Gepubliceerd: 5 november 2009
Indiener(s): Piet Hein Donner (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA)
Onderwerpen: arbeidsvoorwaarden jongeren werk werkgelegenheid zorg en gezondheid
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32058-6.html
ID: 32058-6

32 058
Tijdelijke verruiming van de mogelijkheid in artikel 668a van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek om arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd aan te gaan in verband met het bevorderen van de arbeidsparticipatie van jongeren

nr. 6
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 5 november 2009

1. Algemeen

De leden van de fracties van CDA, PvdA, SP, VVD en ChristenUnie hebben vragen gesteld over het bovengenoemde wetsvoorstel. Deze vragen worden hierna, mede namens de Minister van Justitie, beantwoord. Aangezien een aantal fracties vragen over dezelfde onderwerpen heeft gesteld, zijn de antwoorden naar onderwerp ingedeeld.

2. Onderzoek naar effectiviteit van het wetsvoorstel

De leden van de CDA-fractie vragen hoe en wanneer de Kamer geïnformeerd zal worden over het onderzoek naar de effectiviteit van de voorgestelde maatregel.

In de memorie van toelichting is aangegeven dat dit onderzoek op een zodanig tijdstip zal plaatsvinden dat vóór 1 januari 2012 een afgewogen beslissing kan worden genomen over de vraag of de werkingsduur van de maatregel moet worden verlengd. Om de effectiviteit van de maatregel te kunnen onderzoeken dient de maatregel enige tijd in werking te zijn. Ervan uitgaande dat het wetsvoorstel omstreeks 1 januari 2010 in werking zal treden, heeft de regering het voornemen om het onderzoek naar de effectiviteit van de maatregel in het voorjaar van 2011 uit te voeren. De Tweede Kamer zal in het najaar van 2011 worden geïnformeerd over de uitkomsten van het onderzoek en over het al dan niet verlengen van de maatregel.

De leden van de CDA-fractie en de leden van de fractie van de ChristenUnie vragen voorts welke indicatoren de regering bij dit onderzoek naar de effectiviteit zal hanteren. De leden van de VVD-fractie en de leden van de fractie van de ChristenUnie vragen tevens op basis van welke criteria de regering kan besluiten tot verlenging van de termijn van de voorgestelde tijdelijke verruiming.

Naar verwachting kan met de werkingsduur van de maatregel van twee jaar de huidige economische crisis worden overbrugd. Indien het er naar uitziet dat de economische crisis langer duurt, kan de werkingsduur vande maatregel worden verlengd. Met het oog op een eventuele verlenging wordt een (overwegend kwantitatief) onderzoek naar effectiviteit van de maatregel uitgevoerd.

De criteria op basis waarvan wordt besloten of de maatregel moet worden verlengd zijn:

• de verwachting dat de economische crisis ook na 1 januari 2012 voortduurt;

• de effectiviteit van de maaregel: het gebruik door werkgevers van de mogelijkheid om langer (48 maanden) en vaker (vier) opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd aan te gaan met jongeren.

Voor de beoordeling van deze criteria zullen de volgende indicatoren worden onderzocht:

Indicatoren voor de economische crisis:

• het aantal jeugdwerklozen;

• de totale werkloosheid;

• het aantal flexibele arbeidsrelaties (tijdelijke contracten, uitzendwerk).

Indicator voor effectiviteit van de maatregel:

• het aantal jongeren met langer (vier jaar) of vaker (vier) opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, van wie zonder deze maatregel de arbeidsrelatie eerder beëindigd zou zijn

3. Evaluatiebepaling en «sunset clausule»

De leden van de fractie van de PvdA willen dat in de wet wordt voorzien in een evaluatiebepaling, zodat het voor de Kamer inzichtelijk is wat de effecten zijn van deze tijdelijke maatregel. Een eventuele verlenging van de wet is niet wenselijk zonder dat de Kamer daar zeer kritisch naar heeft kunnen kijken. In beginsel is er geen sprake van verlenging; deze maatregel is slechts bedoeld om de effecten van de crisis te dempen. De leden van de PvdA-fractie willen dan ook voorstellen om, trouw aan de natuur van het voorstel, een zogenaamde «sunset clausule» opnemen. Dat zou dan betekenen dat de wet een natuurlijke einddatum van bijvoorbeeld 31-12-2011 heeft, zonder dat daarvoor extra actie ondernomen hoeft te worden. Hoe kijkt de regering hier tegenaan, zo vragen deze leden.

De regering heeft in de wet zelf geen evaluatiebepaling opgenomen. Een evaluatiebepaling volgens de standaard van de Aanwijzingen voor de regelgeving gaat uit van een evaluatietermijn van 5 jaar. Dat is gezien het tijdelijke karakter van deze wetswijziging niet aan de orde. In de memorie van toelichting is wel toegezegd dat met het oog op een mogelijke verlenging van de maatregel een onderzoek naar de effectiviteit van de maatregel zal plaatsvinden. De uitkomsten van dit onderzoek zullen te zijner tijd aan de Staten-Generaal worden toegezonden. Het wetsvoorstel houdt in dat de wijzigingen die in artikel 668a van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek worden aangebracht met ingang van 1 januari 2012 vervallen, tenzij bij koninklijk besluit een later tijdstip wordt vastgesteld. In theorie zou deze tijdelijke wet daardoor langdurig kunnen blijven bestaan. In verband daarmee wordt bij nota van wijziging voorgesteld dat de wijziging in principe met ingang van 1 januari 2012 vervalt. Bij koninklijk besluit kan deze datum worden verlengd, maar niet langer dan tot 1 januari 2014. Hiermee is een absolute einddatum in het wetsvoorstel opgenomen. De nieuwe formulering is meer in lijn met de door de leden van de PvdA-fractie genoemde «sunset clausule».

4. Verwachte effecten van het wetsvoorstel

De leden van de PvdA-fractie vragen een kort overzicht van de budgettaire effecten van het wetsvoorstel.

De budgettaire effecten zullen zeer klein zijn. Alleen als de jongere de baan blijft behouden door de nieuwe wet (in plaats van de situatie dat hij wordt ontslagen en de tijdelijke baan wordt geschrapt), zijn er bescheiden positieve budgettaire effecten. Deze effecten kunnen gelegen zijn in hogere inkomstenbelasting en lagere uitgaven voor sociale zekerheid (bijvoorbeeld de WW).

De leden van de SP-fractie vragen op welke wijze te rechtvaardigen is dat jongeren die werkzaam zijn in sectoren die niet of nauwelijks door de economische crisis worden getroffen ook nadeel van het voorstel hebben. Deze leden vragen tevens of de regering verwacht dat werkgevers die niet door de economische crisis getroffen zijn gebruik zullen maken van de mogelijkheid van een vierde tijdelijke contract. Zo nee, waarom niet?

Ook vragen deze leden waarop de verwachting is gebaseerd dat werkgevers jongeren in dienst zullen houden als gevolg van het wetsvoorstel en voor welke branches dit van toepassing zou zijn.

Alvorens de vragen te beantwoorden zal een overzicht worden gegeven van de werkgelegenheidsontwikkeling naar sector. Er zijn grote sectorale verschillen in de werkgelegenheidsontwikkeling (zie bijlage, tabel 1). Vooral het bank- en verzekeringswezen levert veel arbeidsplaatsen in. Maar ook in de landbouw en industrie gaan veel banen verloren. Tegenover deze krimpsectoren staan groeisectoren, zoals de zakelijke dienstverlening, onderwijs, gezondheids- en welzijnszorg.

Niet alleen de groeisectoren bieden vacatures de komende jaren:

• alle sectoren in de markt- en collectieve sector- hebben te maken met de vergrijzing. Hierdoor komen banen vrij die weer opgevuld moeten worden. Echter, vanwege de crisis zal de herbezetting van banen minder groot zijn;

• ook ontstaan vacatures doordat werknemers zich van de arbeidsmarkt terugtrekken wegens de zorg voor kinderen, om een opleiding te volgen of wegens emigratie;

• ook ontstaan baanopeningen door baanmobiliteit (wisseling van baan).

In sectoren komen tekorten en overschotten dus naast elkaar voor. Het gaat vaak om tekorten aan hoger opgeleiden of vakmensen en overschotten aan lager opgeleiden.

De leden van de SP-fractie merken op dat ook in sectoren die niet of nauwelijks worden getroffen door de economische crisis een vierde opeenvolgende arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd kan worden aangegaan met jongeren tot 27 jaar.

De onderhavige maatregel betreft een generieke wettelijke maatregel waarvan werkgevers in alle sectoren gebruik kunnen maken. Het aangaan van een vierde opeenvolgende arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is geen verplichting voor werkgevers, maar een (tijdelijke) mogelijkheid. Hierbij wijst de regering erop dat in sectoren waar geen noodzaak is om arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd aan te gaan omdat er voldoende werk is, ook niet ten volle gebruik zal worden gemaakt van de mogelijkheden die de ketenbepaling biedt. Als er voldoende (perspectief op) werk is kan bijvoorbeeld al na één tijdelijk contract een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd volgen. Indien die noodzaak er wel is kan ook in sectoren die niet door de economische crisis getroffen zijn (zie bijlage, tabel 1) een werkgever gebruik maken van de tijdelijke verruiming.

De verwachting dat werkgevers jongeren in dienst zullen houden als gevolg van het wetsvoorstel is gebaseerd op de overweging dat werkgevers zich in de huidige onzekere omstandigheden vaak genoodzaakt zien om tijdelijke contracten met jongere werknemers niet te verlengen, omdat ze hun arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet durven om te zetten in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Met de onderhavige maatregel krijgt een werkgever de mogelijkheid om een jongere langer op tijdelijke basis in dienst te houden.

Deze leden vragen voorts of de regering kan aangeven hoe in bedrijfstakken waar nu al bij CAO kan worden afgeweken van de ketenbepaling de zekerheid van werk is vergroot.

Op dit moment wordt onderzoek verricht naar de ketenbepaling en de vraag in welke bedrijfstakken op grond van CAO-afspraken ten nadele van de werknemer is afgeweken van de ketenbepaling. Eerder heeft een dergelijk onderzoek plaatsgevonden in het kader van de tweede evaluatie van de Wet flexibiliteit en zekerheid (CAO’s van 2006). Zie verder onder punt 6. Naar verwachting zullen in december de resultaten van het lopende onderzoek beschikbaar zijn. Verder zal worden bezien of het mogelijk is om inzicht te verschaffen in de vraag hoe in deze bedrijfstakken de zekerheid van werk is vergroot.

De leden van de SP fractie vragen naar een onderbouwing van de toename van werkloosheid door vast te houden aan drie tijdelijke contracten. De leden vragen naar de omvang van de beweerde toename van werkloosheid. Is navraag gedaan bij bedrijven of zij jongeren in dienst zouden hebben gehouden als in het afgelopen jaar het wetsvoorstel al wet was geweest? Waarom niet? En wil de regering alsnog zo een onderzoek uitvoeren, zo vragen deze leden.

Zoals hierboven in antwoord op een vraag van de leden van de SP-fractie is geantwoord is de verwachting dat werkgevers jongeren in dienst zullen houden gebaseerd op de overweging dat werkgevers zich in de huidige onzekere omstandigheden vaak genoodzaakt zien om tijdelijke contracten met jongere werknemers niet te verlengen, omdat ze hun arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet durven om te zetten in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Uit de tweede evaluatie van de Wet flexibiliteit en zekerheid in 2007 (Kamerstukken II 2006/07, 30 108 en 29 544, nr. 5) blijkt dat de reden voor beëindiging van een baan in 18% van de gevallen samenhangt met het feit dat de werknemers toe zijn aan een vast dienstverband na opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd.

Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft navraag gedaan bij een aantal individuele werkgevers en sectoren in verband met de onderhavige maatregel. Veel werkgevers en sectoren hebben positief gereageerd op de mogelijkheid om meer opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd aan te gaan met jongeren. Zij geven bijvoorbeeld aan dat er meer ruimte nodig is om mensen te behouden die zich in de beslissende fase van de tijdelijke aanstelling bevinden, maar aan wie een werkgever geen vast dienstverband durft aan te bieden omdat niet duidelijk is of de economische situatie zich herstelt. De mogelijkheid om vaker arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd aan te gaan geeft meer zekerheid en zou de drempel om mensen in dienst te houden verlagen.

De leden van de SP-fractie constateren dat werknemers met een tijdelijke arbeidsovereenkomst steeds grotere problemen hebben bij het verkrijgen van een hypotheek omdat ze geen inkomenszekerheid hebben. Deze leden vragen welke gevolgen het wetsvoorstel voor hen heeft en welke gevolgen het wetsvoorstel heeft voor de huizenmarkt gezien het feit dat een eventueel voornemen om een huis te kopen met een jaar wordt uitgesteld.

Het doel van onderhavig wetsvoorstel is het beperken van de werkloosheid onder jongeren. Door de maatregel is het mogelijk om jongeren gedurende de huidige economische crisis langer aan het werk te houden waardoor zij langer inkomenszekerheid hebben. De inkomenszekerheid blijft echter beperkt. Zowel in de huidige als de nieuwe situatie bestaat de kans dat de werkgever uiteindelijk de arbeidsovereenkomst beëindigt. De verruimde mogelijkheid van opvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd voor jongeren heeft naar de mening van de regering dan ook geen invloed op de kansen van jongeren voor het verkrijgen van een hypotheek vanwege de beperkte inkomenszekerheid.

5. Leeftijdsgrens van 27 jaar

De leden van de PvdA-fractie vragen hoe deze maatregel zich verhoudt met Europese regelgeving. Levert het wetsvoorstel geen frictie op met internationale normen met betrekking tot leeftijdsdiscriminatie?

De normen met betrekking tot leeftijdsdiscriminatie uit richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep zijn uitgewerkt in de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid. In artikel 7 lid 1 onderdeel a van deze wet is het maken van onderscheid op grond van leeftijd toegestaan als dat onderscheid is gebaseerd op werkgelegenheids- of arbeidsmarktbeleid ter bevordering van arbeidsparticipatie van bepaalde leeftijdscategorieën. Wel moet dit beleid bij of krachtens wet zijn vastgesteld en dient er een objectieve rechtvaardiging te zijn voor het leeftijdsonderscheid (legitiem doel, passende en noodzakelijke middelen). De objectieve rechtvaardiging voor de leeftijdsgrens van 27 jaar is uitgewerkt in de memorie van toelichting bij het onderhavige wetsvoorstel.

Het oogmerk van het onderhavige wetsvoorstel is het bevorderen van arbeidsparticipatie van jongeren en het tegengaan van de jeugdwerkloosheid. Het gaat in dit wetsvoorstel om een beperkte en tijdelijke uitbreiding van de mogelijkheden voor jongeren tot 27 jaar om werkzaam te kunnen zijn op grond van opvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. Dit is in lijn met het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen inzake Mangold (22 november 2005, C-144/04), dat is gewezen in het kader van richtlijn 1999/70/EG van de raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd (PbEG 1999 L175) en de bovengenoemde richtlijn 2000/78/EG. In die zaak ging het om het aanbieden van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd aan werknemers vanaf 52 jaar in het kader van het bevorderen van de werkgelegenheid van ouderen zonder dat daarvoor een objectieve rechtvaardiging vereist is. In dit arrest is allereerst bepaald dat de bovengenoemde raamovereenkomst (1999/70/EG) zich niet verzet tegen een regeling waarbij ter bevordering van de werkgelegenheid, de leeftijd waarboven het sluiten van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd onbeperkt is toegestaan, is verlaagd. Tegen het onbeperkt toestaan van dergelijke tijdelijke contracten voor een bepaalde leeftijdscategorie verzet zich wel de hiervoor genoemde richtlijn 2000/78/EG, tenzij er een nauw zakelijk verband is met een eerdere arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bij dezelfde werkgever. Het onderhavige wetsvoorstel biedt echter uitsluitend de mogelijkheid om voor een bepaalde leeftijdscategorie gedurende vier jaar (in plaats van drie) of vier (in plaats van drie) opvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd aan te gaan. De regering komt dan ook tot de conclusie dat er geen sprake is van frictie met het relevante EG-recht.

De leden van de SP-fractie vragen waarom is gekozen voor een leeftijdsgrens van 27 jaar. Ook de leden van de fractie van de ChristenUnie vragen op basis waarvan de regering is gekomen tot de keuze voor 27 jaar als leeftijdsgrens.

Zoals in de memorie van toelichting is aangegeven, heeft de regering met de leeftijdsgrens van 27 jaar aangesloten bij andere wetgeving die zich op de arbeidsparticipatie van jongeren richt. Recentelijk is de Wet investeren in jongeren (WIJ) in werking getreden. In die wet is geregeld dat een werkloze jongere tot 27 jaar recht heeft op een werkleeraanbod (werk, een opleiding of een combinatie daarvan). Deze leeftijdsgrens is gekozen, omdat jongeren tot deze leeftijd zich nog voorbereiden op hun toekomst en in het algemeen nog een relatief beperkt arbeidsverleden hebben. De Commissie Gelijke Behandeling is van oordeel dat het gebruik van deze leeftijdsgrens in de WIJ objectief gerechtvaardigd is. Voorts sluit de leeftijdsgrens ook aan bij de motie Rutte c.s. (Kamerstukken II 2008/09, 31 070, nr. 30).

Als de regering gelooft in een beter toekomstperspectief bij uitbreiding naar vier contracten geldt dat toch ook voor 27 jaar en ouder? Kan de regering uitleggen waarom dat niet het geval zou zijn, zo vragen de leden van de SP-fractie.

Zoals in de memorie van toelichting is aangegeven is de regering zich ervan bewust dat de huidige economische crisis gevolgen kan hebben voor alle werknemers. Omdat jongeren de gevolgen eerder en sterker ondervinden dan veel andere groepen is ervoor gekozen om de maatregel op jongeren tot 27 jaar te richten.

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering bereid is om, indien de verruiming na evaluatie succesvol blijkt, te onderzoeken of deze verruimingsmogelijkheid ook een positief effect kan hebben op de arbeidsparticipatie bij andere leeftijdsgroepen, die een moeilijke positie op de arbeidsmarkt hebben? Zo ja, aan welke leeftijdsgroepen denkt de regering hier? Zo nee, waarom niet?

Het onderzoek naar de effectiviteit heeft tot doel om, zoals onder punt 2 toegelicht, te kunnen besluiten of verlenging van de onderhavige tijdelijke maatregel gewenst is met het oog op de economische crisis. Een verruiming naar andere leeftijdsgroepen is derhalve niet aan de orde.

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering nog eens deugdelijker kan motiveren waarom het advies van de Raad van State niet is overgenomen om het wetsvoorstel ook van toepassing te verklaren op jongeren die de leeftijd van 27 jaar hebben bereikt, maar waarvan het eerste tijdelijke contract voor deze leeftijd is ingegaan?

Het doel van het onderhavige wetsvoorstel is het bevorderen van de arbeidsparticipatie van jongeren en het bestrijden van jeugdwerkloosheid. Als de suggestie van de Raad van State was overgenomen om de regeling ook na het bereiken van de leeftijd van 27 jaar te laten doorlopen indien de eerste arbeidsovereenkomst voor deze leeftijd is ingegaan, zou de reikwijdte van het wetsvoorstel worden uitgebreid naar werknemers tot 31 jaar. Op basis van de onderhavige maatregel kunnen immers gedurende een periode van maximaal vier jaar opvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd worden aangegaan. Daarmee zou de maatregel het bovengenoemde doel (het bestrijden van jeugdwerkloosheid) voorbij schieten.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of de leeftijdsgrens van 27 jaar alleen geldt voor het moment waarop het eerste tijdelijke contract wordt aangegaan of ook voor het moment waarop er verlenging plaatsvindt?

De leeftijdsgrens van 27 jaar geldt niet alleen voor het moment waarop de eerste arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd wordt aangegaan, maar ook voor het moment waarop verlenging plaatsvindt. Bij het bereiken van de leeftijd van 27 jaar houdt de werking van de onderhavige maatregel op en valt de werknemer weer onder de huidige ketenbepaling. Hierop is in artikel III van het wetsvoorstel een uitzondering gemaakt voor werknemers die op het moment dat zij 27 jaar worden meer dan drie jaar of meer dan drie opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd hebben.

6. Ketenbepaling

De leden van de SP-fractie vragen welke redenen er voor de regering zijn om de ketenregel te behouden. En hoe dat zich verhoudt tot eerdere voorstellen om het maximaal aantal tijdelijke contracten te beperken tot twee.

Uit de eerder genoemde evaluatie van de Wet flexibiliteit en zekerheid (2007) is gebleken dat deze wet de flexibiliteit voor bedrijven en de zekerheid voor werknemers op een aantal punten heeft vergroot. De ketenbepaling biedt bescherming aan werknemers doordat een grens wordt gesteld: na een periode van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd volgt een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Om deze reden kiest de regering ervoor om de ketenbepaling te behouden. Voorts wordt opgemerkt dat van regeringszijde geen eerdere voorstellen zijn gedaan om het aantal tijdelijke contracten te beperken tot twee, zoals de leden van de SP-fractie stellen.

De regering stelt dat het huidige percentage CAO’s met een aangepast maximaal aantal arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd gestegen is van 21 naar 23% (ten opzichte van 2004). De leden van de VVD-fractie vragen om hoeveel CAO’s het gaat in absolute cijfers en in welke sectoren deze CAO’s voornamelijk zijn afgesloten?

De genoemde percentages zijn afkomstig uit het CAO-onderzoek dat is uitgevoerd in het kader van de tweede evaluatie van de Wet flexibiliteit en zekerheid (2007). In absolute cijfers gaat het om (25 aanpassingen in) 23 CAO’s. Deze CAO’s zijn voornamelijk afgesloten in de sectoren industrie, handel en horeca en overige dienstverlening.

Op dit moment wordt zoals hierboven aangegeven opnieuw CAO-onderzoek uitgevoerd. De resultaten daarvan zullen naar verwachting in december beschikbaar zijn.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen welke waarborgen dit voorstel biedt om perspectief te bieden voor jonge werknemers op een vaste aanstelling, nadat de termijn van 48 maanden of vier opeenvolgende contracten is overschreden? Hoe worden werkgevers gestimuleerd om, nadat de hiervoor genoemde termijnen zijn verstreken, jonge werknemers een vaste aanstelling aan te bieden, zo vragen de leden van de fractie van de ChristenUnie.

Het wetsvoorstel betreft een tijdelijke maatregel om de huidige economische crisis te overbruggen. Jonge werknemers, die zich in de beslissende fase van hun aanstelling bevinden, kunnen op deze manier aan het werk worden gehouden gedurende de crisis. Daarmee behouden zij niet alleen langer hun baan, maar ook het perspectief op een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd als blijkt dat de economische situatie zich weer herstelt. Het is ter beoordeling van de werkgever en afhankelijk van de omstandigheden van het geval of een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd kan worden aangegaan.

7. Schoolverlaters

De leden van de PvdA-fractie vragen een kwantitatief onderzoek naar de verdringingseffecten van schoolverlaters die als gevolg van deze wet ontstaan.

Zoals in de memorie van toelichting en ook hierna wordt toegelicht zullen de mogelijke verdringingseffecten van schoolverlaters naar verwachting zeer klein zijn. De regering zal bezien of het mogelijke verdringingseffect van schoolverlaters kan worden betrokken bij het (kwantitatieve) onderzoek naar effectiviteit van de maatregel (zie onder 2).

De leden van de fractie van de ChristenUnie constateren dat de regering van mening is dat het verdringingseffect voor schoolverlaters van deze maatregel beperkt zal zijn en vragen hoe de regering tot deze conclusie komt. Voorts stelt de regering dat de maatregel ook kansen biedt voor schoolverlaters, omdat ook voor hen gebruik kan worden gemaakt van de mogelijkheid om vaker arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd aan te gaan. Welke argumenten liggen hieraan ten grondslag? Welk percentage van het aantal schoolverlaters gaat profiteren van deze maatregel, gegeven het feit dat de maatregel pas voordeel oplevert na drie tijdelijke contracten of na drie jaar in dienst te zijn geweest en gegeven het feit dat het gaat om een tijdelijke maatregel, zo vragen deze leden.

Het verdringingseffect van schoolverlaters zal om verschillende redenen zeer klein zijn.

In de eerste plaats wordt geconstateerd dat jongeren die niet aan een baan komen, terug naar school gaan. Nog nooit hebben zich zoveel jongeren voor een opleiding aangemeld als recentelijk is gebeurd. Voorts kan een deel van de posities die eventueel zouden zijn vrijgekomen – als een extra tijdelijk contract niet mogelijk was geweest – niet door schoolverlaters bezet worden. Bijvoorbeeld omdat die posities dan helemaal niet zouden worden ingevuld of omdat er ervaring voor vereist is.

De maatregel kan ook kansen bieden aan schoolverlaters, omdat deze van toepassing is in crisisjaren. Het is nog onduidelijk hoe lang de crisis zal aanhouden. Indien gebruik wordt gemaakt van kortlopende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd is het mogelijk dat schoolverlaters op tijdelijke basis worden aangenomen en kunnen profiteren van de maatregel. Het is niet mogelijk om daarbij een percentage aan te geven.

8. Maatregelen ter bestrijding van jeugdwerkloosheid

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering een inschatting kan geven van het verloop van de jeugdwerkloosheid de komende jaren.

Een inschatting van het verloop van de jeugdwerkloosheid in de komende drie jaren is omgeven met bijzonder veel onzekerheid. Een van de redenen hiervoor is dat jongeren in een periode van laagconjunctuur sneller werkloos raken dan oudere werkzoekenden, maar zodra de economie enigszins aantrekt ook weer als eerste aan de slag komen. Aangezien het moment waarop de conjunctuur zich verbetert nauwelijks te voorspellen is, compliceert dit de voorspelling van het verloop van de jeugdwerkloosheid. Die voorspelling wordt verder bemoeilijkt doordat jongeren, anders dan oudere werkzoekenden, gemakkelijker vanuit werkloosheid terug de schoolbanken in gaan of direct in een volgende opleiding stappen. De mate waarin werkloze jongeren dit in de komende twee tot drie jaar zullen doen is echter lastig te voorspellen. Het CPB raamt de jeugdwerkloosheid dan ook niet.

Wel zijn er ramingen van CPB (bron: Macro-Economische Verkenningen 2010) en UWV (bron: UWV «Arbeidsmarktprognose 2009–2010. Met een doorkijk naar 2014» op 16 juni 2009) die een inschatting geven van het verloop van de algehele werkloosheid in de komende jaren (zie bijlage, figuur 1). Hierbij moet worden aangetekend dat ook deze ramingen met de nodige onzekerheid omgeven zijn. De regering verwacht dat het verloop van de jeugdwerkloosheid de geraamde bewegingen in de algehele werkloosheid in grote lijnen zal volgen, afgezien van twee verschillen. Ten eerste is de jeugdwerkloosheid over het algemeen hoger dan de algehele werkloosheid. Hoeveel hoger de jeugdwerkloosheid is fluctueert in de tijd, en varieert ook met de definitie van jeugdwerkloosheid, tussen de factor 1,3 en 2,2. We kunnen er dus van uitgaan dat de jeugdwerkloosheid in de komende jaren wederom boven het niveau van de geraamde algehele werkloosheid zal liggen. Ten tweede zal de jeugdwerkloosheid bij het aantrekken van de economie eerder en sneller afnemen dan de algehele werkloosheid. Dit komt doordat de jeugdwerkloosheid sneller reageert op veranderingen in de conjunctuur.

De leden van de VVD-fractie vragen wat de visie van de regering is op de samenhang en effectiviteit van alle maatregelen die de regering neemt (ook in de fiscale sfeer) ter bestrijding van de jeugdwerkloosheid. De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen de regering een overzicht te bieden van alle genomen maatregelen die erop gericht zijn om jeugdwerkloosheid tegen te gaan. Hierin dient een onderscheid gemaakt te worden tussen maatregelen die gericht zijn op jongeren die al een baan hebben en maatregelen die gericht zijn op schoolverlaters.

De regering heeft in reactie op de crisis een groot aantal arbeidsmarktmaatregelen genomen. Omdat jongeren harder getroffen worden als het economisch slechter gaat (doordat ze weinig werkervaring hebben en vaker op flexibele contracten werken), zijn veel van deze maatregelen gericht op het bestrijden of op het voorkomen van jeugdwerkloosheid (zie bijlage, tabel 2). De beleidsinzet is er met name op gericht om jongeren langer op school te houden. Jongeren zorgen er zo voor dat ze beter beslagen ten ijs komen. Door het op- of omscholen verbeteren zijn hun arbeidsmarktperspectieven. Deze tijdelijke crisismaatregelen worden verder ondersteund door de het invoeren van de Wet investeren in jongeren (WIJ) en door de gewijzigde WAJONG (zie bijlage, tabel 3).

Met betrekking tot de effectiviteit van de verschillende maatregelen, kan niet voor de maatregelen afzonderlijk worden aangegeven in welke mate ze bijdragen aan het bestrijden van de jeugdwerkloosheid. Wel zal de regering de ontwikkeling van de jeugdwerkloosheid nauwgezet volgen om te bezien of de gekozen beleidsaanpak effectief is.

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

J. P. H.Donner

BIJLAGE

Tabel 1 Werkgelegenheidsontwikkeling naar sector, Nederland 2008–2013

Sectoren200820092010–2013
Landbouw– 0,9– 1,6– 2,6
Industrie & nutsbedrijven0,0– 2,8– 2,7
Bouw+ 4,5– 2,1– 1,7
Handel en Reparatie+ 1,9– 0,6– 0,6
Horeca+ 2,2– 1,0– 0,3
Transport en communicatie+ 1,6– 0,4– 1,4
Bank en verzekeringswezen0,0– 3,7– 2,5
Zakelijke dienstverlening+ 4,8+ 0,9+ 0,5
Overheid+ 2,0+ 0,4+ 0,2
Onderwijs+ 2,0+ 0,5+ 0,2
Gezondheids- en welzijnszorg+ 3,6+ 2,4+ 1,9
Overige dienstverlening+ 2,9+ 1,1+ 1,2
Totaal+ 2,4– 0,2– 0,3

Bron: CPB, LISA, EIM, bewerking Etil.

Figuur 1. Werkloosheidspercentage naar leeftijda

KST136749-1.png

a Werkloosheidspercentages in periode 1975–2008 zijn realisatiecijfers. De percentages voor 2009–2012 zijn prognoses.

Tabel 2 Crisismaatregelen gericht op jongeren

MaatregelToelic htingDuur
Actieplan Jeugdwerkloosheid (€ 250 mln)• Jongeren langer op school (school ex programma € 16 mln)  
 • Convenanten met 30 regio’s (€ 153 mln)  
 • Matching-offensief (€ 10 mln)  
 • Leerwerkbanen/stages (€ 25 mln)  
 • Kansen voor kwetsbare jongeren (€ 40 mln)  
 • Landelijke campagne (€ 6 mln.)2009–2011
Versterking MBO (€ 250 mln)Bekostiging extra leerlingen MBO a.g.v. slecht perspectief arbeidsmarkt.2009 en 2010
Premievrijstelling kleine banen voor jongerenWerkgevers worden vrijgesteld van premiebetaling en loonbelasting bij werkzaamheden van jongeren beneden de 23 jaar van geringe omvang (<50% WML). Het levert een vermindering van administratieve lasten en van arbeidskosten op.2010
ESF Actie JHet kabinet heeft € 75 mln gereserveerd voor een ESF actie Jeugd. Dit geld zal in 2 tranche beschikbaar worden gesteld. Voor gemeenten is voor 2009 een totaal bedrag van 25 miljoen euro beschikbaar. Voor de O&O-fondsen voor 2009 in totaal 15 miljoen. In 2010 zal een nieuwe tranche worden geopend.2009 en 2010

Tabel 3 Reguliere beleidsaanpassingen gericht op jongeren

MaatregelToelichtingInvoeringsdatum
Wet investeren in jongeren (WIJ)Op grond van de WIJ zijn vanaf 1 oktober 2009 gemeenten verplicht om jongeren tot 27 jaar die niet werken of leren desgevraagd binnen twee maanden een werk- leeraanbod te doen. Het werkleeraanbod kan bestaan uit een baan, scholing of een combinatie van beide. Scholing (leeraanbod, stages of ervaringsplaatsen) kan bij jongeren worden ingezet om beroepsvaardigheden op peil te houden of om nieuwe vaardigheden te verwerven.1 oktober 2009
WAJONGDe gewijzigde Wajong ondersteunt jongeren met een arbeidshandicap die wel perspectief hebben op het verrichten van arbeid maximaal bij het vinden en behouden van arbeid. Op die manier worden jonggehandicapten niet al afgeschreven voordat ze de arbeidsmarkt hebben betreden.1 januari 2010