Kamerstuk 31989-8

Wijziging van de Wet kinderopvang, de Wet op het onderwijstoezicht, de Wet op het primair onderwijs en enkele andere wetten in verband met wijzigingen in het onderwijsachterstandenbeleid; Nota van wijziging

Dossier: Wijziging van de Wet kinderopvang, de Wet op het onderwijstoezicht, de Wet op het primair onderwijs en enkele andere wetten in verband met wijzigingen in het onderwijsachterstandenbeleid

Gepubliceerd: 3 november 2009
Indiener(s): Sharon Dijksma (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA), André Rouvoet (viceminister-president , minister zonder portefeuille ) (CU)
Onderwerpen: basisonderwijs onderwijs en wetenschap organisatie en beleid werk
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-31989-8.html
ID: 31989-8

31 989
Wijziging van de Wet kinderopvang, de Wet op het onderwijstoezicht, de Wet op het primair onderwijs en enkele andere wetten in verband met wijzigingen in het onderwijsachterstandenbeleid

nr. 8
NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 3 november 2009

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

1. Artikel I wordt als volgt gewijzigd:

A

Onderdeel D komt als volgt te luiden:

D

Het tot artikel 1.1 vernummerde artikel wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, aanhef, wordt «in deze wet en de daarop rustende bepalingen» vervangen door: In dit hoofdstuk en de op dit hoofdstuk rustende bepalingen.

2. In het eerste lid wordt in de begripsomschrijvingen van «beroepskracht» en «beroepskracht in opleiding» de zinsnede «de verzorging en opvoeding» telkens vervangen door: de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling.

3. In het eerste lid wordt na de begripsomschrijving van «beroepskracht in opleiding» een nieuwe begripsomschrijving ingevoegd, luidende:

beroepskracht voorschoolse educatie: degene die als beroepskracht werkzaam is en belast is met voorschoolse educatie en die voldoet aan de opleidingseisen en scholingseisen, bedoeld in artikel 1.50b, onderdeel a;.

4. In het eerste lid worden in de begripsomschrijving van «gastouderopvang» de woorden «op grond van artikel 5, eerste lid» vervangen door: op grond van artikel 1.5, eerste lid.

5. In het eerste lid komt de begripsomschrijving van «kinderopvang» als volgt te luiden: kinderopvang: het bedrijfsmatig of anders dan om niet verzorgen, opvoeden en bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen tot de eerste dag van de maand waarop het voortgezet onderwijs voor die kinderen begint;.

6. In het eerste lid worden in de begripsomschrijving van «oudercommissie» de woorden «bedoeld in artikel 58» vervangen door: bedoeld in artikel 1.58.

7. Na de begripsomschrijving van «uitvoeringskosten» wordt in het eerste lid een nieuwe begripsomschrijving ingevoegd, luidende:

voorschoolse educatie: uitvoering van een door het college van burgemeester en wethouders gesubsidieerd programma dat gericht is op het verbeteren van de voorwaarden voor het met succes instromen in het basisonderwijs voor kinderen die nog niet tot een school kunnen worden toegelaten;.

8. Het tweede lid, onderdeel b, komt als volgt te luiden:

b. de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen in een peuterspeelzaal als bedoeld in artikel 2.1;.

9. Het tweede lid, onderdeel d, komt als volgt te luiden:

d. de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen, anders dan gastouderopvang, die geschiedt op een plaats waar het kind zijn hoofdverblijf heeft.

B

Na onderdeel G wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

G1

Na artikel 1.9 wordt een artikel 1.10 ingevoegd, luidende:

Artikel 1.10

Met het oog op toepassing van artikel 1.5, eerste lid, verstrekt de in dat lid bedoelde ouder aan de instantie die de kinderopvangtoeslag uitkeert, het unieke nummer, bedoeld in artikel 1.47a, derde lid. Bij regeling van Onze Minister kunnen voorschriften worden gegeven met betrekking tot de verstrekking.

C

In onderdeel M wordt na «Kwaliteit kindercentra» ingevoegd: , voorzieningen voor gastouderopvang.

D

In onderdeel N wordt «In het tot artikel 1.45» vervangen door: In het derde lid van het tot artikel 1.45.

E

Onderdeel O komt als volgt te luiden:

O

In het tot artikel 1.46 vernummerde artikel worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het eerste en tweede lid wordt «artikel 45, eerste of tweede lid» telkens vervangen door: artikel 1.45, eerste of tweede lid.

2. In het tweede lid wordt «artikel 62» vervangen door «artikel 1.62» en wordt «de paragrafen 2 en 3 van dit hoofdstuk» vervangen door: de paragrafen 2 en 3 van deze afdeling.

3. In het vijfde lid wordt «artikel 45, vierde lid» vervangen door: artikel 1.45, vierde lid.

4. Onder vernummering van het zesde lid tot zevende lid wordt een zesde lid ingevoegd, luidende:

6. Indien in een kindercentrum voorschoolse educatie wordt aangeboden, neemt het college van burgemeester en wethouders dit op in het register kinderopvang.

F

Onderdeel P komt als volgt te luiden:

P

In het eerste lid van het tot artikel 1.47 vernummerde artikel wordt «artikel 45, eerste of tweede lid» vervangen door: artikel 1.45, eerste of tweede lid.

G

Na onderdeel P wordt een onderdeel P1 ingevoegd, luidende:

P1

Het tot artikel 1.47a vernummerde artikel wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «hoofdstuk 3» vervangen door: afdeling 3.

2.  Er wordt een derde lid toegevoegd, luidende:

3.  Kindercentra, gastouderbureau’s en voorzieningen voor gastouderopvang worden in het register kinderopvang geregistreerd onder een uniek nummer.

H

Onderdeel S, onder 2, komt als volgt te luiden:

2. Onder vernummering van het tweede tot en met vierde lid tot het derde tot en met vijfde lid, wordt een nieuw tweede lid ingevoegd, luidende:

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de kwaliteit van kinderopvang bij een kindercentrum. Deze regels kunnen betrekking hebben op:

a. de veiligheid en de gezondheid;

b. de opleidingseisen waaraan de beroepskrachten voldoen;

c. de inzet van beroepskrachten in opleiding;

d. het aantal beroepskrachten en vrijwilligers in relatie tot het aantal kinderen per leeftijdscategorie;

e. de groepsgrootte;

f. het pedagogisch beleid en de pedagogische praktijk;

g. de accommodatie en de inrichting van de ruimte die bestemd is voor kinderopvang;

h. de beschikbare ruimte voor kinderen.

I

Artikel I, onderdeel T, wordt als volgt gewijzigd:

1. In artikel 1.50a wordt «artikel 167» vervangen door «de artikelen 167 en 167a» en wordt «samenwerkingsafspraken» vervangen door: afspraken.

2. Artikel 1.50b komt als volgt te luiden:

Artikel 1.50b

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de kwaliteit van voorschoolse educatie, indien dit wordt gesubsidieerd door het college van burgemeester en wethouders. Deze regels hebben in ieder geval betrekking op:

a. de opleidingseisen en de scholingseisen waaraan de beroepskrachten voorschoolse educatie voldoen;

b. het aantal beroepskrachten voorschoolse educatie in relatie tot het aantal kinderen;

c. de groepsgrootte; en

d. de minimum omvang van de voorschoolse educatie.

J

Onderdeel U komt als volgt te luiden:

U

In het derde lid van het tot artikel 1.56 vernummerde artikel wordt «artikel 50, derde, vierde en vijfde lid» vervangen door: artikel 1.50, derde, vierde en vijfde lid.

K

Na onderdeel U worden twee onderdelen ingevoegd, luidende:

U1

In het tot artikel 1.56a vernummerde artikel wordt «bij of krachtens dit hoofdstuk» vervangen door: bij of krachtens deze afdeling.

U2

In het zesde lid van het tot artikel 1.56b vernummerde artikel wordt «De artikelen 51, 53, 54 en 55» vervangen door: De artikelen 1.51, 1.53, 1.54 en 1.55.

L

Onderdeel V komt als volgt te luiden:

V

In het tot artikel 1.57 vernummerde artikel wordt «artikel 50» telkens vervangen door: artikel 1.50.

M

Onderdeel W komt als volgt te luiden:

W

Het eerste lid van het tot artikel 1.57a vernummerde artikel komt als volgt te luiden:

1. Onze Minister kan beleidsregels stellen omtrent de toepassing van de artikelen 1.49, 1.50, eerste, derde, vierde en vijfde lid, 1.51, 1.56, eerste en derde lid, en 1.56b, eerste, derde, vierde, vijfde en zesde lid, voor zover dat laatste lid betrekking heeft op artikel 1.51.

N

Onderdeel DD, onder 1, komt als volgt te luiden:

1. In het eerste lid wordt «artikel 45, eerste of tweede lid» vervangen door: artikel 1.45, eerste of tweede lid.

O

Onderdeel HH wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel 1 wordt voor «Onze Minister» geplaatst «1.» en wordt «deze afdeling» vervangen door: afdeling 3, paragraaf 1, afdeling 4.

2. Onderdeel 2 komt als volgt te luiden:

2. In het derde lid wordt «hoofdstuk 3, paragraaf 1, hoofdstuk 4 en hoofdstuk 6» telkens vervangen door: afdeling 3, paragraaf 1, afdeling 4 en afdeling 6.

P

De onderdelen KK tot en met NN vervallen.

Q

Onderdeel OO komt als volgt te luiden:

OO

In het tot artikel 1.86 vernummerde artikel worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In onderdeel a wordt «artikel 33» vervangen door: artikel 1.33.

2. In onderdeel b wordt «artikel 33, vierde lid» vervangen door «artikel 1.33, vierde lid» en wordt «de artikelen 72, eerste lid, onder b, en 80» vervangen door: de artikelen 1.72, eerste lid, onder b, en 1.80.

R

In onderdeel QQ, onder 1, wordt «artikel 1.1, eerste lid, onder c en e» vervangen door: artikel 1.1, eerste lid, wat betreft de begrippen «gastouderbureau» en «gastouderopvang».

S

In onderdeel SS worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het opschrift van afdeling 2, paragraaf 1, wordt «Melding» vervangen door «Aanvraag» en komen de artikelen 2.1 tot en met 2.4 als volgt te luiden:

Artikel 2.1

In dit hoofdstuk en de op dit hoofdstuk rustende bepalingen wordt verstaan onder:

beroepskracht: degene die werkzaam is bij een peuterspeelzaal, bezoldigd is en belast is met de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen en die voldoet aan de opleidingseisen als bedoeld in artikel 2.6, tweede lid;

beroepskracht in opleiding: degene die de beroepsbegeleidende leerweg, bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs volgt, en ten behoeve van beroepspraktijkvorming is belast met de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen bij een peuterspeelzaal;

beroepskracht voorschoolse educatie: degene die als beroepskracht werkzaam is en belast is met voorschoolse educatie en die voldoet aan de opleidingseisen en scholingseisen, bedoeld in artikel 2.8, onderdeel a;

Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

GGD: gemeentelijke gezondheidsdienst als bedoeld in artikel 17 van de Wet publieke gezondheid;

houder: degene die een peuterspeelzaal in stand houdt; ouder: bloed- of aanverwant in opgaande lijn of de pleegouder van een kind op wie het peuterspeelzaalwerk betrekking heeft, met dien verstande dat bij de beoordeling of sprake is van pleegouderschap een subsidie op grond van de Wet op de jeugdzorg buiten beschouwing blijft;

oudercommissie: commissie als bedoeld in artikel 2.15;

peuterspeelzaalwerk: de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen uitsluitend bestemd voor kinderen vanaf de leeftijd van twee jaar tot het tijdstip waarop die kinderen kunnen deelnemen aan het basisonderwijs;

peuterspeelzaal: voorziening waar peuterspeelzaalwerk plaatsvindt, anders dan gastouderopvang of kinderopvang in een kindercentrum;

register peuterspeelzaalwerk: het register peuterspeelzaalwerk, bedoeld in artikel 2.3;

voorschoolse educatie: uitvoering van een door het college van burgemeester en wethouders gesubsidieerd programma dat gericht is op het verbeteren van de voorwaarden voor het met succes instromen in het basisonderwijs voor kinderen die nog niet tot een school kunnen worden toegelaten.

vrijwilliger: degene die structureel al dan niet tegen een vrijwilligersvergoeding op regelmatige, niet incidentele, basis werkzaam is bij een peuterspeelzaal en is belast met de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen en die niet voldoet aan de opleidingseisen, bedoeld in artikel 2.6, tweede lid.

Artikel 2.2

1. Degene die voornemens is een peuterspeelzaal in exploitatie te nemen, doet daarvan een aanvraag bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van vestiging.

2. Een peuterspeelzaal wordt niet in exploitatie genomen voordat een onderzoek als bedoeld in artikel 2.20 heeft plaatsgevonden waaruit blijkt dat de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de paragrafen 2 en 3 van deze afdeling.

3. Bij algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven over de gegevens die worden verstrekt bij de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, en over de wijze van verstrekking van deze gegevens.

Artikel 2.3

1. Uiterlijk tien weken na de aanvraag, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, geeft het college van burgemeester en wethouders, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, een beschikking af aan de houder.

2. Indien na een aanvraag als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, uit het onderzoek, bedoeld in artikel 2.20, is gebleken dat de exploitatie van de peuterspeelzaal redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de paragrafen 2 en 3 van deze afdeling, draagt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van vestiging zorg voor de onverwijlde inschrijving van de peuterspeelzaal in het register peuterspeelzaalwerk. Indien in een peuterspeelzaal voorschoolse educatie wordt aangeboden, neemt het college van burgemeester en wethouders dit op in de in de eerste volzin bedoelde register.

3. Het college van burgemeester en wethouders deelt de houder schriftelijk mee dat inschrijving van de peuterspeelzaal in het register peuterspeelzaalwerk heeft plaatsgevonden.

4. Bij een inschrijving als bedoeld in het tweede lid, doet het college van burgemeester en wethouders opgave van de gegevens die ingevolge artikel 2.2, derde lid, zijn verstrekt.

5. Het register peuterspeelzaalwerk is bij de gemeentesecretarie kosteloos te raadplegen.

Artikel 2.4

1. De houder doet van wijzigingen in de gegevens die bij de aanvraag, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, zijn verstrekt, onverwijld mededeling aan het college van burgemeester en wethouders. Het college draagt er zorg voor dat deze wijzigingen worden doorgevoerd in het register peuterspeelzaalwerk.

2. Het college van burgemeester en wethouders deelt de houder schriftelijk mee dat de wijziging in het register peuterspeelzaalwerk heeft plaatsgevonden.

2. Na artikel 2.4 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 2.4a

1. Onze Minister draagt zorg voor de inrichting van een register peuterspeelzaalwerk ten behoeve van de waarborging van de kwaliteit en de rechtszekerheid van het peuterspeelzaalwerk alsmede ten behoeve van het toezicht op en de handhaving van de bij of krachtens afdeling 2 gestelde regels.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent het register peuterspeelzaalwerk. Deze regels hebben in elk geval betrekking op:

a. de vorm van het register;

b. de in het register op te nemen gegevens;

c. de vastlegging van gegevens in het register en de verwijdering van gegevens daaruit;

d. de wijze waarop verbetering van onjuistheden in het register plaatsvindt;

e. de verstrekking van gegevens;

f. de openbaarheid van gegevens;

g. de verantwoordelijkheden van degenen die gegevens aanleveren ten behoeve van het register.

3. Artikel 2.8 komt te luiden:

Artikel 2.8

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de kwaliteit van voorschoolse educatie, indien dit wordt gesubsidieerd door het college van burgemeester en wethouders. Deze regels hebben in elk geval betrekking op:

a. de opleidingseisen en de scholingseisen waaraan de beroepskrachten voorschoolse educatie voldoen;

b. het aantal beroepskrachten voorschoolse educatie in relatie tot het aantal kinderen;

c. de groepsgrootte; en

d. de minimumomvang van de voorschoolse educatie.

4. In artikel 2.13, eerste lid, wordt «de Minister voor Jeugd en Gezin» vervangen door: Onze Minister voor Jeugd en Gezin.

5. In artikel 2.15, eerste lid, wordt «elk door hem in stand gehouden» vervangen door: elk door hem geëxploiteerde.

6. In artikel 2.16, eerste lid, wordt «na de melding» vervangen door: na de aanvraag.

7. Artikel 2.19 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «wijst ambtenaren van de GGD aan als toezichthouder» vervangen door: wijst de directeur van de GGD aan als toezichthouder.

2. Het tweede lid komt te luiden:

2. Voor zover een peuterspeelzaal is gevestigd in een woning, zijn de toezichthouders ter uitvoering van de taken, bedoeld in het eerste lid, bevoegd zonder toestemming van de bewoners in die woning binnen te treden.

8. Artikel 2.20 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «na een melding» vervangen door: na een aanvraag.

2. In het tweede lid wordt «de instandhouding« vervangen door: de exploitatie.

9. In artikel 2.24, tweede lid, wordt «in stand te gaan houden» vervangen door: in exploitatie te nemen.

T

Onderdeel UU wordt vervangen door:

UU

De artikelen 90 tot en met 97 worden vernummerd tot 3.1 tot en met 3.8.

U

Onderdeel VV wordt vervangen door de onderdelen VV tot en met VV6, luidende:

VV

Het tot artikel 3.1 vernummerde artikel 90 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «bedoeld in artikel 47a» vervangen door «bedoeld in artikel 1.47a» en wordt «Artikel 46, derde en vijfde lid, alsmede artikel 47, eerste en tweede lid, zijn van toepassing» vervangen door: Artikel 1.46, derde en vijfde lid, alsmede artikel 1.47, eerste en tweede lid, zijn van toepassing.

2. In het tweede lid wordt «artikel 46» vervangen door: artikel 1.46.

3. In het derde lid wordt «artikel 45, vierde lid» vervangen door: artikel 1.45, vierde lid.

4. In het vijfde lid wordt «artikel 62» vervangen door «artikel 1.62» en wordt «de paragrafen 2 en 3 van hoofdstuk 3» vervangen door: de paragrafen 2 en 3 van afdeling 3.

VV1

Het tot artikel 3.2 vernummerde artikel 90a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «artikel 49, derde lid, onderdeel a» vervangen door: artikel 1.49, derde lid, onderdeel a.

2. In het eerste, vijfde en zevende lid wordt «de paragrafen 2 en 3 van hoofdstuk 3» vervangen door: de paragrafen 2 en 3 van afdeling 3.

3. In het achtste lid wordt «artikel 47a» vervangen door: artikel 1.47a.

VV2

Het tot artikel 3.3 vernummerde artikel 91 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «bedoeld in artikel 47a» vervangen door «bedoeld in artikel 1.47a» en wordt «artikel 62, eerste lid» vervangen door: artikel 1.62, eerste lid.

2. In het eerste lid wordt «de paragrafen 2 en 3 van hoofdstuk 3» vervangen door: de paragrafen 2 en 3 van afdeling 3.

3. In het eerste lid wordt «artikel 45, tweede lid» vervangen door: artikel 1.45, tweede lid.

VV3

Het tot artikel 3.4 vernummerde artikel 92 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «bedoeld in artikel 45» vervangen door: bedoeld in artikel 1.45.

2. In het eerste lid wordt «de paragrafen 2 en 3 van hoofdstuk 3» vervangen door: de paragrafen 2 en 3 van afdeling 3.

3. In het tweede lid wordt «artikel 63» vervangen door «artikel 1.63» en wordt «de paragrafen 2 en 3 van hoofdstuk 3» vervangen door: de paragrafen 2 en 3 van afdeling 3.

VV4

In het tweede lid van het tot artikel 3.5 vernummerde artikel 92a wordt «de artikelen 90, 91 en 92« vervangen door: de artikelen 3.1, 3.3 en 3.4.

VV5

In het tot artikel 3.6 vernummerde artikel 92b wordt «De artikelen 90 tot en met 92b» vervangen door: De artikelen 3.1 tot en met 3.6.

VV6

In het eerste lid van het tot artikel 3.7 vernummerde artikel 93 wordt «Hoofdstuk 2 en artikel 86» vervangen door: Afdeling 2 en artikel 1.86.

V

Onderdeel WW wordt vervangen door:

WW

Artikel 98 wordt vernummerd tot artikel 3.9.

W

Na onderdeel WW worden ingevoegd de onderdelen XX tot en met BBB, luidende:

XX

Artikel 113 wordt vernummerd tot artikel 3.10.

YY

Artikel 114 wordt vervangen door:

Artikel 3.11

De voordracht voor een krachtens de artikelen 1.7, tweede, vierde, vijfde en zesde lid, 1.56, tweede lid, en 1.56b, tweede lid, vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

ZZ

Artikel 115 wordt vernummerd tot artikel 3.12.

AAA

Na artikel 3.12 worden twee artikelen toegevoegd, luidende:

Artikel 3.13

Personen die op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.2 werkzaam zijn bij een peuterspeelzaal, leggen aan de houder van een peuterspeelzaal binnen twee maanden na de inwerkingtreding van artikel 2.2 een verklaring over als bedoeld in artikel 2.6, derde lid.

Artikel 3.14

Indien er op het moment van inwerkingtreding van afdeling 2 van deze wet een oudercommissie is, geldt de verplichting van artikel 2.16 voor een houder van een peuterspeelzaal die op het tijdstip van inwerkingtreding van afdeling 2 een peuterspeelzaal in stand houdt, eerst zes maanden na dat tijdstip.

BBB

Artikel 117 wordt vervangen door:

Artikel 3.15

Deze wet wordt aangehaald als: Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen.

2. Artikel II wordt als volgt gewijzigd:

A

In onderdeel A vervallen onder f «onderdeel m,» en «onderdeel k,».

B

Onderdeel D wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef wordt «artikel 15d» vervangen door: artikel 15f.

2. «Hoofdstuk 3B.» wordt vervangen door: Hoofdstuk 3c.

3. De artikelen 15e tot en met 15i worden vernummerd tot de artikelen 15g tot en met 15k.

4. In het nieuwe artikel 15h, eerste lid, vervallen «onderdeel b,» en «onderdeel c,».

3. In artikel III, onderdeel L, wordt na «167,» ingevoegd: 167a,.

4. In artikel IV, onderdeel A, vervallen telkens «onder d,», «onder e,» en «onderdeel c,».

5. In artikel VIII wordt «1.66;» vervangen door:1.66,.

6. In artikel X wordt «opvang van kinderen als bedoeld in de artikelen 1.1, eerste lid, onderdelen b en c, en artikel 2.1, onderdeel b,» vervangen door: opvang van kinderen in kinderopvang of gastouderopvang als bedoeld in artikel 1.1 en peuterspeelzaalwerk als bedoeld in artikel 2.1.

7. Na artikel X wordt ingevoegd een artikel XA, luidende:

ARTIKEL XA. WIJZIGING WET VAN 18 JULI 2009, STB. 345

Artikel IA van de Wet van 18 juli 2009, Stb. 345, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel A, onder 1, wordt in de aanhef en sub b, «artikel 45» telkens vervangen door: artikel 1.45.

2. In onderdeel A, onder 6, wordt «artikel 1» vervangen door: artikel 1.1.

3. In onderdeel A, onder 7, wordt «Artikel 45» vervangen door: Artikel 1.45.

4. In onderdeel B, aanhef, wordt «artikel 90» vervangen door: artikel 3.1.

5. In onderdeel B worden in onderdeel AD de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In de aanhef wordt «Artikel 90» vervangen door: Artikel 3.1.

2. Het opschrift van artikel 90 wordt vervangen door: Artikel 3.1.

3. In het eerste en tweede lid wordt «artikel 47a» telkens vervangen door: artikel 1.47a.

4. In het derde lid wordt «artikel 45« vervangen door: artikel 1.45.

5. In het vijfde lid wordt «artikel 62» vervangen door «artikel 1.62» en wordt «hoofdstuk 3» vervangen door: afdeling 3.

6. In onderdeel C wordt onderdeel AE als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef wordt «artikelen 91 en 92» vervangen door: artikel 3.3 en 3.4.

2. Het opschrift van de artikelen 91 tot en met 92a wordt vervangen door onderscheidenlijk «Artikel 3.3», «Artikel 3.4» en «Artikel 3.5».

3. In artikel 3.3, eerste en tweede lid, wordt «artikel 45« telken vervangen door: artikel 1.45.

4. In artikel 3.3, eerste lid, wordt «hoofdstuk 3» vervangen door: afdeling 3.

5. In artikel 3.3, tweede lid, wordt «artikel 47a» vervangen door: artikel 1.47a.

7. Artikel 3.4 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «artikel 45« vervangen door: artikel 1.45.

2. In het tweede lid wordt «artikel 63» vervangen door «artikel 1.63» en wordt «hoofdstuk 3» vervangen door: afdeling 3.

8. Artikel 3.5 wordt als volgt gewijzigd:

a. In het eerste lid wordt «artikelen 90 en 92» vervangen door: artikelen 3.1 en 3.4.

b. In het tweede lid wordt «artikel 91» vervangen door «artikel 3.3» en wordt «artikel 47a» vervangen door: artikel 1.47a.

9. Artikel 92b wordt vernummerd tot artikel 3.6 en komt te luiden:

Artikel 3.6

De artikelen 3.1 tot en met 3.6 vervallen drie jaar na de dag van inwerkingtreding van artikel 1.47a.

8. Artikel XI wordt als volgt gewijzigd:

A

Het opschrift komt te luiden:

ARTIKEL XI. CRITERIA SPECIFIEKE UITKERING ONDERWIJSACHTERSTANDEN TOT 2011

B

In het eerste en tweede lid wordt «Bij algemene maatregel van bestuur» vervangen door: Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur.

Toelichting

1. Algemeen

Zoals gemeld in het nader rapport bij het voorliggende wetsvoorstel, moest nog afstemming van het wetsvoorstel plaatsvinden op de toen voorgenomen wijzigingen van de Wet kinderopvang (WKO) in verband met een herziening van het stelsel van gastouderopvang (inmiddels de Wet van 18 juli 2009, Stb. 2009, 345, in het vervolg van deze toelichting de Wet gastouderopvang genoemd). De daarvoor noodzakelijke wijzigingen worden aangebracht in deze nota van wijziging. Zij betreffen in hoofdzaak:

a. vernummering van vele artikelen (ook die van het overgangsrecht van de Wet gastouderopvang) in verband met het feit dat de WKO nu wordt verbreed met het peuterspeelzaalwerk. Die verbreding betekent dat de kinderopvang in een apart hoofdstuk wordt geregeld met een eigen, andere nummering, en peuterspeelzaalwerk ook een eigen hoofdstuk krijgt, met een eigen nummering;

b. een nieuw geredigeerde «Afdeling 2. Kwaliteit peuterspeelzalen», in navolging van de wijzigingen door de Wet gastouderopvang in «Hoofdstuk 3. Kwaliteit» van de WKO. Daarbij is onder meer sprake van aanpassing van terminologie (de Wet gastouderopvang vervangt in de WKO de term «melding» door «aanvraag» en spreekt van «in exploitatie nemen» in plaats van «in stand houden»);

c. ook voor de peuterspeelzalen wordt het gemeentelijk register vervangen door een landelijk register. Dit in navolging van de introductie van een landelijk register kinderopvang in de Wet gastouderopvang;

d. introductie van een begripsbepaling «beroepskracht voorschoolse educatie».

2. De afzonderlijke wijzigingen

1. Artikel I (Wijziging Wet kinderopvang)

Onderdeel A (Onderdeel D)

Artikel I, onderdeel D , van het wetsvoorstel bevat onder meer wijzigingen van de begripsbepalingen van de Wet kinderopvang. Die wijzigingen gaan nog uit van de toenmalige wettekst waarin de begrippen niet in alfabetische volgorde waren opgenomen maar waren aangeduid met een letter. De Wet gastouderopvang heeft die systematiek vervangen: de begrippen zijn nu in alfabetische volgorde opgenomen, zonder ook nog een aparte letteraanduiding.

Daarom moeten diverse wijzigingen in artikel 1.1 worden aangebracht.

De aanhef en punt 1 zijn ongewijzigd gebleven.

Punt 2 met zijn nieuwe definitie van kinderopvang is inhoudelijk gelijk gebleven maar niet meer als «onderdeel b» betiteld.

Punt 3 is inhoudelijk gelijk gebleven, maar verwijst niet meer naar onderdeel c.

Punt 4 is inhoudelijk gelijk gebleven, maar verwijst niet meer naar de onderdelen g en h.

Punt 5 is inhoudelijk gelijk gebleven, maar verwijst niet meer naar onderdeel l.

Punt 6 met zijn definitie van «voorschoolse educatie» is inhoudelijk gelijk gebleven maar is niet meer als «onderdeel m» betiteld.

In artikel 1.1 is ingevoegd een definitie van «beroepskracht voorschoolse educatie». Voor de beroepskrachten werkzaam binnen de voorschoolse educatie gelden andere opleidingseisen dan voor andere beroepskrachten. Om die reden worden de «beroepskrachten voorschoolse educatie» in een aparte definitiebepaling onderscheiden van deze andere beroepskrachten.

Onderdeel B en G

In deze onderdelen worden 2 dingen geregeld:

a. het neerleggen van de plicht in de Wet kinderopvang om kinderopvangvoorzieningen (dit is een verzamelterm voor kindercentra, gastouderbureau’s en voorzieningen voor gastouderopvang) met een uniek nummer te registreren in het register kinderopvang;

b. de verplichting aan vraagouders om bij de aanvraag voor kinderopvangtoeslag de geregistreerde kinderopvangvoorziening waarvan zij gebruik maken, op te geven onder vermelding van dat unieke nummer.

Een belangrijk doel van het register kinderopvang is het gebruik ervan door de Belastingdienst/Toeslagen (BD/T) voor het rechtmatig toekennen van kinderopvangtoeslag.

De BD/T koppelt elke aanvraag voor kinderopvangtoeslag aan het register om vast te stellen of kinderopvangvoorziening geregistreerd staat in de periode waarover een toeslag wordt gevraagd, en dus of er over die periode recht bestaat op een toeslag. Deze koppeling aan het register is alleen betrouwbaar en efficiënt indien daarbij gebruik wordt gemaakt van een uniek, aan elke kinderopvangvoorziening verbonden nummer, dat de vraagouder aan de BD/T opgeeft bij de toeslagaanvraag. Gebruik van het burgerservicenummer (BSN) voor dit doel is wettelijk niet toegestaan. Gebruiker van het BSN kan op grond van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer uitsluitend zijn:

a. een overheidsorgaan, of

b. ieder ander dan een overheidsorgaan of degene aan wie het burgerservicenummer is toegekend, voor zover deze werkzaamheden verricht waarbij het gebruik door hem of haar van het burgerservicenummer bij of krachtens de wet is voorgeschreven.

Aan deze voorwaarden voor het mogen gebruiken van het BSN wordt hier niet voldaan. De vraagouder zou het recht moeten krijgen om het BSN van de kinderopvangvoorziening op te vragen (en vervolgens door te geven aan de BD/T). Dit veronderstelt dat de gebruiker kan beschikken over dit BSN, maar dat is hier niet het geval. Zo’n beschikbaarheid zou overigens impliceren dat de BSN’s van alle betrokkenen openbaar zijn, via de daarvoor noodzakelijke vermelding in het register, en dat stuit af op aspecten van bescherming van persoonsgegevens. Bovendien kan een kinderopvangvoorziening ook een kindercentrum of vestiging daarvan zijn, zodat – anders dan bij gastouderopvang – niet een BSN, maar het nummer van inschrijving in het Handelsregister aan de orde zou zijn. Het is niet gewenst om voor het identificeren van eenzelfde entiteit – een voorziening voor kinderopvang – gebruik te moeten maken van twee verschillende typen nummers. Op grond van deze overwegingen wordt gekozen voor het toekennen van een uniek nummer aan elke kinderopvangvoorziening bij opname in het register. Dit nummer wordt automatisch aangemaakt. Ouders krijgen de beschikking over het nummer en geven het bij de aanvraag van een kinderopvangtoeslag door aan de BD/T, die het gebruikt om de toeslagaanvraag efficiënt te koppelen aan het register, om op die manier de rechtmatigheid van de toeslag te controleren.

Omdat dit unieke nummer in veel gevallen gekoppeld zal zijn aan een gastouder, heeft het in zekere mate het karakter van een persoonsgebonden nummer. Dit vereist een wettelijke basis, volgens artikel 24, eerste lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens. Deze wettelijke basis wordt hier gelegd.

Deze nota van wijziging is om advies voorgelegd aan het College bescherming persoonsgegevens. Dat college heeft geen aanleiding gezien tot het plaatsen van opmerkingen.

Het voorliggende wetsvoorstel kent voor de peuterspeelzalen eveneens een register, maar daarbij spelen vraagstukken rond een uniek nummer geen rol: de in dat register opgenomen gegevens zijn gericht op het faciliteren van toezicht en handhaving in relatie tot het landelijk kwaliteitskader, het (voor ouders) zichtbaar maken waar voorschoolse educatie plaatsvindt en het verkrijgen van monitoringsgevens ten behoeve van beleidsverantwoording. Deze informatie bevat geen te beschermen persoonsgegevens.

Onderdeel C

De aanpassing van onderdeel M houdt verband met de Wet gastouderopvang, die het opschrift heeft aangevuld met «voorzieningen voor gastouderopvang».

Onderdeel D

In onderdeel O zijn vernummeringen aangebracht die noodzakelijk zijn in verband met de Wet gastouderopvang. De voorgestelde, aan het eerste lid toe te voegen volzin over voorschoolse educatie is nu opgenomen als zesde lid, met een kleine aanpassing: de woorden «het in de eerste volzin bedoelde register» zijn vervangen door «het register kinderopvang» (dit register is in artikel 1.1 als begripsomschrijving opgenomen).

Onderdeel E

De aanpassingen van onderdeel O zijn vernummeringen behalve onder 4. Onder 4 wordt geregeld dat in het register kinderopvang ook wordt opgenomen of in een kindercentrum voorschoolse educatie wordt aangeboden.

Onderdeel F

De aanpassing van onderdeel P is een aanpassing van de aanduiding van artikel 45.

Onderdeel H

Het oorspronkelijke onderdeel S regelt invoeging van een nieuw tweede lid, met daarin een grondslag om bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels te kunnen stellen over de kwaliteit van kinderopvang bij een kindercentrum. In dat lid waren ook de onderwerpen vermeld waarop deze regels betrekking kunnen hebben. De invoeging van het voorgestelde tweede lid is overbodig geworden doordat de Wet gastouderopvang de beoogde wijziging al aanbrengt.

Onderdelen I en S

Deze onderdelen wijzigen de degelatiegrondslagen, voorgesteld in de artikelen 1.50b en 2.8. Naast delegatie aan de regering wordt nu subdelegatie aan de minister mogelijk gemaakt. Dit met het oog op uitwerking van details van de in de algemene maatregel van bestuur vast te stellen kwaliteitseisen. Vooral de opleidingseisen voor de beroepskrachten zullen in detail moeten worden uitgewerkt. Bovendien zullen deze voorschriften, als gevolg van het feit dat het aanbod van opleidingen voortdurend aan wijziging onderhevig is, waarschijnlijk dikwijls aanpassing behoeven. Ook wordt de delegatiebevoegdheid nu zo concreet en nauwkeurig mogelijk begrensd: de onderdelen a tot en met e bepalen op welke onderwerpen deze regels in elk geval betrekking hebben. Voor de beroepskrachten die werkzaam zijn binnen de voorschoolse educatie gelden andere opleidingseisen dan voor andere beroepskrachten. Daarom wordt de«beroepskracht voorschoolse educatie» in een aparte definitiebepaling onderscheiden van deze andere beroepskrachten.

Onderdeel J

De wijzigingen van artikel 56 in het oorspronkelijke onderdeel U moeten vervallen omdat artikel 56 door de Wet gastouderopvang volledig is vervangen en daardoor niet meer de oorspronkelijke verwijzingen naar artikelen van de WKO bevat. De wel opgenomen nieuwe verwijzing is in het nieuwe onderdeel U aangepast.

Onderdeel K

De twee nieuwe onderdelen U1 en U2 zijn opgenomen omdat de Wet gastouderopvang de artikelen 56a en 56b in de WKO heeft opgenomen en deze artikelen verwijzingen bevatten naar onderdelen van de WKO.

Onderdeel L

De wijzigingen in onderdeel V zijn deels achterhaald door de Wet gastouderopvang: de woorden «artikel 50, tweede, derde en vierde lid» worden door de WGO vervangen door «artikel 50, tweede tot en met vijfde lid». Daar moet de vernummering van artikel 50 tot artikel 1.50 alsnog rekening mee houden.

Onderdeel M

Deze wijzigingen vloeien voort uit de aanpassingen van de artikelverwijzingen in artikel 57a door de Wet gastouderopvang.

Onderdeel L

Deze wijzigingen vloeien voort uit de aanpassing van de artikelverwijzing in artikel 62 door de Wet gastouderopvang.

Onderdelen M, N en O

Deze wijzigingen vloeien voort uit de aanpassingen van de hoofdstuk- en artikelverwijzing in de artikelen door de Wet gastouderopvang.

Onderdeel P

De onderdelen KK tot en met NN moeten vervallen omdat zij betrekking hebben op artikelen van de WKO die inmiddels door de Aanpassingswet vierde tranche Awb zijn geschrapt.

Onderdeel Q

Artikel 86 van de WKO is door de Aanpassingswet vierde tranche Awb vervangen door een nieuw artikel. De daarin opgenomen verwijzingen naar artikelen van de WKO moeten worden aangepast.

Onderdeel R

Deze wijzigingen vloeien voort uit de aanpassingen van de artikelverwijzing in artikel 87 door de Wet gastouderopvang.

Onderdeel S

Onderdeel SS introduceert Hoofdstuk 2 met kwaliteitseisen voor peuterspeelzalen.

Dat hoofdstuk is nu zoveel mogelijk afgestemd op het vergelijkbare hoofdstuk over de kinderopvang. Ter nadere toelichting wordt nog het volgende opgemerkt. Artikel 2.1 gaat nog uit van de systematiek van het oorspronkelijke artikel 1 van de WKO waarin de begrippen niet in alfabetische volgorde waren opgenomen maar waren aangeduid met een letter. De Wet gastouderopvang heeft die systematiek vervangen: de begrippen zijn nu in alfabetische volgorde opgenomen, zonder ook nog een aparte letteraanduiding. Daarom wordt nu ook artikel 2.1 aangepast.

De inhoud van het artikel is gelijkgebleven, maar wel zijn twee begripsbepalingen toegevoegd: «register peuterspeelzaalwerk» en «beroepskracht voorschoolse educatie».

Het opschrift van paragraaf 1 van afdeling 2, en de tekst van artikel 2.2, zijn aangepast omdat «melding» in de WKO inmiddels is vervangen door «aanvraag».

In artikel 2.2, eerste lid, is «in stand te gaan houden» vervangen door «in exploitatie te nemen», in navolging van artikel 1.45, eerste lid.

De inhoud van het eerste lid, tweede volzin, is in navolging van artikel 1.45, derde lid, opgenomen in een afzonderlijk (tweede) lid en aangepast aan artikel 1.45, derde lid.

Het tweede lid (oud) van artikel 2.2 is vervangen door een tekst die gelijk is aan artikel 1.45, vierde lid. Dat betekent ook dat er geen ministeriële regeling zal worden vastgesteld maar een algemene maatregel van bestuur.

De artikelen 2.2a en 2.2b zijn nieuw. Ze zijn ontleend aan de artikelen 1.46 en 1.47. De systematiek van gemeentelijke registers uit de oorspronkelijk WKO is inmiddels door de Wet gastouderopvang vervangen door een systeem met een landelijk register. Dat systeem moet ook gelden voor het peuterspeelzaalwerk.

Artikel 2.3 moet worden vervangen omdat is gekozen voor een landelijk register. Het artikel is afgestemd op artikel 1.47a.

Artikel 2.4 is in aangepaste vorm opgenomen in artikel 2.2b.

Artikel 2.6 is voor de onderdelen van het tweede lid afgestemd op artikel 1.56b. Dat betekent dat de hier genoemde onderdelen moeten worden toegevoegd.

In de artikelen 2.9, 2.15, eerste lid, 2.20, tweede lid, en 2.24, tweede lid, zijn de uitdrukkingen «in stand gehouden» en «in stand te gaan houden» vervangen in navolging van artikel 1.45, eerste lid, waar sprake is van exploitatie.

Artikel 2.9a is toegevoegd in navolging van artikel 1. 52. [PM: doen?] Artikel 2.13 is alleen wetstechnisch aangepast.

De artikelen 2.16, eerste lid, en 2.20, eerste lid, zijn aangepast omdat «melding» in de WKO inmiddels is vervangen door «aanvraag».

Artikel 2.19 is afgestemd op artikel 1.78.

Onderdeel T

Deze wijzigingen vloeien voort uit de vele wijzigingen in het overgangsrecht van de Wet gastouderopvang.

Onderdeel U (Onderdeel VV2)

Deze wijzigingen zijn nodig door de vele verwijzingen in het overgangsrecht van de Wet gastouderopvang naar artikelen en naar hoofdstuk 3 van de WKO.

Onderdeel V

Dit is alleen een vernummering.

Onderdeel W

De wijzigingen onder XX, ZZ en BBB zijn vernummeringen.

De wijziging onder YY is nodig doordat de verwijzingen naar alle in het oorspronkelijke artikel 114 genoemde artikelen moeten worden aangepast aan de veranderde nummering. De inhoud zelf van het artikel is niet gewijzigd.

De nieuwe artikelen 3.12 en 3.13 die onderdeel AAA introduceert, zijn ontleend aan respectievelijk artikel 3.1 en artikel 3.2 van het wetsvoorstel. Ze zijn inhoudelijk gelijkgebleven.

2. Artikel II

De wijziging in artikel II is een vernummering.

3. Artikel III

In artikel 169 van de WPO was ten onrechte de verwijzing naar artikel 167a weggevallen. In artikel III wordt dit hersteld.

4 – 6

De wijzigingen in de onderdelen 4–6 zijn technische wijzigingen.

7. Artikel XA

Het nieuw ingevoegde artikel XA is nodig door de vele verwijzingen in het facultatieve invoerings- en overgangsrecht van de Wet gastouderopvang.

8. Artikel XI

Het ontbreken van een opschrift bij artikel XI is een technische omissie. Dit wordt hersteld.

Daarnaast is de voorgestelde delegatiegrondslag gewijzigd. Naast delegatie aan de regering wordt subdelegatie aan de minister mogelijk gemaakt. Reden is dat de indexeringscijfers een aantal maal per jaar wisselen en om die reden in een ministeriële regeling bekend gemaakt worden.

Deze nota van wijziging wordt mede namens de Minister voor Jeugd en Gezin ondertekend.

De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

S. A. M. Dijksma