Gepubliceerd: 5 oktober 2020
Indiener(s): Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66)
Onderwerpen: bestuur parlement recht staatsrecht
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-35418-8.html
ID: 35418-8

Nr. 8 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 5 oktober 2020

Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel houdende verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet strekkende tot het opnemen van een bepaling over een door niet-ingezetenen gekozen kiescollege voor de verkiezing van de Eerste Kamer der Staten-Generaal (Kamerstuk 35 418) heb ik toegezegd voorlichting te vragen aan de Afdeling advisering van de Raad van State over de wijze waarop de stemwaarde van de leden van het nieuw in te stellen kiescollege zal worden bepaald (Kamerstuk 35 419, nr. 9, p. 25).

Op 11 juni jl. heb ik de Afdeling om voorlichting gevraagd. In het verzoek om voorlichting, dat voor uw kennisneming is bijgevoegd, heb ik de Afdeling gevraagd welke mogelijkheden zij ziet om binnen het samenstel van bepalingen van de Grondwet, te zijner tijd in de (Kies)wet de stemwaarde te bepalen van de leden van het kiescollege voor Nederlanders in het buitenland, bedoeld in het hiervoor genoemde Grondwetsvoorstel1. Ook heb ik gevraagd daarbij aan te geven hoe de verschillende mogelijkheden zich verhouden tot de Grondwettelijke kaders in het algemeen en het beginsel van de evenredige vertegenwoordiging en de wijze waarop de verkiezing van de Eerste Kamer wordt beschouwd in het bijzonder.

De Afdeling heeft haar voorlichting uitgebracht op 30 september jl. Deze treft u aan als bijlage bij deze brief2.

De Afdeling komt tot de conclusie dat het niet mogelijk is om, ervan uitgaande dat de bestaande rekenmethode voor kiezers binnen Nederland niet wordt aangepast, optimaal recht te doen aan zowel artikel 4 als artikel 53 Grondwet. De Afdeling wijst er op dat beide artikelen echter ruimte bieden voor de wetgever om uitzonderingen te maken en dat de optie om de stemwaarde voor kiezers buiten Nederland te bepalen op basis van de uitgebrachte stemmen, binnen de kaders past die de Grondwet stelt.

De Afdeling noemt als tweede (theoretische) optie om ook de stemwaarde van de leden van provinciale staten en de kiescolleges in de Caribische openbare lichamen te bepalen op basis van het aantal uitgebrachte stemmen bij de laatste verkiezingen voor provinciale staten en de kiescolleges in de Caribische openbare lichamen. Tegen deze optie bestaan naar het oordeel van de Afdeling geen grondwettelijke bezwaren, maar zij moet wel worden gezien als een fundamentele heroverweging van het karakter van de verkiezing van de Eerste Kamer. Een zodanige heroverweging ligt volgens de Afdeling niet voor de hand.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, K.H. Ollongren