Kamerstuk 32123-VI-79

Tweede voortgangsbericht aanpak kinderpornografie 2009

Dossier: Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Justitie (VI) voor het jaar 2010


32 123 VI
Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Justitie (VI) voor het jaar 2010

nr. 79
BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 21 december 2009

Met deze brief informeer ik u over de voortgang in de aanpak van kinderpornografie.

Taakuitbreiding Nationaal Rapporteur Mensenhandel

In mijn brief van 19 november 2009 aan uw Kamer over de zevende rapportage Nationaal Rapporteur Mensenhandel heb ik melding gemaakt van de taakuitbreiding van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel met het onderwerp kinderpornografie1. De afgelopen tijd is niet alleen door uw Kamer maar ook door onder andere ECPAT2 en het Meldpunt Kinderporno op het Internet, gewezen op een wenselijke rol van een Nationaal Rapporteur op het gebied van de bestrijding van kinderpornografie. Gelet op de ernst van het probleem van kinderpornografie, de urgentie waarmee dit probleem moet worden aangepakt en de raakvlakken die kinderpornografie heeft met mensenhandel, heb ik in overleg met de Nationaal Rapporteur Mensenhandel besloten haar taak uit te breiden met het onderwerp kinderpornografie. Dit sluit tevens aan bij internationale instrumenten, waarin het gemeenschappelijke karakter bij de aanpak van kinderpornografie en mensenhandel naar voren komt3. Vanaf 1 oktober 2009 is de Nationaal Rapporteur Mensenhandel belast met het rapporteren over de kenmerken, de omvang, de aanpak en de bestrijding van kinderpornografie. Hiertoe heb ik de «Regeling instelling Nationaal Rapporteur Mensenhandel» aangepast. De nieuwe Regeling is op 9 december 2009 gepubliceerd in de Staatscourant4.

Taskforce kinderpornografie en kindersekstoerisme

Op 6 november 2009 heb ik de Taskforce kinderpornografie en kindersekstoerisme geïnstalleerd. Deze Taskforce zal vanaf 2010 de initiatieven die genomen zijn ter bestrijding van kinderpornografie en kindersekstoerisme monitoren en tot sprekende resultaten laten komen. Nog niet opgepakte knelpunten worden op dit moment geïnventariseerd en oplossingen daarvoor worden door de Taskforce aangedragen. De Taskforce zal een voortvarende landelijke invoering van de gevalideerde en succesvol gebleken resultaten van de nieuwe aanpak van kinderpornografie, door politie en Openbaar Ministerie, stimuleren en daarin een aanjaagfunctie vervullen.

Preventie

Filteren en blokkeren van kinderpornografie op het internet

Vorig jaar heb ik samen met de grootste Internet Service Providers (ISP’s) afspraken gemaakt over het filteren en blokkeren van kinderpornografie op het internet. Afgesproken is dat zij de technische mogelijkheden tot het filteren en blokkeren van kinderpornografie op het internet verder zullen uitbreiden en verfijnen. Bij de oprichting van het Platform internet en veiligheid1 heb ik gemeld dat er overeenstemming is tussen de ISP’s, het particuliere Meldpunt Kinderporno op het Internet en de overheid over het uitbreiden van de taken van het Meldpunt met het produceren van een blacklist. Deze blacklist zal door de ISP’s worden gebruikt om te filteren en blokkeren. Inmiddels wordt door het Meldpunt gewerkt aan de inrichting hiervan. De verwachting is dat de eerste blacklist in het eerste kwartaal van 2010 kan worden gemaakt. Er is een afspraak gemaakt tussen de overheid, de ISP’s, de Stichting Internet Domeinregistratie Nederland en het Meldpunt over de benodigde financiering van deze nieuwe activiteit van het Meldpunt voor de komende twee jaar. Binnen deze periode zal tevens een evaluatie worden verricht naar de ervaringen met het filteren en blokkeren en zullen de resultaten in beeld worden gebracht.

Samenwerking met financiële instellingen

Vanuit de Europese Commissie is in het afgelopen voorjaar volledige steun gegeven aan het initiatief van het Verenigd Koninkrijk en Italië om een European Financial Coalition (EFC) op te richten. In politiek opzicht is deze steun vergroot door het aannemen van raadsconclusies ter zake op 13 oktober 2009 door de Raad van ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken (JBZ-Raad). Nederland heeft deze raadsconclusies actief gesteund, door onder andere een amendement in te brengen terzake het mede onder de aandacht van de EFC brengen van nieuwe betaalwijzen op het internet (bijvoorbeeld prepaid cards en Lindendollars). Inmiddels draagt Nederland ook materieel bij aan de EFC door de deelname van Nederlandse beleids- en politieambtenaren aan de werkgroep «Law Enforcement». Tot september 2010 worden in deze werkgroep good practices verzameld en ontwikkeld. Vanaf september 2010 wil de EFC volledig operationeel zijn in de zin dat dan slachtoffers worden geholpen, daders worden vervolgd, het circuleren van afbeeldingen op het internet wordt verminderd en er van veel concrete samenwerking tussen stakeholders sprake is.

Ter voorbereiding van de Nederlandse inbreng in de werkgroep worden de contacten met de politie en met de financiële instellingen in Nederland geïntensiveerd. Daarnaast zal in de periode tot september 2010 worden bezien of, en zo ja hoe, buitenlandse good practices in Nederland kunnen worden geïmplementeerd. Bovendien zal worden bepaald op welke manier Nederland concreet kan bijdragen aan het operationeel worden van de EFC en hoe dit zal bijdragen aan de bestrijding van kinderpornografie in Nederland.

Strafrechtelijke aanpak en handhaving

De voortgang van het verbeterprogramma aanpak kinderpornografie algemeen.

Van de drie hoofdlijnen van het verbeterprogramma aanpak kinderpornografie, te weten «focus, «zaken» en «verbeteren», heeft het terugdringen van de werkvoorraad kinderpornografie op dit moment de hoogste prioriteit. Ten aanzien daarvan zijn in de Board Opsporing van de Raad van Korpschefs van 16 september 2009 twee besluiten genomen die betrekking hebben op enerzijds de inzet van tijdelijke recherchecapaciteit en anderzijds de uitbreiding van digitale expertise en capaciteit. Naast de aanpak van de werkvoorraad kinderpornozaken, is ook voortgang geboekt op andere punten van het verbeterprogramma. Zo is de eerste korpsmonitor kinderpornografie inmiddels gereed en wordt nieuwe software getest waarmee de in beslag genomen data van verdachten geautomatiseerd verwerkt kunnen worden (Project Video Finger Printing).

Capaciteit kinderpornorechercheurs en digitale rechercheurs

Tijdelijke uitbreiding digitale recherchecapaciteit

De Board Opsporing van de Raad van Korpschefs heeft op 16 september 2009 ingestemd met het voorstel van het Programma Aanpak Cybercrime (PAC) voor tijdelijke versterking van de digitale recherchecapaciteit op bovenregionaal niveau met (de financiële equivalent) van 7 fte specifiek voor de aanpak van kinderpornografie. Uitvoering van het geheel wordt projectmatig, in vier fasen, opgepakt met een landelijke projectleider vanuit de BR organisatie die de totale inzet van de tijdelijke capaciteit coördineert. Het project zal onder verantwoordelijkheid van het landelijk Programma Verbeteren Aanpak Kinderpornografie (PVAKP) van de politie lopen en heeft een doorlooptijd van 15 maanden, startend op 1 januari 2010 en eindigend op 1 april 2011.

De inzet van Bovenregionale Rechercheteams (BR’s)

Door het PVAKP is samen met het productteam kinderpornografie van het KLPD, het Openbaar Ministerie, BRO en BR-NON, een plan van aanpak werkvoorraad kinderporno opgesteld, welk plan inmiddels ook is goedgekeurd door het College van procureurs-generaal, BRO en de Board Opsporing van de Raad van Korpschefs. Dit plan sluit aan bij de eerdere start van de samenwerking in Noord Oost Nederland en voorziet in een uitbreiding van die samenwerking naar de overige werkgebieden van de bovenregionale recherche. Het plan bevat de tijdelijke inzet van BR-capaciteit voor een periode van twee jaar. De BR-capaciteit wordt ingezet om met ondersteuning van de regionale kinderpornospecialisten de werkvoorraad kinderpornografie aan te pakken. Afhankelijk van de zwaarte van deze zaken en de totale regionale zedenwerkvoorraad worden ook andere zedenspecialisten ingezet (voor in ieder geval verhoren van getuigen slachtoffers en verdachten).

Na afloop van de looptijd van twee jaar zal op basis van een evaluatie over eventuele voortzetting van de inzet van BR-capaciteit en over de wenselijkheid van permanente bovenregionale clustering van kinderpornocapaciteit besloten worden.

Opleiding voor gekwalificeerde selecteurs van kinderpornografie

In aanvulling op de voorgaande maatregelen ten behoeve van extra capaciteit voor kinderpornozaken, is een werkgroep ingesteld ten behoeve van de ontwikkeling van een opleiding voor recherche in zedenzaken, met als speciaal aandachtsgebied de aanpak van kinderpornografie. Deelnemende partijen zijn het Openbaar Ministerie, de Politieacademie, het KLPD en het PVAKP. De opleiding leidt op tot beoordelaar van kinderpornografisch materiaal ter ondersteuning en ontlasting van de zedenrecherche. Deze opleiding zal afzonderlijk naast de zedenopleiding gevolgd kunnen worden. De inhoud van de opleiding betreft onder meer het selecteren conform de landelijk vastgestelde norm (Aanwijzing Kinderpornografie), digitale kennis, kennis van relevante software en een praktijkstage.

Werkvoorraad kinderpornozaken

In de voortgangsbrief over de aanpak kinderpornografie van 4 juni 20091 heb ik u geïnformeerd over de totale werkvoorraad kinderpornozaken op het meetmoment 31 maart 2009, te weten 690 zaken waarvan 48 zaken in behandeling bij het KLPD en 642 zaken in behandeling bij de regiokorpsen. Van het PVAKP heb ik een opgave van de totale werkvoorraad met als laatste meetmoment 30 september 2009 ontvangen. Hieruit blijkt dat op dat moment de totale werkvoorraad 879 zaken omvat, waarvan 215 zaken in behandeling bij het KLPD en 664 zaken in behandeling bij de regiokorpsen zijn. De fluctuatie van de werkvoorraad, met thans een toename ten opzichte van het voorgaande meetmoment, wordt vooral veroorzaakt door het niet te beïnvloeden aanbod aan zaken op grond van rechtshulpverzoeken uit het buitenland.

Het aantal onderzoeken dat op jaarbasis bij de politie Nederland binnenkomt, ligt gemiddeld tussen de 800 en 1000. Met de huidige sterkte en de huidige inrichting is het volgens de politie zelf mogelijk om jaarlijks 700 onderzoeken, met als opsporingsfocus het bezit van kinderpornografisch materiaal, te behandelen. Dit betekent dat er per jaar 100 tot 300 zaken blijven liggen. De realisatie van tijdelijke extra digitale capaciteit en de tijdelijke inzet van bovenregionale rechercheteams zal de politie in staat stellen om meer onderzoeken op jaarbasis te behandelen.

Korpsmonitor kinderpornografie

De eerste korpsmonitor kinderpornografie, opgesteld door het PVAKP, is gereed en treft u als bijlage aan bij deze voortgangsbrief.2 Het betreft een nulmeting die tot doel heeft de stand van zaken tot en met 2008 weer te geven. Deze monitor is op 4 november 2009 vastgesteld door de Board Opsporing van de Raad van Korpschefs. Naast de start van de inzet van bovenregionale rechercheteams hebben een aantal korpsen de afdelingen die belast zijn met de bestrijding van kinderpornografie samengevoegd. Ik ben met de politie van mening dat dit een wenselijke ontwikkeling is. Daarnaast blijkt het zeer effectief te zijn om digitaal rechercheurs structureel deel uit te laten maken van een zedenafdeling. Samenwerking met instanties zoals de RIAGG, GGD, maatschappelijk werk en reclassering, blijkt voor zowel het onmiddellijke opsporingsresultaat als de versterking van de aanpak in algemene zin vruchten af te werpen.

Uit de monitor komt ook naar voren dat ondanks de met energie en voortvarendheid ingezette verbetering, er nog steeds onderwerpen zijn die verbetering behoeven. Onder andere de organisatie van de aanpak, de landelijke aansturing en de aansluiting met de financiële opsporing. Deze zaken zijn grotendeels reeds als aanbeveling opgenomen in het landelijke verbeterprogramma kinderpornografie en aan de verbetering van die zaken wordt al gewerkt. Daarmee bevestigt de monitor dat het verbeterprogramma de aandacht op de juiste knelpunten heeft gevestigd. Overigens is het verbeterprogramma aanpak kinderpornografie pas, na goedkeuring door de Board Opsporing van Raad van Korpschefs, in december 2008 daadwerkelijk van start gegaan. De effecten van het verbeterprogramma zullen daarom pas in de volgende korpsmonitor zichtbaar worden.

Digitale ontwikkelingen

De in juni 2009 gestarte pilot «videofingerprinting» vordert goed. Het gaat om een nieuwe unieke toepassing met het doel in beslag genomen bewegend materiaal versneld te herkennen en te kwalificeren, waardoor de zedenrechercheurs in hun werkdruk, zowel in werkomvang als in psychische belasting, kunnen worden ontlast. Verder zal op korte termijn een pilot worden gestart waarbij vier locaties, waar aan de bestrijding van kinderpornografie wordt gewerkt, door een netwerk met elkaar verbonden zullen worden. Dit in het kader van het ontwikkelen van een landelijk beveiligd netwerk tussen alle regio’s. Begin augustus 2009 is een eerste concrete stap gezet in het opbouwen van de nieuwe Landelijke Database Kinderporno. Deze landelijke database zal de bestaande 4 databases van de politie vervangen.

Onderzoek

Op aanvraag van het PVAKP heeft Politie & Wetenschap een verkennende studie laten verrichten naar de downloaders van kinderpornografie. Tijdens het Algemeen Overleg met uw Kamer op 9 september 2009 heb ik u medegedeeld dat ik u in deze voortgangsbrief zou informeren over de resultaten van dit onderzoek. Het onderzoek, dat inmiddels gereed is, wordt mij op korte termijn door de politie aangeboden. In de eerstvolgende voortgangsbrief aanpak kinderpornografie wordt u over de resultaten van dit onderzoek geïnformeerd.

Internationaal

Kindersekstoerisme

Overeenkomstig de mededeling hierover in mijn voorgaande voortgangsbrief over de aanpak kinderpornografie van 4 juni 20091 is een interdepartementale projectgroep kindersekstoerisme opgericht. Voor de verkenning naar de mogelijkheden ter intensivering van de aanpak van kindersekstoerisme, heeft de projectgroep Thailand als aandachtsgebied gekozen. De projectgroep brengt in kaart welke mogelijkheden er zijn om gericht bij te dragen aan de intensivering van de aanpak van kindersekstoerisme, waarbij mogelijke Nederlandse verdachten primair als uitgangspunt worden genomen. Daarnaast brengt de projectgroep de huidige nationale structuren voor meldingen over kindersekstoerisme binnen de politie en het KLPD in kaart.

Verder heeft onlangs een gesprek met de ANVR, de overkoepelde brancheorganisatie van de reisindustrie, plaatsgevonden over het tot stand brengen van nauwere samenwerking tussen de overheid en de reisindustrie. De ANVR heeft zich bereid getoond om binnen hun mogelijkheden samen te werken aan de bestrijding van kindersekstoerisme en hun leden te stimuleren om dit eveneens te doen. De afspraken met de ANVR zullen vastgelegd worden in een intentieverklaring, waarmee de samenwerking met de ANVR ook een officieel karakter krijgt. De gezamenlijke ondertekening van deze verklaring staat gepland voor januari 2010.

Daarnaast is momenteel een bewustwordingscampagne in voorbereiding waarmee enerzijds (potentiële) reizigers voorgelicht zullen worden over kindersekstoerisme en anderzijds actief zullen worden opgeroepen om melding te maken van kindersekstoerisme. Deze campagne wordt door het ministerie van Justitie, de Koninklijke Marechaussee, de politie en Meld Misdaad Anoniem samen georganiseerd en gaat in januari 2010 op Schiphol en op de vakantiebeurs in Utrecht van start.

Het Meldpunt Kinderpornografie op het Internet heeft zich bereid verklaard om een meldingsmogelijkheid via hun site voor de aanpak van kindersekstoerisme te creëren. Inmiddels is daartoe ook een apart meldingsformulier ontwikkeld. Besloten is om deze meldmogelijkheid als de officiële kindersekstoerisme hotline te laten fungeren. Het formulier zal daarom via een apart webadres, te weten www.meldkindersekstoerisme.nl bereikbaar zijn. Deze hotline zal eveneens in januari 2010 in werking treden en in de voornoemde campagne, naast de mogelijkheid om telefonisch te melden bij Meld Misdaad Anoniem, gebruikt worden.

Overige onderwerpen

Aanwijzing kinderpornografie

Het Openbaar Ministerie werkt momenteel aan een nieuwe Aanwijzing kinderpornografie, waarin onder andere ingegaan zal worden op de wijzigingen van de strafwetgeving die tot stand zijn gebracht naar aanleiding van de goedkeuring en uitvoering van het Verdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting en seksueel misbruik (Verdrag van Lanzarote) en de verhoging van de strafmaat in artikel 240b, tweede lid, Wetboek van Strafrecht van zes naar acht jaar (Wet van 12 juni 2009, Stb. 2009, 245). Bij deze aanwijzing zal tevens de motie van het lid van der Staaij (SGP) over het daadwerkelijk handhaven van de zedenlijkheidswetgeving voor 16- en 17-jarigen1 betrokken worden. Deze aanwijzing zal in 2010 gereed zijn.

Analyse kinderpornozaken

Uit onderzoek naar de werking van de kinderpornografierichtlijn blijkt dat in 43% van de kinderpornografiezaken door het OM een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is geëist. In totaal zijn 116 zaken, die in de periode van 1 mei 2007 tot en met 31 december 2008 bij het Openbaar Ministerie zijn binnengekomen, onderzocht. Dit betroffen zaken waarin de tenlastelegging artikel 240b Wetboek van Strafrecht omvatte. Het onderzoek toont een stijgende lijn in de toepassing van de richtlijn. Verder blijkt dat opgestarte hulpverleningstrajecten van verdachten van invloed zijn op de hoogte van gevorderde en opgelegde straffen. Binnen het Openbaar Ministerie wordt de sturing op de uitvoering van de richtlijn gecontinueerd.

Motie Gerkens/Arib over de vergewisplicht

Tijdens het Algemeen Overleg van 9 september 2009 heb ik met uw Kamer gesproken over de in de motie Gerkens/Arib2 tot uitdrukking gebrachte wens van uw Kamer om te komen tot een zogenoemde vergewisplicht voor exploitanten van websites waarop pornografie wordt aangeboden. Daarbij bleek dat deze leden niet overtuigd waren van de argumenten die tegen een dergelijke vergewisplicht pleiten. Het gaat hierbij om de vraag of een dergelijke plicht nodig is gelet op de brede beschermingsomvang van de strafbaarstelling van kinderpornografie in artikel 240b van het Wetboek van Strafrecht. Voorts zijn er twijfels over de proportionaliteit van de invoering van een zo vergaande verplichting evenals de uitvoerbaarheid ervan door exploitanten en producenten van websites. Verschillende Kamerleden hebben erop gewezen dat onder andere in de Verenigde Staten een systeem met een vergewisplicht bestaat en dat verschillende Nederlandse exploitanten van pornosites de Kamerleden hebben laten weten het voorstel voor een vergewisplicht te steunen. Uit de gevoerde discussie begrijp ik dat deze Kamerleden menen met deze maatregel een bewijsprobleem aan te pakken en dat zij beogen de rechterlijke macht hiermee te ontlasten. In hun ogen zou deze maatregel het vergemakkelijken om de makers en vooral de commerciële verspreiders van kinderpornografie te vervolgen. Een vervolging die nu in bepaalde gevallen mogelijk achterwege zou blijven vanwege de moeilijkheid om te bepalen of de afgebeelde persoon minderjarig is.

Zoals toegezegd tijdens het Algemeen Overleg heb ik het College van procureurs-generaal gevraagd mij over dit onderwerp te adviseren. Het College is van mening dat een vergewisplicht nodig noch wenselijk is. In de eerste plaats met een beroep op de jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 7 december 2004, LJN AQ8936 en HR 18 november 2008, LJN BF0170). Uit de desbetreffende jurisprudentie blijkt dat, nadat is vastgesteld dat een «model» minderjarig lijkt te zijn, er geen ruimte meer is voor tegenbewijs. In de twee aangehaalde arresten heeft de Hoge Raad bevestigd dat het er niet om gaat of de afgebeelde persoon feitelijk onder de 18 is, maar dat het erom gaat of de persoon er jonger dan 18 uitziet. In het arrest van 2008 ging het er overigens om dat in de eerdere feitelijke behandeling bij het gerechtshof door de verdediging was aangeboden tegenbewijs te leveren dat eruit bestaat dat de verdachte kinderpornografische afbeeldingen had gedownload van een Amerikaanse site die op grond van de United States Code, Titel 18, Section 2257, verplicht is bewijs aan te leveren van de leeftijd van modellen. Het gerechtshof had dit verweer verworpen en motiveerde dit met de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie. Het hiertegen ingestelde middel kon volgens de Hoge Raad niet tot cassatie leiden, omdat voor tegenbewijs geen plaats is omdat de afgebeelde persoon jonger oogt dan 18 jaar.

In de tweede plaats is het College van mening dat de opsporing en vervolging van kinderpornografie bemoeilijkt zal worden als een registratiesysteem wordt ingevoerd. Het beeldmateriaal waar het om gaat, is vaak afkomstig uit een dubieuze bron en er kan vaak met reden worden getwijfeld aan de juistheid van de bewering dat het desbetreffende «model» meerderjarig is. Juist in de landen waar deze afbeeldingen veelal worden gemaakt, is een vals identiteitsbewijs eenvoudig te krijgen en achteraf is dit vaak niet meer aan te tonen. Een vervolging, ook al rechtvaardigt de desbetreffende afbeelding dit, zou dan niet meer mogelijk zijn. De beoordeling door het College brengt mij tot de conclusie dat ook zonder de wettelijke invoering van een vergewisplicht op doelmatige wijze kan worden voldaan aan de oogmerken van de motie. Ik ben – in het licht van de discussie met uw Kamer – voornemens om te bevorderen dat in de reeds genoemde nieuwe Aanwijzing kinderpornografie de door de wetgever beoogde brede beschermingsomvang van de strafbaarstelling van kinderpornografie met meer nadruk onder de aandacht van de rechtspraktijk worden gebracht.

Artikel 273f Wetboek van Strafrecht en erotische afbeeldingen

Het lid Gerkens (SP) heeft tijdens het Algemeen Overleg van 9 september 2009 gevraagd naar de mogelijkheden om op grond van artikel 273f Sr op te treden tegen de exploitatie van kinderen voor de vervaardiging van erotisch getinte afbeeldingen, die niet onder de strafbaarstelling van kinderpornografie kunnen worden gebracht. In reactie op deze vraag breng ik graag naar voren dat wanneer een kind wordt verplicht of gedwongen om zich beschikbaar te stellen voor het verrichten van arbeid of diensten onder omstandigheden sprake zijn kan van uitbuiting, strafbaar gesteld in artikel 273f Sr inzake mensenhandel. Uitbuiting in algemene zin is strafbaar gesteld in artikel 273f, eerste lid, onderdeel 4°, Sr. Dat stelt strafbaar degene die met ongeoorloofde middelen als dwang of geweld, misbruik van een kwetsbare positie, een persoon, waaronder een kind, dwingt of beweegt tot het verrichten van arbeid of diensten. Ten slotte kan degene die opzettelijk profiteert van de uitbuiting van een ander, waaronder een kind, onder omstandigheden strafbaar zijn op grond van artikel 273f, eerste lid, onderdeel 6°, Sr. Het hangt van de specifieke omstandigheden af of aan de vereisten voor strafbaarheid is voldaan. Uiteindelijk is dit ter beoordeling aan de strafrechter. Overigens zij opgemerkt dat – zoals het lid Gerkens ook zelf al naar voren bracht – de vervaardiging van de desbetreffende afbeeldingen in het algemeen buiten Nederland plaatsvindt.

Ongevraagd toesturen van naaktfoto’s op netwerksites

In antwoord op de vraag van het lid Gerkens (SP) tijdens het Algemeen Overleg van 9 september 2009 naar de strafbaarheid van het ongevraagd sturen van naaktfoto’s naar een ander op netwerksites, kan ik uw Kamer berichten dat artikel 240 Sr de grondslag biedt om strafrechtelijk tegen deze gedraging op te treden.

Ik acht het niet nodig om de bekendheid van de strafbaarheid van dergelijke handelingen actief te bevorderen aangezien netwerksites, zoals Hyves, zelf ook wijzen op de mogelijkheden om misbruik op de netwerksites te melden.

De minister van Justitie

E. M. H. Hirsch Ballin


XNoot
1

Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 28 638, nr. 46.

XNoot
2

End Child Prostitution, Child Pornography and Trafficking of Children for Sexual Purposes.

XNoot
3

Zie bijvoorbeeld de preambule van het «Verdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting en seksueel misbruik «(Verdrag van Lanzarote)».

XNoot
4

Regeling van 28 oktober 2009, nr. 5627003/09, Stc. 9 december 2009, nr. 18798.

XNoot
1

Dit platform is op 8 december 2009 te Den Haag opgericht door de minister van Justitie, de staatssecretaris van Economische Zaken en een aantal marktpartijen. Zie hiervoor www.ecp.nl (Kick-off-platform-internetveiligheid-intensievere-samenwerking-overheid-en-marktpartijen-voor-veilig).

XNoot
1

Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 700 VI, nr. 130.

XNoot
2

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

XNoot
1

Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 700 VI, nr. 130.

XNoot
1

Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 200 VI, nr. 24.

XNoot
2

Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 28 684, nr. 143.