Gepubliceerd: 7 mei 2013
Indiener(s): Tamara van Ark (VVD), Keklik Yücel (PvdA), Vera Bergkamp (D66), Jasper van Dijk (SP), Jesse Klaver (GL)
Onderwerpen: recht staatsrecht
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32476-6.html
ID: 32476-6
Origineel: 32476-2

Nr. 6 VOORSTEL VAN WET ZOALS GEWIJZIGD NAAR AANLEIDING VAN HET ADVIES VAN DE RAAD VAN STATE

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de enkele-feitconstructie uit de Algemene wet gelijke behandeling te schrappen;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Algemene wet gelijke behandeling wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 5, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. Het eerste lid laat onverlet dat

    • a. een instelling op godsdienstige of levensbeschouwelijke grondslag,

    • b. een instelling van bijzonder onderwijs of

    • c. een instelling op politieke grondslag

    ten aanzien van personen die voor haar werkzaam zijn onderscheid mag maken op grond van godsdienst, levensovertuiging of politieke gezindheid, voor zover deze kenmerken vanwege de aard van de betrokken specifieke beroepsactiviteit of de context waarin deze wordt uitgeoefend een wezenlijk, legitiem en gerechtvaardigd beroepsvereiste vormen, gezien de grondslag van de instelling. Een zodanig onderscheid kan geen onderscheid op een andere in artikel 1 genoemde grond rechtvaardigen.

B

Artikel 6a, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. Het eerste lid laat onverlet dat

    • a. een op godsdienstige of levensbeschouwelijke grondslag gebaseerde organisatie of vereniging of

    • b. een op politieke grondslag gebaseerde organisatie of vereniging

    ten aanzien van personen die door een lidmaatschap of anderszins bij haar betrokken zijn onderscheid mag maken op grond van godsdienst, levensovertuiging of politieke gezindheid, voor zover deze kenmerken vanwege de aard van de betrokkenheid of de context waarin specifieke activiteiten worden uitgeoefend een wezenlijk, legitiem en gerechtvaardigd vereiste vormen, gezien de grondslag van de organisatie of vereniging. Een zodanig onderscheid kan geen onderscheid op een andere in artikel 1 genoemde grond rechtvaardigen.

C

Artikel 7, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. Het eerste lid, onderdeel c, laat onverlet dat een instelling van bijzonder onderwijs bij de toelating en ten aanzien van de deelname aan het onderwijs onderscheid mag maken op grond van godsdienst, levensovertuiging of geslacht, voor zover deze kenmerken vanwege de aard van het onderwijs een wezenlijk, legitiem en gerechtvaardigd vereiste vormen, gezien de grondslag van de instelling. Onderscheid op grond van geslacht is slechts toegestaan, indien voor leerlingen van beide geslachten gelijkwaardige voorzieningen aanwezig zijn. Onderscheid als bedoeld in dit artikellid kan geen onderscheid op een andere in artikel 1 genoemde grond rechtvaardigen.

ARTIKEL II

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

De Minister van Veiligheid en Justitie,

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,