Nr. 11 TWEEDE NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 4 mei 2018

A

In artikel I, onderdeel A, wordt het voorgestelde artikel 1 als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. In de alfabetische rangschikking van het eerste lid (nieuw) vervalt: «– sepot: een beslissing van het openbaar ministerie tot het afzien van verdere vervolging, bedoeld in artikel 167, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering;».

3. In de alfabetische rangschikking van het eerste lid (nieuw) wordt «– Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;» vervangen door «– Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport of Onze Minister voor Medische Zorg;».

4. In de alfabetische rangschikking van het eerste lid (nieuw) wordt «– medische persoonsgegevens: persoonsgegevens betreffende de gezondheid als bedoeld in artikel 21 van de Wet bescherming persoonsgegevens;» vervangen door «– medische persoonsgegevens: gegevens over gezondheid als bedoeld in artikel 9 van de Algemene verordening gegevensbescherming;».

5. In de alfabetische rangschikking van het eerste lid (nieuw) wordt «– strafrechtelijke persoonsgegevens: persoonsgegevens als bedoeld in artikel 22 van de Wet bescherming persoonsgegevens en persoonsgegevens betreffende onrechtmatig of hinderlijk gedrag in verband met een opgelegd verbod naar aanleiding van dat gedrag;» vervangen door

«– strafrechtelijke persoonsgegevens: persoonsgegevens van strafrechtelijke aard als bedoeld in artikel 1 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming;».

6. In de alfabetische rangschikking van het eerste lid (nieuw) wordt ingevoegd:

– orgaan van de verblijfplaats: rechtspersoon die door Onze Minister is aangewezen als orgaan van de verblijfplaats in de zin van de socialezekerheidsverordening of, voor zover het zorg betreft, een verdrag inzake sociale zekerheid waarbij Nederland partij is;

– orgaan van de woonplaats: rechtspersoon die door Onze Minister is aangewezen als orgaan van de woonplaats in de zin van de socialezekerheidsverordening of, voor zover het zorg betreft, een verdrag inzake sociale zekerheid waarbij Nederland partij is;

– socialezekerheidsverordening: Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004, betreffende de coördinatie van socialezekerheidsstelsels (Pb EU 2004, L 166);

– toepassingsverordening: Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PbEU 2009, L 284);.

7. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:

2. Onder zorg bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt mede begrepen forensische zorg als omschreven in artikel 1.1, tweede lid, van de Wet forensische zorg.

3. Voor de toepassing van deze wet wordt, voor zover het betreft de inkoop van forensische zorg, Onze Minister voor Rechtsbescherming met een ziektekostenverzekeraar gelijkgesteld.

B

Artikel I, onderdeel B, vervalt.

C

Artikel I, onderdeel C, wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel C, onder 1, komt te luiden:

1. In het tweede lid wordt «of een deel daarvan» vervangen door «of voor zover het betreft forensische zorg, een deel daarvan».

2. In de aanhef van onderdeel C, onder 2, wordt «Onder vernummering van het derde en vierde lid tot zesde en zevende lid» vervangen door « Onder vernummering van het derde tot en met het vijfde lid tot zesde tot en met achtste lid».

D

Artikel I, onderdeel I, komt te luiden:

I

Artikel 20 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid komt te luiden:

2. De bekendmaking door de zorgautoriteit van een collectieve prestatiebeschrijving of een collectieve tariefbesluit, geschiedt door kennisgeving van de vaststelling daarvan in de Staatscourant, onder vermelding dat die onderscheidenlijk dat bij haar ter inzage ligt.

2. Na het tweede lid wordt een lid toegevoegd, luidende:

3. De zorgautoriteit doet mededeling in de Staatscourant van de vaststelling van de beschikkingen die zij heeft genomen op grond van de artikelen 52 en 53, onder vermelding dat deze bij haar ter inzage liggen.

E

In artikel I worden na onderdeel I, twee onderdelen ingevoegd, luidende:

Ia

In artikel 21, derde lid, vervalt «als bedoeld in artikel 60».

Ib

In artikel 22, derde lid, vervalt «als bedoeld in artikel 60».

F

Artikel I, onderdelen J, K en L vervallen.

G

In artikel I, onderdeel AA, wordt in het tiende lid van het voorgestelde artikel 50 «Onze Minister van Veiligheid en Justitie» vervangen door «Onze Minister voor Rechtsbescherming».

H

In artikel I, onderdeel HH, wordt het voorgestelde artikel 56a, als volgt gewijzigd:

1. In het zesde lid wordt na «op een ziektekostenverzekeraar» ingevoegd «, op het orgaan van de woonplaats en op het orgaan van de verblijfplaats».

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

11. Het tweede lid en het vijfde lid, aanhef en onderdeel a, blijven buiten toepassing bij een prestatie anders dan bedoeld in artikel 50, derde lid, onderdeel a, indien dat bij regeling van Onze Minister is bepaald.

I

Artikel I, onderdeel PP, onder 1, komt te luiden:

1. In het eerste lid wordt «bij of krachtens deze wet en met het in de artikelen 16 en 16a bedoelde toezicht,» vervangen door «bij of krachtens deze wet, met uitzondering van de paragrafen 4.3 en 4.3a, en met het in de artikelen 16 en 16a bedoelde toezicht,».

J

In artikel I, onderdeel RR, wordt het voorgestelde artikel 76 als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt na «31,» wordt ingevoegd «31a, tweede lid, 31c, 31d, eerste tot en met vierde lid,».

2. In het eerste lid wordt «51, vierde lid, 52, vijfde lid,» vervangen door «51, vijfde lid, 52, zesde lid,».

K

In artikel I, onderdeel UU wordt het voorgestelde artikel 82 als volgt gewijzigd:

1. Na «31,» wordt ingevoegd «31a, tweede lid, 31c, 31d, eerste tot en met vierde lid,».

2. De zinsnede «51, vierde lid, 52, vijfde lid,» wordt vervangen door «51, vijfde lid, 52, zesde lid,».

L

Artikel I, onderdeel ZZ komt te luiden:

ZZ

Na artikel 90 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 91

1. De Autoriteit Consument en Markt kan een bestuurlijke boete opleggen ter zake van overtreding van het bepaalde bij of krachtens de paragrafen 4.3 en 4.3a.

2. De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 900.000 of, indien dat meer is, tien procent van de omzet van de overtreder.

3. De bestuurlijke boete die ingevolge het tweede lid ten hoogste kan worden opgelegd wordt verhoogd met honderd procent, indien binnen een tijdvak van vijf jaren voorafgaande aan de dagtekening van het van de overtreding opgemaakte rapport, bedoeld in artikel 5:48, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, een aan die overtreder voor een eerdere overtreding van eenzelfde of een soortgelijk wettelijke voorschrift opgelegde bestuurlijke boete onherroepelijk is geworden.

M

De artikelen VIII tot en met X, Xb, Xc en Xg tot en met Xn vervallen.

Toelichting

Algemeen

Deze nota van wijziging bevat aanpassingen van het bij koninklijke boodschap van 8 april 2016 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet marktordening gezondheidszorg en enkele andere wetten in verband met aanpassingen van de tarief- en prestatieregulering en het markttoezicht op het terrein van de gezondheidszorg (Kamerstukken 34 445). Deze nota van wijziging bevat wijzigingen in verband met feit dat de onderstaande vier wetsvoorstellen tot wet zijn verheven:

a. het bij koninklijke boodschap van 4 juni 2010 ingediende voorstel van wet houdende vaststelling van een Wet forensische zorg en daarmee verband houdende wijzigingen in diverse andere wetten (Wet forensische zorg) (Kamerstukken 32 398);

b. het bij koninklijke boodschap van 21 december 2012 ingediende voorstel van wet houdende wijziging van de Wet gebruik burgerservicenummer in de zorg, Wet marktordening gezondheidszorg en de Zorgverzekeringswet (cliëntenrechten bij elektronische verwerking van gegevens) (Kamerstukken 33 509);

c. het bij koninklijke boodschap van 13 april 2015 ingediende voorstel van wet tot wijziging van een aantal wetten op het terrein van het Ministerie van Economische Zaken en het terrein van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu, houdende een verhoging van voor de Autoriteit Consument en Markt geldende boetemaxima (Kamerstukken 34 190), en

d. het bij koninklijke boodschap van 30 oktober 2015 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Zorgverzekeringswet, de Wet marktordening gezondheidszorg en de Wet financiering sociale verzekeringen in verband met grensoverschrijdende zorg (Kamerstukken 34 333).

De Wet forensische zorg zal naar verwachting met ingang van 1 januari 2019 in werking treden, de overige drie wetten zijn reeds in werking getreden. De uit die vier wetten voortvloeiende wijzigingen worden op grond van deze nota van wijziging in de tekst van het wetsvoorstel verwerkt. De samenloopbepalingen met de bovengenoemde tot wet verheven wetsvoorstellen kunnen daarom komen te vervallen.

Deze nota van wijziging past het wetsvoorstel aan in verband met de overgang van de uitvoering van de zogenaamde burgerregelingen van de Zorgverzekeringswet van het Zorginstituut Nederland naar het CAK met ingang van 1 januari 2017.

Deze nota van wijziging bevat tenslotte een aantal wijzigingen van het wetsvoorstel van louter technische aard.

Artikelsgewijs

A onder 1, 2 en 7 en B (artikelen 1 en 1a van de Wet marktordening gezondheidszorg)

Het vervallen van de begripsomschrijving van «sepot» in artikel 1 van de Wet marktordening gezondheidszorg (hierna: Wmg), de toevoeging van twee leden aan dat artikel en het vervallen van artikel 1a van de Wmg, vloeien voort uit de inwerkingtreding van de Wet forensische zorg.

A onder 3 (artikel 1 van de Wmg)

De aanpassing van de begripsomschrijving van «Onze Minister» hangt samen met de benoeming van de Minister voor Medische Zorg. Een aantal tot zijn verantwoordelijkheid behorende beleidsterreinen vallen onder de reikwijdte van de Wmg.

A onder 4 en 5 (artikel 1, eerste lid, van de Wmg)

De gewijzigde begripsomschrijvingen van «medische persoonsgegevens» en «strafrechtelijke persoonsgegevens» vloeien voort uit de inwerkingtreding van de Algemene verordening gegevensbescherming en van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming. Artikel 51 van die wet voorziet in de intrekking van de Wet bescherming persoonsgegevens.

A onder 6, H onder 1, J onder 1 en K onder 1 (artikelen 1, eerste lid, 56a, 76 en 82 van de Wmg)

De aanpassingen houden verband met de inwerkingtreding van de wet van 8 maart 2017 tot wijziging van de Zorgverzekeringswet, de Wet marktordening gezondheidszorg en de Wet financiering sociale verzekeringen in verband met grensoverschrijdende zorg (Stb. 2017, 99).

C (artikel 2 van de Wmg)

De wijzigingsopdracht in onderdeel C van de eerste nota van wijziging sorteert door de foutieve redactie geen effect. De wijzigingopdracht bewerkstelligt alsnog de beoogde wijziging in het tweede lid van artikel 2 van de Wmg.

D (artikel 20 van de Wmg)

Er was met de voorgestelde wijziging van artikel 20 van de Wmg louter beoogd om dubbelingen met de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) weg te nemen en dat artikel aan te passen aan de overgang van het instrument van aanmerkelijke marktmacht van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) naar de Autoriteit Consument en Markt. De voorgestelde wijzigingen hebben echter meer en daarmee onbedoelde gevolgen voor de bekendmaking van collectieve prestatiebesluiten en collectieve tariefbesluiten.

De NZa moet volgens de huidige inzichten worden aangemerkt als een tot de centrale overheid behorend bestuursorgaan. Dit houdt in dat de NZa voor wat betreft de bekendmaking van haar besluiten die niet tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, valt onder het toepassingsbereik van artikel 3:42, eerste lid, van de Awb. De bekendmaking van een dergelijk besluit geschiedt door kennisgeving van dat besluit of de zakelijke inhoud daarvan. Artikel 3:42, eerste lid, van de Awb, voorziet in de mogelijkheid om bij wettelijk voorschrift een andere wijze van bekendmaking vast te stellen. De wijziging van het voorgestelde tweede lid van artikel 20 van de Wmg, heeft tot gevolg dat de op grond van het huidige artikel 20, tweede lid, onderdeel d, van de Wmg, geldende wijze van bekendmaking van collectieve prestatiebeschrijvingen en collectieve tariefbesluiten, gehandhaafd blijft. De bekendmaking van de voornoemde besluiten geschiedt door kennisgeving van de vaststelling daarvan in de Staatscourant en terinzagelegging van die besluiten bij de NZa. De NZa moet bij die kennisgeving vermelden dat de vastgestelde besluiten bij haar ter inzage liggen. Die besluiten zijn ook digitaal raadpleegbaar op de website van de NZa.

De inhoud van het voorgestelde tweede lid van artikel 20 van de Wmg is verplaatst naar het aan dat artikel toegevoegde derde lid. Het betreft hier de verplichting voor de NZa om van de vaststelling van individuele prestatiebeschrijvingen en individuele tariefbesluiten mededeling te doen in de Staatscourant en daarbij te vermelden dat deze bij haar ter inzage liggen. Die verplichting geldt thans op basis van het huidig artikel 20, tweede lid, onderdeel d, van de Wmg, ook al voor de NZa. De bovenbedoelde verplichting geldt in aanvulling op de Awb.

E (artikelen 21 en 22 van de Wmg)

Het betreft hier aanpassingen gezien het feit dat de begripsomschrijvingen in artikel 60 van de Wmg zijn verplaatst naar artikel 1 van die wet.

F (artikelen 24 tot en 26 van de Wmg)

De wijzigingsopdrachten om de vermelding van het CAK in de artikelen 24 tot en met 26 te laten vervallen, zijn geschrapt. Dit hangt samen met de overgang van de uitvoering van burgerregelingen van de Zorgverzekeringswet van het Zorginstituut Nederland naar het CAK met ingang van 1 januari 2017.

G (artikel 50 van de Wmg)

De wijziging van het tiende lid van het voorgestelde artikel 50 hangt samen met de benoeming van de Minister voor Rechtsbescherming. De Wet forensische zorg behoort tot zijn verantwoordelijkheden

H onder 2 (artikel 56a, elfde lid, van de Wmg)

Het tweede lid van het voorgestelde artikel 56a, tweede lid, van de Wmg, heeft het onbedoelde gevolg dat het gebod om geen tarief te declareren voor zorg die niet is geleverd, ook gaat gelden voor vormen van zorg die thans buiten de prestatie- en tariefregulering vallen. Het verbod om een tarief te declareren voor zorg die niet is geleverd, vormt onderdeel van de prestatie- en tariefregulering. Dat verbod is opgenomen in het bij koninklijke boodschap van 30 juni 2014 ingediende voorstel van wet houdende wijziging van de Wet marktordening gezondheidszorg en enkele andere wetten in verband met het verbeteren van toezicht, opsporing, naleving en handhaving (33 980). Het bovenbedoelde verbod geldt niet voor vormen van zorg die thans op grond van het Besluit uitbreiding en beperking werkingssfeer WMG, buiten het toepassingsbereik van de prestatie- en tariefregulering vallen1. Het toegevoegde elfde lid maakt het mogelijk de vormen van zorg, waarvoor thans geen prestatie- en tariefregulering geldt, buiten de reikwijdte van het gebod om geen tarief te declareren voor zorg die niet is geleverd te laten vallen.

I (artikel 72 van de Wmg)

De aanpassing van de opdracht tot wijziging van artikel 72, eerste lid, van de Wmg, vloeit voort uit de inwerkingtreding van de wet 5 oktober 2016 tot wijziging van de Wet gebruik burgerservicenummer in de zorg, de Wet marktordening gezondheidszorg en de Zorgverzekeringswet (cliëntenrechten bij elektronische verwerking van gegevens) (Stb. 2016, 373).

J onder 2 en K onder 2 (76 en 82 van de Wmg)

Het betreft hier correcties van de vermelde artikelleden. Het gaat om de voorschriften en beperkingen die de NZa heeft verbonden aan het in rekening brengen van een tarief.

L (artikel 91 van de Wmg)

De wijziging van het voorgestelde in te voegen artikel 91 van de Wmg, vloeit voort uit de inwerkingtreding van de wet van 23 december 2015 tot wijziging van een aantal wetten op het terrein van het Ministerie van Economische Zaken en het terrein van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu, houdende een verhoging van voor de Autoriteit Consument en Markt geldende boetemaxima (Stb. 2016, 22).

M (samenloopbepalingen)

De vervallen samenloopbepalingen betreffen de samenloop van wetsvoorstel 34 445 met de vier wetsvoorstellen die inmiddels tot wet zijn verheven en reeds in werking zijn getreden dan wel eerder dan wetsvoorstel 34 445 in werking zullen treden.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, H.M. de Jonge