Het bericht ‘Ddos'er die fiscus, banken en Tweakers aanviel, krijgt 200 uur taakstraf’. |
|
Queeny Rajkowski (VVD), Ulysse Ellian (VVD) |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ddos’er die fiscus, banken en Tweakers aanviel, krijgt 200 uur taakstraf»1?
Ja.
Worden ddos-aanvallen die zijn uitgevoerd op vitale diensten door het openbaar ministerie (OM) bij het bepalen van de strafeis en bij de rechter bij de strafoplegging als een strafverzwarende omstandigheid gezien?
Ja. Het OM houdt bij het bepalen van de strafeis rekening met de wettelijke strafmaxima zoals geformuleerd in het Wetboek van Strafrecht (Sr). Uit artikel 138b lid 3 Sr volgt dat het strafmaximum van twee naar maximaal vijf jaar gevangenisstraf kan gaan indien een DDoS-aanval is gepleegd tegen een geautomatiseerd werk behorende tot de vitale infrastructuur2.
Hoeveel veroordelingen zijn bekend van zaken waarbij een ddos-aanval gepleegd is?
Bij een DDoS-aanval kan artikel 138b Sr (opzettelijk en wederrechtelijk de toegang tot of het gebruik van een geautomatiseerd werk belemmeren door daaraan gegevens aan te bieden of toe te zenden) of artikel 161sexies Sr (misdrijven waardoor de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar wordt gebracht) tenlastegelegd worden. In de periode 2019–2021 zijn er 8 veroordelingen geweest voor artikel 138b. Onder de delictsomschrijving van artikel 161sexies vallen echter meer delicten dan alleen een DDoS-aanval. Er kan in de informatiesystemen van de Rechtspraak niet worden achterhaald hoeveel veroordelingen op basis van artikel 161sexies een DDoS-aanval betroffen. Het totale aantal veroordelingen van artikel 161sexies geeft daarom geen representatief beeld van het aantal veroordelingen van DDoS-aanvallen.
Deelt u de mening dat deze vormen van cybercriminaliteit hard aangepakt moeten worden vanwege de grote maatschappelijke impact?
Zeker. Cybercrime kan een grote impact hebben op individuele slachtoffers en de maatschappij als geheel. Gedurende de coronacrisis zijn we in het dagelijks leven steeds afhankelijker geworden van de online wereld. Dit maakt dat cyberaanvallen een groot risico vormen voor onze maatschappij. Het Cybersecurity Beeld Nederland benoemt ransomware zelfs als een risico voor onze nationale veiligheid.3 Adequate opsporing en vervolging van daders is noodzakelijk. Het internet mag geen vrijplaats zijn voor criminelen. Opsporing, vervolging en verstoring is één van de vier sporen van de integrale aanpak van cybercrime. Hierover wordt uw Kamer jaarlijks geïnformeerd per brief.4
Hoe vaak vindt er recidive plaats bij de cybercriminelen die ddos-aanvallen hebben gepleegd? Wordt er onderzoek gedaan naar het recidiverisico bij cyberdelicten?
Hierover zijn geen cijfers beschikbaar. Voor zover bekend lopen er momenteel geen onderzoeken naar het recidiverisico bij cyberdelicten. Wel is door het WODC onderzoek gedaan naar cyberdaders, waarover uw Kamer is geïnformeerd.5 Dit onderzoek gaf aan dat voor daders van cybercrime geen eenduidig profiel bestaat, maar dat er kenmerken zijn die relatief vaker voorkomen bij cyberdaders dan bij traditionele daders of vrij uniek zijn voor cyberdaders. Zo plegen jongere daders strafbare feiten in eerste instantie vaker uit nieuwsgierigheid, intellectuele uitdaging of leergierigheid, en zijn zich niet altijd bewust van de strafbaarheid. Ook bleek uit het onderzoek dat bij het voorkomen van recidive klassieke interventies bruikbaar zouden kunnen zijn, indien ze zouden worden aangepast aan de digitale context. Zie hiervoor vraag 6.
Welke maatregelen en middelen worden ingezet om recidive bij cyberdelicten te voorkomen?
Bij de aanpak van cybercrime wordt een onderscheid gemaakt tussen cybercrimedelicten in enge zin (zoals ransomware- en DDoS-aanvallen) en gedigitaliseerde delicten (zoals online fraude). Onderzoek geeft aan dat er kenmerken zijn die relatief vaker voorkomen bij cyberdaders dan bij traditionele daders of vrij uniek zijn voor cyberdaders.6 Ten behoeve van deze specifieke doelgroep maken Halt, de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) en de Reclassering gebruikt van de Hack_Right-aanpak. Daarnaast is de bestaande leerstraf Tools4U van de RvdK aangevuld voor daders van gedigitaliseerde delicten.
Ook is het instrumentarium voor risicotaxatie aangepast. Voor jeugdige justitiabelen is het landelijk risicotaxatie-instrumentarium (LIJ) aangevuld zodat het nu ook kan worden gebruikt in het geval zij een cybercrime of gedigitaliseerd delict hebben gepleegd. Dit jaar wordt gemonitord of de huidige aanpassingen voldoen of dat nog verdere aanvullingen nodig zijn.
Hoe vaak wordt bij strafoplegging of bij een OM-afdoening de aanvullende interventie Hack_Right toegepast? Wat zijn hier tot nu toe de resultaten van en kunt u deze resultaten met de Kamer delen?
Sinds 2019 zijn er 25 zaken afgerond. Hack_Right kan worden ingezet in het kader van een Halt-afdoening, een (jeugd)reclasseringsbegeleiding, als taakstraf of als gedragsaanwijzing in het kader van een bijzondere voorwaarde (volwassenenreclassering). De afgelopen jaren is de interventie Hack_Right (door)ontwikkeld en is toegewerkt naar indiening van de interventie bij de Erkenningscommissie Justitiële Interventies van het Nederlands Jeugdinstituut (NJi). Medio 2022 wordt de interventie voor erkenning voorgelegd.
Welke criteria worden gehanteerd om te bepalen of Hack_Right kan worden toegepast?
Hack_Right is bedoeld voor jongeren en jongvolwassenen die minimaal 12 en maximaal 24 jaar oud zijn ten tijde van het plegen van het delict, (gedeeltelijk) bekennen een cyberdelict7 te hebben gepleegd, niet eerder veroordeeld zijn voor een cyberdelict, affiniteit hebben met ICT en gemotiveerd zijn om deel te nemen aan Hack_Right. In uitzonderingsgevallen kan een lange variant van Hack_Right – op verzoek van een rechter, officier van justitie of een van de ketenpartners – ook ingezet worden voor jongvolwassenen van 24 tot 30 jaar. Bij deze doelgroep is het extra belangrijk dat bij de invulling van Hack_Right wordt aangesloten bij ontwikkelingstaken van jongvolwassenen op het gebied van werk, opleiding, vrijetijdsbesteding en relaties.
De langere variant van Hack_Right kan bij Reclassering worden opgelegd in het kader van een bijzondere voorwaarde, en bij de RvdK in het kader van een werkstraf. Hack_Right kan ook worden opgelegd in de vorm van een Halt-afdoening. Dit betreft een kortere variant.
Deelt u de mening dat de interventie Hack_Right een positieve bijdrage kan leveren aan het voorkomen van recidive bij jonge cybercriminelen? Zo ja, welke stappen onderneemt u om dit nadrukkelijker in het beleid naar voren te laten komen? Zo nee, waarom niet?
Minderjarigen kunnen, soms onbewust, forse cyberdelicten plegen. Hack_Right heeft als doel recidive onder jonge cybercriminelen te voorkomen en tegelijkertijd hun maatschappelijk zeer relevante ICT-talent te stimuleren binnen de kaders van de wet. Doordat jongeren leren hoe zij deze talenten op een veilige en rechtmatige manier kunnen ontwikkelen en inzetten, kan toekomstige maatschappelijke en financiële schade voorkomen worden. In de uitvoering van de interventie worden (private) ICT-bedrijven en -afdelingen betrokken, om de jongere te begeleiden bij de ontwikkeling van diens talent voor legale doeleinden. Momenteel is Hack_Right de enige interventie die zich specifiek richt op het voorkomen van herhaald daderschap bij (jonge) cybercriminelen.
Ondanks dat er sprake is van een stijging van (het aantal aangiften van) cybercriminaliteit blijkt dit nog niet uit de instroom bij Hack_Right. Dit vraagt aanvullende analyse, opdat passende maatregelen kunnen worden ingezet. Daarom heeft het Ministerie van Justitie en Veiligheid voor de komende jaren subsidie toegezegd aan de drie uitvoeringsorganisaties (Reclassering, RvdK en Halt) voor de verdere implementatie en inbedding van Hack_Right in de justitiële processen. Daarnaast voert het WODC een onderzoek uit naar de in- en doorstroom van jeugdige en volwassen verdachten en daders van cybercrime binnen de strafrechtketen.8
Komt het vaker voor dat er pas eindvonnis wordt gewezen door een rechtbank vier jaar nadat een verdachte in verzekering is gesteld? Zo ja, kunt u per rechtbank uitsplitsen hoe vaak de afgelopen vijf jaren vonnissen werden gewezen waarbij een dader strafvermindering kreeg als gevolg van schending van de redelijke termijn?
Het komt voor dat een rechtbank pas vier jaar nadat een verdachte in verzekering is gesteld het eindvonnis wijst. Uitsplitsen hoe vaak de afgelopen vijf jaren vonnissen zijn gewezen waarbij een dader strafvermindering kreeg als gevolg van schending van de redelijke termijn is niet geautomatiseerd mogelijk. Dit aangezien het overschrijden van de redelijke termijn niet wordt geregistreerd in de systemen van de rechtspraak.
Indien uw antwoord op vraag 10 luidt dat nergens wordt geregistreerd of er sprake is van schending van de redelijke termijn en wat de gevolgen hiervan zijn voor de opgelegde straffen, kunt u dan een reële inschatting maken gebaseerd op de gepubliceerde uitspraken op rechtspraak.nl om de Kamer toch inhoudelijk van een antwoord te voorzien?
Het onderzoeken van gepubliceerde uitspraken op rechtspraak.nl is zeer tijdrovend en de huidige capaciteit laat het momenteel niet toe een dergelijk onderzoek uit te voeren. Bovendien worden (nu nog) lang niet alle uitspraken gepubliceerd. Daarom is het onduidelijk of een dergelijk onderzoek een representatief beeld zou geven.
Capaciteit en bereidheid van Nederland voor de opvang van eventuele vluchtelingen uit Oekraïne |
|
Suzanne Kröger (GL), Corinne Ellemeet (GL) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA), Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat vluchtelingen recht hebben op een veilige plek in de EU, ondanks dat Premier Rutte niet heeft willen toezeggen dat Nederland extra vluchtelingen uit Oekraïne gaat opvangen tijdens de persconferentie op 24 februari? Zo ja, hoeveel vluchtelingen bent u voornemens over te nemen van de EU-lidstaten die vermoedelijk als eerste geconfronteerd zullen worden met vluchtelingenstromen vanuit Oekraïne?
Het kabinet acht het van groot belang dat de Europese Unie (EU) eensgezind optreedt, zeker als het gaat om het ontvangen van mensen die het conflict in Oekraïne ontvluchten. Dit draagt het kabinet ook uit op Europees niveau.
In de EU is zeer eensgezind gereageerd om de getroffen Oekraïners een veilige haven te bieden. Ondersteuning en bescherming van mensen die het conflict ontvluchten is prioriteit. Voor het bevorderen van snelle politieke besluitvorming en informatiedeling tussen lidstaten werd tijdens de JBZ-raad van 27 februari het Integrated Political Crisis Mechanism (IPCR) door het voorzitterschap geactiveerd, en op 28 februari vond de eerste besluitvorming plaats.
Al voorafgaand aan de Russische inval bereidden de lidstaten aan de grenzen met Oekraïne, de Commissie en haar Agentschappen noodplannen voor. De EU heeft een aantal instrumenten tot haar beschikking die snel ingezet kunnen worden voor o.a. het delen van informatie, het coördineren van noodhulp en het coördineren van steunverzoeken aan het EU Civil Protection Mechanism (UCPM), het EU Asiel Agentschap (EUAA) en Frontex. Deze mechanismes zijn momenteel actief en hier kan gebruik van worden gemaakt door EU-lidstaten die worden geconfronteerd met de vluchtelingenstroom.
Het kabinet heeft veel waardering voor de manier waarop in buurlanden Oekraïners momenteel worden opgevangen. Ook Nederland wil voorzien in een veilig en ruimhartig tijdelijk verblijf. Het kabinet ontvang inmiddels de eerste berichten dat omringende landen aan de grens van hun opvangcapaciteit zitten, waaronder Moldavië. Daar wordt in Brusselse gremia over gesproken, o.a. in het solidariteitsplatform gecoördineerd door de Commissie.
Klopt de suggestie die werd gewekt vorige week dat er een gebrek aan opvangcapaciteit was, waardoor er geen vlucht met Afghaanse evacués naar Nederland kon komen? Kunt u aangeven hoeveel plekken er op dit moment bij het COA beschikbaar zijn? Wordt er nu al gewerkt aan het ophogen van de capaciteit? Zo ja, met hoeveel extra vluchtelingen wordt rekening gehouden? Welke andere acties heeft het kabinet de afgelopen week getroffen in voorbereiding op een vluchtelingenstroom?
De suggestie dat Afghaanse evacués niet naar Nederland worden overgebracht als gevolg van de beperkte opvangcapaciteit in Nederland is onjuist. Er zijn met twee chartervluchten op respectievelijk 1 maart en 9 maart jl. bijna 350 personen naar Nederland overgebracht. Daarnaast gaan de overbrengingen van kleinere groepen (20–30 personen) ook door. Na aankomst in Nederland wordt de meeste van hen ondergebracht in opvanglocaties van het COA. Inwoners van Oekraïne kunnen op basis van een visum of visumvrij in Nederland verblijven en hoeven zich dan ook niet tot de asielopvang van het COA te wenden voor opvang. In de eerste fase waar we nu in zitten zijn de eerste onmiddellijke opvangplekken gerealiseerd waar Oekraïense vluchtelingen kunnen worden opgevangen, o.a. in de gemeente Amsterdam en Legerkamp Harskamp. Ook met andere gemeenten wordt gesproken om op korte termijn opvanglocaties te realiseren voor de groep Oekraïense vluchtelingen.
De verwachting is evenwel dat de komende weken en maanden veel meer vluchtelingen vanuit Oekraïne naar Nederland kunnen komen. De mate waarin deze tweede fase zich aandient is onvoorspelbaar. Dit hangt in grote mate af van de duur en intensiteit van de oorlog.
Desalniettemin, is het zaak dat Nederland zich opmaakt voor grootschalige opvang van vluchtelingen uit Oekraïne. Op 7 maart jl.1 hebben de veiligheidsregio’s de opdracht gekregen om in de eerste fase, samen met gemeenten, de realisatie van minimaal 1.000 opvangplekken binnen twee weken per veiligheidsregio te coördineren. Daarnaast werken zij aan nogmaals 1.000 opvangplekken extra per veiligheidsregio in de periode daarna. Over de aanpak opvang vluchtelingen uit Oekraïne is uw Kamer eveneens nader geïnformeerd per brief op 17 maart jl.
In hoeverre heeft u tijdens de afgelopen Raad Buitenlandse Zaken de voorbereiding voor een Europees noodplan voor de opvang van vluchtelingen uit Oekraïne aangekaart?
In de Raad Buitenlandse Zaken wordt wel gesproken over de Russische agressie tegen Oekraïne, maar minder specifiek over de opvang van vluchtelingen. Dit onderwerp is belegd bij de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken (JBZ-raad). Tijdens de extra ingelaste JBZ-Raad van 27 februari is bijvoorbeeld gesproken over noodhulp, opvang en solidariteit. Daar heeft Nederland bepleit dat er een Europa verenigd en solidair moet optreden om diegenen die het conflict te ontvluchten een veilige haven te bieden. Uw Kamer is hierover geïnformeerd middels het verslag van de ingelaste JBZ-Raad van 28 februari jl. Europese plannen voor de opvang van vluchtelingen uit Oekraïne stonden eveneens ter bespreking tijdens de JBZ-Raad van 3 en 4 maart. Hier werd een politiek akkoord bereikt over de activering van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. De betreffende richtlijn omschrijft een uitzonderlijke procedure om onverwijld tijdelijke bescherming te bieden aan ontheemden die vluchten voor oorlog en geweld. Voor een terugkoppeling van deze bespreking verwijs ik u naar het verslag van de Raad van 3 en 4 maart.2
Bent u het ermee eens dat de opvang van mogelijke Oekraïense vluchtelingen niet enkel door de EU-landen aan de grens met Oekraïne dient te worden gedragen, maar als gezamenlijke Europese verantwoordelijkheid moet worden gezien? Bent u bereid er in EU-verband voor te pleiten dat Richtlijn 2001/55/EG van de Raad betreffende «minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen» in werking dient te worden gesteld nu een vluchtelingenstroom uit Oekraine op gang komt, zodat zij direct tijdelijke bescherming kunnen verkrijgen en het asielsysteem niet onnodig vastloopt?
Het kabinet acht het van groot belang dat de Europese Unie eensgezind optreedt, ook wanneer het gaat om het ontvangen van mensen die het conflict in Oekraïne ontvluchten. Tijdens de JBZ-raad van 3 en 4 maart is besloten de Richtlijn Tijdelijke bescherming (2001/55/EG) te activeren. Voor meer informatie over het activeren van deze Richtlijn verwijs ik u naar het verslag van de Raad van 3 en 4 maart.3
Bent u bekend met de beschikbare opvangcapaciteit voor mogelijke vluchtelingen in EU-landen die grenzen aan Oekraïne? Bent u bereid bij te dragen aan de mogelijke opvang van Oekraïense vluchtelingen via relocatie, indien de opvangcapaciteit van landen aan de Europese buitengrenzen tekort schiet?
Het kabinet is van mening dat de EU solidair op moet treden: daar zet het kabinet zich ook voor in. Het kabinet ontvangt de eerste berichten dat omringende landen aan de grenzen van de opvangcapaciteit zitten. Daar wordt in Brusselse gremia over gesproken, o.a. in het solidariteitsplatform gecoördineerd door de Commissie. Voor nadere toelichting verwijst het kabinet u naar de Kamerbrief die u op 17 maart jl. toeging.
Het bericht ‘Vluchtelingenstroom op gang vanuit Oekraïne, buurlanden bereiden opvang voor’ |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vluchtelingenstroom op gang vanuit Oekraïne, buurlanden bereiden opvang voor»?1
Ja.
Klopt het dat een woordvoerder van het Ministerie van Justitie en Veiligheid heeft gezegd dat extra maatregelen in Nederland naar aanleiding van de vluchtelingenstroom uit Oekraïne niet nodig zijn? Zo nee, wat is er dan gezegd?
Nederland bereidt zich voor op de komst van vluchtelingen uit de Oekraïne. Er is gestart met voorbereidingen voor de mogelijk grootschalige opvang van Oekraïners. Diverse gemeenten hebben aangeboden vluchtelingen onderkomen te kunnen bieden. Er wordt vanuit het Rijk met de gemeenten, COA, IND, Politie en Defensie volop samengewerkt om dit mogelijk te maken.
Bent u het ermee eens dat het onverstandig is geen extra maatregelen te nemen, gelet op het feit dat de opvang op dit moment al zeer vol zit en het COA dit zelf ook aangeeft, en de uitvoeringsorganisaties in de asielketen zoals de IND en het COA de gevolgen van de vorige verhoogde instroom naar aanleiding van de val van Kabul nog aan het verwerken zijn omdat men hier destijds ook slecht op voorbereid was? Zo nee, waarom niet?2
Naast het organiseren van mogelijk noodzakelijke opvanglocaties, geldt voor Oekraïners die hier al zijn of hiernaartoe komen dat het kabinet heeft voorzien in een ruimhartig en veilig verblijf. Oekraïners die zich nu in Nederland bevinden, hebben een verblijfstitel anders dan asiel. Voor deze groep zal daarom in voorkomend geval bezien worden of er verblijfsrechtelijke aspecten zijn, zoals aflopende visa, zodat waar nodig voorzien kan worden in (voortgezette) verblijfsrechtelijke mogelijkheden.
Bent u bereid alsnog in overleg met de IND en het COA zo snel mogelijk extra voorzorgsmaatregelen te treffen (zoals extra opvangcapaciteit) zodat de asielketen is voorbereid op eventuele verhoogde instroom en de Kamer te informeren over de stappen die hierop worden gezet?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid deze vragen zo snel mogelijk, het liefst voor het debat over de ontwikkelingen in Oekraïne op 28 maart en anders uiterlijk 3 maart te beantwoorden?
Ja.
Berichten omtrent cyberaanvallen op Oekraïne en Nederlandse servers |
|
Queeny Rajkowski (VVD), Ruben Brekelmans (VVD) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met bovenstaande berichtgeving?1
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat Nederlandse servers worden misbruikt door Rusland om cyberaanvallen uit te voeren in Oekraïne? Hoe beoordeelt u dit?
Het is bekend dat Nederlandse servers en infrastructuur misbruikt worden door criminelen voor het plegen van strafbare feiten, zoals DDoS- en ransomware-aanvallen. Dit is onwenselijk. Nederland heeft in vergelijking met andere EU-landen een relatief grote hosting sector. Dit heeft te maken met de uitstekende digitale infrastructuur waarover Nederland beschikt: het internet is betrouwbaar en snel. Zowel nationaal als internationaal maken personen, bedrijven en organisaties gebruik van de Nederlandse infrastructuur. Naast legitieme klanten, kunnen criminelen en andere kwaadwillenden misbruik maken van de Nederlandse hostingsector. De hostingprovider is zich hier niet altijd van bewust. Daarnaast bestaan er zogenaamde «bulletproof» hosters, die hun klanten willens en wetens faciliteren bij hun strafbare gedrag. Verder ziet Nederland het zorgvuldigheidsbeginsel als een verplichting binnen het internationaal recht. Zie hiervoor verder de kamerbrief Tegenmaatregelen ransomware-aanvallen van de Minister van Buitenlandse Zaken.2
Hoeveel Nederlandse servers zijn de afgelopen weken misbruikt vanuit Rusland om cyberaanvallen uit te voeren? Heeft u een beeld om welke servers het gaat? Zo ja, zijn er stappen genomen om deze servers uit de lucht te halen? Zo nee, waarom niet?
Dergelijke digitale aanvallen worden uitgevoerd vanuit command-and-control servers. Deze staan wereldwijd in datacenters, waaronder ook in Nederland. Voor datacenters is het vrijwel onmogelijk om te controleren welke servers voor dergelijke malafide doeleinden worden ingezet. Voor elke aanval zou specifiek technisch onderzoek nodig zijn om te achterhalen via welke servers een aanval is uitgevoerd. Dergelijk technisch onderzoek is niet bij elke aanval mogelijk, vanwege de capaciteit die dit kost en gezien het aantal (pogingen tot) aanvallen.
Klopt het dat Rusland ongezien Nederlandse servers kon huren voor zijn activiteiten en zo ongestoord cyberaanvallen kon uitvoeren op Oekraïne? Zo ja, in hoeverre worden huurders gescreend bij hostingbedrijven door hostingbedrijven zelf? Zijn hostingbedrijven verplicht om huurders te screenen? Zo ja, gebeurt dit ook en hoe vindt de controle plaats dat dit ook gebeurt? Zo nee, waarom niet?
Wie precies de servers heeft gehuurd voor de genoemde activiteiten is niet bekend. Het screenen van klanten door hostingproviders is geen wettelijke verplichting. Het gaat hier om private bedrijven, waarop in Nederland contractvrijheid van toepassing is. Zij mogen in beginsel zelf bepalen wie hun klanten zijn. Door de hostingsector is samen met het Ministerie van EZK een gedragscode opgesteld, om misbruik van hun servers tegen te gaan. Op EU-niveau heeft Nederland in het kader van de gesprekken over de Digital Services Act (DSA) gepleit voor het hierin opnemen van regels voor hostingproviders om crimineel misbruik te bemoeilijken, waaronder het vergaren van informatie over klanten. Hiervoor was onvoldoende steun.
Welke rol speelt de politie in het screenen van huurders van hostingbedrijven? Wanneer screent de politie huurders van hostingbedrijven? Zijn hostingbedrijven verplicht om servers offline te halen als de politie hier melding van maakt? Zo ja, is dit ook afgelopen weken gebeurd? Zo nee, waarom niet?
Zoals bij vraag 4 is aangegeven, zijn hosters niet wettelijk verplicht om hun klanten te screenen. De politie heeft geen wettelijke bevoegdheden om klanten van hostingproviders te screenen. Daarnaast is het screenen van klanten een toezichtstaak die niet bij de politie thuis hoort. Bij vermoedens van illegale activiteiten op een server kan bij een hostingprovider een verzoek worden gedaan voor een vrijwillige notice-and-takedown. Indien de hoster daar geen gehoor aan geeft, kan de officier van justitie ter beëindiging van een strafbaar feit of ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten een dienstverlener bevelen gegevens ontoegankelijk te maken (artikel 125p Wetboek van Strafvordering (Sv)) sturen naar een hostingprovider. Wanneer cybercriminelen gebruik maken van servers gehuurd bij buitenlandse resellers kan het doen van vorderingen worden bemoeilijkt, en daarmee het opsporingsonderzoek en het beëindigen van strafbare feiten.
Indien de politie weet heeft van strafbare feiten die via Nederlandse servers gepleegd worden, kan een opsporingsonderzoek worden gestart. Dit zal zich in beginsel richten op de plegers van strafbare feiten, zoals de daders van een ransomware-aanval. Het opsporingsonderzoek kan zich ook richten op de hostingprovider of de reseller, mits zij worden verdacht van een strafbaar feit.
Bent u het met de VVD-fractie eens dat het ongebreideld door kunnen verhuren van hostingruimte door resellers het wel erg makkelijk kan maken voor kwaadwillenden om een online rookgordijn te creëren? Zo ja, wat wilt u hieraan doen en welke mogelijkheden hebben hostingbedrijven en politie om gegevens over resellers op te vragen? Zo nee, waarom niet?
Het is onwenselijk dat kwaadwillenden Nederlandse servers misbruiken voor bijvoorbeeld het plegen van cyberaanvallen. De hostingsector heeft de gedragscode «abuse-bestrijding» ontwikkeld, die als doel heeft het schoon en veilig houden van het Nederlandse internet. Hierin is onder meer opgenomen dat hosters hun klanten kennen. Het blijft echter mogelijk dat klanten van hostingproviders deze serverruimte weer doorverhuren. Verder deelt het Clean Networks Initiatief3 onder deelnemers geautomatiseerd actuele informatie over kwetsbaarheden en misbruik in de systemen van alle deelnemers, geprioriteerd op basis van urgentie en impact. Daarnaast is in 2020 het Anti Abuse Netwerk (AAN) opgericht. Deze coalitie van publieke en private partijen zet zich in voor de bestrijding van misbruik van de technische infrastructuur.
Recentelijk heeft de politie een lijst opgesteld met resellers die vaak laten doorschemeren of openlijk toegeven dat zij diensten leveren aan criminelen. Deze lijst is gedeeld met de Dutch Cloud Community (DCC). Zie hiervoor ook de beantwoording van de Kamervragen van het lid Rajkowski.4 Naar aanleiding van deze beantwoording heeft DCC laten weten dat een aantal leden met bepaalde klanten geen zaken meer doet.5
Momenteel is in EU-verband de triloog-fase van de Digital Services Act begonnen. Deze verordening dient onder meer ter vernieuwing van de huidige E-Commerce richtlijn. In het voorstel worden hostingaanbieders onder andere verplicht een toegankelijk notificatiemechanisme in te stellen waarbij illegale inhoud gemeld kan worden en wordt verduidelijkt dat hostingproviders hun beperking van aansprakelijkheid kunnen verliezen wanneer zij na een melding van illegale inhoud deze niet prompt verwijderen of ontoegankelijk maken. Het kabinet steunt de invoering van deze maatregelen.
Bent u het met de VVD-fractie eens dat het zeer zorgelijk is dat onze uitstekende digitale infrastructuur wordt misbruikt door landen als Rusland om cyberaanvallen uit te voeren op Oekraïne en dat Nederland daarmee onbewust en indirect de Russische aanval faciliteert? Zo ja, bent u bereid om hostingbedrijven strenger te controleren al dan niet via de politie? Zo nee, waarom niet?
Het is zeer onwenselijk dat Nederlandse infrastructuur wordt misbruikt voor het plegen van cyberaanvallen. Dit geldt ook in het geval van kwaadwillende cyberoperaties tegen Oekraïne. Zoals eerder is aangegeven zijn hostingbedrijven niet wettelijk verplicht om hun klanten te controleren. Het controleren van hostingbedrijven is bovendien geen taak van de politie. Bij het tegengaan van misbruik van Nederlandse netwerken blijft het belangrijk dat de samenwerking wordt gezocht tussen de hostingsector en de politie.
Het bericht ‘Alarm om agressie op spoor en station’ |
|
Ingrid Michon (VVD), Fahid Minhas (VVD) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Alarm om agressie op spoor en station»?1
Ja daar ben ik bekend mee.
Klopt het dat NS-personeel steeds vaker te maken krijgt met gewelddadige incidenten bij het uitoefenen van het werk? Geldt dit ook voor andere vervoerders?
Iedere melding is er één teveel. De NS meldt een stijging van het aantal meldingen van agressie (zogenaamde A-incidenten) door personeel: van 660 in 2020 naar 744 in 2021. Ook in het streekvervoer is het aantal meldingen van agressie toegenomen: van 787 in 2020 naar 977 in 2021. In het stadsvervoer nemen de meldingen iets af van 636 in 2020 naar 606 in 2021.
In hoeverre is de toename van agressie-incidenten toe te schrijven aan de coronacrisis?
Om de twee jaar wordt via de Personeelsmonitor de sociale veiligheid van het ov-personeel door middel van enquêtes in kaart gebracht. Om de ervaringen van het ov-personeel in relatie tot de coronacrisis te kunnen interpreteren, zijn in de Personeelsmonitor van 2020 ook vragen over corona opgenomen. Daaruit blijkt dat een groot deel van het ov-personeel (49%) zich onveiliger voelt vanwege corona. Vrijwel ieder personeelslid (94%) heeft in 2020 meegemaakt dat reizigers de corona-regels niet hebben nageleefd en dat reizigers geen mondkapje dragen. Daarbij komt 72% van het ov-personeel in 2020 minimaal één keer in de situatie terecht dat reizigers agressief gedrag vertonen vanwege de mondkapjesplicht. Vooral toezichthouders krijgen te maken met agressief gedrag. Vervoerders verklaren het agressieve gedrag in het ov door de algehele onrust en vermoeidheid die is opgetreden in de maatschappij, met een patroon van pieken na iedere verandering van de coronamaatregelen. Door minder reizigers was er ook sprake van minder sociale controle op verlaten stations en lege treinen, in combinatie met minder zichtbaar personeel.
Heeft elke conducteur de status van buitengewoon opsporingsambtenaar (boa)? Welke bevoegdheden heeft op dit moment de boa, tevens conducteur? Wat is op dit moment de uitrusting van de boa, tevens conducteur?
De NS heeft thans medewerkers in verschillende functies in dienst die beschikken over de boa bevoegdheid en dus boa zijn. Zo zijn er 700 medewerkers Veiligheid en Service, die beschikken over de boa bevoegdheid en tevens de geweldsbevoegdheid voor het dragen/gebruik van handboeien.
Daarnaast heeft de NS ongeveer 2.800 conducteurs in dienst. Elke hoofdconducteur bij de NS is nu een buitengewoon opsporingsambtenaar (boa), zonder geweldsbevoegdheid. Vanuit de boa-bevoegdheid kan de hoofdconducteur een zogenaamde strafbeschikking opmaken voor overtredingen zoals bijvoorbeeld overlast (roken waar het niet is toegestaan) of het niet tonen of bij zich hebben van een geldig legitimatiebewijs. De hoofdconducteur kan ook een ontwerp proces-verbaal uitschrijven als de reiziger geen vervoersbewijs kan tonen en kan reizigers aanhouden die een strafbaar feit plegen om over te dragen aan de politie. De hoofdconducteur bij de NS draagt qua uitrusting een portofoon.
In de toekomst zal de boa-bevoegdheid voor de hoofdconducteur mogelijk komen te vervallen. NS heeft hiertoe op 22 maart 2022 een ondernemingsbesluit genomen. De ondernemingsraad heeft nog een maand om te reageren, daarna kan het besluit pas onherroepelijk worden vastgesteld. NS neemt dit besluit omdat in de praktijk door de hoofdconducteurs weinig gebruik wordt gemaakt van de boa-bevoegdheid. De huidige taken van de hoofdconducteurs zullen met dit besluit niet veranderen, echter alleen de bevoegdheid. De hoofdconducteur zal blijven controleren op geldige vervoersbewijzen en bij het ontbreken daarvan een Uitgestelde Betaling opmaken. Daarbij kan ook naar een geldig legitimatiebewijs worden gevraagd. Bij lastige situaties die dreigen te escaleren of bij agressie wordt door de hoofdconducteur de assistentie Veiligheid & Service opgeroepen, zoals dat nu ook het geval is.
Op hoeveel plaatsen worden boa’s/conducteurs standaard uitgerust met bodycams?
De medewerkers Veiligheid & Service (V&S, ruim 700 medewerkers) die boa-bevoegd zijn en tevens de geweldbevoegdheid hebben zijn standaard uitgerust met een bodycam. Tevens zijn de door NS ingehuurde beveiligers voor toezicht op sociale veiligheid op diverse stations ook door de NS voorzien van bodycams.
Hoeveel zou het kosten om iedere boa/conducteur uit te rusten met een bodycam?
Afhankelijk van de markt kost een bodycam, met basisstation, ondersteuning en verwerking van beeldmateriaal rond de € 1.000 per medewerker. Om alle 2800 hoofdconducteurs van NS te voorzien van een bodycam zijn de kosten 2.800.000 euro. Naast de bodycam heeft NS op ruim 80 stations camera’s hangen en zijn alle nieuwe treinen voorzien van camera’s en worden oudere type treinen die verbouwd worden voorzien van camera’s.
Klopt het dat één werkgever uit de OV-sector, te weten de NS, heeft gevraagd om een verruiming van de bevoegdheden van haar personeel? Waar ziet het verzoek precies op toe?
Het is belangrijk te benadrukken dat het niet gaat om het verruimen van boa-bevoegdheden, maar het mogelijk maken dat boa’s kunnen beschikken over informatie waarmee zij onafhankelijker hun taak kunnen uitvoeren. Hiertoe is bijvoorbeeld nodig dat Veiligheid & Service (V&S) medewerkers van de NS de identiteit kunnen vaststellen van een persoon die is staande gehouden. Daarom heeft de NS gevraagd om de V&S medewerker toegang te geven tot justitiële informatiesystemen. Vergelijkbaar of gelijk aan de informatiesystemen waarover de politie beschikt als zij ter assistentie worden gevraagd bij een persoon die zich niet kan legitimeren. Daarmee hoopt NS de kans op escalatie tijdens de wachttijd bij aanrijden van de politie te voorkomen en tegelijkertijd de politie in de noodhulp te ontlasten.
Bent u bereid om met de NS in gesprek te gaan? Bent u bereid om na te gaan of deze behoefte ook bestaat bij andere werkgevers uit de OV-sector?
Om de informatiepositie van boa’s te verbeteren bij het vaststellen van de identiteit is het belangrijk hen betere toegang te geven tot informatie voor een zelfstandige taakuitvoering.
In de Kamerbrief van november 2021 over de herijking van de boa-functie en het boa-bestel is aangekondigd dat het Ministerie van Justitie en Veiligheid de boa meer onafhankelijk wil laten werken en wil inzetten op betere toegang tot systemen. In dit kader vinden gesprekken plaats vanuit het Ministerie van Justitie en Veiligheid met het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en de NS om te verkennen hoe de vaststelling van de identiteit door boa’s mogelijk kan worden gemaakt.
De Ministeries van Justitie en Veiligheid en Infrastructuur en Waterstaat voeren de dialoog met de NS en andere vervoerders over hoe we samen de overlast in het openbaar vervoer beter kunnen aanpakken.
Kunt u de uitrusting van OV-personeel betrekken bij de gesprekken over uitbreiding van bevoegdheden?
In aanvulling op het antwoord dat is gegeven bij vraag 7 het volgende. Het gaat in deze om de informatiepositie van boa’s om hun taken zelfstandiger te kunnen uitvoeren en daar waar nodig om het maken van operationele samenwerkingsafspraken met de politie. Dat vergt geen aanpassing van de uitrusting en is ook geen onderwerp van gesprek dat door de NS is ingebracht.
Heeft u een indicatie hoe lang een conducteur gemiddeld moet wachten op politie-assistentie? Zo ja, kunt u een overzicht geven van de gemiddelde duur van de afgelopen vijf jaar?
De aanrijdtijden variëren sterk in stedelijke-en regionale omgeving en de urgentie van het incident. Bij geprioriteerde meldingen is de aanrijtijd in de steden gemiddeld 3 minuten. Vanwege de afstanden kunnen de aanrijdtijden in de meer perifere regio’s langer duren. Voor het vaststellen van de identiteit zijn de wachttijden gemiddeld langer. Het vraagstuk van de aanrijdtijden is een permanent aandachtspunt, met name in de perifere gebieden.
Heeft u een indicatie hoe vaak de politie wordt opgeroepen door een conducteur/boa? Zo ja, kunt u een overzicht geven van het aantal keren dat de politie is opgeroepen door een boa/conducteur de afgelopen vijf jaar? In hoeveel gevallen ging het hier om een verzoek om de identiteit van een persoon vast te stellen die zich niet zelf kon of wilde legitimeren?
In de jaren 2017–2020 ging het gemiddeld over 30–40% assistentieverzoeken die betrekking hadden op een reiziger zonder identiteitsbewijs of waarbij de identiteit moest worden vastgesteld. In 2021 is dat percentage gestegen naar 50%.
Wat is het verschil in inzet tussen de Dienst Infrastructuur van de Landelijke Eenheid, waarin de spoorwegpolitie is opgegaan, en de inzet uit het team basispolitiezorg?
Er is sprake van een integrale aanpak voor het politietoezicht op het spoor. De regionale eenheden en de Landelijke Eenheid voeren dat toezicht uit met behoud van ieders verantwoordelijkheid. De regionale eenheden zijn verantwoordelijk voor het verlenen van noodhulp en kunnen daarbij de assistentie inroepen van de Dienst Infrastructuur van de Landelijke Eenheid.
Hoeveel politieposten op stations zijn de afgelopen jaren gesloten en welk effect hebben deze sluitingen gehad op de aanrijdtijden van de politie bij agressie-incidenten?
Het opheffen van politieposten houdt in dat het specialistische openbaar vervoer politieteam wordt overgezet naar basisteams van de politie. Uitgangspunt is dat de samenwerking tussen politie, gemeentelijke boa’s en vervoerders ook zonder politiepost onverminderd kan worden voortgezet door het maken van goede samenwerkingsafspraken. Op lokaal niveau hebben de betrokken partijen dan ook de inzet van politie verschillend geborgd.
In zijn algemeenheid zijn aanrijdtijden afhankelijk van waar agenten en politievoertuigen zich bevinden op het moment van de melding. De Dienst Spoorwegen van het voormalige Korps Landelijke Politiediensten (KLPD) verzorgde de basispolitiezorg op de vier grote stations Amsterdam CS, Rotterdam CS, Utrechts CS en Den Haag CS. De locatie op Utrecht CS is reeds in 2011 gesloten door de KLPD, de overige locaties zijn bij de vorming van de Nationale Politie overgegaan naar de desbetreffende regionale eenheden en zijn sindsdien alle op enig moment gesloten. Sinds 2013 zijn ook op of bij zeven andere stations locaties van de voormalige KLPD gesloten.
Is bij u bekend hoe de politie denkt over het verruimen van de bevoegdheden van de boa/conducteur, opdat zij meer zelfstandig kunnen handelen? Bent u bereid om hierover met de politie in gesprek te gaan?
Voor de belangrijke en onmisbare inzet van boa’s, als partner in het veiligheidsdomein, moeten boa’s hun taken veilig kunnen uitvoeren en binnen hun bevoegdheden meer zelfstandig kunnen optreden. JenV zet daarom o.a. in op betere toegang tot systemen, bijvoorbeeld voor het vaststellen van de identiteit op straat en in het openbaar vervoer. Hierover worden de gesprekken gevoerd tussen het Ministerie van Justitie en Veiligheid, Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, politie en de NS.
Heeft u een indicatie wat een verruiming van de bevoegdheden van de boa/conducteur betekent voor het ontlasten van de politie?
De taken en bevoegdheden van boa’s respectievelijk politie zijn verschillend. Dat zal ook zo blijven, want boa’s hebben een bijzondere (specifieke) opsporingsbevoegdheid en de politie een algemene opsporingsbevoegdheid. Voor de gevallen waarin ondersteuning van de politie nodig is, in de vorm van backup bijvoorbeeld, wordt deze ook geleverd.
Zijn bekende risicotrajecten en risicostations bij u in beeld? Wat is de inzet van de politie, in samenwerking met de NS en het lokaal bestuur, om deze veiliger te maken?
Over het algemeen kan worden gesteld dat op stations gelegen in de Randstad en treintrajecten die hierop rijden verhoudingsgewijs (in relatie tot het aantal passanten en reizigers) meer meldingen worden gedaan dan op stations en treintrajecten daarbuiten gelegen. De NS zet daar samen met politie, gemeenten en andere vervoerders doelgerichte acties in om de overlast en incidenten terug te dringen en waar mogelijk te voorkomen.
Is er een vast aantal boa’s/conducteurs per lijn en wordt dat aantal uitgebreid, gezien de toename van de agressie op het spoor?
Op dit moment is elke trein van de NS voorzien van een hoofdconducteur. Op basis van informatie gestuurd optreden, worden daar Veiligheid & Service-medewerkers extra ingezet voor toezicht op orde, rust, veiligheid. Daarnaast voorziet NS al haar nieuw materieel (of revisie materieel) van camera’s of brengt open zichtlijnen in de trein aan zodat er meer sociale controle is. Ook door het analyseren van incidenten en daar preventief Veiligheid & Service-medewerkers met extra boa- bevoegdheden in te zetten, probeert NS incidenten zoveel mogelijk te voorkomen.
Bent u bereid om te kijken naar een verruiming voor het uitwisselen van gegevens tussen vervoerders en politie zodat overlast- en geweldplegers niet bij één vervoerder maar in het gehele OV kunnen worden geweerd?
Zie antwoord bij vraag 8.
Bent u bereid om de duur van het OV-verbod uit te breiden en een permanent OV-verbod in te stellen voor reizigers die zich ernstig hebben misdragen in het openbaar vervoer?
Overlast door reizigers in het openbaar vervoer is onacceptabel en wordt niet getolereerd. Een verbod wordt in een concrete casus voor een bepaalde duur opgelegd. Deze duur hangt af van de aard van de onderliggende overtredingen. Hiertoe is een leidraad opgesteld door het Openbaar Ministerie in samenwerking met vervoerders en de politie waarin delicten met bijbehorende strafmaten staan beschreven. Bij het bepalen van de omvang van het verbod, zoals een permanent OV-verbod, is het belangrijk om de proportionaliteit niet uit het oog te verliezen.
Kunt u de laatste stand van zaken geven van de uitvoering van de motie van de leden Amhaouch en Minhas (Kamerstuk 35 925-XII, nr. 43) over het lik-op-stukbeleid voor veelplegers in het openbaar vervoer?
Voor het gedrag van veelplegers is in het openbaar vervoer geen ruimte en wordt afgestraft. Afhandeling van strafzaken via de ZSM-werkwijze (Zorgvuldig, Snel op Maat) is een goede manier om in strafzaken die zich daarvoor lenen op een snelle en adequate manier tot bestraffing te komen. Deze mogelijkheid wordt al zo veel als mogelijk toegepast op alle eenvoudige misdrijven, ook als die zich hebben voorgedaan in het openbaar vervoer. Voor de in de motie gevraagde evaluatie zijn onderzoeksvragen opgesteld naar de aard en omvang van geweldsdelicten in het openbaar vervoer die volgens de ZSM-werkwijze zijn opgepakt. De betrokken organisaties is gevraagd onderzoek te doen om de desbetreffende vragen te beantwoorden. Naar verwachting kan de Kamer dit najaar worden geïnformeerd over de uitkomsten van deze evaluatie.
De proportionaliteitstoets inzake de coronatoegangsbewijzen. |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Bent u bekend met uw antwoord op vraag 127 uit de lijst van vragen en antwoorden over de effectiviteit van verschillende toepassingen van het Coronatoegangsbewijs?1
Ja.
Kunt u de genoemde proportionaliteitstoets naar de Kamer sturen? Zo nee, waarom niet?
De proportionaliteitstoets is in de toelichting bij de aanpassingen van de Tijdelijke regeling maatregelen opgenomen2 en dus reeds naar de Kamer gestuurd. Dit is conform artikel 58b lid 2 van de Wet publieke gezondheid, waarin nadere eisen worden gesteld aan de inzet van de tijdelijke bevoegdheden voor de bestrijding van de covid-19 epidemie.
De WNL-documentaire ‘Vertrouwelijk’ |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u, naar aanleiding van de WNL-documentaire «Vertrouwelijk», aangeven of het klopt dat Peter R. de Vries het aanbod voor persoonsbeveiliging zelf heeft afgeslagen?1
Over al dan niet genomen beveiligingsmaatregelen kan ik geen mededelingen doen. Dat geldt zowel voor eventuele beveiligingsmaatregelen ten aanzien van een individu als voor eventueel bestaande gradaties in beveiliging. De reden dat ik hierover geen mededelingen kan doen, is omdat dat voor kwaadwillenden inzicht kan verschaffen in de informatiepositie en handelwijze van de politie en het Openbaar Ministerie. Indien informatie over beveiligingsmaatregelen openbaar wordt gemaakt, wordt afbreuk gedaan aan de effectiviteit van optreden tegen (mogelijke) dreigingen en kan dat dus ten koste gaan van de veiligheid van personen.
Verder wil ik verwijzen naar het lopende onderzoek van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV). Zoals uw Kamer bekend is de OVV in augustus 2021 door mijn ambtsvoorganger verzocht om na te gaan welke lessen getrokken kunnen worden uit de beveiligingssituaties van de broer, de toenmalig advocaat en de vertrouwenspersoon (Peter R. de Vries) van de kroongetuige in het Marengo-proces.2 Gelet op het belang van zorgvuldig, adequaat en onafhankelijk onderzoek, wacht ik de uitkomsten van het onderzoek af en zal ik niet op eventuele conclusies vooruitlopen.
In algemene zin zet het kabinet in op een meerjarige structurele aanpak waarmee het ondermijnende effect van de georganiseerde criminaliteit wordt teruggedrongen. De versterking van het stelsel bewaken en beveiligen is een belangrijk onderdeel van deze aanpak, in verbinding met maatregelen zoals de modernisering van de kroongetuigenregeling (hetgeen ook relatie heeft met het stelsel bewaken en beveiligen) en het tegengaan van voortgezet crimineel handelen vanuit detentie. Ik vind het van groot belang dat we als overheid burgers – en zeker de hoeders van onze rechtsstaat – een zo goed mogelijke bescherming kunnen bieden tegen (be)dreigingen en intimidatie vanuit de georganiseerde criminaliteit. Met de eerder toegekende ondermijningsgelden van het kabinet is al ingezet op de noodzakelijke versterking van het stelsel bewaken en beveiligen op alle onderdelen. Deze versterkingen lopen en de eerste versterkingen – in zowel capaciteit en middelen – zijn inmiddels deels gerealiseerd.3 Zo zijn diverse relevante vacatures ingevuld voor de versterking van informatieverzameling en -organisatie, maatregelenadvies, intelligence capaciteit en uitvoering van beveiligingsmaatregelen. Voor wat betreft de teams Bewaken en Beveiligen van de politie hebben de eerste vier teams de noodzakelijke opleiding afgerond. Daarnaast heeft mijn ambtsvoorganger de Commissie Bos gevraagd het stelsel te beoordelen en voorstellen te doen op welke wijze het stelsel toekomstbestendig gemaakt kan worden. Op dit moment wordt er uitvoering gegeven aan aanbevelingen van de Commissie Bos. Zoals aan uw Kamer gemeld,4 zal ik uw Kamer eind maart uitgebreider informeren over de uitwerking van de aanbevelingen.
Klopt het dat er geen andere acties genomen zijn om zijn veiligheid te bevorderen door bijvoorbeeld zijn reisroutes niet-zichtbaar te controleren en/of te begeleiden of anderszins veiligheidsbevorderende acties in gang te zetten?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat er niets is gedaan met de meldingen dat Peter R. de Vries werd achtervolgd? Zo ja, waarom niet? Zo nee, wat is er wel mee gedaan?
Zie antwoord vraag 1.
Is het zo dat als een bedreigd persoon geen gebruik maakt van persoonsbeveiliging er dan helemaal niets gedaan wordt om de veiligheid te bevorderen en dat hier dus een alles of niets benadering geldt? Zo nee, wat zijn de gradaties in beveiliging die worden aangeboden?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe kijkt u terug op de beveiligingssituatie van Peter R. de Vries en wat heeft u hiervan geleerd voor de toekomst?
Zie antwoord vraag 1.
Het bericht 'Online criminelen bestoken de wereld met cyberaanvallen vanuit Nederland' |
|
Henri Bontenbal (CDA) |
|
Alexandra van Huffelen (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Micky Adriaansens (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Online criminelen bestoken de wereld met cyberaanvallen vanuit Nederland» en de bijbehorende radioreportage «De makelaars van de cybercrime»?1
Ja.
Herkent u de berichtgeving over cyberaanvallen via Nederlandse servers, mogelijk gemaakt door foute tussenpartijen uit het buitenland die deze serverruimte doorverhuren aan criminelen? Richten deze aanvallen zich vooral tegen bedrijven of in dezelfde mate tegen overheden en particulieren? Zijn er patronen in deze aanvallen te ontdekken, bijvoorbeeld in het type bedrijven waar criminelen het op gemunt hebben? Wat is u bekend over de aard en ernst van dit probleem? Bijvoorbeeld over de omvang van de aangerichte schade en het aantal aanvallen dat maandelijks plaatsvindt? Wordt dit bijgehouden en door wie? Ziet u het aantal aanvallen toenemen? Kunt u alle beschikbare informatie hieromtrent met de Kamer delen, eventueel in een vertrouwelijke technische briefing? Zijn met de door de politie samengestelde lijst alle foute tussenpartijen voldoende in beeld om te kunnen aanpakken? Gebeurt dit ook?
Het is bekend dat Nederlandse servers en infrastructuur misbruikt worden door criminelen voor het plegen van strafbare feiten, zoals ransomware-aanvallen. Het beeld van de politie is dat ransomware-aanvallen met name gericht zijn op het MKB en grote bedrijven. Hierin zijn patronen te herkennen, waarbij ongerichte aanvallen met name binnen het MKB voorkomen door het gebruik van Ransomware-as-a-service.2 De meer gerichte aanvallen zien op grote organisaties, waarbij maatwerk wordt verricht om tot maximaal financieel gewin te komen.3 Over de hoeveelheid ransomware-aanvallen in Nederland en de schade die deze aanvallen veroorzaken zijn weinig kwantitatieve gegevens beschikbaar. Het beeld, ook op basis van mediaberichtgeving, is dat het aantal aanvallen toeneemt en dat ook de hoogte van het geëiste losgeld toeneemt. De politie geeft aan dat zij jaarlijks rond de 200 aangiftes van ransomware ontvangt. De aangiftebereidheid bij cybercrimedelicten is echter laag, wat met name geldt voor ransomware. Het aantal aangiften is daarom geen goede weerspiegeling van de omvang van de problematiek. Ransomware-aanvallen kunnen grote maatschappelijke en economische impact hebben. Het Cybersecuritybeeld Nederland (CSBN) 2021 stelt dat ransomware een risico vormt voor de nationale veiligheid. Indien uw Kamer verzoekt om een technische briefing kan daarin worden voorzien.
Voor meer inzicht in de acties van de politie omtrent het delen van de lijst met hosting-resellers verwijs ik u naar de beantwoording van de Kamervragen van het lid Rajkowski over hetzelfde artikel.4 Naar aanleiding van deze beantwoording heeft DCC laten weten dat een aantal leden met bepaalde klanten geen zaken meer doet.5
Kunt u uiteenzetten hoe deze criminelen precies te werk (kunnen) gaan? Welke mogelijkheden zijn er op dit moment om deze specifieke vorm van cybercriminaliteit te verhinderen c.q. aan te pakken? Hoe vaak worden de internetcriminelen in kwestie en hun helpers opgespoord, aangehouden en vervolgd? Zijn er factoren die dit bemoeilijken? Wilt u een overzicht geven van alle wet- en regelgeving die hier van toepassing is? Wat zijn thans belemmeringen, zowel nationaal als Europees of internationaal, om dergelijke cyberaanvallen effectief te bestrijden, zoals juridische obstakels, een gebrek aan samenwerking of capaciteitsproblemen? Welke partijen, in binnen- en buitenland, zijn nodig om dit probleem te helpen aanpakken? Hoe verloopt nu de samenwerking tussen deze partijen?
In het Cybersecurity Beeld Nederland (CSBN) 2021 zijn de verschillende fasen in het delictsproces van ransomware beschreven. Kortweg bestaat een ransomware-aanval uit het verkrijgen van initiële toegang tot een ICT-netwerk, het consolideren van de positie, het wegsluizen van informatie, het inzetten van ransomware en de financiële afhandeling. In het CSBN 2021 wordt hier dieper op ingegaan.6 Het effectief tegengaan van ransomware vraagt meerdere soorten maatregelen. Zo is het belangrijk om ransomware te voorkomen, doordat bedrijven en organisaties de juiste preventieve maatregelen nemen. Zie hiervoor ook vraag 5. Daarnaast heeft de politie de Ransomware Taskforce opgericht, die proactief onderzoek doet naar het hele criminele ecosysteem rondom ransomware. Het doel is om schade en slachtoffers te voorkomen, het criminele proces te verstoren en daders op te sporen.
Het opsporen van verdachten van cybercrime is echter complex, zie hierover ook de brief die eerder naar uw Kamer is gestuurd over de dilemma’s die de politie en het OM tegenkomen bij opsporing in het digitale domein.7 Daders hoeven zich niet in Nederland te bevinden, verdachten kunnen met technische mogelijkheden hun identiteit en locatie gemakkelijk afschermen en het internet is grenzeloos. Internationale samenwerking is daarom belangrijk, hetgeen ook blijkt uit de internationale actie waarbij een ransomware-bende is opgepakt.8 De politie neemt onder andere deel in de Joint Cybercrime Action Taskforce van Europol. Om de grensoverschrijdende opsporing in het digitale domein te versterken heeft Nederland de afgelopen jaren actief deelgenomen aan de gesprekken over de E-Evidence verordening van de EU en over het tweede protocol bij het Cybercrimeverdrag in het kader van de Raad van Europa. Het concept protocol is goedgekeurd in 2021. Na goedkeuring op politiek niveau en ratificatie zal snellere en meer efficiënte samenwerking in opsporingsonderzoeken mogelijk zijn.
Zoals eerder vermeld in de beantwoording van Kamervragen van het lid Van Raak, is het niet bekend hoeveel veroordelingen voor ransomware er precies zijn geweest.9 Ransomware aanvallen zijn niet onder één specifiek wetsartikel te scharen en worden niet als zodanig geregistreerd door het OM en de Raad voor de rechtspraak. Ook gaat het vaak om buitenlandse daders.
Klopt het dat cybercriminelen hun illegale activiteiten graag via Nederland ontplooien vanwege de goede digitale infrastructuur hier? Welke (nationale) maatregelen gaat u nemen om van deze status af te komen? Staat dit onderwerp ook op de Europese agenda? Bent u bereid het bij de eerstvolgende gelegenheid (weer) te agenderen?
Nederlandse hostingdiensten worden inderdaad misbruikt voor het plegen van cybercrime en andere vormen van online criminaliteit, via malafide hostingbedrijven, maar ook via hostingbedrijven die zich daar niet van bewust zijn. De hostingsector heeft daarom zelf een gedragscode «abuse-bestrijding» ontwikkeld, die als doel heeft het schoon en veilig houden van het Nederlandse internet. Hierin is ook opgenomen dat hosters hun klanten kennen. Verder deelt het Clean Networks Initiatief10 onder deelnemers geautomatiseerd actuele informatie over kwetsbaarheden en misbruik in de systemen van alle deelnemers, geprioriteerd op basis van urgentie en impact. Daarnaast is in 2020 het Anti Abuse Netwerk (AAN) opgericht. Deze coalitie van publieke en private partijen zet zich in voor de bestrijding van misbruik van de technische infrastructuur. Tot slot richten het OM en de politie zich binnen de opsporingsonderzoeken die zij uitvoeren onder meer op hostingbedrijven die bewust criminaliteit faciliteren. Echter, hostingproviders zijn op basis van de huidige wet- en regelgeving onder voorwaarden niet strafrechtelijk aansprakelijk voor hetgeen zich op hun netwerken bevindt. Zie hiervoor ook de beantwoording van eerdere Kamervragen van het lid Van Nispen.11
In EU-verband is de triloog-fase van de Digital Services Act begonnen. Deze conceptverordening dient onder meer ter vernieuwing van de huidige E-Commerce richtlijn. In het voorstel worden hostingaanbieders onder andere verplicht een toegankelijk notificatie-mechanisme in te stellen waarbij illegale inhoud gemeld kan worden en wordt verduidelijkt dat hostingproviders hun beperking van aansprakelijkheid kunnen verliezen wanneer zij na een melding van illegale inhoud deze niet prompt verwijderen of ontoegankelijk maken. Het kabinet steunt de invoering van deze maatregelen.
Het belang van een schoon en veilig internet en de rol die tussenpersonen zoals hostingproviders hierin spelen, is groot en zal steeds in EU-verband benadrukt worden.
Op welke wijze(n) staat u bedrijven en overheden bij om weerbaar te worden tegen cybercriminaliteit en wordt ondersteuning en nazorg geboden als zich een aanval heeft voorgedaan? Hoe is geborgd dat uit iedere (poging tot een) cyberaanval lessen worden getrokken om volgende aanvallen te voorkomen c.q. af te slaan? Waar is bij bedrijven en overheden behoefte aan? Indien u dit niet weet, wilt u dit nagaan via bijvoorbeeld een uitvraag bij de VNG of ondernemersorganisaties?
Het is wenselijk om slachtofferschap van cybercriminaliteit, zoals ransomware-aanvallen, bij bedrijven te voorkomen. Bedrijven zijn verantwoordelijk voor hun eigen cybersecurity en moeten hiervoor de juiste maatregelen treffen. De overheid kan daarbij ondersteuning bieden. Daarom biedt het Digital Trust Center (DTC) van het Ministerie van EZK verschillende kennisproducten aan om de cyberweerbaarheid van bedrijven te vergroten. Deze bevatten adviezen voor ondernemers om besmetting met ransomware te voorkomen en adequaat te reageren als het toch gebeurt. Het DTC biedt ook een basisscan aan, zodat bedrijven hun cyberweerbaarheid kunnen testen. Met het delen van verhalen van ondernemers die slachtoffer zijn geworden van ransomware probeert het DTC bedrijven en ondernemers te wijzen op de risico’s. Ook is het DTC begonnen met het waarschuwen van individuele bedrijven bij ernstige cyberdreigingen. Inmiddels zijn er al meer dan 300 bedrijven gewaarschuwd.
Het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) informeert organisaties in de vitale sectoren en de rijksoverheid proactief over digitale dreigingen en levert hen bijstand bij incidenten. Ook deelt het NCSC informatie over digitale dreigingen en incidenten via aangewezen schakelorganisaties in het Landelijk Dekkend Stelsel van cybersecuritysamenwerkingsverbanden. Het NCSC werkt bovendien samen met vitale én niet-vitale organisaties die kunnen bijdragen aan het versterken van het actuele situationeel beeld, onder andere op het gebied van ransomware dreigingen. Zo wordt er samengewerkt met securityleveranciers, multinationals en onderzoekers zoals het Dutch Institute for Vulnerability Disclosure (DIVD). In dit kader werken het DTC en het NCSC nauw samen.
De moties Ephraim12 en Hermans13 verzoeken de regering om te komen met een voorlichtingsplan voor ondernemers ten aanzien van de risico's van cybercrime en concrete maatregelen om ondernemers beter te beschermen tegen digitale dreigingen en cybercriminelen. Bij de uitvoering van deze moties worden de behoeften die er op dit vlak bij organisaties zijn meegenomen.
Het Ministerie van BZK ziet het als haar taak kaderstellend, ondersteunend, en waar nodig aanjagend te zijn naar alle overheidslagen. Daartoe stelt het Ministerie van BZK randvoorwaarden op, zoals met de Baseline Informatieveiligheid Overheid (BIO). De BIO geldt overheidsbreed als het minimumkader voor informatieveiligheid. De individuele overheidsorganisaties moeten hun informatiebeveiliging primair zelf op orde hebben en houden, waarbij zij ondersteund worden door hun koepelorganisaties. Zo ondersteunt de VNG gemeentebestuurders met de Agenda Digitale Veiligheid. Begin 2021 werd de Resolutie Digitale Veiligheid 14 vastgesteld, waaraan gemeenten zich gecommitteerd hebben. Hierin wordt de noodzaak onderstreept dat gemeenten hun digitale weerbaarheid versterken. Daarnaast worden gemeenten ondersteund door de Informatiebeveiligingsdienst (IBD), die actuele producten en diensten ter ondersteuning van de BIO aanbiedt en het programma Verhogen Digitale Weerbaarheid verzorgt. Ook is de IBD de sectorale CERT/CSIRT15 voor Nederlandse gemeenten, die crisismanagementteams ondersteunt in het geval van incidenten. Het Ministerie van BZK werkt hierbij samen met de VNG en de IBD.
Ook ondersteunt het Ministerie van BZK het delen van informatie met alle overheden via een bijdrage aan het Centrum voor Informatiebeveiliging en Privacybescherming (CIP).16 Zie hiervoor ook de beantwoording van schriftelijke vragen van het lid Kathmann.17 Verder wordt jaarlijks in oktober–de maand van cybersecurity- de overheidsbrede cyberoefening georganiseerd.18 Deze oefening, die is bedoeld voor Rijks- en uitvoeringsorganisaties, provincies, gemeenten en waterschappen en laat zich ieder jaar inspireren door recente en actuele dreigingen en cyberaanvallen. Naast deze oefening zijn er webinars, die men ook kan terugkijken.19 Speciaal voor gemeenten zijn een drietal cyberoefenpakketten ontwikkeld door het Instituut voor Veiligheids- en Crisismanagement. Deze zijn online raadpleegbaar en gratis af te nemen voor alle gemeenten.20
Tot slot bevat de I-strategie 2021 – 2025 voor de rijksoverheid een stevige inzet op het thema digitale weerbaarheid, die ook de weerbaarheid tegen ransomware zal verhogen, onder meer via kennisproducten. De bijbehorende roadmap wordt voor de zomer aan uw Kamer gestuurd door de Staatssecretaris van BZK.
Kunt u per volgende afspraak uit het coalitieakkoord Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de toekomst aangeven hoe en op welke termijn het kabinet hier uitwerking aan gaat geven (pag.2?
Het coalitieakkoord wordt nog uitgewerkt. De hoofdlijnenbrief Justitie en Veiligheid van 9 februari jl. toont een eerste overzicht van de maatregelen die voortvloeien uit het coalitieakkoord.22 Sinds 2018 is de Kamer jaarlijks geïnformeerd over de integrale aanpak van cybercrime.23 Deze aanpak bestaat uit vier pijlers, namelijk preventie, slachtofferondersteuning, wetenschappelijk onderzoek en opsporing, vervolging en verstoring. De mate waarin het beleid en de strafrechtsketen kan worden versterkt om cybercriminaliteit, waaronder ransomware, aan te pakken, is mede afhankelijk van de uitkomst van de uitwerking van het coalitieakkoord en het beschikbaar komen van middelen voor cybercrime.
Ten aanzien van de slagkracht van de inlichtingendiensten verwijs ik naar de brief van 24 februari 2022 van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan uw Kamer over de impact van het coalitieakkoord en de stand van zaken wijziging Wiv 2017.
Tot slot zet de hoofdlijnenbrief digitalisering24 van 8 maart jl. van de Staatssecretaris voor Koninkrijksrelaties en Digitalisering, de Minister van Justitie en Veiligheid, de Minister van Economische Zaken en Klimaat en de Minister voor Rechtsbescherming de ambities en doelen uiteen voor de digitale transitie van onze samenleving. Dit gebeurt langs vier thema’s, te weten: het digitale fundament, de digitale overheid, de digitale samenleving en de digitale economie. Deze brief benoemt ook de inzet op Europees verband op het gebied van digitalisering, zoals AI en digitale identiteit. De hoofdlijnenbrief is het startpunt voor de kabinetsbrede werkagenda digitalisering. Deze wordt de komende maanden geconcretiseerd met alle betrokken departementen, belanghebbenden uit de samenleving, wetenschap en bedrijfsleven, en medeoverheden. Ook wordt deze besproken met Europese partners.
Belangenbehartigers die betalen voor cliëntgegevens om zaken binnen te halen. |
|
Ulysse Ellian (VVD), Michiel van Nispen (SP) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de praktijk van belangenbehartigers die gegevens van slachtoffers kopen om zaken binnen te halen?1
Ja.
Bent u het ermee eens dat een zaak moet gaan naar degene die de belangen van het slachtoffer zo optimaal mogelijk behartigt en niet naar de degene die het hoogste bedrag biedt om de zaak te krijgen? Zo nee, waarom niet?
Ja, het is belangrijk dat vraag en aanbod van (juridische) diensten op een goede wijze bij elkaar worden gebracht.
Waarom is het toegestaan voor bijvoorbeeld assurantietussenpersonen om gegevens van slachtoffers te verkopen aan belangenbehartigers? In welk opzicht heeft een slachtoffer baat bij dat dit is toegestaan?
Slachtoffers van letselschade krijgen ongewild te maken met allerlei regels en procedures. Omwille van het op goede wijze bij elkaar brengen van vraag en aanbod van (juridische) diensten, onder meer via bemiddelingswebsites, is het onder omstandigheden mogelijk dat een beloning wordt toegekend of ontvangen voor het verkrijgen of doorverwijzen van opdrachten. Uitgangspunt hierbij is dat een letselschadeslachtoffer een vrije keuze heeft en uiteindelijk terecht komt bij de voor hem of haar meest geschikte belangenbehartiger. Zie voor wat de betreft de geldende norm- en regelgeving hierbij de beantwoording van vraag 4. Het kan in bepaalde gevallen mogelijk ook zo zijn dat de doorverwijzer bepaalde werkzaamheden verricht waarop de betaling ziet. Bij het verkopen van gegevens van slachtoffers dient wel te worden voldaan aan de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Dit betekent dat er een rechtsgrondslag moet zijn om de gegevens te verstrekken. In casuïstiek als deze is in beginsel toestemming van het slachtoffer de aangewezen grondslag.
Wat gaat u doen om het betalen van derden voor het verstrekken van persoonsgegevens van slachtoffers om daarmee zaken te verwerven aan banden te leggen? Wat vindt u van een provisieverbod bij letselschadezaken en bent u bereid dat te overwegen?
Er zijn verschillende beroepsgroepen die optreden als belangenbehartiger in letselschade zaken. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om advocaten en assurantietussenpersonen. Advocaten mogen onder voorwaarden een beloning toekennen of ontvangen voor het verkrijgen of doorverwijzen van opdrachten. Advocaten zijn onderworpen aan toezicht en tuchtrecht en kunnen ter verantwoording worden geroepen als zij beroeps- en gedragsregels niet naleven. In het algemeen geldt dat de beschermde positie van de rechtzoekende (vrije advocaatkeuze) niet mag worden uitgehold, er geen verstrengeling van financiële belangen mag plaatsvinden (strijd met o.a. onafhankelijkheid), derden mogen geen belang krijgen bij de uitkomst van de zaak (strijd met o.a. partijdigheid, belangenverstrengeling), en de cliënt moet zicht hebben op wat er met de zaak gebeurt (strijd met o.a. integriteit). Op assurantietussenpersonen rust een wettelijke zorgplicht (ex artikel 7:401 BW). Een tussenpersoon moet handelen als een «redelijk bekwaam en handelend tussenpersoon». Daarnaast volgen uit de Wet Financieel Toezicht (Wft) specifieke publiekrechtelijke normen, zoals informatieverplichtingen. Op grond van de Wft zijn tussenpersonen verplicht om voldoende en juiste informatie te geven. De Autoriteit Financiële Markten (AFM) kan handhavend optreden bij schending van dergelijke normen. Wanneer bovendien sprake is van evidente misstanden kan de AFM ingrijpen op grond van art. 4:24a Wft. Op grond van dit artikel dienen financiële dienstverleners op zorgvuldige wijze de gerechtvaardigde belangen van de consument of begunstigde in acht te nemen en te adviseren en handelen in het belang van de consument of begunstigde.
Het is voor personen met letselschade van groot belang dat zij zich tot dienstverleners kunnen richten, die werken volgens afgesproken kwaliteitsstandaarden. De professionals uit de branche zijn verenigd in De Letselschade Raad (DLR). DLR heeft het Nationaal Keurmerk Letselschade (NKL) in het leven geroepen. Het NKL is een overkoepelend kwaliteitskeurmerk voor alle professionals werkzaam in de letselschadebranche. De organisaties die gezamenlijk DLR vormen, nemen unaniem afstand van het betalen voor dossiers als methode om nieuwe letselschadezaken te verkrijgen. In het NKL staan alleen partijen die zich houden aan strikte regels die de bescherming van slachtoffers voorop stellen. Hier wordt vanuit het NKL op toegezien. Voor slachtoffers dient het NKL dan ook als een waarborg voor kwalitatief goede bijstand, door ervaren beroepsbeoefenaars. Het NKL stelt slachtoffers zo in staat om geïnformeerd een keuze te maken voor professionele dienstverlening. Vanuit DLR wordt gewerkt aan brede bekendheid van het NKL.
De bestaande norm- en regelgeving bieden voldoende adequaat bescherming aan slachtoffers met letselschade tegen malafide praktijken, waardoor een provisieverbod wat mij betreft nu niet aan de orde is.
Het stopzetten van de succesvolle gedragsinterventie “sport en gedrag” |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u het eens dat de gedragsinterventie «Sport en Gedrag» van de KNVB/HALT tot goede resultaten leidt voor zowel de betrokken jongeren, de sport als de samenleving in brede zin?
Zowel van de KNVB als van Halt hoor ik hierover positieve verhalen. Doordat voetbal de doelgroep van deze interventie aanspreekt, vormt de trainingen Sport en Gedrag een aangrijpingspunt om met hen in gesprek te gaan over hun gedrag op, maar ook buiten het voetbalveld. Hierdoor kunnen deze jongeren zich competenties en vaardigheden eigen maken die zij op het voetbalveld, maar ook daarbuiten kunnen toepassen.
Klopt het dat de huidige financiering vanuit het Ministerie van VWS voor deze gedragsinterventie per 31 december 2022 afloopt? Zo ja, waarom wordt de financiering vanuit het ministerie stopgezet? Klopt het dat u zich op het standpunt stelt dat sportverenigingen zelf de portemonnee maar moeten gaan trekken als ze deze interventie willen voortzetten?
Voor deze gedragsinterventies is een projectsubsidie verleend die loopt tot eind 2022. Zowel Halt als de KNVB heb ik gevraagd na te denken over een duurzaam voortbestaan van de gedragsinterventies zonder structurele subsidie van VWS. Daarover ben ik nog steeds met beide partijen in gesprek. Voor een besluit over de financiering na 2022 is het daarom nu nog te vroeg.
Bent u het er mee eens dat er juist een rol zou moeten zijn voor de overheid om ongewenst gedrag in de sport door jongeren tegen te gaan? Zo ja, hoe gaat u hier na 31 december 2022 invulling aan geven?
Ik ondersteun de sportsector op verschillende manieren om een positieve sportcultuur te stimuleren en om ongewenst gedrag in de sport tegen te gaan. Momenteel gebeurt dat bijvoorbeeld met het Nationaal Sportakkoord en in het bijzonder het deelakkoord «Positieve Sportcultuur» waar ook de trainingen Sport en Gedrag onderdeel van uit maken. Ook na 2022 zal ik aandacht blijven besteden aan een veilige sport en een positieve sportcultuur.
Bent u het er mee eens dat genoemde interventie een erkende methode en een effectief middel is om jongeren op het rechte pad te houden en dat een verlenging van de «Sport en Gedrag»-interventie dan ook goed zou zijn in het kader van de preventieve aanpak in het voorkomen van zwaardere criminaliteit?
De interventie is door het NJI aangemerkt als «Goed onderbouwd». Dit houdt in dat de theoretische onderbouwing de werkzaamheid van de interventie aannemelijk maakt. Het doel van de interventie is om jongeren inzicht te laten krijgen in de gevolgen van hun gedrag en in gedragsalternatieven voor pro sociaal gedrag, om zo te voorkomen dat herhaling en/of verergering van dit gedrag plaatsvindt. Er is nog geen duidelijkheid over het effect van deze interventie, niet op de korte en ook niet op de langere termijn. Er is dan ook geen beeld van het effect van deze interventie op het voorkomen van zwaardere criminaliteit.
Ziet u mogelijkheden om de gedragsinterventie onderdeel te laten worden van de reguliere taken van HALT en daarmee structureel te laten financieren door bijvoorbeeld het Ministerie van Justitie en Veiligheid? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 2 ben ik nog in gesprek met Halt en de KNVB over een duurzaam voortbestaan van de gedragsinterventies zonder structurele subsidie van VWS.
De justitiële taak van Halt vloeit voort uit artikel 77e van het Wetboek van Strafrecht. De politie en het OM kunnen op basis van deze bevoegdheid een zaak naar Halt verwijzen. Aangezien in de zaken die in aanmerking komen voor de training Sport en gedrag geen aangifte is gedaan, waardoor die niet bij de politie komen, vallen deze zaken niet onder de justitiële taak van Halt.
Bent u bereid te kijken of de HALT-interventie tevens breder ingezet zou kunnen worden in de sportwereld en op verschillende onderwerpen, zoals geweld, discriminatie en grensoverschrijdend gedrag?
De trainingen Sport en Gedrag zijn reeds opgenomen in het algemeen tuchtrecht van het Instituut Sport Rechtspraak (ISR). Daarnaast is Halt in gesprek met andere bonden om de interventie onderdeel te laten uitmaken van hun tuchtrecht. De training Sport en Gedrag worden aangeboden wanneer er sprake is van lichte vormen van direct en indirect agressief gedrag, zoals slaan, spugen, uitschelden, of verbale bedreiging. Ook bij racistische of discriminerende uitingen kan een training Sport en Gedrag worden aangeboden.
Bent u bereid de financiering voor de gedragsinterventie ook na 31 december 2022 te continueren? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 2.
Het bericht ‘Criminelen gebruiken foute hostingbedrijven voor activiteiten vanuit Nederland’. |
|
Queeny Rajkowski (VVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Criminelen gebruiken foute hostingbedrijven voor activiteiten vanuit Nederland»?1
Ja.
In november waarschuwde de politie al voor 70 mogelijk malafide bedrijven die serverruimte doorverhuren aan criminelen, waar komen deze malafide bedrijven vandaan? Welke acties zijn daarna ondernomen tegen deze malafide bedrijven?
De politie geeft aan dat het om buitenlandse bedrijven gaat die gebruik maken van de Nederlandse infrastructuur. Bedrijven die serverruimte doorverhuren worden «resellers» genoemd. Deze resellers huren serverruimte van een in Nederland gevestigde hostingprovider, waarna ze deze doorverhuren aan een klant. Deze klanten kunnen personen zijn die een reguliere website willen laten draaien, maar dit kunnen ook cybercriminelen zijn die de zich in Nederland bevindende server misbruiken voor strafbare feiten. Op basis van openbaar toegankelijke informatie, zoals bepaalde internetfora, heeft de politie een lijst opgesteld van resellers die vaak laten doorschemeren of openlijk toegeven dat zij diensten leveren aan criminelen. Deze lijst is gedeeld met de leden van de brancheorganisatie van hostingproviders, de Dutch Cloud Community (DCC). Aan hen is gevraagd of zij deze resellers in hun klantenbestand hebben. Het is aan deze hostingproviders om eventueel actie te ondernemen op basis van deze lijst.
Welke acties hebben hostingbedrijven uitgevoerd nadat de politie deze waarschuwing heeft verstuurd? Heeft de politie contact gehouden met de hostingbedrijven om te checken of hostingbedrijven wat met deze waarschuwing hebben gedaan?
De politie heeft DCC gevraagd naar hun ervaring met deze actie. DCC heeft aangegeven dat zij en haar leden overwegend positief zijn, met name over het feit dat de politie een dergelijke lijst heeft opgesteld en als waarschuwing heeft gedeeld. De hostingproviders hebben geen mededelingen gedaan over het al dan niet handelen naar aanleiding van de lijst.
Zijn de tientallen criminele activiteiten die afgelopen maanden via de netwerken van bedrijven zijn ondernomen, zoals blijkt uit het onderzoek van Pointer en Spamhaus, bekend bij de politie? Zo ja, welke acties zijn hiertegen ondernomen?
Het feit dat misbruik wordt gemaakt van de Nederlandse infrastructuur is al langere tijd bekend bij de politie. De politie richt zicht binnen de opsporingsonderzoeken die zij uitvoeren onder meer op hostingbedrijven die bewust criminaliteit faciliteren. Daarop zijn reeds meerdere strafzaken gestart. Zoals ook in de beantwoording van Kamervragen van het lid Van Nispen2 is aangegeven, is het strafrechtelijk vervolgen van hostingproviders lastig. Het opsporen en vervolgen van buitenlandse resellers is mogelijk nog complexer indien hiervoor samenwerking nodig is met een land waarmee Nederland geen of geen goede rechtshulprelatie heeft. De politie en het OM werken daarom niet alleen aan opsporing en vervolging, maar bijvoorbeeld ook aan slachtoffernotificatie en samenwerking met private partijen om de criminele activiteiten te verstoren.
Om wat voor type criminele activiteiten gaat het in deze gevallen? Kunt u een inschatting maken van de schade die is toegebracht door de criminelen?
De politie geeft aan dat de resellers verschillende typen cyberdelicten faciliteren, zoals computervredebreuk, phishing-campagnes en ransomware-aanvallen. Vanwege het ontbreken van kwantitatieve gegevens en de lage aangiftebereidheid van cybercrimedelicten is een betrouwbare inschatting van de schade niet beschikbaar.
Op welke manier werken hostingbedrijven en de politie samen om dit soort praktijken te voorkomen? Kan deze samenwerking verstevigd worden? Is het op een directe, dan wel indirecte manier mogelijk om hostingbedrijven aansprakelijk te stellen voor het verhuren van serverruimte aan malafide bedrijven?
De politie is deelnemer aan het Anti Abuse Netwerk (AAN). Deze coalitie van publieke en private partijen zet zich in voor de bestrijding van misbruik van de technische infrastructuur. Daarnaast wordt in individuele opsporingsonderzoeken waar nodig in contact getreden met hostingproviders.
In de huidige situatie zijn hostingproviders op grond van Europese regelgeving en de Nederlandse implementatie daarvan onder voorwaarden niet aansprakelijk voor de gedragingen van hun klanten, waaronder (klanten van) resellers. De beperking van aansprakelijkheid voor hostingproviders die wordt geregeld in artikel 14 van de E-Commerce-richtlijn, is geïmplementeerd in artikel 54a Sr. Artikel 54a Sr stelt dat hostingproviders in beginsel niet vervolgd kunnen worden vanwege wederrechtelijk materiaal dat door klanten op hun servers wordt geplaatst, indien zij doen wat redelijkerwijs van hen gevergd kan worden wanneer ze op bevel van de officier van justitie (125p Sv) gegevens ontoegankelijk moeten maken. Een bevel om een dienst ontoegankelijk te maken is gericht op individuele inhoud en niet op de hostingprovider als zodanig. Het voorkomt niet dat een hostingprovider opnieuw (dezelfde) klanten toelaat die wederrechtelijk materiaal plaatsen op de servers van de hostingproviders.
Bent u het ermee eens dat het niet uit te leggen is dat via Nederlandse servers buitenlandse criminelen makkelijk hun gang kunnen gaan om vervolgens ernstige criminele activiteiten te plegen? Op welke manier kunt u ervoor zorgen dat malafide bedrijven minder kans krijgen om serverruimte van Nederlandse hostingbedrijven te kopen?
Het is belangrijk om ervoor te zorgen dat het Nederlandse netwerk veilig is en niet misbruikt wordt door criminelen. Momenteel is in EU-verband de triloog-fase van de Digital Services Act begonnen. Deze verordening dient onder meer ter vernieuwing van de huidige E-Commerce richtlijn. In het voorstel worden hostingaanbieders onder andere verplicht een toegankelijk notificatie-mechanisme in te stellen waarbij illegale inhoud gemeld kan worden en wordt verduidelijkt dat hostingproviders hun beperking van aansprakelijkheid kunnen verliezen wanneer zij na een melding van illegale inhoud deze niet prompt verwijderen of ontoegankelijk maken. Het kabinet steunt de invoering van deze maatregelen.
De hostingsector heeft zelf reeds initiatieven ontplooid om het misbruik van Nederlandse netwerken tegen te gaan, zoals het eerdergenoemde Anti-Abuse Netwerk. Daarnaast heeft de hostingsector zelf een gedragscode «abuse-bestrijding» ontwikkeld, die als doel heeft het schoon en veilig houden van het Nederlandse internet. Hierin is ook opgenomen dat hosters hun klanten kennen. Verder deelt het Clean Networks Initiatief3 onder deelnemers geautomatiseerd actuele informatie over kwetsbaarheden en misbruik in de systemen van alle deelnemers, geprioriteerd op basis van urgentie en impact.
Het bericht ‘Ziekenhuizen kwetsbaar voor cyberaanval: Wachten totdat het misgaat’ |
|
Judith Tielen (VVD), Queeny Rajkowski (VVD) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ziekenhuizen kwetsbaar voor cyberaanval: Wachten totdat het misgaat» van 26 januari jongstleden?1
Ja.
Deelt u de zorgen bij het lezen van de constatering van beveiligingsexperts dat Nederlandse ziekenhuizen nog altijd kwetsbaar zijn voor cyberaanvallen? Zo nee, wat is dan uw oordeel over deze constatering?
Ik deel de zorgen dat er een toename is aan veiligheidsdreigingen voor zorginstellingen door een toename van cyberaanvallen. Tegelijkertijd kunnen cyberaanvallen nooit helemaal worden voorkomen. Informatiebeveiliging vraagt daarmee continue aandacht om de beschikbaarheid, integriteit en vertrouwelijkheid van (patiënt)informatie te waarborgen. Zorgaanbieders, zoals ziekenhuizen, moeten daar alert op zijn. Zij zijn verantwoordelijk voor het op orde hebben en houden van hun informatiebeveiliging. Onderdeel daarvan is het voldoen aan de wettelijk verplichte NEN 7510-norm die de kaders stelt om beschikbaarheid, integriteit en vertrouwelijkheid van medische gegevens te borgen. Daarnaast worden ziekenhuizen ondersteund door Z-CERT (het Computer Emergency Response Team voor de zorg) bij (dreigende) cyberincidenten en bij het vergroten van hun digitale weerbaarheid. Er zijn de laatste jaren door de ziekenhuizen al grote stappen gezet op het gebied van informatiebeveiliging, waaronder ook het aantoonbaar voldoen aan de NEN 7510. Dit komt ook naar voren in het recent gepubliceerd inspectierapport van de Inspectie Gezondheidzorg en Jeugd (IGJ) bij ziekenhuizen2. Ziekenhuizen die op het moment van het inspectiebezoek hun informatiebeveiliging niet op orde hadden, hebben na het inspectiebezoek beveiligingsmaatregelen genomen waaronder het aantoonbaar voldoen aan de NEN7510 norm.
Hoeveel Nederlandse ziekenhuizen en andere zorginstellingen zijn in 2021 geraakt door cyberaanvallen, en hoeveel in 2020 en 2019? Om welk type cyberaanvallen ging het in die gevallen? In hoeveel gevallen is de continuïteit van zorg in gevaar gekomen als gevolg van een cyberaanval?
Cybercrime en het aantal cyberincidenten nemen in rap tempo toe. Het is niet bekend hoeveel zorginstellingen in 2021, 2020 en 2019 precies geraakt zijn door cyberaanvallen. Daarvan is geen meldingsplicht. Wel heeft Z-CERT op mijn verzoek gemeld dat er in de afgelopen drie jaar ruim 1300 hulpverzoeken en (cyber)incidenten zijn gemeld bij Z-CERT. Met name in 2021 is het aantal meldingen fors gestegen. Dit komt mede omdat er in 2021 een grote groep nieuwe deelnemers is aangesloten. Onder andere meldden in 2021 vijf zorginstellingen te zijn geraakt door een ransomware-aanval, vier meer dan in 2020 aldus Z-CERT in haar recent gepubliceerde «Cyber Dreigingsbeeld in de zorg 2021»3. In 2019 werden 176 en in 2020 182 hulpverzoeken gemeld bij Z-CERT.
Deelt u de mening dat het zorgelijk is dat beveiligingsexperts constateren dat de zorgsector qua digitale beveiliging achterloopt op andere sectoren? Hoe beoordeelt u dit in het licht van het vitale karakter van zorgprocessen?
De beveiliging en beschikbaarheid van ICT in de zorg verdienen blijvend aandacht. Mijn beleid focust zich op het verhogen van bewustwording van de noodzaak tot beveiliging van de gevoelige persoonsgegevens die juist in de gezondheidszorg zo’n grote rol spelen. Ik herken mij niet in het beeld dat de zorgsector achter zou lopen op andere sectoren als het gaat om digitale weerbaarheid. Er zijn de laatste jaren door de ziekenhuizen en andere zorginstellingen grote stappen gezet op het gebied van informatiebeveiliging, waaronder het verhogen van cyberbewustwording, het (collectief) aansluiten bij Z-CERT en ook het aantoonbaar voldoen aan de wettelijk verplichte NEN 7510.
Klopt het dat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) in 2021 al concludeerde dat de informatiebeveiliging van de meeste ziekenhuizen niet voldoet aan de gestelde eisen? Zo ja, welke consequenties zijn er voor ziekenhuizen die hier niet aan voldoen? Zijn sinds de conclusie van de Inspectie stappen gezet om de informatiebeveiliging van deze ziekenhuizen op het juiste niveau te krijgen? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Het artikel van Nu.nl refereert aan een publicatie van de IGJ van december 2021 over het toezicht op e-health bij 22 ziekenhuizen («Professionele digitale zorg vraagt van ziekenhuizen steeds opnieuw evalueren en verbeteren»). De inspectiebezoeken vonden plaats in de periode tussen september 2017 en oktober 2021. Hierbij keek de inspectie onder andere naar het thema informatiebeveiliging: ziekenhuizen moeten een managementsysteem voor informatiebeveiliging hebben dat voldoet aan de wettelijk verplichte norm NEN 7510. Een onderdeel van deze norm is dat een onafhankelijke beoordeling van het managementsysteem voor informatiebeveiliging aanwezig moet zijn. Bij meer dan de helft van de bezochte ziekenhuizen bleek dit op het moment van het inspectiebezoek niet het geval. De ziekenhuizen die onvoldoende konden aantonen dat zij voldeden aan de norm, kregen de opdracht van de inspectie om dit alsnog aan te tonen. Dit betekende in de praktijk dat de meeste van deze ziekenhuizen alsnog een onafhankelijke beoordeling moesten laten uitvoeren en zo nodig naar aanleiding van de uitkomsten een verbeterplan moesten doorvoeren.
De desbetreffende ziekenhuizen gaven hieraan gehoor. Bij acht ziekenhuizen heeft dit er vervolgens toe geleid dat zij een (niet wettelijk verplicht) certificaat hebben behaald voor NEN 7510. Uit de publicatie van de IGJ van december 2021 kunnen geen conclusies worden getrokken over de ziekenhuizen die niet zijn bezocht. In de publicatie van de inspectie roept de inspectie alle ziekenhuizen op om hun informatiebeveiliging snel aantoonbaar op orde te krijgen voor zover dat nu nog niet het geval is. De inspectie zal ook andere ziekenhuizen hierop in de toekomst aanspreken als bij een thematisch bezoek blijkt dat de informatiebeveiliging niet aantoonbaar voldoet aan de norm.
Welke maatregelen nemen ziekenhuizen al dan niet in samenwerking met Z-CERT, om cyberaanvallen te voorkomen? In hoeverre wordt bijvoorbeeld geoefend met Z-CERT op cyberincidenten? In hoeverre wordt de Kwetsbaarheden Analyse Tool (KAT) al ingezet binnen de zorgsector om doorlopend te scannen op kwetsbaarheden?
In de afgelopen jaren hebben ziekenhuizen extra beveiligingsmaatregelen getroffen om de toenemende cyberdreiging het hoofd te bieden. De wettelijk verplichte NEN 7510 norm biedt hiervoor een goed kader. Ook zien we dat steeds meer ziekenhuizen zich laten certificeren tegen deze NEN norm. Met onder meer de publicatie van richtlijnen ter voorkoming van ransomware en met het organiseren van webinars draagt Z-CERT bij aan het vergroten van het bewustzijn en het treffen van adequate maatregelen. Z-CERT informeert en adviseert ziekenhuizen dagelijks over dreigingen en incidenten met betrekking tot hun zorginformatiesystemen. Ook helpt Z-CERT-ziekenhuizen zich voor te bereiden op (en om te gaan met) ernstige ICT-incidenten of ICT-crises. Deze inspanningen dragen bij aan het voorkomen van cyberincidenten. In samenwerking met een aantal ziekenhuizen voert Z-CERT op beperkte schaal al cyberoefeningen uit. Het voornemens is om in de komende jaren verder te investeren in het organiseren van cyberoefeningen bij ziekenhuizen en andere deelnemers van Z-CERT. Dat ondersteun ik.
De Kwetsbaarheden Analyse Tool (KAT) wordt op dit moment specifiek toegepast in het zorgdomein. Thans loopt er een project bij Z-CERT om deze dienst in te richten en te operationaliseren en deze beschikbaar te stellen aan zorginstellingen. Dit in aanvulling op andere middelen die worden ingezet om deelnemers van Z-CERT te controleren op kwetsbaarheden en proactief te waarschuwen.
Deelt u de mening dat het van groot en urgent belang is dat ziekenhuizen maatregelen treffen, zeker gezien de COVID-19-crisis, om cyberaanvallen te voorkomen? Zo ja, bent u bereid om op korte termijn mét de sector en Z-CERT te werken aan maatregelen om zorginstellingen, zoals ziekenhuizen, digitaal weerbaar te maken? Op welke termijn verwacht u de Kamer hierover te kunnen informeren? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het van belang dat zorginstellingen de aan hun toevertrouwde informatie beveiligen en beschermen. Tegelijkertijd zullen er in de digitale wereld altijd cyberrisico’s blijven. Het is zaak die te onderkennen, zoveel mogelijk te mitigeren, voortdurend te bewaken en in te grijpen bij (dreigende) verstoringen. Zorginstellingen moeten daar alert op zijn aangezien zij zelf verantwoordelijk zijn voor het op orde hebben en houden van hun informatiebeveiliging. Ik werk momenteel al samen met de sector en Z-CERT om de zorg weerbaarder te maken.
Ik ondersteun Z-CERT met het risicogestuurd uitbreiden van het aantal deelnemers. Z-CERT heeft nu ruim 200 zorginstellingen aangesloten. Dit is een verdubbeling ten opzichte van een jaar eerder. Daarnaast werk ik samen met Z-CERT om openbare diensten en producten te ontwikkelen zoals de reeds verschenen «handreiking verlopen domeinnamen» Z-CERT_Handreiking2021.pdf. Deze handreiking helpt bij het proactief en continu monitoren op kwetsbaarheden van verlopen zorgdomeinnamen.
Om bewustwording over informatiebeveiliging in de zorg te verhogen heb ik in samenwerking met Brancheorganisaties Zorg de wegwijzer «Aan de slag met Informatieveilig gedrag» ontwikkeld en deze medio 2021 beschikbaar gesteld aan het veld4. De wegwijzer helpt zorginstellingen om de informatieveiligheid te verbeteren en helpt hen ook concreet bij het voldoen aan de wettelijk verplichte NEN 7510. In mijn volgende Kamerbrief over elektronische gegevensuitwisseling in de zorg zal ik uw Kamer nader informeren over de vorderingen op het gebied van informatieveiligheid in de zorg.
Het artikel 'Nieuwe zaak spermadonor is topje van de ijsberg, groot onderzoek nodig' |
|
Ockje Tellegen (VVD) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nieuwe zaak spermadonor is topje van de ijsberg, groot onderzoek nodig»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat na de zaken van Jan Karbaat, Jan Wildschut en Jos Beek er opnieuw een casus over een massadonor aan het licht is gekomen?
De werkwijze van de artsen van wie nu bekend is dat ze destijds hun eigen sperma hebben gebruikt, is moreel verwerpelijk en roept veel emoties op bij de betrokkenen. De betreffende ziekenhuizen nemen hun verantwoordelijkheid en zorgen voor steun aan de donorkinderen en hun ouders. Ook onderzoeken zij wat precies gebeurd is en op welke schaal.
De zaken hebben zich voorgedaan in een tijd dat er nog geen specifieke wet- en regelgeving was rondom fertiliteitsbehandelingen en dus geen toezicht van overheidswege. Er waren wel professionele richtlijnen voor artsen, maar deze waren vrij algemeen van aard en niet specifiek voor fertiliteitsbehandelingen. Anonieme donatie was in die tijd de norm.
Begin jaren negentig werd de eerste professionele richtlijn omtrent de werkwijze bij fertiliteitsbehandelingen vastgesteld. In juni 2004 is de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting inwerking getreden. Vanaf dat moment is het gebruik van anonieme donoren niet meer mogelijk, omdat de klinieken de gegevens van de donor moeten registreren bij de Stichting donorgegevens kunstmatige bevruchting (Sdkb).
De huidige werkwijze bij fertiliteitsbehandelingen is wezenlijk anders dan destijds. Op dit moment wordt geen sperma gebruikt zonder tussenkomst van een laboratorium. Door de vele dubbele controles die hiermee gepaard gaan, de verdeling van bevoegdheden tussen gynaecologen en laboratoriummedewerkers, de wettelijke regelingen en het externe toezicht, is het vrijwel niet meer mogelijk dat een arts of laboratoriummedewerker heden ten dage eigen sperma gebruikt bij fertiliteitsbehandelingen.
Hoe beoordeelt u de stelling van Stichting Donorkind dat deze zaken slechts het topje van de ijsberg zijn?
Die stelling kan ik niet beoordelen, want het is niet na te gaan hoe vaak dit in het verleden is gebeurd. Veel dossiers zijn vernietigd en bovendien heeft de onafhankelijk onderzoekscommissie, die onderzoek heeft gedaan naar het handelen van gynaecoloog Wildschut bij fertiliteitsbehandelingen, geconstateerd dat uit de medische dossiers niet kan worden geconcludeerd dat de arts gebruik heeft gemaakt van zijn eigen sperma bij de behandelingen.2 In de betreffende dossiers staat dat de behandeling is verricht conform wat was afgesproken: inseminatie met anoniem donorzaadcellen (KID) of inseminatie met zaadcellen van de echtgenoot (KIE). Maar in de gevallen die nu bekend zijn heeft DNA onderzoek, via de Fiom KID-DNA databank of via commerciële internationale DNA databanken, echter uitgewezen dat de kinderen niet geboren zijn na een KID- of KIE-behandeling, maar gematcht konden worden met de behandelend arts.
Kunt u uiteenzetten welke waarborgen zijn ingebouwd in het wetsvoorstel Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting (Wdkb) om te voorkomen dat donoren op grote schaal kinderen kunnen verwekken? Anonieme donatie is sinds 2004 niet meer mogelijk; bent u van mening dat met dit huidige wettelijk kader het risico op massadonatie voldoende is afgedekt of zijn excessen ook nu nog mogelijk? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
In het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting (Wdkb) dat in juni 2021 bij uw Kamer is ingediend3 wordt een voorstel gedaan om wettelijk te borgen dat de geslachtscellen van een donor bij de behandeling van maximaal 12 vrouwen kan worden gebruikt. De Stichting donorgegevens kunstmatige bevruchting (Sdkb) zal het maximumaantal per donor centraal monitoren. Toezicht op het maximumaantal per donor is evenwel niet mogelijk indien wensouders gebruik maken van donoren buiten de Nederlandse klinieken om.
Zolang het wetsvoorstel nog niet van kracht is, geldt de huidige situatie. De kliniek maakt een aantal afspraken met de donor. Een daarvan is dat de donor verklaart dat hij zich maar bij één spermabank of kliniek inschrijft en dat hij zich onthoudt van donorschap langs andere kanalen zoals aanbiedingen via internet. Dit kan niet worden gecontroleerd en het is een kwestie van vertrouwen dat de donor deze afspraak nakomt. Op basis van de privacy wetgeving is het op dit moment niet mogelijk dat spermabanken en klinieken de gegevens van de donoren onderling uitwisselen. Ook heeft de Sdkb geen wettelijke mogelijkheid om de gegevens van donoren aan elkaar te koppelen.
Er bestaat geen internationaal register waarin spermadonoren worden geregistreerd. De beroepsgroep hanteert als richtlijn dat de geslachtscellen van een (buitenlandse) donor in Nederland weliswaar door klinieken bij maximaal 12 gezinnen worden gebruikt, maar daarnaast kan hij mogelijk ook zijn sperma in andere landen beschikbaar stellen.
Ik kan niet voorkomen dat via een buitenlandse (commerciële) spermabank de zaadcellen van een spermadonor in meerdere landen worden gebruikt. Hetzelfde geldt voor spermadonoren die zich veelvuldig via internet aanbieden in zowel Nederland als het buitenland. Wensouders dienen zich de consequenties van het gebruik van een spermadonor via een buitenlandse spermabank of via internet te realiseren. Een van de consequenties is de mogelijkheid van een groot aantal halfbroers en -zussen oftewel een groot verwantschapsnetwerk.
Hoeveel wensouders in Nederland richten zich tot privé en online donoren? Wat gaat u doen om te voorkomen dat ook mensen uit deze groep slachtoffer worden van massadonatie?
Er is geen zicht op het aantal wensouders dat zich richt tot privé en online donoren. Ik heb geen middelen tot mijn beschikking om ervoor te zorgen dat donoren zich bij spermadonatie buiten de klinieken om conformeren aan de in Nederland geldende richtlijnen. Het is niet wenselijk een niet handhaafbare registratieplicht in te voeren voor handelingen in de privésfeer. Bovendien heeft registratie weinig zin als de donor vervolgens zijn diensten anoniem aanbiedt op bijvoorbeeld internet of in het buitenland en er wensouders zijn die van die diensten gebruik blijven maken. Registratie van donoren is geborgd wanneer spermadonatie via een Nederlandse kliniek plaatsvindt en na inwerkingtreding van het bij uw Kamer aanhangige wetsvoorstel zal het maximumaantal per donor ook centraal worden gemonitord. Zie ook mijn brief inzake donorkinderen die ik op 24 januari 2022 naar uw Kamer heb verzonden.4
Ziet u een rol voor de overheid nu er steeds meer zaken van massadonatie aan het licht komen? Zo ja, kunt u toelichten hoe u die rol voor zich ziet? Zo nee, waarom niet?
In geval het de situatie betreft dat artsen of gynaecologen hun eigen sperma hebben gebruikt bij fertiliteitsbehandelingen (in het verleden) nemen de betrokken ziekenhuizen hun verantwoordelijkheid en zorgen zij voor steun aan de donorkinderen en hun ouders. Ook onderzoeken de ziekenhuizen wat precies gebeurd is en hoe vaak. De rol van de overheid is dat donorkinderen en ouders de juiste informatie en ondersteuning kunnen vinden. Daarvoor kunnen zij terecht bij Fiom en het landelijk informatiepunt donorconceptie (LIDC). Beide organisaties worden gefinancierd door VWS.
Ik ben van mening dat het van groot belang is dat wensouders zich de consequenties realiseren van hun keuze om via internet of social media een spermadonor te vinden of daarvoor uit te wijken naar het buitenland. Op die manier is geen zicht op het aantal kinderen dat verwekt is met de zaadcellen van een donor en is niet uit te sluiten dat een donorkind later geconfronteerd wordt met een groot aantal halfbroers en -zussen, wat voor sommigen heel belastend kan zijn. Ook kan sprake zijn van een anonieme donor waardoor afstammingsinformatie ontbreekt. Het verstrekken van afstammingsinformatie maakt onderdeel uit van de verantwoordelijkheid van ouders voor het geestelijk welzijn en de ontwikkeling van de persoonlijkheid van het kind. Dit is conform de kabinetsreactie op de aanbevelingen van de Staatscommissie Herijking ouderschap (12 juli 2019).5 Ik adviseer wensouders daarom een spermadonor te vinden via een Nederlandse kliniek of om de spermadonatie van een eigen donor via een Nederlandse kliniek te laten plaatsvinden om excessen zoveel mogelijk te voorkomen. Dit kan mogelijk betekenen dat het langer duurt voor een kinderwens in vervulling kan gaan. Ik realiseer me dat dit zwaar kan zijn voor de wensouders die dit treft, maar dit is wel in het belang van hun toekomstige kind. Zie ook mijn brief inzake donorkinderen die ik op 24 januari 2022 naar uw Kamer heb verzonden.6
Bent u het ermee eens dat de overheid zich moet inspannen om de positie van donorkinderen maximaal te beschermen en om de schade te beperken van de kinderen die in het verleden niet zijn beschermd door vigerende wet- en regelgeving? Kunt u dit toelichten?
Op grond van artikel 7 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) moeten kinderen in de gelegenheid gesteld worden om hun afstammingsinformatie te achterhalen. De Nederlandse wetgeving waarborgt dit recht voor donorkinderen via de in 2004 in werking getreden Wdkb. Wanneer een fertiliteitsbehandeling is uitgevoerd met gebruik van gedoneerde ei- of zaadcellen zijn klinieken verplicht om de gegevens van de betrokken donor en de behandelde vrouw te registreren bij de Sdkb. Hierdoor is het gebruik van ei- en zaadcellen van anonieme donoren door klinieken in Nederland niet meer mogelijk. Als het donorkind de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt kan het zijn of haar afstamming achterhalen door het opvragen van de persoonsidentificerende gegevens van de donor bij de Sdkb. Daarbij geldt het recht van het donorkind op kennisneming van die gegevens van de donor als uitgangspunt en bestaat uitsluitend reden om daarvan af te wijken als zwaarwegende belangen van de donor daartoe nopen. Op deze wijze geeft de overheid vorm aan haar zorgplicht ten opzichte van het donorkind.
De kinderen die voor inwerkingtreding van de Wdkb in 2004 zijn verwekt, kunnen niet (altijd) beschikken over hun afstammingsinformatie, omdat anonieme donatie toen de norm was en de anonieme donoren van voor 2004 anoniem mogen blijven als zij dit wensen. Ook komt het voor dat dossiers uit die tijd zijn vernietigd. Daarom kunnen zowel donorkinderen als donoren van voor 2004 zich kosteloos inschrijven in de Fiom KID-DNA databank. Op die manier kunnen donoren en donorkinderen die zich hebben ingeschreven met elkaar worden gematcht. Verder is het van belang dat donorkinderen de juiste informatie en ondersteuning kunnen vinden. Hiervoor kunnen zij terecht bij Fiom, expertisecentrum op onder meer het terrein van verwantschapsvragen, en bij het LIDC.
Bent u bereid onafhankelijk onderzoek te doen naar de omvang van het probleem van massadonatie? Zo ja, kunt u toelichten welke stappen u daartoe gaat zetten? Zo nee, waarom niet?
In geval van de casussen van donatie waar artsen of gynaecologen bij zijn betrokken nemen de betreffende ziekenhuizen hun verantwoordelijkheid en zorgen zij voor steun aan de ouders en donorkinderen. Ook onderzoeken zij wat precies gebeurd is en hoe vaak. Het uitvoeren van nader onderzoek acht ik niet opportuun, omdat veelal de dossiers zijn vernietigd of niet juist zijn bijgehouden zoals ik in het antwoord op vraag 3 heb aangegeven.
Als het massadonoren betreft die zich via social media of internet aanbieden is onderzoek niet mogelijk omdat dit zich in de privésfeer afspeelt.
Ik zie wel een rol als Minister van VWS om zorg te dragen voor voldoende betrouwbare en toegankelijke informatie en ondersteuning aan donorkinderen, ouders en donoren. Hieronder valt onder meer de mogelijkheid voor donorkinderen en donoren van voor 2004 om zich kosteloos in te schrijven in de Fiom KID-DNA databank.
Kunt u deze vragen beantwoorden voordat de nota van wijziging van de Wdkb naar de Tweede Kamer wordt gestuurd?
Ja.
AirTags |
|
Sylvana Simons (BIJ1) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66), Alexandra van Huffelen (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Apple’s AirTag blijkt surveillance-netwerk»?1
Ja.
Deelt u de zorg dat vrouwen en kwetsbare groepen het gevaar lopen om ongewenst gevolgd te worden door AirTags? Zo nee, waarom niet?
In zijn algemeenheid deel ik de zorg dat technologie kan wordt misbruikt om een inbreuk te maken op de levenssfeer van iemand anders. Voor zover valt na te gaan, heeft de politie nog niet te maken gehad met incidenten waarbij een AirTag betrokken was.2 Bovendien heeft Apple op zijn website maatregelen aangekondigd tegen mogelijk misbruik van de AirTag. Uit die reactie blijkt dat Apple inmiddels aanvullende waarborgen tegen misbruik van de AirTag heeft ingebouwd.3 Enkele van die waarborgen zijn dat gebruikers tijdens de configuratie van hun AirTag een bericht zien waarin duidelijk staat dat AirTag is bedoeld voor het volgen van eigen bezittingen, dat het volgen van personen in veel landen een misdrijf is, dat AirTag zo is ontworpen dat slachtoffers hem kunnen detecteren, en dat wetshandhavingsdiensten gegevens kunnen opvragen waarmee de eigenaar van de AirTag kan worden geïdentificeerd.4
Welke andere risico’s zit u nog meer bij de huidige implementatie van de AirTag voor de Nederlandse samenleving?
Zoals hiervoor uiteengezet in het antwoord op vragen 4 en 5, acht ik het juridisch kader toereikend om aan het risico op onverhoopt onrechtmatig gebruik van de AirTag en daarmee vergelijkbare toepassingen op te treden. Uiteraard houdt het kabinet de ontwikkelingen nauwlettend in de gaten.
Bent u, gezien het potentieel misbruik van AirTags voor stalking, van mening dat de huidige Wet Belaging voldoet, vooral gezien het feit dat het hier gaat om een klachtdelict waardoor vervolging enkel plaats kan vinden als een slachtoffer aangifte heeft gedaan? Zo ja, kunt u dit toelichten? Zo nee, welke acties overweegt u te ondernemen om burgers beter te beschermen tegen stalking door middel van technologie zoals AirTags?
Volgens art. 285b Wetboek van Strafrecht (Sr.) maakt iemand zich schuldig aan belaging wanneer hij of zij wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van een ander, met het oogmerk diegene te dwingen iets (niet) te doen of toe te staan, dan wel angst aan te jagen. Er kan op verschillende manieren zijn voldaan aan de bestanddelen van deze strafbepaling; ook locatietracking kan hierbij meespelen. Een en ander hangt af van de feiten en omstandigheden van het geval. Ik deel de mening dan ook niet dat deze strafbepaling niet langer voldoet.
Dat belaging een klachtdelict is, maakt dit niet anders. De keuze hiervoor is gemaakt om te voorkomen dat bij vervolging wegens belaging, de privacy van het slachtoffer in het gedrang komt. Door de eis van een klacht, kan worden voorkomen dat vervolging en een rechtszaak ertoe bijdragen dat bepaalde privacygevoelige informatie over het slachtoffer ongewild in de openbaarheid worden gebracht. Ook kan zo worden voorkomen dat het slachtoffer, bijvoorbeeld tijdens een getuigenverhoor of een openbare rechtszitting, ongewild wordt geconfronteerd met de dader.5 Het klachtvereiste is gesteld omdat bij belaging het persoonlijk belang van het slachtoffer niet te worden geconfronteerd met eventuele negatieve gevolgen van een strafvervolging voorrang heeft boven het algemeen belang van strafvervolging.
Het feit dat vervolging afhankelijk wordt gesteld van een klacht van het slachtoffer, betekent overigens niet dat er geen opsporingsonderzoek mag plaatsvinden. Dat opsporingsonderzoek dient dan gericht te zijn op het informeren van potentiële aangevers en hen in staat te stellen om een klacht in te dienen.6
Bent u van mening dat het bestaan van het «Zoek mijn»-netwerk in strijd is met de Algemene Verordening Gegevensbescherming? Zo ja, welke acties verbindt u aan deze conclusie? Zo nee, waarom niet?
De Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) kent een uitzondering voor het verwerken van persoonsgegevens door natuurlijke personen voor louter persoonlijke en huishoudelijke doeleinden.7 Het door een natuurlijk persoon kunnen volgen van een locatie in bijvoorbeeld gezinsverband valt dan ook buiten het werkingsgebied van de AVG. Voor andere gevallen, of voor gevallen waarin de privésfeer wordt geraakt van anderen dan degene die door middel van dit systeem gegevens verwerkt, geldt dat hiervoor een welbepaald, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doel moet zijn alsook dat er een legitieme verwerkingsgrondslag voor kan worden gevonden in de AVG, bijvoorbeeld toestemming van de betrokkene. Verder geldt in dit geval de AVG wel voor Apple die de middelen verschaft voor de verwerking van persoonsgegevens voor dergelijke persoonlijke of huishoudelijke activiteiten. Ik heb dan ook geen aanleiding om aan te nemen dat de genoemde functie per definitie strijdig is met de AVG. Of in voorkomende gevallen de AVG is geschonden, is aan de Autoriteit Persoonsgegevens als toezichthouder ter beoordeling.
Bent u bereid om in EU-verband te bespreken hoe het gebruik van de AirTag en soortgelijke technologieën gereguleerd kunnen worden? Zo ja, kunt u hier de termijn van aangeven? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Op welke andere wijzen beoogt u te investeren in het voorkomen van stalking door middel van technologieën als de AirTag in de Nederlandse maatschappij?
De afgelopen jaren zetten de meest betrokken organisaties, politie, Openbaar Ministerie, Reclassering, Veilig Thuis en Slachtofferhulp Nederland steeds meer in op het zo vroegtijdig mogelijk en zo lang als nodig samenwerken om stalking te voorkomen. Het gaat hierbij om het zeker stellen van de veiligheid van slachtoffers, het inzetten van de noodzakelijke interventies om de stalking duurzaam te stoppen, het opsporen en vervolgen van plegers en het voorkomen van recidive.
De Minister van Justitie en Veiligheid heeft in de kamerbrief van 28 juni 2021 de voortgang op de aanpak stalking toegelicht.8 Met deze aanpak is afgelopen jaren, en wordt nog steeds, ingezet op vier sporen:9 betere herkenning en inschatten van risico’s;10 versterken regie;11 verscherpte strafrechtelijke aanpak, en;12 versterken slachtofferveiligheid.
Nieuwe digitale en technische toepassingen bieden stalkers steeds meer mogelijkheden. Slachtoffers van stalking moeten over die ontwikkeling goed worden geïnformeerd. Daarom is de emotionele, praktische en juridische ondersteuning die Slachtofferhulp Nederland biedt, ook specifiek voor slachtoffers van stalking belangrijk. Slachtofferhulp Nederland houdt nauwlettend maatschappelijke ontwikkelingen (zoals de zorgen over de Apple AirTag bij stalking) bij en past, indien nodig, het staande beleid aan en informeert daar alle medewerkers over. Slachtoffers kunnen via de website van Slachtofferhulp Nederland informatie vinden over stalking. Daar staan ook tips over veiligheid en bescherming.
Op welke wijze beoogt u te investeren in de ondersteuning van slachtoffers van stalking door middel van technologieën als de AirTag?
Zie antwoord vraag 7.
Het bericht dat het onderzoek naar fraude bij de landsadvocaat onvolledig en niet onafhankelijk genoeg was. |
|
Pieter Omtzigt , Michiel van Nispen (SP) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de conclusies van het College van Toezicht Advocatuur (CvT) inzake het onderzoek dat door de deken is uitgevoerd naar de fraude bij het kantoor van de landsadvocaat; namelijk dat dit onderzoek onvolledig en onvoldoende onafhankelijk was?1
Ja, ik heb hiervan kennis genomen.
Bent u geschrokken van de conclusies van het CvT, dat stelt dat de effectiviteit en professionaliteit van het toezicht tekortschieten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u doen om dit toezicht zo snel mogelijk te verbeteren?
Het CvT fungeert als systeemtoezichthouder als blik van buiten de advocatuur. Het is de taak van het CvT om te onderzoeken hoe het toezicht op advocaten functioneert. De conclusies van het CvT hebben betrekking op het functioneren van het toezicht op de advocatuurlijke tak van Pels Rijcken.2 Er ligt een kritisch rapport met conclusies en aanbevelingen. Gelet op de onafhankelijkheid van de advocatuur en het toezicht daarop ben ik terughoudend met het reageren op een individuele casus, zo ook deze.
Voor wat betreft mijn visie in zijn algemeenheid op het toezicht op de advocatuur, het volgende. In 2020 is het toezicht op de advocatuur geëvalueerd.3 Op 29 oktober 2021 heeft mijn ambtsvoorganger uw Kamer geïnformeerd over de opvolging van de aanbevelingen uit het evaluatierapport.4 Uitgangspunt daarbij is dat het toezicht binnen de advocatuur wordt versterkt door de oprichting van één landelijke toezichthouder op alle advocaten. Deze landelijke toezichthouder moet daarbij onder meer beschikken over adequate bevoegdheden en adequate landelijke ondersteuning. Consequentie daarvan is dat de 11 lokale dekens niet meer eindverantwoordelijk zullen zijn voor het toezicht in het eigen arrondissement, maar ook dat de ondersteuning van het toezicht niet meer lokaal zal plaatsvinden. In de brief van 29 oktober 2021 en in de brief van 22 november 20215 is door mijn ambtsvoorganger tevens aangekondigd met de Nederlandse orde van advocaten (hierna: NOvA) in gesprek te gaan om te bezien of het niet verstandiger is om het toezicht wat verder weg van de deken te organiseren. Die gesprekken lopen nu en over de uitkomsten van die gesprekken zal ik uw Kamer dit voorjaar informeren. De algemene conclusies uit het bovengenoemde rapport over het toezicht op de advocatuur zal ik in deze gesprekken meenemen.
Hoe verklaart u dat zelfs in het laatste jaarverslag (toen de fraude bij Pels Rijcken al bekend was) de deken het toezicht in het Haagse arrondissement «in hoge mate effectief», noemde?
Zoals ik ook al in mijn antwoord op vraag 2 heb aangegeven ben ik terughoudend met het oordelen over het toezicht in een individuele casus. In zijn algemeenheid geldt dat de deken jaarlijks verslag doet van de stand van het toezicht in het eigen arrondissement. Deze verslaglegging is de verantwoordelijkheid van de deken en is van belang voor de transparantie van het toezicht en het vertrouwen dat de samenleving in dat toezicht en de beroepsgroep moet hebben. Het CvT ziet als systeemtoezichthouder toe op de werking van het toezicht en kan in dat kader ook oordelen over de effectiviteit van het toezicht.
Hoe verklaart u dat bij het dekentoezicht op Pels Rijcken geen onderzoek is gedaan naar naleving van antiwitwaswetgeving (Wwft)? Ziet u ook in dat dit uiterst opmerkelijk is gezien het gegeven dat er voor miljoenen is gefraudeerd bij Pels Rijcken en niet kan worden uitgesloten dat er mogelijk ook sprake is van het witwassen van gelden?
Gelet op de onafhankelijkheid van het toezicht op de advocatuur past ook hier terughoudendheid. In zijn algemeenheid geldt dat de deken sinds 2015 zowel toezichthouder is op de naleving door advocaten van het bepaalde bij of krachtens de Advocatenwet als de Wwft. Het is aan de deken als toezichthouder om bij het doen van onderzoek naar mogelijke misstanden bij advocaten, de opzet en omvang van het onderzoek te bepalen.
Bent u bereid om ervoor te zorgen dat er op korte termijn grondig onafhankelijk onderzoek gedaan wordt naar naleving van antiwitwaswetgeving bij Pels Rijcken? Wilt u daarvoor een voorstel doen?
Nee, het is niet aan mij om beide toezichthouders opdracht te geven een onderzoek te starten. Het toezicht op de naleving van de antiwitwaswetgeving door advocaten is belegd bij de deken, en bij het Bureau Financieel Toezicht (BFT) voor wat betreft de notarissen van het kantoor. Om een dergelijk onderzoek bij geheimhouders te kunnen uitvoeren, zijn wettelijke bevoegdheden nodig. Betrokken toezichthoudende instanties hebben dergelijke bevoegdheden tot hun beschikking.
Wat vindt u ervan dat door het gebrek aan medewerking van de dekens nu in de lucht blijft hangen hoe het toezicht rond Pels Rijcken er precies uitzag terwijl Frank Oranje zijn miljoenenfraude pleegde? Op welke wijze gaat u bevorderen dat er absolute helderheid komt?
In de antwoorden op de vragen 2 tot en met 5 heb ik aangegeven dat ik omwille van de onafhankelijkheid van de advocatuur en het toezicht daarop niet treed in de beoordeling van een individuele casus.
Los van deze individuele casus heb ik bij de beantwoording van vraag 2 verwezen naar de brieven van mijn ambtsvoorganger aan uw Kamer. Op dit moment vinden er gesprekken plaats met de NOvA over de inrichting en ondersteuning van de landelijke toezichthouder op de advocatuur. Deze landelijk toezichthouder wordt zoals eerder aangegeven eindverantwoordelijk voor het toezicht op alle advocaten. Belangrijk onderwerp van gesprek daarbij zijn de uitgangspunten voor een wettelijke regeling van het toezicht op de juridische beroepen zoals die zijn verwoord in 2010.6 Deze uitgangspunten gelden voor mij nog steeds en vormen voor mij de leidraad bij het toezicht op de juridische beroepen. Het toezicht moet onafhankelijkheid, transparant, uniform, preventief en effectief zijn. Het streven naar de vorming van één landelijk toezichthouder binnen de advocatuur die landelijk wordt ondersteund draagt daar aan bij. Voor de advocatuur geldt specifiek nog dat het toezicht, gelet op de onafhankelijke rol en positie van advocaten ten opzichte van de Staat, binnen de beroepsgroep zelf moet worden uitgeoefend.
Bent u bereid maatregelen te nemen zodat medewerking door dekens aan toezicht van het CvT wél wordt afgedwongen? Zo ja, welke maatregelen precies en zo nee, waarom niet?
De Advocatenwet biedt de mogelijkheid om maatregelen te nemen in het geval een deken niet mee wil werken aan het toezicht door het CvT. Op grond van artikel 45i, tweede lid, Advocatenwet verstrekt de deken alle informatie die het CvT redelijkerwijs nodig heeft voor de uitoefening van zijn taken. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de lokale deken gehouden is om ten behoeve van het systeemtoezicht aan het CvT de voor diens taakuitoefening noodzakelijke informatie te verschaffen. Als het CvT die informatie niet krijgt dan kan de lokale deken een aanwijzing krijgen om die informatie te verstrekken (artikel 45b Advocatenwet). Een dergelijke aanwijzing is niet vrijblijvend. De deken is gehouden die aanwijzing op te volgen, doet hij dat niet dan handelt de deken in strijd met de Advocatenwet.7 Zoals ik in vraag 2 heb aangegeven ben ik in gesprek met de NOvA of het niet verstandiger is om het toezicht wat verder weg van de deken te organiseren. Afhankelijk van de uitkomsten van de gesprekken zal ook gekeken worden naar het noodzakelijke instrumentarium.
Wat zegt het in het algemeen over het toezicht op advocatenkantoren, dat zelfs bij een kantoor wat al flink onder vuur ligt, het toezicht alsnog, naar nu blijkt, flink tekortschiet?
In het evaluatierapport uit 2020 is aangegeven dat het toezicht en de toezichtcultuur zich in de jaren vanaf inwerkingtreding van de Wet positie en toezicht advocatuur op 1 januari 2015 in positieve zin hebben ontwikkeld, maar dat verdere verbeteringen mogelijk en noodzakelijk zijn. Met de verdere verbetering van de inrichting van het toezicht op de advocatuur is mijn ambtsvoorganger gestart en die verdere verbetering werk ik nader uit. Dat doe ik zoveel mogelijk in samenwerking en samenspraak met de NOvA. Daarover lopen nu gesprekken.
De mogelijke verbeteringen zien niet alleen op wijziging van wet- en regelgeving maar juist ook op aanpassingen in de uitvoering daarvan.8 Een voorbeeld is dat bij de feitelijke toezichtuitoefening door dekens doorgaans gebruik wordt gemaakt van de inzet van andere leden van de raad van de orde. De huidige regeling van het toezicht in de Advocatenwet gaat echter niet uit van de gelijkwaardigheid tussen de deken en de raad van de orde. De deken is sinds 2015 de enige toezichthouder op de naleving van de Advocatenwet en de Wwft door de advocaten in zijn arrondissement en kan in dat kader bijvoorbeeld ook bestuursrechtelijk handhaven.
Ik constateer dat er met name bij de dekens verschillende inzichten bestaan over de uitvoering van de regeling van het toezicht, waaronder het betrekken van de raad van de orde bij het toezicht. De gesprekken met de verschillende gremia binnen de NOvA zijn nuttig en noodzakelijk om te achterhalen waar overeenkomsten en verschillen zitten in de beleidsvoornemens, wetgeving en de uitvoering.
Klopt het dat grote advocatenkantoren gemiddeld genomen slecht één keer in de tien jaar worden bezocht ter controle, zoals het CvT meldt? Zo ja, acht u dit voldoende om adequaat en effectief toezicht te kunnen houden op grote advocatenkantoren?
Zoals door mijn ambtsvoorganger eerder aan uw Kamer gemeld, hebben de dekens als toezichthouder met elkaar afgesproken dat jaarlijks ten minste 10 procent van alle advocatenkantoren, ongeacht de kantoorgrootte, wordt bezocht.9 Daarnaast gebruiken dekens verschillende andere instrumenten om informatie te verzamelen over de naleving door advocaten van de wet- en regelgeving, bijvoorbeeld het jaarlijks opvragen van financiële kengetallen bij alle kantoren in het arrondissement.10 Het is de toezichthouder die bepaalt op welke wijze het toezicht wordt vormgegeven en of het jaarlijks bezoeken van 10 procent van de kantoren hem in staat stelt om adequaat en effectief toezicht uit te oefenen.
Van de dekens heb ik vernomen dat het dekenberaad sinds 2022 een portefeuillehouder heeft die specifiek belast is met de grote kantoren. Daarnaast voeren de dekens in 2022 een thematisch onderzoek uit naar het gebruik van derdengelden bij grote kantoren en hebben zij ook bijzondere aandacht voor de cultuur en integriteit binnen de grote kantoren.
Bent u het er mee eens dat er meer mogelijkheden nodig zijn om controles te houden bij gemengde kantoren met zowel een notaris- als een advocatentak, omdat met de huidige regels dekens zich enkel op de advocaten mogen richten? Zo ja, wat gaat u hier aan doen? Zo nee, waarom niet?
De deken is op grond van artikel 45a, eerste lid, van de Advocatenwet de bevoegde toezichthouder op advocaten en het Bureau Financieel Toezicht (BFT) is op grond van artikel 110 van de Wet op het notarisambt de bevoegde toezichthouder op notarissen. Met inachtneming van de huidige regelingen in de Advocatenwet, de Wet op het notarisambt en de Wwft kunnen controles worden gehouden bij kantoren waar zowel advocaten als notarissen werkzaam zijn. De dekens en het BFT kunnen gezien artikel 22a Wwft geen vertrouwelijke informatie in het kader van de naleving van de Wwft met elkaar uitwisselen. Op dit moment vindt in het kader van het toezicht op de Wwft overleg plaats tussen de dekens en het BFT over de wijze waarop generieke informatie, trends en kennis wel met elkaar kan worden gedeeld. In het kader van de versterking van het toezicht op de advocatuur zal ook gekeken worden welke extra informatie de landelijk toezichthouder op de advocatuur in de toekomst zou moeten kunnen delen met andere toezichthouders, waaronder het BFT.
Is er wel genoeg zelfreinigend vermogen binnen de advocatuur om effectief en onafhankelijk toezicht te houden als iemand met flinke banden met het te onderzoeken kantoor, zelf het onderzoek mag leiden? Bent u het er mee eens dat hierdoor in ieder geval de schijn van belangenverstrengeling heeft kunnen ontstaan? Hoe gaat u er, beter nog dan nu, voor zorgen dat toezicht door dekens boven elke vorm van belangenverstrengeling/partijdigheid verheven zal zijn?
De zorg van de leden over de schijn van belangenverstrengeling deel ik. De deken is advocaat, en vervult daarnaast onder meer de rol bestuurder van de lokale orde, komt met zijn raad op voor de rechten en belangen van de advocaten in het eigen arrondissement en is ook, samen met de raad, verantwoordelijk voor de toetreding tot de advocatuur en stage-aangelegenheden. De deken geeft daarnaast voorlichting over de praktijkuitoefening, bemiddelt bij geschillen tussen advocaten, behandelt klachten over advocaten en fungeert regelmatig als vertrouwenspersoon voor advocaten (al dan niet omdat de Verordening of de Gedragsregels dat voorschrijven). Sinds 2015 is de deken ook de enige bevoegde toezichthouder in het eigen arrondissement. Met de komst van een landelijke toezichthouder, waarin volgens het evaluatierapport uit 2020 de dekens deel van zouden gaan uitmaken, is de vraag gerechtvaardigd hoe die verschillende rollen zich tot elkaar verhouden. Deze vraag is onderwerp van gesprek met de NOvA.
In de brief van mijn ambtsvoorganger van 29 oktober 2021 is aangegeven dat het doel is van het versterken van het toezicht is om te komen tot een stelsel dat modern, evenwichtig en toekomstbestendig is. Een stelsel waarbinnen alle actoren opereren met eenduidige, duidelijk afgebakende taken, rollen en bevoegdheden en het toezicht onafhankelijk, transparant, uniform en effectief is. Ik onderschrijf dit doel en zal dat ook als uitgangspunt nemen bij het nader uitwerken van de plannen om het toezicht op de advocatuur te versterken.
Neemt het Openbaar Ministerie (OM) de conclusies van het CvT mee in haar onderzoek naar de misstanden bij Pels Rijcken?
Zoals te doen gebruikelijk is neemt het Openbaar Ministerie alle voor het strafrechtelijk onderzoek relevante gegevens mee in het onderzoek.
Bent u bereid het contract met Pels Rijcken, waarop een opzegtermijn van een jaar zit, te ontbinden? Zo nee, waarom niet?
Er is geen overeenkomst met het kantoor Pels Rijcken. De Staat heeft een contractuele verhouding met een advocaat die optreedt als Landsadvocaat. Sinds 1969 zijn dit advocaten geweest die waren verbonden aan het kantoor Pels Rijcken. Zoals eerder aan uw kamer gemeld, zal het kabinet een commissie van deskundigen instellen om advies uit te brengen over zowel de mogelijke positionering en vormgeving als de inhoudelijke reikwijdte van de advocatuurlijke dienstverlening aan de rijksoverheid.11 Ik acht het niet verstandig om in afwachting van het advies van de commissie onomkeerbare stappen te nemen waarmee de opties op de langere termijn zouden kunnen worden beperkt, of die onnodige risico´s met zich mee brengen voor de continuïteit van de juridische bijstand aan de Staat.
Vindt u het ook wenselijk dat er verdere waarborgen en checks and balances in onder meer de financiering van het toezicht door lokale dekens worden aangebracht? Zo ja, zijn er al voornemens om verdere waarborgen in te voeren? Zo nee, waarom niet?
In het kader van een onafhankelijk, transparant, uniform, proactief en effectief toezicht zijn stevige waarborgen voor checks and balances in de financiering van het toezicht noodzakelijk. Dit vormt een belangrijk onderdeel in de gesprekken met de NOvA over de inrichting van een landelijke toezichthouder en een landelijke ondersteuning van die toezichthouder. Zodra daar meer duidelijkheid over is zal ik uw Kamer informeren (zie ook het antwoord op vraag 2).
Op welke manier vraagt u, in uw contacten met instanties binnen de Nederlandse Orde van Advocaten, aandacht voor het versterken van de expertise en onafhankelijkheid van lokale dekens en het dekenberaad?
Ik heb zowel afzonderlijk als gezamenlijke gesprekken met de diverse organen van de NOvA over de instelling van één landelijke toezichthouder met één landelijke ondersteuning. Ik ben van mening dat een landelijk georganiseerd toezicht ten goede komt aan de onafhankelijkheid en de versterking van de expertise van het toezicht.
Bent u bereid om deze vragen binnen drie weken, een voor een, te beantwoorden?
De vragen zijn één voor één en zo snel als mogelijk beantwoord.
De racistische intimidatie van een gezin in Giethoorn en de gebrekkige reactie daarop van lokale instanties |
|
Salima Belhaj (D66) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van Zembla van donderdag 3 februari 2022?1
Ja.
Wat is uw reactie op de gang van zaken in de door Zembla onderzochte casus?
Alle vormen van discriminatie en racisme zijn volstrekt ontoelaatbaar in onze samenleving. Uit berichtgeving van Zembla blijkt dat een gezin van Turkse afkomst zich gediscrimineerd en niet veilig heeft gevoeld in hun eigen woonomgeving door racistische pesterijen, intimidatie en vernielingen sinds de herfst van 2020. Het gezin heeft inmiddels besloten om te verhuizen. Dit is een schrijnend voorbeeld van de grote impact die racistische bejegening kan hebben op de levens van mensen. Iedereen in Nederland moet gelijk worden behandeld, zichzelf kunnen zijn en zich veilig voelen. Zoals ook aangegeven tijdens het commissiedebat Politie van 17 februari jl., heeft de Minister van Justitie en Veiligheid zich reeds voorgenomen om contact op te nemen met het gezin uit Giethoorn, wanneer het strafrechtelijk onderzoek is afgerond.
Hoe verklaart u dat het in deze casus zo moeilijk was om aangifte te doen van discriminatie, terwijl de Aanwijzing discriminatie voorschrijft aangiften van discriminatie in beginsel altijd op te nemen en in behandeling te nemen?
In de Aanwijzing Discriminatie2 staat als uitgangspunt beschreven dat de politie aangiften betreffende discriminatie in beginsel opneemt en in behandeling neemt en dat opsporingsonderzoek wordt verricht. De politie neemt een aangifte op wanneer sprake is van een vermoeden van een strafbaar feit. Daarnaast is het politiebeleid dat een aangifte altijd wordt opgenomen als er twijfel ontstaat over het strafbare karakter of wanneer dit de wens van het slachtoffer is. In de casus in Giethoorn is dit in eerste instantie niet gebeurd. De politie heeft aangegeven dat dit beleid nadrukkelijker onder de aandacht gebracht zal worden in de politieorganisatie.
Klopt het dat de politie op basis van artikel 2.3 van de aanwijzing zelf alert zou moeten zijn op eventuele discriminatieaspecten, ook in het geval dat de aangever bijvoorbeeld slechts melding zou doen van vernieling?
Dat klopt. In de Aanwijzing Discriminatie3 staat dat de politie bij een aangifte of melding van een commuun delict alert dient te zijn op eventuele discriminatie-aspecten, ook indien deze door de aangever zelf niet direct als discriminerend worden aangemerkt.
Bent u bereid het Expertise Centrum Aanpak Discriminatie van de politie – eventueel in samenwerking met het Landelijke Expertise Centrum Discriminatie (LECD) van het Openbaar Ministerie – deze casus te laten onderzoeken, met het doel de geleerde lessen landelijk in de organisatie te implementeren?
Het Expertise Centrum Aanpak Discriminatie van de politie zal deze casus met de betrokken eenheden en de discriminatie-contactpersonen van de politie-eenheden bespreken om te leren waar verbeteringen mogelijk zijn. Het is van groot belang dat alle beschikbare informatie tussen alle betrokken partijen goed wordt gedeeld en dat er op een juiste wijze opvolging wordt gegeven aan een melding of aangifte van discriminatie. Zoals ook in antwoord op vraag 13 wordt uitgelegd, speelt het Regionaal Discriminatie Overleg tussen politie, OM en ADV’s hierin een sleutelrol. De expertisecentra van de politie en het OM dragen hier ook aan bij. De politie neemt de aangifte van discriminatie op en onderzoekt de zaak. De zaak wordt daarna overgedragen aan het OM. Het Landelijk Expertise Centrum Discriminatie (LECD) van het OM is er vervolgens om binnen parket Amsterdam aangiften inhoudelijk te behandelen en officieren en andere medewerkers van het OM, belast met discriminatie in andere parketten te adviseren en informeren over de strafbaarheid van feiten die raken aan discriminatie.
Deelt u de mening dat deze casus de potentiele meerwaarde van gespecialiseerde discriminatierechercheurs nogmaals onderstreept?
Het is op dit moment te vroeg om de exacte meerwaarde van de discriminatierechercheurs te kunnen vaststellen, maar de intentie en de inzet is er. In een pilot met het Expertise Centrum Aanpak Discriminatie van de politie zullen de nog aan te stellen discriminatierechercheurs via de landelijke kennis- en informatiefunctie de politie-eenheden en hun ketenpartners beter in staat stellen om discriminatievraagstukken te herkennen en op te pakken. Gedurende de komende vier jaren wordt de landelijke expertise verder ontwikkeld en toegankelijker gemaakt om alle eenheden te ondersteunen in de aanpak van discriminatie.
Herinnert u zich uw antwoord op de vraag naar de laatste stand van zaken van de pilot discriminatierechercheurs naar aanleiding van de motie Paternotte c.s.?2 3 Hoe ver bent u met het streven om de functies van de discriminatierechercheurs dit voorjaar ingevuld te hebben?
Ja. Als onderdeel van het realisatieprogramma Politie voor Iedereen voert de politie in opvolging van de motie-Paternotte6 gedurende de komende vier jaar een pilot uit waarin landelijke expertise wordt ontwikkeld op het gebied van de aanpak van discriminatie. De materiedeskundigen en discriminatierechercheurs van het Expertise Centrum Aanpak Discriminatie – Politie zullen expertise ontwikkelen en delen over de opvolging van meldingen en aangiftes op discriminatiegebied in den brede. De materiedeskundigen zijn reeds aangesteld en het streven is nog steeds om de discriminatierechercheurs dit voorjaar aan te stellen.
Hoe duidt u het gegeven dat de gemeente in dit geval niet heeft gereageerd op de melding van discriminatie en van de klacht met betrekking tot de afhandeling door de politie? Ziet u hier voor gemeenten een actievere rol weggelegd? Welke verantwoordelijkheid heeft de burgermeester in dit soort situaties?
Het College van burgemeester en Wethouders van de gemeente Steenwijkerland heeft in reactie op vragen van de gemeenteraad aangegeven om zijn rol in deze casus te laten onderzoeken. Het College van burgemeester en Wethouders beraadt zich momenteel hoe dit onderzoek wordt vormgegeven. Naar aanleiding van de toezegging die ik gedaan heb tijdens commissiedebat Discriminatie, Racisme en Mensenrechten van 24 februari jl. is er een telefonisch overleg gepland met de burgemeester van Steenwijkerland over deze casus.
Als een inwoner bij de gemeente discriminatie meldt, dient deze inwoner voor het doen van een melding of aangifte te worden doorverwezen naar de politie, of voor ondersteuning, waaronder emotionele en juridische ondersteuning naar een lokale antidiscriminatievoorziening. Het College van burgemeester en Wethouders is op grond van de Wet gemeentelijke antidiscriminatievoorzieningen (Wga) verantwoordelijk voor de instelling van een onafhankelijke antidiscriminatievoorzieningen in de gemeente. In het eerder genoemde commissiedebat heb ik uw Kamer laten weten dat ik met gemeenten en burgemeesters het gesprek wil voeren waar de verantwoordelijkheid voor het antidiscriminatiebeleid thuishoort, waarbij ik ook heb aangegeven dat ik het goed vind als een onderwerp als dit binnen de gemeente breed gedragen wordt.
Heeft de gemeente, voor zover bij u bekend, inmiddels wel actief hulp geboden aan dit gezin?
Uit ambtelijke contacten heb ik begrepen dat het gezin de afgelopen jaren hulp heeft gekregen van verschillende organisaties, waaronder de gemeente. Het gezin woont momenteel niet meer in de gemeente Steenwijkerland.
Ziet u voor uzelf een rol weggelegd in het faciliteren van kennisdeling onder gemeenten over de vraag hoe om te gaan met dit soort casussen? In hoeverre biedt de in de uitzending aangehaalde soortgelijke casus uit Waspik daar aanknopingspunten voor?
Zoals ik in mijn brief van 23 februari jl.7 over de versterking van de ketenbrede aanpak van discriminatie en racisme aan uw Kamer heb geschreven, ben ik momenteel in gesprek met de VNG over hoe we gezamenlijk tot een versterking van de lokale aanpak van discriminatie kunnen komen. Wij zullen de komende periode gezamenlijk de behoeften en knelpunten van gemeenten op dit gebied in kaart brengen door middel van het organiseren van bijeenkomsten voor gemeenten.
Om gemeenten te ondersteunen en te helpen bij de aanpak van discriminatie, is door het kennisinstituut Movisie, in opdracht van het Ministerie van BZK, in 2018 de handreiking «Antidiscriminatiebeleid voor gemeenten» ontwikkeld. In de handreiking worden onder andere verschillende onderzoeken naar effectieve methodieken en lokale «best practices» samengevoegd. Aangezien er sinds 2018 veel nieuwe voorbeelden zijn van lokaal beleid en interventies heb ik Movisie gevraagd om de handreiking te actualiseren. Deze geactualiseerde handreiking kan de gemeenten concrete handvatten bieden om de lokale aanpak van discriminatie te verstevigen.
Tot slot werkt Movisie in opdracht van het Ministerie van JenV, SZW en OCW aan een handreiking voor gemeenteambtenaren waarin handvatten worden gegeven voor gemeentelijk antidiscriminatiebeleid voor de specifieke discriminatiegronden antisemitisme, moslimdiscriminatie, anti-Zwart racisme, antiziganisme en LHBTI-discriminatie.
Klopt het dat op basis van de Wet gemeentelijke antidiscriminatievoorzieningen, gemeenten verantwoordelijk zijn voor het bieden van toegang tot een antidiscriminatievoorziening? Is er voor elke gemeente een antidiscriminatievoorziening zoals Vizier Oost, die in deze casus essentiële hulp lijkt te hebben geboden in het serieus nemen van de discriminatiemeldingen?
Dat klopt. De verplichting tot het bieden van toegang tot een antidiscriminatievoorziening is opgenomen in artikel 1 van de Wet gemeentelijke antidiscriminatievoorzieningen. Alle gemeenten bieden, al dan niet in samenwerking met andere gemeenten, aan slachtoffers van discriminatie toegang tot een antidiscriminatievoorziening.
Deelt u de zorgen over de constatering van Vizier Oost dat zich het afgelopen jaar al een aantal vergelijkbare zaken hebben voorgedaan, waarbij de officier van justitie niet tijdig werd geïnformeerd of mensen geen aangifte konden doen?
Het is niet aan het kabinet om in individuele zaken te treden en om die reden kan op deze vraag geen inhoudelijk antwoord worden gegeven.
In hoeverre worden de ervaringen van de antidiscriminatievoorziening met andere instanties – zoals politie, Openbaar Ministerie en gemeenten – gemonitord en geëvalueerd? Deelt u de mening dat deze ervaringen essentiële inzichten kunnen bieden in de integrale aanpak van racisme en discriminatie?
Ik deel de mening dat de ervaringen van de antidiscriminatievoorzieningen essentiële inzichten kunnen bieden in de integrale aanpak van racisme en discriminatie.
De afspraken over de samenwerking tussen politie, antidiscriminatievoorzieningen (ADV's) en Openbaar Ministerie (OM) zijn vastgelegd in een convenant. Het doel van deze samenwerking is om discriminatie-incidenten tijdig en op effectieve wijze op te pakken, de voortgang van discriminatiezaken te monitoren en te bewaken, en slachtoffers van discriminatie zo goed mogelijk te ondersteunen bij de uitoefening van hun rechten. Als onderdeel van de geïntensiveerde samenwerking worden de politiesystemen continu landelijk gescreend om zicht te krijgen op de aard en omvang van discriminatie-incidenten. Eenheden ontvangen tweewekelijks een overzicht hiervan, zogenoemde zaakslijsten, en de politie neemt deze informatie mee naar het regionaal discriminatieoverleg (RDO) met het OM en de ADV's. Deze overzichten zijn bedoeld om de discriminatie-incidenten te monitoren en om gezamenlijk afspraken te maken over een betekenisvolle afdoening. Jaarlijks wordt met de partners gekeken of de afspraken nog aansluiten bij de wensen en behoeften van de partners om goed samen te werken binnen het RDO. De eerste evaluatie van de afspraken in het convenant van 2020 heeft in 2021 plaatsgevonden.
Daarnaast ben ik, zoals bij de beantwoording van vraag 9 aangegeven, momenteel in gesprek met de VNG over hoe gezamenlijk tot een versterking van de lokale aanpak van discriminatie gekomen kan worden. De komende periode zullen de behoeften en knelpunten van gemeenten op het gebied van de aanpak van discriminatie in kaart worden gebracht door middel van het organiseren van bijeenkomsten voor gemeenten.
Activiteiten door radicaal-extremistische dierenactivisten |
|
Thom van Campen (VVD), Ingrid Michon (VVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Henk Staghouwer (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met strafbare activiteiten door radicaal-extremistische dierenactivisten, zoals stalbezettingen, inbraak, brandstichting, lastercampagnes en online intimidatie?
Ja, ik ben bekend met het feit dat er dierenrechtenextremisten zijn die in het verleden strafbare feiten hebben gepleegd. Waar het Openbaar Ministerie (OM) hier aanleiding toe zag zijn deze personen vervolgd. Ik hecht er waarde aan onderscheid te maken tussen dierenrechtenextremisten die strafbare feiten plegen en dierenrechtenactivisten die geen strafbare feiten plegen. Van beiden hebben we voorbeelden gezien.
Kunt u een overzicht geven van dergelijke strafbare activiteiten op en rond een agrarisch bedrijf in de afgelopen 10 jaar? Kunt u daarbij onderscheid maken tussen het type activiteit, zoals stalbezettingen, inbraak, brandstichting, lastercampagnes en online intimidatie?
Zie antwoord 3.
Hoe vaak is in de afgelopen 10 jaar aangifte gedaan tegen vormen van strafbare feiten die zijn gerelateerd aan radicaal-extremistisch dierenenactivisme en hoe vaak is in die gevallen overgegaan tot vervolging? Wat en op basis van welk strafbaar feit is in die gevallen de opgelegde straf geweest?
Het is voor de politie en het OM niet mogelijk om een overzicht te geven van de afgelopen 10 jaar betreffende dergelijke strafbare activiteiten op en rond een agrarisch bedrijf of aangiften tegen vormen van strafbare feiten die gerelateerd zijn aan dierenrechtenextremisme. De verklaring hiervoor is dat er geen specifieke classificering is met betrekking tot dierenrechtenextremisme. Hierdoor kan uitsluitend op zoektermen gezocht worden en zouden alle zaken handmatig door specialisten gescreend moeten worden om vast te stellen of het binnen de vraag valt.
Bent u van mening dat de opgelegde straffen efficiënt, doeltreffend en afdoende zijn? Zo nee, bent u van mening dat hier nader onderzoek naar moet worden verricht?
Het is aan de rechter voorbehouden om de meest aangewezen straf – naar soort, lengte of omvang en modaliteit – te bepalen. Hij weegt daarbij alle factoren tegen elkaar af die hij voor het bepalen van de straf van belang acht. Mocht uit jurisprudentie blijken dat het huidige strafmaximum in de praktijk ontoereikend is, dan zal in gevolg daarvan onderzoek worden gedaan.
Wat is de rol van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), de groene buitengewoon opsporingsambtenaren (BOA) en de politie bij de signalering, opsporing en het voorkomen van deze strafbare activiteiten? Hebben zij daarbij in uw ogen voldoende handhavingsmiddelen om strafbare activiteiten tegen te gaan?
De politie heeft tot taak in ondergeschiktheid aan het bevoegd gezag en in overeenstemming met de geldende rechtsregels te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven. Op lokaal niveau treedt de politie op onder het gezag van de burgemeester als het de openbare orde betreft. Waar het gaat om strafrechtelijke handhaving, treedt de politie op onder het gezag van de officier van justitie. Voor de politie geldt dat er sprake is van een onderbezetting waarmee het gezag rekening moet houden in de keuzes die het maakt met betrekking tot de inzet van de politiecapaciteit. Er wordt alles aan gedaan om dit capaciteitsprobleem op te lossen, echter zal dit enige tijd kosten.
In beginsel is de politie verantwoordelijk voor de opsporing van strafbare feiten die gepleegd zijn door dierenrechtenextremisten. De Inlichtingen- en Opsporingsdienst (IOD) van de NVWA en de groene BOA´s hebben hierin dan ook geen specifieke rol. Het is wel mogelijk dat de NVWA-IOD of de groene BOA´s op dergelijke signalen stuiten, in dat geval worden deze signalen doorgeleid aan de politie. Daarnaast kan het zo zijn dat de politie informatie opvraagt bij de NVWA of aan de groene BOA’s. Zij hebben dus een beperkte ondersteunende rol met betrekking tot dit onderwerp.
Bent u bekend met de toezegging van uw ambtsvoorganger om de aanpak van dierenextremisme aan te scherpen en meer prioriteit te geven?1 Zo ja, op welke wijze gaat u hier opvolging aan geven?
Ja ik ben mij er van bewust dat dit grote impact kan hebben. Mijn ambtsvoorganger heeft hierover op 6 december 2021 een gesprek gevoerd met vertegenwoordigers Land- en Tuinbouworganisatie Nederland (LTO Nederland), Producentenorganisatie Varkenshouderij (POV), Nederlandse Melkveehouders Vakbond (NMV), Nederlandse Vakbond Pluimveehouders (NVP) en Vee & Logistiek Nederland. Naar aanleiding van de stalbezetting in Boxtel in 2019 hebben de politie en mijn ambtsvoorganger afspraken gemaakt met de brancheorganisaties over uitwisseling van informatie en het instellen van contactpunten bij de politie, zodat in het geval van een incident snel gehandeld kan worden. Eind 2019 is er een factsheet opgesteld voor boerenbedrijven en organisaties die te maken kunnen krijgen met dierenrechtenextremisme waaronder ook strafbare uitingen. Dit factsheet is ook met uw Kamer gedeeld2 en is terug te vinden op de website van LTO. Daarnaast heeft de politie ook een handelingskader opgesteld, met operationele adviezen voor de politie in het hele land3. Dit handelingskader wordt naar aanleiding van de aangenomen motie van Van der Plas (BBB) op 25 november 20214 ter beschikking gesteld aan de regionale eenheden zodat het kan worden betrokken bij overleggen over dit thema in de lokale driehoeken (burgermeester, politie, OM).
Tijdens het gesprek op 6 december jl. heeft mijn ambtsvoorganger de bovenstaande afspraken bevestigd en daarnaast toegezegd om te onderzoeken of strafverzwaring kansrijk is en bij de VNG na te gaan of het mogelijk is een last onder dwangsom op te nemen in de APV. Echter, opname in de APV lijkt niet mogelijk daar een verbod op het betreden van privéterrein niet valt onder de gemeentelijke verordenende bevoegdheid. Daarnaast gaat het departement van het Ministerie van Justitie en Veiligheid in gesprek met Europol over (het signaleren van) grensoverschrijdend dierenrechtenextremisme. Nog voor de zomer zal er per brief naar, of in gesprek met, de brancheorganisaties een toelichting gegeven worden op de gemaakte toezeggingen tijdens het gesprek op 6 december jl. en daarnaast zullen de al gemaakte afspraken worden geëvalueerd.
Met betrekking tot het gevoel van onveiligheid en bedreiging kan ik uw Kamer het volgende meegeven. De NCTV duidt alle mogelijke dreigingen in het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland. Daaruit blijkt dat de Nederlandse dierenrechtenbeweging al lange tijd klein is en zich voornamelijk uit in vreedzame demonstraties. Als bij acties van dierenrechtenextremisten overtredingen of misdrijven worden gepleegd, zal de politie onder aansturing van het lokaal gezag optreden. Gelet op de huidige maatschappelijke vraagstukken en ontwikkelingen, is het begrijpelijk dat boerenfamilies en hun werknemers die hiermee te maken krijgen zich onveilig voelen. Actievoeren is toegestaan, maar als sprake is van strafbare feiten, voorbereidingshandelingen of vormen van extremisme zal er worden opgetreden. Hier is en blijft aandacht voor bij de betrokken diensten.
Echter begrijp ik dat er ook zorgen zijn vanuit deze branche en zie ik dat de incidenten grote gevolgen kunnen hebben. Niet alleen kan het een enorme impact hebben op de betrokken boerenfamilies en hun werknemers maar ook op het welzijn en de gezondheid van het dier. In het geval van een gevoel van onveiligheid verzoeken we de families en hun werknemers om contact op te nemen met het contactpunt bij de Politie. Naar aanleiding van een incident kan er ook contact gezocht worden met Slachtofferhulp Nederland. Zij kunnen niet alleen helpen met praktische hulp bij een strafproces en eventuele ondersteuning bij het vergoed krijgen van mogelijke schade maar ook bij emotionele steun.
Wat is het verschil in strafmaat tussen artikel 138 Wetboek van Strafrecht (Sr) (inbraak en huisvredebreuk) en artikel 461 Sr (verboden toegang)? Bent u het eens met de stelling dat waar sprake is van insluiping bij boerenbedrijven dit eigenlijk op soortgelijke wijze dient te worden vervolgd als (poging tot) inbraak? Zo nee, waarom niet?
Huisvredebreuk is een misdrijf dat wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of een geldboete van de derde categorie (artikel 138, eerste lid, Sr). Indien een betrokkene bij de huisvredebreuk bedreigingen uit of zich bedient van middelen geschikt om vrees aan te jagen, kan een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaar of een geldboete van de vierde categorie worden opgelegd (artikel 138, derde lid, Sr). Indien de huisvredebreuk door twee of meer verenigde personen wordt gepleegd, kunnen de hiervoor genoemde strafmaxima met een derde worden verhoogd. Artikel 461 Sr (verboden toegang) is een overtreding die wordt bestraft met een geldboete van de eerste categorie. Het is aan het OM om afhankelijk van de omstandigheden te bepalen of vervolging aangewezen is en – zo ja – welke feiten ten laste worden gelegd.
Herkent u de zorgen van sectoren binnen de veehouderij over het ontbreken van juridische grondslagen op grond waarvan radicaal-extremistisch dierenactivisme kan worden aangepakt? Zo ja, op welke wijze gaat u deze omissies invullen? Zo nee, waarom niet?
Ik begrijp goed dat de sectoren binnen de veehouderij zorgen hebben over het binnendringen bij hun bedrijven. Mijn ambtsvoorganger is daarom ook in gesprek gegaan met de brancheorganisaties over hun zorgen en heeft werkafspraken met hen gemaakt. Deze werkafspraken zijn te lezen bij het antwoord op vraag 6 en 9. Echter is het zo dat wanneer er sprake is van strafbare gedragingen door dierenrechtenextremisten er voldoende juridische grondslag is voor de politie en het OM om hierop te handelen.
Bent u zich bewust van het feit dat de strafbare activiteiten door radicaal-extremistische dierenactivisten grote gevolgen kunnen hebben voor het welzijn en de gezondheid van het dier en ook enorme impact kan hebben op de betrokken gezinnen? Begrijpt u dat dit leidt tot een groot gevoel van onveiligheid en bedreiging? Zo ja, hoe gaat u dit gevoel wegnemen? Zo nee waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
In hoeverre verwacht u dat de recente rechtspraak omtrent het bekendmaken van bedrijfsgegevens in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) gaat zorgen voor een toename van strafbare activiteiten door radicaal-extremistische dierenactivisten?
Op 19 januari 2022 heeft de Raad van State besloten over het openbaar maken van de adresgegevens van PAS-melders (ECLI:NL:RVS:2022:138)5. In alle gevallen is geoordeeld dat hier sprake is van milieu-informatie waaraan een zwaar maatschappelijk belang van openbaarmaking toegekend wordt. Voor de samenleving is het belangrijk om met deze gegevens te kunnen bepalen of op correcte wijze toestemming voor activiteiten is verleend. Dit maatschappelijk belang is vastgelegd in het verdrag van Aarhus6.
Op basis van bestaande uitzonderingsgronden heeft de Raad van State geoordeeld dat er geen reden was om de adresgegevens van de bedrijven met een PAS-melding niet openbaar te maken. Er zijn geen aanwijzingen dat er gevreesd moet worden voor acties van dierenrechtenextremisten op basis van de openbaring van deze gegevens. Daarnaast is het goed om te vermelden dat wetsvoorstel strafbaarstelling gebruik persoonsgegevens voor intimiderende doeleinden, ook wel aangeduid als «doxing» momenteel ter beoordeling bij de Raad van State ligt. Met dit wetsvoorstel geeft het kabinet invulling aan het voornemen om stevig stelling te nemen tegen de verspreiding van adressen met het doel om anderen vrees aan te jagen of te intimideren. Wanneer er toch signalen van verdachte situaties zijn dan kunnen deze zoals in het eerder beschreven factsheet worden doorgegeven aan het contactpunt bij de Politie
Het interventieteam in Groningen |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Hans Vijlbrief (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat er 50 miljoen euro is gereserveerd voor het interventieteam uit het bestuursakkoord in Groningen, dat ingeschakeld kan worden wanneer mensen erg zijn vastgelopen in de schadeafhandeling en/of versterking van hun huis, ook wel schrijnende situaties genoemd?1 Zo ja, waar is dat bedrag op gebaseerd? Van hoeveel «schrijnende situaties» is er uitgegaan? Van welk gemiddeld bedrag per persoon met een vastgelopen dossier is uitgegaan?
Ja, dat klopt. Op het moment van vaststellen van de hoogte van het bedrag was nog niet in beeld om hoeveel situaties het exact zou gaan en welke bedragen hierbij zouden komen kijken. Er is daarom gekozen om een ruim budget op te nemen voor vastgelopen situaties.
Is 50 miljoen euro voldoende voor alle «schrijnende situaties»? Geldt hier ook: wie het eerst komt, het eerst maalt? Wat gaat u doen voor de «schrijnende situaties» die er nog zijn als het geld op is?
Het bedrag is op het moment van beantwoording van deze vragen toereikend. Op dit moment is 1,2 miljoen euro van beschikbaar gestelde bedrag van 50 miljoen euro aangewend om vastgelopen dossiers op te lossen. Dit komt onder meer omdat het interventieteam samen met het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) en de Nationaal Coördinator Groningen (NCG) ook oplossingen vindt in de reguliere processen van schadeafhandeling en versterking. In deze gevallen wordt het budget van 50 miljoen euro niet aangesproken, omdat de oplossingen betaald worden uit de reguliere middelen voor schade of versterken. Ik blijf de uitputting van de middelen volgen.
In hoeverre worden gedupeerden betrokken bij het «maatwerk»? Hoeveel rekening wordt er gehouden met de wensen van de bewoners? Herkent u bijvoorbeeld het beeld dat mensen in een schrijnende situatie gedwongen worden akkoord te gaan met een voorstel van het interventieteam, omdat er letterlijk gezegd wordt: «Mocht u niet kunnen instemmen met de inhoud van de vaststellingsovereenkomst zoals die nu voorligt, dan ziet het interventieteam zich genoodzaakt haar bemiddeling te staken»?
Het interventieteam is erop gericht om in vastgelopen situaties een passende maatwerkoplossing te zoeken samen met de bewoners. Er wordt getracht zoveel mogelijk aan te sluiten bij de wensen van de bewoners. Het doel van het interventieteam is om bewoners in vastgelopen situaties perspectief te bieden, opdat zij verder kunnen met hun leven. Het interventieteam heeft hiertoe een ruim mandaat. Het interventieteam zoekt wanneer nodig naar oplossingen buiten de bestaande kaders. Er worden scenario’s bedacht en besproken met de bewoners en uiteindelijk worden één of meerdere oplossingen aangeboden. Wat nodig en passend is, verschilt per casus en wordt ook per casus beoordeeld. Het interventieteam legt altijd één of meerdere oplossingsrichtingen en aanbiedingen voor, waarmee – naar het oordeel van het interventieteam – de vastgelopen situatie weer vlot getrokken kan worden. Het is vervolgens aan de bewoners zelf om wel of niet, en zo ja op welk voorstel, in te gaan. Er zijn helaas situaties waar intensieve bemiddeling niet leidt tot een oplossing. Als het ondanks de inspanningen van het interventieteam en de bewoner niet lukt om tot een oplossing te komen, komt er een finaal aanbod van het interventieteam. Het is dan aan de bewoner om te besluiten of hij of zij wel of niet van het aanbod gebruik wil maken. In enkele situaties heeft dit ertoe geleid dat de bemiddeling is gestopt. Op individuele situaties kan ik helaas niet ingaan.
Wat gaat u doen voor mensen die onder dwang een vaststellingovereenkomst hebben getekend, maar waarbij later blijkt dat zij benadeeld zijn door het interventieteam?
Zoals beschreven in het antwoord op vraag 3 is het interventieteam erop gericht om in vastgelopen situaties een passende maatwerkoplossing te vinden samen met de bewoners. Het interventieteam doet dit vanuit een onafhankelijke positie. Het kan gebeuren dat ondanks de inspanningen van het interventieteam toch niet tot een oplossing gekomen kan worden die ook door de bewoners gedragen wordt. Ik ga ervan uit dat het interventieteam in dergelijke gevallen er alles aan gedaan heeft om, binnen het brede mandaat, tot een gedragen oplossing te komen. Het signaal dat bewoners onder dwang een overeenkomst hebben getekend, herkent het interventieteam niet.
Wat wordt precies bedoeld met «op te lossen»? Is het doel om gedupeerden in een schrijnende situatie schadeloos te stellen, zodat deze mensen verder kunnen met hun leven? Zo nee, wilt u uw antwoord toelichten? Vindt u bijvoorbeeld het advies: «U kunt zich beter failliet laten verklaren» een oplossing voor een «schrijnende situatie»? Wilt u uw antwoord toelichten?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 heeft het interventieteam de opdracht om bewoners in vastgelopen situaties perspectief te bieden, opdat zij verder kunnen met hun leven. Het interventieteam zoekt daarbij wanneer nodig naar oplossingen buiten de reguliere kaders. Het schadeloosstellen is de taak van het Instituut Mijnbouwschade Groningen dat de schade afhandelt. Ik kan niet ingaan op specifieke casuïstiek.
Hoe tijdelijk is deze regeling? Wanneer verwacht u dat deze eindigt? Denkt u dat alle «schrijnende situaties» dan opgelost zijn?
Zolang het nodig is, zal er een grondslag zijn om vastgelopen situaties in Groningen op te lossen. Het huidige mandaat van het interventieteam loopt tot de inwerkingtreding van het wetsvoorstel tot Wijziging van de Tijdelijke wet Groningen in verband met de versterking van gebouwen in de provincie Groningen (hierna: wetsvoorstel), waarmee de versterking wettelijk geregeld wordt (Kamerstuk I, 35 603, nr. A). Na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel kan de taak die nu is gemandateerd per ministeriële regeling aan het IMG opgedragen worden. Een grondslag hiervoor is in dit wetsvoorstel opgenomen.
Waaruit bestaat de bijdrage, naast de financiële bijdrage, die Rijk en Regio willen leveren aan schrijnende situaties?
Het interventieteam is opgericht om onafhankelijk te kijken naar wat nodig is in vastgelopen situaties. De geboden hulp en ondersteuning kan bijvoorbeeld zijn het aanbieden van bouwbegeleiding, het opkopen van een woning, zodat tijdelijke huisvesting gewaarborgd is totdat er een andere duurzame oplossing is gevonden, het overnemen van de hypotheekschuld of bijvoorbeeld het plaatsen van tijdelijke woonunits. Waar het interventieteam dat wenst zullen het Rijk en de Regio het interventieteam daarbij ondersteunen.
Wat is het verschil tussen de Commissie Bijzondere Situaties en het Interventieteam?
De Commissie Bijzondere Situaties (CBS) ondersteunt bewoners waar meervoudige problematiek speelt; naast erkende aardbevingsschade of versterking kunnen er ook problemen spelen op medisch, psychisch, financieel of sociaal vlak. Het interventieteam springt in wanneer bewoners vastlopen in de reguliere processen, bijvoorbeeld door samenloop van schade en versterking. Hierbij kunnen ook andere problemen een rol spelen, maar anders dan bij de CBS is dat geen criterium om in aanmerking te komen.
Komt het interventieteam bij mensen thuis of moeten bewoners naar het interventieteam toe? Waar moeten bewoners zich dan melden?
Bewoners kunnen zich bij gemeenten melden voor het inschakelen van het interventieteam. Als bij de behandeling van een casus een huisbezoek bijdraagt aan het beter inzicht krijgen in de specifieke situatie, dan komt het interventieteam bij bewoners op bezoek. Daarnaast vinden gesprekken plaats op het kantoor van de NCG, het IMG of op een van de gemeentehuizen in de regio. De NCG, het IMG en gemeentes kunnen situaties voordragen aan het interventieteam. Bewoners kunnen zich bij gemeenten melden; de desbetreffende gemeente beoordeelt of een situatie in aanmerking komt voor het interventieteam.
Wanneer hebben gemeenten met maatschappelijke organisaties de inventarisatie gemaakt van de bestaande problematiek? Hoeveel «schrijnende situaties» uit de inventarisatie zijn inmiddels aangemeld bij het interventieteam? Door wie zijn ze aangemeld? Door wie kunnen ze aangemeld worden? Hoeveel «schrijnende situaties» uit de inventarisatie zijn nog niet aangemeld bij het interventieteam? Waarom zijn zij nog niet aangemeld?
Na de bestuurlijke afspraken versterking Groningen (6 november 2020) is begonnen met het inventariseren van de problematiek. In opdracht van de regio is er een inventarisatie gedaan van de problematiek bij gemeenten, het IMG en de NCG. Vastgelopen situaties kunnen door de gemeenten, via hun burgemeester, doorlopend aangemeld worden bij het interventieteam. Daarnaast kunnen het IMG en de NCG ook vastgelopen situaties aanmelden bij het interventieteam. Momenteel zijn er 22 vastgelopen situaties aangemeld bij het interventieteam. Hiervan zijn er twintig aangemeld door gemeenten, één door het IMG en één door de NCG. Daarnaast is er structureel overleg met vertegenwoordigers van de aardbevingsgemeenten over dossiers die dreigen vast te lopen. Dit betreft een lijst van ongeveer tachtig adressen. Op adresniveau wordt bekeken welke acties nodig zijn om te voorkomen dat de situatie vastloopt of hoe deze weer vlot getrokken kan worden.
Binnen welke kaders opereren de leden van het interventieteam? Waar zijn die te vinden? Worden gedupeerden hier van tevoren van op de hoogte gebracht?
Het interventieteam heeft een ruim mandaat gekregen. U kunt dit besluit vinden op de website van de overheid.2 Aan de hand van dit mandaat heeft het interventieteam de mogelijkheid om maatwerk oplossingen te bieden in vastgelopen situaties. Daarnaast doet het interventieteam een beroep op bestaande regelingen bij de NCG en het IMG. Het interventieteam kan ook een beroep doen op andere regelingen, zoals gemeentelijke regelingen. In overleg met bewoners, melden gemeenten bewoners aan bij het interventieteam.
Kunt u de Kamer een overzicht sturen waarin staat opgenomen welke taken en verantwoordelijkheden leden van het interventieteam hebben? Wie zitten er in het interventieteam? Zijn dit mensen die zich fulltime inzetten voor «schrijnende situaties»? Wat is de doorlooptijd voor het oplossen van een «schrijnende situatie»? Zijn daar eisen aan gesteld? Zo ja, welke? Zijn de leden van het interventieteam onafhankelijk en zetten zij de belangen van gedupeerden op de eerste plek? Waar blijkt dat uit?
De taken en verantwoordelijkheden zijn vastgelegd in het mandaatbesluit. Hiervoor verwijs ik u naar het antwoord op vraag 11. Het interventieteam bestaat uit een onafhankelijke voorzitter, een vertegenwoordiger van het IMG en een vertegenwoordiger van de NCG. De leden zijn niet fulltime beschikbaar en worden in hun taken ondersteund door een groep medewerkers van de NCG en het IMG. Per individuele situatie verschilt wat nodig is om tot een oplossing te komen. De inzet is om de situatie op te lossen, zodat een bewoner weer verder kan met zijn of haar leven. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 3. De doorlooptijd verschilt vanwege de individuele aanpak per vastgelopen situatie; hier zijn geen eisen aan gesteld.
Worden er verslagen van gesprekken gemaakt, waar gedupeerden mee instemmen, zodat afspraken van beide kanten duidelijk zijn?
Voordat het interventieteam bewoners een oplossingsrichting biedt, wordt deze besproken met bewoners. Afspraken die het interventieteam met bewoners maakt, worden altijd vastgelegd. Dit gebeurt op verschillende manieren: in de vorm van een gespreksverslag of in de vorm van een brief aan de bewoners. Als in een brief de afspraken en oplossingsrichtingen verwoord worden, wordt de bewoners vervolgens gevraagd om op de brief te reageren of voor akkoord te ondertekenen.
Wat wordt precies bedoeld met de zin uit het bestuursakkoord: «Funderingsproblematiek zonder relatie met schade en versterking valt buiten de scope van deze tijdelijke regeling»? Wordt de funderingsproblematiek buiten deze regeling gehouden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Als het gaat om de problematiek van de gebouwen in technische zin, behandelt het interventieteam alleen problematiek die te relateren is aan schade en versterking. Funderingsproblematiek die hieraan gerelateerd is, kan derhalve behandeld worden.
Klopt het dat het interventieteam hypotheken verstrekt namens De Staat der Nederlanden, als onderdeel van een «oplossing»? Zo ja, wat zijn dan de condities? Verschillen de voorwaarden van deze hyptheken van de voorwaarden van hypotheken verstrekt door banken? Waarom wordt gekozen voor een hypotheek en niet voor een andere vorm van geldverstrekking?
Een mogelijke oplossing kan zijn dat de Staat der Nederlanden een hypotheek verstrekt of overneemt van een bank. Dit is echter geen gebruikelijke oplossing. In één situatie heeft het interventieteam aan het IMG en de NCG geadviseerd om namens de Staat een lening (met recht van hypotheek) te verstrekken aan bewoners, omdat de bank de overeenkomst van geldlening had opgezegd en dreigde de woning van de bewoners executoriaal te verkopen. Over de specifieke voorwaarden kan ik geen mededelingen doen.
Kan het interventieteam ook gebruikmaken van versterkingskosten van de Nationaal Coördinator Groningen of wordt alles betaald uit de pot van 50 miljoen euro?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 2.
Hoe staat het met het monitoren van deze regeling? Klopt het dat er eind 2021 een evaluatie plaats zou vinden? Zo ja, kunt u die de Kamer doen toekomen?
Het interventieteam heeft een tussentijdse rapportage opgesteld. Deze is recent per Kamerbrief met de Kamer gedeeld.3 Voor het zomerreces wordt een nieuwe rapportage opgesteld. Zoals toegezegd in de eerder genoemde Kamerbrief wordt ook deze rapportage met uw Kamer gedeeld.
Gaat dit monitoren slechts over de causaliteit tussen verergering van schade, het veiligheidsniveau van de woning en het ontstaan van nieuwe schade of wordt er ook gemonitord hoe het met de bewoners van de woning gaat, of ze hun leven weer op kunnen pakken en of ze schadeloos zijn gesteld? Kunt u uw antwoord toelichten?
De rapportage gaat in op de voortgang van de afhandeling van vastgelopen situaties.
Kan in een overzicht worden weergegeven hoeveel geld er na een half jaar is gebruikt van de 50 miljoen euro? Welk deel is daarvan terecht gekomen bij gedupeerden? Welk deel dekt de proceskosten?
In de recente rapportage van december 2021 is geen financieel overzicht opgenomen. In de volgende rapportage zal dit wel het geval zijn. Het budget van 50 miljoen euro wordt niet gebruikt om proceskosten te dekken. De onafhankelijke voorzitter is onbezoldigd. In het antwoord op vraag 2 is aangegeven dat het interventieteam tot nu toe 1,2 miljoen euro besteed heeft.
Kan er ook geld van het «knelpuntenbudget» ingezet worden voor het oplossen van knelpunten in «schrijnende situaties»? Kunt u uw antwoord toelichten?
Bij vastgelopen situaties zal waar mogelijk gezocht worden naar een oplossing binnen bestaande reguliere kaders. Dit betekent dat ook de knelpuntenpot ingezet kan worden bij het realiseren van een oplossing: de knelpuntenpot is onderdeel van het budget dat de NCG binnen de reguliere werkwijze heeft om knelpunten op te lossen. Wanneer een vastgelopen situatie niet op een reguliere manier opgelost kan worden, kan er een beroep gedaan worden op het budget voor vastgelopen situaties.
De veroordeelde moslimterrorist Soumaya Sahla |
|
Geert Wilders (PVV) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Wilt u deze vragen niet door uw collega-bewindslieden maar zelf beantwoorden en ook per vraag afzonderlijk?
Ja
Vanaf wanneer precies bent u persoonlijk op de hoogte van het feit dat Soumaya Sahla veroordeeld is voor het lidmaatschap van een terroristische organisatie – de Hofstadgroep – en verboden wapenbezit?
Zoals ik op 28 januari jl. na de ministerraad tegenover media heb gezegd, heb ik een kennismakingsgesprek gehad met Soumaya Sahla en Frits Bolkestein op het Ministerie van Algemene Zaken. Dit was op 26 september 2019. Van de genoemde veroordeling ben ik eerder, op een niet meer te achterhalen moment, op de hoogte geraakt.
Hoe vaak heeft u haar sinds haar veroordeling ontmoet in uw functie als Minister-President en partijleider van de VVD?
Buiten de genoemde afspraak heb ik, voor zover na te gaan, geen ontmoetingen met Soumay Sahla gehad.
Is Soumaya Sahla op het Ministerie van Algemene Zaken en het Torentje geweest sinds haar veroordeling? Zo ja, hoe vaak, wanneer precies en wat was het doel van het bezoek? Is het waar dat zij in ieder geval in 2019 te gast was bij u in het Torentje? Was dat om onder andere de mogelijkheid van een betaalde indiensttreding te bespreken? Zo nee, waarom dan wel?
Zie de antwoorden op vragen 2 en 3. Zoals ik op 28 januari jl. tegenover media heb gezegd, ga ik niet verder in op de inhoud van dergelijke gesprekken.
Heeft zij sinds haar veroordeling nog andere ministeries en bewindslieden bezocht en gesproken, zo ja welke en wie precies, wanneer en waarom?
Mij is hierover geen informatie bekend, behoudens hetgeen mij bekend is geworden bij de beantwoording door de Ministers van Justitie en Veiligheid en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van de op 26 januari j.l. gestelde schriftelijke vragen (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 1532)
Heeft Soumaya Sahla Nederlandse delegaties bij de NAVO, EU of andere internationale organisaties bezocht? Zo ja, hoe vaak, wanneer precies en waarom?
Mij is hierover geen informatie bekend, behoudens hetgeen mij bekend is geworden bij de beantwoording door de minsters van Justitie en Veiligheid en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van de op 26 januari j.l. gestelde schriftelijke vragen (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 1532).
Realiseert u zich dat Soumaya Sahla tijdens haar arrestatie samen met moslimterrorist Noureddin El Fahtni in het bezit was van een doorgeladen Kroatisch automatisch geweer – een Agram 2000 – en tussen hem en de politie in ging staan terwijl ze Allahu Akbar riep – om hem de kans te geven het automatisch geweer tegen de politie te gebruiken? Wat vindt u daarvan? Vindt u het gepast zo iemand als premier te in het Torentje te ontmoeten en jarenlang adviseur te laten zijn van de partij waar u partijleider van bent, de VVD?
De rechter heeft Soumaya Sahla in 2014 veroordeeld. Het past mij niet te reflecteren op een uitspraak van de rechter.
Bij mijn ontmoeting met haar op het Ministerie van Algemene Zaken was ik op de hoogte van haar veroordeling, maar ik heb daaraan niet de conclusie vebonden dat ik haar daarom niet zou kunnen ontvangen. Voor vragen die de VVD betreffen, verwijs ik u naar de VVD.
Herinnert u zich uw uitspraak gedaan tijdens de wekelijkse persconferentie op 28 januari jl: «omdat hij (Wilders) het zo stevig agendeerde tijdens het debat over de Regeringsverklaring, was dat voor ons aanleiding om dieper naar de hele materie te kijken, waarna we ontdekten dat ze geen spijt heeft betuigd. Dat was een nieuw punt, en daar hebben we deze week naar gehandeld»?
Ja
Hoe is het mogelijk dat u zich dat toen pas realiseerde? Waarom heeft u daar niet eerder aan gedacht? Ging en bij u geen belletje rinkelen toen ik u eerder schriftelijke vragen over haar stelde? Is het geen smoes om uw falen te verhullen? Bent u het met mij eens dat een persoon veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf voor het lidmaatschap van een terroristische organisatie en verboden wapenzit nooit en te nimmer adviseur nationale veiligheid van de partij van de premier mag worden ook niet als ze excuses maakt?
Zoals ik op 28 januari ook tegenover media heb gezegd, kan ik achteraf slechts vaststellen daar destijds niet aan te hebben gedacht. Ik kan hier slechts vragen beantwoorden in mijn hoedanigheid als Minister-President. Voor vragen die de VVD betreffen, verwijs ik u naar de VVD.
Welke invloed heeft u zelf precies gehad in het aannemen van Soumaya Sahla als adviseur nationale veiligheid van de partij waar u partijleider van bent – de VVD – en welke invloed heeft u gehad bij het neerleggen van die functie door haar?
Hier kan ik slechts vragen beantwoorden in mijn hoedanigheid als Minister-President. Voor vragen die de VVD betreffen, verwijs ik u naar de VVD.
Bent u bekend met het islamitische begrip taqqiya? Weet u ook wat de soennitische Korangeleerde Ibn Kathir hierover heeft gezegd namelijk dat moslims zich aan de buitenkant vriendschappelijk jegens ongeloven mogen tonen maar dat zij die vriendschap nooit van binnen mogen voelen? Realiseert u zich dat ook veroordeelde moslimterroristen te allen tijde opnieuw, en voor de naïeve delen van de buitenwereld onverwacht, tot geweld en terreur kunnen overgaan? Welke conclusie verbindt u daaraan voor uw partijgenoten en (voormalig) adviseurs nationale veiligheid?
Hier kan ik slechts vragen beantwoorden in mijn hoedanigheid als Minister-President. Voor vragen die de VVD betreffen, verwijs ik u naar de VVD.
Herinnert u zich uw woorden tijdens de persconferentie van 28 januari, namelijk dat Soumaya Sahla «voorlopig» niet mag optreden als adviseur van de partij van de premier, de VVD. Wat is «voorlopig»? Betekent dit dat u niet uitsluit dat deze veroordeelde terrorist later opnieuw adviseur kan worden van de partij van de premier van Nederland? Zo ja, bent u helemaal gek geworden?
Hier kan ik slechts vragen beantwoorden in mijn hoedanigheid als Minister-President. Voor vragen die de VVD betreffen, verwijs ik u naar de VVD.
Kunt u uitleggen waarom de NCTV – een dienst die gericht zou moeten zijn op terrorismebestrijding – heeft gesproken met een veroordeelde terrorist die haar jarenlange veroordeling voor terrorisme een «showproces» noemde en op dat moment in het openbaar nog geen millimeter afstand had genomen van haar jihadistische gedachtegoed? Wanneer precies heeft Soumaya Sahla met de NCTV gesproken en hoe vaak?
Zoals aan uw Kamer geantwoord in reactie op Kamervragen van 26 januari 2022 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 1532), doet de NCTV als nationaal coordinator terrorismebestrijding kennis op bij relevante organisaties en personen. Inzichten opgedaan door NCTV medewerkers over radicaliseringsprocessen en over de gang van zaken binnen extremistische groepen kunnen bijdragen bij aan het versterken van de aanpak van terrorismebestrijding.
Tegen deze achtergrond is, zoals aan uw Kamer gemeld, door experts van de NCTV enkele keren met Soumaya Sahla gesproken. Wanneer en hoe vaak is niet precies te herleiden, omdat het hier informele gesprekken betrof.
Wat is er besproken tussen terroriste Sahla en de AIVD? Is er ooit sprake geweest van advisering, een betaalde betrekking of samenwerking in welke vorm dan ook? Is het waar dat deze terroriste ook contacten onderhield met de secretaris-generaal van de AIVD? Zo ja, is dat nog steeds zo? Indien u deze vragen niet in de openbaarheid kan beantwoorden, wilt u dan zorgdragen voor beantwoording in de commissie Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (Cie IVD) van de Tweede Kamer der Staten-Generaal? Zo neen, waarom niet?
Zoals reeds geantwoord op uw eerder gestelde schriftelijke vragen omtrent deze casus, gaat de AIVD in het openbaar niet in op vragen over zijn handelen.
Heeft Soumaya Sahla in het verleden op enigerlei wijze advies gegeven aan, een opdracht uitgevoerd namens, gesproken op een conferentie of bijeenkomst van, of op welke manier dan ook enige betrokkenheid gehad bij andere (semi-) overheidsinstellingen? Zo ja, graag een uitputtend overzicht per activiteit, inclusief datum, onderwerp en gage.
Mij is hierover geen informatie bekend, behoudens hetgeen mij bekend is geworden bij de beantwoording door de minsters van Justitie en Veiligheid en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van eerdere schriftelijke vragen (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 1532).
Welke functies, bijdragen, activiteiten of werkzaamheden dan ook heeft Sahla naast het voorzitterschap van de «thematische tafel terrorisme en radicalisering» nog meer uitgevoerd of bijgewoond bij de VVD op bijeenkomsten waar leden van de Staten-Generaal en/of de regering bij aanwezig waren?
Hier kan ik slechts vragen beantwoorden in mijn hoedanigheid als Minister-President. Voor vragen die de VVD betreffen, verwijs ik u naar de VVD.
Is het u bekend waarom de oud-partijleider van de VVD en oud-minister van Defensie – de heer Bolkestein – idolaat is van veroordeelde moslimterrorist Soumaya Sahla en haar in invloedrijke gremia en bij invloedrijke personen van de VVD heeft geïntroduceerd? Is het waar dat zij bij hem thuis in ingetrokken? Heeft u hem hier ooit voor gewaarschuwd? Zo neen, waarom niet?
Hier kan ik slechts vragen beantwoorden in mijn hoedanigheid als Minister-President. Voor vragen die de VVD betreffen, verwijs ik u naar de VVD.
Wist u als premier in 2015 dat oud-Minister van Defensie Bolkestein de veroordeeld moslimterrorist Soumaya Sahla als gast meenam naar de Ridderzaal voor het bijwonen van de Troonrede? Wist u dat voorafgaand aan Prinsjesdag? Wist de NCTV dit voorafgaand aan Prinsjesdag? Wist de Kamervoorzitter dit voorafgaand aan Prinsjesdag? Wist de Dienst Koninklijke en Diplomatieke Beveiliging (DKDB) dit voorafgaand aan Prinsjesdag? Zo ja, wat is er met die informatie gedaan? Zo neen, waarom niet?
Over de wijze waarop de verantwoordelijken voor de veiligheid van Kamerleden, waaronder de heer Wilders, besluiten over beveiligingsmaatregelen en over welke informatie zij wel of niet beschikken, doet het kabinet geen uitspraken.
Waarom wordt iemand die is veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf wegens lidmaatschap van een terroristische organisatie en verboden wapenbezit niet geroyeerd als lid van de partij van de premier en de toegang tot alle overheidsgebouwen ontzegd?
Hier kan ik slechts vragen beantwoorden in mijn hoedanigheid als Minister-President. Voor vragen die de VVD betreffen, verwijs ik u naar de VVD.
Iedere overheidsorganisatie gaat zelf over de toegang tot de eigen gebouwen.
Waarom kan een tot jarenlange celstraf veroordeelde jihadiste – die tot voor kort op geen enkel moment publiekelijk afstand had genomen van dit verwerpelijke gedachtegoed – lid worden, en zoals u zelf aangaf «vanzelfsprekend» lid blijven van de politieke partij van de premier, de VVD?
Hier kan ik slechts vragen beantwoorden in mijn hoedanigheid als Minister-President. Voor vragen die de VVD betreffen, verwijs ik u naar de VVD.
Waarom maakt de partij waar de premier partijleider van is, de VVD, zich schuldig aan het witwassen van een veroordeelde terrorist?
Hier kan ik slechts vragen beantwoorden in mijn hoedanigheid als Minister-President. Voor vragen die de VVD betreffen, verwijs ik u naar de VVD.
Realiseert u zich dat waar U en uw partij spreken over «ongemak» en het «in de maag zitten» met het schandaal rondom de terroriste Soumaya Sahla, dat dit voor anderen zoals diegene die de Hofstadgroep waar zij deel van uitmaakte wilde vermoorden waaronder ikzelf, dit beledigend en arrogant naïef overkomt? Beseft u zich wel dat de Hofstadgroep ook parlementariërs zoals Ayaan Hirsi Ali en ondergetekende wilde vermoorden? Waarom doet u daar smakeloos luchthartig over?
Bedreigingen door terroristische organisaties behoren tot ernstigste misdrijven in onze samenleving, omdat zij naar hun aard een bedreiging voor de democratische rechtsorde vormen en omdat zij diep ingrijpen in het leven van de personen die zij raken, waaronder de heer Wilders.
Ik doe daarover allerminst luchthartig. De overheid treedt daartegen doortastend en streng op en spant zich tot het uiterste in om degenen die daarvan het slachtoffer zijn, te beschermen.
Wordt het niet hoog tijd voor openlijke excuses van u persoonlijk, van u als partijleider van de VVD en van u als Minister-President vanwege het als VVD jarenlang onderhouden van nauwe banden met een veroordeeld terrorist?
Hier kan ik slechts vragen beantwoorden in mijn hoedanigheid als Minister-President. Voor vragen die de VVD betreffen, verwijs ik u naar de VVD.
Zijn er op dit moment nog andere veroordeelde terroristen actief binnen uw partij, dan wel binnen een (semi-) overheidsinstelling?
Hier kan ik slechts vragen beantwoorden in mijn hoedanigheid als Minister-President. Voor vragen die de VVD betreffen, verwijs ik u naar de VVD. Mij is geen informatie bekend over het personeelsbestand van (semi-) overheidsinstellingen.
Bent u met mij van mening dat veroordeelde terroristen voor altijd de toegang moet worden geweigerd tot plaatsen met een verhoogde dreiging, zoals overheidsgebouwen als ministeries en de gebouwen van de Staten-Generaal? Zo neen, waarom niet?
Een doel van een straf is vergelding en genoegdoening voor slachtoffers en samenleving. Een ander doel is voorkomen dat de dader nog een keer in de fout gaat. Tijdens en na detentie wordt gewerkt aan een veilige re-integratie in de samenleving. Waar gedragsbeInvloeding van terrorismeveroordeelden niet mogelijk blijkt, richten partijen waaronder inlichtingendiensten, zich op het inschatten en mitigeren van de dreiging. Dit is altijd individueel maatwerk. Er zijn daarbij verschillende strafrechtelijke en bestuurlijke mogelijkheden om waar nodig op individuele basis na detentie zicht te houden en vrijheden te beperken. Iedere overheidsorganisatie gaat zelf over de toegang tot de eigen gebouwen.
De Tweede Kamer heeft krachtens artikel 72 van de Grondwet in artikel 152 van het Reglement van Orde regels vastgesteld rondom de toelating van bezoekers tot het gebouw en de vergaderingen. Het presidium kan nadere regels stellen. Het is daarom niet aan mij om te bepalen wie toegang heeft tot gebouwen van de Staten-Generaal.
Bent u met mij van mening dat veroordeelde terroristen voor altijd zowel het passief als het actief kiesrecht zou moeten worden ontnomen? Zo neen, waarom niet?
Het kiesrecht is een grondrecht dat is opgenomen in artikel 4 van de Grondwet. Dit recht mag alleen bij wet worden beperkt. Op grond van artikel 54, tweede lid van de Grondwet kan de strafrechter iemand in specifieke, bij wet aangewezen delicten, en bij een veroordeling voor een vrijheidsstraf van tenminste een jaar, uitsluiten van het actieve en passieve kiesrecht. Het is niet aan mij om een oordeel te hebben over hoe de strafrechter gebruik maakt van deze bevoegdheid.
Bent u het met mij dat een levenslange gevangenisstraf voor leden van terroristische organisaties die tevens veroordeeld zijn voor verboden wapenbezit meer op zijn plaats is dat het worden gefêteerd door VVD-ers en oud-partijleiders?
Het past mij niet te reflecteren op een uitspraak van de rechter. Voor vragen die de VVD betreffen verwijs ik naar de VVD.
Begrijpt u dat ik Soumaya Sahla nooit meer wil tegenkomen?
Van uw wens heb ik kennis genomen.
Kunt u mij beloven dat Soumaya Sahla nooit en te nimmer een voet in de Tweede Kamer zal zetten zodat ik diegene die mij met haar Hofstadgroep wilde vermoorden, nooit op mijn werkplek zal tegenkomen? Zo neen, waarom niet?
De Tweede Kamer heeft krachtens artikel 72 van de Grondwet in artikel 152 van het Reglement van Orde regels vastgesteld rondom de toelating van bezoekers tot het gebouw en de vergaderingen. Het presidium kan nadere regels stellen. Het is daarom niet aan mij om te bepalen wie toegang heeft tot gebouwen van de Staten-Generaal, en ik kan hierover geen beloftes doen.
Wilt u dit nooit meer doen?
Het is mij niet duidelijk waarop de vraag ziet.
De tekortschietende steun aan dierenhulpverleners voor het weghalen van met vogelgriep besmette, in het wilde levende dieren |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Vogelgriepvirus slaat zijn vleugels uit» en «Vogelgriep jaagt dierenambulance op kosten: «We willen geld van de overheid»»?1 2
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat alleen al in Noordoost Friesland de afgelopen winter meer dan 10.000 in het wild levende dieren slachtoffer zijn geworden van de vogelgriep?
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat bij een uitbraak in de regio Brandwijk (Alblasserwaard) de dierenambulance Vianen in vier dagen tijd maar liefst 850 dieren uit de natuur heeft opgehaald, waarvoor de ambulance 3.000 euro aan materiaal heeft aangeschaft?3
Het is mij bekend dat dierenambulances in meerdere gevallen en op verschillende locaties dode en zieke dieren uit de natuur hebben opgehaald. Het is mij bekend dat dierenambulances aanlopen tegen kosten voor materiaal.
Kunt u bevestigen dat kadavers van dieren, die zijn gestorven vanwege vogelgriep, uit de natuur weggehaald moeten worden volgens de EU-Diergezondheidsverordening?
In verordening (EU) nr. 2020/687 is opgenomen dat de bevoegde autoriteit er voor moet zorgen dat wilde dieren waarvan vermoed wordt dat zij besmet zijn met een categorie A ziekte, zoals vogelgriep, opgeruimd worden.
Wie is hoofd- en eindverantwoordelijk voor het uitvoeren van deze wettelijke taak en wie voert het in de praktijk uit?
Het opruimen van dode wilde vogels is een gedeelde verantwoordelijkheid. In eerste instantie is de rechthebbende of beheerder van de grond waarop een kadaver zich bevindt verantwoordelijk voor het weghalen van dode wilde vogels. Ook de overheid heeft verantwoordelijkheid in het opruimen van dode wilde vogels die vermoedelijk doodgegaan zijn aan vogelgriep. Om de uitvoering van deze gedeelde verantwoordelijkheid in de praktijk te ondersteunen heb ik samen met de veiligheidsregio Friesland een handreiking voor het opruimen van dode wilde vogels en de omgang met levende zieke vogels gemaakt4. De handreiking is een belangrijk hulpmiddel, maar de uitdaging is om de uitvoering in de praktijk waar nodig te verbeteren. Ik zal daarom met betrokken partijen in overleg gaan om te kijken hoe we samen de uitvoering van deze gedeelde verantwoordelijkheid in de praktijk verder kunnen verbeteren.
Deelt u de mening dat veiligheid voor mens én dier voorop moet staan bij het opruimen van de kadavers en dat de veiligheid beter kan worden gegarandeerd door het gebruik van de juiste beschermingsmiddelen, zoals een veilig mondmasker, wegwerpoverall en -handschoenen?
Het is belangrijk dat mensen die dode vogels met vogelgriep opruimen de juiste maatregelen nemen om dit veilig te doen. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) heeft daarom een protocol opgesteld voor het veilig opruimen van dode vogels5. Gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen zijn onderdeel van dat protocol.
Wie is verantwoordelijk voor de financiering van het uit de natuur weghalen van kadavers van dieren die zijn gestorven vanwege vogelgriep?
Door de gedeelde verantwoordelijkheid en verschillende betrokken partijen is er niet één partij verantwoordelijk voor de financiering van het opruimen van kadavers. De financieringsvraag zal ik betrekken bij het overleg dat ik in het antwoord op vraag 5 noemde. Ook zal ik de kennis en ervaring van de samenwerking in Friesland hier bij benutten.
Is het waar dat dierenambulances en dierenhulpverleners in de praktijk meestal zelf opdraaien voor de hoge kosten van het aanschaffen van beschermingsmiddelen om veilig te kunnen werken met vogelgriepslachtoffers?4 Zo ja, kunt u aangeven welke eindverantwoordelijken mogelijk tekort schieten in het ondersteunen van de financiering?
Het is mij bekend dat dierenambulances voor een belangrijk deel worden gefinancierd uit donaties die zij ontvangen. Voor een deel zal dit geld ook besteed zijn aan persoonlijke beschermingsmiddelen. Soms geven gemeenten financiële steun voor hulp aan wilde dieren.
Erkent u dat het zeer onwenselijk is dat dierenhulporganisaties opdraaien voor de financiële lasten die horen bij het uitvoeren van een maatschappelijke taak? Zo nee, waarom niet?
Helaas zijn er ook dit jaar, net als vorig jaar, erg veel wilde vogels het slachtoffer van vogelgriep. Dierenhulporganisaties, waaronder dierenambulances, zetten zich in om gewonde of zieke vogels te helpen. Dat doen zij op basis van vrijwilligheid. Hun vrijwillige activiteiten waardeer ik, en deze kunnen ook in de maatschappij rekenen op waardering. Binnen wat in hun vermogen ligt, zetten zij zich voor dieren in. Tegen die achtergrond is het ook aan de organisaties zelf om ervoor te waken dat ze niet meer kosten maken dan in hun vermogen ligt.
Klopt het dat uw voorganger in maart 2021 eenmalig subsidie heeft toegezegd aan dierenhulporganisaties om een deel van de hogere kosten te dekken, gemaakt vanwege de uitzonderlijk hoeveelheid aantal zieke vogels als gevolg van de vogelgriep? Zo ja, hoeveel subsidie is er gegaan naar dierenhulporganisaties en hoeveel procent van de kosten zijn hiermee gedekt? (Kamerstuk 2021D11218)
Dat klopt. Het betreft een eenmalige subsidie van 50.000 euro. Daarmee zou 50% van de extra kosten die in dat seizoen gemaakt waren gedekt zijn.
Bent u er van op de hoogte dat het Ministerie van VWS in november 2021 schriftelijk een donatie heeft toegezegd aan Stichting Dierenlot van het landelijk consortium hulpmiddelen, in de vorm van een grote partij overtollige beschermende middelen, maar dat deze donatie nooit gedaan is en dat de hulpmiddelen in plaats daarvan zijn doorverkocht? Wie is verantwoordelijk voor de beslissing om deze afspraak niet na te komen en wat vindt u hiervan?
Stichting Dierenlot heeft in week 6 de eerste levering van de gevraagde FFP2 maskers, isolatiejassen en brillen ontvangen. Zij hebben vanwege het grote volume van de gewenste artikelen gevraagd of ze de goederen gespreid zouden kunnen ontvangen. Vanwege de controle op de rechtmatigheid van deze gift en de vele logistieke werkzaamheden bij het BureauLCH heeft het uitleveren iets langer geduurd maar is nu wel op gang gekomen.
Kunt u aangeven of het Rijk, provincies en gemeenten zich al hebben beraden over het ontwikkelen van aanvullend beleid voor de toekomst aangaande financiering van vogelgriep gerelateerde activiteiten door dierenhulporganisaties? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is er afgesproken? (Kamerstuk 2021D11218)
In mijn antwoord op de vragen waar u naar verwijst heeft voormalig Minister Schouten aangegeven met de opvangcentra, provincies en gemeenten een aantal acties in gang te hebben gezet voor een betere en duidelijke basis voor de activiteiten van opvangcentra. De RDA-zienswijze wildopvang maakt hier deel van uit en zal ingaan op de vraag of en hoe een hulpbehoevend wild dier moet worden geholpen en door wie. Dit rapport is nog niet opgeleverd en ik verwacht het binnenkort. Op basis van de zienswijze zullen Rijk, provincies en gemeenten zich beraden over het ontwikkelen van aanvullend beleid voor de toekomst. Ten aanzien van vogelgriep zal ik op korte termijn met partijen in overleg gaan, zie mijn antwoord op vraag 5.
Kunt u aangeven wat er uit de door uw voorganger uitgevoerde inventarisatie van de wensen van opvangcentra en gemeenten omtrent de taken en bevoegdheden aangaande vogelgriep naar voren is gekomen? (Kamerstuk 2021D11218)
Uit signalen vanuit dierenhulporganisaties en lokale overheden komt naar voren dat de uitvoering complex is en niet in iedere gemeente hetzelfde. De uitvoeringsknelpunten verschillen ook per gemeente. Ik zal gemeenten die betrokken willen worden en dierenhulporganisaties ook betrekken bij het overleg dat ik in antwoord op vraag 5 heb genoemd.
Op welke manier en op welke termijn gaat u zorgen dat dierenhulpverleners beschikken over de benodigde beschermingsmiddelen om veilig hun werk te kunnen doen?
Zie mijn antwoord op vraag 11.
Kunt u deze vragen één voor één en uiterlijk vóór het commissiedebat Zoönosen en dierziekten op 24 februari 2022, beantwoorden?
U ontvangt de antwoorden bij deze.