31 772
Wijziging van de Wet op het kindgebonden budget, de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten en de Wet studiefinanciering 2000 in verband met de integratie van hoofdstuk 3 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten in de Wet op het kindgebonden budget

nr. 6
VERSLAG

Vastgesteld 19 januari 2009

De algemene commissie voor Jeugd en Gezin1, belast met het voorbereidend onderzoek van voorliggend wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.

Onder het voorbehoud dat de in het verslag opgenomen vragen en opmerkingen afdoende door de regering worden beantwoord acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

Inhoudsopgave Blz.

ALGEMEEN 1

Inleiding 1

Hoofdlijnen wetsvoorstel 2

Financiële paragraaf 5

ALGEMEEN

Inleiding

De leden van de CDA-fractie hebben met instemming kennisgenomen van voorliggende wetsvoorstel. Wel hebben zij nog enkele vragen, die onderstaand zijn opgenomen.

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van het voorstel van wet, waarin de bepalingen uit hoofdstuk 3 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten geïntegreerd worden in de Wet op het kindgebonden budget. Deze leden hebben in de stadium een aantal vragen.

De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel. Zij ontvangen graag antwoord op vragen die in het verloop van dit verslag aan de orde worden gesteld.

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel om de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS) op te nemen in de Wet op het kindgebonden budget. Zij hebben nog een aantal vragen en opmerkingen naar aanleiding van het wetsvoorstel.

De leden van de fractie van de ChristenUnie hebben met belangstelling kennisgenomen van de wetswijziging om de WTOS in het kindgebonden budget te integreren. Met name vinden zij de vermindering van administratieve lasten voor ouders en het terugdringen van niet-gebruik van de WTOS positief. Het terugdringen van het aantal kinderregelingen is een belangrijke stap om het gezinsvriendelijk klimaat in Nederland te stimuleren. Ook deze leden hebben nog een aantal vragen.

De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van het wetsvoorstel in verband met de integratie van hoofdstuk 3 van de WTOS in de WKB.

Onderstaand hebben zij een aantal vragen geformuleerd.

Hoofdlijnen wetsvoorstel

De wetswijziging betekent een grote verandering voor ouders met betrekking tot de Wet op het kindgebonden budget (WKB) en de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS), zo stellen de leden van de CDA-fractie. Positief hieraan is dat het de administratieve lasten voor de ouders terugdringt. Het is echter wel van belang dat de informatievoorziening naar ouders i.v.m. de nieuwe regeling goed wordt vormgegeven. Deze leden vragen de regering toe te lichten hoe ervoor wordt gezorgd dat ouders niet raar opkijken wanneer ze eerst een verhoogd bedrag ontvangen, en het jaar erop (vanwege het feit dat de middelen voor de schoolboeken naar de scholen gaan) weer een lager bedrag.

De leden van de CDA-fractie vragen de regering nog eenmaal toe te lichten waarom is gekozen voor het percentage van 6,5% in plaats van 5,75% waar het gaat om de inkomensafhankelijkheid van deze regeling.

De uitvoering van de WTOS zal deels bij de IB-Groep, deels bij de Belastingdienst komen te liggen. Zij vragen de regering aan te geven hoe de samenwerking vorm wordt gegeven. In welke mate zullen de uitvoeringslasten bij de Belastingdienst toenemen?

De leden van de CDA-fractie vragen aandacht voor de positie van pleegouders. Zij stellen een toelichting op prijs over de wijze waarop onderhavige wet wordt meegenomen in het onderzoek naar de samenloop van kinderkorting, kindertoeslag en kindgebonden budget.

De WTOS is in het leven geroepen om te voorkomen dat het (lage) inkomen van ouders de deelname van hun kinderen aan het onderwijs belemmert, aldus de leden van de PvdA-fractie. In de Memorie van Toelichting wordt gesteld dat de inkomensgevolgen voor ouders van kinderen vanaf twaalf jaar beperkt zijn. Kan de regering op hoofdlijnen aangeven welke groepen ouders wel nadeel zullen ondervinden van de voorgestelde regeling en om welke bedragen het hier gaat?

In de Memorie van Toelichting geeft de regering ook aan dat er naar schatting honderd ouders zullen zijn die kinderen onder de twaalf jaar hebben die al naar het voortgezet onderwijs gaan, en die nu wel op basis van de WTOS ondersteund worden en die op basis van de nieuwe regeling geen rechten meer zouden hebben. Kan de regering aangeven of en zo ja welke alternatieven er voor deze groep overwogen zijn? In de Memorie van Toelichting staat dat het nadeel dat ouders ten opzichte van de ouder citatie kunnen ondervinden € 24 per maand kan bedragen. Kan de regering aangeven hoe groot dit verschil wordt op basis van het voorliggende wetsvoorstel? Hoe groot wordt het verschil in de nieuwe situatie als wordt uitgegaan van een kind van elf jaar dat al naar het voortgezet onderwijs gaat en een kind van twaalf jaar beide afkomstig uit een gezin dat rond moet komen van een bijstandsuitkering?

In de Memorie van Toelichting geeft de regering aan van mening te zijn dat de inkomensgevolgen van de nieuwe systematiek beperkt zullen zijn en dat deze de voordelen voor de uitvoering en vermindering van de administratieve lasten hier voldoende tegenop zullen wegen. Waarom wordt het voor deze groep niet mogelijk gemaakt om de bijdrage handmatig aan te vragen? Het idee dat kinderen niet belemmert mogen worden bij het volgen van onderwijs spreekt de leden van deze fractie zeer aan. Kan de regering nader toelichten waarom er niet gekozen is voor dit alternatief?

Uit de Memorie van Toelichting lijkt voorts te volgen dat ook ouders van een leerplichtig kind,of een kind dat jonger is dan 18 jaar dat niet meer naar school gaat en dat ook geen startkwalificatie op zak heeft, wel een extra bijdrage in het kindgebonden budget ontvangt. Het gaat hier om de extra bedrag die ouders op grond van de WTOS kregen als tegemoetkoming in de kosten voor hun schoolgaande kind. Klopt dit? Zo ja, wat is de motivatie hierachter? Hoe verhoudt zich dit tot de leer-werkplicht? De leden van de PvdA-fractie zijn van mening dat het thuiszitten zonder schooldiploma niet mag lonen. Zij willen daarom graag een toelichting op dit punt.

Pleegouders zijn van grote waarde voor de maatschappij in het algemeen en voor het pleegkind in het bijzonder. De leden van de PvdA-fractie vinden het van groot belang dat pleegouders die een kind in hun huis opnemen en verzorgen niet de dupe worden van een nieuwe regeling en zelf blijven zitten met de rekening van hun betrokkenheid. Klopt het dat pleegouders, die niet voor kinderbijslag in aanmerking komen, ook het geld dat op basis van de WTOS beschikbaar wordt gesteld onder de nieuwe regeling niet meer krijgen? Is de regering bereid in de presentatie van het onderzoek naar de samenloop van kinderbijslag, kindertoeslag (kindgebonden budget) en pleegvergoeding in te gaan op de (WTOS-)gelden die pleegouders nu niet meer ontvangen?

Inkomensafhankelijke tegemoetkoming in de kosten van kinderen, geen drempels of belemmeringen voor het aanvragen van deze tegemoetkoming en het recht op toeslag moeten belangrijke criteria zijn. De leden van de SP-fractie hebben enkele vragen en opmerkingen over voorliggend wetsvoorstel.

Zij vragen de regering waarom ook de kinderbijslag niet gekoppeld wordt aan deze wet. Zij zijn van mening dat ook de kinderbijslag inkomensafhankelijk zou moeten zijn. Zo komt deze ondersteuning vooral terecht bij die gezinnen die dit het hardste nodig hebben. Door de kinderbijslag te koppelen aan deze wet is het mogelijk ook de kinderbijslag inkomensafhankelijk te maken. Dit scheelt tevens een hoop administratieve lasten voor ouders.

De leden van de SP-fractie betreuren het dat in het wetsvoorstel onvoldoende rekening wordt gehouden met plotselinge armoedeval. Zo is in het voorstel geregeld dat het verzamelinkomen van 2 jaar geleden wordt berekend. Maar het kan zijn dat een gezin te maken krijgt met een plotselinge inkomensdaling. Bijvoorbeeld een scheiding kan tot gevolg hebben dat een gezin plotseling armoede vervalt, zo concludeert ook de regering in de gezinsnota «De kracht van het gezin». Gezinnen moeten dan elk dubbeltje omdraaien. Maar juist deze gezinnen komen daarvoor niet in aanmerking voor deze regeling omdat met het verzamelinkomen van 2 jaar wordt gerekend. Is het niet mogelijk om deze groep gezinnen toch in aanmerking te laten komen voor deze regeling? Is er een mogelijkheid voor een uitzondering voor deze groep? Zo nee, waarom niet?

Er wordt in de Memorie van Toelichting gesproken over kinderen onder de 12 jaar, op het voortgezet onderwijs en waarvan de ouders WTOS krijgen. Deze groep ouders zal er gedurende de periode dat hun kind jonger is dan 12 ten opzichte van de huidige situatie op achteruit gaan met € 24 per maand. De leden van de SP zijn van mening dat voor een gezin met een minimuminkomen heeft, € 24 per maand erg veel is. Kan er ook voor deze groep gezinnen niet een uitzonderingsregeling gemaakt worden? Zo nee, waarom niet?

Voor ouders is het vaak niet duidelijk of zij in aanmerking komen voor een regeling en welke regeling, zo staat ook beschreven in de Memorie van Toelichting. De leden van de SP-fractie vragen de regering hoeveel gezinnen nu wel in aanmerking komen voor het kindgebonden budget en de WTOS en hiervan geen gebruik maken. Hoe wordt ervoor gezorgd dat deze gezinnen toch in aanmerking komen voor het kindgebonden budget en de WTOS? Voor hoeveel kinderen die buiten Nederland naar school gaan en die in aanmerking komen voor de tegemoetkoming, wordt deze tegemoetkoming straks ingezet? Hoeveel kinderen hiervan wonen in Nederland, maar gaan in het buitenland naar school?

Waarom wordt de WTOS pas in december 2009 uitbetaald, terwijl de regeling in augustus 2009 ingaat? Wordt de WTOS niet maandelijks uitgekeerd in deze nieuwe regeling?

Waarom wordt alleen gekeken naar leeftijd en niet naar schoolsoort, terwijl hierdoor ca. 25 000 ouders een voordeel krijgen van 24 euro per maand (per jaar ruim € 7 mln.) zonder dat hun kinderen op het voortgezet onderwijs zitten? Hoe hoog zijn de administratieve kosten om deze groep deze verhoging te ontzeggen? Hoe hoog zijn de administratieve kosten om de ouders van de ca. 100 kinderen die wel op het voortgezet onderwijs zitten maar met deze regeling geen verhoging ontvangen van het verhoogde kindgebonden budget toch een verhoging te bieden? Kan de regering, net als bij het basis- en voortgezet onderwijs aangeven om hoeveel leerlingen het gaat bij het verschil tussen onder- en bovenbouw, en het verschil tussen voortgezet onderwijs en mbo en welke bedragen hiermee zijn gemoeid?

Kan de regering aangeven welke kinderen tussen de twaalf en achttien jaar, al dan niet tijdelijk, niet naar school gaan maar wel kindgebonden budget krijgen, waar zij eerder geen recht hadden op WTOS? Kan de regering aangeven hoe groot deze groep is? Welk bedrag is hiermee gemoeid?

Is het mogelijk dat kinderen bezwaar kunnen maken als deze tegemoetkoming niet besteed wordt aan kosten die voor hen worden gemaakt, zoals schoolkosten of kleding etc.?

De leden van de SP-fractie vragen hoe exact de situatie rondom kinderen zonder een wettelijk vertegenwoordiger is geregeld in het wetsvoorstel. Minderjarigen zonder wettelijk vertegenwoordiger kunnen geen aanspraak doen op het kindgebonden budget, omdat alleen wettelijk vertegenwoordigers kosten maken voor deze kinderen. Nu zijn er kinderen die gedeeltelijk of geheel onder voogdij staan van Bureau Jeugdzorg. In beide gevallen kunnen ouders niet, of in het geval van gezinsvoogdij weigeren ouders soms bij te dragen aan de kosten van het kind. Hoe kunnen kinderen die wel een verzorger hebben maar geen wettelijk vertegenwoordiger, of kinderen die onder voogdij of gezinsvoogdij staan van Bureau Jeugdzorg, toch aanspraak maken op het kindgebonden budget of een bijdrage in de schoolkosten? De leden van de SP-fractie zijn van mening dat juist deze kwetsbare groep, die het financieel vaak niet breed heeft, deze extra ondersteuning goed zou kunnen gebruiken. De leden vragen dat de regering hierover meer duidelijkheid te verschaffen.

De leden van de SP-fractie vragen waarom in het wetsvoorstel de positie van pleegouders niet wordt genoemd. Pleegouders hebben vaak geen gezag, en het komt voor dat gezagdragende ouder(s) de financiën, bedoeld voor het kind, niet overdragen aan diegenen die het kind verzorgen; de pleegouder(s). Zo lopen pleegouders naast de kinderbijslag ook de tegemoetkoming schoolkosten mis, en voor zover dat voorheen mogelijk was de kinderkorting en nu het kindgebonden budget. Zij vragen de regering alsnog in te gaan op de positie van pleegouders.

Zoals bekend zijn de leden van de VVD-fractie van mening dat er via de onderwijsbegroting geen inkomenspolitiek mag worden bedreven. Het geld dat voor onderwijs beschikbaar is, dient ten goede te komen aan de kwaliteit van het onderwijs in Nederland. Inkomenspolitieke regelingen, zoals de «gratis» schoolboeken kunnen daarom niet rekenen op hun steun. De VVD-fractie heeft indertijd tegen de invoering van het kindgebonden budget gestemd vanwege de negatieve effecten op de armoedeval en de, naar de mening van de fractie ongewenste, exporteerbaarheid. Tegen deze achtergrond staan deze leden dan ook kritisch tegenover het voorliggende wetsvoorstel.

De leden van de fractie van de ChristenUnie willen graag weten hoe ouders worden geïnformeerd over de integratie van de WTOS-uitkering in het kindgebonden budget. Zijn ouders voldoende bewust van het feit dat binnen het kindgebonden budget een tegemoetkoming in de schoolkosten is geïntegreerd? Hoe gaat de regering deze ouders specifiek inlichten? Wat gaat de regering doen om ouders van leerlingen die van het voortgezet onderwijs naar het mbo gaan voldoende bewust te laten zijn van het bestaan van de overgebleven WTOS-uitkering, naast de verhoging van het kindgebonden budget?

De leden van de fractie van de ChristenUnie zien de voordelen voor de uitvoering en de vermindering van administratieve lasten voor ouders na de wijziging van onderscheid naar leeftijd in plaats van naar schooltype. Wat is het budgettair effect van deze wijziging?

Er bestaat een verschil in het afbouwpercentage van 6,5% voor het verhoogde kindgebonden budget en het afbouwpercentage van 30% in de WTOS. De 30% afbouw blijft in stand voor de overgebleven WTOS-onderdelen. Waarom is gekozen voor het in stand houden van de 30% afbouw voor de WTOS-onderdelen die in stand blijven, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie.

Er zal geen administratieve lastenvermindering optreden voor de groep die achterblijft in hoofdstuk 3 van de WTOS. De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of er mogelijkheden zijn om de administratieve lasten te verlagen voor de WTOS-aanvraag zelf.

De leden van de SGP-fractie vragen de regering het streven om het risico van niet-gebruik te minimaliseren met nadere gegevens te onderbouwen. Zij vragen hoeveel ouders hun recht op WTOS ongebruikt aan zich voorbij laten gaan.

Deze leden vragen voorts of het mogelijk is het recht op WTOS voor ouders wier kinderen jonger dan twaalf jaar zijn en reeds op het voortgezet onderwijs zitten in stand te laten.

De leden van de SGP-fractie vragen de regering een grafiek te bieden waarin de gevolgen van het nieuwe afbouwpercentage van de WKB voor de hoogte van de totale tegemoetkoming voor inkomens boven € 29 413 zijn weergegeven. Zij vragen hierbij een vergelijking te maken tussen de situatie voor en na de integratie van de WTOS in de WKB.

Financiële paragraaf

De leden van de SP-fractie vragen de regering of er kosten gemoeid zijn met het integreren van deze wet voor zowel de Belastingdienst/Toeslagen als de SVB. Is hiermee rekening gehouden? Zo ja, hoeveel gaat dit kosten?

De leden van de VVD-fractie hebben vragen over de financiële consequenties van het wetsvoorstel. Het totale budgettaire beslag voor 2010 en 2011 zal neerkomen op € 1 058 mln. respectievelijk € 1 206 mln. Kan de regering aangeven wat de kosten zouden zijn als de twee regelingen naast elkaar zouden blijven bestaan? Welk budgettair beslag zou daaruit voortgekomen zijn?

Volgens de staatssecretaris van OCW lag het niet gebruik van de WTOS in 2006 op 37%. Via voorlichting wilde zij in de jaren erna het niet-gebruik terugdringen. Wat zijn de resultaten hiervan? Wat zijn de financiële consequenties van het nu opnemen van de groep die geen gebruik maakte van de WTOS als zij via het Kindgebonden Budget in aanmerking komen en er ambtshalve uitgekeerd wordt?

In de begroting SZW 2009 wordt expliciet toegegeven dat de introductie van het kindgebonden budget een negatieve invloed uitoefent op de prikkels voor werkaanvaarding. Letterlijk staat er: «Negatief werken de aanpassing van de kinderopvangtoeslag en het kindgebonden budget (blz. 32 toelichting Begroting SZW 2009). Hoe beoordeelt de regering deze zinsnede uit de begroting SZW en welke consequenties trekt hij daaruit?

Hoe beïnvloedt het voorliggende wetsvoorstel de armoedeval, de deeltijdval en de doorstroomval voor de inkomensgroepen WML, modaal en 2 x modaal?

Kan de regering aangeven hoe de oorspronkelijke doelstelling van de WTOS, namelijk het voorkomen dat de hoogte van het inkomen van de ouders de deelname van hun kinderen aan het onderwijs belemmert, zich verhoudt tot deze opname in het Kindgebonden Budget, omdat door deze integratie het niet meer noodzakelijk is dat het kind daadwerkelijk onderwijs volgt?

Kan de regering aangeven wat de gevolgen van de harmonisatie zijn met andere onderdelen van het Kindgebonden Budget. Het overgehevelde bedrag van de WTOS naar het Kindgebonden Budget wordt na overheveling op dezelfde wijze geïndexeerd. Welke (financiële) consequenties heeft dit?

De inwerkingtreding is voorzien voor op 1 augustus 2009. Kan de regering aangeven hoe de inwerkingtreding wordt gecommuniceerd naar de belanghebbenden?

De overheveling heeft consequenties omdat het Kindgebonden Budget onder de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) valt. Welke consequenties heeft dit voor de hoogte van de budgetten? Is er sprake geweest van een uitvoeringstoets?

Het afbouwpercentage ten opzichte van de volledige vergoeding bij de WTOS (30%) ligt aanzienlijk hoger dan het afbouwpercentage bij het Kindgebonden Budget (6,5%). Welke (budgettaire) consequenties brengt dit met zich mee? De inkomensgrens waarbij het afbouwpercentage begint, lijkt bij het Kindgebonden Budget anders dan bij de WTOS. Kan de regering dit bevestigen?

Een laatste punt van zorg van de leden van de VVD-fractie betreft de verhouding tot de gratis schoolboeken. Kan de regering aangeven of het juist is dat veel ouders niet genoeg hebben aan de tegemoetkoming voor schoolboeken? En zo ja, zijn het dan niet vooral de ouders met de laagste inkomens die hiervan de nadelige gevolgen ondervinden en schiet op deze wijze de beoogde wijziging niet het doel voorbij?

Meer ouders komen in aanmerking voor een tegemoetkoming door de integratie van de WTOS in het kindgebonden budget, namelijk ouders met kinderen die buiten Nederland naar school gaan. De leden van de VVD-fractie ontvangen graag antwoord op de volgende vragen. Kan de regering beoordelen om hoeveel gevallen het hierbij zal gaan en hoeveel het budgettair beslag daarvan is? Kan de regering dit uitsplitsen naar kinderen die binnen en buiten de EU naar school gaan? Gaat het hierbij ook om ouders afkomstig uit landen van buiten de EU die hun kinderen in het land van herkomst naar school sturen? Deelt de regering het standpunt dat de keuze om kinderen in het land van herkomst naar school te sturen niet bevorderlijk kan zijn voor de integratie? Als de regering dit standpunt deelt, waarom wordt dan toch geaccepteerd dat het voorliggende wetsvoorstel een grotere groep ouders recht geeft op een tegemoetkoming ook als deze ouders bewust kiezen voor een school in een land van herkomst?

De voorzitter van de commissie,

Heijnen

De griffier van de commissie,

Teunissen


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), Çörüz (CDA), Tichelaar (PvdA), Gerkens (SP), ondervoorzitter, Sterk (CDA), Van Miltenburg (VVD), Van Dijken (PvdA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Aasted-Madsen-van Stiphout (CDA), Koşer Kaya (D66), Jonker (CDA), Teeven (VVD), Wolbert (PvdA), Voordewind (CU), Zijlstra (VVD), Bouchibti (PvdA), Langkamp (SP), Ouwehand (PvdD), Agema (PVV), Leijten (SP), Dibi (GL), Heijnen (PvdA), voorzitter, Van Toorenburg (CDA), Uitslag (CDA) en Vacature (SP).

Plv. leden: Vacature (SGP), Omtzigt (CDA), Heerts (PvdA), Kant (SP), Blanksma-van den Heuvel (CDA), Van der Burg (VVD), Eijsink (PvdA), Vacature (VVD), Biskop (CDA), Van der Ham (D66), De Pater-van der Meer (CDA), Verdonk (Verdonk), Bouwmeester (PvdA), Wiegman-van Meppelen Scheppink (CU), Schippers (VVD), Timmer (PvdA), Gesthuizen (SP), Vacature (PvdD), Bosma (PVV), De Wit (SP), Azough (GL), Arib (PvdA), De Vries (CDA), Van Dijk (CDA) en Karabulut (SP).