Het bericht dat onbemande militaire vliegtuigen (‘drones’) steeds vaker in Nederland worden ingezet als opsporingsmiddel van de politie |
|
Magda Berndsen (D66), Gerard Schouw (D66) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Is het waar dat de politie in Nederland inmiddels veelvuldig gebruik maakt van onbemande militaire vliegtuigen die in bewoonde gebieden ongemerkt op 300 meter hoogte vliegen in het kader van de opsporing?1
Het klopt dat de politie meerdere malen gebruik heeft gemaakt van een zogenoemde Raven van Defensie. Dit zijn onbemande vliegtuigjes die zijn uitgerust met een dag- en een nachtcamera en die op ca. 300 meter hoogte vliegen. De Ravens zijn ingezet in opsporingsonderzoeken en in het kader van de handhaving van de openbare orde en veiligheid, bijvoorbeeld met als doel om een beter overzicht te verkrijgen van mensenmassa’s.
In 2012 zijn 14 aanvragen gehonoreerd om ten behoeve van de politie onbemande vliegtuigen van Defensie in te zetten. Drie aanvragen hadden betrekking op de handhaving van de openbare orde. De overige aanvragen werden gedaan in het kader van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde. Een aanvraag kan meerdere vluchten betreffen. In totaal werden 112 vluchten aangevraagd. Of een aangevraagde vlucht ook daadwerkelijk wordt uitgevoerd is onder andere afhankelijk van de weersomstandigheden. In 2012 zijn 81 vluchten uitgevoerd door Defensie ten behoeve van de politie.
De ondersteuning van de politie door eenheden van Defensie, zowel bij de handhaving van de openbare orde en veiligheid als bij de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, wordt gebaseerd op de bijstandsregeling uit hoofdstuk 5 Politiewet 2012 (voorheen hoofdstuk 5 Politiewet 1993). Met betrekking tot het opsporingsproces wordt de grondslag verder gevonden in de algemene politietaak uit artikel 3 van de Politiewet 2012 en in de omschrijving van artikel 132a van het Wetboek van Strafvordering waarin onder opsporing wordt verstaan het onderzoek in verband met strafbare feiten onder gezag van de officier van justitie met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen.
Hoeveel van deze vluchten zijn in 2012 boven Nederlands grondgebied uitgevoerd? Welke wettelijke grondslag hadden deze vluchten en in het kader van welke bevoegdheid?
Zie antwoord vraag 1.
Wat voor type onbemande vliegtuigen worden gebruikt voor deze vluchten boven Nederlands grondgebied en met welke apparatuur zijn deze toestellen uitgerust?
Voor de in antwoord op vraag 2 genoemde inzetten is steeds gebruik gemaakt van onbemande vliegtuigen van het type Raven. Voor de technische kenmerken en overige informatie over de (inzet van deze) apparatuur verwijs ik naar de brief die de Minister van Defensie uw Kamer op 26 maart 2013 heeft gestuurd.2
Beschikt de politie over eigen onbemande vliegtuigen of worden deze steeds bij defensie aangevraagd? Indien de politie over eigen toestellen beschikt, hoeveel heeft de aanschaf van deze toestellen gekost en is de politie voornemens om er meer aan te schaffen?
De Landelijke eenheid van de politie heeft de beschikking over enkele onbemande vliegtuigjes. Deze zijn in 2012 ingezet voor innovatiedoeleinden en onderzoek. Zij zijn met nadruk niet gebruikt voor opsporingsdoeleinden of in het kader van de handhaving van de openbare orde. De aanschaf van deze toestellen heeft in totaal € 183.291,00 gekost. Op dit moment wordt een politiebrede visie ontwikkeld op de inzet van onbemande vliegtuigen ten behoeve van politietaken. De ervaringen die zijn opgedaan, zowel met de toestellen van Defensie als die van de landelijke eenheid, worden hierin meegenomen. De uitkomsten hiervan zullen als basis dienen voor de besluitvorming over eventuele verdere aanschaf.
Wat zijn de kosten van de inzet van onbemande vliegtuigen boven Nederlands grondgebied en ten laste van wiens budget gaat dit?
De additionele uitgaven voor de inzet van de Raven ten behoeve van de politie (dat wil zeggen: de meeruitgaven die samenhangen met de specifieke inzet van militaire middelen en die niet zouden zijn gemaakt indien de inzet niet zou hebben plaatsgevonden) zijn afhankelijk van de individuele casus. De kosten van inzet liepen in 2012 uiteen van 2351 euro voor een dagdeel tot 34079 euro voor een langdurige inzet. De uitgaven die samenhangen met het verlenen van militaire bijstand worden verrekend op grond van het Convenant inzake de financiering nationale inzet krijgsmacht (FNIK). Hiervoor hebben het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, het ministerie van Veiligheid en Justitie en de Vereniging Nederlandse Gemeenten structureel een bedrag overgeheveld naar het ministerie van Defensie. Het ministerie van Defensie verantwoordt deze additionele uitgaven onder artikel 1, «Inzet», van de Defensiebegroting.
Wie is juridisch aansprakelijk voor de inzet van een onbemand vliegtuig, de eigenaar of de gebruiker?
In het algemeen berust de juridische aansprakelijkheid voor het gebruik van een onbemand luchtvaartuig bij de bedienaar, de operator en eigenaar van dit luchtvaartuig. Voor zover een onbemand vliegtuig van Defensie op verzoek van de minister van Veiligheid en Justitie wordt ingezet is afgesproken dat deze, behoudens opzet of grove schuld aan de zijde van Defensie, de aansprakelijkheid voor schade ten gevolge van de inzet aanvaardt.
Hoe verloopt de besluitvorming over de inzet van deze toestellen en de toetsing aan de juridische kaders? Wie geeft er toestemming voor de inzet?
Op grond van artikel 58 van de Politiewet 2012 bepaalt de Minister van Veiligheid en Justitie, in overeenstemming met de minister van Defensie, of en op welke wijze bijstand wordt verleend. De aanvragen worden ingediend door het bevoegd gezag. Dit is de burgemeester voor zover de inzet van een Raven wordt gevraagd bij de handhaving van de openbare orde en veiligheid, en de officier van justitie in het kader van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde. De aanvraag van de officier van justitie verloopt via het College van procureurs-generaal.
Op welke wijze wordt voorzien in de vereiste speciale training en accreditatie, volgens de eisen van de luchtvaartwetgeving, om boven bevolkte delen van Nederland te kunnen en mogen vliegen? Moet een vlucht met een onbemand vliegtuig boven een bepaalde hoogte gemeld worden aan de luchtverkeersleiding?
Operators van de onbemande luchtvaartuigen van Defensie dienen de status van expert operator te hebben. Om deze status te verkrijgen wordt een opleidingsprogramma gevolgd. Om deze status te behouden wordt de praktische en theoretische bekwaamheid van de operator periodiek beoordeeld. Of een vlucht al dan niet moet worden aangemeld bij de luchtverkeersleiding is afhankelijk van de luchtverkeersregels die gelden in het betreffende luchtruim; daarbij maakt het geen verschil of een vlucht bemand of onbemand is. In de praktijk worden alle vluchten met onbemande vliegtuigen vooraf bekend gesteld bij de luchtverkeersleiding.
Voor de onbemande vliegtuigen van de politie zijn, ter voorbereiding om te komen tot een formele politie UAS-organisatie (Unmanned Aerial Services), enkele medewerkers van de Landelijke eenheid opgeleid en geëxamineerd voor de opleiding «Basistraining Rotorcraft UAS-vlieger» bij het Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium (NLR) in Amsterdam.
Voor recreatieve vluchten met civiele onbemande luchtvaartuigen (modelluchtvaartuigen) geldt een maximale hoogte van 300 meter. Voor vluchten binnen een gecontroleerd luchtverkeersgebied (Luchtruim Klasse C), moet, naast de wettelijke basis(vergunning), een convenant met de luchtverkeersleiding zijn afgesloten. De luchtverkeersleiding kan daarin andere maximale hoogtes opnemen. In de ontheffingen voor bedrijven die werken met lichte onbemande luchtvaartuigen wordt een maximale vlieghoogte van 120 m boven grond of water aangehouden.
Op welke wijze wordt gewaarborgd dat informatievergaring vanuit de lucht, die met laagvliegende onbemande vliegtuigen bijzonder gedetailleerd kan zijn, niet in strijd is met privacyregels?
De Raven opereert op een hoogte van ongeveer driehonderd meter. Op deze hoogte is de beeldkwaliteit van de daglichtcamera onvoldoende voor gezichtsherkenning. De nachtcamera produceert een tweekleurig beeld waarbij slechts de contouren van warmtebronnen worden weergegeven. Een en ander impliceert dat de camera’s wel beelden kunnen produceren waarop personen zijn te zien, doch geen beelden waarop deze personen herkenbaar zijn.
De beelden die met de Raven worden gemaakt worden rechtstreeks doorgezonden naar een grondstation en worden veelal «live» meegekeken door de politie. Ze dienen ter ondersteuning voor het nemen van beslissingen op de grond. Aan het einde van een inzet worden de beelden door Defensie overgedragen aan de politie. Deze bewaart ze uitsluitend voor zover ze relevant zijn voor het desbetreffende strafrechtelijk onderzoek. Mogelijk zijn deze beelden later, als andere gegevens of informatie in het desbetreffende strafrechtelijk onderzoek beschikbaar komen, in combinatie met die gegevens of informatie tot een persoon te herleiden. In zoverre zijn het persoonsgegevens die onder het regime van de Wet politiegegevens dan wel de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens vallen. Zie hierover verder het antwoord op vraag 10.
Heeft informatie verzameld met de inzet van onbemande vliegtuigen geleid tot rechtsvervolging op basis van die informatie? Zo ja, in hoeveel gevallen en met welk resultaat? Kan een burger over wie informatie is verzameld, bijvoorbeeld beeldmateriaal, daar inzage in krijgen? Wat gebeurt er met de verzamelde gegevens en na hoeveel tijd worden deze vernietigd?
In enkele henneponderzoeken heeft de inzet van een Raven daadwerkelijk geleid tot de vervolging van verdachten. De warmtebeelden van de Raven leidden tot aanwijzingen voor de aanwezigheid van een kwekerij. In combinatie met aanwijzingen uit het politie-onderzoek heeft dit geleid tot een verdenkingen voor overtreding van de Opiumwet. Bij doorzoekingen zijn vervolgens diverse kwekerijen ontmanteld. De inzet van de Raven is in deze gevallen in het strafdossier vastgelegd en de beelden van de betreffende woningen zijn bij het proces-verbaal gevoegd.
Personen kunnen, binnen de restricties die respectievelijk de Wet politiegegevens en de Wet strafvorderlijke en justitiële gegevens daaraan verbinden, inzage krijgen in hun persoonsgegevens zoals die in datasystemen bij de politie en bij het OM zijn verzameld. Die inzage zou zich in theorie ook uit kunnen strekken over de beelden van een Raven, voor zover zij op persoonsniveau aan de dossiers zijn toegevoegd.
Is het waar dat binnen de politie een werkgroep is opgezet voor nationale coördinatie van zogeheten drone-activiteiten? Zo ja, wat houdt de coördinatie van deze werkgroep precies in en ten aanzien van welke instanties en langs welke juridische maatstaven zal deze werkgroep activiteiten nationaal monitoren? Onder wiens gezag functioneert deze werkgroep?
Ik verwijs hiervoor naar het antwoord op vraag 4.
Worden burgers geïnformeerd over vluchten door laagvliegende onbemande toestellen boven het door hen bewoonde gebied? Zo ja, op welk moment en op welke wijze? Wordt het lokale bevoegd gezag voor de openbare orde en de desbetreffende gemeenteraad actief en op voorhand op de hoogte gebracht van de inzet van onbemande vliegtuigen?
Er is geen standaard manier om burgers over onbemande vluchten boven bewoond gebied te informeren. Deze worden overigens alleen in bijzondere omstandigheden toegestaan. In het antwoord op vragen 13 en 14 ga ik hier verder op in. Dit antwoord gaat ook in op de betrokkenheid van de (regio)burgemeester, die veelal nauw betrokken is bij of zelfs het verzoek heeft gedaan tot het uitvoeren van de onbemande vluchten.
Verder is van belang dat militaire onbemande luchtvaartuigen alleen mogen vliegen in een bijzonder luchtverkeersgebied (BVG) en in militaire plaatselijke luchtverkeersleidingsgebieden. Een BVG voor militaire onbemande luchtvaartuigen wordt ingesteld door de Minister van Defensie in overeenstemming met de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu. De betreffende beschikking wordt in de Staatscourant gepubliceerd. In 2012 was sprake van 30 BVG’s. In de helft daarvan is besloten de beschikking pas achteraf te publiceren. Overige luchtvarenden worden voorafgaand aan de inzet geïnformeerd via een uit te geven NOtice to AirMen (NOTAM). Vliegers zijn verplicht voor hun vlucht de NOTAMS te raadplegen. Deze informatie wordt in uitzonderlijke gevallen verstrekt via de luchtverkeersleiding. Militaire onbemande luchtvaartuigen worden alleen boven bewoond gebied ingezet op specifiek verzoek van het bevoegd gezag.
Voor civiele onbemande luchtvaartuigen is de meldingsplicht (via een NOTAM) opgenomen in de ontheffing. In het antwoord op vragen 13 en 14 ga ik hier verder op in.
Welke nationale en lokale (overheids)diensten maken nog meer gebruik van onbemande vliegtuigen voor patrouilles boven bewoond gebied in Nederland en hoe is de besluitvorming en het toezicht daarop geregeld?
Naast de politie maken nationale en lokale (overheids)diensten als brandweer en Rijkswaterstaat gebruik van onbemande luchtvaartuigen. Zij doen dit vooral door commerciële dienstverleners in te huren. De branchevereniging voor onbemande luchtvaartuigen in Nederland, DARPAS, heeft aangegeven dat de sector momenteel uit ruim 100 bedrijven bestaat, van consultancybedrijven tot fabrikanten van onbemande luchtvaartuigen. Typische operaties die door deze bedrijven worden uitgevoerd zijn: foto-/videorapportages vanuit de lucht van gebouwen, terreinen of evenementen, inspecties van industriële objecten, windmolens, hoogspanningsmasten, pijpleidingen, luchtobservaties van mensenmassa’s, branddetectie en -monitoren, milieuhandhaving in natuurgebieden, opsporen van drenkelingen, en landmeetkundige diensten voor onder andere gemeentes en projectontwikkelaars.
Aangezien de kwaliteitseisen aan luchtvaartuigen, operators en piloten nog in ontwikkeling zijn, wordt alleen gevlogen boven bewoond gebied als er sprake is van een groot maatschappelijk belang (te duiden door de (regio)burgemeester) in combinatie met een operationeel plan waaruit blijkt dat de risico’s tot het minimum zijn beperkt (betrouwbaar systeem, zeer ervaren vliegers, georganiseerd werkend bedrijf). De inzet van onbemande vliegtuigen door particulieren gebeurt hierdoor nagenoeg altijd op afstand (minimaal 150 meter) van mensenmenigten, bebouwd gebied, kunstwerken, industrie- en havengebieden, openbare wegen en spoorlijnen.
Om de recente toename van civiele operaties gecontroleerd en veilig te laten verlopen stelt de Inspectie Leefomgeving en Transport sinds 2012 de eis dat de operator over een ontheffing voor operator, luchtvaartuig en bestuurder beschikt tijdens de operatie. Voor alle afgegeven ontheffingen geldt dat de vluchten alleen mogen worden uitgevoerd binnen zichtafstand van de vlieger tot een hoogte van 120 meter en tot een horizontale afstand van 500 meter van de vlieger.
Welke particulieren maken nog meer gebruik van onbemande vliegtuigen voor patrouilles boven bewoond gebied in Nederland en hoe is de besluitvorming en het toezicht daarop geregeld?
Zie antwoord vraag 13.
Hoe verhoudt de inzet van onbemande vliegtuigen voor opsporingsdoeleinden zich tot de motie Voordewind c.s.2 waarin wordt gesproken over inzet in Nederland in het kader van bijvoorbeeld het patrouilleren op zee, dijkbewaking en het in goede banen leiden van grote groepen mensen?
De inzet van onbemande vliegtuigen zoals die thans in Nederland plaatsvindt en in de voorgaande vragen is besproken is in lijn met deze motie.
Hoe verhoudt de inzet van onbemande vliegtuigen voor civiele doeleinden zich tot het onderzoek dat minister van Buitenlandse Zaken door de Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken (CAVV) laat uitvoeren naar de rechtmatigheid en voorwaarden voor het gebruik van «drones» voor defensiedoeleinden?
De vragen aan de CAVV hebben betrekking op de inzet van onbemande bewapende vliegtuigen. De inzet van onbemande vliegtuigen in het kader van de handhaving van de openbare orde en veiligheid of de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde betreft onbewapende vliegtuigen.
Waarom is het gebruik van onbemande vliegtuigen in het Nederlandse luchtruim niet opgenomen in de luchtruimvisie van de regering? Bent u voornemens om dit op korte termijn alsnog hierin op te nemen?
In de luchtruimvisie wordt het gebruik van onbemande luchtvaartuigen wel genoemd. Momenteel vinden onbemande vluchten echter vooral plaats in delen van het luchtruim waar normaliter slechts zeer beperkt bemand luchtverkeer vliegt. In de toekomst wordt een toename van het aantal vluchten met onbemande luchtvaartuigen verwacht. Daarbij zal ook sprake kunnen zijn van nieuwe toepassingen, waardoor bemande en onbemande luchtvaartuigen wel in hetzelfde luchtruim zullen vliegen.
Agenten die Twitter gebruiken |
|
Nine Kooiman |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
Klopt het dat individuele twitteraccounts per 1 april 2013 verboden zijn? Wat is hiervan de reden?1
Nee, deze bewering is onjuist.
Klopt het dat er plannen zijn om individuele twitteraccounts van agenten te vervangen door teamaccounts? Wat is de meerwaarde van deze teamaccounts ten opzichte van individuele accounts?
Nee, integendeel: individuele accounts worden juist gestimuleerd. De ervaringen in verschillende delen van het land leren dat social media in het algemeen en twitter in het bijzonder, een waardevolle aanvulling vormen op de traditionele communicatiemiddelen tussen politie en burger.
De politie zet dan ook juist in op het gebruik van deze social media in haar contact met de burger. Twitter is een belangrijk medium voor een wijkagent in de contacten met de inwoners en ondernemers in zijn of haar buurt. Inmiddels twitteren er al ruim 1300 wijkagenten. Vrijwel alle wijkagenten hebben een smartphone en worden gefaseerd opgeleid in het gebruik van twitter.
Er wordt daarbij gekozen voor een twitteraccount waarin de naam van de wijk of buurt terugkomt en de naam van de betreffende wijkagent. In buurten waar wijkagenten als duo opereren wordt vooral de naam van de buurt primair gebruikt.
Daarnaast worden vanuit de woordvoerders van de politie ook algemene twitteraccounts ingezet om burgers te informeren, zoals @politie_leiden, @politie_adam. Ook is er een landelijke account: @politie.
Tevens wordt soms gekozen voor thema-accounts, bijvoorbeeld «politieheli» of «stoploverboy», om specifieke onderwerpen onder de aandacht te brengen.
Deelt u de mening dat individuele accounts van bijvoorbeeld wijkagenten een meerwaarde hebben voor het werk, omdat agenten daardoor veel informatie over de wijk krijgen en de afstand tussen inwoners en agent verkleind wordt? Zo ja, waarom wordt er dan toch voor gekozen individuele accounts te verbieden?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe verhoudt deze maatregel zich tot uw voornemen om meer vertrouwen te stellen in de capaciteiten van de individuele agent?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid een eventueel verbod op het individueel gebruik van twitter te heroverwegen en in overleg met gebruikers te komen tot duidelijke richtlijnen, zodat fouten in het gebruik zoveel mogelijk worden voorkomen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u de Kamer hiervan op de hoogte houden?
Zie antwoord vraag 2.
Het bericht dat het opleiden van nieuwe politiemensen met onmiddellijke ingang is gestopt |
|
Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Opleidingsstop nieuwe politiemensen»?1
Ja.
Is het waar de politie met onmiddellijke ingang is gestopt met het opleiden van nieuwe politiemensen? Zo ja, waarom is dit gebeurd? Hoe lang gaat die stop duren? Zo nee, wat is er dan niet waar?
De politie gaat in 2013 gewoon door met het opleiden van nieuwe politiemensen. Er is daarom ook geen sprake van een opleidings- of innamestop. Geheel overeenkomstig de door mij in december 2012 vastgestelde begroting en het beheersplan 2013 van de Nationale Politie is er wel sprake van een geplande reductie van het aantal te vullen opleidingsplaatsen ten opzichte van voorgaande jaren. In de begroting en het beheersplan 2013 is opgenomen dat in 2013 voor het aantal opleidingsplaatsen bij de politie een numerus fixus geldt van 800 aspiranten. Het korps zal dit aantal in 2013 ook realiseren.
Gezien het voorspoedige verloop van de werving en selectie in de eerste maanden van dit jaar hebben de Nationale Politie en de Politieacademie bij alle verschillende politieonderdelen onderzocht hoever het stond met de instroom, teneinde in te kunnen schatten hoe groot hun werving- en selectie-inspanningen nog zouden moeten zijn voor de rest van dit jaar. Abusievelijk zijn tijdens deze inventarisatie enkele sollicitanten benaderd met het bericht dat ze verder niet in behandeling worden genomen en de opleiding niet kunnen volgen. Sommige kandidaten hadden op basis van een brief met daarin de intentieverklaring voor aanstelling al onomkeerbare stappen gezet. Deze sollicitanten zijn inmiddels opnieuw benaderd en kunnen de selectieprocedure vervolgen. Alle kandidaten zijn hiertoe bereid en vervolgen het traject zoals dit door hen en het korps was gepland. Daarnaast krijgen alle kandidaten in het werving- en selectieproces een brief waarin uitleg wordt gegeven hoe de procedure voor hen wordt voortgezet.
Ik betreur de verwarring die door de vergissing in het proces bij kandidaten is ontstaan.
Wat betekent het stoppen van het opleiden van nieuwe politiemensen voor de doelstelling uit het regeerakkoord dat er meer capaciteit voor opsporing en meer politieagenten op straat moeten komen?
Zoals hierboven beschreven is er in 2013 geen sprake van een opleidings- of innamestop en de ambities uit het regeerakkoord staan dus ook niet ter discussie.
Biedt de Politieacademie met onmiddellijke ingang geen enkele opleiding meer aan voor nieuwe kandidaten? Zo nee, welke opleidingen worden dan nog wel en welke niet meer aangeboden?
Zie antwoord vraag 3.
Is het waar de nationale politie «meer mensen in dienst heeft dan mag»? Zo ja, waar blijkt dat uit, om hoeveel mensen gaat het precies en welke functies bekleden deze politiemensen? Zo nee, wat is er dan niet waar?
De voorlopige sterktecijfers laten zien dat de operationele sterkte van de politie per eind 2012 ruim hoger ligt dan de ondergrens van 49 500 die met uw Kamer is afgesproken. Voor de inname in 2013 heeft dit geen gevolg: bij het vaststellen van het aantal plaatsen voor 2013 was namelijk al rekening gehouden met een hogere sterkte dan de uiteindelijke doelstelling van 49 500, die in 2015 gehaald moet worden. Deze hogere sterkte is het gevolg van een vertraagde uitstroom van oudere medewerkers en een inname van respectievelijk 1 850 en 1 750 aspiranten in de jaren 2011 en 2012. Dit om ervoor te zorgen, dat de politie ook op sterkte blijft, als de uitstroom van oudere medewerkers de komende jaren op gang komt. Ik heb u hierover eerder bericht in mijn brief van 19 juli 2012 (KST 29 628, nr. 326).
Is de beslissing om de instroom van nieuwe politieagenten te stoppen gebaseerd op onverwachte cijfers bij de consolidatie van de politiekorpsen in de nationale politie? Zo ja, wat zegt dit over de betrouwbaarheid van de bedrijfsvoering van de politie en brengt dit nog risico’s met zich mee voor de nationale politie?
Nee, zoals eerder gemeld is er in 2013 geen sprake van een opleidings- of innamestop.
Is het waar dat kandidaten voor de politieopleiding die in april zouden starten pas nu te horen hebben gekregen dat die opleiding niet doorgaat? Zo ja, deelt u dan de mening dat hier sprake is van onbehoorlijk beleid ten opzichte van die kandidaten en wat gaat u doen om dit te corrigeren? Zo nee, wat is er dan niet waar en hoe is de situatie dan wel?
Nee, zie antwoord op vraag 2.
Het bericht: “Politie toont weer beelden schokkend uitgaansgeweld”. |
|
Lilian Helder (PVV) |
|
Opstelten (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht: «Politie toont weer beelden schokkend uitgaansgeweld»?1
Ja.
Zit er een stijgende lijn in het aantal zware mishandelingen en/of openlijke geweldpleging en/of de ernst ervan, gezien de zware mishandelingen in Eindhoven en Nijmegen en nu weer in Oosterhout?
Uit de CBS-gegevens van de geregistreerde criminaliteit blijkt dat het aantal aangiftes van zowel openlijke geweldpleging als mishandeling in de afgelopen vijf jaar een sterk dalende trend vertoont.
Perioden
2010
2011
2012
2013
2014*
2015*
Soort misdrijf
2.2.1 Openlijke geweldpleging
9.015
8.180
7.115
5.850
5.295
4.770
3.1 Mishandeling
60.280
59.425
57.300
52.850
50.350
47.695
© Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen 20-5-2016
Welke maatregelen gaat u per direct nemen om straat-/uitgaansterreur keihard aan te pakken?
Net als alle andere vormen van geweld worden uitgaansgeweld en geweld op straat door politie en justitie met alle beschikbare strafrechtelijke middelen aangepakt. Geweld is niet te tolereren en de aanpak ervan en in het bijzonder van uitgaansgeweld behoort dan ook tot de prioriteiten van dit kabinet. Daarbij wil ik wijzen op de beoogde invoering van de wet Middelenonderzoek bij geweldplegers, die de politie de bevoegdheid geeft middelentesten af te nemen bij geweldplegers en dit middelengebruik mee te wegen als strafverzwarende omstandigheid bij het formuleren van de strafeis door de officier van justitie en het vonnis van de rechter. Zoals bekend, vormt alcoholmisbruik – ook in combinatie met drugs – een van de belangrijkste risicofactoren voor geweldpleging.
Naast de repressieve aanpak van uitgaansgeweld zijn er in de loop der jaren ook veel preventieve maatregelen ontwikkeld. Deels hebben deze betrekking op het tegengaan van alcoholmisbruik (zoals bekend een belangrijke risicofactor voor geweldpleging), waaronder het stellen van leeftijdsgrenzen voor het verstrekken van alcohol, het stimuleren van het nuttigen van frisdrank zoals in het Twentse project Happy Fris en het in een strafrechtelijk kader tegengaan van alcoholmisbruik via voorwaardelijke sancties als het alcoholverbod en specifieke gedragsinterventies. Voor een ander deel zijn de maatregelen gericht op het direct tegengaan van uitgaansgeweld. Hierbij wordt onder meer ingezet op versterking van het toezicht, bijvoorbeeld in de vorm van horecateams, susteams, horecastewards en slim cameratoezicht. Voor dat laatste is onlangs een proef in Eindhoven voltooid, waarbij op basis van geluidsdetectie signalen van geweld worden opgespoord, zodat in een vroeg stadium ingegrepen kan worden. Ook lokaal beleid ten aanzien van sluitingstijden, vervoer, verlichting en de afstemming tussen «natte» en «droge» horeca beoogt uitgaansgeweld zoveel mogelijk te voorkomen. Verder worden in de horecagelegenheden zelf veel maatregelen getroffen. Denk aan huisreglementen, deurbeleid, training van personeel (zoals in het traject Bar Veilig) en het opleggen van collectieve horeca ontzeggingen. Veelbelovende nieuwe initiatieven zijn de inzet van nudging om het uitgaansgevoel positief te beïnvloeden, en het project De Confrontatie waarbij jongeren die over de schreef gaan door de politie niet alleen in de kraag gegrepen maar ook gefilmd worden en naderhand – samen met hun ouders – geconfronteerd worden met hun wangedrag. Veel maatregelen komen samen in de Kwaliteitsmeter Veilig Uitgaan, die het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid in opdracht van mijn ministerie beschikbaar stelt aan gemeenten.
Deelt u de mening dat dit soort ontzettend laffe misdrijven grote maatschappelijke onrust veroorzaakt? Zo nee, waarom niet?
Ja. In de brief van 16 april 20132 is weergegeven dat de ernst van de feiten, de ontstane maatschappelijke onrust en de omstandigheid dat de identiteit van de verdachten op korte termijn niet op andere wijze kon worden vastgesteld, ertoe hebben geleid dat de beelden gepubliceerd zijn, waarbij de verdachten herkenbaar zijn afgebeeld.
Deelt u de mening dat de vijf daders die één man van achter besluipen, deze man slaan en schoppen, hem tegen de grond werken, verder op hem in schoppen en – als de man niet meer reageert – hem achterlaten en er vandoor gaan, een zwaar misdrijf begaan en dat er alles aan moet worden gedaan om deze daders snel op te sporen en zwaar te straffen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat het heel goed is dat de politie nu herkenbare camerabeelden van de daders naar buiten brengt? Deelt u de mening dat het gebruik van camerabeelden in het kader van de opsporing efficiënt en effectief is? Zo nee, waarom niet?
Ja, het publiceren van herkenbare beelden kan erg effectief zijn. Maar mede door de impact van opsporingsberichtgeving is grote zorgvuldigheid vereist bij de inzet van dat middel.
In de genoemde brief van 16 april 2013 is aangegeven dat in de twee daar genoemde gevallen van geweld de daarop volgende publicatie van beelden uiterst effectief is geweest. In beide gevallen zijn de verdachten binnen enkele dagen geïdentificeerd, grotendeels doordat zij zich zelf hebben gemeld.
Deelt u de mening dat het gebruik van camerabeelden in het kader van de opsporing er niet toe mag leiden dat de rechter lagere straffen oplegt wegens schending van de privacy? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u per direct bewerkstelligen dat het gebruik van camerabeelden in het kader van de opsporing niet meer zal leiden tot lagere straffen wegens een zogenaamde schending van de privacy?
Het bepalen van de strafmaat en het eventueel rekening houden met het publiceren van beelden van het strafbare feit, is aan de rechter.
De benoeming van de heer Meijdam door de provincie Noord-Holland in de gebiedscommissie Amstel, Gooi en Vecht |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Is het waar dat de heer Meijdam is benoemd in de gebiedscommissie Amstel, Gooi en Vecht?1
Ja. Dit betreft een commissie die tot taak heeft de provincie te adviseren over de realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur.
Deelt u de conclusie uit het rapport «Ondernemend bestuur» van de Commissie Operatie Schoon Schip dat duidelijk is dat er onder verantwoordelijkheid van de heer Meijdam een rapport over het KNSF-terrein bij Muiden geheim is gehouden voor gemeenteraadsleden van Muiden en voor leden van de Provinciale Staten van Noord-Holland?2
De commissie Schoon Schip heeft de gang van zaken rondom de ontwikkeling van het gebied rondom de KNSF gebruikt als één van de casus in het licht van het thema geheimhouding. Geconcludeerd wordt dat Gedeputeerde Staten «onvoldoende duidelijk hebben gemaakt welke belangen op welke wijze zijn afgewogen en ook niet dat geheimhouding van het Akro-rapport noodzakelijk was.» Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland geven in de reactie op het rapport van de commissie aan de conclusies en aanbevelingen te onderschrijven.
Welke redenen had de heer Meijdam eerder dit jaar om terug te treden als vertegenwoordiger van het provinciebestuur in SADC? Waarom zouden dergelijke redenen geen opgeld doen voor de functie in de gebiedscommissie Amstel, Gooi en Vecht?
De redenen voor (voormalig) bestuurders om namens de provincie zitting te hebben in een commissie is een zaak van de betreffende provincie en de betreffende (voormalig) bestuurder. Gezien de benoeming van de heer Meijdam tot voorzitter van deze gebiedscommissie stel ik vast dat de provincie daarvoor geen belemmeringen heeft gezien.
Acht u de benoeming van de heer Meijdam verstandig in het licht van de hierboven genoemde voorvallen? Zo ja, waarom acht u de schijn van belangenverstrengeling in deze geen probleem?
Zie mijn antwoord op vraag 3.
Indien u de benoeming van de heer Meijdam niet verstandig vindt in het licht van eerdere voorvallen, hoe gaat u die benoeming ongedaan maken?
Zie mijn antwoord op vraag 3.
De aanbesteding van het nieuwe politiepistool |
|
Nine Kooiman |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Deelt u de mening dat bij de aanbesteding van het nieuwe politiepistool niet alles vlekkeloos is verlopen?
Ja.
Deelt u de mening dat hier lering uit te trekken is voor volgende aanbestedingstrajecten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid onafhankelijk onderzoek te laten doen naar de aanbesteding en de Kamer te informeren over de uitkomsten en een eventueel vervolgtraject? Zo nee, waarom niet?
Als gevolg van de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Den Haag op 24 januari 2012 moest de aanbestedende dienst, de voorziening tot samenwerking Politie Nederland (vtsPN), een nieuwe aanbestedingsprocedure voeren voor de verwerving van het nieuwe dienspistool. Om de risico’s op nieuwe juridische procedures en technische problemen zoveel als mogelijk te beperken is de aansturing van de nieuw uit te voeren aanbesteding volledig herzien. Daarnaast is de volledige aanbestedingsdocumentatie kritisch geanalyseerd en waar nodig vereenvoudigd en/of verbeterd met gebruikmaking van de ervaringen die zijn opgedaan tijdens de eerste aanbesteding. Voorts is een aantal juridische waarborgen (de zogenaamde «wachtkamerconstructie») ingebouwd waardoor, indien noodzakelijk, kan worden teruggevallen op de nummer twee uit de aanbesteding voor het geval wederom de situatie zich zou voordoen dat de winnaar van de aanbesteding onverhoopt niet aan zijn contractuele verplichtingen kan voldoen.
De kennis en ervaring die is opgedaan tijdens de eerste aanbesteding, is derhalve volledig gebruikt voor het optimaliseren van de nieuwe aanbestedingsprocedure. Dit heeft er toe geleid dat deze aanbesteding zeer voorspoedig is verlopen waardoor op 16 november 2012 het contract kon worden getekend met de leverancier van het nieuwe dienstpistool, de firma Carl Walther GmbH uit Duitsland. Ik zie dan ook geen reden voor het laten uitvoeren van een onafhankelijk onderzoek naar deze aanbestedingen.
Zijn de functionele eisen die bij de projectstart opgesteld zijn, niet vergeleken met functionele eisen in de ons omringende landen, waardoor eventuele commerciële en logistieke voordelen misgelopen zijn? Zo ja, waarom is dit niet gebeurd?1
De functionele en technische eisen voor het nieuwe dienstpistool zijn tot stand gekomen aan de hand van de eisen zoals die zijn opgenomen in de ons omringende landen. Met name de Duitse «Technische Richtlinie Pistolen im kaliber 9 mm x 19» heeft hierbij als uitgangspunt gediend.
Er zijn hierdoor dan ook geen commerciële of logistieke voordelen misgelopen.
Waarom kon in de testfase niet geschoten worden met de vereiste Nederlandse politiemunitie?
Zoals ik in mijn brief van 8 november 20112 heb aangegeven was de nieuwe politiemunitie van het type Action NP bij de start van de eerste aanbesteding nog niet beschikbaar. Daarom is bij de eerste aanbesteding gebruik gemaakt van munitie van het type Action 4, die slecht minimaal verschilt van het type Action NP. Dit was ook duidelijk kenbaar gemaakt in de aanbestedingsprocedure en was dus voor geen van de inschrijvers een verrassing.
Deelt u de mening dat hierdoor in de eerste aanbestedingsprocedure onmogelijk afdoende vastgesteld kon worden of een politiepistool voldeed aan de eisen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Heeft dit gevolgen gehad voor het uiteindelijke falen van de firma SIG-Sauer bij de duurproef met de nieuwe politiemunitie?
De ontbinding van de overeenkomst met de firma SIG-Sauer was niet te wijten aan het gebruik van de nieuwe politiemunitie, maar het gevolg van het feit dat de firma SIG-Sauer op dat moment niet in staat was om de vereiste kwaliteit voor het politiepistool in serieproductie te kunnen leveren.
Had dit voorkomen kunnen worden als direct getest kon worden met de juiste munitie? Had daarmee voorkomen kunnen worden dat er een nieuw aanbestedingstraject ingegaan moest worden?
Zie antwoord vraag 6.
Wat bedroegen de totale juridische kosten in beide aanbestedingstrajecten? Om hoeveel procent van de totale projectkosten gaat het?
De totale juridische kosten van het eerste aanbestedingstraject (project NPNP), over de looptijd van 2008 tot en met 2011, bedroegen € 250.362
De totale juridische kosten van het tweede aanbestedingstraject (project APP), over de looptijd 2012 tot heden (maart 2013) bedroegen € 88.879. Deze bedragen vormen tezamen 7,5% van de totale projectbegroting.
Deelt u de analyse dat deze veroorzaakt zijn door onduidelijkheid rondom de procedure bij de aanbieders in de aanbestedingsprocedure?
Nee. Europese aanbestedingen vragen in algemene zin een hoge juridische nauwkeurigheid waardoor veel afstemming en overleg met juridische adviseurs noodzakelijk is.
De aanbestedingsprocedures waren helder en duidelijk beschreven in het programma van eisen en wensen en voor alle aanbieders kenbaar. Alle aanbieders zijn ook in de gelegenheid gesteld om voor de start van de aanbesteding vragen te stellen over de procedure en de wijze van testen. Deze vragen zijn allemaal schriftelijk beantwoord in de zogenaamde «nota van inlichtingen».
Hadden deze extra kosten met een zorgvuldiger aanbestedingstraject voorkomen kunnen worden? Bent u bereid dit bij uw onderzoek naar de aanbesteding te betrekken? Zo nee, waarom niet?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 9 en 2.
Waarom is er na het beëindigen van de overeenkomst met SIG-Sauer niet voor gekozen te onderhandelen met de overige deelnemers in de aanbesteding, om zo een nieuw aanbestedingstraject en extra vertraging te voorkomen?
Na de ontbinding van de overeenkomst met de firma SIG-Sauer heb ik alle (juridische) mogelijkheden in kaart laten brengen om zo snel mogelijk te komen tot een nieuw dienstwapen voor de politie. Het teruggaan naar het aanbestedingsresultaat van de eerder afgesloten aanbestedingsprocedure en naar de als nummer twee geëindigde inschrijver bleek de snelste optie en leek op basis van de jurisprudentie goed verdedigbaar. De voorzieningenrechter heeft echter een andere afweging gemaakt en geoordeeld dat er sprake was van een nieuwe overheidsopdracht die opnieuw moet worden aanbesteed.
Zijn de specificaties voor het nieuwe politiepistool in de tweede aanbestedingsprocedure aangepast? Zo ja, waarom en waaruit bestonden deze aanpassingen?
Ja, de technische eisen zijn kritisch bekeken op afwijkingen van standaard pistolen en beoordeeld in hoeverre deze afwijkende eisen noodzakelijk zijn. Uitgangspunt hierbij was dat een standaardpistool moet kunnen worden aangeboden zodat zoveel mogelijk fabrikanten aan deze aanbesteding konden deel nemen. Als gevolg hiervan is een aantal eisen komen te vervallen of aangepast. Zo is ondermeer de eis dat het wapen niet voorzien mag zijn van een trekkerblokkeerinrichting komen te vervallen, evenals de eis dat de binnenkant van de loop voorzien moet zijn van trekken en velden. Omdat uit de eerste aanbestedingsprocedure is gebleken dat richtmiddelen voorzien van tritium in de duisternis beter zichtbaar zijn dan lichtvasthoudende richtmiddelen, zoals superluminova, is besloten om dit als nieuwe eis op te nemen in het programma van eisen en wensen.
Was het pistool PPQ niet valveilig?
De pistolen die hebben deelgenomen aan de operationele test zijn vooraf getest op de valveiligheid en hebben alle valproeven zonder problemen doorstaan.
De pistolen waarmee de technische duurtesten zijn uitgevoerd zijn na afloop van deze testen, waarbij met elk pistool 10.000 patronen zijn verschoten, nogmaals onderworpen aan de verschillende valproeven. De pistolen laat men hierbij op 36 verschillende manieren vallen. Bij één van de drie geteste pistolen van het type Walther PPQ-NL is hierbij – bij 1 van de 36 manieren – onverwacht een schot afgegaan. Als gevolg hiervan heeft de Walther PPQ-NL de technische test niet doorstaan en is de keuze uiteindelijk gevallen op de Walther P99Q-NL die als tweede in de rangorde was geëindigd bij de operationele test en wel alle valproeven heeft doorstaan.
Is het veiligheidsmechanisme van het gekozen pistool, te weten de P99Q, vergelijkbaar met het veiligheidsmechanisme van de PPQ?
De interne mechanismen van de Walther P99Q-NL zijn in beginsel vergelijkbaar met die van de Walther PPQ-NL. Uit gesprekken met de fabrikant blijkt dat niet uit te sluiten valt dat de wijzigingen van de Walther PPQ-NL ten opzicht van de Walther P99Q-NL invloed kunnen hebben gehad op de werking van de interne mechanismen.
Kunt u garanderen dat de P99Q aan alle eisen van valveiligheid en overige veiligheidseisen voldoet en dat gebruikers dus geen onnodig risico lopen?
Ja, de Walther P99Q-NL heeft alle technische testen, waaronder de valproeven, zonder problemen doorstaan. De fabrikant garandeert maximaal – opnieuw en nog steeds – de valveiligheid van de Walther P99Q-NL. De gebruikers lopen dan ook geen onnodige risico’s.
Een inbreker die een klacht indient tegen een schietende agent en de reactie daarop van de politieleiding |
|
Louis Bontes (PVV) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Klacht inbreker tegen schietende agent»?1
Ja.
Deelt u de mening dat de korpsleiding deze agent heeft laten vallen, temeer omdat de nieuwe politiechef van Oost Brabant heeft aangegeven dat een woninginbraak net zo erg is als een verkrachting en het volgens de regering een «High Impact Crime» is? Zo nee, waarom niet?
Het regeerakkoord stelt dat de politie daadkrachtig en gezaghebbend moet kunnen optreden tegen overvallen en inbraken. De agenten die dit elke dag en nacht weer op zich nemen, hebben mijn volledige steun.
Wel is het optreden van politie gebonden aan procedures en regelgeving. Voor de toelaatbaarheid van het gebruik van een vuurwapen door een agent is dit geregeld in de ambtsinstructie voor de politie. Bovendien is één van de standaardprocedures in het geval van vuurwapengebruik door een politiemedewerker dat de Rijksrecherche een onderzoek start. Dat is in dit geval dan ook gebeurd.
Uit het onderzoek is gebleken dat het gebruik van het vuurwapen door de agent in deze specifieke situatie niet rechtmatig was. De oorzaak voor dit onrechtmatig gebruik bleek bij nader onderzoek niet te liggen in onduidelijkheid in of onbekendheid met de ambtsinstructie voor de politie, maar bleek te liggen in het feit dat betrokken agent onvoldoende was onderricht op de inhoud van de nota van toelichting behorend bij de ambtsinstructie.
De Hoofdofficier van Justitie is met de toenmalige korpsleiding tot het oordeel gekomen dat de betrokken politieambtenaar zich met succes kan beroepen op dwaling omtrent de rechtmatigheid van zijn handelen, omdat hij niet juist onderricht was met betrekking tot deze specifieke vorm van geweldstoepassing. Betrokken agent is dan ook niet vervolgd of gestraft.
Ook is gebleken dat de ambtsinstructie geen aanpassing behoeft. Wel wordt naar aanleiding van deze casus in de Integrale Beroepsvaardigheidstraining (IBT) gericht aandacht besteed aan het gebruik van het vuurwapen ter aanhouding van een inbreker of insluiper en de bijbehorende bepalingen in de nota van toelichting bij de ambtsinstructie.
Op welke wijze is de ambtsinstructie van de politie aangepast? Betekent dit dat agenten geacht worden niet te schieten op vluchtende woninginbrekers? Zo ja, deelt u de mening dat dit een vrijbrief is voor woninginbrekers in Nederland?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid duidelijk stelling te nemen en op te komen voor agenten die met succes woninginbrekers in de kraag vatten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
De werking van het in-car alarmeringssysteem eCall, waarover bij hulpdiensten onduidelijkheid heerst |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Brandweer vreest loze meldingen autoalarm», over het in-car alarmeringssysteem eCall, dat bij ongevallen automatisch de hulpdiensten waarschuwt en waarover bij hulpdiensten in Friesland onduidelijkheid heerst?1
Ja.
Zijn de hulpdiensten voldoende geïnformeerd en voorbereid op de invoering van het eCall-systeem? Zo nee, welke stappen gaat u ondernemen om de hulpdiensten voor te bereiden op de invoering van het eCall-systeem?
Tot nu toe is er nog geen Europees voorstel tot verplichting van eCall. Ik verwacht een dergelijk voorstel overigens wel voor de zomer. Samen mijn collega van VenJ werk ik nu al (in het HeERO project) aan technische specificaties, ontwerp en organisatie van het toekomstige eCall systeem. De hulpdiensten worden hier actief bij betrokken. Op 6 december 2012 is een eerste informatiesessie voor de hoofden van de meldkamers geweest. Ik wil u overigens aangeven dat de verantwoordelijkheid voor het ontvangen en afhandelen van eCall noodoproepen («112-meldingen») bij mijn collega van het Ministerie van Veiligheid en Justitie berust.
Klopt het dat het eCall-systeem direct wordt gekoppeld aan de 112-alarmcentrale en dat er geen andere centrales (bijvoorbeeld de centrale van de autoproducent of de ANWB) als intermediair worden ingeschakeld?
Nederland hoeft hierin geen keuze te maken. Beide opties zijn mogelijk en zullen waarschijnlijk ook naast elkaar gebruikt gaan worden. Dit moet nog verder uitgewerkt worden. Opzet van het door Europa voorgestelde eCall systeem is dat er rechtstreeks contact is tussen het voertuig en de alarmcentrale. Er wordt echter niet voorgeschreven of dat direct via 112 of via een particuliere alarmcentrale gaat. In het HeERO-project gebruikt Nederland een directe koppeling met de 112-centrale.
Zal het aantal meldingen aan 112-alarmcentrales met de invoering van het eCall-systeem toenemen? Zo ja, zijn de 112-alarmcentrales voldoende toegerust voor een toename van het aantal meldingen?
Het eCall systeem is een toevoeging aan de bestaande mogelijkheden om de hulpdiensten te informeren door automatisch een melding te genereren als de auto een zwaar ongeval heeft gehad. Dit zijn bijvoorbeeld gevallen waarin de inzittenden zelf niet in staat zijn om 112 te bellen. Juist in deze gevallen kan het gebruik van eCall de aanrijtijden van hulpdiensten verkorten (gemiddeld ca. 4 minuten). Zelfs als eCall verplicht wordt zal het nog een aantal jaren duren voordat het hele wagenpark hiermee uitgerust zal zijn. Dit betekent dat in de eerste jaren de eCall meldingen nog beperkt zullen zijn en dat de ervaring zal leren of aanvullende maatregelen nodig zullen zijn.
Stuurt het eCall-systeem bij elk ongeval automatisch een melding naar de alarmcentrale dat er een ongeval heeft plaatsgevonden of maakt het eCall-systeem een onderscheid in de zwaarte van het ongeval?
Er is nog niet Europees vastgelegd aan welke eisen een systeem precies moet voldoen om «eCall systeem» te mogen heten. Deze eisen zullen (net als alle voertuigeisen) uiteindelijk worden vastgelegd in zogenaamde typegoedkeuringseisen. Onderdeel daarvan is dat er alleen een melding wordt gegenereerd als de auto een zwaar ongeval heeft gehad, waarbij bijvoorbeeld de airbag is geactiveerd of extreem hoge vertragingen worden gemeten. Dit om activering bij bijvoorbeeld parkeerschade e.d. te voorkomen.
De aanhouding van Willem II fans te Utrecht |
|
Ahmed Marcouch (PvdA), Tjeerd van Dekken (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Willem II fans woedend»?1
Ja.
Kunt u een feitenrelaas geven omtrent de in het bericht genoemde aanhouding van fans van de voetbalvereniging Willem II?
De gemeente Utrecht ontvangt op zondagmiddag informatie waaruit blijkt dat ongeveer 40 – 50 supporters van Willem II (waaronder een aantal bekende harde kernleden en supporters met stadionverboden) in een café in Utrecht aanwezig zijn. Er was sprake van het nuttigen van alcohol en verdovende middelen. Tevens ontvangt de politie informatie dat deze groep Willem II supporters uit zou zijn op een confrontatie met FC Utrecht supporters. Aan de politie wordt doorgegeven dat de groep zeer veel telefonisch contact had met supporters van FC Utrecht.
Bij het zien van de politie wordt de situatie ter plaatse grimmiger en willen Willem II supporters met bier in hun handen naar buiten lopen. Daarop besluit de voetbalcoördinator Utrecht, na overleg met de Algemeen Commandant MT Utrecht stad, de supporters van Willem II aan te laten houden ter zake dreigende verstoring van de openbare orde (artikel algemene plaatselijke verordening).
Aanhouding was hierbij noodzakelijk daar het ter plaatse uitdelen van een bekeuring zou betekenen dat de supporters weer de straat op zouden moeten. Dit was geen gewenste situatie, daar er dan alsnog een confrontatie tussen FC Utrecht en Willem II supporters zou kunnen ontstaan.
Na de mededeling dat de supporters waren aangehouden, braken zij de nooddeur open achter in het café en trachtten te ontvluchtten. Door de politie werd een grote groep ingesloten en aangehouden. In totaal zijn hierbij 42 aanhoudingen verricht. Alle verdachten zijn hierop onder begeleiding van de ME naar Houten overgebracht. Alle 42 aangehouden verdachten zijn voorzien van een Kennisgeving van bekeuring.
Waarom werden de Willem-II supporters aangehouden?
Zie antwoord vraag 2.
Over welke mogelijkheden beschikken de in het bericht genoemde supporters om hun ongenoegen tegen hun aanhouding kenbaar te maken? Over welke juridische mogelijkheden beschikken zij om tegen het politieoptreden achteraf bezwaar te maken?
Indien de supporters de behoefte hebben om hun ongenoegen tegen de aanhouding kenbaar te maken, kunnen zijn hiertoe een klacht indienen bij de regionale eenheid. Om achteraf bezwaar te maken tegen het politieoptreden, kunnen zij verzet aantekenen tegen de bestuurlijke strafbeschikking die zij hebben ontvangen.
Deelt u de mening dat indien het ongewenst is dat supporters zich in het centrum van een stad begeven een combiregeling meer voor de hand had gelegen? Zo ja, had daarmee de dreigende verstoring van de openbare orde dan niet eerder voorkomen kunnen worden? Zo nee, waarom niet?
Het is niet waarschijnlijk dat een combiregeling dit incident had kunnen voorkomen. Op basis van de beschikbare informatie en eerdere ervaringen, is de wedstrijd vooraf ingeschaald als een A-wedstrijd: een wedstrijd met een laag risico en daarbij is een combiregeling ongebruikelijk.
Maar zelfs indien wel van een combiregeling gebruik zou zijn gemaakt is een ieder vrij om op eigen gelegenheid (naar de binnenstad) af te reizen. Dus ook supporters die niet voor de wedstrijd komen. Dat was ook hier het geval: van de Willem II supporters die zijn aangehouden had een deel geen toegangskaartje, in
sommige gevallen zelfs een stadionverbod. Een combiregeling zou hen niet hebben weerhouden van de komst naar Utrecht centrum.
Op welke manier verhoudt de arrestatie van deze Willem II-supporters zich tot de aangekondigde versoepeling van de combiregeling in de binnenkort te presenteren Voetbalwet?
Ik heb een voorstel ingediend tot wijziging van de Wet maatregelen bestrijding voetbalvandalisme en ernstige overlast (Voetbalwet). Over de voorgestelde wijzigingen heb ik u bij brief van 4 september 2012 geïnformeerd. De wet ziet niet toe op specifieke voetbalmaatregelen als de combiregeling. De burgemeester kan een combiregeling opleggen voor een bepaalde wedstrijd in overleg met, en geadviseerd door, de lokale (veiligheids)partners.
Het bericht dat Tristan van der V. een wapencontract tekende met zijn vader en politie |
|
Nine Kooiman |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het bericht dat Tristan van der V. en zijn vader op papier hadden vastgelegd dat Van Der V. bij een nieuwe depressie zijn wapens zou inleveren?1
Het «contract» waar in het verhoor naar wordt verwezen betreft een briefje van Tristan aan zijn vader. Het briefje is na 9 april 2011 bij de ouders aangetroffen en was niet eerder bij de politie bekend.
Klopt de bewering van de betrokken jurist dat de politie dit zogenaamde contract mede had ondertekend en derhalve had moeten weten van de psychische problemen van Van Der V.? Zo ja, kunt u hier nadere uitleg over geven?
Zie antwoord vraag 1.
In hoeverre worden dergelijke afspraken tussen politie en wapenvergunninghouders gemaakt?
Dergelijke afspraken zijn en worden niet gemaakt.
Het bericht “Politie laks bij aangiften” |
|
Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Politie laks bij aangiften»?1
Ja
Deelt u de mening van de Nationale Ombudsman dat de politie nog te vaak tekortschiet bij het opnemen van aangiften? Zo ja, in welke mate schiet de politie hierin tekort? Zo ja, hoe verhoudt zich dat de beloftes en inspanningen om hierin verbetering aan te brengen? Zo nee, wat is niet waar aan het gestelde?
Jaarlijks worden ongeveer 1 miljoen aangiften en meldingen door de politie opgenomen. Uit het onderzoek van de Nationale Ombudsman blijkt dat in 2012 ruim 500 klachten zijn binnengekomen over aangiften bij de politie. Zoals ik ook in mijn brief van 6 maart jongstleden heb aangegeven sporen de bevindingen van de Nationale Ombudsman met het onderzoek van de Inspectie Veiligheid en Justitie dat ik op 20 november 2012 naar de Kamer heb gestuurd (TK 2012–2013, 29 628, nr. 340). Ook dit onderzoek gaat in op de punten waarop de politie het aangifteproces en de interactie met de burger kan verbeteren.
Zoals ik in mijn reactie op het rapport van de Inspectie heb laten weten, onderschrijf ik de resultaten van de Inspectie. Ik heb dan ook een aantal maatregelen genomen om dit te verbeteren, zoals ook in mijn brief van 20 november 2012 is opgenomen (TK 2012–2013, 29 628, nr. 340). Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 4. Het onderzoek van de Ombudsman bevestigt de urgentie van mijn aanpak.
Hoe verhouden de bevindingen van de Nationale Ombudsman zich tot de bevindingen uit de Integrale Veiligheidsmonitor 2011 of andere rapportages ten aanzien van meldingen, aangiften en tevredenheid over de politie?
Op vrijdag 1 maart 2013 is de Veiligheidsmonitor 2012 verzonden aan uw Kamer. Om de meest actuele stand van zaken te geven, nemen we hier de cijfers uit de meest recente Veiligheidsmonitor op. Uit de Veiligheidsmonitor 2012 blijkt dat van alle contacten van burgers met de politie het in 38% ging om een aangifte of melding bij de politie.
Van alle inwoners die in 2012 een aangifte of melding heeft gedaan is 59% (zeer) tevreden over het optreden van de politie. 21% van de melders is (zeer) ontevreden. De meest genoemde reden hierbij is dat de «problemen niet zijn opgelost».
Van alle mensen die in 2012 contact hebben gehad met de politie geven bijna 6 op de 10 mensen aan (zeer) tevreden te zijn over het politieoptreden tijdens het laatste contact. Tenslotte is bijna een op de drie (29%) (zeer) tevreden over het totale functioneren van de politie in 2012. Wanneer de antwoorden «kan dit niet beoordelen» of «geen antwoord» buiten beschouwing worden gelaten is 44% van de inwoners (zeer) tevreden over het functioneren van de politie in 2012.
In de Integrale Veiligheidsmonitor wordt vastgesteld dat het oordeel over de wederkerigheid van de relatie en het oordeel over de communicatie tussen de politie en burgers niet wezenlijk is veranderd ten opzichte van 2011, maar wel verbeterd is ten opzichte van 2010.
Hoewel uit de Integrale Veiligheidsmonitor 2012 blijkt dat er in de periode 2005 tot en met 2012 een duidelijke verbetering zichtbaar is in de tevredenheid van burgers over de politie en het aangifte doen, onderschrijf ik de bevindingen van de Inspectie en de Nationale Ombudsman dat deze verder moet verbeteren en het aangifteproces en de dienstverlening richting de burger dan ook verdere verbetering behoeft. Daarom heb ik samen met de politie maatregelen genomen om de drempel voor burgers om aangifte te doen te verlagen en het contact tussen burgers en politie te verbeteren. Bij het antwoord op vraag 4 heb ik deze maatregelen voor u geschetst.
Deelt u de mening dat het doen van aangiften essentieel is voor het oplossen van misdrijven en het veiliger maken van ons land? Zo ja, hoe gaat u ervoor zorgen dat het doen van aangiften en de aangiftebereidheid wordt verbeterd?
De aangifte vormt het begin van de strafrechtketen en is daarom ook cruciaal voor de opsporing en vervolging. Het succes van de opsporing staat of valt met een goede aangifte en een efficiënte en effectieve afhandeling hiervan. Hieronder heb ik de maatregelen beschreven die ik eerder aan uw Kamer deed toekomen (TK 2012–2013, 29 628, nr. 340) en die ik heb genomen en ga nemen om te zorgen voor een effectief en efficiënt aangifteproces dat aansluit op de wensen en behoeften van burgers.
Het bericht dat werkloze jongeren worden ingezet om de politie administratief te ontlasten |
|
Nine Kooiman |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Klopt het bericht dat in de gemeenten Assen, Hoogeveen en Emmen vanaf september 2013 werkloze jongeren worden ingezet om de Drentse politie administratief te ontlasten?1
Momenteel is er in Assen sprake van een pilot, die dit voorjaar wordt geëvalueerd. De politie Drenthe heeft het voornemen om in september 2013 een nieuw project te starten en zoekt hiervoor samenwerking met de collega’s in Hoogeveen en Emmen.
Waarom wordt ervoor gekozen om hiervoor werkloze jongeren in te zetten?
De inzet van de werkloze jongeren is tot stand gekomen naar aanleiding van een aangenomen motie in de gemeenteraad van Assen met het doel jongeren in de praktijk werkervaring te laten opdoen. Dit doen zij bij de politie door executieve politiemedewerkers te ondersteunen in het uitvoeren van hun administratieve taken.
Om hoeveel arbeidsplaatsen bij de politie gaat het hier? Hoeveel werkloze jongeren gaan hiervoor binnen de politie ingezet worden?
Er is hier geen sprake van een vast aantal arbeidsplaatsen bij de politie.
Het aantal jongeren dat wordt ingezet, hangt af van het aanbod.
De jongeren moeten gemotiveerd zijn voor het opdoen van deze vorm van werkervaring, kiezen voor een (juridisch) administratieve opleidingsrichting en voldoen aan de veiligheidseisen van de politie (alle deelnemers worden gescreend). Tot nu zijn 10 jongeren ingezet.
Welke werkzaamheden moeten zij gaan verrichten?
In de praktijk wordt zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de wensen en belangstelling van de jongeren. Taken die nu worden uitgevoerd zijn:
Worden deze werkloze jongeren opgeleid om dit werk uit te kunnen voeren? Zo ja, hoe ziet die opleiding eruit? Zo nee, waarom niet?
De begeleiding vindt plaats door politiemedewerkers d.m.v. «training on the job».
Daarnaast volgen de jongeren extern, relevante opleidingen zoals een opleiding tot juridisch secretaresse en de opleiding tot Buitengewoon Opsporingsambtenaar.
Welke eisen worden er gesteld aan en welke afspraken worden er gemaakt met deze werkloze jongeren, gezien de gevoelige informatie waar zij dagelijks mee te maken zullen krijgen?
De jongeren worden door het UWV geselecteerd. Zij schrijven vervolgens een brief aan de politie en er vindt een sollicitatiegesprek plaats. Van belang is dat zij van onbesproken gedrag zijn en dat ze minimaal MBO niveau 3 kunnen halen.
Zoals aangegeven worden de jongeren, conform de gebruikelijke procedures gescreend.
Bij binnenkomst in de organisatie wordt een geheimhoudingsverklaring ondertekend. Met de jongeren worden regelmatig gesprekken gevoerd over integriteit en de voorbeeldfunctie die het werken bij de politieorganisatie met zich meebrengt.
Hoe wordt de continuïteit van de werkzaamheden gegarandeerd?
De continuïteit van de werkzaamheden is gegarandeerd. Op het moment dat de jongeren niet meer in dienst zijn van de politie, worden de werkzaamheden door politiemedewerkers uitgevoerd.
Is er voor deze werkloze jongeren een toekomstperspectief om in vaste dienst van de politie aan de slag te gaan? Zo ja, hoe is dit vastgelegd? Zo nee, waarom niet?
Er is geen ruimte in de formatie om in vaste dienst bij de politie aan de slag te gaan. De initiële doelstelling van deze pilot is het bieden van werkervaring en daarmee samenhangende relevante training/kennisvermeerdering om daarmee het perspectief op het vinden van werk door deze jongeren te vergroten. De politie is zeer positief over hun inzet en gedrevenheid.
Door wie worden deze werkzaamheden tot september 2013 uitgevoerd? Vallen er door de inzet van werkloze jongeren ontslagen in de ondersteunende functies? Zo ja, hoeveel, en wat gaat er met deze mensen gebeuren?
Er is geen relatie tussen de inkrimping van de ondersteunende functies en de inzet van deze jongeren. De werkervaringsplaatsen gaan niet ten koste van reguliere banen bij de politie. Zoals eerder aangegeven doen deze jongeren werkervaring op door het ondersteunen van executieve politiemedewerkers in hun administratieve werkzaamheden. Wanneer de jongeren er niet zijn, doen de executieve politiemedewerkers deze werkzaamheden zoals gebruikelijk zelf.
Hoe verhoudt zich dit tegenover de 2 500 banen die bij de politie moeten verdwijnen in de ondersteunende dienst?
Zie antwoord vraag 9.
Worden deze werkloze jongeren doorbetaald vanuit de uitkeringsinstantie of krijgen zij een salaris conform hun nieuwe functie?
In de pilot krijgen de jongeren een tijdelijke aanstelling bij een organisatiebureau en ontvangen zij het minimumloon. Daar waar mogelijk wordt gebruik gemaakt van subsidies (Wajong, opleidingen).
Van een normaal salaris kan alleen sprake zijn als een medewerker een Fte vervult, met de daarbij behorende kwalificaties aan opleiding en ervaring.
Deelt u de mening dat tegenover deze werkzaamheden een normaal salaris dient te staan? Zo ja, hoe gaat u dit garanderen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 11.
Worden op andere plaatsen in het land ook werklozen ingezet om de politie te ondersteunen? Zo ja, waar en onder welke voorwaarden en afspraken?
In het VAO van 31 januari jl. heb ik al aangegeven dat ik het inrichten van werkervaringsplaatsen door de politie een goed initiatief vond. Ik zal, zoals u mij in de motie-Marcouch (TK 20012–2013 29 628, nr. 363) heeft gevraagd, in overleg met de korpschef onderzoeken hoe dit initiatief verder kan worden uitgewerkt bij de Nationale politie.
Herinnert u zich uw toezegging gedaan tijdens het algemeen overleg op 6 december 2012 om het onderzoeksrapport van de Rijksrecherche ten aanzien van het schietincident in Alphen aan den Rijn openbaar te maken?1
Ik heb tijdens het Algemeen Overleg op 6 december 2012 aangegeven dat ik er, binnen de wettelijke kaders, voor zal zorgen dat de slachtoffers de beschikking krijgen over het onderzoeksrapport van de Rijksrecherche. Er moet onderscheid worden gemaakt tussen een doelgebonden verstrekking ten behoeve van de slachtoffers en openbaarmaking voor een ieder. Dit laatste heb ik niet toegezegd.
Kunnen uw woorden in dat algemeen overleg anders worden gelezen of geïnterpreteerd dan dat de slachtoffers het integrale onderzoeksrapport tot hun beschikking zouden krijgen? Zo ja, waar blijkt dat precies uit en hoe zouden uw woorden dan wel gelezen of geïnterpreteerd moeten worden?
Zie antwoord vraag 1.
Hebben de slachtoffers van het schietincident inmiddels de beschikking over het integrale en volledig leesbare onderzoeksrapport van de Rijksrecherche? Zo ja, wanneer hebben zij dat gekregen? Zo nee, waarom niet en wanneer krijgen zij dat wel?
Weet u of de slachtoffers behalve aan het onderzoeksrapport van de Rijksrecherche aan nog meer niet eerder verstrekte documenten behoefte hebben? Zo ja, welke documenten zijn dat? Zo nee, wilt u daarover in contact met de slachtoffers treden?
De advocaat van de slachtoffers heeft aangegeven tevens de beschikking te willen krijgen over het «post mortem» onderzoek naar Tristan van der V. Dit onderzoek, dat geen deel uitmaakte van het Rijksrechercheonderzoek, is uitgevoerd door het Nederlands Instituut voor Forensische psychiatrie en psychologie (NIFP). Het OM heeft gelet op toepasselijke regelgeving en jurisprudentie geen ruimte gezien om inzage in dit medische dossier te geven. Zowel de ouders van Tristan van der V. als het NIFP hebben tegen inzage ook bezwaar gemaakt. Dit rapport is inzet geweest voor het kort geding dat op 29 januari 2013 heeft gediend. De rechter heeft op 14 februari 2013 uitspraak gedaan en bepaald dat het medisch beroepsgeheim en de privacy van betrokkenen een verstrekking van het rapport aan de slachtoffers in de weg staan.
Zullen de slachtoffers alle door hen gewenste documenten ontvangen? Zo ja, welke documenten gaat u nog verstrekken en op welke termijn? Zo nee, waarom niet en welke documenten betreft dit?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht dat politieagenten nog steeds vaak betrokken zijn bij ongelukken op de weg |
|
Nine Kooiman |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het bericht dat politieagenten nog steeds vaak betrokken zijn bij ongelukken op de weg?1
De rijvaardigheid van agenten is van groot belang. Het handelen in situaties als spoedmeldingen en achtervolgingen vraagt immers constante alertheid en professionaliteit van de bestuurder. Daarom is de rijvaardigheidstest wettelijk verplicht gesteld in de initiële opleiding van agenten bij de Politieacademie. Daarna is er geen sprake van een wettelijk verplichte rijtraining. Omdat de politie het zeer van belang acht dat agenten rijbekwaam achter het stuur zitten, heeft de politie zelf besloten dat elke executieve politiemedewerker die regelmatig een dienstvoertuig bestuurt eenmaal per drie jaar een rijvaardigheidstraining dient te volgen.
Het wagenpark van de politie in 2011 bestond uit meer dan 14.000 voertuigen. Daarmee komt met 9538 aanrijdingen het gemiddeld aantal schademeldingen per voertuig op minder dan één.
Hoe verklaart u het feit dat het aantal aanrijdingen door de politie hoog blijft ondanks dat de rijtraining voor politieagenten sinds 2011 verplicht is?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat het aantal aanrijdingen waar agenten bij betrokken zijn, wordt verminderd?
Het spreekt voor zich dat ieder incident er één te veel is. Daarom is in de afgelopen jaren door de politieorganisatie en de Politieacademie geïnvesteerd in rijvaardigheidstrainingen voor agenten. Daarnaast worden nieuwe politievoertuigen opgeleverd met preventieve technische voorzieningen als parkeersensoren en sidebars. Voorts is er vanuit verschillende disciplines binnen de politie een werkgroep preventie gevormd. Het doel van deze werkgroep is het aantal aanrijdingen en schadegevallen te verminderen.
Ook zal ik gerichter gaan sturen op het tegengaan van veel voorkomende aanrijdingoorzaken. Deze mogelijkheid is mij aangereikt nu, sinds 1 januari 2012, alle regionale eenheden van de politie bij één verzekeraar zijn aangesloten. Deze verzekeraar neemt de administratieve lasten over en registreert ieder schadegeval waarbij een politievoertuig is betrokken. Hier uit volgt de managementsrapportage 2012 waarmee ik verwacht meer inzicht te krijgen over het rijgedrag en de meest voorkomende schadeoorzaken binnen het wagenpark.
Wat is uw reactie op de politievakbond die aangeeft dat de verplichte rijtraining en verplichte schiettraining door de roosterdrukte er nog wel eens bij in schieten?
Alle wapendragende politiemedewerkers voldoen aan de wettelijk vereiste periodieke certificering op het gebied van de gevaarbeheersing. De schiettraining valt onder deze wettelijk vereiste certificering. De rijtraining valt hier, zoals ik al eerder meldde, niet onder.
De laatste paar jaar wordt er intensief deelgenomen aan de rijvaardigheidstraining. Na een aanloopperiode in 2009 (1718 deelnemers) en 2010 (4613), hebben in 2011 en 2012 respectievelijk 8648 en 7884 deelnemers de rijvaardigheidstraining gevolgd (dit is exclusief de rijvaardigheidstrainingen voor gespecialiseerde diensten en aspiranten).
Kunt u een overzicht geven van het aantal agenten dat de verplichte rijtraining en schiettraining in 2011 en 2012 moest volgen en van het aantal agenten dat deze trainingen ook daadwerkelijk volledig heeft afgerond?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat alle agenten die deze verplichte trainingen moeten doorlopen, ook kunnen doorlopen?
Alle wettelijk verplichte trainingsinspanningen worden in een meerjarenplanning opgenomen. Bij het inroosteren van de politiemedewerkers wordt hier ruimte voor gereserveerd. Zodoende worden alle politiemedewerkers in staat gesteld om aan alle wettelijk verplichte trainingen deel te nemen.
Het weigeren van politietoezicht door het Huygens College in Amsterdam |
|
Manja Smits |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het bericht dat het college van bestuur van het Huygens College het aanbod van de wethouder om een schoolveiligheidsteam te sturen in eerste instantie heeft afgewezen?1
Deze situatie is inmiddels achterhaald. In overleg tussen het Huygens College, de politie en de gemeente is besloten om een permanent veiligheidsteam op te richten. Dat team bestaat onder andere uit een agent, een leerplichtambtenaar en een veiligheidscoördinator van de school. Ik ben tevreden dat er nu alsnog een veiligheidsteam aan de slag gaat.
Vindt u het gepast dat het bestuur een dure mediaspecialist heeft ingehuurd om de onderhandelingen te voeren met de gemeente? Bent u van mening dat het beter was geweest als het bestuur dit geld aan onderwijs had besteed? Zo neen, waarom niet?
In het algemeen vind ik dat onderwijsmiddelen zorgvuldig en doelmatig ingezet moeten worden. Het is echter aan de onderwijsinstelling om te bepalen welke ondersteuning zij noodzakelijk acht.
Welke mogelijkheden zijn er voor gemeenten en Rijksoverheid om op te treden bij onveilige situaties in en rond de school? Kunt u in uw antwoord toelichten wat een gemeente kan doen wanneer een schoolbestuur de politie de toegang tot de school ontzegt?
Indien de situatie daarom vraagt is het aan de burgemeester om te bepalen op welke wijze hij gebruik maakt van zijn bevoegdheden op grond van de Gemeentewet en op welke wijze hij zich daarbij bedient van de onder zijn gezag staande politie. Net als bij andere maatschappelijke instellingen als ziekenhuizen of bejaardentehuizen bepaalt het bestuur van de onderwijsinstelling welke veiligheidsrisico’s zich voordoen en tot welke maatregelen die risico’s noodzaken.
Het is goed dat onderwijsinstellingen structureel overleggen met de wijkagenten en de gemeente. Door het uitwisselen van informatie en kennis kunnen potentieel dreigende situaties herkend en opgelost worden vóór deze tot daadwerkelijk onveilige situaties leiden.
Bent u bereid om te onderzoeken of het mogelijk is om scholen te dwingen tijdelijk in te stemmen met politietoezicht als de situatie in de school of de directe omgeving bewezen onveilig is?
De burgermeester heeft deze bevoegdheid al. Indien de burgermeester oordeelt dat, in het kader van de openbare orde en veiligheid, er sprake is van een bewezen onveilige situatie, is de burgermeester bevoegd om politietoezicht in te zetten.
Het publiceren van 112-meldingen op internet |
|
Nine Kooiman , Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat 112-meldingen vrijwel direct zichtbaar zijn op diverse websites en dat daarbij soms zelfs het feitelijke adres van de melder of het adres waar de melding betrekking op heeft wordt weergegeven?1
Ja.
Wat is het doel van het delen van deze informatie?
De media hebben een belangrijke rol bij het informeren van de maatschappij over (grootschalige) incidenten. Voor dit doel wordt vanuit o.a. de Veiligheidsregio’s en vanuit de politie informatie over de locaties van incidenten aan de media verstrekt.
Daarnaast is het nu nog zo dat hulpdiensten middels het P2000 systeem gealarmeerd worden over een 112-melding. Deze meldingen kunnen op dit moment nog met behulp van een scanner worden opgepikt en vervolgens worden gepubliceerd op websites. In de nabije toekomst zal het P2000 berichtenverkeer gecodeerd worden verstuurd waardoor het «scannen» van de berichten niet meer mogelijk is.
Welke wet maakt dit mogelijk? Aan welke voorwaarden moet worden voldaan?
Artikel 3 van de Politiewet 2012 biedt – indien er geen sprake is van een ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van personen – ruimte tot het verstrekken van gegevens over incidenten. De verstrekking vloeit voort uit een goede uitvoering van de politietaak. Hoewel locatiegevens strikt genomen geen persoonsgegevens zijn, kunnen die in sommige gevallen door de ontvangers aan personen gerelateerd worden. Het is daarom noodzakelijk om tot een scherpe afweging te komen tussen het verstrekken van informatie in het algemeen belang en de invloed hiervan op de privacy van betrokken personen. Voor het verstrekken van informatie bij (grootschalige) incidenten zal een richtlijn worden bepaald. Hierbij zal de weging tussen bovengenoemde belangen nadrukkelijk moeten plaatsvinden. De richtlijn zal in de eerste helft van 2013 in werking treden.
Waarom worden zelfs feitelijke adresgegevens van melders op deze sites weergegeven? Hoe verhoudt zich dit tot de privacy van deze melders?
Mijn verantwoordelijkheid strekt zich primair tot de verstrekking van gegevens over de locaties van incidenten aan de media. Zoals hierboven aangegeven zal er voor de verstrekking van gegevens over incidenten ten behoeve van het publieke belang van de berichtgeving aan burgers een nadrukkelijke afweging gemaakt moeten worden die zijn beslag krijgt in nationale richtlijnen voor de verstrekking van informatie over incidenten aan de media. Het scannen van het berichtenverkeer van de politie zal in de nabije toekomst niet meer mogelijk zijn.
Deelt u de mening dat het ongewenst is dat deze persoonlijke informatie van mensen openbaar wordt? Zo nee, waarom niet?
Ik deel uw zorgen over de publicatie van privacy gevoelige gegevens op internet. Naast de richtlijn (zie vraag 4) die wordt opgesteld zal ik daarom tevens in overleg treden met de Nederlandse Vereniging van Journalisten om over het gebruik van incidentgegevens afspraken te maken. Hierover zal ik u dit voorjaar nader berichten.
Deelt u de opvatting dat volstaan kan worden met publicatie van de melding en bijvoorbeeld de buurt waar de melding betrekking op heeft, zoals op sommige sites wordt gehanteerd? Zo ja, bent u bereid dit als norm te stellen en publicatie van feitelijke adressen onmogelijk te maken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Grensoverschrijdende samenwerking tussen de Duitse en Nederlandse politie |
|
Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Trage politie faalt bij diefstal in grensgebied»?1
Ja.
Kent het bericht feitelijke onjuistheden? Zo ja, welke zijn dat dan?
Het bericht in het Algemeen Dagblad bevat tenminste de feitelijke onjuistheid dat «pas op woensdagavond» de politie de woning zou hebben doorzocht. Nadat op woensdagochtend, 28 november, rond 9.30 uur op het bureau in Echt door een privé-persoon melding was gemaakt dat mogelijk gestolen kleding afkomstig uit Duitsland in een woning in Echt zou zijn opgeslagen, is direct actie ondernomen en is de woning dezelfde dag rond 11 uur doorzocht. Daarbij is vervolgens ter afdoening de gebruikelijke formele (spoed)procedure voor grensoverschrijdende rechtshulpverzoeken gehanteerd.
Voorts is de suggestie onjuist dat (altijd) in grensoverschrijdende gevallen een internationaal rechtshulpverzoek nodig is. Zie daarvoor tevens de beantwoording op de vragen 3 en 4.
Is het waar dat het pas door middel van een internationaal rechtshulpverzoek in dit soort situaties kan worden opgetreden? Zo nee, welke mogelijkheden hadden open gestaan voor een snellere en laagdrempeliger interventie door de Nederlandse politie? Zo ja, deelt u de mening dat in situaties waar niet gewacht kan worden op formaliteiten die langer duren dan uit de aard van het misdrijf gewenst is, snellere interventiemogelijkheden moeten komen? Aan welke mogelijkheden denkt u?
In gevallen van grensoverschrijdende criminaliteit moet er spoedig en doeltreffend actie ondernomen kunnen worden. Snelle en laagdrempelige mogelijkheden voor operationele inzet zijn en worden dan ook reeds toegepast bij grensoverschrijdende samenwerking. Zo kunnen bevoegde autoriteiten, in het kader van de handhaving van de openbare orde en veiligheid of ter voorkoming van strafbare feiten, elkaar zonder verzoek om informatie, waaronder persoonsgegevens, verstrekken. Rechtsbasis hiervoor is artikel 46 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst en artikel 15 van het Verdrag met Duitsland inzake de Grensoverschrijdende Politiële Samenwerking en de Samenwerking in Strafrechtelijke Aangelegenheden (2005). Hieruit volgt de mogelijkheid voor direct contact tussen de Nederlandse en Duitse politie om zo snel handelen tegen (grensoverschrijdende) criminaliteit te bespoedigen. In het geval van het toepassen van dwangmiddelen (of bijzondere opsporingshandelingen) is tussenkomst van het OM en een internationaal rechtshulpverzoek wel vereist.
De Duitse politie mag de Nederlandse politie derhalve bellen met het verzoek polshoogte te nemen. In de onderhavige situatie had een mogelijkheid tot een snellere interventie zich voor kunnen doen indien de Duitse politie direct contact had opgenomen met de Nederlandse politie. In dat geval had een surveillance gestart kunnen worden en bij het aantreffen van de vrachtwagen de situatie «bevroren» kunnen worden. De Duitse autoriteiten hebben dit contact echter niet gelegd.
Kan of mag de Duitse politie met Nederlandse collega's bellen met de vraag of zij polshoogte willen nemen bij een verdachte vrachtauto? Zo ja, is dat gebeurd? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Is het waar dat het (snel) reageren op een internationaal rechtshulpverzoek in het weekend niet altijd (snel) mogelijk is? Zo ja, waarom is dat en betekent dat dan dat het voor criminelen effectiever is om in weekenden toe te slaan? Zo nee, waarom niet? Hoe verloopt de aanvraag en afhandeling van een internationaal rechtshulpverzoek in en buiten het weekend?
De effectieve bestrijding van criminaliteit kan en mag niet afhankelijk zijn van het tijdstip op de dag of in de week. Het snel reageren op een spoedeisend internationaal rechtshulpverzoek is altijd mogelijk, ook in het weekend. Een Duits verzoek aan Nederland moet worden ingediend bij een Nederlandse officier van justitie. Hiertoe zijn regionale Informatie- en Coördinatiecentra (IRC’s) ingericht die 24/7 telefonisch bereikbaar zijn en die de rechtshulpverzoeken coördineren. Bij spoed kan daarbij volstaan worden met een telefonisch verzoek, met de toezegging dat een schriftelijke reactie volgt.
Duitsland kent een dergelijke coördinerende instantie niet. Echter, ook daar zijn officieren van justitie 24 uur per dag beschikbaar voor dergelijke verzoeken. De Duitse politie kan dan ook op ieder moment van de week via een Duitse officier van Justitie een internationaal rechtshulpverzoek doen aan Nederland.
Een politie-snoepreisje naar Marokko |
|
Louis Bontes (PVV), Joram van Klaveren (PVV) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Politie op dure Marokko-reis»?1
Ja.
In hoeverre deelt u de visie dat de Nederlandse politie niets te zoeken heeft in Marokko als zij daar niet is in het kader van het opsporen van criminelen?
Ik heb mij, evenals u, de vraag gesteld of reizen als deze noodzakelijk zijn. Mede om die reden heb ik bij de totstandkoming van het nieuwe Arbeidsvoorwaardenkader Politietop (zie tevens mijn brief aan uw Kamer van 21 december 2012, Kamerstuk II 29 628, nr. 352) rekening gehouden met het thema buitenlandse dienstreizen. Ik heb daarom met de politievakorganisaties een Gedragscode Buitenlandse Dienstreizen afgesproken, die integraal onderdeel is van het nieuwe arbeidsvoorwaardenkader politietop. Het vertrekpunt van deze gedragscode is dat buitenlandse dienstreizen die door de politie worden ondernomen altijd integer, nuttig en noodzakelijk dienen te zijn. Nut en noodzaak wordt altijd getoetst door het bevoegd gezag, in dit geval de Landelijke korpschef, die toestemming verleent voor het ondernemen van een buitenlandse dienstreis. De Landelijke Korpschef toetst het nut en de noodzaak van deze reizen (vooraf en achteraf) en beoordeelt tevens of mogelijke belangenverstrengeling aan de orde zou kunnen zijn. Alle reizen van niet-operationele aard worden bovendien conform het inrichtingsplan Nationale Politie vooraf gemeld aan mijn ministerie.
Deelt u de mening dat de politie IJsselland beter naar bijvoorbeeld de Haagse wijk Transvaal had kunnen gaan en de daar achtergebleven autochtonen had kunnen vragen hoe het is om ergens als vreemdeling te zijn in plaats van een reis naar Marokko te ondernemen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Welke stappen bent u voornemens te zetten om een einde te maken aan het absurde diversiteitsbeleid bij de politie?
Zie antwoord vraag 2.
De proportionaliteit van een Europese aanbesteding van sleepdiensten door de inkoopafdeling van de politie |
|
Erik Ziengs (VVD) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de lopende Europese aanbesteding door de voorziening tot samenwerking (vts) Politie Nederland (divisie inkoop&supply) van bergingsdiensten om politionele redenen?1
Ja. De Europese aanbesteding «Bergen, stallen en transporten van voertuigen in opdracht van de politie» is op 13/09/2012 onder referentienummer 2011–048 op www.aanbestedingskalender.nl geplaatst.
Is het waar dat de politie pas vanaf 1 januari 2013 verplicht is om gezamenlijk in te kopen, omdat pas dan de Politiewet 2012 in werking treedt? Waarom moet deze aanbesteding dan nu al plaatsvinden en niet na inwerkingtreding van de nieuwe Aanbestedingswet?
De Nederlandse politie heeft in 2008 op verzoek van de toenmalige minister van BZK en in overleg met het Korpsbeheerdersberaad (Kbb) aan de vts Politie Nederland opdracht gegeven om Landelijke Europese aanbestedingen uit te voeren voor overwegend landelijk in te kopen producten en diensten. Deze opdracht is door het Kbb in 2008 verstrekt om zodoende meer lijn in de bedrijfsvoering van de politie te brengen, de samenwerking tussen politieregio's te verbeteren en daarmee significante inkoopbesparingen te realiseren.
Hiermee is invulling gegeven aan de wens die uw Kamer in 2007 heeft geuit om de bedrijfsvoering en informatievoorziening van de politie te verbeteren. Met de in 2008 doorgevoerde wijziging van de Politiewet 1993 in verband met het vervallen van de facilitaire diensten van het Korps landelijke politiediensten (Kamerstukken 31 564), waarmee de dienst Logistiek van het Korps Landelijke Politiediensten overging naar de vts Politie Nederland, is toentertijd aan de vts Politie Nederland de bevoegdheid verleend om hieraan uitvoering te geven.
Wat is de reden dat er bij deze aanbesteding gebruik wordt gemaakt van clusteren (het samenvoegen van opdrachten) en het stellen van een omzeteis van € vijf miljoen; boven de Europese drempel? Deelt u de mening dat de doelstelling van de nieuwe Aanbestedingswet is om kleinere bedrijven meer kansen te geven en dergelijke (omzet)eisen uit te bannen?
Ik hecht grote waarde aan doelmatige inkoop, waarbij efficiënt met belastinggeld wordt omgegaan. Met het oog op de rechtmatigheid en doelmatigheid is er in 2008 voor gekozen om als politie gezamenlijk in te kopen.
Er is voor gekozen de coördinatie van de dienstverlening rond berging, stalling en transport onderdeel te laten uitmaken van de onderhavige aanbesteding. Dit betreft vooral aansturing van uitvoerende diensten en administratie. Deze keuze is gemaakt om de politieorganisatie zoveel mogelijk te ontzorgen.
De voornaamste reden dat er een omzeteis gevraagd wordt, is om te voorkomen dat er een te grote wederzijdse afhankelijkheid tussen de politie en de uiteindelijke leverancier van bergings-, stallings- en transportdiensten ontstaat. Jurisprudentie toont aan dat een omzeteis van maximaal 3 keer de jaarlijkse opdrachtwaarde mag worden gevraagd en de gevraagde omzeteis valt binnen die grens.
De doelstelling van de Aanbestedingswet 2012 die naar verwachting op 1 april 2013 in werking zal treden, beoogt inderdaad het midden- en kleinbedrijf meer kansen te geven op overheidsopdrachten. Op grond van de Aanbestedingswet 2012 mogen omzeteisen in beginsel niet meer gesteld worden. Het stellen van omzeteisen is alleen toegestaan indien de aanbestedende dienst dit met zwaarwegende argumenten motiveert in de aanbestedingsstukken. De publicatie van de betreffende aanbesteding op 13/09/2012 gaat ongeveer een half jaar vooraf aan de verwachte inwerkingtreding van de Aanbestedingswet 2012 per 1 april as.. Na inwerkingtreding is de nieuwe Aanbestedingswet ook van toepassing op de aanbestedingen van de politie en zal ook met de omzeteisen conform worden omgegaan.
Deelt u de mening dat door deze onnodige clustering slechts enkele overkoepelende Alarmcentrales nog in aanmerking komen voor gunning en het tegelijkertijd voor kleine bergingsbedrijven die niet reeds contractueel verbonden zijn aan deze Alarmcentrales onmogelijk wordt om nog mee te dingen naar dit type opdrachten?
De inschrijvers hebben gebruik gemaakt van samenwerkingsverbanden. Op deze manier dingen meerdere MKB-bedrijven mee naar deze opdracht.
Beoordeelt u de vermelde omzeteis en de inherente, hierboven omschreven gevolgen hiervan voor MKB-bergingsbedrijven die geen contractuele relatie hebben met een overkoepelende Alarmcentrale als proportioneel en wenselijk voor de totale markt van bergingsbedrijven?
Onder de nu geldende regelgeving acht ik deze aanbesteding proportioneel.
Bent u van plan om op korte termijn actie te ondernemen en deze onvolledigheden en ongewenste gang van zaken aan te pakken? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Via verschillende kanalen wordt momenteel actief richting aanbestedende diensten gecommuniceerd wat er gaat veranderen op het moment dat de Aanbestedingswet 2012 in werking treedt. Het kabinet acht het zeer wenselijk dat aanbestedende diensten zich daar vast op voorbereiden en hun nieuwe aanbestedingen al zoveel mogelijk in de geest van de Aanbestedingswet 2012 op de markt zetten. Op het moment dat de Aanbestedingswet 2012 in werking treedt, zijn de aanbestedende diensten ook verplicht om volgens deze wet te handelen.
Bent u bereid om in gesprek te treden met de betreffende politiedienst over de proportionaliteit van de omzeteis en de negatieve gevolgen ervan voor een aanzienlijk deel van de bergingsmarkt? Bent u bereid de politie inkopers te vragen nu al te handelen in de geest van de nieuwe Aanbestedingswet, waarbij toegang voor alle bedrijven het uitgangspunt is?
Zie antwoord vraag 6.
De hackplannen van de minister |
|
Magda Berndsen (D66) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel in het Nederlands Juristenblad waarin ernstige kanttekeningen worden geplaatst bij uw plannen om de politie computers te laten hacken?1
Ja.
Wat is uw reactie op de kritiek in het artikel dat door het plaatsen van zogenoemde «policeware» op computers sprake is van een vorm van identiteitsdiefstal door opsporingsinstanties?
In mijn brief van 5 oktober 2012 (Kamerstukken 2012/13, 28 684, nr. 363) heb ik aangegeven dat opsporingsinstanties op afstand een geautomatiseerd werk binnen zouden moeten kunnen treden ten behoeve van de opsporing van ernstige strafbare feiten. In het artikel wordt door de auteur betoogd dat het plaatsen van zogenaamde policeware niet alleen computervredebreuk omvat, maar ook identiteitsfraude. Voor het installeren van policewareop de computer zijn immers gebruikersrechten nodig. Hierbij is volgens de auteur sprake van totale controle over de computer. In reactie op deze kritiek merk ik op dat het binnentreden, genoemd in mijn brief, is gericht op het vaststellen van het strafbaar handelen van de verdachte en niet op het onder de identiteit van de verdachte verrichten van handelingen teneinde bij derden de indruk te wekken dat de verdachte die handelingen verricht. In die zin is er naar mijn mening geen sprake van identiteitsdiefstal.
Wel is het juist dat er handelingen worden verricht om toegang te verkrijgen tot gegevensbestanden van de verdachte. Dit handelen in het kader van de opsporing dient op zodanige wijze te worden vastgelegd dat achteraf verantwoording kan worden afgelegd over de rechtmatigheid van de bewijsverkrijging. Essentieel hierbij is dat de handelingen van de politie controleerbaar zijn. Dat wil zeggen dat deze handelingen worden vastgelegd ten behoeve van de verantwoording van opsporingshandelingen in een strafzaak. In dat kader zal ook nader onderzocht worden in hoeverre gebruik kan worden gemaakt van een secure logging faciliteit. Dit vormt uiteraard ook onderwerp van de voorbereiding van het wetsvoorstel, waar ik thans niet op kan vooruitlopen. Overigens kan nog worden opgemerkt dat in relatie tot rechtmatig politieoptreden bezwaarlijk kan worden gesproken van identiteitsfraude. Immers, de politie is ook bevoegd tot huiszoeking en pleegt daarbij geen huisvredebreuk. Met de voorgenomen wetswijziging zal de politie geen strafbare handeling plegen wanneer een computer wordt betreden en doorzocht, omdat het vereiste van de wederrechtelijkheid ontbreekt.
Hoe beschouwt u de praktische problemen waar in het artikel op wordt gewezen, in het bijzonder ten aanzien van de rol van de rechter-commissaris die, gezien de digitale aard van hacking, niet als vergelijkbaar kan worden geacht met de «off line» werkelijkheid van huiszoeking?
Met betrekking tot de rol van de rechter-commissaris zijn de verschillen tussen de analoge en digitale wereld mijns inziens niet zo groot als de auteur in zijn artikel stelt. Ook nu is het reeds zo dat de rechter-commissaris voorafgaand aan een doorzoeking van een woning zijn toestemming moet verlenen en de beperkingen aangeeft. Hij is daarbij niet altijd daadwerkelijk aanwezig bij de operatie. Daar komt bij dat ook nu de rechter-commissaris reeds machtigingen dient af te geven voor het plaatsen van technisch geavanceerde hulpmiddelen als een internettap of een richtmicrofoon.
Het argument dat verdachten later kunnen aanvoeren dat de politie belastende informatie zelf creëert en op de computer van de verdachte heeft geplaatst is, zoals bij de beantwoording van vraag 2 reeds aan de orde is gekomen, op zichzelf niet nieuw. De door de auteur genoemde risico’s worden serieus genomen. Bij de voorbereiding van de wettelijke regeling zal de nodige aandacht worden besteed aan de praktische problemen rond de toepassing van deze bevoegdheid. Daarbij zal ook de secure logging faciliteit worden betrokken.
Hoe verhoudt het plaatsen van «policeware» op computers zich tot antivirussoftware waarmee ook «policeware» kan worden gedetecteerd op de computer/tablet/smart phone van burgers? Kan de antivirussoftware deze «policeware» gewoon verwijderen of bent u voornemens van antivirusbedrijven te eisen dat zij dergelijke policeware niet detecteren, vermelden en verwijderen en daarmee onvolledige bescherming bieden aan hun klanten?
Het voorkomen van het ontdekken door antivirussoftware van de door de auteur genoemde «policeware» is een gecompliceerd technisch probleem. De verhouding tussen het plaatsen van policeware en het functioneren van antivirussoftwarewordt, als onderdeel van de praktische problemen rond de toepassing, betrokken bij de voorbereiding van het wetsvoorstel.
Wat vindt u van het idee om, net als in Duitsland, in wetgeving te expliciteren dat grondrechten van burgers, zoals bijvoorbeeld het recht op confidentialiteit en integriteit van eigen computersystemen, worden gewaarborgd en inbreuken onder specifieke omstandigheden vanuit dit uitgangspunt steeds gerechtvaardigd moeten zijn?
Bij het heimelijk op afstand binnendringen van een geautomatiseerd werk door de opsporingsdiensten, kunnen verschillende grondrechten in het geding zijn. Dit betreft het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (art. 10 WG) en de onschendbaarheid van het briefgeheim (art. 13 GW). Deze grondrechten zijn niet absoluut, beperking van deze rechten is onder omstandigheden mogelijk, mits bij wet voorzien. Het belang van de opsporing van strafbare feiten vormt een zwaarwegend algemeen belang dat aanleiding kan vormen tot het stellen van beperkingen aan de bovengenoemde grondrechten. De regeling van het aftappen en opnemen van telecommunicatie in het Wetboek van Strafvordering (art. 126m/t Sv), vormt daarvan een voorbeeld. In het licht van de geldende grondrechten zie ik weinig meerwaarde in een explicitering in wetgeving dat de confidentialiteit en integriteit van eigen computersystemen worden gewaarborgd en dat inbreuken op dit recht onder specifieke omstandigheden gerechtvaardigd moeten zijn. De bevoegdheid tot het op afstand heimelijk doorzoeken van geautomatiseerde werken ten behoeve van de opsporing van ernstige strafbare feiten zal met strikte waarborgen worden omkleed. In het wetsvoorstel zal zorgvuldig worden omschreven wanneer, hoe en onder welke omstandigheden gebruik kan worden gemaakt van de opsporingsbevoegdheden. Dit biedt de burger waarborgen voor een zorgvuldige toepassing van de nieuwe bevoegdheden.
Wat niet in het artikel van de auteur vermeld staat, maar wat ik voor de volledigheid wel wil opmerken, is dat in de Duitse wetgeving een bevoegdheid is opgenomen tot het op afstand doorzoeken van computers. Dit betreft de zogenaamde Verdeckter Eingriff in informationstechnische Systeme, die onder bepaalde voorwaarden kan worden verricht door het Bundeskriminalamt (§ 20k BKAG). Daarmee wordt dus inbreuk gemaakt op het door de auteur aangehaald recht op confidentialiteit en integriteit van eigen computersystemen. Daarbij is voorzien in een uitgebreide protocolverplichting.
Hoe beschouwt u de suggestie om in geval van criminele hackers over te gaan tot het reactief verstoren van de ICT-infrastructuur van aanvallers indien sprake is van een acuut bedreigende agressie?
Ik beschouw dit als een belangwekkende suggestie. In mijn eerdergenoemde brief aan Uw Kamer van 15 oktober, waarover ook de auteur in zijn artikel spreekt, ben ik nader ingegaan op de noodzaak van het op afstand ontoegankelijk maken van gegevens, ook als de gegevens zich in het buitenland bevinden. De auteur wijst op de noodzaak tot het ondernemen van snelle, effectieve actie tegen criminele hackers die uit het buitenland opereren. Deze verstoringsbevoegdheid zou reactief ingezet worden, in situaties waarin sprake is van aanvallen gericht tegen personen of infrastructuur in Nederland. Deze suggestie zal worden betrokken bij de voorbereiding van het eerdergenoemde wetsvoorstel.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voorafgaande aan het algemeen overleg in de Kamer over de nationale cyber security strategie op 29 november 2012?
Ja, nu dit algemeen overleg is geagendeerd op 6 december 2012