Onjuiste weergave van gegevens in rapport over alternatieven voor afvalwaterinjectie in Twente |
|
Agnes Mulder (CDA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Rapport zet Kamp op verkeerde been»?1
Ja.
Studeert u op dit moment op het in het artikel genoemde rapport van Royal Haskoning DHV «Herafweging verwerking productiewater Schoonebeek»?2
Ja. Het eindrapport is door Royal Haskoning DHV (RDHV) in opdracht van NAM opgesteld en op 13 december 2016 aan mij toegestuurd. Conform de huidige waterinjectievergunning is NAM verplicht om zesjaarlijks een evaluatie uit te voeren om te onderzoeken of het injecteren van injectiewater in Twente nog steeds de meest geschikte verwijderingsmethode is. Ik heb NAM in het voorjaar van 2015 verzocht deze evaluatie 1,5 jaar te vervroegen naar aanleiding van vragen en zorgen uit de regio Twente. NAM heeft in november 2015 de opzet van het onderzoek gepubliceerd. In juni 2016 is vervolgens het tussenrapport gepubliceerd.
Een begeleidingscommissie bestaande uit lokale en provinciale bestuurders heeft erop toegezien dat het tussenrapport en de onderzoeksopzet op transparante wijze tot stand zijn gekomen. Om de onafhankelijkheid te borgen heb ik de Commissie voor de m.e.r. en het kennisinstituut over water en waterzuivering Deltares gevraagd om mij te adviseren over de onderzoeksopzet, het tussenrapport en het eindrapport. Ik verwacht begin februari 2017 beide adviezen over het eindrapport te ontvangen. Aan de hand van het eindrapport van NAM, de adviezen van de Commissie voor de m.e.r. en Deltares, gesprekken met lokale en regionale bestuurders en standpunten van verschillende stakeholders verwacht ik begin deze maand een besluit te kunnen nemen over de toekomst van de waterinjectie in Twente.
Volgens de bedrijven Saltech en Nieuwe Weme zijn de door hun aangeleverde cijfers ten aanzien van de capaciteit en kosten van zuivering van productiewater zonder onderbouwing gewijzigd in het eindrapport; kunt u Royal Haskoning DHV verzoeken deze onderdelen van het rapport verder te onderbouwen of te herzien?
Op 22 november 2016 heb ik uw Kamer per brief geïnformeerd over mijn keuze voor drie alternatieven die in het eindrapport moeten worden uitgewerkt.
Naar aanleiding van het Algemeen Overleg over waterinjectie met uw Kamer op 15 september 2016 (Kamerstuk 32 849, nr. 94), het advies van de TU Delft (in opdracht van de provincie Overijssel) en reacties van regionale bestuurders en stakeholders, heb ik NAM gevraagd om in het eindrapport twee additionele zuiveringsvarianten op te nemen. Deze twee varianten betreffen een zuiveringsproces dat gebruik maakt van de technologie van Salttech en een zuiveringsproces dat gebaseerd is op de door de TU Delft genoemde membraan technologie.
De technologie van Salttech en de technologie van de TU Delft zijn geen volledige zuiveringsprocessen voor het specifieke productiewater uit Schoonebeek. In het rapport is voor iedere zuiveringsvariant een compleet zuiveringsproces ontworpen bestaande uit meerdere processtappen, zodat uiteindelijk schoon water en voor zover mogelijk bruikbaar zout wordt geproduceerd. In hoofdstuk 3 van het eindrapport (figuren 2, 4 en 5) zijn deze zuiveringsprocessen weergegeven.
NAM en RHDHV hebben tijdens workshops met technici van Salttech en de
TU Delft de verschillende zuiveringstechnologieën besproken. Men heeft vervolgens het waterzuiveringsproces met de Salttech technologie en het waterzuiveringsproces met de TU Delft technologie ontworpen. De in het eindrapport opgenomen kosten van de benodigde processtappen en de operationele kosten zijn gebaseerd op de gegevens van Salttech en de TU Delft. Waar nodig zijn deze gegevens aangevuld met marktinformatie en specifieke informatie van RHDHV of NAM. Dit staat beschreven in bijlage 2.2 «Overzicht van technologieën voor waterzuivering» van het eindrapport. RHDHV heeft de door Salttech opgegeven investeringskosten overgenomen, te weten 40 miljoen euro.
Het eindrapport geeft daarmee een goed beeld van het energieverbruik en de kosten die nodig zijn om het injectiewater volledig te zuiveren.
Naar aanleiding van berichtgeving in de media en een verzoek van de provincie Overijssel, heb ik Deltares verzocht om in haar advies in te gaan op de onderbouwing van de in het eindrapport uitgewerkte zuiveringsvarianten.
Bent u bereid om de bedrijven Saltech en Nieuwe Weme te horen over de wijze waarop zij een alternatief voor de verwerking van het productiewater uit Schoonebeek kunnen uitvoeren?
In het eindrapport is aangegeven dat er workshops hebben plaatsgevonden met technici van Salttech, RHDHV en NAM. Uitgaande van deze workshops is het zuiveringsproces waarvan de Salttech technologie een onderdeel is, ontworpen. Hetzelfde geldt voor de zuiveringsvariant van de TU Delft. In het eindrapport wordt geconcludeerd dat de zuiveringsvariant van de TU Delft beter scoort dan de variant van Salttech. Er wordt ook geconcludeerd dat de variant van de TU Delft nog wel wat verder van de markt staat. Het eindrapport laat zien dat alle zuiveringsvarianten een duidelijk negatiever milieueffect hebben dan de verschillende waterinjectie varianten.
Een nader gesprek met de bedrijven Salttech en Nieuwe Werne lijkt mij niet aan de orde vanwege het commerciële belang dat zij in dezen hebben. Het is aan Salttech en Nieuwe Werne om de claims over de desbetreffende technologie waar te maken, daarover te publiceren en andere bedrijven en partijen daarvan te overtuigen.
Waarom twijfelt Royal Haskoning DHV, gezien hun beschrijving van het alternatief van zuivering op pagina 8 van het rapport «Herafweging verwerking productiewater Schoonebeek», aan deze bewezen technieken van de bedrijven Saltech en Nieuwe Weme?
In het eindrapport wordt op pagina 5 tot 17 een samenvatting gegeven van het verloop van het onderzoek, van de opzet tot en met het eindrapport. Op pagina 8 worden de alternatieven beschreven die door NAM in het tussenrapport op hoofdlijnen zijn uitgewerkt. Deze beschrijving heeft geen betrekking op de technologie van Salttech. RHDHV twijfelt op pagina 8 dus niet aan de technologie van Salttech. De Salttech technologie wordt in het eindrapport voor het eerst besproken in de paragraaf «Maatschappelijke dialoog en de keuze van de Minister» op pagina 12.
Kunt u verklaren waarom Royal Haskoning DHV kosten voor zuivering van productiewater berekend à 500 miljoen euro in plaats van 45 miljoen euro, welk bedrag is voorgerekend en aangeleverd aan de opstellers van het rapport en Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM)?
Zoals eerder aangegeven is de technologie van Salttech geen volledig zuiveringsproces zoals NAM dat voor het specifieke productiewater uit Schoonebeek zou kunnen toepassen. In het rapport is daarom een zuiveringsproces ontworpen bestaande uit meerdere processtappen om te komen tot schoon water en voor zover mogelijk bruikbaar zout. De Salttech technologie is een van de processtappen.
In het eindrapport zijn voor de verschillende alternatieven en onderliggende varianten kostenberekeningen gemaakt voor de gehele levensduur van de oliewinning in Schoonebeek (tot 2050). Men heeft in de kostenberekeningen onderscheid gemaakt in investeringskosten van de verwerkingsmethode, noodzakelijke additionele investeringen en de operationele kosten gedurende de gehele levensduur. Deze voor de industrie gebruikelijke wijze van kostenberekening maakt het mogelijk om de verschillende verwerkingsmethoden met elkaar te vergelijken.
RHDHV heeft in het eindrapport gebruikgemaakt van de door Salttech aangeleverde kosten van 40 miljoen euro. Voor het gehele zuiveringsproces op basis van de Salttech technologie zijn de volgende kosten over de periode 2022–2050 berekend:
De kosten van de zuiveringsvariant bedragen voor de gehele levenscyclus 501 miljoen euro.
Kunt u verklaren waarom Royal Haskoning DHV uitgaat van een opbrengst van nul euro voor het zout dat gewonnen zou kunnen worden uit het productiewater?
RHDHV heeft aangegeven dat het erg onzeker is of het geproduceerde zout hergebruikt kan worden omdat het mogelijk niet aan de eisen die gesteld worden aan bijvoorbeeld strooizout kan voldoen. Indien men aanneemt dat men het zout wel zou kunnen afzetten dan zou dit conform de huidige marktprijs 1,8 miljoen euro per jaar opleveren. Uitgaande van de kostenberekening zoals gegeven in het antwoord op vraag 6 zou dit volgens de netto contante waarde methode een kostenvermindering geven van 18 miljoen euro.
Bent u bereid uw besluit te baseren op de kosten als aangeleverd door Saltech en niet als geschetst in het rapport van Royal Haskoning DHV?
RHDHV heeft in het eindrapport de kosten van verschillende alternatieven en onderliggende varianten op een gebruikelijke wijze weergegeven zodat deze ook onderling te vergelijken zijn. Ik zie geen redenen om aan te nemen dat deze berekeningen niet correct zijn uitgevoerd of dat men incorrecte aannames heeft gedaan. Zoals eerder aangegeven heb ik om de onafhankelijkheid te borgen advies gevraagd aan de Commissie voor de m.e.r. en Deltares.
Kunt u aangeven in hoeverre NAM/Shell als opdrachtgevers van het eindrapport door Royal Haskoning DHV invloed hebben gehad bij het opstellen daarvan?
De zesjaarlijkse evaluatie is een verplichting die voortkomt uit de huidige vergunning. NAM is als vergunninghouder verantwoordelijk voor de inhoud van het rapport. Het eindrapport is opgesteld door RHDHV in opdracht van NAM.
RHDHV heeft hierbij gebruikgemaakt van informatie die door NAM is aangeleverd, informatie uit literatuur en informatie uit de publiekelijke database NLOG.nl. Het eindrapport bestaat uit verschillende deelrapporten met elk een eigen literatuurlijst.
Heeft u de toetsing van Deltares, commissie milieu effectrapportage en de eindreacties van de klankbordgroep op het eindrapport mogen ontvangen?
Ik heb de adviezen van de Commissie voor de m.e.r. en Deltares op het moment van schrijven nog niet ontvangen. Ik verwacht beide adviezen begin deze maand te ontvangen. Ik heb van de provincie Overijssel, van de betrokken Twentse gemeenten en van gemeente Coevorden een schriftelijke reactie ontvangen.
Op 23 januari 2017 heb ik in Enschede gesproken met de regionale bestuurders. Vervolgens heb ik voor de derde keer gesproken met het burgerinitiatief. Ik heb van het burgerinitiatief een eindrapport ontvangen. Ik zal onder andere deze schriftelijke en mondelinge reacties betrekken in mijn besluitvorming over de toekomst van waterinjectie in Twente. Ik verwacht dat besluit deze maand te kunnen nemen.
Vraagt u het Staatstoezicht op de Mijnen om een advies over het eindrapport van Royal Haskoning DHV? Zo nee, waarom niet?
Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) houdt toezicht op de huidige waterinjectie in Twente. Ik heb SodM niet om advies gevraagd over het eindrapport. De toezichthouder heeft geen rol in deze evaluatie omdat er verschillende nog niet gerealiseerde verwerkingsalternatieven met elkaar worden vergeleken.
In hoeverre is volgens u rekening gehouden met uw verzoek dat rekening gehouden wordt met reacties van Vitens, het Burgerinitiatief en de TU Delft op het tussenrapport en op de aanvullingen van het tussenrapport?
Ik heb NAM naar aanleiding van de adviezen en reacties op het tussenrapport gevraagd om een verduidelijking en aanvulling te geven. RHDHV heeft op 30 september 2016 een notitie en een herziende samenvatting gepubliceerd en heeft hiermee voldaan aan mijn verzoek. Op 22 november 2016 heb ik uw Kamer geïnformeerd over mijn besluit aangaande de nadere selectie van alternatieven. (Kamerstuk 32 849, nr. 96)
Ik heb NAM verzocht deze alternatieven in het eindrapport uit te werken. In mijn brief heb ik ook aangegeven hoe ik rekening heb gehouden met de adviezen en de reacties van Deltares, de Commissie voor de m.e.r., TU Delft en het burgerinitiatief.
Vitens is evenals VEWIN van mening dat mijnbouwactiviteiten moeten worden uitgesloten in en onder drinkwatergebieden. Vitens heeft vragen gesteld aan NAM over de geologische begrenzing van de waterinjectiereservoirs in Twente en heeft ook vragen gesteld over de lange termijn risico’s van waterinjectie. NAM heeft in het eindrapport een deelrapport opgenomen getiteld «Overkoepelende analyse ondergrondse risico’s waterinjectie Twente opgenomen» waarin risico’s en beheersmaatregelen worden genoemd. Vitens heeft aangegeven dat zij zodra de adviezen van de Commissie voor de m.e.r. en Deltares zijn gepubliceerd een reactie zal geven op het eindrapport.
Het advies van TU Delft van 25 augustus 2016 ging in op ondergrondse risico’s van waterinjectie. De TU Delft stelde ook een nieuwe waterzuiveringsvariant met membraan technologie voor. NAM heeft deze nieuwe zuiveringsvariant opgenomen en uitgewerkt in het eindrapport. NAM en TU Delft zijn via workshops gekomen tot een procesbeschrijving van deze zuiveringsvariant. Deze beschrijving was de basis voor de verdere technische uitwerking en modellering.
Ik heb van het burgerinitiatief een reactie ontvangen op het tussenrapport en een reactie op de door mij gevraagde verduidelijking en aanvulling. Ik heb deze reacties doorgestuurd naar de Commissie voor de m.e.r. zodat deze in het advies over het eindrapport kunnen worden meegenomen.
Op 17 augustus 2016 heb ik met het burgerinitiatief afgesproken om een notitie van het burgerinitiatief over foutieve, onjuiste en misleidende beweringen van NAM door TNO laten onderzoeken. Uit de notitie blijkt ook welke beelden het burgerinitiatief heeft bij de huidige waterinjectie.
TNO heeft als antwoord op mijn vraag een algemene notitie opgesteld over waterinjectie en cavernevorming en bodemdaling, breukstabiliteit en hydrofractie. TNO heeft op 6 december 2016 de notitie «Waterinjectie in Twentse gasvelden» gepubliceerd. Men heeft geconcludeerd dat cavernevorming door zoutoplossing zeer onwaarschijnlijk is. TNO onderschrijft daarmee de technische rapporten op basis waarvan SodM op 23 juni 2016 heeft geconcludeerd dat er een groot aantal aanwijzingen zijn dat waterinjectie veilig kan plaatsvinden. De notitie van het burgerinitiatief en de notitie TNO zijn bijgevoegd bij deze beantwoording3.
Zou het volgens u de nadere verkenning van NAM van innovatieve zuiveringstechnieken onder alternatief 1 ook een pilot voor het toepassen van deze technieken moeten bevatten?
Het eindrapport laat zien dat de zuiveringsalternatieven een hoog energieverbruik hebben. Het hoge energieverbruik leidt in de levens cyclus analyse (LCA) in het eindrapport tot een significant negatief milieueffect. Het hoge energieverbruik van de zuiveringsprocessen is te wijten aan het (gedeeltelijk) verdampen van het injectiewater. Het koken en verdampen van water kost veel energie. De technologie van de TU Delft maakt gebruik van membranen waardoor niet de gehele waterstoom moet worden verdampt. Deze innovatieve technologie scoort in het eindrapport daarom beter dan twee andere zuiveringsvarianten (variant NAM en variant Salttech). Maar ook de technologie van de TU Delft gebruikt veel meer energie dan waterinjectie.
Er is op dit moment geen sprake van het verlenen van een vergunning. NAM beschikt over de benodigde vergunningen voor het injecteren van het injectiewater in Twente. In de vergunning is opgenomen dat NAM zesjaarlijks een evaluatie moet uitvoeren. NAM heeft op 13 december 2016 het eindrapport aan mij toegestuurd. Ik verwacht in februari 2017 hierover een besluit te nemen. Op het moment dat de wens bestaat om de bestaande capaciteit uit te breiden dan zal NAM volgens de gebruikelijke openbare procedures een vergunningsaanvraag moeten indienen. Een milieueffectrapportage zal hier een onderdeel van zijn. Uit dit rapport zal vervolgens moeten blijken welke wijze van verwerking voor het milieu de meest geschikte is. Een pilotproject is geen onderdeel van een dergelijke procedure.
Bent u bereid om, gezien het feit dat er niet eens voldoende ruimte is voor alle productiewater uit Drenthe in de lege gasvelden in Twente, de NAM de voorwaarde te stellen bij de vergunning om onmiddellijk te starten met een pilot voor de zuivering van afvalwater?
Zie antwoord vraag 13.
Bent u bereid om deze vragen te beantwoorden en hierover met de Tweede Kamer te spreken voordat u een besluit neemt over het alternatieven voor de verwerking van productiewater uit Schoonebeek en vooraf aan het nog te houden debat over mijnbouw?
Ja.
Actie tegen afvalcriminaliteit |
|
Yasemin Çegerek (PvdA) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA), Ard van der Steur (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Provincies in actie tegen afvalcrimineel»?1
Ja.
Wat wordt gedaan om kwaadwillende afvalinzamelaars die hun afval illegaal dumpen op te pakken, te beboeten en te vervolgen? Deelt u de mening dat het principe «de vervuiler betaalt» volledig dient te worden toegepast?
Het opmerken van dumpingen gebeurt door verschillende (bestuurlijke) instanties, opsporingsdiensten, burgers en bedrijven. Bij het opmerken kunnen dumpingen worden gemeld en (buitengewoon) opsporingsambtenaren kunnen onder meer op basis van deze signalen opsporen. Bij het plegen van strafbare feiten zullen criminelen over het algemeen zoveel mogelijk proberen om opsporing te bemoeilijken. Dit geldt ook voor dumpingen en lozingen van afval. Dit heeft tot gevolg dat dumpingen en lozingen plaatsvinden op bijvoorbeeld afgelegen plekken. Het is daarom van belang alert te zijn op mogelijke afvaldumpingen. Ik onderschrijf het principe «de vervuiler betaalt» volledig.
Welke acties heeft u de voorbije jaren ondernomen om deze criminaliteit tegen te gaan? Tot welke resultaten heeft dat tot op heden geleid? Bent u van mening dat deze acties voldoende zijn om deze criminaliteit te stoppen? Zo nee, welke acties onderneemt u om deze misstanden actief te bestrijden?
Voor een succesvolle naleving van de milieuregelgeving en de aanpak van milieudelicten is een probleemgerichte aanpak essentieel. Het tegengaan van het illegaal dumpen van afval door kwaadwillende afvalinzamelaars is een zaak van intensief toezicht door alle betrokken instanties. De inzet van alle betrokken handhavers is erop gericht om met preventieve, bestuurlijke en strafrechtelijke (handhavings)instrumenten of een combinatie hiervan te komen tot een zo effectief mogelijke naleving van milieuregelgeving en waar nodig sanctionering van milieudelicten. In een meerderheid van de gevallen zorgt een snel, bestuurlijk ingrijpen voor de noodzakelijke pakkans, in andere gevallen is strafrechtelijk onderzoek met de inzet van bijzondere opsporingsbevoegdheden noodzakelijk. Tegen bedrijven kunnen boetes geëist worden, of stillegging of onderbewindstelling van de onderneming. De straffen zijn gericht op het behalen van een zo groot mogelijk effect. Ook kunnen werkstraffen of gevangenisstraffen geëist worden tegen personen. Daarnaast speelt het afpakken van criminele winsten een belangrijke rol, omdat misdaad niet mag lonen, zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 2. Deze aanpak zal voortgezet worden. In het geval van een illegale afvaldumping is de mogelijkheid om door te kunnen rechercheren sterk afhankelijk van de aangetroffen sporen en de kwaliteit daarvan. Ik verwijs ook naar het antwoord op vraag 2, waarin is aangegeven dat criminelen over het algemeen zoveel mogelijk proberen om opsporing te bemoeilijken. Dit impliceert dat het onmogelijk is om deze vorm van criminaliteit volledig te stoppen.
Bent u bereid samen met het Interprovinciaal Overleg (IPO) snel een plan van aanpak op te stellen om deze misstanden snel te bestrijden? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik ben bereid om in gesprek te gaan met provincies en Omgevingsdiensten over mogelijke aanvullende instrumenten en/of maatregelen om genoemde misstanden nog beter te bestrijden. Ik denk daarbij bijvoorbeeld aan verbeteringen in toezicht en handhaving en ook aan monitoring van goederen- en geldstromen.
Daarnaast ben ik er voorstander van dat tussen provincies, gemeenten en ketenpartners, waaronder ook politie en OM, zoveel mogelijk informatie gedeeld wordt over de opgedane ervaringen in de aanpak van illegale afvaldumpingen.
Waarom is in 2009 de regeling ingetrokken (Besluit financiële zekerheid milieubeheer, inclusief verplichting tot geld storten in depot) waarbij bedrijven geld moesten storten in het depot bij aanvraag van de vergunningen om de eventuele bodemsanering te bekostigen? Bent u gezien de aanhoudende gevallen van afvalcriminaliteit en de ernst daarvan bereid deze regeling opnieuw in te voeren? Zo nee, welke betere alternatieve maatregel treft u opdat de belastingbetaler niet langer voor het probleem opdraait?
Het Besluit financiële zekerheid milieubeheer is ingetrokken vanwege de daartoe strekkende motie Vietsch/Neppérus2. Dit besluit had betrekking op een zeer brede groep bedrijven, inclusief bedrijven in de afvalbeheersector.
Ingegeven door de faillissementen van de bedrijven Thermphos en Chemie-Pack, die tot zeer hoge maatschappelijke kosten hebben geleid voor het opruimen van milieuschade, heeft de Kamer meer recent door middel van aangenomen moties belangstelling laten blijken voor het opnieuw invoeren van financiële zekerheid. In het voorgenomen Omgevingsbesluit wordt voorgesteld om de invoering van financiële zekerheid mogelijk te maken voor de groep van majeure risicobedrijven (Brzo- en IPPC-categorie 4- bedrijven (chemische industrie)).
Maatregelen omtrent financiële zekerheid bieden echter geen oplossing voor de bestrijding van afvalcriminaliteit, gepleegd door onbekende daders. Het gaat in dit geval om kwaadwillende afvalinzamelaars die het afval in depots opslaan en niet naar gecertificeerde verwerkers brengen. Dit zijn bedrijven die de vergunningvereisten overtreden of zelfs helemaal geen vergunning hebben. Zij zullen daarbij zoveel mogelijk proberen om opsporing te bemoeilijken en maatregelen gericht op financiële zekerheid ontduiken.
Toezicht, handhaving, strafrechtelijk onderzoek met de inzet van bijzondere opsporingsbevoegdheden en vervolging zijn de juiste instrumenten om overtreders aan te pakken. Samen met het bevoegd gezag, politie en justitie zet ik hier vol op in. Ook is er een civielrechtelijke weg om de gemaakte saneringskosten, die het gevolg zijn van de milieuverontreiniging, op de overtreder te verhalen.
Vanzelfsprekend ben ik bereid om maatregelen te treffen als dat helpt om de problematiek nog beter aan te kunnen pakken, maar vooralsnog zie ik geen reden om financiële zekerheid voor dit type bedrijven opnieuw in te voeren.
Wat is uw opvatting over het pleidooi van verschillende provinciale bestuurders voor het invoeren van geblokkeerde bankrekeningen (zogeheten escrow-rekeningen), zodat afvaltransporteurs pas betaald krijgen als ze kunnen aantonen dat ze gevaarlijke stoffen op verantwoorde wijze hebben laten verwerken? Welke vervolgactie(s) verbindt u hieraan?
Ik begrijp dat provinciale bestuurders de rekening voor het opruimen van gedumpt chemisch afval bij de veroorzaker ervan willen neerleggen en niet bij de overheid of de belastingbetaler. Daar ben ik ook voorstander van.
De escrow-constructie, die inhoudt dat de betaling voor het afval pas wordt vrijgegeven als het aantoonbaar is verwijderd, maakt dat het financieel onaantrekkelijk is om afval op te slaan.
Zoals ook aangegeven bij het antwoord op vraag 2 en 3 zullen kwaadwillende afvalinzamelaars en -transporteurs bij het plegen van strafbare feiten over het algemeen zoveel mogelijk proberen de opsporing te bemoeilijken. De inzet van toezicht en handhaving is erop gericht om met preventieve, bestuurlijke en strafrechtelijke (handhavings)instrumenten of een combinatie hiervan te komen tot een zo effectief mogelijke naleving van milieuregelgeving en waar nodig sanctionering van milieudelicten.
Als deze instrumenten ontoereikend blijken te zijn, is het zeer de vraag of een verplichte geblokkeerde bankrekening de provinciale bestuurders vrijwaart van betaling van hoge (opruim)kosten als een afvalbedrijf zijn verplichtingen niet nakomt. Het mag niet zo uitwerken dat goedwillende bedrijven de rekening gaan betalen voor het opruimen van afval dat door kwaadwillende bedrijven is gedumpt.
Ik ga graag in gesprek met provincies en afvalbranche over een effectieve aanpak van afvalcriminaliteit, volgens het principe «de vervuiler betaalt».
Het bericht ‘Afnemer wil rechtszekerheid’ |
|
Remco Dijkstra (VVD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Afnemer wil rechtszekerheid» uit het Vakblad Afval! van 18 december 2016?1
Ja.
Hoe oordeelt u over de kritiek dat de overheid afnemers en aanbieders van reststromen te weinig rechtszekerheid geeft?
De definitie van «afvalstof» in het Europese recht (en ook onder het mondiale Verdrag van Bazel) laat interpretatieruimte die tot verschillen in beoordeling kan leiden door de vergunningverleners, zelfs binnen één land. Ik maak mij sterk voor een gelijk speelveld en het minimaliseren van deze verschillen.
In het kader van de onderhandelingen in de EU over de herziening van de Kaderrichtlijn afvalstoffen zet ik in op meer duidelijkheid over de definitie van afvalstoffen («zich ontdoen»). Nationaal werk ik aan verduidelijking van het afvalbegrip in het komende Landelijk Afvalbeheerplan (LAP3). In 2015 zijn twee ministeriële regelingen uitgebracht met nationale criteria voor de status «einde-afval» respectievelijk «bijproduct» voor enkele specifieke stoffen. Bovendien verstrek ik bedrijven op verzoek rechtsoordelen over specifieke stoffen en toepassingen, die ook op de website van Rijkswaterstaat gepubliceerd worden. Met de rechtsoordelen verduidelijk ik de toepassing van het wettelijk kader in concrete gevallen. Al deze acties hebben tot doel om meer duidelijkheid te creëren voor het bedrijfsleven en de betrokken uitvoeringsdiensten over de ruimte die de (Europese) wetgeving en jurisprudentie bieden.
Een rechtsoordeel van het ministerie is geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT), de provincies en de gemeenten hebben als vergunningverlener, toezichthouder en handhaver de bevoegdheid om alle feitelijke omstandigheden voor een individueel geval vast te stellen en bij hun beoordeling te betrekken. Als bevoegd gezag hebben zij de verantwoordelijkheid om feitelijk vast te stellen of de in het rechtsoordeel gegeven redeneerlijn opgaat.
Herkent u het beeld dat geschetst wordt over de Helpdesk Afvalbeheer, namelijk dat vragen van ondernemers regelmatig niet correct worden beantwoord? Hoe staat het met de bemensing van de Helpdesk Afvalbeheer?
Nee, dat beeld herken ik niet.
De Helpdesk Afvalbeheer bij Rijkswaterstaat beantwoordt jaarlijks tussen de 1.600 en 2.000 vragen, waarvan meer dan 70% binnen twee werkdagen. In diverse klanttevredenheidsonderzoeken, onder meer gehouden in 2012, 2014 en 2016, werd het functioneren van de helpdesk steeds goed beoordeeld.
De Helpdesk afvalbeheer wordt bemenst door ervaren medewerkers met een brede basiskennis van het werkveld. Voor specialistische vragen worden zij ondersteund door experts, deels van Rijkswaterstaat, maar ook van het kerndepartement, die nauw betrokken zijn bij actuele dossiers en ontwikkelingen. Verder stemt de Helpdesk Afvalbeheer regelmatig af met andere helpdesken.
Wat gaat u concreet doen om de informatievoorziening richting ondernemers vanuit de Helpdesk te verbeteren?
Ik werk doorlopend aan kwaliteitsverbetering bij de helpdesk, ondermeer met behulp van klanttevredenheidsonderzoek.
Voor vragen over het afvalbegrip kan de helpdesk in de toekomst wijzen op het (dan in werking getreden) LAP3, de «zelftoets» en rechtsoordelen op de website van Rijkswaterstaat en de mogelijkheid om ook voor een specifieke stof een rechtsoordeel van het ministerie te vragen.
Vindt u dat de overheid meer duidelijkheid kan en moet geven of een substantie een afvalstof is of niet?
Ja. De inwerkingtreding van LAP3, de ministeriële regelingen en de publicatie van de rechtsoordelen zullen leiden tot een groeiende bekendheid van overheden en bedrijven met de door mij voorgestane wijze van beoordelen of stoffen wel of niet het stempel «afvalstof» toekomt.
Waar afstemming op EU-niveau op zich laat wachten, is het alternatief om aan harmonisatie te werken met een kleinere groep landen betrokken bij een bepaalde stofstroom. Ik doe dit reeds in de North Sea Resources Roundabout.
Zijn de Omgevingsdiensten en de Inspectie Leefomgeving en Transport bij het beoordelen van een reststroom strenger dan in het buitenland?
De Omgevingsdiensten, de ILT en de buitenlandse diensten baseren zich alle op dezelfde regelgeving en jurisprudentie. Niettemin kunnen er tussen landen en binnen landen verschillen in beoordeling voorkomen. Bij ieder individueel geval moeten de specifieke omstandigheden worden gewogen.
Kijkt u positief aan tegen het idee van omgedraaide bewijslast? Zo nee, waarom niet?
Het artikel in Afval! bedoelt met «omgekeerde bewijslast» dat niet de onderneming moet aantonen dat géén sprake van een afvalstof is, maar de overheid zou moeten bewijzen dat een reststroom kwalificeert als afvalstof. Echter, de rechtspraak en de recente herziening van de Europese verordening overbrenging afvalstoffen (EVOA) geven aan dat een bepaalde bewijslast wel degelijk bij de onderneming ligt. Het gaat hierbij om documentatie over met name de aard van het product, de herkomst en de bestemming.
In dit licht zie ik als meest effectieve optie een intensievere informatie-uitwisseling tussen bedrijven en overheden om tot een gedeeld beeld te komen van de risico’s, de benodigde beheersing daarvan en de wijze waarop handhavers dit kunnen borgen. Dit is ook nader toegelicht in het Rijksbrede Programma Circulaire Economie.
Het bericht “Op Sint Eustatius spoelen koelkasten de zee in” |
|
André Bosman (VVD) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Op Sint Eustatius spelen koelkasten de zee in»?1
Ja
In hoeverre herkent u zich in het beeld zoals geschetst in het artikel?
Er is een gering gedeelte van de afvalstort naar beneden gegleden en op het strand Zeelandia terecht gekomen. Door de bijzonder zware en langdurige regenval op 17 november is de bodem verzadigd geraakt en heeft er een zogenaamde landslide plaats gevonden. Het beeld dat er op grote schaal afval, inclusief koelkasten, in de zee zijn weggespoeld, klopt niet.
Kunt u toelichten welke afspraken er gemaakt zijn over het in gebruik stellen van de nieuwe afvalscheidingsinstallatie?
De afspraak was dat het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M) zorg zou dragen voor de bouw van de afvallocatie en de aanschaf van het materieel en dat het Openbaar Lichaam (OL) Sint Eustatius de exploitatie (personeel, beheer en onderhoud) voor zijn rekening zou nemen.
Kunt u toelichten waarom het eilandbestuur weigert mensen op te leiden voor het gebruik van deze afvalscheidingsinstallatie?
Mijn beeld is niet zozeer dat het bestuur weigert mensen op te leiden. Het probleem wordt veroorzaakt door het gebrek aan financiële middelen om de lasten voor personeel, beheer en onderhoud te dragen. De jaarrekeningen over 2014 en 2015 sloten af met een tekort. Het bestuur is inmiddels bezig met een oplossing. In de conceptbegroting 2017 van St. Eustatius staat vermeld dat in de 2e helft van 2017 het eiland de afvalverbranding in werking wil laten treden, een initiatief dat ik toejuich gelet op het incident met de vuilstort.
Welke kosten zijn gemaakt bij het aanschaffen van deze afvalscheidingsinstallatie en door wie zijn deze kosten betaald?
Het Ministerie van I&M heeft alle kosten gedragen voor de bouw van de afvallocatie en de aanschaf van vuilniswagens, een sorteerlijn, machines voor het verwerken van recyclebaar materiaal en een verbrandingsoven voor biologisch, niet recyclebaar afval. De totale investering bedroeg ruim EUR 1,3 miljoen.
Vervuilende afvalstort op Sint Eustatius |
|
Roelof van Laar (PvdA) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA), Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat na een zware storm op Sint Eustatius een groot deel van de afvalstort in zee is gespoeld?1
Ja.
Klopt dit? Wat heeft er precies plaatsgevonden en welke milieuschade is waardoor precies ontstaan?
Er is een gering gedeelte van de afvalstort naar beneden gegleden en op het strand Zeelandia terecht gekomen. Door de bijzonder zware en langdurige regenval op 17 november is de bodem verzadigd geraakt en heeft er een zogenaamde landslide plaatsgevonden. Het naar beneden gegleden afval betrof met name huisafval en de schade aan het milieu lijkt beperkt. Het beeld dat er op grote schaal afval inclusief koelkasten in de zee zijn weggespoeld, klopt niet.
Is het waar dat de afvalstort van Caribisch Nederland nog steeds opgeslagen wordt op een stortplaats, waardoor die bij slecht weer in zee kan waaien? Zo ja, deelt u de mening dat dit uit milieu en gezondheidsoverwegingen volstrekt onacceptabel is? Zo ja, wat gaat u daaraan doen?
Op Sint Eustatius bevindt de stortplaats zich inderdaad nog steeds aan zee. Het storten van vuil als zodanig en de huidige locatie zijn beide ongewenste situaties. Daarom heeft het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M) in 2013 afspraken gemaakt met het Bestuurscollege over het gescheiden ophalen en verwerken van afval. De bouw van de locatie met de nieuwe verbrandingsinstallatie is door genoemd ministerie gefinancierd en in het voorjaar van 2015 opgeleverd. Als het nieuwe systeem in werking is getreden, zal de legale stortplaats worden afgedekt. Hiervoor is 300.000 euro op de begroting van het Ministerie van I&M gereserveerd.
Daarnaast stimuleert het Ministerie van I&M een sterkere, meer structurele samenwerking op afvalmanagementgebied tussen de drie openbare lichamen van Caribisch Nederland en de 3 Caribische landen binnen het Koninkrijk (Aruba, Curaçao en Sint Maarten). In samenwerking met UNEP heeft afgelopen september een workshop op Curaçao plaatsgevonden waar verschillende suggesties zijn gedaan voor verbeterde samenwerking op het gebied van effectievere recycling, de ontwikkeling van gezamenlijke business cases, kostenbesparingen door gezamenlijk gebruik van benodigde afvaltechnologie enzovoorts. De workshop zal een vervolg krijgen. Het Ministerie van I&M ondersteunt dit proces.
Waarom is de nieuwe moderne afvalverwerkingsinstallatie op het eiland nog steeds niet in gebruik? Hoe gaat u ervoor zorgen dat dit op een zo kort mogelijke termijn wel gebeurt?
De afspraak was dat het Openbaar Lichaam (OL) Sint Eustatius de verantwoordelijkheid draagt voor de exploitatie (personeel, beheer en onderhoud) van het nieuwe afvalbeheersysteem en de daarmee gemoeide kosten. Zoals bekend is de financiële situatie van het OL al geruime tijd problematisch. Daardoor zijn de kosten voor de exploitatie niet eerder in de begroting opgenomen. Het is de verantwoordelijkheid van het OL om dit probleem op te lossen. Het bestuur van het OL is op dit moment bezig met het zoeken naar een oplossing. In de conceptbegroting 2017 zijn de kosten om de afvalinstallatie in werking te laten treden wel opgenomen. Aan deze begroting is onlangs goedkeuring onthouden omdat de begroting niet aan de geldende wet- en regelgeving voldeed.
Bent u bereid om in samenwerking met de Rijksvertegenwoordiger met het eilandbestuur in gesprek te gaan om ervoor te zorgen dat zij zo snel mogelijk haar verantwoordelijkheid neemt om de nieuwe afvalwerkingsinstallatie in werking te laten treden?
Zoals bij de beantwoording van vraag 4 aangegeven, is het OL bezig met een oplossing. De Rijksvertegenwoordiger en het Ministerie van I&M zullen in gesprek blijven met het eiland over de voortgang. Verder wordt het punt van het ingebruiknemen van de nieuwe afvallocatie besproken in de reguliere overleggen inzake het plan van aanpak ter verbetering van de ambtelijke organisatie met het bestuurscollege van St. Eustatius. Het doel is de nieuwe afvallocatie in de tweede helft van 2017 operationeel te laten zijn
Op welke wijze wordt de milieuschade als gevolg van de weggespoelde afvalstort zo snel mogelijk opgeruimd? In welke mate kunt u daaraan bijdragen?
Vrijwel meteen na het wegglijden van het afval in zee is er een opruimactie gestart, waarin Stenapa en het OL met vrijwilligers samen werken. De kustlijn is sinds 6 december weer vrij van afval. Er heeft mij geen hulpvraag bereikt.
Europese subsidie voor nieuwe kolencentrales in Griekenland |
|
Marit Maij (PvdA), Jan Vos (PvdA) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de berichtgeving over Europese subsidie voor nieuwe kolencentrales in Griekenland? 1
Ja.
Waarom zou Griekenland 1,75 miljard euro moeten krijgen voor de bouw van twee nieuwe bruinkoolcentrales?
In het artikel wordt gewezen op de Griekse wens om te worden aangemerkt als één van de minst vermogende lidstaten. Hiertoe zou de groep lidstaten waarvoor deze uitzondering geldt, moeten worden uitgebreid. Griekenland zou dan een deel van zijn te veilen emissierechten, gratis toe mogen wijzen aan de energiesector voor modernisatie van deze sector.
Het Industriecomité van het Europees parlement heeft deze Griekse wens in zijn positie opgenomen. Ik heb geen aanwijzingen dat dit voorstel in het Europees parlement en de Raad op brede steun kan rekenen en verwacht niet dat dit voorstel wordt opgenomen in de ETS-richtlijn voor de periode 2021–2030.
Klopt het dat deze kolencentrales dan zouden kunnen produceren voor een periode van maar liefst 40 jaar?
Ja, nieuwe kolencentrales zijn daar naar verwachting technisch toe in staat. De economische levensduur zal tenminste 25 jaar zijn.
Waarom zou dit geld uit de ETS-emissierechten opgebracht moeten worden?
Bij de herziening van de ETS-richtlijn zet ik me ervoor in dat enkel subsidie kan worden gegeven aan CO2-arme projecten. Een aantal lidstaten deelt deze inzet, waarbij de landen die financiële steun ontvangen vanzelfsprekend wel het laatste woord willen hebben over welke projecten binnen hun land worden uitgevoerd. Ik richt me daarom op scherpe criteria voor het gebruik van de middelen. Daarnaast zet ik me ervoor in dat de groep lidstaten die van deze uitzondering gebruik mogen maken, niet wordt uitgebreid.
Hoe verhoudt dit zich tot de Overeenkomst van Parijs en de Europese klimaatdoelen en de leidende rol die de EU voor zichzelf ziet?
Zie antwoord vraag 4.
Wat kunt u doen om deze gang van zaken een halt toe te roepen?
Zie antwoord vraag 4.
Welke mogelijkheden ziet u om bij deze subsidies meer aan te sturen op verduurzaming en vergroening van de energievoorziening?
Naast het opnemen van de voorwaarde om binnen deze uitzonderingsbepaling enkel subsidie voor CO2-arme projecten te geven, draagt een competitief biedproces hieraan bij. In het Commissievoorstel voor herziening van de ETS richtlijn wordt voorgesteld dat door middel van een competitief biedproces bij grote projecten er voor gezorgd moet worden dat enkel projecten die leiden tot emissiereductie worden geselecteerd.
Het bericht ‘Help, we verzuipen in de vochtige doekjes” |
|
Eric Smaling (SP) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat er nog steeds probleem zijn in de rioolwaterzuiveringen ten gevolge van het in het toilet gooien van vochtige doekjes en vochtig toiletpapier?1
Ja.
Klopt het bericht van het Waterpanel Noord dat de schade aan riolering en de gemalen op de waterzuivering tientallen miljoenen euro’s per jaar bedraagt? Wat is de totale jaarlijkse schade aan alle rioleringen en gemalen als gevolg van producten die niet in het riool thuishoren?
Stichting Rioned schat in dat de totale omvang van de extra schoonmaakkosten (dus niet alleen veroorzaakt door vochtige doekjes) vergelijkbaar is met die van 9 jaar geleden, circa 25–55 miljoen euro per jaar.
Bent u het met uw voorganger op dit dossier eens dat het ongewenst is dat vochtige doekjes en vochtig toiletpapier tot verstoring van de doelmatige werking van het afvalwatersysteem leiden Zo nee, waarom niet?2
Ja.
Vindt u dat de eerder gemaakte afspraken met de doekjesproducenten, verenigd in EDANA, en de daarmee samenhangende gemaakte afspraken in 2009 over zelfregulering voldoende werken? Waaruit blijkt dat naar uw mening?
In 2007 is met producenten afgesproken, via zelfregulering, dat de eisen aan doorspoelbaar vochtig toiletpapier worden vastgelegd in een door de producenten opgesteld protocol en dat op de verpakkingen van doekjes duidelijk wordt aangegeven welke verwijderingsroute moet worden gevolgd. De samenstelling van vochtig toiletpapier is sindsdien veranderd en de belangrijkste «wipes» categorieën die niet doorspoelbaar zijn, zijn nu als zodanig gelabeld.
Gezien de door de riool- en zuiveringsbeheerders beschreven problematiek moet echter worden geconstateerd dat deze afspraken nog niet hebben geleid tot een bevredigende oplossing. Dat kan verschillende oorzaken hebben. Het kan liggen aan de samenstelling van het vochtig toiletpapier, onduidelijke labeling op de verpakking van (alle) vochtige doekjes en, daarmee samenhangend, het gedrag van gebruikers. Ook is het gebruik van vochtige doekjes de laatste jaren toegenomen.
De afspraken zijn gemaakt met EDANA. Dit is de brancheorganisatie van de zogenaamde «non woven» industrie in Europa. Deze organisatie vertegenwoordigt vrijwel alle producenten van «non wovens» en «nonwoven» producten, inclusief die van vochtige doekjes. Verkoop van doekjes in Nederland van producenten die geen lid zijn van EDANA is beperkt. De transportkosten van dit soort producten zijn relatief hoog, waardoor import vanuit bijvoorbeeld Azië niet op grote schaal voorkomt. In Zuid-Europese landen zijn soms regionale aanbieders actief die niet aangesloten zijn bij de producentenvereniging. Het valt niet geheel uit te sluiten dat vanuit die landen doekjes in Nederland worden verhandeld.
Waarom is de samenstelling van vochtig toiletpapier volgens de gemaakte afspraak per juni 2009 niet zodanig veranderd dat lozing via het toilet geen problemen meer zou veroorzaken? Waaruit hebben de afspraken die op 22 november 2007 met de producenten van vochtige doekjes zijn gemaakt bestaan? Op welke manier is er hierbij zorg voor gedragen dat ook goedkope leveranties uit bijvoorbeeld Oost-Europa, Turkije en China aan de gemaakte afspraken zouden (gaan) voldoen?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat het gezien de aanhoudende problematiek goed zou zijn de EDANA-richtlijnen aan te scherpen, waardoor een ISO-norm tot stand kan komen voor doorspoelbaarheid van doekjes? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik vind een scherpere ISO-norm gewenst. Een nieuwe ISO-norm is momenteel in ontwikkeling. Alle belangrijke stakeholders zijn daarbij betrokken: producenten van vochtige doekjes en de afvalwatersector, waaronder UK Water Industry Research. Vaststelling van normen, ook waar het CEN normen betreft, vindt plaats op basis van consensus. De toepassing van normen door de industrie is weliswaar vrijwillig en niet dwingend, maar is zeker van toegevoegde waarde voor de problematiek. Een dergelijke norm kan door de procedure van totstandkoming, zoals betrokkenheid van belanghebbenden en consensus, status in de markt krijgen. Partijen die vochtige doekjes inkopen kunnen de norm gebruiken om zekerheid te krijgen over de kwaliteit van de doekjes.
Het initiatief om eventueel een CEN norm te ontwikkelen ligt, net als bij ISO normen, bij belanghebbenden, zoals de afvalwatersector of de producenten van doekjes. De bereidheid om de testcriteria van UK Water Research te hanteren is eveneens aan de betreffende partijen.
Bent u bereid de testcriteria van het UK Water Industry Research (UKWIR) als basis te gaan gebruiken om op termijn te komen tot een bindende Europese Norm van het Comité Européen de Normalisation (CEN-EN norm)? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bekend met het feit dat uitgerekend vochtig toiletpapier voor kinderen niet 100% cellulose is, maar deels bestaat uit plastics? Vindt u dat hiervaneen verkeerd signaal uitgaat doordat kinderen van jongs af leren dat het doorspoelen van witte doekjes normaal is, waardoor het weggooien van ander afval ook eenvoudiger wordt? Bent u van mening dat het beter zou zijn als dit soort doekjes via het vaste afval verwijderd zouden worden? Zo nee, waarom niet?
Vochtig toiletpapier voor kinderen bevat, volgens EDANA, geen plastic vezels. Het gebruik van vochtig toiletpapier voor kinderen geeft mijns inziens niet automatisch een verkeerd signaal af. Net als bij het scheiden van huishoudelijk afval gaat het erom dat de aanbevelingen op de verpakking, mits goed gelabeld, worden opgevolgd. Bij jonge kinderen zijn het de ouders en/of verzorgers die de aanbevelingen op de verpakking moeten opvolgen en daarvoor verantwoordelijk zijn c.q. het goede voorbeeld moeten geven.
Deelt u de mening dat de website van het platform «vochtige doekjes»3 een wel heel minimale en passieve invulling geeft aan de verantwoordelijkheid van producenten van vochtige doekjes om de consument tot goed lozingsgedrag aan te zetten? Op welke wijze zult u, in overleg met de producenten van deze producten, komen tot en betere productinformatie, waardoor consumenten aangezet zullen worden tot beter lozingsgedrag?
De website «vochtige doekjes» verstrekt op dit moment vooral informatie, maar zet niet direct aan tot een beter weggooigedrag. Belangrijker dan de website vind ik echter verbetering van de labeling op de verpakking van alle vochtige doekjes. Het moet duidelijk zijn welke producten niet doorspoelbaar zijn, aangezien deze er met name de oorzaak van zijn dat verstoppingen optreden in het afvalwatersysteem. Het is nu vaak onvoldoende duidelijk of doekjes al niet dan mogen worden doorgespoeld, omdat het label vaak op de achterzijde van de verpakking is geplaatst. EDANA heeft inmiddels haar labelingscode aangescherpt en zal deze zeer binnenkort aankondigen. Alle doekjes die niet mogen worden doorgespoeld en die mogelijk in het toilet terecht komen (cosmeticadoekjes, babydoekjes, schoonmaakdoekjes, etc.) zullen worden voorzien van het «niet in het toilet» symbool op een meer zichtbare plaats. Het symbool zal zowel op de voorzijde van de verpakking komen als op het klepje of kleefetiket waar de doekjes uit de verpakking worden gehaald.
Voorts onderzoekt EDANA hoe zij samen met afvalwaterorganisaties en retailers op afzienbare termijn de communicatie richting de consumenten kan verbeteren, zodat deze zich beter bewust zijn van het type product dat ze kopen en vervolgens ook beter geïnformeerd zijn over de gewenste wijze van afvoer. EDANA heeft toegezegd om bovenstaande op korte termijn te specificeren en mij toe te zenden. Op basis daarvan zal ik nagaan of eventueel extra inzet noodzakelijk is.
Zijn de effecten van lozing van vochtig toiletpapier via het afvalwatersysteem, welke bij de introductie enkele jaren geleden nog onbekend waren, inmiddels wel bekend? Zo ja, waaruit bestaan deze effecten? Zo nee, bent u bereid deze effecten in kaart te (laten) brengen?
Ja, de effecten van doorspoeling van vochtige doekjes zijn in opdracht van het toenmalige Ministerie van VROM door het adviesbureau TAUW in beeld gebracht (Praktijkonderzoek verwerking vochtig toiletpapier in het afvalwatersysteem, november 2010). Daaruit kwam naar voren dat het merendeel van de storingen werd veroorzaakt door doekjes die niet doorgespoeld hadden mogen worden op basis van de samenstelling en aanwijzingen op de verpakking. Het onderzoek concludeert daarom dat het hier om «een verkeerd gedragsaspect» gaat.
Ziet u, gelet op het feit dat het inmiddels 2016 is en in tegenstelling tot de heersende opvatting in 2007 die er vanuit ging dat de problemen medio 2009 tot het verleden zouden behoren, nu wel mogelijkheden om de extra beheerskosten van waterschappen te verhalen op de producenten van eerder genoemde producten? Zo ja, op welke wijze gaat u hier invulling aan geven? Zo nee, waarom niet?
Nee. Een fabrikant kan niet (geheel) verantwoordelijk worden gesteld voor ongewenst gedrag van consumenten. De extra beheerkosten zouden daarom niet op fabrikanten moeten worden verhaald. Anderzijds behoort het wel degelijk tot de verantwoordelijkheid van fabrikanten om de juiste normering te hanteren en op basis daarvan op alle doekjes duidelijk aan te geven welke verwijderingsroute van toepassing is. Ook mag, gezien de huidige problematiek, van fabrikanten verwacht worden dat men actief communiceert en voorlichting geeft over de (on)doorspoelbaarheid van doekjes.
Een conflict tussen het verpakkende bedrijfsleven en gemeenten aangaande het inzamelen van kunststof verpakkingen |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Liesbeth van Tongeren (GL) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de brief van Nedvang aangaande niet-verpakkingen,1 het bericht «Toename PET-trays vraagt om structurele oplossingen»2 en het bericht «PET-trays momenteel niet recyclebaar, en nu ...»?3
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat er een conflict is ontstaan tussen het verpakkende bedrijfsleven en de gemeenten over de uitbetaling voor geleverde diensten met betrekking tot het inzamelen van kunststofverpakkingen door de gemeenten? Zo nee, waarom niet?
Het is mij bekend dat er gesprekken zijn gevoerd tussen het verpakkende bedrijfsleven en de VNG over ondermeer kunststof niet-verpakkingen en PET-trays. Het gaat hierbij om de vraag wat wel en niet betaald moet worden, en niet of er betaald moet worden. Deze gesprekken hebben nog niet geresulteerd in overeenstemming.
Klopt het dat het verpakkende bedrijfsleven van mening is dat het een minder hoge vergoeding hoeft te betalen (uit het Afvalfonds) voor het ingezamelde kunststof, omdat dat een te hoog percentage zogenaamd «kunststof niet-verpakkingen» (KNV) zou bevatten?
De hoogte van de vergoeding blijft hetzelfde, maar Stichting Afvalfonds Verpakkingen (StAV) geeft op grond van het door haar ingewonnen juridisch advies aan dat de rechtmatigheid in het geding is wanneer zij als vertegenwoordiger van het verpakkende bedrijfsleven vergoedingen uitkeert aan gemeenten voor kunststof niet afkomstig van verpakkingen. StAV rapporteert jaarlijks op basis van het Besluit beheer verpakkingen over recycling van verpakkingen. De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) ziet toe op dit Besluit. Als blijkt dat in de rapportage ook gerapporteerd is over kunststof niet-verpakkingen, dan zal de ILT aan StAV vragen om een correctie toe te passen op de cijfers.
Klopt het dat om deze vraag te beantwoorden er reeds onderzoek is gedaan naar dat percentage, en dat daaruit blijkt dat het gemiddeld 9,8% van het gesorteerde materiaal uit 2015 KNV was, waarvan 2,8% bestond uit de zakken die worden gebruikt voor de inzameling? Zo nee, wat waren dan de uitkomsten van dat onderzoek? Zo ja, betekent dit dat wanneer de zakken niet worden meegenomen, er sprake is van een gemiddelde van zo’n 7% KNV in 2015? Is dat percentage vrijwel gelijk aan het percentage dat bij aanvang van de Raamovereenkomst Verpakkingen bekend was? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke conclusie verbindt u hieraan?
Ja, er is een onderzoek gedaan naar het aandeel kunststof niet-verpakkingen in materiaal uit 2015 en daaruit is gebleken dat gemiddeld 9,8% van het gesorteerde materiaal kunststof niet afkomstig is uit verpakkingen. Uit het onderzoek is ook naar voren gekomen dat 2,8% uit zakken bestond die gebruikt worden voor de inzameling van plastic verpakkingsafval. Bij de afspraken over de vergoedingen die in een werkgroep met vertegenwoordigers van de raamovereenkomstpartijen in 2014 afgerond zijn, is niet gesproken over een aandeel kunststof niet-verpakkingen en wat dit zou betekenen voor de vergoeding.
Klopt het dat het voorafgaand aan de vaststelling van de Raamovereenkomst al duidelijk was dat er KNV in het ingezamelde kunststof zou zitten dat niet volledig verwijderd kan worden in het sorteerproces, en klopt het dat de afgesproken kostenvergoeding gebaseerd is op de inzamel- en sorteermethodiek van destijds? Zo ja, wat is dan de reden dat hier nu onenigheid over ontstaat? Zo nee, waarom niet?
Het vaststellen van de Raamovereenkomst en de afspraken over de vergoedingen die daarna gemaakt zijn, vonden plaats op basis van de toen beschikbare kennis.
Zoals bij antwoord 4 aangegeven, is er in de werkgroep die de vergoedingen heeft vastgesteld niet gesproken over het aandeel kunststof niet-verpakkingen en wat dit zou betekenen voor de vergoedingen.
Vóór 2015 kregen de gemeenten een inzamelvergoeding. Sinds 1 januari 2015 is de ketenregie voor in ieder geval de inzameling en sortering van kunststof verpakkingsafval overgegaan naar de gemeenten. Dat betekent dat de gemeenten een integrale vergoeding krijgen per ton aangeboden kunststof verpakkingsafval, dat voldoet aan de afgesproken kwaliteitseisen, bij de recycler. Bij het vaststellen van de vergoedingen is wel rekening gehouden met sorteeruitval van 25%.
Er ontstaat nu een verschil van inzicht omdat StAV op basis van het door haar ingewonnen juridisch advies aangeeft dat de rechtmatigheid in het geding is wanneer zij een vergoeding uitkeert voor de inzameling en sortering van kunststof niet afkomstig uit verpakkingen.
Deelt u de mening dat het geëigende moment om te bezien of er sprake moet zijn van een eventuele korting op de vergoeding over het ingezamelde kunststof uit 2015 het evaluatiemoment van de Raamovereenkomst is dat is voorzien voor 2017? Zo nee, waarom niet?
Hierover zullen in het kader van de evaluatie hoe dan ook afspraken moeten worden gemaakt. Aangezien gemeenten in onzekerheid zitten en StAV het jaar 2015 af moet kunnen sluiten, heeft het mijn voorkeur dat er nu al op hoofdlijnen afspraken gemaakt worden over hoe met deze kwestie om te gaan.
Kunt u bevestigen dat in de Raamovereenkomst verpakkingen het principe «de vervuiler betaalt» onverkort leidend is en dat alle partijen gehouden zijn aan de afspraken die in de Raamovereenkomst zijn vastgelegd, tot het moment dat er in het kader van een evaluatie eventueel andere keuzes worden gemaakt?
Het verpakkende bedrijfsleven is in Nederland verantwoordelijk voor de verpakkingen die het op de markt brengt. Dit komt neer op het principe «de vervuiler betaalt». De Raamovereenkomst is een uitwerking van deze producentenverantwoordelijkheid en is gericht op verpakkingen. Echter, de discussie die nu is ontstaan, gaat over kunststof dat niet afkomstig is van verpakkingen. In deze is het verpakkende bedrijfsleven dus niet «de vervuiler».
Klopt het dat het uit de stroom halen van KNV een extra sorteerslag en dus extra kosten zou betekenen waar geen rekening mee is gehouden bij het vaststellen van de vergoeding in de Raamovereenkomst? Kunt u voorts aangeven of u er voorstander van bent dat gemeenten extra kosten moeten maken voor een extra sorteerslag in het licht van het principe «de vervuiler betaalt»? Zo nee, waarom niet?
Het is mij niet bekend of gemeenten extra kosten maken voor het uitsorteren van de stroom kunststof niet-verpakkingen. Het is in eerste instantie aan de VNG en het verpakkende bedrijfsleven om afspraken te maken over hoe met deze stroom om te gaan. Het Ministerie van Infrastructuur en Milieu faciliteert het gesprek hierover.
Kunt u aangeven hoe u vanuit uw verantwoordelijkheid binnen de Raamovereenkomst bij zult dragen aan het oplossen van dit conflict, aangezien dit op grote schaal kan leiden tot onzekerheid bij gemeenten ten aanzien van de te ontvangen vergoedingen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke actie gaat u concreet ondernemen?
Ik streef naar een oplossing die voor alle partijen uitvoerbaar is. Daartoe heb ik reeds enkele gesprekken gevoerd en ga ik op korte termijn verder in gesprek om te faciliteren dat de partijen onderling tot een oplossing komen. Daarnaast wordt er op korte termijn, voor wat betreft de PET-trays, een onderzoek gestart ten behoeve van het ontwikkelen van een techniek om deze verpakkingen wel te kunnen recyclen.
Kunt u aangeven of er op dit moment door het verpakkende bedrijfsleven steeds meer zogenaamde PET-trays op de markt worden gebracht, die erg moeilijk te recyclen zijn en vrijwel zeker niet hergebruikt zullen worden?
Het Kennisinstituut Duurzaam Verpakken (KIDV) heeft een verkenning uitgevoerd naar de marktsituatie van PET-trays die de aanzet moet geven tot het beter sluiten van deze keten. Daaruit blijkt dat het gebruik van PET-trays in de afgelopen jaren is toegenomen, en dat de verwachting is dat het gebruik blijft toenemen. Voorts laat de KIDV-verkenning zien dat deze stroom lastig te recyclen is. Daarom is het van belang om een lange termijn oplossing te vinden voor deze verpakkingen.
De oplossing richt zich zowel op de voorkant, dus op het ontwerp van de verpakking, als op de achterkant, zodat deze verpakkingen gerecycled kunnen worden. Dit is primair de verantwoordelijkheid van het verpakkende bedrijfsleven. Om die reden heb ik bij hen aangedrongen op verbetering op korte termijn. Het verpakkende bedrijfsleven komt binnenkort met een plan van aanpak voor de oplossingen die doorgevoerd kunnen worden.
Bent u van mening dat er voor deze PET-trays geen vergoeding uitbetaald hoeft te worden aan de gemeenten die de verpakkingen inzamelen? Zo ja, hoe verhoudt zich dat tot het principe «de vervuiler betaalt»? Zo nee, hoe gaat u voorkomen dat er steeds meer gekozen wordt voor dit type verpakkingen, terwijl er vervolgens geen vergoeding voor het inzamelen ervan tegenover staat voor de gemeenten? Wordt deze ontwikkeling meegenomen in de evaluatie van de Raamovereenkomst verpakkingen? Zo nee, waarom niet?
Binnen de Raamovereenkomst is afgesproken dat gemeenten vergoedingen ontvangen op het moment dat het kunststof verpakkingsafval dat voldoet aan de afgesproken kwaliteitseisen bij een recycler wordt aangeboden. De recycling van PET-trays is op dit moment technisch niet mogelijk en daardoor is er geen afzetmarkt. Deze stroom kan niet worden aangeboden voor recycling en daarom ontvangen gemeenten volgens de huidige afspraken geen vergoeding.
Ik vind dit geen wenselijke situatie. De producentenverantwoordelijkheid is erop gericht het verpakkende bedrijfsleven verantwoordelijk te laten zijn voor verpakkingen, ook als deze moeilijk te recyclen zijn. Ik stuur in het kader van de evaluatie van de Raamovereenkomst aan op betere afspraken, zodat de verantwoordelijkheid daar komt te liggen waar zij hoort.
Zoals in antwoord 9 en 10 aangegeven, zetten we als raamovereenkomstpartijen ook in op het ontwikkelen van recyclingtechnieken voor deze verpakkingen en heb ik bij het verpakkende bedrijfsleven aangedrongen op verbeteringen, waarvoor een plan van aanpak volgt.
Wat is de stand van zaken ten aanzien van de handhaving van de afspraken door toepassing van het opleggen van dwangsommen?
De ILT ziet toe op de naleving van het Besluit beheer verpakkingen. Als de inspectie een reden ziet tot handhaving en het opleggen van dwangsommen dan zal dat gedaan worden.
Het bericht 'Aantal dumpingen drugsafval afgelopen jaren gestegen' |
|
Remco Dijkstra (VVD), Foort van Oosten (VVD) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD), Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Aantal dumpingen drugsafval afgelopen jaren gestegen»?1
Ja.
Bent u het met de politie eens dat veel lozingen niet gezien of geregistreerd worden en dat de cijfers dus het topje van de ijsberg laten zien? Zo ja, hoe kan dit worden verbeterd?
Het valt niet uit te sluiten dat een deel van dumpingen en lozingen onopgemerkt blijft. Niet alle gevallen van drugsafvaldumping en lozing worden bij de politie gemeld en daarmee ook niet geregistreerd. Om een completer beeld te krijgen zijn meldingen aan de politie van belang. In verschillende initiatieven wordt er aandacht aan besteed om het bewustzijn te versterken en het aantal meldingen te verhogen. Voorbeelden hiervan zijn de regionale en lokale protocollen met betrekking tot drugslozingen. Zie ook de antwoorden op Kamervragen van de leden Belhaj, Bergkamp, Koşer Kaya en Van Veldhoven (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2016–2017, nr. 575), die gelijktijdig met deze antwoorden aan uw Kamer zijn gezonden.
Acht u de huidige inzet afdoende? Wat is uw reactie op de stelling dat veel zaken als geïsoleerd incident worden gezien? Zou het koppelen van zaken een effectievere bestrijding teweeg kunnen brengen? Zo ja, bent u bereid daartoe een inspanning te ondernemen?
De aanpak van de productie van synthetische drugs en de aanpak van het dumpen van afval dat daarbij wordt geproduceerd is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van bestuur, politie en Openbaar Ministerie (OM). In Zuid-Nederland wordt ondermijnende criminaliteit integraal en intensief aangepakt. U bent hier onlangs ook over bericht in antwoord op Kamervragen van de leden Segers en Dik-Faber2 en met het jaarbericht intensivering aanpak ondermijning in Zuid-Nederland3, zoals dat op 15 juni jl. aan uw Kamer is gezonden. De aanpak richt zich zowel op het effectief verstoren van de criminele industrie als op het versterken van de bestuurlijke weerbaarheid en integriteit. Daarnaast loopt het project «Samen tegen Dumpen» in Noord-Brabant, waar wordt samengewerkt om de gevolgen van drugsdumpingen te beperken. Een vergelijkbaar initiatief bestaat in Limburg. Door deze integrale benadering worden dumpingen niet als geïsoleerd incident gezien.
Op welke wijze wordt via (forensisch) onderzoek getracht de vervuiler op te sporen en de schade te verhalen? Bij hoeveel van de geregistreerde dumpingen in 2015 zijn de daders opgespoord? Hoe vaak en op welke manier is bij deze daders de schade van milieuvervuiling verhaald? Hoe kunnen deze cijfers worden verbeterd?
Waar mogelijk worden de kosten voor het opruimen van drugsafval verhaald op de daders. Politie en OM zijn hier alert op bij strafrechtelijke onderzoeken naar synthetische drugs.
Uit de registratiesystemen van het OM en de politie is geen volledig overzicht te genereren van zaken waarin verdachten zijn veroordeeld voor het dumpen van drugsafval en de eventueel op hen verhaalde kosten. Een drugsafvaldumping kan, afhankelijk van de concrete omstandigheden, in de registratiesystemen van het OM onder verschillende feiten worden vastgelegd, namelijk als een overtreding van de Opiumwet of als een milieudelict.
Gaan de huidige onderzoekmethoden voldoende met de tijd mee om de steeds veranderende wijzen van dumpen op te sporen en te vervolgen, met name in verband met de risico’s die daarmee gepaard kunnen gaan? Wordt kennis hierover bij opsporingsdiensten up-to- date gehouden? Zo ja, op welke wijze?
De politie kan sinds 2002 een beroep doen op de Landelijke Faciliteit Ondersteuning Ontmantelen (LFO) bij het ontmantelen van productieplaatsen van synthetische drugs en bij onderzoek van dumpingen van chemische afvalstoffen afkomstig van productieplaatsen. De specialisten van de LFO hebben de kennis en het expertiseniveau om deze werkzaamheden goed uit te voeren.
Grondeigenaren, alerte burgers en ketenpartners kunnen drugsdumpingen melden bij het milieupunt van de gemeenten of bij de politie via 0900-8844 (of 112 als elke seconde telt). Het opruimen van drugsafval behoort tot de taken van provincies, gemeenten, waterschappen en particuliere grondeigenaren. Indien een officier van de brandweer en/of milieurechercheur van de politie een drugsdumping aantreft, meldt hij dit via de meldkamer van de Landelijke Eenheid bij de LFO. De LFO adviseert ten behoeve van een veilige ontmanteling en het veiligstellen van sporen ten behoeve van opsporingsonderzoek. Het opsporingsonderzoek zelf wordt uitgevoerd door de reguliere recherchediensten.
De inzameling van scheepsbedrijfsafval in de binnenvaart |
|
Betty de Boer (VVD), Lutz Jacobi (PvdA) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Is het waar dat de Algemeene Schippers Vereeniging (ASV) zich terug heeft getrokken uit het overleg met u over het scheepsbedrijfsafval? Zo ja, hoe zorgt u dat mogelijke maatregelen gezamenlijk en zorgvuldig worden uitgewerkt?
De ASV heeft inderdaad in eerste instantie besloten de uitnodiging om over het rapport te spreken niet aan te nemen. Desgevraagd is de ASV wel bereid in een separaat gesprek hun ideeën over mogelijke verbeteringen van het inzamelsysteem te geven. ASV wordt ook uitgenodigd deze ideeën in het volgend overleg met de sectorvertegenwoordigers, begin oktober, toe te lichten. Ik wil graag de ideeën vanuit de sector met alle betrokken partijen tegelijk bespreken en gezamenlijk bezien welke verbeteringen haalbaar zijn (binnen de randvoorwaarde van kostendekkendheid).
Hoe ziet u het vervolgproces voor u – na de uitkomsten van de evaluatie – nu een belangrijke vertegenwoordiger van de binnenvaartondernemers, indien het antwoord op vraag één bevestigend is, niet meer wenst mee te werken?
Zie onder 1.
Bent u bereid bij de Stichting Afvalstoffen & Vaardocumenten Binnenvaart (SAB) aan te dringen op het plaatsen van meer containers (of op betere locaties), in ieder geval bij de Volkeraksluizen en de Oranjesluizen? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik u in mijn brief van 7 juli jl. (Kamerstuk 31 409, nr. 122) heb geschreven zal ik samen met de sector bepalen welke verbeteringen door de binnenvaartgebruikers het meest gewenst zijn en haalbaar zijn binnen het uitgangspunt van kostendekkendheid. Dit overleg is gestart. Ik wil op de resultaten van dat overleg niet vooruitlopen.
Hoe beoordeelt u de suggestie van Rebel om «eventuele (tijdelijke) meerkosten» niet op de binnenvaartondernemers te verhalen?1 Bent u bereid serieus te kijken naar mogelijkheden om de abonnementsprijs te drukken, om zo meer schippers op het systeem aangesloten te krijgen? Zo nee, waarom niet?
Deze suggestie wordt, net als de overige suggesties uit het evaluatierapport in overleg met de sector bezien. Daarbij wordt gezocht naar mogelijkheden om de aantrekkelijkheid van het systeem te vergroten om zo meer schippers te interesseren en gewenste verbeteringen te kunnen bekostigen. Het tarief is daar onderdeel van.
Bent u bereid het systeem zodanig aan te passen dat meer mogelijkheden ontstaan om afval te scheiden? Zo nee, waarom niet? Ziet u hierin bovendien kansen om het abonnementensysteem in zijn totaliteit goedkoper te maken? Zo ja, bent u bereid deze kansen te benutten?
In het gesprek met de sector wordt uitbreiding van de huidige mogelijkheid van afgifte van gescheiden afval als mogelijke verbetering nadrukkelijk meegenomen.
Stimulering van afvalscheiding maakt onderdeel uit van mijn beleid. Ook voor de binnenvaart zal worden gezocht naar mogelijkheden ter verbetering.
Welk effect dit op de kosten zal hebben, zal moeten worden bekeken, maar als dit ook de kosten van het abonnementensysteem kan terugdringen zal deze kans zeker worden benut.
Het bericht ‘Afval van zolder kan mee in de kolencentrale’ |
|
Remco Dijkstra (VVD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Afval van zolder kan mee in de kolencentrale» uit Trouw van 9 augustus 2016?1
Ja.
Bent u bekend met het product subcoal? Zo ja, hoe?
Subcoal is een merknaam voor brandstofpellets gefabriceerd uit diverse soorten afval. De input voor de fabricage van deze pellets bestaat uit zogeheten «rejects» van de papier- en kartonindustrie en sorteerresten uit huishoudelijk afval en uit bouw- en sloopafval; allemaal afvalstromen die moeilijk of niet te recyclen zijn. De brandstofpellets worden gebruikt voor verbranding in energiecentrales en de cementindustrie. Gegeven de samenstelling van Subcoal wordt de hiermee opgewekte energie niet als hernieuwbare energie aangemerkt.
Ten eerste ben ik met Subcoal bekend omdat ILT regelmatig aanvragen beoordeelt voor de invoer van afval ten behoeve van de productie van deze pellets. Momenteel onderzoekt IenM op verzoek van de producent van Subcoal of het materiaal een zogeheten einde-afvalstatus kan krijgen (zie het antwoord op vraag 3). Het is mij ook bekend dat de provincie Groningen een omgevingsvergunning heeft verleend voor de productie van Subcoal.
Waarom kent subcoal een afvalstatus? Zou er een einde kunnen worden gemaakt aan de afvalstatus van dit product? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet en hoe kunnen centrales dan een milieuvergunning aanvragen voor het meestoken van subcoal?
Subcoal wordt gefabriceerd uit afval. Producten van afvalverwerking kunnen de afvalstatus verliezen op grond van een beoordeling of aan de voorwaarden voor de einde-afvalstatus wordt voldaan. De Europese Kaderrichtlijn afvalstoffen, Richtlijn EG/2008/98, artikel 6 (hierna: Kaderrichtlijn) geeft aan dat voor de einde-afvalstatus aan vier voorwaarden moet worden voldaan. Naar deze vier voorwaarden wordt rechtstreeks verwezen in artikel 1.1, zesde lid, van de Wet milieubeheer.
Momenteel onderzoekt IenM op verzoek van de producent van Subcoal of het materiaal een einde-afvalstatus kan krijgen, dus of aan de bovengenoemde voorwaarden wordt voldaan. Dit onderzoek zal binnen enkele maanden leiden tot een rechtsoordeel. Dit rechtsoordeel heeft een informatief karakter en kan als zodanig door het bedrijf worden ingebracht bij beoordelingen en beschikkingen door het bestuursorgaan dat bevoegd gezag is ten aanzien van de activiteiten van het bedrijf. De competentie voor de beoordeling of een stof of materiaal een afvalstof is of niet ligt namelijk steeds bij het bevoegd gezag.
Ook als Subcoal wel de status van afvalstof heeft, kan het door elektriciteitscentrales worden gebruikt mits dit in de omgevingsvergunning is voorzien.
Heeft u ervaring met een kolencentrale die een vergunning heeft ontvangen en subcoal meestookt?
Ja, in elk geval in één kolengestookte energiecentrale is Subcoal in het verleden al enige malen meeverbrand (met de status van afvalstof). De omgevingsvergunning van deze centrale voorziet in het met kolen meeverbranden van afvalstoffen. Op grond van artikel 5.15 en volgende van het Activiteitenbesluit gelden dan strengere voorschriften om een verantwoorde uitstoot van rookgassen te borgen.
Welke mogelijkheden ziet u om restproducten – die in de vrije markt een positieve waarde hebben en geen gevaar vormen voor de volksgezondheid – te ontdoen van het afvalstempel, zodat meer toepassingen en hergebruik eenvoudiger worden?
Producten van afvalverwerking kunnen de afvalstatus verliezen na een beoordeling of aan de voorwaarden voor de einde-afvalstatus wordt voldaan. Een vergelijkbare beoordeling voorziet de Kaderrichtlijn voor stoffen die naast een hoofdproduct ontstaan in een productieproces (productieresiduen). Deze hebben geen afvalstatus als ze voldoen aan de voorwaarden voor de status van «bijproduct». Ook voor deze voorwaarden verwijst de Wet Milieubeheer (artikel 1.1, zesde lid) rechtstreeks naar de Kaderrichtlijn.
Om te stimuleren dat de Europees gestelde voorwaarden op uniforme wijze worden meegenomen in beoordelingen door het bevoegd gezag, zal ik in het komende Derde Landelijk Afvalbeheerplan (LAP3) de toepassing van de voorwaarden nader toelichten. Ditzelfde doe ik nu al in de rechtsoordelen die bedrijven bij IenM kunnen aanvragen en die zij als mogelijke redeneerlijn kunnen aanreiken aan het bevoegd gezag voor hun activiteiten. De rechtsoordelen worden bovendien gepubliceerd op de website van Rijkswaterstaat,2 zodat andere bedrijven en overheden kennis kunnen nemen van de gevolgde redenering.
In hoeverre geeft u uitvoering aan het afvalplan «haal meer uit afval» van mei 2015? Kunt u een overzicht geven van de resultaten en de voortgang?2
In zijn plan «haal meer uit afval» komt de heer Dijkstra met goede suggesties om te bekijken hoe we van afval naar grondstof kunnen komen. Ik spreek daarvoor nogmaals mijn waardering uit. Met door hem aangesneden thema’s zoals de noodzaak van het afvalstempel en het vergemakkelijken van import en export van afvalstoffen, ben ik in het VANG programma aan de slag gegaan. Over de voortgang wordt u nader geïnformeerd in de VANG voortgangsrapportage die uw Kamer in september 2016 ontvangt.
De heropstart van de olieproductie in Schoonebeek en afvalwaterinjectie in Twente |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Agnes Mulder (CDA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «NAM: lozing afvalwater bijna hervat»?1
Ja.
Heeft de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) u op de hoogte gesteld van het voornemen om de lozing van afvalwater te hervatten? Zo ja, wanneer en op welke wijze?
NAM heeft Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) op 19 juli 2016 het verzoek tot instemming met de nieuwe pijpleiding gestuurd en dit op 3 augustus 2016 aangevuld met het definitieve deskundigenrapport. Eind juli 2016 is mijn ministerie geïnformeerd dat NAM rond 8 augustus 2016 de winning zou willen hervatten.
Herinnert u zich dat u in de Kamer gezegd heeft: «Bij de waterinjectie in Twente gaat het om productiewater vanuit Schoonebeek. Dat is stilgelegd. Er was over anderhalf jaar een evaluatie voorzien van wat wij daar aan het doen zijn. Ik heb die evaluatie anderhalf jaar naar voren gehaald. Vervolgens is op die evaluatie een begeleidingscommissie gezet van bestuurders uit Overijssel en Drenthe, die die evaluatie helemaal volgt. Op het resultaat van die evaluatie laat ik weer een second opinion los van Deltares om te bezien hoe Deltares aankijkt tegen het werk dat gedaan is. Vervolgens ga ik het geheel bespreken met de bestuurders in Overijssel en Drenthe. Op grond van de evaluatie, de second opinion, de bevindingen van de begeleidingscommissie en het overleg met de bestuurders ga ik bekijken wat voor de toekomst het beste is, of het op deze manier kan of dat het op een aangepaste manier moet. Zo doen wij dat. Wij doen geen onverantwoorde dingen. Wij doen dingen nadat daar goed over is nagedacht en daartoe besloten is. Wij zijn ook voortdurend bereid om op grond van nieuwe ontwikkelingen en nieuwe signalen over problemen die zich voordoen zaken te evalueren en te bekijken of het beter kan. Daar ben ik ook in dit geval toe bereid. Tot dat moment ligt de injectie van productiewater stil. Tot dat moment ligt ook de oliewinning in Schoonebeek stil.»?2
Ja, dat herinner ik mij. Op het moment dat wij hierover met elkaar spraken, was de verwachting dat ik begin van de zomer een besluit zou nemen over de verwerkingsmethode en dat de pijpleiding pas na de zomer hersteld zou zijn. Er was daarom voldoende ruimte om eerst met elkaar van gedachte te wisselen. Enkele dagen later kreeg ik echter het advies van de commissie voor de m.e.r. om een tussenstap in te bouwen, zodat in overleg met de regio een nadere selectie van alternatieven kan worden gemaakt. Hierdoor is de besluitvorming naar eind van dit jaar geschoven, terwijl de planning van het herstel van de pijpleiding na de zomer lag. Zolang NAM opereert binnen de huidige vergunning en niet is aangetoond dat er onaanvaardbare risico’s zijn dan wel dat de injectie van het productiewater milieutechnisch niet aanvaardbaar is, heb ik geen wettelijke mogelijkheden het hervatten van de productie tegen te houden. Voor het overige verwijs ik u naar mijn brief van heden.
Kunt u de evaluatie, het rapport van Deltares en de notulen van de gesprekken met de Twentse bestuurders aan de Kamer doen toekomen?
NAM heeft op 28 juni 2016 het «Tussenrapport alternatievenafweging: Herafweging verwerking productiewater Schoonebeek» op haar website gepubliceerd. De begeleidingscommissie, bestaande uit bestuurders uit de regio, heeft geconcludeerd dat dit onderzoek helder en transparant is uitgevoerd en de zorgen in de regio adresseert. De Commissie voor de m.e.r. werkt op dit moment aan haar advies over dit tussenrapport en neemt daarbij de second opinion van Deltares mee. Ik verwacht het advies van de Commissie en de second opinion van Deltares begin september 2016 naar uw Kamer toe te sturen. Op basis van de uitkomsten van het tussenrapport en de verschillende adviezen ga ik eind september 2016 in overleg met de regio na welke alternatieven nog verdere uitwerking behoeven.
Welk besluit heeft u genomen over de oliewinning in Schoonebeek en wanneer heeft u dat besluit genomen?
In mijn brief van heden ben ik ingegaan op het proces rondom de reparatie van de pijpleiding en het evaluatieonderzoek dat plaatsvindt over de verwerkingsmethode.
Waarom heeft u de Kamer daar niet onmiddellijk van op de hoogte gesteld?
Zie antwoord vraag 5.
Herinnert u zich de belofte om eerst met de Kamer van gedachten te wisselen over dit besluit alvorens het uitgevoerd zou worden?3
Ja, zie mijn antwoord bij vraag 3.
Waarom wacht u niet op de uitkomsten van de in voorbereiding zijnde milieueffectrapportage met betrekking tot de heroverweging van mogelijkheden van de verwerking van het afvalwater uit het Schoonebeekerveld?
Zoals in mijn brief van heden aangegeven kan NAM, na reparatie, op basis van de huidige vergunning de productie hervatten inclusief de injectie van het productiewater.
Kunt u deze vragen uiterlijk 24 uur voor aanvang van de hervatting van de afvalwaterinjectie beantwoorden?
Ja.
De jaarlijkse vernietiging van meer dan een miljoen kledingstukken |
|
Yasemin Çegerek (PvdA) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Jaarlijks meer dan een miljoen kledingstukken vernietigd»?1
Ja.
Welke acties worden ondernomen om het aantal kledingstukken dat onnodig geproduceerd wordt, en dus niet verkocht wordt, zoveel mogelijk te beperken? Is het mogelijk kleine winkelketens te ondersteunen in het hierop aanpassen van hun inkoopbeleid, zoals grote winkelketens nu al doen?
Het tegengaan van verspilling en het bevorderen van hergebruik is onderdeel van het Rijksbrede programma Circulaire Economie, dat u binnenkort zult ontvangen. Het sluiten van het convenant Duurzame Kleding en Textiel is een goede stap voorwaarts die ook past in dit programma. Een brede coalitie van brancheorganisaties, vakbonden, maatschappelijke organisaties en de rijksoverheid heeft dit convenant ondertekend. In het convenant is circulaire economie een van de aandachtspunten. In de werkgroep circulaire economie wordt gewerkt aan een roadmap voor circulaire economie in de mode- en textielsector. Grondstofefficiëntie, productieplanning, hergebruik en verspilling maken daar deel van uit. Het is aan de bedrijven zelf om hun strategie voor duurzaamheid en circulair textiel vast te stellen en initiatieven te selecteren die daaraan bijdragen.
MVO Nederland heeft het in het bericht aangehaalde onderzoek naar onverkochte voorraden in de textielindustrie begeleid. Naar aanleiding daarvan organiseert MVO Nederland in samenwerking met de branchevereniging INretail op 22 september een workshop voor modemerken, retailers en groothandels om maatregelen voor het voorkomen van voorraden onverkochte kleding uit te wisselen. De branches kunnen deze maatregelen onder de aandacht brengen van hun achterban.
Welke stappen worden op dit moment gezet om de hoeveelheid kleding die direct vanuit de winkel, zonder tussenkomst van de consument, vernietigd wordt te beperken en in plaats daarvan in de circulaire economie te hergebruiken? Is hier officieel beleid voor, bijvoorbeeld vanuit het beleidsprogramma «Van Afval Naar Grondstof» (VANG)? Zo ja, welke acties worden ondernomen op basis van dit beleid? Hoe verklaart u in dat geval de gigantische hoeveelheid (jaarlijks 1,23 miljoen kledingstukken) die direct vanuit de winkel vernietigd worden? Zo nee, waarom niet en bent u voornemens hier alsnog beleid voor te maken?
We moeten hier onderscheid maken tussen product hergebruik en recycling van het materiaal. Beide zijn pijlers van de circulaire economie. De ketenaanpak voor textiel is onderdeel van het Rijksbrede programma Circulaire Economie, waarin het programma Van Afval Naar Grondstof (VANG) is opgegaan. Hierin en in voorlopers, zoals het programma Ketenaanpak in het afvalbeleid, is recycling van materiaal gestimuleerd. Dat heeft tot gevolg gehad dat in de markt minder kleding wordt verbrand. De niet-verkochte kleding wordt geshredderd en vervolgens zo hoogwaardig mogelijk gerecycled.
Zoals reeds op vraag 2 geantwoord, is mijn wens om de verspilling in de textielketen middels uitvoering van de roadmap voor circulaire economie in de mode- en textielsector in samenwerking met de convenantspartners aan te pakken.
Wordt in het beleid rekening gehouden met de afnemende vraag uit andere landen naar het Nederlandse kledingoverschot? Wordt er gezocht naar andere afzetkanalen die het milieu zo min mogelijk belasten? Zo ja, welke opties worden op dit moment onderzocht? Zo nee, waarom niet?
Prioriteit heeft het voorkomen van verspilling. In antwoord op vraag 2 heb ik mijn visie daarop uiteengezet. Het verkopen van onverkochte producten op de markt is de verantwoordelijkheid van de marktpartijen. Zij anticiperen op ontwikkelingen onder meer door te investeren in hoogwaardige en betere recycling.
Het Ministerie van Infrastructuur en Milieu steunt via de ketenaanpak textiel al langer initiatieven voor verduurzaming van de mode- en textielsector. De huidige ketenaanpak biedt daarvoor ondersteuning in de vorm van kennisontwikkeling en -uitwisseling. De deelnemers aan het ketenoverleg (zowel retailers als recyclers en inzamelaars) bepalen gezamenlijk de agenda. Zij kunnen onderwerpen die betrekking hebben op afzetkanalen daar ook inbrengen. Dat is tot dusverre niet aan de orde geweest.
Met het sluiten van het convenant kan met een brede coalitie van betrokkenen gezamenlijk de verspilling worden tegengegaan. De in het onderzoek genoemde aspecten zullen in de werkgroep worden meegenomen.
De inzameling van medicijnafval |
|
Carla Dik-Faber (CU) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Landelijke regeling medicijnafval nodig»1, «Vrees voor medicijn in drinkwater»2, «Afgedankte medicijnen kostenpost»3, «Bittere pil voor apothekers»4 en «gemeente laat apotheek opdraaien voor medicijnafval»?5
Ja.
Herinnert u zich uw uitspraak in het AO Water d.d. 16 juni 2016 om met gemeenten in gesprek te gaan en hen expliciet te wijzen op hun verantwoordelijkheid in de inzameling van medicijnafval?
Ik heb kennis genomen van deze uitspraak en deze wordt ook door mij gedeeld.
Wat zijn de uitkomsten van het overleg met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG)?
Dit onderwerp staat al langere tijd op overlegagenda’s met zowel de VNG (Vereniging Nederlandse Gemeenten) als de KNMP (Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie, de beroeps- en brancheorganisatie voor apothekers), maar tot nu toe is er nog geen doorbraak geconstateerd. In de meerderheid van de gemeenten werken apotheken en gemeenten goed samen, maar dit is nog niet in alle gemeenten het geval. Ik zal ook in de komende periode bij de VNG aandringen op laagdrempelige inzameling van ongebruikte geneesmiddelen door samenwerking tussen gemeenten en apothekers.
Welke acties gaat u verder ondernemen om ervoor te zorgen dat gemeenten hun verantwoordelijkheid nemen in de inzameling van particulier medicijnafval?
Ik vind het belangrijk dat gemeenten en apotheken optimaal samenwerken bij het inzamelen van particulier medicijnafval. Dit is meerdere malen aan de orde gesteld in zowel ambtelijke als bestuurlijke overleggen met de VNG. Hoewel gemeenten zelf nadere invulling moeten geven aan de wijze waarop ongebruikte geneesmiddelen worden ingezameld, is het heel belangrijk dat gemeenten hun verantwoordelijkheid nemen om verontreiniging van het oppervlaktewater door geneesmiddelen te voorkomen. Een laagdrempelig inzamelsysteem is daarvoor een voorwaarde. Ik vraag gemeenten daarom om samen met apothekers tot afspraken te komen voor de inzameling van ongebruikte geneesmiddelen.
Vanuit het programma VANG Huishoudelijk afval voeren accountmanagers van de branche organisatie NVRD en van de VNG gesprekken met gemeenten op zowel ambtelijk als bestuurlijk niveau. In deze gesprekken zal ook het belang van een laagdrempelige inzameling van ongebruikte geneesmiddelen onder de aandacht worden gebracht en de verantwoordelijkheid hierin van gemeenten.
Hoe kan het dat er nog steeds gemeenten zijn die apotheken belasten als zij, vrijwillig, medicijnafval van hun patiënten inzamelen, aangezien gemeenten volgens de wet verantwoordelijk zijn voor de inzameling en verwerking van klein chemisch afval (kca)?
Ik vermoed dat er sprake is van een misverstand als gemeenten apothekers belasten voor het inzamelen van ongebruikte geneesmiddelen. De apotheker helpt de gemeente immers om het consumentenafval veilig en laagdrempelig in te zamelen. Dit soort misverstanden is te voorkomen als apothekers en gemeenten met elkaar afspraken maken. De inzameling bij de apotheek kan dan worden gezien als een vooruitgeschoven post van de gemeentelijke kca-inzameling.
Wat is uw reactie op de grote verschillen tussen gemeenten in Nederland in de verwerking van medicijnafval en de mate waarin zij apothekers laten opdraaien voor de afvoer en verwerking van het medicijnafval?
Verschillende manieren van inzameling zijn een logisch gevolg van verschillende lokale samenwerkingsverbanden. Op zichzelf hoeft dat niet slecht te zijn. Wel is duidelijk dat het voor de burger eenvoudiger is als ongebruikte geneesmiddelen ook bij de apotheek ingeleverd kunnen worden. Ik dring daarom ook aan op goede lokale afspraken tussen apotheken en gemeenten, zoals ik ook bij de beantwoording van vraag vier heb aangegeven.
Wat vindt u ervan dat er zorggeld, dat besteed zou moeten worden aan gezondheidszorg, nu wegvloeit naar private afvalverwerkingsbedrijven?
Het inzamelen van medicijnafval kost in alle gevallen geld. De kern van de vraag is of dit gefinancierd wordt uit zorggeld of uit de gemeentelijke afvalstoffenheffing. Het is duidelijk dat niet iedere gemeente hier dezelfde keuzen maakt. Als gemeenten bij de apotheek een vooruitgeschoven post van de gemeentelijke inzameling realiseren, bijvoorbeeld met een inzamelbox die eigendom is van de gemeente, dan kan de inzameling gefinancierd worden uit de afvalstoffenheffing in plaats van uit zorggeld.
Wat is uw reactie op de stelling dat sommige gemeenten dubbel laten betalen voor de afvalverwerking van persoonlijke medicijnen, namelijk door de burger en door de apotheek?
Het is niet zo dat gemeenten dubbel laten betalen voor het inzamelen en verwerken van medicijnafval. Gemeenten die medicijnafval niet bij apotheken ophalen, maken hiervoor ook geen kosten. Burgers betalen via de afvalstoffenheffing alleen voor de kosten die een gemeente daadwerkelijk maakt.
Deelt u de mening dat het belangrijk is dat de inzameling van niet-gebruikte medicijnen en medicijnafval goed wordt geregeld om ervoor te zorgen dat medicijnen minder bij het restafval en in het afvalwater terechtkomen?
Ik deel die mening. Naast de benodigde samenwerking tussen gemeenten en apothekers voor de inzameling van medicijnafval is er ook een belangrijke rol weggelegd voor de burger zelf. Burgers hebben zelf een verantwoordelijkheid waar het gaat om het op de juiste wijze weggooien of laten inzamelen van afval. De mogelijkheden die zij daarvoor hebben verschillen per gemeente. Gemeenten die (veel) medicijnafval in het restafval of in het afvalwater aantreffen, kunnen hun inwoners actief informeren over de schadelijkheid daarvan en de wijze waarop men zich wel van medicijnafval kan ontdoen.
Deelt u de mening dat patiënten eerder geneigd zijn hun niet-gebruikte medicijnen terug te brengen naar de apotheek dan naar de milieustraat?
Gemak is een belangrijke motivator voor gedrag. Het terugbrengen van niet-gebruikte medicijnen naar de apotheek is makkelijker dan deze naar de milieustraat brengen. Daarom doe ik een beroep op gemeenten en apothekers om hier maximaal in te faciliteren.
Wat vindt u van het voorstel dat apotheken moeten worden gezien als een extra gemeentelijk kca-inzamelingspunt voor medicijnen en dat de gemeenten daarmee verantwoordelijk zouden moeten zijn voor de afvoer en verwerking van het medicijnafval van patiënten?
Apotheken zijn inderdaad een logisch punt voor consumenten om hun niet-gebruikte medicijnen in te leveren. Hoewel apotheken niet als gemeentelijk kca-inzamelpunt zijn aan te wijzen, kunnen gemeenten hier zelf wel lokaal afspraken over maken. Er wordt daarom via verschillende wegen op aangedrongen om deze afspraken ook daadwerkelijk te maken, zonder dat apotheken daarvoor de kosten hoeven te dragen. Daarnaast gaat geïnventariseerd worden hoe informatie over nut en noodzaak van inzameling van niet-gebruikte medicijnen, en de verantwoordelijkheden van ieder hierin, direct aan gemeenten en aan apotheken verstrekt kan worden. Het moet voor alle betrokkenen duidelijk worden dat we een belangrijke gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben: voorkomen dat medicijnresten in het afval, in het riool of in het oppervlaktewater terecht komen.
De dumpingen van drugs en ander (gevaarlijk) afval in Gelderland. |
|
Marith Volp (PvdA), Yasemin Çegerek (PvdA) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD), Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Afvaldumping loopt spuigaten uit; noodkreet grondeigenaren»?1
Ja.
Welke stappen worden genomen om de dumping van gevaarlijk afval, zoals afval afkomstig van drugslaboratoria en wietplantages alsmede asbestafval, te voorkomen en de daders op te pakken? In hoeveel procent van de zaken wordt een dader (casu quo daders) veroordeeld?
Het beleid van mijn ministerie en de inmiddels ontwikkelde initiatieven in de provincies Noord-Brabant en Limburg is in eerste instantie gericht op het voorkomen van dumpingen van drugsafval door het aanpakken van de productie. Indien er desondanks toch wordt gedumpt, zetten politie en Openbaar Ministerie (OM) in op het opsporen en vervolgen van de daders van dumpingen. Zoals ik uw Kamer in antwoord op vragen van de leden Dik-Faber en Segers2 (beiden ChristenUnie) op 2 mei heb laten weten, heb ik geen overzicht van het aantal gevallen waarin daders van dumping van drugsafval betalen voor de opruimkosten daarvan. Indien het OM een verdachte strafrechtelijk vervolgt voor het dumpen van drugsafval kan een gemeente of grondeigenaar zich voegen in het strafgeding als benadeelde partij om zodoende de kosten van het opruimen, die direct door de dumping zijn veroorzaakt, vergoed te krijgen. Van deze mogelijkheid wordt, zo blijkt uit uitspraken in 2015 van de rechtbank Oost-Brabant en rechtbank Gelderland, gebruik gemaakt.
Daarnaast worden in de regio Gelderland afspraken gemaakt over samenwerking tussen diverse partijen, publiek en privaat, zoals gemeente, brandweer, de politie, het OM, de Land- en Tuinbouw Organisatie en het waterschap in het kader van een project Veilig Buitengebied. Die samenwerking bestrijkt een heel breed terrein, waaronder brand- en verkeersveiligheid en, wanneer daar aanleiding toe bestaat, ook voorkoming van drugsdumpingen. Doel hiervan is om bewoners van het buitengebied bewust(er) te maken van wat zij zelf kunnen doen, bijvoorbeeld camera’s ophangen, deuren van loodsen/schuren/stallen e.d. afsluiten en bij het verhuren van leegstaande loodsen e.d. alert zijn op de omstandigheden waaronder de verhuur plaatsvindt (contante betalingen, uitsluitend mondelinge afspraken, onbekende huurders, etc.).
Is de financiering waarbij de overheid 50% van de opruimkosten betaalt bij drugsdumpingen ook beschikbaar voor dumpingen van ander gevaarlijk afval zoals asbest? Zo ja, zijn de slachtoffers hiervan naar uw mening voldoende op de hoogte? Zo nee, waarom niet en bent u bereid te kijken naar de mogelijkheden hiervoor?
De financiering van (ten hoogste) 50 procent van de opruimkosten van gedumpt afval van drugsproductie is niet beschikbaar voor opruiming van ander gevaarlijk afval, omdat deze financiering voortvloeit uit een amendement op de begroting van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu3 dat alleen voorziet in een bijdrage voor het opruimen van drugsafval. De betreffende begrotingspost beperkt de inzet van de middelen dus tot drugsafval.
Wordt er gekeken naar een brede samenwerking tussen de betrokken overheidsinstanties in de provincie Gelderland om deze problematiek aan te pakken, vergelijkbaar met de projectgroepen «Samen tegen dumpen» (provincie Noord-Brabant) en «Limburg Drugslab-vrij» (provincie Limburg)? Zo ja, worden hierbij ook stappen genomen om een volgende verplaatsing van het probleem te voorkomen? Zo nee, bent u bereid om in overleg met de provincie Gelderland te treden om te kijken naar de noodzaak en mogelijkheden hiervoor?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 9 van de leden Dik-Faber en Segers (beiden ChristenUnie) over dumping van drugsafval in Gelderland4. In Noord-Brabant heeft de provincie het initiatief genomen om alle partijen die betrokken zijn bij het aanpakken van drugsdumpingen bijeen te brengen via onder andere de projectgroep «Samen Tegen Dumpen». Vanuit mijn departement wordt aan deze projectgroep deelgenomen. Als de provincie Gelderland daar prijs op stelt, zal dat in deze provincie ook gebeuren.
In het antwoord op vraag 3 van de leden Dik-Faber en Segers heb ik aan uw Kamer laten weten dat op basis van de cijfers over dumpingen geconstateerd zou kunnen worden dat sprake is van een verschuiving van dumplocaties van Noord-Brabant naar omliggende provincies zoals Gelderland. Of er sprake is van een waterbed-effect richting Gelderland kan echter niet met zekerheid worden gezegd. Deze bewegingen worden uiteraard gemonitord.
Afval in Petten |
|
Michiel van Veen (VVD), Remco Dijkstra (VVD) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Afval in Petten is niet veilig»1 en «Geen direct gevaar in Petten»?2
Ja.
Kunt u bevestigen dat, overeenkomstig de informatie in De Telegraaf, er geen direct gevaar is in Petten?
Ik kan bevestigen dat er geen gevaar is voor medewerkers of omwonenden of voor besmetting van het milieu. Het radioactief afval bij NRG in Petten is veilig opgeslagen in een gebouw dat is ontworpen voor langdurige opslag van radioactief afval en dat voldoet aan de hieraan gestelde eisen.
Kunt u ingaan op de klacht die is ingediend bij de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming?
De heer Saris heeft een brief gestuurd naar de Minister van EZ en deze is vervolgens naar mij doorgestuurd. In die brief uit hij zijn zorgen over de volgende vier onderwerpen:
Tijdens het Algemeen Overleg van 24 mei 2016 heb ik aangegeven dat er conform de vergunning onafhankelijk opererende stralingscontroleurs bij NRG aanwezig zijn, georganiseerd in een stralingsbeschermingsdienst. Op dit moment is de hoeveelheid opgeslagen radioactief afval bekend. In het verleden was de administratie van het radioactief afval onvolledig, waardoor de gehanteerde getallen in de loop van de jaren hebben gevarieerd. De omgang met storingen en incidenten en de veiligheidscultuur in bredere zin is in het verleden een reden geweest om verscherpt toezicht in te stellen bij NRG. Hierin is echter de laatste jaren een grote verbeterslag gemaakt. Ten slotte is de beveiliging in orde volgens nationale en internationale normen en houden zowel de Euratom als de IAEA toezicht op de splijtstofboekhouding.
Afvalwater van de NAM in de Waddenzee |
|
Henk Nijboer (PvdA), Lutz Jacobi (PvdA), Jan Vos (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over het dumpen van afvalwater van de Nederlandse Aardolie Maatschappij BV (NAM), via de Eems, in de Waddenzee?1
Ja.
Hoe is de NAM op dit vreemde idee gekomen? Kunt u de NAM wijzen op de beschermde UNESCO-status van de Waddenzee?
NAM is uiteraard bekend met de beschermde status van de Waddenzee.
NAM produceert sinds januari 2011 olie uit het olieveld Schoonebeek in Drenthe. Bij deze oliewinning komt als bijproduct productiewater vrij. Dit water wordt conform de huidige vergunning geherinjecteerd in lege gasvelden in de diepe ondergrond in Twente. NAM is volgens de huidige vergunning verplicht om iedere zes jaar te onderzoeken of de herinjectie uit milieuoverwegingen nog steeds de voorkeur heeft.
NAM heeft voor de evaluatie een begeleidingscommissie «Herafweging Productiewater Schoonebeek» ingesteld. Deze commissie bestaat uit bestuurders van de provincie Drenthe, de provincie Overijssel, de betrokken gemeenten en het waterschap. De begeleidingscommissie heeft als taak om te controleren of het onderzoeksproces transparant verloopt, en dat de vragen en zorgen die leven in de regio worden meegenomen in het onderzoek. De commissie is niet gebonden aan de uitkomsten van het onderzoek.
Op 10 november 2015 heeft de begeleidingscommissie ingestemd met de onderzoeksopzet. NAM heeft een lijst van 20 alternatieven voor herinjectie van productiewater opgesteld en daaruit een nadere selectie gemaakt van vier alternatieven. Op 30 maart 2016 heeft de begeleidingscommissie aangegeven dat de keuzes van NAM op dit moment voldoende duidelijk en transparant zijn om door te gaan met het evaluatieonderzoek.
Eén van de vier alternatieven betreft het idee om het productiewater te zuiveren tot schoon maar nog zout water en dit zoute water vervolgens te lozen in de Eems bij het bestaande lozingspunt bij Spijk. Dit is het alternatief dat wordt genoemd in de aangehaalde berichtgeving van RTV Noord. Uit de vier alternatieven zal in augustus en september 2016 in overleg met de regio Twente een nadere selectie worden gemaakt, conform het advies van 7 maart 2016 van de Commissie voor de milieueffectrapportage.2 De geselecteerde alternatieven zullen in oktober en november 2016 in detail worden doorgerekend. Mocht blijken dat een van deze alternatieven uit milieuoverwegingen te prefereren is ten opzichte van de herinjectie van het productiewater in Twente dan kan ik in december 2016 besluiten om een traject te starten om via de vergunning de huidige verwerkingswijze aan te passen.
Waarom kiest de NAM niet gewoon voor het vierde scenario dat onderzocht wordt, namelijk zuivering van het water waarna het schone water geloosd wordt?
Op dit moment is de evaluatie nog niet zo ver dat een gefundeerde keuze tussen de alternatieven kan worden gemaakt. Naar verwachting zal in december 2016 een keuze gemaakt kunnen worden. Om de onafhankelijkheid van de evaluatie te borgen heb ik aan de Commissie voor de milieueffectrapportage advies gevraagd.
Welke stoffen zitten er, naast hoge concentraties zout en chemicaliën, nog meer in het afvalwater van de NAM? Welke gevolgen kan dit hebben?
NAM monitort de samenstelling van het geherinjecteerde productiewater en rapporteert deze aan de toezichthouder Staatstoezicht op de Mijnen. NAM heeft op haar website de rapportages van 2014 en 2015 gepubliceerd. De rapportage van 2015 is aan deze beantwoording toegevoegd3. Op basis van de zgn. Eural-toetsing wordt het injectiewater (met daarin de gemelde concentraties mijnbouwhulpstoffen) geclassificeerd als een «niet gevaarlijke afvalstof». Tevens is een toetsing uitgevoerd aan de Europese Verordening voor de classificatie van stoffen, de CLP Verordening (1272/2008/EG). Deze Europese Verordening classificeert het injectiewater als «niet gevaarlijk».
Is het waar dat er bij de NAM een vast patroon is te ontdekken, waarbij steeds alle technische en juridische mogelijkheden tot het uiterste worden uitgeprobeerd, om maar onder kosten uit te komen, terwijl de maatschappelijke kosten en de imagoschade voor de NAM zelf veel groter zijn dan de mogelijke kostenreductie die de NAM hoopt te bereiken? Kunt u dit de NAM laten inzien?
Het patroon en het beeld van NAM zoals dat in de vraagstelling wordt geschetst, herken ik niet. Ik heb NAM leren kennen als een bedrijf dat op een verantwoorde manier haar bedrijfsvoering wil doen. Voor de waterinjectie in Twente was NAM bereid om de «Herafweging productiewater Schoonebeek» anderhalf jaar te vervroegen om zo recht te doen aan zorgen die leven onder de inwoners van Twente.
De verschuiving van drugsdumpingen van Noord-Brabant naar Gelderland |
|
Marith Volp (PvdA), Yasemin Çegerek (PvdA) |
|
Martijn van Dam (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA), Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Oosten vaker dumpplek gevaarlijk drugsafval»?1
Ja.
Kunt u reageren op de stelling van de Landelijke Faciliteit Ontmantelen (LFO) dat er sprake is van een waterbedeffect, omdat criminelen kiezen hun activiteiten vanuit Noord-Brabant naar andere provincies te verleggen?
Ik verwijs hiervoor naar het antwoord op vraag 3 van de leden Dik-Faber en Segers (beiden ChristenUnie) (2016Z05664).
Kunt u een overzicht geven van het aantal drugsdumpingen per jaar in de periode 2010–2015, waarbij een onderscheid per provincie wordt gemaakt?
Ik verwijs hiervoor naar het antwoord op vraag 4 van de leden Dik-Faber en Segers (beiden ChristenUnie) (2016Z05664).
Hoe verhoudt de handhavingscapaciteit van de provincie Gelderland en andere provincies zich tot de capaciteit in de provincie Noord-Brabant? Hebben andere provincies genoeg handhavingscapaciteit om deze zaken aan te pakken? Zo nee, welke stappen gaat u zetten om te zorgen dat deze capaciteit zo snel mogelijk beschikbaar is? Wat is volgens u de oorzaak van het verschil in het aantal drugsdumpingen per provincie?
Ik heb geen overzicht van de gevraagde verhoudingen in handhavingscapaciteit.
De verschillen in aantallen drugsafvaldumpingen per provincie houden logischerwijs verband met de ligging van de productielocaties van synthetische drugs. Een logische verklaring voor een groot aantal dumpingen in een provincie is dat in die provincie relatief veel drugslabs aanwezig zijn. Drugscriminelen kunnen, om de kans op opsporing van hun illegale activiteiten te verkleinen, ervoor kiezen het afval verder weg van het drugslab te dumpen, althans in een gebied van een andere toezichthoudende overheid. Zo kan de keuze vallen op locaties in andere provincies. Daarbij wordt de eenvoudigste optie uiteraard gevormd door locaties in naastgelegen provincies op relatief korte afstand van het drugslab. Naarmate de opsporingskans van drugslabs in een bepaalde provincie toeneemt, zouden de criminelen kunnen besluiten ook de drugslabs zelf te verplaatsen naar elders. De provincies Noord-Brabant en Limburg noemen als mogelijke verklaring voor de concentratie van druglabs op hun grondgebied de ligging nabij de grens en de goede logistieke situatie.
Wat is de rol van de verschillende omgevingsdiensten met betrekking tot deze zaak?
De omgevingsdiensten zijn in opdracht van provincies en gemeenten belast met uitvoerende taken op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving. Afhankelijk van de vraagstelling vanuit provincies en gemeenten kan een omgevingsdienst taken uitvoeren met betrekking tot het beleid tegen dumping van drugsafval.
Een effectieve aanpak van de problematiek is echter niet te borgen door de omgevingsdiensten alleen. Daarvoor is een brede samenwerking tussen betrokken overheidsinstanties nodig, zoals in Noord-Brabant en Limburg is opgezet. In Noord-Brabant is een projectgroep «Samen Tegen Dumpen» ingesteld, waarin het Rijk, de provincie, waterschappen en gemeenten, de Nationale politie, de LFO, het Nederlands Forensisch Instituut, de Taskforce Brabant Zeeland en (chemisch) afvalmanagement samenwerken. Een vergelijkbaar initiatief bestaat in Limburg, het Masterplan «Limburg Drugslab-vrij», welk plan in RIEC2-verband, onder aansturing van de Provincie Limburg, tot stand is gekomen.
Dumping van drugsafval in Gelderland |
|
Gert-Jan Segers (CU), Carla Dik-Faber (CU) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD), Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Steeds vaker drugsafval gedumpt in Gelderland»?1
Ja.
Heeft u contact gehad met de provincie Gelderland over de toegenomen dumping van drugsafval in Gelderland?
Nee, de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu noch ik hebben contact gehad met de provincie Gelderland over de toegenomen dumping van drugsafval in die provincie.
Wat zijn volgens u verklaringen voor de toenemende dumping van drugsafval in Gelderland?
In het antwoord op vraag 4 wordt ingegaan op de aantallen drugsdumpingen per provincie in 2014 en 2015. Daaruit blijkt dat het aantal geregistreerde drugsdumpingen in Noord-Brabant in 2015 is gedaald ten opzichte van 2014 en in Limburg en, in mindere mate, in Gelderland is gestegen. In enkele andere provincies is ook een toename te zien, maar dat betreft relatief geringe aantallen.
Op basis van deze cijfers zou geconstateerd kunnen worden dat sprake is van een verschuiving van dumplocaties van Noord-Brabant naar omliggende provincies zoals Gelderland en Limburg. Het feit dat de meeste geregistreerde dumpingen in Gelderland hebben plaatsgevonden in het aan Noord-Brabant grenzende deel van de provincie (het rivierengebied), versterkt de indruk dat het om afval gaat van drugslabs die voorheen in Noord-Brabant dumpten. Dumplocaties, maar ook productielocaties kunnen zich naar aangrenzend gebied in Gelderland verplaatst hebben. Een verklaring hiervoor kan zijn dat in het zuiden van het land de aanpak van drugscriminaliteit is geïntensiveerd. Of er sprake is van een waterbed-effect richting Gelderland kan echter niet met zekerheid worden gezegd.
Kunt u inzicht geven in het aantal incidenten met dumping van drugsafval in heel Nederland?
De onderstaande tabel geeft het aantal drugsafvaldumpingen per provincie in 2014 en 2015 dat is geregistreerd bij de Nationale Politie, Landelijke Faciliteit Ondersteuning Ontmantelen (LFO). In 2014 waren er 159 geregistreerde dumpingen, in 2015 ging het om 160 geregistreerde dumpingen.
Gr
Fr
Dr
Ov
Gel
Ut
Fl
NH
ZH
Zl
NB
Lim
2014
0
0
6
1
9
4
4
4
5
1
77
48
2015
1
1
2
1
16
5
2
8
8
1
47
68
Er zijn geen vergelijkbare cijfers van voorgaande jaren per provincie. Er zijn wel totaalcijfers voor heel Nederland: in 2010 waren er 25 geregistreerde dumplocaties, in 2011 67, in 2012 70 en in 2013 124.
Opgemerkt moet worden dat de aantallen bij de LFO geregistreerde dumpingen lager zijn dan het werkelijke aantal, omdat niet alle aangetroffen dumpingen worden gemeld. De provincies Noord-Brabant en Limburg melden zelf grotere aantallen. Limburg heeft vanuit haar samenwerkingsverband met de politie weet van 59 dumpingen in 2014 en 106 dumpingen in 2015. Noord-Brabant meldt 63 aanvragen voor kostenvergoeding voor opruiming van in 2015 gedumpt drugsafval en gaat ervan uit dat het feitelijk aantal dumpingen het aantal aanvragen overtreft. Daarnaast is er een ontwikkeling te zien naar alternatieve manieren van dumpen, waarover eerdere Kamervragen2 zijn beantwoord. Deze dumpingen komen veel minder vaak aan het licht.
Is het fonds dat u heeft ingesteld en waarmee tegemoet wordt gekomen in de kosten van het opruimen van gedumpt drugsafval ook beschikbaar voor Gelderland? Zo ja, is het bedrag van één miljoen euro dat beschikbaar is voor dat fonds met de recente toename van dumpingen nog wel toereikend? Kunt u een onderbouwd inzicht geven in de mate waarin op dit fonds een beroep wordt gedaan en de mate waarin de omvang van het fonds toereikend is?
Ook gedupeerden van drugsafvaldumping in de provincie Gelderland kunnen cofinanciering van de opruimkosten krijgen (maximaal 50% van de kosten), zoals voorzien door het amendement van de leden Cegerek (PvdA) en R. Dijkstra (VVD) van 29 oktober 2014 op de begroting van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu3.
De door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu conform het amendement in de periode 2015–2017 jaarlijks beschikbaar gestelde € 1 miljoen wordt ingezet voor kostenvergoeding van dumpingen in alle provincies. In een op 3 december 2015 tussen de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu en de provincies afgesloten convenant zijn afspraken gemaakt over de verdeling van het geld over de provincies en de uitkering ervan aan rechthebbende gemeenten en grondeigenaren. De provincie Noord-Brabant verricht ten behoeve van de andere provincies een groot deel van de benodigde werkzaamheden.4
De meeste provincies hebben voor aanvragen met betrekking tot dumpingen in 2015 een openstellingsperiode bepaald tot en met 31 maart 2016. Uit informatie van de provincie Noord-Brabant5 volgt dat per 31 maart aanvragen waren ontvangen voor cofinanciering van in totaal een kleine € 400.000 aan opruimkosten. Van de 98 aanvragen kwamen er 63 uit Noord-Brabant, 33 uit Limburg, 1 uit Noord-Holland en 1 uit Gelderland. Het totaal aan gevraagde subsidie blijft ruim onder het beschikbare bedrag van € 1 miljoen en ook het aantal aanvragen is kleiner dan verwacht. De oorzaak hiervan wordt onderzocht in het kader van de (tussen)evaluatie van het convenant per 1 oktober 2016.
Hoeveel verzoeken worden er aan dit fonds gedaan en hoe vaak wordt een verzoek aan dit fonds om vergoeding van kosten toegewezen en hoe vaak wordt dat afgewezen?
Wat betreft het aantal ontvangen verzoeken om kostenvergoeding verwijs ik naar het antwoord op vraag 5. Over de mate van toewijzing en afwijzing van aanvragen heb ik nog geen informatie beschikbaar, omdat de aanvragen over 2015 nog niet zijn afgehandeld.
In het genoemde convenant van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu met de provincies is bepaald dat een stuurgroep, waarin alle provincies zijn vertegenwoordigd, zal controleren of de uitvoering van het convenant en de verlening van bijdragen in de kosten van het opruimen van drugsafvaldumpingen op efficiënte en doelmatige wijze plaatsvindt. De werkgroep zal zo nodig verbeteringen voorstellen.
De stuurgroep rapporteert haar bevindingen aan de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu uiterlijk op 1 september van elk jaar waarin de verlening van de bijdragen aan de gemeenten en grondeigenaren heeft plaatsgevonden, inclusief een eindverslag van de uitvoering van het convenant en van de behaalde resultaten.
Klopt het dat in Brabant vorig jaar vier tot vijf miljoen euro kosten zijn gemaakt voor het opruimen van drugsafval? Welk percentage van deze kosten is door wie betaald?
In antwoord op vragen van de leden Oskam en Van Toorenburg (beiden CDA) van 8 september 20146 heeft mijn ambtsvoorganger aan uw Kamer gemeld dat de gemiddelde opruimkosten per dumping € 20.000 zijn. In het antwoord op vraag 4 is aangegeven dat er in 2015 in Noord-Brabant 47 bij de LFO geregistreerde dumpingen waren, maar dat het werkelijke aantal dumpingen hoger ligt, omdat niet alle aangetroffen dumpingen worden gemeld en geregistreerd. Dit zou betekenen, uitgaande van gemiddelde opruimkosten van € 20.000 per dumping, dat de kosten voor het opruimen van drugsafval in Noord-Brabant in 2015 tenminste € 1 miljoen bedroegen.
Anderzijds laat de bij vraag 5 aangehaalde informatie van de provincie Noord-Brabant zien dat de feitelijk gemaakte kosten voor het opruimen van de 98 dumpingen in 2015 waarvoor vergoeding is aangevraagd gemiddeld veel minder dan € 20.000 per dumping bedroegen.
Ik kan vooralsnog niet aangegeven welk percentage van de gemaakte opruimkosten door wie is betaald. De ontvangen aanvragen voor vergoeding verschaffen mogelijk meer inzicht in de kosten en wie deze betaald heeft. Dit zal blijken uit de bij vraag 6 genoemde rapportage door de provincies per 1 september a.s.
Kunt u aangeven hoe vaak het voorkomt dat daders van dumping van drugsafval betalen voor de kosten van het opruimen daarvan? Om welk bedrag gaat dit? Hoe vaak komen deze kosten bij respectievelijk particulieren en gemeenten terecht? Om welk bedrag gaat het dan?
Ik heb geen overzicht van het aantal gevallen waarin daders van dumping van drugsafval betalen voor de opruimkosten daarvan. Indien het Openbaar Ministerie (OM) een verdachte strafrechtelijk vervolgt voor het dumpen van drugsafval kan een gemeente of grondeigenaar zich voegen in het strafgeding als benadeelde partij om zodoende de kosten van het opruimen, die direct door de dumping zijn veroorzaakt, vergoed te krijgen. De rechtbank Oost-Brabant heeft op 10 februari 2015 een verdachte die drugsafval heeft gedumpt onder meer veroordeeld tot het betalen van € 1.011,34 aan schadevergoeding ten behoeve van de kosten die de benadeelde partij heeft moeten maken voor het opruimen. In het vonnis is niet aangegeven wie de benadeelde partij is. De rechtbank Gelderland heeft op 31 juli 2015 voor hetzelfde soort delict een verdachte onder meer veroordeeld tot het betalen van € 23.227,33 aan schadevergoeding aan de gemeente Noordenveld voor de kosten die zijn gemaakt voor het opruimen.
Bent u van plan om, net als in Brabant via onder andere de project-groep «Samen Tegen Dumpen» gebeurt, in Gelderland nauwer te gaan samenwerken met alle betrokken partijen om dumping van drugsafval daar tegen te gaan? Zo ja, op welke wijze?
In Noord-Brabant heeft de provincie het initiatief genomen om alle partijen die betrokken zijn bij het aanpakken van drugsdumpingen bijeen te brengen via onder andere de projectgroep «Samen Tegen Dumpen». Vanuit mijn departement wordt aan deze projectgroep deelgenomen. Als de provincie Gelderland daar prijs op stelt zal dat in deze provincie ook gebeuren.
Bent u bereid het oriënterend onderzoek van de provincie Brabant naar de effecten van bodemverontreiniging als gevolg van dumpingen in de natuur en een effectieve wijze om dit aan te pakken, te ondersteunen en waar mogelijk te versnellen, nu ook in andere provincies dumping van drugsafval toeneemt? Bent u bereid ook zelf onderzoek uit te laten voeren naar de maatschappelijke effecten en kosten van dumping van drugsafval?
Onderzoek naar effecten van bodemverontreiniging is een reguliere taak van de overheden die beheerder zijn van de bodem of de grond- en oppervlaktewaterlichamen die door de betreffende bodemverontreiniging aangetast kunnen worden. Een effectieve aanpak is mijns inziens slechts gelegen in het zo spoedig mogelijk adequaat opruimen van gedumpt afval. De door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu geboden cofinanciering beoogt dit te stimuleren.
Uiteraard is het nog beter de dumpingen te voorkómen. Daarop richt zich het beleid van mijn ministerie en de inmiddels goed ontwikkelde initiatieven van de provincies Noord-Brabant en Limburg, die de andere provincies eventueel tot voorbeeld kunnen nemen.
Over de maatschappelijke effecten en kosten van dumping van drugsafval is vanuit de provincies nadere informatie te verwachten in het kader van de rapportage over en de evaluatie van het convenant betreffende de cofinanciering van opruimkosten door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu.
Hoe verhouden de uitspraken van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over het matigen van de «war on drugs» bij de Commission on Narcotic Drugs zich tot uw inspanningen om drugscriminaliteit te bestrijden in Brabant en Gelderland? Bent u van plan die strijd ook te matigen of wilt u deze juist intensiveren?
De uitspraken van Staatssecretaris Van Rijn zijn gedaan bij de Commission on Narcotic Drugs van de Verenigde Naties en zijn een pleidooi om binnen het internationale drugsbeleid de nadruk vooral op volksgezondheid te leggen. Dit is in grote delen van de wereld niet (voldoende) het geval. Zijn uitspraken moeten dan ook vooral in internationaal verband worden bezien.
Dat de Staatssecretaris dit zou uitdragen, is ook eerder aan uw Kamer gemeld, onder meer bij brief van 29 februari 20167 waarin staat dat één van de speerpunten van Nederland voor het internationale drugsbeleid gelegen is in het «borgen van een brede benadering van het volksgezondheidsperpectief op het werelddrugsprobleem.» Het verschuiven van de balans van misdaadbestrijding naar aandacht voor volksgezondheid heeft met name betrekking op drugsgebruikers, niet op drugsproductie en -distributie.
Er is geen intentie het Nederlandse beleid te veranderen: de grootschalige en georganiseerde misdaad die – ook in Nederland – achter de drugsproductie en -distributie zit moet worden aangepakt. Daar gaan we dan ook mee door.
De stand van zaken rondom projecten waarbij medicijnresten uit het water worden gezuiverd |
|
Lutz Jacobi (PvdA), Otwin van Dijk (PvdA) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Einde innovatieve waterzuivering», waarin wordt bericht over het stopzetten van een nieuwe waterzuiveringsinstallatie van het Isala-ziekenhuis?1
Ja.
Hoe belangrijk acht u de zuivering op medicijnresten bij grote puntbronnen zoals een ziekenhuis? Welke maatregelen treft u of bent u bereid te treffen om deze zuivering verder te bevorderen?
De aanwezigheid van stoffen als (dier)geneesmiddelen in het water, gekoppeld aan het toenemende gebruik van medicijnen door een vergrijzende bevolking en antibioticaresistentie, geven reden om deze problematiek serieuze aandacht te geven in het waterkwaliteitsbeleid. In de ketenaanpak geneesmiddelen in water verken ik de opgave en mogelijke oplossingen voor de problematiek van restanten van geneesmiddelen in water. Zuivering aan het einde van de keten is één van de oplossingsrichtingen die daarbij in beeld is, naast maatregelen voorin de keten.
De zuiveringsinstallaties van de waterschappen zijn momenteel niet volledig ingericht op de verwijdering van geneesmiddelen uit het afvalwater. Dit vergt andere, verdergaande en kostbare zuiveringstechnieken dan de gangbare technieken. Op dit moment lopen er diverse onderzoeken naar zuiveringstechnieken, zowel in Nederland als in Duitsland en Zwitserland.
De keuze voor zuivering op de rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) of bij grote puntbronnen hangt af van de locale omstandigheden. Wanneer een puntbron bijvoorbeeld een relatief grote bijdrage heeft in een zuiveringskring, kan aanpak van die bron kosteneffectiever zijn dan zuivering op de RWZI. Het is daarom belangrijk om dit per geval te bekijken; gemiddeld over Nederland dragen ziekenhuizen ongeveer 10% bij aan de medicijnenlast van rioolwater.
Naast de vraag welk aandeel een ziekenhuis heeft op de RWZI, moet worden bezien waar het gezuiverde rioolwater een relatief groot aandeel heeft in het oppervlaktewater (waar treedt effect op). Dit jaar werken de waterschappen aan een zogeheten hotspot-analyse, zoals aangekondigd in het «Plan van aanpak geneesmiddelen in de waterketen»2 van de Unie van Waterschappen en de VEWIN, om duidelijk te krijgen welke RWZI’s een zogenaamde hotspot voor medicijnresten zijn.
De onderzoeken naar zuiveringstechnieken en deze hotspot-analyse van de waterschappen zijn input voor de ketenaanpak geneesmiddelen in water, waarover u bent geïnformeerd in de brief over het waterbeleid van 25 november 2015 Vragen uit de ketenaanpak rond financiering van de zuivering en financiële prikkels, zijn onderdeel van het onderzoek naar de duurzame en toekomstbestendige financiering van het waterbeheer dat de Minister van Infrastructuur en Milieu nu laat uitvoeren.
Binnenkort informeer ik uw Kamer over de stand van zaken van deze ketenaanpak voor het Algemeen Overleg Waterbeleid dat staat gepland voor juni van dit jaar.
Is het waar dat het aanvankelijk de bedoeling was om de zuiveringsinstallatie bij het Isala-ziekenhuis na de onderzoeksperiode langdurig in gebruik te houden? Zo ja, waarom is het gebruik van deze zuiveringsinstallatie dan toch stopgezet?
Nee, het was nooit de intentie om de zuiveringsinstallatie bij het Isala-ziekenhuis langdurig in gebruik te houden. De installatie was een onderzoeksinstallatie op praktijkschaal, bedoeld om meer inzicht te krijgen in de werking, kosten en operationele aspecten van verschillende technieken voor verwijdering van medicijnresten uit het afvalwater van ziekenhuizen. Dit was het eerste project in Nederland op deze schaal en was onderdeel van een internationaal onderzoeksprogramma (Interreg IVb Pills).
Zoals u heeft gelezen is het onderzoek afgerond. De demo-installatie is omgebouwd tot een fullscale onderzoeksinstallatie en is daarna 2 jaar in bedrijf geweest om ervaring op te doen met het bedrijven van een dergelijke installatie. De installatie is stopgezet omdat er op dit moment geen nieuwe onderzoeksvragen in relatie tot deze installatie zijn en de exploitatiekosten van de installatie aanzienlijk zijn. De locatie is nog wel beschikbaar voor ander onderzoek, tot uiterlijk 31-12-2017.
Hoe verhoudt de stopzetting van deze waterzuiveringsinstallatie zich tot uw streven naar de ontwikkeling van meer kosteneffectieve rioolwaterzuiveringsinstallaties om resten van geneesmiddelen uit het oppervlaktewater te houden?
Die past daar goed in. Uit het onderzoek bleek de bij Isala geteste opzet geen kosteneffectieve aanpak te zijn om medicijnresten uit het oppervlaktewater te weren. Inmiddels zijn er concepten in de markt die wel positieve business cases lijken te bieden.
Is het waar dat het Drents-Overijsselse waterschap en het Isala-ziekenhuis de waterzuivering tot 2018 «gebruiksklaar» houden, om zodoende toch Europese subsidiegelden te kunnen blijven ontvangen? Wat is uw oordeel hierover?
Voor het onderzoeksproject is vanuit Interreg IVb NWE een subsidie ontvangen, welke inmiddels volledig is afgewikkeld met de EU. Het gebruiksklaar houden van de installatie en het beschikbaar stellen voor eventueel vervolgonderzoek is een voorwaarde voor de EU subsidie die is toegekend voor het afgeronde onderzoek. Er worden nu geen subsidiegelden meer ontvangen.
Deelt u de mening dat het onderzoek naar deze waterzuiveringsinstallatie beter draaiend gehouden kan worden om zodoende te werken aan een meer kosteneffectieve geneesmiddelenzuivering én Europese gelden te besteden aan de doelen waar ze in eerste instantie voor beschikbaar waren gesteld?
Het onderzoek was onderdeel van een groot internationaal onderzoeksprogramma waarvan de resultaten en kennis uitgebreid in Europa gedeeld zijn. Zoals u in uw vragen ook aangeeft, zijn er inmiddels nieuwe totaalconcepten voor de behandeling van ziekenhuisafvalwater die een compleet ander «businessmodel» kennen. Het concept van de Isala zuivering is daarmee inmiddels niet meer actueel, maar heeft bijgedragen aan de ontwikkeling van andere technieken.
Er is thans geen onderzoeksvraag waarvoor de Isala installatie ingezet kan worden en daarmee is er geen reden om de installatie langer in productie te houden. De zuivering is niet ontworpen vanuit het perspectief van een lange technische levensduur. Naast de hoge exploitatiekosten zou dit een aanzienlijke aanvullende investering vragen.
Isala loost via de RWZI Zwolle op de IJssel. Uit de voorlopige hotspot-analyse van het waterschap komt de RWZI Zwolle niet als hotspot naar voren. Daarom overweegt het waterschap momenteel geen aanvullende zuivering voor medicijnresten, noch op de RWZI, noch bij Isala.
Hoeveel geld is (nog) nodig om deze zuiveringsinstallatie weer in gebruik te nemen? Bent u bereid u ervoor in te spannen om partijen ertoe te bewegen om bij te dragen aan het dichten van het financiële gat?
Zie antwoord vraag 6.
In hoeverre heeft men reeds zijn voordeel gedaan met de resultaten van de waterzuivering bij het Isala-ziekenhuis?
Zie antwoord vraag 6.
Is het waar dat in het ziekenhuis in Delft succesvol met een filter gewerkt wordt waardoor medicijnresten uit het water gehaald worden (Pharmafilter)? Kunt u de Kamer informeren over de reden waarom het in Delft wel economisch haalbaar is om medicijnresten uit het water te zuiveren en in andere ziekenhuizen niet? Ziet u kansen om de methode die in Delft toegepast wordt, op meerdere plekken in Nederland toe te passen? Zo nee, waarom niet?
Bij het Reinier de Graaf ziekenhuis in Delft wordt inderdaad gewerkt met het Pharmafilter. Dit is echter een totaalconcept voor de logistiek van voedsel en afval in en om het ziekenhuis en daarmee meer dan alleen een afvalwaterzuivering. De methode kan interessant zijn op andere plekken in Nederland, maar dat moet per geval bekeken worden door waterschappen en ziekenhuizen.
Wat is de stand van zaken van de pilot om een Pharmafilter bij het Academisch Medisch Centrum (AMC) in Amsterdam te realiseren?
AGV/Waternet (de waterbeheerder) en het AMC-ziekenhuis hebben recentelijk een gezamenlijk haalbaarheidsonderzoek gedaan naar de implementatie van Pharmafilter. Momenteel overleggen de partijen over de vervolgstappen en welke vorm van samenwerking daarbij past. Later dit jaar wordt besloten of er tot de aanleg van een Pharmafilter zal worden overgegaan.
Welke andere proeven met waterzuiveringstechnieken bij Nederlandse verpleeg- en ziekenhuizen lopen momenteel? Kunt u de Kamer nader informeren over deze projecten?
Er is geen nationaal overzicht van wat er bij alle Nederlandse verpleeg- en ziekenhuizen aan initiatieven loopt op dit gebied (dit zijn er ongeveer 2450). Wel zijn er individuele gevallen bekend. Daarbij is duidelijk geworden dat er niet één oplossing is voor de zuivering van het afvalwater van deze instellingen. In de ketenaanpak onderzoek ik met de ketenpartijen en de waterschappen de oplossing voor deze problematiek. Zie ook het antwoord op vraag twee.
In hoeverre is bij de genoemde initiatieven (waterzuivering bij het Isala-ziekenhuis, Pharmafilter in Delft, Pharmafilter in het AMC), gezien het Zweedse voorbeeld, sprake van het online beschikbaar stellen van de resultaten, dan wel van het voornemen dat te doen, zodat meer helderheid kan worden verkregen over de milieueffecten van specifieke geneesmiddelen?
Het Zweedse voorbeeld waar naar gerefereerd wordt is het online systeem FASS. In dit systeem is informatie over geneesmiddelen opgenomen, inclusief mogelijke milieueffecten van het middel. Het systeem richt zich op artsen die het systeem kunnen gebruiken om, indien beschikbare alternatieven bestaan, middelen voor te schrijven die minder effect op het milieu hebben. In principe staat dit los van initiatieven van waterzuivering bij ziekenhuizen. De Nederlandse farmaceutische industrie onderzoekt op dit moment in hoeverre een vergelijkbaar initiatief als FASS ook voor de Nederland interessant kan zijn. Overigens zet ik me ervoor in dat milieu-informatie van geneesmiddelen op Europees niveau ontsloten wordt, zodat dit direct voor alle lidstaten beschikbaar is.
Is het waar dat de tarieven die waterschappen rekenen aan een ziekenhuis (verontreinigingsheffing) gebaseerd zijn op waterverontreiniging door stikstof en fosfaat? Deelt u de mening dat stikstof en fosfaat geen volledig beeld geven van de verontreiniging van het water, aangezien agressievere medicijnresten niet worden meegenomen? Acht u stikstof en fosfaat (nog) een goede grondslag voor de verontreinigingsheffing? Zo nee, welke maatregelen bent u bereid te nemen?
De waterschappen werken met een verontreinigingsheffing, voor rechtstreekse lozingen op oppervlaktewater, en met een zuiveringsheffing voor lozingen op de zuiveringsinstallaties van die waterschappen.
Inderdaad worden niet alle stoffen in de maatstaf van de zuiveringsheffing betrokken. Dit is wettelijk geregeld in artikel 122f van de Waterschapswet. Daarin staat welke stoffen of groepen van stoffen bij het bepalen van de vervuilingswaarde door de waterschappen moeten worden meegenomen en voor welke stoffen dat facultatief is. Tot de verplichte categorie stoffen behoren zuurstofbindende stoffen, zoals stikstof. De facultatieve groep te zuiveren stoffen is beperkt en bestaat met name uit zware metalen.
Zoals onder vraag twee aangegeven zijn deze aspecten onderwerp in het onderzoek naar de duurzame en toekomstbestendige financiering van het waterbeheer.
Bent u bekend met het feit dat in de Delftse casus de filter die het rioolwater schoonmaakt, daarbij veel verdergaat dan de wettelijke normen? Deelt u de mening dat deze zuivering grote maatschappelijke baten tot gevolg heeft, zowel voor de mens als voor het leven in het water? Zo ja, bent u bereid te onderzoeken of aan deze zuivering een (financiële) prikkel kan worden gekoppeld?
Ja. Inderdaad kan een dergelijke zuivering baten hebben voor de mens en voor het leven in het water. Binnen het bredere kader van de ketenaanpak medicijnen en het lopende onderzoek naar een toekomstbestendige en duurzame financiering laat ik nu onderzoeken wat mogelijke oplossingsrichtingen zijn en welke (financiële) prikkels daaraan gekoppeld kunnen worden. Zie ook het antwoord onder vraag twee.
In hoeverre ziet u in meer algemene zin mogelijkheden om via wet- en regelgeving zuivering op medicijnresten te bevorderen? Bent u bereid deze mogelijkheden nader te verkennen?
In de ketenaanpak geneesmiddelen in water verken ik de opgave en mogelijke oplossingen voor de problematiek van restanten van geneesmiddelen in water. Wet- en regelgeving, financiële instrumenten en communicatie zijn daarin alle in beeld om de oplossingen te bevorderen. Zie verder het antwoord op vraag twee.