Het ten onrechte opslaan van kentekengegevens van burgers |
|
Magda Berndsen (D66), Gerard Schouw (D66) |
|
|
|
|
Klopt de strekking van het bericht «Opstelten wil gangen van automobilisten vastleggen»?1
Er wordt momenteel een wetsvoorstel voorbereid dat het mogelijk maakt om ten behoeve van de opsporing van strafbare feiten gedurende een beperkte periode kentekengegevens te bewaren die zijn verkregen door gebruik van Automatic Number Plate Recognition (ANPR). In het aangehaalde artikel worden conclusies getrokken die ik niet deel. De belangen van enerzijds de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en anderzijds de opsporing van strafbare feiten kunnen – mits voorzien wordt in een goede regeling – beiden worden gediend. Met goede waarborgen – bijvoorbeeld wat betreft het gebruik van gegevens – kan de persoonlijke levenssfeer voldoende worden beschermd. Dit hoeft niet ten koste te gaan van de effectiviteit van ANPR als opsporingsinstrument. Dergelijke waarborgen zullen bij de nieuwe regelgeving worden betrokken.
Wat is uw reactie op de constatering dat u te gemakkelijk omspringt met het opslaan van gegevens van onschuldige burgers?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe vaak worden er fouten gemaakt bij het opslaan van kentekengegevens? Wat zijn hier de consequenties van?
De kans op fouten bij de opslag is minimaal. In de praktijk komt het soms voor dat bij het omzetten van het kenteken op de foto een letter of cijfer in het kenteken door vervuiling van de kentekenplaat niet juist wordt weergegeven in tekst. In geval van een hit vindt daarom, voordat de politie tot actie overgaat, aan de hand van de gemaakte foto een visuele controle plaats op de juiste omzetting van het kenteken naar computerschrift. Indien deze omzetting onjuist is gebleken is geen sprake van een hit en gaat de politie niet tot actie over. De betreffende gegevensset wordt daarop verwijderd.
Wanneer gaat u de Kamer informeren over de details van uw voorstel? Kan de Kamer van u verwachten dat u haar informeert wat de feitelijke consequenties van uw voorstel zullen zijn, zoals het aantal kentekens dat wordt opgeslagen? Gebaseerd op de huidige situatie, wat is het te verwachten aantal hits en no-hits? Op welke trajecten gaan kentekens geregistreerd worden?
Het wetsvoorstel zal in januari 2011 in consultatie worden gegeven. Het streven is erop gericht het wetsvoorstel in maart of april 2011 ter advisering aan de Raad van State voor te leggen. Naar verwachting kan het wetsvoorstel voor de zomer bij de Tweede Kamer worden ingediend. De verschillende aspecten die van belang zijn voor de beoordeling van het wetsvoorstel – zoals punten die in de gestelde vragen worden genoemd – zullen hierbij aan de orde komen.
Omdat de aantallen kentekens en de aantallen hits en no-hits fluctueren, afhankelijk van bijvoorbeeld tijdstip en locatie, zijn deze aantallen niet precies aan te geven. Bij behandeling van het wetsvoorstel zullen wij u verder informeren over verwachtingen omtrent het aantal hits en no-hits en over de trajecten waar al dan niet kentekens geregistreerd gaan worden.
Wat is uw reactie op de mogelijkheid van het lekken van een dergelijke databank?
De technische beveiliging van de databank voor passagegegevens zal voldoen aan de binnen de politie geldende eisen zoals deze ook gelden voor bijvoorbeeld het Geautomatiseerd Opsporingsregister (OPS) en het Herkenningsdienstsysteem (HKS). Daarnaast is toegang tot de gegevens geprotocolleerd en voorbehouden aan die medewerkers die hiervoor zijn geautoriseerd. Van elke toegang tot de gegevens zal worden gelogd welke gegevens zijn bevraagd, wat hiertoe de aanleiding was en door wie de bevraging is uitgevoerd. De politie neemt dus afdoende maatregelen om onbevoegd gebruik van opgeslagen gegevens te voorkomen.
Wat is uw reactie op de in het artikel genoemde mogelijkheid dat deze databanken interessant kunnen zijn voor hackers, met name in het licht van de recent gebleken kwetsbaarheid van door de overheid opgeslagen gegevens zoals de casus WikiLeaks duidelijk heeft gemaakt?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe verhoudt uw voorstel zich tot de eerdere kritiek van het College bescherming persoonsgegevens (Cpb) dat door het niet direct vernietigen van no-hits iedere automobilist die over een traject rijdt waar de politie automatische kentekenherkenning toepast als potentiële verdachte in de politiebestanden terecht komt en dat dit in strijd is met de wet en een onrechtmatige inbreuk is op de persoonlijke levenssfeer van de automobilist, alsook de conformering van het vorige kabinet aan de bevindingen van het Cbp?2
Zie antwoord vraag 4.
Hoe verhoudt uw voorstel zich tot de in het rapport van de commissie Brouwer-Korf, «Gewoon doen, beschermen van veiligheid en persoonlijke levenssfeer» genoemde criterium voor de afweging tussen veiligheid en privacy om het werken met persoonsgegevens tot het noodzakelijke minimum beperken?3
Zie antwoord vraag 4.
Hoe verhoudt uw voorstel zich tot de in het Regeerakkoord uitgesproken doelstelling om voorgenomen maatregelen inzake opslag, koppeling en verwerking van persoonsgegevens zoveel mogelijk te voorzien van een horizonbepaling en bij de voorbereiding nadrukkelijk te toetsen aan effectiviteit?4
Zie antwoord vraag 4.
Wat is de stand van zaken betreffende de in het regeerakkoord aangekondigde meldplicht voor alle diensten van de informatiemaatschappij, waaronder de overheid, in geval van verlies, diefstal of misbruik van persoonsgegevens waarbij alle datalekken worden gemeld aan de nationale toezichthouder die boetes kan opleggen indien de meldplicht niet wordt nageleefd? Deelt u de mening dat deze meldplicht eerst uitgewerkt moet worden, voordat de overheid een nieuwe database met persoonsgegevens gaat inrichten?4
Ik streef ernaar om in het wetsvoorstel een meldplicht, als in het regeerakkoord aangekondigd, op te nemen. Ik ben niet van mening dat ontwerp en inrichting van nieuwe gegevensverzamelingen bij de overheid principieel zou moeten worden opgeschort tot de regeling van de meldplicht in de wet is opgenomen. Wanneer er een noodzaak tot een nieuwe gegevensverzameling bestaat, zal die moeten worden gestart. Ik breng daarbij in herinnering dat de geldende Wet bescherming persoonsgegevens reeds thans een beveiligingsverplichting bevat die zonodig met een dwangsom kan worden gehandhaafd. Ook kunnen dwingende eisen van Europees recht ten grondslag liggen aan de inrichting van een nieuwe gegevensverzameling voordat de meldplicht definitief is geregeld. Inrichting van nieuwe gegevensverzamelingen zal, met inachtneming van de uitgangspunten die het regeerakkoord daarover geeft, van geval tot geval moeten worden bezien.
Hoe verhoudt uw ambitie om het wetsvoorstel nog dit kalenderjaar in te dienen zich tot het feit dat de onderzoeksresultaten van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) over het meer en beter inzetten van technische toepassingen ten behoeve van opsporing dat in medio 2011 verwacht wordt? Deelt u de mening dat deze resultaten afgewacht moeten worden voordat u met een wetsvoorstel kunt komen?
In het wetsvoorstel dat wordt voorbereid zal een onderbouwing worden opgenomen van het belang van het vastleggen en bewaren van kentekengegevens voor de opsporing van strafbare feiten. Het WODC onderzoek zal naar ik verwacht aanvullende relevante informatie opleveren die bovendien kan worden betrokken bij de implementatie van de wettelijke regeling en het in de praktijk verder ontwikkelen van deze vorm van ANPR. Daarnaast zal het WODC naar verwachting aangrijpingspunten opleveren voor de beoordeling van de praktische toepassing van ANPR op basis van de nieuwe wettelijke voorziening.
Hoe verhouden uw plannen zich tot de studie van het Rathenau instituut, waarin geconcludeerd wordt «dat het toenemend gebruik van databases in onze gedigitaliseerde samenleving niet zonder risico’s is en dat we lessen moeten trekken uit de ervaringen die daarmee tot nu toe zijn opgedaan.»?5 Welke lessen trekt u uit de ervaringen die de Nederlandse overheid tot nu toe heeft met de opslag van gegevens in databases? Welke lessen trekt u uit de recente kwetsbaarheid van de bescherming van gegevens door de overheid, zoals deze is gebleken uit de casus WikiLeaks?
Ik deel de conclusie van het Rathenau instituut dat het gebruik van databanken niet zonder risico’s is. De lessen die het Rathenau instituut trekt voor een doordacht ontwerp van databanken, zoals adequate bescherming van de gegevens, inzage- en correctierechten voor burgers en helder omschreven verzameldoelen en doelbinding zijn grotendeels ook wettelijk vastgelegd in bijvoorbeeld de Wet Bescherming Persoonsgegevens en de Wet politiegegevens. Ook bij het verzamelen en verwerken van kentekengegevens zullen deze wettelijke vereisten in acht worden genomen. Ik ben mij ervan bewust dat het verzamelen van veel informatie in databanken het risico van datalekken met zich mee brengt. Om datalekken tegen te gaan is in het regeerakkoord opgenomen dat het kabinet met een voorstel komt voor een meldplicht bij datalekken. Zie daaromtrent het antwoord op vraag 10.
Klopt het dat het kabinet «een nationale politie vormt onder verantwoordelijkheid van de minister die belast is met de zorg voor veiligheid»?1
Ja.
Wat wordt met de vorming van een nationale politie bereikt?
Zoals ik heb aangegeven in mijn brief aan uw Kamer d.d. 14 december jl. 2 moet nationale politie leiden tot meer ruimte voor de professional, minder bureaucratie, minder bestuurlijke drukte, een veiliger leefomgeving en een effectievere opsporing. Daarnaast zal nationale politie moeten leiden tot een efficiëntere politieorganisatie.
Welke meetbare indicatoren worden gehanteerd voor het behalen van dit resultaat?
Bij de uitwerking van de vorming van de nationale politie zal ik waar mogelijk meetbare indicatoren voor deze resultaten benoemen. Voor de te behalen resultaten ten aanzien van de reductie van bureaucratie en overhead verwijs ik naar mijn brief d.d. 14 december jl.
Per wanneer zal de vorming van een nationale politie zijn voltooid?
Het tempo van de vorming van de nationale politie en de te zetten tussenstappen worden allereerst bepaald door het proces om nationale politie wettelijk te regelen via een wijziging van het eerder bij de Kamer ingediende wetsvoorstel voor vaststelling van een nieuwe politiewet (30 880). Wel wil ik binnen de kaders van de huidige Politiewet 1993 al zoveel mogelijk stappen maken richting nationale politie. Zoals ik heb aangekondigd in mijn brief d.d. 14 december jl. wil ik over de te nemen stappen afspraken maken met de korpsbeheerders. Uiteraard staat voorop dat geen onomkeerbare stappen worden gezet totdat de wetswijziging formeel van kracht is.
Wat zijn de tussendoelen op 31 december in 2011, 2012, 2013, 2014 en 2015?
Zie antwoord vraag 4.
Wat gaat het kabinet doen om de vorming van een nationale politie te realiseren?
Zie antwoord vraag 4.
Wanneer start het kabinet met de voorbereidingen?
Zie antwoord vraag 4.
Welke instrumenten en middelen zijn er beschikbaar om de vorming van een nationale politie te realiseren?
Zie antwoord vraag 4.
Op welke manier en wanneer gaat het kabinet jaarlijks verantwoording afleggen?
Via het jaarverslag van het ministerie van Veiligheid en Justitie zal ik uw Kamer informeren over de bereikte resultaten ten aanzien van de vorming van de nationale politie.
Het bericht "Nederlandse hoofdrol op radicale site" |
|
André Elissen (PVV), Lilian Helder (PVV), Wim Kortenoeven (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nederlandse hoofdrol op radicale site»?1
Ja.
Loopt er in Nederland en/ of internationaal een opsporingsonderzoek naar de personen achter genoemde organisaties en websites, en wordt de opsporing, de aanhouding en de uitlevering verzocht? Zo ja, kunt u iets vertellen over het aantal betrokken Nederlandse extremisten? Zo nee, waarom niet?
Ik kan in het belang van de opsporing geen mededelingen doen over eventueel lopende strafrechtelijke onderzoeken of over het aantal betrokkenen. Ik kan wel melden dat bij de strafrechtelijke bestrijding van nationale en internationale georganiseerde criminaliteit en terrorisme ook internet nauwlettend wordt gevolgd. In de opsporing van georganiseerde criminaliteit en terrorisme wordt frequent samengewerkt met buitenlandse partners. Indien onze partners in het buitenland binnen strafrechtelijke onderzoeken relevante informatie aantreffen dan wordt deze met ons gedeeld en vice versa.
Bent u voornemens na aanhouding en vervolging, indien mogelijk, over te gaan tot denaturaliseren en uitzetting van deze extremisten? Zo nee waarom niet?
Intrekking van de Nederlandse nationaliteit wegens een strafrechtelijke veroordeling is sinds 1 oktober 2010 mogelijk, indien het gaat om een persoon die na de verkrijging van het Nederlanderschap wordt veroordeeld voor bepaalde zeer ernstige tegen de Staat of de menselijkheid gerichte misdrijven, en indien daardoor geen staatloosheid ontstaat. Op dit moment staan mij onvoldoende gegevens ter beschikking om een oordeel te geven over mogelijke intrekking van het Nederlanderschap en uitzetting in concrete gevallen.
Klopt het dat genoemde websites en de bij deze sites betrokken personen in toenemende mate vanuit Nederland opereren?
Zie hiervoor het antwoord op de vragen 2 t/m 5, 7 en 8 van de leden Hennis-Plasschaert en Van Nieuwenhuizen (beiden VVD) van uw Kamer, met kenmerk 2010Z19116.
Is er een toename van het aantal Nederlandse of vanuit Nederland opererende moslimextremisten?
Zie antwoord vraag 4.
Het te lang bewaren van vervoersgegevens door vervoersbedrijven en Trans Links Systems |
|
Farshad Bashir (SP) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat een aantal vervoersbedrijven en Trans Link Systems (TLS) op de vingers is getikt door het College bescherming persoonsgegevens (CBP), onder andere over de onacceptabel lange bewaartermijn van reisgegevens van studenten?1
Ik heb bericht ingewonnen bij het College bescherming persoonsgegevens (CBP). Het CBP heeft mij laten weten dat zij naar aanleiding van klachten van studenten en vermoedens van overtreding van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) als onafhankelijk toezichthouder handhavend onderzoek heeft gedaan. Hierbij is onderzocht of de drie grote vervoerbedrijven en de kaartuitgever van de OV-chipkaart tot personen herleidbare reisgegevens langer bewaren dan noodzakelijk voor het doel en of de studenten door de NS voldoende zijn geïnformeerd over het in – en uitchecken met hun OV-chipkaart.
De conclusie van het onderzoek is volgens het CBP dat het GVB, de RET en de kaartuitgever TLS in strijd met de wet reisgegevens bewaren. Ook wordt door het CBP geconcludeerd dat NS de studenten niet goed informeert over het in- en uitchecken met een studenten OV-chipkaart. De onderzoeksbevindingen zijn op 9 december 2010 openbaar gemaakt. Hiermee is de onderzoeksfase afgesloten. De procedure is dus daarmee niet afgerond; het CBP geeft aan dat zij nog moet besluiten over handhavende maatregelen. Er is sprake van een lopende procedure bij een onafhankelijke toezichthouder. Ik wacht de uitkomst daarvan af, maar zal dit uiteraard nauwlettend volgen.
Deelt u het harde oordeel dat het CBP velt over deze vier bedrijven? Kunt u uw antwoord duidelijk toelichten?
Er is sprake is van een lopende procedure bij een onafhankelijke toezichthouder die overtredingen van de Wbp heeft geconstateerd. Zoals ik in het antwoord op vraag 1 heb aangegeven, wacht ik eerst de uitkomst van die procedure af.
Bent u het eens met de conclusie van het CBP dat de Nederlandse Spoorwegen (NS) te weinig doet om studenten te informeren dat zij niet verplicht zijn om met hun OV-Studentenchipkaart in- en uit te checken? Acht u het wenselijk dat de NS dit alsnog goed gaat organiseren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid hierover als 100% aandeelhouder van de NS met de NS in gesprek te gaan, waarbij u duidelijk maakt dat de voorlichting naar studenten over het in- en uitchecken met de OV-studentenchipkaart aanzienlijk verbeterd moet worden? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Wie draait er op voor eventuele sancties zoals het CBP heeft aangekondigd? Bent u het eens met de conclusie dat een eventuele sanctie ervoor zorgt dat er (bovenop uw aangekondigde forse bezuinigingen) nog minder geld zal overblijven voor goed openbaar vervoer of zal leiden tot een extra verhoging van de tarieven? Deelt u de mening dat bij een eventuele prijsverhoging de reiziger dus eigenlijk twee keer wordt benadeeld en dat dit volstrekt onwenselijk is?
Vervoersbedrijven of TLS draaien op voor eventuele geldelijke sancties.
Eventuele geldelijke sancties hebben echter geen invloed op de prijs van de treinkaartjes. De bestedingen aan het openbaar vervoer zijn bepaald bij de aanbestedingen van het openbaar vervoer en verder vastgelegd in of op grond van de concessie- of subsidievoorwaarden.
De verantwoordelijkheid voor de tarieven van het regionale OV ligt bij de decentrale overheden.
Voor NS zijn de afspraken over een maximale tariefsverhoging voor de beschermde kaartsoorten vastgelegd in de vervoersconcessie. NS mag alleen de jaarlijkse inflatie en de gebruiksvergoedingstijging doorberekenen aan haar reizigers.
Bent u bereid de betreffende vervoersbedrijven aan te spreken op de door het CBP vastgestelde overtredingen om te voorkomen dat het opleggen van sancties noodzakelijk zal zijn? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Er loopt een procedure bij een onafhankelijk toezichthouder, waarvan ik de uitkomst eerst afwacht.
Klopt het dat het kabinet «de operationele sterkte van de politie uitbreidt met 3 000 agenten waaronder 500 animal cops»?1
Voor de beantwoording van deze vragen verwijs ik kortheidshalve naar mijn brief aan de Tweede Kamer van 14 december 2010 (TK 29 628, nr. 231) en de bijbehorende bijlage 1 en 2.
Wat is de operationele sterkte van de politie (nulmeting) per 1 januari 2011? Wat is de precieze definitie die hiervoor wordt gebruikt?
De operationele sterkte per 1 januari 2011 is op dit moment nog niet bekend. Deze zal ik u melden in de jaarlijkse sterktebrief in juni en in de kerngegevens behorende bij het Jaarverslag Nederlandse politie dat u ieder jaar in het voorjaar wordt toegezonden. Voor de precieze definitie verwijs ik u naar mijn brief aan de Tweede Kamer van 14 december 2010 (TK 29 628, nr. 231) en de bijbehorende bijlage 1 en 2.
Is de doelstelling van 3 000 extra agenten voor 2015?
Zie antwoord vraag 1.
Welke effect- en prestatie-indicatoren worden gebruikt?
Zie antwoord vraag 1.
Wat zijn de tussendoelen op 31 december in 2011, 2012, 2013, 2014 en 2015?
Zie antwoord vraag 1.
Wat gaat het kabinet doen om deze uitbreiding met 3 000 agenten te realiseren?
Zie antwoord vraag 1.
Is de gereserveerde 370 miljoen euro, afgezet tegen het reeds bestaande te kort van 260 miljoen en de eerdere bezuinigingstaakstelling van 190 miljoen, voldoende om de beoogde doelstelling van 3 000 extra agenten te halen?
Zie antwoord vraag 1.
Op welke manier en wanneer gaat het kabinet jaarlijks verantwoording afleggen?
Zie antwoord vraag 1.
De jahadwebsite Ansar Al Mujahideen |
|
Cora van Nieuwenhuizen (VVD), Jeanine Hennis-Plasschaert (VVD) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «jihadwebsite in de lucht gehouden door Nederlandse moslimextremisten»?1
Ja.
Is het waar dat Nederlandse moslimextremisten de website niet alleen vullen met Engelse – en Nederlandse haatteksten maar hiervoor ook de computerservers in Amsterdam gebruiken?
Is het waar dat de Nederlandse moslimextremisten achter Al Ansar eerder de drijvende krachten waren achter de verdwenen Nederlandse extremistische website Thabaat?
Is het waar dat de Nederlandse moslimextremisten achter Al Ansar vroeger nauwe banden hadden met de Hofstadgroep?
Is het waar dat de website niet alleen wordt gefaciliteerd door Nederlanders maar ook wordt gefinancierd vanuit Nederland?
Is het waar dat inlichtingendiensten in teksten van de drie laatste uitgaven van het jihadmagazine «Inspire» aanwijzingen zien dat Nederlanders medeverantwoordelijk zijn voor de samenstelling van «Inspire»?
Ik beschik niet over aanwijzingen dat Nederlanders medeverantwoordelijk zouden zijn voor de samenstelling van «Inspire».
Is het waar dat op de jihadwebsite reclame wordt gemaakt voor een nieuwe Nederlandse jihadwebsite «discoverjihaad.wordpress.com» alwaar de gewapende strijd wordt verheerlijkt?
Is het waar dat er op 1 december jl. een bericht is verschenen waarin Westerse moslims worden opgeroepen zich te wapenen met kalashnikovs, handgranaten en dragunovs, en met (ondermeer) de tekst: «De nieuwe generatie van jihaad is dorstig, wij willen bloed drinken. De beste verdediging is om de eerste te zijn die aanvalt»?
Deelt u de mening dat dit, indien de berichtgeving waar is, volstrekt onacceptabel is?
Zowel de website Ansar Al Mujahideen als de website discoverjihaad.wordpress.com zijn korte tijd actief geweest. Dat is thans niet meer het geval.
Bent u bereid per direct actie te ondernemen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen bent u voornemens te nemen? Wanneer? Bent u bereid de Kamer hierover tot in detail te informeren (al dan niet op vertrouwelijke basis)?
Zie antwoord vraag 9.
Het internetfilter tegen kinderpornografie |
|
Tofik Dibi (GL) |
|
|
|
|
Klopt het bericht dat u heeft overwogen om kinderpornografie op internet te blokkeren door middel van Deep Packet Inspection (DPI)?1 Overweegt u nog steeds DPI op dit of een ander gebied in te zetten? Kunt u dat toelichten?
In het bericht waaraan in de vraag wordt gerefereerd, wordt ten onrechte gesuggereerd dat ik de inzet van DPI overweeg. Tijdens het Algemeen Overleg kinderporno met uw Kamer op 2 december 2010 heeft de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, die mij in dat overleg heeft vervangen, naar aanleiding van de vraag van een van de leden van uw kamer hoe ik aankijk tegen het gebruik van DPI voor de opsporing van kinderporno, geantwoord dat deze technologie wordt onderzocht en dat ik daar in mijn eerstvolgende voortgangsbrief (planning: medio februari 2011) op terug zal komen. Ik heb er derhalve geen inhoudelijk standpunt over ingenomen. In deze brief zal ik – voor zover relevant – ook ingaan op de effectiviteit, doelmatigheid en proportionaliteit van deze technologie.
Deelt u de mening dat het permanent aftappen en inhoudelijk controleren op kinderporno van al het internetgebruik van alle Nederlanders niet effectief, niet doelmatig en niet proportioneel is? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat het beter is het budget voor het filteren van internet aan te wenden om de capaciteit uit te breiden van politie, Openbaar Ministerie en/of het Meldpunt Kinderporno, zodat kindermisbruik sneller en effectiever kan worden opgespoord, gestopt en vervolgd?
De in de vraag gelegde relatie tussen het budget voor het filteren en blokkeren van websites en het budget voor de opsporing en vervolging van kinderporno is er niet. Het eerste is privaat geld, het tweede publiek geld.
Device fingerprinting (i.e. 'instrumentgebruik vingerafdrukken') |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het fenomeen «device fingerprinting»?1
Ik ben bekend met de fenomenen «device fingerprinting» en «behavioural advertising». Internetten kan tot gevolg hebben dat bedrijven dit internetgebruik waarnemen, gegevens verzamelen, daar conclusies aan verbinden en vervolgens gebruik maken van die informatie. Zo lang bedrijven hierbij handelen in overeenstemming met de wet, acht ik dit niet onwenselijk. Ik verwijs verder naar het antwoord op vraag 3.
Bent u op de hoogte van de extreme wens van internetbedrijven om het internetgedrag van internetgebruikers te bestuderen, ondermeer door ook de karakteristieken van de door hen gebruikte apparatuur te analyseren teneinde gericht advertenties op hen los te kunnen laten?2 Acht u dit wenselijk?
Zie antwoord vraag 1.
Is de Nederlandse burger wettelijk gezien voldoende beschermd tegen dit soort praktijken? Wordt er door het Goverment Computer Emergency Respons Team (GOVCERT) van de Nederlandse overheid en het College Bescherming Persoonsgegevens onderzoek gedaan naar dit soort praktijken en de gevolgen ervan voor de privacy? Zo nee, bent u bereid dit te initiëren?
Ik ben van mening dat de Nederlandse burger wettelijk gezien voldoende beschermd is tegen bedrijven die gericht adverteren tijdens internetgebruik. Daarbij is het volgende van belang.
Bij device fingerprinting is sprake van het waarnemen en verzamelen van gegevens van de hardware en software van het soort apparatuur, zoals een computer of mobiele telefoon, waarmee gebruik wordt gemaakt van internet. Een bedrijf kan de door middel van device fingerprinting verzamelde gegevens gebruiken om op het moment dat het betreffende apparaat verbonden is met internet en bepaalde websites bezoekt, gerichte advertenties op het scherm te laten verschijnen.
Als hierbij sprake is van het verwerken van persoonsgegevens, is de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) in beginsel van toepassing en heeft de Nederlandse burger de rechten die uit deze wet voortvloeien. In artikel 4, tweede lid, Wbp is vastgelegd dat deze wet ook van toepassing is op partijen die geen vestiging hebben in de Europese Unie, voor zover zij gebruik maken van infrastructuur die zich in Nederland bevindt, tenzij die infrastructuur slechts worden gebruikt voor de doorvoer van persoonsgegevens. Voor relevante ontwikkelingen in Europees verband verwijs ik naar de brief aan uw Kamer van de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken van 21 december 2010 (Kamerstukken II, 2010–2011, 22 112, nr. 1116).
Aangezien device fingerprinting geengevolgen heeft voor de veiligheid van het internetgebruik of de internetgebruiker, bestaat er voor GOVCERT.NL vanuit zijn taakopdracht geen aanleiding onderzoek te verrichten naar dit verschijnsel.
Het College bescherming persoonsgegevens (CBP) is een onafhankelijke toezichthouder en doet in beginsel geen uitspraken over lopende of toekomstige onderzoeken. Wel heeft het CBP mij meegedeeld dat het onderwerp «profiling» (het maken van profielen) hoog op zijn agenda staat.
Kan de Nederlandse burger ergens terecht met klachten wanneer dit soort praktijken vanuit het buitenland in Nederland worden verricht? Zijn of worden hier internationale afspraken over gemaakt c.q. beperkingen aan gesteld?
Ja, als sprake is van gegevensverwerking en de verantwoordelijke voor de gegevensverwerking in Nederland gevestigd is, kan een betrokkene zich wenden tot het CBP. Als de verantwoordelijke in een andere lidstaat van de Europese Unie is gevestigd, is de wetgeving van die andere lidstaat van toepassing. De betrokkene kan zich tot het CBP wenden met het verzoek om zijn klacht door te geleiden naar de relevante toezichthouder in de andere lidstaat.
Op dit moment bestaan op internationaal vlak richtsnoeren van de samenwerkende Europese toezichthouders op privacywetgeving. Deze toezichthouders hebben een opinie over behavioural advertising vastgesteld op 22 juni 2010 (Opinie 2/2010 van de Artikel 29-Werkgroep, www.ec.europa.eu). Deze gaat over de toepasselijkheid van de EU privacyrichtlijn (95/46/EG) en de wijze waarop de toezichthouders deze zullen toepassen. Verder heeft de verantwoordelijke Eurocommissaris aangegeven bij de herziening van de EU privacyrichtlijn aandacht te willen besteden aan profiling en behavioural advertising.
Denkt u na over online «do not track me» (i.e. volg mij niet) voorzieningen, gelijk aan de «ik wil niet gebeld worden» initiatieven, in het kader van direct marketing campagnes of webtoepassingen die veel verder gaan dan het gebruik van cookies? Bent u bereid de Kamer hierover te informeren?
Nee, gezien mijn toelichting op het fenomeen device fingerprinting in het antwoord op vraag 3 en gezien het feit dat het hierbij gaat om een activiteit die alle landsgrenzen overschrijdt, acht ik een met het «ik wil niet gebeld worden»-initiatief vergelijkbaar register van «opt out»-verklaringen onwerkbaar.
Vindt u dat bedrijven die het gedrag van internetgebruikers monitoren en hun apparatuur fingerprinten, die gebruikers daarvan op de hoogte dienen te brengen? Zo ja, hoe gaat u dit regelen? Zo nee, waarom niet?
Als sprake is van het verwerken van persoonsgegevens en de Wbp van toepassing is, geldt dat in die wet is geregeld dat de betrokkene (vooraf) geïnformeerd dient te worden over (het doel van) de gegevensverwerking (artikel 33 en 34). Ik verwijs verder naar het antwoord op vraag 4 en de eerdergenoemde brief van de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken.
Bent u bereid een analyse te maken van de risico’s en kansen van deze technologie, en deze aan de Kamer te doen toekomen?
Nee, gezien de voorgaande antwoorden zie ik daar geen aanleiding toe.
Misbruik van minderjarige jongens in de prostitutie |
|
Khadija Arib (PvdA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het persbericht bij het boek «Vrijbuiters uitgebuit, minderjarige jongens in de prostitutie» van L. Repetur/J.Veenstra (Movisie)1 en herinnert u zich de antwoorden op Kamervragen over seksueel misbruik onder Marokkaanse jongeren2 het onderzoek naar de aard en omvang van seksueel misbruik en prostitutie van minderjarige allochtone jongens van Horn e.a.3 en het onderzoek «Verborgen werelden, minderjarige jongens, misbruik en prostitutie»4?
Ja.
Wanneer worden de vragen die de vaste commissie voor Justitie in september 2009 naar aanleiding van de brief van de minister van Justitie d.d.11 juni 2009 en het daarbij behorende rapport van het Bonger Instituut voor Criminologie van de Universiteit van Amsterdam over «Verborgen werelden; minderjarige jongens, misbruik en prostitutie»5 hebben gesteld, beantwoord? Waarom zijn de vragen meer dan één jaar blijven liggen? Bent u bereid deze vragen uiterlijk vrijdag 10 december 2010 te beantwoorden?
Bij de beantwoording van deze Kamervragen zal ik tevens rekening houden met de destijds door de leden van de vaste commissie voor Justitie gestelde vragen. Omdat ik pas op 10 december 2010 kennis kon nemen van het boek «Vrijbuiters uitgebuit. Minderjarige jongens in de prostitutie» was het niet mogelijk om voor 10 december de gestelde vragen te beantwoorden.
Aan het einde van de beantwoording van deze Kamervragen wordt ingegaan op de vragen van de leden van de vaste commissie voor Justitie, van september 2009.
Deelt u de conclusie van de auteurs van het boek «Vrijbuiters, uitgebuit, minderjarige jongens in de prostitutie» dat de hulpverlening, de politie en het onderwijs de signalen van minderjarige jongens die seks voor geld hebben, niet herkennen? Zo ja, hoe is dat, gezien de aandacht die er al eerder voor dit probleem was, nog steeds mogelijk en wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Ik deel die conclusie niet. In dit boek van Repetur en Veenstra zijn in totaal drie hulpverleners, een afdelingsmanager en een politiefunctionaris aan het woord geweest.
Ik vind het voorbarig om de conclusies te veralgemeniseren. Wat opvalt in zowel het boek van Repetur en Veenstra als in het WODC-onderzoek, is dat de geïnterviewde jongens veelal niet het idee hebben dat hun problemen samenhangen met prostitutie en daarom niet aan (hun) hulpverleners melden dat ze zich prostitueren. Dat maakt herkenning van jongensprostitutie voor hulpverleners vaak moeilijk.
Het Expertisepunt Jeugdprostitutie van Movisie heeft in de afgelopen jaren trainingen en workshops op het gebied van jeugdprostitutie verzorgd voor onder meer hulpverleners, politiemensen, preventiewerkers, lokale en provinciale overheden en het onderwijs.
De meeste scholen hebben een Zorg- en Adviesteam (ZAT), waarin zij samenwerken met jeugdgezondheidszorg, jeugdzorg, (school)maatschappelijk werk, leerplicht en politie om onderwijsoverstijgende problemen van leerlingen snel en in gezamenlijkheid aan te pakken. Met het wetsvoorstel Zorg in en om de school (ZioS) dat bij het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) in voorbereiding is, wordt deze samenwerking wettelijk geborgd.
In hoeverre verhouden de conclusies in het genoemde boek zich tot de conclusies van het genoemde WODC onderzoek uit 2009 over de aard en de ernst van de problematiek? In hoeverre zijn de bevindingen tegenstrijdig?
De conclusies in het boek zijn gebaseerd op een beperkt aantal interviews met jongens, klanten en hulpverleners en een quickscan, uitgevoerd op één van de grootste websites op dit gebied (boys4u.nl). Van de 131 bruikbare reacties (uit een aangeschreven groep van 1800) bleek ongeveer een kwart van de jongens voor het 18de jaar een eerste ervaring met betaalde seks te hebben gehad.
Het WODC-onderzoek bevat een omvangrijke literatuurstudie naar misbruik van minderjarigen, een analyse van de landelijke politieregistraties met betrekking tot misbruik van minderjarige jongens en een uitgebreid veldonderzoek.
De conclusies uit beide onderzoeken, hoewel qua opzet en omvang zeer uiteenlopend, wijzen in dezelfde richting (zie verder het antwoord op vraag 6.
Kunt u, ook in het licht van de eerdere conclusie van het genoemde WODC-onderzoek uit 2009 dat «er geen betrouwbare cijfers te geven [zijn] van het aantal jongens dat tegen vergoeding seks heeft met mannen, zelfs geen onderbouwde (ruwe) schattingen»6, wel een indicatie geven van de omvang van deze problematiek? Zo ja, wat is die omvang? Zo nee, waarom niet? Wat gaat u doen om de omvang eindelijk in kaart brengen en wellicht meer actie te ondernemen om deze problematiek aan te pakken?
Op basis van dossieranalyse en bewerking van registratiegegevens van de politieregio’s komt men in het WODC-onderzoek tot een landelijke schatting van circa 680 geregistreerde zaken van seksueel misbruik van minderjarige jongens per jaar (dus niet enkel jongensprostitutie).
Het onderzoek van Horn e.a., gebaseerd op tellingen uit een onderzoek dat in 1994 is gedaan, spreekt over 3000 jongens (waarvan niet bekend is welk deel minderjarig is) die zich bezighouden met prostitutieactiviteiten.
Zowel uit het WODC-onderzoek als uit het boek van Repetur en Veenstra lijkt het aandeel minderjarigen onder de jongensprostitués relatief klein te zijn. De jongens doen zich vaak jonger voor dan hun kalenderleeftijd. Omdat deze jongens er meestal niet voor uitkomen dat zij betaalde seks hebben, is het moeilijk om een indicatie van de omvang te krijgen.
Om meer zicht te krijgen op de omvang van jeugdprostitutie heb ik ook voor 2011 ruimte op mijn begroting gemaakt voor de ontwikkeling van een registratiesysteem. Bovendien zijn jeugd- en jongensprostitutie betrokken bij de aanpak van mensenhandel.
Het ministerie van VWS richt zich op het voorkómen van problematiek met betrekking tot seksuele gezondheid. Het ingezette meerjarige programma «Seksuele Gezondheid van de Jeugd» van ZonMw, is gericht op bevordering van de seksuele gezondheid van jongeren en de campagne «Maak seks lekker duidelijk» is gelanceerd om de weerbaarheid van jongeren te vergroten. In samenwerking met het ministerie van OCW is extra geld vrijgekomen voor de seksuele vorming van jongens en voor mediawijsheid.
Door het hele land worden gratis en anoniem seksualiteitsspreekuren voor jongeren georganiseerd, met aandacht voor seksuele weerbaarheid en seksuele dwang. Op de SOA-poli’s is bovendien de aandacht voor prostitutie geborgd (Kamerstukken II, 2008/09, 30 420, nr. 135). Voor een volledig overzicht van het VWS-beleid op het gebied van seksuele gezondheid verwijs ik u naar de beleidsbrief seksuele gezondheid van de toenmalige staatssecretaris van VWS. (Kamerstukken II, 2009/10, 32 239, nr. 8.
Onderscheidt het misbruiken van minderjarige jongens, die zich in Nederland prostitueren, zich in strafrechtelijke zin van misbruik in het kader van kindersekstoerisme? Zo ja, waaruit bestaat dat onderscheid dan? Zo nee, deelt u de mening dat ook de aanpak van kinderprostitutie in Nederland uw volle aandacht nodig heeft?
Nee. Tegen de klant van een minderjarige (jongens)prostituee kan strafrechtelijk worden opgetreden op grond van artikel 248b respectievelijk de artikelen 244 en 245 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Op grond van deze bepalingen is strafvervolging mogelijk zowel wanneer het feit in Nederland wordt gepleegd als – ingevolge de extraterritoriale rechtsmacht die uit de artikelen 5 en 5a Sr voortvloeit – wanneer het feit door een Nederlander of een ingezetene buiten Nederland wordt gepleegd.
Prostitutie door minderjarigen in Nederland verdient een krachtige aanpak. Naast de mogelijkheden die het Wetboek van Strafrecht daartoe biedt, zullen ook de maatregelen die zijn opgenomen in het wetsvoorstel regulering prostitutie en bestrijding misstanden seksbranche (32 211) – dat thans bij uw Kamer aanhangig is – daaraan bijdragen.
Deelt u de mening dat er weliswaar veel onderzoek is gedaan naar de problematiek van prostitutie door minderjarige jongens, maar dat dit desalniettemin nauwelijks heeft geleid tot het aanpakken van deze problematiek? Zo ja, waarom is dat en wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Er is gericht onderzoek gedaan naar de aard en omvang van minderjarige jongensprostitutie. Gelet op de (zeer) beperkte uitkomsten kan hiervoor (nog) geen specifieke aanpak worden ontwikkeld. De aanpak van jongensprostitutie is opgenomen in de aanpak van prostitutie door minderjarigen. Voor de ingezette acties verwijs ik naar de antwoorden op de vragen 3, 5 en 6.
Wanneer er zorg is over een minderjarige jongen die zich mogelijk prostitueert, bestaat natuurlijk altijd de mogelijkheid om een beroep te doen op Bureau jeugdzorg (BJZ) of een melding te doen bij het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK). Ook is het mogelijk dat BJZ of AMK de Raad voor de Kinderbescherming inschakelt, zodat kinderbeschermingsmaatregelen kunnen worden ingezet om deze jongens te helpen.
Publicaties van Wikileaks |
|
Atzo Nicolaï (VVD), Ard van der Steur (VVD), Jeanine Hennis-Plasschaert (VVD) |
|
|
|
|
Is het waar dat veel van de informatie die door Wikileaks is gepubliceerd afkomstig is van SIPRNET?1
Navraag bij het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse zaken leert dat het ministerie informatie uitwisselt via een geclassificeerd systeem. Over de vragen hoe het systeem wordt beheerd en wie daartoe toegang heeft worden gezien de classificatie van het systeem geen mededelingen gedaan.
Is het waar dat SIPRNET een netwerk is dat wordt beheerd door zowel de NSA, DIA als de Joint Staff J-6?
Zie antwoord vraag 1.
Is het waar dat bijna 3 miljoen mensen toegang hebben tot dit systeem, terwijl alle informatie geheim of hoger geclassificeerd zou zijn (of moeten zijn)?
Zie antwoord vraag 1.
Op welke wijze inventariseert de Nederlandse regering hoe bondgenoten van Nederland gevoelige informatie opslaan?
Binnen het NAVO-bondgenootschap geldt een systeem van informatie-uitwisseling dat strikte procedures en protocollen kent ter beveiliging. Er zijn strenge voorschriften voor zowel de fysieke beveiliging als de toegang tot de informatiesystemen. Toegang tot de informatie is afhankelijk van de rubricering van de betreffende informatie. Deze regels zijn voor alle bondgenoten gelijk, en worden op dezelfde wijze geïmplementeerd. Elke twee jaar worden NAVO-inspecties uitgevoerd ter controle van de systemen en ter controle van de mate van naleving van de toegangsregelingen. Indien er tijdens deze controles onvolkomenheden worden waargenomen, kan het ertoe leiden dat het betreffende land – tijdelijk – wordt afgesloten van het systeem. Voor EU-gerubriceerde informatie gelden soortgelijke regelingen.
De Nederlandse regering heeft geen inzage hoe bondgenoten en andere landen verder (afgezien van wat betreft NAVO/EU-data) hun systemen t.b.v. veiligstellen gevoelige informatie hebben ingericht. Wel vindt er in algemene zin informatie-uitwisseling plaats over de technische mogelijkheden van beveiliging van informatie, maar uiteindelijk blijft de beveiliging en de vaststelling van de voorwaarden voor uitwisseling van informatie de verantwoordelijkheid van het betreffende land zelf.
Op welke wijze inventariseert de Nederlandse regering wie daar vervolgens allemaal toegang toe heeft?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u aangeven of de toegang tot (andere) gegevens die uitgewisseld worden (bijvoorbeeld passagiersgegevens) duidelijk begrensd is? Kunt u dat ook concreet uiteenzetten?
Passagiersgegevens worden niet door de Nederlandse overheid aan de Amerikaanse overheid verstrekt. Luchtvaartmaatschappijen zijn krachtens Amerikaans recht verplicht om deze gegevens te verstrekken aan het Bureau of Customs and Border Protection. De beveiliging van de aldus verstrekte gegevens is primair een zaak van Amerikaans recht. In de PNR-Overeenkomst 2007 – die nog niet door het Europees Parlement is goedgekeurd, maar wel voorlopig wordt toegepast – wordt in het kader van regeling van de toegang en verdere verwerking van die gegevens verwezen naar een aantal van die voorschriften van Amerikaans recht (punt V van de bijlage bij de PNR-Overeenkomst 2007, Trb. 2008, nr. 75).
In punt VII van de bijlage bij de PNR-Overeenkomst 2007 is geregeld onder welke voorwaarden de gegevens bij het Bureau of Customs en Border Protection blijven bewaard en hoe de toegang daartoe is geregeld. Verder is in punt II van de bijlage bij de PNR-Overeenkomst 2007 geregeld onder welke voorwaarden deze gegevens door het Bureau of Customs and Border Protection mogen worden verstrekt aan andere instanties binnen en buiten de Verenigde Staten. In zijn brief van 20 juli 2010 (Kamerstukken II 2009/10, 31 735, nr. 7) heeft de toenmalige Minister van Justitie verslag gedaan van de evaluatie van de PNR-Overeenkomst 2007. Daarin zijn geen specifieke tekortkomingen op het gebied van de beveiligingsmaatregelen geconstateerd.
Gaat de Nederlandse regering om opheldering vragen inzake de publicaties van Wikileaks?
Nederland is vooraf door de Amerikaanse ambassade in Den Haag geïnformeerd dat Nederland in de aankomende publicaties genoemd zou kunnen worden. Met de ambassade is afgesproken dat deze ons op de hoogte stelt zodra men aanwijzingen heeft dat er publicaties die Nederland betreffen naar buiten zouden komen. De Nederlandse regering gaat er van uit dat de Verenigde Staten maatregelen neemt om dergelijke lekken in de toekomst te voorkomen.
Bent u voornemens om in overleg te treden met bondgenoten als het gaat om hoe gegevens worden opgeslagen en wie daar toegang tot heeft? Zo nee, waarom niet? Zo ja, zal dit in de Nederlandse wet geborgd worden?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat (naar aanleiding van dit soort publicaties) goed gekeken moet worden met wie bepaalde gegevens worden gedeeld, wat voor garanties er zijn qua informatiebeveiliging en in hoeverre dit soort zaken voorkomen hadn kunnen worden? Zo ja, welke maatregelen bent u voornemens te nemen? Zo nee, waarom niet?
De affaire Wikileaks toont hoe belangrijk het inderdaad is met wie en welke landen bepaalde informatie wordt gedeeld. Daarnaast is het van belang dat er in het internationale verkeer ruimte blijft voor landen om onderling op vertrouwelijke basis te communiceren, ook al bestaat er nooit een volledige garantie op absolute vertrouwelijkheid.
In hoeverre er extra maatregelen moeten worden genomen wordt thans bezien, zoals ook door mij is toegezegd tijdens de begrotingsbehandeling van Buitenlandse Zaken in reactie op een motie terzake van het lid Nicolai (VVD). De noodzaak en mogelijkheid van extra maatregelen zijn thans in onderzoek.
Het feit dat agenten geen thermische (onder)kleding kunnen bestellen |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
|
|
|
Is het waar dat politieagenten in verband met een bezuiniging in de meeste korpsen geen bontmutsen en themo(onder)kleding meer kunnen bestellen?1
Agenten kunnen nog steeds bontmutsen en thermo (onder)kleding bestellen. Ik verwijs hierbij naar het antwoord dat mijn voorganger heeft gegeven op (grotendeels) identieke vragen van uw Kamer d.d. 18 januari 2010 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2009–2010, nr. 1514). Er is niet op het kledingbudget voor agenten bezuinigd. Mijn voorganger heeft u toen gemeld dat de Raad van Korpschefs in 2009 besloten heeft dat dan wèl voorafgaande toestemming nodig is van het bevoegd gezag. Uit signalen uit het veld is vervolgens gebleken dat toepassing van deze procedure ten aanzien van thermo (onder)kleding in de praktijk niet altijd vlekkeloos verliep. Naar aanleiding daarvan heeft de portefeuillehouder Facilitair Management van de Raad van Korpschefs de VtS-PN recent verzocht maatregelen te nemen om een versnelde verstrekking van thermo (onder)kleding voor politiepersoneel mogelijk te maken. De VtS-PN heeft hierop de webwinkel inmiddels aangepast zodat de politieambtenaar (wederom) rechtstreeks thermo (onder)kleding kan bestellen. Voor de bontmuts blijft de «oude» procedure gehandhaafd. Men kan deze nog steeds bestellen, zij het niet rechtstreeks, doch via centrale inkoop door het eigen korps, na voorafgaande toestemming door de korpsleiding.
Wat is uw opvatting over het feit dat wijkagenten, fietsteams en hulpverleners worden zonder warm ondergoed de vrieskou in worden gestuurd?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de opvatting van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in het vorige kabinet dat de huidige regelingen op dit gebied voldoen?2
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid deze bezuiniging op het kledingbudget ongedaan te maken en te verzekeren dat alle agenten die dat nodig hebben themo(onder)kleding krijgen?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid contact op te nemen met de korpschefs en samen met hen afspraken te maken voor een snelle verstrekking van themo(onder)kleding?
Zie antwoord vraag 1.
Megafraude met subsidie kinderoppas |
|
Helma Neppérus (VVD), Karin Straus (VVD) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel betreffende megafraude met subsidie kinderoppas?1
Ja.
Kunt u aangeven wat vermoedelijk de totale omvang van de fraude is?
Met de fraude zijn vermoedelijk miljoenen euro’s gemoeid.
Waar bestaan de dubbele controles uit die u volgens het krantenartikel gaat invoeren om de fraude in te dammen?
De dubbele controle bestaat eruit, dat bij aanvragen voor een kinderopvangtoeslag na afloop van het toeslagjaar, extra bewijsstukken (bijvoorbeeld contracten, facturen en jaaroverzichten) worden opgevraagd en navraag wordt gedaan bij de kinderopvanginstelling of daadwerkelijk opvang heeft plaatsgevonden, voordat tot betaling van de kinderopvangtoeslag wordt overgegaan.
Is de controle geïntensiveerd naar aanleiding van het feit dat ook in de zomer van 2010 reeds een veroordeling met celstraf heeft plaatsgevonden naar aanleiding van fraude met kinderopvangtoeslag?
De veroordeling met celstraf in de zomer van 2010 betrof een geval van fraude door een gastouderbureau. De fraude waar het krantenartikel van vraag 1 op doelt, betreft fraude door vijf verdachten die ten onrecht kinderopvangtoeslag voor zichzelf en voor een omvangrijke groep vraagouders hebben aangevraagd. Het toezicht van de Belastingdienst is risicogericht. Dat betekent dat het toezicht wordt geïntensiveerd als het risico op niet naleving van wet- en regelgeving daartoe aanleiding geeft.
Overweegt u, eventueel in overleg met de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, structurele maatregelen om fraude in de toekomst te voorkomen anders dan de bovengenoemde controles? Waar denkt u dan aan? Zo nee, waarom niet?
De ministeries van Financiën en Sociale Zaken en Werkgelegenheid gaan op korte termijn de uitvoering en de regelgeving van de kinderopvangtoeslag doorlichten op frauderisico’s. Afhankelijk van de uitkomst van deze doorlichting, zal bezien worden of en welke maatregelen verder moeten worden genomen.
Deelt u de mening dat in deze tijd waarin bezuinigingen op de kinderopvang plaatsvinden het zeker niet zo kan zijn dat vervolgens miljoenen aan toeslagbedragen via frauduleuze praktijken wegvloeien? Deelt u de mening dat er dus stevig moet worden opgetreden om de dader te pakken en testraffen?
Jazeker, kinderopvangtoeslag stelt hardwerkende ouders in staat om verantwoorde opvang voor hun kinderen te regelen. Dit doel mag niet door fraude in gevaar worden gebracht en fraude moet dan ook stevig worden aangepakt. Naast de hierboven genoemde controlemaatregelen en doorlichting van de uitvoering en regelgeving op frauderisico’s, heeft de Belastingdienst een apart team opgericht dat de aanpak van de fraude coördineert en een meldpunt ingesteld, waar het publiek terecht kan met tips over misbruik of oneigenlijk gebruik.
Deelt u de mening dat we alles op alles moeten zetten om deze bedragen tot op de laatste cent terug te halen bij de daders?
Ja, de Belastingdienst zal alle mogelijke middelen gebruiken om de ten onrechte verkregen toeslagen terug te vorderen, inclusief dwanginvordering. Het Openbaar Ministerie heeft het voornemen de verdachten te vervolgen. Als het Openbaar Ministerie besluit niet tot vervolging over te gaan, heeft de Belastingdienst nog de mogelijkheid om een bestuurlijke boete op te leggen.
Een kinderpornozaak op een basisschool |
|
Kathleen Ferrier (CDA), Madeleine van Toorenburg (CDA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Kinderpornozaak schokt basisschool»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat vanwege privacyredenen het Openbaar Ministerie (OM) de school niet heeft ingelicht over het feit dat de adjunct-directeur verdachte was in een kinderpornozaak? Is dit staand beleid bij het OM in zaken waar kinderen bij betrokken zijn?
Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoord op vragen 3 en 5 van het lid Van der Steur (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2010–2011, nr. 977).
Deelt u de mening dat in dit soort gevallen de privacy van de verdachte niet opweegt tegen de belangen van de kinderen, ouders en betrokken school? Zo nee, waarom niet?
In mijn antwoord op vraag 4 van de eerder genoemde vragen van het lid Van der Steur heb ik het wettelijk kader van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) en de Aanwijzing Wjsg uiteen gezet. Binnen dit wettelijk kader moet altijd een afweging worden gemaakt tussen een zwaarwegend algemeen belang en de belangen van de betrokken partijen. Voor wat betreft de maatregelen die door het OM worden getroffen naar aanleiding van dit incident verwijs ik naar mijn antwoord op vragen 3 en 5 van het lid Van der Steur.
Bent u bereid in dit soort gevallen, waar het gaat om verdenking van kinderporno of andere zaken die kinderen raken en de verdachte tevens nauw samenwerkt met kinderen, de privacy van de verdachten minder zwaar te laten wegen dan de belangen van de kinderen? Zo nee, welke maatregelen denkt u dan te treffen om te voorkomen dat een school in het ongewisse blijft van de verdenking van kinderporno tegen één van haar medewerkers?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid in overleg met het OM te treden hoe voortaan te handelen in dit soort gevallen en de Kamer over de uitkomst van dit overleg te informeren?
Ik ben evenals de voorzitter van het College van procureurs-generaal van oordeel dat het huidig wettelijk kader voldoende aanknopingspunten biedt voor (vroegtijdige) informatieverstrekking aan derden, zoals werkgevers van verdachten met gevoelige functies. Ik vertrouw erop dat met de maatregelen die het OM treft om officieren van justitie beter over de wijze van informatieverstrekking te informeren een herhaling van de gang van zaken zoals bij de onderhavige basisschool wordt voorkomen.
Autobranden |
|
Madeleine van Toorenburg (CDA), Coşkun Çörüz (CDA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Auto’s in Den Bosch en Rosmalen in brand»?1
Ja.
Deelt u de mening dat dergelijke misdrijven, die veel onrust geven en tot grote schade leiden, om bijzondere aandacht van de politie vragen? Zo ja, op welke wijze wordt die bijzondere aandacht aan deze misdrijven geschonken?
Zodra er medio oktober 2010 het vermoeden bestond van seriematige autobranden in Vught is een districtelijke Staf Grootschalig en Bijzonder optreden opgericht, met ondermeer een districtelijk rechercheteam. Daarnaast zijn vanuit het verantwoordelijke politieteam Boxtel ’s nachts extra politiemensen ingezet om de kans op heterdaad te vergroten. Naar behoefte wordt ook geschoven met personeel binnen het district c.q. de regio. Tot slot zijn verschillende technische hulpmiddelen ingezet.
Wordt ten aanzien van dergelijke delicten expertise uitgewisseld tussen de diverse korpsen?
Naar aanleiding van de autobranden in Vught is onder meer contact gelegd met korpsen in Groningen, Noord-Brabant, Overijssel en Limburg. Binnen het korps was overigens, naar aanleiding van de serie autobranden in Boxmeer, reeds de nodige expertise beschikbaar.
Zou een landelijke aanpak van autobranden uitkomst kunnen bieden, nu in de afgelopen maanden over het land verspreid ongeveer 150 auto’s in brand gestoken zijn?
Er vindt landelijk reeds informatie-uitwisseling plaats over daderprofielen en over mogelijke opsporingstactieken. Bij langdurig extra toezicht in de nachtelijke uren kan bijstandsverlening worden overwogen. Vooralsnog acht ik deze maatregelen voldoende.
Geweldsincidenten in Eindhoven |
|
Lea Bouwmeester (PvdA), Attje Kuiken (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Geweld door wietcriminaliteit» en «Eindhoven is nog steeds onveilig»?1
Ja.
Deelt u de zorgen van de Eindhovense burgemeester over deze verontrustende toename van het geweld? Zo ja, wat gaat uw bijdrage zijn aan het beëindigen hiervan? Zo nee, waarom niet?
Die zorgen deel ik. Om die reden heb ik direct actie ondernomen. Op donderdagavond 2 december jl. heb ik met onder meer de (loco-) burgemeesters van de gemeenten Breda, Helmond, Eindhoven, ’s Hertogenbosch en Tilburg een Taskforce ingesteld. Daaraan nemen ook de politie (nationale recherche en regionale korpsen), het openbaar ministerie, de Koninklijke Marechaussee en de Belastingdienst deel.
Ik verwijs verder naar mijn brief van 3 december 2010 aan uw Kamer.
In hoeverre is er sprake van een wietoorlog binnen de onderwereld? Is dit alleen een probleem in Eindhoven of krijgt u signalen uit andere steden? Zo ja, welke signalen zijn dat en hoe gaat u dit bestrijden?
Georganiseerde criminaliteit, waaronder hennepteelt en daarmee verbonden activiteiten, komen niet alleen in Brabant, maar op tal van plaatsen in het land voor. De aanpak van georganiseerde criminaliteit is een topprioriteit van dit kabinet. Zoals ik heb aangegeven tijdens de begrotingsbehandeling op 24 en 25 november jl. is het mijn doelstelling om het aantal aangepakte criminele organisaties te verdubbelen. De bestrijding van de georganiseerde hennepteelt maakt daarvan onderdeel uit, niet alleen in Brabant maar overal waar deze zich voordoet.
Specifiek voor de Brabantse situatie is een Taskforce ingesteld die ervoor zal zorgen dat de bestuurlijke en justitiële aanpak van de georganiseerde misdaad aldaar per direct wordt geïntensiveerd (zie ook het antwoord op vraag 2). Alleen door een gecombineerde inzet van bestuurlijke, strafrechtelijke en fiscale instrumenten kan de georganiseerde misdaad de voet worden dwarsgezet.
Tevens zullen de Regionale Informatie en Expertise Centra (RIEC’s) bijdragen aan de bestrijding van georganiseerde misdaad. Zie daarover ook mijn antwoord op vraag 4.
Deelt u de mening dat, naast wetgeving, de aanpak van drugsgerelateerde criminaliteit in Nederland vooral een kwestie van handhaving en opsporing is? Zo ja, hoe gaat u dit doen en is daar een uitbreiding van capaciteit boven de bestaande politiesterkte voor nodig? Zo nee, waarom niet?
Ik ben van mening dat handhaving en opsporing een belangrijk deel uitmaken van de aanpak van drugsgerelateerde criminaliteit. Een effectieve bestrijding van georganiseerde misdaad vraagt echter om een geïntegreerde aanpak op lokaal en (boven)regionaal niveau, waarbij opsporing en vervolging aansluiten op preventieve en bestuurlijke handhavende maatregelen. Om deze geïntegreerde aanpak te ondersteunen zijn de RIEC’s actief. Deze RIEC’s hebben als doel informatie van de verschillende partijen regionaal te bundelen en te analyseren, waardoor een zo goed mogelijk beeld ontstaat van criminele organisaties en criminele activiteiten in de gehele regio. De overheidspartijen gaan zich nu beter organiseren om adequaat te kunnen handelen. We doen wat nodig is.
Wat is uw mening over het gestelde dat vanwege de door deze zaak gevergde recherchecapaciteit, in Eindhoven andere zaken moeten blijven liggen?
Het maken van keuzes en het stellen van prioriteiten is onvermijdelijk. We doen wat nodig is. In het kader van de Taskforce zullen de drie regiokorpsen in Brabant als één team gaan werken en zal de Nationale Recherche ondersteuning leveren.
In hoeverre is criminaliteit in het algemeen en geweldscriminaliteit in het bijzonder een structureel probleem in Eindhoven en omgeving in die zin dat daar criminaliteit per hoofd van de bevolking vaker voorkomt dan bij vergelijkbare gemeenten elders in het land?
De Brabantse gemeenten scoren al jaren hoog op de gemeentelijke veiligheidsindex. Uit onderzoek2 blijkt dat dit direct én indirect samenhangt met de verwevenheid tussen (een deel van de) «reguliere zichtbare probleemgroepen» (jeugdgroepen, straatdealers, veelplegers e.d.) en minder zichtbare criminele samenwerkingsverbanden (georganiseerde criminaliteit).
Uit het voornoemde onderzoek blijkt dat voor de Brabantse situatie ondermeer geldt:
In het onderzoek wordt een aantal aanbevelingen gedaan te weten: komen tot een betere informatiepositie, meer bovenregionale politiële én bestuurlijke samenwerking en een verdere uitbouw van het bestuurlijk veiligheidsbeleid. Deze aanbevelingen worden door de Taskforce opgepakt en uitgewerkt. Ik verwijs daarvoor naar mijn brief van 3 december 2010 aan uw Kamer.
Hoeveel politiecapaciteit krijgt Eindhoven en omgeving extra op basis van het nieuwe budgetverdeelsysteem? Op welke termijn wordt deze extra capaciteit gerealiseerd?
De invoering van het herijkte budgetverdeelsysteem zal onderdeel uitmaken van het bestuursakkoord met de korpsbeheerders waaraan nu wordt gewerkt. Ik kan nog niets zeggen over de exacte omvang van het budget vanaf 2012 en de gevolgen voor de verdeling daarvan over de politieregio’s.
Deelt u de mening van de Eindhovense burgemeester dat meer controle op de aanvoer van drugs naar de coffeeshops tenminste een deel van de problematiek oplost? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Ik deel die mening niet. Het drugsgerelateerde geweld benadrukt de noodzaak tot een intensivering van de bestuurlijke en justitiële aanpak van de georganiseerde misdaad in Brabant. Het gaat dan om het bestrijden van hennepteelt over de gehele keten. Daar past een gecontroleerde aanvoer en het toestaan van het kweken van wiet door coffeeshops niet bij. De kracht zit in een geïntegreerde aanpak, zoals de Taskforce dan ook beoogt.
Deelt u de mening van de Eindhovense burgemeester dat het toestaan dat coffeeshops zelf, via een systeem van een besloten club, voor hun klantenwiet kunnen gaan telen, zal bijdragen aan het terugbrengen van de drugsgerelateerde geweldscriminaliteit? Zo ja, hoe gaat u dit systeem faciliteren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
In hoeverre hebben versnippering van taken, verschil van visie, te veel gepraat over te veel schijven gezorgd voor een gebrek aan slagkracht en hebben het opdrogen van rijksgeld en de gemeentelijke bezuinigingen bijgedragen aan de huidige situatie in Eindhoven?
De Eindhovense situatie heeft geleid tot een onderzoek onder de vier grootste Brabantse gemeenten naar de achtergronden van de hoge scores op de gemeentelijke veiligheidsindex. De aanbevelingen uit dit onderzoek (zie vraag 6), en de concretisering daarvan, zijn al in de zomer opgepakt door een samenwerkingsverband van de gemeenten Breda, Tilburg, Helmond, ’s-Hertogenbosch en Eindhoven, de zogenoemde «B5».
De actualiteit heeft inmiddels genoodzaakt tot het versneld aanpakken van de problematiek waarbij de overheid nu als één front maximaal inzet op de bestuurlijke en justitiële aanpak. Door de instelling van de Taskforce ga ik, samen met de burgemeesters, ervoor zorgen dat per direct maximaal gebruik wordt gemaakt van alle bestuurlijke, fiscale en justitiële instrumenten in de gehele regio.
Zelfmoord onder politieagenten |
|
Ahmed Marcouch (PvdA), Attje Kuiken (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Dienders in zwaar weer»?1
Ja
Bent u op de hoogte van de voorlopige onderzoeksgegevens van de werkgroep Mentale Weerbaarheid? Zo ja, wat is uw reactie daarop?
Ja, ik ben bekend met de voorlopige onderzoeksgegevens. Het baart mij zorgen dat er diverse indicatoren zijn die wijzen op een toename van psychosociale klachten onder politiemensen.
Deelt u de mening dat het eerder en beter signaleren van problemen, zoals angst en depressiviteit, van belang is om de gezondheid en weerbaarheid van politiemensen op peil te houden? Zo ja, wat gaat u eraan doen om hieraan te werken? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik deel de mening dat het eerder en beter signaleren van problemen van belang is om de gezondheid en weerbaarheid van politiemensen op peil te houden. De Raad van Korpschefs heeft op 24 november 2010 ingestemd met een voorstel om een landelijk programma in te richten om de professionele weerbaarheid van politieambtenaren te versterken. In dit programma komen zowel de fysieke, de mentale als de morele weerbaarheid samen. Momenteel wordt het programmaplan geschreven, in nauwe samenwerking met de Politieacademie, politiekorpsen en het ministerie van Veiligheid en Justitie.
Deelt u de mening dat de kennis die bij de behandeling van onder meer posttraumatisch stresssyndroom bij militairen en militaire veteranen is opgedaan ook ten dienste moet worden gesteld van de behandeling van politiemensen? Zo ja, hoe gaat u dit bewerkstelligen? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik deel deze mening. De werkgroep Mentale Weerbaarheid van de politie heeft reeds contact gelegd met de Defensie academie om kennis en ervaringen uit te wisselen. Het ministerie van Defensie heeft aan de werkgroep inhoudelijk materiaal ter beschikking gesteld over hoe er binnen de krijgsmacht wordt gewerkt aan het zogeheten «mentale schild» van defensiemedewerkers. Hiernaast zal Defensie participeren in de ontwikkeling van het «mentale schild» binnen de politie. Hierbij wordt een direct samenwerkingsverband aangegaan tussen Politieacademie en de Defensie academie.
Deelt u de zorg van de onderzoekers van de werkgroep Mentale Weerbaarheid over het aantal zelfmoorden onder politiemensen? Hebt u wel al enig inzicht in de omvang van dit probleem? Zo ja, wat doet u om dit probleem tegen te gaan?
Ik deel de zorg over het aantal zelfmoorden onder politiemensen. Op dit moment heb ik nog geen inzicht in de omvang van het probleem. De werkgroep Mentale Weerbaarheid zal verder onderzoek doen naar zelfdoding onder politieambtenaren. Het onderzoek wordt uitgevoerd in een samenwerkingsverband tussen de Politieacademie, vakbonden, politiekorpsen en wetenschap.
Deelt u de conclusie van de voorzitter van de werkgroep Mentale Weerbaarheid dat de oorzaken van de mentale problemen bij politiemensen deels te herleiden zijn tot het ontbreken van de menselijke maat bij het leidinggeven? Zo ja, wat gaat u doen om dit te verbeteren? Zo nee, waarom niet?
Ik neem het signaal uit de onderzoeken van de SP en vakorganisaties, waarin wordt aangegeven dat leidinggeven te veel in het beheer zit en er te weinig aandacht is voor de menselijke maat, serieus. Wat de rol van de leidinggevende is in dit traject en hoe dit verbeterd kan worden zal worden meegenomen in het programmaplan van het landelijk programma versterken professionele weerbaarheid. Opzet is om de aanpak professionele weerbaarheid in de gehele organisatie te verbeteren.
Deelt u de conclusie dat voldoende menskracht een eerste voorwaarde is voor de politie om goed te kunnen functioneren? Zo ja, welke conclusies trekt u daar uit? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik uw Kamer in recente debatten heb aangegeven ga ik voor maximale operationele sterkte met het beschikbare budget. Ook zet ik mij in voor het vergroten van de professionele ruimte van agenten. Daar hoort bij dat zij over voldoende weerbaarheid beschikken om die ruimte ten volle te kunnen benutten. De hiervoor geschetste initiatieven sluiten daar dus goed op aan.
De moord op een Nederlander door de Russische geheime dienst |
|
Frans Timmermans (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat de Nederlandse architect Hans Elkerbout, alsmede vijf buitenlandse verpleegkundigen, zouden zijn vermoord door de Russische geheime dienst?1
Ja.
Wat is uw reactie op het gegeven dat Rusland de moord indertijd nooit heeft willen onderzoeken?
Het onderzoek naar de moord op zes Rode Kruis-medewerkers werd in 1996 door de lokale autoriteiten in Tsjetsjenië geopend en werd enkele jaren later overgedragen aan de landelijke autoriteiten, die het onderzoek nooit hebben gesloten. Het betreft dus een nog lopende zaak.
Heeft u uw zorgen geuit richting de Russische autoriteiten over deze zaak? Kunt u aangeven of u bereid bent al uw invloed uit te oefenen om ervoor te zorgen dat deze zaak alsnog tot op de bodem wordt uitgezocht? Zo nee, waarom niet?
Nederland heeft meerdere malen bij de Russische autoriteiten zijn zorgen geuit over het uitblijven van voortgang bij het justitieel onderzoek naar de moord op de Rode Kruis-medewerkers. Tevens onderhoudt het ministerie van Buitenlandse Zaken contact met het Rode Kruis over de kwestie en zijn herdenkingsdiensten voor de slachtoffers bijgewoond.
Zowel in 1996 als bij deze verklaring neemt het Rode Kruis, als werkgever van betrokkenen, het initiatief in de contacten met de Russische autoriteiten. Het Rode Kruis heeft onlangs gemeld in contact te staan met de Russische autoriteiten over het onderzoek.
Mede gelet op de reactie van het Rode Kruis en het feit dat het vooralsnog om speculaties lijkt te gaan, is vooralsnog afgezien van een demarche richting de Russische autoriteiten, zoals die in het verleden is uitgevoerd. Uiteraard zal ik hierover contact blijven houden met het Rode Kruis.
Kinderporno op de computer bij leraar bassischool |
|
Ard van der Steur (VVD) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «kinderporno op basisschool» waaruit blijkt dat een basissschool in Avenhorn pas deze week heeft gehoord dat twee jaar geleden kinderporno is gevonden op de computer van de adjunct-directeur?1
Ja.
Klopt het dat het Openbaar Ministerie pas twee jaar nadat de kinderporno is gevonden de basisschool op de hoogte heeft gesteld?
Ja.
Kunt u aangeven waarom het Openbaar Ministerie de school niet eerder op de hoogte heeft gesteld? Zo nee, waarom niet?
Het OM had de schoolleiding al eerder op de hoogte behoren te stellen van de verdenking tegen hun directeur. Ik begrijp de ontevredenheid die hierover leeft bij de betrokken ouders en medewerkers van de school. Met de voorzitter van het College van procureurs-generaal betreur ik de gang van zaken.
Hoewel er geen aanwijzingen zijn dat het geregeld voorkomt dat gevoelige instellingen als scholen te laat worden geïnformeerd, zal het OM, gelet op het belang dat het hier aan hecht, toch intern maatregelen nemen om herhaling te voorkomen.
Kunt u aangeven of er bij het openbaar ministerie beleid bestaat inzake het melden van verdenkingen van dit soort ernstige feiten bij personen die beroepsmatig veel met kinderen te maken hebben en zo ja, wat houdt dat beleid in? En zo nee, bent u voornemens hier beleid voor te formuleren?
Het beleid van het OM wordt in deze bepaald door de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) en de Aanwijzing Wjsg. Hierin staan diverse doelen genoemd op basis waarvan (vroegtijdig) kan worden overgegaan tot het op de hoogte brengen van derden van strafvorderlijke informatie. Werkgevers van «gevoelige bedrijven of instellingen» waar met kinderen wordt gewerkt, worden in de Aanwijzing specifiek als ontvanger van de informatie genoemd. Zo kan de strafvorderlijke informatie worden verstrekt met het oog op het voorkomen van strafbare feiten (art. 39f sub a Wjsg). Ook kan bijvoorbeeld een schoolbestuur worden ingelicht zodat maatregelen kunnen worden getroffen voor de interne veiligheid op school (art. 39f sub b Wjsg). Verder kunnen aan werkgevers die gegevens worden verstrekt die nodig zijn om rechtspositionele maatregelen te kunnen treffen tegen een verdachte werknemer, waarvan wordt gemeend dat deze zijn functie niet meer op integere wijze kan vervullen (art. 39f sub e Wjsg).
In gevallen waarbij sprake is van een combinatie van een gevoelige functie en de verdenking van kinderporno of kindermisbruik, wordt over het algemeen al snel een zwaarwegend algemeen belang alsmede een spoedeisend belang aanwezig geacht die een informatieverstrekking aan derden kunnen rechtvaardigen. Het OM zal in dergelijke zaken in beginsel informatie verstrekken indien de officier van justitie heeft besloten om daadwerkelijk tot vervolging van de verdachte over te gaan, en nog voordat de rechter zich over de bewijsbaarheid heeft uitgelaten.
Deelt u de mening dat de school direct op de hoogte had moeten worden gesteld? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Geweld tegen winkelpersoneel |
|
Lea Bouwmeester (PvdA), Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Caissières bespuugd en geschopt»?1
Ja.
Is het waar dat een derde van de kwart miljoen caissières en vakkenvullers afgelopen jaar werd bedreigd of gemolesteerd door klanten? Herkent u dit beeld? Zo nee, welk beeld hebt u dan wel van de omvang van deze problematiek?
In de aankondiging van een uitzending op 24 november 2010 van Eén Vandaag, waarop De Telegraaf zich baseert, wordt gemeld dat een derde van het personeel in supermarkten te kampen heeft met agressie en geweld van klanten. Voor deze reportage is Eén Vandaag in drie gemeenten bij een aantal supermarkten langs geweest. In de uitzending wordt niet duidelijk op welk onderzoek het percentage bedreigde personeelsleden is gebaseerd. In het algemeen kan wel gesteld worden dat agressie en geweld op de werkvloer voorkomen. Uit de Monitor Criminaliteit Bedrijfsleven 2009 blijkt dat in de sector detailhandel supermarkten relatief vaak te maken hebben met geweld tegen het personeel: op jaarbasis 17% van het personeel tegen 5% gemiddeld voor de hele sector. Meestal gaat het om bedreiging, die door 75% van de slachtoffers genoemd wordt, gevolgd door mishandeling (29%). In recent onderzoek naar agressie op de totale werkvloer, in opdracht van de FNV onder de eigen leden, komt naar voren dat bijna vier op de tien het afgelopen jaar geconfronteerd is met agressie en geweld op het werk.
Wat is de oorzaak van geweld en agressie tegen winkelpersoneel? Draagt de verkoop van alcohol en tabak in supermarkten en het verbod van deze verkoop aan jongeren bij aan bedreigingen en geweld door jongeren omdat die deze producten toch willen kopen? Zo ja, welke conclusies trekt u hier uit?
Agressie en geweld zijn geen fenomen die exclusief voorkomen in winkels. Ook elders – in het verkeer, het openbaar vervoer, de sport, op scholen, tijdens het uitgaan en bij evenementen – komen geweldsincidenten voor. Ze weerspiegelen de verruwing van de omgangsvormen in de samenleving. Geweld is een complex verschijnsel dat niet uit één enkele oorzaak verklaard kan worden. Deels is de oorzaak gelegen in individuele kenmerken, zoals ADHD, psychische stoornissen en de mate van frustratie. Deels hangt ze samen met de invloed van de sociale (opvoeding) en fysieke (verstedelijking) omgeving. En deels vindt het geweld een voedingsbodem in maatschappelijke factoren, zoals de opvattingen in bepaalde (sub)culturen over hetgeen onder normoverschrijdend gedrag wordt verstaan. Het Centraal Bureau Levensmiddelen (CBL) onderschrijft de zienswijze dat agressie in supermarkten in een bredere context geplaatst moet worden. De weigering om alcohol en tabak te verkopen kan soms leiden tot een agressieve reactie, maar is zeker niet de enige aanleiding. Dit laat onverlet dat jongeren – ook tegen hun wil – beschermd dienen te worden tegen voor hen schadelijke stoffen.
Is het waar dat terwijl bedreigde ambtenaren en ambulancemedewerkers op extra juridische bescherming kunnen rekenen, waardoor de daders altijd vervolgd worden, er voor winkelpersoneel helemaal niets (is) geregeld? Zo ja, deelt u de mening dat ook voor winkelpersoneel, dat uit de aard van de functie een kwetsbare positie inneemt, extra bescherming nodig is? Zo ja, hoe gaat u hier vorm aan geven? Zo nee, waarom niet?
Ik deel het beeld niet dat er helemaal niets geregeld zou zijn voor winkelpersoneel dat slachtoffer is van geweld. Geweld is een ernstig delict, dat kan rekenen op prioriteit bij de behandeling in het juridische traject.
Bij wet wordt het als strafverzwarende omstandigheid aangemerkt, indien het slachtoffer een ambtenaar is die in de uitoefening van zijn openbare orde dienst geconfronteerd wordt met een aantal specifieke basisdelicten, waaronder geweld. Een ambtenaar kan zich immers minder makkelijk onttrekken aan een situatie waarin hij het slachtoffer van een misdrijf dreigt te worden, dan een doorsnee burger. In de vervolgingsrichtlijnen van het Openbaar Ministerie is bepaald dat deze redenering ook opgaat voor niet-ambtenaren, wanneer zij in het kader van de uitoefening van hun beroep met een van deze delicten worden geconfronteerd. Dit geldt onder meer voor winkelpersoneel. Daarmee is dus al voorzien in een hogere strafeis voor geweld tegen winkelpersoneel.
Herkent u het geschetste beeld dat de politie nauwelijks optreedt en het doen van aangifte geen zin lijkt te hebben? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Van de bedrijven in de detailhandel die geweldsdelicten bij de politie melden, geeft 78% in de Monitor Criminaliteit Bedrijfsleven 2009 aan dat de politie de melding registreert en 56% dat de politie proces-verbaal opmaakt. 40% meldt dat de politie het geweldsmisdrijf is gaan onderzoeken. Als het gaat om supermarkten liggen deze percentages hoger. De meest genoemde redenen om géén aangifte te doen zijn dat het probleem zelf aangepakt is (29%), de schade te gering was (26%) en op de derde plaats dat de politie er toch niets aan doet (24%).
Mits er voldoende aanknopingspunten zijn voor de opsporing dient de politie geweldszaken met voorrang te onderzoeken. Mogelijk wordt het beeld van een politie die onvoldoende in actie komt tegen geweld mede veroorzaakt door een onvoldoende terugkoppeling van de opsporingsresultaten. Ik tref thans, conform het voornemen in het Regeerakkoord, voorbereidingen om het aangifteproces te vereenvoudigen en versnellen en daarbij ook tijdig informatie te doen verstrekken over wat er met de aangifte gebeurd is.
Deelt u de mening dat voor alle werknemers die in uitoefening van hun beroep in voor publiek toegankelijke bedreigd of slachtoffer van geweld worden, extra bescherming nodig is? Zo ja, deelt u dan ook de mening dat dit tot uitdrukking dient te komen in een hogere strafeis? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat werkgevers van winkelpersoneel voor hun werknemers aangifte zouden moeten doen? Zo ja, gebeurt dat naar uw mening voldoende? Zo nee, waarom niet?
In het Regeerakkoord is aangegeven dat werkgevers in de publieke sector de aangifte van werknemers kunnen overnemen die slachtoffer van geweld zijn geworden. Ik acht het van belang dat deze mogelijkheid in ieder geval altijd geboden wordt aan werknemers die zelf geen aangifte durven te doen.
Het in antwoord 2 aangehaalde onderzoek van de FNV naar agressie op het werk geeft een indicatie van de ondersteuning die werkgevers daarbij bieden: onder de werknemers die van hun laatste geweldsincident aangifte deden, vroeg een derde om ondersteuning van de werkgever en heeft 66% van hen de ondersteuning ook daadwerkelijk gekregen. Uit de Monitor Criminaliteit Bedrijfsleven 2009 blijkt dat 58% van de bedrijven in de detailhandel die met geweld geconfronteerd worden, hiervan melding maakt bij de politie. Supermarkten lopen hierbij voorop met een meldingsbereidheid van 83%. Afgezet tegen de gemiddelde aangiftebereidheid die – zoals blijkt uit de Integrale Veiligheidsmonitor – op een derde van de ondervonden geweldsdelicten ligt, onderscheidt de detailhandel zich daarmee in positieve zin. Zowel voor een goed zicht op de criminaliteitsontwikkelingen als voor het niet onbestraft laten van strafbaar gedrag is aangifte natuurlijk van groot belang.
Worden er in het kader van het verstrekken van het certificaat Keurmerk Veilig Ondernemen voor winkelgebieden eisen gesteld over maatregelen tegen agressie tegen winkelpersoneel? Zo ja, welke eisen? Zo nee, deelt u de mening dat deze eisen in dit kader wel moeten worden opgenomen?
Het Keurmerk Veilig Ondernemen (KVO) voor winkelgebieden stelt geen specifieke eisen aan het invoeren van maatregelen tegen agressie tegen winkelpersoneel. Wel is aan het keurmerk de module «Agressie en geweld» toegevoegd, die als hulpmiddel kan dienen voor een veiliger werkomgeving. Deze module is primair ontwikkeld voor KVO-samenwerkingsverbanden, maar kan ook elders worden toegepast. Het stellen van eisen op het gebied van agressie en geweld in het KVO acht ik niet nodig, omdat deze verplichting al in de Arbowet is opgenomen. In deze wet is bepaald dat werkgevers verplicht zijn hun medewerkers te beschermen tegen agressie en geweld op het werk. Specifiek voor supermarkten geldt bovendien dat in de cao die in 2009 is afgesloten, bepaald is dat iedere nieuwe werknemer binnen zes maanden een cursus «omgaan met agressie» moet krijgen.
Worden middelen, zoals winkelverboden en het verspreiden van foto’s (onder winkelpersoneel) van bekende overlastgevers, voldoende gebruikt om agressie tegen winkelpersoneel te bestrijden? Welke beperkingen in wet- en regelgeving staan het gebruik van deze middelen in de weg?
Volgens het CBL worden (collectieve) winkelverboden en het onderling delen van informatie over overlastgevers regelmatig toegepast, maar is niet bekend in welke omvang dit gebeurt. Deze maatregelen worden niet alleen tegen overlast- en geweldplegers ingezet, maar ook tegen anderen die de «huisregels» overtreden, zoals winkeldieven. Conform artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht (huisvredebreuk) kan iemand de toegang van een winkel ontzegd worden. Op preventieve middelen als cameratoezicht en het hanteren van een «zwarte lijst» als collectieve ontzegging is de Wet bescherming persoonsgegevens van toepassing.
Softdrugsbeleid |
|
Lea Bouwmeester (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Amsterdam wil geen pasjessysteem coffeeshops»?1
Ja.
Hoe verhoudt zich uw uitgangspunt dat een pasjessysteem overlast moet tegengaan met de uitspraak van de Amsterdamse burgemeester dat Amsterdam geen overlast ervaart van bezoekers van coffeeshops? Bent u van mening dat een pasjessysteem de drugscriminaliteit zal doen afnemen? Zo ja, hoe dan? Zo nee, waarom wilt u toch een pasjessysteem invoeren?
Doel van een pasjessysteem is het bevorderen van kleinschaligheid. De relatie tussen deze maatregel en drugcriminaliteit is dat kleinschaligheid leidt tot een geringere aanvoer van cannabis naar de coffeeshop. Landelijke invoering voorkomt dat zich een waterbed-effect voordoet en er regionaal coffeeshoptoerisme op gang komt. Verder verwijzen wij naar het antwoord op de vragen van het lid Van der Ham (vraagnummer 2010Z17721, ingezonden 25 november 2010) en de daarin genoemde drugsbrief.
Bent u bereid het invoeren van het pasjessysteem over te laten aan die gemeenten die het nodig denken te hebben? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat door het invoeren van een pasjessysteem gebruikers die geen pasje hebben hun toevlucht zullen nemen tot illegale verkooppunten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe wilt u voorkomen dat de verkoop van cannabis nog meer in de illegaliteit verdwijnt?
Het is niet uitgesloten dat een deel van de gebruikers zonder pasje zijn toevlucht zal nemen tot illegale verkoopunten. Illegale verkooppunten worden conform de wettelijke mogelijkheden aangepakt door het lokale bestuur, het Openbaar Ministerie en de politie.
Deelt u de mening dat gebruikers die bij illegale verkooppunten cannabis kopen eerder in aanraking zullen komen met andere (hard)drugs? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u daar tegen doen?
Die mogelijkheid bestaat. Bij illegale verkooppunten is geen controle mogelijk op de middelen die daar worden aangeboden. Illegale verkooppunten worden conform de wettelijke mogelijkheden aangepakt door het lokale bestuur, het Openbaar Ministerie en de politie.
Bent u van mening dat het drugsbeleid benaderd moet worden vanuit de «harm-recution» en dus met een grote gezondheidscomponent? Zo nee, wat is er veranderd aan het uitgangspunt ? Zo ja, hoe gaat u dat vormgeven?
Wij delen de mening dat drugsbeleid moet worden benaderd vanuit zowel de gezondheidscomponent als handhaving en overlastbestrijding. Ons beleid is daar ook op gericht.
Bent u van mening dat het huidige drugsbeleid jongeren beschermen en weerbaar maken tegen gebruik en koop bij drugsrunners en andere illegale verkopers van softdrugs? Zo nee, waarom niet en welke echte oplossingen gaat u voorstellen? Zo ja, welke cijfers tonen aan dat de strafbaarstelling van drugsverkoop via drugsrunners en andere illegale verkopers succesvol is?
Het weerbaar maken van jongeren tegen drugs is onderdeel van het gezondheidsbeleid. Deze problematiek laat zich niet makkelijk in cijfers vatten.
Deelt u de mening dat al jaren verbod op verbod wordt gestapeld, maar dit niet het gewenste effect heeft? Deelt u de mening dat preventie en handhaving juist daarom hand in hand moet gaan? Zo ja, wat gaat u eraan doen. Zo nee, waarom niet?
Wij zijn met u van mening dat preventie en handhaving hand in hand moeten gaan. Er bestaat momenteel een noodzaak tot intensivering van de bestuurlijke en justitiële aanpak van de georganiseerde misdaad. Het is van belang dat de overheid hierbij als één front optreedt tegen de georganiseerde misdaad.
Maakt u zich ook zorgen om de schooluitval van jongeren onder de 18 jaar en jongeren erboven door gebruik van genotsmiddelen, waaronder cannabis? Welke preventieve maatregelen wil u nemen zin om schooluitval door genotsmiddelen tegen te gaan? Of bent u van mening dat het sluiten van coffeeshops of ontmoedigen van verkoop van softdrugs via coffeeshops een adequaat middel is om jongeren af te houden van het gebruik van softdrugs? Zo nee, waarom meent u toch maatregelen te moeten nemen tegen coffeeshops? Zo ja, kunt u dit staven aan de hand van cijfers?
Volgens onderzoek spelen veel factoren een rol bij schooluitval. Cannabis is daarbij een factor, maar niet de belangrijkste. Via het partnership vroegsignalering wordt ingezet op tijdige detectie door zorgverleners van beginnende alcohol- en drugsproblematiek.
Kent u het artikel «Het Nederlands drugsbeleid en de wet van de remmende voorsprong»?2
Ja.
Deelt u de mening van de schrijver dat Nederland haar voorsprong op het gebied van liberaal drugsbeleid heeft verloren door de wet van de remmende voorsprong? Zo nee, waarom niet?
Nee, die mening deel ik niet. De veranderende aard van de drugsproblematiek vraagt om aanpassingen in ons beleid om problemen zo goed mogelijk op te lossen. Hoe onze oplossingen zich verhouden tot die in andere landen is daarbij niet leidend.
Bent u met de schrijver van mening dat slimme en creatieve juristen moeten kijken naar de mogelijkheden voor een gereguleerde of gelegaliseerde aanvoer om op die manier legaal drugsbeleid te kunnen voeren? 13 Bent u van mening dat het niet mogen telen van wiet door coffeeshops of het niet hebben van een grotere handelsvoorraad korte metten zal maken met criminaliteit, overlast en intimidatie? Zo ja, op welke wijze?
Nee, die mening deel ik niet. Het reguleren van de achterdeur zien we niet als oplossing voor de bestaande problemen.
Hoe moet overlastgevende thuisteelt tegengegaan worden nu het telen van wiet door coffeeshops niet mogelijk wordt gemaakt?
Indien u bedoelt te vragen of het toestaan van het telen van wiet en van een grotere handelsvoorraad criminaliteit zal helpen voorkomen, dan verwijzen wij u naar ons antwoord op de vragen 12 en 15.
Is het verhogen van de handelsvoorraad volgens het voorstel van Commissie-Van de Donk een manier om criminaliteit begaan tegen de loopjongens van cannabis tegen te gaan? Zo ja, bent u bereid deze loopjongens deze bescherming te bieden? Zo nee, waarom niet en welk middel is wel effectief?
Het telen van wiet is verboden op grond van de Opiumwet. Dit geldt zowel voor thuisteelt als voor de meer professioneel georganiseerde teelt. Overlastgevende thuisteelt moet krachtig worden tegengegaan en wordt daarom bestuurlijk en justitieel gehandhaafd.