Het bericht dat ‘de naam van de kerk boven het welzijn van de mens komt’ |
|
Vera Bergkamp (D66) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Ze misbruiken de kinderen, ze misbruiken hun macht»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de stelling «als je weet dat je collega's je toch niet aangeven, kun je makkelijk je gang gaan»?
Seksueel misbruik is onacceptabel en moet bestreden worden waar het ook maar voorkomt. De overheid heeft daar een belangrijke rol bij, maar ook instellingen als de RKK Kerk moeten hun verantwoordelijkheid nemen bij het bestrijden en voorkomen van seksueel geweld.
Uit de informatie die ik van de Rooms-Katholieke Kerk (RKK) heb gekregen blijkt dat de RKK naar aanleiding van het onderzoek van de commissie-Deetman maatregelen heeft getroffen voor het signaleren en sanctioneren van misbruik en het doen van aangifte bij strafbare feiten. Zo is in 2014 een Gedragscode Pastoraat en in 2015 een Reglement R.K. Meldpunt Grensoverschrijdend Gedrag opgesteld om grensoverschrijdend gedrag in de RKK aanhangig te maken.
Het Reglement R.K. Meldpunt Grensoverschrijdend Gedrag regelt de behandeling van klachten van grensoverschrijdend gedrag. De Gedragscode Pastoraat schrijft voor dat bij meldingen van mogelijk strafbare feiten en seksueel misbruik van minderjarigen altijd direct aangifte wordt gedaan bij de politie of het Openbaar Ministerie. De kerkelijke beroeps- en strafprocedures zijn op dergelijke vergrijpen eveneens van toepassing mits deze aanvullend en niet tegenstrijdig zijn met fundamentele normen van dwingend recht.
Is het «crimen sollicitationis» in de Rooms Katholieke Kerk in Nederland nog steeds van kracht?
Is er ook sprake van «sollicitatio» volgens de «crimen sollicitationis» indien de seksuele misdragingen of pogingen daartoe kort voor of na de biecht plaatsvonden?
Is er ook sprake van «sollicitatio» volgens de «crimen sollicitationis» wanneer seksuele misdragingen of pogingen daartoe plaatsvonden in de schijn van een biechtgesprek?2
Hoe verhoudt het «crimen sollicitationis», indien nog steeds van kracht in Nederland, zich tot het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafrecht, in het bijzonder tot artikel 160 van het Wetboek van Strafvordering?
Hoe verhoudt het «crimen sollicitationis», indien nog steeds van kracht, en de daaruit voortvloeiende instructies zich tot internationale en Europese mensenrechten en beleid om seksueel misbruik te bestrijden? Indien deze strijdig met elkaar zijn, gaat u dan acties, zoals dit bespreken met de Nederlands Bisdommen, ondernemen eventueel in samenwerking met andere landen? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat een dergelijk document, waarbij naar het schijnt de nadruk sterk op geheimhouding gelegd wordt, een doofpotbeleid in de hand kan werken?
De Instructie «Crimen sollicitationis» is niet meer van kracht. Voor wat betreft de reactie op grensoverschrijdend gedrag, heb ik de indruk dat de RKK een zo groot mogelijke openheid probeert te betrachten, zonder de benodigde privacy van betrokkenen uit het oog te verliezen. Op de website van het R.K. Meldpunt Grensoverschrijdend Gedrag van de RKK worden de jaarverslagen gepubliceerd waarin wordt beschreven hoe men met meldingen is omgegaan.4
Hoe ziet u het «crimen sollicitationis», indien nog steeds van kracht, in het licht van de bevindingen en aanbevelingen van de Commissie Deetman rondom «bestuurlijke verantwoordelijkheid»3, met name rondom de zogeheten «culture of silence»?
De Instructie «Crimen sollicitationis» is niet meer van kracht.
Kunt u bevestigen dat het kerkelijke recht niet boven het Nederlands strafrecht staat?
Ja. Artikel 2:2 BW bepaalt dat van het kerkelijk statuut niet mag worden afgeweken, tenzij het strijdig is met dwingend recht. Dit houdt in dat kerkelijke besluiten in beginsel worden aanvaard, met dien verstande dat die besluiten niet strijdig mogen zijn met fundamentele normen van dwingend recht.
Bent u bereid, in het licht van de recente onthullingen rondom seksueel misbruik in de Rooms Katholieke Kerk en veronderstelde geheimhoudingsplichten, met de Nederlandse Bisdommen te bezien hoe nu gewetensbezwaarde gelovigen meldingen van misbruik kunnen doen zonder daarbij enige last, drang of dwang te voelen, daders aangegeven worden, en zo het Nederlands strafrecht volle werking kan hebben? Zo ja, kunt u de Tweede Kamer voor het einde van 2018 op de hoogte stellen van deze gesprekken? Zo nee, waarom niet?
Ik wil vooropstellen dat de recente onthullingen de situatie in onder andere Australië, de VS (Pennsylvania) en Duitsland betroffen. In Nederland is sprake van een andere situatie. Er bestaan nog nauwelijks internaten zodat de buitenlandse situatie zich slecht laat vergelijken met die in Nederland.
Bovendien is de situatie in Nederland in acht onderzoeken, die tussen 2010 en 2016 zijn verricht naar seksueel misbruik binnen de RKK, uitvoerig beschreven.6 De RKK heeft tegelijkertijd maatregelen getroffen die situaties, zoals in die onderzoeken beschreven, moet helpen voorkomen. Meldingen van slachtoffers worden onafhankelijk beoordeeld, zo nodig volgen maatregelen tegen daders en strafrechtelijke feiten worden aan de politie gemeld zodat het strafrecht zijn beloop krijgt.
Ik heb in mei van dit jaar met vertegenwoordigers van de RKK gesproken. De toelichting op getroffen maatregelen die mij toen is gegeven, geven mij het beeld dat de RKK veel aandacht besteedt aan seksueel misbruik en grensoverschrijdend gedrag en dat ruim bekendheid is gegeven aan de mogelijkheden om misstanden aan de kaak te stellen. Met de gepubliceerde verslagen laat de RKK ook zien dat zij daarmee openheid geeft over de afhandeling van meldingen. De eerder vermelde Gedragscode Pastoraat noemt de toepasselijkheid van het Wetboek van Strafrecht expliciet. Ik acht een nieuw gesprek met de Nederlandse bisschoppen dan ook niet noodzakelijk.
Het VN rapport 'Myanmar: Tatmadaw leaders must be investigated for genocide, crimes against humanity, war crimes' |
|
Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het VN-rapport «Myanmar: Tatmadaw leaders must be investigated for genocide, crimes against humanity, warcrimes»?1
Ja. Overigens luidt de titel van het rapport: Report of the Independent International Fact-finding Mission on Myanmar en is «Myanmar: Tatmadaw leaders must be investigated for genocide, crimes against humanity, warcrimes» een persbericht over het rapport waar ik ook kennis van heb genomen.
Deelt u de mening dat genocide nooit onbestraft mag blijven? Zo ja, wat gaat u doen met de uitkomst van dit VN-rapport, dat concludeert dat er sprake was van genocide, misdaden tegen de mensheid en oorlogsmisdaden in Rakhine, Kachin en Shan States? Zo nee, waarom niet?
De bevindingen in het Fact Finding Mission-rapport (FFM) zijn zeer zorgelijk en onderstrepen de noodzaak voor vervolgstappen. De FFM stelt op basis van hun onderzoek vast dat er misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdrijven zijn gepleegd in Kachin, Rakhine en Shan State. Daarnaast stelt de FFM dat de misdrijven in Rakhine, en de manier waarop deze zijn gepleegd, in aard, zwaarte en omvang zodanig zijn dat ze vergelijkbaar zijn met andere gevallen waarin genocidale intentie kon worden vastgesteld.
Genocide kent echter een zeer hoge bewijslast. Voor het kabinet ligt het in de rede om tot erkenning van genocide over te gaan wanneer de Veiligheidsraad van de VN in een bindende resolutie heeft vastgesteld dat sprake is van genocide, dan wel wanneer er een uitspraak is van een internationaal gerechts- of strafhof2.
De FFM stuurt ook op het laatste aan. De FFM-leden roepen daarom op tot een verwijzing naar het Internationaal Strafhof (ICC) of een ad hoc tribunaal dat gecreëerd moet worden. In de tussentijd zou er volgens de FFM een onafhankelijk en onpartijdig mechanisme moeten komen voor het verzamelen, behouden en analyseren van bewijs van schendingen. Verder doet de FFM de aanbeveling om gerichte individuele sancties in te stellen tegen individuen die verantwoordelijk zijn voor ernstige internationale misdrijven.
Het kabinet is van mening dat straffeloosheid altijd moet worden bestreden en dat de FMM door middel van dit rapport verdere onderbouwing geeft aan de sterke oproep, die eerder ook al door Nederland is gedaan, om te komen tot berechting van de schuldigen. De EU en Nederland hebben Myanmar al herhaaldelijk opgeroepen toe te treden tot het Statuut van Rome en in internationaal verband opgeroepen om doorverwijzing van de situatie door de VN-Veiligheidsraad naar het Internationaal Strafhof. Nederland zal dat blijven doen. Daarnaast verkent Nederland samen met gelijkgezinde landen opties voor een bewijsverzamelingsmechanisme om te voorkomen dat bewijs verloren gaat, zoals ook voorgesteld door de FFM middels de oproep voor een onafhankelijk en onpartijdig mechanisme. Tevens heeft de EU op initiatief van o.a. Nederland, gesteund door enkele andere lidstaten, sancties ingesteld tegen 7 militairen. Nederland blijft zich samen met gelijkgezinde landen inzetten om de crisis op de agenda van verschillende internationale fora, waaronder de VNVR, te houden en voor accountability te pleiten.
Heeft u of gaat u – vooruitlopend op het volledige rapport van de VN-Mensenrechtenraad dat op 18 september zal verschijnen – contact opnemen met uw Europese ambtsgenoten voor een gezamenlijke reactie op dit rapport?
Ja, de Europese Unie neemt, zoals in voorgaande jaren, het initiatief voor een resolutie over Myanmar in de Mensenrechtenraad. Deze resolutie zal ook ingaan op het rapport van de FFM. Nederland maakt zich daarbij met name sterk voor een ferme oproep tot accountability, inclusief een oproep aan Myanmar om toe te treden tot het Statuut van Rome, en een oproep aan de VN-Veiligheidsraad om de situatie door te verwijzen naar het Internationaal Strafhof, verlenging van het mandaat van de FMM om continuïteit te waarborgen en oprichting van een bewijsverzamelingsmechanisme om te voorkomen dat bewijs verloren gaat.
Welke mogelijkheden ziet u om tijdens het lidmaatschap van Nederland van de VN-Veiligheidsraad een voortrekkersrol te spelen bij het instellen van onderzoek en vervolging van de militaire top van Myanmar inclusief generaal Min Aung Hlaing?
Het kabinet juicht toe dat het ICC onlangs heeft besloten dat het Hof in beginsel rechtsmacht heeft over de deportatie van Rohingya vanuit Myanmar naar Bangladesh. Dit kan een belangrijke eerste stap zijn om daders van misdrijven gepleegd in Myanmar, temeer als dit hoge militairen zijn, te vervolgen. Om ook vervolging van andere misdrijven dan deportatie mogelijk te maken, blijft het kabinet zich inzetten voor een doorverwijzing via de Veiligheidsraad naar het ICC van de gehele situatie in Myanmar. Nederland heeft hiertoe in de VNVR al een aantal maal expliciet opgeroepen. China, gesteund door onder andere Rusland, is echter tegenstander van een ICC-doorverwijzing van de Veiligheidsraad ten aanzien van Myanmar en zal dit waarschijnlijk blokkeren met een veto.
Welke directe gevolgen verbindt u aan de conclusies in dit VN-rapport? Kunt u dit toelichten?
De bevindingen en conclusies in het FFM-rapport bevestigen de noodzaak tot blijvende aandacht van de internationale gemeenschap en druk op Myanmar om straffeloosheid tegen te gaan, accountability te garanderen en het geweld in verschillende delen van het land te stoppen. Zoals hierboven aangegeven, blijft Nederland zich hiervoor inzetten.
Het bericht 'Kopje onder in Nijmegen? Dan heb je pech' |
|
Chris van Dam (CDA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht/artikel «Kopje onder in Nijmegen? Dan heb je pech?»1
Ja.
Kunt u de, eerder gestelde schriftelijke vragen over duikteams, van 13 maart 2018 en uw antwoorden van 5 april 2018 herinneren?2
Zie antwoord vraag 1.
Voor welke doeleinden worden duikteams van de brandweer ingezet? Gaat het bij de inzet ten behoeve van personen te water primair om het redden van levens, of gaat het om het bergen van lichamen? Hebben duikteams van de veiligheidsregio invloed op de overlevingskans indien iemand in Nederland te water raakt? Na hoeveel tijd dat een persoon onder water verblijft is de kans op overleving nihil? Hoe verhoudt zich dit tot de aanrijtijd van een duikteam?
Duikteams worden ingezet voor zowel reddings- als bergingsacties. Het primaire doel is het redden van levens. Duikteams hebben invloed op de overlevingskansen van personen die te water zijn geraakt, maar dit is niet te kwantificeren. De overlevingskans is van veel factoren afhankelijk, zoals de watertemperatuur, de wijze waarop de persoon te water is geraakt, de fysieke gesteldheid van de persoon, of het wel of niet om een auto gaat en of daar wel of niet een luchtbel in aanwezig is. Als professionele norm wordt een richtwaarde van 15 minuten geadviseerd, aangezien dit nog een redelijke kans op een levensredding biedt. Tot ongeveer één uur na het onderwater verdwijnen is overleving mogelijk. Het bestuur van de veiligheidsregio stelt op basis van onder andere het risicoprofiel de opkomsttijd van een duikteam vast.
Welke regionale brandweerkorpsen beschikken momenteel wel en welke niet over operationeel inzetbare duikteams? Kunt u aangeven of de afname van duikteams in Nederland inderdaad een gevolg is van eerdere bezuinigingen?
Op twee veiligheidsregio’s na (Gelderland-Zuid en Brabant-Zuidoost) beschikken alle veiligheidsregio’s over brandweerduikteams.
In mijn beantwoording op eerdere Kamervragen over duikteams3 heb ik u geïnformeerd dat sinds de regionalisering van de brandweer ook de ondersteuning bij waterongevallen op regionaal niveau doelmatig georganiseerd is. Dit heeft onder meer de vermindering van het aantal duikteams tot gevolg gehad. Daarnaast speelt ook de arbeidsveiligheid een rol bij de verlaging van het aantal duikteams. In de loop der jaren zijn de regels en de eisen aan opleidingen en trainingen aangescherpt om duikers beter te beschermen. Het duiken bij de brandweer heeft een spoedeisend karakter en stelt daarmee extra hoge eisen aan de vakbekwaamheid van de duikers. De veiligheidsregio’s hebben om die redenen teams samengevoegd of vervangen door oppervlaktereddingsteams.
De keuze met betrekking tot duikteams is een afweging van het bestuur van de veiligheidsregio, waarin verschillende (objectieve en subjectieve) factoren een rol spelen. Dergelijke afwegingen betreffen bijvoorbeeld met welke risico’s de regio rekening moet houden, welke weging van risico’s wordt aangehouden, wat een passende aanpak is, enzovoort. Gaat het om de ondersteuning bij waterongevallen, dan kan ook gekozen worden voor grijp- en/of oppervlaktereddingen. Brandweer Nederland heeft in reactie op nieuwe veiligheidsregelgeving en ongevallen met duikers verschillende handreikingen opgesteld met betrekking tot te water geraakten.
Bestaan er objectieve criteria waarlangs de keuze voor het wel of niet in stand houden van een duikteam te begrijpen of te rechtvaardigen is of is het puur afhankelijk van een subjectieve, regionale afweging van wensen en middelen? Zijn er landelijke richtlijnen/protocollen indien iemand te water raakt die van invloed zijn op dit soort lokale c.q. regionale keuzes?
Zie antwoord vraag 4.
Binnen welk vigerend kader van wet- en regelgeving hebben regio’s speelruimte om een zelfstandige afweging te maken? Dient het bestuur van een veiligheidsregio, bij deze afweging, rekening te houden met de aan- of afwezigheid van waterrijke geografie?
De besturen van veiligheidsregio’s dienen zich te houden aan de Wet veiligheidsregio’s en onderliggende regelgeving. Risico-inschatting, het voorbereid zijn op risico’s en over de juiste slagkracht kunnen beschikken, is een zaak van die besturen. Een waterrijke geografie wordt meegenomen bij het opmaken van het regionale risicoprofiel. Het regiobestuur bepaalt op welke wijze invulling wordt gegeven aan de taak ondersteuning bij waterongevallen.
Ten aanzien van de veiligheid en arbeidsomstandigheden van het werk van de brandweer is regelgeving van toepassing vanuit het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De Inspectie SZW houdt hierop toezicht.
Het bericht ‘Zedenzaak van Brech bleef te vaak onopgemerkt’ |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Zedenzaak van Brech bleef te vaak onopgemerkt»?1
Ja.
Deelt u de mening dat de zaak Nicky Verstappen onder andere leert dat de Wet op Archiefbeheer, waardoor het openbaar ministerie (OM) verplicht dossiers na verloop van jaren moet vernietigen, de opsporing van criminelen tegenwerkt?
Op 1 april 2004 is de Wet op justitiële en strafvorderlijke gegevens (hierna: Wjsg) in werking getreden. Op basis van artikel 4 lid 4 juncto artikel 39d Wjsg geldt sedertdien een vernietigingstermijn van strafvorderlijke en justitiële gegevens van 80 jaar voor vrijwel alle zedenzaken, waaronder die gericht zijn tegen minderjarigen. Dit geldt ook voor sepotbeslissingen. Dat houdt in dat deze gegevens en/of dossiers gedurende een periode van tachtig jaar beschikbaar blijven voor justitie ten behoeve van de rechtspleging.
Het onderzoek naar de dood van Nicky Verstappen betreft een lopend strafrechtelijk onderzoek, zodat ik niet kan ingaan op bijzonderheden van deze zaak. Ik merk slechts op dat het OM mij heeft bericht dat er geen aanwijzingen zijn dat in deze zaak de vernietigingstermijnen van strafvorderlijke gegevens (OM-dossiers) in de weg hebben gestaan aan de opsporing van deze verdachte.
Bent u bereid deze wet zodanig te wijzigen dat dossiers van het OM altijd bewaard blijven zodat criminelen uit oude strafzaken niet door het vernietigen van dossiers vrijuit kunnen gaan? Zo nee, waarom niet?
Gelet op de nu geldende termijnen, zoals aangegeven in het eerste deel van mijn antwoord op vraag 2, zie ik geen reden om de Wjsg aan te passen.
Het bericht dat jongeren via moskee-organisatie Milli Görüs in Nederland op ‘trainingskamp’ gaan naar een omstreden Turkse imam die de gewapende jihad steunt |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Milli Görüs nam jongeren mee op «kamp» naar radicale imam»?1 Wat is uw reactie daarop?
Ja, ik ken het bericht. Het is in alle gevallen onwenselijk als Nederlandse jongeren geënthousiasmeerd worden voor denkbeelden die haaks staan op de uitgangspunten van de rechtsstaat, de Nederlandse wetgeving en de waarden die in Nederland worden gekoesterd.
Is het waar dat sinds 2013 Turks-Nederlandse jongeren meegenomen zijn naar Turkije om hen te laten onderwijzen door de radicale imam Nureddin Yildiz, die de gewapende jihad in Syrië steunt en geweld tegen vrouwen legitimeert? Was u hiervan al op de hoogte? Zo ja, sinds wanneer was u hiervan op de hoogte?
Het staat maatschappelijke en religieuze organisaties vrij om buitenlandse reizen te organiseren. Derhalve zal ik niet komen met een voorstel met maatregelen om buitenlandse reizen te voorkomen. Uiteraard beoordeelt het Openbaar Ministerie, indien dit aan de orde is, of er sprake is van (mogelijk) strafbaar handelen.
In reactie op het NRC-artikel heeft Milli Görüs aangegeven dat in 2014, 2015 en 2016 reizen zijn georganiseerd voor jongeren naar Turkije.2
Het kabinet vindt het onwenselijk als jongeren doelbewust geënthousiasmeerd worden voor denkbeelden die haaks staan op de uitgangspunten van de rechtsstaat, de Nederlandse wetgeving en de waarden die in Nederland worden gekoesterd. Het is belangrijk dat organisaties maatregelen treffen om te voorkomen dat jongeren onder invloed komen van predikers met dergelijke radicale boodschappen. Dit is een terugkerend onderwerp bij de gesprekken die het Ministerie van SZW voert met organisaties.
Bent u bereid te onderzoeken of dit soort onderwijsreizen ook al voor 2013 plaatsvonden en zo ja, sinds wanneer? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Is u bekend of deze reizen nog steeds door Milli Görüs of andere Turkse organisaties worden georganiseerd? Zo nee, bent u bereid dit te onderzoeken?
Zie antwoord vraag 2.
Is u bekend op welke wijze deze reizen worden gefinancierd? Zo nee, bent u bereid dit te onderzoeken en de resultaten aan de Kamer te laten weten?
Het conceptwetsvoorstel dat als doel heeft om meer inzicht te bieden in de financiering van maatschappelijke en religieuze organisaties ziet op alle stichtingen, verenigingen en kerkgenootschappen in Nederland. Ook een stichting als Milli Görüs valt hieronder. Over de verkenning naar het verbieden van financiering uit onvrije landen wordt uw Kamer dit najaar geïnformeerd. Op dit moment is niet bekend op welke wijze deze reizen zijn gefinancierd.
Deelt u de mening dat dit soort onderwijs de integratie van Turkse jongeren in Nederland in de weg staat? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik onder antwoord 1 reeds aangaf, is het in alle gevallen onwenselijk als Nederlandse jongeren, ongeacht hun afkomst, doelbewust geënthousiasmeerd worden voor denkbeelden die haaks staan op de uitgangspunten van de rechtsstaat, de Nederlandse wetgeving en de waarden die in Nederland worden gekoesterd. Dit zet het vreedzaam samenleven in onze democratische rechtsstaat onder druk. Overigens zijn diensten alert op personen die mogelijk een gevaar vormen voor de nationale veiligheid en kan worden opgetreden wanneer er sprake is van strafbaar handelen.
Is u bekend hoeveel jongeren dit onderwijs hebben gevolgd en welke gevolgen dat heeft voor hun wereldbeeld en kijk op onze maatschappij? Vormen deze jongeren een gevaar voor de veiligheid in Nederland?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening dat gemeenten meer middelen moeten krijgen om in te grijpen? Zo ja, welke mogelijkheden zouden gemeenten moeten krijgen om dit soort reizen te voorkomen?
Het staat maatschappelijke en religieuze organisaties vrij om buitenlandse reizen te organiseren. Dit wordt dan ook niet structureel gemonitord door de overheid. Ik acht het ook niet nodig om gemeenten meer middelen te geven om in te grijpen. Tegelijkertijd is de overheid alert op signalen waaruit blijkt dat personen mogelijk een gevaar vormen voor de nationale veiligheid, en treedt op wanneer daar aanleiding voor is.
Bent u bereid te onderzoeken welke maatregelen denkbaar zijn om dit soort «trainingskampen» te voorkomen? Zo ja, wanneer kunt u een voorstel met maatregelen naar de Kamer sturen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bekend met de berichten «Politie wil vooraanstaande functionarissen bestraffen om plichtsverzuim»1, «Agenten willen meer transparantie over sanctiebeleid»2 en «Politiekorps onder druk na bonnenrel»?3
Ja.
Wat is de sanctie als een medewerker van de politie zich laat fêteren? Is deze sanctie voor een leidinggevende politiecommissaris hetzelfde als voor een wijkagent? In hoeverre is dit officieel vastgelegd, bijvoorbeeld in een gedragscode?
Wanneer sprake is van plichtsverzuim en er noodzaak is tot het opleggen van een sanctie, vindt een individuele beoordeling plaats. Welke sanctie wordt opgelegd naar aanleiding van een disciplinair onderzoek is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals de functie van de politiemedewerker, de aard van het plichtsverzuim en de omstandigheden waaronder het plichtsverzuim heeft plaatsgevonden.4
Integriteit is één van de vier kernwaarden van de politie. Voor iedere ambtenaar van politie geldt deze kernwaarde als basisprincipe. Dit komt ook als zodanig terug in de eed/belofte die iedere ambtenaar van politie aflegt.
De voorbeeldfunctie van leidinggevenden is nog eens onderstreept door het bepaalde in artikel 55abis van het Besluit algemene rechtspositie politie.
Omdat bij de oplegging van de sanctie rekening wordt gehouden met de unieke kenmerken die iedere casus heeft, is niet vastgelegd welke sanctie voor welk soort plichtsverzuim wordt opgelegd.
De onderzoeken en het opleggen van disciplinaire maatregelen vallen onder de verantwoordelijkheid van de korpschef. Ik ga dan ook niet op individuele casuïstiek in.
Wat vindt u ervan dat een Amsterdamse politiecommissaris strafontslag heeft gekregen wegens het structureel gebruiken van politiegeld voor onder andere diners en voetbalwedstrijden, terwijl andere (top)functionarissen alleen een boete van een paar honderd euro krijgen?
De politie onderzoekt meldingen van integriteitsschendingen zorgvuldig en via een zogenaamd strafmaatoverleg wordt de uniformiteit van afdoeningen van disciplinaire trajecten geborgd. De korpschef heeft geconstateerd dat in het geval van de Amsterdamse politiecommissaris sprake was van meerdere vormen van zeer ernstig plichtsverzuim. Dit heeft vanzelfsprekend gevolgen voor de sanctionering.
In verband met de privacy van de betrokken functionarissen is de politie terughoudend bij de communicatie over disciplinaire trajecten. Dat geldt ook voor de gevallen waaraan wordt gerefereerd. In deze gevallen is bovendien sprake van voorgenomen besluiten en zijn de trajecten nog niet afgerond.
Waar het disciplinaire zaken betreft met een groot maatschappelijk en/of organisatiebelang streeft de korpschef naar verantwoorde transparantie en geeft – na een zorgvuldige afronding van het traject – toelichting op de afdoening.
Bent u van mening dat de sancties die zijn uitgedeeld op basis van de hiërarchie van de medewerkers van de politie in verhouding zijn? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Is het mogelijk om inzichtelijk te maken waarop de sancties die zijn uitgedeeld gebaseerd zijn?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u bevestigen dat de Amsterdamse eenheidschef geen sanctie krijgt, terwijl andere mensen uit de politietop wel beboet worden? Zo ja, kunt u nader toelichten wat hier de verklaring voor is?
De korpschef heeft mij laten weten dat naar alle nog in dienst zijnde politiefunctionarissen die uit het onderzoek naar de Amsterdamse politiecommissaris naar voren zijn gekomen een oriënterend onderzoek is ingesteld. De uitkomsten van het oriënterend onderzoek gaven in bepaalde situaties geen aanleiding om een disciplinair onderzoek in te stellen. Onder meer in het geval van de Amsterdamse eenheidschef heeft de korpschef op basis van het oriënterend onderzoek geen vermoeden van plichtsverzuim geconstateerd.
Wat vindt u ervan dat het openbaar ministerie besloten heeft om haar medewerkers helemaal niet te sanctioneren, terwijl de politie haar medewerkers wel sanctioneert?
Het Openbaar Ministerie heeft mij laten weten dat het hier twee officieren van justitie betreft die uit hoofde van hun functie aanwezig zijn geweest bij evenementen. In deze gevallen is dan ook geen plichtsverzuim geconstateerd.
In hoeverre deelt u de uitleg in het Parool dat hardere sancties aan de politietop de politieorganisatie onevenredig zwaar zouden treffen en daarom bewust voor mildere sancties wordt gekozen?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat de reorganisatie van de politie nog niet voldoende is afgerond om mensen op belangrijke leidinggevende posities te kunnen vervangen indien dit nodig geacht zou worden? Zo ja, bent u van mening dat dit onwenselijk is en dat daar snel een oplossing voor gevonden moet worden?
Nee. De reorganisatie van de politie is afgerond en de leidinggevende posities zijn vervuld.
Wat wordt er aan gedaan om de integriteit binnen de politie te verbeteren? Hoe wordt ervoor gezorgd dat collega’s elkaar aan spreken op normoverschrijdend gedrag?
De politie voert een actief integriteitsbeleid en zet daartoe een palet aan repressieve en preventieve instrumenten in om de integriteit van de organisatie en de medewerkers te behouden en te bevorderen. Bij de repressieve instrumenten gaat het om het onderzoeken van meldingen en indien nodig het nemen van disciplinaire maatregelen. De preventieve instrumenten betreffen enerzijds het weerbaarder maken van de politiemedewerkers, onder meer door te leren van ervaringen en elkaar aan te spreken. Anderzijds zien de instrumenten op (informatie)beveiliging, zoals autorisaties, en screening.
Deelt u de mening dat het sanctiebeleid van de politie transparanter moet worden? Zo ja, bent u bereid zich hiervoor in te zetten? Zo nee, waarom niet?
Met het oog op transparantie wordt ieder jaar in het jaarverslag van de politie inzichtelijk gemaakt hoeveel ontslagen hebben plaatsgevonden. Ik vind het echter onwenselijk om op functie of individueel niveau inzichtelijk te maken welke sancties zijn opgelegd, gezien de grote en naar mijn opvatting onevenredige inbreuk die dit zou maken op de persoonlijke levenssfeer van deze medewerkers.
De politie streeft er vanuit het oogpunt van transparantie naar om met ingang van 2019 jaarlijks een geanonimiseerd overzicht van opgelegde disciplinaire maatregelen te publiceren.
Het bericht ‘Tbs'er verdacht van verkrachting medewerkster’ |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Tbs'er verdacht van verkrachting medewerkster»?1
Ja.
Deelt u de mening dat de tbs die hij opgelegd heeft gekregen blijkbaar totaal niet gewerkt heeft en weggegooid belastinggeld is geweest, aangezien deze tbs’er een medewerkster heeft verkracht en mishandeld? Zo nee, waarom niet?
Een dergelijk incident is heel ernstig maar ook hoogst uitzonderlijk binnen de tbs-klinieken. De groep patiënten die in de tbs wordt verpleegd en behandeld is zeer complex. Het personeel van deze klinieken doet dagelijks belangrijk en moeilijk werk. Ik heb daar veel waardering voor. Ondanks de vele maatregelen die door de klinieken worden getroffen om incidenten te voorkomen, zijn risico’s helaas niet volledig uit te sluiten.
Hoe is het mogelijk dat dit ernstige misdrijf kon plaatsvinden bij het dagactiviteitencentrum van nota bene de tbs-kliniek zelf? Was er naast deze ene medewerkster (het slachtoffer) geen enkel toezicht op deze tbs’er? Waren er geen camera’s op het terrein, zo nee, waarom niet?
De medewerkster was alleen met de tbs-gestelde in het dagactiviteitencentrum. De medewerkster heeft met behulp van haar pager (alarmknop) alarm gemaakt, waarop direct ondersteuning is geboden door andere medewerkers. In de dagactiviteitenruimte is geen camera aanwezig, daarbuiten zijn wel camera’s aanwezig in het complex en in de buitenruimtes. Inmiddels heeft de kliniek naar aanleiding van dit incident aanvullende maatregelen genomen. Deze maatregelen houden in dat medewerkers in de weekenden en avonden ondersteuning van de beveiliging kunnen vragen (fysiek of via de camera) wanneer ze met een patiënt over het terrein lopen of zich in afgesloten ruimtes bevinden.
Kunt u een overzicht geven van alle incidenten, waarbij medewerkers in tbs»-klinieken slachtoffer zijn geworden van een geweldsdelict (graag specificeren naar het soort delict) gepleegd door tbs’ers in de afgelopen tien jaren? Zo nee, waarom niet?
DJI registreert geweld tegen personeel in de DJI-incidentenmonitor, op basis van de MBV’s (melding bijzonder voorval) die door de klinieken worden ingestuurd. De melding wordt bijvoorbeeld gedaan bij een ernstige vorm van agressie, waarbij ook medische hulp is ingeschakeld.
Onderstaande tabel toont het aantal MBV’s van de categorie «agressie tegen personeel met ernstig lichamelijk letsel» van alle tbs-klinieken sinds 2012. Tot en met 2015 werden ook MBV’s ingestuurd als er geen medische hulp werd ingeschakeld, daardoor zijn in die jaren meer meldingen geregistreerd.
Het type delict wordt niet geregistreerd, aangezien op dat moment nog niet duidelijk is, onder welke strafbepaling het geweld tegen het personeel valt. Ik verwacht dat een kliniek in een dergelijk geval aangifte doet.
Welke maatregelen gaat u nemen teneinde het personeel in tbs-klinieken te beschermen tegen tbs’ers?
De veiligheid van personeel staat voorop. Medewerkers van de Tbs-klinieken worden regelmatig getraind in mentale en fysieke weerbaarheid. Ook wordt continu geïnvesteerd in de verbetering van de gebouwelijke en elektronische beveiliging van de instellingen, ook omdat de ontwikkelingen op dit gebied snel gaan. In de TBS klinieken staat de Veilige Publieke Taak zeer hoog op de agenda en wordt veel geïnvesteerd in training, bewustwording en een actief aangiftebeleid in samenwerking met de regionale OvJ’s.
Daarbij heb ik voor de zomer een meerjarenovereenkomst met de sector gesloten, waarin aandacht is voor kwaliteit en veiligheid in de forensische zorg. Hiermee wil ik met de sector bereiken dat ingezet wordt op een verdere verbetering van de kwaliteit en veiligheid, zodat personeel in de forensische zorg voldoende geëquipeerd is om met deze complexe doelgroep te werken. Zo is bijvoorbeeld afgesproken om de administratieve lasten in de sector met 25% te verminderen. Administratieve lastenvermindering biedt ruimte om tijd te besteden aan de directe zorg voor patiënten. Daarnaast gaan zorgaanbieders een kader maken waarmee de kwetsbaarheid van teams in instellingen kan worden gemonitord.
Verder is afgesproken een specifiek opleidingsprogramma voor de forensische zorg te starten. In dit opleidingsprogramma worden modules aangeboden voor de specialistische kennis en vaardigheden die nodig zijn voor het forensische veld en het ontwikkelen van forensisch vakmanschap. Meer deskundigheid draagt bij aan de veiligheid op de werkvloer.
Deelt u tevens de mening dat een tbs’er, die zelfs tijdens de behandeling in een tbs-kliniek zo’n ernstig misdrijf pleegt, nooit meer op straat mag rondlopen en levenslang opgesloten moet worden? Zo nee, waarom niet?
De tbs-maatregel is erop gericht herhaling van het misdrijf in de toekomst te voorkomen door de patiënt intensief te behandelen en op een veilige en verantwoorde wijze terug te laten keren in de samenleving.
Indien tijdens de tbs-behandeling een ernstig misdrijf wordt gepleegd moet de dader worden vervolgd en gestraft. De rechter kan dan een gevangenisstraf opleggen, eventueel opnieuw in combinatie met een tbs-maatregel.
Wanneer schaft u, zoals door ons al heel lang gepropageerd, de tbs af zodat dit soort misdadigers gewoon heel lang, het liefst levenslang, opgesloten kunnen worden?
Zie antwoord vraag 6.
Het bericht ‘Aantal duikteams brandweer in 15 jaar gehalveerd’ |
|
Monica den Boer (D66) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Aantal duikteams brandweer in 15 jaar gehalveerd»?1
Ja.
Kunt u het geschetste beeld bevestigen, namelijk dat het aantal duikteams in Nederland in vijftien jaar tijd is gehalveerd?
Brandweer Nederland geeft aan dat het aantal duikteams in de laatste 15 jaar ongeveer is gehalveerd en de laatste vijf jaar stabiel is gebleven.
Bij de regionalisering van de brandweer is gewerkt aan een doelmatige inrichting van de taken. Hierbij is rekening gehouden met schaalgrootte van de veiligheidsregio’s. Ook de ondersteuning bij waterongevallen is sindsdien op regionaal niveau georganiseerd wat onder meer de vermindering van het aantal duikteams tot gevolg heeft gehad.
De arbeidsveiligheid speelt ook een rol bij de verlaging van het aantal duikteams. In de loop der jaren zijn de regels en de eisen aan opleidingen en trainingen aangescherpt om duikers beter te beschermen. Het duiken bij de brandweer heeft een spoedeisend karakter en stelt daarmee extra hoge eisen aan de vakbekwaamheid van de duikers. De veiligheidsregio’s hebben om die redenen teams samengevoegd of vervangen door oppervlaktereddingsteams.
Wat zijn de onderliggende oorzaken van de afname van het aantal duikteams? Is deze afname gerelateerd aan de regionalisering van de brandweer en/of zijn er andere oorzaken, zoals de afname van vrijwilligers en/of de aanscherping van veiligheidseisen?
Zie antwoord vraag 2.
In hoeverre hebben de aanpassingen naar aanleiding van het rapport van de Inspectie Openbare Orde en Veiligheid in 2008 de gewenste effecten (gehad)?
Het duiken bij de brandweer heeft een spoedeisend karakter en stelt daarmee extra hoge eisen aan de vakbekwaamheid van duikers. Nadat het rapport is uitgebracht door de Inspectie is opnieuw gekeken naar procedures en werkwijzen van het brandweerduiken. Ook is er gekeken naar de kwaliteit van de opleidingen en examinering van brandweerduikers en duikploegleiders. Al deze ontwikkelingen dragen bij aan het vergroten van het veiligheidsbewustzijn op het gebied van brandweerduiken.
Wat werd destijds beoogd met het verplaatsen van de verantwoordelijkheid van de gemeente naar de veiligheidsregio’s, en in hoeverre is rekening gehouden met dergelijke consequenties, zoals het bijna volledig schrappen van duikteams?
Met de verplichte regionalisering van de brandweer in 2014 werd een verdere kwaliteitsverbetering en een vermindering van versnippering beoogd door schaalvergroting. Vermindering van het aantal duikteams is voor een deel te verklaren uit deze vergroting van de doelmatigheid. Regiobesturen hebben bij de regionalisering opnieuw gekeken naar de wijze waarop aan deze taak invulling gegeven moest worden.
Kunt u een beeld schetsen van de spreiding van de duikteams over de Nederlandse gemeenten en/of veiligheidsregio’s?
Navraag bij Brandweer Nederland heeft het volgende overzicht opgeleverd per maart 2018:
Veiligheidsregio
Duikteams
Groningen
1
Friesland
2
Drenthe
2
Twente
2
IJsselland
2
Noord- en Oost-Gelderland
2
Gelderland-Midden
1
Gelderland-Zuid
0
Limburg-Noord
1
Zuid-Limburg
2
Brabant-Zuidoost
0
Brabant-Noord
1
Midden- en West-Brabant
1
Zeeland
4
Hollands-Midden
5
Rotterdam-Rijnmond
3
Zuid-Holland-Zuid
1
Haaglanden
2
Amsterdam-Amstelland
2
Kennemerland
3
Zaanstreek-Waterland
2
Noord-Holland-Noord
3
Utrecht
7
Flevoland
3
Gooi en Vecht
1
Wat is de norm in alle veiligheidsregio’s? Moet elke veiligheidsregio een of meerdere duikteams hebben? Zo ja, waar staat dit aangegeven en is dit voor alle veiligheidsregio’s gelijk? Zo nee, waarom niet, gegeven het feit dat Nederland een zeer waterrijke geografie kent?
Er is geen norm voor veiligheidsregio’s vastgesteld voor het aantal duikteams. Het is aan het bestuur van een veiligheidsregio om te bepalen op welke wijze invulling wordt gegeven aan de ondersteuning bij waterongevallen. Regio-specifieke omstandigheden en afwegingen spelen daarbij een rol. Ik zie geen aanleiding om, gegeven het belang van die regionale afweging, die regelgeving aan te passen.
Wat vindt u van de voorgedragen oplossing om landelijk te definiëren wat een waterongeval inhoudt en een maximale aanrijtijd te bepalen?
Vanuit de veiligheidsregio’s heb ik geen signalen ontvangen dat een dergelijke behoefte bestaat. Ik zie geen aanleiding om in de regelgeving een definitie waterongeval en een maximale aanrijtijd op te nemen.
Bent u bereid – in samenwerking met de brandweer die al een brancherichtlijn voor brandweerduikers en duikploegduikers heeft vastgesteld – de opleiding, werving en selectie van zowel professionele als vrijwillige duikers bij de brandweer te intensiveren?
Indien de voor de brandweer verantwoordelijke besturen van veiligheidsregio’s een tekort aan brandweerduikers constateren, is het aan hen om passende maatregelen te nemen.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voorafgaand aan het algemeen overleg over de brandweer van 5 september 2018?
Ja.
Het bericht ‘Nieuwe baas Amsterdamse brandweer wilde machocultuur aanpakken. Hij kreeg oorlog’ |
|
Monica den Boer (D66) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nieuwe baas Amsterdamse brandweer wilde machocultuur aanpakken. Hij kreeg oorlog»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat in het brandweerkorps Amsterdam-Amstelland meerdere brandweerlieden zijn ontslagen door de korpsleiding? Kunt u aangeven op welke gronden het ontslag van deze brandweerlieden heeft plaatsgevonden?
Ik ben bekend met de problematiek. Op grond van de Wet veiligheidsregio’s is het regionaal bestuur belast met de organisatie van onder meer brandweer. Het is daarom ook niet aan mij om hier nadere uitspraken over te doen.
Kunt u bevestigen dat er sprake is van een conflict tussen de korpsleiding en de Centrale Ondernemingsraad? Herkent u de conflicten die beschreven worden?
Ik hecht aan een positief en veilig werkklimaat binnen de brandweerkorpsen. Ik ben ervan op de hoogte dat het bestuur en management van de regio Amsterdam-Amstelland veranderingen in de cultuur van de brandweer willen doorvoeren ten behoeve van een beter werkklimaat. De ontwikkelingen volg ik op gepaste afstand. Het betreft immers een regionale verantwoordelijkheid.
Ik heb geen aanwijzingen dat de situatie in Amsterdam exemplarisch is voor de rest van het land. Het bestuur en brandweercommandanten van de veiligheidsregio’s zijn waakzaam op negatieve cultuurkenmerken in hun organisatie. Zij nemen daarbij ieder hun verantwoordelijkheid daarop te anticiperen.
In hoeverre is deze problematiek enkel kenmerkend voor het brandweerkorps van Amsterdam-Amstelland, of komt deze problematiek ook voor binnen andere brandweerkorpsen?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u – vooruitlopend op het algemeen overleg over de brandweer dat gepland staat voor 5 september 2018 – een actueel beeld schetsen van het personeelsverloop bij de brandweer in alle veiligheidsregio’s? Hoe vaak is sprake van gronden zoals die zijn aangegeven in Amsterdam, zoals diefstal of racisme? Indien u deze cijfers niet paraat heeft, bent u bereid nader onderzoek te laten verrichten?
De meest recente cijfers van het CBS over het personeel bij de brandweer laten zien dat er per 1 januari 2018 een stijging van circa 1% zichtbaar in het totaal aantal brandweermensen ten opzichte van 2017 (in 2017 27.850 en in 2018 28.214).
Er is geen landelijk overzicht van het aantal brandweermensen dat is ontslagen, dan wel de reden van ontslag. Ook over racisme en diefstal bij de brandweer in het algemeen zijn geen gegevens bekend. Het bestuur van de veiligheidsregio is als werkgever verantwoordelijk voor het personeel. Ten aanzien van de meerjarige programma’s Vrijwilligheid en Diversiteit ben ik bereid om aan de betrokken partijen voor te leggen of inzicht in de achtergrond van het personeelsverloop bij de brandweer van toegevoegde waarde is en u hier nader over te informeren.
Welke inspanningen worden verricht om het brandweerkorps Amsterdam-Amstelland en de overige brandweerkorpsen in Nederland diverser samen te stellen in de meest brede zin van het woord?
In de Landelijke agenda brandweerzorg van de Raad van Brandweercommandanten is speciale aandacht voor diversiteit en inclusiviteit bij de brandweer. Om als brandweerorganisatie flexibel in te kunnen spelen op ontwikkelingen en in verbinding te staan met de samenleving, is een divers samengestelde organisatie van waarde. De Raad van Brandweercommandanten is in 2018 gestart met het opzetten van een meerjarig programma diversiteit. Hiervoor is recent een landelijk projectleider aangesteld. De start van de uitvoering van het programma is begin 2019 voorzien.
Daarnaast zijn de individuele regio’s actief op het gebied van werving. Daarbij is ook specifieke aandacht voor een divers samengesteld personeelsbestand.
Hoe worden de korpschefs van brandweerkorpsen geselecteerd? Wat is het profiel van de functie? Is deze in alle veiligheidsregio’s gelijk?
Het bestuur van de regio is verantwoordelijk voor de selectie van het personeel van de veiligheidsregio. In het Besluit en de Regeling personeel veiligheidsregio’s worden kwaliteitseisen gesteld aan functies binnen de veiligheidsregio. De regio’s verschillen in omvang en risicoprofiel; dit kan tot uitdrukking komen in het profiel van de functie.
Kunt u een beeld schetsen van de salariëring van de korpschefs? Is deze gelijk in alle veiligheidsregio’s?
De zwaarte van de functie van de regionaal brandweercommandant kan per veiligheidsregio verschillen. Het is aan het bestuur van de regio om de functie in te schalen. Naleving van de Wet normering topinkomens wordt getoetst via de accountantsverklaring en valt onder de verantwoordelijkheid van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voorafgaand aan het algemeen overleg over de brandweer van 5 september 2018?
Ja.
Leegstaande EBTL’s |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Mark Harbers (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht de Extra Toezicht en Begeleidingslocaties (EBTL's) in Amsterdam en Hoogeveen nauwelijks gebruikt worden?1 Wat is uw reactie daarop?
Ja, ik heb kennis genomen van het bericht. Op basis van een WOB-verzoek, dat in afschrift aan uw Kamer is verzonden2, heeft de Volkskrant informatie ontvangen over het gebruik van de ebtl’s. Dit was de aanleiding voor het artikel.
De verstrekte cijfers betreffen de periode vanaf de opening (Amsterdam 24 november 2017 en Hoogeveen 18 december 2017) tot en met maart 2018. Beide locaties bevonden zich in hun opbouw- en startfase van de pilot. Zoals toegezegd in het AO van 14 december 20173, zal ik uw Kamer dit najaar uitgebreider informeren over het functioneren van de ebtl. Ik streef ernaar hierbij de bevindingen te betrekken van het onderzoek dat de Inspectie JenV uitvoert naar aanleiding van een onnatuurlijk overlijden in de ebtl Hoogeveen4.
Verder heb ik het WODC verzocht een uitgebreidere evaluatie uit te voeren, op basis waarvan verdergaande conclusies kunnen worden getrokken over het functioneren en de effectiviteit van de ebtl. Naar verwachting is dit onderzoek voor de zomer van 2019 gereed.
Hoeveel meldingen van overlast zijn er in 2017 en 2018 gedaan? Kunt u deze zoveel mogelijk naar hun aard specificeren?
In de rapportage Vreemdelingenketen 20175, van 30 april 2018, heb ik uw kamer geïnformeerd over de incidenten die in 2017 in en rond asielzoekerscentra hebben plaatsgevonden. Ik beraad mij thans over de wijze waarop ik uw Kamer in de toekomst zal informeren over incidenten in en rond de AZC’s.
Hoe komt het dat er in de eerste vier maanden na oprichting slechts 36 mensen tijdelijk onder extra toezicht zijn geplaatst terwijl er plaats is voor 100 mensen?
De ebtl betreft een pilot van een nieuwe opvangvorm binnen de migratieketen. Zoals vermeld in de brief die ik op 8 juni aan uw Kamer6 heb gestuurd, is de ebtl één van de maatregelen die wordt ingezet tegen overlast op en rondom COA-locaties. Bij de ontwikkeling van de ebtl is gekozen om qua instroom kleinschalig van start te gaan en zo een beheerste opbouw te borgen en ruimte te creëren voor personeel en betrokken partijen om de praktijk te toetsen en om van ervaringen te leren en zo nodig bij te sturen.
Welk deel van de 1,2 miljoen euro die in 2017 aan de EBTL’s zijn besteed waren opstartkosten? Wat zijn de verwachte kosten voor 2018?
Aangezien de ebtl’s pas aan het einde van 2017 in gebruik zijn genomen (respectievelijk 24 november en 18 december), betreft verreweg het grootste deel van de € 1,2 miljoen, de kosten die in 2017 gemaakt zijn om beide locaties op te starten (onder andere personeel en materieel). Ook een deel van de afschrijvingskosten op de investeringen zit in dit bedrag. De verwachte kosten voor 2018 bedragen bij het COA circa € 8 miljoen. Bij DJI zijn de te verwachten kosten voor 2018 € 1,8 miljoen (vooral personele ondersteuning). Totaal dus € 9,8 miljoen.
Hoeveel kost de opvang per persoon in een EBTL bij volledige bezetting?
De kosten voor de ebtl zijn onder te verdelen in vaste kosten (onder andere rente- en afschrijving, huurkosten en (deels) personeel vanwege minimale bezetting) en variabele kosten (onder andere medische verstrekkingen en activiteiten). In deze kosten zitten ook de afschrijvingskosten voor de gemaakte investeringen. De investeringen worden in twee jaar afgeschreven.
Berekend is dat bij een volledige bezetting van de 100 plekken, de jaarlijkse kosten neerkomen op een bedrag van circa € 134.000 per plek. Het uitgangspunt is dat overlastgevers een korte periode (maximaal 3 maanden) een ebtl-plek bezetten. Door het jaar heen zullen daarom meerdere asielzoekers gebruik maken van één ebtl-plek. Bij een volledige bezetting van jaarlijks vier overlastgevers op één plek zijn de kosten dan circa € 33.500,– per bewoner. De kosten zijn gebaseerd op inschattingen en prognoses.
Wat is er met de 36 mensen die in de EBTL’s verbleven gebeurd? Hoeveel van hen zijn onder toezicht vertrokken, en hoeveel konden wegens goed gedrag weer terug naar een regulier asielzoekerscentrum (AZC)?
Ik zal ik uw Kamer in het najaar uitgebreider informeren over het functioneren van de ebtl, waarbij ik ook nader zal ingaan op de uitstroom van asielzoekers uit de ebtl.
Klopt het dat er minder mensen in de EBTL zijn geplaatst om te testen of alles functioneert als gepland? Wat is daarover de conclusie?
Zie mijn antwoorden op vragen 1 en 3.
Wanneer wordt iemand naar een EBTL overgeplaatst?
In mijn brief van 3 juli 20177 heb ik aangegeven dat asielzoekers in de ebtl kunnen worden geplaatst als zij overlast veroorzaken met grote impact, op of rondom de locatie waar ze verblijven. Hierbij kan worden gedacht aan (herhaaldelijk) agressief gedrag richting medebewoners of personeel, het aanrichten van vernielingen of het discrimineren of intimideren van medebewoners. Er kan sprake zijn van een stapeling van overlast of incidenten die plaatsing in de ebtl rechtvaardigen, maar ook één enkel ernstig incident kan tot ebtl-plaatsing leiden. Plaatsing in de ebtl is enerzijds bedoeld om overlastgevers te confronteren met de gevolgen van hun gedrag en in te zetten op gedragsverandering. Anderzijds wordt door het overplaatsen van overlastgevers naar een aparte locatie de veiligheid en het welzijn van andere bewoners geborgd.
Hoe verhoudt uw voornemen om jongeren vanaf 16 jaar in EBTL’s te plaatsen bij wangedrag zich tot de kinderrechten? Zijn de EBTL’s voldoende toegerust op de opvang van jongeren? Wanneer zouden zij in aanmerking komen om naar een EBTL te worden overgeplaatst?
Als in een individueel geval wordt overgegaan tot plaatsing van een jongere van 16 jaar en ouder in de ebtl, worden alle noodzakelijke waarborgen in acht genomen waardoor de rechten van het kind worden zeker gesteld. Bij een afweging tot plaatsing vervullen professionals, waaronder de voogden van Nidos, een belangrijke rol. Momenteel vindt overleg plaats met de betrokken gemeenten over de vraag of en onder welke condities plaatsing van overlastgevende alleenstaande minderjarigen in de ebtl gerealiseerd kan worden.
Waarop is uw uitspraak gebaseerd dat alleen al het feit dat zo af en toe iemand uit een AZC na wangedrag wordt overgeplaatst naar een EBTL op zichzelf ook al een werking heeft op de achterblijvende bewoners van een AZC?
In het algemeen overleg met uw Kamer heb ik aangegeven, dat ik op basis van signalen uit de praktijk de indruk heb dat het feit dat een overlastgever wordt overgeplaatst van een AZC naar de ebtl een positieve werking heeft op de veiligheid en beheersbaarheid van het betreffende AZC.8
Mijn verwachting is dat de aankomende evaluatie door het WODC hier meer feitelijke onderbouwing over zal verschaffen.
Kunt u percentages geven van het aantal asielzoekers uit Albanië en Marokko dat zich misdraagt?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat het snel uitzetten van mensen die geen recht hebben op verblijf, hoewel dat van groot belang is, niet ten koste mag gaan van de veiligheid in de omgeving van AZC’s?
Ja.
Bent u bereid de mogelijkheden te onderzoeken om overlastgevende veiligelanders in een EBTL te plaatsen en hun procedure alsnog versneld af te handelen? Zo nee, wat onderneemt u tegen deze groep overlastgevende asielzoekers?
Aanvragen van overlastgevende asielzoekers uit veilige landen worden versneld (in spoor 2) afgehandeld. Het is wenselijk dat zij ter beschikking blijven van het asielproces in Ter Apel, zodat de aanvraag snel kan worden afgedaan en er aan (gedwongen) terugkeer kan worden gewerkt. Daarom komen zij bij wangedrag in beginsel niet in aanmerking voor plaatsing in de ebtl. Een belangrijk uitgangspunt is immers dat plaatsing in de ebtl terugkeer niet mag frustreren.
Plaatsing in de ebtl is echter onderdeel van een breder pakket van maatregelen om overlastgevende asielzoekers – waaronder ook asielzoekers uit veilige landen – aan te pakken. Uw Kamer is hier eerder over geïnformeerd.9 Zoals ik in mijn brief van 8 juni jl. heb aangegeven kijken we kritisch hoe deze maatregelen in de praktijk uitwerken en of er aanscherpingen of wijzigingen nodig zijn.
Wanneer verwacht u dat de Inspectie Justitie en Veiligheid het onderzoek naar de vraag of EBTL’s voldoende zijn toegerust op hun opvangtaak heeft afgerond? Welke maatregelen zijn in de tussentijd genomen?
Aangezien de ebtl een nieuwe opvangvorm is en in de pilotfase verkeert, is er voortdurend aandacht voor noodzakelijke verbetering in de opvang en procedures. De aanbevelingen die de Inspectie JenV zal opstellen naar aanleiding van het thans lopende onderzoek, worden daarbij uiteraard betrokken. De verwachting is dat het rapport in het najaar 2018 is afgerond.
Het artikel ‘New defense bill bans the U.S. government from using Huawei and ZTE tech’ |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «New defense bill bans the U.S. government from using Huawei and ZTE tech»?1
Ja.
Deelt u de analyse van de Amerikaanse regering dat het gebruik van Chinese apparatuur van 2 bepaalde fabrikanten, daar waar het gaat om een «substantieel of essentieel onderdeel van een system, evenals technologie die gebruikt wordt voor het routeren of bekijken van gebruikersdata» een gevaar kan vormen voor de nationale veiligheid en daarom verboden wordt? Zo ja, welke maatregelen gaan er door u genomen worden en op welke termijn? Zo nee, waarom is de Nederlandse veiligheidsafweging anders dan de Amerikaanse veiligheidsafweging?
De Nederlandse overheid beziet de risico's die verbonden zijn aan dergelijke producten en bedrijven op een zorgvuldige 'case by case' basis, waarbij in ieder geval de volgende criteria worden betrokken:
Nederland maakt hierin een eigenstandige afweging. Gezien de nationale veiligheidsbelangen en de belangen van het bedrijfsleven wordt niet vooruitgelopen of gespeculeerd over al dan niet mogelijke toekomstige maatregelen.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat het in het artikel genoemde verbod ook geldt voor Hytera, het bedrijf dat de technologie voor het netwerk en de portofoons voor C2000 levert?
Ja.
Als in de Verenigde Staten het gebruik van technologie van Hytera voor communicatiediensten van de overheid als een gevaar voor de nationale veiligheid wordt gezien, hoe kan de Nederlandse nationale veiligheid dan na ingebruikname van het nieuwe C2000 wél gewaarborgd zijn?
Zoals eerder aan uw Kamer is gemeld2 wordt C2000 gebruikt voor de reguliere communicatie tussen de hulpverleningsdiensten: politie, brandweer, ambulance en Koninklijke Marechaussee. Het beveiligingsniveau voor deze gebruikersgroepen is bepaald op het niveau «departementaal vertrouwelijk». Ook het beveiligingsniveau van het vernieuwde netwerk zal als zodanig worden ingericht. De communicatie via het C2000-netwerk is versleuteld en maakt gebruik van afgeschermde verbindingen. Er zijn bij het classificatieniveau passende maatregelen genomen om sabotage te herkennen en te voorkomen. Versleuteling gebeurt door de leveranciers van de randapparatuur en deze versleuteling wordt door de politie in het netwerk gezet. Gebruikers bepalen zelf de leveranciers van de randapparatuur. Gebruikers kunnen extra versleuteling toepassen indien nodig.
Gelet op de vragen die zijn gerezen door de betrokkenheid van een Chinese aandeelhouder bij de ontwikkeling van C2000 heb ik Xebia gevraagd om een security audit uit te voeren op de technische ICT-oplossing die Hytera als onderdeel van de vernieuwing van C2000 realiseert. Daarnaast ben ik in gesprek met het Nationaal Bureau Verbindingsbeveiliging (NBV) van de AIVD om mij hierover te adviseren. Ik zal passende maatregelen nemen wanneer daartoe aanleiding is.
Uiteraard houd ik de veiligheid van de systemen die gebruikt worden goed in de gaten en heeft het kabinet aandacht voor ontwikkelingen in technologieën en kwetsbaarheden daarin, en de noodzaak scherp te blijven op de beveiliging hiervan. Ook de internationale ontwikkelingen rond Chinese technologiebedrijven worden door mijn departement gevolgd.
Overweegt u, in navolging op het verbod op Kaspersky software bij overheidsdiensten, ook in Nederland een verbod op het gebruik van essentiële diensten van Chinese makelij? Zo ja, welke consequenties heeft zo’n besluit voor de korte en de middellange termijn, in het bijzonder met het oog op C2000? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 2.
Het dreigingsbeeld op het terrein van digitale risico’s heeft geleid tot een aangescherpte afweging ten aanzien van het gebruik van specifieke digitale producten en diensten. Nederland maakt hierin een eigenstandige afweging, op basis van factoren zoals deze ook bij het nemen van de voorzorgsmaatregel rondom Kaspersky antivirussoftware zijn gebruikt.
Het bericht 'Tientallen criminelen krijgen uitkering ondanks openstaande celstraf' |
|
Lilian Helder (PVV), Gidi Markuszower (PVV), Léon de Jong (PVV) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD), Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Tientallen criminelen krijgen uitkering ondanks openstaande celstraf»?1
Ja.
Is het waar dat er tientallen criminelen met een openstaande celstraf ten onrechte een uitkering krijgen? Zo ja, om hoeveel criminelen en om welke uitkeringen gaat het precies? Hoeveel kost deze belachelijke en onacceptabele situatie de Nederlandse belastingbetaler per jaar?
Het is niet te rechtvaardigen dat veroordeelden een uitkering ontvangen. Dat druist in tegen ieders gevoel voor rechtvaardigheid.
In de sociale zekerheidswetten is al langer geregeld dat wanneer iemand een vrijheidsstraf opgelegd krijgt en vervolgens in detentie verblijft, zijn of haar uitkering wordt beëindigd. Sinds 2011 geldt er ook een wettelijke regeling die het mogelijk maakt om de uitkering van een voortvluchtige veroordeelde in te trekken of te weigeren. Uit onder meer onderzoek van het CBS blijkt dat deze maatregel ook feitelijk wordt toegepast.2 Zo zijn in 2016 en 2017 in totaal door uitkerende instanties 837 uitkeringen ingetrokken van personen, die zich onttrekken aan hun vrijheidsstraf. Dit betreft onder meer arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en AOW-uitkeringen.
De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft echter in een aantal gevallen geoordeeld dat er onvoldoende gronden zijn om een uitkering in te trekken. De CRvB oordeelt dat zowel opname in het opsporingsregister als het niet thuis aantreffen van een veroordeelde door de politie, een onvoldoende kenbare poging is om te laten weten dat betrokkene gezocht wordt vanwege een openstaande vrijheidsstraf. Om die reden houdt de intrekking van de uitkering niet in alle gevallen stand. In 2017 ging het bij UWV om 26 uitkeringen en bij de Sociale Verzekeringsbank om 4.
Wat gaat u concreet doen om ervoor te zorgen dat de uitkeringen van voortvluchtige criminelen per direct worden stopgezet, de onterecht uitbetaalde uitkeringen tot de laatste cent worden teruggevorderd en deze criminelen in de cel belanden?
Om de uitkeringen van veroordeelden met een openstaande vrijheidsstraf in te trekken of te weigeren, matchen uitkeringsinstanties CJIB-bestanden van voortvluchtigen uit het opsporingsregister met de bestanden van uitkeringsgerechtigden. De uitkeringsinstantie beslist over het al dan niet intrekken van een uitkering van iemand met een openstaande straf op basis van informatie van het CJIB. Naar aanleiding van de uitspraken van de CRvB hebben het CJIB en het UWV een pilot uitgevoerd. In deze pilot hebben personen met een openstaande vrijheidsstraf een brief ontvangen waarin gewezen wordt op de openstaande vrijheidsstraf en de gevolgen voor hun uitkering. Voor Justitie is dit een extra maatregel om te komen tot daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de straf en het UWV kan de brief als kenbare poging gebruiken om de uitkering in te trekken. Gebleken is dat de uitkomsten van de pilot voldoende basis bieden om deze werkwijze voort te zetten.
In het reguliere proces wordt de uitkering van een voortvluchtige beëindigd en wordt deze ook met terugwerkende kracht vanaf de datum van voortvluchtigheid teruggevorderd. Indien niet voldaan kan worden aan de criteria van de CRvB, zullen uitkeringsinstanties in voorkomende gevallen de uitkering niet mogen beëindigen. Dat betekent dat er in die gevallen ook geen sprake is van een onrechtmatige uitkering, die teruggevorderd kan worden.
Deelt u de mening dat het absurd is dat de politie niet ieder aanknopingspunt om een veroordeelde crimineel te vinden mag gebruiken, omdat eerst aangetoond moet worden dat de veroordeelde crimineel bewust probeert de straf te ontlopen?
Het is onjuist dat eerst aangetoond moet worden dat de veroordeelde crimineel bewust probeert de straf te ontlopen, alvorens de politie actie kan of mag ondernemen. De politie spoort succesvol veroordeelden met een vrijheidsstraf op. Het komt echter ook voor dat veroordeelden niet op een BRP-adres verblijven, zoals bekend bij justitie of uitkeringsinstantie, waardoor de opsporing wordt bemoeilijkt. Dit kan ook zo zijn bij de veroordeelden met een uitkering.
Wanneer stopt u eens met het strooien van uitkeringen aan profiteurs, criminelen en ander tuig en begint u eens met het beschermen van onze Nederlandse verzorgingsstaat in het belang van goedwillende Nederlanders?
Sinds 2011 worden uitkeringen beëindigd van personen, die zich onttrekken aan een vrijheidsstraf. Uitkeringsinstanties voeren deze taak, naast de reguliere uitkeringsverzorging, zo efficiënt mogelijk uit.
Het bericht 'Politie werkt in asbestpand, rapport werd ‘stilgehouden’' |
|
Lilian Helder (PVV) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Politie werkt in asbestpand, rapport werd «stilgehouden»»?1
Ja.
Welke versie van het verhaal is waar, die van de Landelijke Eenheid, inhoudende dat de aanwezigheid van asbest bekend is op de werkvloer, of die van de ondernemingsraad die zegt niet op de hoogte te zijn van het rapport dat de aanwezigheid van asbest meldt?
Het asbestrapport voor de locatie van de Landelijk Eenheid aan de Voorwateringweg 99 in Rotterdam van maart 2018 was uitsluitend bekend bij de dienst Facilitair Management van de politie. De uitkomst van dit asbestrapport gaf geen aanleiding voor het treffen van directe maatregelen, maar wel het advies om per kwartaal een luchtkwaliteitsonderzoek uit te voeren, zodat een vinger aan de pols kan worden gehouden voor wat betreft de gezondheidsrisico’s. Het vervolgonderzoek naar de luchtkwaliteit, uitgevoerd door een gespecialiseerd bureau op 29 mei jl., laat vervolgens zien dat er geen direct gevaar bestaat voor de gezondheid van de medewerkers en andere gebruikers ter plekke. Helaas heeft over de metingen en de noodzaak om de daken te vervangen niet meteen communicatie met de medewerkers plaatsgevonden, dit was onzorgvuldig. Er heeft ook geen communicatie plaats gevonden over dit onderwerp met de ondernemingsraad.
Begrijpt u dat, ongeacht welke versie de ware is, de aanwezigheid van asbest ervoor zorgt dat de agenten die aldaar werkzaam zijn, zich (ernstig) zorgen maken? Zo ja, wat gaat u hier aan doen?
Ik begrijp de zorgen van de agenten en overige gebruikers van het pand over de aanwezigheid van asbest in het pand. De veiligheid en gezondheid van de agenten en overige gebruikers van het pand staat voorop. Het uitgangspunt is dat de werkgever gezonde en veilige werkomstandigheden moet bieden voor werknemers en overige gebruikers van het pand door risico’s te inventariseren en daarop doeltreffende maatregelen te nemen. De korpschef meldt mij dat, hoewel het onderzoeksrapport naar de luchtkwaliteit bevestigt dat er geen gezondheidsrisico’s zijn, inmiddels is besloten de asbesthoudende daken op de locaties in Rotterdam en Groningen vanwege brandveiligheids- en verweringsrisico’s voor de gebruikers en omwonenden op korte termijn, zo mogelijk nog in 2018, te saneren en te vernieuwen. De voorbereidingen hiervoor zijn inmiddels gestart. Medewerkers in de betreffende panden zijn hierover geïnformeerd. Ook is er voor hen op korte termijn een voorlichtingsbijeenkomst.
Vindt u dat de aanwezigheid van asbest in een bedrijfspand getuigt van goed werkgeverschap? Zo nee, wat gaat u hier aan doen?
Asbest is tot ver in de jaren tachtig van de vorige eeuw veel gebruikt bij de bouw van bedrijfspanden en woningen. Er zijn weinig panden van voor 1994 (toen het gebruik van asbest in Nederland verboden werd) waar het niet verwerkt zit. Inmiddels is 90% van de politiepanden van vóór 1994, ongeveer 350, onderzocht op de aanwezigheid van asbest, zoals wettelijk verplicht, de rest volgt op korte termijn. Bij een deel van de panden is asbest gevonden. Het gaat hier in de meeste gevallen om asbest dat is verwerkt in vensterbanken en kitvoegen en dergelijke. Dat brengt geen gevaar voor de gezondheid van de gebruikers met zich mee, maar maatregelen zijn wel nodig als er verbouwd wordt, bijvoorbeeld het vervangen van een kozijn. De maatregelen die bij dergelijke verbouwingen door de werkgever genomen worden om risico’s voor de gezondheid van de medewerkers en overige gebruikers uit te sluiten worden ook meegenomen in de communicatie in de richting van de medewerkers.
Uitzondering hierop zijn, voor zover tot op heden bekend, de twee politiepanden in Rotterdam en Groningen waar de asbest is gebruikt in de golfplaten voor het dak. Bij brand of bij grootschalige afbrokkeling van de golfplaten kunnen daar wel risico’s ontstaan voor gebruikers van het pand en omwonenden. Daarom is bij deze twee panden besloten om de asbesthoudende daken op korte termijn te saneren en vervangen.
Deelt u de mening dat het advies in het rapport om het pand «op KORTE termijn» te saneren in strijd is met de uiting van de Landelijke Eenheid namelijk dat de betreffende daken «op termijn» worden vervangen? Zo ja, gaat u er voor zorgen dat op korte termijn aan het rapport wordt voldaan? Zo nee, kunt u garanderen dat de agenten en een ieder die in het betreffende pand werkzaam is en nog zal zijn, geen gezondheidsrisico lopen?
Zie antwoord vraag 3.
De afname van het aantal duikteams bij de brandweer |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Aantal duikteams brandweer in 15 jaar gehalveerd»?1
Ja.
Is het waar dat vanwege de afname van het aantal duikteams de brandweer minder goed in staat is op het water levens te redden? Zo ja, waar blijkt dit uit? Zo nee, hoe kunnen met minder duikteams toch dan toch dezelfde inspanningen worden geleverd voor het redden van levens?
Er kan niet een eenduidig verband worden gelegd tussen het aantal duikteams en het redden van levens op het water. Binnen de brandweer wordt ook gebruik gemaakt van grijpreddingen en van oppervlaktereddingen om te water geraakten te redden.
Zijn u voorvallen bekend waarbij de brandweer vanwege het feit dat er geen duikteam was of vanwege een langere aanrijtijd niet op tijd kon zijn, slachtoffers zijn gevallen? Zo ja, hoe vaak komt dit voor? Zo nee, waarom niet?
Nee, die zijn mij niet bekend. De inrichting van de ondersteuning bij waterongevallen is een regionale aangelegenheid. Het regiobestuur bepaalt onder meer de opkomsttijden van de diverse teams voor deze taak van de veiligheidsregio.
Wat zijn de oorzaken van het feit dat het aantal duikteams is afgenomen? In hoeverre heeft dit te maken met de regionalisering van de brandweer?
Bij de regionalisering van de brandweer is gewerkt aan een doelmatige inrichting van de taken. Hierbij is rekening gehouden met schaalgrootte van de veiligheidsregio’s. Ook de ondersteuning bij waterongevallen is sindsdien op regionaal niveau georganiseerd wat onder meer de vermindering van het aantal duikteams tot gevolg heeft gehad.
De arbeidsveiligheid speelt ook een rol bij de verlaging van het aantal duikteams. In de loop der jaren zijn de regels en de eisen aan opleidingen en trainingen aangescherpt om duikers beter te beschermen. Het duiken bij de brandweer heeft een spoedeisend karakter en stelt daarmee extra hoge eisen aan de vakbekwaamheid van de duikers. De veiligheidsregio’s hebben om die redenen teams samengevoegd of vervangen door oppervlaktereddingsteams.
Waar is het tekort aan duikteams het grootst?
Mij hebben tot op heden geen signalen bereikt vanuit de veiligheidsregio’s dat er sprake is van een tekort aan duikteams.
Acht u het wenselijk dat iedere veiligheidsregio over een duikteam kan beschikken? Zo ja, gaat u dit verplicht stellen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Het is aan het bestuur van een veiligheidsregio om te bepalen op welke wijze invulling wordt gegeven aan de ondersteuning bij waterongevallen. Regio-specifieke omstandigheden en afwegingen spelen daarbij dan een rol. Ik zie geen aanleiding om, gegeven het belang van die regionale afweging, die regelgeving aan te passen.
Wat gaat u doen om er voor te zorgen dat de brandweer beter in staat wordt gesteld levens op het water te redden?
Het is aan het bestuur van een veiligheidsregio om te bepalen of er aanvullende maatregelen nodig zijn. Er is voor mij geen aanleiding om in de verantwoordelijkheid van de besturen van de veiligheidsregio’s te treden.
De storing in kerncentrale Borssele |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte gesteld van de recente storing in de kerncentrale Borssele, waarbij de kerncentrale is stilgelegd?1
Ja.
Hoe oordeelt u over het feit dat dit de derde storing is binnen een jaar? Waar ligt het aan dat drie keer in zo'n korte tijd vitale onderdelen van deze kerncentrale het hebben begeven?
Om conclusies te trekken over een ongewone gebeurtenis (met als mogelijk gevolg een afschakeling) is het noodzakelijk om de totale impact van een gebeurtenis op de veiligheid van een installatie en de omgeving te beoordelen. Zoals bij complexe industriële installaties is het bij kerncentrales niet ongebruikelijk dat er ongewone gebeurtenissen plaatsvinden. Sinds 2015 hebben er in de kerncentrale Borssele in totaal 15 ongewone gebeurtenissen plaatsgevonden. Uit zowel de aard als het aantal ongewone gebeurtenissen en afschakelingen bij de kerncentrale Borssele is geen patroon af te leiden. Overigens is bij een ongewone gebeurtenis in een kerncentrale de veiligheid geborgd door back-up systemen in combinatie met veiligheidsvoorzieningen, bijvoorbeeld het automatisch afschakelen van de reactor en voorzieningen in het ontwerp om te voorkomen dat radioactiviteit naar buiten komt.
Is er voor u of voor de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) aanleiding om hier een patroon in te zien? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Op welk niveau van de International Nuclear and Radiological Event Scale (INES) bevinden de incidenten van het afgelopen jaar zich?
Alle ongewone gebeurtenissen bij de kerncentrale Borssele zijn sinds 2015 tot op heden ingeschaald op INES-0. Geen van de gebeurtenissen heeft een significante impact gehad op de veiligheid van de installatie.
Voorlopig is de ongewone gebeurtenis van 4 augustus jl. ingeschaald op INES-0. De inschaling van deze ongewone gebeurtenis zal na nader onderzoek en analyse definitief worden vastgesteld.
Waarom is er niets over de laatste storing op de tijdlijn van ongewone gebeurtenissen op de site van de ANVS geplaatst?2 Hoe verhoudt dit zich tot de aanbeveling van de Onderzoeksraad voor Veiligheid om sneller en beter duiding te geven over incidenten in kerncentrales?3
De informatievoorziening over de ongewone gebeurtenis is, conform de wettelijke regels4, verricht door de vergunninghouder Electriciteits Produktiemaatschappij Zuid-Nederland (EPZ). Op 4 augustus jl. heeft EPZ volgens vergunningsvoorschrift melding gedaan aan de ANVS en ook de veiligheidsregio op de hoogte gesteld. Later diezelfde dag heeft de ANVS erop toegezien dat EPZ middels een bericht op haar website het publiek informeerde over de gebeurtenis en vervolgens heeft de ANVS via twitter verwezen naar die berichtgeving.
De ANVS heeft op 4 augustus contact gehad met de veiligheidsregio en de nucleaire toezichthouder van België geïnformeerd (Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle) in lijn met de aanbevelingen van het rapport5 van de Onderzoeksraad voor Veiligheid. Vervolgens heeft de ANVS op 7 augustus jl. de ongewone gebeurtenis vermeld op haar website in de tijdlijn ongewone gebeurtenissen, toen details over de achtergrond, oorzaak en mogelijke consequenties van de ongewone gebeurtenis duidelijk waren. Zoals gesteld is de desbetreffende ongewone gebeurtenis voorlopig beoordeeld als INES-0: een kleine afwijking zonder veiligheidsconsequenties.
Een explosie in Cairo op 6 augustus 2018 |
|
Han ten Broeke (VVD) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichten over een explosie in het centrum van Caïro op 6 augustus 2018?1
Op 6 augustus jl. explodeerde een minibus in het centrum van Caïro. De explosie heeft zeker dertien omstanders verwond en schade toegebracht aan omliggende gebouwen. Het is niet aan het ministerie om informatie te verstrekken over de locatie van het kantoor van Karama.
Bij navraag van de Nederlandse ambassade in Caïro bleek dat de Egyptische autoriteiten uitgaan van een ongeval. Mochten nieuwe ontwikkelingen in deze zaak daartoe aanleiding geven zal u daar bij gelegenheid over geïnformeerd worden.
Klopt het dat de explosie plaatsvond tegenover de plek waar de door het Ministerie van Buitenlandse Zaken gesteunde mensenrechtenorganisatie Karama kantoor houdt?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u de Kamer, aangezien de oorzaken van de explosie nog worden uitgezocht en het niet ondenkbaar is dat sprake was van een terreuraanslag, op de hoogte houden van de achtergronden van de explosie en de aandacht van de Kamer hiervoor kenbaar maken aan de Egyptische autoriteiten?
Zie antwoord vraag 1.
Het bericht ‘Wonen naast een tbs-kliniek: Hoe een verkrachting het dorpje Oostrum opschudde’ |
|
Lilian Helder (PVV), Gidi Markuszower (PVV) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Wonen naast een tbs-kliniek: Hoe een verkrachting het dorpje Oostrum opschudde»?1
Ja
Hoe kwalificeert u het optreden van de politie tijdens het verhoor? Gebeurt het vaker dat slachtoffers op zo’n schandalige manier worden verhoord?
Ik vind het van groot belang dat slachtoffers van strafbare feiten op de juiste wijze worden geholpen. De bejegening van slachtoffers in zedenzaken heeft zowel bij de politie als het Openbaar Ministerie dan ook continu de aandacht.
Ik kan niet ingaan op een individuele casus. Het is een precaire balans voor de politie tussen enerzijds het doen aan waarheidsvinding en anderzijds de juiste bejegening van het slachtoffer. Zedenrechercheurs zijn opgeleid om met dit dilemma om te gaan en zo zorgvuldig mogelijk te handelen tijdens het verhoor.
Hoe vaak is het afgelopen vijf jaar voorgekomen dat een slachtoffer van verkrachting na het verhoor van de politie afzag van aangifte? Bent u bereid deze casussen allemaal door een externe onderzoekscommissie te laten bekijken? Zo nee, waarom niet?
Ik zie geen noodzaak om een externe onderzoekscommissie in te stellen. Het belang van het doen van aangifte is recent onderzocht door het WODC2 waar mee duidelijk is geworden welke maatregelen drempels kunnen wegnemen tot het doen van aangifte. In mijn beleidsreactie aan uw Kamer heb ik aangegeven welke aanbevelingen uit het WODC-onderzoek zijn opgepakt. In beleid en instructies van politie en het Openbaar Ministerie is bijvoorbeeld meer aandacht gekomen voor het bewerkstelligen van maatwerk. Waar in het informatieve gesprek voorheen een lange lijst met bespreekpunten werd gebruikt, die – onbedoeld- soms als checklist werd gehanteerd, is er nu een ondersteunend gespreksformat waarmee bereikt wordt dat de politie in de gesprekken meer uitgaat van de specifieke wensen en behoeften van een slachtoffer. In de Aanwijzing Zeden van het Openbaar Ministerie is meer aandacht voor de bescherming van slachtoffers tegen secundaire victimisatie waarbij specifiek gelet wordt op het beperken van het aantal ondervragingen en het vermijden van onnodige vertraging van het proces.
De Inspectie Justitie en Veiligheid doet op moment, overeenkomstig de motie van de leden Kuiken/Buitenweg3 onderzoek naar de manier waarop met slachtoffers van zedenmisdrijven wordt omgegaan. Hierbij betrekt de Inspectie de werkwijze van alle politie-eenheden.
Na een melding bij de politie, wordt met een slachtoffer een uitgebreid informatief gesprek gevoerd. Daarin wordt het slachtoffer geïnformeerd over de mogelijkheden van hulpverlening, het proces van aangifte, slachtofferrechten, het recht op gratis rechtsbijstand en de mogelijke impact van het strafrechtelijke traject. Het gesprek wordt gevoerd door gespecialiseerde rechercheurs die hiervoor specifiek getraind zijn. In dit eerste gesprek kan het slachtoffer direct aangifte doen. In dat geval wordt er een afspraak gemaakt om de aangifte op te nemen. In sommige gevallen kan de aangifte zelfs meteen aansluitend op het informatieve gesprek worden opgenomen. Er zijn situaties waarbij het voor het slachtoffer wenselijk kan zijn bedenktijd in acht te nemen, maar het is aan het slachtoffer om daarvan gebruik te maken. Als het slachtoffer geen aangifte doet, gaat het Openbaar Ministerie altijd na of er aanleiding is om ambtshalve over te gaan tot opsporing en vervolging.
Vanaf het begin dat landelijke informatie van het zedenproces beschikbaar is (gestart in 2016), is het aantal informatieve gesprekken van verkrachtingszaken gestegen in 2017 met 182 ten opzichte van 2016.
Het landelijke aantal aangiften gerelateerd aan verkrachtingszaken is gestegen met 39 in 2017 ten opzichte van 2016. In 2016 en 2017 zijn respectievelijk 1.397 en 1.579 informatieve gesprekken gevoerd en respectievelijk 591 en 630 aangiften opgenomen gerelateerd aan verkrachtingszaken.
Hoe kwalificeert u het dwingende verzoek van de politie aan het slachtoffer om geheim te houden dat haar verkrachter een tbs’er was? Hoe vaak in de afgelopen tien jaar heeft de politie of het openbaar ministerie (OM) zo’n verzoek gedaan?
In opsporingsonderzoeken wordt vaker, ook voordat duidelijk is of de juiste verdachte in beeld is en het bewijs rond is, informatie gedeeld met slachtoffers. Dit gebeurt om hen zo goed mogelijk op de hoogte te houden van de vorderingen en ontwikkelingen in een strafrechtelijk onderzoek. Ten aanzien van bepaalde informatie kan het ongewenst zijn dat deze in media of elders bekend wordt, omdat dit het onderzoek zou kunnen schaden. Het aantal keren dat politie en/of Openbaar Ministerie in de afgelopen tien jaar een dergelijk verzoek heeft gedaan, is mij onbekend.
Deelt u de mening dat dit slachtoffer en haar ouders ook financieel gecompenseerd moeten worden wegens het optreden van de politie aangezien het trauma van het slachtoffer hierdoor verergerd is? Zo nee, waarom niet?
Ik kan niet ingaan op een individuele casus. In zijn algemeenheid en zeker binnen het strafrecht geldt, dat alleen diegene die als gevolg van een (strafbaar) feit rechtstreeks nadeel (schade of letsel) ondervindt in aanmerking kan komen voor een schadevergoeding als slachtoffer.
oe kwalificeert u de opgelegde gevangenisstraf van slechts drie jaar?
De eis van het Openbaar Ministerie was drie jaar gevangenisstraf en tbs met verpleging van overheidswege. Het vonnis van de rechtbank was conform de eis. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld, het Openbaar Ministerie niet.
Het is aan de rechter om te beslissen welke sanctie passend is voor een (nieuw) misdrijf. Ik kan hierover geen uitspraken doen.
Wat was de eis van het OM? En gaat het OM in hoger beroep?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening dat een moordenaar die vervolgens tijdens zijn verlof een jong meisje verkracht een levenslange gevangenisstraf opgelegd moet krijgen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Beseft u dat zolang u geen einde maakt aan deze al jaren door ons genoemde «proeftuin», waarbij de samenleving wordt gebruikt om tbs’ers op onbegeleid verlof te laten gaan en deze term nu ook door journalisten wordt gebruikt, er opnieuw onschuldige slachtoffers zullen vallen en dat u voor dit beleid verantwoordelijk bent? Zo nee, waarom niet?
Ik heb de wettelijke taak ervoor te zorgen dat een tbs-gestelde op veilige en verantwoorde wijze terugkeert in de samenleving. Verlof maakt onderdeel uit van de behandeling van tbs-gestelden. Elke verlofbeweging wordt getoetst door een interne verloftoetsingscommissie van een tbs-kliniek en vervolgens door het onafhankelijke Adviescollege Verloftoetsing Tbs (AVT).
Deelt u de mening dat dit incident geenszins op zichzelf staat en dat er daarom een einde moet komen aan dit uiterst gevaarlijke tbs-systeem? Zo nee, bent u bereid alle verloven in te trekken? Zo nee, bent u dan bereid tbs’ers uitsluitend op begeleid verlof te laten gaan?
Nee, die mening deel ik niet. Het verlofbeleid vormt een belangrijk onderdeel van het behandeltraject van tbs-gestelden. Juist door de verschillende fasen in het verlof (begeleid, onbegeleid, transmuraal en proefverlof), kan een tbs-gestelde stapsgewijs en op gecontroleerde wijze oefenen met het verblijf buiten de tbs-kliniek. Hiermee wordt de kans op een op de lange termijn veilige en verantwoorde terugkeer in de maatschappij, vergroot. De Inspectie Justitie en Veiligheid gaat een thematisch onderzoek uitvoeren binnen de forensische zorg. Dit onderzoek richt zich onder meer op het besluitvormingsproces bij het toekennen van vrijheden aan tbs-gestelden. Ik wacht de uitkomsten van het onderzoek af.
De wijze waarop een aangifte van een verkrachting is behandeld door de politie |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Politie maakt excuses aan Limburgse vrouw die is verkracht door tbs'er: «We hebben te weinig oog gehad voor het slachtoffer»»1 en herinnert u zich de schriftelijke vragen over de «Hoornse zedenzaak»?2
Ja, ik ben bekend met het bericht en de schriftelijke vragen over de «Hoornse zedenzaak».
Deelt u de mening dat de melding van de teamchef van de politie aan het slachtoffer dat het belang van het slachtoffer in het politieonderzoek onvoldoende is meegewogen in deze zaak als een understatement kan worden gezien? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het van groot belang dat slachtoffers van strafbare feiten op de juiste wijze worden geholpen. De bejegening van slachtoffers in zedenzaken heeft zowel bij de politie als het Openbaar Ministerie dan ook continu de aandacht.
Ik kan niet ingaan op deze individuele casus.
Iedere zedenrechercheur werkt conform de zedeninstructie Zeden – Kinderpornografie en Kindersekstoerisme. In de instructie is specifiek aandacht voor bejegening van het slachtoffer. Daarnaast heeft het landelijke zedenteam recentelijk een ronde gemaakt langs alle eenheden waarbij gepresenteerd is welke lering er is getrokken uit recente zaken, onder meer de Hoornse zedenzaak. Er wordt met regelmaat bezien of de politie instructie Zeden – Kinderpornografie en Kindersekstoerisme dient te worden aangepast.
Hoe kan het dat er volgens de politie binnen de kaders is gewerkt terwijl de politie zelf erkent dat er fouten zijn gemaakt in de behandeling van deze aangifte? Wat zijn die kaders en zijn ze dan niet te ruim? Hoe gaat ervoor worden gezorgd dat binnen die kaders de positie van het slachtoffer belangrijker wordt?
Zoals eerder aangegeven, kan ik niet ingaan op de individuele casus.
In de Aanwijzing Zeden van het Openbaar Ministerie en de nieuwe politie instructie – geldend vanaf 1 januari 2016 – wordt specifiek aandacht besteed aan de bescherming en bejegening van het slachtoffer. De politie-instructie Zeden – Kinderpornografie en Kindersekstoerisme is het kader waarbinnen alle zedenrechercheurs dienen te handelen. Deze instructie is het handelingskader waarin onder andere het werkproces, de uitvoeringsnorm en kwaliteitsnormen zijn beschreven. De politie-instructie is gestoeld op de eerder genoemde Aanwijzing van het Openbaar Ministerie.
Elke zedenzaak is anders en er bestaan verschillen in achtergronden van slachtoffers en daders. Bovendien is soms sprake van tegenstrijdige belangen bij betrokkenen in een zedenzaak. De aanpak in zedenzaken verdient daarom altijd maatwerk die worden geboden door de kaders die daarvoor zijn opgesteld.
Wordt er nog steeds tegen slachtoffers van verkrachting gezegd dat het doen van aangifte voor het slachtoffer vervelende consequenties kan hebben of wordt het slachtoffer op andere wijze onder druk gezet om geen aangifte te doen? Zo ja, waarom? Zo nee, waar blijkt dat uit?
Slachtoffers van een zedendelict worden niet door de politie onder druk gezet om geen aangifte te doen. Bij het doen van aangifte van zedendelicten spelen diverse en uiteenlopende persoonlijke overwegingen van het slachtoffer een rol. De specifieke overwegingen van slachtoffers bij het doen van aangifte is recent onderzocht door het WODC.3 In mijn beleidsreactie aan uw Kamer heb ik aangegeven welke aanbevelingen uit het WODC-onderzoek zijn opgepakt. In beleid en instructies van politie en het Openbaar Ministerie is bijvoorbeeld meer aandacht gekomen voor het bewerkstelligen van maatwerk. Waar in het informatieve gesprek voorheen een lange lijst met bespreekpunten werd gebruikt, die – onbedoeld- soms als checklist werd gehanteerd, is er nu een ondersteunend gespreksformat waarmee bereikt wordt dat de politie in de gesprekken meer uitgaat van de specifieke wensen en behoeften van een slachtoffer. In de Aanwijzing Zeden van het Openbaar Ministerie is meer aandacht voor de bescherming van slachtoffers tegen secundaire victimisatie waarbij specifiek gelet wordt op het beperken van het aantal ondervragingen en het vermijden van onnodige vertraging van het proces.
De overheid – inclusief de politie – zet al geruime tijd in om de drempels bij het melden van seksueel misbruik zo laag mogelijk te houden. Ook de Centra Seksueel Geweld hebben een belangrijke rol hierin. Daarnaast investeren de politie en het Openbaar Ministerie samen met hulpverleningsinstanties in een laagdrempelige toegang tot het recht en de zorg voor slachtoffers van seksueel misbruik en seksueel geweld.
Het melden bij politie blijft uiteindelijk een persoonlijke afweging van het slachtoffer.
Als het slachtoffer eenmaal aangifte heeft gedaan, kan deze niet worden ingetrokken en start een strafrechtelijk onderzoek. Zo’n onderzoek kan zeer ingrijpend zijn voor het slachtoffer. Een slachtoffer kan desgewenst wel na het doen van aangifte schriftelijk laten weten wat de (eventueel veranderde) wensen zijn rondom strafvervolging. Slachtoffers die aangifte doen van een zedendelict worden daarom goed voorgelicht, zodat zij weloverwogen kunnen beslissen of zij bereid en in staat zijn om tot en met een definitieve vervolgingsbeslissing hun medewerking aan onderzoek en vervolging te kunnen geven.
Deelt u de mening van de advocaat van het slachtoffer met kritische vragen niks mis is maar dat het besef dat valse aangiften voorkomen, er niet toe moet leiden dat verhoorders al met die bril op het verhoor ingaan? Zo ja, waarom en hoe kan worden voorkomen dat verhoorders toch met die bril het verhoor ingaan? Zo nee, waarom niet?
Ja, die opvatting deel ik. Bij de behandelingen van zedenzaken is het proces van waarheidsvinding, onderzoek doen naar feiten en omstandigheden, zeer belangrijk. Het stellen van precaire vragen over wat er precies heeft plaatsgevonden is daarbij noodzakelijk en vraagt veel van de deskundigheid van de zedenrechercheurs tijdens dergelijke verhoren. Hiervoor is in elke zedenteam specialistische kennis aanwezig.
Zoals blijkt uit mijn antwoord op vraag 2 en 3 is er in de nieuwe Aanwijzing van het Openbaar Ministerie en de nieuwe politie instructie Zeden – Kinderpornografie en Kindersekstoerisme meer aandacht voor het slachtoffer. en geeft het kader voor de verhoorders. Hiermee moet objectiviteit en zorgvuldigheid worden bereikt. Iedere zedenrechercheur werkt conform de zedeninstructie. In de instructie is specifiek aandacht voor bejegening van het slachtoffer.
Wat gaat u doen om er voor te zorgen dat slachtoffers van zedenmisdrijven te allen tijde door de politie serieus behandeld worden? Hoe gaat u de praktijk van aangiften bij zedenzaken verder verbeteren?
De Inspectie Justitie en Veiligheid doet momenteel, overeenkomstig de motie van de leden Kuiken/Buitenweg4 onderzoek naar de manier waarop met slachtoffers van zedenmisdrijven wordt omgegaan. Hierbij betrekt de Inspectie de werkwijze van alle politie-eenheden. Ik wacht dit onderzoek en de resultaten van de Inspectie af.
Om de bescherming van slachtoffers te verbeteren is op 1 juni 2018 de individuele beoordeling van kracht. Dit is een werkwijze waarbij slachtoffers structureel en gestructureerd beoordeeld worden op hun kwetsbaarheid voor herhaald slachtofferschap. De politie, het Openbaar Ministerie en Slachtofferhulp Nederland investeren in de uitvoering van de individuele beoordeling. Indien nodig worden voor de slachtoffers beschermende maatregelen genomen.
Als onderdeel van het slachtofferbeleid van mij en de Minister voor Rechtsbescherming is het verbeteren van de toegang voor slachtoffers van seksueel geweld tot de overheid een belangrijke prioriteit. In de Meerjarenagenda slachtofferbeleid is een aantal acties opgenomen. Een daarvan betreft de structurele borging van de Centra Seksueel Geweld (CSG). De CSG’s vallen onder de verantwoordelijkheid van de gemeenten.
Daarnaast wordt door CSG’s, de politie, het Openbaar Ministerie en de gemeenten een motiveringscampagne opgezet om de meldingsbereidheid van slachtoffers van seksueel geweld te verhogen. Naar verwachting zal deze campagne eind 2018/begin 2019 van start gaan. Ook is het Openbaar Ministerie, gefaciliteerd door mijn departement, een traject gestart om de doorlooptijden van het strafproces van zedenzaken te bekorten. De resultaten van dit traject worden begin 2019 verwacht.
Het bericht ‘IS-gangers welkom in El Tawheed-moskee’ |
|
Arno Rutte (VVD), Bente Becker (VVD) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «IS-gangers welkom in El Tawheed-moskee»?1
Ja.
Hoe zou u deze moskee willen omschrijven, rekening houdende met haar geschiedenis en het feit dat de Telegraaf schrijft dat deze moskee al twintig jaar bekend staat als een van de meest radicale gebedshuizen van Nederland?
Moskee El Tawheed in Amsterdam is een van de oudste en prominentste salafistische centra in Nederland. Het centrum droeg als een van de eerste organisaties in Nederland de salafistische boodschap uit.
Deelt u de mening dat deze moskee bijdraagt aan het verspreiden en faciliteren van radicaal gedachtegoed?
Indien er door moskeebezoekers strafbare feiten, zoals het ronselen voor de gewapende strijd of het financieren van terrorisme worden gepleegd, dan treden politie en OM daartegen op. Tot op heden zijn er geen strafbare feiten gebleken. Tegelijkertijd is er bij de El Tawheed moskee ruimte voor personen, waarvan bekend is dat zij een jihadistisch gedachtengoed hebben, om activiteiten te ontplooien. Op deze manier kunnen moskeegangers beïnvloed worden vanuit een haatdragende en onverdraagzame boodschap en kan de vermenging van salafisten en jihadisten bijdragen aan de groei van de jihadistische beweging. Dit is een ontwikkeling die nauwgezet gemonitord wordt.
Bovenstaande past in het dreigingsbeeld dat de NCTV schetst in DTN 48.2 Daarin wordt geconstateerd dat de toename van de verspreiding van de jihadistische boodschap (da’wa) een zorgelijke ontwikkeling binnen het salafisme is. Dit soort trends vereist een doortastend optreden en een gezamenlijke inventieve aanpak van operationele diensten, gemeenten en rijk. Hierbij moeten maatregelen in de volle breedte worden bezien en worden ingezet. Ik zal mij de aankomende periode samen met de burgemeesters inspannen om door middel van confronteren en handhaven de uitwassen van het salafisme en het jihadisme tegen te gaan.
Klopt het dat er een afspraak is gemaakt dat enkel agenten met een Marokkaanse achtergrond naar binnen mogen gaan in deze moskee? Zo ja, hoe oordeelt u over deze afspraak? Zijn er in Nederland meer van dit soort «no-go moskeeën»?
Nee, dat klopt niet. Politie Amsterdam heeft een dergelijke afspraak niet gemaakt.
Deelt u de mening dat de politie altijd toegang moet hebben tot een moskee als er aanwijzingen zijn voor strafbare gedragingen en radicalisering? Zo ja, hoe waarborgt u dat de politie ook daadwerkelijk toegang heeft tot dit soort moskeeën? Zo nee, waarom niet?
Het recht om godsdienst vrij te belijden wordt gegarandeerd in art. 6 van de Grondwet. Tegen die achtergrond is de aanwezigheid van politie binnen een gebedshuis onwenselijk. Er kunnen zich echter situaties voordoen waarin de aanwezigheid van politie in een gebedshuis (bijvoorbeeld tijdens een lezing) omwille van het handhaven van de openbare orde of het kunnen constateren van strafbare feiten toch gewenst is. Het verdient in zulke gevallen sterk de aanbeveling om in overleg met het bestuur van een gebedshuis overeenstemming te bereiken over de aanwezigheid van de politie.
Indien het bestuur hier geen toestemming voor geeft, zijn de mogelijkheden van de politie beperkt door de Grondwet, zeker tijdens een religieuze dienst. In artikel 6 lid 1 Grondwet wordt bepaald dat iedereen vrij is zijn godsdienst te belijden, «behoudens ieders verantwoordelijkheid voor de wet». Uit deze formulering volgt dat alleen bij formele wet, door middel van een precies omschreven bevoegdheid, de belijdenisvrijheid kan worden beperkt. De politie mag tijdens een religieuze dienst alleen een moskee binnentreden bij ontdekking op heterdaad (artikel 12 sub b Algemene wet op het binnentreden).
Deelt u de mening dat afspraken over het wel of niet toelaten van agenten op basis van hun afkomst een discriminatoire onwenselijke situatie is? Zo ja, hoe zorgt u dat deze afspraken van tafel gaan? Zo nee, waarom niet?
Dit is niet aan de orde (zie het antwoord op vraag 4). In zijn algemeenheid kan gesteld worden dat de politie zelf gaat over wie zij voor bepaalde werkzaamheden afvaardigt.
Hoeveel concrete verbanden met ronselaars, Syriëgangers en extremistische sprekers moeten er zijn voordat u overgaat tot acties tegen deze moskee, rekening houdende met het feit dat deze moskee al meerdere uitgebreide waarschuwingen heeft gehad?
Indien er door moskeebezoekers strafbare feiten, zoals bijvoorbeeld het ronselen voor de gewapende strijd of het financieren van terrorisme worden gepleegd, dan treden politie en OM daartegen op. De gemeente Amsterdam rapporteert – indien dat aan de orde en mogelijk is – aan de Amsterdamse gemeenteraad over al dan niet ingezette acties in het lokale domein.
Hoeveel paspoorten van (mogelijke) uitreizigers heeft u ingetrokken om te voorkomen dat geradicaliseerde uitreizigers kunnen terugkeren naar Nederland en overgaan tot terroristische acties?
Van zeven in het buitenland verblijvende uitreizigers heb ik op grond artikel 14 lid 4 van de Rijkswet op het Nederlanderschap het Nederlanderschap ingetrokken. Zij zijn tevens ongewenst verklaard en kunnen in principe niet terugkeren naar Nederland.
Daarnaast zijn vanaf 2013 tot heden van 307 (potentiële) uitreizigers de paspoortgegevens opgenomen in het Register Paspoortsignaleringen, op grond van art. 23 van de Paspoortwet. Deze paspoorten kunnen zo op het moment dat ze worden aangetroffen worden ingenomen en vervallen verklaard. Dit om uitreizen en eventuele ongeziene terugkeer te bemoeilijken. Deze personen houden wel de Nederlandse nationaliteit en daarmee het recht om terug te keren naar Nederland.
Is u bekend hoe de moskee gefinancierd wordt en of en hoe de financieringsbronnen invloed uitoefenen op het handelen van en in de moskee? Is deze informatie met de gemeente gedeeld?
Mij is geen recente informatie bekend over de financiering van deze moskee.
Hoe is het beleid van de gemeente Amsterdam tot nu toe geweest ten aanzien van moskeeën die radicalisering faciliteren en hoe past dit in het regeringsbeleid voor het voorkomen van radicalisering?
De gemeente Amsterdam geeft haar beleid voor het voorkomen van radicalisering vorm in de lokale aanpak van radicalisering en terrorisme. Deze aanpak is in lijn met de uitgangspunten die het kabinet hanteert als het gaat om de preventieve en persoonsgerichte aanpak van radicalisering. Dit was ook een van de bevindingen van de Quickscan Amsterdamse aanpak radicalisering en terrorisme, uitgevoerd door Universiteit Leiden en Universiteit Utrecht.
Amsterdam is een van de gemeenten die gebruik maken van de versterkingsgelden vanuit het Rijk voor deze aanpak, en de activiteiten die Amsterdam daarin ontplooit zijn door de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid beoordeeld als passend binnen het bestedingskader van deze versterkingsgelden.
Bent u bereid samen met de burgemeester van Amsterdam afspraken te maken over de aanpak van deze moskee om deze situatie van schijnbare wetteloosheid te voorkomen, en de Kamer hierover vóór het kerstreces te informeren?
Ik heb goed contact met de burgemeester van Amsterdam, ook over de aanpak van radicalisering. De burgemeester is samen met politie en het Openbaar Ministerie verantwoordelijk voor het handhaven van de openbare orde en het opsporen en vervolgen van eventuele strafbare feiten. Mochten er vanuit die verantwoordelijkheid beslissingen worden genomen in relatie tot de El Tawheed Moskee, dan zal de burgemeester daarover de Amsterdamse gemeenteraad informeren.
Een rapport over schoolboeken, uitgegeven door de Palestijnse Autoriteit |
|
Kees van der Staaij (SGP), Joël Voordewind (CU), Han ten Broeke (VVD), Martijn van Helvert (CDA), Raymond de Roon (PVV) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «Palestinian Authority textbooks: the attitude to Jews, Israel and peace»1
Ja.
Hoe beoordeelt u de constateringen uit het rapport dat in onderwijsboeken van de Palestijnse Autoriteit (PA) de staat Israël wordt gedelegitimiseerd en gedemoniseerd, geweld wordt verheerlijkt en toe opgeroepen en dat er sprake is van een gebrek aan educatie over vrede?
Het rapport over de nieuwe Palestijnse schoolboeken van de Israëlische denktank The Meir Amit Intelligence and Terrorism Information Center signaleert dat het Palestijns curriculum nog altijd problematische elementen bevat. Dit komt overeen met de bevindingen van UNRWA dat de nieuwe schoolboeken nauwkeurig heeft geanalyseerd en waar nodig aanvullende materialen heeft ontwikkeld zodat het curriculum in UNRWA-scholen in lijn is met de VN-waarden.
Uit eerdere vergelijkende onderzoeken tussen 2003 en 2013 naar Palestijnse en Israëlische schoolboeken, waaronder een door het VS State Department gefinancierd alomvattend onderzoek naar Palestijnse en Israëlische lesmaterialen uit 2013 (rapport «Portrayal of the Other in Palestinian and Israeli Schoolbooks», 4/2/2013), bleek dat in Palestijnse maar ook in Israëlische schoolboeken weinig informatie voorkomt over de religie, cultuur, economie en dagelijkse activiteiten van de ander en er weinig aandacht wordt gegeven aan de geschiedenis van de andere partij in het conflict. Op dit moment is geen recente vergelijkende studie beschikbaar naar de curricula van beide partijen.
Het kabinet is van mening dat kennis van elkaars leven en geschiedenis van belang is voor een klimaat waarin vrede mogelijk is (zie ook antwoorden op Kamervragen van de leden Van der Staaij, De Roon, Baudet, Ten Broeke, Voordewind en Knops, vergaderjaar 2016–2017, aanhangselnummer 1853, d.d. 15 mei 2017). Binnen onderwijsmaterialen is geen plaats voor een oproep tot geweld of haatzaaiende retoriek. Nederland en de EU dringen daarom bij beide partijen erop aan dat zij aanzetten tot haat en geweld tegengaan, in lijn met VNVR-resolutie 2334.
Deelt u de mening dat kinderen dienen te leren over waarden als tolerantie en co-existentie, en niet geïndoctrineerd dienen te worden met onverdraagzaamheid en geschiedsvervalsing?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de opvatting dat het Palestijnse onderwijs in de huidige vorm schadelijk is voor de levensvatbaarheid van een duurzame en vreedzame twee-statenoplossing?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de opvatting dat het onderwijsmateriaal van de PA vrede tegenwerkt en grondig aangepast dient te worden?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bekend met de antwoorden van uw voorganger A.G. Koenders op de vragen van de leden Van der Staaij (SGP), De Roon (PVV), Baudet (FvD), Ten Broeke (VVD), Voordewind (ChristenUnie) en Knops (CDA) aan de Minister van Buitenlandse Zaken over haatzaaien in Palestijnse schoolboeken?2
Ja.
Kunt u aangeven of «het aandringen door Nederland, de EU en andere landen bij beide partijen het aanzetten tot haat en geweld tegen te gaan» enig resultaat heeft behaald? Zo ja, wat is het resultaat? Zo nee, waarom zijn deze resultaten uitgebleven?
In reactie op de internationale inspanningen om haatzaaien tegen te gaan heeft de Palestijnse president Abbas meermaals gezegd ervoor open te staan om de trilaterale commissie tegen haatzaaien (bestaande uit Israël, Palestijnse Autoriteit en VS, ingesteld in het kader van het Wye River Akkoord) nieuw leven in te blazen. Israël houdt dit echter af, en wijst erop dat de Palestijnse Autoriteit ook zonder trilateraal overleg haatzaaien kan tegengaan. Met de toenemend verslechterende relaties tussen beide partijen is de ruimte voor toenadering en de bereidheid om het onderwijssysteem aan te passen kleiner geworden.
Bent u bekend met het besluit van de Britse Staatssecretaris voor het Midden-Oosten en Noord-Afrika Alistair Burt om een internationaal onderzoek in te stellen naar het Palestijnse onderwijscurriculum en zijn voornemen om hierbij andere donorlanden te betrekken?3
Ja.
Is de Nederlandse regering bereid aan dit onderzoek medewerking te verlenen? Zo nee, waarom niet?
Nederland onderschrijft het belang van goed onderwijs dat bijdraagt aan een klimaat voor vrede en meer wederzijdse kennis over elkaars cultuur, geschiedenis en samenleving. Het Britse initiatief kan bijdragen aan een meer objectieve discussie over het curriculum en kan daarom op Nederlandse steun rekenen. Nederland is echter geen donor in de onderwijssector en heeft geen specifieke expertise op het Palestijnse onderwijs. Daarom ligt het niet voor de hand dat Nederland gaat bijdragen aan dit onderzoek.