Kamerstuk 32131-27

Verslag van een schriftelijk overleg over de consequenties van de Wet uniformering loonbegrip

Dossier: Wijziging van een aantal wetten ter uniformering van het loonbegrip (Wet uniformering loonbegrip)

Gepubliceerd: 1 mei 2013
Indiener(s): Frans Weekers (staatssecretaris financiƫn) (VVD)
Onderwerpen: belasting financiƫn organisatie en beleid sociale zekerheid
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32131-27.html
ID: 32131-27

Nr. 27 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 1 mei 2013

Binnen de vaste commissie voor Financiën hebben enkele fracties behoefte over de consequenties van de Wet Uniformering Loonbegrip enkele vragen en opmerkingen voor te leggen.

De vragen en opmerkingen zijn op 7 maart 2013 aan de staatssecretaris van Financiën voorgelegd. Bij brief van 26 april 2013 zijn ze door hem beantwoord.

De voorzitter van de commissie, Van Nieuwenhuizen-Wijbenga

De adjunct-griffier van de commissie, Maas

I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de VVD

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de staatsecretaris van Financiën over de Wet Uniformering Loonbegrip (WUL).

De gevolgen voor sommige groepen in de bevolking lijken erg groot te zijn. Zo gaan de mensen met een prepensioen, gepensioneerden en directeur grootaandeelhouders er door deze wet erg op achteruit.

Ook bijvoorbeeld grensarbeiders blijken niet te profiteren van het afschaffen van de inkomensafhankelijke bijdrage, maar worden wel geraakt door de algemene verhoging van de loon- en inkomstenbelasting, graag een reactie van de staatsecretaris hierop.

Is inmiddels bekend wat de gevolgen zijn voor deze groepen en is bekend of er nog andere groepen zijn waar vergelijkbare uitschieters voorkomen?

De leden van de VVD-fractie zouden tevens graag willen weten wanneer de evaluatie van deze wet, zoals gevraagd in de moties Neppérus, Van Vliet en Van Vliet, Neppérus, kan worden verwacht.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de PvdA

De leden van de fractie van de PvdA hebben kennisgenomen van de brief van de staatssecretaris van Financiën ten aanzien van de inkomenseffecten van de Wet Uniformering Loonbegrip (WUL) voor militairen, Wajongers en gepensioneerden. Deze leden hebben nog enkele vragen over de precieze gevolgen van de regeling voor specifieke en vaak kwetsbare groepen in de samenleving. Daarnaast zijn er vragen over de wijze waarop de wet WUL is ingevoerd en de wijze van communicatie naar buiten.

De WUL heeft naar het blijkt negatieve gevolgen voor militairen, doordat de loon- en inkomstenbelasting wordt verhoogd, maar voor deze groep niet kan worden gecompenseerd door het vervallen van de inkomensafhankelijke bijdrage in de zorgverzekering. De leden van de fractie van de PvdA willen weten of dit specifieke effect voor militairen van te voren is onderkend bij de ministeries van Financiën respectievelijk Defensie. Zo nee, dan is de vraag welke lessen hieruit worden getrokken?

Ook Wajongers ondervinden gevolgen van de WUL, met per saldo in 2013 een «licht negatief» inkomenseffect. Dit is het gevolg van een verhoging van het tarief in de eerste schijf, verlaging van de algemene heffingskorting en een afbouw van de dubbele heffingskorting in de sociale zekerheid. De leden van de fractie van de PvdA vragen de regering of het vervallen van de inkomensafhankelijke bijdrage en de verhoging van de zorgtoeslag voor deze groep voldoende tegenwicht biedt om het koopkrachtverlies te compenseren? Wat is de grootte van het «licht negatieve inkomenseffect», over welk percentage hebben we het dan?

Ook veel gepensioneerden ondervinden een negatief inkomenseffect als gevolg van de invoering van de WUL. Doordat ouderen geen werkgever hebben, genieten zij geen voordeel van het afschaffen van de vergoeding door de werkgever van de inkomensafhankelijke bijdrage, maar hebben zij wel nadeel van het fors hogere belastingtarief in de eerste schijf. Ter compensatie hiervoor zijn de 65+ korting en de ouderenkorting verhoogd. Daarnaast hebben, zo begrijpen de leden van de PvdA-fractie, ouderen met relatief lage pensioenen profijt van het verhogen van de inkomensgrens voor de inkomensafhankelijke Zvw-premie, waardoor deze premie kon dalen. Klopt het dat als gevolg van deze maatregelen de inkomenseffecten beperkt blijven tot een bandbreedte van 1,5%? En zo ja, hoe verklaart de regering dan de vele mails van ouderen waaruit inkomensachteruitgang blijkt van 6% en zelfs meer? Om hoeveel mensen gaat het naar schatting dan?

Bij mensen die prepensioen genieten is de doorwerking van de wet WUL vergelijkbaar met de doorwerking bij gepensioneerden. Voor hen is ter compensatie een specifieke tijdelijke extra heffingskorting in het leven geroepen. Deze heffingskorting is evenwel beduidend minder dan de verhoging van de 65+ en de ouderenkorting. Klopt het derhalve dat mensen met prepensioen relatief zwaar getroffen worden door de wet WUL? Zo ja, waarom is hierbij dan geen rekening gehouden bij de vaststelling van de tijdelijke heffingskorting?

De WUL heeft tot gevolg dat op de inleg in de levensloopregeling de omkeerregel van toepassing is, zoals gebruikelijk bij pensioenpremies. Hierdoor vermindert het uitkeringsloon, hetgeen bij arbeidsongeschiktheid of werkeloosheid van de werknemer kan leiden tot een lagere uitkering. Doordat een opname uit de levensloopregeling valt onder het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking, worden premies geheven voor werknemersverzekeringen. De leden van de fractie van de PvdA vragen de regering of kan worden voorkomen dat levensloop zo dubbel wordt belast? Hoe groot zijn de administratieve lasten voor werkgevers als het discoördinatiepunt tot 2021 blijft bestaan bij een omkeerregel die alleen voor het «nieuwe» deel van de levensloopregeling geldt?

Tenslotte hebben de leden van de PvdA-fractie enkele vragen met betrekking tot de uitvoering van de regeling. Hoe is de communicatie met de SVB en de pensioenfondsen verlopen waar het gaat om de voorlichting over de effecten van de WUL en de verwerking van de gewijzigde heffingskortingen in de pensioenopgaven? Welke stappen denkt de regering nog te ondernemen om de werkelijke inkomensgevolgen van de WUL beter onder de aandacht te brengen?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de PVV

De leden van de fractie van de PVV hebben met belangstelling kennisgenomen van de stukken. Daarbij hebben de leden van de fractie van de PVV echter wel de volgende vragen, aan- en/of opmerkingen.

Welke mogelijkheden ziet de staatssecretaris om de zeer nadelige neveneffecten voor bepaalde groepen, zoals pensioneerden, jonggehandicapten en militairen, op te heffen binnen de sfeer van de WUL?

Klopt het dat de staatssecretaris voor de effecten van de WUL feitelijk verwijst naar zijn brief van 20 januari 2012 met de daarbij behorende bijlagen?

In bijlage I van de brief van 20 januari 2012 vinden de leden van de fractie van de PVV een grafiek met een puntenwolk en een tabel met betrekking tot de spreiding van de inkomenseffecten uniformering loonbegrip. In bijlage II vinden de leden van de fractie van de PVV een overzicht (aanvullend pakket) wet uniformering loonbegrip.

Valt het de staatsecretaris ook op dat de spreiding van de waarnemingen bij een bruto huishoudinkomen tussen € 15.000,- en € 40.000,- veel groter is dan voor het segment boven de € 40.000,-? Valt het de staatssecretaris dan ook op dat de spreiding van het segment € 15.000,- en € 40.000,- gelijkelijk verdeeld is over positief en negatief?

Valt het de staatssecretaris dan ook op dat de spreiding in het segment boven de € 40.000,- hoofdzakelijk in het negatief ligt en dat die spreiding groter wordt naar mate het inkomen stijgt?

Deze scheefheid wordt bevestigd in de onderstaande tabellen. Deze zijn afgeleid uit de tabel uit bijlage I.

Hoe verklaart de staatsecretaris de grote spreiding in het segment tussen € 15.000 en € 40.000. Wat zijn de bepalende factoren hierbij?

Hoe verklaart de staatsecretaris de grotere negatieve spreiding in het segment boven de € 40.000,-? Wat zijn de bepalende factoren hierbij?

 

<– 0,5%

– 0,5%–  0,5%

> 0,5%

Minimum

39%

38%

23%

minimum–modaal

29%

44%

27%

modaal–1,5 x modaal

16%

24%

59%

1,5–2 x modaal

25%

33%

41%

2–3 x modaal

49%

20%

31%

> 3 x modaal

61%

37%

3%

Totaal

33%

33%

35%

 

<– 1,5%

– 1,5%– 1,5%

> 1,5%

minimum

2%

90%

8%

minimum–modaal

4%

90%

6%

modaal–1,5 x modaal

8%

64%

27%

1,5–2 x modaal

14%

81%

4%

2–3 x modaal

18%

73%

9%

> 3 x modaal

21%

80%

0%

totaal

11%

79%

11%

 

<– 3%

– 3%– 3%

> 3%

minimum

0%

98%

2%

minimum–modaal

1%

98%

1%

modaal–1,5 x modaal

1%

98%

0%

1,5–2 x modaal

4%

95%

0%

2–3 x modaal

4%

96%

0%

> 3 x modaal

7%

94%

0%

totaal

3%

97%

1%

In het aanvullende pakket is gewerkt met 25 parameters om de budgettaire derving te dempen. De leden van de PVV-fractie leiden dit af uit bijlage II van de brief van 20 januari 2012. Klopt dat?

Hoe heeft de uiteindelijk invulling (keuze van de hoogte) van de paramaters plaats gevonden?

Is daarbij gebruik gemaakt van verschillende inkomenscategorieën?

Is gebruik gemaakt van wiskundige technieken om de parameters dusdanig vast te stellen dat de uitkomst zo optimaal mogelijk was? Als er geen gebruik gemaakt is van dergelijke optimaliseringstechnieken, neemt u dan in overweging omdat in de toekomst te gaan doen?

Is gebruik gemaakt van een doelstellingsfunctie waarbij een weging van verschillende categorieën plaats vond? Op welke wijze heeft die weging dan plaats gevonden?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de SP

De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de brief over de inkomenseffecten van de Wet Uniformering Loonbegrip voor gepensioneerden, militairen en Wajongers. Deze leden hebben de volgende vragen over de effecten van de WUL.

De leden van de fractie van de SP vragen de staatssecretaris in kaart te brengen voor welke inkomensgroepen geldt dat de negatieve inkomenseffecten groter zijn dan 1,5%. Zijn dit veelal lage inkomens of juist hogere inkomens die relatief het zwaarst worden getroffen door de WUL?

De leden van de SP-fractie vragen zich af of de staatssecretaris erkent dat voor sommige groepen de negatieve inkomenseffecten van de WUL fors groter zijn dan het gemiddelde, bijvoorbeeld voor degenen met een WIA-uitkering, een auto van de zaak, mensen met een (pre)-pensioen, AOW-ers, vutters en mensen met een lijfrente-uitkering. Hoe groot kunnen de effecten van de WUL zijn voor deze personen? Is de staatssecretaris bereid op elk van deze groepen afzonderlijk in te gaan?

De leden van de fractie van de SP vragen de staatssecretaris aan te geven of de volgende berekening, die te vinden is op de website van het UWV, een juiste is. Daarnaast willen de leden van de SP-fractie weten of de staatssecretaris dergelijke inkomenseffecten heeft voorzien en of hij deze wenselijk acht. Ook vragen de leden van de fractie van de SP welke maatregelen de staatssecretaris gaat nemen om de negatieve inkomenseffecten te compenseren. Is de staatssecretaris het met de leden van de SP-fractie eens dat uitkeringen nooit als gevolg van de WUL mogen worden verlaagd? Is de staatssecretaris het daarnaast met de leden eens dat een uitkering nooit mag worden stopgezet als gevolg van de WUL? Hoe gaat de staatssecretaris voorkomen dat dit gebeurt? Komt ook deze problematiek aan bod tijdens de evaluatie van de WUL?

Rekenvoorbeeld website UWV

Bart heeft recht op een WIA-uitkering van € 2.000. Hij heeft daarnaast een inkomen van € 1.000. 70% van deze € 1.000 wordt van zijn uitkering afgetrokken. Dat is € 700. Bart krijgt dus een uitkering van (€ 2.000 – € 700 =) € 1.300.

De bijtelling is € 500. In de nieuwe situatie telt dit mee als inkomen. Het totale inkomen van Bart wordt dan (€ 1.000 + € 500 =) € 1.500. Vervolgens wordt 70% van deze € 1.500 van zijn uitkering afgetrokken. Dat is € 1.050. Bart krijgt dus een uitkering van (€ 2.000 – € 1.050 =) € 950.1

De leden van de fractie van de SP vragen de staatssecretaris aan te geven of, als gevolg van de WUL, het recht op een uitkering kan verdwijnen, doordat het meetellen van de bijtelling als inkomen de indruk wekt dat men een groter deel van zijn inkomen zelf kan verdienen? Zo ja, zijn er al uitkeringen stopgezet als gevolg van de WUL en om hoeveel gevallen gaat het? Kan de staatssecretaris ten slotte aangeven hoeveel uitkeringen zullen worden stopgezet of verlaagd als gevolg van de WUL?

De leden van de SP-fractie hebben enkele vragen over mogelijke onvoorziene gevolgen van de WUL voor grensarbeiders. De leden van de fractie van de SP vragen de staatssecretaris aan te geven of ongelijkheid kan ontstaan als gevolg van het feit dat de inkomensafhankelijke werkgeversbijdrage Zorgverzekeringswet (ZVW) voor Nederlandse werknemers niet meer wordt belast, terwijl werknemers die grensoverschrijdend in Nederland werken en alhier belastingplichtig, maar niet sociaalverzekerd, wel belasting betalen over de buitenlandse werkgeversbijdrage in de ziektekosten van de werknemer?

De leden van de SP-fractie vragen of het waar is dat personen met lage lonen meer negatieve inkomenseffecten ondervinden van de WUL dan mensen met een hoger loon, omdat het verdwijnen van die bijtelling ZVW een steeds grotere factor wordt, naarmate het loon hoger wordt?

De leden van de fractie van de SP vragen zich af hoe het heeft kunnen gebeuren dat de negatieve inkomenseffecten niet waren voorzien. Kan de staatssecretaris dat toelichten?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van het CDA

De leden van de CDA-fractie zouden graag aan de staatssecretaris willen vragen commentaar te geven op de volgende passage in de nota naar aanleiding van het verslag:

De leden van de fractie van het CDA vragen naar de tabel met de standaard koopkrachteffecten. Ook vragen deze leden of nader inzicht gegeven kan worden in de koopkracht van ouderen, met name van ouderen met een inkomen boven € 30.000,-. In tabel 4 zijn de inkomenseffecten van voorliggend wetsvoorstel voor standaardhuishoudens opgenomen. Enkele cases van ouderen met een groter aanvullend pensioen zijn toegevoegd. Ter illustratie: een paar met een AOW-uitkering en een aanvullend pensioen van € 30.000,- heeft een totaal bruto inkomen van circa € 45.000,-. Uit de tabel komt naar voren dat de inkomenseffecten voor de voorbeeldhuishoudens een spreiding hebben tussen – 1½ en 1½. De meeste effecten liggen echter dichter bij de 0%. De inkomenseffecten voor AOW-ers met een klein aanvullend pensioen zijn positief. AOW-ers met een aanvullend pensioen dat groter is dan € 20.000,- – € 25.000,- hebben een negatief inkomenseffect.

Tabel 4: inkomenseffecten uniformering loonbegrip

Actieven:

 

Inactieven:

 

Alleenverdiener met kinderen

 

Sociale minima

 

modaal

¾

paar met kinderen

– ¼

2 x modaal

¼

alleenstaande

¼

   

alleenstaande ouder

¼

       

Tweeverdieners

 

AOW (alleenstaand)

 

modaal + ½ x modaal met kinderen

¼

(alleen) AOW

¾

2 x modaal + ½ x modaal met kinderen

– ½

AOW + 10.000

0

modaal + modaal zonder kinderen

AOW + 15.000

0

2 x modaal + modaal zonder kinderen

½

AOW + 20.000

– ¼

   

AOW + 25.000

– 1½

       

Alleenstaande

 

AOW (paar)

 

minimumloon

– ¼

(alleen) AOW

1

modaal

AOW + 10.000

0

2 x modaal

– ¼

AOW + 15.000

0

   

AOW + 20.000

0

Alleenstaande ouder

 

AOW + 25.000

– ¼

minimumloon

– ¾

AOW + 30.000

– 1½

modaal

¾

   

De leden van de CDA-fractie constateren namelijk dat de inkomensplaatjes per 1 januari 2013 er volstrekt anders uitzagen. Is de staatssecretaris bereid:

De standaard koopkrachteffecten voor alle bovenstaande groepen te berekenen?

Aan te geven welke effecten door de wet uniformering loonbegrip komen en welke door ander wetten?

Aan te geven op welke wijze uiteindelijk de koopkrachtplaatjes meer evenwichtig gemaakt zijn als gevolg van het naar voren halen van één maatregel uit het pakket, te weten de verbreding van de grondslag van de ZVW-premie (naar het maximum dagloon) en de verlaging van het percentage?

In de brief uit juni 2012 (32 131, nr. 25) schrijft de regering «De invoering van de ULB heeft in 2013 partieel effect op het koopkrachtbeeld voor 2013. Deze brief beschrijft dit effect op basis van het CEP 2012 van het CPB.» Is de bijgevoegde puntenwolk in de bijlage nu het beeld van de koopkrachtgevolgen in 2013 (ten opzichte van 2012) van de invoering van de uniformering van het loonbegrip en strookt deze tabel met de werkelijke koopkrachtplaatjes op 1 januari 2013?

Verder verzoeken de leden van de CDA-fractie om een geactualiseerde raming van de koopkrachtcijfers over 2013, zoals die in de begroting SZW zijn gepubliceerd:

Tabel 4.1 Standaard koopkrachteffecten in %

Actieven

Raming 2012

Raming 2013

Alleenverdiener met kinderen

   
 

modaal

– 2 ¼

– ½

 

2 x modaal

– 2 ¾

– ¼

       

Tweeverdieners

   
 

modaal + ½ x modaal met kinderen

– ¾

– ¼

 

2 x modaal + ½ x modaal met kinderen

– 1 ½

– ¼

 

modaal + modaal zonder kinderen

– ¾

1

 

2 x modaal + modaal zonder kinderen

– 1 ¾

½

       

Alleenstaande

   
 

minimumloon

– 1

½

 

modaal

– 1

¾

 

2 x modaal

– 2 ¼

¼

       

Alleenstaande ouder

   
 

minimumloon

– 1 ½

¾

 

modaal

– 1

0

Inactieven

Raming 2012

Raming 2013

Sociale minima

   
 

paar met kinderen

– 2 ¼

– 1

 

alleenstaande

– 1 ½

– 1 ¼

 

alleenstaande ouder

– 1 ¾

– 1 ¼

       

AOW (alleenstaand)

   
 

(alleen) AOW

– 1

1 ¼

 

AOW + € 10.000

– 1

– 2 ¾

       

AOW (paar)

   
 

(alleen) AOW

– 1 ½

1 ½

 

AOW + € 10.000

– 1 ½

– 3

Bron: SZW-berekeningen

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van D66

De leden van de fractie van D66 zijn voor een eenvoudiger en transparanter belastingstelsel. De Wet Uniformering Loonbegrip (WUL) draagt bij aan een eenvoudiger loonstrookje en is daarom een stap in de goede richting. Zo’n versimpelingsoperatie gaat echter onvermijdelijk gepaard met inkomenseffecten. De leden zijn van mening dat extreme inkomenseffecten voorkomen dienen te worden. De leden waarderen het dat de staatssecretaris heeft toegezegd om de evaluatie over de WUL te versnellen, zodat de Kamer voor de augustusbesluitvorming van dit jaar wordt geïnformeerd. Toch hebben de leden ook in dit stadium een aantal vragen.

De leden van de fractie van D66 constateren dat het kabinet per brief is ingegaan op de inkomenseffecten van de WUL (33 400 XV nr. 87). Zij danken de staatssecretaris voor de verheldering in die brief over de inkomenseffecten voor gepensioneerden, Wajong’ers en militairen. De leden van de D66-fractie vragen de staatssecretaris of hij op dezelfde wijze inzicht kan geven in de inkomenseffecten van de WUL voor zzp’ers?

De leden van de fractie van D66 merken op dat de minister van Defensie een compensatie heeft aangekondigd voor de inkomenseffecten van de WUL bij militairen. Zijn er andere gevallen denkbaar met vergelijkbare negatieve inkomenseffecten door de WUL? Hoe verhoudt een compensatie voor militairen zich tot andere groepen die nadelige inkomenseffecten ondervinden?

De leden van de fractie van D66 constateren dat de staatssecretaris tijdens het plenaire debat op 30 januari 2013 inging op de verzilveringsproblematiek van gepensioneerden. De staatssecretaris heeft toen toegezegd om te bekijken of hij deze groep kan benaderen en hen te wijzen op het nut van de belastingaangifte. Heeft de staatssecretaris dit inmiddels onderzocht? En zo ja, is het benaderen van deze groep mogelijk gebleken?

De leden van de fractie van D66 constateren dat staatssecretaris de evaluatie over de WUL voor de augustusbesluitvorming naar de Kamer stuurt. Ziet de staatssecretaris in dat proces ruimte om (eventuele) extreme inkomenseffecten te repareren? Zo ja, is hij ook voornemens om dat te doen?

De leden van de D66-fractie vragen of het klopt dat de WUL een effect heeft op de uitkering van uitkeringsgerechtigden, vanwege een andere samenstelling van het SV-loon. Zo ja, welke factoren zijn hierin het meest bepalend? En is dit effect alleen opgetreden bij uitkeringsgerechtigden die reeds een uitkering hadden voorafgaand aan de invoering van de WUL, of treedt dit effect ook op bij nieuwe aanvragers van een uitkering? Kan inzicht worden geboden in de omvang van de groep uitkeringsgerechtigden die hierdoor in inkomen achteruit is gegaan en het gemiddelde bedrag waarmee de uitkering voor deze groep verlaagd is?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de ChristenUnie

De leden van de ChristenUnie-fractie willen het kabinet enkele vragen voorleggen over de consequenties van de WUL. Allereerst zijn de leden van de ChristenUnie-fractie benieuwd wanneer het kabinet verwacht de evaluatie over de WUL naar de Kamer te kunnen sturen. Zij vragen hierbij om voor een aantal specifieke groepen (ouderen, sociale minima en arbeidsgehandicapten) ook in te gaan op de (koopkracht)effecten van de stapeling van maatregelen.

De leden van de ChristenUnie-fractie constateren dat de effecten van de WUL voor ouderen groter zijn dan indertijd werd aangenomen. Er zou sprake zijn van kleine schommelingen, maar nu blijkt dat vooral AOW-ers met een klein aanvullend pensioen relatief veel moeten inleveren. Genoemde leden vragen of er andere mogelijkheden zijn om groepen die relatief zwaar worden getroffen, tegemoet te komen. Hierbij dient volgens genoemde leden ook aandacht worden gegeven aan de cumulatieve effecten van verschillende maatregelen.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen verder aandacht voor de situatie van ondernemers met een private arbeidsongeschiktheidsverzekering die arbeidsongeschikt zijn geraakt. Voor deze groep is geen sprake van compensatie voor de negatieve effecten van de WUL. Genoemde leden vragen het kabinet naar de mogelijkheden om deze specifieke groep alsnog te compenseren.

II Reactie van de staatssecretaris

Diverse fracties van de Tweede Kamer hebben naar aanleiding van de invoering met ingang van 1 januari 2013 van de Wet uniformering loonbegrip (hierna: Wet ULB) een aantal vragen aan mij voorgelegd. Dit stelt mij in de gelegenheid om nader in te gaan op de consequenties van de invoering van de Wet ULB met name voor de inkomens van verschillende groepen burgers in onze samenleving. Bij de beantwoording heb ik de antwoorden thematisch samengevoegd waarbij ik de volgende thema’s onderscheid, te weten Inkomenseffecten algemeen, Inkomenseffecten specifieke groepen, Communicatie, Evaluatie en Overige vragen. Hierdoor zijn vergelijkbare vragen over een bepaald onderwerp geclusterd beantwoord.

Voor ik nader inga op de diverse vragen wil ik graag meer in het algemeen ingaan op een drietal punten.

Ten eerste wil ik graag even stilstaan bij de relatie tussen de koopkrachteffecten in het jaar 2013 en de invoering van de Wet ULB. De Wet ULB is ingevoerd tijdens een flinke economische crisis in Nederland en de overheidsfinanciën staan onder enorme druk. Daarom is voor het jaar 2013 een pakket maatregelen (met een omvang van € 15 miljard) getroffen dat ervoor moet zorgen dat de Nederlandse overheidsfinanciën weer op orde komen. Die maatregelen hebben invloed op de inkomens van alle Nederlanders. Die bezuinigingen lopen samen met de budgetneutraal ingevoerde Wet ULB. Hierdoor is het in mijn beleving onterechte beeld ontstaan dat de Wet ULB oorzaak is van alle koopkrachteffecten in het jaar 2013. Met de antwoorden hieronder wil ik proberen dat beeld recht te zetten.

Ten tweede merk ik op dat de gesplitste invoering van een deel van de maatregelen die samenhangen met de Wet ULB in 2012 (verlaging van het tarief van de inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zorgverzekeringswet (hierna: IAB Zvw) en de verhoging van de maximumgrondslag van de IAB Zvw) en het invoeren van de het overige maatregelen in 2013 ertoe heeft geleid dat voor een deel van de huishoudens het zoet en het zuur van de uniformering van elkaar gescheiden zijn. Voor die groepen zijn de negatieve effecten in 2013 extra zuur en is moeilijk uit te leggen dat er in 2012 ook een positief effect van de wet uitging. Zonder vooruit te willen lopen op de evaluatie van de Wet ULB kan ik zeggen dat wij hieruit lessen moeten trekken naar de toekomst toe.

Tot slot wil ik nog een algemene notie meegeven die ik ook in het algemeen overleg van 30 januari 2013 over de Wet ULB heb aangestipt. De Wet ULB is een omvangrijke maar ook een naar het oordeel van de Kamer (getuige motie van de leden Omtzigt, Cramer en Tang2) belangrijke en noodzakelijke vereenvoudigingsoperatie waarbij uiteindelijk met bijna € 8 miljard belastinggeld wordt geschoven. Een dergelijke omvangrijke operatie is (zonder additionele budgettaire ruimte) niet goed mogelijk zonder dat daar positieve maar ook negatieve, individuele inkomenseffecten uit voortvloeien. Het kabinet heeft met instemming van de Kamer gekozen voor een benadering waarbij wordt aangegeven dat de inkomenseffecten voor een belangrijk deel van de huishoudens binnen de bandbreedte van – 1 ½ % tot + 1 ½% blijven. Daarbij is via een aanvullend pakket geprobeerd deze effecten zo veel als mogelijk te beperken. Het instrumentarium dat ik fiscaal tot mijn beschikking heb, kent zijn grenzen waardoor bij de beperking van die effecten per definitie geen maatwerk geleverd kan worden. Het compenseren van alle specifieke groepen en alle afzonderlijke individuen binnen die groepen was niet aan de orde en kan daarom ook nu niet aan de orde zijn. Die groepen zouden wel generiek gecompenseerd kunnen worden. maar een dergelijke, generieke maatregel zou – naar zijn aard – voor alle Nederlanders gelden. Dit zou de budgetneutraliteit van het wetsvoorstel in de weg staan.

Dit alles maakt de inkomenseffecten voor de burgers die erop achteruitgaan er overigens niet minder om. Het is evenwel onontkoombaar bij de verwezenlijking van de ten tijde van de indiening van het wetsvoorstel in onze samenleving breed gedeelde wens voor vereenvoudiging en uniformering van loonbegrippen, nu en in de toekomst.

1. Inkomenseffecten algemeen

De leden van de fractie van het CDA vragen het kabinet commentaar te geven op de passage in de nota naar aanleiding van het verslag over de koopkrachteffecten. Zij constateren dat de inkomensplaatjes er per 1 januari 2013 anders uitzagen en vragen de regering naar de totale koopkrachteffecten voor 2013 (een geactualiseerde raming, zoals die in de begroting van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is gepubliceerd3), met een uitsplitsing tussen de effecten van de Wet ULB en van overige wetten. Zij vragen voorts of het kabinet kan aangeven op welke wijze uiteindelijk de koopkrachtplaatjes meer evenwichtig zijn gemaakt als gevolg van het naar voren halen van één maatregel uit het pakket, te weten de verbreding van de grondslag van de IAB Zvw (naar het maximumdagloon) en de verlaging van het percentage.

De maatregelen die samenhangen met de Wet ULB zijn uiteindelijk in twee stappen ingevoerd. In 2012 is één onderdeel, namelijk de grondslagverbreding en tariefsverlaging van de IAB Zvw, alvast ingevoerd. Het overige deel van de maatregelen is met ingang van 1 januari 2013 ingevoerd. De effecten daarvan zijn betrokken bij de totstandkoming van het begrotingsakkoord en de besluitvorming van de betrokken partijen over de koopkracht om de extra bezuinigingen voor 2013 evenwichtig te laten neerslaan in het koopkrachtbeeld. De effecten van de maatregelen die samenhangen met de Wet ULB voor 2012 en 2013 kunnen hierdoor niet los worden gezien van de totale koopkrachteffecten in die jaren, en het is dan ook goed dat de leden van de fractie van het CDA hiernaar vragen.

Tabel 1 laat voor een aantal voorbeeldhuishoudens zien hoe de effecten van de Wet ULB uitpakken. Hierbij is in de eerste kolom weergegeven wat de inschatting was van de inkomenseffecten ten tijde van de nota naar aanleiding van het verslag. In de tweede kolom is weergegeven wat de stand is na de budgettaire herijking zoals die is opgenomen in de brief van 20 juni 20124. In de derde en vierde kolom is vervolgens aangegeven welk deel van het inkomenseffect neerslaat in 2012 en welk deel in 2013.

Tabel 1: inkomenseffecten Wet ULB

Actieven:

Nota nav verslag

Huidige stand

wv effect 2012

wv effect 2013

Alleenverdiener met kinderen

       

modaal

+ ¾

+ 1 ¼

+ ½

+ ¾

2 x modaal

– ¼

– ¾

– 1

+ ¼

         

Tweeverdieners

       

modaal + ½ x modaal met kinderen

+ ¼

+ ¼

+ ½

– ¼

2 x modaal + ½ x modaal met kinderen

– ½

– 1

– ¾

– ¼

modaal + modaal zonder kinderen

+ 1 ½

+ 1 ¼

+ ½

+ ¾

2 x modaal + modaal zonder kinderen

+ ½

0

– ½

+ ½

         

Alleenstaande

       

minimumloon

– ¼

– 1

+ ½

– 1 ½

modaal

+ 1 ½

+ 1 ½

+ ½

+ 1

2 x modaal

– ¼

– ¾

– 1 ¼

+ ¼

         

Alleenstaande ouder

       

minimumloon

– ¾

0

0

– ¼

modaal

+ ¾

+ 1

+ ½

+ ½

         

Inactieven:

       

Sociale minima

       

paar met kinderen

– ¼

– ½

+ ½

– ¾

alleenstaande

+ ¼

– ¾

+ ½

– 1 ¼

alleenstaande ouder

+ ¼

– ½

+ ½

– 1

         

AOW (alleenstaand)

       

(alleen) AOW

+ ¾

+ ¼

+ ¼

0

AOW +10.000

0

– ¾

+ ¾

– 1 ½

AOW +15.000

0

– ½

+ ¾

– 1 ¼

AOW +20.000

– ¼

– ¼

+ ¾

– 1

AOW +25.000

– 1 ½

– 1 ¼

0

– 1

         

AOW (paar)

       

(alleen) AOW

+ 1

+ 1 ¼

+ ½

+ 1

AOW +10.000

0

– ¼

+ ¾

– 1

AOW +15.000

0

0

+ ¾

– ¾

AOW +20.000

0

0

+ ¾

– ¾

AOW +25.000

– ¼

– ¼

+ ¾

– 1

AOW +30.000

– 1 ½

– 1

0

– 1

Tabel 1 laat zien dat de inschatting van de inkomenseffecten voor de standaardhuishoudens is gewijzigd sinds de nota naar aanleiding van het verslag. Voor sommige huishoudens is het effect positiever geworden, voor andere groepen juist negatiever. Dit hangt voor een deel samen met de gewijzigde doorwerking op regelingen als gevolg van de wijziging van een aantal van die regelingen sinds de indiening van het wetsvoorstel. Dit is onder meer de oorzaak van het positievere effect voor de alleenstaande ouder: omdat het verzilveringsprobleem bij de alleenstaande ouder de afgelopen jaren is toegenomen, heeft een alleenstaande ouder minder last van de verhoging van het tarief van de eerste schijf dan eerder werd aangenomen. Voor een ander deel hangt het samen met de budgettaire herijking die vorig jaar heeft plaatsgevonden: de verdere verhoging van het tarief van de eerste schijf van 2,8% naar 3,45% heeft een neerwaarts effect voor lage inkomens. Per saldo is de spreiding van inkomenseffecten iets groter geworden, maar liggen de effecten voor wat betreft deze voorbeeldhuishoudens voor een vergelijkbaar deel van die huishoudens nog steeds tussen de – 1 ½% en +1 ½%. De inkomenseffecten zijn dus niet veel gewijzigd ten opzichte van de raming ten tijde van de behandeling van het wetsvoorstel. Wel is het zo dat de effecten zijn verspreid over 2012 en 2013 en dat het effect in die afzonderlijke jaren uiteraard afwijkt van het totale effect.

Tabel 2 laat de totale koopkrachtontwikkeling zien van 2012, en geeft daarbij ook aan wat het effect is van de Wet ULB, het niet indexeren van het pensioen en overige effecten. In de overige effecten zitten de effecten van loonontwikkeling, inflatie en overige beleidsmaatregelen. In de tabel is te zien dat in 2012 de verschillen tussen hoge en lage inkomens en tussen actieven en niet-actieven beperkt zijn, en dat hogere inkomens er iets meer in koopkracht op achteruitgaan dan andere huishoudens. Ook is duidelijk zichtbaar dat de koopkrachtontwikkeling van ouderen met een groter pensioen door het positieve effect van de maatregelen die samenhangen met de Wet ULB meer in lijn zijn gebracht met de koopkrachtontwikkeling van andere huishoudens, ondanks het niet-indexeren van het aanvullende pensioen.

Tabel 2: uitsplitsing koopkrachteffect 2012 (stand: CEP 2013)

Actieven:

2012

wv uniformering loonbegrip

wv niet indexeren pensioen

wv overig

Alleenverdiener met kinderen

       

modaal

– 2 ½

+ ½

0

– 3

2 x modaal

– 3

– 1

0

– 2

         

Tweeverdieners

       

modaal + ½ x modaal met kinderen

– 1

+ ½

0

– 1 ½

2 x modaal + ½ x modaal met kinderen

– 1 ¾

– ¾

0

– 1

modaal + modaal zonder kinderen

– 1

+ ½

0

– 1 ½

2 x modaal + modaal zonder kinderen

– 2

– ½

0

– 1 ½

         

Alleenstaande

       

minimumloon

– 1 ¼

+ ½

0

– 1 ¾

modaal

– 1 ¼

+ ½

0

– 1 ¾

2 x modaal

– 2 ½

– 1 ¼

0

– 1 ½

         

Alleenstaande ouder

       

minimumloon

– 1 ¾

0

0

– 2

modaal

– 1 ¼

+ ½

0

– 1 ¾

         

Inactieven:

       

Sociale minima

       

paar met kinderen

– 2 ½

+ ½

0

– 3

alleenstaande

– 1 ¾

+ ½

0

– 2 ¼

alleenstaande ouder

– 2

+ ½

0

– 2 ¼

         

AOW (alleenstaand)

       

(alleen) AOW

– 1 ¼

+ ¼

0

– 1 ¾

AOW +10.000

– 1 ¼

+ ¾

– ¾

– 1 ¼

AOW +15.000

– 1 ½

+ ¾

– 1

– 1 ¼

AOW +20.000

– 1 ½

+ ¾

– 1 ¼

– 1 ¼

AOW +25.000

– 2 ¼

0

– 1 ¼

– 1

         

AOW (paar)

       

(alleen) AOW

– 1 ¾

+ ½

0

– 2

AOW +10.000

– 1 ¾

+ ¾

– ¾

– 1 ¾

AOW +15.000

– 1 ¾

+ ¾

– 1

– 1 ½

AOW +20.000

– 1 ¾

+ ¾

– 1

– 1 ½

AOW +25.000

– 1 ¾

+ ¾

– ¾

– 1 ½

AOW +30.000

– 2 ½

0

– 1

– 1 ½

Tabel 3 laat dezelfde uitsplitsing zien voor 2013. Voor de koopkrachtontwikkeling in 2013 geldt dat dit het resultaat is van een stapeling van maatregelen uit het begrotingsakkoord en maatregelen genomen door het kabinet Rutte I. Het CPB laat in het Centraal Economisch Plan (blz. 64) zien dat 2013 met € 15 miljard aan tekortreducerende maatregelen uitzonderlijk is door de omvang van de maatregelen. Het begrotingsakkoord levert een belangrijk aandeel in deze maatregelen, de effecten hiervan zijn (met andere maatregelen) meegenomen in de kolom «overig». Naast deze maatregelen worden ouderen getroffen door de slechte financiële positie van pensioenfondsen, waardoor een deel van de pensioenfondsen het aanvullende pensioen zal moeten verlagen. Tabel 3 laat duidelijk zien dat de koopkrachtontwikkeling in 2013 niet alleen wordt beïnvloed door de Wet ULB, maar des te meer door andere maatregelen. Zo werkt de Wet ULB in 2013 bijvoorbeeld negatief uit op de koopkracht van sociale minima. Echter, doordat zij op andere terreinen per saldo zijn ontzien (onder meer in het begrotingsakkoord door een verhoging van de zorgtoeslag), is de totale koopkrachtontwikkeling minder negatief dan van enkele andere huishoudens. Een ander voorbeeld is de koopkrachtontwikkeling van ouderen met een aanvullend pensioen. Het is te zien dat ouderen met een groter aanvullend pensioen in 2013 een negatievere koopkrachtontwikkeling kennen dan andere huishoudens en dat de met de Wet ULB samenhangende maatregelen voor deze groep na een positief effect in 2012 negatief uitpakt in 2013. De totale negatieve koopkrachtontwikkeling voor ouderen met een groter aanvullend pensioen in 2013 wordt voor een belangrijk deel echter bepaald door andere factoren: het verlagen van het aanvullende pensioen en de bezuinigingen die onder meer voortvloeien uit het begrotingsakkoord.

Tabel 3: uitsplitsing koopkrachteffect 2013 (stand: CEP 2013)

Actieven:

2013

wv uniformering loonbegrip

wv niet indexeren pensioen

wv overig

Alleenverdiener met kinderen

       

Modaal

– 1 ½

+ ¾

0

– 2 ¼

2 x modaal

– 1 ½

+ ¼

0

– 1 ¾

         

Tweeverdieners

       

modaal + ½ x modaal met kinderen

– 1 ¼

– ¼

0

– 1 ¼

2 x modaal + ½ x modaal met kinderen

– 1 ½

– ¼

0

– 1

modaal + modaal zonder kinderen

0

+ ¾

0

– 1

2 x modaal + modaal zonder kinderen

– ½

+ ½

0

– 1

         

Alleenstaande

       

Minimumloon

– ½

– 1 ½

0

+ 1

Modaal

– ½

+ 1

0

– 1 ¼

2 x modaal

– ¾

+ ¼

0

– 1 ¼

         

Alleenstaande ouder

       

Minimumloon

– ¼

– ¼

0

0

Modaal

– 1

+ ½

0

– 1 ½

         

Inactieven:

       

Sociale minima

       

paar met kinderen

– 2

– ¾

0

– 1

Alleenstaande

– 2 ¼

– 1 ¼

0

– 1

alleenstaande ouder

– 2

– 1

0

– 1

         

AOW (alleenstaand)

       

(alleen) AOW

¼

0

0

+ ½

AOW +10.000

– 3 ½

– 1 ½

– 1 ¼

– 1

AOW +15.000

– 4 ½

– 1 ¼

– 1 ½

– 1 ¾

AOW +20.000

– 4 ¼

– 1

– 1 ½

– 1 ¾

AOW +25.000

– 4 ¾

– 1

– 1 ¾

– 2

         

AOW (paar)

       

(alleen) AOW

¾

+ 1

0

– ¼

AOW +10.000

– 3 ¾

– 1

– 1

– 1 ¾

AOW +15.000

– 4 ½

– ¾

– 1 ¼

– 2 ¼

AOW +20.000

– 5

– ¾

– 1 ½

– 2 ¾

AOW +25.000

– 5 ¼

– 1

– 1 ½

– 2 ¾

AOW +30.000

– 4 ¾

– 1

– 1 ½

– 2 ¼

De leden van de fractie van het CDA vragen of de puntenwolk in de bijlage van de brief van 20 juni 20125 het beeld geeft van de koopkrachtgevolgen in 2013 (ten opzichte van 2012) van de invoering van de Wet ULB. Ook vragen zij of deze tabel spoort met de werkelijke koopkrachtplaatjes op 1 januari 2013.

De puntenwolk in de bijlage van de eerder genoemde brief van 20 juni 2012 slaat op de inkomenseffecten van de met de Wet ULB samenhangende maatregelen. Dit gaat dus over het saldo van de effecten in 2012 (van de grondslagverbreding en tariefsverlaging in de IAB Zvw) en de effecten in 2013. Deze effecten beogen op geen enkele manier een inschatting te geven van het werkelijke koopkrachtplaatje op 1 januari 2013. Het feit dat er in 2013 per saldo € 15 miljard aan saldoverbeterende maatregelen worden genomen, is hier niet in verwerkt. Ook veranderingen van regelgeving, die per saldo geen bezuiniging geven, zijn niet meegenomen. Tot slot: zogeheten dynamische koopkrachteffecten (bijvoorbeeld mensen die een andere baan krijgen) zijn ook niet meegenomen. Het enige dat wordt weergegeven in de puntenwolk en de tabel, is het effect van de met de Wet ULB samenhangende maatregelen.

De leden van de fractie van de SP vragen voor welke inkomensgroepen geldt dat de negatieve inkomenseffecten groter zijn dan 1,5%.

Onderstaande tabel is opgenomen in de eerdergenoemde brief van 20 juni 2012 en laat de spreiding van inkomenseffecten van de wet zien voor verschillende inkomensgroepen. De tabel laat zien dat huishoudens met een inkomen tot modaal er niet of nauwelijks meer dan 1,5% in inkomen op achteruitgaan (2% en 4% van de betreffende inkomensgroepen). Ook is te zien dat de mate waarin huishoudens een negatief inkomenseffect ervaren van meer dan 1,5% toeneemt met het inkomen. Van de huishoudens boven 3x modaal gaat 21% er meer dan 1,5% in inkomen op achteruit. De tabel laat voorts zien dat het niet zo is dat personen met een laag inkomen meer negatieve inkomenseffecten ondervinden dan personen met een hoog inkomen.

De leden van de fractie van de SP vragen of de koopkrachteffecten van tevoren voorzien waren. In de memorie van toelichting6 bij de Wet ULB is op pagina 12 en 13 een overzicht van de koopkrachteffecten van die wet opgenomen. Daar is aangegeven dat voor 94% van de huishoudens geldt dat de inkomenseffecten – 1 ½% of meer zijn. Voor 6% van de huishoudens zijn de inkomenseffecten – 1 ½% of minder. Daarbij is in een puntenwolk en een tabel opgenomen hoe die effecten over de bevolking zijn verspreid. In de eerder genoemde brief van 20 juni 2012 heeft het kabinet – mede als gevolg van het uitstel van de invoering van de Wet ULB – een update gegeven van de inkomenseffecten. In die brief is aangegeven dat als gevolg van de budgettaire herijking de inkomenseffecten anders zouden uitwerken. Toen is met een update van de puntenwolk en de spreidingstabel aangegeven dat nu 89% er niet meer dan 1 ½% op achteruit zou gaan.

De leden van de fractie van de PVV vragen of het klopt dat ik voor de effecten van de Wet ULB verwijs naar mijn brief van 20 januari 2012 en de daarbij behorende bijlagen. Zij hebben voorts een aantal vragen over de spreiding van inkomenseffecten en wat daarbij bepalende factoren zijn.

De inkomenseffecten zijn tijdens de parlementaire behandeling aan bod gekomen, in de memorie van toelichting7 en in de nota naar aanleiding van het verslag8 bij de Wet ULB. Op 20 juni 2012 is een brief9 naar de Kamer gestuurd met daarin de resultaten van een budgettaire herijking. Hierbij zijn ook de inkomenseffecten weergegeven.

De kern van de inkomenseffecten zit in de maatregelen die nodig waren ter budgettaire dekking van de consequenties van het vervallen van de belastingheffing over de vergoeding van de IAB Zvw, en in het bijzonder de beperkte mogelijkheden om die belastingderving te compenseren zonder het belastingstelsel ingewikkelder te maken. Figuur 1 geeft aan wat het inkomenseffect is voor een werknemer van de combinatie van het vervallen van de inhouding van de IAB Zvw en van het vervallen van de belaste vergoeding. Hierbij is duidelijk te zien dat het effect toeneemt met een inkomen tot ongeveer € 35.000, dan gelijk blijft en bij hogere inkomens relatief afneemt. Het is niet mogelijk om binnen het huidige instrumentarium van de inkomstenbelasting exact dit effect te neutraliseren. Het introduceren van nieuwe knoppen zou leiden tot extra complexiteit en roept daarmee vraag op of het doel van de Wet ULB namelijk vereenvoudiging dan nog wel bereikt zou worden. Om deze redenen is gebruikgemaakt van het huidige instrumentarium, met als gevolg dat het pakket maatregelen niet helemaal aansluit bij het effect van het vervallen van de belastingheffing over de vergoeding.

In het zogenoemde aanvullende pakket (dat de betreffende maatregelen bevatte) is het tarief van de eerste schijf verhoogd. Hiermee kon met name het voordeel voor inkomens tot circa € 20.000 worden beperkt. In het aanvullende pakket is er daarnaast voor gekozen niet het tarief van de tweede en derde schijf te verhogen, maar is ervoor gekozen de arbeidskorting te verlagen én eerder (vanaf € 40.000) én sneller af te bouwen. Hierdoor is het niet mogelijk geweest om het positieve effect rond € 30.000 en € 40.000 volledig weg te nemen. Door de arbeidskorting voor hogere inkomens verder en sneller af te bouwen, zijn de inkomenseffecten.bij die inkomens meer negatief.

Figuur 1: inkomenseffect voor de werknemer van het vervallen van de belastingheffing over de vergoeding voor de IAB Zvw naar hoogte van het brutoloon

Figuur 1: inkomenseffect voor de werknemer van het vervallen van de belastingheffing over de vergoeding voor de IAB Zvw naar hoogte van het brutoloon

De leden van de fractie van de PVV vragen voorts of het klopt dat in het aanvullende pakket is gewerkt met 25 parameters om de budgettaire derving te beperken en hebben voorts nog een aantal vragen die daarmee verband houden. Verder vragen deze leden naar het mogelijke gebruik van wiskundige technieken voor de bepaling van de parameters.

In de memorie van toelichting10 zijn 25 parameters benoemd die zijn aangepast in de Wet ULB. Omdat het afschaffen van de belaste vergoeding van de IAB Zvw doorwerkt in het verzamelinkomen en dit verzamelinkomen wordt gebruikt bij tal van inkomensafhankelijke regelingen, zijn er meerdere regelingen aangepast naar aanleiding van de Wet ULB. Het gaat daarbij onder meer om de huurtoeslag en de kinderopvangtoeslag, die zijn aangepast om een doorwerking te voorkomen. Het werkelijke aantal aangepaste parameters ligt dus hoger dan 25.

Bij de totstandkoming van de Wet ULB is geen gebruik gemaakt van wiskundige technieken of optimaliseringstechnieken. Uitgangspunt voor de Wet ULB was en is inkomensneutraliteit. Voor het wetsvoorstel en voor dit gekozen uitgangspunt was tijdens de behandeling van het wetsvoorstel brede steun in de Tweede en Eerste Kamer. Bij het toepassen van optimaliseringtechnieken zouden ook vragen aan de orde komen met een politieke lading, zoals wat optimaal is en wat de vrijheidsgraden zijn. Om deze reden is hiervoor niet gekozen.

2. Inkomenseffecten specifieke groepen

Ouderen

De leden van de fractie van de PvdA vragen of het klopt dat als gevolg van de compenserende maatregelen voor ouderen de inkomenseffecten beperkt blijven tot een bandbreedte van – 1,5% tot +1,5%. Indien dat het geval is, hoe verklaart het kabinet de vele mails van ouderen waaruit een inkomensachteruitgang blijkt van meer dan 6%? Ook de leden van de fractie van de ChristenUnie hebben vragen over de gevolgen van de Wet ULB voor ouderen.

Dat grote aantal mails valt voor een belangrijk deel te verklaren uit het feit dat een deel van het zoet namelijk de verlaging van het percentage van de IAB Zvw voor onder anderen de ouderen naar voren is gehaald en al in 2012 is ingevoerd. Het zoet is hier voor het zuur uitgegaan. Daardoor lijkt het beeld voor ouderen in het jaar 2013 negatiever dan het er zou hebben uitgezien indien dit niet het geval was geweest.

Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel is altijd aangegeven dat de inkomenseffecten van de Wet ULB weliswaar voor het grootste deel van de huishoudens beperkt blijven tot een bandbreedte van – 1,5% tot +1,5%, maar dat er ook een groep is waar de inkomenseffecten groter zijn. In de brief van 20 juni 201211 is aangegeven dat 89% van de huishoudens er minder dan 1,5% op achteruitgaat, maar dat circa 11% van de huishoudens er meer dan 1,5% op achteruit zal gaan. In die brief is tegelijkertijd ook aangegeven dat dit met name huishoudens boven 2x modaal betreft. Hieruit volgt dat het niet waarschijnlijk is dat veel ouderen als gevolg van de Wet ULB er meer dan 6% op achteruitgaan.

Wel is het begrijpelijk dat veel ouderen na ontvangst in januari 2013 van de specificatie van het aanvullend pensioen van het pensioenfonds zijn geschrokken. In veel gevallen zal het nettopensioen lager zijn uitgevallen. Dit betekent echter niet dat ook het totale inkomen in dezelfde mate achteruit is gegaan. Tabel 5 en tabel 6 maken dit inzichtelijk door het inkomenseffect van de Wet ULB voor enkele voorbeelden uit te splitsen. Te zien is dat in het geval van de alleenstaande AOW-er met een aanvullend pensioen van € 20.000 het positieve inkomenseffect in 2012 € 217 bedroeg. In 2013 viel het nettopensioen van het pensioenfonds € 616 lager uit als gevolg van de Wet ULB. Dit is een achteruitgang van het nettopensioen met circa 4%. Echter, ook is te zien dat deze achteruitgang in belangrijke mate wordt gecompenseerd door een lagere bijbetaling in de inkomstenbelasting. De achtergrond hiervan ligt in het feit dat ouderen met een pensioen twee inkomstenbronnen in de loonbelasting hebben. In de loonbelasting wordt elk inkomen belast vanaf het begin van de eerste belastingschijf. Hierdoor kan het gebeuren dat het pensioenfonds het inkomen vooral belast tegen het tarief in de eerste schijf (voor 65+ in 2013: 19,2%), net als het AOW-pensioen. Echter, samen met het AOW-pensioen valt het inkomen voor een belangrijk deel in de tweede belastingschijf. Dit wordt gecorrigeerd in de inkomstenbelasting met een op aanslag te betalen bedrag. Door de tariefsverhoging in de eerste schijf komen de tarieven in de eerste en tweede belastingschijf evenwel dichter tegen elkaar te liggen, waardoor de aanslag inkomstenbelasting lager uitvalt. Het totaal van effecten in 2012 en 2013 is in dit voorbeeld negatief (€ 77, een negatief effect van – ¼%). Het totale inkomenseffect van de Wet ULB is in dit voorbeeld dus beperkt en de uitsplitsing laat zien dat het begrijpelijk is dat veel ouderen dit op basis van het loonstrookje van het pensioenfonds anders hebben beleefd.

Tabel 5: uitsplitsing inkomenseffect alleenstaande AOW-er naar hoogte pensioen (in euro’s)
 

0

10.000

20.000

2012

+ 41

+ 137

+ 217

wv maatregel Zvw

+ 41

+ 137

+ 217

2013

– 13

– 270

– 294

wv loonstrookje pensioenfonds

0

– 345

– 616

wv zorgtoeslag

– 8

– 86

– 97

wv netto AOW

– 5

– 5

– 5

wv lagere heffing inkomstenbelasting

0

+ 166

+ 424

Totaaleffect ULB (x 1 euro)

+ 29

– 132

– 77

Inkomenseffect (%)

+ ¼

– ¾

– ¼

w.v. effect ULB loonstrookje 2013 (%)

0

– 4 ¼

– 4

Tabel 6: uitsplitsing inkomenseffect gehuwde AOW-er naar hoogte pensioen (partner zonder pensioen)
 

0

10.000

20.000

2012

+ 70

+ 159

+ 239

wv maatregel Zvw

+ 70

+ 159

+ 239

2013

152

– 233

– 251

wv loonstrookje pensioenfonds

0

– 345

– 616

wv zorgtoeslag

+ 15

– 62

– 87

wv netto AOW

+ 137

+ 137

+ 137

wv lagere heffing inkomstenbelasting

0

+ 37

+ 315

Totaaleffect ULB (x 1 euro)

+ 222

– 74

– 12

Inkomenseffect (%)

+ 1 ¼

– ¼

0

w.v. effect ULB loonstrookje 2013 (%)

0

– 4 ¼

– 4

Tot slot is het niet zo dat het hogere belastingtarief in de eerste schijf in 2013 (en het lagere nettopensioen) volledig kan worden toegeschreven aan de Wet ULB. Van de stijging van het tarief van 33,1% naar 37% kan 3,45% worden toegeschreven aan de Wet ULB, het overige deel is het gevolg van afspraken in het begrotingsakkoord. Ook heeft de stijging van de IAB Zvw voor niet-werknemers van 5,0% in 2012 naar 5,65% in 2013, welke stijging niet samenhangt met de Wet ULB, een negatieve invloed op het loonstrookje. In het geval van de alleenstaande AOW-er met een aanvullend pensioen van € 20.000 is het loonstrookjeseffect van 2012 op 2013 – 5¼%, waarvan – 4% te relateren is aan de Wet ULB en – 1 ¼% aan de hierboven benoemde oorzaken.

In de evaluatie van de Wet ULB zal nog verder worden ingegaan op de inkomenseffecten voor ouderen. De uitkomsten van de evaluatie zullen worden betrokken bij de koopkrachtbesluitvorming van het kabinet. De cumulatie van verschillende maatregelen en het effect op de koopkracht worden inzichtelijk gemaakt in de begroting van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen aandacht voor de situatie van ondernemers met een private arbeidsongeschiktheidsverzekering die arbeidsongeschikt zijn geraakt. Zij vragen naar de mogelijkheden om deze specifieke groep alsnog te compenseren.

Voor ondernemers met een private arbeidsongeschiktheidsverzekering die arbeidsongeschikt zijn geraakt geldt hetzelfde als voor andere ondernemers. Zij hebben niet het voordeel van het vervallen van de belastingheffing over de vergoeding van de IAB Zvw maar ondervinden wel de nadelen van de stijging van de tarieven. De arbeidsongeschikte ondernemers hebben evenwel in de meeste gevallen – anders dan IB-ondernemers – geen recht op de MKB-winstvrijstelling en zij hebben daardoor ook geen voordeel van de compenserende verhoging van de MKB-winstvrijstelling (met 2%-punt).

IB-ondernemers, ZZP’ers en DGA’s

De leden van de fractie van D66 constateren dat het kabinet per brief12 is ingegaan op de inkomenseffecten van de Wet ULB, onder meer voor gepensioneerden, Wajong’ers en militairen. De leden van de fractie van D66 vragen of op dezelfde wijze inzicht kan worden gegeven in de inkomenseffecten van de Wet ULB voor ZZP’ers. De leden van de fractie van de VVD vragen ook naar de effecten voor directeuren-grootaandeelhouders (hierna: DGA’s).

Tabel 4 laat zien hoe de inkomenseffecten uitvallen voor IB-ondernemers (waaronder de ZZP’ers). In het aanvullende pakket is de MKB winstvrijstelling met ingang van 1 januari 2013 verhoogd met 2%-punt, in de onderstaande tabel is aangenomen dat hier gebruik van wordt gemaakt. Ook laat de tabel de effecten zien voor DGA’s en vroeggepensioneerden. Hierbij is bij DGA’s als inkomen alleen gekeken naar het inkomen in box 1. Bij DGA’s zal er in de meeste gevallen ook inkomen in box 2 zijn. Hoewel de Wet ULB geen invloed heeft op het inkomen in box 2, zorgt dit er bij DGA’s wel voor dat het daadwerkelijke (relatieve) inkomenseffect minder negatief zal uitpakken.

Tabel 4: inkomenseffecten uniformering loonbegrip voor vroeggepensioneerden, IB-ondernemers en DGA’s.

Inkomen

Vroegpensioen

IB-ondernemer

DGA

10.000

– 2 ¾

+ ¼

– 2 ¾

20.000

– 2 ¾

– 1

– 3 ½

30.000

– 2

– 1 ¾

– 3 ¼

40.000

– 2 ¼

– 1

– 3 ¼

50.000

– 3 ½

– 1 ¾

– 5 ½

60.000

– 3

– 3 ¼

– 5 ¾

Voor als IB-ondernemer kwalificerende ZZP’ers gelden dezelfde effecten als voor andere ondernemers. Zij hebben niet het voordeel van het vervallen van de belastingheffing over de vergoeding van de IAB Zvw maar ondervinden wel de nadelen van de stijging van de tarieven. Daartegenover staat dat zij in 2012 wel voordeel hadden van de verlaging van het percentage van de IAB Zvw naar 5% en van de verhoging vanaf 2013 van de MKB-winstvrijstelling met 2%-punt. Op deze wijze is rekening gehouden met de positie van ZZP’ers.

Geprepensioneerden

De leden van de fractie van de PvdA vragen of het klopt dat mensen met prepensioen relatief zwaar zijn getroffen door de Wet ULB. Zij vragen waarom hiermee geen rekening is gehouden bij de vaststelling van de tijdelijke heffingskorting.

In de nota naar aanleiding van het verslag bij de Wet ULB is aangegeven dat mensen met prepensioen er vaker dan andere groepen meer dan 1,5% op achteruitgaan. Verder is hierboven een tabel opgenomen met de inkomenseffecten van de Wet ULB voor geprepensioneerden. Bij die inkomenseffecten is langs de weg van de tijdelijke heffingskorting voor VUT en prepensioen, opgenomen in de Wet ULB, geprobeerd – binnen de grenzen van de budgettaire neutraliteit – rekening te houden met de positie van geprepensioneerden.

Militairen

De leden van de fractie van de PvdA vragen of de consequenties voor militairen van tevoren waren onderkend. Op pagina 24 van de memorie van toelichting bij de Wet ULB is een verwijzing opgenomen naar de bijzondere positie van militairen. Daar is opgenomen dat militairen in actieve dienst niet verzekeringsplichtig zijn op grond van de Zorgverzekeringswet, omdat zij zijn aangewezen op de zorgverlening door of vanwege de militair geneeskundige diensten. De inhoudingsplichtige is daarom over het loon van deze militairen geen (belaste) vergoeding van de IAB Zvw (in 2012, in 2013 werkgeversheffing IAB Zvw) verschuldigd. In koopkrachtberekeningen wordt normaliter niet gekeken naar de effecten voor specifieke groepen zoals de militairen. In algemene zin was dus wel bekend dat er consequenties waren maar de specifieke consequenties niet. Verder geldt ook hier de algemene lijn dat voor specifieke groepen geen koopkrachtcompensatie via de fiscaliteit mogelijk is.

De leden van de fractie van de SP vragen hoe een eventuele compensatie van militairen zoals toegezegd door de Minister van Defensie zich verhoudt tot andere groepen met nadelige inkomenseffecten.

De compensatie zoals toegezegd door de Minister van Defensie is gedaan in haar rol van werkgever van militairen in actieve dienst. In dat kader heeft zij toegezegd na een pakketvergelijking in te zetten op het zo veel mogelijk compenseren van het nadeel dat haar militaire werknemers ondervinden als gevolg van de Wet ULB. Als Staatssecretaris van Financiën treed ik daar niet in. Het staat werkgevers in Nederland vrij werknemers ter compensatie voor een achteruitgang door maatregelen van de overheid in het nettoloon een vergoeding te geven (al dan niet als een vergoeding uit de vrije ruimte van de werkkostenregeling, als een belaste vergoeding of als ander loon).

Grensarbeiders

De leden van de fractie van de VVD vragen naar de inkomenseffecten voor grensarbeiders. Buitenlandse werknemers die op basis van detachering in Nederland werkzaam zijn, blijven vaak sociaal verzekerd in het woonland, maar betalen belasting in Nederland. Zij ondervinden wel de stijging van de tarieven maar hebben niet het voordeel van het vervallen van de belastingheffing over de vergoeding van de IAB Zvw. Daarnaast bestaat de categorie Nederlandse grensarbeiders in België, die in aanmerking komen voor de compensatieregeling van artikel 27 van het Nederlands-Belgische belastingverdrag van 5 juni 2001. Zij gaan erop achteruit doordat de compensatie als gevolg van de hogere Nederlandse tarieven vermindert. Uit berekeningen volgt dat voor deze laatste groep het inkomenseffect – 2,1% tot – 3,5% bedraagt.

Wajongers

De leden van de fractie van de PvdA vragen het kabinet of het vervallen van de IAB Zvw en de verhoging van de zorgtoeslag voor Wajongers voldoende tegenwicht biedt om het koopkrachtverlies te compenseren. Zij vragen naar de grootte van het licht negatieve inkomenseffect in 2013 voor die groep.

De inkomens- en koopkrachtontwikkeling van mensen met een Wajong-uitkering is in veel gevallen vergelijkbaar met mensen die een bijstandsuitkering ontvangen. De tabellen 1, 2 en 3 laten zien hoe de koopkrachtontwikkeling in 2012 en 2013 is geweest voor mensen met een bijstandsuitkering (de sociale minima in de tabel), en het effect van de Wet ULB in de totale koopkrachtontwikkeling. Te zien is dat de Wet ULB negatief uitpakt voor de koopkracht in 2013, maar dat uit de post «overig» (waar ook de verhoging van de zorgtoeslag in 2013 is verwerkt) blijkt dat mensen met een bijstandsuitkering (welke mensen dus vergelijkbaar zijn met mensen met een Wajong-uitkering) relatief zijn ontzien.

Uitkeringsgerechtigden

De leden van de SP-fractie vragen naar de gevolgen van de Wet ULB voor uitkeringsgerechtigden. Zo vragen deze leden of een uitkering als gevolg van de Wet ULB kan worden verlaagd of stopgezet. Zij willen voorts weten of deze problematiek aan bod komt tijdens de evaluatie van de Wet ULB. Zij verwijzen naar een rekenvoorbeeld op de website van UWV. Ook de leden van de fractie van D66 vragen naar de effecten van de Wet ULB op de uitkering van uitkeringsgerechtigden.

De hoogte van uitkeringen kan mede worden bepaald door de inkomsten uit arbeid die een uitkeringsgerechtigde heeft naast zijn uitkering. Het loon voor de berekening van het dagloon voor de uitkeringen, het maatmanloon voor de WAO- en de WIA-uitkeringen en voor de inkomstenverrekening met uitkeringen op grond van de werknemersverzekeringen was en is gelijk aan het loon waarover premies voor de werknemersverzekeringen verschuldigd zijn. Het loon voor de premies voor de werknemersverzekeringen en het loon voor de uitkeringsvaststelling waren al gelijkgesteld.

Een logische consequentie van de Wet ULB is dat het loon voor de uitkeringsvaststelling wijzigt doordat ook het premieloon wordt gewijzigd. De werkgever doet aangifte van het loon van de werknemer en dat loon wordt opgenomen in de polisadministratie en vervolgens gebruikt in de uitvoering tot vaststelling van uitkeringsrechten. Indien dit niet zou gebeuren, zou wel de discoördinatie tussen loon voor de premieheffing voor de werknemersverzekeringen (hierna: premieheffing) en loon voor de loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (hierna: loonheffing) zijn weggenomen, maar zou een nieuwe discoördinatie zijn ontstaan tussen het loon voor de premieheffing en het loon voor de uitkeringsvaststelling. In het kader van de evaluatie van de Wet ULB zal een en ander worden meegenomen.

Voor degenen met een auto van zaak kan het privégebruik van die auto leiden tot verlaging of tot verhoging van de uitkering. In dat geval wordt sinds inwerkingtreding van de Wet ULB de waarde van dat privégebruik gerekend tot het loon waarover premies werknemersverzekeringen worden betaald. Het privégebruik van een auto van de zaak vertegenwoordigt een aanmerkelijke waarde en werd ook daarvoor al aangemerkt als een inkomensbestanddeel voor de loonheffing en wordt sinds 1 januari 2013 ook aangemerkt als een loonbestanddeel voor de sociale verzekeringen. Het privégebruik is een vorm van een beloning voor de arbeid naast het overige loon.

Bij degene die een WAO-, WIA-uitkering, een AOW-partnertoeslag of Anw-nabestaandenuitkering ontvangt en die daarnaast werkt in dienstbetrekking, en het privégebruik heeft van een auto van de zaak, wordt met ingang van het jaar 2013 ook voor de bepaling van een eventuele verlaging van de uitkering met de waarde van het privégebruik van de auto rekening gehouden als inkomsten uit de dienstbetrekking. Dit kan tot gevolg hebben dat de uitkering wordt verlaagd, waarbij de mate van verlaging afhankelijk is van de waarde van de auto in verhouding tot het overige loon. De omvang van het effect is afhankelijk van de individuele situatie, te weten de hoogte van het loon en de waarde van het privégebruik en de uitkering. In het algemeen wordt 70% van de waarde van het privégebruik in mindering gebracht op de uitkering. Zolang er geen privégebruik van de auto is, is er voor de huidige uitkeringsgerechtigden geen consequentie voor de hoogte van de uitkering.

Voor degene die ziek, arbeidsongeschikt of werkloos wordt na 1 januari 2013 kan het privégebruik van een auto van de zaak leiden tot een hogere uitkering. De waarde van het privégebruik dat plaatsvindt vanaf 1 januari 2013 wordt in die gevallen meegenomen in het dagloon van de uitkeringen op grond van de werknemersverzekeringen en in het maatmanloon voor de Wet WIA. In het algemeen is de uitkering 70% van het dagloon en zal de ophoging van de uitkering gelijk zijn aan 70% van de waarde van het privégebruik.

UWV heeft de bij UWV bekende personen met een auto van de zaak geïnformeerd en zal de inkomstenverrekening met als onderdeel de waarde van het privégebruik van de auto van de zaak voor het eerst toepassen over het eerste kwartaal van 2013 na afloop van het kwartaal.

De Sociale Verzekeringsbank (verder: SVB) heeft voor zover het de Anw-uitkering en de AOW-partnertoeslag betreft de betrokkenen vooraf geïnformeerd. Dit gaat om een beperkt aantal gevallen.

3. Communicatie

De leden van de fractie van de PvdA vragen hoe de communicatie met de SVB en de pensioenfondsen is verlopen over de voorlichting over de effecten van de Wet ULB en de verwerking van de gewijzigde heffingskortingen in de pensioenopgaven. Ook vragen zij welke stappen het kabinet denkt te ondernemen om de werkelijke inkomensgevolgen van de Wet ULB beter onder de aandacht te brengen.

Met de SVB en de pensioenfondsen zijn de voorgenomen wijzigingen gecommuniceerd. De SVB heeft op verzoek van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een uitvoeringstoets uitgebracht waarin de effecten van de wetswijzigingen zijn onderkend.

Bij die uitvoeringstoets is geen rekening gehouden met de invoering van de heffingskorting voor vutters en geprepensioneerden, die overigens stopt op het moment dat de betrokkene de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.

Het kabinet heeft via de website van de Rijksoverheid bekendheid gegeven aan de nieuwe tarieven en de inhoud van de Wet ULB. De mogelijke inkomensgevolgen voor betrokkenen zijn gecommuniceerd op de websites van UWV en de SVB. De SVB heeft bij de specificatie van de januaribetaling van de AOW- en Anw-uitkering per post informatie verstrekt over de wijzigingen in de bijdrage voor de Zorgverzekeringswet (verder Zvw) en daarbij aangegeven dat dit geen gevolgen heeft voor de AOW- en de Anw-uitkering. Personen die van de SVB een lagere uitkering ontvangen in verband met de bijtelling van het privégebruik van de auto van de zaak hebben van de SVB een brief met herzieningsbeschikking ontvangen.

UWV heeft naast de informatie op de website over de Wet ULB aan belanghebbenden met een uitkering en een auto van de zaak in 2012 een brief gestuurd waarin de gevolgen in verband met de auto van de zaak vanaf 2013 zijn uiteengezet.

De leden van de fractie van D66 vragen naar de toezegging om de groep gepensioneerden te wijzen op het nut van het doen van belastingaangifte. Op de site van de Belastingdienst wordt hier uitgebreid aandacht aan besteed. Naar aanleiding van mijn toezegging op dit punt in het plenaire debat over de Wet ULB van 30 januari 2013 heb ik op 14 februari 2013 een uitgebreide toelichting opgenomen op die website, met name voor de gevallen waarin de belastingplichtige AOW krijgt en daarnaast een pensioen of een andere uitkering. Kortheidshalve verwijs ik naar die toelichting op de website van de Belastingdienst13.

4. De toegezegde evaluatie

De leden van de fracties van de VVD en de ChristenUnie vernemen graag wanneer de toegezegde versnelde evaluatie van de Wet ULB naar de Kamer zal worden gestuurd. De evaluatie van de effecten op het gebied van de koopkrachten en de loonkosten kunnen waarschijnlijk voor het zomerreces naar de Kamer worden gestuurd. Het CPB is inmiddels gevraagd de inkomens- en budgettaire effecten van de Wet ULB door te rekenen en voor 1 juni 2013 met de resultaten daarvan te komen. Zodra ik die informatie heb, zal ik de evaluatie met mijn reactie voor het zomerreces naar de Kamer sturen. De resultaten van de evaluatie kunnen dan worden meegenomen in de augustusbesluitvorming.

Met betrekking tot de evaluatie van de bereikte vereenvoudiging en administratieve lastenverlichting wordt gekeken of daar in dit stadium al iets over gezegd kan worden. Immers, de Wet ULB is pas met ingang van 1 januari 2013 in werking getreden. Het volledige effect van de bereikte vereenvoudiging en de daardoor te bereiken administratieve lastenverlichting is om die reden nog niet goed meetbaar. Daarbij komt dat ook in de Kamerstukken14 is aangegeven dat de ambitieus ingezette administratieve lastenverlichting van de Wet ULB pas wordt bereikt indien is voldaan aan een aantal veronderstellingen waarbij in de berekening van de administratieve lastenverlichting is rekening gehouden. In dit stadium is dat zeker nog niet het geval. Ik stel daarom voor om de bereikte vereenvoudiging en administratieve lastenverlichting over drie jaar te evalueren.

De leden van de fracties van D66 en de PVV vragen of extreme inkomenseffecten gerepareerd kunnen worden. Ik heb toegezegd dat ik de Wet ULB zal evalueren en dat ik ook versneld wil evalueren om de consequenties van deze wet voor individuele burgers en groepen burgers zo spoedig mogelijk nader te kunnen bezien. Die evaluatie is inmiddels in gang gezet. Ik wil echter niet vooruitlopen op de resultaten daarvan. Zoals hierboven al aangegeven zal ik, zodra ik meer informatie heb, de evaluatie met mijn reactie naar de Kamer sturen. De resultaten van de evaluatie kunnen dan worden meegenomen in de augustusbesluitvorming. Na verzending van die evaluatie aan de Kamer ga ik graag het debat aan over die resultaten.

5. Overige vragen

De leden van de fractie van de PvdA merken op dat op de inleg in de levensloopregeling de omkeerregel van toepassing is, waardoor het uitkeringsloon vermindert. Over een opname uit de levensloopregeling worden premies geheven voor de werknemersverzekeringen. Deze leden vragen het kabinet of kan worden voorkomen dat levensloopopname op deze manier dubbel wordt belast en hoe groot de administratieve lasten voor werkgevers zijn als het discoördinatiepunt tot en met 2021 blijft bestaan bij een omkeerregel die alleen voor het «nieuwe» deel van de levensloopregeling geldt.

De opname van levenslooptegoed vanaf 1 januari 2013 wordt – voor zover het maximumpremie-inkomen zonder die opname nog niet was bereikt en de werknemer bovendien aan het begin van het kalenderjaar de 61-jarige leeftijd nog niet heeft bereikt – belast met premies werknemersverzekeringen, terwijl de inleg die plaatsvond vóór 1 januari 2013 in het algemeen niet tot een vermindering van de grondslag voor de premies werknemersverzekeringen heeft geleid. In de Kamerstukken15 bij de Wet ULB is uitgebreid aandacht besteed aan deze situatie. Het kan voorkomen dat bij dezelfde werkgever zowel het loon dat is gebruikt voor de inleg als het loon dat resulteert bij de opname van een werknemer in de heffing van de premies werknemersverzekeringen wordt betrokken en er dus een dubbele heffing optreedt. Geconstateerd is dat een uitzondering met als gevolg het voortbestaan van discoördinatie zou leiden tot administratieve lasten voor werkgevers. Deze lasten zouden blijven bestaan tot 2022 voor een steeds afnemende groep werkgevers en werknemers, maar in de systemen van alle werkgevers en van de Belastingdienst zou voortdurend deze discoördinatie ingebouwd moeten blijven.

Bovendien treedt de dubbele heffing zoals uit het voorgaande volgt alleen op in specifieke situaties (premie-inkomen bij inleg en opname beneden de premiegrens, werknemer bij inleg en opname bij dezelfde werkgever in dienst én opname voor het jaar aan het begin waarvan de werknemer de leeftijd van 61 jaar bereikt heeft). Voorts zijn de werkgevers macro gecompenseerd voor dit effect door aanpassing van het tarief van de premies voor de werknemersverzekeringen.