaan bij SHN en CSG, in de registratie geen onderscheid wordt gemaakt naar misbruik van echt dan wel AI-gegenereerd beeldmateriaal. Bij meldingen die door slachtoffers worden gedaan bij Offlimits, wordt in de registratie wel onderscheid gemaakt tussen echt en AI-gegenereerd beeldmateriaal, maar wordt niet geregistreerd met welke specifieke AI-applicatie, zoals bijvoorbeeld de AI-chatbot Grok, de afbeeldingen zijn gegenereerd.
De politie heeft in de afgelopen twee maanden wel een toename gezien in de hoeveelheid meldingen die vanuit platforms wordt gedaan over uploads naar AI-chatbot Grok. Mogelijk zijn er slachtoffers die zelf melding hebben gedaan bij de politie, maar dit is niet goed uit de registratie te halen, omdat de melding onder verschillende delictsoorten kan worden geregistreerd.
In hoeverre biedt Nederlandse wetgeving bescherming tegen het genereren en verspreiden van AI-deepfakes van vrouwen en minderjarigen en is dit volgens u voldoende?
De Nederlandse wetgeving biedt via de artikelen 252 en 254ba Sr voldoende mogelijkheden om strafrechtelijk op te treden tegen personen die met AI applicaties (zonder toestemming) deepnudes van personen, waaronder vrouwen en minderjarigen, genereren, voorhanden hebben en verspreiden.
De strafbaarstelling van artikel 254ba Sr omvat onder meer het, zonder toestemming van de afgebeelde, vervaardigen van (nep) seksueel beeldmateriaal. Ook het openbaar maken en het voorhanden hebben van dergelijke (nep) naaktbeelden valt onder het bereik van dit artikel. Wanneer het materiaal van minderjarigen betreft is het seksueel beeldmateriaal van kinderen en is het strafbaar op grond van artikel 252 Sr.
Naast de strafrechtelijke handhaving door het Openbaar Ministerie (OM) op bovenstaande strafrechtelijke bepalingen zijn er bestuursrechtelijke handhavers die werken aan de bestrijding van online illegale content. Een van de belangrijkste is de ACM, die als digitaledienstencoördinator voor Nederland handhaaft op de verplichtingen uit de DSA.
De Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM) geeft uitvoering aan maatregelen die Nederland op grond van EU- en nationale regelgeving moet nemen om online terroristisch en seksueel beeldmateriaal van kinderen te signaleren en snelle verwijdering ervan door aanbieders van hostingdiensten te garanderen.
De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) is een onafhankelijke toezichthouder die per geval – uit eigen beweging of op verzoek – beoordeelt of wordt voldaan aan de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Het is aan de AP om te beoordelen of een AI deepfake een schending is van de AVG. Wanneer de AP een overtreding constateert, kan de AP een boete of dwangsom opleggen, en bevelen tot het stopzeten van gegevensverwerkingen.6
Daarnaast kunnen slachtoffers van AI deepfakes mogelijk bescherming vinden in het civielrecht. Artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek biedt het kader voor wat onrechtmatig is in civielrechtelijke zin – al dan niet in combinatie met specifieke civielrechtelijke bepalingen. Hierbij gaat het in de kern om een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, een en ander behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond.
Op welke manier wordt in Nederland gecontroleerd of platforms voldoen aan verplichtingen rondom schadelijke AI-inhoud?
In Nederland controleren de bevoegde toezichthouders of platforms voldoen aan wettelijke verplichtingen. De DSA bevat verplichtingen op grond waarvan de ACM kan handhaven wanneer online platforms of hostingproviders onvoldoende optreden tegen illegale inhoud en hun processen met betrekking tot meldingen niet op orde hebben. Dit kan het geval zijn als blijkt dat de onlinedienst niet of onvoldoende gemotiveerd of traag reageert op meldingen over illegale inhoud van bijvoorbeeld gebruikers of trusted flaggers.
Het kan zijn dat niet de ACM maar een toezichthouder in een andere lidstaat bevoegd is ten aanzien van de online dienst in kwestie. In het geval van X/Grok is bijvoorbeeld de EC primair bevoegd. Zij kan als bevoegd toezichthouder een onderzoek instellen en boetes opleggen tot 6% van de wereldwijde omzet. Daarnaast hebben gebruikers de mogelijkheid om, naast het doorlopen van de interne klachtenafhandelingsprocedure bij een aanbieder, ook een gerechtelijke procedure te starten.
De ACM roept slachtoffers van dergelijke beelden op om melding te doen bij het platform/de hosting provider, bij de politie of bij een trusted flagger zoals Offlimits. Deze meldingen zijn waardevol om aan te tonen dat materiaal zonder toestemming is verspreid. Ook kan naar aanleiding van de meldingen blijken dat het platform/de hosting provider onvoldoende optreedt tegen illegale inhoud, waarna de ACM daarop kan handelen.
Daarnaast is de AP op grond van de DSA en de AVG een bevoegd toezichthouder op het gebied van illegale deepnudes. Als deepnudes zonder toestemming worden verspreid, kan er sprake zijn van onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens. De AP kan een onderzoek instellen naar personen of organisaties die verantwoordelijk zijn voor het (mogelijk) maken en verspreiden van dit soort materiaal. Dit kunnen in bepaalde gevallen online platforms zijn, maar ook hostingproviders die de content hosten. Voor de AP is het wel van belang dat de partij die verantwoordelijk is voor de content (afhankelijk van de omstandigheden van het geval; het individu en/of het platform) te achterhalen is, wat, anders dan bij X, niet altijd het geval is. Het kan zijn dat niet de AP, maar een gegevensbeschermingsautoriteit in een andere lidstaat bevoegd is wat betreft de onlinedienst in kwestie. Als uit het onderzoek blijkt dat er overtredingen zijn, kan de AP of andere autoriteit aanbieders van onlinediensten bijvoorbeeld een verwerkingsverbod opleggen wat betreft het onrechtmatige materiaal. Het proces van onderzoek en bestuursrechtelijk handhaven zal in de regel niet leiden tot het snel offline zijn van de beelden.
Vindt u dat de mogelijkheid om elk persoon of object door een AI-bot af te laten beelden in bikini geschrapt moet worden om te voorkomen dat vrouwen en minderjarigen slachtoffer worden van seksuele deepfakes? Zo ja, welke stappen gaat u ondernemen?
Binnen het Ministerie van Justitie en Veiligheid wordt gekeken naar de mogelijkheden om het gebruik van nudify applicaties verder tegen te gaan. Ondanks de mogelijkheid om gebruikers van de applicaties strafrechtelijk te vervolgen (via de artikelen 252 en 254ba Sr) en de mogelijkheid om elk illegaal beeld steeds te laten verwijderen, blijft het maatschappelijke probleem rondom deepnudes zich in grote mate voordoen. Om die reden wordt bezien of het wenselijk en haalbaar is het aanbieden van de applicaties zelf te verbieden, nationaal dan wel Europees. Inmiddels hebben met verschillende stakeholders en experts gesprekken plaatsgevonden. Voordat een inhoudelijke positie bepaald wordt, is verdere studie nodig.
Denkt u dat een algeheel verbod op het generen van seksuele content door AI-bots kan helpen om te voorkomen dat vrouwen en minderjarigen hiervan slachtoffer worden? Zo nee, waarom niet?
Zoals bij vraag 8 beantwoord, kan tegen het (zonder toestemming) genereren, voorhanden hebben en verspreiden van deepnudes nu al strafrechtelijk worden opgetreden via de artikelen 252 en 254ba Sr. Ondanks deze strafrechtelijke mogelijkheden en de mogelijkheid om elk illegaal beeld te laten verwijderen, blijft het maatschappelijke probleem rondom deepnudes zich in grote mate voordoen.
In hoeverre kan de in consultatie gebrachte Wet naburig recht deepfakes van personen bij vergelijkbare gevallen behulpzaam zijn? En wanneer kan de Tweede Kamer dit wetsvoorstel verwachten?
Het wetsvoorstel naburig recht deepfakes van personen, een initiatiefvoorstel dat in voorbereiding was bij het voormalig Kamerlid Dral (VVD), is (nog) niet ingediend bij de Tweede Kamer. Er heeft van 30 oktober tot en met 31 december 2025 een internetconsultatie plaatsgevonden over een voorontwerp van de wet van haar hand. Dit voorontwerp is voor advies voorgelegd bij de Commissie Auteursrecht. Het is aan de opvolger van het lid Dral om te besluiten of en hoe het traject wordt voortgezet. Gelet op de voorbereidende fase waarin het wetsvoorstel zich op dit moment bevindt, kan niet worden beoordeeld in hoeverre het Wetsvoorstel een meerwaarde zal hebben voor de aanpak. Zoals bij de vragen 8 en 11 beantwoord, kan tegen het (zonder toestemming) vervaardigen, voorhanden hebben en verspreiden van deepnudes al strafrechtelijk worden opgetreden via de artikelen 252 en 254ba van het Wetboek van Strafrecht.
Bent u bereid in gesprek te gaan met Europese lidstaten over het misbruik van AI-chatbots als het gaat om seksuele content op X en andere platforms?
Ja, daartoe zijn wij bereid. Zoals is geantwoord bij vraag 10, vindt bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid een verkenning plaats waarbij wordt gekeken naar de mogelijkheden om het gebruik van nudify-applicaties verder tegen te gaan. Binnen dit onderzoek vinden ook gesprekken plaats met andere Europese lidstaten, om te bezien hoe de aanpak daar is vormgegeven en of gezamenlijk kan worden opgetreden.
Het artikel ‘Oekraïne wil oude gasinstallaties uit Groningen hebben’ |
|
Hanneke van der Werf (D66), Felix Klos (D66) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Oekraïne wil oude gasinstallaties uit Groningen hebben»1, waarin wordt beschreven dat Oekraïne gebaat zou zijn bij het direct overnemen van Nederlandse gasinstallaties die door de sluiting van de Groningse gaskraan in ons land zijn afgedankt en ongebruikt staan te wachten op ontmanteling?
Ja.
Erkent het kabinet het essentiële belang van een snelle reparatie van de Oekraïense gas-infrastructuur voor het moreel van de Oekraïense bevolking en dus ook voor veiligheid van Europa?
Ja. Sinds het begin van de grootschalige invasie in Oekraïne heeft Rusland de energie-infrastructuur in Oekraïne met continue en doelgerichte aanvallen verwoest. Op 14 januari jl. heeft president Zelensky de noodtoestand betreft de energiesituatie uitgeroepen. Meer dan 60% van de energiecapaciteit, onder meer gasproductiefaciliteiten, is verwoest en zitten dagelijks zo’n 6 miljoen Oekraïners zonder stroom en verwarming. Nederland steunt Oekraïne onverminderd via militaire en niet-militaire steun. Zo heb ik onlangs een bezoek aan Oekraïne gebracht, vergezeld door een handelsmissie van 17 bedrijven uit de energie- en gezondheidssector. Met de recent aangekondigde extra 23 miljoen energiesteun draagt Nederland in 2.026 EUR 133 miljoen bij aan energiesteun aan Oekraïne.2 Deze steun is gericht op het financieren van gasaankopen, het uitvoeren van urgente reparaties, het herstellen van onder meer energiecentrales en het leveren van energiemateriaal zoals generatoren en transformatoren. Sinds de start van de oorlog zijn ruim 250 vrachtwagens met energiemateriaal naar Oekraïne gereden.
Op welke termijn kunnen ongebruikte Groningse pompen en kranen naar Oekraïne worden gebracht?
In verband met de veiligheidssituatie in Oekraïne kunnen we geen uitspraken doen over concrete leveringen.
Kan het kabinet zeggen of er genoeg ongebruikte installaties in Groningen beschikbaar zijn om de schade van de Russische aanvallen in Oekraïne in zijn geheel te compenseren?
Zoals beschreven in het antwoord op vraag 2 is de schade aan het Oekraïense energiesysteem enorm. Het beschikbare materiaal van de NAM op zich zelf is helaas niet voldoende om alle beschadigde infrastructuur te repareren of vervangen. Daarom zet het kabinet in op diverse steunkanalen, zowel bilateraal als multilateraal. Het kabinet blijft kijken naar mogelijkheden voor steun aan Oekraïne.
Is het kabinet bereid ondersteuning te bieden bij het transport van (onderdelen van) oude gasinstallaties?
Het kabinet financiert ook de transportkosten van energiematerieel als onderdeel van onze in-kind (het leveren van materiele steun) bijdragen. Een deel van het beveiligde transport wordt daarnaast gefinancierd door de Europese Commissie.
Is de NAM bereid het materiaal kosteloos beschikbaar te stellen? Zo nee, is het kabinet bereid financiële ondersteuning te bieden en deze te beschouwen als onderdeel van de steun aan Oekraïne, zodat Oekraïne in geen geval zelf voor de installaties hoeft te betalen?
Het kabinet biedt financiële ondersteuning voor het inkopen en leveren van in-kind materiaal aan Oekraïne. Tot nog toe zijn ruim 250 vrachtwagens met materiaal aan Oekraïne geleverd, afkomstig van verschillende bedrijven. In 2026 is 25 miljoen beschikbaar voor in-kind steun aan Oekraïne waaronder gasmateriaal via de NAM. Het kabinet kan geen uitspraken doen over de bereidheid van de NAM om al dan niet goederen te doneren.
Kan het kabinet het Europese fonds voor de Oekraïense energiesector (UESF) aanspreken voor de kosten van aanschaf en transport van de benodigde materialen?
Het kabinet financiert het Europese fonds voor de Oekraïense energiesector (UESF) met een totale bijdrage van EUR 100 miljoen sinds de start van de oorlog. Deze bijdrage richt zich op het financieren van de hoogste urgente energienoden zoals geprioriteerd door Oekraïne en levert energiegoederen aan Oekraïne, zoals transformatoren, gasturbines en generatoren voor urgent herstel van beschadigde energie-infrastructuur. Die Nederlandse bijdrage wordt onder meer gebruikt voor herstel van beschadigde energiecentrales en netverbindingen in de regio’s Kharkiv, Donetsk en Vinnytsja. Daarnaast financiert het fonds, ook met een Nederlands bijdrage, de plaatsing van zonnepanelen op ziekenhuizen zodat deze operationeel blijven in het geval van stroomuitval. Het UESF maakt voor de inkoop van goederen gebruik van Europese aanbestedingen op basis van steunverzoeken die door het Oekraïense energieministerie ingediend worden.
Welke maatregelen treft het kabinet om waar nodig exportvergunningen versneld gereed te brengen?
Gezien het energiegoederen en energie-gerelateerd materiaal voor civiele doelen betreft zijn exportvergunningen niet aan de orde.
Onderschrijft het kabinet de gedachte dat een snelle levering van gasinstallaties hoge kosten voor Oekraïne en zijn partners in Europa kan voorkomen, gegeven het feit dat Oekraïne alleen al om de winter door te komen voor bijna twee miljard euro aan gasimport moet uitgeven?
Gezien de omvang van de schade aan de Oekraïense infrastructuur is het helaas niet mogelijk te voorkomen dat Oekraïne gas moet inkopen om de winter door te komen. In samenwerking met de Europese Commissie en diverse landen zoals Duitsland en Italië heeft de European Bank for Reconstuction and Development daarom extra financiering ter beschikking gesteld voor gasaankopen. Nederland draagt hier tevens aan bij. Dit is aanvullend aan de noodsteun gericht op het operationeel houden van het Oekraïense gas- en elektriciteitsnetwerk via UESF en de in-kind regeling.
Wilt u deze vragen één voor één uiterlijk voor 10 uur 's ochtends op woensdag 14 januari 2026 beantwoorden, zodat de antwoorden betrokken kunnen worden bij het eerstvolgende commissiedebat over gas?
Tijdens het Commissiedebat Gasmarkt van 14 januari jl. is de inzet betreft het leveren van onderdelen van de Groningse gaswinning voor de wederopbouw van de Oekraïense gasinfrastructuur ter sprake gekomen. Deze inzet past binnen de bredere Nederlandse steun aan Oekraïne.
De Kamerbrief Side-by-side-pakket wereldwijde minimumbelasting (Pijler 2) van 5 januari 2026 (Kamerstuk 25087, 359) |
|
Annabel Nanninga (JA21) |
|
Vincent Karremans (VVD), Heijnen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «VS bedingen uitzonderingen op minimumbelasting multinationals»?1
Ja.
Kunt u reflecteren op de in het artikel opgenomen stelling dat Amerikaanse multinationals zijn uitgezonderd van de wereldwijde minimumbelasting van 15% waarover in 2021 door ruim 130 landen een akkoord is gesloten, en dat deze uitzonderingspositie de minimumbelasting voor multinationals verwatert?
In het akkoord van het Inclusive Framework (IF) van 5 januari 2026 over het zogeheten Side-by-Side-pakket wordt de nadruk gelegd op het belang van Pijler 2 als het primaire systeem voor het waarborgen van een minimumniveau van belastingheffing. Dit gemeenschappelijke systeem is met reden zorgvuldig ontworpen, waarbij de bijheffing tot het minimumbelastingtarief van 15% op een gecoördineerde manier wordt berekend op basis van een internationaal afgesproken belastinggrondslag. De Nederlandse inzet was er op gericht om afwijkingen van het gemeenschappelijke systeem tot een minimum te beperken. Tegelijkertijd ziet het kabinet het overkoepelende belang van het in stand houden van een netwerk van minimumbelastingen in een zo groot mogelijk internationaal verband, ook als dat betekent dat tegemoetgekomen wordt aan andere jurisdicties die een belastingstelsel hebben dat een minimumniveau van belastingheffing waarborgt. De internationaal gecoördineerde uitleg van de Pijler 2-regels zorgt voor eenduidigheid en biedt belastingplichtigen zekerheid. Daarnaast bevat het Side-by-Side-pakket waarborgen zodat geen afbreuk wordt gedaan aan de doelstellingen van de Pijler 2-regels. Zo wordt de status van een kwalificerende Side-by-Side veiligehavenregel niet willekeurig verleend. In het IF-akkoord zijn robuuste en strikte criteria afgesproken om te kwalificeren als een belastingstelsel dat gelijkwaardig is aan Pijler 2.
Kunt u reflecteren op de in hetzelfde artikel opgenomen stelling dat onder meer Polen, Tsjechië en Estland aanvankelijk bezwaar hebben gemaakt tegen deze uitzonderingspositie vanwege de vrees voor een verslechtering van de concurrentiepositie van Europese concerns?
Het kabinet begrijpt dat er bij sommige EU-lidstaten vrees bestond voor een akkoord over de Side-by-Side veiligehavenregel omwille van de concurrentiepositie van Europese multinationals. Niettemin vindt het kabinet dat met het akkoord het best mogelijke resultaat is bereikt waarbij de Pijler 2-doelstellingen grotendeels zijn gewaarborgd en een netwerk van minimumbelastingen in stand kan worden gehouden in een zo groot mogelijk internationaal verband. Dat is ook van belang voor het EU-concurrentievermogen. De EU is immers niet gebaat bij een nieuwe race naar de bodem in de winstbelasting.
Kunt u reflecteren op de in het artikel aangehaalde analyse van Van Weeghel dat het hanteren van een samengesteld wereldwijd gemiddeld effectief belastingtarief Amerikaanse ondernemingen een voordeel verschaft ten opzichte van concurrenten uit landen die de OESO-minimumbelasting per jurisdictie toepassen, waaronder de EU-lidstaten, Japan, het Verenigd Koninkrijk en Canada?
Het IF heeft geconcludeerd dat het Amerikaanse belastingstelsel aan de overeengekomen voorwaarden voldoet en de status krijgt van een kwalificerend Side-by-Side-regime. Op grond van het Amerikaanse NCTI2-systeem wordt in voorkomende gevallen belasting geheven over de niet-uitgekeerde winsten van buitenlandse dochterondernemingen van Amerikaanse multinationals. Voor de berekening van die belasting wordt onder meer uitgegaan van de gezamenlijke winsten van die dochterondernemingen wereldwijd en de totale winstbelasting betaald in de desbetreffende landen. Pijler 2 gaat uit van een bijheffing indien de effectieve belastingdruk van de entiteiten van een multinational in een jurisdictie minder dan 15% bedraagt. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval is het mogelijk dat onder het Amerikaanse NCTI-systeem minder belasting zal worden geheven dan bij toepassing van Pijler 2 het geval zou zijn geweest. Echter, gezien de verschillende kenmerken en de technische vormgeving van beide systemen kan niet worden gezegd dat het ene systeem steeds leidt tot een lagere belastingdruk dan het andere. Uitgangspunt van het Side-by-Side-systeem is dat de effectieve belastingdruk voor multinationale ondernemingen vergelijkbaar uitpakt onder zowel Pijler 2 als kwalificerende gelijkwaardige belastingstelsels.
Kunt u reflecteren op de in het artikel aangehaalde analyse van De Wilde dat de Verenigde Staten bij het bepalen van de binnenlandse effectieve belastingdruk fiscale stimulansen buiten beschouwing laten, terwijl deze onder de OESO-regels juist meetellen, en dat deze systematiek investeren in de Verenigde Staten aantrekkelijker maakt voor Amerikaanse bedrijven dan voor ondernemingen uit EU-landen en andere early adopters?
Voor de belastingpositie van dochterondernemingen in de Verenigde Staten van niet-Amerikaanse multinationals is van belang dat de overeengekomen gunstige behandeling van Substance Based Tax Incentives onder Pijler 2 er naar verwachting toe leidt dat niet-Amerikaanse multinationals niet of in mindere mate zullen worden geconfronteerd met bijheffing ten aanzien van hun dochterondernemingen in de Verenigde Staten. Dit betekent dat zij in die gevallen in de Verenigde Staten fiscaal gezien onder grotendeels dezelfde voorwaarden kunnen opereren als Amerikaanse multinationals.
Hoe rijmt u de in het artikel opgenomen passages, waarin wordt gesteld dat de uitzonderingspositie voor Amerikaanse multinationals leidt tot concurrentievoordelen en een verwatering van de minimumbelasting, met de stelling in de Kamerbrief dat het van belang is dat niet-implementerende jurisdicties zich niet voordeliger kunnen positioneren ten opzichte van jurisdicties die Pijler 2 wel implementeren (p.2?
Voor de Side-by-Side veiligehavenregel zijn robuuste en strikte criteria afgesproken. Daarnaast is de werking van de binnenlandse bijheffing onveranderd. Dit is positief voor het gelijke speelveld en voor het waarborgen van de beleidsdoelstellingen van Pijler 2, aangezien alle multinationale groepen onderworpen kunnen zijn aan een binnenlandse bijheffing – voor zover die wordt geheven in jurisdicties waarin zij opereren – ongeacht de locatie van het hoofdkantoor. Het is van belang dat onder het Side-by-Side-systeem een prikkel blijft bestaan voor jurisdicties om een binnenlandse bijheffing te behouden dan wel in te voeren. Mede daarom hecht het kabinet aan de toekomstige evaluatie om te volgen hoe het Side-by-Side-systeem in de praktijk uitpakt en als nodig maatregelen te nemen om risico’s met betrekking tot het gelijke speelveld of grondslaguitholling en winstverschuiving te ondervangen.
Kunt u, ter toelichting op de werking van het Side-by-Side-regime, een uitgewerkt rekenvoorbeeld (met expliciet vermelde aannames) verstrekken waarin u eenzelfde multinationale groep onder (i) de reguliere Pijler 2-systematiek (per jurisdictie-toets met toepassing van IIR/UTPR) en (ii) het Side-by-Side-regime (met vrijstelling van IIR/UTPR voor de uiteindelijke moederentiteit in een kwalificerende jurisdictie) vergelijkt en daarbij inzichtelijk maakt in welke gevallen en waarom deze benadering in de praktijk kan leiden tot een lagere (of anders verdeelde) effectieve belastingdruk?
Ten eerste hangt de uitkomst van een vergelijking af van de kenmerken en de technische vormgeving van het toepasselijke Side-by-Side-regime. Tot nu toe is alleen het Amerikaanse belastingstelsel aangemerkt als een kwalificerend Side-by-Side-regime. De kenmerken en de technische vormgeving van Pijler 2 zijn niet goed vergelijkbaar met de kenmerken en de technische vormgeving van het Amerikaanse belastingstelsel. Om enigszins recht te doen aan de gevallen in de praktijk zou moeten worden uitgegaan van een groot aantal variabelen zoals de belastbare winstgrondslag, de aanwezigheid van «substance», de belastingheffing in de eigen jurisdictie en in de jurisdicties van de dochterondernemingen alsmede de mogelijkheid tot verrekening van in het buitenland geheven belastingen. Als gevolg daarvan zouden steeds verschillende aannames moeten worden gemaakt. Een eenvoudig begrijpelijk rekenvoorbeeld zou geen betrouwbaar beeld geven in welke gevallen in de praktijk het Amerikaanse belastingstelsel kan leiden tot een lagere of anders verdeelde belastingdruk.
Kunt u in het in de vorige vraag gevraagde rekenvoorbeeld tevens uitgaan van een situatie waarin de multinationale groep activiteiten ontplooit in ten minste één laagbelastende jurisdictie, en inzichtelijk maken hoe de effectieve belastingdruk onder de reguliere Pijler-2-systematiek zich in dat geval verhoudt tot de belastingdruk onder het Side-by-Side-regime?
Ook hier geldt dat de uitkomst van een vergelijking afhangt van de kenmerken en de technische vormgeving van het toepasselijke Side-by-Side-regime en dat tot nu toe alleen het Amerikaanse belastingstelsel is aangemerkt als een kwalificerend Side-by-Side-regime. Ook in geval van een multinationale groep met een dochteronderneming in ten minste één laagbelastende jurisdictie geeft een eenvoudig begrijpelijk rekenvoorbeeld om de hiervoor genoemde redenen geen betrouwbaar beeld hoe de belastingdruk onder Pijler 2 zich in de praktijk verhoudt tot de belastingdruk onder het Amerikaanse belastingstelsel.
Acht u het vanuit het oogpunt van gelijke concurrentieverhoudingen verdedigbaar dat Amerikaanse multinationals kunnen volstaan met een wereldwijd gemiddeld effectief tarief, terwijl Europese multinationals per jurisdictie aan de 15%-toets zijn onderworpen?
Op grond van het Amerikaanse NCTI-systeem wordt voor de berekening van de toepasselijke belasting onder meer uitgegaan van de gezamenlijke winsten van de tot een Amerikaanse multinationale groep behorende dochterondernemingen buiten de VS en de totale winstbelasting betaald in de desbetreffende andere landen. Pijler 2 gaat uit van een bijheffing indien de effectieve belastingdruk van de entiteiten van een multinationale groep in een jurisdictie minder dan 15% bedraagt. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval is het mogelijk dat onder het NCTI-systeem minder of meer belasting zal worden geheven dan bij toepassing van Pijler 2 het geval zou zijn geweest. Gezien de verschillende kenmerken en de technische vormgeving van beide systemen kan niet worden gezegd dat het ene systeem steeds leidt tot een lagere belastingdruk dan het andere. Het IF heeft vastgesteld dat er geen materieel risico is dat de buitenlandse winsten van Amerikaanse multinationale groepen die gezien hun omvang onder Pijler 2 zouden vallen, onderworpen zijn aan een effectief tarief van minder dan 15%. Het uitgangspunt van het Side-by-Side-systeem is dat de effectieve belastingdruk voor multinationale ondernemingen vergelijkbaar uitpakt onder zowel Pijler 2 als kwalificerende gelijkwaardige belastingstelsels. Daarbij is de toekomstige evaluatie van belang om te volgen hoe dit in de praktijk uitpakt.
Kunt u uiteenzetten welke concrete waarborgen het kabinet ziet om te voorkomen dat de erkenning van het Amerikaanse belastingstelsel als kwalificerend Side-by-Side-regime leidt tot structurele concurrentieverstoringen ten nadele van in de EU gevestigde concerns en in hoeverre deze waarborgen naar uw oordeel toereikend zijn?
Als onderdeel van het akkoord is afgesproken dat eventuele substantiële risico’s met betrekking tot het gelijke speelveld of grondslaguitholling en winstverschuiving zullen worden ondervangen. Daartoe zal het IF een evaluatie («stocktake») uitvoeren die in 2029 moet worden afgerond, op basis van een objectief en een op data gebaseerd proces. Daarbij zal bijvoorbeeld worden gekeken in hoeverre jurisdicties binnenlandse bijheffingen behouden of invoeren. Verder zal worden gekeken naar eventuele onbedoelde effecten zoals materiële concurrentieverstoringen tussen multinationale groepen en negatieve gedragseffecten, zoals een toename van winsten in laagbelastende jurisdicties zonder een binnenlandse bijheffing. Het IF verbindt zich er ook toe om gerichte oplossingen te overwegen wanneer zich bepaalde risico’s met betrekking tot het gelijke speelveld voordoen. Het kabinet vindt deze evaluatie van groot belang.
Kunt u uiteenzetten welke mitigerende maatregelen (fiscaal en niet-fiscaal) het kabinet voorziet om eventuele structurele concurrentieverstoringen te beperken die kunnen voortvloeien uit de erkenning van het Amerikaanse belastingstelsel als kwalificerend Side-by-Side-regime ten opzichte van in de EU gevestigde concerns?
Welke maatregelen eventueel aangewezen zouden zijn, hangt ervan af welke elementen in welk systeem een eventuele structurele concurrentieverstoring zouden veroorzaken. Dat is op voorhand niet te zeggen en zou moeten blijken uit de evaluatie. Dat neemt niet weg dat altijd gekeken kan worden naar fiscale maatregelen ten gunste van het vestigingsklimaat voor zover die passen in het Pijler 2-raamwerk.
In hoeverre acht u het risico reëel dat multinationals hun winstallocatie aanpassen om optimaal gebruik te maken van de vrijstelling van IIR en UTPR onder het Side-by-Side-regime en welke kwantitatieve inschatting ligt hieraan ten grondslag?
Het is niet geheel duidelijk wat in dit verband wordt bedoeld met de aanpassing van de winstallocatie nu de voor Pijler 2 relevante winst wordt bepaald aan de hand van de commerciële jaarrekening. Het is denkbaar dat een multinational met hoofdkantoor in een kwalificerende Side-by-Sidejurisdictie besluit om winstgevende activiteiten in een voorheen laagbelastende jurisdictie die een binnenlandse bijheffing heeft ingevoerd, te verplaatsen naar een andere, nog steeds laagbelastende jurisdictie (zonder binnenlandse bijheffing). Maar of dat werkelijk een reëel risico is, is moeilijk in te schatten omdat voor een dergelijke verplaatsing verscheidene factoren een rol kunnen spelen. De aangekondigde evaluatie in 2029 zal hier naar verwachting meer inzicht in geven.
Indien bij deze risico-inschatting wordt uitgegaan van mogelijke gedragseffecten, betreft dit dan een aanvullende derving bovenop de in de Kamerbrief geraamde circa € 120 miljoen per jaar die voortvloeit uit het niet toepassen van de inkomens-inclusiemaatregel en de onderbelastewinstmaatregel, of zijn deze gedragseffecten reeds in die raming verdisconteerd?
Het akkoord zal naar verwachting in eerste instantie met name effect hebben op multinationals met een Amerikaans hoofdkantoor en op multinationals die kunnen profiteren van de gunstigere behandeling van belastingvoordelen. De positieve gedragseffecten van de minimumbelasting, zoals winstverschuiving (terug) naar Nederland, zullen bij deze bedrijven naar verwachting in mindere mate optreden. Dit is al meegenomen in de budgettaire raming. Dit inzicht zorgt dus niet voor een aanvullende derving bovenop de geraamde € 120 miljoen.
Bent u voornemens om, naast de in het Inclusive Framework afgesproken evaluatie («stocktake») in 2029, een nationale evaluatie uit te voeren naar de effecten van het Side-by-Side-regime, in het bijzonder ten aanzien van concurrentieverhoudingen, gedragseffecten en budgettaire opbrengsten voor Nederland?
Het is van belang dat het IF zal monitoren hoe het Side-by-Side-systeem in de praktijk uitpakt en -als nodig actie kan ondernemen om risico’s met betrekking tot het gelijke speelveld of grondslaguitholling en winstverschuiving te adresseren. In het bijzonder vindt het kabinet het belangrijk om bij die evaluatie in het oog te houden dat Nederlandse bedrijven onder gelijke voorwaarden kunnen concurreren met lokale bedrijven in Side-by-Side- of UPE Safe Harbour-jurisdicties. Uiteraard zal uw Kamer te zijner tijd worden geïnformeerd over de uitkomsten van deze evaluatie en zullen bij de Nederlandse weging van de uitkomsten waar relevant ook eigen gegevens en analyses worden betrokken. Daarbij zal het kabinet ook de signalen vanuit de praktijk in de gaten houden.
Welke gevolgen verwacht u dat de uitzonderingspositie voor Amerikaanse multinationals heeft voor het Nederlandse vestigingsklimaat?
Het is niet de verwachting dat de Side-by-Side veiligehavenregel grote gevolgen heeft voor het Nederlandse vestigingsklimaat. In het algemeen geldt dat het IF-akkoord van belang is om zekerheid en stabiliteit te waarborgen in het internationale belastingsysteem. Daar heeft ook het Nederlandse vestigingsklimaat baat bij.
Welke signalen ontvangt u vanuit het Nederlandse bedrijfsleven over de gevolgen van deze uitzonderingspositie voor hun internationale concurrentiepositie?
Het internationale bedrijfsleven dat bij de OESO wordt vertegenwoordigd in de Business Advisory Group is positief over het Side-by-Side-pakket.3 Op ambtelijk niveau is veelvuldig in verschillende gremia gesproken met het Nederlandse bedrijfsleven over Pijler 2. Daarbij is ook gesproken over de positie van jurisdicties die Pijler 2 niet hebben ingevoerd en het belang van een gelijk speelveld. Ook heeft het Nederlandse bedrijfsleven aandacht gevraagd voor administratieve lasten en de stabiliteit van het internationale belastingsysteem. Het Nederlandse bedrijfsleven zal sommige elementen van het Side-by-Side-pakket positief waarderen, zoals de verlenging van de tijdelijke veiligehavenregel op basis van een kwalificerend landenrapport en de gunstige behandeling van kwalificerende belastingprikkels. Anderzijds wijst het bedrijfsleven erop dat Amerikaanse multinationals in voorkomende gevallen minder belasting over hun buitenlandse winsten kunnen betalen dan onder Pijler 2 het geval zou zijn. Het kabinet erkent het belang dat niet-implementerende jurisdicties zich niet voordeliger kunnen positioneren ten opzichte van jurisdicties die wel Pijler 2 implementeren. Nederland heeft tijdens de onderhandelingen ook ingezet op het behoud van een gelijk speelveld en het concurrentievermogen van het Europese en Nederlandse bedrijfsleven. Uitgangspunt van het Side-by-Side-systeem is uiteindelijk dat de effectieve belastingdruk voor multinationale ondernemingen vergelijkbaar uitpakt onder zowel Pijler 2 als kwalificerende gelijkwaardige belastingstelsels. Het kabinet wijst in dit verband op de onveranderde werking van de binnenlandse bijheffing. Dit is positief voor het gelijke speelveld en voor het waarborgen van de beleidsdoelstellingen van Pijler 2, aangezien alle multinationale groepen onderworpen kunnen zijn aan een binnenlandse bijheffing – voor zover die wordt geheven in jurisdicties waarin zij opereren – ongeacht de locatie van het hoofdkantoor. Het is van belang dat onder het Side-by-Side-systeem een prikkel blijft bestaan voor jurisdicties om een binnenlandse bijheffing te behouden dan wel in te voeren. Mede daarom hecht het kabinet aan de toekomstige evaluatie om te volgen hoe het Side-by-Side-systeem in de praktijk uitpakt en als nodig maatregelen te nemen om risico’s met betrekking tot het gelijke speelveld of grondslaguitholling en winstverschuiving te ondervangen. In het bijzonder vindt het kabinet het belangrijk om in het oog te houden dat Nederlandse multinationals onder gelijke voorwaarden kunnen concurreren met lokale ondernemingen in een Side-by-Side veilige haven jurisdictie.
In hoeverre leidt deze uitzonderingspositie er naar uw oordeel toe dat Nederlandse en Europese ondernemingen structureel op achterstand komen ten opzichte van Amerikaanse concurrenten?
De positie, in het bijzonder de fiscale positie, van Nederlandse en Europese ondernemingen hangt af van verscheidene nationale en internationale factoren. Het kabinet denkt niet dat Nederlandse en Europese ondernemingen als gevolg van de Side-by-Side veiligehavenregel structureel op achterstand komen. Uitgangspunt van het Side-by-Side-systeem is in ieder geval dat de effectieve belastingdruk voor multinationale ondernemingen vergelijkbaar uitpakt onder zowel Pijler 2 als kwalificerende gelijkwaardige belastingstelsels. Daarnaast zal het IF een evaluatie («stocktake») uitvoeren die in 2029 moet worden afgerond, op basis van een objectief en een op data gebaseerd proces. Het IF verbindt zich er ook toe om gerichte oplossingen te overwegen wanneer zich bepaalde risico’s met betrekking tot het gelijke speelveld voordoen. Het kabinet vindt deze evaluatie van groot belang.
Welke concrete maatregelen onderneemt u om te voorkomen dat Nederland economisch nadeel ondervindt van de uitzonderingspositie voor de Verenigde Staten?
Het is voorbarig om op voorhand te stellen dat Nederland een beduidend economisch nadeel ondervindt als gevolg van de Side-by-Side veiligehavenregel zoals ook in de beantwoording van vraag 17 geschetst. Het IF zal een evaluatie («stocktake») uitvoeren die in 2029 moet worden afgerond, op basis van een objectief en een op data gebaseerd proces. Het IF verbindt zich er ook toe om gerichte oplossingen te overwegen wanneer zich bepaalde risico’s met betrekking tot het gelijke speelveld voordoen. Het kabinet vindt deze evaluatie van groot belang.
Acht u het wenselijk dat Nederland onderdeel blijft van internationale afspraken die ertoe kunnen leiden dat het Nederlandse vestigingsklimaat minder aantrekkelijk wordt en Nederlandse bedrijven in een nadeliger positie komen ten opzichte van Amerikaanse ondernemingen?
Het kabinet vindt dat afspraken over onder meer het tegengaan van belastingontwijking door multinationals, zoals de wereldwijde minimumbelasting, het beste in mondiaal verband kunnen worden gemaakt. Dit is van groot belang voor de effectiviteit en stabiliteit van het internationale belastingstelsel. De OESO-modelregels voor de wereldwijde minimumbelasting zijn binnen de Europese Unie opgenomen in Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad van 14 december 2022 tot waarborging van een mondiaal minimumniveau van belastingheffing voor groepen van multinationale ondernemingen en omvangrijke binnenlandse groepen in de Unie. Nederland heeft deze richtlijn geïmplementeerd door middel van de Wet minimumbelasting 2024. Nederland is hiermee gehouden aan de regels van de wereldwijde minimumbelasting. Nog los daarvan: in het hypothetische geval waarin Nederland de regels van de minimumbelasting niet zou toepassen, zouden andere jurisdicties de minimumbelasting die Nederland als gevolg daarvan niet zou heffen, wel kunnen heffen. Het kabinet is daarnaast van mening dat het opnemen van de het Side-by-Side pakket in de Nederlandse wetgeving zorgt voor eenduidigheid en belastingplichtigen zekerheid biedt, wat ook ten goede kan komen aan het vestigingsklimaat.
Hoe beoordeelt u, in het licht van deze uitzonderingspositie, de haalbaarheid en geloofwaardigheid van toekomstige mondiale belastingafspraken wanneer de Verenigde Staten structureel een eigen uitzonderingspositie afdwingen en andere landen zich daaraan aanpassen?
Het kabinet vindt dat afspraken over onder meer het tegengaan van belastingontwijking door multinationals of de uitwisseling van gegevens tussen landen het beste in mondiaal verband kunnen worden gemaakt. Dit is van groot belang voor de effectiviteit en stabiliteit van het internationale belastingstelsel. De betrokkenheid van de Verenigde Staten is daarbij van groot belang, zeker voor zover hun belastingsysteem als gelijkwaardig kan worden gezien.
Kunt u deze vragen binnen twee weken en elk van de vragen afzonderlijk beantwoorden?
De vragen zijn elk afzonderlijk beantwoord. Helaas is het niet gelukt om de vragen binnen de gebruikelijke termijn te beantwoorden.
Het bericht 'Illegale prijsafspraken Indiase staalbedrijven, waaronder Tata Steel' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Illegale prijsafspraken Indiase staalbedrijven, waaronder Tata Steel»?1
Ja.
Bent u bekend met het bericht dat de Indiase mededingingsautoriteit (Competition Commission of India) heeft vastgesteld dat meerdere Indiase staalbedrijven, waaronder Tata Steel, zich schuldig hebben gemaakt aan illegale prijsafspraken?
Ja.
Kunt u een reflectie geven op de mogelijke illegale prijsafspraken die zijn gemaakt door Indiase staalbedrijven waaronder Tata Steel?
Er is op dit moment nog weinig informatie bekend over de bevindingen van de Competition Commission of India (CCI), de omvang van de vermeende overtredingen en het mogelijke aandeel van Tata Steel India hierin. De tussentijdse rapportage van de CCI is niet gepubliceerd. Het is niet aan het kabinet om hier op dit moment op te reflecteren.
Hoe beoordeelt u het feit dat een bedrijf dat in India mogelijk wordt veroordeeld voor kartelvorming, in Nederland nog steeds kan rekenen op politieke steun, maatwerkafspraken en mogelijke staatssteun voor verduurzaming?
Op dit moment zijn er geen conclusies verbonden aan of (gerechtelijke) stappen ondernomen naar aanleiding van de bevindingen van de CCI. Het is ook niet aan het kabinet om een beoordeling te geven, maar op dergelijke onderwerpen is het aan de daarvoor ingestelde onafhankelijke instanties om gedegen onderzoek te doen en tot een oordeelsvorming te komen. Het kabinet kan en wil hier niet op vooruitlopen. Het Ministerie van KGG blijft de ontwikkelingen volgen.
De gesprekken met Tata Steel Nederland over een maatwerkafspraak hebben als doel om de leefomgeving en gezondheid van omwonenden in de IJmond te verbeteren en CO2-reductie te bewerkstelligen. Het behalen van die doelen is van belang voor de omwonenden en de maatschappij als geheel. Het kabinet werkt daarom toe naar een maatwerkafspraak omdat dit de snelste manier is om die doelen te behalen. Uiteindelijk zal een afweging moeten worden gemaakt of het mogelijk en passend is om tot een maatwerkafspraak te komen.
Welke risico’s loopt de Nederlandse staat indien zij steun blijft geven aan Tata Steel terwijl het moederbedrijf mogelijk veroordeeld wordt voor illegale prijsafspraken?
Er zijn (nog) geen (gerechtelijke) stappen genomen naar aanleiding van de bevindingen van de CCI. Deze vraag gaat daarnaast uit van de aanname dat de staat nu al steun geeft aan het bedrijf in het kader van de maatwerkafspraken. Hier is geen sprake van. De staat overweegt Tata Steel Nederland steun te geven voor het verduurzamen van de staalproductie in de IJmond. Hiervoor dient eerst een definitieve maatwerkafspraak te worden ondertekend met daarin voldoende waarborgen om zeker te stellen dat de subsidie ook daadwerkelijk zorgt voor het behalen van de doelen. Het behalen van de doelen voor de verbetering van de gezondheid en het reduceren van de CO2-uitstoot is immers de reden dat we in dit traject met Tata Steel zitten. Het voornemen van de partijen is om uiterlijk eind september 2026 overeenstemming te bereiken over de definitieve maatwerkafspraak.
Had Tata Steel Nederland u op de hoogte gesteld van de ingestelde onderzoeken? Zo ja wanneer en wat hebben zij hierover vermeld?
TSN heeft het Ministerie van KGG feitelijk geïnformeerd na publicatie van het artikel dat het onderzoek loopt en aangegeven de verdere ontwikkelingen af te wachten. Zoals in de beantwoording van vraag 3 aangegeven is er nog weinig informatie bekend.
Kunt u aangeven wat de consequenties zijn voor de maatwerkafspraken als Tata Steel Limited daadwerkelijk schuldig wordt bevonden aan illegale prijsafspraken? Zo niet, waarom niet?
Zoals ook aangegeven in de beantwoording op vragen 3, 4 en 5 is er nog geen maatwerkafspraak en de Indiase autoriteiten hebben nog geen juridische procedure opgestart of conclusies verbonden n.a.v. een afgerond onderzoek. Laat staan dat er een veroordeling heeft plaatsgevonden. Het kabinet kan daarom nu niet ingaan op de mogelijke consequenties bij een eventuele veroordeling.
In hoeverre is Tata Steel Nederland betrokken bij en/of op de hoogte van de illegale prijsafspraken die in India zijn gemaakt?
Hierover heeft het kabinet geen informatie.
Acht u in, in het licht van het onderzoek, Tata Steel nog steeds een betrouwbare partner van de Nederlandse overheid? Zo ja waarom?
Vooropgesteld staat dat het bedrijf, net als ieder ander bedrijf, moet voldoen aan de geldende wet- en regelgeving. Het is aan de bevoegde instanties om de naleving van wet- en regelgeving te controleren en waar zij dat nodig achten te besluiten om onderzoek te doen en eventuele vervolgstappen te nemen. Op dit moment is er nog geen definitieve conclusie en het is ook niet aan het kabinet om hier nu een oordeel over te vormen of op vooruit te lopen. De inzet in de maatwerkafspraak is om zo snel mogelijk tot verbetering van de leefomgeving en gezondheid van de omwonenden in de IJmond te komen en CO2-reductie te bewerkstelligen. Zoals ook in de beantwoording van vraag 4 aangegeven, is dat waar het kabinet op inzet, waarbij uiteindelijk ook een afweging moet worden gemaakt of het mogelijk en passend is om tot een maatwerkafspraak te komen.
Bent u van plan op basis van deze bevindingen de Joint Letter of Intent te beëindigen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet ziet op dit moment geen aanleiding om de JLoI te beëindigen. De onderhandelingen worden voortgezet. Uitstel of afstel van een maatwerkafspraak leidt er immers toe dat de klimaatwinst, de verbetering van de leefomgeving en de daaruit volgende gezondheidswinst voor omwonenden niet of pas veel later optreedt. De snelste weg om deze doelen te kunnen behalen is via een maatwerkafspraak. Daarnaast is ook relevant dat het om een onderzoek gaat waar nog geen definitieve conclusie uit is gekomen. Het spreekt voor zich dat het Ministerie van KGG de ontwikkelingen zal blijven volgen. Uiteindelijk zal een afweging moeten worden gemaakt of het mogelijk en passend is om tot een maatwerkafspraak te komen.
Kunt de bovenstaande vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Google en Microsoft houden energieverbruik van hyperscale-datacenters geheim voor de overheid’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Vincent Karremans (VVD), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Google en Microsoft houden energiegebruik van hyperscale-datacenters geheim voor de overheid»?1
Deelt u de opmerking dat techbedrijven zich moeten houden aan de wet, en daarom hun energieverbruik moeten delen, in lijn met de Energy Efficiency Directive (EED)?
Zijn netbeheerders in bezit van data over het energieverbruik van datacenters? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u samen met netbeheerders deze data met de Kamer delen?
Herkent u de in het artikel genoemde cijfers dat de stroomverbruik van datacenters binnen vijf jaar naar 15 procent van het totale stroom in Nederland zal groeien? Zo nee, welke ontwikkelingen ziet u wel voor zich? Zo ja, kunt u dat toelichten?
Deelt u de mening dat een grote inzet op datacenters geen verstandige keuze is, aangezien veel delen van Nederland kampen met netcongestie en de ontwikkelingen en winsten die voortvloeien uit datacenters niet terecht komen bij Nederlandse huishoudens?
Welke toegevoegde waarde hebben datacenters voor de Nederlandse economie en samenleving, als de winsten doorvloeien naar Amerikaanse techbedrijven en Nederland geen zeggenschap heeft over de technologie?
Deelt u de mening dat technologie geen doel maar een middel is, en dat technologische ontwikkelingen zoals «Artificial Intelligence' (AI) ook bredere maatschappelijke doelen, zoals het verlagen van werkdruk en het verminderen van werk, moet dienen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, deelt u dan ook de mening dat publieke zeggenschap over AI essentieel is om het als middel te gebruiken?
Heeft u zicht op ontwikkelingen op de arbeidsmarkt door de introductie van AI? Zijn er functies die nu of in de komende jaren geraakt worden door AI? Welke stappen worden gezet om mensen die door AI hun baan (zullen) kwijtraken om en bij te scholen voor behoud van werk?
Het artikel 'Van ‘arrogant takkewijf’ tot ‘val dood’: Delta-schandaal veel groter, provider start meldpunt' |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving over agressieve en mogelijk misleidende verkoopmethoden door medewerkers van DELTA Fiber, waaronder intimidatie, bedreigingen en het onder valse voorwendselen afsluiten van abonnementen?1
Ja.
Deelt u de kwalificatie dat hier sprake lijkt van structurele problematiek in plaats van op zichzelf staande incidenten?
Toezichthouder Autoriteit Consument en Markt (hierna: ACM) en de Consumentenbond krijgen al jaren veel klachten over colportage.2 Deze klachten zien onder meer op de verkoop van contracten voor energie, loterijen, internet, televisie en telefonie. Deze klachtenstroom is serieus en aanhoudend. Zo krijgt de ACM elke maand tientallen signalen over deurverkoop, bijvoorbeeld over agressieve bejegening of het negeren van een geen-colportage-sticker. Dat gaat over verschillende bedrijven en verschillende sectoren.
Welke specifieke normen gelden voor colportage en huis-aan-huisverkoop in de telecomsector (waaronder omgang met nee/nee- en geen-colportage-stickers)? Worden deze normen naar uw oordeel effectief gecontroleerd en gehandhaafd? Zo nee, welke middelen heeft de Autoriteit Consument & Markt (ACM) nodig om dit wel effectief te doen?
De consument heeft bij colportage onder meer recht op een bedenktijd van veertien dagen en de verkoper is verplicht om de consument hierover duidelijk te informeren voor het sluiten van de overeenkomst.3 Doet de verkoper dit niet, dan wordt de bedenktijd verlengd met maximaal twaalf maanden. Daarnaast kan de consument een overeenkomst vernietigen die onder invloed van een oneerlijke handelspraktijk tot stand is gekomen. Daarvan is bijvoorbeeld sprake als een verkoper zich agressief opstelt jegens de consument, onwaarheden vertelt bedoeld om de consument te overtuigen of een geen-colportage-sticker negeert. Deze regels gelden (met uitzondering van de in de wet voorziene uitzonderingen) voor alle sectoren die colportage gebruiken. Er gelden geen specifieke wettelijke colportageregels voor de telecomsector.
Dit wettelijk kader wordt aangevuld met zelfregulering, in de vorm van de Code Fieldmarketing die onder de vlag van de Reclame Code Commissie is opgesteld. De sector heeft hierin afgesproken dat consumenten die geen prijs stellen op colportage dit kunnen aangeven via een sticker aan de deur. Verkopers moeten dergelijke stickers en andere ondubbelzinnige mededelingen respecteren. Wanneer deze code wordt overtreden of wanneer een consument een andere klacht heeft over colportage kan hij of zij dit melden bij de ACM. De ACM kan dan handhavend optreden.
Wat vindt u ervan dat juist ouderen en andere kwetsbare groepen doelwit lijken te zijn van deze verkooppraktijken? Welke aanvullende beschermingsmaatregelen acht u hier passend?
Het is inherent aan de verkoopmethode colportage dat consumenten een bepaalde mate van druk voelen om een besluit te nemen over een overeenkomst terwijl de verkoper aan de deur of op straat staat. Met name kwetsbare consumenten, zoals ouderen of consumenten die moeite hebben met «nee» zeggen, lopen het risico een overeenkomst te ondertekenen, waarvan zij de gevolgen niet volledig kunnen overzien.
In april 2024 heeft mijn voorganger een voorstel voor een afkoelperiode aangekondigd.4 Consumenten krijgen daarmee drie werkdagen de tijd om rustig een besluit te nemen of zij een overeenkomst willen aangaan waarover zij buiten de verkoopruimte zijn aangesproken. De verkoper mag de consument tijdens de afkoelperiode niet benaderen. De afkoelperiode legt de regie voor het aangaan van de overeenkomst bij de consument, stelt hem in de gelegenheid om de informatie die hij heeft ontvangen in alle rust te lezen en te begrijpen (zonder druk van de meekijkende verkoper) en de informatie eventueel ook te vergelijken met andere aanbiedingen. Dit wetsvoorstel is in de tweede helft van 2025 in internetconsultatie geweest. De reacties uit deze consultatie worden momenteel verwerkt.
In aanvulling daarop ga ik, conform de motie van het lid Van Lanschot (CDA)5, in kaart brengen welke opties er zijn, landelijk en lokaal, om ongevraagde commerciële verkoop aan de deur zo veel mogelijk te beperken, waarbij ruimte blijft voor goede doelen en kleinschalige initiatieven.
Een verbod op colportage is Europeesrechtelijk op dit moment niet mogelijk. Ik zet mij er daarom in Brussel voor in dat lidstaten de mogelijkheid krijgen om colportage sectoraal of geheel te verbieden.
Hoe beoordeelt u de meldingen over ongevraagde graaf- en installatiewerkzaamheden in tuinen en woningen, met schade en kosten voor bewoners tot gevolg? Vindt u dat telecombedrijven voldoende zorgvuldig omgaan met toestemming en herstel?
Ik ga ervan uit dat bij deze vraag gedoeld wordt op graaf- en installatiewerkzaamheden in de eigen tuin en woning van bewoners. Om dergelijke werkzaamheden uit te voeren is het nodig dat de bewoner aangesloten wil worden en hiervoor toestemming geeft. Ik vind het belangrijk dat telecompartijen zorgvuldig omgaan met aanleg in eigen tuinen en woningen van bewoners en wijs daarbij op hun verplichting voor toestemming en herstel. In het geval van klachten over ongevraagde werkzaamheden kunnen bewoners zich melden bij de ACM, die bij veel klachten over een specifieke partij, die partij daarop kan aanspreken. Navraag bij de ACM leert dat de ACM in beperkte mate meldingen ontvangt over ongevraagde werkzaamheden, maar dat personen mogelijk ook niet altijd melding doen.
Wat betreft eventuele schade als gevolg van werkzaamheden, is het aan de telecompartijen om deze te herstellen dan wel te vergoeden. Telecompartijen geven aan dat dit doorgaans ter plaatse direct in overleg met de bewoner wordt opgelost. Bij dergelijke schade die niet (volledig) wordt vergoed of hersteld, kunnen bewoners zich wenden tot de civiele rechter.
Wat is uw reactie op signalen dat monteurs contante betalingen zonder factuur vragen («zwart geld»), onder het mom van aanvullende werkzaamheden?
Het is niet toegestaan om zwart te werken of mensen onder druk te zetten om contant geld af te staan. Het is ook niet toegestaan om kosten in rekening te brengen voor werkzaamheden, die feitelijk niet (of niet controleerbaar) hebben plaatsgevonden en waartoe bewoners geen opdracht of toestemming hebben gegeven.
Acht u de door Delta geopende meldpuntregeling een toereikende reactie? Hoe wordt voorkomen dat klachten blijven liggen of intern worden weggeboekt zonder daadwerkelijke oplossing?
Ik ga ervan uit dat Delta naar aanleiding van de berichtgeving passende en effectieve maatregelen neemt om klachten van consumenten te registreren en op te lossen. Daarnaast heeft de ACM naar aanleiding van de berichtgeving contact opgenomen met Delta om de klachten te bespreken en naar oplossingen te kijken. Dit beschouw ik als een stok achter de deur.
Bent u bereid om een verdiepend onderzoek te doen naar de wervingspraktijken in de glasvezelmarkt, inclusief de rol van ingehuurde verkooporganisaties en onderaannemers?
Het is aan de ACM als onafhankelijke toezichthouder om te bepalen of en wanneer een onderzoek naar de wervingspraktijken in de glasvezelmarkt wordt uitgevoerd.
Overweegt u aanscherping van regelgeving, bijvoorbeeld een verbod of zwaardere beperking op huis-aan-huisverkoop in telecom, verplichte cooling off (herroepingsrecht) bevestigingen via onafhankelijke kanalen, zwaardere boetes bij misleiding van kwetsbare consumenten, een verplicht klachtenregister dat openbaar wordt gemaakt, etc.?
Ja. Zie verder de beantwoording van vraag 4.
Wat is bekend over deur-aan-deurverkoop in andere sectoren zoals energie, mobiele telefonie en internetdiensten?
Zoals aangegeven bij de beantwoording van vraag 2, krijgt de ACM elke maand tientallen signalen over deurverkoop. Dat gaat over verschillende bedrijven en verschillende sectoren.
In welke mate wordt deze deur-aan-deurverkoop in deze sectoren gecontroleerd en gehandhaafd, en door welke toezichthouders?
De ACM is als onafhankelijk markttoezichthouder verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van de regels voor deur-aan-deurverkoop. De ACM kan niet alle zaken oppakken en bepaalt zelf haar prioriteiten.6 De ACM heeft in de afgelopen jaren herhaaldelijk in het openbaar opgetreden tegen handelaren die gebruikmaken van colportage en zich niet aan de regels houden.7
Hoe beoordelen consumenten deze verkooppraktijken, bijvoorbeeld wat betreft transparantie, ervaren druk aan de deur en het risico op misleiding?
Uit onderzoek in 2022 van de ACM blijkt dat een aanzienlijk deel van de ondervraagden die wel eens een verkoper aan de deur kreeg, dit contact als negatief heeft ervaren (45%).8 Slechts een klein deel van de ondervraagden gaf aan een (zeer) positieve ervaring met colportage gehad te hebben (9%). Van de ondervraagden die wel eens een verkoper aan de deur kreeg, gaf meer dan 90% aan dat zij dit heeft ervaren als onprettig, onbetrouwbaar of niet nuttig.
Een onderzoek van de Consumentenbond in 2025 onder 7500 panelleden bevestigt het negatieve beeld van consumenten rondom verkoop aan de deur.9 Hieruit blijkt dat 92% van de panelleden zich stoort aan de verkoop van producten en diensten aan de deur. Vooral omdat ze er niet om gevraagd hebben, verkopers erg opdringerig kunnen zijn en vaak op een ongelukkig moment aanbellen. Daarnaast blijkt dat 63% van de panelleden met een bel-niet-aan-sticker alsnog verkopers aan de deur hebben gehad.
Ziet u in de gesignaleerde agressieve verkooppraktijken een verband met sterke commerciële prikkels zoals concurrentie op groei, marktaandeel en winst? Zo ja, welke voorstellen heeft u om deze prikkels weg te nemen?
Ik herken de sterke commerciële prikkels in de markt voor het aanleggen van glasvezel. Deze prikkels zorgen op zichzelf voor een snelle aanleg van een landelijk dekkend glasvezelnetwerk met een hoge technische capaciteit. Vanwege de hoge kosten voor het aanleggen van het netwerk, is het voor marktpartijen aantrekkelijk om zo snel mogelijk een groot netwerk aan te leggen met zo veel mogelijk aansluitingen per wijk (een hoge bezettingsgraad). Commerciële prikkels mogen echter nooit leiden tot agressieve handelspraktijken. In de beantwoording van vraag 4 geef ik aan welke stappen ik neem om dergelijke verkooppraktijken tegen te gaan.
Acht u deze dynamiek van commerciële prikkels problematisch voor diensten die feitelijk essentieel zijn voor burgers?
Zie antwoord vraag 13.
In hoeverre acht u het wenselijk om, ter voorkoming van dit soort praktijken en ter verhoging van efficiëntie, deze voorzieningen meer publiek of collectief te organiseren?
Ik acht het onnodig en onwenselijk om het aanleggen van het glasvezelnetwerk meer publiek of collectief te organiseren. Nederland heeft gekozen voor de aanleg van een glasvezelnetwerk door marktpartijen, met strenge eisen van de ACM over onder andere het openstellen van het netwerk. Op dit moment zijn er bijna 9 miljoen glasvezelaansluitingen in Nederland en de ACM verwacht een volledige dekking in 2030. Ik voorzie een sterke vertraging van het proces en hoge uitvoeringskosten als zou worden overgestapt op een model waarbij de uitrol meer publiek of collectief zou worden georganiseerd.
Bent u bereid scenario’s en beleidsopties voor zulke vormen van publieke of collectieve organisatie te laten uitwerken en naar de Kamer te sturen?
Zie antwoord vraag 15.
De Chinese militaire oefeningen en simulatie van een blokkade rond Taiwan. |
|
Tom van der Lee (GL), Derk Boswijk (CDA), Jan Paternotte (D66), Eric van der Burg (VVD), Raymond de Roon (PVV) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Taiwan: China’s massive military drills stir invasion fears» van Deutsche Welle1?
Ja.
Hoe beoordeelt u deze grootste militaire oefeningen rondom Taiwan ooit?
De Chinese autoriteiten treden in toenemende mate assertief op in de eigen regio en in het multilaterale systeem en verhogen structureel de druk op Taiwan en landen die met Taiwan samenwerken. Sinds 2022 omvat dit onder andere reguliere, grootschalige militaire oefeningen en (des)informatiecampagnes. Deze zijn onderdeel van de Chinese strategie om onder andere met hybride activiteiten de inlijving van Taiwan in de Volksrepubliek China te bewerkstelligen. De recente militaire oefening past binnen deze inzet maar was omvangrijker dan recente voorgaande oefeningen. De boodschap van de Chinese autoriteiten was daarbij expliciet ook gericht aan externe partijen die zich, volgens China, inmengen in Taiwan. De inzet van het kabinet en de EU is gericht op behoud van de status quo.
Deelt u de mening van de Europese Commissie, die middels een verklaring van EDEO heeft aangegeven dat deze oefeningen een nieuwe bedreiging zijn voor internationale vrede en stabiliteit, en oproept af te zien van zulke acties die voor escalatie kunnen zorgen?
Ik deel de zorgen zoals uitgedragen door de woordvoerder van EDEO over de recente Chinese militaire oefening rond Taiwan; dat heb ik via sociale media ook duidelijk gemaakt. Conform diverse moties spreekt Nederland zich binnen de kaders van het één-Chinabeleid samen met de EU en gelijkgezinde landen uit vóór de-escalatie en tégen destabiliserende unilaterale acties die de status quo bedreigen. Het Taiwan-vraagstuk dient op vreedzame wijze te worden opgelost, waarbij rekening gehouden moet worden met de wensen van de Taiwanese bevolking. Alle betrokken partijen dienen zich te onthouden van unilaterale acties, dreiging of geweld gericht op het wijzigen van de status quo.
Deelt u de mening dat Nederland een extra groot belang heeft bij het handhaven van de status quo in China en Taiwan, mede gezien onze positie in wereldwijde logistiek en de halfgeleiderindustrie?
Het kabinet en de EU zijn zich bewust van de mogelijke repercussies van een crisis rond Taiwan, niet alleen voor de Taiwanese bevolking maar ook voor de hele regio en de wereldeconomie. Een eventueel conflict zou rampzalig zijn voor alle betrokkenen, maar ook grote mondiale repercussies hebben, inclusief voor Nederland. Dat betekent dat dit meer is dan een lokale kwestie en de internationale gemeenschap zich in dient te zetten om dergelijke scenario’s te voorkomen.
Dat vergt overleg met gelijkgezinden en huiswerk voor de EU om voorbereid te zijn. Dit is evenwel geen exercitie die in het openbaar kan worden gedaan.
Heeft u zicht op de exacte impact voor de Nederlandse economie van een langdurige blokkade van Taiwanese havens?
Ik kan niet speculeren over de exacte impact voor de Nederlandse economie in het hypothetische geval van een langdurige blokkade van Taiwanese havens. Zoals gezegd dient de internationale gemeenschap zich in te zetten om dergelijke scenario’s te voorkomen en vergt dat overleg met gelijkgezinden en huiswerk voor de EU om voorbereid te zijn, maar kan ik daar niet verder op ingaan in het openbaar.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk beantwoorden voor het commissiedebat van 13 januari over de Raad Buitenlandse Zaken?
Ja.
De aanschaf van Chinese slimme meters door netbeheerders. |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Vincent Karremans (VVD), Foort van Oosten (VVD), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat netbeheerders Alliander (Liander), Enexis en Stedin onderdelen voor circa vier miljoen (slimme) meters betrekken van Kaifa uit China?1, 2, 3
Ja, ik ben bekend met deze berichtgeving. Zoals aangegeven in de beantwoording van eerdere Kamervragen over deze berichtgeving (Kamerstuk 2025Z227414) gaat het in dit nieuwsbericht over de meetmodule, een onderdeel van de slimme meter dat alleen het elektriciteitsverbruik op digitale wijze meet. Deze meetmodule introduceert daarmee geen risico voor de leveringszekerheid van energie.
De verzending en de versleuteling van data naar de netbeheerders en de communicatie met andere apparaten loopt niet via deze meetmodule. De meetmodule bevat ook geen schakelaar en kan niet op afstand worden uitgeschakeld waardoor er geen effect is op de beschikbaarheid van energie. De leveranciers van het betreffende onderdeel en andere niet-geautoriseerde partijen kunnen niet meelezen met de data van de nieuwe generatie slimme meter. De veiligheid van de data wordt door de netbeheerders gewaarborgd door middel van encryptie en autorisaties. Het kabinet is tegen deze achtergrond van oordeel dat de betreffende inkoop geen ontoelaatbaar risico vormt voor Nederlandse consumenten. Zie voor een verdere toelichting op dataveiligheid ook de antwoorden op vraag 7, 8 en 9 in Kamerstuk 2025Z22741.5
Is deze gunning volgens uw beoordeling wenselijk? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat het hier gaat om een aanbesteding/gunning voor «sensoronderdelen» en kunt u de Kamer een feitenoverzicht sturen met scope, aantallen, contractwaarde, looptijd, opties en betrokken entiteiten, inclusief Kaifa Technology Netherlands?
Zoals toegelicht in het voorgaande antwoord gaat het hier over de meetmodule, een onderdeel van de slimme meter dat het elektriciteitsverbruik op digitale wijze meet.
De netbeheerders hebben – conform Europese aanbestedingsregels – deze component gegund middels een aanbesteding met openbare selectie. Het gevraagde feitenoverzicht is te vinden in het door de netbeheerders openbaar gepubliceerde aanbestedingsdocument. In het aanbestedingsdocument is opgenomen dat de verwachte aantallen voor deze meetmodule 7.933.740 eenheden zijn en de contractwaarde € 592.517.432 is. De totale opdracht zal worden geleverd door 2 leveranciers: 60% door Kaifa Technology Netherlands B.V. uit China en 40% door Sagemcom Energy & Telecom uit Frankrijk. De afzonderlijke netbeheerders zijn overeenkomsten aangegaan voor een initiële periode van acht jaar, met de mogelijkheid tot verlenging met 3 keer 2 jaar. Het is aan de netbeheerders om te beslissen of zij gebruik maken van deze verlengingsoptie. Verdere details zijn te vinden in het aanbestedingsdocument dat is opgesteld door de netbeheerders.6
Kunt u toelichten welke onderdelen van de meter(s) uit China komen (sensor, printplaten, communicatiemodule, firmware, etcetera) en welke onderdelen in Nederland en de Europese Unie worden geproduceerd of geassembleerd?
In de nieuwe generatie slimme meter zijn in de basis vijf separate componenten te onderscheiden die ieder apart worden ingekocht.
(1) Basis elektriciteit meetmodule (hardware). Deze inkoop is verlopen zoals beschreven in de beantwoording van deze Kamervragen en in Kamerstuk 2025Z227417.
(2) De gateway (hardware met een besturingssysteem). Voor dit onderdeel loopt op dit moment de aanbestedingsprocedure. Als eis is assemblage en productie van kritieke onderdelen in een GPA-land opgenomen.8
(3) De applicatielaag (software). Dit onderdeel is gegund aan een Nederlandse partij.
(4) De gasmeter (hardware). Dit onderdeel is gegund aan twee Europese leveranciers.
(5) De Public Key Infrastructure (encryptie). Bij dit onderdeel zijn vertrouwelijke veiligheidsmaatregelen toegepast en het onderdeel wordt geleverd door een Nederlandse partij.
Kunt u bevestigen welke (in)directe staatsinvloed er is en hoe dit is meegewogen in de risicoafweging, aangezien in de berichtgeving wordt gesteld dat China Electronics Corporation (CEC) een belang van 35% heeft in Kaifa?
Dat er mogelijk sprake kan zijn van (in)directe staatsinvloed is een van de redenen geweest waarom de netbeheerders een risicoanalyse hebben uitgevoerd. Hierbij is onder andere gekeken naar cyber- en energie leveringszekerheidsrisico’s, zoals beïnvloeding op afstand, ongeautoriseerde toegang tot meterdata, alsook naar productleveringszekerheidsrisico’s.
Voor de verschillende onderdelen van het systeem is een uitgebreide marktconsultatie gedaan. Voor de componenten die niet als risicovol beschouwd zijn, is gekozen voor maximale concurrentie om de maatschappelijke kosten zo laag mogelijk te houden.
Om zo goed mogelijk te verifiëren of er eventueel sprake zou zijn van een inschrijving onder kostprijs, hebben de netbeheerders een uitvraag gedaan bij de Europese Commissie in het «Foreign Subsidies Regulation» mechanisme. Het Foreign Subsidies Regulation (FSR) is een EU-verordening die bedoeld is om oneerlijke concurrentie op de interne markt tegen te gaan wanneer bedrijven financiële steun krijgen van landen buiten de EU. Uit deze melding heeft de Europese Commissie geen belemmeringen waargenomen en gecommuniceerd aan de netbeheerders.
Is vooraf door of namens het kabinet een nationale veiligheids- of ketenafhankelijkheidsanalyse uitgevoerd voor deze aanbesteding (AIVD/MIVD/NCTV/RDI of anders)? Zo ja, door wie en met welke hoofdconclusies? Zo nee, waarom niet?
Zoals ook toegelicht in beantwoording van eerdere Kamervragen9 hebben de netbeheerders een risicoanalyse en onderzoek uitgevoerd. Hierbij is gebruik gemaakt van verschillende analyses, waaronder het Dreigingsbeeld Statelijke Actoren (DBSA) en het Cybersecuritybeeld Nederland, beide gepubliceerd door de NCTV. Daarnaast hebben de netbeheerders de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) bevraagd over risico's in dit aanbestedingstraject. In overleg met de netbeheerders en het Ministerie van Klimaat en Groene Groei heeft de AIVD in algemene zin het dreigingsbeeld, conform bovengenoemde analyses, geschetst op het concept van de nieuwe generatie slimme meter.
De nieuwe generatie slimme meters is opgebouwd uit verschillende hard- en softwarecomponenten en voor ieder van deze componenten geldt een ander risicoprofiel. De berichtgeving gaat over de meetmodule, een onderdeel van de slimme meter dat het elektriciteitsverbruik op digitale wijze meet. Zoals beantwoord in Kamerstuk 2025Z2274110, kent de elektriciteit meetmodule daardoor een laag risicoprofiel. Mede op basis van deze informatie hebben de netbeheerders maatregelen toegepast waarmee er geen ontoelaatbaar risico is. Het betreft mitigerende maatregelen ten aanzien van de energie- en productleveringszekerheid en dataveiligheid.
Heeft u in dit dossier geïntervenieerd of een toets gevraagd, aangezien in 2022 door het kabinet is gesteld dat de overheid bij een Nederlands project kan interveniëren als de nationale veiligheid in het geding is? Zo nee, waarom is dit niet als «veiligheidsdossier» behandeld?
Zie antwoord vraag 6.
Vindt u (slimme) energiemeters, gezien hun rol in netbeheer en gegevensverwerking, onderdeel van vitale infrastructuur of «kritieke ketencomponenten»? Welke definitie hanteert u, en wie beslist daarover?
Binnen de Aanpak Vitaal11 zijn door het kabinet processen binnen de energiesector aangemerkt als vitaal. Het betreft elektriciteit (transport, distributie en productie van elektriciteit op land en op zee) en gas (transport, distributie, productie, hervergassing en opslag van gas op land en op zee)12. Een vitaal proces is een proces waarvan uitval, verstoring of manipulatie tot dusdanig ernstige effecten kan leiden dat dit de nationale veiligheid kan schaden en daarmee maatschappelijke ontwrichting kan veroorzaken.
Binnen deze processen gelden de regionale netbeheerders als vitale aanbieders. De regionale netbeheerders Alliander, Enexis en Stedin verwerven gezamenlijk de nieuwe slimme meter. De netbeheerders hebben zelf de verantwoordelijkheid om de mate waarin een component kritiek is vast te stellen en daar ook rekening mee te houden bij hun verwervingstrategieën. De Minister van Klimaat en Groene Groei kan, indien nodig, de netbeheerders opdragen om maatregelen te treffen.
Netbeheer Nederland stelt dat het om een meetsensor zonder schakelaar of telecommunicatietechnologie gaat en dat audits niets hebben opgeleverd; welke audits waren dit (scope, frequentie, onafhankelijke partij, bevindingen) en kan de Kamer inzage krijgen?
De audit rapporten zijn vertrouwelijk omdat deze bedrijfsgevoelige informatie bevatten. De netbeheerders hebben contractueel vastgelegd deze concurrentiegevoelige informatie niet te delen.
Kunt u uitsluiten dat via deze componenten (direct of indirect) manipulatie van meetwaarden, (direct of indirect) aanvallen op de toeleveringsketen of ongeautoriseerde toegang tot meterdata mogelijk is? Zo nee, zijn er mitigatieplannen aanwezig door het Rijk dan wel de netbeheerders, die de risico’s zoveel als mogelijk beperken?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe borgt u dat burgers niet worden gedwongen een meter te accepteren waarvan de risico’s niet transparant zijn beoordeeld, aangezien de Energiewet per 1 januari 2026 is ingegaan en de vervanging van analoge meters verplicht maakt (meewerkingsplicht)?
Bij de vervanging van de laatste analoge meters wordt dit jaar en volgend jaar nog de huidige (5e generatie) slimme meter aangeboden en nog niet de nieuwe meter, aangezien de bestaande voorraad naar verwachting strekt tot in het najaar van 2027. Consumenten kunnen de vervanging van een oude analoge meter met de Energiewet niet meer weigeren, maar er zijn wel twee alternatieven als iemand bezwaar heeft tegen het op afstand uitlezen van de meter. Zo kan de communicatiefunctionaliteit van de slimme meter op verzoek van de afnemer worden uitgezet. Ook kan worden gekozen voor een zogeheten digitale meter. Beide meten verbruik en invoeding apart. Als consumenten hiervoor kiezen, moeten ze net als nu wel de meterstanden zelf blijven doorgeven aan de energieleverancier.
Welke aanbestedingsruimte hebben netbeheerders benut om leveringszekerheid, staatsinvloeden en cybersecurity als (uitsluitings)criteria te hanteren, en welke ruimte is volgens u onbenut gebleven?
Zoals beantwoord in Kamerstuk 2025Z2274113 is de slimme meter modulair ontworpen en is voor de afzonderlijke componenten een risicobeoordeling opgesteld. De beschikbare analyses en informatie zijn bij het opstellen van deze risicobeoordelingen meegenomen. De risicobeoordeling heeft geresulteerd in mitigerende maatregelen, waaronder die ten aanzien van productleveringszekerheid en dataveiligheid.
Daarnaast zijn de netbeheerders gehouden aan de nationale en Europese aanbestedingsregels. Ter verdere bevordering van de bescherming van vitale processen in de energiesector zijn in de nieuwe Energiewet – die sinds 1 januari van kracht is – regels opgenomen voor de bescherming van deze processen. Deze regels worden momenteel nader uitgewerkt in onderliggende regelgeving.
Zijn Europese leveranciers in dit traject aantoonbaar in staat geweest om mee te dingen en te leveren (volume/tijd), en kunt u de Kamer informeren welke Europese aanbieders zijn afgevallen en om welke redenen?
Ja, Europese aanbieders hebben zich kunnen inschrijven voor deze aanbesteding. De netbeheerders hebben – conform Europese aanbestedingsregels – dit onderdeel gegund middels een openbare aanbesteding. Er is geen restrictie geweest op deelname uit landen. Iedere aanbieder heeft kunnen inschrijven voor de selectiefase van de aanbesteding. Gekwalificeerde aanbieders konden in de gunningsfase van de aanbesteding een aanbieding doen.
Kandidaten kunnen niet openbaar gemaakt worden. Deze gegevens zijn bedrijfsvertrouwelijk en concurrentiegevoelig. De gegunde leveranciers bestaan uit Kaifa Technology Netherlands B.V. en Sagemcom Energy & Telecom SAS. Dit is weergegeven op Tenderned.14
Is onderzocht of sprake is van een abnormaal lage inschrijving (onder kostprijs) en/of een verstorend effect van staatssteun? Zo ja, wat was de uitkomst. Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Welke scenario’s zijn uitgewerkt voor het geval leveringen/onderhoud/updates vanuit China (tijdelijk) wegvallen door geopolitieke spanningen, en welke buffer/alternatieve leveranciers zijn (contractueel) geborgd?
Zoals beantwoord in Kamerstuk 2025Z2274115 zijn betrouwbare waardeketens voor vitale energie-infrastructuur essentieel voor het waarborgen van de leveringszekerheid en onze nationale veiligheid. Leveringszekerheid in de product waardeketen is één van de onderdelen van de risicoanalyse die is uitgevoerd door de netbeheerders. Om risico’s ten aanzien van de leveringszekerheid te mitigeren, is onder andere besloten voor elke hardware component in de slimme meter voor twee verschillende leveranciers te kiezen. Eén van de twee leveranciers dient afkomstig te zijn uit een land dat partij is bij de multilaterale Overeenkomst inzake overheidsopdrachten (Government Procurement Agreement – GPA).16 In dit geval betekent dit dat de meetmodule die Kaifa Technology levert, ook wordt geleverd door het Franse Sagemcom. Indien noodzakelijk kunnen de netbeheerders een beroep doen op de Franse leverancier om alle leveringen over te nemen en de dienstverlening te continueren. Dit houdt in dat, indien één van de partijen niet in staat is om te leveren, de andere partij over voldoende capaciteit beschikt om de levering tot 100% te continueren. Hierdoor is de leveringszekerheid van dit onderdeel geborgd. Voor dit leveranciersmodel is ook gekozen om de Europese productie van meetmodules te versterken en beschikbaar te houden.
Welke concrete artikelen en AMvB’s in de huidige Energiewet geven netbeheerders nu wél/geen handvatten om hoog-risico leveranciers te weren bij (digitale/slimme) meters, aangezien in 2022 het kabinet aangaf dat wijzigingen (o.a. mogelijkheid tot gebruik Aanbestedingswet Defensie en Veiligheid) in de Energiewet zouden landen?
Netbeheerders hebben op grond van de Energiewet de verplichting om de veiligheid en betrouwbaarheid van de netten en het transport over de netten op de meest doelmatige wijze te waarborgen. Daarnaast geldt de verplichting de netten te beschermen tegen invloeden van buitenaf. Dit is een wettelijke taak van netbeheerders.
De netbeheerders kunnen via drie kaders producten of diensten aanschaffen. Deze kaders hebben ieder in meer of mindere mate mogelijkheden om de veiligheid van de producten en diensten en daarmee de nationale veiligheid te waarborgen.17 Er zijn veiligheidsmaatregelen mogelijk in de Aanbestedingswet 2012 (AW2012), de Aanbestedingswet op Defensie en Veiligheidsgebied (ADV) en er kan gebruik gemaakt worden van het inroepen van artikel 346 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie.18
Om een veilige energietransitie te borgen, heeft het kabinet besloten de mogelijkheden voor de netbeheerders om veiligheidsmaatregelen te nemen uit te breiden en te uniformeren. Er wordt tevens verkend in hoeverre harmonisatie van bevoegdheden op termijn mogelijk en wenselijk is, met het oog op een meer uniforme en uitvoerbare systematiek. De nieuwe Energiewet creëert onder artikel 3.18 de bevoegdheid voor de Minister van Klimaat en Groene Groei om aanvullende eisen te stellen aan kritieke processen van de netbeheerders ter bescherming van de nationale veiligheid. Deze regels worden momenteel nader uitgewerkt in onderliggende regelgeving. Hierdoor wordt het voor de netbeheerders gemakkelijker om gebruik te maken van de veiligheidsmaatregelen in de hierboven beschreven wettelijke kaders.
Daarnaast heeft het Ministerie van Justitie en Veiligheid momenteel in de onderliggende conceptwetgeving van de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten en de Cyberbeveiligingswet, te weten het Besluit weerbaarheid kritieke entiteiten en het Cyberbeveiligingsbesluit, een artikel opgenomen waarbij entiteiten verplicht kunnen worden om bepaalde producten of diensten van specifieke leveranciers niet te gebruiken. De desbetreffende vakminister kan een dergelijke bevoegdheid inzetten – in overeenstemming met de Minister van Justitie en Veiligheid – indien dat noodzakelijk is om risico’s voor de nationale veiligheid te voorkomen, te beperken of te beheersen. De vakminister dient hiervoor een beoordelingskader te doorlopen en aan de hand daarvan te bepalen of er al dan niet sprake is van de noodzaak om de verplichting op te leggen.
Bent u bereid om zo spoedig mogelijk met een kader voor vertrouwde leveranciers voor vitale energiecomponenten (incl. meters) te komen, met heldere criteria (staatsinvloed, ketentransparantie, cybersecurity) en een toetsingsproces voor netbeheerders?
Zie antwoord vraag 16.
Het artikel ‘Woede om miljoenenorder: vier miljoen slimme meters komen straks uit China’ |
|
Pieter Grinwis (CU), Derk Boswijk (CDA), Henk Jumelet (CDA), Jan Paternotte (D66), Peter de Groot (VVD), Eric van der Burg (VVD), Felix Klos (D66) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving dat netbeheerders circa vier miljoen slimme meters gaan inkopen bij Chinese leveranciers? Zo ja, wat is uw oordeel hierover?1
Ja, ik ben bekend met deze berichtgeving. De berichtgeving gaat over de meetmodule, een onderdeel van de slimme meter dat alleen het elektriciteitsverbruik op digitale wijze meet. Deze meetmodule introduceert daarmee geen risico voor de leveringszekerheid van energie.
De verzending en de versleuteling van data naar de netbeheerders en de communicatie met andere apparaten loopt niet via deze meetmodule. De meetmodule bevat ook geen schakelaar en kan niet op afstand worden uitgeschakeld waardoor er geen effect is op de beschikbaarheid van energie. De leveranciers van het betreffende onderdeel en andere niet-geautoriseerde partijen kunnen niet meelezen met de data van de nieuwe generatie slimme meter. De veiligheid van de data wordt door de netbeheerders gewaarborgd door middel van encryptie en autorisaties. In de beantwoording van vraag 7, 8, 9 en 10 wordt dataveiligheid nader verdiept. Het kabinet is tegen deze achtergrond van oordeel dat de betreffende inkoop geen ontoelaatbaar risico vormt voor Nederlandse consumenten.
Welke afwegingen zijn gemaakt over de economische afhankelijkheid van China bij de keuze voor deze leveranciers?
Betrouwbare waardeketens voor vitale energie-infrastructuur zijn essentieel voor het waarborgen van de leveringszekerheid en onze nationale veiligheid. Leveringszekerheid in de product waardeketen is één van de onderdelen van de risicoanalyse die is uitgevoerd door de netbeheerders. Om risico’s ten aanzien van de leveringszekerheid te mitigeren, is onder andere besloten voor elke hardware component in de slimme meter voor twee verschillende leveranciers te kiezen. Eén van de twee leveranciers dient afkomstig te zijn uit een land dat partij is bij de multilaterale Overeenkomst inzake overheidsopdrachten (Government Procurement Agreement – GPA). Deze overeenkomst beoogt wederzijdse openstelling van overheidsopdrachten tussen deelnemende landen op basis van transparantie, non-discriminatie en rechtszekerheid. De Europese Unie onderhoudt met deze GPA-partijen structurele en wederkerige handelsrelaties die zijn gebaseerd op internationale afspraken, hetgeen bijdraagt aan een betrouwbare samenwerking binnen de publieke aanbestedingen.
In dit geval betekent dit dat de meetmodule die Kaifa Technology levert, ook wordt geleverd door het Franse Sagemcom. Indien noodzakelijk kunnen de netbeheerders een beroep doen op de Franse leverancier om alle leveringen over te nemen en de dienstverlening te continueren. Dit houdt in dat, indien één van de partijen niet in staat is om te leveren, de andere partij over voldoende capaciteit beschikt om de levering tot 100% te continueren. Hierdoor is de leveringszekerheid van dit onderdeel geborgd. Voor dit leveranciersmodel is ook gekozen om de Europese productie van meetmodules te versterken en beschikbaar te houden.
Voor de verschillende onderdelen van het systeem is een uitgebreide marktconsultatie gedaan. Voor de componenten die niet als risicovol beschouwd zijn, is gekozen voor maximale concurrentie om de maatschappelijke kosten zo laag mogelijk te houden.
Is onderzocht of voldoende capaciteit bestaat bij Europese of Nederlandse producenten om deze meters te leveren? Zo ja, wat zijn de uitkomsten?
Zie antwoord vraag 2.
Welke risicoanalyses zijn uitgevoerd met betrekking tot nationale veiligheid en cybersecurity bij het gebruik van slimme meters, die geproduceerd zijn door bedrijven gevestigd in China?
De netbeheerders hebben een risicoanalyse en onderzoek uitgevoerd. Hierbij is gebruik gemaakt van verschillende analyses, waaronder het Dreigingsbeeld Statelijke Actoren (DBSA) en het Cybersecuritybeeld Nederland, beide gepubliceerd door de NCTV. Daarnaast hebben de netbeheerders de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) bevraagd over risico's in dit aanbestedingstraject. In overleg met de netbeheerders en het Ministerie van Klimaat en Groene Groei heeft de AIVD in algemene zin het dreigingsbeeld, conform bovengenoemde analyses, geschetst op het concept van de nieuwe generatie slimme meter. Mede op basis van deze informatie hebben de netbeheerders maatregelen toegepast waarmee er geen ontoelaatbaar risico is.
De slimme meter is modulair ontworpen en voor de afzonderlijke componenten is een risicobeoordeling opgesteld. De beschikbare analyses en informatie zijn bij het opstellen van deze risicobeoordelingen meegenomen. De risicobeoordeling heeft geresulteerd in mitigerende maatregelen, waaronder die ten aanzien van productleveringszekerheid en dataveiligheid. Er is dus vooraf rekening gehouden met mogelijke risico's voor bijvoorbeeld de energie- en productleveringszekerheid en de dataveiligheid van consumenten bij het vormgeven van de aanbesteding.
Daarnaast zijn de netbeheerders gehouden aan de nationale en Europese aanbestedingsregels. Ter verdere bevordering van de bescherming van vitale processen in de energiesector zijn in de nieuwe Energiewet – die sinds 1 januari van kracht is – regels opgenomen voor de bescherming van deze processen. Deze regels worden momenteel nader uitgewerkt in onderliggende regelgeving.
Zijn er specifieke dreigingsanalyses voor mogelijke beïnvloeding van het energiesysteem (bijvoorbeeld verbruikscijfers manipuleren of storingen veroorzaken) wanneer apparaten in handen zijn van derde landen met potentiële tegenstellingen?
Zie antwoord vraag 4.
Hebben de AIVD, MIVD of NCTV hierover advies uitgebracht richting het kabinet of netbeheerders? Kunt u die adviezen openbaar maken of samenvatten?
Zie antwoord vraag 4.
Welke data worden precies verzameld door deze slimme meters en op welke frequentie (bijvoorbeeld per minuut, per uur)?
De netbeheerders houden zich aan de wettelijke voorschriften omtrent databeheer en privacy en zijn op grond van de Energiewet2 verplicht hun gegevens te beveiligen en te beschermen. De huidige circa 8 miljoen slimme meters voldoen aan de gestelde (technische) eisen in het Besluit op afstand uitleesbare meetinrichtingen (BOAUM), die gelden onder de Energiewet.3 Ook bij de nieuwe generatie slimme meter geven de netbeheerders uitvoering aan de eisen uit het BOAUM. In deze eisen is onder meer vereist dat de meters zodanig beveiligd zijn tegen fraude met, misbruik van of inbreuk op de meters dat een passend beveiligingsniveau is gegarandeerd. Hierbij moet rekening gehouden worden met de internationale stand van de techniek en de uitvoeringskosten.
Conform het BOAUM registreert de meter het actuele vermogen (in Watt) en per kwartier de meterstand. De netbeheerders lezen de meters maximaal één keer per dag uit, vaak in de nacht. De netbeheerder leest enkel datgene uit wat noodzakelijk is voor het functioneren van het elektriciteitssysteem in den brede, wat ook is vastgelegd in de Energiewet en onderliggende regelgeving. Onder de Energiewet4 is de netbeheerder bevoegd per aansluiting de kwartierstanden uit te lezen ten behoeve van de onbalansverrekening als onderdeel van de balanceringstaak van TenneT.
Naast het regime van de Energiewet geldt, voor zover het gaat om persoonsgegevens, ook de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Bij elke verwerking van persoonsgegevens geldt voor de netbeheerders dat deze verwerking rechtmatig moet zijn in het licht van de voorwaarden in artikel 6 AVG. Ten aanzien van de omgang met slimme meterdata voor de uitvoering van hun wettelijke taken hebben de netbeheerders de «Gedragscode Slim Netbeheer» opgesteld die in februari 2022 door de Autoriteit Persoonsgegevens is goedgekeurd.5
Wordt er onderscheid gemaakt tussen noodzakelijke data voor het energienetbeheer en privacygevoelige data? Zo ja, hoe worden die gescheiden?
Zie antwoord vraag 7.
Welke maatregelen zijn getroffen om te waarborgen dat gegevensuitwisseling volledig conform de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en EU-privacyregels verloopt?
Zie antwoord vraag 7.
Welke technische safeguards zijn ingebouwd om te voorkomen dat externe (buitenlandse) fabrikanten of andere externe partijen toegang krijgen tot het backend-systeem waarmee meters data uitwisselen?
Zoals hiervoor opgemerkt gelden voor de netbeheerders verplichtingen ten aanzien van gegevensbescherming en -beveiliging. Voor het uitlezen van de nieuwe generatie slimme meters wordt door de netbeheerders een centraal systeem opgezet. De netbeheerders ontwikkelen dit systeem zelf en maken daarbij geen gebruik van buitenlandse fabrikanten, om de veiligheid van de data te waarborgen. De veiligheid van de data wordt door de netbeheerders gewaarborgd door middel van encryptie.
Is er nog een mogelijkheid dat de Rijksoverheid ingrijpt en deze aanbesteding terugdraait, indien blijkt dat de veiligheid teveel in het geding komt?
Het waarborgen van productleveringszekerheid en nationale veiligheid is voor het kabinet van groot belang. De beoordeling van de netbeheerders dat de meetmodule een laag risicoprofiel kent, in combinatie met de genomen mitigerende maatregelen passend bij dit risicoprofiel, resulteert erin dat het kabinet vanuit veiligheidsoverwegingen op dit moment geen reden ziet om in te grijpen bij deze aanbesteding. Indien het kabinet in de toekomst risico’s vaststelt voor de nationale veiligheid of leveringszekerheid zal het maatregelen treffen om een dergelijk risico te mitigeren.
Het bericht ‘Misbruik via de plof-bv: kinderlijk eenvoudig en niemand krijgt er vat op’ |
|
Jeltje Straatman (CDA) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel in het FD: «Misbruik via de plof-bv kinderlijk eenvoudig en niemand krijgt er grip op»?1
Ja, ik heb kennisgenomen van dit artikel.
Was het risico dat turboliquidaties gebruikt kunnen worden als verdwijningstruc voor fraudeurs bij introductie van het voorstel voorzien? Zo ja, waarom is dit risico destijds ingeschat als acceptabel?
De wetgever heeft het wenselijk geacht dat lege, inactieve rechtspersonen op eenvoudige wijze konden worden beëindigd. De turboliquidatie is ingevoerd om dit mogelijk te maken.2 In de praktijk heeft de turboliquidatieregeling ruimte geboden aan bonafide ondernemers om betrekkelijk snel en eenvoudig naar de beëindiging van hun onderneming toe te werken, door (voorafgaand aan de ontbinding) alles van waarde te verkopen en met de opbrengst daarvan de schulden zoveel mogelijk af te lossen. Tegelijkertijd heeft de regeling zorgen doen ontstaan over misbruik door kwaadwillenden, met name als er schulden achterblijven.3 Er zijn minder procedurele waarborgen dan bij een gewone, maar kostbaardere en langere faillissementsprocedure. Dit risico werd dus onderkend en er werd ingezien dat de regeling verbetering behoefde,4 ook al is de aard en omvang van mogelijk misbruik niet precies vast te stellen. Deze verbetering kreeg urgentie toen de Minister voor Rechtsbescherming in 2022 in verband met de gevolgen van de COVID-19 pandemie voor het bedrijfsleven een mogelijke toename in bedrijfsbeëindigingen verwachtte. Dit heeft geleid tot de Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie met een aantal additionele maatregelen. Zo moet het bestuur van de ontbonden rechtspersoon een financiële verantwoording opstellen en deponeren bij het handelsregister. Hierdoor kunnen schuldeisers beter beoordelen of de regeling correct is toegepast. Bestuurders kunnen verder een bestuursverbod krijgen, onder meer als zij niet aan de genoemde verantwoordingsverplichting hebben voldaan of doelbewust één of meer schuldeisers aanmerkelijk hebben benadeeld, bijvoorbeeld door frauduleus handelen.5
Deelt u de mening dat er geen volledig beeld is van de omvang van het misbruik van turboliquidaties? Zo ja, waarom? Zo nee, kunt u het volledige beeld delen met de Kamer?
Ik deel deze mening. Uit de praktijk volgt dat misbruik zich voordoet, maar de omvang hiervan is lastig vast te stellen. De reden hiervoor is dat het, vanwege het beperkte inzicht in de financiële stukken van een rechtspersoon, achteraf moeilijk is om te bepalen of bestuurders frauduleus hebben gehandeld.
Waarom zijn de negatieve signalen, zoals 1. dat de helft van degenen die gebruik maken van turboliquidaties, jarenlang of nooit een jaarrekening deponeerden, ondanks dat dit verplicht is, 2. dat de helft van de ontbindingen te laat zijn gemeld bij de Kamer van Koophandel of 3. dat de opheffing gebeurde met terugwerkende kracht, niet eerder boven tafel gekomen? Waarom is er niet eerder op deze signalen geacteerd?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, waren er in het verleden diverse signalen van misbruik van de turboliquidatieregeling. Om deze reden zijn er met de Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie diverse maatregelen doorgevoerd, waaronder de aangescherpte verantwoordingsplicht, de mogelijkheid voor schuldeisers om bij niet-naleving van deze verplichting inzicht te krijgen in de administratie van de ontbonden rechtspersoon en aangescherpte sancties, zoals de mogelijkheid tot oplegging van een civielrechtelijk bestuursverbod bij het niet voldoen aan de deponeringsverplichting.
De Staatssecretaris Rechtsbescherming heeft het WODC-onderzoek naar de effecten van deze wet op 12 augustus 2025 aan uw Kamer aangeboden.6 In deze brief heeft de Staatssecretaris toegelicht welke verbeteringsmogelijkheden de onderzoekers signaleren en dat zij concluderen dat de Tijdelijke wet bij naleving hiervan bijdraagt aan meer transparantie en in mindere mate bijdraagt aan het voorkomen van misbruik.
In reactie op het onderzoek is de looptijd van de Tijdelijke wet verlengd tot 15 november 2027. De Staatssecretaris Rechtsbescherming heeft daarnaast een wetgevingstraject aangekondigd om de voorzieningen uit de Tijdelijke wet permanent in te voeren. Bij dit wetgevingstraject worden de bevindingen uit het onderzoeksrapport betrokken en zal worden bezien welke aanpassingen van de regeling wenselijk zijn, ook in het licht van het verrichte evaluatieonderzoek. Het streven is om in het tweede kwartaal van dit jaar een nadere, inhoudelijke beleidsreactie op het onderzoek met uw Kamer te delen.
Wat is er nodig om het toezicht op het bij een turboliquidatie verplicht deponeren van extra documenten te intensiveren zodat er inzicht ontstaat over de omvang van het probleem en zodat er gehandhaafd en opgetreden kan worden, aangezien het eerste bestuursverbod wegens foute turboliquidatie nog uitgedeeld moet worden?
De handhaving van de verantwoordingsplicht is de taak van Bureau Economische Handhaving (dat onderdeel was van de Belastingdienst en verder gaat onder de naam DFEI (Dienst financieel-Economische Integriteit) als onderdeel van het kerndepartement Financiën). Zoals in reactie op vraag 4 is aangegeven, zal in het kader van het nieuwe wetgevingstraject worden bezien welke aanpassingen van de regeling wenselijk zijn. Hieronder valt ook de handhaving van de verantwoordingsplicht. Voor wat betreft de verlengde duur van de tijdelijke wet zal het huidige budget en de huidige capaciteit in het toezicht moeten voorzien.
Wanneer is het rapport van het in 2019 gelastte onderzoek naar de omvang van het misbruik bij turboliquidaties gereed? Zal dit rapport enkel constateringen of ook oplossingsrichtingen bevatten?
Het onderzoek is op eigen initiatief door de Belastingdienst uitgevoerd. Het rapport wordt op korte termijn openbaar gemaakt en door de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane met uw Kamer gedeeld. Het rapport bevat voornamelijk bevindingen en aanbevelingen uit de (tussen)rapportage, die al in 2025 openbaar gemaakt is. Een aantal aanbevelingen, bijvoorbeeld, maar niet uitsluitend, het aanpassen van de opleiding voor nieuwe en huidige medewerkers en het opnemen van signalen in de invorderingssystemen, heeft de Belastingdienst uitgevoerd. Enkele aanbevelingen worden momenteel nog uitgewerkt binnen de Belastingdienst en zullen daarna worden geïmplementeerd.
Hoe kijkt u naar de wetsbepaling die in Duitsland bestaat die ondernemers dwingt om bij betalingsonmacht hun eigen faillissement aan te vragen? Zou een dergelijke wetsbepaling een onderdeel van de oplossing van het probleem kunnen zijn?
Ik vind dat we ondernemers in financiële problemen moeten stimuleren om tijdig maatregelen te nemen om deze problemen op te lossen. Bij tijdig ingrijpen wordt in de regel de schade voor schuldeisers beperkt, bijvoorbeeld wanneer met hen een akkoord kan worden gesloten over een financiële herstructurering. Bedrijfsbeëindiging kan in zo’n situatie ook een reële mogelijkheid zijn. Dit kan op verschillende manieren. Turboliquidatie biedt hiervoor een laagdrempelige mogelijkheid en brengt minder kosten met zich dan een faillissement. Dat is een voordeel, want hoe lager de kosten zijn, hoe meer er onder de schuldeisers kan worden verdeeld.
Een verplichting voor bestuurders om in geval van ernstige financiële problemen het faillissement van de onderneming aan te vragen maakt onderdeel uit van het recente richtlijnvoorstel tot harmonisering van het materiële insolventierecht (een «duty to file»).7 Nederland was hier kritisch op, omdat het moeilijk is om te bepalen wanneer zo’n verplichting geldt en zo’n plicht een aanzienlijk aansprakelijkheidsrisico in het leven zou roepen voor goedwillende ondernemers. Bovendien zijn er in Nederland al voldoende mogelijkheden om bestuurders aan te spreken indien zij op onrechtmatige wijze schuldeisers benadelen.8 Mede door de Nederlandse inzet bevat de richtlijn niet alleen een duty to file,9 maar ook twee alternatieven.10 Die alternatieven zijn11 een mogelijke verplichting voor ondernemers in financiële moeilijkheden om transparant te zijn naar schuldeisers en12 een mogelijke verplichting om andere maatregelen te treffen waarvan verwacht mag worden dat ze een vergelijkbaar niveau van schuldeisersbescherming bieden. Dit biedt de nodige flexibiliteit die Nederland wilde behouden voor reddingspogingen van ondernemingen die in potentie levensvatbaar zijn.
Tijdens de implementatie zal worden bezien op welke wijze aan de nieuwe verplichtingen van de richtlijn gevolg en invulling zal worden gegeven. De verwachting is dat de richtlijn in de loop van 2026 formeel in werking treedt, waarna de implementatietermijn gaat lopen.
De nieuwe fiscale regeling om medewerkersparticipatie voor startups en scale-ups te stimuleren |
|
Inge van Dijk (CDA), Maes van Lanschot (CDA) |
|
Vincent Karremans (VVD), Heijnen |
|
|
|
|
Klopt het dat in de beoogde regeling bij een IPO met lock-up voorwaarden er pas na afloop van de lock-up periode fiscaal afgerekend hoeft te worden (Kamerstuk 32 140, nr. 285)?
Ja, het is beoogd dat in de nieuwe fiscale regeling bij een beursgang rekening wordt gehouden met bepalingen die ervoor zorgen dat de aandelen tijdelijk nog niet verhandelbaar zijn, zoals een lock-up. Hierbij wordt ook beoogd een maximale periode te hanteren om onbedoeld gebruik en misbruik uit te sluiten.
Hoe geldt dit voor een reguliere bedrijfsverkoop die non-cash is (bijvoorbeeld een aandelenruil) of op een earn-out regeling gebaseerd is?
Het kabinet wil een aantrekkelijke en internationaal concurrerende regeling introduceren, een wens die ook door uw Kamer is geuit. Daarnaast is het belangrijk dat de Belastingdienst de fiscale regeling effectief kan handhaven. De exacte vormgeving van de fiscale regeling is op dit moment nog niet volledig uitgewerkt. Bij de vormgeving van de fiscale regeling wordt met dit soort situaties zo veel als mogelijk rekening gehouden. Daarbij heeft het kabinet oog voor de voorkoming van liquiditeitsknelpunten.
Hoe voorkomt het kabinet dat de aanbiedingsplicht van een individuele werknemer een blokkade wordt bij een beoogde overname van alle aandelen in de start / scale-up door een derde partij?
Het kabinet wil dit mogelijke knelpunt juist ondervangen. Door de aanbiedingsplicht is de (ex)-werkgever in staat om de aandelen terug te kopen. Dit helpt ook in het geval van een eventuele overname. Daarnaast zijn in optieplannen vaak drag-along bepalingen opgenomen waardoor minderheidsaandeelhouders worden gedwongen om mee te verkopen bij een overname.
Bij verlopen van de status wordt teruggevallen op de bestaande regeling, waarin belastingheffing uiterlijk plaatsvindt bij verhandelbaarheid van aandelen, valt een beperkte interne verkoop-ronde ook onder de definitie van deze regeling?
In de praktijk zal het moment van de verhandelbaarheid en de verkoop van de aandelen vaak dicht bij elkaar liggen. Aansluiten bij het moment van verhandelbaarheid zal dus niet vaak leiden tot een knelpunt. Bij het heffingsmoment wordt tijdsevenredig rekening gehouden met de belastingkorting. Het begrip verhandelbaarheid is uitgewerkt in artikel 10a van de Wet op de loonbelasting 1964, zoals gewijzigd per 2023, met het doel om voor startups en scale-ups zoveel mogelijk liquiditeitsknelpunten weg te nemen.
Hieruit volgt dat wordt verstaan onder het verhandelbaar worden van de bij uitoefening verkregen aandelen: het eerste moment waarop de betreffende werknemer de mogelijkheid heeft deze aandelen te vervreemden. Dat is niet alleen het geval wanneer de aandelen aan een willekeurige derde verkocht kunnen worden, maar ook wanneer de aandelen slechts aan een selecte groep verkocht kunnen worden zoals aan andere personen die binnen de onderneming werkzaam zijn.1
Hoe mitigeert het kabinet het liquiditeitsrisico voor medewerkers bij het verlopen van de status (met bijvoorbeeld een betalingsregeling)?
Indien de startup status vervalt, betalen medewerkers belasting op het moment dat zij ook daadwerkelijk in staat zijn om hun belasting te betalen (moment van verhandelbaarheid). In de meeste gevallen zal dit moment samenvallen met het moment waarop liquide middelen beschikbaar zijn om de verschuldigde belasting te betalen. Een specifieke betalingsregeling voor dergelijke gevallen acht het kabinet daarmee niet noodzakelijk.