Signalen van slechte zorg, fraude en hoge salarissen bij een instelling die zorg zou moeten leveren aan ex-gedetineerden |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Sander Dekker (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht waaruit blijkt dat het met de zorg bij het Enschedese Zorg en Research slecht gesteld was, maar de eigenaar financieel binnenliep? Kunt u aangeven of deze signalen bij u bekend waren en zo ja, hoe lang al?1 2
Ja, ik heb hiervan kennisgenomen. De signalen die zijn genoemd in de berichtgeving waren bekend bij de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI). De eerste signalen vanuit ketenpartners zijn in maart 2020 geuit.
Kunt u aangeven wat u precies gedaan heeft met de zorgen die de Reclassering bij uw ministerie heeft uitgesproken over de kwaliteit van zorg bij Zorg en Research en wanneer de reclassering deze zorgen voor het eerst heeft geuit?
De reclassering heeft deze zorgen voor het eerst geuit in september 2020. Mede op basis van de signalen van ketenpartners, waaronder de reclassering en gemeente Enschede, is DJI op 13 juli 2021 een materiele controle gestart naar de kwaliteit en rechtmatigheid van de door deze zorgaanbieder geleverde en gedeclareerde zorg. DJI heeft besloten het contract niet te verlengen. De zorgaanbieder heeft vervolgens een kort geding aangespannen tegen DJI en vorderde daarbij het contract alsnog te verlengen. De rechter heeft deze vordering afgewezen.3 Het contract liep dus van rechtswege af op 31 december 2021.
Vindt u dat het toezicht op deze instelling voldoende was? Zo ja, waaruit blijkt dat?
Gedurende de contractperiode borgt DJI middels contractmanagement of zorgaanbieders nog steeds aan de geldende eisen voldoen. Indien het contractmanagement daar aanleiding toe geeft, kan DJI nader onderzoek instellen, een verbeterplan vragen of zelfs besluiten geen patiënten meer te plaatsen. Zoals vermeld in het antwoord op vraag 2 was er aanleiding om dit naderonderzoek te starten naar de kwaliteit en rechtmatigheid van de door deze zorgaanbieder geleverde en gedeclareerde zorg. Daarmee heeft DJI opvolging gegeven aan de ontvangen signalen.
Bent u het er mee eens dat geld dat voor zorg, begeleiding en het voorkomen van nieuwe criminaliteit bestemd is, niet zou moeten verdwijnen in de zakken van de directie?
Het geld dat aan de forensische zorg wordt besteed, is bedoeld voor de zorg aan forensische patiënten om zo de maatschappij veiliger te maken. Daarvoor is een positief bedrijfsresultaat tot een bepaald niveau noodzakelijk, zodat een instelling vermogen op kan bouwen ten behoeve van toekomstige investeringen, maar ook om jaren te kunnen compenseren wanneer zich door omstandigheden een negatief resultaat voordoet.
Kunt u verklaren hoe het kan dat er bij Zorg en Research tonnen aan winst zijn gemaakt en zeer forse bedragen aan salarissen aan de directie zijn uitgekeerd? Hoe is hier toezicht op gehouden? Hadden alleen hierom al niet alle alarmbellen af moeten gaan bij u?
DJI betaalt dezelfde tarieven aan Zorg en Research als aan andere aanbieders van deze soort zorg. Dit is gebaseerd op het maximumtarief zoals dat door de Nederlandse Zorgautoriteit is vastgesteld. Omdat dergelijke hoge winsten, zoals bij Zorg en Research, ongebruikelijk zijn, kan dat aanleiding zijn om een onderzoek in te stellen naar de kwaliteit en rechtmatigheid van de gedeclareerde zorg. Het eerdergenoemde onderzoek dat DJI uitvoert naar de rechtmatigheid van de gedeclareerde zorg zal uitsluitsel moeten geven of inderdaad sprake is van onrechtmatige declaraties, die konden leiden tot dergelijke hoge winsten en hoge salarisuitkeringen. Om het toezicht van DJI op zorgaanbieders te verbeteren, is de afdeling die de rechtmatigheid van declaraties controleert afgelopen jaar uitgebreid en volgt dit jaar een verdere uitbreiding. Ook werk ik aan betere inkoopvoorwaarden en aan een betere informatiepositie van DJI.
Bent u het er mee eens dat dit voorbeeld aantoont dat de zorg in zijn essentie niet aan de markt overgelaten kan worden, en de zorg in strafrechtelijk kader al helemaal niet, omdat dit onaanvaardbare risico’s voor de veiligheid van de samenleving oplevert en gepaard kan gaan met verkwisting van belastinggeld? Zo nee, waarom niet?
De overgrote meerderheid van de aanbieders zijn professionele aanbieders die goede kwaliteit leveren en rechtmatig handelen. Dit zijn zorgaanbieders die zich dagelijks inspannen om goede zorg te leveren aan een moeilijke doelgroep om Nederland op die manier veiliger te maken. Ik vind het dus nog steeds passend een deel van de zorg in een strafrechtelijk kader door particuliere zorgaanbieders uit te laten voeren.
Hoe kan het dat iemand die zelf eerder veroordeeld is, de baas kan zijn van een instelling die zorg moet verlenen aan ex-gedetineerden? Kunt u uiteenzetten op welke wijze deze directeur gescreend is voorafgaand aan het gunnen van de opdracht om zorg te leveren aan ex-gedetineerden en hoe gekeken is of de zorginstelling wel geschikt was voor het leveren van die zorg? Ziet u, naar aanleiding van deze zaak, reden om deze controles wellicht te intensiveren? Zo nee, waarom niet?
In deze aanbesteding heeft DJI de uitsluitingsgronden (gronden die verband houden met strafrechtelijke veroordelingen op basis van een onherroepelijk vonnis) toegepast.4 Het gaat hierbij om de volgende uitsluitingsgronden: deelneming aan een criminele organisatie, omkoping, fraude, witwassen van geld of financiering van terrorisme, terroristische misdrijven of strafbare feiten in verband met terroristische activiteiten of kinderarbeid en andere vormen van mensenhandel. DJI heeft in de aanbesteding al deze gronden van toepassing verklaard conform de Aanbestedingswet. De veroordeling van de bestuurder van deze organisatie viel niet in één van deze categorieën.
Tijdens de aanbesteding moesten inschrijvende partijen voldoen aan de door DJI gestelde eisen. Zoals in mijn brief aan uw Kamer van 26 november 2021 is vermeld, ben ik de inkoopprocedure aan het herzien om nog beter aan de voorkant van een aanbestedingsprocedure te kunnen definiëren waar een zorgaanbieder aan moet voldoen.5
Wat gaat u doen om het geld dat door Zorg en Research niet besteed is aan zorg terug te halen, zodat het alsnog besteed kan worden aan zorg?
Op dit moment loopt het onderzoek naar de rechtmatigheid van de door Zorg en Research gedeclareerde zorgprestaties. DJI zal op basis van de uitkomsten van het onderzoek gepaste maatregelen treffen. Een terugvorderingsprocedure behoort tot de mogelijkheden.
Onmenselijke verblijfsplaatsen voor arbeidsmigranten in Boskoop |
|
Bart van Kent (SP) |
|
Dennis Wiersma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat vindt u van de situatie die ik aantrof bij een huisvestingslocatie in Boskoop, waar tientallen arbeidsmigranten kunnen worden gehuisvest met slechts een tuinschutting tussen hen in en als enige slaapplaats een matras op de grond?1
Naar aanleiding van uw vragen heb ik opnieuw contact gezocht met de gemeente Alphen aan de Rijn, waaronder ook Boskoop valt. Het is immers de verantwoordelijkheid van de gemeente om toe te zien op de naleving van de verleende vergunningen en het voldoen aan het Bouwbesluit. De gemeente geeft aan dat zij nauw contact heeft met de beheerders van de betreffende locatie. Ook heeft de gemeente mij ervan verzekerd dat geen personen slapen in het klaslokaal zoals op de foto’s wordt weergegeven. Dit wordt gebruikt als magazijn. De kleding die zichtbaar is, is van een voormalige bewoner. Verder heeft de gemeente twee onaangekondigde controles op de locatie verricht, waarbij geen omstandigheden zijn aangetroffen die niet conform de vergunning of het Bouwbesluit zijn.
Het is niet toegestaan dat personen in een open ruimte slapen met enkel een schutting als wand. De gemeente geeft aan dat dat in de bedoelde situatie niet het geval is.
Ik wil hierbij wel aangeven dat huisvesting van arbeidsmigranten mijn aandacht heeft. Het kabinet is het afgelopen jaar aan de slag gegaan met de uitvoering van het advies van het Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten. In december is hierover de jaarrapportage arbeidsmigranten naar de Kamer verstuurd.2 Daarin is uitgebreid te lezen wat de stand van zaken is op het thema en op de verschillende aanbevelingen.
In het bijzonder wil ik daarbij nog benoemen dat ik werk aan een wetsvoorstel Goed Verhuurderschap. Met dit voorstel wordt het voor gemeenten mogelijk gemaakt een verhuurdervergunning voor de verhuur aan arbeidsmigranten in te stellen. Gemeenten krijgen daarmee een extra instrument in handen waarmee ze beter kunnen optreden tegen misstanden. Ook heb ik afgelopen zomer een handreiking huisvesting arbeidsmigranten opgesteld voor gemeenten. Deze handreiking biedt hen meer inzicht in de mogelijkheden om te sturen op de huisvesting van arbeidsmigranten. Ook is een koppeling gemaakt met al eerder opgestelde handreiking rondom handhaving. Tot slot waren er ook aanbevelingen rondom het uitvoeren van meer onaangekondigde controles, onder andere op het gebied van huisvesting. Deze aanbeveling is op gemeenten en de huisvestingskeurmerken gericht.
Bent u het eens dat deze situatie onmenselijk is en in Nederland niet zou mogen voorkomen?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u het eens dat een uitzendbureau dat zulke woonomstandigheden faciliteert minimaal zwaar gesanctioneerd zou moeten worden en eventueel ook het recht tot huisvesten zou moeten verliezen?
Zoals ik in de beantwoording van vraag 1 en 2 al aangaf, maak ik uit informatie van de gemeente op dat geen sprake is van overtredingen bij de door u bedoelde huisvestingslocatie.
Gaat u, nu deze situatie kent, zo snel mogelijk een onaangekondigde controle uitvoeren op deze locatie zodat deze onmenselijke omstandigheden zo snel mogelijk verdwijnen en worden bestraft? Zo nee, waarom staat u deze onmenselijke situatie toe? Zo ja, wordt er dan ook gecontroleerd op de door mij eerder geconstateerde overtredingen van het Stichting Normering Flexwonen (SNF)-keurmerk in de rest van het gebouw?
Zoals ik in de beantwoording van vraag 1 en 2 aangaf maak ik uit informatie van de gemeente op dat geen sprake is van overtredingen bij de door u bedoelde huisvestingslocatie. Het is bovendien aan de gemeente om onaangekondigde inspecties te doen met betrekking tot vergunningen en voldoen aan het Bouwbesluit. Zoals ik al aangaf, heeft zij dit tweemaal gedaan op de betreffende locatie. Dit sluit goed aan op het advies van het Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten, daarin werd het belang van onaangekondigde inspecties ook benadrukt.
Het keurmerk SNF inspecteert periodiek. Zij heeft aangegeven daarnaast open te staan voor klachten van bewoners, buren en van derden. De klacht wordt na indiening onderzocht en indien nodig volgen maatregelen.
Gaat u, nu van deze situatie afweet, ook alle andere huisvestingslocaties van dit uitzendbureau laten controleren om zeker te weten dat situaties zoals die in Boskoop nergens anders voorkomen?
Zoals ik al aangaf, maak ik uit informatie van de gemeente op dat geen sprake is van overtredingen bij de door u bedoelde huisvestingslocatie. Ik zie daarom geen reden om alle andere huisvestingslocaties van dit uitzendbureau te laten controleren. Bovendien is het aan gemeenten om hier een eigen afweging in te maken. Gemeenten staan doorgaans bovendien open voor signalen van mogelijke overtredingen en die kunnen dus bij hen onder de aandacht worden gebracht.
Het artikel 'Waar blijft de toegezegde ruimhartige compensatie?' |
|
Silvio Erkens (VVD), Ingrid Michon (VVD) |
|
Ferdinand Grapperhaus (CDA), Stef Blok (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Waar blijft de toegezegde ruimhartige compensatie?»? Hoe apprecieert u dit artikel?1
Ja, ik ben bekend met dit artikel. Ik onderschrijf hierbij graag opnieuw het belang zoals onderkend door mijn voorganger om tot een ruimhartige en snelle schadeafhandeling te komen voor gedupeerden van de ramp. Op 17 december jl. heeft mijn voorganger mede namens de toenmalige ministers van IenW, LNV en EZK uw Kamer dan ook nader geïnformeerd over een aantal aspecten van de afhandeling van de waterschade.2 Daarin is onder andere aangegeven dat het kabinet begin 2022 een eenmalige omzetdervingsregeling zal publiceren voor getroffen ondernemers in Limburg en eenmalig zal komen met een tegemoetkoming voor agrariërs met teeltplanschade in de uiterwaarden van de bedijkte Maas. Tevens wordt er in nauwe afstemming met RVO hard gewerkt om uitbetaling van de tegemoetkoming van de schade binnen het kader van de Wet tegemoetkoming schade bij rampen (Wts) zo spoedig mogelijk te laten verlopen. Op deze manieren wordt werk gemaakt van een ruimhartige en snelle schadeafhandeling voor gedupeerden.
Hoe staat het met de uitbetaling van de schadevergoedingen door de overheid?
De Regeling tegemoetkoming waterschade in Limburg en het onbedijkte gebied langs de Maas in de Noord-Brabant in juli 2021 is op 10 september 2021 in werking getreden. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) draagt zorg voor de uitvoering van de Regeling.
Op peildatum 11 januari 2022 zijn er bij RVO 2.775 meldingen gedaan en zijn er 2.496 schade expertises gepland (of deels) uitgevoerd voor de inventarisatie van schade bij gedupeerden. Op genoemde peildatum is € 7.262.857,– aan 296 gedupeerden uitbetaald. Naar verwachting loopt dit bedrag de komende tijd verder op.
Welke mogelijkheden ziet u om de uitbetaling te versnellen? Deelt u de mening dat een snelle uitbetaling van de schadevergoedingen cruciaal is voor een goed herstel van gedupeerde ondernemers in de regio?
Een snelle uitbetaling van de tegemoetkomingen van de onverzekerbare materiële schade is de inzet en daar wordt door de taxateurs en RVO hard aan gewerkt. Zoals aangegeven in de beantwoording van mijn voorganger op vragen van de leden Amahouch, Boswijk en Van Dijk3 wordt daarbij alles in het werk gezet om de doorlooptijden zo kort mogelijk te houden.
Tijdens uw bezoek aan de regio heeft u toegezegd dat alle gedupeerden ruimhartig gecompenseerd zullen worden, hoe definieert u die ruimhartigheid? Hoe geeft u daar invulling aan?
Het kabinet staat de door de overstromingen getroffen inwoners en organisaties in Limburg bij door de Wet tegemoetkoming schade bij rampen (Wts) en een aantal gerichte regelingen in te zetten.
De ministeriële regeling in het kader van de Wts is heel snel van kracht gegaan en een tegemoetkoming in de geleden schade – op het vlak van onverzekerbare materiële schade – kon tot en met 16 december 2021 aangevraagd worden.
Naast het van toepassing verklaren van de Wts zijn er generieke regelingen met betrekking tot omzetderving van kracht, te weten de Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL) en de Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid (NOW). Ook zullen ondernemers met aanmerkelijke materiële schade door de ramp en met ten minste 50% omzetderving in het derde en vierde kwartaal van 2021 een tegemoetkoming krijgen voor het vierde kwartaal. De tegemoetkoming bedraagt 10% van de omzetderving. Deze tegemoetkoming is eenmalig, naast de openstelling van de NOW voor november en december en de TVL regeling voor het vierde kwartaal van 2021.
Het toenmalige kabinet heeft daarnaast besloten om, gezien de zeer uitzonderlijke omstandigheden, eenmalig te komen met een tegemoetkoming voor agrariërs met teeltplanschade in de uiterwaarden van de bedijkte Maas (van Boxmeer tot Geertruidenberg). Deze regeling wordt als aangegeven in de Kamerbrief van 17 december jl.4 momenteel voorbereid. Eind januari 2022 kunnen bedrijven zich gaan melden voor deze tegemoetkoming. Meer informatie komt binnenkort beschikbaar op de website van RVO.
Een aantal gemeenten – zoals Valkenburg aan de Geul – is zwaar getroffen door de wateroverlast. Gezien de relatief beperkte jaarlijkse baten en lasten van de gemeenten en de omvang van de (bestemmings-)reserves kan redelijkerwijs van deze gemeenten niet verwacht worden dat ze de schade binnen hun lopende begrotingen op kunnen vangen. Daarom worden deze gemeenten middels een specifieke uitkering gecompenseerd.
Kortom, naast het van toepassing verklaren van de Wts en financiële compensatie van een aantal gemeenten met een specifieke uitkering heeft het toenmalige kabinet, gelet op de zeer uitzonderlijke omstandigheden, besloten eenmalig te komen met een tegemoetkoming voor agrariërs met teeltplanschade in de uiterwaarden van de bedijkte Maas en een aparte, eenmalige omzetdervingsregeling voor Limburg.
Hoe apprecieert u de zorgen van ondernemers in Limburg over het uitblijven van de uitbetaling van de schadevergoeding en de gevolgen hiervan ook rondom voortdurende omzetderving?
Ik begrijp deze zorgen heel goed. De bestaande zorgen zijn al groot vanwege de impact van de COVID-19 pandemie. Voor deze ondernemers is de extreme wateroverlast (tijdens de belangrijke zomerperiode) en impact daarvan daar nog eens bovenop gekomen. Ik onderschrijf de lastige situatie waar ondernemers in Limburg zich in bevinden, en dat is dan ook juist de reden dat RVO hard werkt om de tegemoetkomingen voor onverzekerbare materiële schade zo spoedig mogelijk uit te keren. Bovendien heeft het kabinet gesprekken gevoerd met de provincie Limburg over de situatie van de ondernemers. Het toenmalige kabinet heeft, zoals ook in het antwoord op vraag 4 is aangegeven, besloten 10% omzetderving te compenseren in het vierde kwartaal van 2021 voor ondernemers die in aanmerking komen voor de nieuwe regeling die begin 2022 zal worden gepubliceerd.
Wat is nu het gebied in Brabant dat voor vergoeding van de schade in aanmerking komt? Klopt het dat het op dit moment in bepaalde delen van Brabant (stroomafwaarts na Sambeek) voor agrarisch ondernemers niet meer mogelijk is om schade te melden?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar de bijlage als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Regeling met de contouren van het schadegebied. De Brabantse oever van de Maas stroomafwaarts tot aan Boxmeer wordt gerekend tot het schadegebied door overstroming. Tot Boxmeer is de Maas onbedijkt (evenals de rechteroever tot Mook). Vanaf Boxmeer ligt van oudsher al een primaire kering. Vanuit RVO en de taxateurs vindt maatwerk plaats om na te gaan en te bepalen of specifieke gevallen op de grenzen van deze contouren wel of niet in aanmerking komen.
Het was voor iedereen mogelijk schade te melden tot en met 16 december 2021. Het was daarbij niet nodig om al een compleet beeld te hebben van de schade. Na de genoemde datum kan de melding namelijk nog worden aangevuld.
Als aangegeven in het antwoord op vraag 4 komt er een aparte regeling voor teeltplanschade in de uiterwaarden van de bedijkte Maas van Boxmeer tot aan Geertruidenberg, wat stroomafwaarts is vanaf Sambeek. Deze regeling wordt voorbereid en op korte termijn zullen hiervoor aanvragen gedaan kunnen worden bij RVO.
Klopt het dat u in gesprek zou gaan met de regio en ondernemersvertegenwoordigers over omzetderving? Hoe staat het daarmee en wat doet u daarop?
Het klopt dat het toenmalige kabinet met de regio en ondernemersvertegenwoordigers vanuit de provincie Limburg in gesprek is gegaan over omzetderving als gevolg van de waterramp halverwege juli. De afgelopen maanden hebben er veelvuldig gesprekken plaatsgevonden om de scope van de omzetderving te bepalen en om beelden te wisselen over de ontstane situatie. Inmiddels wordt er een regeling voor een tegemoetkoming in omzetderving voor het vierde kwartaal uitgewerkt. Die regeling zal begin 2022 in werking treden en door RVO worden uitgevoerd. Met de komst van de omzetdervingsregeling voor getroffen ondernemers wordt ook invulling gegeven aan de motie van de leden Graus en Van Kent over een ruimhartige omzetdervingsregeling voor Limburgse ondernemers die getroffen zijn door de watersnoodramp.5
Het bericht de helft van de slachtoffers van mensenhandel binnen enkele jaren opnieuw slachtoffer van een misdrijf wordt. |
|
Ruud Verkuijlen (VVD) |
|
Ankie Broekers-Knol (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Helft slachtoffers mensenhandel binnen 7 jaar opnieuw getroffen door misdrijf?1» en het rapport «Slachtoffermonitor mensenhandel 2016–2020»?
Ja.
Uit het onderzoek blijkt dat de overheid slachtoffers van mensenhandel na signalering onvoldoende bescherming kan bieden om herhaling of erger te voorkomen, herkent u dit probleem?
De Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen (hierna: de Nationaal Rapporteur) constateert dat 45% van de slachtoffers van mensenhandel binnen vijf jaar nogmaals in beeld komt als slachtoffer van enig delict.2 Dit is problematisch; allereerst natuurlijk vanuit het oogpunt van bescherming van slachtoffers, maar daarnaast ook met oog op criminaliteitspreventie.
Welke interventies worden op dit moment ingezet om herhaald slachtofferschap tegen te gaan?
Allereerst is het van belang om in te zetten op het voorkomen dat mensen überhaupt slachtoffer óf dader worden van mensenhandel. Een van de vijf actielijnen van het programma Samen tegen mensenhandelbenoemt een breed palet aan interventies die reeds actief zijn.3 Voor het voorkomen van herhaald slachtofferschap is het belangrijk dat slachtoffers van mensenhandel bescherming krijgen, opgevangen worden en behandeling krijgen. Ook hierbij is het relevant dat verdachten worden opgespoord en dat het OM overgaat tot vervolging.
Ieder slachtoffer van een strafbaar feit wordt, ter voorkoming van herhaald slachtofferschap, secundaire victimisatie, maar ook voor het voorkomen van intimidatie en vergelding, door de politie en het OM aan de hand van criteria beoordeeld op zijn of haar individuele beschermingsbehoefte. Een Individuele Beoordeling (IB) is een wettelijke taak die voortvloeit uit de EU-richtlijn minimumnormen slachtoffers.4 Het palet aan beschermingsmaatregelen is breed, bijvoorbeeld het afschermen van adresgegevens, anoniem aangifte doen of een contact- of gebiedsverbod.
Slachtoffers van mensenhandel zijn een categorie van kwetsbare personen waarvoor ook diverse specifieke regelingen gelden. Verschillende maatregelen zijn er op gericht om zorg, ondersteuning en opvang te verlenen aan slachtoffers, mede om revictimisatie te voorkomen.
Via de Categorale Opvang Slachtoffers Mensenhandel (COSM) wordt gespecialiseerde begeleiding geboden aan slachtoffers van mensenhandel uit derde landen zonder verblijfstatus. Bij deze slachtoffers is de geringste aanwijzing van mensenhandel geconstateerd en om die reden wordt door de politie (of andere opsporingsdiensten) drie maanden bedenktijd aangeboden. Daarmee wordt voorzien in opvang en wordt hun rechtsbescherming gewaarborgd. In die drie maanden wordt er voor deze groep van slachtoffers psychische hulp, persoonlijke begeleiding en opvang geregeld. Er worden methoden ingezet, zoals psychosociale gesprekken, de Krachtwerk-methodiek en psycho-educatieve training die is gericht op het (indien nodig) vaststellen van een diagnose, het weerbaarder maken van en het verkleinen van het risico op herhaling en overdracht naar een volgend verblijf dan wel terugkeer naar land van herkomst.
Ook in de reguliere opvangvoorzieningen voor slachtoffers met verblijfstatus en slachtoffers uit Nederland/EU-landen en de specialistische opvang voor slachtoffers met multiproblematiek (OMM) worden methoden ingezet om terugval of herhaling te voorkomen. Daarnaast zijn fysieke en sociale veiligheidsmaatregelen in de opvangvoorzieningen aanwezig, zoals beveiliging.5 Ook worden afspraken gemaakt voor incidentenprocedures met bijvoorbeeld politie in de regio’s.
Verder wil ik uw Kamer wijzen op een meerjarig onderzoek van ZonMW, gestart in 2018, waarin de effectieve behandeling van slachtoffers van loverboys centraal staat. Met deze studie wordt onderzocht welke omstandigheden een aanleiding kunnen zijn voor terugval, maar ook welke factoren bijdragen aan een succesvolle behandeling. Het onderzoek loopt nog tot het einde van 2022.
Bent u het eens dat de huidige interventies tekortschieten nu herhaald slachtofferschap, zeker gezien het feit dat slachtoffers van mensenhandel door de coronacrisis nog kwetsbaarder zijn geworden, klaarblijkelijk niet wordt voorkomen? Zo ja, welke stappen gaat u nemen om dit te verbeteren? Zo nee, waarom niet?
De statistieken over het herhaald slachtofferschap zijn zorgelijk. Door de coronapandemie en de maatregelen zijn veel activiteiten op een lager pitje komen te staan, bijvoorbeeld door gesloten buurthuizen. Relevant in het kader van het tegengaan van geweld in afhankelijkheidsrelaties, wat tevens betrekking heeft op slachtoffers van mensenhandel, wil ik wijzen op een onderzoek van het Verweij Jonker Instituut. Dit onderzoek wijst uit dat de aanpak van kindermishandeling een kwestie van lange adem is.6 Datzelfde geldt voor andere vormen van geweld in afhankelijkheidsrelaties. Het gaat dan om complexe problematiek waarvoor niet één interventie of aanpak effectief kan zijn. Ik zal dit vraagstuk betrekken in mijn beleidsreactie op de Slachtoffermonitor. Ik ben voornemens deze in februari met uw Kamer te delen.
Krijgt de surveillance op internet nog voldoende prioriteit, nu mensenhandel door de coronacrisis is verplaatst naar de onlinewereld en dit potentiële slachtoffers extra kwetsbaar maakt? Zo nee, welke extra inzet kan hierop worden gepleegd?
De verplaatsing van mensenhandel naar de online wereld was ook al vóór COVID-19 in volle gang en is mede door de coronacrisis in een stroomversnelling geraakt. De politie zet zich in voor een stevige positie in het digitale domein en het bestendigen van de aanpak van georganiseerde en ondermijnende criminaliteit, waaronder mensenhandel. Er worden dan ook verschillende digitaal rechercheurs geworven uit de middelen waarmee de politie versterkt is (n.a.v. motie Segers-Asscher). Steeds meer politiespecialisten onderzoeken publiek toegankelijke websites, in het geval de politie signalen heeft ontvangen dat aanwijzingen van mensenhandel kunnen worden aangetroffen.
Daarnaast wordt er vanuit het Ministerie van Justitie en Veiligheid samen met het Centrum tegen Kinderhandel en Mensenhandel (CKM) gewerkt aan een Nationaal Actieplan digitale bescherming van kwetsbare jongeren tegen seksuele uitbuiting. Ook wordt ingezet op proactieve benadering van (potentiële) slachtoffers door middel van een online outreach traject. Het CKM voert een proef uit om online in contact te komen met mogelijke slachtoffers van seksuele uitbuiting. Hiervoor wordt een getraind team van zorgprofessionals uitgerust met de technische tools om proactief in contact te komen met mogelijke slachtoffers. In de komende periode zullen de eerste (potentiële) slachtoffers worden benaderd. Uw Kamer zal op de hoogte worden gehouden van de voortgang van dit project.
Deelt u de conclusie van de zorgcoördinatoren dat interventies vaak worden ingezet op het slachtofferschap van mensenhandel, maar niet op het onderliggende problematiek die slachtoffers kwetsbaar maakt voor uitbuiting?
Uit de Slachtoffermonitor wordt duidelijk dat slachtoffers van mensenhandel vaak onderliggende problematiek hebben. Het is belangrijk om dit aspect ook mee te nemen in de hulp die aan het slachtoffer geboden wordt. Ik zal dit vraagstuk betrekken in mijn beleidsreactie op de Slachtoffermonitor. Ik ben voornemens deze in februari met uw Kamer te delen.
Klopt het dat alleen slachtofferhulp wordt geboden aan slachtoffers van arbeidsuitbuiting? Vallen slachtoffers van ernstige benadeling daarmee niet tussen wal en schip enkel omdat het leed wat zij meemaken niet voldoet aan de taaie delictsomschrijving van mensenhandel? Welke mogelijkheden zijn er, totdat het mensenhandel artikel verbeterd is, om deze personen al dan niet via gemeenten passende hulp te bieden?
Het is belangrijk dat slachtoffers van uitbuiting uit de uitbuitingssituatie worden gehaald en hulp en opvang krijgen, om zo te zorgen voor rust en veiligheid. Het coalitieakkoord zet in op de herziening van artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht om daders van mensenhandel beter te kunnen aanpakken. De bescherming van slachtoffers is momenteel sterk gekoppeld aan het strafrecht. Als sprake is van de geringste aanwijzing van mensenhandel maken zij aanspraak op hulp en beschermingsmaatregelen. Voor derdelanders geldt bovendien dat zij op grond van de B8/3-regeling een bedenktijd van maximaal drie maanden (zie ook de beantwoording onder vraag 3). Deze systematiek verschilt met de bestuursrechtelijke aanpak waarbij ernstig benadeelden geen recht op hulp en beschermingsmaatregelen hebben zoals dat voor slachtoffers van arbeidsuitbuiting wel wettelijk is geregeld. Tijdens de Taskforce Mensenhandel van 15 juli jl. is daarom verkennend gesproken om de reeds bestaande mogelijkheden ter bescherming van ernstig benadeelde werkenden in Nederland beter te benutten. Naar aanleiding hiervan gaat in januari 2022 een pilot met CoMensha van start om om opvangplekken te organiseren voor ernstig benadeelden, waarbij geen sprake is van een geringste aanwijzing van mensenhandel. Daarnaast wordt naar aanleiding van de aanbevelingen van het Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten ingezet op een betere informatievoorziening en toegang tot het recht.
Aangezien gemeenten in eerste instantie verantwoordelijk zijn voor het bieden van hulpverlening, hoe verloopt het contact tussen u en de gemeenten en lukt het om zo problemen vroegtijdig te signaleren?
De gemeentelijke aanpak is verankerd in het programma Samen tegen mensenhandel7. Ik ben daarom regelmatig in contact met de gemeenten en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Om die reden is samen met de Nationaal Rapporteur dit najaar gestart met een «Roadshow» langs het lokaal bestuur. Dit met als doel de problematiek van uitgebuite jongeren stevig op de bestuurlijke agenda plaatsen. De aftrap voor deze roadshow heeft plaatsgevonden tijdens het Bestuurlijk Overleg Mensenhandel van 8 november jl. Het nauwe contact met het lokale bestuur, en daarmee ook de roadshow, zal ik met de voortzetting van het programma door gaan zetten.
Gemeenten zijn onmisbaar bij het signaleren van vormen van mensenhandel. Ambtenaren met burgercontacten zijn de oren en ogen van een gemeente. Vanwege de multiproblematiek waar slachtoffers van mensenhandel vaak mee te maken hebben, geldt voor een deel van deze slachtoffers dat zij soms al «onbewust» in beeld zijn van de gemeente. Dit kan bijvoorbeeld zijn vanwege schuldenproblematiek. Als ambtenaren of andere betrokkenen signalen van uitbuiting herkennen en melden, kunnen zij een belangrijke bijdrage leveren aan de strijd tegen mensenhandel. De afgelopen jaren hebben verschillende partijen zich ingezet om relevante functionarissen bij gemeenten te trainen in het herkennen van signalen van mensenhandel.
Om gemeenten te ondersteunen bij het maken van beleid heeft de VNG het Kompas en het Kader Aanpak Mensenhandel gepubliceerd. Het Kompas bevat onder andere informatie over aard en omvang van mensenhandel, wetgeving en rollen en verantwoordelijkheden van gemeenten. Het Kader biedt bouwstenen bij het formuleren van een aanpak voor mensenhandel. Een van de bouwstenen is het verbeteren van het signalerend vermogen van de gemeente. De gemeente stelt hiervoor een aandachtsfunctionaris aan. De functionaris is aanspreekpunt, verzamelt signalen en weet deze signalen aan de juiste partij te koppelen. De gemeente communiceert duidelijk over de interne meldroute en de ingestelde aandachtsfunctionaris. Er wordt daarnaast actief geïnvesteerd in het opbouwen van kennis over het signaleren van mensenhandel bij medewerkers van de gemeente.
Tot slot, welke mogelijkheden ziet u om minderjarigen en adolescenten, gezien hun verhoogde kans op herhaald slachtofferschap, beter te ondersteunen richting hulpverlening, juist ook in de fase waarin een minderjarige volwassen wordt en een ander hulpaanbod van toepassing is?
Het hoeft niet zo te zijn dat er in algemene zin bij de overgang van minderjarigen naar adolescentie sprake is van een ander hulpaanbod. Zoals ook aangegeven bij mijn antwoord op vraag 3 en 8 vindt de signalering en aanpak plaats in het sociaal domein bij de gemeenten. De gemeenten koopt hulp aan minderjarigen in via de jeugdwet en kan dit voortzetten na het achttiende jaar op basis van de verlengde jeugdhulp. Ik zal dit vraagstuk betrekken in mijn beleidsreactie op de Slachtoffermonitor. Ik ben voornemens deze in februari met uw Kamer te delen.
Geweld tegen anti-Zwarte Piet demonstranten in Volendam |
|
Eva van Esch (PvdD), Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66), Ferdinand Grapperhaus (CDA) |
|
|
|
|
Waarom heeft u na demonstratie tegen Zwarte Piet en racisme in Volendam op 4 december jongstleden geen statement uit gedaan waarin u namens het kabinet de bedreigingen en het geweld tegen de demonstranten ten strengste veroordeeld en hun recht om te protesteren benadrukt? Bent u bereid dat alsnog te doen?
Het kabinet keurt dit geweld af, alsmede het feit dat daarmee werd geprobeerd de uitoefening van het grondwettelijk beschermde demonstratierecht te voorkomen. Het faciliteren en in goede banen leiden van demonstraties is aan de burgemeester, die daarover verantwoording aflegt aan de gemeenteraad.
Deelt u de mening dat het onaanvaardbaar is dat geweldplegers zich tegen vreedzame demonstranten keren, hen het recht op demonstreren ontnemen, en daarmee ongestraft wegkomen?
Zoals gezegd keurt het kabinet dit geweld af. De vraag of hier vervolging zou moeten worden ingesteld is echter aan het OM. Wanneer tot vervolging wordt overgegaan, is het aan de rechter om te beoordelen of dit geweld bestraft moet worden.
Kunt u een uitgebreide reactie geven op het artikel «Opinie: Geweld in Volendam tegen Kick Out Zwarte Piet rechtvaardigt strafvervolging»?1
Zie antwoord op vraag 2.
Hoe oordeelt u over de uitspraak van de burgemeester van Volendam dat een onaangekondigde demonstratie «niet mag»?2
Het is niet aan mij om een oordeel te geven over het optreden van de burgemeester of over diens uitspraken. De burgemeester legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad.
Zie verder het antwoord op vraag 6.
Erkent u dat er vooraf gesprekken zijn geweest tussen de betogers en de lokale driehoek over een demonstratie bij de intocht van Sinterklaas in Volendam, maar dat deze intocht op het laatste moment werd afgeblazen? Begrijpt u dat de betogers alsnog wilden demonstreren toen bleek dat er toch een intocht was met Zwarte Pieten waar de gemeente steun aan gaf?3
Het is niet aan mij om dit al dan niet te erkennen, omdat de verantwoordelijkheid voor het in goede banen leiden van demonstraties belegd is bij de burgemeester, die daarvoor verantwoording aflegt aan de gemeenteraad.
Erkent u dat het een grondrecht is om te demonstreren, ook als een demonstratie niet vooraf is aangekondigd?
Het recht om te demonstreren is een groot goed. Van iedere demonstratie moet tevoren een kennisgeving worden gedaan aan de gemeente. Een kennisgeving stelt het lokaal gezag in staat om tijdig maatregelen te nemen als dat noodzakelijk is om demonstranten te beschermen tegen tegenacties en om wanordelijkheden te voorkomen. Niettemin geldt dat een demonstratie die niet is aangemeld evengoed wordt beschermd door het demonstratierecht. Het niet doen van een kennisgeving kan er echter in voorkomende gevallen wel toe leiden dat het eerder gerechtvaardigd is om in te grijpen, omdat er onvoldoende tijd is geweest om (tevoren) passende maatregelen te nemen en de veiligheid (daardoor) niet gegarandeerd kan worden.
Wat vindt u van het standpunt van de burgemeester van Volendam dat de demonstratie niet was geëscaleerd, aangezien er «geen doden en gewonden waren gevallen»?4
Zoals reeds aangegeven in antwoord op bovenstaande vragen geef ik daarover geen oordeel. Dat is aan de burgemeester en wordt desgevraagd verantwoord richting de gemeenteraad.
Vindt u dat de lokale driehoek voldoende heeft gedaan om de demonstratie van Anti-Zwarte Piet betogers in Volendam te faciliteren en hen te beschermen tegen bedreiging en geweld?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bereid de burgemeester van Volendam aan te spreken op haar uitlatingen en het handboek «Demonstreren bijkans heilig» onder de aandacht van de lokale driehoek in Volendam te brengen?
Het handboek «Demonstreren bijkans heilig», uitgegeven door de gemeente Amsterdam, de politie en het Openbaar Ministerie, is bij het verschijnen daarvan breed onder de aandacht gebracht en dat blijft het kabinet ook doen.
De berichten ‘Jonge agent uit de bocht’ en ‘Rode kaart voor groentje’ |
|
Lilian Helder (PVV) |
|
Ferdinand Grapperhaus (CDA) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Jonge agent uit de bocht» en «Rode kaart voor groentje»?1
Ja.
Wat is de oorzaak of wat zijn de oorzaken van de forse stijging van de ernstige integriteitsschendingen?
Uit het onderzoek Georganiseerde Criminaliteit en Integriteit van Rechtshandhavingsorganisaties in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) van het Ministerie van Veiligheid en Justitie van september 2017, blijkt dat het aantal interne onderzoeken naar aspiranten in absolute aantallen toeneemt, maar dat deze toename gelijke tred houdt met de toename van het aantal aspiranten in de onderzochte jaren. Procentueel is er dan ook geen sprake van een stijging en is het percentage van onderzochte integriteitsschendingen onder aspiranten over de laatste vijf jaar stabiel gebleven, namelijk rond de 1%. Daarnaast geldt hierbij de kanttekening dat het gaat om het aantal gestarte interne onderzoeken en daarmee nog niet is vastgesteld dat er daadwerkelijk sprake is van een aangetoond plichtsverzuim.
Is sprake van incidenten of een trend?
Op basis van de resultaten blijkt er geen (stijgende of dalende) trend van het aantal onderzoeken naar integriteitsschendingen over de onderzochte periode 2016–2020. Het percentage van onderzochte integriteitsschendingen onder aspiranten is stabiel gebleven, rond de 1%. Het is desondanks belangrijk om aandacht te houden voor deze ontoelaatbare incidenten en daarvan te leren als organisatie. De onderzoeksresultaten laten bijvoorbeeld zien dat het normoverschrijdend gedrag van aspiranten – overigens net als bij niet-aspiranten – voornamelijk in privétijd plaatsvindt. Daarom is het nodig om voorafgaand, tijdens en na de aanstelling van studenten voorlichting te geven over de kernwaarden van de politie en de voorbeeldfunctie die politiemedewerkers – ook in de vrije tijd – hebben. Toch kan het voorkomen dat aspiranten in de privétijd niet scherp hebben wat wel of niet is toegestaan. Als dan middels onderzoek wordt vastgesteld dat er een fout is gemaakt, kan de politie als werkgever een reactie geven op dit gedrag met als doel herhaling in de toekomst te voorkomen.
Daarnaast besteden de Korpschef en de Politieacademie veel aandacht aan de vorming van aspiranten tijdens de opleiding met daarbij speciale nadruk op het (verder ontwikkelen van) normbesef en mentale weerbaarheid. Uit de onderzochte integriteitsschendingen blijkt ook dat het aantal onderzochte aspiranten integriteitsschendingen tijdens hun eerste opleidingsjaar het hoogst is (54%), in het tweede opleidingsjaar afneemt (31%) en verder afneemt naarmate de opleiding vordert.
Waarom is, in tegenstelling tot 2017, de etniciteit niet onderzocht als één van de (mogelijke) oorzaken?
Naar aanleiding van het onderzoek door het WODC is door de politie besloten om geen maatregelen tegen groepen met een migratieachtergrond te nemen. Daarnaast blijkt geen verschil in betrouwbaarheid tussen medewerkers met een migratie-achtergrond en medewerkers zonder migratie-achtergrond. Om te kunnen worden aangesteld als politieambtenaar moeten medewerkers voldoen aan de wettelijk bepaalde ondergrens van selectienormen en aanstellingseisen op het gebied van betrouwbaarheid en integriteit. De politie hanteert hierbij een neutrale uitgangspositie.
Het onderzoek richtte zich op de vraag of er sprake is van een toename van normafwijkend gedrag van aspiranten. Het is goed dat de politie door het doen van onderzoek zicht houdt op het gedrag ten opzichte van de beroepscode van de politie en de mate waarin dat gedrag voorkomt. Belangrijk is namelijk dat een goed beeld wordt verkregen van de beweegredenen van deze aspiranten om over te gaan tot normoverschrijdend gedrag. Hierbij wordt gekeken naar de drijfveren die het gedrag van individuele aspiranten kunnen verklaren en niet naar de afkomst van groepen aspiranten.
De drijfveren van normoverschrijdend gedrag zijn desalniettemin niet expliciet uit het onderzoek naar voren gekomen. De politie zal dan ook in lijn met de aanbevelingen voortaan in elk disciplinair onderzoek meer expliciete aandacht besteden aan de motieven van normoverschrijdend gedrag. Dit zal met name zijn in de (disciplinaire) hoorgesprekken en (strafrechtelijke) verhoren van de betrokken politieambtenaren. Daarnaast komt er meer aandacht voor het detecteren van door de organisatie gemiste kansen om normoverschrijdend gedrag te voorkomen.
Bent u het ermee eens dat dit een verwijtbaar manco is, gezien het feit dat uit genoemd onderzoek door het WODC naar corruptie binnen onder andere de politie is gebleken dat ambtenaren met een migratie-achtergrond vaker betrokken zijn bij ernstige integriteitsschendingen?
Zie antwoord vraag 4.
Is de reden hiervoor het feit dat de korpsleiding heeft bepaald dat de komende jaren 35 procent van de instroom een niet-westerse achtergrond moet hebben?
Nee, de korpsleiding staat voor een politieorganisatie waar diversiteit, integriteit en kwaliteit hoog in het vaandel staan. Om verbinding te hebben met diverse groepen in de samenleving hanteert de politie streefcijfers om de diversiteit van de politieorganisatie te vergroten. Daarnaast streeft de politie in de Randstedelijke politie-eenheden naar 35% van de instroom met een niet-westerse achtergrond vanaf 1 januari 2025. Hoewel de politie met diversiteit alle kenmerken bedoelt, is het maken van een inhaalslag op het gebied van culturele diversiteit nodig om voldoende herkenbaar en benaderbaar te zijn voor alle groepen in de samenleving.
In de wervings- en selectieprocessen wordt echter niet getornd aan de eisen. In deze procedure blijven selectiestappen, de wettelijk bepaalde ondergrens van selectienormen en aanstellingseisen altijd voor alle kandidaten gelijk. Iedereen die niet voldoet aan deze eisen wordt afgewezen, ongeacht hun achtergrond.
Gaat dit alsnog onderzocht worden en zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord bij vraag 5.
Waarom wordt niet veel beter aan de voorkant, ofwel bij de selectie gekeken naar de achtergrond van de potentiële aspiranten?
Tijdens de selectieprocedure moet de kandidaat voldoen aan de wettelijk bepaalde ondergrens selectienormen en aanstellingseisen, ook op het gebied van integriteit. Daarnaast wordt er bij de screening gekeken naar een veelvoud aan indicatoren die de betrouwbaarheid en geschiktheid van de kandidaat-aspirant raken alvorens zij kunnen worden aangesteld als politieambtenaar. Hierbij wordt onder meer gekeken naar de kandidaat en diens waarden en normen. De politie hanteert hierbij een neutrale uitgangspositie waarbij alle kandidaten gelijk worden behandeld.
In de wet en AMvB screening is geen verplichting opgenomen voor het doen van een huisbezoek als vast onderdeel van het betrouwbaarheidsonderzoek. Het afleggen van een huisbezoek is namelijk – zo is gebleken vanuit de praktijk – in de regel niet noodzakelijk voor het verkrijgen van de gegevens die nodig zijn voor het onderzoek naar de betrouwbaarheid van een kandidaat. Het voeren van een gesprek op een politielocatie is doorgaans voldoende om de betrouwbaarheid van de kandidaat te beoordelen. Een verplicht huisbezoek heeft daarmee weinig toegevoegde waarde en levert een onnodige inbreuk op de privacy van kandidaten op, hetgeen zich niet verdraagt met het recht op respect voor het privéleven, vastgelegd in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
Om die reden vinden screenings-gesprekken in de regel op politiebureaus plaats en indien daar dringende redenen voor zijn, zoals een gerede twijfel aan de volledigheid of juistheid van de door de kandidaat verstrekte gegevens, middels een (aanvullend) huisbezoek. Daarnaast wordt er met instemming van de kandidaat gekeken naar de aanwezigheid en/of gebruik van sociale media.
Is het resultaat van het interne onderzoek geen reden om het huisbezoek bij potentiële aspiranten weer in te stellen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
De mogelijke familiebanden van een D66-Kamerlid met een veroordeelde terrorist |
|
Geert Wilders (PVV) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de veroordeling in 2014 van Soumaya Sahla tot drie jaar gevangenisstraf wegens deelname aan een terroristische organisatie en wapenbezit en de bekrachtiging daarvan door de Hoge Raad in 2016?
Ja.
Bestaan er familiale banden tussen deze Samouya Sahla en het D66-Kamerlid Fonda Sahla? Zo ja, welke? Is het haar zus?
Het is niet aan het kabinet om uitspraken te doen over persoonlijke omstandigheden van Kamerleden.
Was u hiervan op de hoogte? Was de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) hiervan op de hoogte? Zo neen, waarom niet? Zo ja, waarom ben ik daar nooit door het kabinet en/of de NCTV over geïnformeerd? Is de Kamervoorzitter en/of de beveiliging van de Tweede Kamer hierover geïnformeerd? Was de Dienst Koninklijke en Diplomatieke Beveiliging (DKDB) hiervan op de hoogte? Realiseert u zich dat ik een doelwit was van de Hofstadgroep om te worden vermoord en nog steeds bijna dagelijks door radicale moslims met de dood wordt bedreigd?
Over specifieke veiligheidsaangelegenheden doet het kabinet geen uitspraken in het openbaar. In algemene zin geldt dat in geval van dreiging en risico er op basis van informatie van inlichtingen- en veiligheidsdiensten een dreigingsanalyse wordt opgesteld. Op basis van deze analyse worden indien daar aanleiding voor is passende maatregelen getroffen. Deze analyse wordt periodiek dan wel op basis van eventuele nieuwe ontwikkelingen of informatie herijkt. Een te beveiligen persoon, zo ook de heer Wilders, wordt op hoofdlijnen geïnformeerd over de dreigingsanalyse alsook in geval van specifieke ontwikkelingen die van invloed zijn op de dreiging. Op basis van deze actuele, herijkte dreigingsinformatie wordt telkens bezien in hoeverre aanpassing van de beveiligingsmaatregelen nodig is. In algemene zin geldt dat het kabinet zeer alert is als het gaat om de veiligheidssituatie van Kamerleden. Dat geldt zeker ook voor die van de heer Wilders.
Hoe vaak heeft de voor terrorisme en wapenbezit veroordeelde Samouya Sahla de Tweede Kamer sinds haar veroordeling bezocht? Heeft zij een Kamerpas? Is het waar dat ze werkzaam is voor de VVD? Hoe beoordeelt u dit? Vindt u het gepast dat een veroordeelde terrorist bij de VVD werkt en mogelijk toegang heeft tot de Tweede Kamer der Staten-Generaal?
Het kabinet beschikt niet over informatie over wie de Tweede Kamer bezoekt, wie een Kamerpas heeft en wie werkzaam is voor een van de politieke partijen. Het toegangsbeleid van de Tweede Kamer is een verantwoordelijkheid van de Tweede Kamer zelf.
Realiseert u zich dat hoewel – mochten er familiaire banden tussen Soumaya en Fonda Sahla bestaan, de ene zus niet verantwoordelijk is voor de misdrijven van de andere zus, het zeer ongemakkelijk aanvoelt om als doelwit van radicale moslims en de Hofstadgroep op korte afstand in de plenaire zaal te zitten van een collega met een islamitische hoofddoek die mogelijk de zus blijkt te zijn van veroordeelde islamitisch terrorist, terwijl die veroordeelde zus mogelijk ook in het gebouw van de Tweede Kamer aanwezig is? Zo ja, waarom ben ik daar niet eerder over geïnformeerd, zo neen, waarom niet?
Zoals vermeld in het antwoord op vraag 3, wordt een te beveiligen persoon op hoofdlijnen geïnformeerd over de dreigingsanalyse en in geval van specifieke ontwikkelingen indien deze ontwikkelingen van invloed zijn op de dreiging, alsmede over eventuele gevolgen voor de beveiligingsmaatregelen in kwestie.
Het kabinet beseft dat (ernstige) bedreigingen en beveiligingsmaatregelen een grote impact hebben op het leven van de heer Wilders, zowel op de persoon als op diens werkzaamheden als Kamerlid. Het kabinet spant zich in om door middel van preventie, opsporing, interventie, vervolging en berechting dreigingen weg te nemen.
Herinnert u zich dat u tegen mij heeft gezegd: «ik zal dat partijtje van jou tot de laatste zetel afbreken»? Wilt u behalve mijn partij mijn bestaan ook afbreken?
Ja, ik herinner me deze uitspraak. Het kabinet stelt alles in het werk om Kamerleden en andere personen hun werkzaamheden onder veilige omstandigheden te kunnen laten doen.
Kunt u deze vragen voor maandag 6 december 2021, 18.00 uur, beantwoorden en elke vraag afzonderlijk beantwoorden?
De vragen zijn zo snel als mogelijk beantwoord.
Het bericht 'Beelden van misbruik van Marcels dochter blijven rondgaan: ‘Mensen gaan hierdoor kapot’' |
|
Ingrid Michon (VVD) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Beelden van misbruik van Marcels dochter blijven rondgaan: «Mensen gaan hierdoor kapot»»?1
Ja.
Herinnert u zich de antwoorden op de vragen van het lid Van Wijngaarden over het jaarrapport van de Internet Watch Foundation?2
Ja.
Waarom lukt het journalisten wel om op darkweb kinderpornografisch materiaal te detecteren en duurt het langer voordat de politie darkweb kinderpornografisch materiaal kan detecteren?
Helaas is het voor iedereen mogelijk om beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik op het internet te vinden. In Nederland is het een strafbaar feit om op het internet, waaronder ook het darkweb, te zoeken naar beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik. De strafrechtelijke onderzoeken van de politie strekken zich uit over het gehele internet, waaronder ook het darkweb. Vanwege het operationeel belang wordt niet nader ingegaan op de opsporingsmethoden. In aanvulling hierop richt de aanpak van online seksueel kindermisbruik door de politie zich vooral op het identificeren van slachtoffers van actueel misbruik. De politie maakt hiertoe in een zo vroeg mogelijk stadium een onderscheid tussen oud en nieuw materiaal, zodat de kans om slachtoffers van actueel misbruik te ontdekken wordt vergroot. Verder zet de politie in op het opsporen en vervolgen van vervaardigers/misbruikers, sleutelfiguren (keyplayersen facilitators),de netwerken daarachter en downloaders/verspreiders. Deze aanpak is als prioriteit opgenomen in de Veiligheidsagenda.
Ook de internetsector zelf zet zich in om het openbaar maken, verspreiden en opslaan van online seksueel kindermisbruik tegen te gaan. Het Expertisebureau Online Kindermisbruik (EOKM) stuurt verwijderverzoeken van grote hoeveelheden online kindermisbruikmateriaal uit naar bedrijven. Deze werkwijze is zeer effectief en leidt tot verwijdering van grote hoeveelheden online kindermisbruik. Met de oprichting van de Autoriteit Terroristisch en Kinderpornografisch materiaal zet het kabinet in op bestuursrechtelijke handhaving op de verwijderverzoeken waaraan geen gehoor wordt gegeven door aanbieders van communicatiediensten die beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik doorgeven of hebben opgeslagen.
Klopt het dat de IWF (Internet Watch Foundation) wederom concludeert dat het percentage van het door hun gevonden kinderpornografisch materiaal dat wordt gehost in Nederland is gestegen van 71% naar 77%?
Het rapport van IWF over 2020 concludeert dat er dit jaar 77% van het door hun gevonden beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik in Nederland wordt gehost. Dit ten opzichte van de 71% in het rapport van de IWF over 2019.
Zoals ook aangegeven in de beantwoording op vragen van het lid Van Wijngaarden3 zijn er kanttekeningen te maken bij de conclusies van de IWF. Het percentage wordt beïnvloed door meldingen die ze van burgers ontvangen, eigen zoekgedrag en (instellingen van) crawlers. De cijfers kunnen niet één op één worden door vertaald naar een mondiaal beeld.
Hoe beoordeelt u het feit dat ondanks uw inspanningen om de hosting van kinderpornografische afbeeldingen in Nederland te verminderen, zowel de aantallen als het percentage van het door IWF gevonden materiaal dat wordt gehost in Nederland stijgt?
Het tegengaan van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik vraagt blijvende inzet. Om die reden blijven de sector, de politie, het OM, het EOKM en mijn ministerie via meerdere maatregelen inzetten op het voorkómen dat beeldmateriaal (opnieuw) online komt en het zo spoedig mogelijk verwijderen van materiaal dat wordt gemeld. Zie hiervoor ook de beantwoording van vraag 3 en 6.
Welke maatregelen hebben Nederlandse webhosters afgelopen jaren geïmplementeerd om te voorkomen dat kinderpornografisch materiaal wordt gehost?
De afgelopen jaren heeft de sector zich erg ingespannen voor een internet vrij van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik. Dit heeft geleid tot goede resultaten. Zo heeft de sector afgesproken dat in de Notice-And-Takedown-procedure (NTD) dergelijk materiaal binnen 24 uur offline gehaald moet worden. Verder is er ingezet op de ontwikkeling van technische tools. Zo is de HashCheckService ontwikkeld, waarmee voorkomen kan worden dat bekend beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik geüpload wordt, en helpt het innovatieve meldingsverwerkingssysteem SCART het EOKM bij het geautomatiseerd verwerken van meldingen. Ook is er door de sector meegedacht over de monitor van de TU Delft, waardoor duidelijk wordt welke hosters dit materiaal hosten en hoe snel zij dit verwijderen na een NTD-melding. Op deze manier wordt de spiegel voorgehouden aan hosters die zich onvoldoende inspannen voor een schoon netwerk en roepen we slecht presterende providers ter verantwoording.
In hoeverre heeft het openbaar maken van de namen van webhosters die onvoldoende doen tegen het weren van kinderporno reeds effecten gesorteerd en op welke wijze wordt dit ook voor de Kamer inzichtelijk?
In oktober 2020 is de eerste rapportage van de TU Delft naar de Kamer verzonden4. De volgende rapportage van de TU Delft wordt naar verwachting in het voorjaar van 2022 naar de Kamer verzonden. Deze zal, net zoals de voorgaande keer, voorzien zijn van een begeleidende brief. De afgelopen metingen tonen dat er bedrijven zijn die maatregelen hebben genomen en hun prestaties hebben verbeterd. Verder tonen de metingen een wisselend beeld qua bedrijven die hierin voorkomen. De opgevoerde druk in Nederland heeft ook als gevolg dat materiaal zich naar het buitenland heeft verplaatst. Om die reden is het zeer belangrijk om dit ook op Europees niveau aan te pakken, zie ook de beantwoording van vragen 11, 12 en 13.
De TU Delft monitor is echter maar één van de vele maatregelen. Het is daarom lastig om bewegingen in de markt of ontwikkelingen in het aantal meldingen van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik toe te schrijven aan de effectiviteit van enkel de monitor.
Kunnen webhosters die aantoonbaar onvoldoende doen tegen het weren van kinderporno niet alleen bestuursrechtelijk worden aangepakt, maar ook strafrechtelijk worden vervolgd wegens medeplichtigheid aan het verspreiden van kinderporno?
Op grond van Europese regelgeving en de Nederlandse implementatie daarvan zijn hostingproviders onder voorwaarden niet aansprakelijk voor de gedragingen van hun klanten. De beperking van aansprakelijkheid voor hostingproviders die wordt geregeld in artikel 14 van de E-Commercerichtlijn is geïmplementeerd in artikel 54a Sr. Artikel 54a Sr stelt dat hostingproviders in beginsel niet vervolgd kunnen worden vanwege wederrechtelijke materiaal dat door klanten op hun servers wordt geplaatst, indien zij doen wat redelijkerwijs van hen gevergd kan worden wanneer ze op bevel van de officier van justitie (125p Sv) – en straks ook op bevel van de Autoriteit – gegevens ontoegankelijk moeten maken. Verder is het voor het strafrechtelijk vervolgen van hosters voor medeplichtigheid aan strafbare feiten die op hun servers plaatsvinden, zoals het verspreiden van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik, noodzakelijk om het opzet of het voorwaardelijke opzet van de hoster te bewijzen. In de praktijk blijkt (voorwaardelijke) opzet bij hosters lastig te bewijzen.
Wanneer wordt de volgende monitoringsrapportage van de TU Delft over webhosters naar de Kamer gestuurd?
De volgende rapportage van de TU Delft wordt naar verwachting in het voorjaar van 2022 naar de Kamer gestuurd.
Op welke wijze worden (vertegenwoordigers van) slachtoffers en ouders betrokken bij de maatregelen om kinderporno tegen te gaan, zoals de doorontwikkeling van monitor van TU Delft?
In de aanpak van online seksueel kindermisbruik wordt intensief samengewerkt met het EOKM. Het EOKM houdt zich bezig met het voorkomen en bestrijden van (online) seksueel misbruik van kinderen. Een programma van het EOKM is HelpWanted.nl, dat als kerntaak heeft het bieden van acute hulp bij (dreigend) online seksueel geweld. Kinderen en jongeren, maar ook ouders, verzorgers, docenten en hulpverleners, kunnen hier onder andere terecht voor advies en informatie bij online seksueel misbruik. Het is goed dat de Motie-Hermans het mogelijk heeft gemaakt om verder te investeren in het EOKM en HelpWanted.nl. Hierover heb ik uw Kamer op 13 oktober jl. reeds geïnformeerd5.
Daarnaast zijn preventie en bewustwording twee belangrijke pijlers in de aanpak van (online) seksueel kindermisbruik. De digitale wereld speelt een grote rol in het onderlinge contact tussen minderjarigen, ook op het gebied van seksualiteit. Dit maakt dat het (onbewust) vervaardigen, delen en verkrijgen van beeldmateriaal door minderjarigen gemakkelijk is, terwijl minderjarigen de risico’s daarvan lang niet altijd overzien. In 2020 is daarom een lesprogramma en een wegwijzer ontwikkeld, om de bewustwording van online risico’s te vergroten en de seksuele weerbaarheid van kinderen te versterken.
Kunt u de laatste stand van zaken schetsen met betrekking tot het in EU-verband gezamenlijk optreden tegen webhosters die onvoldoende doen om kinderporno te verwijderen?
Zie antwoord 12.
Wanneer wordt het voorstel van de Europese Commissie om een Europese Autoriteit op te richten al gepubliceerd en kunt u binnen twee weken na publicatie van het voorstel een BNC-fiche over het voorstel met de Kamer delen?
Het aangekondigde wetgevende voorstel van de Europese Commissie voor de aanpak van online seksueel kindermisbruik wordt begin maart 2022 verwacht. Het voorstel zal zich richten zich op de verantwoordelijkheid van aanbieders van onlinediensten en de oprichting van een Europees Centrum ter bestrijding van online seksueel kindermisbruik. Na publicatie van het wetgevende voorstel zal mijn reactie binnen het vastgestelde termijn van 6 weken in een BNC-fiche naar de Tweede Kamer worden verzonden.
In hoeverre is uw inzet dat een eventueel op te richten Europese Autoriteit – indien u het voorstel van de Europese Commissie positief beoordeelt ten aanzien van subsidiariteit en proportionaliteit – het beste in Nederland kan worden gevestigd?
Ik verwacht dat een Europees centrum om (online) seksueel kindermisbruik te voorkomen en te bestrijden tot verbetering kan leiden. De overweging om dit centrum eventueel in Nederland te vestigen is de beoogde nauwe samenwerking met Europol in Den Haag, waarbij een korte afstand wenselijk is. Daarbij is Nederland een belangrijk internetknooppunt, waardoor het een hoofdrol in de mondiale internetindustrie speelt. Veel betrokken bedrijven zijn in Nederland gevestigd en Nederland heeft reeds een lopende constructieve samenwerking met de internetsector. Ik zie met belangstelling uit naar de uitwerking van het voorstel van de Commissie om te beoordelen of Nederland als vestigingsplaats voor het Europees centrum kan dienen.
Hoe beoordeelt u de inzet van algoritmen zoals NeuralHash van Apple om kinderpornografisch materiaal eerder te signaleren en wat is de inzet van Nederland in Brussel hierover?
In de strijd tegen deze verschrikkelijke vorm van criminaliteit is het belangrijk dat ook bedrijven hun verantwoordelijkheid nemen. Dit heb ik nogmaals benadrukt op de ministeriële bijeenkomst van het Europees Internetforum op 8 december jl. Het is een hoopvolle ontwikkeling dat een aantal bedrijven deze verantwoordelijkheid serieus neemt en actie onderneemt. Ik heb met Apple gesproken over hun plannen om beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik online tegen te gaan. Apple heeft zich aangesloten bij de nationale publiek-private werkgroep tegen online seksueel kindermisbruik. Dit is een goede plek om gezamenlijk een schoner internet te realiseren en van elkaar te leren wat wel en niet werkt. Het is belangrijk dat bij de proactieve maatregelen om beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik online te detecteren wordt gezocht naar een goede balans tussen het respecteren van privacy en het beschermen van kinderen.
Het 'quarantaine-koppel' |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «EXCLUSIEF» Interview met «ontsnapt» quarantaine-echtpaar: «Ondanks negatieve PCR-test nog steeds in gedwongen isolatie»?1
Ja.
Kunt u een feitenrelaas over de gebeurtenissen inzake het «quarantaine-koppel» naar de Kamer sturen?
Een beschrijving van de gebeurtenissen rond dit koppel treft u bijgevoegd aan.
Klopt het dat het stel na twee negatieve antigeen zelftesten in hotelquarantaine en één negatieve GGD PCR-test in gedwongen ziekenhuis-isolatie zijn gehouden? Kunt u een toelichting geven waarom dat nodig was?
Zoals in de bijlage beschreven heeft de voorzitter van de veiligheidsregio Kennemerland op advies van een arts Infectieziektenbestrijding (GGD) de beschikking van verplichte isolatie conform art 31 Wpg voor mevrouw opgelegd. In de beschikking staat dat mevrouw naar het daartoe aangewezen ziekenhuis in Haren (Groningen) werd gebracht. De heer kon terug naar het hotel maar weigerde elk gesprek en toonde veel weerstand. Inmiddels was hij door de vrijwillig gekozen gezamenlijke isolatie – en de kans op overdracht van het virus – een risico geworden voor de volksgezondheid. Daarom heeft de voorzitter van de veiligheidsregio Kennemerland hem quarantaineplicht opgelegd conform art 35 Wpg met als locatie eveneens het ziekenhuis in Haren (Groningen).
Hoe omschrijft u het handelen van burgemeester Marianne Schuurmans van Haarlemmermeer?
Ik constateer dat de burgemeester van Haarlemmermeer, in haar rol als voorzitter van de veiligheidsregio Kennemerland, adequaat heeft gehandeld. Als voorzitter van de veiligheidsregio Kennemerland beschikt de voorzitter gelet op artikel 31 en 35 van de Wet publieke gezondheid (Wpg) over de bevoegdheid isolatie- en quarantainemaatregelen op te leggen aan eenieder die het risico geeft om infectieziekten behorend tot groep A over te brengen op anderen en daarmee de volksgezondheid in gevaar kan brengen.
Op vrijdag 26 november 2021 testte een mevrouw afkomstig uit Zuid-Afrika positief op het coronavirus. Hiermee is aangetoond dat zij recentelijk in contact was geweest met een drager van het coronavirus en dat zij mogelijkerwijs met hetzelfde virus was geïnfecteerd. Gezien de op dat moment ontbrekende informatie over de nieuwe variant van het coronavirus, nu bekend als de omikronvariant, en dus gelet op de risico’s voor de volksgezondheid, was het van groot belang dat deze persoon in lijn met de richtlijnen van het RIVM in isolatie ging. Uit de gebeurtenissen van die dagen is gebleken dat het echtpaar zich niet aan de isolatierichtlijnen van het RIVM hield. De voorzitter van veiligheidsregio Kennemerland heeft daarop, naar aanleiding van advies van een arts infectieziekten bestrijding (GGD), besloten de beschikking van verplichte isolatie conform artikel 31 Wpg en de beschikking van verplichte quarantaine conform artikel 35 Wpg op te leggen.
Aangezien de voorzitter van veiligheidsregio Kennemerland deze keuze niet lichtzinnig heeft genomen en hiervoor advies heeft ingewonnen bij de GGD, acht ik het optreden van de voorzitter, mede gezien de hectische omstandigheden waarbinnen zij tot dit handelen is overgegaan, gepast.
Beschrijving van gebeurtenissen in de periode van 26 tot en met 30 november behorende bij de antwoorden op Kamervragen van het lid Van Haga (Groep Van Haga) over het «quarantaine-koppel» (https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/kamervragen/detail?id=2021Z22283&did=2021D47447).
Naar aanleiding van berichten van wetenschappers uit Zuid-Afrika over een nieuwe, waarschijnlijk besmettelijkere variant, heeft de WHO de omikronvariant op vrijdag 26 november 2021 aangewezen als variant of concern (VOC). Op dat moment was er nog veel onduidelijk, maar de eerste berichten waren zeer zorgelijk. De variant heeft onder andere 32 mutaties in het zogenaamde spike-eiwit, waaronder mutaties die ook voorkomen in andere variants-of-concern. De variant zou mogelijk ontsnappen aan de opgebouwde immuniteit door vaccinatie en eerdere besmettingen.
Daarom heeft de Europese Commissie op 26 november opgeroepen om een vliegverbod in te stellen voor onder andere Zuid-Afrika. Daarop is, op verzoek van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: de Minister van VWS), door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat per vrijdag 26 november 2021 12:00 uur een vliegverbod ingesteld voor vliegtuigen die vanaf vrijdagochtend zouden vertrekken naar Nederland en de BES-eilanden. Het gaat daarbij om de landen: Zuid-Afrika, Lesotho, Eswatini, Botswana, Namibië en Zimbabwe. Hierdoor konden vanaf dat moment enkel passagiers die uitgezonderd zijn van het vliegverbod Nederland nog per vliegtuig bereiken.
Daarnaast heeft de Minister van VWS op vrijdag 26 november Zuid-Afrika aangewezen als zeer hoogrisicogebied met zorgwekkende variant, waardoor reizigers uit Zuid-Afrika bij het boarden van het vliegtuig moeten voldoen aan een dubbele testverplichting en bij inreis in Nederland verplicht in thuisquarantaine moeten gaan.
Op dat moment waren al twee vluchten onderweg. Het kabinet heeft besloten deze vliegtuigen niet om te laten keren, maar de mogelijkheid te geven te landen in Nederland. Dat betekende wel dat veiligheidsmaatregelen nodig waren, omdat de inzittenden in veel gevallen niet getest waren. De voorzitter van de Veiligheidsregio is op grond van artikel 53, tweede lid van de Wet publieke gezondheid bevoegd om bij een directe dreiging van een epidemie van een infectieziekte zoals Sars Cov-2 maatregelen te treffen die betrekking hebben op de toelating op het moment dat een vliegtuig aan komt op de luchthaven. Daarom zijn, op verzoek van de Minister van VWS, aan de toelating de maatregelen verbonden dat de reizigers worden opgevangen, getest en – bij een positieve test – in isolatie worden geplaatst.
Onder andere een vrouw afkomstig uit Portugal en een heer uit Spanje (samen een echtpaar) werden vrijdag bij aankomst uit Zuid-Afrika getest. De vrouw testte positief en de heer testte negatief. Mevrouw moest dus in isolatie en de heer in quarantaine vanwege verblijf in een zeer hoogrisicogebied met zorgelijke virusvariant en omdat hij nauw contact was van een positief getest persoon.
Mevrouw gaf aan dat ze net hersteld was van Corona en niet positief getest kan zijn. Maar sinds vrijdag 26 november waren de richtlijnen dat bij een positieve test met vermoeden van omikron 7 dagen isolatie werd voorgeschreven door het RIVM, ook bij patiënten die ingeënt waren en/of Corona hadden gehad. Beiden zijn vervolgens overgebracht naar het hotel waar zij vervolgens in dezelfde kamer (op eigen verzoek) zijn geplaatst.
De Portugese vrouw en de Spaanse heer bleven niet op hun kamer. Ze wandelden in de gangen van het hotel en de heer ging naar buiten om boodschappen te doen. Ook werden aanwijzingen van het hotelpersoneel en de GGD medewerkers niet opgevolgd. Er zijn toen beveiligers op de gangen geplaatst.
De Portugese vrouw en de Spaanse heer eisten een nieuwe test, maar dat is door GGD niet toegestaan mede omdat de uitslag niet bepalend zou zijn voor lengte van isolatie vanwege de positieve test van vrijdag.
De Portugese vrouw en de Spaanse heer gaven aan niet te geloven in de uitslag van de test en wilden het hotel verlaten. Zij hadden diezelfde middag om 17.00 uur een vlucht geboekt naar Spanje en waren voornemens om die vlucht te halen. Zij werden door beveiliging, GGD en politie aangesproken om het hotel niet te verlaten maar hier gaven ze geen gehoor aan. De GGD heeft vervolgens de voorzitter veiligheidsregio benaderd. Het echtpaar heeft het hotel rond 16.00 uur verlaten.
De voorzitter veiligheidsregio heeft advies van een arts infectieziektenbestrijding (GGD) gevraagd en op advies van de arts de beschikking van verplichte isolatie conform art 31 Wpg voor mevrouw opgelegd. De beschikking is mondeling toegelicht en later overhandigd. De KMar heeft de betreffende vrouw en heer aangehouden en van Schiphol vervoerd naar hun kazerne. In de beschikking staat dat mevrouw naar het daartoe aangewezen ziekenhuis in Haren (Groningen) wordt gebracht. De heer kon terug naar het hotel maar weigerde elk gesprek en had veel weerstand. Inmiddels was hij door de vrijwillig gekozen gezamenlijke isolatie en de kans op overdracht van het virus een risico geworden voor de volksgezondheid. Daarom is hem quarantaineplicht opgelegd conform art 35 Wpg met als locatie tevens het ziekenhuis in Haren (Groningen).
Zij zijn daarna naar Groningen vervoerd waar zij in het ziekenhuis een nieuwe covid-19 test kregen. Deze uitslag was negatief.
Dinsdag voor 17.00 uur moest het OM, parket Groningen, bij de griffie van de rechtbank een verzoek tot verlenging van isolatie indienen. Vanwege de negatieve covid-19 test heeft het OM, parket Groningen, dat niet aangevraagd. Daarom waren deze personen vanaf dinsdag 17:00 uur niet langer verplicht om in isolatie/quarantaine te blijven en konden zij het ziekenhuis verlaten.
De ongewenste effecten van strengere regelgeving met betrekking tot het tegengaan van fraude en witwassen. |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Op welke wijze worden de gevolgen van wetgeving op het gebied van fraude en witwassen integraal gemonitord?
De implementatie, het beleid en de gevolgen van de Nederlandse maatregelen op het gebied van fraude en witwassen worden op verschillende niveaus geëvalueerd en gemonitord. Nederland wordt in internationaal verband periodiek geëvalueerd, waarvan in 2022 verschillende resultaten worden opgeleverd. Naar verwachting zal de Europese Commissie in 2022 een evaluatie over de implementatie van de anti-witwasrichtlijn door de lidstaten opleveren. Daarnaast evalueert de Financial Action Taskforce de effectiviteit en wetgeving van de systemen van de aangesloten landen periodiek. De FATF-evaluatie van Nederland vindt op dit moment plaats. In het najaar van 2022 zal het rapport van Nederland door de FATF naar buiten worden gebracht. Hierin worden ook aanbevelingen gedaan voor Nederland. Daarnaast vinden evaluaties op nationaal niveau plaats. Specifiek over de effecten van de maatregelen uit de implementatiewet van de vierde anti-witwasrichtlijn op instellingen die onder de Wet ter voorkoming van witwassen en het financieren van terrorisme (Wwft) vallen heb ik een onafhankelijk onderzoek laten uitvoeren. De resultaten van dit onderzoek geven samen met de evaluatie door de Europese Commissie een beeld van de effecten van deze wetgeving. Deze evaluatie wordt in de eerste helft van 2022 met beide Kamers gedeeld. Tot slot verricht de Algemene Rekenkamer op dit moment onderzoek naar de opbrengsten van de meldketen. Naar verwachting presenteert de Algemene Rekenkamer haar rapport in het voorjaar van 2022. Uiteraard zal ik ook de resultaten van deze evaluaties met uw Kamer delen en aangeven welke lessen uit deze evaluaties kunnen worden getrokken.
Naast deze evaluaties is het ministerie in voortdurend overleg met toezichthouders, opsporingsinstanties en vertegenwoordigers van financiële instellingen om actuele onderwerpen op het gebied van witwassen en betalingsverkeer te bespreken. In deze gesprekken komt ook de constatering aan bod dat consumenten en rechtspersonen vaker geconfronteerd worden met de gevolgen van de uitvoering van de Wwft. Door de toenemende aandacht voor de uitvoering van de Wwft door poortwachters, in het bijzonder door financiële instellingen, zie ik dat burgers en bedrijven vaker worden geconfronteerd met de gevolgen van de uitvoering van de Wwft en bijvoorbeeld gevraagd worden meer informatie en documentatie aan te leveren dan zij eerder gewend waren. Ik kan mij voorstellen dat het ingrijpend kan zijn wanneer een bank, na een reeds lange zakelijke relatie, om uitvoerige documentatie verzoekt. Signalen die ik ontvang over onwenselijke gevolgen van antiwitwaswetgeving neem ik serieus. Ik zie het als mijn taak om te zorgen voor heldere en uitvoerbare regelgeving en om eventuele knelpunten weg te nemen. Ik ben in gesprek met de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) en de Nederlandsche Bank (DNB) om te bezien waarom er knelpunten voor burgers ontstaan in de toepassing van de Wwft en welke groepen in de samenleving hiervan negatieve effecten ondervinden. Vooralsnog blijkt dat knelpunten van geval tot geval, afhankelijk van factoren zoals de sector en rechtsvorm, dermate verschillen dat maatwerk vereist is. Ik bespreek casus-specifieke knelpunten met de banken en de betreffende sector of klantgroep.
Daarnaast werkt de NVB op dit moment aan een inventarisatie van de tot op heden bekende knelpunten die hopelijk meer inzicht biedt in deze problematiek en handvatten biedt voor oplossingen. Mochten deze knelpunten persisteren op de langere termijn dan is het op dat moment wellicht opportuun een breder onderzoek in te stellen.
Tot slot neem ik waar dat er op Europees en mondiaal niveau in toenemende mate aandacht is voor de ongewenste effecten van regelgeving op het gebied van witwassen, aangezien dit onderwerp niet alleen aan Nederland is voorbehouden. In het huidige voorstel van de Europese Commissie voor een anti-witwasverordening wordt een documentatieplicht geïntroduceerd die banken verplicht bij te houden indien zij een klant accepteren of weigeren. Ik zet mij tijdens de onderhandelingen van de verordening in voor het wegnemen van onevenredige lasten en het verminderen van negatieve effecten van de anti-witwasverplichtingen.
Bent u bereid onderzoek te doen naar de ongewenste negatieve effecten van de toegenomen regelgeving op het gebied van fraude en witwassen, en daarbij opties in kaart te brengen hoe deze effecten verminderd kunnen worden?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de toegang tot een bankrekening voor iedereen (goede doelen, ondernemers, particulieren etc.) gewaarborgd blijft, zonder onnodige zware toetsingscriteria?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bekend met het artikel «Strenge bank zit goede doelen dwars»?1
Ja.
Herkent u de toenemende onmogelijkheid voor goede doelen en kerken om een bankrekening te openen, en wat zijn hiervan de oorzaken?
Vooralsnog heb ik geen signalen dat het voor goede doelen of kerken op dit moment onmogelijk is om een bankrekening te openen. Ik herken wel dat dit bewerkelijker is dan voorheen en dat het bij sommige banken op dit moment niet mogelijk is voor specifieke rechtsvormen om direct een rekening te openen. Zoals ik in het antwoord op vragen 1, 2 en 3 aangaf verplicht de Wwft adequaat onderzoek te doen naar cliënten en de toenemende aandacht hiervoor betekent dat burgers en bedrijven geconfronteerd worden met meer informatieverzoeken dan voorheen. Ik zie in het bijzonder dat onder andere goede doelen en kerken vaker geconfronteerd worden met de gevolgen van de Wwft en bijvoorbeeld gevraagd worden meer informatie en documentatie aan te leveren dan eerder het geval was. Een mogelijke achterliggende oorzaak hiervan is dat uit de laatste Nationale Risico Analyse witwassen bleek dat stichtingen, vanwege hun ondoorzichtige eigendomsstructuur, een verhoogd risico vormen op witwassen of het financieren van terrorisme. Dit kan betekenen dat goede doelen onderworpen worden aan grondige procedures om ervoor te zorgen dat goede doelen niet worden misbruikt om crimineel geld het financiële systeem in brengen. Banken zijn daarbij genoodzaakt aanvullende informatie op te vragen bij deze rechtsvormen, hetgeen een arbeidsintensief en langdurig proces kan zijn, zoals sommige banken in het artikel uit vraag 4 opmerken.
Voorts heeft DNB in 2021 aangegeven dat er nog onvoldoende naleving is in een deel van de bancaire sector en dat de problemen omvangrijk en persistent zijn. Banken hebben de zelfstandige verantwoordelijkheid om deze achterstanden in te lopen en ik verwacht dat deze op termijn zullen zijn weggewerkt. DNB noemt dat bij 28 banken (ongeveer een derde van alle banken die onder Wwft-toezicht van DNB vallen) herstel- en verbetertrajecten lopen.2 Dit is, samen met de teruglopende risicobereidheid van banken voor Wwft-gerelateerde risico’s maar ook andere integriteitsrisico’s, een mogelijke verklaring voor het feit dat sommige rechtsvormen niet direct een rekening kunnen openen bij bepaalde banken. De omvang van een klant is niet van doorslaggevende betekenis voor de mate van risico. Kleine organisaties komen dan ook niet per se in aanmerking voor een lichtere beoordeling. Ik zal in overleg treden met de NVB en DNB – en ook de branchevertegenwoordiging – om te bezien of er mogelijkheden zijn om voor kleinschalige lokale liefdadigheidsorganisaties de Wwft-procedures beter toegankelijk te maken door betere informatieverstrekking naar deze organisaties en duidelijker onderscheid aan te brengen tussen rechtsvormen met een hoger en lager risico.
Wat is de gemiddelde wachttijd voor het openen van een zakelijke bankrekening voor stichtingen en verenigingen?
Het is niet mogelijk om aan te geven wat de gemiddelde wachttijd is voor het openen van een zakelijke bankrekening voor stichtingen en verenigingen. De wachttijd of de doorlooptijd bij opening van een zakelijke bankrekening hangt namelijk af van diverse factoren. Aan de kant van de klant kan gedacht worden aan factoren zoals de responstijd van de klant, de complexiteit van de klant/situatie, en de kwaliteit van de informatie die wordt geleverd, maar ook de sector waarin de klant actief is en de eventuele betrokkenheid van het buitenland/hoogrisicogebieden. Aan de kant van de bank kan een factor zijn de tijd die nodig is om een inschatting te maken van het risico van de klant en eventueel daaraan gepaarde maatregelen om een risico te beperken. De NVB geeft aan dat als er sprake is van een heldere structuur, geen buitenlandse elementen en een laag risico de rekening over het algemeen snel zou kunnen worden geopend.
Ik heb geen signalen dat het geheel onmogelijk is voor stichtingen of verenigingen om een bankrekening te openen. Wel begrijp ik – zoals het artikel vermeldt – dat sommige banken beperkt deze rechtsvormen accepteren of een wachtlijst hanteren. Het beleid met betrekking tot acceptatie van rechtspersonen, waaronder ook stichtingen en verenigingen, wordt door iedere bank individueel bepaald. Dit gebeurt onder andere op basis van risicoafwegingen en afwegingen op basis van Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen. Aanvragen van (rechts)personen worden in de regel individueel beoordeeld. Van de NVB begrijp ik dat een bank bij voorbaat hierover communiceert, bijvoorbeeld op diens website, of daarover in gesprek gaat met de aanvragende partij.
Bij welke banken is het voor een stichting op dit moment niet mogelijk om een bankrekening te openen?
Zie antwoord vraag 6.
In hoeverre werkt het financieringsbeleid van banken, waarbij (nieuwe) klanten ingedeeld worden in risicoschalen, ongewenste effecten in de hand, zoals de onmogelijkheid voor goede doelen en kerken om een bankrekening te openen?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u van mening dat het wettelijk verplicht moet zijn dat verenigingen en stichtingen, waaronder veel goede doelen en kerken, de mogelijkheid hebben een bankrekening te openen bij elke bank (tenzij er evident sprake is van terrorismefinanciering, fraude en dergelijke)?
In principe zijn banken vrij om zelf hun ondernemingsstrategie te vast te stellen en mogen zij zelf bepalen aan wie zij hun producten aanbieden. Op dit moment bestaat alleen voor particulieren het recht op een basisbetaalrekening omdat het beschikken over een betaalrekening essentieel is om te kunnen deelnemen aan het maatschappelijk verkeer. Bovendien mag een basisbetaalrekening geweigerd worden indien er sprake is van aantoonbare risico’s op witwassen of terrorismefinanciering. Daarbij zij opgemerkt dat rechtsvormen zoals verenigingen en stichtingen divers van aard zijn en uiteenlopende activiteiten kunnen ontplooien anders dan liefdadigheidswerk. Zoals in antwoord op vragen 5 en 8 is aangegeven zijn er bovendien bepaalde hoge risico’s geïdentificeerd die samenhangen met deze rechtsvormen, dan wel de activiteiten die zij ontplooien. Een generieke verplichting tot het aanbieden van een basisbetaalrekening sluit mijns inziens daarom niet aan op de specifieke problematiek van de genoemde rechtsvormen. Wel zal Nederland zich in internationaal en EU-verband inzetten om de verhouding tussen de toegang tot het betalingsverkeer en anti-witwasregelgeving te verduidelijken. Dit zal ik onder andere doen bij de evaluatie van de richtlijn betaalrekeningen.
Klopt het dat de implementatiewet van de vierde EU-antiwitwasrichtlijn (Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme – Wwft) op dit moment geëvalueerd wordt?
Ja. In die evaluatie is er specifiek aandacht voor de gevolgen van de aanscherpte regels voor een Wwft-instelling om een zakelijke relatie aan te gaan met PEP’s en de persoonlijke ervaringen van PEP’s. Zoals in antwoord op vragen 1,2 en 3 is aangegeven zal deze evaluatie in de eerste helft van 2022 aan beide Kamers worden aangeboden.
Worden daarin ook de ongewenste gevolgen van de aanscherpte regels rond politiek prominente personen (PEP’s) en hun omgeving meegenomen?
Zie antwoord vraag 10.
Het bericht ‘Onderzoek naar veiligheid grondafhandeling Schiphol tegengewerkt’ |
|
Mahir Alkaya (SP), Habtamu de Hoop (PvdA) |
|
Barbara Visser (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Onderzoek naar veiligheid grondafhandeling Schiphol tegengewerkt»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat de enquête onder de werknemers is vervangen door een data-analyse?
Het doel van dit onderzoek was het kunnen doen van een uitspraak over de mogelijkheden voor het stellen van sociale vestigingseisen aan grondafhandelingsorganisaties die werkzaam zijn op Schiphol, in samenhang met de vliegveiligheid. Het is aan de opdrachtnemer om te bepalen hoe het onderzoek wordt opgezet. NLR als trekker van het onderzoeksteam geeft hierover aan dat gedurende het onderzoek is gebleken dat gedetailleerd inzicht in de mate van veiligheidscultuur niet zou bijdragen aan het beantwoorden van de onderzoeksvraag.2
Het Ministerie van IenW hecht er uiteraard aan dat het onderzoek zo goed mogelijk antwoord geeft op de onderzoeksvragen. Daarom heeft IenW de onderzoekers expliciet gevraagd of ze achter hun keuze stonden voor het niet uitvoeren van de enquête. De onderzoekers hebben dat bevestigd en in hun eindrapport beschreven.
Vindt u het ook onbegrijpelijk dat in een onderzoek naar arbeidsvoorwaarden en veiligheid, de mensen waar dit om gaat, namelijk het grondpersoneel, niet zijn gehoord?
Zie het antwoord op vraag 2.
Klopt het dat de onderzoekers hebben moeten constateren dat de beschikbare gegevens voor de data-analyse niet geschikt zijn voor het doel van het onderzoek, omdat voorvaldata te weinig informatie bevatten?
In het rapport is terug te lezen dat onderzoekers op basis van de data-analyse conclusies hebben kunnen trekken over de causale verbanden tussen grondafhandeling en voorvallen met vliegtuigschade.
Klopt het dat onderzoekers daarom hebben besloten dat het geen zin had om de analyse af te ronden, en dat ze zodoende niet meer zijn toegekomen aan het analyseren van voorvallen rond verkeerde belading en brandstof?
De onderzoekers stellen dat geen extra analyses zijn uitgevoerd naar de context van voorvallen rond verkeerde belading en brandstof aangezien uit de eerdere analyses was gebleken dat deze context niet in de voorvaldata is beschreven.
Deelt u onze conclusie dat de data-analyse dus (deels) mislukt is en geen goed instrument vormt om de relatie tussen voorvallen en bijvoorbeeld arbeidsomstandigheden vast te stellen?
Zoals in het antwoord op vraag 4 aangegeven is de data-analyse gebruikt om de causale verbanden aan te tonen tussen grondafhandeling en voorvallen met vliegtuigschade. De onderzoekers concluderen in het rapport dat arbeidsomstandigheden een effect hebben op grondafhandelingsprocessen en dat de veiligheid wordt beïnvloed door de uitvoering van deze processen. De aangetoonde correlatie is echter laag.
Bent u bereid om alsnog aan te dringen op een enquête onder het personeel?
Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 2 november jl.3 is de twijfel die is gezaaid rond de totstandkoming van het rapport te betreuren. Nu de onderzoekers hebben aangegeven te staan voor het onderzoeksrapport en de conclusies en aanbevelingen inhoudelijk en navolgbaar zijn onderbouwd, doet de totstandkoming voor IenW niet af aan de inhoud van het rapport. Op basis van het rapport is er op dit moment geen reden om aan te nemen dat de vliegveiligheid in het geding is.
In de genoemde Kamerbrief is onderkend dat er een bredere problematiek is waarin verschillende partijen een rol hebben en is benoemd dat IenW de regie zal nemen alle partijen bijeen te brengen om te bezien of men een gedeeld beeld heeft van de problematiek, welke maatregelen getroffen kunnen worden en wie welke maatregelen zou moeten oppakken. Op basis van dit beeld worden vervolgstappen bezien, waarbij vervolgonderzoek ook tot de mogelijkheden behoort.
In overleg met de betrokken partijen is inmiddels besloten om langs verschillende lijnen te werken aan verbetering van de arbeidsomstandigheden. De focus ligt hierbij op concrete verbeteringen voor het personeel en het afhandelingsproces. Het gaat hierbij onder andere om een sector-CAO, het aanpassen van de Schipholregels en het eventueel beperken van het aantal grondafhandelingsbedrijven. Een onderzoek naar de veiligheidscultuur zal niet afdoen aan het belang van deze maatregelen, mogelijk niet leiden tot andere conclusies over veiligheid en waarschijnlijk een vertragend effect hebben op uitvoering van maatregelen. Om deze redenen ligt het niet voor de hand om op een dergelijk onderzoek aan te dringen.
Deelt u de constatering dat de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) de indruk heeft dat de meldingsbereidheid bij schade aan vliegtuigen, vooral bij grondafhandelingsbedrijven, beperkt is en dat niet alle schades gemeld worden?
De ILT is als toezichthouder onafhankelijk. Ik ga uit van de constateringen van de ILT.
Vindt u het verantwoord om conclusies te verbinden aan het aantal gemelde schades, terwijl de ILT zich zorgen maakt dat niet alle schades worden gemeld?
De data-analyse van het rapport bevat ook data van voorvallen met schade waarbij geen melding door de veroorzaker is gedaan. De onderzoekers concluderen dat het zelden voorkomt dat een vliegtuig vertrekt met schade die buiten de limieten is en dus gerepareerd had moeten worden voor vertrek. Het is aan de onderzoekers om te bepalen of de data voldoende is om daar conclusies op te baseren.
Deelt u al met al de conclusie dat de geruststellende bevindingen van het Nederlands Lucht- en Ruimtevaartcentrum (NLR) in belangrijke mate steunen op een analyse van voorvaldata die ten eerste te weinig informatie bevatten en ten tweede mogelijk onvolledig zijn als gevolg van een beperkte meldingsbereidheid?
Zie het antwoord op vraag 9.
Klopt het dat de vragenlijst waarmee het NLR de veiligheidscultuur wilde meten grotendeels over arboveiligheid gaat in plaats van vliegveiligheid?
Het onderzoek naar de veiligheidscultuur zou worden uitgevoerd met behulp van het door NLR ontwikkelde Aviation Safety Culture Inquiry Tool (ASC-IT). ASC-IT is gebaseerd op een raamwerk van kenmerken van veiligheidscultuur en door NLR specifiek voor dit onderzoek toegespitst op vliegveiligheid. In de vragenlijst is een heel aantal vragen opgenomen over de manier waarop op de werkvloer met veiligheid wordt omgegaan. Daarbij is in de instructie gevraagd aan respondenten om zich te richten op de veilige vliegoperatie en dus niet op persoonlijke veiligheid of de veiligheid van de uitvoering van het werk.
Deelt u de constatering van de ILT in de Staat van Schiphol dat slechte arbeidsomstandigheden een negatief effect kunnen hebben op de (vlieg)veiligheid?
Ja, dit is ook terug te lezen in het rapport van de onderzoekers. De onderzoekers concluderen dat arbeidsomstandigheden een effect hebben op de uitvoering van de grondafhandelingsprocessen en dat de vliegveiligheid wordt beïnvloed door de uitvoering van deze processen. Op basis van de beschikbare data en informatie concluderen de onderzoekers dat sociale vestigingseisen een positief effect kunnen hebben op vliegveiligheid. De aangetoonde correlatie is echter laag.
Zijn er onderzoeken gedaan die aantonen dat de veiligheidscultuur in de grondafhandeling nu wel op orde is, sinds het NLR in 2010 concludeerde dat er bij de meeste grondafhandelingsbedrijven sprake is van een «blaming culture»?
Op basis van de constateringen van de ILT in de jaarlijkse Staat van Schiphol kan niet geconcludeerd worden dat de veiligheidscultuur momenteel op orde is. In de Staat van Schiphol 20194 heeft de ILT gesteld dat er vooral bij grondafhandelingsbedrijven een beperkte meldingsbereidheid is. In de Staat van Schiphol 20205 beschrijft de ILT dat is vastgesteld dat verbeterinitiatieven zijn genomen, maar dat er nog grote verschillen zijn tussen het meldgedrag van verschillende partijen.
Wat zijn, gelet op uw aankondiging in 2011 dat er een tweejaarlijks onderzoek zou worden ingesteld naar de meldingsbereidheid en dat een maatstaf ontwikkeld zou worden om de volwassenheid van de veiligheidscultuur te meten, hiervan de resultaten?
In de Beleidsagenda luchtvaartveiligheid 2011–2015 is een groot aantal ambities en acties geformuleerd, waaronder het scheppen van condities voor een volwassen veiligheidscultuur. Bijbehorende acties betroffen onder andere een onderzoek naar de meldingsbereidheid en het ontwikkelen van een maatstaf voor het meten van de volwassenheid van de veiligheidscultuur van luchtvaartbedrijven.
In 2011 is er een enquête gehouden onder het luchtvaartpersoneel over de «Meldingsbereidheid ten behoeve van de veiligheid in de burgerluchtvaart». Gezien de lage respons van werknemers van grondafhandelingsbedrijven kon geen uitspraak worden gedaan over de meldingsbereidheid bij deze bedrijven. In 2013 is daarom besloten geen nieuwe enquête te organiseren, maar de verdere uitwerking van de vervolgacties te realiseren op basis van een domeingerichte aanpak en de acties te concentreren op sectorpartijen, Openbaar Ministerie en de ILT.
Sinds 2011 is er door de luchtvaartbedrijven en het Veiligheidsplatform Schiphol veel aandacht besteed aan activiteiten in het kader van het bevorderen van de veiligheidscultuur. Er zijn door meerdere organisaties modellen ontwikkeld om de veiligheidscultuur te beoordelen en verbeteren. Uitgangspunt is dat de luchtvaartbedrijven zelf verantwoordelijk zijn voor de veiligheid en met een veiligheidsmanagementsysteem benoemen zij zelf de risico’s en nemen de benodigde maatregelen. Het ontwikkelen van een goede veiligheidscultuur «just culture» maakt hier onderdeel van uit.
Vindt u ook dat er sociale voorwaarden verbonden moeten worden aan de concessieverlening door Schiphol, in navolging van andere Europese luchthavens? Zo nee, waarom niet?
Het idee om sociale voorwaarden te verbinden aan toetreding tot de markt op Schiphol is een maatregel die gelet op de uitkomsten van het onderzoek niet als eerste voor de hand ligt.
Conform de conclusies en aanbevelingen van de onderzoekers zullen betrokken partijen eerst alles in het werk moeten stellen om tot een sector-CAO te komen die de grootste problemen van dit moment ondervangt. Daarnaast wordt ingezet op aanpassing van de Schipholregels om te komen tot meer uniformiteit in zogeheten «operation standards».
Daarmee is niet gezegd dat het stellen van sociale vestigingseisen überhaupt niet mogelijk of noodzakelijk zal zijn in de toekomst. Het onderzoek heeft immers ook uitgewezen dat dit een optie kan zijn indien andere maatregelen niet van de grond komen of niet afdoende zijn voor de problematiek.
Bent u bereid om in overleg met vakbonden een plan op te stellen om te komen tot een sector-cao en een inperking van het aantal afhandelaren op Schiphol in combinatie met sociale vestigingseisen?
In de brief van 2 november jl. is aangegeven dat het voor verbetering van de vliegveiligheid op Schiphol op dit moment niet nodig is om sociale vestigingseisen te stellen voor grondafhandelingsbedrijven, aangezien het te verwachten effect op verbetering van de vliegveiligheid klein en indirect is. Tegelijkertijd is het van belang dat met alle betrokken partijen stappen worden gezet om op zoek te gaan naar concrete verbeteringen van de arbeidsomstandigheden in de grondafhandeling. Het in de brief aangekondigde overleg met betrokken organisaties is inmiddels opgestart en de vervolgstappen op de verschillende maatregelen zijn besproken. Ten aanzien van de sector-CAO geldt dat het aan de werkgevers(organisaties) en de vakbonden in de sector is om overeenstemming te bereiken over een CAO en die aan te bieden voor algemeenverbindendverklaring. Het beperken van het aantal grondafhandelingsbedrijven is een maatregel die pas in beeld komt als blijkt dat met minder ingrijpende maatregelen geen vooruitgang kan worden geboekt. Wel is bij het voornoemde overleg afgesproken dat vanuit het ministerie wordt verkend hoe een dergelijke inperking eruit zou kunnen zien.
De zorgelijke toestand van INTERPOL. |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Ben Knapen (minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Generaal Majoor Ahmed Nasser Al-Raisi is gekozen als president van INTERPOL?1, 2
Ja.
Bent u bekend met het feit dat Al-Raisi verdacht wordt van meerdere vormen van ernstige mensenrechtenschendingen op grote schaal door onder andere Amnesty International?
Ik ben bekend met berichtgeving dat er formele klachten dienaangaande zijn ingediend.
Bent u verder bekend met het feit dat de Verenigde Arabische Emiraten een disproportionele invloed heeft op INTERPOL onder andere via een grote hoeveelheid donaties aan de «Interpol Foundation for a Safer world»?
De systematiek van International Criminal Police Organisation INTERPOL (verder ook: Interpol) is zodanig opgezet dat landen geen disproportionele invloed kunnen hebben op het beleid en werk van Interpol. Landen hebben invloed via hun stem in de Algemene Vergadering en hun actieve deelname in werkgroepen, projecten en operaties. De lidstaten hebben in de Algemene Vergadering allen een gelijke stem. Besluiten van de Algemene Vergadering worden door het Secretariaat-Generaal geïmplementeerd. Het Executive Committee, bestaande uit door de Algemene Vergadering gekozen leden uit alle werelddelen, houdt toezicht op de uitvoering van deze besluiten.
De oprichting van de INTERPOL Foundation for a Safer World werd in 2013 unaniem gesteund door het Executive Committee van INTERPOL. Het heeft tot doel overheden en geschikt-beoordeelde private partijen te stimuleren om het werk van Interpol voor een veiliger wereld te ondersteunen door middel van voorlichting, het ontwikkelen van partnerschappen en het voeren van fondsenwervingscampagnes. Het is een onafhankelijke entiteit die in Zwitserland zetelt. De samenwerking tussen Interpol en stichtingen is gebonden aan door de Algemene Vergadering gestelde voorwaarden.
Hoe oordeelt u over de huidige schrijnende situatie waarbij autocraten het red notice systeem van INTERPOL gebruiken om hun critici overal ter wereld op te jagen en te vervolgen, vaak zonder enkele vorm van bewijslast?
Ik keur elke poging tot misbruik van Interpol-instrumenten af. Ik meen dat er strikt op moet worden toegezien dat de Interpolconstitutie en de regels voor het verwerken van gegevens, ook die voor het gebruik van red notices en diffusions, worden gehandhaafd. Nederland heeft afgelopen jaren actief deelgenomen aan het werk dat hiervoor binnen Interpol wordt gedaan en zal dit ook blijven doen.
Deelt u de mening dat bovengenoemde elementen Al-Raisi ongeschikt maken voor de rol van president van INTERPOL?
Interpol heeft een uitgebreide technische procedure voor de verkiezing van leden van het Executive Committee, waaronder de president. Zo dient het Interpol verkiezingscomité de namens lidstaten voorgedragen kandidaatstellingen te onderzoeken en na te gaan of de kandidaatstellingen geldig zijn. Vervolgens is het aan de Algemene Vergadering van lidstaten om uit de gevalideerde kandidaten te kiezen, waarbij ter verkiezing van de president twee-derde meerderheid vereist is.
Het verkiezingscomité van lidstaten heeft geoordeeld dat de presidentskandidatuur van de heer Al-Raisi aan de gestelde vereisten voldeed. Vervolgens is de heer Al-Raisi door de lidstaten van Interpol tijdens de Algemene Vergadering van 23-25 november jl. met een twee-derde meerderheid gekozen tot voorzitter van het Executive Committee van Interpol.
Welke maatregelen neemt u in multi- en bilateraal verband om dit zorgelijke presidentschap tegen te gaan?
In het algemeen spant Nederland zich in voor een robuust zelfreinigend vermogen van Interpol. De Nederlandse politie is actief deelnemer aan de Interpol-werkgroep voor bestuursaangelegenheden, die in 2018 door de Algemene Vergadering is opgericht.
De Algemene Vergadering heeft in november jl. het eerste, omvangrijke hervormingspakket van deze werkgroep met overgrote meerderheid en onmiddellijke ingang aangenomen. De veranderingen zijn de eerste in een reeks geplande hervormingen om de bestuursorganen van de Organisatie te moderniseren, te versterken en een verdere transparantie te waarborgen.
Hoe oordeelt u over de huidige staat van INTERPOL waarbij het constitutionele element van politieke neutraliteit ervoor zorgt dat autocraten niet tot de orde geroepen kunnen worden, terwijl er misbruik van het INTERPOL-tracking en red notice systeem plaatsvindt?
Interpol werkt voortdurend met haar leden en internationale partners aan de verdere versterking van de regels en mechanismen die de organisatie tegen al dan niet politiek of militair gemotiveerd misbruik beschermen.
Landen publiceren zelf geen Interpol notices, maar vragen het Secretariaat-Generaal om de publicatie van zo’n signalering op basis van een nationale gerechtelijke uitspraak of bevel. Het Secretariaat Generaal beoordeelt ex-ante of de aanvraag aan de Constitutie en Regels voor Gegevensverwerking voldoet. Alleen wanneer dit oordeel positief is, wordt de notice gepubliceerd. Indien het Secretariaat Generaal in een later stadium informatie ontvangt waaruit toch twijfel over de notice rijst, dan wordt deze opnieuw beoordeeld en zo nodig verwijderd. Ook de CCF kan tot verwijdering besluiten.
Indien een Interpol National Central Bureau (NCB) van een land bij de verwerking van gegevens in het Interpol-informatiesysteem (IIS) ernstig in gebreke blijft of bij herhaling niet voldoet aan de verplichtingen krachtens de Interpol-regels, bijvoorbeeld wanneer aanvragen voor notices regelmatig een politiek, militair, etnisch of religieus karakter hebben, kunnen aan die NCB corrigerende maatregelen worden opgelegd. De afgelopen jaren heeft de Secretaris Generaal deze, na toestemming en toezicht van het Executive Committee, diverse malen opgelegd.
Bent u van mening dat het INTERPOL-systeem veranderd moet worden? Zo ja, hoe gaat u zich hiervoor inzetten?
Binnen de samenwerking tussen de lidstaten en het Secretariaat-Generaal zijn het juridisch raamwerk, de werking, de (gegevens)beschermingsmechanismen van en het toezicht op Interpol voortdurend onderwerp van evaluatie en ontwikkeling. Zoals in antwoord op vraag 6 genoemd, is juist tijdens de afgelopen Algemene Vergadering een pakket van maatregelen aangenomen dat het zelfreinigend vermogen van het bestuur van Interpol verder versterkt. Nederland draagt hieraan actief bij in de relevante werkgroepen. Ook het staande Comité voor Gegevensverwerking werkt voortdurend aan de verdere modernisering en versterking van de Regels voor Gegevensverwerking.
Welke maatregelen kunnen er verder genomen worden om deze ernstige praktijken onmiddellijk tegen te gaan? Welke geopolitieke middelen kunnen daarbij zowel in multi- als bilateraal verband ingezet worden? Hoe kan druk vanuit de EU hierbij een rol spelen?
Ik verwijs naar mijn antwoorden op vragen 6, 7 en 8.
In hoeverre zijn er dialogen met landen als Turkije of de Verenigde Arabische Emiraten om het misbruik binnen INTERPOL te stoppen?
In algemene zin geldt dat in elk geval waarin het Secretariaat-Generaal gebruik van Interpol instrumenten vermoedt dat niet in overeenstemming is met de daarvoor geldende regels, het Interpol Nationale Centrale Bureau (NCB) van dat land hierop zal worden aangesproken. Het NCB zal dan eerst moeten aantonen dat het conform de regels acteert of het gebruik moeten corrigeren. Bij een ernstige incident van overtreding van de regels of herhaaldelijke schending past de Secretaris, met toestemming van het Executive Committee, correctieve maatregelen toe.
Correctieve maatregelen zijn gericht op het verzekeren dat alle gegevensverwerking wordt uitgevoerd in overeenstemming met de regels. Wanneer zij aan een NCB worden opgelegd, dan kan de toegang tot de databanken van Interpol, haar signaleringen en andere verzoeken om internationale politiële samenwerking via de Interpolkanalen onder nauw toezicht van het Secretariaat-Generaal worden gesteld. Dit kan zover gaan dat elke raadpleging, en zelfs elk bilateraal bericht naar een NCB, vooraf verwerking door het Secretariaat Generaal op naleving wordt beoordeeld. Correctieve maatregelen gaan gepaard met een dialoog tussen het Secretariaat-Generaal en betreffende NCB met als doel terug te keren naar een situatie waarin de NCB weer zelfstandig volledig in overeenstemming met de regels handelt.
Mocht de situatie niet veranderen, worden er dan opties overwogen zoals het schorsen van financiële middelen of desnoods het heroverwegen van lidmaatschap?
De huidige situatie geeft geen aanleiding tot het overwegen van de door u genoemde maatregelen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Dreigende grootschalige stroomuitval |
|
Alexander Kops (PVV) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vrees voor blackouts stroomnet bij barre winter»?1
Ja.
Hoe reageert u op de waarschuwing van energie-experts voor een grootschalige stroomuitval in Europa deze winter vanwege de schaarste aan gas, de sluiting van de kolencentrales en te weinig beschikbare «groene» stroom?
Op 2 juli 2021 informeerde ik uw Kamer over de leveringszekerheid van elektriciteit (Kamerstuk 29 023, nr. 269). De leveringszekerheid van elektriciteit is van groot belang voor de Nederlandse samenleving en economie. TenneT brengt elk jaar een monitor leveringszekerheid uit. De leveringszekerheid van elektriciteit is momenteel op orde. De monitorrapportages die TenneT de afgelopen jaren heeft gepubliceerd, lieten hetzelfde beeld zien2.
Op Europees niveau is op 23 november 2021 door het «European Network of Transmission System Operators for Electricity» (ENTSO-E) de «European Resource Adequacy Assessment, 2021 Edition» (ERAA 2021) uitgebracht. De ERAA 2021 laat zien dat het Europese elektriciteitssysteem veilige elektriciteit kan leveren, zelfs in het licht van een ongekende energietransitie. ENTSO-E brengt ook jaarlijks een «Winter Outlook» uit waarin de situatie voor de komende winter aan de hand van onder andere weerspatronen en uitval van centrales wordt doorgerekend. In de «Winter Outlook 2021–2022» van 1 december 2021 worden door ENTSO-E in het algemeen geen risico’s voor de leveringszekerheid gezien voor deze winter. Ook niet met de hoge gasprijzen van eind 2021 en ook niet voor Nederland specifiek. Op het continent worden alleen in Frankrijk risico’s waargenomen bij extreem koud weer dat in Frankrijk tot een stijgende elektriciteitsvraag leidt.
Voor wat betreft de actuele situatie in de gasmarkt en voorbereidingen ten aanzien van het uitvoeren van het Bescherm- en Herstelplan Gas verwijs ik u naar de gelijktijdig met deze antwoorden verzonden brief hierover.
Hoe groot acht u de kans dat een grootschalige stroomuitval zich ook in Nederland de komende winter zal voordoen? Wat doet u om dit te voorkomen?
Om voorbereid te zijn voor het geval de leveringszekerheid in het geding is en de overheid maatregelen moet nemen, volgt in de Energiewet een bepaling waarmee TenneT opgedragen kan worden een strategische reserve in te richten. Ook laat de ACM momenteel een onderzoek uitvoeren naar de Value of lost load (VoLL) voor Nederland. De VoLL is de waarde van de vraag waaraan in tijden van schaarste niet kan worden voldaan. Anders geformuleerd: het is de prijs die afnemers zouden hebben willen betalen om in tijden van schaarste noodzakelijke afschakeling te voorkomen. De VoLL is een centraal begrip bij het analyseren van de leveringszekerheid. Het geeft aan wat de waarde is van een ononderbroken levering van elektriciteit en geeft daarmee ook weer boven welke prijs het maatschappelijk niet meer efficiënt is om voor leveringszekerheid te zorgen. Behoud van leveringszekerheid komt met stijgende meerkosten. Op een bepaald moment, vanaf de VoLL, is het verstandiger om tijdelijk vraag af te schakelen dan het systeem zo in te richten dat er een groot vermogen aan (grotendeels stilstaande) productie-installaties staat om ook in schaars voorkomende situaties leveringszekerheid voor alle gebruikers te blijven garanderen.
Een studie naar de VoLL en de jaarlijkse monitoring geven marktpartijen inzichten in de waarde van elektriciteit en voorziene leveringszekerheid. Dit stimuleert het ontwikkelen van businesscases in bijvoorbeeld opslag en CO2-vrij regelbaar vermogen. Het in de brief van 2 juli 2021 (Kamerstuk 29 023, nr. 269) aangekondigde onderzoek naar de ontwikkeling van CO2-vrije flexibiliteit is inmiddels ook openbaar gemaakt3, onder andere voor verdere bespreking met partijen uit het klimaatakkoord en extra inzichten voor marktpartijen.
Vanwege de Europese elektriciteitsmarkt zal Nederland bij eventuele krapte in andere landen maximaal elektriciteit exporteren. De zogenaamde «dag vooruitmarkt» in Europa4 is echter zo ingericht dat de export zodanig wordt begrensd, dat er geen fysiek tekort kan optreden in betreffende exporterende landen. Hierdoor wordt voorkomen dat er stroomuitval in Nederland ontstaat als gevolg van export.
De verwachting op basis van de Monitoring Leveringszekerheid 2021 van TenneT in het Europese scenario voor het jaar 2022, is dat het aanbod in de vraag zou kunnen voorzien5. De resultaten van die monitoring leveringszekerheid op de korte tot middellange termijn gaven TenneT geen directe aanleiding om de overheid te adviseren om maatregelen te treffen om de leveringszekerheid van elektriciteit op deze termijn in Nederland te waarborgen. TenneT brengt deze monitoring jaarlijks uit en voert elk jaar aanpassingen door om de leveringszekerheid in de veranderende elektriciteitsmarkt goed te blijven monitoren.
Hoe reageert u op de conclusie van GasUnie dat in Nederland «alles onder controle is omdat er hier nog geen enorme kou is voorzien die het gastransportnet in problemen zou kunnen brengen»? Bij welke enorme kou (temperatuur) ontstaan er wel problemen?
Ik verwijs ook naar de antwoorden van de Staatssecretaris Klimaat en Energie op vragen van het lid Bontenbal (CDA) over de fors hogere elektriciteits- en gasprijzen zoals op 24 december 2021 verstuurd (Tweede Kamer, Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 1213). In die beantwoording ga ik ook verder in op de vulgraad van de Nederlandse gasopslagen. Voor wat betreft de actuele situatie in de gasmarkt en voorbereidingen ten aanzien van het uitvoeren van het Bescherm- en Herstelplan Gas verwijs ik u naar de gelijktijdig met deze antwoorden verzonden brief hierover.
Sinds de zomer is er sprake van een uitzonderlijke situatie op de gasmarkt. De energieprijzen, en in het bijzonder die van gas, zijn in de afgelopen maanden fors gestegen. Het kabinet ziet dat deze situatie onzekerheid oplevert omdat huishoudens en ondernemers zich zorgen maken of de prijzen blijven stijgen en of ze hun energierekening nog kunnen betalen. Het kabinet erkent deze zorgen. Energie is een basisbehoefte en moet zodoende beschikbaar en betaalbaar zijn en blijven. Het kabinet heeft daarom maatregelen genomen als compensatie voor de stijgende energieprijzen.
Fysiek is het Nederlandse gastransportnet uitgelegd op het aankunnen van de verwachte gasvraag die zich bij daggemiddelde effectieve temperaturen tot en met – 17 graden Celsius voordoet. Dat is de koude temperatuur die zich in Nederland (meetpunt De Bilt) met een statistische waarschijnlijkheid van eenmaal in de 50 jaar voordoet. Met de norm van eenmaal in de 50 jaar gaat Nederland verder dan de EU vereist. Verordening (EU) 2017/1938 betreffende maatregelen tot veiligstelling van de gasleveringszekerheid hanteert namelijk een norm van een koude temperatuur die zich eenmaal in de 20 jaar voordoet. In aansluiting daarop heeft Gasunie Transport Services (GTS) ingevolge het Besluit Leveringszekerheid Gaswet de wettelijke taak voorzieningen te treffen voor het afdekken van de verwachte gasvraag van kleinverbruikers in het geval van bijzonder koude omstandigheden, de zogenaamde pieklevering. Hiervoor koopt GTS zowel volume als capaciteit in, om daarmee de extra kleinverbruikersvraag vanaf -9 tot -17 graden Celsius af te dekken.
Deelt u de mening dat energie continu beschikbaar moet zijn, en dus niet afhankelijk van het weer? Deelt u dan ook de conclusie dat u met het sluiten van onze hypermoderne, betrouwbare kolencentrales en de uitrol van weersafhankelijke wind- en zonne-energie de beschikbaarheid van energie zelf in gevaar brengt?
Ja, ik ben van mening dat huishoudens en ondernemers continu moeten kunnen rekenen op de levering van energie. De prijs zal variëren, onder andere als gevolg van het weer. De leveringszekerheid van elektriciteit is van groot belang voor de Nederlandse samenleving en economie. Het belang van elektriciteit als energiedrager neemt als gevolg van elektrificering toe. Daarmee wordt de leveringszekerheid van elektriciteit nog belangrijker dan deze nu al is.
In een systeem gebaseerd op wind en zon kan en moet de beschikbaarheid van elektriciteit worden geborgd door een combinatie van import en export, regelbaar vermogen, opslag en vraagrespons. Net als in het huidige systeem moet de overheid zo nodig ook borgingsmaatregelen treffen. Weersonafhankelijk regelbaar vermogen kan in de toekomst bijvoorbeeld bestaan uit centrales op basis van aardgas met CCS, waterstof, e-methaan, ijzerpoeder of kernenergie. Weersafhankelijkheid is altijd al onderdeel geweest van het energiesysteem. In de winter is bijvoorbeeld de gasvraag vanwege verwarming van gebouwen en woningen veel hoger dan in de zomer. De productie van waterkracht is altijd al afhankelijk van de hoeveelheid neerslag. De laatste jaren komt daar een steeds groter aandeel elektriciteitsproductie met windmolens en zonnepanelen bij.
Het sluiten van de kolencentrales en de uitrol van wind- en zonne-energie brengt de beschikbaarheid van energie niet in gevaar. Voor elektriciteit houdt de jaarlijkse monitoring van TenneT rekening met de ontwikkelingen in het elektriciteitsproductiepark, zoals onder meer de toename van het vermogen aan wind en zon en het verbod op het gebruik van kolen vanaf 2030. In de meest recente monitor leveringszekerheid staat aangegeven dat de leveringszekerheid is geborgd in het zichtjaar 2030. Vanaf 2025 wordt Nederland voor leveringszekerheid wel een toenemend aantal uren per jaar afhankelijker van import, door afname van zowel gas- als biomassa- en kolenvermogen. Ik blijf daarom de uitfasering van koleneenheden en sluiting van kerncentrales in de landen om ons heen nauwlettend volgen. Wat betreft de kolencentrales is gekozen voor een verbod op kolen en geen sluiting, wat ombouwen naar andere brandstoffen onverlet laat. Daarnaast is sprake van een gefaseerde aanpak van het verbod op kolen richting 2030, met een lange overgangstermijn. Tot slot is de productiebeperking op 35% gezet en niet lager. Dit plafond op jaarbasis biedt kolencentrales voldoende ruimte om gedurende periodes met schaarste (hoge prijzen/winterperiodes) maximaal beschikbaar te zijn en daarmee bij te dragen aan de leveringszekerheid. Dit is op basis van de huidige inzichten en geldende marktomstandigheden. Ik houd de toekomstige ontwikkelingen op de elektriciteitsmarkt nauwlettend in de gaten, evenals het effect van de productiebeperking hierop. Als ik tot de conclusie kom dat deze maatregel tot onaanvaardbare risico’s leidt voor de leveringszekerheid van elektriciteit of de voorzieningszekerheid van gas, zal ik maatregelen nemen om dit te voorkomen.
Deelt u de mening dat het tegenstrijdig is dat u ons land volplempt met windturbines en zonneparken, die echter vanwege het weer te weinig elektriciteit opwekken, waardoor we in de praktijk juist meer afhankelijk worden van gas en, vanwege het tekort aan gas, ook van kolen?
Nee, die mening deel ik niet. Elektriciteit die wordt opgewekt met windmolens of zonnepanelen hoeft op dat moment niet opgewekt te worden met kolen- of gascentrales. Bij een toenemend aandeel elektriciteitsopwekking uit wind en zon de komende jaren, zal daarmee ook de hoeveelheid kolen en gas die nodig is voor elektriciteitsopwekking afnemen. Uiteindelijk zal er, zoals ook in het antwoord op de vorige vraag aangegeven, naast import en export, opslag en vraagrespons ook een deel regelbaar vermogen nodig zijn dat elektriciteit opwekt uit moleculen op die momenten dat windmolens en zonnepanelen minder elektriciteit produceren als gevolg van het weer. Nu zijn die moleculen kolen en aardgas straks bijvoorbeeld deels waterstof, uranium en groen gas.
Kunt u uw antwoord op eerdere Kamervragen over de stijgende gasprijs dat «door de toename van wind en zon de rol van kolen- en gascentrales steeds kleiner wordt» cijfermatig onderbouwen2? Hoe rijmt u de volgens u «kleiner wordende rol van kolen en gas» met de conclusie van het Internationaal Energieagentschap dat wereldwijd de vraag naar gas de komende jaren niet af, maar juist fors toe zal nemen3, en met de conclusie van het CBS dat onze kolencentrales in de eerste helft van 2021 niet minder, maar bijna de helft méér elektriciteit produceerden dan een jaar eerder4?
Ja, zie bijvoorbeeld de figuren 4.6 en 5.2 uit de Klimaat- en Energieverkenning 2021 van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) voor de verwachte inzet van kolen en gas voor elektriciteitsopwekking (Kamerstuk 32 813, nr. 901). Wereldwijd kan het beeld anders zijn dan in Nederland, bijvoorbeeld doordat gas wereldwijd meer vervuilende brandstoffen als kolen en olie vervangt in sectoren als de elektriciteitsopwekking, industrie en transport. In 2020 was de gasprijs erg laag, waardoor elektriciteitsopwekking met gascentrales goedkoper was dan met kolencentrales. Hierdoor werden vooral de gascentrales ingezet en de kolencentrales minder, tot een historisch laag niveau in 2020. Momenteel is die situatie andersom en werden de kolencentrales in 2021 volop ingezet en de gascentrales minder. De langjarige trend voor Nederland is duidelijk en zal leiden tot een steeds kleinere rol voor kolen- en traditionele gascentrales. Wereldwijd en op de korte termijn kan de ontwikkeling (tijdelijk) anders zijn.
Het nieuws dat de beveiliging van Schiphol zo lek is als een mandje. |
|
Mahir Alkaya (SP) |
|
Barbara Visser (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het nieuwsitem van PowNed, waarin aan de orde wordt gesteld dat mensen gemakkelijk door de beveiligingspoortjes op Schiphol kunnen komen, met een namaak-boardingpass?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat mensen met een in elkaar geknutselde QR-code de beveiliging op Schiphol kunnen passeren en daarmee illegaal toegang kunnen krijgen tot het gedeelte van de luchthaven waar alleen passagiers zouden mogen komen?
Van vertrekkende passagiers wordt aan de hand van een QR-code het ticket gecontroleerd. Deze controle is erop gericht dat alleen passagiers het deel van de luchthaven kunnen betreden waar zij voor hun reis toegang toe moeten hebben.
Het is mij bekend dat met de controle van QR-codes op tickets niet geheel is uit te sluiten dat ook mensen die niet gaan vliegen door de automatische toegangscontroles komen. Dit heeft onder meer te maken met het gestandaardiseerde gebruik van QR-codes door luchtvaartmaatschappijen op vliegtickets wereldwijd en juridische beperkingen ten aanzien van het verwerken van persoonsgegevens.
Echter, het enkele feit dat iemand met een nagemaakte QR-code de luchthaven kan betreden, levert geen beveiligingslek op. Pas na deze toegangscontrole komen passagiers immers bij de beveiligingscontrole, waar wordt gecontroleerd of geen verboden voorwerpen zoals wapens en explosieven worden meegenomen. Deze controle wordt zorgvuldig en correct uitgevoerd, hetgeen ook goed is te zien in het item van Powned.
Waren deze beveiligingsrisico’s reeds bekend bij u en/of bij Schiphol?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat beveiligingsmedewerkers en handhavingsdiensten erop moeten kunnen vertrouwen dat eenieder die de betreffende beveiligingspoorten passeert daar ook daadwerkelijk hoort te zijn?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat beveiligingslekken zoals deze een risico kunnen opleveren voor de veiligheid van passagiers en het personeel, omdat onbekende mensen delen van de luchthaven kunnen betreden waar zij niet mogen komen, temeer omdat beveiligers reeds te maken hebben met een zeer hoge werkdruk en zij daarom dit risico er niet bij kunnen hebben?
Nee. Zoals hiervoor aangegeven levert het enkele feit dat iemand met een nagemaakte QR-code de luchthaven kan betreden, geen beveiligingslek op. Het verkrijgen van toegang met een nagemaakte QR-code is onwenselijk, maar vormt geen risico voor de veiligheid van passagiers en personeel.
Wie is er eindverantwoordelijk voor de plaatsing en het onderhoud van de betreffende beveiligingspoortjes? Hoe vaak worden de beveiligingssystemen van Nederlandse luchthavens getest op zaken als infiltratierisico’s, onder meer met valse toegangsbewijzen?
De luchthaven is verantwoordelijk voor de plaatsing en het onderhoud van de geautomatiseerde toegangscontrole. De Nederlandse luchthavens vallen nationaal onder het wettelijk toezichtskader van de KMar en op Europees niveau houdt de Europese Commissie toezicht. Vanwege veiligheidsreden kunnen er geen uitspraken worden gedaan over de vorm en frequentie van de testen van de toegangscontrolesystemen.
Wat gaat u ondernemen om dit beveiligingslek aan te pakken?
Er is geen sprake van een beveiligingslek. Zie mijn antwoord op de vragen 2, 3 en 4.
Hebben medewerkers van Schiphol de mogelijkheid om dit soort risico’s op hun werkplek op een veilige manier bespreekbaar te maken met hun werkgever? Zo ja, hoe is dit nu geregeld en waarom is dit lek niet eerder opgevallen en opgelost? Zo nee, hoe gaat u hiervoor zorgen?
Ja. Alle Schipholpashouders ontvangen een Security awareness training voor het verkrijgen van hun Schipholpas. In deze training wordt aandacht besteed aan onveilige en verdachte situaties, hoe hier mee om te gaan en melding van te maken. Zie verder mijn antwoord op de vragen 2, 3 en 4.
Onschuldigen die zich geïntimideerd voelen door undercoveragenten |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de reportage van Nieuwsuur over onschuldigen die zich geïntimideerd voelen door undercoveragenten?1 Herinnert u zich eerdere Kamervragen over dit onderwerp?2
Ja.
Deelt u de mening dat terughoudend moet worden omgegaan met het op deze wijze betrekken van onschuldige derden, nu uit diverse casussen blijkt dat onschuldigen zich ernstig bedreigd en geïntimideerd hebben gevoeld en daar maanden last van hebben gehad, door optreden van, wat dan pas veel later blijkt, undercoveragenten?
Bij de inzet van opsporingsbevoegdheden geldt dat de verantwoordelijke professionals een zorgvuldige afweging van belangen moeten maken op basis van de geldende kaders uit wet en jurisprudentie. Die afweging wordt in geval van de bevoegdheid uit deze casus gemaakt door een officier van justitie voorafgaand aan de inzet waarna de rechter achteraf de rechtmatigheid van de inzet toetst. Het is niet aan mij om uitspraken te doen over beslissingen van officieren van justitie en rechters in individuele casussen.
Hoe ver strekt de bevoegdheid die artikel 126j van het wetboek van strafvordering nu precies, mede gelet op de wetsgeschiedenis? Wat is nu wel en wat is nu niet toegestaan richting derden (anderen dan de verdachte zelf) waar het gaat om opsporingsmethoden, die een verregaande inbreuk maakten op de rechten en veiligheidsgevoelens van een onschuldige derde?
Op grond van de bevoegdheid tot het stelselmatig inwinnen van informatie als bedoeld in artikel 126j van het Wetboek van Strafvordering kan de opsporingsambtenaar informatie inwinnen over een verdachte op een wijze waarmee een min of meer volledig beeld van bepaalde aspecten van diens leven kan worden verkregen. In die gevallen zoekt de opsporingsambtenaar contact met de verdachte of met personen uit diens directe omgeving. Er mag daarbij actief worden geïnterfereerd in het leven van de verdachte, zonder dat de betrokken opsporingsambtenaar zich kenbaar maakt als politieambtenaar. De benodigde informatie kan worden verkregen bij de verdachte, maar ook bij derden.
De inzet van stelselmatige informatie-inwinning is aan een aantal voorwaarden verbonden. Er moet allereerst sprake zijn van een verdenking van een strafbaar feit. Daarnaast moet de inzet van de bevoegdheid in het belang van het onderzoek zijn. Het is aan de officier van justitie, als bevoegd gezag bij de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, op aangeven van de opsporingsambtenaar, om te toetsen of de inzet proportioneel en subsidiair is. Dat betekent dat wordt afgewogen of dit het juiste middel is om het doel te bereiken. Indien de officier van justitie de inzet proportioneel en subsidiair acht, dan geeft deze een bevel af waardoor de inzet kan plaatsvinden. In het bevel worden de feiten en omstandigheden vermeld waaruit blijkt dat aan de voorwaarden van artikel 126j van het Wetboek van Strafvordering wordt voldaan. Het bevel omvat tevens de wijze waarop aan het bevel uitvoering moet worden gegeven door de politie. Een belangrijk verschil tussen de bevoegdheid tot stelselmatig inwinnen van informatie en infiltratie (artikel 126h) is dat bij infiltratie in het bevel toestemming kan worden gegeven tot het plegen van bepaalde strafbare feiten. Dat is bij stelselmatig inwinnen van informatie niet mogelijk. Bij de uitoefening daarvan mogen de informanten dus geen strafbare feiten plegen. De bevoegdheid tot stelselmatig inwinnen van informatie ex artikel 126j heeft weliswaar een ruim bereik, maar is door de bovengenoemde inkadering niet ongelimiteerd.
Hoe beoordeelt u het feit dat de rechter in concrete gevallen heeft moeten oordelen dat in concrete zaken het optreden van politie en justitie grenzen is overgegaan, waarmee het openbaar ministerie (OM) naar het oordeel van de rechtbank de grenzen van het toelaatbare heeft overschreden?3
Het past mij niet om te oordelen over rechterlijke uitspraken in concrete gevallen. In ons rechtssysteem zijn waarborgen opgenomen om de grondrechten van burgers te beschermen tegen ongeoorloofde inbreuken op die grondrechten door de overheid, in dit geval politie en justitie. Daarbij is het aan de strafrechter om per geval te bezien of het optreden van politie en justitie rechtmatig is. Wanneer een rechter oordeelt dat in een specifieke casus grenzen zijn overschreden, en ook wanneer dat niet het geval is, zie ik dat als een teken dat het stelsel functioneert. Het is niet aan mij om daar een uitspraak over te doen of een waardeoordeel over te geven.
Hoe wordt voortaan in de praktijk getoetst of de geplande inzet onder alle omstandigheden proportioneel is en niet kan worden volstaan met de inzet van lichtere middelen (subsidiariteit)?
Zie antwoord vraag 3.
Zijn er redenen de regels aan te scherpen, of bijvoorbeeld de OM-aanwijzing te verduidelijken, om duidelijker te maken waar de grenzen liggen voor dit soort politieoptreden? Zo nee, waarom niet?
Naar de toekomst toe zal een nieuwe commissie zich onder andere richten op de vraag op welke aspecten van de undercover bevoegdheden nadere versterking van de waarborgen nodig is, met daarbij aanvullend aandacht voor ethische vraagstukken die kunnen spelen bij de inzet van dergelijke bevoegdheden. Ook zal deze commissie adviseren over de (verbetering) van de werkwijze in het heimelijke domein. Mevrouw mr. W. Sorgdrager zal deze commissie voorzitten.
Waar het gaat om de vraag naar de wenselijkheid van aanpassing van wet- en regelgeving of de OM-aanwijzing wil ik eerst de uitkomsten van de commissie Sorgdrager afwachten.
De nasleep van de storing in het Centraal register uitsluiting kansspelen |
|
Rudmer Heerema (VVD) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wanneer is de evaluatie van de Kansspelautoriteit ten aanzien van de opstartproblemen van het Centraal register uitsluiting kansspelen (Cruks) gereed, zodat deze met de Kamer kan worden gedeeld?
De Kansspelautoriteit heeft desgevraagd aangegeven dat deze evaluatie inmiddels is gestart en door een externe partij wordt gedaan. De Kansspelautoriteit verwacht uiterlijk 1 april de resultaten beschikbaar te hebben.
Klopt het dat u in uw antwoorden op Kamervragen van de leden Bikker en Van Nispen stelt dat Cruks inmiddels stabiel functioneert en dat het probleem met de verificatie van gegevens via de Beheervoorziening burgerservicenummer (BV BSN) op 20 oktober jl. is opgelost? Zijn inmiddels alle gevolgen van de opstartproblemen van Cruks in kaart gebracht?1
Het klopt dat ik in het antwoord op eerdere Kamervragen heb aangegeven dat Cruks stabiel functioneert en dat het probleem met de verificatie van gegevens via de Beheervoorziening burgerservicenummer (BV BSN) op 20 oktober jl. is opgelost.
De Kansspelautoriteit heeft mij aangegeven de gevolgen van de opstartproblemen in kaart te hebben gebracht, zowel ten aanzien van landgebonden als online kansspelen. Hieruit is gebleken dat er in deze periode spelers waren waarvan de gegevens in het Cruks onjuist of onvolledig waren. Een tweede gevolg van de opstartproblemen was dat spelers mogelijk ten onrechte werden doorgelaten wanneer foutieve gegevens van de aanbieders niet overeenkwamen met de (correcte) gegevens in Cruks. Wanneer de verbinding met BV BSN goed werkt, krijgt de aanbieder een foutmelding wanneer hij met het BSN nummer en onjuiste gegevens van een speler probeert te controleren of een speler in Cruks is geregistreerd.
In de volgende antwoorden wordt weergegeven hoe dit is opgelost.
Hoe gaat de Kansspelautoriteit om met de gegevens die voor 20 oktober jl. in Cruks zijn opgenomen en niet via BV BSN werden gecontroleerd?
De Kansspelautoriteit heeft mij bericht dat zij het gehele Cruks heeft gecontroleerd op de juistheid van de gegevens van de daarin opgenomen spelers. Waar nodig heeft zij inschrijvingen gecorrigeerd aan de hand van de door spelers opgegeven BSN gegevens. Dit proces is op 16 november voltooid. Sindsdien zijn alle gegevens in Cruks correct. De vergunninghouders (landgebonden en online) zijn hierover geïnformeerd.
Hoe en op welke termijn is de Kansspelautoriteit voornemens de vervuilde bestanden die voor 20 oktober jl. niet via BV BSN zijn gecontroleerd te corrigeren?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat er bij de Kansspelautoriteit gevallen bekend zijn van aanbieders die als gevolg van de vervuilde bestanden spelers toelaten omdat dit door de foutieve Cruks-code niet wordt opgemerkt? Zo ja, om hoeveel spelers gaat het hier?
Hierover heeft de Kansspelautoriteit mij bericht dat het klopt dat er spelers waren die in de periode tot 16 november jl. zijn toegelaten tot kansspelen, terwijl ze hadden moeten worden uitgesloten. Zie ook hierboven het antwoord op vraag 2.
Het is onbekend hoe vaak deze situatie zich heeft voorgedaan. De Kansspel-autoriteit heeft van 67 spelers in genoemde periode een melding ontvangen dat zij zich hadden ingeschreven in het Cruks, maar toch werden toegelaten bij speelhallen, landgebonden casino’s of bij online aanbieders. Van al deze spelers zijn door de Kansspelautoriteit aan de hand van de inschrijving en een legitimatiebewijs de gegevens in Cruks gecontroleerd en waar nodig gecorrigeerd. De Kansspelautoriteit heeft alle aanbieders van online kansspelen, speelautomaten en speelcasino’s opgeroepen alle registraties van spelers te controleren die gedaan zijn tussen 2 en 20 oktober 2021. Daarnaast onderzoekt de Kanspelautoriteit of specifieke aanbieders kunnen worden geïdentificeerd waarbij de spelersbestanden relatief veel onjuiste of onvolledige spelersgegevens bevatten. In het uiterste geval kan de Ksa handhavend optreden.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat over Kansspelen van 15 december 2021?
Ja.
Het bericht ‘Kritiek op hoofddoek bij boa’s barst los: ‘Het vlaggenschip van politieke islam’’ |
|
Joost Eerdmans (JA21) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat de ene na de andere gemeente zich inmiddels uitspreekt voor het toestaan van religieuze uitingen (waaronder hoofddoeken) bij buitengewoon opsporingsambtenaren (boa's) en agenten?1
Ik ben ermee bekend dat een aantal gemeenten aan het onderzoeken is of een uiting van geloof of overtuiging onderdeel mag zijn van het uniform van de boa. Ik heb begrepen dat de komende tijd hierover overleg zal plaatsvinden tussen een aantal gemeenten en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG).
Klopt het dat u het toestaan van hoofddoeken voor boa’s afdoet als een «lokale kwestie» en dat u hiermee dus geen problemen heeft? Zo nee, wat is dan wel uw standpunt? Zo ja, hoe is het mogelijk dat u als eindverantwoordelijke voor de openbare orde in Nederland geen mening heeft over de neutraliteit van handhavers die, al dan niet in de vorm van pilots, over bewapening kunnen beschikken en daarmee namens de overheid geweld mogen uitoefenen?
Er is, buiten een model voor het insigne dat de boa zichtbaar draagt, geen landelijke wet- en regelgeving die voorschriften geeft over het uniform van de boa. Gemeenten gaan in de hoedanigheid van werkgever over het uniform van boa’s domein I (Openbare ruimte). Dit past ook bij het uitgangspunt van lokaal maatwerk. Dit is derhalve anders dan bij de politie, waar ik een beheersmatige verantwoordelijkheid over draag.
De VNG heeft in 2014 een ontwerp voor een modeluniform voor de boa’s domein I laten ontwikkelen, met een aantal specifieke (combinaties van) kenmerken. Dit is bedoeld om de herkenbaarheid, zichtbaarheid en bekendheid van boa’s te vergroten en meer uniformiteit tussen gemeenten te krijgen. Het merendeel van de gemeenten maakt gebruik van het modeluniform, dit is echter niet verplicht. Uitingen van levensbeschouwelijke overtuiging of geloof zijn geen onderdeel van het modeluniform van de VNG. Een gemeente kan er echter zelf voor kiezen hun handhavers een ander uniform dan het modeluniform te laten dragen. De VNG evalueert de komende periode met haar leden het gebruik en uiterlijk van het beschermde modeluniform met de leden.
Vanuit mijn stelselverantwoordelijkheid sta ik, samen met de werkgevers, in voor het gezag en de veilige taakuitvoering van de boa. Tegelijkertijd speelt hier ook het lokale gezag en de verantwoordelijkheid. Ik hecht er daarom aan om eerst de gesprekken tussen gemeenten onderling en met de VNG af te wachten en de uitkomsten te volgen, als ook de evaluatie van de VNG inzake het modeluniform. Als daartoe aanleiding bestaat zal ik verkennen of landelijke regelgeving opportuun is.
Deelt u de mening dat de geloofwaardigheid van ordehandhavers staat of valt bij een neutrale uitstraling en dat het toestaan van zichtbare religieuze uitingen, in de praktijk vaak hoofddoeken, hier in ernstige mate afbreuk aan doet? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord bij vraag 4.
Vindt u nog steeds dat hoofddoeken bij politieagentes niet toegestaan moeten zijn, dat de politie «onverminderd neutraal in haar publiekscontacten» moet zijn en dat «de neutrale uitstraling van een politieambtenaar in het belang van diens veiligheid en gezag in het optreden is», zoals u op 20 november 2017 aan de Kamer schreef?2
Functies waarbij de overheid zich in de samenleving manifesteert met behulp van de sterke arm, en gebruik maakt van dwangmiddelen, oefenen een bijzondere overheidstaak uit. Bij de politie is afgesproken dat uitingen van geloof of overtuiging geen onderdeel zijn van het uniform en dat daar dus van af moet worden gezien. Dit is in het belang van het gezag, de neutraliteit en de veiligheid van de politie op straat. De politie vertegenwoordigt immers de staat. De positie van politieambtenaren is echter daarmee niet zonder meer vergelijkbaar met die van andere werknemers, zoals boa’s. Daarnaast geldt dat in geval van boa’s sprake is van lokaal gezag en werkgeverschap. Dit is anders dan bij de politie.
Is het voor boa’s níét van belang om neutraal te zijn in hun publiekscontacten en is het voor hun veiligheid en gezag níét van belang om een neutrale uitstraling te hebben? Indien u dit inderdaad niet van belang vindt, waarom dan niet? Indien u dit wél van belang acht, vindt u dan louter om procedurele redenen (namelijk dat zij in dienst zijn van de gemeente) dat zij alsnog een hoofddoek mogen dragen?
Ik hecht sterk aan de veilige taakuitvoering van de boa’s, dat is een gemeenschappelijk belang van mij en de werkgevers. De functie van de boa is volop in ontwikkeling. Vanuit de stelselverantwoordelijkheid van JenV voor het boa-bestel past het te kijken naar ontwikkelingen die centraal beleid vergen. Ik hecht er aan om eerst de gesprekken tussen gemeenten onderling en met de VNG af te wachten en de uitkomsten te volgen, als ook de evaluatie van de VNG inzake het modeluniform. Als daartoe aanleiding bestaat zal ik verkennen of landelijke regelgeving opportuun is. Vanuit de stelselverantwoordelijkheid ben ik momenteel bezig met de herijking van de boa-functie en het boa-stelsel. Ik zal dit onderwerp hierbij betrekken en uw Kamer hierover in het voorjaar van 2022 informeren.
Waarom laat u in dat geval een procedurele afweging prevaleren boven fundamentele principes en, in uw eigen woorden, de veiligheid van boa’s?
Zie antwoord op vraag 5.
Bent u bereid los te breken uit uw procedurele werkelijkheid, pal te gaan staan voor de neutraliteit van de Nederlandse overheid en gemeenten op te dragen geen hoofddoeken (of andere zichtbare religieuze uitingen) bij handhavers toe te staan?
Zie antwoord op vraag 5.
De bezuinigingen op de brandweer |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u van mening dat de brandveiligheid in de regio Noord-Holland Noord toeneemt als er 1,4 miljoen euro bezuinigd wordt op de brandweer?1
Binnen de wettelijke kaders bepalen de besturen de ambities en het kwaliteitsniveau van de veiligheidsregio. Dit wordt vastgelegd in het regionale beleidsplan. Zij baseren zich daarbij op een regionaal risicoprofiel, dat onder verantwoordelijkheid van het bestuur in afstemming met de gemeenteraden tot stand komt. Als er minder middelen worden uitgegeven aan de brandweer hoeft dit niet direct invloed te hebben op de brandveiligheid. Middelen kunnen anders worden ingezet omdat er bijvoorbeeld meer risicogericht en informatiegestuurd wordt gewerkt.
Vindt u het acceptabel dat er, ondanks groot protest van de burgemeesters van deelnemende gemeenten, zoveel bezuinigd wordt op de brandweer? Kunt u aangeven of en zo ja waarom u dit democratisch vindt?
Het bestuur van de veiligheidsregio Noord-Holland Noord stelt de (meerjaren)begroting van de regio vast conform Gemeenschappelijke regeling Veiligheidsregio Noord-Holland Noord.2 Het bestuur bepaalt, rekening houdend met de regionale situatie, op welke wijze gelden worden besteed inclusief eventuele wijzigingen in de loop van de jaren. Besteding kan af- of juist toenemen afhankelijk van de regionale situatie. Volgens de gemeenschappelijke regeling moeten de leden van het algemeen bestuur (burgemeesters) samen tot eenduidig beleid komen.
Klopt het dat er in de afgelopen jaren, sinds de grote bezuinigingsronde van 2015, in totaal 11 tankautospuiten, 14 personeel/materieelvoertuigen, 17 motorspuitaanhangers en 35 dienstbussen/-auto’s en 150 vrijwilligers uit de sterkte zijn geschrapt in deze regio?
De Veiligheidsregio Noord Holland Noord geeft aan de getallen in deze vraag niet te herkennen.
Snapt u dat brandweervrijwilligers, waar grote onvrede was over de eerdere bezuinigingen, zo het alleen nog maar zwaarder krijgen en eventueel stoppen? Vindt u dit wenselijk?2
Het is onwenselijk als brandweervrijwilligers stoppen vanwege bezuinigingen. De veiligheidsregio Noord-Holland Noord geeft aan dat de bezuinigingsmaatregelen efficiencymaatregelen zijn voor 2022 en niet ingrijpen op de taak van de brandweer.
Bent u het ermee eens dat in een tijd waarin de druk op de brandweer alleen maar toeneemt het wel erg wrang is dat er bezuinigd wordt op de personeelsvereniging van de brandweervrijwilligers, die juist méér waardering zouden verdienen? Zo nee, waarom niet?
Het is zonder twijfel dat vrijwilligers een belangrijke bijdrage leveren aan de brandweerzorg in Nederland. Ik waardeer hun inzet ten zeerste. De Veiligheidsregio Noord-Holland Noord brengt de vergoeding aan de personeelsvereniging meer in lijn met wat gebruikelijk is bij andere veiligheidsregio’s.
Kunt u een overzicht geven, per veiligheidsregio, hoeveel er in de afgelopen tien jaar is bezuinigd op de brandweer?
Het bestuur van een veiligheidsregio stelt de (meerjaren)begroting van de regio vast. Dat betekent dat het aan dat bestuur is om te bepalen, rekening houdend met de regionale situatie, op welke wijze gelden worden besteed inclusief eventuele wijzigingen in de loop van de jaren. Voor informatie over bezuinigingen op de brandweer in de veiligheidsregio’s verwijs ik u naar de begrotingen van de afzonderlijke veiligheidsregio’s. Dit zijn openbare documenten.
Is er volgens u een verband tussen de toenemende financiële problemen bij gemeenten, bijvoorbeeld omdat ze meer taken krijgen maar minder geld, en de keuze om te bezuinigen van veiligheidsregio’s? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u reflecteren op de brief van de vakverenigingen, die stellen dat de kwaliteit van de brandweerzorg steeds verder afneemt?3
Ik heb middels een brief gereageerd op de brief van de Vakvereniging Brandweer vrijwilligers van 1 november jl. een afschrift van deze brief wordt gezamenlijk met deze brief aan de Vaste Kamercommissie voor Justitie en Veiligheid verzonden.
Kunt u aangeven hoeveel tankautospuiten er per veiligheidsregio zijn verdwenen in de afgelopen tien jaar? Zo nee, waarom niet?
Kunt u aangeven hoeveel kazernes er per veiligheidsregio gesloten zijn in de afgelopen tien jaar? Zo nee, waarom niet?
Kunt u aangeven hoeveel vrijwilligers er per veiligheidsregio zijn gestopt in de afgelopen tien jaar? Zo nee, waarom niet?
Kunt u aangeven hoeveel duikteams er per veiligheidsregio zijn gestopt in de afgelopen tien jaar? Zo nee, waarom niet?
Kunt u aangeven hoeveel veiligheidsregio’s er op de minimale wettelijke sterkte opereren qua vrijwilligers en materieel? Zo nee, waarom niet?
Kunt u aangeven hoeveel veiligheidsregio’s afwijken van de wettelijke opkomsttijden door experimenten met uitruk op maat?
Waarom duurt het zo lang om eerdere Kamervragen te beantwoorden over de staat van de brandweer? Bent u bereid deze zo snel mogelijk alsnog te beantwoorden? Zo nee, waarom niet?4
Deze vragen zijn reeds beantwoord in mijn reactie van 19 november jl.7
De rechtsbescherming bij de NCTV |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het dat er een schikking is getroffen tussen de NCTV en de imam over het verwijderen van gegevens en om geen verdere informatie meer te verstrekken over deze man?1
Ja.
In hoeverre verhoudt deze moeizame procedure zich tot uw antwoord op mijn vraag hoe mensen hun recht zouden kunnen halen als zij ten onrechte op de radar staan van de NCTV, «Iedere betrokkene heeft op grond van de AVG het recht om persoonsgegevens in te zien die van hem zijn verzameld, behoudens het geval waarin het gaat om de in de AVG en de UAVG opgenomen weigeringsgronden. Voor de beoordeling en afhandeling van een verzoek ter uitoefening van het recht van inzage is er een vaste procedure bij de NCTV, conform de vereisten van de AVG. Die procedure is ook al meerdere keren in de praktijk getoetst en die werkt.»?2
Op individuele zaken wordt niet ingegaan en dus ook niet op de inhoudelijke afhandeling van het onderhavige geval. Zoals ook aangegeven in de Kamerbrief van 22 november jl.3 kunnen mensen die willen weten of hun gegevens door de NCTV zijn verwerkt bij het ministerie terecht. Elk van deze verzoeken wordt zorgvuldig afgehandeld conform het gestelde in de AVG en dit mondt uit in een aan de verzoeker gericht besluit op zijn verzoek. Indien een betrokkene het niet eens is met het genomen besluit, staat de mogelijkheid van bezwaar en beroep open. Tevens kan een betrokkene ook de andere rechten inroepen die in de AVG zijn opgenomen zoals onder andere een verzoek doen tot wissen of rectificatie. Sinds het verschijnen van de Kamerbrieven van 12 april 20214 en 21 mei 20215 en het Kamerdebat van 15 juni 2021 heeft de NCTV een groot aantal inzageverzoeken op grond van de AVG ontvangen. Vanwege de vele inzageverzoeken die zijn ingediend en het werk dat nodig is om zorgvuldig op al die verzoeken te kunnen ingaan, is er helaas meer tijd mee gemoeid dan ik graag zou zien.
Waarom heeft de NCTV pas besloten tot een schikking toen er twee rechtszaken dreigden?
Op individuele zaken wordt niet ingegaan en dus ook niet op de afhandeling van het onderhavige geval. Verzoeken om inzage in dan wel verwijdering van persoonsgegevens worden van geval tot geval beoordeeld. De conclusie van het project «taken en grondslagen van de NCTV» luidde dat het identificeren en analyseren van dreigingen en risico’s op het gebied van terrorisme en nationale veiligheid, juridisch kwetsbaar is en versterking behoeft indien daarbij (bijzondere) persoonsgegevens worden verwerkt op basis van eigen openbare bronnenonderzoek. Naar aanleiding daarvan is het wetsvoorstel Wet verwerking persoonsgegevens coördinatie en analyse terrorismebestrijding en nationale veiligheid bij de Tweede Kamer ingediend. Bovengenoemde ontwikkelingen maken dat inzage- en verwijderingsverzoeken met inachtneming van de nieuwe inzichten beoordeeld worden. Dat kan in bepaalde gevallen tot een herbeoordeling leiden. Die beoordeling wordt steeds toegespitst op het individuele geval.
Klopt het dat de NCTV deze gegevens al veel eerder had kunnen of misschien wel moeten vernietigen? Zo ja, waarom is daartoe niet overgegaan?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de strekking van de uitspraak dat sommige mensen kennelijk bij de NCTV als een soort verdachte te boek staat, terwijl er voor deze mensen niet dezelfde rechten gelden voor inzage in hun gegevens zoals bij de politie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom gelden daar niet minimaal dezelfde waarborgen?
Nee, die strekking deel ik niet. Zoals ik ook in mijn brief van 12 april 2021 heb aangegeven, is aan het monitoren van uitingen ten behoeve van het duiden van trends en fenomenen die in potentie de stabiliteit van Nederland kunnen ontwrichten soms bepaalde informatie over personen verbonden; uitingen worden door personen gedaan. Bij deze taak hoort daarmee dat bepaalde informatie wordt verwerkt, in sommige gevallen ook persoonsgegevens, maar alleen voor zover die noodzakelijk zijn voor het maken van de fenomeenanalyse en ook alleen daarvoor gebruikt worden.
De NCTV is geen opsporingsdienst zoals de politie en de NCTV onderzoekt ook niet of iemand zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. Wanneer de politie persoonsgegevens verwerkt in het kader van de politietaak («politiegegevens») is de Wet politiegegevens (Wpg) van toepassing. De NCTV verwerkt geen persoonsgegevens in het kader van de politietaak. Op de verwerking van persoonsgegevens door de NCTV is de AVG van toepassing. De AVG bevat waarborgen voor een zorgvuldige verwerking van en inzage in persoonsgegevens.
Kunt u reflecteren op de uitspraken van het hoofd van de CTIVD, die stelt dat de NCTV onder toezicht moet komen te staan, omdat ze zich gedragen als veiligheidsdienst?3
Zoals ik in de kamerbrieven van 12 april en 21 mei jl. heb aangegeven, is of wordt de NCTV geen inlichtingendienst. De NCTV heeft een andere taak en valt niet onder de WIV. Om die reden is het onderscheid met de taken van de AIVD in het wetsvoorstel verwerking persoonsgegevens coördinatie en analyse terrorismebestrijding en nationale veiligheid ook expliciet gemaakt.
Voor het wetsvoorstel is, zoals gebruikelijk bij dit soort belangrijke wetsvoorstellen, er een consultatieronde geweest, is de Autoriteit Persoonsgegevens om advies is gevraagd, en daarna heeft de Raad van State geadviseerd. Met het verwerken van deze adviezen zijn extra waarborgen in het wetsvoorstel opgenomen, dat op 9 november aan de Tweede Kamer is verzonden. Bij de behandeling van dit wetsvoorstel kan hierover nader met de Tweede Kamer worden gesproken. Het wetsvoorstel is op 23 november jl. door de Tweede Kamer controversieel verklaard.
Kunt u reflecteren op de uitspraken van de oprichter van het Centre for Counter Terrorism en een universitair hoofddocent conflictstudies en internationale betrekkingen over de bevoegdheden van de NCTV en waarom deze beperkt zouden moeten zijn?4
De kritiek van de AP waar in het artikel aan gerefereerd wordt, heeft betrekking op een verouderde versie van het wetsvoorstel: de versie die in juni werd gebruikt in de consultatiefase. Voor het wetsvoorstel verwerking persoonsgegevens coördinatie en analyse terrorismebestrijding en nationale veiligheid is, zoals gebruikelijk bij dit soort belangrijke wetsvoorstellen, een consultatieronde geweest, is de Autoriteit Persoonsgegevens om advies is gevraagd, en daarna heeft de Raad van State geadviseerd. Met het verwerken van deze adviezen zijn extra waarborgen in het wetsvoorstel opgenomen, dat op 9 november aan de Tweede Kamer is verzonden. Bij de behandeling van dit wetsvoorstel kan hierover nader met de Tweede Kamer worden gesproken.
Kunt u reflecteren op de uitspraken van een advocaat die onder andere stelt dat de rechter moeilijk grip krijgt op de NCTV?5
Zie antwoord vraag 7.
Bent u het ermee eens dat alle berichten rondom de NCTV van de afgelopen tijd een zeer zorgwekkend beeld afgeven van deze dienst? Zo nee, waarom niet?6, 7, 8
Nee, de NCTV heeft mijn volste vertrouwen. Zoals ik heb aangegeven in de brieven van 12 april 2021, 21 mei 2021 en 2 november 202112 aan de Tweede Kamer over de werkzaamheden bij de NCTV kwam door het project «taken en grondslagen van de NCTV» de NCTV zelf tot het inzicht dat de algemene rechtsgrondslag gezien de rechtsontwikkeling naar huidige maatstaven als juridisch kwetsbaar moet worden bestempeld en dat de tot dan toe gehanteerde juridische grondslag verstevigd zou moeten worden door de introductie van een grondslag in een wet in formele zin. Op grond van de conclusies van dit project zijn bepaalde werkzaamheden gestaakt13 en is het wetsvoorstel Wet verwerking persoonsgegevens coördinatie en analyse terrorismebestrijding en nationale veiligheid is naar uw Kamer verzonden ter behandeling. Vervolgens is, daarin gesterkt door de aangenomen motie van het lid Michon-Derkzen tijdens het debat van 15 juni 2021 om met spoed met een bijzondere wettelijke grondslag te komen voor de NCTV om persoonsgegevens te verwerken voor de uitvoering van zijn bestaande analyse- en coördinatietaken, de hoogste prioriteit gegeven aan het aangekondigde voorstel voor een Wet verwerking persoonsgegevens coördinatie en analyse terrorismebestrijding en nationale veiligheid, dat op 9 november aan de Tweede Kamer is verzonden.
Kunt u precies uiteenzetten hoe een klachtenprocedure bij de NCTV werkt en welke waarborgen er zijn? Zo nee, waarom niet?
Naast het doen van inzageverzoeken op grond van de AVG kan iedere burger een klacht indienen over het handelen van de overheid. Dit kan zowel mondeling als schriftelijk. De regels inzake de klachtbehandeling zijn neergelegd in hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voor de overheid is zorgvuldige klachtbehandeling een vereiste dat voortvloeit uit de beginselen van behoorlijk bestuur en een kwestie van bestuurlijke betamelijkheid. De NCTV handelt klachten op overeenkomstige wijze en met inachtneming van de bepalingen in hoofdstuk 9 van de Awb af. Indien betrokkene niet tevreden is over de afhandeling van de klacht kan deze de klacht door middel een verzoekschrift voorleggen aan de Nationale ombudsman.
Hoe vaak is door de NCTV op verzoek van een betrokkene tot gegevensverwijdering overgegaan, al dan niet na een schikking?
Zoals gemeld in het antwoord van vraag 2 heeft de NCTV sinds het verschijnen van de Kamerbrieven van 12 april 2021 en 21 mei 2021 en het Kamerdebat van 15 juni 2021 een groot aantal inzageverzoeken op grond van de AVG ontvangen. Zoals gemeld in het antwoord op vraag 3 en 4 wordt op individuele zaken niet ingegaan.
In algemene zin kan ik zeggen dat de NCTV, functionerend onder de ministeriële verantwoordelijkheid van de Minister van Justitie en Veiligheid, in zeer uiteenlopende situaties betrokken kan raken bij gerechtelijke procedures. Zo kunnen op basis van de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding of de Paspoortwet maatregelen opgelegd worden waartegen beroep in kan worden gesteld. Daarnaast kan de NCTV procespartij zijn bij procedures op grond van de Wet Openbaarheid van Bestuur (WOB), civielrechtelijke procedures zoals bijvoorbeeld repatriëringsverzoeken van uitreizigers naar strijdgebieden en procedures vanuit de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG).
Gelet op de aard van de zaken en de verwevenheid met individuele gevallen, worden geen uitspraken gedaan over de aantallen en worden die ook niet afzonderlijk bijgehouden.
Kunt een overzicht geven van de rechtszaken waarbij de NCTV de afgelopen jaren betrokken is geweest als partij? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 11.
Dat een Amerikaanse spion Booking.com heeft gehackt en dit niet is gemeld |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat gedupeerde klanten van Booking.com, wiens gegevens zijn gestolen, op de hoogte gebracht hadden moeten worden van dit datalek?1
Of een datalek moet worden gemeld, hangt af van het wettelijke kader. Volgens de berichtgeving speelde het datalek zich af in 2016 en zou daarmee onder de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp) vallen.
Per 1 januari 2016 is de meldplicht datalekken, zoals volgt uit artikel 34a Wbp, van kracht geworden. Op grond van lid 2 van dit artikel is een verantwoordelijke verplicht om de betrokkenen bij een inbreuk op de beveiliging op de hoogte te brengen, wanneer de inbreuk waarschijnlijk ongunstige gevolgen zal hebben voor hun persoonlijke levenssfeer. Artikel 43 Wbp biedt een overzicht van de uitzonderingen op deze verplichting. De Wbp is op 25 mei 2018 komen te vervallen. Op deze datum is de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) in werking getreden.
De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) heeft laten weten over dit specifieke geval geen verdere informatie te kunnen geven. Het is niet aan mij om over het in de vraag genoemde mogelijke datalek een oordeel te geven, nu dit bij uitstek toekomt aan de toezichthouder.
Waarom heeft de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) de Autoriteit Persoonsgegevens niet op de hoogte gesteld, als zij hebben geholpen de hacker te vinden?
Ik kan in het openbaar niet ingaan op concrete vragen over het handelen van de AIVD.
Hoe vaak hebben Amerikaanse autoriteiten geprobeerd om bedrijven te hacken die gevestigd zijn in Nederland?
De AIVD en de MIVD stellen een onderzoek in indien aanwijzingen bestaan dat Nederlandse of in Nederland gevestigde bedrijven zijn gehackt door statelijke actoren. Over het actuele kennisniveau van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen in het openbaar geen mededelingen worden gedaan.
Is de AIVD volgens u voldoende toegerust om dit soort spionage tegen te gaan?
De genoemde berichtgeving geeft onvoldoende duidelijkheid of in deze casus sprake is geweest van spionage. In het algemeen geldt dat de AIVD Nederland beschermt door (ongeziene) dreigingen tegen de nationale veiligheid te onderzoeken. Dat geldt onder meer voor digitale spionage. Als de AIVD dreigingen ontdekt binnen of buiten Nederland, waarschuwt de dienst (overheids-)partners die daartegen kunnen optreden.
In hoeverre staat Booking.com onder verscherpt toezicht nu zij vaker datalekken niet hebben gemeld?
Desgevraagd heeft de AP laten weten op dit moment nog niets te kunnen zeggen over eventuele vervolgstappen met betrekking tot de veronderstelde inbreuk op de beveiliging bij Booking.com