Het bericht dat door personeelstekorten er niet voldoende celinspecties plaats kunnen vinden in gevangenissen |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht in de Telegraaf waarin door het gevangenispersoneel gezegd wordt dat gevangenen vrij spel krijgen doordat een gebrek aan personeel leidt tot minimale controles van cellen en gevangenen? Zo ja, was dit signaal van het gevangenispersoneel bij u reeds bekend?1
Ja. Vergelijkbare signalen over de uitvoering van celinspecties zijn eerder aan de orde gekomen in het onderzoek «Uit Balans» van de Inspectie JenV en hebben geleid tot extra inspanningen om de personele bezetting te verbeteren.2 Van groot belang is de sinds 2017 in gang gezette grootschalige werving van personeel, om de uitstroom van personeel op te vangen, nieuwe vacatures in te vullen en externe inhuur te vervangen door eigen personeel.
Ook in mijn visie op gevangenisstraffen heb ik verbeteringen aangekondigd, onder meer in het roosterproces en ten aanzien van het opleiden van personeel. Penitentiaire inrichtingen (PI’s) hebben extra middelen gekregen als compensatie voor medewerkers die na hun 57e parttime werken (de zgn. PAS-regeling) en voor ouderschapsverlof. Na onderzoek naar de formatie en bezetting bij DJI heeft de Algemene Rekenkamer de aanbeveling gedaan om voor een strategisch personeelsplan te zorgen. Die is inmiddels opgesteld. DJI heeft dus al verscheidende serieuze stappen gezet om te zorgen voor een solide personeelsbestand.
Hoe kan het dat het gevangenispersoneel aangeeft nauwelijks toe te komen aan het inspecteren van cellen? Is er genoeg capaciteit in het gevangeniswezen teneinde dagelijks grondige celcontroles te doen in alle gevangenissen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u dit staven met gegevens?
De penitentiaire inrichtingen krijgen genoeg tijd en middelen voor het uitvoeren van de taken. Dit gebeurt via het systeem van kostprijsfinanciering, waarin wordt vastgesteld hoeveel formatieplekken een vestiging nodig heeft voor het uitvoeren van haar taken. Onder die taken valt ook het uitvoeren van de celinspecties, bestaande uit de dagelijkse controle van de cel (op netheid, hygiëne, ramen e.d.) en de periodieke celinspecties waarbij de cel en de inventaris worden doorzocht op de aanwezigheid van contrabande.
Op dit moment is de personele bezetting van eigen personeel en ingehuurde externen over het geheel genomen in overeenstemming met de voor 2019 vastgestelde formatie. Door de landelijke werving is er veel nieuw personeel bijgekomen. Dat is een goede ontwikkeling.
Als er echter sprake is van een hoog ziekteverzuim kan er alsnog krapte in de bezetting van de dienstroosters ontstaan. De hoogte van het ziekteverzuim verschilt per inrichting per maand, maar in mei zaten 4 inrichtingen boven 8,5% (over de afgelopen 12 maanden). In de financiering van inrichtingen wordt rekening gehouden met 7,3% ziekteverzuim.
Als een inrichting (flink) boven deze 7,3% zit, kunnen niet alle ingeplande roosterdiensten daadwerkelijk worden ingevuld. De inrichting moet dan de keuze maken welke activiteiten doorgang kunnen vinden en welke niet.
De veiligheid staat voorop. Er wordt niet getornd aan het primaire proces, maar bijvoorbeeld geschoven met teamoverleggen, sporturen en opleidingen. Ongeveer een derde van de inrichtingen geeft aan dat ook de uitvoering van celinspecties soms onder druk staat, waardoor zij worden uitgesteld of minder vaak worden uitgevoerd dan gepland.
Celinspecties vind ik van wezenlijk belang voor de veiligheid in de inrichting, en daarom mogen we daar niet op inleveren. DJI zet daarom erop in te voorkomen dat deze niet door kunnen gaan. Als dat toch nodig is, stuurt DJI er bij de inrichtingen op aan deze op een ander moment in te halen. Daarnaast blijft DJI onverminderd prioriteit geven aan de werving van nieuw personeel, het verminderen van de werkdruk en het terugdringen van het ziekteverzuim.
Hoe verklaart u dat de Dienst Justitiële Instellingen stelt, dat voor celinspecties ruimte wordt gemaakt in de dienstroosters en dat die celinspecties onderdeel uitmaken van de ingeplande werkzaamheden, terwijl het gevangenispersoneel zelf zegt niet aan grondige inspecties toe te komen?
Zoals hierboven toegelicht, kan dit soms samen gaan. In de dienstroosters wordt dan vooraf ruimte gemaakt voor het uitvoeren van de celinspecties, waarna krapte in de bezetting van die roosters vervolgens toch tot resultaat heeft dat ze onder druk komen te staan. Dat is onwenselijk en daarom stuurt DJI er bij de inrichtingen op aan dit tegen te gaan.
Overigens staan de celinspecties bij de bestrijding van contrabande niet op zichzelf. Er vinden periodiek zeer grondige spitacties plaats waarbij een hele afdeling of hele inrichting wordt doorzocht. Het kabinet heeft, zoals uw Kamer bij voorjaarsnota is bericht, drie miljoen euro vrijgemaakt voor de aanpak van contrabande, waaronder voor een intensivering van de inzet van speurhonden.
Bent u bereid het meerpersoonscelgebruik te verminderen, zodat de werkdruk voor het gevangenispersoneel omlaag kan en zij dus meer tijd hebben voor bijvoorbeeld grondige celinspecties? Zo nee, waarom niet?
De inzet van meerpersoonscellen moet veilig en verantwoord plaatsvinden. Bij het bepalen van de benodigde personele inzet wordt gekeken naar het aantal gedetineerden en niet naar het aantal cellen. Er geldt een richtlijn van 2 personeelsleden op 24 uitgesloten gedetineerden. In geval van meerpersoonscelgebruik groeit het aantal personeelsleden mee met het aantal gedetineerden in de inrichting. Bij de inzet van meerpersoonscellen wordt onder andere gekeken naar het regime, het gebouw en de lokale omstandigheden. Ik vind dan ook dat de huidige inzet van meerpersoonscellen verantwoord is. Bovendien bieden meerpersoonscellen de mogelijkheid flexibel om te gaan met capaciteit.
Is het sanctiebeleid in de gevangenis wel stevig genoeg, als gevangenen zich vrij wanen en drugs en telefoons gebruiken? Is het sanctiebeleid de afgelopen jaren veranderd? Bent u bereid de sanctiekaart aan de Kamer te sturen? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid het sanctiebeleid in de gevangenissen onder de loep te nemen?
Ik deel de mening dat het sanctiebeleid steviger moet. In de visie op gevangenisstraffen heb ik dan ook onder andere een herijking van de sanctiekaart, die DJI als leidraad gebruikt voor het bepalen van disciplinaire straffen, aangekondigd. Deze is per 20 mei 2019 aangescherpt om hogere straffen op te kunnen leggen voor contrabande, geweld tegen personeel en geweld tussen gedetineerden onderling. Voor deze onderwerpen geldt nu de maximale bandbreedte uit de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) van 14 dagen strafcel. Daarnaast wordt meer maatwerk mogelijk gemaakt om de hoogte van de straf aan te passen aan de specifieke situatie.
Klopt het, dat sommige sancties slechts op papier sancties zijn, maar in de werkelijkheid niet eens tot uitvoering gebracht kunnen worden zoals bijvoorbeeld iemand die als sanctie een aantal dagen geen tv mag kijken, maar door een gebrek aan andere cellen gewoon bij een ander op de cel blijft zitten die wel tv heeft?
Klopt het, dat als gedetineerden op een meerpersoonscel zitten en slechts één van de gedetineerde als sanctie opgelegd heeft gekregen dat hij op cel moet blijven, de deur van de cel toch open staat tijdens de momenten dat de andere gedetineerde recreatie heeft? Komt het voor dat de overige gedetineerden dan gewoon bij de gesanctioneerde op cel komen recreëren? Is dat de bedoeling? Denkt u dat sancties op deze manier nog wel voldoende serieus worden genomen door gedetineerden?
Als een gedetineerde een straf op cel krijgt, mag hij of zij niet deelnemen aan activiteiten. Dit geldt ook bij een meerpersoonscel. Het personeel geeft richting de gesanctioneerde de afspraken aan en houdt daar toezicht op. Bij meerpersoonscelgebruik moet het personeel dus extra goed opletten of de gesanctioneerde inderdaad op zijn cel blijft. Soms is het mogelijk om de straf uit te voeren op een lege eenpersoonscel. Indien de gesanctioneerde zich niet houdt aan de opgelegde straf volgen aanvullende maatregelen. Er kan dan bijvoorbeeld besloten worden tot het uitvoeren van de straf in de strafcel.
Op welke manier gaat u er voor zorgen dat het personeel in de gevangenissen hun belangrijke werk goed en veilig kunnen doen en er in ieder geval voldoende grondige celinspecties plaats kunnen vinden? Bent u bereid te zorgen voor meer gevangenispersoneel en minder werkdruk? Zo nee, waarom niet? Welke andere oplossingen ziet u?
DJI, de bonden en de centrale ondernemingsraad hebben gezamenlijk een convenant afgesloten voor de periode 2018–2021. Vermindering van de werkdruk maakt ook deel uit van deze afspraken. Zo zijn extra middelen vrijgemaakt om te investeren in vakmanschap en in de vervanging van medewerkers die van ouderschapsverlof of de PAS-regeling gebruik maken. Ook wordt geïnvesteerd in het traject Netto Personele Inzet waarbij inzicht ontstaat in de feitelijke inzetbaarheid van het gefinancierde personeel op de werkvloer en hoe het plan en roosterproces met dat inzicht verbeterd kan worden.
Tot slot blijft DJI investeren in de werving van nieuw personeel. Eind april 2019 zijn in totaal ongeveer 1.200 nieuwe executieve medewerkers aangenomen bij het gevangeniswezen en de DV&O. Deze maatregelen moeten ervoor zorgen dat het personeel voldoende tijd heeft om alle taken, waaronder de celinspecties, goed en veilig uit te voeren.
Een Brits rapport inzake geloofsvervolging waarin grote zorgen worden geuit over de wereldwijde christenvervolging |
|
Martijn van Helvert (CDA), Joël Voordewind (CU), Pieter Omtzigt (CDA), Kees van der Staaij (SGP) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het artikel «Christian persecution «at near genocide levels» van BBC naar aanleiding van het rapport opgesteld in opdracht van de Britse Minister van Buitenlandse Zaken Jeremy Hunt?1
Ja.
Kunt u uw reactie op dit rapport van Philip Mounstephen in een brief aan de Kamer doen toekomen, samen met de antwoorden op deze vragen? Kunt u reageren op de conclusies van het interimrapport?
De reactie van het kabinet op het tussentijdse rapport van Philip Mountstephen, opgesteld voor het Britse Foreign and Commonwealth Office, ontvangt u met de antwoorden op deze vragen.
De heer Mountstephen concludeert dat, enkele meer positieve ontwikkelingen daargelaten, er wereldwijd sprake is van toenemende schendingen van de vrijheid van religie en levensovertuiging, en van discriminatie en geweld jegens christenen in het bijzonder. De opsteller stelt voorts onder verwijzing naar artikel 18 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens dat implementatie in plaats van vernieuwing van het bestaande mensenrechtenraamwerk de grootste uitdaging vormt. Deze conclusie deelt het kabinet.
Zoals in het geactualiseerde mensenrechtenbeleid (Kamerstuk 32 735, nr. 198) opgenomen zet Nederland zich in voor universele mensenrechten, waaronder de vrijheid van religie en levensovertuiging. Het recht op vrijheid van religie en levensovertuiging is een van de zes prioriteiten van het buitenlandse mensenrechtenbeleid van Nederland. Nederland zet zich in, en zal zich blijven inzetten, voor naleving van de Universele Verklaring, met inbegrip van artikel 18. Conform de moties Voordewind c.s. (Kamerstuk 33 694, nr. 13 en 34 775 V, nr. 29) intensiveert Nederland deze inzet de komende jaren, zoals nader uitgewerkt in mijn brief aan uw Kamer van 30 oktober jl. (Kamerstuk 32 735, nr. 227).
Herkent u de uitspraak van uw Britse collega dat politieke correctheid heeft bijgedragen aan het relativeren van wereldwijde christenvervolging?
Deze uitspraak is aan mijn Britse collega; het kabinet doet daar geen uitspraak over. Dit kabinet zet zich in zijn mensenrechtenbeleid in het bijzonder in voor kwetsbare groepen zoals christenen.
In welke mate herkent u de constatering van uw Britse collega dat «in sommige regio's het niveau en de aard van vervolging aantoonbaar dicht in de buurt komt van het voldoen aan de internationale definitie van genocide, volgens die van de VN»?
De bevinding door Philip Mountstephen in het rapport dat in sommige regio’s de schaal en aard van vervolging misschien wel in de buurt komen van het voldoen aan de internationale definitie van genocide, zoals aangenomen door de VN, is zorgelijk. Het Verdrag inzake de Voorkoming en de Bestraffing van Genocide, dat het kabinet onderschrijft, verplicht de staten die partij zijn bij het verdrag om genocide te voorkomen en te bestraffen. De verplichting om genocide te voorkomen houdt in dat een staat alle maatregelen moet nemen die redelijkerwijs beschikbaar zijn om genocide zo veel mogelijk te voorkomen. Deze verplichting richt zich primair op de territoriale staat – de staat waar de misdrijven worden gepleegd – maar is niet territoriaal begrensd. De reikwijdte van de verplichting om te voorkomen voor andere staten hangt af van hun mogelijkheden om invloed uit te oefenen op mogelijke plegers van genocide. De verplichting om genocide te bestraffen houdt in dat staten genocide strafbaar moeten stellen en verdachten op hun eigen grondgebied moeten vervolgen. In Nederland is de Wet internationale misdrijven van toepassing, op basis waarvan verdachten van genocide kunnen worden vervolgd indien het OM daartoe besluit. Op basis van deze wet geldt universele rechtsmacht voor deze misdrijven.
Welke conclusie moet getrokken worden uit bovenstaande constatering aan de ene zijde en aan de andere zijde artikel 1 uit het Verdrag inzake de Voorkoming en de Bestraffing van Genocide, aangenomen in de Algemene Vergadering van de VN op 1 december 1948, waarin staat dat alle ondertekende leden genocide moeten voorkomen en bestraffen?
Zie antwoord vraag 4.
Onderschrijft het kabinet het Verdrag inzake de Voorkoming en de Bestraffing van Genocide nog steeds? Welke actie neemt Nederland, bijvoorbeeld als gevolg van het Verdrag inzake de voorkoming en bestraffing van genocide, tegen christenvervolging?
Zie antwoord vraag 4.
In hoeverre is het kabinet bereid om de vervolging omwille van geloof hard tegen te gaan?
Nederland zet zich samen met gelijkgezinde landen ervoor in dat mensenrechtenschendingen ook via sancties kunnen worden aangepakt. Zowel in VN- als EU-verband is in verschillende geografisch afgebakende sanctieregimes een criterium voor ernstige mensenrechtenschendingen opgenomen, waar ook schendingen tegen religieuze minderheden onder geschaard kunnen worden. Deze regimes bieden de mogelijkheid voor persoonsgerichte sancties, in beginsel ook jegens hen die hiervoor politieke verantwoordelijkheid dragen.
Daarnaast pleit het kabinet zoals bekend voor een EU-mensenrechtensanctieregime waarmee wereldwijd persoonsgerichte sancties tegen mensenrechtenschenders kunnen worden ingesteld. Ook ernstige mensenrechtenschendingen ten opzichte van religieuze minderheden zouden onder de reikwijdte van dit sanctieregime kunnen vallen. Uw kamer zal periodiek via de gebruikelijke weg over de voortgang van de discussies in EU-verband over dit sanctieregime geïnformeerd blijven worden.
Wanneer wordt de nieuwe Speciaal Gezant voor Vrijheid van Geloof en Levensovertuiging in Nederland aangesteld en krijgt deze dezelfde status als de Ambassadeur voor de Rechten van de Mens?
Gezien het belang dat het kabinet en uw Kamer hechten aan vrijheid van religie en levensovertuiging is de positie voor een Speciaal Gezant voor dit thema gecreëerd. Het streven is dat de Gezant in de zomer van 2019 aantreedt. De gezant krijgt niet de titel van ambassadeur. De Mensenrechtenambassadeur is het boegbeeld van het buitenlandse mensenrechtenbeleid van Nederland, waarbinnen de vrijheid van religie en levensovertuiging één van de zes prioriteiten is. Ook zij zal daarom aandacht aan vrijheid van religie en levensovertuiging blijven besteden in haar werk. Vanzelfsprekend zullen de Speciaal Gezant en de Mensenrechtenambassadeur nauw samenwerken.
In hoeverre is het kabinet bereid om samen met andere landen deze vervolging tegen te gaan met sancties tegen landen die christenen vervolgen?
Zie antwoord vraag 7.
In hoeverre kunnen persoonlijke sancties worden ingezet tegen leiders in landen die christenen vervolgen?
Zie antwoord vraag 7.
In hoeverre bent u bereid om, samen met de Kamer, en samen met andere landen een «artikel 18 Top» te organiseren, waarbij geen politieke correctheid voorop staat, maar de wens om vervolgde christenen en andere gelovigen te helpen en vervolging te voorkomen?
Gezien het belang dat Nederland hecht aan het recht op vrijheid van religie en levensovertuiging, zoals onder meer neergelegd in artikel 18 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, en het voornemen van het kabinet om de inzet hierop te intensiveren, heb ik besloten om op 18 november 2019 een internationale conferentie te organiseren in Nederland over de bestrijding van religieuze intolerantie. Deze conferentie zal plaatsvinden in het kader van het «Istanboel Proces»: het mechanisme voor dialoog over de toepassing van resolutie 16/18 van de VN-Mensenrechtenraad over dit onderwerp. Met deze conferentie geeft Nederland een vervolg en hernieuwde energie aan dit proces. In lijn met de aanbeveling van de VN Speciaal Rapporteur voor vrijheid van religie en levensovertuiging, Dr. Ahmed Shaheed, zal de bijeenkomst qua thema en deelnemersveld gericht zijn op dialoog en een praktijkgerichte uitwisseling van best practices.
Deelt u de mening dat de internationale gemeenschap meer actie moet ondernemen dan tot nu toe werd gedaan, omdat de vervolging van christenen in de wereld verergert in plaats van afneemt?
Zie antwoord vraag 11.
Welke rol ziet u hierin voor Nederland weggelegd als land dat de stad van vrede en recht herbergt?
Zie antwoord vraag 11.
Bent u bereid om het thema religieuze intolerantie, godsdienstvrijheid en christenvervolging te agenderen voor een speciale sessie van de Raad Buitenlandse Zaken en daar een voorstel te doen voor een gezamenlijke strategie richting landen die religieuze minderheden vervolgen?
Ook binnen de EU heeft de vrijheid van religie en levensovertuiging de aandacht. Nederland zet zoals bekend in op versterking en verlenging van het mandaat van de EU Speciaal Gezant voor dit thema. Het kabinet is voorts bereid zich in te spannen om in Raadskader op een opportuun moment het onderwerp vrijheid van religie en levensovertuiging op te brengen.
Het bericht ‘Reddingsschip Sea-Watch mag voorlopig weer uitvaren na winst rechtszaak’ |
|
Rutger Schonis (D66), Maarten Groothuizen (D66) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Reddingsschip Sea-Watch mag voorlopig weer uitvaren na winst rechtszaak»?1
Ja.
Hoe gaat u het proces met Sea-Watch 3 tot medio augustus oppakken?
De rechter heeft opgedragen om het overleg tussen Sea Watch en IenW voort te zetten, zodat duidelijk wordt waaraan de Sea-Watch 3 op grond van de regeling moet voldoen. Ik ben uiteraard bereid daar waar de eisen nog niet duidelijk zijn, deze nader toe te lichten. Ik zal daarvoor de inhoudelijke experts van mijn ministerie beschikbaar stellen. Ik zal ook Sea Watch vragen op welke onderdelen van de eisen zij behoefte hebben aan nadere informatie, zodat wij meer gericht informatie kunnen verstrekken.
Bent u nu wel bereid met Sea-Watch 3 in gesprek te gaan om tot een fatsoenlijke overgangstermijn te komen en duidelijkheid te verschaffen over de eisen waaraan Sea-Watch 3 moet voldoen?
De rechter heeft geoordeeld dat de regeling voor schepen die stelselmatig drenkelingen aan boord nemen rechtmatig is en in stand blijft. De regeling is dus nog steeds van kracht. Voor het specifieke geval van de Sea-Watch 3 heeft de rechter een termijn bepaald: de regeling zal niet worden toegepast op de Sea- Watch 3 tot en met 15 augustus 2019. Daarna is de regeling ook op de Sea-Watch 3 van toepassing.
Ten aanzien van het overleg om de eisen te verduidelijken verwijs ik u naar het antwoord op vraag 2. Mocht het overleg met Sea Watch niet leiden tot de gewenste duidelijkheid ten aanzien van de eisen, dan zal ik, conform de opdracht van de rechter, zelf duidelijkheid verschaffen over de eisen waaraan de Sea-Watch 3 moet voldoen. Over de toepasselijke eisen ben ik sinds half maart in overleg met Sea/Watch.
Het bericht 'Eritreeër verdacht van verkrachting in Oisterwijk: ‘Het is opgelost, we gaan trouwen’' |
|
Machiel de Graaf (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Eritreeër verdacht van verkrachting in Oisterwijk: «Het is opgelost, we gaan trouwen»»?1
Ja.
Deelt u de mening dat deze barbarij, de verkrachting vervangen/oplossen door te trouwen, absoluut niet bij onze Nederlandse cultuur past? Zo nee, waarom niet?
Seksueel misbruik vormt een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van slachtoffers. Ook verkrachting is een ernstig delict waarop in ons land een hoge straf staat. In het algemeen kan ik u zeggen dat elke vorm van onvrijwilligheid in het seksueel verkeer in Nederland en in de Nederlandse cultuur wordt afgewezen. Ik verwijs daarbij ook naar mijn aangekondigd voornemen om na de zomer met nieuwe strafbaarstellingen van seks tegen de wil en seksuele intimidatie te komen.2 Daarnaast kan ik u melden dat er 614 fte aan zedenrechercheurs en 150 ft aan kinderporno rechercheurs bij de politie zijn die zich dagelijks bezig houden met het opsporen van deze ernstige delicten. Dit zo gezegd zijnde, loopt er thans in de door u genoemde kwestie een strafzaak. Daar kan ik, zoals u bekend, niets over zeggen.
Is dit een voorbeeld van de verrijking van onze cultuur? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe vaak is een vergelijkbare situatie voor zo ver bekend in Nederland voorgekomen in de afgelopen 20 jaar en wat is er met de daders gebeurd?
Het OM en de Raad voor de Rechtspraak registreren enkel op delicten zoals deze in het Wetboek van Strafrecht zijn omschreven. Hier valt niet uit af te leiden hoeveel vergelijkbare zaken zich de afgelopen 20 jaar hebben voorgedaan, of er vervolging is ingesteld en zo ja, welke straf is opgelegd.
Bent u bereid middels een aanwijzing zorg te dragen voor een berechting van de verdachte en hem na zijn hopelijk zware straf uit te zetten en nooit meer Nederland in te laten komen? Bent u bereid dezelfde maatregelen te nemen tegen eventuele eerdere verdachten van een vergelijkbaar vergrijp, zoals gesteld in vraag 3? Zo nee, waarom niet?
Wanneer eenmaal aangifte is gedaan bepaalt het Openbaar Ministerie of de verdachte wordt vervolgd of niet. Zoals ik eerder heb aangegeven is de zaak onder de rechter. Het past mij als Minister niet op dit moment uitspraken te doen over de betreffende zaak.
Berichten dat Sint Maarten niet optreedt tegen witwassen |
|
Antje Diertens (D66), Joost Sneller (D66) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA), Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de artikelen «Sint Maarten weigert op te treden tegen witwassen» en «Sin Maarten is een aantrekkelijk eiland voor toeristen – en voor criminele bendes die geld willen witwassen»? Wat is uw reactie op deze artikelen?1
Ja, wij zijn bekend met deze artikelen.
Voorop staat dat de verankering van de aanbevelingen van de Financial Action Task Force (FATF) in wetgeving een verantwoordelijkheid is van het land Sint Maarten. Het is nu van belang dat het land Sint Maarten de komende maanden hier de nodige prioriteit aan geeft. De artikelen schetsen een zorgwekkend beeld waarover wij onderling nauw contact onderhouden. In relatie tot de wederopbouw wordt momenteel onderzocht of er in het hervormingsprogramma (de Development Policy Operation), maatregelen kunnen worden opgenomen die zien op een verbetering van de situatie. De berichtgeving omtrent de Caribbean Financial Action Task Force (CFATF) is met de Wereldbank gedeeld. In reactie hierop heeft de Bank op 2 juni jl. aangegeven aan Sint Maarten ondersteuning te willen bieden hieromtrent. De Bank heeft hier ruime en wereldwijde ervaring mee.
Kunt u uiteenzetten welke economische gevolgen het voor Sint Maarten heeft wanneer het land niet op tijd de aanbevelingen van de Financial Action Task Force (FATF) in wetgeving verankert? Wat betekent dit voor toerisme, bedrijvigheid en werkgelegenheid op Sint Maarten? Hoe kan Sint Maarten die economische klap opvangen? Voorziet u ook economische gevolgen voor andere landen binnen het Koninkrijk?
Sint Maarten is lid van de Caribbean Financial Action Task Force (CFATF). Dit is een zogeheten FATF-style Regional Body, die behoort tot het wereldwijde netwerk van de FATF. In 2012 heeft de CFATF voor het laatst een evaluatierapport opgesteld over Sint Maarten. Omdat uit het rapport bleek dat Sint Maarten niet voldeed aan veertien van de zestien kernaanbevelingen van de FATF, is het land sindsdien onder verscherpt toezicht gesteld. Dit behelst een stapsgewijs proces van tussentijdse beoordelingen en van mogelijke tegenmaatregelen. In 2018 heeft de CFATF een missie op ministerieel niveau naar Sint Maarten uitgevoerd en afspraken gemaakt over de invoering c.q. wijziging van zes cruciale wetten tegen witwassen en terrorismefinanciering, uiterlijk in februari 2019. Hieraan heeft Sint Maarten niet tijdig gevolg gegeven.
Begin mei hebben de Staten van Sint Maarten alsnog enkele wetten aangenomen. Het betreft de Landsverordening Meldpunt Ongebruikelijke Transacties en de Landsverordening bestrijding witwassen en terrorismefinanciering. De CFATF dient nog te beoordelen of deze regelgeving toereikend is. Op de plenaire vergadering van de CFATF op 29 mei 2019 is de status quo van Sint Maarten vooralsnog gehandhaafd. Afhankelijk van de beoordeling van de aangenomen wetten en van het aannemen van aanvullende regelgeving door de Staten van Sint Maarten, kan de CFATF in november 2019 een besluit nemen over het uitbrengen van een openbare verklaring. Dit zou de volgende stap zijn in het proces van tegenmaatregelen.
Indien de CFATF een dergelijke openbare waarschuwing afgeeft, betekent dit dat Sint Maarten beschouwd wordt als een land dat wegens zijn strategische tekortkomingen een risico vormt voor het internationale financiële systeem. De lidstaten worden dan opgeroepen om tegenmaatregelen te nemen. Deze kunnen inhouden dat internationale banken dan extra voorzorgsmaatregelen moeten nemen bij het betalingsverkeer met Sint Maarten. Om die reden kunnen zij ook afzien van het doen van transacties met het Caribische eiland. Beide gevolgen zouden ernstige repercussies kunnen hebben voor het buitenlands betalingsverkeer, voor de aantrekkelijkheid van Sint Maarten voor buitenlandse investeerders en voor het toerisme, en daarmee voor de werkgelegenheid. Dit kan de economische groei belemmeren waardoor de overheidsfinanciën langere tijd niet op orde zullen zijn. Daarnaast levert het Sint Maarten ook imagoschade op, hetgeen ook negatieve gevolgen kan hebben voor de economische groei.
Uiteraard houden wij de situatie nauwgezet in de gaten, mede in relatie tot de wederopbouw. Bij de besteding van de wederopbouwmiddelen is onder meer gekozen voor samenwerking met de Wereldbank omwille van de degelijke procedures die de Bank hanteert om een rechtmatige en doelmatige besteding van de middelen te garanderen. Zo wordt momenteel onderzocht of er in het hervormingsprogramma (de Development Policy Operation) dat wordt uitgevoerd met geld uit het trustfonds bij de Wereldbank, maatregelen kunnen worden opgenomen die zien op een verbetering van de situatie zoals geschetst in de nieuwsberichten.
Wat vind u van de mogelijkheid dat Sint Maarten mogelijk op dezelfde zwarte lijst terecht komt als Noord-Korea en Iran? Is aan «non-compliance» ook een boete of andere vorm van sancties verbonden? Kan Sint Maarten, en daarmee het Koninkrijk, vanuit de Europese Commissie op de vingers getikt worden voor non-compliance voor niet voldoen aan de Europese anti-witwasrichtlijn? Wat betekent dit voor uw eigen inspanningen om witwassen en financiering van terrorisme tegen te gaan? Welke mogelijkheden ziet u voor uzelf om te stimuleren dat Sint Maarten voldoet aan internationale afspraken tegen witwassen en financiering van terrorisme?
Er is vooralsnog geen sprake van dat Sint Maarten op de dezelfde lijst terecht komt als Noord-Korea en Iran. Deze zogenoemde zwarte lijst wordt opgesteld door de FATF en niet door de CFATF. De CFATF kent haar eigen proces om landen te monitoren, dat weliswaar sterk lijkt op dat van de FATF maar niet dezelfde gevolgen heeft. De mogelijke gevolgen van een openbare verklaring door CFATF over Sint Maarten zijn bij vraag 2 beschreven.
De FATF publiceert twee lijsten waarop jurisdicties staan met strategische tekortkomingen in hun nationale regimes ter voorkoming en bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering. De eerste lijst is het zogeheten public statementen bevat jurisdicties die geen commitmenttonen of die onvoldoende voortgang hebben laten zien bij het aanpakken van hun strategische tekortkomingen en die een bedreiging kunnen vormen voor het internationale financiële systeem. Op deze lijst staan Noord-Korea en Iran.2 De FATF roept landen op om tegenmaatregelen te treffen tegen landen op deze lijst3. Dit betreft allerlei maatregelen op het terrein van (toezicht op) het internationale betalingsverkeer met het betrokken land. Het opleggen van boetes is niet mogelijk omdat het soevereine staten betreft.
De tweede lijst die de FATF publiceert, is getiteld Improving global AML/CFT compliance.Deze «grijze» lijst bevat landen die strategische tekortkomingen hebben in hun nationale regimes ter voorkoming en bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering en die gecommitteerd zijn om deze tekortkomingen aan te pakken. Deze lijst bevat thans twaalf landen4. Er zijn geen formele tegenmaatregelen verbonden aan plaatsing op deze lijst, maar de FATF roept alle landen ter wereld wel op om rekening te houden met de geconstateerde tekortkomingen. Dit kan zijn weerslag hebben op de risicoafwegingen die financiële instellingen maken ten aanzien van deze landen. Het is niet uit te sluiten dat Sint Maarten bij gebrek aan verdere voortgang wordt voorgedragen voor plaatsing op deze grijze lijst van de FATF.
De Europese anti-witwasrichtlijn is alleen van toepassing op het Europese deel van het Koninkrijk. De Europese Commissie heeft voor wat betreft dit onderwerp geen bevoegdheid op Sint Maarten. Zoals eerder gemeld5, komt het kabinet voor de zomer met een plan van aanpak tegen witwassen voor Nederland, inclusief de BES-eilanden. Nederland en de Wereldbank verlenen technische assistentie aan Sint Maarten om te voldoen aan internationale standaarden tegen witwassen en terrorismefinanciering. Als autonoom land binnen het Koninkrijk is Sint Maarten zelf verantwoordelijk voor de invoering daarvan.
Heeft de Rijksministerraad overwogen om de FATF aanbevelingen in rijkswetten te verankeren? Zo ja, waarom is daar niet voor gekozen?
Ingevolge het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden is het bestrijden van witwassen en terrorismefinanciering geen aangelegenheid van het Koninkrijk. Het regelen van deze onderwerpen in een Rijkswet zou alleen in onderling overleg met alle landsdelen kunnen gebeuren. Hiervan is geen sprake geweest bij de invoering van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.
Hoe kijkt u aan tegen de hoeveelheid ongebruikelijke transacties, dat volgens het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties in omvang zeven keer het totale bruto binnenlands product van Sint Maarten is? Hoe kijkt u aan tegen de uitspraak dat casino’s sjoemelen met hun boekhouding en zo het witwassen van zwart geld faciliteren? Klopt dit beeld? Welke mogelijkheden heeft u om hiertegen op te treden en gaat u dit doen?
Het (toezicht op) het melden van ongebruikelijke transacties valt binnen de verantwoordelijkheid van het land Sint Maarten, alsook het analyseren van die transacties. Het is verder aan de lokale ketenpartners om onderzoek te doen naar vermeende misstanden en daar waar nodig handhavend op te treden.
Nederland stimuleert de rechtshandhavingsketen van het land Sint Maarten door middel van het Recherchesamenwerkingsteam (RST), het Team Bestrijding Ondermijning (TBO), en de bemensing van het OM en het Gemeenschappelijk Hof. Hiermee wordt capaciteit en expertise geleverd die ook deels wordt ingezet in de opsporing en vervolging van witwassen en terrorismefinanciering. Daarnaast versterkt Nederland (Koninklijke Marechaussee, Douane, Kustwacht) op basis van de Onderlinge regeling versterking grenstoezicht Sint Maarten (Stcrt. 2019, 72542) het grenstoezicht middels capaciteit, opleiding, expertise en extra middelen, waarbij één van de doelen is ongecontroleerde geldstromen tegen te gaan.
Wat vind u ervan dat het cliëntonderzoek volgens het artikel in Sint Maarten omstreden is? Hoe staat het met de oprichting van de integriteitsautoriteit op Sint Maarten? Kan die een rol spelen om de regering van Sint Maarten te stimuleren om aan dit soort integriteitsregels tegen witwassen, financiering van terrorisme en integer bestuur te voldoen? Zo ja, welke mogelijkheden en autoriteit heeft de integriteitsautoriteit om dit te bevorderen?
Met de inwerkingtreding van de Landsverordening Integriteitskamer Sint Maarten op 28 december 2018 worden momenteel de voorbereidingen getroffen voor het fysiek bemannen en operationeel krijgen van de Integriteitskamer en het secretariaat, zoals aan u is bericht in een brief aan uw Kamer.6 De Integriteitskamer geeft in ieder geval advies of doet een voorstel over het beleid ter algemene integriteitsbevordering met betrekking tot vertrouwenspersonen, compliance officers en klokkenluiders. De Integriteitskamer is verder bevoegd tot het doen van onderzoek naar vermoedens van misstanden, ofwel naar aanleiding van een aanmelding ofwel op eigen initiatief. De Integriteitskamer kan naar aanleiding van voormeld onderzoek een bindend advies geven aan het bestuursorgaan waarbinnen de vermoedelijke misstand heeft plaatsgevonden. Het bestuursorgaan dient schriftelijk aan de Integriteitskamer te melden hoe opvolging wordt gegeven aan het bindend advies. Van een bindend advies kan door het betreffende bestuursorgaan alleen met een deugdelijke motivering worden afgeweken.
Het opsporen en vervolgen van witwassen en terrorismefinanciering hoort echter thuis in de strafrechtelijke keten en valt dus niet binnen het bereik van de Integriteitskamer. Overigens is het op grond van de Landsverordening Integriteitskamer Sint Maarten zo dat de Integriteitskamer en het OM afspraken dienen te maken over de samenwerking en informatie-uitwisseling die worden vastgelegd in een samenwerkingsprotocol. Hierin kunnen afspraken worden neergelegd over gevallen waarin mogelijk een strafrechtelijk element speelt.
Het bericht ‘Vijf jaar na de grote ontvoering door Boko Haram, zijn nog 112 schoolmeisjes niet vrij’ |
|
Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u in aanvulling op de antwoorden op Kamervragen over het bericht «Vijf jaar na de grote ontvoering door Boko Haram, zijn nog 112 schoolmeisjes niet vrij» toelichten waarom u zelf geen concreet voorstel heeft gedaan, al dan niet in multilateraal verband, aan de Nigeriaanse overheid in de zoektocht naar de nog altijd vermiste meisjes?1
De Nederlandse overheid heeft de afgelopen jaren meermalen contact gehad met de Nigeriaanse autoriteiten over deze schrijnende kwestie en andere ontvoeringen door Boko Haram. Daarbij is aangegeven dat Nederland bereid is om desgevraagd bij te dragen aan de zoektocht. Tot op heden heeft Nigeria geen concreet verzoek aan Nederland gedaan.
Ziet u mogelijkheden waarop u de getraumatiseerde meisjes zou kunnen ondersteunen in hun herstel? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u?
Hoewel niet specifiek gericht op de vrijgelaten schoolmeisjes, geeft Nederland reeds psychologische en psychosociale hulpverlening aan slachtoffers van Boko Haram, vooral vrouwen en meisjes, in Borno State, waar de 112 schoolmeisjes vandaan komen. Onder moeilijke omstandigheden worden met Nederlandse financiering duizenden slachtoffers per jaar geholpen, waarbij ook de re-integratie binnen hun oorspronkelijke gemeenschappen wordt bevorderd.
Kunt u laten weten of de satellietbeelden ook met de Nigeriaanse overheid zijn gedeeld? Zo nee, heeft u bij de landen die beschikken over de satellietbeelden aangedrongen op het delen daarvan? Zo ja, is het alleen bij het delen van de beelden gebleven of is er bij het delen van de satellietbeelden ook duiding gegeven?
Dit is een zaak tussen derde landen en Nigeria, waar Nederland niet bij betrokken is. Daarover kan Nederland daarom geen uitspraken doen, maar er is geen reden om te twijfelen aan oprechtheid van de aankondigingen door verschillende landen dat zij satellietbeelden ter beschikking zouden gaan stellen.
Welke andere voorstellen voor hulp of ondersteuning zijn er gedaan door de meerdere landen die aangekondigd hebben Nigeria te ondersteunen? Om welke landen gaat het? Heeft u overleg gehad met uw collega’s om te bezien of er een gezamenlijk aanbod aan de Nigeriaanse overheid kan worden gedaan om de meisjes terug te vinden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat was de reactie van de Nigeriaanse overheid?
Verschillende landen, waaronder Canada, hebben aangekondigd de zoektocht te gaan ondersteunen. Het is aan die landen om uitspraken te doen over de omvang of het karakter van deze steun. Zowel in EU- als in VN-verband is vaak gesproken over de situatie in Noordoost-Nigeria, alsook specifiek over de ontvoering van deze schoolmeisjes. Daarbij is ook aangeboden om de Nigeriaanse overheid te ondersteunen. De Nigeriaanse autoriteiten hebben echter tot op heden geen verzoek tot ondersteuning bij de zoektocht gedaan.
Vindt u het tegen de achtergrond van de recente ontwikkelingen in de VN om seksueel geweld tegen vrouwen en meisjes tegen te gaan passend om hieraan extra veel aandacht te besteden? Zo ja, waaruit bestaat de extra inzet die u, al dan niet in multilateraal verband, op dit onderwerp pleegt?
De regering zet op verschillende wijzen in op het bestrijden van seksueel geweld tegen vrouwen en meisjes in Nigeria. Zo financiert Nederlands via Funding Leadership Opportunities for Women een programma van Women for Women International, dat zich richt op het tegengaan van geweld tegen vrouwen en meisjes in Plateau State. Ook financiert Nederland sinds 2018 projecten in Nigeria van het International Medical Corps en het International Rescue Committee die zich richten op dit thema. Via het Leading From the South programma financiert Nederland het Girls» Power Initiative (GPI), dat zich specifiek richt op het tegengaan van seksueel geweld tegen vrouwen en meisjes.
In multilateraal verband verleent Nederland ongeoormerkte financiering aan zowel UNFPA als het UN Trust Fund to End Violence against Women, die beiden projecten op dit thema financieren in Nigeria.
Bent u bereid om met gelijkgezinde landen expertise en hulp aan de getraumatiseerde meisjes te verlenen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Zoals genoemd in mijn antwoord op vraag 2 geeft Nederland reeds psychologische en psychosociale hulpverlening aan duizenden slachtoffers van Boko Haram, vooral vrouwen en meisjes. Deze hulpverlening is niet specifiek gericht op de meisjes die in het nieuws zijn gekomen, maar heeft tot doel zo veel mogelijk slachtoffers te helpen. Ook in VN-verband geeft de regering samen met gelijkgezinde landen steun aan hulpverlening aan vrouwen en meisjes die getraumatiseerd zijn door geweld.
Heeft u tijdens uw bezoek aan Nigeria aandacht besteed aan deze kwestie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is de uitkomst hiervan geweest?
Tijdens het bezoek in oktober 2018 van de Minister van Buitenlandse Zaken aan Nigeria werd met verschillende gesprekspartners, waaronder met Minister van Buitenlandse Zaken Onyeama, gesproken over de situatie in het Noordoosten. Gedurende dit bezoek is ook gesproken met vooraanstaande organisaties uit het maatschappelijk middenveld. De Minister van Buitenlandse Zaken zette tijdens die bijeenkomst uiteen op welke wijze Nederland reeds bijdraagt aan het verbeteren van de situatie in het Noordoosten met humanitaire en psychosociale hulp, met name voor vrouwen, meisjes en kleine kinderen, en met initiatieven om gemeenschappen weerbaarder te maken tegen gewelddadig extremisme. Nederland zoekt daarbij de samenwerking met lokale organisaties.
Heeft u contact gehad met niet-gouvernementele organisaties ter plaatse, zoals Unicef of het Rode Kruis, om de vermissing van de schoolmeisjes en de mogelijkheden van hulp voor de getraumatiseerde meisjes te bespreken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke mogelijkheden zien zij voor u om een actieve bijdrage te leveren aan het terughalen van de nog altijd vermiste meisjes?
Nederland staat hierover in contact met meerdere organisaties, inclusief UNICEF en het Internationale Rode Kruis. Over de bevrijding van de vermiste meisjes worden geen mededelingen gedaan door de genoemde organisaties, áls zij al van een eventuele bevrijdingsactie op de hoogte worden gebracht door de Nigeriaanse regering.
Heeft u contact gehad met Nigeriaanse activisten die zich al jarenlang inzetten voor de rechten van meisjes in hun land? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat heeft dit opgeleverd?
Nederland staat al jaren in contact, ook deze regering, met lokale organisaties die zich inzetten om de aandacht voor de ontvoerde meisjes niet te laten verslappen, zoals BringBackOurGirls. Dit heeft er mede toe geleid dat ook in tal van landen, waaronder in Nederland, actie gevoerd is om de aandacht te blijven vestigen op het lot van de meisjes.
Het misbruikschandaal bij ProDemos |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Misbruikschandaal bij Haags «Huis voor de democratie» ProDemos»?1
Ja.
Heeft u contact opgenomen met ProDemos naar aanleiding van dit nieuws? Zo ja, heeft ProDemos u meer inzicht kunnen bieden in de maatregelen die zijn genomen sinds de eerste meldingen van deze misstanden?
Ik ben zeer kort voor de bekendmaking van het nieuws over deze zaak geïnformeerd door de directie van ProDemos. ProDemos heeft mij toen gemeld dat de betreffende leidinggevende na ontvangst van de meldingen onmiddellijk is geschorst en dat intern onderzoek is verricht. Op basis daarvan heeft de directie zijn arbeidsovereenkomst ontbonden.
De directie van ProDemos heeft aangegeven dat zowel de Raad van Toezicht als de Ondernemingsraad al eerder actief zijn geïnformeerd. Ook heeft de directie van ProDemos gemeld dat zij een gespecialiseerd extern adviesbureau erbij heeft betrokken.
Verder heeft de directie van ProDemos aangegeven dat na de meldingen van grensoverschrijdend gedrag de directie vier bijeenkomsten voor medewerkers heeft georganiseerd over en naar aanleiding van de zaak. De directie gaat mede aan de hand van de suggesties van de medewerkers maatregelen gaat nemen, zoals aanvulling van het introductieprogramma en de inzet van extra vertrouwenspersonen voor de betrokken groep begeleiders en rondleiders van ProDemos.
Bent u van mening dat een extern en onafhankelijk onderzoek in de rede ligt om te verzekeren dat ProDemos de juiste stappen heeft genomen? Zo nee, waarom niet?
Ja. De voorzitter van de Tweede Kamer en ik hebben inmiddels de heer Tjibbe Joustra gevraagd om een commissie samen te stellen en voor te zitten, die zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk voor het zomerreces dit onderzoek voltooit.
Is er naar aanleiding van het door ProDemos georganiseerde onderzoek en het daaropvolgende ontslag van de directeur contact opgenomen met voormalige werknemers om hen nazorg te bieden? Zo nee, bent u bereid de organisatie hiertoe op te roepen?
Het ontslag betreft niet de directeur van ProDemos, maar een andere leidinggevende. De directie van ProDemos heeft aangegeven dat zij, voor zover zij beschikking had over de contactgegevens van voormalige werknemers, hen een brief heeft gestuurd waarin hen de mogelijkheid wordt geboden om met medewerkers van personeelszaken van ProDemos in gesprek te gaan. Deze medewerkers kunnen adviseren over externe hulpverlening voor ondersteuning. Ook kunnen (voormalig) werknemers ervoor kiezen om direct contact op te nemen met een daarvoor in de arm genomen gespecialiseerd adviesbureau.
Kunt u toelichten wat voor nazorg verleend wordt aan huidige en voormalige werknemers? Bent u bereid erop toe te zien dat deze nazorg correct verloopt?
De directie van ProDemos heeft aangegeven dat alle medewerkers van ProDemos mogelijkheden hebben aangereikt gekregen voor ondersteuning. Waaronder de ondersteuning van een gespecialiseerd adviesbureau dat door ProDemos in de arm is genomen.
De Raad van Toezicht van ProDemos is verantwoordelijk voor het toezien op een correct verloop van de nazorg. De wijze van nazorg zal betrokken worden bij het externe onafhankelijk onderzoek door de commissie onder leiding van de heer Joustra.
Op welke manier worden (voormalige) werknemers ondersteund bij de keuze om aangifte te doen of niet? Hoe wordt er verzekerd dat men aangifte kan doen wanneer dat gewenst is, zonder te hoeven vrezen voor repercussies?
De directie van ProDemos heeft aangegeven de mogelijkheid om aangifte te doen besproken te hebben met alle personen die een verklaring hebben afgelegd. Voor zover bekend heeft tot nu toe geen van hen aangifte gedaan. De directie van ProDemos heeft in de verantwoordelijkheid van werkgever op 1 mei 2019 wel aangifte gedaan. Mochten ook (oud) medewerkers alsnog aangifte doen, dan zal ProDemos dit ondersteunen. Ik ben van mening dat eenieder zich vrij moet voelen om aangifte te doen, zonder angst voor repercussies. Ik heb dit ook besproken met de voorzitter van de Raad van Toezicht en heb geen aanwijzingen dat er sprake is van een onvoldoende veilige situatie om aangifte of meldingen te doen.
Berichten dat een directeur ruim €1,5 miljoen aan zorggeld heeft vergokt |
|
Maarten Hijink (SP) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Wilt u reageren op het bericht dat de directeur van het Almelose zorgbureau Victorie in de afgelopen 5 jaar, ruim € 1.5 miljoen euro aan zorggeld heeft vergokt in casino’s in Nederland en in Las Vegas?1 2 3 4
Er zijn personen die willens en wetens misbruik maken van zorggelden. Dit dupeert patiënten en de belastingbetaler en zet de solidariteit en betaalbaarheid van het stelsel onder druk; het ondermijnt het draagvlak van ons zorgstelsel. Geld voor de zorg moet besteed worden aan zorg en aan niets anders.
Wilt u reageren op bevindingen van de sociale recherche die naast mogelijke zorgfraude in haar onderzoek ook stuitte op gewelddadige incidenten die in de doofpot verdwenen? Wilt u daarnaast reageren op de bevindingen dat de veiligheid van de bewoners in het geding was? Wat vindt u ervan dat bij de instelling medewerkers niet beschikten over de juiste diploma’s en BIG-registratie en dat de directeur mogelijk sjoemelde met vastgoed? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het OM heeft de zaak in onderzoek. Gezien de vertrouwelijkheid van het onderzoek, kan ik over de inhoud en het verloop ervan geen uitlatingen doen. De verantwoordelijkheid voor het terughalen van de 1,5 miljoen euro aan zorggeld ligt bij de gemeente Almelo. De gemeente Almelo heeft aangifte gedaan van zorgfraude en bekijkt de juridische mogelijkheden om tot terugvordering over te gaan van de 1,5 miljoen euro aan zorggeld. Ik heb alle vertrouwen in de aanpak van de gemeente Almelo waarbij zowel de subsidieaanvraag 2019 van Victorie afgewezen is als aangifte te doen van zorgfraude en de juridische mogelijkheden om tot terugvordering over te gaan.
Met betrekking tot uw vraag over medewerkers die niet beschikten over de juiste diploma’s en BIG-registratie, kan ik melden dat de inspectie in 2015 op bezoek is geweest bij Victorie. De inspectie heeft de organisatie getoetst op basis van vijftien randvoorwaarden; de inzet van deskundig personeel is één van deze randvoorwaarden. De inspectie concludeerde dat de organisatie de genoemde randvoorwaarden voor veilige en verantwoorde zorg heeft beschreven en geïmplementeerd. Hieruit is niet gebleken dat er handelingen werden verricht door medewerkers die hier niet toe bevoegd waren. De inspectie heeft geen signalen ontvangen via het Meldpunt of het Landelijk Meldpunt Zorg over de kwaliteit en veiligheid van zorg. Hierom was er geen aanleiding voor de inspectie om verdere actie te ondernemen. Naar aanleiding van de huidige berichtgeving is evident aanleiding voor de inspectie om de zaak nader te onderzoeken; de deskundigheid van het personeel zal hierbij een aandachtpunt zijn. De inspectie onderhoudt hierover contact met de Wmo Toezichthouder en het zorgkantoor.
Hoe kan het dat de gemeenten Almelo en Hof van Twente niet meer wilden samenwerken met zorgbureau Victorie, maar de directeur wel een nieuw contract in de wacht sleepte met de organisatie Samen14,om zo met Twentse gemeenten samen te werken op het gebied van zorg en jeugdzorg? Wat is hier mis gegaan? Hoe heeft deze directeur alsnog een nieuw contract kunnen krijgen? Bent u bereid dit uit te zoeken en de Kamer hierover te informeren? Zo neen, waarom niet?
De verantwoordelijkheid voor het selecteren van de zorgbureaus ligt bij de gemeenten. De gemeenten Almelo en Hof van Twente hebben niet mee gedaan aan het inkoopmodel dat de overige twaalf gemeenten hebben ingevoerd voor de inkoop 2019. Gemeenten Almelo en Hof van Twente hebben toelatingscriteria ontwikkeld die ertoe hebben geleid dat veel zorgbureaus geen nieuw contract hebben gekregen of krijgen, zoals dat bij Victorie het geval was. Bij de aanbestedingsprocedure inkoop ondersteuning Jeugdwet en Wmo in oktober 2018 heeft Victorie geen contract gekregen. Ik wil hier benadrukken dat er sprake was van twee verschillende aanbestedingsprocedures die elk op een andere manier ingericht zijn. De gemeente Almelo en Hof van Twente hanteerden de Europese aanbestedingsprocedure en Samen12 een open-house procedure. Doordat gemeente Almelo en Hof van Twente gebonden zijn aan de regels van het Europees aanbestedingsrecht mogen en kunnen zij met betrekking tot de inkoop vooraf bij een aanbesteding geen gegevens delen met andere partijen. Dit ligt vast in de regels van het (Europees) aanbestedingsrecht. Andere gemeenten mogen dus inhoudelijk niet geïnformeerd worden over de reden waarom een contract niet gegund is aan een aanbieder. Na de melding over de misstanden bij Victorie is direct door de gemeente Almelo actie ondernomen. Het versneld en diepgaander onderzoek dat in opdracht van de gemeente eind augustus 2018 is uitgevoerd door de Sociale Recherche Twente, laat zien dat activiteiten waarvoor de subsidie verleend werd over de periode 2016, 2017 en 2018, in het geheel of deels niet hebben plaatsgevonden. Ook werd het geld niet besteed aan de daarvoor bestemde doeleinden: zorg. Geld voor de zorg moet besteed worden aan zorg en aan niets anders. Er is geen aanleiding om naast de lopende onderzoeken, extra onderzoek te laten verrichten naar de misstanden bij Victorie. De sociale recherche heeft een diepgaand onderzoek verricht. De onderzoeksgegevens zijn door de gemeente Almelo gedeeld met OZJT, waarbinnen veertien Twentse gemeenten samenwerken op het gebied van zorg en jeugdhulp. Daarnaast ontvingen de Belastingdienst, het Openbaar Ministerie en zorgkantoor Menzis de bevindingen van de Sociale Recherche Twente. Ook is bij het Informatie Knooppunt Zorgfraude (IKZ) een melding gemaakt en heeft het OM de zaak in onderzoek. Dit geeft mij vertrouwen in de aanpak van de betrokken partijen.
Wat is uw reflectie op de toezichtsrol van de betrokken gemeenten, de Inspectie voor de Gezondheidszorg en Jeugd en van het zorgkantoor? Wanneer hadden zij de eerste vermoedens van misstanden en kunt u aangeven waarom pas zo laat deze misstanden zijn aangetoond? Kunt u een tijdspad opstellen met daarin hoe en wanneer deze toezichthoudende organisaties gehandeld hebben in deze situatie? Zo neen, waarom niet?
Ondanks de inzet van uiteenlopende en gerichte maatregelen om fraude met het PGB te voorkomen en aan te pakken, slagen hardnekkige fraudeurs erin misbruik te maken van zorggelden. De afgelopen jaren zijn tal van maatregelen ingezet, zoals de introductie van bewust keuze gesprekken, huisbezoeken, keukentafel-gesprekken, ondersteuning van de budgethouder in de vorm van het trekkingsrecht en het versterken van de opsporingsfunctie.
Misbruik van zorggelden dupeert patiënten, verzekerden en de belastingbetaler en zet de solidariteit en betaalbaarheid van het stelsel onder druk. Daarom heb ik ervoor gekozen om in de agenda PGB en in het programmaplan rechtmatige zorg een aparte actielijn voor het bestrijden van PGB-fraude op te nemen. PGB-fraude wordt aangepakt langs meerdere sporen, zoals:
Specifiek in deze casus, hebben de gemeente en het zorgkantoor er alles aan gedaan om -binnen de juridische mogelijkheden- misbruik met zorggelden te voorkomen, waaronder aan de voorkant strengere selectiecriteria opstellen. Door regels van het Europees aanbestedingsrecht hebben de gemeenten Almelo en Hof van Twente geen gegevens gedeeld met Samen14. De gemeenten Almelo en Hof van Twente hebben vooraf de kwaliteitscriteria en de toegangsregels aangescherpt en hebben vervolgens de partijen ook daadwerkelijk voor gunning doorgespit. Vanuit handhaving hebben de gemeenten ook een bijdrage gehad door kritische factoren bloot te leggen. Door aan de voorkant sterk in te zetten op de randvoorwaarden, zijn minder inschrijvingen binnengekomen en konden ook voor de datum van 1 januari 2019 een aantal partijen worden afgewezen. Dit heeft uiteindelijk tot drie gedingen bij de rechter geleid, door partijen die het niet eens waren met de afwijzing. De keuze van de gemeenten hield stand bij de rechter.
Met betrekking tot het toezicht door de IGJ, kan ik melden dat de IGJ toezicht houdt op de kwaliteit van zorg die geleverd wordt vanuit de Wlz. De IGJ heeft deze organisatie in 2015 bezocht heeft. De getoetste randvoorwaarden waren voldoende beschreven en geïmplementeerd. De inspectie heeft geen signalen ontvangen via het Meldpunt of het Landelijk Meldpunt Zorg over de kwaliteit en veiligheid van zorg. Er was geen aanleiding voor de inspectie om verdere actie te ondernemen. Naar aanleiding van de huidige berichtgeving is de inspectie bezig met nader onderzoek. De deskundigheid van het personeel zal hierbij een aandachtpunt zijn. De inspectie onderhoudt hierover contact met de Wmo Toezichthouder en het zorgkantoor.
Denkt u dat aanvullende maatregelen nodig zijn om dergelijke wantoestanden effectiever aan te pakken en te voorkomen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Sinds 1 januari 2015 zijn gemeenten verantwoordelijk voor de rechtmatige uitvoering van de Wmo 2015 en de Jeugdwet. Zij hebben daarom ook te maken met vraagstukken rondom het voorkomen en bestrijden van fouten en fraude. In het sociale domein is sprake van een integraal beleid en integraal aanbod van hulp, zorg en ondersteuning waarin aanbieders zo veel mogelijk met elkaar samenwerken. De afspraken over de toezichthoudende taak zijn opgenomen in het afsprakenkader toezicht sociaal domein. De uitvoering van het toezicht is in handen van de Wmo toezichthouder en de IGJ. Daarnaast voert de VNG sinds september 2015 een ondersteuningsprogramma ten behoeve van gemeenten uit.
Mijn ministerie steunt en subsidieert dit initiatief. Door dit ondersteuningsprogramma wordt de kennisopbouw door gemeenten gefaciliteerd vanuit de VNG op het gebied van fraudepreventie, controle en handhaving bij de uitvoering van de Jeugdwet en de Wmo 2015. Een concreet onderdeel van het programma is het aansluiten van gemeenten op het Informatieknooppunt Zorgfraude. Deze casus laat het belang van deze maatregel en de uitwisseling van informatie tussen betrokken partijen zien. Het wetsvoorstel bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg voorziet in een wettelijke grondslag voor het uitwisselen van gegevens tussen toezichthouders en opsporingsdiensten, waaronder gemeenten en de Inspectie SZW. Daardoor kan fraude in het zorgdomein sneller en effectiever aangepakt worden, met de juiste partij die op het juiste moment ingrijpt.
Ook kunnen gemeenten gebruik maken van de netwerktekeningen van Justis. In een netwerktekening worden de onderlinge relevante relaties tussen de bevraagde natuurlijke en/of rechtspersonen en de daarbij betrokken personen en bedrijven weergegeven. Ook worden relevante faillissementen en ontbindingen opgenomen. De netwerktekening bevat, anders dan een risicomelding, geen strafrechtelijke of fiscale informatie. Gemeenten kunnen dergelijke tekeningen reeds aanvragen.
Naast het afsprakenkader toezicht sociaal domein, het Informatieknooppunt Zorgfraude en de netwerktekeningen van Justis, bestaat ook de agenda PGB, waarin de actielijn opgenomen is dat gemeenten bij PGB gefinancierde collectieve woonvormen meer handvatten krijgen om de kwaliteit en rechtmatigheid bij PGB-aanbieders te onderzoeken op het moment dat ze al zorg/ondersteuning leveren. Over de voortgang van deze en andere actielijnen zal de Kamer na de zomer worden geïnformeerd.
Zijn gemeenten volgens u voldoende toegerust om bij zorgorganisaties te controleren op goed bestuur? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u aangeven hoe de zorg aan de bewoners van zorgorganisatie Victorie nu is geregeld?
De gemeente Almelo en het CIMOT, de centrale toegang tot maatschappelijke opvang en beschermd wonen in Twente, bespreken met de cliënten van Victorie die Wlz-zorg ontvangen of en welke vervangende zorg nodig is en welke instellingen die zorg kunnen leveren
Wilt u de Kamer op de hoogte houden over de ontwikkelingen van deze zaak? Zo neen, waarom niet?
Ja, daar waar dat kan, zal ik de Kamer op de hoogte houden van de ontwikkelingen van deze zaak.
Het bericht ‘Groen licht voor islamitisch meisjesinternaat in Blerick’ |
|
Machiel de Graaf (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Groen licht voor islamitisch meisjesinternaat in Blerick»?1
Ja.
Bent u bereid dit sharia-internaat meteen te sluiten, danwel dicht te laten timmeren?
Nee. Nederland is een open en vrije samenleving. De vrijheden van vereniging en van vergadering zoals vastgelegd in onze Grondwet zijn een groot goed. Het staat iedere burger vrij om hun kinderen buiten de onderwijstijd informeel onderwijs te laten volgen en/of in een jeugdverblijf te laten verblijven.
Wat het kabinet niet wenselijk vindt, is onderwijs dat de integratie in Nederland belemmert of antidemocratische opvattingen stimuleert. Het kabinet vindt het van belang dat in ons land alle mensen meedoen in de samenleving; informeel onderwijs zou dat niet in de weg moeten staan.
Na opening van het jeugdverblijf valt de instelling onder het toezicht dat is gerealiseerd met de Wet op de jeugdverblijven. In deze wet is het toezicht opgedragen aan de gemeente waarin het jeugdverblijf is gevestigd. De burgemeester is bevoegd tot sluiting van het jeugdverblijf bij een gegrond vermoeden van een overtreding of misdrijf dat directe gevolgen heeft voor de veiligheid van de minderjarige dan wel een ernstige bedreiging vormt voor de ontwikkeling van de minderjarige in het jeugdverblijf.
Deelt u de mening dat meisjes in Nederland nooit op een internaat mogen zitten, waarvan de grondslag is gebaseerd op de islam en dus de sharia? Zo ja, bent u dan bereid om alle islamitische internaten, weekendscholen, koranscholen en huiswerkbegeleidingsinstituten te sluiten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Het bericht ‘Tien jaar Bel-me-niet Register: ‘Het werkt voor geen meter’ |
|
Eppo Bruins (CU) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Tien jaar Bel-me-niet Register: «Het werkt voor geen meter»»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het functioneren van het Bel-me-niet Register? Is bekend hoeveel particulieren en eenmanszaken hun nummer hierin hebben laten opnemen?
Op 31 december 2018 stonden 9.471.066 telefoonnummers ingeschreven in het Bel-me-niet Register (BMNR). In mijn Consumentenagenda, die ik op 8 oktober 2018 naar de Kamer heb gestuurd, heb ik aangekondigd het Nederlandse systeem voor telemarketing te gaan aanpassen van opt-out naar opt-in.2 Dat betekent dat natuurlijke personen alleen nog maar telefonisch benaderd mogen worden als zij daar toestemming voor hebben gegeven of als zij klant zijn (geweest) bij dat bedrijf. Hieronder vallen vallen tevens ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid, zoals de eenmanszaak, vennootschap onder firma, commanditaire vennootschap,. en maatschap. In de beantwoording van de feitelijke vragen over mijn Consumentenagenda ben ik uitgebreid ingegaan op het functioneren van het BMNR.3 Volledigheidshalve verwijs ik naar mijn antwoorden op vragen 19 t/m 30 van die beantwoording.
Hoe kan het dat het nog steeds vaak voorkomt dat mensen die staan ingeschreven in het Bel-me-niet Register, worden gebeld door telemarketeers?
Op grond van de Telecommunicatiewet mogen abonnees die natuurlijke personen zijn op dit moment door alle bedrijven worden gebeld voor commerciële, ideële of charitatieve doeleinden, tenzij ze staan ingeschreven in het Bel-me-niet Register (het zogenoemde opt-out systeem). Hierop gelden twee uitzonderingen. Ten eerste geldt het Bel-me-niet-register niet voor bedrijven waaraan een natuurlijk persoon toestemming heeft gegeven om te bellen. Ten tweede geldt het Bel-me-niet Register niet voor bedrijven waarbij de natuurlijk persoon klant is (geweest) voor de verkoop van gelijksoortige producten of diensten van het betreffende bedrijf. In beide gevallen moeten deze bedrijven de natuurlijk persoon tijdens elk gesprek de gelegenheid geven verzet aan te tekenen (het zogenoemde recht van verzet). Indien iemand verzet aantekent, mogen ook deze bedrijven niet meer bellen.
Het onderscheid tussen het Bel-me-niet Register en het recht van verzet is niet voor iedereen duidelijk. Dit kan leiden tot verwarring bij natuurlijke personen die zijn ingeschreven bij het bel-me-niet-register als zij worden gebeld door – met name – bedrijven waarbij zij klant zijn (geweest).
Ik heb aangekondigd het huidige systeem opnieuw te bezien en een opt-in systeem voor telemarketing in te voeren. Dit betekent dat het Bel-me-niet-Register zal verdwijnen, omdat natuurlijke personen straks alleen nog mogen worden gebeld door bedrijven die zij hiervoor toestemming hebben gegeven en door bedrijven waarbij zij klant zijn (geweest). Deze bedrijven zullen nog steeds tijdens elk gesprek de gelegenheid moeten geven verzet aan te tekenen en mogen niet meer bellen indien inderdaad verzet wordt aantekent. Natuurlijke personen zullen met het opt-in systeem beter worden beschermd tegen telemarketing en ik verwacht dat de verwarring hierdoor zal afnemen.
Hoe vaak is, sinds de inwerkingtreding, een boete opgelegd door de Autoriteit Consument en Markt (ACM) aan telemarketeers die mensen bellen die staan ingeschreven? Hoe heeft dit aantal zich de afgelopen tien jaar ontwikkeld? Om welk bedrag ging het gemiddeld?
De ACM is in 2013 ontstaan uit een fusie van de toezichthouders Consumentenautoriteit, OPTA en NMa. Voor die tijd (sinds de inwerkingtreding van het Bel-me-niet Register op 1 oktober 2009) is er door de OPTA regelmatig gehandhaafd. Zo werden er tussen 1 oktober 2009 en mei 2011 in totaal voor 1,2 miljoen euro aan boetes opgelegd voor het negeren van het Bel-me-niet register.4 Sinds 2013 heeft de ACM verschillende boetes uitgedeeld. In 2014 heeft de ACM Essent beboet voor het negeren van het BMNR, dit ging om een boete van € 47.5005. Daarnaast heeft de ACM sinds 2012 meerdere boetes opgelegd aan bedrijven en feitelijk leidinggevenden voor overtredingen in telefonische verkoopgesprekken, zoals het verstrekken van misleidende informatie in telefonische verkoopgesprekken en het niet vermelden van het commerciële oogmerk aan het begin van dergelijke gesprekken. Ook heeft de ACM recentelijk nog een last onder dwangsom opgelegd aan een bedrijf dat misleidende handelspraktijken hanteerde bij telefonische verkoop. Deze boetes zijn opgelegd vanwege handelen in strijd met consumentenregels in het Burgerlijk Wetboek, niet op basis van handelen in strijd met de Telecommunicatiewet.
In 2014 en 2015 heeft het College van Beroep voor het Bedrijfsleven in drie zaken met betrekking tot telemarketing uitspraken gedaan waaruit blijkt dat de handhaafbaarheid van de regels in de Telecommunicatiewet voor de ACM in bepaalde opzichten moeilijk is.6 De ACM kan bepaalde handelwijzen van bedrijven alleen controleren door gevoerde telefoongesprekken na te luisteren. Ik ben voornemens om in de nieuwe regelgeving, die nu in voorbereiding is te zorgen voor betere handhavingsmogelijkheden.
Herkent u de constatering dat met name thuiswerkende zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) een doelwit zijn van telemarketeers, omdat deze groep zich niet kan beroepen op het consumentenrecht van twee weken bedenktijd? Onderschrijft u de oproep van de ACM aan energieleveranciers om thuiswerkende zzp’ers als consumenten te beschouwen?
Adverteerders, callcenters en andere bedrijven die gebruik maken van telemarketing zijn, op grond van artikel 11.7 van de Telecommunicatiewet, verplicht te controleren of de contactgegevens van een natuurlijke persoon met wie zij geen klantrelatie hebben zijn opgenomen in het BMNR. Hieronder kunnen ook de contactgegevens van bedrijven vallen, als het telefoonabonnement van dit bedrijf op naam staat van een natuurlijke persoon, zoals het geval kan zijn bij een vennootschap onder firma of een eenmanszaak.
Indien een ondernemer (ongeacht welke rechtsvorm zijn onderneming heeft) benaderd wordt om een overeenkomst te sluiten voor doeleinden die in de privésfeer liggen, is zijn positie vergelijkbaar met die van een consument. Dit geldt ook bij overeenkomsten die deels binnen en deels buiten hun privé sfeer liggen én het beroep-of bedrijfsmatig karakter ervan niet overheerst. In dat geval komen ondernemers in aanmerking voor de bescherming die consumenten op grond van het BW genieten en voor bescherming bij het aangaan van energiecontracten. Vanuit de Elektriciteitswet 1998 en het generieke consumentenrecht is een brede bescherming gewaarborgd, in dit licht verwijs ik ook naar mijn brief van 26 maart jl.7
Ziet u mogelijkheid om het consumentenrecht van twee weken bedenktijd, of een vergelijkbaar instrument, ook voor thuiswerkende zzp’ers te laten gelden?
Zoals toegelicht in antwoord 5, komt een zzp-er die een contract sluit die geheel of grotendeels in de privésfeer ligt, in aanmerking voor de bescherming die consumenten op grond van het BW genieten.
De ACM heeft aangekondigd intensiever te gaan handhaven en extra voorlichting te geven aan ondernemers hierover. Daarnaast worden ondernemers sinds 1 juli 2016 beschermd door de Wet strafbaarheid acquisitiefraude. Met acquisitiefraude worden misleidende handelspraktijken tussen organisaties bedoeld, waarbij verkooptechnieken worden gebruikt die puur als doel hebben de ander ertoe te bewegen een contract af te sluiten, terwijl de tegendienst niet of nauwelijks wordt geleverd. Als gevolg van deze wetswijziging zijn ondernemers tegen dergelijke misleidende praktijken beschermd.
Herkent u de beschreven praktijk waarbij callcenterverkopers bewust de schijn wekken een andere, betrouwbare, partij te representeren, waarmee de randen van het intellectueel handelsrecht worden opgezocht en soms ook overschreden?
Ik heb van dergelijke praktijken gehoord. Volgens Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek is het een handelaar niet toegestaan oneerlijke handelspraktijken jegens consumenten te verrichten. Een oneerlijke handelspraktijk is bijvoorbeeld het verstrekken van onjuiste, misleidende of onvolledige informatie. Voor ondernemers biedt de Wet strafbaarheid acquisitiefraude hier bescherming.
Op welke wijze kan de ACM beter worden ondersteund bij het handhaven van de bestaande regelgeving, bijvoorbeeld door een plicht tot het bewaren van gesprekken door bedrijven?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat een Bel-me-wel Register, waarbij particulieren en zzp’ers net zoals bij de ja/ja-sticker voor reclamedrukwerk pas na een actieve keuze door telemarketeers kunnen worden benaderd, ergernissen kan voorkomen en het verkopers lastiger maakt om de wet te omzeilen? Bent u bereid actie te ondernemen om te komen tot een dergelijk register?
In mijn consumentenagenda heb ik een opt-in regime aangekondigd. Dit betekent dat ik werk aan een wetsvoorstel waardoor natuurlijke personen straks alleen nog maar gebeld mogen worden als zij daar expliciet toestemming voor hebben gegeven. Dit maakt naar mijn mening een specifiek Bel-me-wel Register overbodig.
De aanpak van een Algerijn die bijna een Groningse held doodstak |
|
Gidi Markuszower (PVV), Sietse Fritsma (PVV) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Hoe is het in hemelsnaam mogelijk dat deze levensgevaarlijke Algerijnse crimineel op vrije voeten is gesteld en niet uit Nederland is verwijderd, vooraf gegaan door vreemdelingenbewaring?1
Het is staand kabinetsbeleid dat het verton en van maatschappelijk onaanvaardbaar gedrag in beginsel gevolgen moet hebben voor het verblijf van een vreemdeling in Nederland. Het kabinet zet zich in om de terugkeer van criminele vreemdelingen te bewerkstelligen, zowel op Europees niveau2 als in de nationale praktijk.
In deze specifieke zaak is a tijdens zijn verblijf in strafrechtelijke detentie getracht om de vreemdeling in het kader van de Dublinverordening over te dragen aan de EU-lidstaat die verantwoordelijk was voor de behandeling van zijn asielaanvraag. Gedurende de strafdetentie is de termijn voor de overdracht verstreken. Abusievelijk is nagelaten om tijdig aan de verantwoordelijke EU-lidstaat om uitstel te vragen, waardoor de overdracht geen doorgang kon vinden.
Nadat de vreemdeling zijn straf had uitgezeten, is hij aansluitend in vreemdelingenbewaring gesteld. De vreemdelingenbewaring moest worden opgeheven vanwege het ontbreken van een terugkeerbesluit.
Inmiddels zit de vreemdeling weer in bewaring en wordt onverminderd ingezet op terugkeer naar Algerije. Op 3 juni heeft de KMar een terugkeerbesluit uitgereikt.
Is deze misdadiger daadwerkelijk in vreemdelingenbewaring gezet zoals in de brief van het openbaar Ministerie van 1 maart j.l. is gesteld? Zo ja, waarom is hij dan zo snel weer vrijgelaten en niet uitgezet? Zo nee, waarom niet en waarom is het slachtoffer met onjuiste informatie op het verkeerde been gezet?
Zie antwoord vraag 1.
Realiseert u zich dat het zomaar in onze samenleving vrij laten van deze agressieveling nog meer onschuldige slachtoffers op kan leveren dan de Groningse held die hij al heeft geprobeerd dood te steken?
Ik merk op dat de vreemdeling zijn straf had uitgezeten. De basis van ons rechtstelsel is dat een veroordeelde dan in vrijheid wordt gesteld en dat hem of haar een tweede kans in de maatschappij wordt geboden. Tenzij er levenslang wordt opgelegd, zal zich dus bij iedere veroordeling tot gevangenisstraf de situatie voordoen dat een persoon die een delict heeft gepleegd weer in vrijheid wordt gesteld nadat de gevangenisstraf is uitgezeten. In gevallen als deze, waarin het gaat om een vreemdeling zonder rechtmatig verblijf, is dat juist anders, omdat een vreemdeling in dat geval niet in aanmerking komt voor voorwaardelijke invrijheidstelling en bovendien, als zijn terugkeer niet direct kan worden gerealiseerd, aansluitend op zijn gevangenisstraf, en enkel met het oog op zijn verwijdering, in vreemdelingenbewaring wordt gesteld.
Realiseert u zich tevens dat uw belofte criminele vreemdelingen aan te pakken niets waard is omdat u ze in de praktijk gewoon letterlijk laat lopen?
Zie antwoord vraag 3.
Waarom wordt na lang aandringen alleen aan het slachtoffer medegedeeld dat de dader inderdaad zoek is, gevolgd door de mededeling dat de kans klein is dat de dader wordt aangehouden en de aan hem opgelegde schadevergoeding (zelf) betaalt? Waarom wordt in plaats van deze laakbare laksheid niet gezegd dat alles op alles gezet gaat worden deze crimineel op te pakken, uit te zetten en hem de schadevergoeding te laten betalen?
Het betreft hier informatievoorziening van het Openbaar Ministerie aan het slachtoffer. Zoals aangegeven had betrokkene zijn straf uitgezeten. Het OM heeft de slachtoffers laten weten dat de Staat de schadevergoedingsverplichting van de veroordeelde overneemt. De veroordeelde is in het Nationale Opsporingsregister geplaatst.
Erkent u dat u de grip op criminele vreemdelingen totaal kwijt bent en dat het mede daardoor de hoogste tijd is voor een volledige asielstop?
Nee. Ik verwijs u hiervoor naar mijn antwoord op vraag 7 van de vragen van het lid Fritsma (PVV) van 2 januari 2019 over hetzelfde onderwerp.3
Erkent u tenslotte dat u in dit specifieke geval toch over een individuele zaak dient te berichten omdat de controlerende taak van de Kamer niet opzij gezet kan worden in dit geval van zeer ernstige tekortkomingen rond de aanpak van criminele vreemdelingen en het gevaar dat dit voor de samenleving oplevert?
Ik erken dat de controlerende taak van de Tweede Kamer één van de fundamenten van onze democratie vormt en dat deze waar mogelijk moet worden gefaciliteerd. Met het oog op de privacybeschermingswetgeving dient de overheid wel terughoudend om te gaan met het verstrekken van persoonsgegevens, zeker in documenten die openbaar worden gemaakt. Met bovenstaande beantwoording meen ik een goede balans te hebben gevonden.
Het bericht ‘IND stuurt yezidi’s terug naar kampen in Noord-Irak, VN ongerust’ |
|
Kirsten van den Hul (PvdA), Sadet Karabulut (SP), Attje Kuiken (PvdA), Joël Voordewind (CU), Lilianne Ploumen (PvdA), Jasper van Dijk (SP) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66), Mark Harbers (VVD), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht « IND stuurt yezidi’s terug naar kampen in Noord-Irak, VN ongerust» van 27 april jl?1
Ja.
Kunt u toelichten waarom u in tegenstelling tot de Hoge Commissaris voor de Vluchtingen van mening bent dat Noord-Irak veilig is voor de yezidi’s?
In de afgelopen periode heb ik gezien dat zich in Nederland jezidi’s hebben gemeld die recent uit de Koerdisch Autonome Regio zijn vertrokken en hier asiel aanvragen. Deze personen hebben gedurende langere tijd in de Koerdisch Autonome Regio verbleven, nadat zij uit een ander gebied van Irak zijn gevlucht. Bij zo’n aanvraag wordt altijd individueel gekeken wat de persoonlijke omstandigheden zijn, of er familie in Irak is, wat de duur van het verblijf in de Koerdisch Autonome Regio was, wat de verblijfsomstandigheden waren en tot slot wordt gekeken of iemand problemen heeft ondervonden in de Koerdische Autonome Regio en sprake kan zijn van een reëel risico bij terugkeer waartegen de Koerdische autoriteiten geen bescherming kunnen of willen bieden.
Voor iedere aanvraag wordt een individuele afweging gemaakt of iemand recht heeft op bescherming van Nederland en of er sprake is van een reëel risico op een onmenselijke of vernederende behandeling bij terugkeer.
Het kan voorkomen dat na een langdurig verblijf in een ontheemdenkamp waar iemand een »naar lokale maatstaven normaal leven» leidde wordt aangenomen dat het ontheemdenkamp de normale woon- of verblijfplaats was.
Van belang bij de vraag of een gebied waar een jezidi heeft verbleven aangemerkt wordt als de normale woon- of verblijfplaats is of de jezidi daar naar lokale maatstaven gemeten op een normaal niveau heeft kunnen functioneren. Gelet op recente informatie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken zie ik dat dit niet geldt voor jezidi’s die uit andere delen van Irak naar de Koerdisch Autonome Regio zijn gevlucht. De ontheemde jezidi’s hebben het bovengemiddeld zwaar in de Koerdisch Autonome Regio.
Dat betekent dat voor jezidi’s die afkomstig zijn uit andere delen van Irak en die zijn gevlucht naar de Koerdisch Autonome Regio en daar voor hun komst naar Nederland verbleven hebben, ik bij de beoordeling van hun asielaanvraag de Koerdisch Autonome Regio niet (langer) aanmerk als hun normale woon- of verblijfplaats. Dat heeft tevens tot gevolg dat voor hen het beleid van kwetsbare minderheden van toepassing is.
Het enkel behoren tot een kwetsbare minderheidsgroep is in zichzelf onvoldoende om als jezidi een verblijfsvergunning te krijgen. Er moet sprake zijn van geloofwaardige individualiseerbare verklaringen, waaruit beperkte indicaties naar voren komen die duiden op een risico op ernstige schade als persoon.
De vreemdeling zal de individuele elementen die moeten worden gewogen zelf moeten aandragen en aannemelijk maken, maar de bewijslast die dan op een jezidi als kwetsbare minderheid ligt, is relatief licht.
Wat betreft de Koerdische opvangcapaciteit merk ik op dat het ambtsbericht Irak van april 2018 meldt dat de aanwezigheid van grote aantallen ontheemden en vluchtelingen een zwaar beslag op de bestaande voorzieningen legde. Dit wordt bevestigd door het meer recente bericht van UNHCR. Hoewel de situatie in sommige vluchtelingenkampen in de Koerdisch autonome regio niet optimaal is, kan niet in zijn algemeenheid gesteld worden dat de opvang aldaar niet voldoet.
Ik heb het Ministerie van Buitenlandse Zaken gevraagd bij het komende algemeen ambtsbericht over Irak, dat ik begin volgend jaar verwacht, extra aandacht te besteden aan de jezidi’s, zodat het beleid in overeenstemming blijft met hun positie in Irak. Eventuele belangrijke ontwikkelingen in de tussentijd worden uiteraard ook gevolgd.
Bent u bekend met het feit dat de Koerden die al zorg dragen voor bijna 1 miljoen vluchtelingen en hun capaciteit daarmee vrijwel is uitgeput? Zo ja, hoe kunt u dan stellen dat vluchtelingen in de tentenkampen op onderdak en voldoende voedsel kunnen rekenen? Zo nee, verandert dit iets aan uw opvatting dat de zorg in de tentenkampen toereikend is, zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bekend met het feit dat Koerden yezidi’s soms tegenhouden en uitzetten naar andere gebieden? Zo ja, wat betekent dat voor het terugsturen van de yezidi’s? Zo nee, verandert dit iets aan uw opvatting dat de yezidi’s terug kunnen naar vluchtelingenkampen in Noord-Irak? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven hoeveel yezidi’s op de nominatie staan om terug gestuurd te worden?
De etniciteit en religie van (afgewezen) asielzoekers wordt niet bijgehouden. Ik heb bij uitzondering de Dienst Terugkeer en Vertrek gevraagd om handmatig de dossiers van Irakese staatburgers die in vreemdelingenbewaring zitten door te nemen. In de betreffende dossiers zijn geen indicaties gevonden dat zij tot de jezidi’s behoren.
Geldt het beleid van de overheid nog steeds dat de yezidi’s een kwetsbare groep zijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u toelichten waarom yezidi’s dan alsnog teruggestuurd worden?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat er een onderscheid is tussen niet tegen de regels in gaan en het uitzetten van mensen naar een – in de ogen van de Hoge Commissaris voor de vluchtelingen – onveilig gebied?
Uit de beschikbare informatie volgt niet dat de Koerdisch Autonome Regio niet geschikt zou zijn als opvang voor ontheemden. UNHCR noemt de Koerdisch Autonome Regio ook niet onveilig – zie de recente rapporten van UNHCR van mei 2019.
Bij de individuele asielaanvraag wordt uitdrukkelijk gekeken wat het persoonlijk relaas van iemand is. Als een jezidi destijds uit Centraal-Irak naar de Koerdisch Autonome Regio is gevlucht en daar de afgelopen jaren zonder noemenswaardige problemen heeft gewoond en nu pas door is gereisd naar Nederland en hier asiel aanvraagt, dan wordt dit meegenomen bij de beoordeling van het beschermingsverzoek. Als laatste woon/verblijfplaats wordt dan net als bij andere zaken, aangenomen dat dit de Koerdisch Autonome Regio is en wordt individueel bezien of het redelijk is dat iemand daar naartoe terug kan keren.
Zoals ik hiervoor heb aangewezen, zal ik bij de beoordeling van de asielaanvraag van jezidi’s die afkomstig zijn uit andere delen van Irak en die zijn gevlucht naar de Koerdisch Autonome Regio en daar nu verblijven ervan uitgaan dat zij afkomstig zijn uit Centraal-Irak. Voor hen is het beleid van kwetsbare minderheden van toepassing.
Het bericht ‘Nederland stuurt Yezidi’s terug naar de tentenkampen en dat is tegen de eigen regels zeggen advocaten’ |
|
Maarten Groothuizen (D66) |
|
Mark Harbers (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nederland stuurt Yezidi’s terug naar de tentenkampen en dat is tegen de eigen regels zeggen advocaten»?1
Ja.
Klopt het, dat de IND gevluchte Yezidi’s terugstuurt naar Irak? Klopt het, dat deze mensen doorgaans terechtkomen in Koerdische opvangkampen in Irak, terwijl dat volgens de VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR niet verantwoord is? Zo nee, hoe ziet u de situatie dan? Hoe verklaart u dit verschil in beoordeling tussen de IND en UNHCR?
In de afgelopen periode heb ik gezien dat zich in Nederland jezidi’s hebben gemeld die recent uit de Koerdisch Autonome Regio zijn vertrokken en hier asiel aanvragen. Deze personen hebben gedurende langere tijd in de Koerdisch Autonome Regio verbleven, nadat zij uit een ander gebied van Irak zijn gevlucht. Bij zo’n aanvraag wordt altijd individueel gekeken wat de persoonlijke omstandigheden zijn, of er familie in Irak is, wat de duur van het verblijf in de Koerdisch Autonome Regio was, wat de verblijfsomstandigheden waren en tot slot wordt gekeken of iemand problemen heeft ondervonden in de Koerdische Autonome Regio en sprake kan zijn van een reëel risico bij terugkeer waartegen de Koerdische autoriteiten geen bescherming kunnen of willen bieden.
Voor iedere aanvraag wordt een individuele afweging gemaakt of iemand recht heeft op bescherming van Nederland en of er sprake is van een reëel risico op een onmenselijke of vernederende behandeling bij terugkeer.
Het kan voorkomen dat na een langdurig verblijf in een ontheemdenkamp waar iemand een «naar lokale maatstaven normaal leven» leidde wordt aangenomen dat het ontheemdenkamp de normale woon- of verblijfplaats was.
Van belang bij de vraag of een gebied waar een jezidi heeft verbleven aangemerkt wordt als de normale woon- of verblijfplaats is of de jezidi daar naar lokale maatstaven gemeten op een normaal niveau heeft kunnen functioneren. Gelet op recente informatie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken zie ik dat dit niet geldt voor jezidi’s die uit andere delen van Irak naar de Koerdisch Autonome Regio zijn gevlucht. De ontheemde jezidi’s hebben het bovengemiddeld zwaar in de Koerdisch Autonome Regio.
Dat betekent dat voor jezidi’s die afkomstig zijn uit andere delen van Irak en die zijn gevlucht naar de Koerdisch Autonome Regio en daar voor hun komst naar Nederland verbleven hebben, ik bij de beoordeling van hun asielaanvraag de Koerdisch Autonome Regio niet (langer) aanmerk als hun normale woon- of verblijfplaats. Dat heeft tevens tot gevolg dat voor hen het beleid van kwetsbare minderheden van toepassing is.
Het enkel behoren tot een kwetsbare minderheidsgroep is in zichzelf onvoldoende om als jezidi een verblijfsvergunning te krijgen. Er moet sprake zijn van geloofwaardige individualiseerbare verklaringen, waaruit beperkte indicaties naar voren komen die duiden op een risico op ernstige schade als persoon.
De vreemdeling zal de individuele elementen die moeten worden gewogen zelf moeten aandragen en aannemelijk maken, maar de bewijslast die dan op een jezidi als kwetsbare minderheid ligt, is relatief licht.
Wat betreft de situatie in de kampen merk ik op dat het ambtsbericht Irak van april 2018 meldt dat de aanwezigheid van grote aantallen ontheemden en vluchtelingen een zwaar beslag op de bestaande voorzieningen legde. Dit wordt bevestigd door het meer recente bericht van UNHCR. Hoewel de situatie in sommige vluchtelingenkampen in de Koerdisch autonome regio niet optimaal is, kan niet in zijn algemeenheid gesteld worden dat de opvang aldaar niet voldoet.
Ik heb het Ministerie van Buitenlandse Zaken gevraagd bij het komende algemeen ambtsbericht over Irak, dat ik begin volgend jaar verwacht, extra aandacht te besteden aan de jezidi’s, zodat het beleid in overeenstemming blijft met hun positie in Irak. Eventuele belangrijke ontwikkelingen in de tussentijd worden uiteraard ook gevolgd.
Hoeveel Yezidi’s heeft Nederland in de jaren 2017, 2018 en 2019 teruggestuurd? Welke informatie heeft u over hoe het hen nadien is vergaan? Hoeveel Yezidi’s hebben wel een verblijfsvergunning gekregen? Hoeveel Yezidi’s zitten er op dit moment in een (asiel)procedure?
De etniciteit en religie van (afgewezen) asielzoekers wordt niet bijgehouden. Omdat ik begrijp dat dit nu voor uw Kamer niet afdoende is, heb ik bij uitzondering de Dienst Terugkeer en Vertrek gevraagd om handmatig de dossiers van Irakese staatburgers die in vreemdelingenbewaring zitten door te nemen. In de betreffende dossiers zijn geen indicaties gevonden dat zij tot de jezidi’s behoren.
Waarom wordt in de vreemdelingencirculaire een onderscheid gemaakt tussen Irak en Noord-Irak en de Koerdische regio? Kunt u toelichten waarop dit verschil is gebaseerd?
Ik maak onderscheid tussen de verschillende delen van Irak, omdat uit de beschikbare informatie, waaronder het ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken blijkt dat de Koerdisch Autonome Regio in de Grondwet van Irak autonome bevoegdheden heeft in een drietal provincies. Daarom maak ik in het asielgebonden landenbeleid voor Irak onderscheid tussen (noordelijk, centraal en zuid) Irak enerzijds en de Koerdisch Autonome Regio anderzijds.
De positie van de jezidi’s die afkomstig zijn uit de Koerdische Autonome Regio is anders en deels beter in de Koerdische Autonome Regio dan in de rest van Irak. Juist in de rest van Irak hebben de jezidi’s grote problemen ondervonden door IS.
In het asielgebonden landenbeleid wordt enkel voor (noordelijk, centraal en zuid)Irak een aantal bijzondere groepen onderscheiden, de zogenaamde kwetsbare minderheidsgroepen. Deze groepen ondervinden in Centraal-Irak mensenrechtenschendingen waartegen de overheid geen bescherming biedt.
In de Koerdische Autonome Regio is de situatie voor jezidi’s in dat opzicht deels beter onder meer wetgeving, maar ook de autoriteiten beschermen de rechten en jezidi’s zijn een erkende minderheid. Dit blijkt ook uit de ambtsberichten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken over Irak.
Klopt het, dat de meeste Yezidi’s uit de regio Sinjar in Irak komen en dus niet uit de Koerdische regio? Hoe beoordeelt u de situatie in de regio Sinjar? Klopt het, dat de regio grotendeels verwoest is? Zo nee, waarom niet? Bent u van oordeel dat Yezidi’s veilig kunnen terugkeren naar Sinjar? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zoals mijn voorganger uw Kamer bij brief van 11 juli 2018 heb laten weten, is geen enkel deel van Irak meer aangewezen als 15c-gebied, omdat uit het ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, als ook uit andere bronnen blijkt, dat in geen van de eerder aangewezen gebieden meer sprake is van een uitzonderlijke situatie waarin de mate van willekeurig geweld dermate hoog is dat een burger louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op een schending van artikel 3 EVRM.
Er waren zowel jezidi gemeenschappen in die provincie als in de Koerdisch autonome regio. De meeste jezidi’s zijn inderdaad gevlucht uit Sinjar in de provincie Nineveh, dat onderdeel uitmaakt van de betwiste gebieden in Irak. Zij zijn gevlucht naar de Koerdisch Autonome Regio, naar andere gebieden in Irak alsook naar het buitenland. De infrastructuur van Sinjar is zwaar getroffen door alle gevechten. Hoewel een klein deel van de jezidi’s is teruggekeerd, is de overgrote meerderheid nog altijd ontheemd en is de terugkeer beperkt.
Sinjar is gelegen in Irak, buiten de Koerdische Autonome Regio. Daarvoor geldt dat een jezidi die daarvandaan afkomstig is behoort tot een kwetsbare minderheidsgroep. Voor de toepassing van kwetsbare minderheidsgroep moet sprake zijn van geloofwaardige individualiseerbare verklaringen, waaruit beperkte indicaties naar voren komen die duiden op een risico op ernstige schade als persoon. De vreemdeling zal de individuele elementen die moeten worden gewogen zelf moeten aandragen en aannemelijk maken, maar de bewijslast die dan op een jezidi als kwetsbare minderheid ligt, is relatief licht. Mij zijn geen zaken bekend waarbij een jezidi woonachtig en afkomstig uit Sinjar daarheen is uitgezet
Waarom behoren de Yezidi’s uit de Koerdische regio in Irak niet tot een kwetsbare groep? In hoeverre is hierbij rekening gehouden met het gegeven dat deze mensen zijn gevlucht uit een ander deel van Irak en dus niet uit de Koerdische regio?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe gaat het terugsturen van Yezidi’s naar Noord-Irak in de praktijk? In hoeverre heeft Nederland zicht op waar deze mensen (uiteindelijk) terecht komen?
Zoals uw Kamer bekend is, wordt terugkeer nooit door Nederland gemonitord.
Klopt het, dat Duitsland vrouwen uit Koerdische opvangkampen in Irak ophaalt om ze te behandelen voor trauma’s? Zo ja, hoe beoordeelt u in dat licht, het gegeven dat Nederland mensen terugstuurt naar deze kampen?2
De deelstaat Baden Württemberg heeft in 2014 met een speciaal nood hervestigingsprogramma jezidische vrouwen uit Irak gehaald. Dit zag met name op vrouwen die door IS-leden verkracht waren en door de jezidische gemeenschap niet meer werden geaccepteerd. De situatie van deze vrouwen is niet te vergelijken met een persoon die zich vrij in de Koerdisch autonome regio heeft bewogen en daar tijdens zijn verblijf geen problemen heeft ondervonden. Overigens wordt bij de beoordeling van iedere asielaanvraag door de IND meegewogen of terugkeer aan de orde is en of er geen sprake is van individuele kwetsbaarheden waardoor dit niet mogelijk is.
In hoeverre beoordeelt de IND, bij de beslissing om iemand terug te sturen, of deze persoon mogelijk in een vluchtelingenkamp terecht komt? Hoe en in hoeverre beoordeelt de IND of er in een vluchtelingenkamp voldoende voedsel, schoon drinkwater, onderdak en medische voorzieningen beschikbaar zijn?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe zeker weet de IND dat Yezidi’s die worden teruggestuurd naar Noord-Irak ook daadwerkelijk tot een vluchtelingenkamp worden toegelaten? In hoeverre monitort de IND dit?
Zie antwoord vraag 7.
Wat vindt u van de stelling van, onder andere, Vluchtelingenwerk dat er sprake is van nieuw beleid? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe beoordeelt u de huidige situatie in de vluchtelingenkampen in de Koerdische regio in Irak? Bent u van mening dat de omstandigheden in die kampen voldoende zijn om vluchtelingen op een humane manier te huisvesten? Zo ja waarom? Zo nee, waarom stuurt Nederland dan toch mensen naar deze kampen/dan wel naar de regio waarbij er een gerede kans is dat mensen in deze kampen terecht komen?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe verhoudt de stellingname van het Europese asielagentschap EASO dat Yezidi’s in de Koerdische regio worden gediscrimineerd en belaagd, zich met de positie van de IND dat Yezidi’s veilig teruggestuurd kunnen worden?
Laat ik voorop stellen dat EASO nog geen advies over Irak heeft uitgebracht. Dit verwacht ik in juli.
Tot nu toe heeft EASO diverse landeninformatierapporten gepubliceerd over de veiligheidssituatie en de situatie van bepaalde groepen. Daaruit blijkt dat jezidi’s in een aantal gevallen in de Koerdisch autonome regio te maken kunnen krijgen met discriminatie, maar dat van structurele mensenrechtenschendingen geen sprake is. Wel blijkt dat de jezidi’s die ontheemd zijn in de Koerdisch Autonome Regio een andere positie hebben dan de jezidi’s die van oudsher in de Koerdisch Autonome Regio wonen.
EASO is op dit moment bezig met de Country Guidance Notes Iraq. Als het advies van EASO openbaar is, zal ik het natuurlijk aan uw Kamer sturen.
Los hiervan, het Nederlandse asielsysteem is zo ingericht dat iedere aanvraag zelfstandig wordt behandeld en daar worden alle relevante omstandigheden van de aanvrager bij betrokken.
Als een jezidi gewag maakt van discriminatie of andersoortige problemen gedurende zijn verblijf in de Koerdische Autonome Regio, wordt dat bij de besluitvorming betrokken. Niet iedere vorm van discriminatie leidt tot de conclusie dat sprake is van vervolging, maar dit wordt wel nader onderzocht bij de individuele beoordeling van de asielaanvraag. Ook wordt gekeken of er andere factoren zijn die meegenomen moeten worden, dan kan het gaan om familie in de regio, maar ook om individuele kwetsbaarheden.
Op welke manier houdt de IND rekening met informatie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken dat de Koerden Yezidi’s niet altijd toelaten tot vluchtelingenkampen en hen soms zelfs uitzetten naar andere regio’s in Irak, terwijl die volgens de UNHCR nog altijd onveilig zijn?
Deze informatie, zie het algemeen ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken uit 2018, p. 53, geeft aan dat een aantal jezidi’s uit ontheemdenkampen in de Koerdische Autonome Regio zijn gezet, onder meer omdat hun familieleden bij de PMF zaten en daardoor door de Koerden als vijand werden gezien of omdat zij opkwamen voor de rechten van jezidi’s.
Mocht een jezidi die hierbij betrokken was zich in Nederland melden, dan wordt dit natuurlijk bij de afdoening van de individuele asielaanvraag betrokken. In zo’n zaak is het zeer waarschijnlijk dat voor die persoon geen veilige terugkeer naar de Koerdisch Autonome Regio mogelijk is.
Deelt u de mening dat als mensen worden teruggestuurd naar een gebied waar zij gediscrimineerd en belaagd worden, of het risico lopen te worden uitgezet naar een onveilig gebied waar zij gevaar lopen, dit in strijd is met het VN-vluchtelingenverdrag en het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u doen om te voorkomen dat Nederland handelt in strijd met deze verdragen?
Ja. Het Nederlandse beleid voor asielzoekers is in lijn met geldende verdragen en richtlijnen. Bij iedere asielaanvraag vindt een zorgvuldige, individuele beoordeling plaats. Iedere persoon die het niet eens is met de afwijzing van zijn asielaanvraag kan naar de rechter stappen, waarna wordt gekeken of de IND correct besloten heeft. Tegen de uitspraak van de rechter staat hoger beroep open bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Hoeveel procedures zijn momenteel aanhangig bij rechtbanken en de Raad van State waarin de kwestie van het terugsturen van een Yezidi een rol speelt? Wat is de lijn van de IND in deze procedures? Wat is de lijn in de rechtspraak?
Het betreft de afwijzing van de asielaanvraag en daar wordt door de vreemdeling beroep tegen ingesteld. De IND geeft dan aan waarom geen asielbescherming wordt verleend in deze individuele aanvraag, omdat sprake is van een veilige verblijfsplaats waarbij alle individuele, relevante omstandigheden zijn meegewogen.
De rechtbank toetst of de IND tot dit besluit heeft mogen komen. Uit recente jurisprudentie3 blijkt dat eventueel een vluchtelingen- of ontheemdenkamp in de Koerdisch autonome regio voor een vreemdeling onder specifieke omstandigheden aangemerkt kan worden als vaste woon- of verblijfplaats.
Zoals ik hiervoor aan heb gegeven blijkt recente informatie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken dat de ontheemde jezidi’s het bovengemiddeld zwaar hebben in de Koerdisch Autonome Regio. Voor jezidi’s die afkomstig zijn uit andere delen van Irak en zijn gevlucht naar de Koerdisch Autonome Regio en daar nu verblijven, zal ik bij de beoordeling van hun asielaanvraag zien als afkomstig zijn uit Centraal-Irak en voor hen is dan het beleid van kwetsbare minderheden van toepassing.
De etniciteit en religie van asielzoekers wordt niet geregistreerd. Omdat ik begrijp dat dit voor uw Kamer niet afdoende is, heb ik bij uitzondering de IND gevraagd om handmatig de dossiers van Irakese staatsburgers waar juridische procedures openstaan na te lopen. Vooralsnog gaat het om een zeer beperkt aantal zaken van jezidi’s dat voorligt bij de rechtbanken en de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waaronder de beroepen tegen de hiervoor genoemde jurisprudentie.
Gelet op de recente informatie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken zal ik de IND vragen deze zaken opnieuw te bezien.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Waar mogelijk heb ik uw vragen afzonderlijk beantwoord, maar gelet op de samenhang van de vragen heb ik er voor gekozen om een aantal vragen ook gezamenlijk te beantwoorden.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat Poetin paspoorten uitdeelt aan inwoners van separatistengebieden in Oost-Oekraïne |
|
Sven Koopmans (VVD) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Het bericht ‘Bowing to U.S. demands, UN waters down resolution on sexual violence in conflict’ |
|
Kirsten van den Hul (PvdA), Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Bowing to U.S. demands, UN waters down resolution on sexual violence in conflict» van 24 april jl.?1
Ja.
Betreurt u het dreigement van de VS met een veto indien de passage «sexueal and reproductive health» zou blijven staan in de resolutie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze heeft u dit kenbaar gemaakt?
Ja, het kabinet betreurt het door u aangehaalde dreigement van de VS. Nederland heeft zich tijdens de interventie in het open debat expliciet uitgesproken voor seksuele en reproductieve gezondheid en rechten.
Welke gevolgen heeft het schrappen van deze passage voor de hulp aan slachtoffers van seksueel geweld?
De resoluties uit 2009 en 2013 zijn nog altijd volledig van kracht. De gevolgen van de nieuwe resolutie moeten bezien worden, maar de resolutie heeft geen directe consequenties voor de hulp aan slachtoffers van seksueel geweld. Organisaties en landen kunnen uiteraard nog altijd aan seksuele en reproductieve gezondheid van slachtoffers van seksueel geweld blijven werken.
Welk effect heeft de herbevestiging van de aangenomen resoluties uit 2009 en 2013 voor de (medische) hulp aan vrouwen en meisjes die slachtoffer zijn van seksueel geweld?
Zie antwoord vraag 3.
Onderschrijft u de uitspraak van de Franse ambassadeur bij de Verenigde Naties (VN) Francois Delattre: «It is intolerable and incomprehensible that the Security Council is incapable of acknowledging that woman and girls who suffered from sexual violence in conflict -and who obviously didnt choose to become pregnant- should have the right to terminate their pregnancy»? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze heeft u dit kenbaar gemaakt?
Ja. Nederland heeft in zijn interventie expliciet verwezen naar, en steun uitgesproken voor, de Franse uitspraak.
Is het u bekend hoeveel andere leden van de VN Veiligheidsraad deze uitspraak openlijk onderschrijven?
Dit is niet precies na te gaan. Naast Frankrijk spraken ook het Verenigd Koninkrijk, België en Zuid-Afrika een kritische stemverklaring uit, waarin zij het belang van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten benadrukten. Ook de Dominicaanse Republiek had zich in haar interventie voor de stemming hiervoor uitgesproken.
Zijn er gevolgen voor de financiering van het VN Bevolkingsfonds UNFPA? Zo ja, welke?
Er zijn geen gevolgen voor de financiering van UNFPA.
Kunt u toelichten op welke wijze de voorgenomen verwijzing naar het Internationaal Strafhof is afgezwakt en in hoeverre het Internationaal Strafhof nog een rol speelt of kan spelen bij het bestrijden en voorkomen van geweld tegen vrouwen en meisjes?
In een eerste versie van de resolutie stond expliciet dat vooral het Internationaal Strafhof de strijd tegen straffeloosheid van de meest ernstige internationale misdrijven tegen vrouwen en meisjes heeft versterkt. In de uiteindelijke versie is de verwijzing naar het Internationaal Strafhof onder druk van een aantal leden van de Veiligheidsraad, waaronder de VS, verwijderd en in plaats daarvan gesteld dat alle nationale en internationale hoven en tribunalen hier aan hebben bijgedragen.
Het Statuut van Rome van het Internationaal Strafhof is het eerste internationale instrument geweest waarin verschillende vormen van seksueel en gender gerelateerde misdrijven werden opgenomen als misdrijven tegen de menselijkheid, oorlogsmisdrijven of, in bepaalde gevallen, genocide. Daders van deze misdrijven kunnen hierdoor vervolgd worden, ook als een land wiens onderdanen het betreft of op wiens grondgebied de misdrijven hebben plaatsgevonden dit niet wil of kan. Het zichtbaar ter verantwoording roepen van personen die verdacht worden van dergelijke misdrijven geeft een signaal aan potentiële plegers.
De berichten ‘Tientallen jongeren met grensoverschrijdend gedrag worden niet behandeld’ en ‘Aanhoudingen in Rotterdam voor groepsverkrachtingen minderjarigen’ |
|
Jeroen van Wijngaarden (VVD), Antoinette Laan-Geselschap (VVD), Judith Tielen (VVD) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Tientallen jongeren met grensoverschrijdend gedrag worden niet behandeld» en «Aanhoudingen in Rotterdam voor groepsverkrachtingen minderjarigen»?1
Ja.
Klopt het, dat meerdere meisjes in de regio Rotterdam seksueel zijn misbruikt door twee jongens van 17 en een jongen van 14 jaar?
Dit is nog onderwerp van justitieel onderzoek. Daarom kan deze vraag nog niet beantwoord worden.
Gaat dit misbruik om een incident of is er sprake van een structurele stijging van seksueel grensoverschrijdend gedrag door jongeren in Nederland? Kunt u dit cijfermatig onderbouwen?
Uit cijfers van het CBS (Statline) blijkt dat de afgelopen 10 jaar het aantal jeugdige verdachten van seksuele misdrijven is gedaald. Zo waren er in 2009 nog 770 minderjarige verdachten. In 2015 was dit gedaald tot 350 en in 2018 tot 320. Bij jongvolwassen verdachten zien we een vergelijkbare ontwikkeling. Bij hen ging het in 2009 om 870 verdachten en in 2018 is dit gedaald tot 420.
Indien het gaat om een structurele stijging, wat is hiervan de oorzaak?
Er is geen stijging (zie antwoord op vraag 3)
Welke bekende risicofactoren zijn er die de kans vergroten dat meisjes slachtoffer worden van seksueel grensoverschrijdend gedrag?
Uit onderzoek en ervaringen van behandelaren is bekend dat meisjes die al op jonge leeftijd seksueel misbruikt zijn of mishandeld op latere leeftijd kwetsbaarder zijn en hierdoor relatief vaker opnieuw traumatische ervaringen opdoen. Als zij intellectueel gezien beperkt functioneren en/of een licht verstandelijk beperking (LVB) hebben, zijn ze extra kwetsbaar.
Meisjes die al veel ellende hebben meegemaakt, hebben in de regel veel behoefte aan erkenning en bevestiging en kunnen daardoor minder goed de bedoelingen van een ander inschatten. Dat geldt in het bijzonder voor meisjes met een licht verstandelijke beperking. Ook komt het voor dat als jongeren uit de groep meisjes ondanks dat het seksueel overschrijdend gedrag betreft, een goed gevoel hebben gegeven (bijvoorbeeld door aandacht of cadeaus), de kans aanwezig is dat zij dit laakbare gedrag van de groep gaan goedpraten. Ook voelen zij zich soms geïntimideerd of juist enorm schuldig en kunnen ze daardoor de situatie gaan bagatelliseren.
De daders en slachtoffers kennen elkaar in dergelijke settings vaak. De daders bagatelliseren en rechtvaardigen hun gedrag door aan te geven dat de meisjes vrijwillig meegingen.
Klopt de suggestie uit de berichtgeving dat slachtoffers het seksueel overschrijdend gedrag niet meer als seksueel overschrijdend zien? Wat is daarvoor de oorzaak en hoe verhoudt dit zich tot de kwalificatie die daders aan hun daad geven?
Zie antwoord vraag 5.
Klopt het, dat het aantal jongeren dat wordt behandeld door forensisch specialisten, als gevolg van risicovol gedrag in de regio Rotterdam, is gehalveerd? Zo ja, wat is hiervoor de oorzaak? Zo nee, wat zijn de cijfers dan?
Uit cijfers van de Waag, het grootste centrum voor ambulante forensische geestelijke gezondheidszorg in Nederland, blijkt dat van de ongeveer 1500 jongeren die zij jaarlijks behandelen er slechts circa 50 worden aangemeld vanwege een zedendelict of het vertonen van seksueel overschrijdend gedrag. De Waag ziet hierbij een afname maar niet overal in Nederland.
De daling van het aantal cliënten in de regio Rijnmond wil niet zeggen dat er minder jeugdigen worden behandeld met een forensische zorgvraag; er zijn ook andere aanbieders die deze zorg leveren (Viersprong, Fivoor). Voor 2019 heeft de regio Rijnmond afspraken gemaakt met hoofdaannemers en onderaannemers. Alle cliënten die een behandeling bij De Waag of een andere aanbieder opgelegd hebben gekregen, zullen naar De Waag of naar een andere aanbieder worden doorgeleid. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het beschikbaar blijven van voldoende budget voor deze vormen van hulp.
De ontwikkeling van het aantal behandelingen is verder niet eenvoudig te duiden omdat niet altijd een specifieke behandeling gericht op de zedenproblematiek nodig is. Bij een aanmelding wordt nagegaan of er sprake is van dergelijke problematiek of meer van een antisociaal profiel. Jongeren met een antisociaal profiel hebben geen specifieke behandeling gericht op de zedenproblematiek nodig, maar eerder een interventie gericht op het antisociale gedrag. De Waag geeft daarbij ook aan dat slechts 1% van de jongeren die bij hen wordt aangemeld vanwege seksueel grensoverschrijdend gedrag recidiveert met een soortgelijk delict (specifieke recidive), terwijl het percentage dat recidiveert met een ander delict (generale recidive) hoger is.
Hoe beoordeelt u de opmerking: «Ik heb inderdaad gehoord van jongeren bij wie een behandeling als voorwaarde in het vonnis is opgenomen, maar die niet behandeld worden»?
Op grond van de Jeugdwet zijn gemeenten verantwoordelijk voor de beschikbaarheid van jeugdhulp. Dat geldt ook voor de beschikbaarheid van jeugdhulp die is opgenomen als voorwaarde in het vonnis. Om er voor te zorgen dat de meest passende jeugdhulp ook tijdig ingezet kan worden, is een goede afstemming met de gemeente van belang. Dit geldt al in de fase van advisering door de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) en de drie reclasseringsorganisaties (3RO) in het kader van het Adolescentenstrafrecht. Een goede afstemming tijdens de inkoopfase tussen gemeenten en de RvdK, Gecertificeerde Instelling (GI) en 3RO kan ervoor zorgen dat het aanbod ook aansluit bij de behoeften van de forensische doelgroep. In het kader van het programma Zorg voor de Jeugd zetten we hier gericht op in.
Deelt u de mening dat een uitspraak van de rechter, dat een jongere een gespecialiseerde behandeling nodig heeft, altijd moet worden nageleefd?
Ja, daar ben ik het mee eens. Een behandeling die is opgenomen in een vonnis heeft geen vrijblijvend karakter en de gemeente is verantwoordelijk voor de uitvoering daarvan.
Kunt u cijfermatig toelichten hoeveel jongeren jaarlijks van de strafrechter een gespecialiseerde zorgmaatregel opgelegd krijgen? In hoeveel procent van deze gevallen wordt deze zorgmaatregel daadwerkelijk uitgevoerd?
Het CJIB houdt cijfers bij over door de rechter opgelegde toezichtopdrachten jeugd met een bijzondere voorwaarde. Een van de voorwaarden is de verplichting zich onder behandeling van een deskundige of zorginstelling te stellen. Uit de cijfers over de periode 2016–2018 blijkt dat het aantal opgelegde toezichtopdrachten met behandelingen is toegenomen van 888 naar 1300. Dit betreft mogelijk een ondertelling omdat behandelingen soms ook zijn geregistreerd bij een andere categorie. Uit de cijfers blijkt verder dat de meeste toezichtopdrachten inzake opgelegde behandelingen nog lopen of succesvol ten uitvoer zijn gelegd.
Klopt het, dat gemeenten verplicht zijn dergelijke maatregelen te financieren? Zo ja, hoe kan het dat financiële argumenten worden gegeven teneinde de zorg niet te leveren?
Op grond van de Jeugdwet zijn gemeenten verantwoordelijk voor de uitvoering van de jeugdhulp. Financiële krapte ontslaat gemeenten niet van hun jeugdhulpplicht.
De oproep van burgemeesters meer te investeren in de handhavingscapaciteit van de Belastingdienst voor de aanpak van georganiseerde criminaliteit |
|
Michiel van Nispen (SP), Renske Leijten (SP) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Menno Snel (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de oproep van burgemeesters dat de Belastingdienst door capaciteitsproblemen onvoldoende bijdrage kan leveren aan de bestrijding van georganiseerde criminaliteit?1
De burgemeesters hebben aandacht gevraagd voor een belangrijk vraagstuk. De Staatssecretaris van Financiën en ik hechten veel waarde aan de integrale aanpak van ondermijnende criminaliteit. We hebben te maken met een ernstige en diep in de samenleving gewortelde problematiek. De urgentie is dan ook hoog om hier krachtig tegen op te treden, met een coalitie van overheid, bedrijfsleven en maatschappij. Binnen het huidige meerjarige programma ter versterking van de aanpak van ondermijning is de focus gelegd op de illegale drugsindustrie en de bijbehorende criminele geldstromen. Voor de integrale aanpak van ondermijnende criminaliteit stelt de Belastingdienst een substantieel deel van de capaciteit ter beschikking, zowel in de samenwerkingsverbanden van het Landelijk Informatie en Expertise Centrum en de Regionale Informatie en Expertise Centra (LIEC/RIEC), als ook binnen de aanpak van de Landelijke Stuurgroep Interventieteams (LSI). De bijdrage van de Belastingdienst kan bestaan uit zowel de terbeschikkingstelling van fiscale informatie, als het uitvoeren van fiscale interventies zoals boekenonderzoeken en het toepassen van invorderingsmaatregelen (afpakken van vermogensbestanddelen). Ook het inbrengen van kennis en ervaring op het gebied van analyse en het traceren van geldstromen maken hier onderdeel van uit.
De Belastingdienst wordt gezien als belangrijke partner, wat ook blijkt uit de oproep van de burgemeesters. Dat burgemeesters een hogere inzet wenselijk achten begrijp ik vanuit hun rol en verantwoordelijkheid. De Belastingdienst is echter een landelijke organisatie met landelijke prioriteiten en maakt op landelijk en regionaal niveau een afweging ten aanzien van de eigen inzet op basis van o.a. het fiscale belang, het maatschappelijke belang en de beschikbare capaciteit. Binnen de beschikbare capaciteit deel ik uiteraard de mening dat een effectieve aanpak van crimineel geld gewenst is en daarbij is het van groot belang om in de samenwerking met gemeenten en het Openbaar Ministerie (OM) te komen tot een optimale capaciteitsinzet van het bestuursrechtelijke, strafrechtelijke en fiscale instrumentarium. Ik wijs in dit verband op de brieven aan uw Kamer van 28 november 20172 en 13 maart 20193 over het afpakken van crimineel vermogen.
Deelt u de mening dat het niet rechtvaardig is dat criminelen hun met misdaad verkregen geld maar al te vaak kunnen houden en zij zich hierdoor onaangetast kunnen wanen? Onderschrijft u het belang van het optreden als één overheid en de samenwerking tussen de verschillende overheden, met name waar het gaat om de bijdrage die de Belastingdienst kan leveren aan het bestrijden van georganiseerde criminaliteit en het terughalen van crimineel geld?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat misdaad niet mag lonen en een effectieve aanpak van crimineel geld, of dat nu strafrechtelijk of fiscaal is, hierbij cruciaal is? Zo ja, hoe kan het dan dat burgemeesters zich nu genoodzaakt voelen te waarschuwen voor de capaciteitsproblemen bij de Belastingdienst?
Zie antwoord vraag 1.
Wat gaat u er concreet aan doen te voorkomen dat bij de Belastingdienst «een terugval dreigt van het aantal mensen dat kan worden ingezet» waardoor «de Belastingdienst zichtbaar aan kracht inboet als partner bij de ondermijning van criminaliteit» en dat dit «de aanpak behoorlijk in de wielen zal rijden»?2
De Belastingdienst stelt voor de integrale aanpak van ondermijnende criminaliteit een substantieel deel van de capaciteit ter beschikking: de landelijke bandbreedte voor de aanpak van fiscale fraude en de aanpak van ondermijnende criminaliteit (LIEC/RIEC) alsmede arbeid gerelateerde fraude (LSI) bedraagt 5–8% van de totale capaciteit van de directie Midden- en Kleinbedrijf. Dit is onafhankelijk van de capaciteitsinzet van andere dienstonderdelen, zoals de FIOD en de Douane.
In november jl. is uw Kamer geïnformeerd over de actuele stand van zaken ten aanzien van de versterking van de aanpak van ondermijning.5 Daarbij is ingegaan op de voorgenomen toedeling van de uit het Regeerakkoord beschikbaar gestelde extra middelen (waaronder het Ondermijningsfonds van eenmalig € 100 miljoen). De Belastingdienst heeft hiervoor een bestedingsvoorstel ingediend. Het beschikbare budget was niet toereikend om alle voorstellen (ten volle) te honoreren, daarom moesten scherpe keuzes worden gemaakt. Op advies van het Strategisch Beraad Ondermijning (SBO), dat onder onafhankelijk voorzitterschap staat van voormalig burgemeester Noordanus, heb ik ervoor gekozen om het ingediende bestedingsvoorstel van de Belastingdienst niet te honoreren. De Belastingdienst kan op dit moment niet altijd de gevraagde bijdrage leveren.
Wel is vanuit het structurele budget dat vanuit het regeerakkoord voor ondermijning beschikbaar is gesteld, aan de Belastingdienst een bedrag van € 1 miljoen voor 2019 en € 0,85 miljoen voor 2020 en verdere jaren toegekend. Dit bedrag wordt ingezet om de analysecapaciteit bij de Belastingdienst en bij de FIOD te versterken. Deze capaciteit wordt onder meer ingezet om vanuit de bij de Belastingdienst beschikbare data een bijdrage te leveren bij de totstandkoming van (landelijk en regionale) ondermijningsbeelden.
Daarnaast ben ik verheugd om te melden dat bij voorjaarsnota door het kabinet is besloten om meer middelen beschikbaar te stellen voor de integrale aanpak van ondermijnende criminaliteit door de Belastingdienst. Het kabinet intensiveert bij de Belastingdienst voor de aanpak van fraude, witwassen en ondermijning. Hiervoor wordt een bedrag van ca. € 1 mln. in 2019 oplopend tot structureel 29 mln. beschikbaar gesteld. Momenteel wordt gewerkt aan een nadere uitwerking en concrete toebedeling van capaciteit.
Erkent u dat een extra investering in dit soort regionale handhavingscapaciteit bij de Belastingdienst en het waarborgen van goede afstemming met onder andere de gemeenten en het openbaar ministerie zichzelf zeer waarschijnlijk terug zal verdienen?
Een goede afstemming tussen politie, gemeenten en OM – in LIEC/RIEC verband – is cruciaal voor een effectieve en efficiënte aanpak van ondermijnende criminaliteit. Het doel van het afpakken van crimineel vermogen is niet het terugverdienen van de investering. Daarbij is het onduidelijk in hoeverre een extra investering zal leiden tot extra inkomsten. Het afpakken van crimineel vermogen (waar de fiscale invordering deel van uitmaakt) is zeer complex en arbeidsintensief. Het kan soms jaren duren voordat uiteindelijk succesvol kan worden ingevorderd door het OM of de Belastingdienst.
Als de Belastingdienst wel aandacht heeft voor mensen die een paar euro teveel toeslag hebben ontvangen, en er wel ruimte is om deals (rulings) met grote bedrijven af te sluiten, maar in de praktijk niet voldoende capaciteit wordt vrijgemaakt om zware criminelen aan te pakken, wat zegt dit dan over de prioriteiten die de Belastingdienst stelt?
Zie antwoord vraag 4.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat de Belastingdienst deze noodzakelijk bijdrage meer dan nu gaat leveren aan het aanpakken van georganiseerde criminaliteit, omdat misdaad nooit mag lonen?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht ‘COC wil dat Nederland Amerikaanse haatprediker weert’ |
|
Vera Bergkamp (D66), Kathalijne Buitenweg (GL) |
|
Mark Harbers (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «COC wil dat Nederland Amerikaanse haatprediker weert»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat de Amerikaanse prediker Steven Anderson op 23 mei 2019 naar Nederland wil komen?
Ik verwijs u voor deze vragen naar de beantwoording van de vragen van de leden Van den Hul, Kuiken en Ploumen (PvdA) over de toegang weigeren van een haatprediker tot Nederland.
Is bekend welke activiteiten de heer Anderson zal ondernemen in de tijd dat hij in Nederland zal verblijven?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat hij aan «soul winning» wil gaan doen? Gaat dat om zieltjes winnen voor de ideeën die de heer Anderson uitdraagt?
Zie antwoord vraag 2.
Wat vindt u ervan dat de heer Anderson zich geregeld extreem hatelijk uitlaat over LHBTI-personen?2
Zie antwoord vraag 2.
Wat vindt u ervan dat de heer Anderson eerder heeft opgeroepen tot het vermoorden van homoseksuelen?3
Wat vindt u ervan dat de heer Anderson openlijk antisemitische uitspraken doet?4
Klopt het dat andere landen de heer Anderson eerder toegang hebben geweigerd, zoals Zuid-Afrika, het Verenigd Koninkrijk, Jamaica en Botswana?
Over eventuele toegangsweigeringen van andere landen kan ik geen informatie geven.
Op welke gronden is de heer Anderson de toegang tot deze landen ontzegd?
Zie antwoord vraag 8.
Wat zijn in Nederland de mogelijkheden iemand de toegang tot Nederland te ontzeggen? Wat zijn specifiek de mogelijkheden voor iemand met de Amerikaanse nationaliteit, die niet visumplichtig is? Onder welke voorwaarden is het mogelijk iemand de toegang tot Nederland te ontzeggen?
In deze zaak is contact geweest met de gemeente Amsterdam.
Zijn er mogelijkheden de heer Anderson nu al te vervolgen voor zijn uitspraken voor groepsbelediging, aanzetten tot haat of geweld op basis van artikel 137c of 137d van het Wetboek van Strafrecht, hoewel hij deze in een ander land heeft begaan? Kunnen overtredingen van de Nederlandse wet die in een ander land zijn begaan argumenten zijn om iemand de toegang tot Nederland te ontzeggen, ook als hij deze overtredingen dus (nog) niet in Nederland heeft begaan?
De toegangsvoorwaarden voor kort verblijf in het Schengengebied zijn vastgelegd in het Schengen acquis, in het bijzonder de Schengengrenscode. Deze voorwaarden gelden ook voor niet-visumplichtige derdelanders. In de Schengengrenscode staan ook de grondslagen om de toegang niet te verlenen, bijvoorbeeld indien op basis van een afweging van alle omstandigheden geconcludeerd mag worden dat er sprake is van een bedreiging voor de openbare orde, nationale veiligheid en/of de internationale betrekkingen van een lidstaat. Openbare orde kan een reden zijn de persoon ter fine van weigering van de toegang tot het Schengengebied te signaleren worden in het Schengen Informatiesysteem (SIS II) en ongewenst te verklaren. Mocht een persoon ondanks de signalering toch Nederland zijn ingereisd dan zal hem tegengeworpen worden dat hij een gevaar voor de openbare orde vormt hetgeen tot de conclusie leidt dat hij geen verder recht op verblijf heeft.
Kan er preventief worden opgetreden als verwacht wordt dat de heer Anderson hier in Nederland zal aanzetten tot haat of geweld? Zijn er aanwijzingen dat ernstig strafbare feiten ophanden zijn?
Nee, het is niet mogelijk te vervolgen voor overtreding van de artikelen 137c of 137d Wetboek van Strafrecht voor uitlatingen gedaan in een ander land. De Nederlandse strafwet is toepasselijk op ieder die zich in Nederland aan enig strafbaar feit schuldig maakt. Daarnaast is het de Nederlandse strafwet in sommige gevallen ook van toepassing op strafbare feiten gepleegd buiten Nederland, maar daarvan is in deze casus geen sprake.
Zijn er precedenten waarbij iemand de toegang tot Nederland is ontzegd op basis van de ideeën die hij of zij er op nahield of omdat diegene aanzette tot haat of geweld?
Voor een volledige beschrijving van de mogelijkheden van het weren van extremistische sprekers verwijs ik u naar de brief van de Minister van Justitie en Veiligheid van 28 mei 2018 over de integrale aanpak van extremistische sprekers.3 Deze maatregelen zijn evenzeer van toepassing op niet-visumplichtige derdelanders. Het overzicht opgenomen in de bijlage bij deze brief laat zien dat de overheid een groot aantal maatregelen tot haar beschikking heeft om op te treden tegen extremistische sprekers die antidemocratische denkbeelden uiten, en hen te beletten hun boodschap te verspreiden waarmee zij oproepen tot gewapende strijd, tot geweld of haatzaaien tegen andere bevolkingsgroepen of gezindten. In de meeste gevallen biedt dit instrumentarium voldoende handvatten om doeltreffend op te treden.
Is er contact met de burgemeester van de gemeente waar Anderson zal verblijven?
Ja. Sinds 2015 zijn van 15 personen van wie bekend was dat zij in de openbaarheid hadden aangezet tot vijandigheid, haat, of geweld tegen personen of groepen van andere gezindten het visum geweigerd/laten weigeren of ingetrokken/laten intrekken. Alsook zijn zij in het SIS II gesignaleerd ter fine weigering toegang.
Zijn er aanwijzingen dat zijn aanwezigheid van invloed kan zijn op de openbare orde?
Ik verwijs u voor deze vragen naar de beantwoording van de vragen van de leden Van den Hul, Kuiken en Ploumen (PvdA) over de toegang weigeren van een haatprediker tot Nederland.
Als de heer Anderson naar Nederland komt, wat zijn mogelijkheden om in te grijpen als hij hier de wet overtreedt?
Zie antwoord vraag 13.
Kunt u deze vragen voor 14 mei 2019 beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Venlo hotspot voor snelwegcrimineel’ |
|
Remco Dijkstra (VVD), Antoinette Laan-Geselschap (VVD), Chantal Nijkerken-de Haan (VVD) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Venlo hotspot voor snelwegcrimineel» van 19 april 2019?1
Ja.
Klopt het dat vrachtwagenchauffeurs in Nederland van alle EU-landen de grootste kans hebben slachtoffer te worden van transportcriminaliteit zoals overvallen en ladingdiefstallen?
Vergeleken met andere Europese landen is het aantal geregistreerde meldingen van transportcriminaliteit in Nederland relatief hoger. Echter, omdat onduidelijk is hoe groot de aangiftebereidheid is in de omliggende landen, zijn geen harde conclusies te trekken over de relatieve kans op het worden van slachtoffer. Uit beschikbare cijfers2 blijkt dat de meeste transportcriminaliteit plaatsvindt in de omgeving van Europese logistieke hotspots. Daarnaast bestaat er een relatie tussen de aard van de vervoerde goederen en de kans op diefstal. Het gaat over het algemeen om diefstalgevoelige goederen die op de zwarte markt makkelijk verhandelbaar zijn.
Door de Nederlandse politie wordt aandacht besteed aan het inzichtelijk maken van ladingdiefstallen. Een deel van die informatie wordt gedeeld met de betreffende branche, zodat die daar preventieve maatregelen op kan nemen. Binnen andere EU-landen wordt wellicht anders omgegaan met het registeren en delen van informatie betreffende ladingdiefstallen, waardoor een vertekend beeld met Nederland zou kunnen ontstaan.
Wat vindt u van de schrikbarende cijfers van 437 incidenten in 2018 die in Nederland zijn geregistreerd door de Transported Asset Protection Association (TAPA)?
Het aantal incidenten is nog steeds hoog, maar het is goed te constateren dat het aantal ladingdiefstallen volgens TAPA is gedaald van 579 in 2017 naar 437 in 2018. Publieke en private partners zetten zich er voor in om de diefstalcijfers verder terug te dringen. Dit komt het vestigingsklimaat ten goede.
Deelt u de mening dat dit aantal incidenten moet worden teruggedrongen omdat dit ten eerste voor rompslomp en kosten zorgt bij ondernemers en ten tweede slecht is voor het vestigingsklimaat?
Zie antwoord vraag 3.
Is bekend op/bij welke specifieke locaties/voorzienigen of in welke gevallen de rovers in het algemeen toeslaan? Zo ja, wat kan er op deze locaties of in deze gevallen verbeterd worden en wat is daarvoor nodig? Bent u bereid samen met de provincies die grenzen aan de transportas Rotterdam- Ruhrgebied te bezien op welke plekken beveiligde parkeerplaatsen noodzakelijk worden geacht?
De meeste gevallen van transportcriminaliteit vinden plaats op onbeveiligde parkeerterreinen langs de snelwegen en op het onderliggend wegennet. Bekend is dat organisaties als TAPA op basis van meldingen «zwarte lijsten» bijhouden van locaties waar relatief veel incidenten plaatsvinden. Vervoerders die voor TAPA leden rijden, mogen niet parkeren op deze parkeerplaatsen. De politie heeft een structurele samenwerking en informatie-uitwisseling met TAPA. De politie bepaalt al dan niet in overleg met partners waar de hotspots ten aanzien van ladingdiefstallen liggen en neemt op deze hotspots preventieve maatregelen.
Op de verzorgingsplaatsen langs de snelwegen is sprake van een basisbeveiligingsniveau in de vorm van voldoende licht en zicht. Dit omdat deze gratis parkeervoorzieningen bedoeld zijn voor een korte stop. In het kader van het programma Goederencorridors is onderzocht op welke plaatsen beveiligde parkeerplaatsen noodzakelijk zijn. Ook wordt met financiële steun vanuit Europa (CEF-subsidie) momenteel gewerkt aan de totstandkoming van ruim 800 beveiligde langparkeerplekken op vier locaties aan de zuidoostelijke goederenvervoercorridors: uitbreiding Maasvlakte Plaza, Dordtse Kil, Asten-Nobis en uitbreiding Venlo James Cook. Doel is binnen 5 jaar te komen tot een samenhangend Europees netwerk van beveiligde truckparkings. Het is aan het bedrijfsleven om zo veel mogelijk gebruik te maken van deze beveiligde truckparkings.
Deelt u de mening dat onderzocht moet worden of ook terreinen van transportondernemers zelf, die zich bevinden nabij de infrastructuur, gebruikt kunnen worden als beveiligde parkeerplaatsen? Zo ja, op welke wijze gaat u dit doen? Zo nee, waarom niet?
Ja ik deel deze mening. Op initiatief van evofenedex en TLN is met steun van de overheid een netwerk van kleinschalige locaties op zogeheten Logistieke Ontkoppelpunten (LOP’s ontwikkeld (Truckbreak) waar chauffeurs hun vrachtauto kortstondig kunnen parkeren of ontkoppelen. Het betreft deels terreinen van logistieke dienstverleners en deels terreinen van verladers. Met TruckBreak staan chauffeurs en hun ontkoppelde lading veilig en legaal op een parkeerplaats dicht bij het hoofdwegennet. Door middel van een online reserveringssysteem kan een TruckBreak-plek geboekt worden.
Gedurende de afgelopen jaren is geïnvesteerd in het uitbreiden van het aantal beveiligde parkeerterreinen voor vrachtauto’s in en om Venlo. Desalniettemin worden nog veel vrachtauto’s geparkeerd buiten die beveiligde terreinen.
Deelt u de mening dat mobiel banditisme nadrukkelijker op de agenda moet worden gezet in de EU, aangezien landen waar deze criminelen vandaan komen hun verantwoordelijkheid moeten nemen? Zo ja, op welke wijze gaat u dit aankaarten bij uw collega’s? Zo nee, waarom niet?
Er wordt actief samengewerkt in Europees verband, onder meer via EMPACT en via bilaterale contacten. Daarnaast is in 2018 een Taskforce mobiel banditisme ingericht. De taskforce heeft tot doel Nederland onaantrekkelijk te maken voor mobiele bendes. Politie, Openbaar Ministerie (OM), gemeenten, Detailhandel Nederland, Transport en Logistiek Nederland en het Ministerie van Justitie en Veiligheid voeren samen met andere partners een integraal actieplan uit om mobiel banditisme tegen te gaan en de daders aan te pakken. Hierbij wordt ook actief samengewerkt met buur- en bronlanden om mobiele bandieten aan te pakken. Een voorbeeld van goede internationale samenwerking tegen mobiele bendes zijn de Triviumacties tegen mobiel banditisme. Deze acties worden twee keer per jaar uitgevoerd, waarbij op snelwegen, parkeerplaatsen, het onderliggende wegennet, maar ook op het water en in treinen integrale controles worden uitgevoerd. De Nederlandse politie werkt hierbij samen met politiecollega’s van Europol en collega’s uit onder meer Roemenië, Litouwen, Portugal, Polen, Cyprus, Duitsland, Frankrijk en Groot-Brittannië. In verschillende Europese landen worden dan soortgelijke acties uitgevoerd. De meeste recente Trivium actie van 14 mei tot en met 17 mei heeft in Nederland geleid tot circa negentig aanhoudingen.
Deelt u voorts de mening dat het onwenselijk is dat verdachten uit het buitenland, zoals het geval is bij de Roemeense bende, hun proces in vrijheid mogen afwachten waardoor zij hun straf kunnen ontlopen door te vluchten? Zo ja, hoe kan dit in de toekomst worden voorkomen?
Het is algemeen bekend dat deze daders veelal niet wachten tot zij voor de rechter mogen verschijnen, maar direct het land verlaten en naar een ander land uitwijken. Het OM en de politie doen er alles aan om dit type verdachten zo snel mogelijk op zitting te krijgen en de zaak inhoudelijk af te doen. Het OM werkt, waar mogelijk, toe naar voorlopige hechtenis en eist sinds 1 mei 2019 ook hogere straffen voor mobiel banditisme. Ik verwijs hiervoor naar de recent gepubliceerde strafvorderingsrichtlijn Mobiel Banditisme.3 Ook werkt het OM aan het versnellen van het beslagproces en beslaglegging in het buitenland. Aanvullend op de versterking in de opsporing en vervolging werkt het OM in de Taskforce Mobiel Banditisme samen met o.a. TLN om te kijken hoe mobiel banditisme in de transportsector voorkomen kan worden.
Bent u bereid met Transport en Logistiek Nederland (TLN) in gesprek te treden teneinde gezamenlijk met een plan van aanpak te komen om transportondernemers weerbaarder te maken tegen inbrekerstuig? Zo ja, op welke termijn gaat u dit doen? Zo nee, waarom niet?
Zowel in de taskforce mobiel banditisme als in de aanpak van ondermijnende criminaliteit spreek ik regelmatig met TLN. Maatregelen om de weerbaarheid te verhogen zijn daarbij een belangrijk onderwerp van gesprek.
De toegang weigeren van een haatprediker tot Nederland |
|
Lilianne Ploumen (PvdA), Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Mark Harbers (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «COC: weiger haatprediker toegang tot Nederland»?1
Ja.
Deelt u de mening dat hetgeen de in het bericht genoemde prediker over LHBTI’s en de Holocaust zegt meer dan verwerpelijk is? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet staat op het standpunt dat in de Nederlandse samenleving ruimte is voor een grote diversiteit van beschouwingen, opvattingen, waardepatronen en leefstijlen. Voor discriminatie, het oproepen tot haat of onverdraagzaamheid en geweld op enige grond, is geen plaats in een democratische rechtsstaat als de onze. Onze vrijheden zijn geen vrijbrief voor onverdraagzaam gedrag waarmee andere vrijheden worden begrensd. Het kabinet is er alles aan gelegen om krachtig op te treden tegen extremistische sprekers die met het verspreiden van hun denkbeelden de vrijheden van anderen inperken, of zelfs aanzetten tot haat of geweld. Zo heeft de Minister van Justitie en Veiligheid, op verzoek van de Kamer, in zijn brief van 28 mei 2018 een overzicht gegeven van de integrale aanpak tegen extremistische sprekers en de verspreiding van radicaal gedachtegoed, inclusief strafrechtelijke en vreemdelingrechtelijke maatregelen.2 Deze maatregelen zijn van toepassing op visumplichtige en niet-visumplichtige derdelanders.
In het Actieplan Veiligheid LHBTI 2019–2022 en begeleidende Kamerbrief van de Minister van Justitie en Veiligheid en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 2 april 2019 leest u, welke maatregelen het kabinet heeft genomen – en de komende jaren nog zal nemen – om de veiligheid te bevorderen van specifiek lesbische vrouwen, homoseksuele mannen, biseksuele personen, transgender personen en intersekse personen (LHBTI).
Uit het hierboven geschetste handelingskader volgt uit het hierboven geschetste handelingskader dat ik maatregelen heb genomen om de inreis van betrokkene in de Schengenzone te voorkomen.
Deelt u de mening dat de genoemde uitspraken indien die in Nederland zouden worden geuit tot vervolging zouden kunnen leiden? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat de vrijheid van meningsuiting een groot goed is dat beschermd dient te worden en dat die bescherming er ook uit bestaat dat misbruik van die vrijheid ten behoeve van haatzaaien of andere strafbare feiten tegen gegaan moet worden? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Over welke juridische mogelijkheden beschikken u of uw diensten om deze persoon de toegang tot Nederland te ontzeggen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat de uitspraken van de genoemde prediker al meer dan genoeg zijn om hem de toegang tot Nederland te ontzeggen? Zo ja, hoe gaat u hiervoor zorgen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Over welke juridische mogelijkheden beschikken u of uw diensten om deze persoon indien hij onverhoopt toch toegang tot Nederland heeft weten te krijgen uit te zetten?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat alles wat mogelijk is moet worden gebruikt om deze man indien hij naar Nederland is gekomen zo snel als mogelijk moet worden uitgezet? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.