Het nieuws dat de Europese Commissie een formele klacht heeft gehonoreerd/opgepakt waardoor de grote verplichtstelling mogelijk in strijd is met EU-recht |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de recente uitlatingen van prof. van Meerten dat de Europese Commissie in 2026 zijn klacht (ingediend in 2021) over de grote verplichtstelling deelt? Zo ja, hoe luidt de positie van de Europese Commissie precies en wanneer wordt de Kamer hierover geïnformeerd?1
Ja, ik ben hiervan op de hoogte. Voordat ik inga op de gedane uitlatingen, geef ik eerst een duiding van de terminologie. De grote verplichtstelling heeft betrekking op de wettelijke verplichte deelneming aan een bedrijfstakpensioenfonds op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000. De kleine verplichtstelling betreft de contractueel overeengekomen deelneming aan een pensioenregeling op grond van een cao.2 Ik ben op de hoogte van het feit dat de Europese Commissie in 2022 een EU-Pilot (informele pre-infractiefase) is gestart naar aanleiding van een individuele klacht uit Nederland. De EU-Pilot heeft betrekking op de vraag waarom een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds de rechtsvorm van een stichting opgericht naar Nederlands recht dient te hebben (hierna: stichtingsvereiste). In het kader van de EU-Pilot heeft een aantal informele gesprekken plaatsgevonden tussen het Ministerie van SZW en de Europese Commissie en is informatie over de Nederlandse pensioenwet- en regelgeving gedeeld. Op basis van deze uitwisseling zijn de diensten van de Europese Commissie van mening dat Nederland, door te eisen dat een (verplichtgesteld bedrijfstak-)pensioenfonds een Nederlandse stichting moet zijn, een ongerechtvaardigde belemmering van de Europese vrijheden zou hebben geïntroduceerd. Ook een entiteit uit een ander EU land zou deze taak moeten kunnen uitvoeren, mits daartoe uitgenodigd door de sociale partners van een bedrijfstak.
Zoals ik uw Kamer eerder heb laten weten3, was de vraag of de verplichtstelling als zodanig strijdig is met EU-recht geen onderdeel van de EU-Pilot en daar zijn dan ook geen conclusies aan verbonden. Bij de totstandkoming van de Wtp is ook stilgestaan bij en getoetst of de verplichtstelling onder het nieuwe stelsel houdbaar is. De conclusie is dat dat het geval is. Er is geen aanleiding daar nu anders over te oordelen. Op het punt van het stichtingsvereiste bereid ik een wetswijziging voor, die zal worden meegenomen in het wetsvoorstel waarmee de herziene IORP-II wordt geïmplementeerd.
Het parlement is via de memorie van antwoord bij de behandeling van de Wtp sinds 24 maart 2023 van de EU-Pilot.4 Met de Verzamelbrief pensioenonderwerpen voorjaar 2026 heb ik de Tweede Kamer geïnformeerd over de stand van zaken.5
Heeft u correspondentie ontvangen van de Europese Commissie of de Europese Ombudsman over deze klacht? Zo ja, wilt u deze correspondentie (eventueel geanonimiseerd) met de Kamer delen, inclusief eventuele termijnen die de Europese Commissie stelt?
Vanuit de Europese Commissie of de Europese Ombudsman is er geen informatie gedeeld over de klacht. De EU-Pilot heeft betrekking op de vraag waarom het stichtingsvereiste geldt voor een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds. De betreffende wetswijziging zal worden meegenomen in de implementatiewetgeving van de lopende herziening van de IORP II-richtlijn.
Welke risico’s ziet u voor de Wet toekomst pensioenen (Wtp) en lopende transitietrajecten als de grote verplichtstelling inderdaad EU-rechtelijk onhoudbaar blijkt? Moet de wet dan worden aangepast en zo ja, op welke termijn?
Bij de totstandkoming van de Wet toekomst pensioenen is de houdbaarheid van de verplichtstelling in het nieuwe stelsel uitgebreid aan de orde geweest6.
De conclusie is dat ook onder de Wtp de verplichtstelling houdbaar is. Deze conclusie is onderdeel van het uitgebreide wetgevingsproces geweest, waaronder advisering door de Raad van State. Er is geen aanleiding daar nu anders over te oordelen. Zoals ik uw Kamer eerder heb laten weten, was de vraag of de verplichtstelling als zodanig strijdig is met EU-recht geen onderdeel van de EU-Pilot en daar zijn dan ook geen conclusies aan verbonden.
Bent u het eens dat de kleine verplichtstelling (verplicht pensioen opbouwen) wél gehandhaafd kan blijven, terwijl de grote verplichtstelling (aan één specifiek fonds) wordt afgeschaft? Zo nee, waarom niet?
Deze vraag is hier niet aan de orde, zoals volgt uit het antwoord op vraag 3.
Hoeveel pensioenvermogen (en hoeveel deelnemers) valt momenteel onder de grote verplichtstelling?
Het aantal actieve deelnemers bij alle (type) pensioenfondsen tezamen bedraagt circa 6,7 miljoen (2024). Het belegd vermogen van alle (type) pensioenfondsen tezamen bedraagt circa 1.624 miljard euro (Q1 2026), waarvan circa 1.285 miljard euro (Q1 2026) bij bedrijfstakpensioenfondsen.7
Heeft het kabinet inmiddels een juridische analyse laten maken (bijv. door de landsadvocaat) over de houdbaarheid van de grote verplichtstelling onder het huidige EU-recht? Wilt u die analyse met de Kamer delen?
Zoals ik ook bij het antwoord op vraag 3 heb aangegeven, is bij de totstandkoming van de Wtp de houdbaarheid van de verplichtstelling in het nieuwe stelsel getoetst. De conclusie is dat ook onder de Wtp de verplichtstelling houdbaar is.
Wat is precies de strekking en reikwijdte van het oordeel van de Europese Commissie dat de Nederlandse stichting-eis voor een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds (Bpf) in strijd is met het EU-recht? Welke bepalingen van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU) worden geschonden, en welke consequenties trekt het kabinet voor de Wet Bpf 2000 en de verplichtstellingsbesluiten?
In de Verzamelbrief pensioenonderwerpen voorjaar 2026 ben ik hierop ingegaan.8 De in 2022 gestarte EU-Pilot had betrekking op de vraag waarom het stichtingsvereiste op een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds van toepassing is. In het kader van de EU-Pilot heeft een aantal informele gesprekken plaatsgevonden tussen het Ministerie van SZW en de Europese Commissie en is de informatie over de Nederlandse pensioenwet- en regelgeving gedeeld. Op basis van deze uitwisseling zijn de diensten van de Europese Commissie van mening dat, door het stichtingsvereiste, Nederland een ongerechtvaardigde belemmering van de Europese vrijheden zou hebben geïntroduceerd. De vraag of de verplichtstelling als zodanig strijdig is met EU-recht geen onderdeel van de EU-pilot en daar zijn dan ook geen conclusies aan verbonden. Bij de Wtp is de houdbaarheid van de verplichtstelling, ook vanuit het Europese recht, onderbouwd. Er is geen aanleiding daar nu anders over te oordelen.
Voor het punt van het stichtingsvereiste is een wetswijziging in voorbereiding, zodanig dat het stichtingsvereiste niet geldt voor pensioeninstellingen uit een andere lidstaat die als verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds actief zijn op de Nederlandse markt. Deze instellingen moeten echter wel een rechtspersoon zonder winstoogmerk zijn en er mogen geen uitkeringen aan oprichters worden gedaan, conform het doel van een Nederlandse stichting. Op deze manier wordt de noodzakelijke bescherming van de pensioendeelnemers – dat pensioengelden inclusief rendementen/winsten ten goede komen aan deelnemers – geborgd.
Daarnaast dient een pensioenuitvoerder uit een andere lidstaat waarborgen waaronder een governancesysteem te hebben, dat de afbakening van taken en de controle van werkgevers, werknemers en pensioengerechtigden omvat, dat hetzelfde resultaat bereikt als de governance die van toepassing is op een in Nederland gevestigde pensioenuitvoerder. In overleg met de diensten van de Europese Commissie en de nationale toezichthouders zal worden onderzocht hoe deze op resultaten gebaseerde beoordeling zo effectief mogelijk kan worden uitgevoerd, rekening houdend met de voorwaarden die gelden onder de (herziene) IORP II-richtlijn en het in Nederland gehechte belang aan de adequate bescherming van de belangen van deelnemers en gepensioneerden bij een verplichtstelling. De betreffende wetswijziging zal worden meegenomen in de implementatiewetgeving van de lopende herziening van de IORP II-richtlijn.
Is het niet rijkelijk laat, dat het kabinet aangeeft dat de wijziging bij de implementatie van de nieuwe IORP-richtlijn (Institutions for Occupational Retirement Provision-richtlijn) in Nederland gaat gebeuren, terwijl de stichting-eis al sinds 2016 geldt, en dus al tien jaar in strijd is met het EU-recht? Sinds wanneer is het kabinet hiervan op de hoogte (bijvoorbeeld via klachten bij de Europese Commissie of interne analyses)? Waarom handelde het kabinet niet? Volgens EU-recht experts is strijd met EU toch duidelijk? Heeft het kabinet zich laten leiden door het advies van prof. Lutjens en andere door de regering geraadpleegde pensioenexperts die het probleem überhaupt niet zagen? Hoe beoordeelt het kabinet het feit dat de situatie al geruime tijd onrechtmatig is? Welke consequenties verbindt het kabinet aan deze voortdurende inbreuk?
De EU-Pilot is gestart in 2022. In de afgelopen jaren heeft er een informele dialoog in de vorm van meerdere vertrouwelijke gesprekken plaatsgevonden tussen de Europese Commissie en Nederland. In deze gesprekken is de vraag behandeld of er sprake kan zijn van een ongeoorloofde belemmering van de Europese vrijheden. Een EU-Pilot is geen openbare procedure. Het parlement is via de memorie van antwoord bij de behandeling van de Wtp sinds 24 maart 2023 op de hoogte.9 Met de Verzamelbrief pensioenonderwerpen voorjaar 2026 heb ik de Tweede Kamer geïnformeerd over de stand van zaken.10
Het is goed om vast te stellen dat het aan sociale partners is om de pensioenregeling af te spreken en de onderbrenging bij een bedrijfstakpensioenfonds te bepalen. In de afgelopen jaren is het niet voorgekomen dat daarbij het verzoek is gekomen om de regeling onder te brengen bij een buitenlandse uitvoerder en dat dat werd verhinderd door de Nederlandse wetgeving. Daarom ben ik van mening dat het voldoende tijdig is dit in de implementatiewetgeving van de IORP II-herziening mee te laten lopen.
Indien de strijdigheid al sinds (in elk geval) 2016 bestaat: welke maatregelen zijn sindsdien genomen om de situatie te herstellen? Hoe beoordeelt het kabinet de mogelijke terugwerkende kracht of aansprakelijkheid voor de periode waarin de stichting-eis onrechtmatig werd gehandhaafd? Worden schadeclaims verwacht van (buitenlandse) partijen of deelnemers?
Zoals onder andere aangegeven bij vraag 8 is de Europese Commissie in 2022 een EU-Pilot gestart naar aanleiding van een individuele klacht uit Nederland.
Op basis van deze uitwisseling zijn de diensten van de Europese Commissie van mening dat, door het stichtingsvereiste, Nederland een ongerechtvaardigde belemmering van de Europese vrijheden zou hebben geïntroduceerd. Op het punt van het stichtingsvereiste bereid ik een wetswijziging voor, die zal worden meegenomen in het wetsvoorstel waarmee de herziene IORP-II wordt geïmplementeerd.
Sociale partners besluiten over de inhoud van de pensioenregeling en de onderbrenging bij een bedrijfstakpensioenfonds. In de afgelopen jaren is het niet voorgekomen dat daarbij het verzoek is gekomen om de regeling onder te brengen bij een buitenlandse uitvoerder en dat dat werd verhinderd door de Nederlandse wetgeving. De kans op schadeclaims acht ik gelet hierop te verwaarlozen.
Zouden buitenlandse pensioenuitvoerders interesse hebben om een verplichtgestelde sectorregeling uit te voeren? Zo zou bijvoorbeeld United Pensions, de Belgische IORP van Aon interesse kunnen hebben. Zo ja, om welke partijen zou het verder kunnen gaan en hoe verloopt dan de beoordeling? Zo nee, waarom verwacht het kabinet dat de praktijk niet zal veranderen?
Het is primair aan sociale partners om verplichte deelneming aan een bedrijfstakpensioenfonds aan te vragen. Het is aan sociale partners om desgewenst de interesse bij buitenlandse uitvoerders in kaart te brengen.
Kunnen Premiepensioeninstellingen (PPI’s) en (buitenlandse) verzekeraars nu of binnenkort ook als uitvoerder optreden voor verplichtgestelde regelingen? Zo nee: waarom niet, terwijl PPI’s en verzekeraars in de niet-verplichte sfeer wél pensioenregelingen mogen uitvoeren en de IORP-richtlijn juist diversiteit van uitvoerders en grensoverschrijdende activiteiten beoogt te bevorderen? Hoe verhoudt deze uitsluiting zich tot de uitspraak van de Commissie en tot het EU-recht? Wordt de Wet Bpf 2000 op dit punt alsnog aangepast, en zo ja, binnen welke termijn? Zo ja: welke stappen worden genomen om PPI’s en verzekeraars (Nederlands én buitenlands) daadwerkelijk toe te laten, en hoe wordt voorkomen dat er nieuwe de facto belemmeringen ontstaan?
Op het punt van het stichtingsvereiste bereid ik een wetswijziging voor, die zal worden meegenomen in het wetsvoorstel waarmee de herziene IORP-II wordt geïmplementeerd. Voor zover noodzakelijk zullen dergelijke situaties daarin worden meegenomen. De instellingen die een verplichtstelling uitvoeren moeten, zoals ik in het antwoord op vraag 7 heb aangegeven, wel een rechtspersoon zonder winstoogmerk zijn en er mogen geen uitkeringen aan oprichters worden gedaan, conform het doel van een Nederlandse stichting.
Is het «invaren» (overheveling van opgebouwde pensioenaanspraken) naar een buitenlandse uitvoerder nu ook mogelijk, of blijft dit beperkt tot Nederlandse Bpf’en? Indien het alleen binnen een Bpf kan: vormt dit geen nieuwe onrechtmatige belemmering van het EU-recht? Hoe zorgt het kabinet ervoor dat de overdracht van pensioenkapitaal naar een erkende buitenlandse entiteit zonder onnodige belemmeringen kan plaatsvinden?
Invaren is het omzetten van bestaande pensioenaanspraken en -rechten van de oude naar de nieuwe Wtp pensioenregeling.11 Invaren gebeurt altijd bij hetzelfde pensioenfonds, dit is een interne collectieve waardeoverdracht, en dus niet een uitgaande waardeoverdracht naar een andere uitvoerder.
Waardeoverdracht naar een buitenlandse pensioenuitvoerder is nu al onder voorwaarden op grond van de Pensioenwet mogelijk.12 Dat gaat ook gelden voor de waardeoverdracht van een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds naar een pensioeninstelling uit een andere lidstaat, gelet op het wetsvoorstel in voorbereiding, zodanig dat het stichtingsvereiste niet geldt voor pensioeninstellingen uit een andere lidstaat die als verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds actief zijn op de Nederlandse markt.
Indien het kabinet meent dat «er niets verandert» en sociale partners in de praktijk toch een Nederlands fonds kunnen aanwijzen: wat zegt dit over de prioriteit die wordt gegeven aan het belang van de deelnemer? Stel dat een buitenlandse partij (of een PPI/verzekeraar) aantoonbaar goedkoper, transparanter of met betere rendement-risico-verhoudingen kan opereren – hoe waarborgt het kabinet dan dat het belang van de deelnemer prevaleert boven het behoud van een Nederlands monopolie?
Het is aan sociale partners om de pensioenregeling af te spreken en de onderbrenging bij een pensioenuitvoerder te bepalen. Zij maken daarbij de weging wat in het belang is van alle groepen deelnemers.
Is het kabinet bekend met de rechtspraak van het Hof van Justitie (en latere jurisprudentie over vrijheid van vestiging), zoals Inspire Art Ltd (C-167/01, 30 september 2003) waarin werd geoordeeld dat extra nationale eisen aan een geldig opgerichte buitenlandse vennootschap in strijd zijn met de vrijheid van vestiging? Lidstaten mogen geen «eigen» rechtsvorm eisen of equivalenten opleggen om eigen regels af te dwingen. Hoe ziet het kabinet dit?
Ik ben bekend met de betreffende rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat (o.a.) het stichtingsvereiste zal adresseren, zal ook worden ingegaan op de relevante jurisprudentie voor verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen in het licht van de uitvoering van de pensioenregeling.
Welke concrete voorwaarden, toezichtseisen en waarborgen heeft het kabinet in gedachten voor buitenlandse entiteiten (inclusief PPI’s en verzekeraars) die een verplichtgestelde regeling willen uitvoeren? Hoe worden deze eisen getoetst op proportionaliteit, non-discriminatie en verenigbaarheid met de Inspire Art-doctrine?
Op het punt van het stichtingsvereiste bereid ik een wetswijziging voor, die zal worden meegenomen in het wetsvoorstel waarmee de herziene IORP-II wordt geïmplementeerd. Deze herziening volgt de gebruikelijke procedure van een wetgevingstraject, met de bijbehorende toetsen.
Ziet u kansen in een meer open stelsel met verplichte deelname aan een pensioenregeling, maar vrije keuze van uitvoerder? Hoe verhoudt zich dat tot de solidariteit en het polderoverleg met sociale partners?
Die vraag is nu niet aan de orde, de situatie waar het hier om gaat is het stichtingsvereiste bij verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen in relatie tot het EU-recht.
Is het denkbaar dat Nederland een boete- of infractieprocedure krijgt van de Europese Commissie, en dat individuele werkgevers (zoals in de Booking.com-zaak) alsnog geconfronteerd worden met enorme navorderingen?
Onderdeel van de procedure bij een EU-Pilot is dat de Europese Commissie beziet of de gekozen oplossing voldoet. Als dat zo is dan is de kwestie opgelost, indien de Europese Commissie oordeelt dat het onvoldoende is, dan kan alsnog een infractieprocedure worden gestart. Indien die procedure zou eindigen in een boete, is dat een aangelegenheid van de Europese Commissie en de Nederlandse Staat. Individuele werkgevers staan daarbuiten.
Overigens ga ik ervan uit dat met verwijzing naar de Booking.com zaak wordt gedoeld op de rechtszaken tussen Booking.com en Stichting pensioenfonds PGB over de (premievordering in verband met) de verplichte aansluiting van Booking.com bij Stichting pensioenfonds PGB.13 Het vervallen van het stichtingsvereiste brengt geen wijziging aan in de werkgevers die onder de werkingssfeer van een verplichtstelling vallen. De voorgenomen wetswijziging houdt in dat het stichtingsvereiste niet geldt voor pensioeninstellingen uit een andere lidstaat die als verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds actief zijn op de Nederlandse markt. Sociale partners kunnen als gevolg daarvan ook de pensioenregeling onderbrengen bij een verplichtgestelde pensioeninstelling uit een andere lidstaat.
Welke stappen gaat u nemen om de Tweede Kamer proactief te betrekken bij deze ontwikkeling, bijvoorbeeld via een spoeddebat of een brief met een impactanalyse, voordat eventuele Europese stappen onomkeerbaar worden?
Het parlement wordt via de reguliere wijze meegenomen bij het wetstraject van de implementatiewet herziening van de IORP II Richtlijn. Ik wissel hierover uiteraard graag met uw Kamer van gedachten tijdens de reguliere commissiedebatten pensioenonderwerpen, waarvan de eerstvolgende nu gepland staat op 10 september 2026.
Waarom weigert het kabinet consistent om landsadvocaat-adviezen over het invaren van pensioenen openbaar te maken, terwijl in 2011 al expliciet werd erkend dat er (minstens) twee adviezen waren over het omzetten van oude rechten in een nieuw contract? Kunt u deze adviezen alsnog volledig (ongecensureerd) aan de Kamer doen toekomen?
Het standpunt over het openbaar maken van adviezen van de landsadvocaat is meermaals toegelicht.14 Bovendien staat het geheel los van de situatie rondom het stichtingsvereiste waar het hier om gaat.
Klopt het dat voormalig Minister Koolmees tijdens het debat over het pensioenakkoord in juni 2019 aan het Kamerlid Van Brenk (50PLUS) heeft bevestigd dat «het pensioenakkoord van de baan is» als de verplichtstelling in gevaar komt? Kunt u de consequenties hiervan, in het licht van de huidige inzet van de Europese Commissie, toelichten?
Ik kan het belang van de houdbaarheid van de verplichtstelling in het nieuwe stelsel onderschrijven. Zoals ik ook in het antwoord op vraag 3 heb aangegeven, is hier bij de totstandkoming van de Wtp uitgebreid bij stilgestaan, ook in debatten met uw Kamer, en is getoetst of de verplichtstelling onder het nieuwe stelsel houdbaar is. De conclusie was dat dat het geval is. Er is geen aanleiding daar nu anders over te oordelen.
De Kamerbrief van 20 mei jongstleden inzake de 'Analyses van additionele koopkracht instrumenten' |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat in de Kamerbrief van 20 mei 2026 een aantal voorwaarden worden gesteld die in overleg met de Pensioenakkoord-partijen zijn geformuleerd (transparantie, uitvoerbaarheid, draagvlak)? Deze zijn toch veelal niet in harde cijfers te kwantificeren? Hoe rijmt u dit met de analysemethode van De Nederlandsche Bank (DNB)?1
Reeds in de eerder met de kamer gedeelde brieven over dit thema2 worden een aantal randvoorwaarden gesteld waaraan additionele koopkrachtvarianten moeten voldoen. Een aantal van deze randvoorwaarden gaan over elementen die te kwantificeren zijn zoals ex-ante herverdeling en de effecten op koopkracht, andere zijn meer kwalitatief van aard zoals uitlegbaarheid en uitvoerbaarheid. De DNB-analyse gaat over de kwantificeerbare elementen in de randvoorwaarden.
Klopt het dat in de Kamerbrief wordt gesteld dat; «Eerder perspectief op een koopkrachtig pensioen kan op verschillende manieren worden geïnterpreteerd»? Bent u het eens dat enkel het streven om het koopkrachtniveau te behouden daadwerkelijk invulling geeft aan een koopkrachtig pensioen? Welke harde maatstaven en normen hanteert u voor de interpretatie dat een pensioenfonds genoeg heeft gedaan wanneer zij ernaar streeft het koopkrachtverlies of de koopkrachtwinst te verlagen of respectievelijk verhogen?
In de bijlage bij de brief wordt weergegeven dat eerder perspectief op een koopkrachtig pensioen op verschillende manieren kan worden ingevuld. Zo kan een pensioenfonds ernaar streven om het koopkrachtniveau te behouden: de uitkeringen volgen dan zoveel mogelijk het patroon van de jaarlijkse gerealiseerde inflatie. Anderzijds kan het doel van een pensioenfonds ook zijn om de mate van koopkrachtverlies of koopkrachtwinst te verlagen respectievelijk verhogen. Dit draait om de kans en omvang van verlaging respectievelijk verhoging in reële uitkeringen in enig jaar te verbeteren.3
Ik ben het dus niet zonder meer eens met de interpretatie dat enkel het streven om het koopkrachtniveau te behouden daadwerkelijk invulling geeft aan een koopkrachtig pensioen. Er moet ook een afweging worden gemaakt tussen het jaar-op-jaar kunnen volgen van de inflatie tegenover op de lange termijn een hogere uitkering te kunnen bieden waarbij het patroon van de feitelijke inflatie minder goed wordt gevolgd dan de jaar-op-jaar-ontwikkeling. Elke doelstelling kent hierbij haar eigen afruilen. Zo zou bijvoorbeeld de doelstelling om het zo goed mogelijk jaar-op-jaar volgen van de inflatie-ontwikkeling in de praktijk tot gevolg kunnen hebben dat de initiële startuitkering voor gepensioneerden lager moet zijn.
Klopt het dat in de lijst met randvoorwaarden wordt gesteld dat «De varianten hebben een substantiële impact op de koopkracht van deelnemers. Er wordt in kaart gebracht in welke mate de variant of de combinatie van varianten ervoor zorgt dat de uitkering de feitelijke inflatie beter kan volgen ten opzichte van het wettelijk beschikbare koopkracht instrumentarium.»? Was dit eerder niet een doelstelling van de Wet toekomst pensioenen (Wtp) en het onderzoek naar de alternatieve koopkrachtinstrumenten en kan u ons het verschil uitleggen tussen een randvoorwaarde en een doelstelling?
De doelstelling eerder perspectief op een koopkrachtig pensioen is een doelstelling van de Wet toekomst pensioenen (Wtp) en heeft betrekking op de stijging van de pensioenuitkering. Eén van de randvoorwaarden om de additionele koopkrachtinstrumenten te beoordelen is: «De varianten hebben een substantiële impact op de koopkracht van deelnemers. Er wordt in kaart gebracht in welke mate de variant of de combinatie van varianten ervoor zorgt dat de uitkering de feitelijke inflatie beter kan volgen ten opzichte van het wettelijk beschikbare koopkrachtinstrumentarium.» Dit is dus additioneel op het koopkrachtinstrumentarium dat de Wtp al biedt, waarbij geldt dat de Wtp reeds meer perspectief biedt op een koopkrachtig pensioen ten opzichte van het oude pensioenstelsel.
Waar blijkt uit dat «De nieuwe premieovereenkomsten uit de Wtp middels de basisvariant reeds meer perspectief bieden op een koopkrachtig pensioen dan het oude stelsel»?
Uit de analyse blijkt dat de basisvarianten een geringer koopkrachtverlies kennen dan een zuivere DC-variant met een regeling zonder solidariteitsreserve. Dit resultaat doet daarmee niks af aan eerdere analyses van DNB over de transitie effecten bij de Wtp4 en van Netspar5 tijdens het wetstraject van de Wtp die lieten zien dat het nieuwe pensioenstelsel eerder perspectief biedt op een koopkrachtig pensioen ten opzichte van het oude pensioenstelsel.
Het klopt toch dat in de Kamerbief wordt gesteld «Er zal altijd een afruil zijn tussen het beter volgen van de feitelijke inflatie en meer beleggingsrisico, een lagere startuitkering of meer herverdeling (met jezelf of met anderen).»? Gaat dit ook op wanneer er afruil mogelijk wordt gemaakt met de solidariteitsreserve?
In de Kamerbrief wordt weergegeven dat er geen sprake is van een zogeheten «free lunch». Er zal altijd een afruil zijn tussen het beter volgen van de feitelijke inflatie en meer beleggingsrisico, een lagere startuitkering of meer herverdeling (met jezelf of met andere deelnemers binnen het collectief). Deze afruil blijft bestaan, ook als bijvoorbeeld meer herverdeling plaatsvindt via de solidariteitsreserve.
De varianten en analyse van de alternatieve koopkrachtinstrumenten zijn toch door DNB in overleg met de experts vastgesteld? Waren de experts het in alle gevallen eens met de gekozen modellen en aannames van DNB?
Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft DNB verzocht de koopkrachtinstrumenten kwantitatief door te rekenen, waarbij is afgesproken zoveel mogelijk aan te sluiten bij de modellering in eerdere transitieberekeningen.6 De opzet van de analyse, inclusief model en aannames, is vooraf afgestemd met experts. Gedurende het traject zijn aanvullende gesprekken met experts gevoerd, die hebben geleid tot nieuwe inzichten en aanvullende gevoeligheidsanalyses om de robuustheid van de uitkomsten te toetsen. Daarnaast is een klankbordgroep van externe experts betrokken, die ook bij eerdere doorrekeningen heeft geadviseerd. Dit draagt bij aan de vergelijkbaarheid en consistentie met eerdere analyses. Ook het Ministerie van SZW als opdrachtgever is gedurende het traject nauw betrokken geweest bij de verkenning.
Het klopt toch dat in basisvariant 1 van DNB is gekozen voor een scenario waarin er onder andere van wordt uitgegaan dat de onverwachte inflatie wordt gecompenseerd vanuit de solidariteitsreserve, terwijl geen enkel fonds hiervoor kiest op dit moment?
In de basisvariant wordt gekeken naar het koopkrachtinstrumentarium dat wettelijk mogelijk is. Deze variant betreft daarmee één van de keuzes binnen de solidaire premieregeling die binnen het huidige wettelijk kader mogelijk zijn, maar deze betreft niet per definitie een praktijkvoorbeeld. Door het in kaart brengen van een basisvariant kunnen de uitkomsten vergeleken worden met het wettelijke kader. Sociale partners en pensioenfondsen maken zelf een afweging in hoeverre zij gebruik willen maken van het instrumentarium. Er zijn pensioenfondsen die overwegen de solidariteitsreserve zo vorm te geven dat deze tot uitkeringen leidt wanneer de gerealiseerde inflatie hoger uitvalt dan de verwachte inflatie. Waar het hier om gaat is dat er geen wettelijke beperking is om gebruik te maken van de koopkrachtinstrumenten in de basisvariant.
Het klopt toch dat de solidariteitsreserve wordt gemaximeerd op 10%, terwijl de meeste fondsen dat nu op maximaal 5–7% hebben staan? Hierbij wordt toch uitgegaan van het feit dat fondsen kiezen voor dakpansgewijze spreiding, terwijl in de werkelijkheid fondsen juist kiezen voor asymptotische spreiding? Vindt u het, met het oog op het gat tussen theorie en werkelijkheid, verdedigbaar om op basis van de basisvariant 1 de alternatieven af te serveren?
Ik herken het beeld niet dat in de kwalitatieve en kwantitatieve analyse één van de koopkrachtvarianten niet gelijkwaardig in de overwegingen mee is genomen. In de analyse wordt elke variant op basis van dezelfde criteria gewogen ten opzichte van dezelfde basisvariant. Dit zorgt voor een gelijkwaardige weging van de verschillende varianten, wat leidt tot een betere vergelijkbaarheid van de verschillende instrumenten. Voor de basisvarianten geldt dat het de wettelijke kaders weergeeft waarbinnen sociale partners en pensioenfondsen reeds de ruimte hebben om beleid te voeren.
Het klopt toch dat in basisvariant 2, boven op de aannames van basisvariant 1, ook wordt uitgegaan van een projectierendement met een afslag van 2%? Er is toch geen enkel fonds dat kiest voor een vaste afslag? Vindt u het, met het oog op het gat tussen theorie en werkelijkheid, verdedigbaar om op basis van deze basisvariant de alternatieven af te serveren?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bereid een nieuwe analyse van DNB te vragen waarin een basisvariant wordt gekozen met reële rekenvoorbeelden, zoals beschikbaar in het rapport «Sturen op een koopkrachtig pensioen» van drs. Henk Bets namens Actuarieel Adviesbureau Confident B.V. en het Wetenschappelijk Bureau NSC? Indien nee, waarom niet?
Het rapport «Sturen op een koopkrachtig pensioen» heeft als input gediend voor de koopkrachtvariant «Meer beleggingsrisico door meer risicodeling» en de auteur heeft ook meermaals commentaar gegeven op de uitkomsten van deze variant. Bovendien is de auteur als externe expert in diverse sessies betrokken. Daarmee is voldoende de kennis uit dit rapport meegenomen in de analyses van DNB. Momenteel kijkt de pensioensector naar de verschillende koopkrachtvarianten en zullen deze toetsen op uitvoerbaarheid en uitlegbaarheid. Zij is ook beter in staat om de praktische uitwerking en de resultaten van deze varianten verder te onderzoeken. Onder coördinatie van de Pensioenfederatie zal hier verder vorm aan gegeven worden binnen de eerdergenoemde randvoorwaarden. Ik wacht de inzichten vanuit de praktijk af en zal daarna nagaan of verdere berekeningen benodigd zijn.
Klopt het dat u in de brief concludeert dat geen van de onderzochte varianten evident de voorkeur verdient? Kunt u aangeven welk gewicht u in uw afweging heeft toegekend aan het realiseren van de oorspronkelijke Wtp-doelstelling van een koopkrachtiger pensioen, en waarom de substantiële verbetering van koopkrachtbehoud in variant 5 niet tot een positieve beleidsmatige beoordeling heeft geleid?
Zoals ik heb aangegeven in de kamerbrief geldt bij het bieden van additionele koopkracht aan gepensioneerden dat er nooit sprake is van een free lunch. Dit betekent dat er kosten of risico’s tegenover kunnen staan zoals ex-ante herverdelingseffecten, een lagere startuitkering of meer risico tijdens de opbouw- en/of uitkeringsfase. Gegeven deze afruil concludeer ik op basis van de analyses in de kamerbrief dat geen van de onderzochte varianten evident de voorkeur verdient.
Waarom wordt de herverdeling in variant 5 als een minpunt aangewezen, terwijl in de brief wordt gesteld dat «herverdeling niet per definitie slecht hoeft te zijn en is afhankelijk van de redenen voor herverdeling en de uitlegbaarheid hiervan vooraf.»?
In de brief wordt in de variant «Meer beleggingsrisico door meer risicodeling» de feitelijke constatering gedaan dat in de bewuste variant sprake is vaneen afruil tussen koopkrachtbehoud enerzijds en geen koopkrachtwinst en forse ex-ante herverdeling van deelnemers boven de 45 jaar naar jongeren anderzijds. Daarmee is ex-ante herverdeling niet per definitie onwenselijk en hangt de beoordeling af van de onderliggende redenen, de omvang van de herverdeling en de mate waarin deze vooraf uitlegbaar is.
Waarom acht u het verantwoord om (onderzoek naar) aanpassingen pas bij de evaluatie van de Wtp in 2028 in gang te zetten, terwijl vrijwel alle pensioenfondsen vóór die tijd al zijn ingevaren en deelnemers dan niet kunnen profiteren van verbeteringen die nu bekend zijn en verder uitgewerkt kunnen worden voor implementatie, direct na het invaren?
Uitvoeringspartijen in de pensioensector zullen de varianten toetsen op uitvoerbaarheid en uitlegbaarheid en de praktische uitwerking van deze varianten verder onderzoeken. Onder coördinatie van de Pensioenfederatie zal de pensioensector hier verder vorm aan geven binnen de genoemde randvoorwaarden in de brief. Om dit op een degelijke manier te doen is voldoende tijd nodig. Eén van de randvoorwaarden voor de additionele koopkrachtinstrumenten genoemd in de brief is dat de varianten niet mogen leiden tot vertraging van de pensioentransitie. Om die reden zouden de koopkrachtvarianten pas na de transitie in werking kunnen treden en zullen de uiteindelijke resultaten en aanbevelingen van de initiatieven uit de pensioensector worden meegenomen in de evaluatie van de Wtp.
Het klopt toch dat in de Kamerbrief wordt voorgesteld «om de evaluatie en het aandragen van koopkrachtinstrumenten bij de sector neer te leggen omdat pensioenuitvoerders en de Pensioenfederatie hiervoor het beste toegerust zijn»? Waarom wordt de bal bij deze organisaties neergelegd terwijl zij uitgesproken tegenstander zijn van alle aanpassingen van de Wtp? Is het niet beter deze evaluatie neer te leggen bij een meer onafhankelijke partij ofwel een groep bestaande uit de oorspronkelijke expertgroep die de varianten in deze evaluatie bedacht heeft?
Ten eerste ben ik van mening dat uitvoeringspartijen in de pensioensector het best gepositioneerd zijn om de varianten en diverse denkbare modaliteiten te toetsen op uitvoerbaarheid en uitlegbaarheid in de praktijk. Daarnaast herken ik het beeld niet dat pensioenuitvoerders en de Pensioenfederatie tegenstanders zijn van aanpassingen van de Wtp in zijn algemeenheid. Aanpassingen aan de Wtp gedurende deze transitieperiode die de transitie ondersteunen kunnen juist op steun vanuit de pensioensector rekenen. De pensioensector geeft daarbij evenwel aan dat gegeven de enorme uitvoeringsopgave van de transitie een zo stabiel, voorspelbaar wettelijk kader de beheerste uitvoering van de transitie in de nog restende periode tot 1 januari 2028 ten goede komt. Het kabinet heeft daar oog voor en is daarom terughoudend met voorgenomen aanpassingen van de pensioenwetgeving die niet direct benodigd zijn voor de transitie. De genoemde verkenning ziet op eventuele aanpassingen van het wettelijke kader ná afronding van de pensioentransitie.
Waarom wordt in de Kamerbrief een expliciete taak neergelegd bij de Pensioenfederatie voor het vervolgtraject? De pensioenfederatie is toch geen uitvoerder? Kunt u inzicht geven in de precieze opdracht die aan de Pensioenfederatie is/wordt verstrekt? Het klopt toch dat de Pensioenfederatie heeft aangegeven geen waarde te hechten aan aanpassingen aan de Wtp?
De Pensioenfederatie zal een coördinerende rol hebben in het vervolgtraject waarbij uitvoeringspartijen in de pensioensector de varianten toetsen op uitvoerbaarheid en uitlegbaarheid in de praktijk en de praktische uitwerking van deze varianten verder onderzoeken. Binnen de Pensioenfederatie zal via de Commissie Actuariaat hiervoor een werkgroep worden gevormd. Inmiddels hebben vijf pensioenuitvoerders c.q. uitvoeringsorganisaties kenbaar gemaakt hierin te willen participeren.
Erkent u dat de huidige wettelijke definitie van de solidariteitsreserve verhindert dat pensioenfondsen kunnen experimenteren met of ervaring kunnen opdoen met een reële solidariteitsreserve? Zo ja, hoe kan de sector volgens u dan zelfstandig de meerwaarde van dit instrument aantonen en/of hier de leiding in nemen?
Zoals ook in kwalitatieve analyse is aangegeven dient wet- en regelgeving te worden aangepast om de verschillende koopkrachtvarianten te kunnen uitvoeren. Dat neemt niet weg dat de pensioensector goed in staat is de voor- en nadelen in kaart te brengen van een invulling van de solidariteitsreserve die buiten het huidige wettelijk kader valt.
Waarom lijkt in uw afweging een beperkte stijging van het risico op nominale kortingen zwaarder te wegen dan een aanzienlijke vermindering van het risico op langdurig koopkrachtverlies, terwijl juist koopkrachtbehoud centraal stond bij de hervorming van het pensioenstelsel? Graag een toelichting.
Zoals eerder aangegeven schetst de kamerbrief «Analyses van additionele koopkrachtinstrumenten» alleen de feitelijke afruilen tussen additionele koopkracht enerzijds en ex-ante herverdelingseffecten, een lagere startuitkering of meer risico tijdens de opbouw- en/of uitkeringsfase anderzijds. In de brief worden door mij geen beleidsmatige afwegingen gemaakt. Dergelijke afwegingen zal ik met uw Kamer maken.
Het klopt toch dat in de Kamerbrief wordt gesteld: «In het licht van bovenstaande is het een open vraag of, en zo ja, hoe deze informatie ook kan worden gegeven aan nog actieve deelnemers zonder de indruk te wekken dat sprake is van een reële doelstelling.»? Wat is er tegen een reële doelstelling volgens u? De eerste doelstelling van de Wtp en het Pensioenakkoord waren toch sneller uitzicht op koopkrachtbehoud?
Een verplichte reële doelstelling kan ten onrechte de indruk wekken bij deelnemers dat zij een garantie hebben op een inflatiecorrectie. Dergelijk garanties zijn niet te geven in een kapitaalgedekt pensioenstelsel, mede gezien het ontbreken van voldoende activa (zoals inflatiegerelateerde obligaties) waarvan de rendementen meebewegen met de inflatie. Dergelijke garanties kunnen leiden tot nieuwe teleurstellingen in de toekomst. Dergelijke lessen hebben we uit het oude pensioenstelsel geleerd. Daarom gaat het nieuwe pensioenstelsel uit van premieregelingen, waarbij de pensioenpremie de daadwerkelijke toezegging is.
Het artikel ‘Bijna 3000 banen minder in Limburgse industrie en handel’ |
|
Elles van Ark (CDA), Judith Buhler (CDA) |
|
Hans Vijlbrief (D66), Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Bijna 3000 banen minder in Limburgse industrie en handel» van L11 en met de onderliggende arbeidsmarktprognoses van het UWV? Herkent u de daarin geschetste ontwikkeling van de werkgelegenheid in Limburg?
Ja, ik ben bekend met het artikel en de arbeidsmarktprognoses van het UWV. Ik herken de verwachting dat de werkgelegenheid in Limburg afneemt. Daar staat tegenover dat de arbeidsmarkt in Limburg nog steeds krap is. Het is dus lastig voor werkgevers om de juiste mensen te vinden. Daarbij helpt het als werknemers en werkzoekenden zich blijven ontwikkelen.
Onderschrijft u de zorgen van het UWV over de verwachte afname van de werkgelegenheid in industrie en detailhandel?
Het UWV verwacht dat het aantal banen in Limburg zal afnemen, ook bij lagere energieprijzen. Bij hogere energieprijzen zal die afname groter zijn en vooral plaatsvinden in sectoren als de industrie en detailhandel. Tegelijkertijd verwacht het UWV ook dat de werkgelegenheid toeneemt in sectoren als de zorg en de ICT. Het gaat er daarnaast ook om hoeveel mensen instromen in de arbeidsmarkt en wat hun vaardigheden zijn. Het is belangrijk dat werknemers en werkzoekenden hun vaardigheden zo kunnen ontwikkelen dat deze passen bij de economische ontwikkelingen. Daarin moeten we extra aandacht hebben voor werkenden en werkzoekenden met vaardigheden die minder gevraagd worden in de toekomstige economie. Daarom werken we bijvoorbeeld in regionale werkcentra aan dienstverlening voor deze mensen.
Welke risico’s ziet u voor de economische vitaliteit, leefbaarheid en brede welvaart van Limburg en vergelijkbare regio’s wanneer de werkgelegenheid in industrie en detailhandel structureel afneemt?
Wanneer de werkgelegenheid in de regionale economie over de volle breedte structureel onder druk staat, raakt dit direct het regionale verdienvermogen en daarmee potentieel ook de brede welvaart, leefbaarheid en economische vitaliteit van die regio. Een sectorale terugval hoeft echter niet per definitie tot dergelijke risico’s te leiden. Indien krimp in bijvoorbeeld industrie en detailhandel wordt gecompenseerd door groei in andere sectoren, kan de economische basis zich juist herstructureren zonder verlies aan vitaliteit. Dit past binnen het bredere beeld van een economie in transitie, waarin verschuivingen tussen sectoren onvermijdelijk zijn. Werkgelegenheid en bestaanszekerheid blijven daarbij nauw met elkaar verbonden, maar vragen om een brede/tweeledige benadering waarin zowel wordt ingezet op verduurzaming van bestaande sectoren als op de ontwikkeling van nieuwe, stuwende economische activiteiten.
Deelt u de opvatting dat verlies van werkgelegenheid in Limburg extra zwaar kan doorwerken vanwege de demografische ontwikkelingen, vergrijzing en de positie van Limburg als grensregio?
Zoals de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050 signaleert, krijgen Limburg en andere grensregio’s de komende jaren te maken met toenemende bevolkingskrimp en vergrijzing, onder meer doordat relatief veel jongeren deze gebieden verlaten. Deze regionale demografische ontwikkelingen beïnvloeden de arbeidsmarkt door enerzijds een verminderde instroom en vergrote uitstroom van arbeid en anderzijds door vraagverschuiving, bijvoorbeeld doordat de vraag naar arbeid verschuift richting sectoren als de zorg. Tegelijkertijd staat Limburg voor de opgave de economische structuur te versterken en de transitie naar een meer hoogproductieve en welvarende economie vorm te geven. Het is daarom van belang zowel in te zetten op de randvoorwaarden voor deze economische transitie als op ondersteuning van kwetsbare groepen bij het ontwikkelen van vaardigheden die aansluiten op de veranderende arbeidsvraag, conform het antwoord op vraag 2.
Wordt onderzocht welke effecten het verdwijnen van industriële werkgelegenheid heeft op het vestigingsklimaat, investeringsbereidheid van bedrijven en het behoud van strategische bedrijvigheid in Limburg? Zo ja, kunt u de resultaten daarvan delen?
Nee, een dergelijk onderzoek wordt op dit moment niet door ons uitgevoerd.
Welke concrete maatregelen worden momenteel genomen om strategische bedrijvigheid te behouden en verdere uitstroom van werkgelegenheid te voorkomen?
In Limburg is relatief veel industriële werkgelegenheid. Het Kabinet zet zich in om de internationale concurrentiepositie van de energie-intensieve industrie te verbeteren. Allereerst in Europa, bijvoorbeeld via aanpassingen binnen het EU-ETS en CBAM ter verbetering en versterking van het systeem, hetgeen bijdraagt aan betere bescherming van de industrie tegen import uit derde landen. Op nationaal niveau werkt het Kabinet aan verbetering van het level playing field, onder andere via de aangekondigde afschaffing van de CO2-heffing, verlaging van de energie- en elektriciteitskosten en het continueren van de SDE++ subsidieregeling. Daarnaast zijn er regionale agenda's opgesteld in het kader van het Nationaal Programma Vitale Regio's om een gebiedsgerichte aanpak te bevorderen. Op 30 januari 2026 (2) is de Kamer over de voortgang geïnformeerd. Aanvullend heeft het Kabinet in het Coalitieakkoord aangekondigd zich met de maatwerkaanpak te willen richten op industriële clusters of gebieden. Cluster Chemelot heeft in dit kader een clusterplan opgesteld dat inzicht geeft in hoe het toekomstperspectief van het cluster weer kan worden verbeterd. Dit clusterplan is aangeboden aan het Ministerie van EZK en de Provincie Limburg. De komende maanden worden de ambities uit het plan, samen met de betrokken bedrijven, verder geconcretiseerd.
In hoeverre sluiten de huidige scholings- en arbeidsmarktinstrumenten van UWV, gemeenten en provincies aan op de toekomstige personeelsvraag in sectoren waar juist tekorten bestaan, zoals techniek, zorg, energie en logistiek?
Zowel UWV als gemeenten zetten scholing en arbeidsmarktinstrumenten in om aan te sluiten bij de lokale en regionale personeelsvraag en zo werkzoekenden te begeleiden naar werk. Dit doen UWV en gemeenten vanuit hun publieke re-integratietaken en in regionaal verband via de arbeidsmarktinfrastructuur, met medebetrokkenheid van sociale partners en in samenwerking met tekortsectoren.
Sinds 2025 bestaat daarnaast de SLIM-Scholingssubsidie voor werkgevers in de maatschappelijk cruciale sectoren techniek, bouw en energie, ICT, groen, zorg en welzijn, kinderopvang en onderwijs. De subsidie heeft tot doel om met behulp van scholing instroom van werkzoekenden en doorstroom of overstappen van werkenden te stimuleren en zo bij te dragen aan de aanpak van personeelstekorten in deze sectoren. Opleidingen waarvoor de subsidie kan worden ingezet, komen voort uit de sectorale Ontwikkelpaden. De Ontwikkelpaden geven inzicht in welke functies er zijn, hoe deze elkaar opvolgen en welke opleidingen daarvoor nodig zijn. Deze worden door sociale partners gemaakt en door de Minister van SZW erkend. Dit is een goed werkbaar instrument voor werkgevers, werknemers en werkzoekenden, sectoren, opleiders en arbeidsmarktprofessionals. SZW ondersteunt samen met landelijke partners de ingebruikname van Ontwikkelpaden door de arbeidsmarktregio’s in samenwerking met sectoren voor de matching van werkzoekenden.
Het Kabinet werkt bovendien aan een Talenstrategie: een breed pakket aan maatregelen voor met als doel schaars talent te bewegen naar opgaven die cruciaal zijn voor onze toekomstige welvaart en verdienvermogen. Daarbij gaat het om talent in de breedste zin van het woord: van kinderen in het basisonderwijs, studenten in het vervolgonderwijs, tot werknemers en werkzoekenden. En van praktische vaardigheden tot theoretische kennis. Hierin trekt het kabinet nauw op met relevante stakeholders, waaronder vanzelfsprekend ook medeoverheden en het UWV.
Bent u bereid om samen met werkgevers, onderwijsinstellingen, vakbonden en UWV te onderzoeken of een regionale agenda opgesteld kan worden om de werkgelegenheid in Limburg te behouden en werknemers tijdig van werk naar werk te begeleiden?
Het is niet nodig om een extra regionale agenda op te stellen voor Limburg, omdat er al regionale agenda’s ontwikkeld worden. In het kader van de hervorming van de arbeidsmarktinfrastructuur zijn in alle arbeidsmarktregio’s regionale beraden opgericht, bestaande uit gemeenten, het UWV, sociale partners, onderwijsinstellingen en SBB. Onder regie van de centrumgemeenten stellen zij regionale meerjarenagenda’s op, gericht op onder meer het behoud van werkgelegenheid.
Ook in de Limburgse arbeidsmarktregio’s worden deze agenda’s ontwikkeld, waarbij opgaven en ontwikkelingen op het gebied van arbeidsmarkt, onderwijs en economie in samenhang worden benaderd. Van werk naar werk dienstverlening valt onder verantwoordelijkheid van sociale partners. De aanpak wordt verbonden aan de regionale samenwerking.
Het bericht ‘Winkelsluiting op zondag verder onder vuur: 'Een aanslag op privélevens van duizenden medewerkers'' |
|
André Flach (SGP), Jimmy Dijk (SP) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Winkelsluiting op zondag verder onder vuur: «Een aanslag op privélevens van duizenden medewerkers»»?1
Ja, ik heb kennis genomen van dit bericht.
Herinnert u zich de toezegging van de Minister-President in de richting van de fractie van de SGP tijdens het debat over de regeringsverklaring dat «deze regering de gemeentelijke vrijheid erkent voor zover in de Winkeltijdenwet is vastgelegd»?
Ja.
Welke consequenties heeft dit standpunt van de regering voor de eventuele uitkomsten van de evaluatie van de Winkeltijdenwet?
In de evaluatie van de Winkeltijdenwet wordt rekening gehouden met de gemeentelijke vrijheid zoals vastgelegd in de Winkeltijdenwet. Daarbij wordt ook gekeken naar de belangen van werkgevers, werknemers en de samenleving als geheel. Zoals toegezegd in de antwoorden op de vragen over de Winkeltijdenwet van het lid Kisteman (VVD)2 wordt uw Kamer in september geïnformeerd over de uitkomsten van de evaluatie en over het standpunt van het kabinet.
Kunt u hierbij toezeggen dat naar aanleiding van de evaluatie van de Winkeltijdenwet de mogelijkheden voor zondagsopenstelling voor winkeliers op geen enkele wijze zullen worden verruimd, vanwege het belang van zondagsrust voor onder meer kleine werkgevers, werknemers en de samenleving als geheel?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid, in aanvulling op de reeds geschetste opties in een eerdere Kamerbrief over verruiming van de zondagsopenstelling2, in de kabinetsreactie over de uitkomsten van de evaluatie ook opties voor verdere bescherming van de zondagsrust op te nemen, zodat er een compleet beeld ontstaat van de mogelijkheden voor aanpassing van de Winkeltijdenwet ten aanzien van winkeltijden op zondag?
Conform de Kamerbrief over verruiming van de zondagsopenstelling4 van begin dit jaar lag de focus van het onderzoek, dat onlangs werd afgerond, op drie onderdelen. Deze onderdelen zijn: marktanalyse en consumentengedrag in het kader van zon- en feestdagen, mogelijkheid van het (gedeeltelijk) loslaten van het openingsverbod op zon- en feestdagen, en een evaluatie van het verbod op eenzijdige wijziging winkeltijden. Het perspectief van werknemers over de zondagsrust en een toelichting over de vereisten onder zondagswet komen terug in de evaluatie. In het onderzoek zijn echter geen opties in kaart gebracht om de zondagsrust verder te beschermen. Om die reden zal dit niet terugkomen in de begeleidende kabinetsreactie.
Hoe reageert u op de oproep van de FNV aan het kabinet om «het weekend niet af te schaffen»?3
Ik begrijp de zorgen van de FNV over de positie van werknemers in winkels en distributiecentra. In de evaluatie wordt daarom onder meer onderzocht hoe werknemers de huidige regels rond winkeltijden ervaren en wat de gevolgen voor hen zouden zijn van een eventuele (gedeeltelijke) afschaffing van het openingsverbod op zon- en feestdagen.
Bent u bereid uw reactie op de brief van FNV Handel te delen met de Kamer?
De brief van FNV Handel betrof een oproep aan mij als Minister van Economische Zaken en Klimaat om de openingstijden niet op te rekken. Hoewel er geen schriftelijke reactie wordt opgesteld, kan ik u mededelen dat mijn ministerie wel in gesprek gaat met de FNV. Dit gesprek zal plaatsvinden voordat het eindrapport van de evaluatie van de Winkeltijdenwet en de begeleidende kabinetsreactie aan uw Kamer wordt aangeboden.
Erkent u dat met een verdere openstelling van de winkeltijden op zondag de bescherming van werknemers onder druk kan komen te staan?
Ik ben mij bewust dat een verdere openstelling van de winkeltijden op zondag effect kan hebben op de werktijden van werknemers. Het perspectief van werknemers is dan ook meegenomen in de evaluatie. Mijn reflectie hierop komt terug in de begeleidende brief die uw Kamer in september ontvangt.
Kunt u uitgebreid aangeven in hoeverre en op welke wijze de positie van werknemers expliciet wordt meegenomen in de evaluatie van de Winkeltijdenwet?
Als onderdeel van de evaluatie zijn gesprekken gevoerd met de FNV en de AVV om het werknemersperspectief ook vanuit de bonden mee te nemen.
Klopt het dat «een grootschalig onderzoek naar de ervaringen van medewerkers in de sector is uitgebleven», zoals beschreven in genoemde brief? Zo ja, bent u bereid hier alsnog onderzoek naar te doen en dit te betrekken bij de uitkomsten van de evaluatie van de Winkeltijdenwet?
Dat klopt, er is geen grootschalig onderzoek gedaan naar de ervaringen van medewerkers in de sector. Dat wil echter niet zeggen dat het werknemersbelang niet wordt meegewogen. Om die reden zijn er ook gesprekken gevoerd met de FNV en de AVV. Omdat de evaluatie is afgerond vind ik het niet opportuun om een grootschalig onderzoek uit te voeren naar de ervaringen van medewerkers in de sector.
Hoe wordt in het evaluatieonderzoek invulling gegeven aan de toezegging van voormalig Minister van Economische Zaken Karremans in de richting van het lid Flach (SGP) dat ook de belangen van ondernemers die hechten aan zondagsrust hierin zullen worden meegenomen?
In het evaluatieonderzoek is op meerdere manieren rekening gehouden met de belangen van ondernemers die hechten aan de zondagsrust. Zo is bij de enquête onder winkeliers expliciet gevraagd naar de redenen om niet open te gaan op zon- en feestdagen. Daarnaast zijn er verschillende casestudies uitgevoerd in specifieke gemeenten, waaronder gemeenten met een grote geloofsgemeenschap en waar de zondagsrust een nadrukkelijke rol speelt in het lokale beleid.
De brief van de minister met betrekking tot de toekomst van ons pensioenstelsel |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Waarom wil u pas in 2028 de Tweede Kamer informeren over de vergroting van koopkracht als gevolg van het nieuwe stelsel terwijl dit voor gepensioneerden juist een van de belangrijkste redenen was om akkoord te gaan met nieuwe pensioenstelsel?
De koopkracht van deelnemers en gepensioneerden is een belangrijk onderwerp waar u terecht aandacht voor vraagt. Zoals ik in mijn brief aan uw Kamer heb aangegeven, biedt het nieuwe pensioenstelsel meer perspectief op een koopkrachtig pensioen in vergelijking met het oude stelsel. Aan het toevoegen van eventuele additionele koopkrachtinstrumenten zijn voor- en nadelen verbonden. Ik wil uitvoeringspartijen in de pensioensector de tijd geven om zorgvuldig de inzet van additionele koopkrachtinstrumenten te toetsen op uitvoerbaarheid en uitlegbaarheid. De uitvoeringspartijen zijn ook beter in staat om de praktische uitwerking van deze varianten verder te onderzoeken. De pensioensector zal hiertoe het initiatief nemen. Onder coördinatie van de Pensioenfederatie zal hier verder vorm aan gegeven worden binnen de eerdergenoemde randvoorwaarden. Om dit op een degelijke manier te doen is ruime tijd nodig, mede gezien de lopende transitie. Ik zal de Kamer daarom begin volgend jaar hierover een stand van zaken geven. De uiteindelijke resultaten en aanbevelingen van deze initiatieven zullen worden meegenomen in de evaluatie van de Wtp.1
Welke partijen zijn naar uw mening verantwoordelijk voor de toepassing van de additionele koopkrachtinstrumenten?
Sociale partners zijn verantwoordelijk voor de pensioenregeling en pensioenfondsen zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de regeling. In de regeling wordt het gebruik van de verschillende instrumenten gedefinieerd. Deze rolverdeling zal ook gelden voor eventuele additionele koopkrachtinstrumenten.
Op welke wijze gaat u de Tweede Kamer op jaarbasis informeren over de resultaten van (additionele) koopkrachtinstrumenten?
Zoals ik heb aangegeven in de brief zal ik de Kamer begin volgend jaar over de verkenning naar additionele koopkrachtinstrumenten door de pensioensector verder informeren. Ik zal de Kamer betrekken bij het vervolg dat daaruit voortvloeit. Naar aanleiding van de geboden inzichten vanuit de pensioensector zal ik nader bezien hoe ik uw Kamer op regelmatige wijze verder kan informeren. Over de wijze waarop ontwikkelingen in de pensioensector rondom koopkracht zullen worden gevolgd zal ik te zijner tijd een voorstel doen. In dit voorstel zullen verschillende elementen worden gewogen. Hierbij zal gekeken moeten worden hoe fijnmazig de informatie kan zijn en welke vorm deze rapportage kan krijgen. Om hier een beter beeld van te krijgen zal eerst bezien worden welke gegevens momenteel beschikbaar zijn of kunnen worden gemaakt. Hierbij zal natuurlijk rekening moeten worden gehouden met kosten, beschikbare capaciteit en regeldruk voor o.a. de pensioensector. Ik ga graag op basis van dit voorstel met uw Kamer in gesprek.
Is er volgens u wetgeving nodig om de (additionele) koopkrachtinstrumenten te implementeren?
Ik zie de inzichten van de pensioensector op het gebied van uitvoerbaarheid en uitlegbaarheid met belangstelling tegemoet. Zoals ook uit de kwalitatieve analyse blijkt is in principe voor alle vier onderzochte koopkrachtinstrumenten aanpassingen van wet- en regelgeving nodig.2
De fiscale ongelijkheid tussen eenverdieners- en tweeverdienersgezinnen |
|
Ralf Dekker (FVD) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het gegeven dat bij een gelijk bruto gezinsinkomen van € 70.000 een tweeverdienersgezin door de werking van dubbele heffingskortingen netto circa € 1.100 per maand meer overhoudt dan een eenverdienersgezin?
Ja, het is mij bekend dat een tweeverdienersgezin bij een gelijk gezinsinkomen netto meer salaris overhoudt dan een alleenverdienersgezin. Onderstaande tabel toont ter illustratie het verschil in netto-inkomen tussen een alleenverdieners- en tweeverdienershuishouden met een brutogezinsinkomen van € 70.000. Het netto huishoudinkomen van het tweeverdienershuishouden ligt € 15.815 hoger dan van het eenverdienershuishouden, oftewel € 1.318 per maand. Daarbij moet wel opgemerkt worden dat het de vraag is of beide huishoudens goed te vergelijken zijn. Huishoudens met twee verdienende partners werken doorgaans bij elkaar opgeteld meer dan veertig uur. Bij een gelijk huishoudinkomen hebben zij dus een lager uurloon dan een eenverdiener. Dit rekenvoorbeeld geeft de meest extreme situatie weer met het grootste verschil in netto huishoudinkomen tussen een alleenverdiener en tweeverdieners met een huishoudinkomen van € 70.000; wanneer het inkomen tussen tweeverdieners ongelijker is verdeeld, neemt het verschil in huishoudinkomen ten opzichte van een alleenverdiener af.
Eenverdiener
Tweeverdiener
Tweeverdiener
Bruto inkomen
70.000
35.000
35.000
Verschuldigde inkomstenbelasting
24.368
12.133
12.133
Algemene heffingskorting
747
2.846
2.846
Arbeidskorting
4.308
5.458
5.458
IACK
–
–
3.032
Netto inkomen
47.437
30.110
33.142
Acht u het rechtvaardig dat het netto besteedbaar inkomen van huishoudens met een identiek bruto inkomen zo sterk uiteen kan lopen uitsluitend op basis van de verdeling van dat inkomen over één of twee partners?
De belastingdruk op huishoudniveau bij een gelijk huishoudinkomen is hoger voor een alleenverdienershuishouden dan voor een tweeverdienershuishouden. Dit is het gevolg van de combinatie van belastingheffing op het niveau van het individu (in beginsel wordt iedere persoon binnen het gezin belast voor zijn of haar eigen inkomen) en de progressiviteit van het belastingstelsel. Hierdoor wordt een huishoudinkomen dat door twee personen wordt verdiend tegen een lager (marginaal) tarief belast dan hetzelfde inkomen dat door slechts één persoon wordt verdiend. De belastingheffing op het niveau van het individu zorgt ervoor dat werkenden niet geconfronteerd worden met een hogere marginale druk doordat de partner een (relatief hoog) inkomen heeft. Hierdoor is het voor een minstverdienende partner in de regel financieel lonend om (meer) te werken.
Het kabinet is ook van mening dat werken moet lonen. Ook voorgaande kabinetten hebben beleid gevoerd om werken meer te laten lonen. De belastingheffing op het individuele inkomen heeft als doel arbeidsparticipatie te stimuleren en economische zelfstandigheid te bevorderen. Een gevolg van de belastingheffing op het niveau van het individu is dat bij de vergelijking van de belastingdruk tussen huishoudens, gekeken moet worden naar huishoudens waarbij de individuen hetzelfde inkomen hebben. Als de vergelijking op huishoudniveau wordt gemaakt, kan het zijn dat een huishouden waarin twee partners in totaal acht of tien dagen moeten werken voor een inkomen worden vergeleken met een eenverdiener die hetzelfde bedrag in vier of vijf dagen verdient. Het uurloon van tweeverdienershuishouden ligt in dat geval lager. Deze huishoudens bevinden zich dus niet in een vergelijkbare positie.
Kunt u toelichten hoe het huidige fiscale stelsel rekening houdt met de verdeling van betaalde arbeid en onbetaalde zorgtaken binnen huishoudens?
De belangrijkste functie van belastingen is het genereren van voldoende inkomsten om de overheidsuitgaven te kunnen financieren. Daarnaast kunnen belastingen dienen als herverdelingsinstrument en gedrag beïnvloeden. Belastingen werken in principe verstorend. Bovendien is het inkomen geen optimale maatstaf voor de draagkracht. Dit komt doordat de herverdeling op basis van het gerealiseerde arbeidsinkomen op twee manier gebeurt. Behalve van mensen met een hoge naar mensen met een lage verdiencapaciteit is ook sprake van herverdeling van mensen die veel werken naar mensen die weinig werken. Dit terwijl vrije tijd/ huishoudproductie ook waarde vertegenwoordigt.2
Het is goed om de negatieve effecten van belastingheffing op welvaart zoveel mogelijk te beperken. Een manier om de verstorende werking van de inkomstenbelasting op het arbeidsaanbod te beperken is de arbeidskorting die erop gericht is om de arbeidsparticipatie te bevorderen. Daarvoor is veelal een individuele benadering in de loon- en inkomensheffing vereist. Binnen het toeslagenstelsel speelt de functie van inkomensondersteuning een meer nadrukkelijke rol. Om die reden is het huishoudinkomen leidend. Dit geldt vooral voor de huurtoeslag, de zorgtoeslag en het kindgebonden budget. Bij de kinderopvangtoeslag speelt ook het bevorderen van de arbeidsparticipatie een rol.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 staat het huidige kabinet nog steeds achter het streven van voorgaande kabinetten naar meer arbeidsparticipatie en economische zelfstandigheid van beide partners. Hoewel onbetaalde zorgtaken van grote waarde zijn voor onze maatschappij en binnen huishoudens, wordt in het fiscale stelsel geen rekening gehouden met de verdeling van onbetaalde zorgtaken en betaalde arbeid binnen huishoudens. Het waarderen van zorgtaken via het fiscale stelsel ligt daarbij wat het kabinet betreft – gezien het streven naar arbeidsparticipatie en het idee dat werken moet lonen – niet direct voor de hand.
Erkent u dat onbetaalde zorgtaken een economische waarde vertegenwoordigen die momenteel niet tot uitdrukking komt in de fiscale systematiek?
Zie antwoord vraag 3.
Indien het antwoord op de voorgaande vraag negatief luidt, kunt u toelichten hoe u dit ziet?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe beoordeelt u het feit dat heffingskortingen per individu worden toegekend, terwijl bij inkomensafhankelijke regelingen juist het gezamenlijke huishoudinkomen als grondslag geldt?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid te onderzoeken of een systeem waarbij het huishoudinkomen gedeeltelijk per persoon wordt gewogen – bijvoorbeeld via een splitsingsfactor – kan bijdragen aan een evenwichtiger verdeling van de belastingdruk?
Het coalitieakkoord bevat de ambitie om het belasting- en toeslagenstelsel te vereenvoudigen en te hervormen. Bij deze hervormingsagenda zal het kabinet ook oog hebben voor de effecten voor de belastingdruk voor alleenverdieners en tweeverdieners. Daar zijn eerder ook moties over aangenomen door Uw Kamer en door de Eerste Kamer.3
Het opnieuw onderzoeken van een splitsingsstelsel ligt niet voor de hand. De eerste reden is dat recent nog een variant van een splitsingsstelsel is doorgerekend voor de Eerste Kamer.4 In die brief zijn ook alternatieven genoemd om het verschil in belastingdruk op huishoudniveau te verkleinen. Ook wijst de brief op enkele nadelen van een splitsingsstelsel. De belangrijkste is dat het zou leiden tot een hogere marginale druk voor mensen met een goed verdienende partner. Dat kan ten koste gaan van de arbeidsparticipatie en de economische zelfstandigheid van met name vrouwen.
Een tweede reden is dat een splitsingsstelsel op gespannen voet kan staan met de doelen van de hervormingsagenda. Het kabinet wil toe naar een stelsel dat eenvoudiger is voor mensen. Een splitsingsstelsel kan het voor mensen juist moeilijker maken om te begrijpen en te voorspellen hoeveel het bijvoorbeeld loont om meer uren te gaan werken.
Indien het antwoord op de voorgaande vraag negatief luidt, kunt u toelichten waarom u hiertoe niet bereid bent?
Zie antwoord vraag 7.
Welke effecten verwacht u van een dergelijke aanpassing op arbeidsparticipatie, inkomensverdeling en de uitvoerbaarheid van het belastingstelsel?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bereid de Kamer te informeren over de beleidsopties en bijbehorende voor- en nadelen van inkomenssplitsing voor fiscale doeleinden?
Zie antwoord vraag 7.
Indien het antwoord op de voorgaande vraag negatief luidt, kunt u toelichten waarom u hiertoe niet bereid bent?
Zie antwoord vraag 7.
Het artikel ‘Het pensioendrama APG’ |
|
Ingrid Michon (VVD) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Het pensioendrama APG» van 7 mei 2026?1
Ja.
In het jaarverslag van het ABP staat dat duurzaam en verantwoord beleggen voor «enige remming» van de rendementen heeft gezorgd. Risicovrij beleggen levert ongeveer 4% per jaar op en daar zit het APG onder. Hoe beoordeelt u de tegenvallende resultaten op de aandelenportefeuille?
Zoals gebruikelijk is, geef ik geen oordeel over de prestaties van individuele pensioenfondsen of pensioenuitvoeringsorganisaties. Het fonds legt verantwoording af aan het verantwoordingsorgaan over het gevoerde beleggingsbeleid en de daarbij behorende resultaten.
Bent u het eens dat het de taak van de pensioenfondsen moet zijn om in het belang van de deelnemers maximaal rendement te halen?
Een pensioenfonds moet handelen in het belang van de deelnemers, waarmee in ieder geval wordt bedoeld dat het financieel belang van deelnemers moet worden gewaarborgd. Dit is ook wettelijk vastgelegd. In het beleggingsbeleid moeten fondsen rekening houden met de risicohouding van de deelnemers. In de risicohouding worden het minimum-rendement en het maximum-risico bepaald waarbinnen het strategische beleggingsbeleid wordt vormgegeven. Pensioenfondsen dienen daarin een afweging te maken tussen de groei en de zekerheid van de uitkering die zij aan gepensioneerden willen bieden.
Bent u bereid om het ABP een nadere toelichting te vragen op deze tegenvallende resultaten en wilt u de Kamer informeren over deze nadere toelichting?
Het fonds dient richting haar deelnemers en gepensioneerden verantwoording af te leggen over de behaalde resultaten en daarbij toelichting te geven. Voor de verantwoording die fondsen af moeten leggen gelden wettelijke normen en procedures. Er zijn mij geen signalen bekend dat ABP hierin tekort is geschoten en ik behoef daarom ook geen nadere toelichting.
Volledigheidshalve verwijs ik u naar het openbare jaarverslag van ABP. In dit jaarverslag geeft ABP een toelichting op de beleggingsresultaten. De dekkingsgraad ontwikkelde zich positief in 2025 door de stijging van de rente. Per 1 januari 2026 zijn pensioenen verhoogd met 2,84%. Dat is hetzelfde als de prijsstijging in de periode van september 2024 tot en met september 2025. Hiermee is per 2026 de indexatie-ambitie geheel waargemaakt.
De Kamer heeft de motie van het lid Aartsen c.s. aangenomen waarin wordt gesteld dat het rendement centraal moet staan en geen ruimte is voor activistisch of ideëel beleggen2. Hoe wordt deze motie uitgevoerd?
Eerder heeft mijn ambtsvoorganger uitvoering gegeven aan de motie Aartsen, waarin is verkend hoe toetsingskaders kunnen worden aangescherpt om te waarborgen dat wordt belegd in het belang van de deelnemer.3, 4 Zoals genoemd bij antwoord 3, is het wettelijk voorgeschreven dat pensioenfondsen een beleggingsbeleid moet voeren waarbij er wordt belegd in het belang van de deelnemer. Daarmee wordt in ieder geval bedoeld dat het financiële belang van deelnemers gewaarborgd moet worden.
Hoe ziet het door u aangekondigde onderzoek naar achterblijvende rendementen eruit? Wat is de onderzoeksopdracht, wie voert het onderzoek uit en wanneer krijgt de Kamer de resultaten?
Het onderzoek is met de brief «Het beleggingsbeleid van Nederlandse pensioenfondsen» aan de Kamer verzonden en is verricht door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, waarbij sectorexperts zijn betrokken.
Bent u het eens dat meer transparantie over de resultaten noodzakelijk is? Zo nee waarom niet? Zo ja, hoe ziet dit er dan volgens u uit?
Duidelijke communicatie richting deelnemers over het beleggingsbeleid vormt een belangrijk onderdeel van de verantwoording door pensioenfondsen aan deelnemers. Pensioenfondsen bieden transparantie over hun beleggingen en beleggingsresultaten in hun jaarverslagen en leggen verantwoording hierover af aan de actieve deelnemers en gepensioneerden, die zijn vertegenwoordigd in het verantwoordingsorgaan. Ook worden alle deelnemers en gepensioneerden jaarlijks individueel geïnformeerd via het Uniform Pensioenoverzicht (UPO).
Op welke wijze kunnen pensioenfondsen worden gestimuleerd om in het belang van hun deelnemers meer transparantie te geven over de behaalde beleggingsresultaten?
Zie antwoord vraag 7.
Bij wie ligt de taak om verantwoording af te leggen over de resultaten van de fondsen, de uitvoerder of het fonds? Bent u het eens dat deze taak explicieter moet worden gemaakt? Zo nee waarom niet? Zo ja, hoe ziet dit er dan volgens u uit?
Goede verantwoording is belangrijk, omdat dit de deelnemer vertrouwen biedt in het pensioenstelsel en het fonds waarbij ze hun pensioen opbouwen. Pensioenfondsen leggen verantwoording af over de resultaten die ze behalen, alsook over alle onderdelen van de uitvoering. Denk bijvoorbeeld aan vermogensbeheer of administratie als deze zijn uitbesteed. Daarnaast leggen pensioenfondsen verantwoording af over de (verwachte) pensioenuitkering, of deze stabiel is en of deze verhoogd kan worden in het licht van de prijsontwikkeling. Maar ook over de inspanning vooraf wordt verantwoording afgelegd aan de deelnemers. Het gaat dan bijvoorbeeld om het beleggingsbeleid, waarin met diverse biometrische en financiële risico’s en met economische en globale ontwikkelingen rekening gehouden wordt. Verantwoording wordt afgelegd op de website, in het jaarverslag van het fonds en ook aan het verantwoordings- of belanghebbendenorgaan, waarin deelnemers en gepensioneerden zijn vertegenwoordigd.
In de Pensioenwet zijn de verantwoordingsvereisten die gesteld worden aan individuele pensioenfondsen vastgelegd. Daarmee is expliciet duidelijk dat het individuele fonds en niet de betreffende pensioenuitvoeringsorganisatie verantwoording moet afleggen over de resultaten aan de deelnemers.
Er kunnen voor een pensioenuitvoeringsorganisatie evenwel andere, buiten de Pensioenwet gelegen, wettelijke en statutaire verplichtingen zijn om een jaarverslag te publiceren. Dergelijke jaarverslagen kunnen niet in de plaats treden van de verantwoordingsverplichtingen die een individueel fonds heeft naar zijn deelnemers. Er zijn mij geen signalen bekend dat hiervan sprake zou zijn of dat er voor deelnemers(organen) sprake is van verwarring. Uiteraard staat het iedereen vrij om ook de inzichten uit de openbare jaarverslagen van pensioenuitvoeringsorganisaties tot zich te nemen en hierover bijvoorbeeld in nieuwsmedia te publiceren.
Welke mogelijkheden heeft een verantwoordingsorgaan of belanghebbendenorgaan af te dwingen dat een pensioenfonds bij het beleggingsbeleid nadrukkelijker rekening houdt met het belang van deelnemers om rendement te maximaliseren? Bent u bereid om deze mogelijkheden te verruimen?
Ik begrijp uw zorg rondom de inspraak van deelnemers en gepensioneerden over het beleggingsbeleid. Deelnemers en gepensioneerden hebben inspraak in het beleggingsbeleid van pensioenfondsen. Ze zijn onder meer vertegenwoordigd in de pensioenfondsbesturen. Het bestuur stelt het beleggingsbeleid vast. Verder is het verantwoordingsorgaan, waarin deelnemers zitting hebben, bevoegd om een oordeel te geven over het handelen van het bestuur zoals over het gevoerde beleggingsbeleid. Dit oordeel wordt opgenomen in het bestuursverslag. In het algemeen is te zien dat pensioenfondsen in toenemende mate de individuele pensioenfondsdeelnemers actief betrekken bij de vormgeving van hun beleggingsbeleid. In het kader van de motie Palland zal een onderzoek worden verricht naar de governance van pensioenfondsen. De huidige wijze van deelnemersbetrokkenheid zal daarin ook worden beschouwd. Op basis van die inzichten ga ik graag te zijner tijd in gesprek met uw Kamer.
Wie houdt toezicht op de wijze van beleggen door de pensioenfondsen?
Er zijn verschillende stappen in de beleggingscyclus te onderscheiden, zoals ook uitgebreid beschreven in de brief «Het beleggingsbeleid van Nederlandse pensioenfondsen». DNB ziet erop toe dat de voorgeschreven stappen doorlopen worden om te komen tot een passend beleggingsbeleid door het pensioenfonds, en dat het bestuur de strategie periodiek herijkt indien nodig. Daarbij wordt ook gekeken of verantwoordingsorganen in voldoende mate worden betrokken.5 AFM ziet toe op de wettelijk verplichte uitvoering van het risicopreferentieonderzoek door pensioenfondsen.
Het bericht dat fondsen geraakt worden door de oorlog in Iran |
|
Hidde Heutink (PVV) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte met de inhoud van het artikel?1
Ja.
Was u al eerder bekend met de mogelijkheid dat de oorlog in Iran effect heeft op de pensioenen van Nederlanders? Zo ja, sinds wanneer? Zo nee, hoe verklaart u die onwetendheid?
Ik ben bekend met het feit dat gebeurtenissen in de wereld, waaronder oorlogen en economische crisissen, een effect kunnen hebben op de financiële markten en daarmee ook op de beleggingsresultaten van pensioenfondsen.
Deelt u de mening dat het niet uit te leggen is dat hardwerkende Nederlanders, die keihard werken voor hun inkomen en pensioen, nu indirect financieel benadeeld worden door conflicten op duizenden kilometers verder weg? Zo ja, wat gaat u hier aan doen? Zo nee, waarom niet?
Ik begrijp de zorg die Nederlanders hebben over hoe de gebeurtenissen in de wereld een effect kunnen hebben op hun pensioenuitkeringen. Pensioenfondsen houden rekening met economische slechtweer-scenario’s bij de vorming van hun beleggingsbeleid. Onder het oude stelsel hebben pensioenfondsen buffers opgebouwd, waarmee tegenvallende resultaten opgevangen kunnen worden. Ook in het nieuwe stelsel hebben fondsen de mogelijkheid om tegenvallers op te vangen bijvoorbeeld door middel van de inzet van de solidariteitsreserve dan wel de risicodelingsreserve, of door spreiding van financiële mee- of tegenvallers over de tijd.
Hebt u inzichtelijk hoeveel pensioenvermogen van Nederlanders sinds de escalatie rond Iran verloren is gegaan bij pensioenfondsen? Zo ja, kunt u dit uitgebreid toelichten? Zo nee, hoe is het mogelijk dat u die informatie niet heeft?
Pensioenfondsen hebben de taak een goed, levenslang pensioen te bieden tegen aanvaardbare kosten en risico’s. Iedereen moet erop kunnen vertrouwen dat ze goed worden voorzien op hun oude dag en dat deze voorziening levenslang wordt gegeven. Om deze levenslange uitkering te kunnen bieden moet niet alleen worden gekeken naar het rendement dat pensioenfondsen maken op hun vermogenszijde van de balans, maar ook worden gekeken naar de verplichtingenzijde van de balans. Aan de verplichtingenzijde van de balans speelt het renterisico een grote rol. Een stijging van de rente bijvoorbeeld, zal vooral een gunstige invloed hebben op de hoogte van de verwachte en ingegane pensioenen, omdat toekomstige uitkeringen dan als het ware goedkoper worden. Tegelijk worden aan de vermogenszijde obligaties minder waard, waardoor minder rendement gehaald wordt. De verhouding tussen die twee effecten bepaalt de uiteindelijke uitkomst voor pensioenuitkeringen.
Beheersing van het renterisico is en blijft daarom belangrijk voor pensioenfondsen. In het nieuwe stelsel kan de bescherming tegen renterisico’s beter worden gericht op de groepen waarvoor dit het meest relevant is, namelijk de oudere deelnemers en pensioengerechtigden. Pensioenfondsen bieden daarom een beschermingsrendement tegen renterisico aan deze groepen. Voor jonge deelnemers ligt er meer nadruk op het behalen van rendement. Aan hen wordt relatief meer beleggingsrisico toegekend. Het is nog te vroeg om het gehele effect van de oorlog in Iran op de financiële markten en daarmee op de resultaten van pensioenfondsen te kunnen meten, waarbij ook geldt dat dit effect ook moeilijk te isoleren is van andere gebeurtenissen in de wereld.
Hoeveel pensioenvermogen kan nog verdampen door de situatie in Iran?
Behalve dat het effect van de oorlog niet precies te isoleren is, is het verder niet vooraf te bepalen hoe de beleggingsresultaten van pensioenfondsen door de oorlog in Iran verder beïnvloed zullen worden.
Zijn er meer conflicten die op dit moment spelen, of dreigen te ontstaan, die effect hebben op het pensioenvermogen van Nederlanders?
Ik verwijs voor mijn reactie naar de antwoorden op vraag 2 en 3.
Deelt u de zorg dat Nederlanders onder het nieuwe pensioenstelsel sneller geconfronteerd kunnen worden met schommelingen in hun pensioenvermogen in tijden van oorlog, crises en wereldwijde onrust? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Dit zijn belangrijke vragen waar ik graag duidelijkheid over wil geven. In het nieuwe pensioenstelsel zullen financiële ontwikkelingen sneller, zowel in positieve als negatieve zin tot uitdrukking kunnen komen in het pensioenvermogen en de pensioenuitkering. Daarbij geldt dat pensioenfondsen hierover hun deelnemers goed informeren, zodat zij realistische verwachtingen hebben. Zoals in voorgaande antwoorden is aangegeven, hebben pensioenfondsen voldoende instrumenten om ook in het nieuwe pensioenstelsel goed te kunnen omgaan met economische fluctuaties. Zo hebben pensioenfondsen in het nieuwe pensioenstelsel bijvoorbeeld een solidariteits- of risicodelingsreserve waarmee schokken op de financiële markten tot op zekere hoogte opgevangen kunnen worden voor pensioenuitkeringen. Daarnaast hebben fondsen de mogelijkheid om resultaten te spreiden over de tijd, waarmee fluctuaties in uitkeringen tot op zekere hoogte kunnen worden gemitigeerd. Daarbij moeten fondsen een evenwichtige afweging maken tussen de belangen van de verschillende leeftijdsgroepen in het deelnemerscollectief en handelen binnen het prudent person-beginsel. Tenslotte geldt in het nieuwe pensioenstelsel dat pensioenfondsen het beleggingsrisico gerichter kunnen toedelen aan jongeren en ouderen. Zij kunnen daarbij beleggingsrisico’s terugnemen voor oudere deelnemers waardoor de invloed van fluctuaties op financiële markten op (verwachte) pensioenuitkeringen kleiner kan worden naarmate een deelnemer dichter tegen het moment van pensionering zit. Tegelijkertijd geldt voor jonge deelnemers dat zij meer beleggingsrisico toegedeeld kunnen krijgen omdat zij nog een langere periode tot de pensioendatum hebben en tussentijdse, grote fluctuaties beter kunnen opvangen dan ouderen.
Welke maatregelen bent u van plan te nemen om Nederlanders en hun pensioen te beschermen tegen invloeden van buitenaf, nu bekend is dat dit hen kan raken in de portemonnee?
Zie antwoord vraag 7.
Welk concreet effect heeft de oorlog in Iran op de uitkering die pensioengerechtigden dit jaar ontvangen? En op de komende tien jaar?
De hoogte van pensioenuitkeringen is een belangrijk onderwerp. Pensioenuitkeringen worden voor een kalenderjaar vastgesteld. Daarmee heeft de oorlog in Iran naar verwachting geen invloed op de reeds ingegane uitkeringen van pensioengerechtigden voor dit jaar. Voor pensioenuitkeringen in aankomende jaren kan dit wel effect hebben. Het is echter niet op voorhand te zeggen wat het effect van de oorlog zal zijn op de pensioenuitkeringen in de komende 10 jaar.
Het bericht ‘Pensioenfondsen lopen door ‘verkeerde beslissingen’ miljarden aan rendement mis: ‘Op een bepaald moment is het geen toeval meer’' |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Pensioenfondsen lopen door «verkeerde beslissingen» miljarden aan rendement mis: «Op een bepaald moment is het geen toeval meer»»?1
Ja, ik ben bekend met het artikel.
Deelt u de mening dat pensioenfondsen te weinig terugkijken op hun beleggingsbeslissingen? Zo nee, waarom niet?
Deze mening deel ik niet. Pensioenfondsen toetsen jaarlijks vooraf of hun strategisch beleggingsbeleid nog in lijn is met het beleggingsrisico dat deelnemers en gepensioneerden willen en kunnen nemen. Op deze manier zorgen pensioenfondsen ervoor dat het beleggingsbeleid in het belang van deelnemers en gepensioneerden wordt gevoerd. DNB houdt ook toezicht op deze jaarlijkse toetsing van het beleggingsbeleid. De uitkomst van het nagestreefde beleggingsbeleid kan achteraf mee- of tegenvallen door onverwachte ontwikkelingen op financiële markten. Ik verwijs verder naar de kamerbrief «Het beleggingsbeleid van Nederlandse pensioenfondsen» voor uitgebreide uitleg van het toezicht van DNB op het beleggingsbeleid van pensioenfondsen.
Deelt u de mening dat pensioenfondsen in hun jaarverslagen duidelijk zouden moeten opschrijven waarin is geïnvesteerd en wat dat wel of niet heeft opgeleverd? Zo nee, waarom niet?
Die mening deel ik. Pensioenfondsen geven reeds in hun jaarverslagen aan hoe het pensioenvermogen wordt belegd. Daarbij kan er in de jaarverslagen ook worden gevonden wat de beleggingsresultaten van de verschillende beleggingscategorieën zijn geweest.
Wat vindt u van het feit dat pensioen deelnemers zelf heel weinig te zeggen hebben over waar hun pensioengeld in wordt geïnvesteerd, en dus welke risico’s er met hun geld wordt genomen?
Het pensioenfondsbestuur belegt in het belang van de deelnemers, gewezen deelnemers en gepensioneerden en dient bij het bepalen van het beleid hun belangen zorgvuldig af te wegen. Over het beleid en de wijze waarop het beleid is uitgevoerd legt het pensioenfondsbestuur verantwoording af aan het verantwoordingsorgaan. Het verantwoordingsorgaan, waar onder andere deelnemers zitting in hebben, beoordeelt het uitgevoerde beleid, waaronder het beleggingsbeleid, en de gemaakte beleidskeuzes voor de toekomst. Daarbij toetst het verantwoordingsorgaan of het pensioenfondsbestuur een evenwichtige afweging heeft gemaakt tussen de belangen van alle belanghebbenden.
Verder is een duidelijke en evenwichtige communicatie aan deelnemers van belang. Door transparant te zijn over het beleggingsbeleid, de gemaakte keuzes en de bijbehorende risico’s, kunnen deelnemers meer inzicht krijgen hoe hun pensioen wordt beheerd. In combinatie met de rol van het verantwoordingsorgaan, waarin deelnemers zitting hebben en invloed kunnen uitoefenen, draagt het ook bij aan een gecontroleerde uitvoering van het gevoerde beleid.
Bent u het eens dat pensioendeelnemers hier meer over zouden moeten kunnen meebeslissen? Zo nee, waarom niet?
Zoals in de vorige beantwoording is aangegeven nemen deelnemers via verantwoordingsorganen deel aan de besluitvorming binnen het pensioenfonds over het beleggingsbeleid.
Welke stappen neemt het kabinet om deze positie te verbeteren?
In de bestaande besluitvormingsprocessen van pensioenfondsen zijn verschillende checks and balances opgenomen om een evenwichtige belangenafweging te borgen. Om te bezien of de vertegenwoordiging door de belanghebbenden, waaronder deelnemers, in het pensioenfonds nog steeds afdoende is voor de evenwichtige besluitvorming binnen het stelsel van de Wet toekomst pensioenen, wordt momenteel een onderzoek uitgezet. Over de bevindingen wordt uw Kamer naar verwachting in de eerste helft van 2027 geïnformeerd.2
Wat vindt u van de stelling dat sommige fondsen bij een risicovrije belegging vaak al beter af waren geweest?
Achteraf is het makkelijk te zien dat een bepaalde portefeuille een betere prestatie heeft geleverd dan een andere, maar vooraf is dit niet evident. Het is de vraag of een theoretisch portefeuille, zoals deze in het artikel wordt aangehaald, te vergelijken is met een portefeuille van een pensioenfonds. Pensioenfondsen houden onder andere rekening met de fluctuaties in de rentestand, waarvoor ze instrumenten in zetten ter afdekking van rentedalingen zoals rentederivaten. Fondsen boeken bij een stijgende rentestand een negatief rendement op deze instrumenten. Dit leidt tot een lager rendement op de totale portefeuille. Daarnaast belegt een fonds in verschillende beleggingscategorieën om risico te spreiden in omvang, tijd en geografisch. Dit maakt dat portefeuilles van pensioenfondsen minder goed vergelijkbaar zijn met een portefeuille die is samengesteld uit enkel risicovrije beleggingen, dan wel een mix van risicovrije beleggingen en liquide aandelen.
Wat vindt u van het in het artikel aangehaalde feit dat pensioenfondsen vaak grotere beleggingsrisico’s nemen dan nodig?
Pensioenfondsen dienen conform de wettelijke vereisten, te handelen in belang van deelnemers en gepensioneerden en moeten het beleggingsbeleid afstemmen op de risicohouding van deelnemers. Hierbij wordt rekening gehouden met het beleggingsrisico dat deelnemers willen en kunnen nemen. Om inzicht te hebben in het beleggingsrisico dat deelnemers willen nemen wordt een risicopreferentieonderzoek periodiek verricht door de pensioenfondsen en de AFM houdt hier toezicht op. Ik verwijs verder naar de kamerbrief «Het beleggingsbeleid van Nederlandse pensioenfondsen» voor uitgebreide uitleg van het toezicht van DNB op het beleggingsbeleid van pensioenfondsen. Mij zijn geen signalen bekend dat fondsen niet hebben voldaan aan de wettelijke waarborgen.
Ziet u dit ook als het nemen van onnodig risico’s met pensioengeld van deelnemers? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik bij de vorige vraag heb aangegeven houdt het fonds rekening met de risicohouding van deelnemers, waarbij DNB vervolgens toezicht houdt op het naleven van het prudent person-beginsel, wat inhoudt dat het beleggingsbeleid in het belang van de deelnemers wordt gevoerd.
Bij hoeveel pensioenfondsen heeft het nemen van een hoger beleggingsrisico de afgelopen vijf jaar ook echt een hoger pensioen opgeleverd? Bij hoeveel gevallen niet?
Er is geen openbare informatie beschikbaar voor alle pensioenfondsen in hoeverre ze meer beleggingsrisico vooraf hebben genomen de afgelopen vijf jaar en welk rendement deze verandering van beleggingsrisico hen achteraf heeft opgeleverd.
Welke gesprekken heeft u of uw voorganger het afgelopen jaar gevoerd met pensioenfondsen over het nemen van onnodige risico’s? Indien hierover geen gesprekken zijn gevoerd, waarom niet?
Ik deel uw mening niet dat er door pensioenfondsen onnodig risico’s zijn genomen. Het risico dat fondsen nemen in hun beleggingsbeleid moet overeenkomen met de risicohouding van deelnemers, waarbij wordt gekeken naar welk risico ze willen, maar ook kunnen nemen. DNB houdt hierbij toezicht op dat fondsen het prudent person-beginsel hanteren. Mij zijn geen signalen bekend dat fondsen niet aan de wettelijke waarborgen hebben voldaan.
Bent u het eens dat pensioenbestuurders door pensioendeelnemers geconfronteerd zouden moeten kunnen worden over waar hun pensioengeld in is geïnvesteerd, welk rendement dat heeft opgeleverd en welke risico’s daarbij zijn genomen?
Pensioenfondsen leggen in de jaarverslagen verantwoording af over de resultaten die het gevoerde beleggingsbeleid heeft opgeleverd. DNB ziet erop toe dat de voorgeschreven stappen om te komen tot een passend beleggingsbeleid door het fonds zijn doorlopen en het bestuur de strategie periodiek herijkt indien nodig. Daarbij wordt ook gekeken of verantwoordingsorganen (waarin deelnemers en werkgevers zitting hebben) in voldoende mate betrokken zijn in het beslissingsproces.3 Zo moet worden aangegeven en onderbouwd hoe met de verschillende inzichten van de verantwoordingsorganen is omgegaan.4
Welke gesprekken heeft u of uw voorganger het afgelopen jaar gevoerd over het verhogen van de pensioen nu het rentepercentage weer stijgt? Indien hierover geen gesprekken zijn gevoerd, waarom niet?
Binnen de kaders van de Pensioenwet besluiten pensioenfondsbestuurders eigenstandig over de indexatie aan deelnemers en gepensioneerden. In dit besluit betrekken ze de evenwichtige belangenafweging voor alle deelnemers, het reglementair vastgelegde indexatiebeleid en de financiële positie van het fonds. DNB houdt toezicht op of het pensioenfonds zich aan de wettelijke kaders houdt. Onder het nieuwe stelsel wordt het voor fondsen makkelijker om de pensioenen te verhogen bij goede financiële resultaten, maar daarbij zal er ook een belangenafweging plaats moeten vinden voordat uitkeringen worden verhoogd.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Pensioenfondsen |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Hoeveel procent rendement hebben pensioenfondsen de afgelopen dertig jaar gemiddeld (ongeveer) behaald op hun investeringen in vastrentende waarden zoals staatsobligaties?
Er zijn geen openbare gegevens beschikbaar waarin een opsplitsing van rendement naar beleggingscategorie wordt gegeven. Hierdoor kan het gemiddelde rendement van alle pensioenfondsen in de afgelopen 30 jaar op hun investeringen in vastrentende waarden niet worden weergegeven. Het jaarlijks rendement op vastrentende waarden dat individuele pensioenfondsen hebben behaald, kan worden teruggevonden in de jaarverslagen van de pensioenfondsen. Dit is openbare informatie.
Hoeveel procent rendement hebben pensioenfondsen de afgelopen dertig jaar gemiddeld (ongeveer) behaald op hun investeringen in aandelen?
Voor mijn reactie verwijs ik terug naar mijn antwoord op vraag 2. Het jaarlijks rendement op aandelen dat individuele pensioenfondsen hebben behaald, kan worden teruggevonden in de jaarverslagen van pensioenfondsen. Voor het totaal rendement van de 5 grootste pensioenfondsen voor de hun gehele beleggingsportefeuille in de periode 2014 -2025 verwijs ik u naar de brief «Het beleggingsbeleid van Nederlandse pensioenfondsen».
Wat was het (gemiddeld) rendement de afgelopen dertig jaar van het ABP-pensioenfonds?
Op basis van de jaarverslagen van het ABP is over de laatste 30 jaar de «Compound Annual Growth Rate» van het rendement 6% per jaar geweest.1
Wat was het (gemiddeld) rendement de afgelopen dertig jaar van de AEX-index?
Ik begrijp dat het in eerste instantie logisch lijkt om rendementen van pensioenfondsen te vergelijken met de ontwikkeling van de AEX-index. Maar een pensioenfonds heeft als doel om deelnemers bij pensionering een zo hoog mogelijk stabiel levenslang pensioenuitkering te bieden. De rentestand is belangrijk om het pensioenvermogen te kunnen omrekenen in een uitkeringenstroom. Daarom houden pensioenfondsen naast het beleggingsrisico ook rekening met het renterisico. Om het beleggingsrisico te beheersen, worden beleggingen geografisch gespreid over diverse liquide en niet-liquide investeringscategorieën om zo te profiteren van de voordelen van diversificatie. Voor het beheersen van het renterisico kunnen pensioenfondsen een portefeuille met rentederivaten aanhouden. Een AEX-index bestaat geheel uit liquide aandelen uit Nederland, waardoor een vergelijking met een gediversifieerde portefeuille met renteafdekking niet passend is. Voor verdere informatie over het beleggingsbeleid van pensioenfondsen en hun prestaties verwijs ik naar de brief «Het beleggingsbeleid van Nederlandse pensioenfondsen».
Hoeveel procent (ongeveer) van de totale beleggingsportefeuille is een pensioenfonds zoals het ABP, op basis van wet- en regelgeving, verplicht te investeren in vastrentende waarden zoals staatsobligaties (en mag dus niet in aandelen geïnvesteerd worden)?
In Nederland kennen we niet een wettelijke verplichting om in vastrentende waarden zoals staatsobligaties te investeren. Welk deel van de beleggingsportefeuille wordt geïnvesteerd in vastrentende waarden is een onderdeel van het strategische beleggingsbeleid. Het strategisch beleggingsbeleid wordt vastgesteld op basis van de risicohouding van de deelnemers. De risicohouding weerspiegelt het beleggingsrisico dat deelnemers kunnen en willen nemen. Pensioenfondsen moeten in hun beleggingsbeleid rekening houden met het prudent person-beginsel wat inhoud dat zij handelen in het belang van hun deelnemers en gepensioneerden. DNB houdt toezicht op de vaststelling en uitvoering van het beleggingsbeleid en dat het beleggingsbeleid in lijn is met het prudent person-beginsel.
Buitenproportionele eisen voor vrijwilligers in de traditionele scheepvaart |
|
Luciënne Boelsma-Hoekstra (CDA) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u, in aanvulling op uw eerdere beantwoording van schriftelijke vragen op hetzelfde onderwerp, een nadere duiding geven van de kosten die gepaard gaan met de vereiste van het bezig van het kwalificatiecertificaat schipper? Kunt u in ieder geval ingaan op welke kosten gepaard gaan met een verplichte tweejaarlijkse medische keuring?1
De kosten voor het behalen van het algemene kwalificatiecertificaat schipper zijn afhankelijk van de route die gekozen wordt om dit certificaat te behalen. Deze routes zijn vastgesteld in de Richtlijn beroepskwalificaties voor de binnenvaart. De opleiding tot schipper is een opleiding op MBO-3 niveau. De kosten voor een MBO-opleiding zijn op dit moment € 1.458,– per jaar. Daarbij komen nog de overige kosten voor bijvoorbeeld studiemateriaal, het aanvragen van een certificaat en de medische keuring.
Het is ook mogelijk het certificaat te behalen via het afleggen van examens bij het CBR. Welke route dan gevolgd kan worden is afhankelijk van de reeds aanwezige werkervaring. Ook gelden dan verschillende eisen voor wat betreft de te behalen vaartijd en opleidingsduur. Wanneer alleen gekeken wordt naar de kosten voor de examens schipper bij het CBR, dan komen deze in totaal op ongeveer € 1.200,–. Wordt bijvoorbeeld een traject gevolgd via een beroepsbegeleidende leerweg, dan zijn de kosten voor de opleiding daarnaast € 735,– per jaar. Ook hier moet rekening worden gehouden met de extra kosten, zoals hiervoor genoemd.
In alle gevallen geldt, dat er een aanzienlijk grotere tijdsinvestering gevraagd wordt voor het behalen van het algemene kwalificatiecertificaat schipper dan voor het kwalificatiecertificaat voor open rondvaartboten, hetgeen ook effect heeft op de kosten. De vereiste vaartijd voor het kwalificatiecertificaat schipper ligt tussen de 180 en 540 dagen, afhankelijk van de gekozen route en de reeds opgedane werkervaring. Dit is aanzienlijk meer dan de 30 dagen, die vereist zijn voor het behalen van het kwalificatiecertificaat voor de schipper van open rondvaartboten.
Het maximale tarief voor een medische keuring in de binnenvaart is vastgesteld in de Regeling tarieven transportsectoren en is op dit moment € 175,–. In de praktijk worden deze keuringen aangeboden vanaf € 80,–.
Kunt u aangeven welke punten in de genoemde gesprekken met de vertegenwoordiging van de Enterse Zompen en het praambedrijf in Leeuwarden naar voren gebracht zijn, en hoe hier vervolgens opvolging aan gegeven is?
In de aanloop naar de vaststelling van de eisen aan het kwalificatiecertificaat voor de open rondvaartboten zijn meerdere gesprekken gevoerd met vertegenwoordigers uit deze sector. Deze gesprekken hebben er met name toe geleid, dat de eisen nog meer werden afgestemd op het feit dat in deze sector veel vrijwilligers werkzaam zijn.
Tijdens het gesprek met de vertegenwoordiging van de Enterse zompen werd onder andere naar voren gebracht, dat de schippers intern al werden opgeleid en inmiddels veel ervaring hadden. Dit bleek voor veel organisaties te gelden, die met vrijwilligers werken. Bij de eisen voor het behalen van het kwalificatiecertificaat open rondvaartboot is mede hierom bepaald, dat organisaties zelf een opleidingsplan bij het CBR ter goedkeuring kunnen indienen en de opleiding en de eerste twee praktijktoetsen kunnen verzorgen. Voorts is voor bestaande bewezen ervaren schippers een overgangsregeling opgenomen: zij mogen direct de derde praktijktoets afleggen en hoeven ook het theoretisch examen niet af te leggen.
Klopt het dat in de Richtlijn (EU) 2017/2397 is bepaald dat lidstaten personen die uitsluitend actief zijn op nationale binnenwateren, die niet in verbinding staan met het vaarwegennet van een andere lidstaat, kunnen vrijstellen van de in de richtlijn opgenomen verplichtingen? Kunt u aangeven of is overwogen om van deze mogelijkheid gebruik te maken? En indien ja, waarom hier niet toe besloten is?
Het klopt het dat in de Richtlijn (EU) 2017/2397 is bepaald dat lidstaten personen die uitsluitend actief zijn op nationale binnenwateren, die niet in verbinding staan met het vaarwegennet van een andere lidstaat, kunnen vrijstellen van de in de richtlijn opgenomen verplichtingen en van die mogelijkheid is wel degelijk gebruik gemaakt. De richtlijn stelt daarbij echter tevens de eis dat het vervangende certificaat een afdoende veiligheidsniveau moet bieden. Het Klein Vaarbewijs, dat te behalen is met het uitsluitend afleggen van een theoretisch examen, biedt voor het bedrijfsmatig vervoeren van meer dan 12 personen dit vereiste veiligheidsniveau niet. Daarom is voor schippers van open rondvaartboten gebruik gemaakt van genoemde vrijstellingsmogelijkheid, door het ontwikkelen van het speciaal op deze sector afgestemde certificaat. Voor dit certificaat gelden aanzienlijk minder zware eisen, terwijl toch een afdoende veiligheidsniveau wordt geboden, afgestemd op deze sector. Het accent ligt sterk op ervaring in de praktijk. Er hoeft slechts één theoretisch examen te worden afgelegd, dat gericht is op kennis van verkeersregels en -tekens.
Klopt het dat binnen dezelfde richtlijn de mogelijkheid wordt geboden om een kwalificatiecertificaat af te geven onder afwijkende voorwaarden, mits daarmee een afdoende veiligheidsniveau wordt gewaarborgd? Kunt u aangeven of is overwogen om van deze mogelijkheid gebruik te maken? En indien ja, waarom hier niet toe besloten is?
Zoals bij het antwoord op vraag 3 aangegeven is met het speciaal voor de open rondvaartsector ontwikkelde kwalificatiecertificaat gebruik gemaakt van deze mogelijkheid. De eisen voor het behalen van dit kwalificatiecertificaat open rondvaartboten zijn aanzienlijk lichter dan voor het behalen van het algemene Kwalificatiecertificaat schipper, terwijl toch een afdoende veiligheidsniveau wordt geboden, waar de passagiers aan boord van deze schepen op kunnen vertrouwen.
Bent u het ermee eens dat met een combinatie van een Klein Vaarbewijs en een intern verzwaarde praktijkopleiding een passend veiligheidsniveau gewaarborgd kan worden?
Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 3 stelt de richtlijn de eis, dat het af te geven vervangende certificaat een afdoende veiligheidsniveau moet bieden. Het af te geven certificaat zou in dit voorstel het Klein Vaarbewijs zijn en dat biedt voor het vervoer van meer dan 12 passagiers een onvoldoende veiligheidsniveau. De resultaten van een intern verzwaarde opleiding maken geen onderdeel uit van het Klein Vaarbewijs en op een interne opleiding wordt geen toezicht gehouden.
Ik ben dan ook van mening dat met een Klein Vaarbewijs en een intern verzwaarde opleiding niet wordt voldaan aan de eisen van de richtlijn. Misschien nog belangrijker dan dat is, dat in de regelgeving dan onvoldoende gegarandeerd wordt dat de veiligheid van de passagiers op deze passagiersschepen wordt gewaarborgd. Dit is iets waar passagiers op moeten kunnen rekenen, zoals ook door de Onderzoeksraad voor Veiligheid is benoemd in hun rapporten naar aanleiding van de ongevallen op de Nieuwe Maas en in het Schuitengat.
Tot slot vind ik het belangrijk dat er in de praktijk wordt getoetst of het vereiste veiligheidsniveau door de schipper bereikt wordt. Daarom ligt het accent bij het kwalificatiecertificaat voor open rondvaartboten sterk op praktijkervaring en het toetsen ervan. Dit ontbreekt volledig bij het Klein Vaarbewijs en kan bij een interne opleiding niet worden gecontroleerd.
Het bericht 'Nieuwe Europese bedrijfsvorm oogst naast applaus ook kritiek' |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Herbert , Berendsen , Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het FD-artikel «Nieuwe Europese bedrijfsvorm oogst naast applaus ook kritiek» van 6 april 20261.
Ja.
Deelt u de vrees van vakbonden dat EU Inc zorgt voor het uithollen van werknemersrechten en een «walhalla voor schijnconstructies en ontduiking» wordt? Waarom wel/niet?
Het kabinet heeft uw Kamer op 24 april 2026 middels een BNC-fiche2 geïnformeerd over de kabinetsinzet ten aanzien van het door de Europese Commissie voorgestelde 28ste regime voor ondernemingen (hierna: het voorstel).3 Het voorstel introduceert een nieuwe optionele rechtsvorm, de EU Inc. Zoals ook uiteengezet in het BNC-fiche is het kabinet voorstander van een zorgvuldig vormgegeven Europese regeling die daadwerkelijk tegemoetkomt aan de behoeften van belanghebbenden (waaronder werknemers) en die voldoende waarborgen bevat om fraude, witwassen, en misbruik van de EU Inc. te voorkomen.
Wanneer de EU Inc. na oprichting overgaat tot de dagelijkse praktijk van ondernemen, krijgt de onderneming te maken met het nationale recht dat van toepassing is op de arbeidsrelatie. Het voorstel harmoniseert het arbeidsrecht niet. Op grond van de Rome I-Verordening4 zijn arbeidsovereenkomsten tussen EU Inc.-ondernemingen en hun werknemers onderworpen aan het arbeidsrecht van de lidstaat waarin zij hun werknemers gewoonlijk laten werken, en aan bijzonder dwingend recht van het land waar het werk wordt verricht.5 Om de bescherming van werknemers te waarborgen is effectief toezicht en handhaving van belang. Het kabinet ziet dat het voorstel kan leiden tot complexere en vertraagde samenwerking op het gebied van arbeidsrechtelijke handhaving, des te meer omdat de oprichting en verplaatsing van een EU Inc. eenvoudig en snel kan verlopen waardoor het lastiger te achterhalen zal zijn aan welke lidstaat of autoriteit een arbeidsrechtelijk handhavingsverzoek moet worden gericht. Het kabinet is van mening dat het huidige voorstel nog onvoldoende waarborgen bevat om te voorkomen dat de nieuwe rechtsvorm gebruikt wordt om arbeidsrechten te omzeilen en effectieve handhaving van het arbeidsrecht te realiseren. Het kabinet zet daarom in de onderhandelingen erop in om het voorstel op dit punt te verbeteren.
Hoe strookt dit met de ambities van het kabinet om schijnconstructies juist aan te pakken?
Zie antwoord vraag 2.
Zijn er manieren om als lidstaat de mogelijkheden voor «flits- en brievenbusfirma’s» in te perken? Zo ja, wat zijn de mogelijkheden en zijn deze toereikend?
Het kabinet meent dat ook de waarborgen om fraude, witwassen, en misbruik van de EU Inc. voor andere financiële en fiscale criminaliteitsvormen te voorkomen in het voorstel versterkt moeten worden. In het BNC-fiche is aangegeven dat het kabinet kijkt naar uitbreiding van de reikwijdte van cliëntonderzoek en rechercheplicht van de notaris en de bevoegdheden voor nationale autoriteiten als de Belastingdienst. De preventieve controle in het voorstel lijkt beperkt te worden tot een formele controle van de statuten van de EU Inc. en rechtsbevoegdheid van haar oprichters. Nadere controle, ook na oprichting, op de EU Inc. en haar handelingen, lijken in beginsel niet te zijn toegestaan. Zo mag op nationaal niveau geen notariële controle op een aandelenoverdracht worden voorgeschreven. Het gebrek aan dergelijke waarborgen voor het voorkomen van fraude en misbruik van een EU Inc. betekent voor toezichthouders mogelijk minder zicht op belastingstructuren, belastingfraude- en witwasstructuren. Het kabinet zal ervoor pleiten dat er meer bevoegdheden in de verordening komen voor relevante poortwachters, zodat er meer controle is op de oprichtingshandeling en op eventuele fraude en witwassen.
Het kabinet zet zich in de onderhandelingen constructief in om voorstellen voor verbetering van de waarborgen tegen fraude, witwassen en misbruik te formuleren. Daarbij is van belang dat zoveel mogelijk van deze versterking in de verordening zelf wordt geregeld, en, waar van toepassing, dit in lijn is met bestaande EU-regelgeving op dit terrein, zodat gefragmenteerd beleid en verplaatsing van criminaliteit naar de lidstaat met de minste waarborgen kan worden voorkomen. Dat is ook van belang voor alle ondernemers die met de juiste intenties een EU Inc.-onderneming oprichten, en daarmee voor het succes van de EU Inc. als nieuwe rechtsvorm.
Overigens kent het Europese antiwitwaspakket (AML-pakket), dat vanaf 10 juli 2027 in werking treedt, een registratieplicht voor domicilieverleners. Domicilieverleners zijn partijen die een post- of brievenbusadres verlenen aan klanten. De registratieplicht zorgt ervoor dat er meer grip komt op partijen die dergelijke adressen aanbieden waar zogenaamde brievenbusfirma’s gebruik van maken. Domicilieverleners dienen nu al aan cliëntonderzoek te doen en ongebruikelijke transacties te melden bij de Financial Intelligence Unit (FIU-Nederland). Dit wordt voorgezet onder het AML-pakket. Het kabinet zet tijdens de onderhandelingen in op goede aansluiting van het EU Inc.-voorstel op de bestaande Europese anti-witwasregelgeving.
Bent u het ermee eens dat er sterke landelijke arbeidsrechten moeten zijn omdat een EU Inc daaraan gehouden is? Is het in dat kader verstandig om de meest flexibele arbeidsmarkt van West-Europa te hebben?
Het is voor het kabinet van belang dat de toepassing van landelijke arbeidswetgeving op de arbeidsrelaties van de EU Inc. met haar werknemers verzekerd is. Dit geldt eveneens voor effectieve handhaving. Dit zorgt er immers voor dat concurrentie plaatsvindt op basis van innovatie, in plaats van op basis van arbeidsvoorwaarden.
Het kabinet erkent dat flexibel werk risico’s met zich meebrengt voor werkenden, maatschappelijke ongelijkheid vergroot en financiële zekerheden bemoeilijkt die nodig zijn voor bijvoorbeeld het kopen van een huis of het starten van een gezin. Dit is ook de reden waarom het arbeidsmarktpakket tot stand is gekomen.6 Conform het coalitieakkoord zet het kabinet in op afronding van dit pakket. Het arbeidsmarktpakket vergroot enerzijds de zekerheid van werkenden en anderzijds de wendbaarheid van werkgevers. Op deze manier worden duurzame arbeidsrelaties binnen wendbare ondernemingen gestimuleerd. In dit kader is bijvoorbeeld het Wetsvoorstel meer zekerheid flexwerkers door de Tweede Kamer aanvaard om de zekerheid van flexwerkers te vergroten.7 Uiteindelijk dient het gehele pakket de arbeidsmarkt toekomstbestendiger te maken.
Onderschrijft u de zorgen van de FNV dat het voor werknemers totaal onduidelijk is waar zij hun recht zouden kunnen halen?
Het kabinet is het ermee eens dat het voor werknemers duidelijk moet zijn waar zij hun recht kunnen halen. Het voorstel voor de EU Inc. laat onverlet dat de Rome-I Verordening van toepassing is op individuele arbeidsverhoudingen binnen een EU Inc. Verder regelt Verordening Brussel Ibis8 welke rechter bevoegd is bij geschillen inzake een arbeidsovereenkomst. Hieruit volgt dat werknemers van een EU Inc. die gewoonlijk werkzaam zijn in Nederland, in Nederland naar de rechter kunnen bij een geschil over de arbeidsovereenkomst. Daarbij is van belang dat ontduiking van werknemersrechten wordt voorkomen. Het kabinet zet zich er tijdens de onderhandelingen voor in dat het voorstel hiervoor voldoende waarborgen bevat.
Kan het zijn dat het minimumloon in het geding komt? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, hoe bent u hiervan verzekerd?
Op grond van de Rome I-Verordening zijn arbeidsovereenkomsten tussen EU Inc.-ondernemingen en hun werknemers onderworpen aan het arbeidsrecht van de lidstaat waarin zij hun werknemers gewoonlijk laten werken, en aan bijzonder dwingend recht van het land waar het werk wordt verricht. Het wettelijk minimumloon is bijzonder dwingend recht dat geldt voor alle ondernemingen die in Nederland werknemers werk laten verrichten, dus ook huidige buitenlandse ondernemingen en in de toekomst EU Inc.-ondernemingen. Dit betekent dat werknemers van een EU Inc.-onderneming, net als andere werknemers, recht hebben op het wettelijk minimumloon dat tijdig en giraal dient te worden uitbetaald. Per gewerkt uur dient dus minimaal het minimumloon betaald te worden. Het minimumloon kan niet worden uitbetaald met opties. Eventuele beloningen boven op het minimumloon zouden mogelijkerwijs via werknemersopties uitgekeerd kunnen worden, zie hiervoor ook het antwoord op vraag 10.
Onderschrijft u de zorgen van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie dat EU Inc. een afbraak van rechtsbescherming en rechtszekerheid betekent?
De Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB)9 spreekt uit dat het voorstel voor een EU Inc. leidt tot de afbraak van de preventieve rechtsbescherming, rechtsgelijkheid en rechtszekerheid, wat juist een nadelig effect kan hebben op de concurrentiepositie binnen de EU. In het BNC-fiche onderstreept het kabinet eveneens dat het juridisch raamwerk van het voorstel op dit moment onvoldoende waarborgen bevat om fraude en witwassen tegen te gaan en benadrukt het dat het voorstel voldoende rechtszekerheid moet bieden (zie nader hierboven de antwoorden op vragen 2 tot en met 4).
Wat betekent dit voor witwaspraktijken, aangezien het volgens VNO-NCW aan robuuste anti-witwasmechanismen ontbreekt?
In de overwegingen van het voorstel wordt aangegeven dat de verplichtingen op grond van de Unie- en nationale wetgeving in verband met anti-witwasmaatregelen onverminderd van kracht blijven.10 Echter, zoals hierboven toegelicht, lijken de mogelijkheden in het voorstel voor (preventieve) controle op de EU Inc. en haar rechtshandelingen beperkt. Zo mag er op nationaal niveau geen notariële controle op een aandelenoverdracht worden voorgeschreven. Dit is voor het kabinet lastig te rijmen met de verplichtingen die op grond van de nieuwe Europese antiwitwasverordening, als onderdeel van het AML-pakket, gelden voor notarissen.11 Het kabinet herkent dan ook de zorgen die zijn geuit omtrent de risico’s op het gebied van witwassen.
Vindt u het verschil dat kan ontstaan tussen werknemers met opties onder een EU Inc en werknemers met opties onder andere vennootschapsvormen wenselijk? Zo ja, waarom? Zo nee, wat gaat u hiertegen doen?
Het kabinet ziet de meerwaarde van een Europese werknemersoptieregeling waarbij de fiscale aspecten competitief en eenduidig worden geregeld. Dit kan een belangrijke stap zijn voor Europese bedrijven om talent aan te trekken. Bij een eenduidige invulling zou ook geregeld moeten worden of er bij verkoop sprake is van loon of vermogenswinst en moet het voorstel inhoudelijk worden uitgewerkt, bijvoorbeeld ten aanzien van het tegengaan van fiscale arbitrage en mogelijkheden tot handhaving. In de uitwerking hiervan zal het kabinet zich constructief opstellen.
Het kabinet neemt aan dat het verschil in, onder andere, de fiscale behandeling voortvloeit uit het doel om de EU Inc. competitief en aantrekkelijk te maken. Tegelijkertijd constateert het kabinet dat een afwijkende fiscale behandeling gebaseerd op rechtsvorm juridisch kwetsbaar is en mogelijk niet wenselijk. Het separaat bespreken van een Europese werknemersoptieregeling in een (fiscale) richtlijn biedt meer flexibiliteit op het vlak van invulling en implementatie in tegenstelling tot de onderhavige Verordening.
Overigens is de vraag of in Nederland gebruik kan worden gemaakt van de mogelijkheid om werknemersopties aan te bieden, ook afhankelijk van de vraag of en onder welke cao werknemers van een EU Inc.-onderneming vallen, of deze cao een dergelijke regeling toelaat en onder welke voorwaarden. Onder welke cao een werknemer valt, is een kwestie van arbeidsrecht. Zoals hierboven toegelicht, laat het voorstel het nationale arbeidsrecht, en daarmee de toepasselijke cao die een werknemersoptieregeling al dan niet toestaat, onverlet.
Vindt u het rechtvaardig dat wanneer een EU Inc failliet gaat de werknemer niet alleen zijn baan verliest maar dat ook het aandelenpakket dat aan de werknemer gegeven kan worden niets meer waard is?
Het klopt dat werknemers bij een faillissement niet alleen hun baan verliezen, maar dat ook hun aandelenpakket waardeloos wordt. Dit geldt niet specifiek voor EU Inc.-ondernemingen, maar geldt voor ieder bedrijf dat opties aan zijn werknemers verstrekt. Dit is een inherent gevolg van de beloning in aandelen. Aandelen betreffen risicodragend kapitaal. Deze kunnen in waarde stijgen bij goede prestaties van het bedrijf en waardeloos worden bij faillissement.
Zoals ook in het antwoord op vraag 10 is aangegeven, is het afhankelijk van de positie van het bedrijf of het een dergelijk pakket kan bieden aan zijn werknemers. Natuurlijk moeten werknemers altijd goed over hun arbeidsvoorwaarden worden geïnformeerd, ook als dit een aandelenpakket is.
Hoe kan het dat een pensioenregeling ontbreekt?
Zoals hierboven vermeld, gaat het voorstel voor de EU Inc. uit van toepassing van de Rome-I-Verordening. Op grond van die verordening wordt een arbeidsovereenkomst beheerst door het recht van het land waar de werknemer gewoonlijk werkt en door het bijzonder dwingend recht van het land waar de onderneming werk laat verrichten. Doordat de pensioenovereenkomst onderdeel uitmaakt van de arbeidsovereenkomst betekent dit dat de Rome-I-Verordening ook regelt welk recht op de pensioenovereenkomst van toepassing is.
De arbeidsomstandigheden bij Walibi Holland |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Herinnert u uw antwoorden van 16 maart 2026 over de arbeidsomstandigheden bij Walibi Holland?1
Ja.
Kunt u het door u aangehaalde rapport van de Nederlands Arbeidsinspectie (NLA) over de laatste inspectie bij Walibi Holland met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
De Arbeidsinspectie heeft naar aanleiding van haar laatste bezoek aan het bedrijf geen rapport opgemaakt, omdat toen geen overtredingen zijn vastgesteld. In de beantwoording van de onder vraag 1 genoemde Kamervragen wordt overigens niet verwezen naar een rapport, maar alleen naar de uitkomst van het betreffende bezoek.
Welke onderdelen van de arbeidsomstandigheden bij Walibi Holland zijn er toen door de NLA onderzocht?
Walibi Holland B.V. heeft op 17 juni 2025 een arbeidsongeval bij de Arbeidsinspectie gemeld. Hierop is een inspecteur op 19 juni 2025 ter plaatse gegaan. Hij heeft de locatie bekeken en het ongeval besproken met het bedrijf en de betreffende medewerker. Hij heeft geconstateerd dat het ongeval niet te voorzien was en dat de werkgever redelijkerwijze niets had kunnen doen om het ongeval te voorkomen. Dit is door de Arbeidsinspectie op 23 juni 2025 in een brief aan het bedrijf kenbaar gemaakt.
Is er door de NLA ook gekeken naar de contractvormen bij Walibi Holland? Zo ja, waarop baseert de NLA de conclusie dat er geen overtredingen zijn geconstateerd?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3, vond het laatste bezoek van de Arbeidsinspectie plaats naar aanleiding van een arbeidsongeval. Het onderzoek was daarop gericht en zag niet op de contractvormen bij het bedrijf, omdat het gemelde arbeidsongeval hier geen relatie mee had.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Zie hierboven.
Het artikel waarin wordt vermeld dat werken aan het spoor, drie jaar na het ongeval in Voorschoten, nog steeds onveilig is |
|
Hidde Heutink (PVV) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de inhoud van dit artikel?1
Ja, ik ben op de hoogte van de inhoud van dit artikel.
Hoe is het mogelijk dat de Arbeidsinspectie bij 11 van de 12 onderzochte locaties, twee jaar na het verschijnen van het OVV-rapport over het ongeval in Voorschoten, moet concluderen dat er geen verbeteringen ten aanzien van de veiligheid hebben plaatsgevonden?
De verkenning heeft weliswaar raakvlakken met het onderzoek van de OvV, zoals het aantal zzp’ers dat in de nacht werkt en de aandacht voor de arbeidstijden. De verkenning kijkt ook breder naar de gezondheidsrisico’s en veiligheid bij het werk op en rond het spoor in de nacht. Daar is nu nog onvoldoende aandacht voor. De sector onderschrijft dit ook. Het Ministerie van SZW en het Ministerie van IenW voeren het gesprek met de sector hoe dit kan verbeteren. Daarbij gaat het onder meer over een betere balans tussen werk overdag en in de nacht. Dit kost wel tijd. Het Ministerie van SZW verkent naar aanleiding van de motie Van Kent en de motie Heutink in hoeverre zpp’ers onder de Arbeidstijdenwet kunnen worden gebracht2. De verkenning van de Arbeidsinspectie wordt daarbij betrokken.
Bent u het met de stelling uit het artikel eens dat goederen en passagiers centraal staan en dat de veiligheid van werknemers achteraan komt? Zo ja, waarom en zo nee waarom niet?
Het beeld dat goederen- en passagiersvervoer centraal zouden staan ten koste van de veiligheid van werknemers wordt niet herkend. In de beheerconcessie met ProRail is veiligheid expliciet als basisrandvoorwaarde opgenomen voor alle werkzaamheden. Werkzaamheden mogen alleen worden uitgevoerd als deze veilig kunnen plaatsvinden, zowel voor reizigers als voor werknemers. Veiligheid is daarmee het uitgangspunt bij alle keuzes in het spoorbeheer.
Bent u van mening dat u gefaald heeft in het tijdig implementeren van de aanbevelingen van het OVV-rapport, nu uit het artikel blijkt dat de veiligheid niet beter is geworden tijdens spoorwerkzaamheden? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik ben deze mening niet toegedaan. Het is belangrijk dat alle werkenden gezond en veilig kunnen werken. Naar aanleiding van het ongeval bij Voorschoten en het OvV-rapport zijn door de sector (o.a. ProRail) en het Ministerie van IenW eerste stappen gezet om verbeteringen door te voeren.
ILT monitort de aanbevelingen aan niet-bestuursorganen, in het geval van het ongeval bij Voorschoten zijn dat de aanbevelingen aan ProRail. Dit monitoringsrapport wordt tegelijkertijd met de beantwoording van deze vragen met u gedeeld. In de monitoringsrapportage concludeert de ILT dat ProRail heeft laten zien opvolging te geven aan de aanbevelingen. Dat stond in 2025 nog in het teken van het zoeken naar de samenwerking met de branche, het doen van onderzoeken en het inventariseren en bepalen van oplossingsrichtingen. Voor een deel van de maatregelen geldt dat het meerdere jaren gaat duren voordat die afgerond kunnen worden, waardoor de ILT deze dus in 2026 zal blijven monitoren.
In de Kamerbrief spoorveiligheid die ook met de Kamer wordt gedeeld, wordt ingegaan op de opvolging van de aanbeveling aan het Ministerie van IenW. Daarin is onder andere aangegeven dat het ministerie in het kader van het basiskwaliteitsniveau spoor heeft afgesproken om onderhoudswerkzaamheden vaker overdag uit te voeren. Verder wordt er samen met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de Nederlandse Arbeidsinspectie, de ILT, ProRail en stichting railAlert gekeken naar hoe de balans tussen dag- en nachtwerk veranderd kan worden, welke knelpunten daarbij een rol spelen en hoe die aangepakt zouden kunnen worden. Voor het registratiesysteem van incidenten en ongevallen heeft het ministerie een voorkeursoptie uitgesproken met betrekking tot bij wie dit moet worden belegd. Deze optie moet de komende tijd onderzocht worden op haalbaarheid. In de Kamerbrief spoorveiligheid wordt hier meer in detail op ingegaan.
Afgelopen januari heeft de Nederlandse Arbeidsinspectie (Arbeidsinspectie) in een verkenning geconcludeerd dat er nog te weinig aandacht is voor de arbeidsveiligheid van spoorwerkzaamheden in de nacht. De verkenning heeft raakvlakken met het onderzoek van de OvV, zoals het aantal zzp’ers dat in de nacht werkt en de aandacht voor de arbeidstijden. De verkenning ziet ook breder op arbeidsveiligheid. Daarbij gaat het onder meer om het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen en de aanwezigheid van coördinatoren Veilig & Gezond werken. De bevindingen van de Arbeidsinspectie liggen grotendeels op het terrein van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). Het Ministerie van SZW zal nog met een reactie komen op de verkenning in relatie tot de motie van Van Kent en de motie van Heutink om zzp’ers onder de Arbeidstijdenwet te brengen.
Waarom is de aangenomen motie-Heutink, die de regering opdraagt om spoorwerkers onder de Arbeidstijdenwet te laten vallen, niet uitgevoerd?
Zoals in de Kamerbrief van 27 juni 20253 (Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) aangegeven, verkent het Ministerie van SZW in hoeverre zzp’ers onder de Arbeidstijdenwet gebracht kunnen worden. Dit gelet op het belang van gezond en veilig werken voor alle werkenden. Het opleggen van aanvullende regelgeving, specifiek voor zzp’ers in de spoorsector, mag echter niet tot gevolg hebben dat te veel vakbekwame mensen de sector verlaten. Dit is in het bijzonder van belang waar het gaat om zzp’ers die toezien op de veiligheid in de nacht. Voorkomen moet worden dat de belangrijke opgave om het spoor veilig, betrouwbaar en toekomstbestendig te maken hierdoor onder druk komt te staan.
Bij de uitwerking wordt de verkenning van de Arbeidsinspectie naar nachtwerk op het spoor betrokken. Het Ministerie van SZW blijft, mede naar aanleiding van de verkenning, in gesprek met de sector en het Ministerie van IenW over hoe de gezondheid en veiligheid op het spoor voor alle werkenden beter kan.
Bent u van mening dat het ongeval in Voorschoten in 2023 niet van zodanige ernstige aard was dat het opvolgen van OVV-aanbevelingen niet nodig is? Zo nee, waarom is de situatie op veel locaties dan nog zo onveilig?
Het spoorwegongeval bij Voorschoten is een tragisch ongeval met tot op de dag van vandaag grote impact voor alle betrokkenen. Het Ministerie van IenW, de sector en het Ministerie van SZW zijn naar aanleiding van het ongeval en het rapport van de OvV aan de slag gegaan om zaken te bespreken en aan te passen. Zo onderzoeken het Ministerie van IenW en het Ministerie van SZW samen met de sector hoe de mogelijkheden om meer overdag te werken vergroot kunnen worden. Het Ministerie van SZW verkent ook of zzp’ers onder de Arbeidstijdenwet gebracht kunnen worden. De sector werkt goed samen aan het realiseren van verbetering. Dit is belangrijk omdat de sector primair verantwoordelijk is voor veilig en gezond werken.
Dit zijn echter complexe aanpassingen die bredere gevolgen kunnen hebben. Deze aanpassingen moeten daarom zorgvuldig bekeken worden. Er wordt door veel partijen hard gewerkt aan het realiseren van verbeteringen. Tegelijkertijd is er het besef dat het tijd kost om het goed en zorgvuldig te doen. De eerste concrete verbeteringen zijn er al en meer zullen de komende jaren volgen. Zo zijn er eerste maatregelen genomen bij railinzetplaatsen (zie ook vraag 8) en is er een werkgroep opgericht voor het samen leren van incidenten en ongevallen. Zie hiervoor ook de ILT-monitoringsrapportage en de Kamerbrief spoorveiligheid die met de Kamer wordt gedeeld.
Kunt u een lijst doen toekomen waarin u per OVV-aanbeveling weergeeft of er in de afgelopen twee jaar stappen zijn gezet? Zo ja, wat er precies is gedaan of waarom er met een aspect uit het OVV-rapport juist niets gedaan is?
In de Kamerbrief Spoorveiligheid wordt ingegaan op wat de status is van de opvolging van de aanbeveling aan het Ministerie van IenW. Daarin wordt ook ingegaan op wat er de afgelopen tijd is gebeurd. Voor een korte samenvatting daarvan, zie vraag 4. Daarnaast is de (onafhankelijke) monitoringsrapportage meegestuurd. Deze stelt ILT elk jaar op, met daarin de stand van zaken van de opvolging van aanbevelingen van de OvV aan niet-bestuursorganen. In het geval van het ongeval bij Voorschoten zijn dat de 4 aanbevelingen aan ProRail. ILT geeft voor alle aanbevelingen aan dat er stappen zijn gezet, maar dat het tijd kost om deze af te kunnen ronden. ILT blijft de opvolging daarom het komende jaar monitoren. Voor meer details wordt verwezen naar de monitoringsrapportage.
Welke concrete maatregelen bent u van plan op korte termijn te nemen om de veiligheid van alle spoorwerkers te verbeteren?
Als opdrachtgever van de werkzaamheden is ProRail verantwoordelijk voor de veiligheid van de spoorwerkers en maatregelen die dit kunnen verbeteren. Het is goed om te zien dat ProRail daarmee aan de slag is gegaan en stappen heeft gezet. Hierover bent u via de Kamerbrief spoorveiligheid en de ILT-monitoringsrapportage nader geïnformeerd.
Een voorbeeld van concrete maatregelen waar ProRail mee aan de slag is gegaan zijn de railinzetplaatsen, de plek waar materieel wordt in- en uitgezet. Het ongeval in Voorschoten heeft duidelijk gemaakt dat er specifieke risico’s bestaan bij het in- en uitzetten van werkmaterieel. Stichting railAlert heeft daarom direct na het incident tijdelijke maatregelen getroffen, zoals het stellen van eisen over toezicht en aanvullende begeleiding op railinzetplaatsen waar risico’s bestaan bij het oversteken. Parallel heeft ProRail een risico-inventarisatie uitgevoerd waarbij de risico’s voor alle railinzetplaatsen in kaart zijn gebracht, zodat in de Veiligheids- & Gezondheidsplannen (V&G-plannen) in de voorbereiding maatregelen genomen kunnen worden. Daarnaast lopen er onderzoeken om te bepalen welke structurele maatregelen voor railinzetplaatsen er moeten komen. Dit vraagt tijd, financiering en afstemming met grondeigenaren, en kan gevolgen hebben voor de beschikbare capaciteit op het spoor. Daarom doorloopt ProRail in 2026 een zorgvuldig voorbereidingsproces.
Vanuit het Ministerie van IenW, de sector en het Ministerie van SZW wordt er naar aanleiding van het ongeval en het rapport van de OvV onderzocht hoe de mogelijkheden om meer overdag te werken vergroot kunnen worden. Het verminderen van onnodig nachtwerk is cruciaal voor veilig, gezond en uitvoerbaar werk. Het realiseren van meer dagwerk vraagt om een aanpassing waarbij beschikbaarheid, hinder, veiligheid en gezondheid opnieuw moeten worden afgewogen. Deze gesprekken lopen en vormen de basis voor de verdere vervolgstappen.
Het bericht ‘Aantal banen bij overheid fors gegroeid’ |
|
Arend Kisteman (VVD) |
|
Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Aantal banen bij overheid fors gegroeid»?1
Ja.
Hoe reflecteert u op dit bericht?
Het beeld dat het aantal overheidsbanen de afgelopen periode is gegroeid, herken ik. Bepaalde segmenten van de overheid groeien om de slagvaardigheid van de overheid als geheel te vergroten. Dat hangt onder meer samen met extra taken en maatschappelijke opgaven zoals de energietransitie, hersteloperaties en stikstofaanpak. De in het artikel geschetste stijging is ook deels verklaarbaar door wat er van de overheid wordt gevraagd. Zo is bijvoorbeeld de behoefte aan juridische expertise sterk toegenomen. Strenge eisen rondom privacy leiden tot veel vraag naar juridisch personeel. Juridische expertise is ook nodig om de toename in diverse bezwaar- en beroepsprocedures – en het maatwerk dat dit vraagt – op te vangen.
Om als samenleving veiliger en weerbaarder te zijn is bijvoorbeeld gekozen voor verdere groei van Defensie, maar ook voor versterking van politie en de veiligheidsketen, voor beter toegeruste toezichthouders en inspecties en voor het vaker in vaste dienst nemen van specialistische kennis, zoals IT-professionals, om de afhankelijkheid van externe inhuur te verminderen. De politieke ambities en de keuzes die hieruit volgen, zijn eveneens van invloed op de omvang van het ambtenarenapparaat.
Tegelijk geldt dat een groei van het aantal ambtenaren niet automatisch leidt tot een beter functionerende overheid. Als complexiteit, stapeling van regels, juridische drukte en overhead toenemen, groeit het ambtenarenapparaat mee zonder dat burgers en ondernemers daar altijd betere dienstverlening of snellere uitvoering van merken.
Dat gezegd hebbende, constateer ik evenzeer dat de groei van het aantal medewerkers in 2025 is afgevlakt, wat mede veroorzaakt wordt door de taakstelling die het vorige kabinet in gang heeft gezet. Het komt er nu op aan om door te pakken en te zorgen dat de overheid een fundamenteel efficiënter en effectiever wordt met veel minder (complexe) wet- en regelgeving, minder overhead en een minder omvangrijk ambtenarenapparaat. Daarom coördineer ik als Staatssecretaris van BZK de komende jaren de vernieuwing van de Rijksdienst. Onderdeel van deze ambitie is het verder terugbrengen van de (kosten voor) externe inhuur. Dit kan echter ook verambtelijking tot gevolg hebben, waardoor cijfermatig het aantal fte kan stijgen.
Bent u het er mee eens dat dit haaks staat op de ambities uit het coalitieakkoord om tot een minder omvangrijk ambtenarenapparaat te komen? Zo ja, hoe kan het dat er sprake is van een banengroei van achttien procent in plaats van dat er sprake is van een daling, terwijl het kabinet-Schoof ook al een taakstelling op dit dossier had?
Zoals in het vorige antwoord opgenomen is de groei in 2025 tijdens het vorige kabinet afgevlakt. De uitvoering van de taakstelling, die vanuit het vorige kabinet is gestart, loopt door tot en met 2030. De effecten hiervan zullen de komende jaren zichtbaar worden.
Deelt u de mening dat door een groeiend ambtenarenapparaat de problemen in onder andere de tekortsectoren, zoals het onderwijs en de zorg, niet worden opgelost? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
De krapte op de arbeidsmarkt vraagt om keuzes. Personeel is schaars en moet dus zoveel mogelijk terechtkomen op plekken waar het direct bijdraagt aan maatschappelijke opgaven, zoals onderwijs, zorg, veiligheid en uitvoering. De inzet van het kabinet is dan ook niet simpelweg gericht op krimp van de rijksdienst als doel op zichzelf. Het gaat erom de rijksoverheid productiever te maken, complexiteit en overhead terug te dringen en schaarse arbeid vrij te spelen voor sectoren waar de tekorten het grootst zijn. Daarom zet het kabinet in op het beheersen van de groei van de rijksdienst, het verder uniformeren van de bedrijfsvoering binnen het Rijk, het slimmer inzetten van digitalisering en AI via gezamenlijke voorzieningen en een Nederlandse Digitale Dienst, het verminderen van externe inhuur door specialistische kennis vaker duurzaam in huis te organiseren, het doelmatiger laten werken van uitvoeringsorganisaties en het vereenvoudigen van regels en procedures, zodat minder capaciteit opgaat aan bureaucratie en meer capaciteit beschikbaar komt voor maatschappelijke prioriteiten
Wanneer wordt de Kamer geïnformeerd over de uitwerking van de plannen uit het coalitieakkoord om te komen tot een slagvaardige overheid?
Voor het zomerreces wordt de Kamer geïnformeerd over de actieagenda Slagvaardige Overheid met hierin acties voor de korte en lange termijn.
Wanneer worden de eerste concrete, positieve resultaten verwacht van de doelstellingen uit het coalitieakkoord? Wordt uw ambitie nu nog groter gezien het apparaat met achttien procent is gegroeid? Zo ja, wat is die ambitie?
Zoals ik ook in de Beleidsbrief van BZK aan u schreef, bouwt het kabinet aan een slanke en slagvaardige overheid die focust op wat echt nodig is. Onze ambitie is en blijft hier onverminderd op gericht. We stellen een helder doel: een overheid die eenvoudig en betrouwbaar is, die slagvaardig en wendbaar opereert, die eerlijk is over wat kan en verantwoordelijkheid neemt voor haar handelen, een overheid die geworteld is in de samenleving en dichtbij mensen staat.
Een forse groei van het aantal ambtenaren leidt daarbij niet automatisch tot een beter functionerende overheid. Integendeel: als complexiteit, stapeling van regels, juridische drukte en overhead toenemen, groeit het apparaat mee zonder dat burgers en ondernemers daar altijd betere dienstverlening of snellere uitvoering van merken. Juist daarom houdt het kabinet vast aan de koers uit het coalitieakkoord: een efficiëntere en effectievere overheid, met minder complexe regelgeving, minder overhead en een minder omvangrijk ambtenarenapparaat.
Onze ambitie wordt daarmee niet abstracter, maar concreter en scherper. Wij willen dat de eerste resultaten juist zichtbaar worden op punten waar de groei nu het meest knelt: minder onnodige regels, eenvoudiger uitvoering, meer uniformiteit in de bedrijfsvoering, minder afhankelijkheid van externe inhuur en een betere inzet van personeel op kerntaken en maatschappelijke prioriteiten. Waar het nodig is om specialistische kennis intern op te bouwen of de afhankelijkheid van externen te verminderen, kan dat tijdelijk of plaatselijk tot verschuivingen binnen het apparaat leiden. De richting blijft echter helder: kleiner waar dat kan, sterker waar dat moet en productiever over de volle breedte. De in het artikel gesignaleerde groei verandert daar niets in.
Bij deze ambitie realiseert het kabinet zich dat er én op korte termijn zicht moet en kan zijn op eerste resultaten, én dat het ook een lange adem vergt om gewenste verbeteringen ook duurzaam in de overheidsorganisatie door te voeren. Een andere manier van werken is niet van het ene op het andere moment breed in te voeren en leidt niet onmiddellijk tot overheidsbrede resultaten. Het is een omvangrijke veranderopgave waarbij aandacht nodig is voor cultuur, gedrag en de aanpak van onderliggende patronen.
Tegelijkertijd moet op de korte termijn al zichtbaar zijn dat die verandering wordt ingezet. Voor het zomerreces wordt de eerste editie van de actieagenda opgeleverd, waarin de koers wordt uitgezet voor de realisatie van een slagvaardige overheid. Het kabinet zal daarbij direct sturen op eerste zichtbare verbeteringen op het gebied van vereenvoudiging, organisatie en uitvoering.
Zie daarnaast ook het antwoord op vraag 3.
Het bericht ‘Tienduizenden mensen met beperking kunnen gewoon aan de slag: ’Er is niets dat ik niet wil doen’' |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Tienduizenden mensen met beperking kunnen gewoon aan de slag: «Er is niets dat ik niet wil doen»»?1
Ja
Vindt u het ook onbegrijpelijk dat de personeelstekorten in de zorg fors oplopen, terwijl ondertussen nog altijd 22.000 mensen met een beperking langs de zijlijn staan?
Wij zouden dat graag anders zien. Het terugdringen van de personeelstekorten is een brede uitdaging waar we alle partijen voor nodig hebben. Volgens onderzoek van kenniscentrum Movisie en VGN (Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland) zouden ongeveer 22.000 mensen die nu in de dagbesteding zitten, de stap kunnen maken naar een vorm van betaald werk. De Minister van Werk en Participatie zet zich in voor het bevorderen van participatie op de arbeidsmarkt. Dat gebeurt op allerlei manieren, zie hiervoor het antwoord op vraag 4. Het Programma Simpel Switchen in de Participatieketen omvat onder andere de overstap van dagbesteding naar betaald werk. Binnen dit gezamenlijke programma van de Ministeries van SZW en VWS met landelijke partners als Divosa, de VGN, Cedris en Movisie, lopen verschillende activiteiten gericht op het vergemakkelijken van deze overstap.
Deelt u de mening dat juist mensen met een beperking zorgorganisaties veel te bieden hebben en dat het beter voor henzelf en de samenleving zou zijn indien zij de stap zouden maken van dagbesteding naar betaald werk? Zo nee, waarom niet?
Het is zeker belangrijk dat ook mensen met een beperking zo veel mogelijk betaald werk verrichten. Betaald werk draagt bij aan zelfstandigheid, aan meedoen in de samenleving en het is van belang voor de economie. Het bevorderen van betaald werk is één van de prioriteiten van de Minister van Werk en Participatie. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 ziet het gezamenlijke Programma Simpel Switchen in de Participatieketen onder meer op de stap van arbeidsmatige dagbesteding naar een vorm van betaald werk.
Constateert u ook dat er landelijk maar een handjevol zorgorganisaties zijn die werken met mensen met een beperking en de meeste werkgevers vooral de problemen en niet de kansen zien?
Nog steeds hebben te weinig werkgevers mensen met een beperking in dienst. Helaas gaat het nog maar om minder dan een op de vijf werkgevers.2 Dat probleem speelt niet alleen in de zorgsector. Er zijn wel goede voorbeelden van zorgorganisaties die mensen met een beperking in dienst hebben. Maar het is zaak dat meer werkgevers, ook in de zorg, het goede voorbeeld volgen. Het is onacceptabel dat de arbeidsparticipatie van mensen met een beperking achterblijft. Het is niet goed voor de mensen zelf en ook de samenleving als geheel is daarmee slechter af. Zeker nu bedrijven in het land nog steeds om personeel verlegen zitten. In een krappe arbeidsmarkt kunnen we de talenten en inzet van mensen simpelweg niet missen. Door zoveel talent onbenut te laten, schieten we onszelf als samenleving in de voet.
Er zijn de afgelopen tijd al veel maatregelen getroffen om dit probleem aan te pakken.3 Zo zijn er verbeteringen van de Banenafspraak tot stand gekomen. Er is een Sociaal Innovatiefonds om inclusief werkgeverschap aan te moedigen, er is budget voor het structureel maken van het instrument Individuele Plaatsing en Steun, er zijn middelen voor investeringen voor een toekomstbestendige infrastructuur van sociaal ontwikkelbedrijven en beschut werk (structureel gaat het om € 190 miljoen extra per jaar), er is een subsidieregeling inclusieve technologie. Ook komen sectorale Ontwikkelpaden tot stand, onder meer in de zorg, de wet van school naar duurzaam werk is begin 2026 in werking getreden en er zijn maatregelen genomen in de Participatiewet in balans ter bevordering van uitstroom naar werk. Met de komst van Werkcentra is er één loket in arbeidsmarktregio’s waar werknemers, werkzoekenden en werkgevers terecht kunnen met vragen over betaald werk.
De komende tijd worden onverminderd maatregelen getroffen ter bevordering van de arbeidsparticipatie. Zo wordt er ingezet op het harmoniseren van het re-integratiebeleid, waaronder de inzet van werkvoorzieningen, zodat werkzoekenden en werkgevers sneller krijgen wat nodig is. Er wordt meer ingezet op praktijkgerichte scholing, zodat mensen sneller kunnen instromen in banen in sectoren als de zorg. Ook wordt er gewerkt aan een agenda over inclusief werkgeverschap, waarin wordt ingegaan op hoe de informatievoorziening verder kan worden vergroot. Daarnaast vindt er een hervorming van de Participatiewet plaats en er wordt gewerkt aan een fundamentele herziening van de Banenafspraak.
Bent u bereid werkgevers beter voor te lichten over de mogelijkheden die er zijn? Zo nee, waarom niet?
Met de komst van Werkcentra is er een loket in arbeidsmarktregio’s waar werknemers, werkzoekenden en werkgevers terecht kunnen met vragen over betaald werk. Daarnaast werkt de Minister van Werk en Participatie aan een agenda over inclusief werkgeverschap, waarin hij verder in zal gaan op hoe de bekendheid van regelingen en mogelijkheden verder kan worden versterkt.
Streven is de agenda rond de zomer met uw Kamer te delen.
Bent u bereid te onderzoeken hoe bestaande regelingen versimpeld kunnen worden zodat deze minder ingewikkeld zijn voor werkgevers en de bevindingen met de Kamer te delen? Zo nee, waarom niet?
Zoals uit het antwoord op vraag 4 blijkt, wordt er volop ingezet op het verbeteren van bestaande regelingen. Daarbij gaat het ook om de informatievoorziening over die regelingen en de uitvoering ervan. Dat gebeurt met nauwe betrokkenheid van werkgevers, werknemers, ervaringsdeskundigen, uitvoerders en andere belanghebbende partijen. De Kamer wordt regelmatig geïnformeerd over de ontwikkelingen in de verschillende dossiers.
TBA bij internationale organisaties en rechten van werknemers |
|
Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 18 februari 20261, waarin is geoordeeld dat de European Space Agency (ESA) geen onderneming is in de zin van de Wet op de ondernemingsraden (WOR) en dat daarom de artikelen 8 en 8a van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi) niet van toepassing zijn?
Ja.
Deelt u de opvatting dat deze uitspraak ertoe leidt dat werknemers die via een werkgever ter beschikking worden gesteld aan internationale organisaties zoals ESA, geen aanspraak kunnen maken op gelijke arbeidsvoorwaarden zoals bedoeld in de Waadi en de Europese Uitzendrichtlijn? Zo nee, waarom niet en zo ja, wat gaat u dan nu doen?
Nee. De uitspraak is nog niet onherroepelijk; de mogelijkheid van hoger beroep tegen de uitspraak staat nog open. Vooralsnog zie ik aanleiding voor een andere uitleg van de Waadi dan de uitleg die in de uitspraak wordt gegeven. Naar mijn oordeel vallen namelijk ook overheidsorganisaties, waaronder internationale organisaties als ESA, onder het begrip «onderneming» uit de WOR. Uit de wettelijke reikwijdte van dat begrip blijkt niet dat organisaties die werken met internationale publiekrechtelijke aanstellingen of buitenlandse arbeidsovereenkomsten hiervan zijn uitgezonderd. Daarbij is bovendien relevant dat het Europees Hof van Justitie van de Europese Unie eerder heeft geoordeeld dat ook een andere organisatie die alleen aanstellingen volgens internationaal publiekrecht heeft (EIGE een agentschap met ambtenaren aangesteld op basis van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie) onder de reikwijdte van de Uitzendrichtlijn valt.2
Deze jurisprudentie, en de uitzendrichtlijn, lijkt niet te zijn meegewogen in de uitspraak van de Rechtbank Den Haag. Daarnaast moeten de WOR en Waadi in samenhang worden bezien met de oprichtingsverdragen van internationale organisaties, zoals ESA, en met die organisaties gesloten zetelverdragen. Daarin zijn naast bepalingen over het toepassen van nationale wetgeving ook bepalingen opgenomen over onschendbaarheid en immuniteiten. Om die reden kan het zijn dat het Nederlandse arbeidsrecht (en het daarin geïmplementeerde Unierecht) niet in alle situaties op dezelfde manier kan worden toegepast en dat naleving niet op dezelfde manier kan worden gehandhaafd ten opzichte van internationale organisaties.
De Nederlandse Staat is geen procespartij, maar zal het eventuele vervolg van de procedure met interesse volgen.
Hoe beoordeelt u, in het licht van artikel 5, eerste lid, van de Uitzendrichtlijn, dat een groep ter beschikking gestelde werknemers die feitelijk arbeid verricht bij een in Nederland gevestigde organisatie volledig buiten het beginsel van gelijke behandeling valt enkel vanwege de kwalificatie van de inlener? Acht u dat richtlijnconform?
Nee. Zoals hierboven beschreven staat, kan niet zonder meer worden gezegd dat de Waadi niet van toepassing is op eventuele terbeschikkingstellingen die bij ESA plaats zouden vinden. Daarnaast is de uitspraak nog niet onherroepelijk. Naar aanleiding van de eventuele vervolgprocedure zal de Staat moeten beoordelen of de eisen die de Uitzendrichtlijn aan Nederland stelt, voldoende doorwerken.
Was het bij de implementatie van de Uitzendrichtlijn beoogd dat ter beschikking gestelde werknemers die werken bij internationale organisaties in Nederland buiten het beginsel van gelijke behandeling zouden vallen? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, erkent u dan dat hier sprake is van een lacune in de wetgeving?
Nee. Wel volg ik de procedure met interesse, omdat zo’n lacune wel kan ontstaan na het eventuele hoger beroep of uiteindelijk cassatie bij de Hoge Raad.
Deelt u de opvatting dat artikel 8 van het Verdrag tussen Nederland en ESA inzake ESTEC, waarin is bepaald dat Nederlands recht van toepassing is op de activiteiten van ESA in Nederland, meebrengt dat het onwenselijk is dat ter beschikking gestelde werknemers daar feitelijk buiten de bescherming van de Waadi vallen? Zo nee, waarom niet?
Die opvatting deel ik, maar zoals bij de beantwoording van vraag 2 uitgelegd, is er nog geen definitieve uitspraak dat dit daadwerkelijk ook het geval is. Daarnaast zijn er ook andere verdragsbepalingen die in overweging moeten worden genomen.
Kunt u aangeven hoe groot de groep werknemers in Nederland is die via vergelijkbare constructies werken bij internationale organisaties en mogelijk buiten de werking van de Waadi vallen? Zo nee, bent u bereid dit in kaart te laten brengen?
Het aantal werknemers die door inlening ter beschikking is gesteld aan internationale organisaties is mij onbekend. Het volledig in kaart brengen van het aantal inlenende krachten bij internationale organisaties is zeer ingewikkeld. Bovendien zie ik de meerwaarde daarvan niet. Deze groep van werknemers valt naar mijn oordeel, zoals aangegeven in de beantwoording van voorgaande vragen, binnen de werking van de Waadi waarbij voor de toepassing en naleving rekening moet worden gehouden met de bepalingen in de van toepassing zijnde verdragen.
Welke mogelijkheden ziet u om in de herziening van de Waadi, die momenteel in de Tweede Kamer wordt behandeld, te waarborgen dat werknemers die feitelijk structureel arbeid verrichten binnen organisaties als ESA, niet structureel slechtere arbeidsvoorwaarden hebben dan direct aangestelde collega’s?
Ik ben van mening dat dit al met de huidige Waadi voldoende gewaarborgd is en met het wetsvoorstel «meer zekerheid flexwerkers» verder versterkt wordt. Op grond van de Waadi hebben uitzendkrachten recht op hetzelfde loon, overige vergoedingen en arbeids- en rusttijden als werknemers bij de inlener. Hieraan wordt met het wetsvoorstel meer zekerheid flexwerkers toegevoegd dat de overige arbeidsvoorwaarden ten minste gelijkwaardig dienen te zijn. Zoals uitgelegd bij de beantwoording van vraag 2, gelden deze regels voor alle arbeidskrachten die in Nederland ter beschikking worden gesteld aan organisaties om onder diens leiding en toezicht arbeid te verrichten. Internationale organisaties zijn daar naar oordeel van de regering in beginsel niet van uitgezonderd. Daarmee zijn de rechten van ingeleende werknemers bij dergelijke internationale organisaties voldoende geborgd.
Bent u bereid om in het kader van deze wetswijziging te bezien of het begrip «inlenende onderneming» in de Waadi moet worden aangepast, zodat ook internationale organisaties hieronder kunnen vallen? Zo nee, waarom niet?
Zoals bij de beantwoording van vraag 2 uitgelegd, zie ik aanleiding voor een andere interpretatie van de Waadi dan de uitleg die is gegeven in de uitspraak. Ik acht het daarom vooralsnog niet nodig om de Waadi op dit punt aan te passen.
Bent u bereid om hierover in overleg te treden met sociale partner en een nadere analyse naar de Kamer te sturen? Zo nee, waarom niet?
Nu het vraagstuk nog onder de rechter is, en ik aanleiding zie voor een andere interpretatie, vind ik een nadere analyse in deze fase niet opportuun.
Bent u bekend met het NRC-artikel «Vrouwen tussen de 31 en 40 jaar verzuimen veel en dat is écht een probleem, vindt de verzekeraar»?1
Ja, dit is mij bekend.
Herkent u het beeld van hoge uitval onder (jonge) vrouwen? Welke verklaringen ziet u voor de hoge uitval?
Dit beeld herken ik. Uit de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA 2023–2024)2 van het CBS en TNO blijkt dat ruim 60% van de vrouwelijke werknemers in de leeftijdscategorie 31–40 jaar aangeeft wel eens te hebben verzuimd in de afgelopen 12 maanden. Voor alle vrouwelijke werknemers is dit gemiddeld 55%3. Vrouwen van 31–40 jaar geven aan langer te hebben verzuimd (11 werkdagen ten opzichte van 9 werkdagen gemiddeld). Het ziekteverzuimpercentage (het aantal verzuimde dagen per 100 werkdagen) laat hetzelfde beeld zien. Die ligt voor vrouwen van 31–40 jaar hoger dan gemiddeld voor alle vrouwen (6,7% versus 5,7%).
Weleens verzuimd afgelopen 12 maanden
54,6
59,9
61,0
52,5
49,6
Hoe vaak verzuimd afgelopen 12 maanden
1,6
1,79
1,78
1,41
1,47
Hoeveel werkdagen verzuimd afgelopen 12 maanden
9,2
7,95
11,1
9,38
10,8
Ziekteverzuimpercentage
5,73
4,75
6,72
5.70
6,72
Bron: bewerking cijfers NEA 2023–2024
Als specifieke redenen voor het verzuim noemen vrouwelijke werknemers van 31–40 jaar vaker dan gemiddeld een te hoge werkdruk en emotioneel te zwaar werk als reden. Vrouwen van 31–40 jaar geven ook vaker dan gemiddeld aan een werk-privé disbalans te ervaren.
Kunt u beschrijven uit welke inkomensgroepen deze vrouwen afkomstig zijn, in welke sectoren zij werkzaam waren en wat voor soort banen zij hadden?
Volgens de NEA werken vrouwen in de leeftijdscategorie 31–40 het meest in de zorg, zakelijke dienstverlening, onderwijs en handel. Ze werken vaak in banen met een gemiddeld inkomen, op vaste contracten en met hoge taakeisen4.
Welk aandeel van deze groep stroomt in in de WIA of de Ziektewet?
Er zijn geen cijfers beschikbaar van het aandeel vrouwen van deze groep die verzuimt en vervolgens instroomt in de WIA of de Ziektewet.
Onderstaande tabel toont over een periode van vijf jaar (2021–2025) de totale instroom aan personen in de WIA, de instroom van het aantal vrouwen in de leeftijdsgroep 30 tot 40 jaar (30 t/m 39) in de WIA en dit aandeel uitgedrukt als percentage van de totale instroom van vrouwen.
Daarnaast is in onderstaande tabel de instroom van vrouwen in de leeftijdsgroepen 30 t/m 39 jaar ook uitgedrukt als percentage van het aantal verzekerden in dezelfde leeftijdsgroep. Per duizend verzekerde vrouwen in de groep 30 t/m 39 jaar kregen in 2025 negen vrouwen een nieuwe WIA-uitkering toegekend.
55.599
54.769
59.581
68.984
71.239
6.214
6.303
6.867
8.676
9.513
11%
12%
12%
13%
13%
0,7%
0,6%
0,7%
0,9%
0,9%
Bron: UWV
Onderstaande tabel toont over de periode 2021–2025 de totale instroom in de Ziektewet, de instroom van het aantal vrouwen in de Ziektewet in de leeftijdsgroep 30 t/m 39 jaar en dit aandeel vrouwen uitgedrukt als percentage van de totale instroom.
346.101
393.697
311.855
324.241
343.907
68.224
72.848
68.572
73.633
77.744
20%
19%
22%
23%
23%
Bron UWV
Voor de Ziektewet wordt de instroom van het aantal vrouwen niet uitgedrukt als percentage van het aantal verzekerden in dezelfde leeftijdsgroep. De instroom in de Ziektewet is namelijk niet representatief voor alle verzekerden maar beperkt zich tot specifieke groepen, waaronder vrouwen die ziek zijn als gevolg van zwangerschap of bevalling.
Kunt u uitsplitsen per leeftijdscategorie hoe vaak uitval voorkomt en hoe lang de uitval duurt bij vrouwen ten opzichte van mannen?
Uit onderstaande tabel blijkt dat in alle leeftijdscategorieën het aandeel dat heeft verzuimd, de verzuimfrequentie en het ziekteverzuimpercentage hoger ligt bij vrouwen dan bij mannen. Vooral het ziekteverzuimpercentage voor vrouwen van 31–40 jaar ligt aanmerkelijk hoger dan bij mannen. Bij mannen is het kortdurend verzuim in deze leeftijdsgroep het hoogste.
Man (21–30)
51,7
1,35
4,99
2,72
Vrouw (21–30)
59,9
1,79
7,95
4,75
Man (31–40)
54,2
1,33
7,13
3,59
Vrouw (31–40)
61,0
1,78
11,1
6,72
Man (41–50)
47,5
1,16
7,83
3,92
Vrouw (41–50)
52,5
1,41
9,38
5,70
Man (50+)
42,7
1,21
10,3
5,32
Vrouw (50+)
49,6
1,47
10,8
6,72
Bron: bewerking cijfers NEA 2023–202
Kunt u uitsplitsen vanuit welke contractvorm (vast, tijdelijk of uitzendkracht) deze vrouwen in de WIA instromen?
Onderstaande tabel toont over de periode van 2021–2025 de instroom in de WIA van vrouwen in de leeftijdsgroep 30 t/m 39 jaar naar type contractvorm.
Er is zowel een toename van vrouwen met een vast contract en een tijdelijk en oproepcontract.
2.651
2.744
3.346
4.262
4.504
2.281
2.386
2.293
3.004
3.545
603
529
534
619
531
679
644
694
791
933
6.214
6.303
6.867
8.676
9.513
Bron UWV
Kunt u aangeven welk deel van deze vrouwen een inkomen heeft dat ligt tussen de 80 en de 100% van het huidige maximumdagloon?
Onderstaande twee tabellen tonen over de periode 2021–2025 het percentuele aandeel van vrouwen in de leeftijdsgroep 30 t/m 39 jaar die zijn ingestroomd in de WIA en Ziektewet met een dagloon tussen 80–100 van het maximumdagloon. Deze instroom ligt hoger dan met een dagloon boven de 100% van het maximumdagloon.
5%
4%
5%
6%
5%
2%
2%
2%
3%
2%
5%
5%
5%
6%
6%
3%
3%
3%
3%
3%
Bron: UWV
Kunt u aangeven welk deel van de vrouwen uitvalt wegens vrouwspecifieke klachten?
Uit onderzoek5 blijkt dat vrouwspecifieke aandoeningen, zoals (1) bekkenbodemproblemen, (2) cyclusstoornissen en cyclus gerelateerde buikpijn, (3) hormonale problemen en (4) vulvaire klachten, vaak voorkomen en een grote impact hebben op de kwaliteit van leven. Gemiddeld krijgt elke vrouw minimaal een van de bovengenoemde vrouwspecifieke aandoeningen tijdens haar werkzame leven. Een groot deel van deze vrouwen ervaart zoveel hinder dat het dagelijks functioneren en werk hierdoor negatief beïnvloed wordt. Volgens cijfers van TNO6 over gezondheidsklachten bij vrouwen (gebaseerd op cijfers van de NEA 2023) gaat het om 39% van de vrouwelijke werknemers, ofwel 1,5 miljoen vrouwen. Dit leidt voor een deel van deze vrouwen ook tot verzuim. Van alle vrouwelijke respondenten heeft 56% zich het afgelopen jaar een keer ziekgemeld, tegenover 51% van de mannen. Ook geeft 66% van de vrouwen met hormoongerelateerde klachten aan dat zij minder werk gedaan krijgen bij klachten.
Kunt u aangeven welk deel van de vrouwen uitvalt wegens burn-outklachten?
Op basis van de NEA is niet vast te stellen welk deel van de vrouwen uitvalt vanwege burn-outklachten. Er wordt wel naar de soort klachten bij het laatste verzuim gevraagd, waarbij onderscheid is gemaakt naar psychische klachten, klachten in het bewegingsapparaat, griep/verkoudheid en overige klachten.
Onder psychische klachten vallen overspannenheid, burn-outklachten, vermoeidheid en concentratieproblemen. Het gaat dus om allerlei klachten die psychisch van aard zijn, waaronder ook het hebben van een burn-out of burn-outklachten. Gemiddeld verzuimt 9% van de vrouwen met psychische klachten. Bij jongere vrouwen in de leeftijdscategorieën 21–30 en 31–40 jaar komt dat iets vaker voor (respectievelijk 10% en 11,5%).
Welke stappen heeft het kabinet tot nu toe gezet om de hoge uitval onder vrouwen tegen te gaan? Welke middelen ziet u nog meer?
Met de Nationale Strategie Vrouwengezondheid zet het kabinet sinds 2025 extra in op aandacht voor vrouwengezondheid. Het gaat om meer aandacht en kennis over vrouwspecifieke aandoeningen en verbetering van diagnostiek, maar ook om meer bewustwording en bespreekbaarheid op de werkvloer van vrouwengezondheid.
Aan de hoge uitval van vrouwen op de arbeidsmarkt en daarmee ook verhoogde instroom in de WIA liggen zowel maatschappelijke, werkgerelateerde en individuele factoren ten grondslag. In lijn met de motie van het lid Neijenhuis7 brengen we samen met VWS de oorzaken en oplossingsrichtingen in kaart. Het kabinet zal de Kamer over de stand van zaken voor de volgende begrotingsbehandeling van SZW informeren.
Herkent u het in het artikel geschetste beeld dat ruimer (zorg)verlof de druk op vrouwen kan verlichten? Op welke manier neemt u de hoge uitval onder vrouwen mee bij het herzien van het verlofstelsel, zoals voorgenomen in het coalitieakkoord?
In het artikel wordt genoemd dat de zorgtaken tussen vrouwen en hun partner niet goed zijn verdeeld. Aangegeven wordt dat vrouwen hun carrière veelal moeten balanceren met de zorg voor kinderen en soms ook het verlenen van mantelzorg voor bijvoorbeeld ouders. Dit kan zorgen voor druk onder vrouwen. De verdeling van zorgtaken is in de eerste plaats een onderwerp van gesprek dat thuis plaatsvindt. De overheid faciliteert een gelijkwaardige verdeling van zorgverantwoordelijkheden tussen partners onder meer via het verlofstelsel en de Wet flexibel werken. Op dit moment wordt gewerkt aan de vereenvoudiging van het verlofstelsel met als doel het stelsel begrijpelijker en toegankelijker te maken voor zowel werknemers als werkgevers. Dit moet ervoor zorgen dat meer mensen het verlof opnemen en dit kan daarnaast bijdragen aan een betere balans tussen werk en privé.
Welke rol kan hervorming van het kinderopvangstelsel spelen? Kunt u in uw antwoord de in het artikel aangehaalde Scandinavische voorbeelden meenemen in uw antwoord?
Het nieuwe financieringsstelsel kinderopvang kent een hoge inkomensonafhankelijke vergoeding. Hierdoor wordt kinderopvang voor de midden en hoge inkomens aanzienlijk goedkoper. Bovendien wordt voor alle ouders de marginale druk lager. Meer verdienen (bijvoorbeeld door meer te gaan werken) zal namelijk niet langer voor een lager vergoedingspercentage zorgen. Omdat vrouwen nog altijd vaak de minst werkende en minstverdienende ouder zijn zal dit naar verwachting vooral voor hen positief uitpakken. Het nieuwe financieringsstelsel kinderopvang stimuleert daarmee gelijke arbeidsdeelname en een evenwichtigere werk en zorg verdeling tussen ouders.
Het kinderopvangstelsel in Scandinavische landen is wezenlijk anders dan in Nederland, maar net als daar wordt kinderopvang ook hier voor de meeste ouders veel beter betaalbaar. Daarnaast kan het nieuwe financieringsstelsel kinderopvang bijdragen aan een cultuurverandering. De nieuwe systematiek (zonder voorschotten en zonder kans op terugvorderingen) zorgt namelijk voor meer eenvoud en zekerheid voor ouders. Hierdoor kan het op termijn de norm worden om meer kinderopvang te gebruiken dan drie dagen per week. Een dergelijke normverandering is niet op voorhand te kwantificeren maar zal wel worden gemonitord.
Herkent u het in het artikel geschetste beeld dat er onvoldoende aandacht is voor overgangsklachten, terwijl er wel degelijk behandelingen zijn die helpen? Zo ja, kunt u reflecteren hierop en een breder beeld, onderbouwd met cijfers, schetsen van de problematiek rondom overgangsklachten op de werkvloer? Zo ja, wat gaat u doen om het taboe rond dit thema te doorbreken, in aanvulling op het bestaande protocol van arbo-artsen?
Ook zijn er initiatieven zoals het gratis VSA-spreekuur (Vrouwspecifieke aandoeningen) van AmsterdamUMC voor eigen medewerkers om vrouwen met hormonaal gerelateerde problemen te helpen en tijd tot diagnose te verkorten. Het blijkt dat dit spreekuur bijdraagt aan het bespreekbaar maken op de werkvloer en het doorbreken van het taboe. Op dit moment wordt onderzocht of dit initiatief landelijk kan worden ingezet.
Kunt u nader toelichten welke behandelingsmogelijkheden er reeds bestaan voor overgangsklachten en wat hierin de mogelijkheden voor vergoeding zijn? Kunt u tevens reflecteren op de bekendheid en toegankelijkheid van dergelijke behandelingen? Op welke concrete manier gaat u ervoor zorgen dat deze behandelingen breder bekend en toegankelijker worden?
Overgangsklachten kunnen op verschillende manieren behandeld worden. Wat het beste werkt, verschilt per vrouw en hangt van de ernst van de klachten af. Ook is het belangrijk dat onderliggende oorzaken en eventuele andere problemen worden uitgesloten. De belangrijkste behandelmogelijkheden zijn in grote lijnen:
De meeste van bovengenoemde behandelmethoden kunnen worden vergoed uit de basisverzekering als zij worden verricht door een huisarts of – na verwijzing – door een medisch specialist. Het eigen risico is niet van toepassing voor behandelingen bij de huisarts; wel bij de medisch specialist. Ook is voor medicatie soms een eigen bijdrage nodig. Overgangsconsulten en -behandelingen en alternatieve behandelingen worden vaak vergoed via een aanvullende verzekering.
Voor een grotere bekendheid en toegankelijkheid van dergelijke behandelingen is er Thuisarts.nl. Hier staan de mogelijkheden voor behandelingen, de richtlijnen8 en wordt in begrijpelijke taal informatie gegeven. Dit geldt eveneens voor de richtlijn overgang van de NVOG9. Daarnaast zijn er specifieke organisaties die vrouwen voorlichting geven rondom de overgang.
Zoals eerder in de Kamerbrief over het doorbreken van het taboe rondom de overgang en werk10 is aangegeven zijn er ook diverse maatregelen in gang gezet om het taboe rondom de overgang te doorbreken. Daarvoor verwijs ik naar het antwoord op vraag 13.
Wat vindt u van de oproep om vrouwengezondheid meer centraal te stellen? Hoe gaat u hier concreet uitvoering aangeven?
De werkconferentie Vrouwengezondheid op 4 februari jl. is een belangrijke stap geweest in de uitwerking van de Nationale Strategie Vrouwengezondheid 2025–203011. Met de Nationale Werkagenda Vrouwengezondheid zet het kabinet in op duidelijke ambities en concrete acties die bijdragen aan een langer leven in goede gezondheid voor alle meisjes en vrouwen in Nederland. De conferentie kenmerkte zich door een sterke betrokkenheid en duidelijke bereidheid tot samenwerking op het terrein van de vrouwengezondheid. Met de ondertekening van het convenant «Samen in actie voor betere vrouwengezondheid12» hebben twaalf partijen het belang van een gezamenlijke inzet op dit terrein benadrukt. Met het convenant spreken partijen verder af om ook zelf vrouwengezondheid blijvend op de agenda te zetten, eigen initiatieven te versterken, kennis en data te delen en samen nieuwe acties te starten. Dit doen zij onder andere door:
Op de site van ZonMw staat beschreven hoe organisaties ook zelf bij kunnen dragen aan de beweging naar een betere vrouwgezondheid. Het is een positieve ontwikkeling dat partijen ook daadwerkelijk samen in actie komen. Er zijn inmiddels 30 pledges13 ingediend. Het kabinet kijkt ernaar uit om verder samen te werken aan een Nationale Werkagenda Vrouwengezondheid. Met de werkagenda vrouwengezondheid, die op 25 juni 2026 wordt gelanceerd, zet het kabinet in op duidelijke ambities en concrete acties die bijdragen aan een langer leven in goede gezondheid voor alle meisjes en vrouwen in Nederland. Ook is het kabinet positief over de manier waarop verschillende initiatiefnemers elkaars initiatieven verder willen brengen, bijvoorbeeld op het gebied van het verminderen van ziekteverzuim. Voor de zomer wordt uw Kamer verder geïnformeerd over de uitwerking van de werkagenda, de monitoring en de overige ontwikkelingen op het gebied van vrouwengezondheid.
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Gegijzeld tijdens de nachtdienst’ |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met bovengenoemde uitzending?1
Ja, ik ben bekend met bovengenoemde uitzending.
Hoe oordeelt u over het bericht dat drie van de vier zorgverleners te maken krijgt met agressie op het werk?
Elk incident van agressie tegen een zorgverlener is er één te veel. Ik vind het zorgwekkend dat een aanzienlijk deel van de professionals in de sector hiermee geconfronteerd wordt. Zorgverleners moeten hun werk te allen tijde veilig kunnen doen.
Hoe oordeelt u over het bericht dat veel zorgverleners, die een incident hebben meegemaakt, zich in de steek gelaten voelen door hun werkgever?
Het signaal dat zorgverleners zich na een incident onvoldoende gesteund voelen door hun werkgever vind ik zorgelijk. Incidenten kunnen een grote fysieke en emotionele impact hebben op zorgverleners, waardoor goede opvang en nazorg van groot belang zijn.
Werkgevers hebben op basis van de Arbowet een zorgplicht voor de veiligheid en gezondheid van hun werknemers. Dit betekent dat zij beleid moeten voeren om arbeidsrisico’s, zoals agressie en psychosociale arbeidsbelasting, te voorkomen of te beperken. Werkgevers zijn verplicht maatregelen te nemen om deze risico’s te verminderen. De Nederlandse Arbeidsinspectie ziet erop toe dat werkgevers de Arbowet naleven.
Hoe oordeelt u over het bericht dat goede nazorg vaak uitblijft en afhankelijk lijkt van de werkgever, of zelfs de leidinggevende?
Zoals hierboven gezegd, goede opvang en nazorg zijn cruciaal. Het is zeer onwenselijk als dit uitblijft of als een werkgever hier onvoldoende aandacht voor heeft.
In de sector zie ik gelukkig goede voorbeelden van werkgevers die aandacht hebben voor de opvang en nazorg bij agressie en hier passend beleid op voeren. Voor werkgevers zijn materialen beschikbaar die hen helpen bij het opstellen van goed beleid op dit gebied. Bijvoorbeeld het Handboek Veilige zorg (te vinden op de websites van de O&O-fondsen van de ziekenhuizen, UMC’s, VVT en GGZ) of De complete agressie-aanpak (te vinden op de websites van de arbeidsmarktplatforms voor jeugdzorg en sociaal werk).
Hoe oordeelt u over het bericht dat ook financiële steun voor zorgverleners die een incident hebben meegemaakt vaak uitblijft?
Welke maatregelen worden nu genomen om trauma bij zorgverleners te voorkomen?
De maatregelen die worden genomen verschillen per werkgever. In grote lijnen begint de zorg na een incident met intercollegiale opvang en/of opvang door de leidinggevende. Een tweede stap is een nazorgteam, een bedrijfsopvangteam (BOT), opvang door bedrijfsmaatschappelijk werk of de arbo-arts. Dit kan zowel intern als extern belegd zijn. De laatste stap is de gespecialiseerde opvang. Soms kiest een slachtoffer ook voor een andere route, bijvoorbeeld voor lotgenotencontact.
Bent u bekend met de anti-PTSS-programma’s, zoals die bij de politie bestaan?
Ja, daar ben ik mee bekend.
Bent u het eens met de stelling dat het absoluut nodig is dat er dergelijke uniforme afspraken worden gemaakt voor werknemers in de zorg die slachtoffer worden van een incident? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het is van groot belang dat werkgevers medewerkers beschermen tegen het oplopen van PTSS op het werk. Behalve preventie van agressie zijn daarbij ook opvang en nazorg van belang. Het is daarbij ook van belang dat werkgevers oog hebben voor de risico’s voor het ontwikkelen van PTSS. Ik laat het aan de werkgevers en hun brancheorganisaties om te bepalen in hoeverre het daarvoor noodzakelijk is dat er uniforme afspraken worden gemaakt.
Bent u het eens met de stelling dat werknemers in de zorg extra risico lopen, omdat zij bijvoorbeeld ook meer in aanraking komen met het toenemend aantal verwarde personen? Kunt u uw antwoord toelichten?
In bepaalde delen van zorg en welzijn komt (fysieke) agressie vaker voor, bijvoorbeeld voortkomend uit het ziektebeeld van patiënten. Dit kan ervoor zorgen dat medewerkers in specifieke branches risico lopen op het meemaken van agressie en het ontwikkelen van psychosociale klachten.
Zou de expertise van ARQ ingezet kunnen worden voor de zorgsector?2
Ja, dat kan. Werkgevers kunnen ARQ inschakelen voor diverse diensten. In 2023 heeft ARQ de Richtlijn psychosociale ondersteuning zorgprofessionals gepubliceerd.
Welke maatregelen gaat u nemen om de nazorg voor zorgverleners die een incident hebben meegemaakt, te verbeteren en te borgen?
Zoals genoemd in het antwoord op vraag 3 hebben werkgevers op basis van de Arbowet een zorgplicht voor de veiligheid en gezondheid van hun werknemers.
Ik ondersteun werkgevers hierbij door:
Het kabinetvoornemen om het maximumdagloon te verlagen en de gevolgen daarvan voor vrouwen, gezinnen en het geboortecijfer |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Het geboortecijfer in Nederland staat op een historisch dieptepunt van 1,4 kinderen per vrouw; deelt u de mening dat dit kabinet met het voornemen tot de zogeheten bevalboete precies de verkeerde kant op beweegt?
Ik vind het belangrijk dat de arbeidspositie van vrouwen niet verslechterd. Met de plannen uit het coalitieakkoord wil het kabinet onze arbeidsmarkt en sociale zekerheid toekomstbestendiger maken. Daar zijn helaas ook lastige keuzes bij nodig. Via de verlaging van het maximumdagloon is beoogd de laagste inkomens te ontzien. Niettemin raakt de verlaging veel mensen. Ik ben daarom bereid om te kijken naar het uitzonderen van verlofregelingen van de verlaging van het maximumdagloon. Daarbij vind ik het van belang dat er oog is voor de uitvoerbaarheid, de huidige budgettaire kaders en de samenhang met andere uitkeringen. Ik zal dit vervolgens bespreken met sociale partners. Ik streef ernaar om uiterlijk op Prinsjesdag, met een voorstel te komen richting de Kamer.
Als dit voornemen doorgaat, worden jaarlijks minimaal 25.000 zwangere vrouwen geraakt door de verlaging van het maximumdagloon met 20 procent; hoe rechtvaardigt u dit tegenover al die gezinnen?
Zie antwoord vraag 1.
Waarom kiest het kabinet ervoor om de werkende middenklasse te straffen op het moment dat zij een gezin stichten?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid dit voornemen tot verlaging van het maximumdagloon voor zwangerschapsverlof volledig van tafel te halen voordat het een wetsvoorstel wordt?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid te onderzoeken hoe zwangere vrouwen en jonge gezinnen in plaats daarvan financieel beloond kunnen worden, bijvoorbeeld via een geboortepremie of hogere uitkering tijdens het verlof?
Het krijgen van kinderen is een vrije keuze. Op het moment dat mensen ervoor kiezen om een kind te krijgen, is het van belang dat de randvoorwaarden op orde zijn. Dit is in lijn met het rapport van de Staatscommissie Demografie dat vaststelt dat overheidsbeleid dat zich direct richt op het verhogen van het kindertal vaak geen of slechts zeer tijdelijk effect heeft, maar de overheid wel een rol heeft om de randvoorwaarden op orde te brengen.1 Zo zetten we als kabinet in op betaalbare en passende huisvesting, goed onderwijs en een werkende arbeidsmarkt. Daarnaast ondersteunen we (aanstaande) gezinnen onder andere met de volgende maatregelen:
Welke concrete maatregelen neemt het kabinet om het geboortecijfer van 1,4 te verhogen?
Zie antwoord vraag 5.