Gepubliceerd: 26 mei 2020
Indiener(s): Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA)
Onderwerpen: openbare orde en veiligheid organisatie en beleid recht strafrecht
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-34641-25.html
ID: 34641-25

Nr. 25 BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 26 mei 2020

Onder verwijzing naar het verslag van het wetgevingsoverleg van 14 oktober 2019 dat ik met de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid over het wetsvoorstel geweldsaanwending opsporingsambtenaar (Kamerstuk 34 641, nr. 22) heb gevoerd, vraag ik graag uw aandacht voor het volgende.

Het wetsvoorstel geweldsaanwending opsporingsambtenaar bevat een aantal wijzigingen van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering waardoor regels met betrekking tot het onderzoek naar en de mogelijke vervolging en berechting van gevallen van geweldsaanwending door opsporingsambtenaren in de uitoefening van hun functie beter zullen worden toegesneden op hun positie, taak en bevoegdheid. Het voorstel is op 29 oktober 2019 met een ruime meerderheid door de Tweede Kamer aangenomen en is thans aanhangig bij de Eerste Kamer.

Het wetsvoorstel omvat een voorziening op grond waarvan de rechtbank Midden-Nederland exclusief bevoegd wordt de strafzaken te behandelen waarop het wetsvoorstel ziet. Tijdens eerdergenoemd wetgevingsoverleg stelde het lid van uw Kamer, mevrouw Helder, in verband met deze regeling mij de vraag of ook is voorzien in een aparte artikel 12 Sv-procedure voor de behandeling van klachten over het niet vervolgen van opsporingsambtenaren wegens het gebruik van geweld in de uitoefening van hun functie. In antwoord op deze vraag heb ik toen aangegeven dat door de regeling van de concentratie van de strafzaken bij de rechtbank Midden-Nederland artikel 12 Sv-klachten in dergelijke zaken zullen worden behandeld door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Bij gelegenheid van de beantwoording van het voorlopig verslag van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid van de Eerste Kamer (Kamerstuk 34 641, B), waarin eveneens vragen over de concentratieregeling voor de behandeling van de strafzaken tegen opsporingsambtenaren zijn gesteld, ben ik er evenwel op gestuit dat uit de nu in het wetsvoorstel opgenomen regeling nog niet automatisch volgt dat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden exclusief bevoegd zal zijn voor de behandeling van artikel 12 Sv-klachten. Dit dient uitdrukkelijk te worden bepaald door een aanvulling van artikel 12, eerste lid, Sv. Een voorstel voor deze wetswijziging heb ik opgenomen in een reparatiewetsvoorstel dat nog dit voorjaar in procedure wordt gebracht. Ik streef er uiteraard naar deze wetswijziging tegelijk met het wetsvoorstel geweldsaanwending opsporingsambtenaar in werking te laten treden, maar ik wil de brede invoering van het nieuwe stelsel geweldsaanwending opsporingsambtenaar daarvan niet afhankelijk maken. Mocht inwerkingtreding van het wetsvoorstel geweldsaanwending opsporingsambtenaar derhalve eerder mogelijk zijn, dan zullen – conform de huidige praktijk – de vier gerechtshoven nog tijdelijk bevoegd blijven kennis te nemen van artikel 12 Sv-klachten over binnen hun rechtsgebied genomen beslissingen tot niet vervolging van gevallen van geweldsaanwending door een opsporingsambtenaar in de uitoefening van zijn functie.

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus