Kamerstuk 31710-6

Verslag van een algemeen overleg

Deltaprogramma; Verslag van een Algemeen Overleg


31 710
Deltaprogramma

nr. 6
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 31 maart 2009

De vaste commissie voor Verkeer en Waterstaat1, de vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer2 en de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit3 hebben op 12 maart 2009 overleg gevoerd met staatssecretaris Huizinga-Heringa van Verkeer en Waterstaat over:

– de brief van de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat d.d. 12 september 2008 met de kabinetsreactie advies Deltacommissie (31 710, nr. 1);

– de brief van de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat d.d. 5 december 2008 met aanvullende informatie en vervolg op Deltacommissie (31 710, nr. 2);

– de brief van de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat ter aanbieding ontwerp Nationaal Waterplan en ontwerp Stroomgebiedbeheerplannen (31 710, nr. 3);

– de brief van de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat d.d. 15 december 2008 met beleidsdoorlichting Waterkwantiteit (27 625, nr. 128);

– de brief van de staatssecretaris van Buitenlandse Zaken d.d. 4 februari 2009 inzake fiche mededeling maritieme ruimtelijke ordening (22 112, nr. 798);

– de brief van de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat d.d. 18 februari 2009 met de beantwoording van de vragen van Paulus Jansen over hoogwaterbescherming (27 625, nr. 131);

– de brief van de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat d.d. 18 februari 2009 over het Hoogwaterbeschermingsprogramma 2009 (27 625, nr. 130);

– de brief van de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat d.d. 5 maart 2009 inzake de aanbieding van de beantwoording vragen van de commissie VW over het ontwerp Nationaal Waterplan (31 710, nr. 5).

Van dit overleg brengen de commissies bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

Voorzitter: Jager Griffier: Sneep

Vragen en opmerkingen uit de commissies

De voorzitter: Ik heet iedereen hartelijk welkom. Ik open het algemeen overleg van de vaste commissie voor Verkeer en Waterstaat met de staatssecretaris over het Nationaal Waterplan. De spreektijden bedragen zeven minuten per fractie. In eerste termijn krijgt elke fractie maximaal twee interrupties. Het woord is allereerst aan de heer Cramer.

De heer Cramer (ChristenUnie): Voorzitter. Ik zal proberen mij zo goed mogelijk aan de spreektijd te houden. Ik maak op voorhand mijn excuses, omdat ik door een vervelende overlap van afspraken in mijn agenda de vergadering enige tijd moet verlaten.

Het Nationaal Waterplan is een integrale visie op waterveiligheid, waterkwaliteit en zoetwatervoorziening. Veel zaken moeten nog worden uitgewerkt, maar de nota is veelbelovend. Voor de bescherming van onze kust, de toekomst van het IJsselmeer en de veiligheid in het riviergebied is veel geld nodig. Wanneer kan de Kamer voorstellen voor een Deltafonds en voor een Deltaregisseur verwachten?

Het advies van de commissie-Veerman is een procesbenadering die de fractie van de ChristenUnie zeer aanspreekt. Zij vindt het verstandig dat voor de waterveiligheid bewust is gekeken naar een worstcasescenario en dat in het waterplan wordt gepleit voor robuuste, toekomstvaste oplossingen. De verschillen tussen de scenario’s worden vooral relevant na 2050, maar wij moeten er, gezien de grote ingrepen, nu al rekening mee houden.

De uitdaging van het waterplan is om kortetermijnmaatregelen af te wegen tegen meer ingrijpende, maar toekomstvaste langetermijnmaatregelen. Omdat veel ingrepen 100 jaar meegaan, moeten wij op korte termijn keuzes durven maken en voor ruimtelijke ingrepen een strak tijdplan maken. Wanneer kan de Kamer de kosten-batenanalyse verwachten? Worden alle maatregelen op korte termijn getoetst op toekomstvastheid?

Er is snel duidelijkheid nodig over de ruimtelijke reserveringen. Neem bijvoorbeeld het IJsselmeer. Voor de peilstijging is studie nodig, besluitvorming volgt uiterlijk in 2015, maar wat betekent dat voor de ruimtelijke ontwikkeling in de komende jaren? Overigens lees ik niets over een mogelijk randmeer bij de Noordoostpolder. De ChristenUnie zou een studie hiernaar graag opgenomen zien in de uitvoeringsagenda. In de kustgemeenten is nu vaak grond gereserveerd aan de landkant, terwijl de commissie-Veerman zandsuppleties aan de zeekant adviseert. Wanneer krijgen de gemeenten duidelijkheid daarover?

Voor het opstellen van een nieuw normenstelsel is de betrokkenheid van de provincies essentieel. Hoe wordt dit vormgegeven? Mijn fractie zou willen dat er in het Waterplan meer aandacht is voor de regionale waterkeringen, met name waar deze in het beheer zijn van het Rijk.

Ik kom te spreken over het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP). De onzekerheidsmarge bij het budget voor het HWBP zijn groot. De ChristenUnie-fractie wil graag meer inzicht in de omvang van de tekorten. Sommige projecten zijn vertraagd door onvoldoende capaciteit op de markt. Ik kan mij voorstellen dat er nu meer ruimte is om een en ander te versnellen.

Ik dank de staatssecretaris voor de toezegging dat extra informatie wordt toegevoegd over de natuurwaarden van de Noordzee. Het kabinet wil niet op voorhand concluderen dat een bestemmingsplan het meest effectieve middel is voor de Noordzee en verwijst daarbij naar internationale regelgeving en de wijze waarop de zee wordt gebruikt. Kan de staatssecretaris dit toelichten? Ik zie op de kaarten voor verschillende gebieden dubbele claims die niet altijd te combineren zijn. Het gaat weliswaar om zoekgebieden en natuurlijk vergt dit uitwerking, maar is juist een bestemmingsplan daarvoor geen goed instrument? Juist nu, want de komende jaren worden verschillende vergunningen voor windenergie afgegeven.

Ik maak enkele opmerkingen over de visserij. Mijn fractie wil een nadere analyse van de wijze waarop de wateropgaven en de daaraan gekoppelde ruimtelijke opgaven maximaal kunnen worden meegekoppeld aan de opgaven voor de visserij. In het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB) zijn ruimtelijke maatregelen een mogelijke oplossing voor verduurzaming. Deze mogelijkheden staan niet in het Nationaal Waterplan, maar worden in de schriftelijke vragenronde niet uitgesloten. Daarbij wordt gesteld dat niet meer last moet worden veroorzaakt voor de visserijsector dan noodzakelijk. Dat onderschrijft de ChristenUnie van harte. Mij is echter onduidelijk wanneer genoemde keuzes gemaakt gaan worden. Ik wil dat weten, omdat andere ruimtelijke keuzes, zoals de plaatsing van windparken, daarop invloed zullen hebben. Windparken bieden overigens ook kansen voor het combineren van de mozzelzaadinvanginstallaties (MZI’s).

Uitvoering van het Nationaal Waterplan kan niet zonder de landbouwsector. Soms ligt een schadeloosstelling voor de hand, maar het zal vaak doelmatiger en efficiënter zijn om te werken met beloningen voor geleverde diensten. De waterkwaliteitsopgave drukt ons met de neus op het feit dat wij ook met een grote zoetwateropgave zitten door de verzilting. Mijn fractie is blij dat dit in het waterplan wordt erkend als een van de grootste opgaven. Wij moeten toe naar een duurzaam watersysteem. Dit vraagt ook om regionale investeringen in het vasthouden van water. Liggen deze lokale investeringen voldoende op schema? Peilverhoging van het IJsselmeer biedt een oplossing, maar dit vraagt nog onderzoek en ontslaat de waterschappen niet van lokale maatregelen. Het zou goed zijn als de regio’s verschillende mogelijkheden in kaart brengen.

De ChristenUnie-fractie is tevreden met de acties van de staatssecretaris om meer inzicht te krijgen in het resultaat van het waterkwantiteitsbeleid. In de beleidsevaluatie wordt gesteld dat de rijksstimuleringsregeling werkt, maar dat er weinig effect is op de bewustwording bij gemeenten en waterschappen. Mijn fractie roept de staatssecretaris ertoe op om met de partners in het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) in gesprek te gaan over de noodzaak van structurele reservering van financiële middelen voor het realiseren van de WB21-doelen (Waterbeheer 21ste eeuw).

In het vorige debat heb ik een pleidooi gehouden voor de Hollandse sloot. In de Vierde Nota Waterhuishouding stond hierover nog een aparte paragraaf, maar ik mis de sloot in het Nationaal Waterplan. Ook is de sloot niet opgenomen in de Watercanon, zoals besproken in het debat over de Watervisie een jaar geleden en toegezegd door de staatssecretaris. Ik heb de Watercanon op internet uitgebreid bestudeerd en geconstateerd dat er geen enkele verwijzing naar de Hollandse sloot in staat. Ik ga ervan uit dat deze alsnog opgenomen wordt in de definitieve versie van het Waterplan en in de Watercanon.

Mevrouw Neppérus (VVD): Voorzitter. Dit is de eerste keer dat de informatie en de hoofdlijnen van de Deltacommissie op de agenda staan. Er komen nog een heleboel rondes, wij gaan spreken met deskundigen, er komen hoorzittingen, maar dit is de eerste keer dat wij er hier over spreken.

De VVD-fractie vindt het rapport van de commissie-Veerman van groot belang. Veiligheid tegen stijgend water is essentieel en Nederland moet zijn verantwoording nemen. Het zal veel werk zijn, veel geld kosten – op die punten kom ik nog terug – en het vormt ook een uitdaging om te laten zien wat je kunt, om je kwaliteiten te tonen.

Kernvraag is natuurlijk hoeveel dat water gaat stijgen. Dat het stijgt, staat vast – dat doet het al eeuwen – maar kan er sprake zijn van een extra stijging? Ik vind dat lastig, want in het rapport staan naast scenario’s van het KNMI ook verdergaande scenario’s. Mij is onduidelijk hoe die zich tot elkaar verhouden. Daarbij heeft de Raad voor Verkeer en Waterstaat een advies uitgebracht waarin staat dat meer flexibiliteit gewenst is en niet alle investeringen al moeten worden vastgelegd, omdat het water mogelijk minder of juist meer stijgt dan verwacht, want helemaal precies weet men dat niet. Wij kunnen dit niet op de centimeter vastleggen. Wat vindt de staatssecretaris van het advies? In hoeverre is flexibiliteit mogelijk om eens wat meer of minder te doen? Het heeft natuurlijk ook financiële gevolgen.

Alle Kamerleden zijn overstelpt met reacties over het IJsselmeer en het Markermeer. Wat doen wij daarmee? Daarover lopen de meningen zeer uiteen. Flevoland wil dat het waterpeil van het IJsselmeer wordt verhoogd. Friesland denkt daar weer geheel anders over. Ook vanuit maatschappelijke organisaties hoor ik verschillende geluiden. De staatssecretaris heeft beloofd daarop terug te komen, maar kan zij nu alvast aangeven of zij een second opinion overweegt? Het betreft een vergaand voorstel. Het kost ook vele miljarden, maar als het nodig is dan zal het wel moeten. Gelet op de wisselende reacties, heb ik echter behoefte aan een second opinion. Het wordt namelijk wel heel lastig. Er zijn allerlei gevolgen voor de IJssel. Er is ook een samenloop met Ruimte voor de rivier. Ik heb behoefte aan meer informatie.

De heer Cramer (ChristenUnie): Volgens mij moet alles uit het rapport van de commissie-Veerman nog uitharden. Het moet nog duidelijk worden of dit de maatregelen zijn. Sterker nog, er zal nog veel werk verzet moeten worden voor duidelijk is welke maatregelen wij gaan nemen. Geldt dat ook niet voor het IJsselmeer? Er is nog helemaal geen sprake van een second opinion, maar gewoon van het uitwerken van een first opinion.

Mevrouw Neppérus (VVD): Natuurlijk moet er nog veel worden uitgewerkt, maar bepaalde elementen van plannen zijn heel ingrijpend. Dat geldt natuurlijk ook voor de Oosterschelde, maar zeker hier. Wij krijgen meer informatie, maar dit is zo ingrijpend en de reacties zijn zo uiteenlopend dat ik, hoewel ik de toegezegde brief rustig wil afwachten, toch behoefte heb aan een second opinion, want het kan heel goed zijn dat er na die brief nog veel onduidelijk is.

Het is duidelijk. Er zijn ruimtelijke gevolgen en financiële gevolgen. Wat de ruimtelijke gevolgen betreft, moet het Rijk tijdig aangeven welke ruimte nodig is, zodat provincies en gemeenten daar rekening mee kunnen houden. Er wordt nu al jaarlijks 5 mld. uitgegeven of gereserveerd voor uitgaven aan water. Dat is ook voor riolering en dat soort dingen; het is dus ruimer dan alleen maar de dijken versterken. Ik zag wel dat in het afgelopen jaar wat minder is uitgegeven. Hoe verhoudt zich dat tot elkaar? Het gaat om gigantische bedragen. Ik kan mij voorstellen dat je daarvoor een Deltafonds opricht dat je probeert om buiten de waan van de dagelijkse politiek te houden. In het verleden is rond de oorlog minder geld uitgeven en toen was er ineens een gat. Ik wil daarvoor waken. Het principe van het Deltafonds is prima. Ik wil wel nadenken over de vraag hoe wij vermijden dat wij de rekening te veel bij onze kinderen en kleinkinderen neerleggen.

Ik vraag mij ook af hoe het staat met de komst van de Deltaregisseur, want die is essentieel.

De heer Van der Ham (D66): Voorzitter. Wie niet meedijkt, verbeurt zijn erf. Dat is een fantastisch mooi gezegde dat betrekking heeft op de waterschappen. Het betekent dat Nederlanders moeten samenwerken aan de bescherming tegen het water door het bouwen van dijken of anders hun land verliezen.

Goede bescherming tegen het water is van groot belang en zal door het stijgen van de zeespiegel en het onvoorspelbaar worden van rivieren alleen nog maar aan belang winnen. Dat weten wij allemaal. Vandaag spreken wij over de vorm waarin wij dat willen doen. Oud-minister Veerman heeft uitstekend werk verricht en een zeer omvangrijk rapport geschreven. Ik ben daar zeer dankbaar voor. Veel zaken bouwen verder op bestaande projecten, zoals Ruimte voor de rivier, klimaatbuffers en andere natuurlijke oplossingen. Er is ook een aantal nieuwe voorstellen. Ik heb daar veel vragen over.

Mijn eerste vraag betreft de financiering. Die is nog heel onhelder. Daar wil ik in dit algemeen overleg meer duidelijkheid over krijgen.

Ook het peil van het IJsselmeer is een belangrijk punt. De peilverhoging die Veerman voorstelt, wordt gefaseerd ingevoerd, eerst met het peilbesluit in 2012 en daarna wordt verder gekeken. Een dergelijke fasering vind ik goed te begrijpen, want de anderhalve meter die Veerman voorstelt, is op dit moment onvoldoende onderbouwd om de enorme consequenties die het zal hebben voor het beschermingsniveau van de aanliggende gemeenten te kunnen verantwoorden. Met name voor gemeenten als Medemblik en Enkhuizen heeft een dergelijk peil enorme gevolgen. Waarom niet een aanpak die uitgaat van het maximaal benutten van de huidige ruimte voor de verhoging van het peil, zonder ingrepen op de huidige kustwering?

Veerman beoogt twee zaken, namelijk zoetwaterreserves en het onder vrij verval kunnen afwateren, maar is dat nu echt de enige mogelijkheid? Zijn niet meer fijnmazige oplossingen te bedenken? Kan het zoete water niet verspreid worden over het achterland, in lijn met de trits «vasthouden, bergen en afvoeren»? Een soort uitvergroting van Ruimte voor de rivier dus. Verder kan het Rijk diverse maatregelen nemen om de zoetwatervoorraden dichter bij die plekken te brengen waar ze nodig zijn en daarbij mogelijk ook een verantwoordelijkheid leggen bij de bedrijven die het water nodig hebben voor hun bedrijfsvoering, bijvoorbeeld voor productiewater. Zo leg je het probleem waar het thuishoort. Ook binnen het IJsselmeer kun je, ook om meer ruimte te geven aan andere functies zoals natuur en recreatie, misschien overgaan tot compartimentering of een extra buffergebied aan de binnenzijde van de Afsluitdijk, waar je het peil hoger opzet en dat je als eerste overloop gebruikt voor je het naar de Waddenzee afvoert. Onder meer het Plan Waterlelie voorziet daar ook in. Waarom wil de staatssecretaris creatieve oplossingen, die ook nog eens maatschappelijk goedkoper zijn, op voorhand al uitsluiten?

Terecht heeft een aantal insprekers gezegd dat de behoefte aan zoet water teruggebracht moet worden. Er moet meer aan besparing worden gedaan. Hoe maakt het kabinet daar werk van? Wat is zijn reactie op de oproep van de Raad voor Verkeer en Waterstaat, die stelt dat de keuze voor één strategische watervoorraad, zoals Veerman voorstelt, moet worden uitgesteld?

Een ander idee van Veerman waarvan de staatssecretaris aangeeft dat het een complexe ingreep zal zijn, betreft de veiligheidsnorm, die met factor 10 omhoog moet. Is dat echt nodig? Kunnen de normen niet gewoon de normen blijven? Het huidige normeringsysteem, 1 op 10 000, gaat immers juist uit van dynamische natuurlijke omstandigheden. Neemt de golfkracht toe, stijgt de zeespiegel, dan stijgt de norm mee, want de kans mag niet groter zijn dan de gestelde norm. Met de in Nederland geldende normen zijn wij al een van de veiligste delta’s ter wereld. Bovendien is in onze wet ingebed dat eens in de vijf jaar wordt gecontroleerd of de primaire keringen nog steeds voldoen aan de norm. Zo niet, dan worden ze aangepakt. Wij moeten dus niet het enige systeem ter wereld dat nu al echt preventief toetst op veiligheid, zomaar loslaten. Ik heb liever dat de staatssecretaris toezegt dat het huidige beleid wordt voortgezet en dat er te allen tijde voldoende geld is om eventuele geconstateerde onvolkomenheden aan te passen.

Via e-mail, via insprekers en via de stukken die wij van de staatssecretaris hebben ontvangen, zijn wij gewezen op de toekomstbestendigheid van de geplande woningbouw. Die gaat vooral in de laagste gedeelten van ons land plaatsvinden. Dat is prima, maar dat kan in de toekomst problemen opleveren. De staatssecretaris gaat daar een beetje omheen en ik wil graag dat zij daar nu verder op ingaat. De nota lijkt een beetje met zichzelf in tegenspraak. Ten aanzien van het Markermeer lijkt de staatssecretaris al besloten te hebben dat ontwikkelingen buitendijks mogelijk moeten zijn, terwijl het algemene kader terughoudend is op dit punt. Soms wordt duidelijk onderscheid gemaakt tussen buitendijks bij de kustplaatsen en overig, bijvoorbeeld bij de rivieren en bij het IJsselmeer, terwijl dat op andere plekken niet gebeurt. Die tweedeling is natuurlijk wel nodig, bijvoorbeeld bij de kustplaatsen, maar ik begrijp niet precies hoe de opgevolgde adviezen van de commissie-Poelmann over buitendijks bouwen is terug te herleiden tot het rapport-Veerman. Kan de staatssecretaris daar een reactie op geven?

De staatssecretaris zegt over de analyse van het watertekort dat de functie het peil moet volgen. Kan zij een concreet voorbeeld geven? Heel vaak zie je namelijk het omgekeerde gebeuren. Wat wordt de relatie van de staatssecretaris met haar collega van VROM op dit punt? Kan de staatssecretaris de minister van VROM overtroeven? Wat als er ooit echt iets misgaat? Welk noodscenario ligt er dan klaar? Dat is natuurlijk lastig te oefenen. Stel je voor dat er opeens een enorm probleem is in de lagergelegen gebieden van de Randstad. Wordt in de plannen al preventief rekening gehouden met de bescherming van vitale infrastructuur en voorzieningen? Zijn er bij calamiteiten voldoende vluchtwegen en zijn er evacuatieplannen, mocht er onverhoopt iets gebeuren? Hoe worden die plannen geüpdate?

Ik stel nog een aantal vragen. Hoe staat het met de nieuwe windlocaties voor de kust? Waar kunnen die mogelijk dichter bij de kust worden gerealiseerd? Zijn er al nieuwe vorderingen rond het idee van een stopcontact op zee sinds het laatste overleg dat wij daarover hebben gevoerd? De staatssecretaris schrijft in haar antwoorden dat er commerciële partijen zijn die mogelijk eilanden voor de kust willen aanleggen. Hoe staat het daarmee? Hoe wordt verder uitvoering gegeven aan de motie-Atsma? Hoe wil de staatssecretaris in overleg treden met de natuurorganisaties om de natuurwaarden van de Noordzee verder te versterken? Wat is haar reactie op de oproep van de Raad voor de Wadden om nu al te starten met grootschalige monitoring van de sedimenttransport, zandsuppletie om in de toekomst goede afwegingen te kunnen maken rond het meegroeien van de Waddenzee met de zeespiegelstijging?

Wat wordt precies de positie van het ministerie van Verkeer en Waterstaat in dezen? Er wordt nu veel gedacht aan het plaatsen van kennis buiten het ministerie. Hoe wordt gewerkt aan het verstevigen van de kennis over dit soort grote vraagstukken op het ministerie zelf, zodat in de toekomst niet alle kennis ingehuurd hoeft te worden, maar ook op het ministerie zelf voldoende capaciteit en kennis aanwezig is om de toekomstige uitdagingen het hoofd te bieden?

De heer Boelhouwer (PvdA): Ik zit nog even na te kauwen op de vragen van de heer Van der Ham of mensen weg kunnen komen en of de vitale infrastructuur beschermd is als de Randstad onderloopt. De heer Veerman zegt heel nadrukkelijk dat Nederland zich dit nooit kan permitteren, omdat daarmee de geloofwaardigheid van ons land totaal weg zou zijn. Hij pleit er dan ook voor om dijken zo stevig te maken dat zo’n situatie niet zal voorkomen. De heer Van der Ham geeft met zijn opmerking aan dat hij daar niet in gelooft. Dat verbaast mij een beetje.

De heer Van der Ham (D66): Dat is natuurlijk onzin. Een aantal dingen die Veerman voorstelt, moet absoluut gebeuren. Je moet ervoor zorgen dat de kans op overstroming zo klein mogelijk wordt, maar je kunt plotseling geconfronteerd worden met omstandigheden waarmee je op dit moment geen rekening kunt houden. Dat kan ik niet helemaal voorspellen. Er kan morgen iets in zee vallen wat een enorme golfslag teweegbrengt. Zijn er dan plannen? En dan bedoel ik dus niet de plannen voor de redelijk te voorspellen zeespiegelstijging door de klimaatverandering, want op dat punt ben ik het helemaal met u eens. Je moet je echter ook kunnen verhouden tot onvoorspelbare krachten. Daar ging mijn vraag over.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik verbaasde mij over de vraag hoe de staatssecretaris in overleg denkt te treden met natuurorganisaties om de natuurwaarden in de Noordzee helder te krijgen. Ik ben van mening dat het kabinet allang had kunnen weten wat de natuurwaarden zijn als het daarnaar onderzoek had uitgevoerd. Ik denk ook dat wij die lijn moeten volgen, want als je dat laat afhangen van overleggen met natuurorganisaties, dan ontstaat al snel een beeld dat die organisaties een soort wensenlijstje hebben waarop je kunt afdingen, terwijl die waarden wetenschappelijk onderbouwd moeten worden vastgelegd. Ik zou van de D66-fractie graag een iets steviger signaal richting de staatssecretaris willen en samen willen optrekken op dit punt.

De heer Van der Ham (D66): Op dit punt zitten wij op dezelfde lijn. Laat ik het dan zo zeggen: de staatssecretaris moet hardere afspraken maken en duidelijker vastleggen wat die natuurwaarden zijn. Dan zijn u en ik weer helemaal maatjes op dit punt.

Mevrouw Ouwehand (D66): Fijn!

De voorzitter: Ik wijs er nog op dat de commissie nog zes werkbezoeken zal afleggen in het land, waarbij zij zal horen wat er zoal leeft en welke punten moeten worden betrokken bij het definitieve besluit.

Het woord is aan de heer Boelhouwer namens de Partij van de Arbeid.

De heer Boelhouwer (PvdA): Voorzitter. Dit algemeen overleg gaat ergens over. Dat blijkt onder meer uit de enorme hoeveelheid e-mails en brieven die wij hebben ontvangen. Daaruit kun je afleiden dat het onderwerp leeft bij veel mensen en groeperingen in Nederland, en dat het niet alleen over de kwaliteit gaat, maar ook over de kwantiteit. Dat is op zich al fantastisch. Uit alle stukken die het kabinet ons heeft gestuurd, komt het beeld naar voren dat water zeer dominant is in de ruimtelijke ordening van Nederland.

Water en ruimtelijke ordening zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Dat blijkt uit de ideeën voor het IJsselmeer, voor de Zuidwestelijke Delta en voor Ruimte voor de rivier. Nederland heeft daarvoor al een financieringssysteem, het MIRT (Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport), waarin al die afwegingen keurig gezamenlijk gemaakt worden. Mijn fractie vraagt zich dan ook af of het echt nodig is om een apart fonds op te richten, zoals de heer Veerman voorstelt. Ik ben benieuwd naar de reactie van de staatssecretaris.

Het rapport-Veerman is een uitstekend stuk werk. Het nieuwe denken over water is daarmee voor de komende 50 tot 100 jaar vastgelegd, met alle marge die erin zit en alle discussie die wij daarover nog moeten voeren, maar het is goed om hier de waardering ervoor nog eens uit te spreken.

De heer Cramer (ChristenUnie): De heer Boelhouwer vraagt of het budget ondergebracht moet worden in het MIRT. Het MIRT is uiteindelijk een kader waarbinnen wij de prioriteiten afwegen. De heer Veerman acht dit onderwerp zo belangrijk dat dit geld nodig is. Over de hoeveelheid spreken wij nog, maar er is een fonds nodig dat ook in slechte tijden uitgeefbaar blijft. Het MIRT kent ook een soort bufferwerking: als het wat moeilijker is, dan gaan wij herprioriteren. Ziet de heer Boelhouwer dat anders?

De heer Boelhouwer (PvdA): Waterveiligheid staat voorop voor de Partij van de Arbeid. Daarover hoeft geen twijfel te bestaan. Ik geef als concreet voorbeeld de hele discussie rond het IJsselmeer en het Markermeer. Als hun peil anderhalve meter wordt verhoogd, dan heeft dat grote ruimtelijke consequenties voor de regio’s Kampen, Friesland en Noord-Holland. Het heeft echter ook effecten voor de noodzakelijke plannen om iets te doen met de Afsluitdijk, die is niet meer zoals die moet zijn en moet worden opgeknapt. Bij de Afsluitdijk heb je bovendien nog een heel ander probleem, namelijk de zoet-zoutgradiënt. Het zoete water dat de Waddenzee instroomt, biedt een enorme capaciteit om energie op te wekken. Al die afwegingen moet je integraal benaderen. Als je kiest voor energieopwekking in de Waddenzee, dan kun je dat niet los zien van het rapport-Veerman en de tot nu toe genomen besluiten. Die integraliteit maakt het nodig om het in het MIRT te doen. Dat is de structuur die wij in dit land hebben bedacht voor die totale afweging. Ik loop er dus niet voor weg. Integendeel, ik denk dat het de kwaliteit van de plannen van Veerman ten goede komt.

Er is een aantal punten waarover wij nu wel praten, maar het zou erg onheus zijn om daarover nu al definitieve standpunten in te nemen. Deze commissie bezoekt nog alle projecten in de regio’s die Veerman in zijn rapport noemt. Er zijn inspraakrondes gaande. Er moeten nog deskundigen gehoord worden. Het is dus echt te vroeg om nu al definitieve standpunten over de invulling te geven. Dat doe ik dan ook niet. Wel spreekt een aantal opmerkingen van Veerman mijn fractie zeer aan. In de voorliggende plannen wordt onvoldoende duidelijk gemaakt wat de staatssecretaris vindt van het idee om niet-doorbreekbare dijken aan te leggen. Veerman pleit uitdrukkelijk voor het voorkomen van overstromingen, omdat anders de internationale positie van Nederland qua vertrouwen en investeringen totaal weg is, veel slachtoffers te betreuren zijn en de economische schade enorm is. Als een oplossing in deze richting wordt gekozen, waar mijn fractie naar neigt, dan is de discussie over wonen in de Zuidplaspolder in relatie tot waterveiligheid niet meer aan de orde, want dan zijn de dijken en de zeeweringen zo sterk dat ze niet doorbreken. Water kan er overheen stromen, maar het hele gebied komt niet door een doorbraak in één keer onder water te staan.

De discussie over waterveiligheid speelt ook een rol in de plannen voor de peilopzet in het IJsselmeer. Het gebied rond Kampen wordt bedreigd. Dure maatregelen zullen nodig zijn. Daar staat tegenover dat spuien onder vrij verval bij de Afsluitdijk mogelijk blijft. Het ligt voor de hand om die keus te betrekken bij een groter geheel van afwegingen. Dus niet nu al zeggen «dit is het beste plan». Betrek de ideeën erbij over de Afsluitdijk en de toekomst van de energiewinning.

Dan is er nog het probleem van de beschikbaarheid van zoet water. Je kunt er wel voor pleiten dat er minder zoet water nodig zou moeten zijn, maar het is, gelet op de hoeveelheid waarover wij spreken, niet genoeg om de oplossing alleen daarin te zoeken en dus van de peilopzet af te zien. Drinkwater is essentieel voor de industrie, de land- en tuinbouw, het drinkwater, kortom, voor heel het functioneren van ons land. De peilopzet zou een goede oplossing zijn en biedt ook kansen voor Almere om buitendijks uit te breiden. Een ding is daarbij nadrukkelijk aan de orde, en dat betreft ook weer de integraliteit: als je dat wilt, dan moet de waterkwaliteit van het Markermeer-IJmeer in orde zijn. Nu zie je al hier en daar blauwalgen in de zomer. Als die scheiding er komt, dan is kans daarop aanmerkelijk groter. Dat heeft te maken met de waterkwaliteit. Het heeft geen enkele zin om zelfs maar te denken aan buitendijks uitbreiden als je het risico loopt dat woningen in de blauwalgen komen te staan. Het verbeteren van de waterkwaliteit is de eerste voorwaarde waaraan voldaan moet worden als je wilt denken over een peilopzet in het IJsselmeer en het Markermeer-IJmeer daarbij afzet.

De diverse projecten voor Ruimte voor de rivier liggen redelijk op schema. Toch zie je de eerste problemen opdoemen. Het is hier en daar wat lastig om de grond te verwerven. In de notitie staat iets over de grondstoffenprijzen, maar die zijn toch allemaal aan het dalen? Aannemers springen om werk, dus misschien is het tijd om nog eens na te denken over de aanbestedingswijze. Een specifiek punt wil ik daarbij wel aan de orde stellen en dat is het verhaal van de baggerspecie. Dat is laatst al door de CDA-fractie aan de orde gesteld, maar wij hebben al veel eerder aandacht ervoor gevraagd. Ik noem de gemeente Lingewaard bij Buren. Hoe werkt het loslaten van de classificering nu? Het rapport van TNO daarover geeft te denken. Dat gaat doorwerken in de plannen voor Ruimte voor de rivier, want wij moeten de bagger die daarbij vrijkomt ergens kwijt. De manier waarop dat gaat, stemt de PvdA-fractie niet gerust. Hierover stond een stuk in de Volkskrant.

De Noordzee heeft zeer veel functies: zandwinning, natuurvisserij, gaswinning, windmolenparken, zeevaart enzovoorts. Deze functies moeten zich op een of andere manier allemaal met elkaar verhouden. Uit alle notities wordt de keuzevolgorde van die beslissingen niet altijd duidelijk. Er zijn plannen voor tegenstrijdige functies in een en hetzelfde gebied. Het is goed als de staatssecretaris daarover meer kan zeggen.

De heer Van der Staaij (SGP): Voorzitter. De SGP-fractie juicht toe dat serieus wordt nagedacht over langetermijnoplossingen voor de bescherming tegen overstromingen. Wereldwijd stijgt de zeespiegel, terwijl de kust van Nederland kampt met bodemdaling. Tegelijkertijd neemt de rivierafvoer toe. Op dat proces moeten wij ons tijdig voorbereiden. De plannen van de staatssecretaris, die voortbouwen op het rapport van de Deltacommissie, geven daarvoor een belangrijke aanzet.

Wij hoeven ons geen angstscenario’s te laten aanpraten. Je hoeft niet in pseudo-religieuze Al Gore-voorspellingen te geloven om voorstander van maatregelen te zijn. Het beveiligingsniveau tegen hoogwater is groot in Nederland, maar moet beter met het oog op de toekomst. Technisch is dat ook prima realiseerbaar. Allereerst moeten dijken verder versterkt en opgehoogd worden. Dat heeft het minste ruimtebeslag, is effectief en is relatief betaalbaar. Dat geldt ook voor zandsuppleties. Wij vinden het goed dat de veiligheidsnormen kritisch tegen het licht worden gehouden. Ik vind het lastig te beoordelen of die normen inderdaad tien keer zo hoog moeten worden als nu. Dat zou nog eens goed onderzocht en nader gemotiveerd moeten worden.

Ik prijs de staatssecretaris dat zij, in navolging van de Deltacommissie, serieus inzet op het klassieke instrumentarium van kustversterking en dijkverhoging. De veiligheid van ons land is gediend met een nuchtere en zakelijke benadering. Daarbij hoort ook dat wij nu zo snel mogelijk de geconstateerde achterstanden bij dijkversterkingen inhalen. Is hierbij nog verdere versnelling mogelijk? Ik vind het positief dat het Nationale Waterplan tevens een structuurvisie is op basis van de nieuwe Wet op de Ruimtelijke Ordening. Daarmee heeft de integraliteit van ruimte en water dezelfde grondslag.

De Deltacommissie schreef een sterk rapport. Niets voor niets valt het kabinet het rapport op hoofdlijnen bij. Terecht is door de commissie sterk beklemtoont dat de benodigde financiële middelen voor de lange termijn moeten zijn veiliggesteld. Het voorstel van de commissie voor een Deltafonds voldeed hieraan. Wij hebben de commissie hiervoor dan ook geprezen. Ik heb met enige zorg geconstateerd dat het kabinet de voorstellen van de commissie op dit punt niet uitdrukkelijk volgt. Het wordt nog een beetje in het midden gelaten. Het kabinet heeft expliciet aangegeven nog te willen nadenken over de manier waarop de plannen een solide financiële basis kunnen krijgen. Ik beklemtoon dat de financiering van die plannen niet zomaar een onderdeel van het rapport zijn, maar een hoeksteen. Gelet op de belangen die ermee gemoeid zijn – het betreft een van de meest wezenlijke overheidstaken – moet die financiering goed geregeld zijn.

Ik was het dan ook eens met de Adviescommissie Water die stelde dat er van een meer anticiperend waterveiligheidsbeleid pas echt sprake kan zijn als de financiën niet achteraf geregeld hoeven te worden. Voor mijn fractie is cruciaal dat de financiën zeker zijn gesteld en niet ieder jaar de veiligheidsbehoeften worden afgewogen tegen allerlei politieke luchtballonnetjes. Met de MIRT-benadering van collega Boelhouwer loop je toch weer het risico dat je waterveiligheidsprojecten laat concurreren met een lightrailverbinding of een stukje snelweg. Daar moeten wij juist vanaf. Daarom waren wij positief over de voorstellen voor het Deltafonds. De huidige kredietcrisis vormt het beste bewijs voor de noodzaak van een stevig Deltafonds. Financiering van de waterveiligheid mag absoluut niet afhankelijk worden van de economische conjunctuur. Het is de vraag of politici in tijden van economische crisis dit ook onverkort vasthouden. Juist daarom bepleit ik een onwrikbare financiering los van politieke kortetermijnprioriteit. Is dit niet bij uitstek gegarandeerd met het voorstel van de Deltacommissie? Los van het punt van de onwrikbare financiering vond ik het ook een heel aansprekende gedachte om de ondergrondse rijkdom, de aardgasbaten, om te zetten in bovengrondse veiligheid.

Financiën zijn buitengewoon belangrijk, maar natuurlijk ook een goede gereedschapskist die een integrale aanpak van de waterbelangen mogelijk maakt en de ruimtelijke doorwerking ervan waarborgt. Dit vergt heldere bestuurlijk-juridische kaders en een scherpe rolverdeling tussen de verschillende overheden. Wij zullen de wetgeving daarop natuurlijk nauwlettend volgen en beoordelen.

Ik maak in deze fase van de discussie nog een paar opmerkingen over de gebieden. Het kabinet sluit niet uit dat op termijn het waterpeil van het IJsselmeer met anderhalve meter wordt verhoogd. Dit heeft enorme implicaties, niet alleen voor de waterhuishouding, maar ook voor natuur, dorpsaanzichten en cultuurhistorie. Wij vinden dat deze voorstellen nog heel goed tegen het licht moet worden gehouden en dat moet worden bezien of er geen alternatieven denkbaar zijn. Is lozen onder vrij verval wel het meest wenselijke scenario? Is bovendien aangetoond dat als gevolg van een mogelijke klimaatverandering onze zoetwaterbehoefte anderhalve meter peilverhoging onvermijdbaar maakt? Die vragen staan voor ons nog open.

Wij stellen ook serieuze vragen over de mogelijke afbraak van de Oosterscheldekering. De consequenties voor de veiligheid in Zeeland moeten wel heel goed overwogen worden. Ook de consequenties van verzilting voor de landbouw en dergelijke zijn relevant. Problemen met de zoetwaterwinning zijn ook onontkoombaar als het voorstel inzake Krammer-Volkerak-Zoommeer worden doorgezet. Ook dat vergt een scherpe afweging.

Mijn laatste punt betreft de Deltaregisseur. Mijn fractie is meestal niet zo gecharmeerd van allerlei nieuwe instituten en personen die erbij moeten komen. Meestal kun je binnen de bestaande kaders de beschikbare instrumenten adequaat benutten. In dit geval vinden wij het echter overtuigend beargumenteerd dat het nuttig is om een Deltaregisseur te hebben die als secretaris van de ministeriële stuurgroep horizontaal en verticaal verbindt. Hij kan een nationale opgave vertalen naar regionale opgaven en ervoor zorgen dat de verschillende departementen met elkaar op één lijn komen. Die twee elementen lijken ons voldoende reden om het idee van een Deltaregisseur te steunen. Zijn bevoegdheden en de verantwoordelijkheden moeten helder verankerd worden. Hij moet van de nodige bestuurlijke doorzettingsmacht voorzien zijn en kunnen functioneren als oliemannetje: zorgen voor tijdige uitvoering, contacten tussen ministeries, voorkomen dat oplossingen in een bepaald gebied leiden tot problemen elders en dat soort zaken meer. Over de precieze vormgeving komen wij nog nader te spreken, want het zal duidelijk zijn dat ook de politieke verantwoordelijkheid volledig in tact moet blijven. De Deltaregisseur moet niet alle bevoegdheden rechtstreeks geattribueerd krijgen in wetgeving. Er kan ook sprake zijn van een delegatie- of mandaatconstructie, waarbij hij in ieder geval als persoon, als instelling effectief kan functioneren.

De heer Jansen (SP): Voorzitter. Het idee van een Deltacommissie was prima: een langetermijnvisie ontwikkelen op de waterveiligheid en dat combineren met andere maatschappelijke doelen, zoals ontwikkeling van de economie, ecologie, recreatie, allerlei zaken die je erbij kunt betrekken als je wat verder vooruitkijkt. Dat je daarbij rekening houdt met de klimaatontwikkeling op lange termijn, is ook evident. En dat je kiest voor degelijke financiering lijkt mij ook goed. Ik kan mij goed vinden in wat de heer Van der Staaij daar al over heeft gezegd.

Dat wil niet zeggen dat ik het eens ben met alle beleidsadviezen die de Deltacommissie geformuleerd heeft en die grotendeels zijn overgenomen door het kabinet. Het is nu nog niet het moment om heel uitgebreid posities in te nemen. Wij kunnen wel aangeven wat wij de sterkere en de zwakkere elementen vinden. Wij steken het komende halfjaar ons licht op in het land. Ik stel wel vraagtekens bij de planning. De kwaliteit moet vooropstaan. Het gaat om langetermijnbeleid, tot 2200 maar liefst, en wij vinden het dus niet zo erg als wij er in december op dat punt nog niet helemaal uit zijn.

Wat wij wel erg vinden en waarover nu een uitspraak willen doen, is het wegwerken van achterstallig onderhoud. Het is te schandalig voor woorden dat een kwart van onze waterkeringen, dijken en kustwerken, niet voldoet aan de Delta-eisen van 1960, 50 jaar geleden, en dat wij van een derde van de kustwerken nog niet weten of ze voldoen. Als wij de komende tien jaar nu gebruiken om die achterstand helemaal weg te werken en bij alle zaken die toch gebeuren gelijk nadenken over hoe wij kunnen anticiperen op de toekomst, dan hebben wij de komende tien jaar om de echte langetermijnmaatregelen te fine-tunen. Dat lijkt mij een redelijke periode om alle twijfels die er op dit moment zijn, weg te nemen.

De heer Koppejan (CDA): Ik steun uw pleidooi voor het naar voren halen en het inhalen van de achterstanden met betrekking tot onze waterveiligheid. Wij houden meer vergaderingen over water, onlangs nog over de Kaderrichtlijn Water. Daarin heb ik u allerlei pleidooien horen houden om zaken naar voren te halen en niet achter te lopen. Uiteindelijk is politiek keuzes maken. Ik leg u de volgende keuze voor. Als wij moeten kiezen tussen het versneld uitvoeren van de Kaderrichtlijn Water of het versneld op orde hebben van onze waterkeringen, waar ligt dan de keuze van de SP? Het CDA kiest duidelijk voor de waterveiligheid.

De heer Jansen (SP): Ik zie geen reden voor een keuze. De Deltacommissie zegt dat wij meer geld moeten uittrekken voor waterveiligheid: 1 mld. à 1,5 mld. voor de komende 50 jaar. Als wij nu eens beginnen met dat geld de komende tien jaar uit te trekken voor het versneld wegwerken van achterstallig onderhoud, dan hebben wij alle tijd om goed te kijken naar de langetermijnmaatregelen: IJsselmeer, Zuidwestelijke Delta, de dingen die structurerend grote effecten kunnen hebben. Dat lijkt mij verstandiger dan haastje-repje nu allerlei dingen doen waarvan je over vijf jaar misschien zegt dat ze toch niet zo goed waren. Die lijn kiest de SP-fractie.

Over de veiligheidsnormen is door een aantal mensen gevraagd of de verhoging met factor 10 niet te veel is en of dat niet nader onderbouwd moet worden. Ik ben er ook nog niet uit. Ik wil graag een reactie op de stelling van professor Vrijling die zegt dat de veiligheidsnorm helemaal niet met factor 10 omhoog gaat, omdat de Deltacommissie van 1960 uitging van een ontwerppeil van 1 op 10 000 en een ramppeil van 1 op 150 0000. De nieuwe Deltacommissie heeft eerst het oude ontwerppeil als ramppeil aangemerkt en daarna gezegd: dat gaan wij met een factor 10 verhogen. Zo kom je op ongeveer hetzelfde niveau uit als in 1960. Hoe zit het nu precies?

Een punt waar ik anders tegenaan kijk dan vorige sprekers, is het bouwen in de putjes van Nederland. De heer Boelhouwer zegt dat de problemen zijn opgelost als wij overal maar een dikke dijk omheen leggen. Dan is het zo veilig dat je lekker kunt doorgaan. Maar er waren toch meer argumenten waarom wij de afgelopen tien jaar gezegd hebben: niet bouwen in het putje van Nederland? Waterkwaliteit was bijvoorbeeld een heel belangrijk argument. Waarom zouden wij dan niet in die diepe putjes tot natuurontwikkeling overgaan, al dan niet in combinatie met waterbuffering, waarover de heer Van der Ham een aantal goede dingen zei. Je kunt daar zoetwatervoorraden aanleggen voor de droge perioden, in combinatie met natuurontwikkeling. Is dat geen verstandiger ontwikkeling? Het kabinet zegt dat lokale besturen zelf mogen bepalen wat zij doen. Kosten-batenanalyse; als ze daarbij fouten maken, dan moeten ze zelf op de blaren zitten. Dat is vragen om moeilijkheden. Wethouders en gedeputeerden zullen altijd kortetermijnzaken als woningbouw en bedrijventerreinen laten prevaleren. De langetermijneffecten en mogelijke negatieve effecten worden daarbij vergeten. Die merk je namelijk pas over 50 of 100 jaar.

De heer Koppejan (CDA): Begrijp ik goed dat de SP-fractie eigenlijk zegt dat de langetermijnbelangen niet in veilige handen zijn bij lokale bestuurders, maar alleen bij de Tweede Kamer?

De heer Jansen (SP): Als ik het even kort door de bocht formuleer, zeg ik «ja». Het hemd is namelijk nader dan de rok. Als ik wethouder ben in een gemeente in Zeeland en de mensen zeggen dat er een bedrijventerrein moet komen en dat er woningen moeten worden gebouwd, word ik daar op dat moment op afgerekend. De neiging zal dan bestaan om de langetermijneffecten ervan naar achteren te schuiven. Vaak concurreren gemeenten ook met elkaar, dat weet u net zo goed als ik. In zo’n situatie moet je lokale overheden beschermen tegen zichzelf door duidelijke algemene criteria te hanteren. Daarmee kan worden voorkomen dat er een race to the bottom ontstaat. Dat is nu naar mijn mening het geval.

De heer Koppejan (CDA): Het CDA heeft in elk geval meer vertrouwen in zijn lokale bestuurders.

De heer Jansen (SP): U hebt ook een heleboel van die lokale bestuurders. Dat zijn degenen die dat soort besluiten nemen. Ik snap dat dus wel.

Mevrouw Neppérus (VVD): Ik proef elke keer bij de partij van de heer Jansen – het onderwerp maakt eigenlijk niet zo veel uit – dat er niet zo veel vertrouwen bestaat in gemeenten en provincies. Misschien wordt dat wat anders als er meer SP-wethouders komen. Het Rijk heeft een rol, wellicht ook met die regisseur. Moeten wij er niet voor zorgen dat gemeenten daar beter over worden geïnformeerd, zodat die regisseur met hen kan samenwerken? De vraag is of wij ze niet lostrekken als wij het allemaal vanuit het Rijk regelen. Het lijkt mij van belang dat gemeenten in Zeeland en Zuid-Holland meedenken.

De heer Jansen (SP): Lokale autonomie is een groot goed, behalve in situaties waarin die leidt tot oneigenlijke concurrentie op gebieden waarop die uiteindelijk maatschappelijk ongewenst is. Ik noem bijvoorbeeld de grote winkels, de meubelboulevards. Wij hebben inmiddels 78 meubelboulevards in Nederland waarvan er ruim 50 een zieltogend bestaan leiden. Dat komt doordat de regie van het Rijk vijftien jaar geleden is opgeheven. Dat heeft dus tot deze shit geleid. Dat wilt u toch ook niet, mevrouw Neppérus? Hetzelfde dreigt nu te gebeuren op het gebied van het waterbeleid. De SP-fractie vindt dat erg dom.

De heer Boelhouwer (PvdA): Mijnheer Jansen, ik ben het op zich wel eens met uw opmerking dat andere afwegingen ook een rol spelen bij het bouwen in heel diepe polders. Ik heb alleen gezegd dat je van de veiligheidsdiscussie af bent als je niet-doorbreekbare dijken aanlegt. Die andere afwegingen blijven overeind staan. Het is overigens opmerkelijk dat als er bij een project ergens in Nederland die afweging goed wordt gemaakt, de SP daar toch genuanceerd anders over denkt. Ik denk hierbij aan de standpunten ten aanzien van bijvoorbeeld de Horstermeerpolder, waar de bodem van de polder inzakt. Teruggave aan het water is eigenlijk de enige optie. Het is altijd interessant om te horen hoe partijen daar lokaal en regionaal over denken. Dat is soms anders dan hier in de Kamer door diezelfde partijen wordt gezegd.

De heer Jansen (SP): Dat weet ik niet. Daar kunnen wij best een keer een goede boom over opzetten. Ik kan mij dat voorbeeld goed herinneren. Ik denk dat het ongeloofwaardig is om in bestaande situaties te ontpolderen als je aan de andere kant nieuwe problemen aan het creëren bent. Ik noem bijvoorbeeld de discussie die wij hebben gevoerd over de Westerschelde.

Wat ik heb gezegd over polders, geldt in wezen ook voor uiterwaarden. Als wij blijven toestaan dat daar in principe mag worden gebouwd, dreigen wij het probleem groter te maken. Er zijn allerlei mitsen en maren. Ik denk eerlijk gezegd dat ook in dit geval het hemd nader dan de rok is en dat er een zeer sterke druk bestaat om op deze aantrekkelijke locaties allerlei dingen te bouwen waar wij in de toekomst last van hebben. Dat gaat heel veel geld kosten, veel meer geld dan nu kan worden verdiend door die zaken in die uiterwaarden te doen.

Zandsuppletie aan de kust is op zich een heel voor de hand liggend instrument. Er wordt gewerkt met de natuur en zandsuppletie is relatief betaalbaar. Klopt het dat eigenlijk maar een heel klein deel van die strook van een kilometer zandsuppletie voor de kust echt nodig is voor veiligheid? Is het juist dat eigenlijk het grootste deel gewoon landwinning is? Als dat het geval is, moet het onderscheid tussen wat nodig is voor de veiligheid en de rest duidelijk worden gemaakt. Voor de rest moeten wij dan een afweging maken wat betreft de kosten en de baten en moeten wij ons afvragen of wij dat willen. De vraag is bijvoorbeeld ook of er mag worden gebouwd. De mensen die zich daar vestigen, krijgen immers als het straks echt mis gaat de grootste klappen. Gaan wij de schade die deze mensen daar lijden dan socialiseren? Die afweging zou ik graag apart in een rekensom gemaakt zien.

Wij zijn zeer kritisch over het advies van de Deltacommissie over de Zuidwestelijke Delta waar het gaat om de Westerschelde. Dat staat haaks op de aanpak die elders in Nederland wordt gekozen. Dat komt natuurlijk doordat er allerlei gevoelige relaties zijn met onze zuiderburen. Wij nemen toch aan dat ook voor de bevolking van Vlaanderen in het stroomgebied van de Westerschelde zaken als veiligheid, ecologie en recreatie belangrijk zijn. Alle zaken die voor ons belangrijk zijn, zijn dat voor hen ook. Is het logisch dat het straks mogelijk is dat containerschepen van 300 000 ton naar Antwerpen varen? Dat is ongeveer te vergelijken met het laten doorvaren van schepen over de Nieuwe Waterweg tot Schoonhoven en eisen dat de waterweg tot dat niveau wordt verdiept. Dat doet niemand in Nederland, omdat de trend is om de havens dichter bij zee te vestigen. Dat heeft allerlei grote voordelen. In België kan dat ook. De haven van Zeebrugge kan grote schepen ontvangen. Rotterdam en Antwerpen zouden kunnen samenwerken. Wat ons betreft is dat de strategische koers die moet worden gevaren. Daarmee kom je terecht op maatregelen in het Westerschelde-estuarium die uit het oogpunt van duurzaamheid beter zijn. Dan hoeft in elk geval niet te worden doorgegaan met de verdieping. Er kan eventueel een stormvloedkering worden aangelegd ergens ter hoogte van Walcheren. Ik vrees eerlijk gezegd dat er een grote kans is gemist door de Deltacommissie. Wat ons betreft, is dat zeker het geval. Dit zou het komende jaar gerepareerd moeten worden in een echte langetermijnvisie.

Wat eerdere sprekers al hebben gezegd over het IJsselmeer, sluit aan bij onze visie. Allerlei verstandige mensen hebben een aantal alternatieven genoemd, zoals een beperktere peilopzet voor het IJsselmeer en een kleinere peilopzet voor het Markermeer. Een aantal droogmakerijen alsnog gebruiken als waterbuffer in combinatie met natuurontwikkeling en recreatie kan soelaas bieden. Een andere mogelijkheid is extra spuisluizen, eventueel gecombineerd met pompen als de situatie echt ongunstig is. Dergelijke zaken moeten worden afgewogen. Wij zijn er helemaal niet van overtuigd dat het scenario dat nu als het ideaalbeeld wordt geschetst de enige optie is.

Ik heb een vraag over de motie-Polderman inzake de Noordzee. De SP-fractie constateert dat in de plannen van de regering deze motie heel halfslachtig wordt uitgevoerd. De bedoeling van de motie was heel duidelijk: er moet zo snel mogelijk een rijksbestemmingsplan komen voor de Noordzee, zodat er een heldere juridische titel ontstaat voor het toelaatbare gebruik. Daar hebben alle gebruikers van de Noordzee, zowel de economisch sterke als de economisch zwakke, belang bij. Het zou mij heel wat waard zijn als de staatssecretaris daar de komende maanden eens hard aan zou trekken.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Dat is een mooi bruggetje naar het onderwerp waar ik in dit overleg de nadruk op wil leggen. Wij hebben veel stukken gekregen en een nogal dik plan, waarvoor dank. Ik spreek mijn zorg uit over de benadering die het kabinet kiest en de zaken die het vooral niet uitspreekt en niet wenst te concretiseren, met name waar het gaat om de bescherming van de kwetsbare natuur in de Noordzee.

Op het kaartje is te zien dat het druk is met alle plannen die wij hebben voor de Noordzee. Het kabinet zegt wel keurig uit te gaan van de ecosysteembenadering, waarbij steeds een deugdelijke toets moet worden uitgevoerd op de economische activiteiten en de vraag wat de ecosystemen in de zee aankunnen. Vervolgens laat het kabinet het daar wel een beetje bij zitten. Er zijn mooie woorden en mooie kleurenfolders, maar er wordt voorbij gegaan aan de internationale verplichtingen die Nederland jaren geleden al heeft onderschreven. Mijn fractie mist in deze structuurvisie een goede definitie van de ecosysteembenadering, duidelijke keuzes en duidelijke ambities, zodat de mooie woorden kunnen worden omgezet in concreet beleid. Kan de staatssecretaris daar in algemene zin op reageren?

De plannen liggen nu voor, dus wij moeten concreet kunnen aangeven waar, in hoeverre en onder welke voorwaarden de economische gebruiksfuncties verenigbaar zijn met de doelstellingen voor het mariene ecosysteem. Wij hebben daar zorgen over. Er worden, zoals gezegd, mooie woorden gesproken over dat de ecosysteembenadering voorop staat. De definitie die het kabinet wil hanteren, is: een geïntegreerd beheer van menselijke activiteiten, gebaseerd op kennis van de dynamiek van het ecosysteem die tot doel moet hebben het duurzame gebruik van ecosystemen, producten en diensten en behoud van integriteit van het ecosysteem te realiseren. Er is een internationale definitie waar Nederland zijn handtekening onder heeft gezet. Daar staat nog een schuin gedrukt zinnetje bij. Het kabinet heeft dat welbewust weggelaten. Dat zinnetje is dat dit geïntegreerde beheer ertoe moet leiden dat als wij zien dat bepaalde invloeden nadelig uitpakken voor de mariene ecosystemen, daarop actie wordt ondernomen en dat die invloeden worden geëlimineerd. Dat het kabinet dat zinnetje heeft geschrapt terwijl die definitie al jaren internationaal is erkend, gaf ons een beetje buikpijn. Wij hebben in de schriftelijke voorbereiding gevraagd waarom het dat heeft gedaan. De staatssecretaris schreef dat dit niet de bedoeling was en dat het zinnetje alsnog toegevoegd zou worden. De vraag is hoe wij de concrete vertaling van de volledige ecosysteembenadering terugzien in het vervolg van de plannen.

In een interruptiedebatje met de heer Van der Ham wees ik er al op dat het kabinet de plannen voor de bescherming van de natuur op de lange baan schuift. Elf jaar geleden heeft Nederland zijn handtekening gezet onder het OSPAR-verdrag inzake de bescherming van het mariene milieu in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan. Daarin staat heel duidelijk dat de natuur op zee moet worden beschermd en dat wij in actie komen waar wij zien dat het fout gaat. In het Nederlandse deel van de Noordzee zijn er op grond van OSPAR en op basis van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn wel tien gebieden aan te wijzen die bescherming verdienen. Het kabinet wijst er slechts drie aan en gaat er naar eentje onderzoek doen. Dat had al gebeurd kunnen zijn. Onze stellige indruk is dat het kabinet dat vertraagt om nu met structuurvisies te kunnen komen die in ijzer en beton worden gegoten en vervolgens de bescherming van natuur over te laten aan een polderoverlegje tussen natuurbeschermingsorganisaties en mensen met economische belangen. Dat kan natuurlijk niet. Wij hebben de verplichting om de natuur beschermen. Wij hebben handtekeningen gezet onder verdragen die daartoe strekken. Het kabinet had die handelingen al moeten uitvoeren in het kader van de presentatie van de structuurvisie over de inrichting van de Noordzee, zodat wij duidelijke beleidskeuzes kunnen maken. Die keuzes missen wij. Daarom nodigen wij de staatssecretaris uit deze alsnog te concretiseren.

Wij zien bijvoorbeeld niet of er ambities zijn om de biodiversiteit in de Noordzee te herstellen. Gaan wij uit van behoud of moet het herstel worden? Dat is niet als beleidskeuze erkend. Wel is in de Beleidsnota Noordzee genoemd dat de implementatie van de Kaderrichtlijn Mariene Strategie het mogelijk moet maken dat herstel van de biodiversiteit van de gehele Noordzee optreedt. Hoe concreet en hoe hard is «mogelijk maken»? Wat is de ambitie van de staatssecretaris? Betekent dit ook dat in de aangemelde of aangewezen beschermde gebieden in het kader van de Vogel- en Habitatrichtlijn wordt gestreefd naar herstel van biodiversiteit en niet alleen maar naar beheer of behoud?

De effecten van economische activiteiten op de natuur zijn nauwelijks beschreven. Ook daar maakt mijn fractie zich zorgen over. Ook hier wordt wederom niet zichtbaar waar de belangen botsen en welke beleidskeuzen worden gemaakt. In het onderdeel over parken voor windenergie in het Nationaal Waterplan is erkend dat windmolens effecten kunnen hebben op het mariene zeemilieu, maar op de tekeningen overlappen de gebieden voor windparken wel potentiële Habitat richtlijngebieden, namelijk de Zeeuwse Banken en de Bruine Bank. Hetzelfde geldt voor het projecteren van zandwinning in de Zeeuwse Banken, een gebied met te beschermen zandbanken. Juist dit lijkt mij geen goede ruimtelijke planning, onder andere vanwege de risico’s van de wieken van windmolens voor langs de kust trekkende vogels of het gebruik van te beschermen zandbanken en hun bodemdieren als ophoogzand voor bijvoorbeeld het bouwrijp maken van een weiland.

Een ander pijnpunt wat betreft het ontbreken van concrete afwegingen van economische en ecologische belangen is de in het Nationaal Waterplan opgenomen ambitie voor CO2-opslag onder de zeebodem. Het betreft een pilot waarbij de mogelijke risico’s voor het mariene milieu in het geval van een lekkage van het opslagveld niet worden vermeld. Gisteren is door de BBC een onderzoek naar buiten gebracht – wij hadden daar al eerder signalen over ontvangen – waaruit blijkt dat de zeeën en oceanen verzuren als gevolg van CO2. Dat heeft desastreuze effecten op bijvoorbeeld de ontwikkeling van schelpdieren en dus op het hele voedselsysteem. Een van de concrete onderzoeksgebieden is een gebied waarin een onder de zeebodem gelegen vulkaan zorgt voor uitstoot van CO2 en een ernstige verzuring van het water. Mijn fractie is er niet gerust op dat bij de proefprojecten voor CO2-opslag die risico’s voldoende zijn afgedekt, zeker niet wanneer de natuurwaarden die wij zouden moeten willen beschermen niet concreet zijn beschreven in de plannen.

Kwetsbare waarden worden weer niet meegenomen in veel van de beloften van het kabinet om de ecosysteembenadering centraal te stellen. Wij zouden graag zien dat het plan wordt herschreven, zodat duidelijk wordt waar wij het kabinet op kunnen afrekenen.

De heer Jansen (SP): U stelde dat een windpark niet goed te combineren zou zijn met natuur. Bij mijn weten zijn er signalen dat dit een heel goede combinatie is. Er wordt in die gebieden immers niet gevaren en niet gevist. Daardoor is dat gebied relatief veilig voor onderwaterleven. Het zou dus een heel goede functiemenging kunnen zijn. Is dat geen aardige gedachte?

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik ben blij met die vraag, want ik merk dat ik de sanering van de visserijactiviteiten nog niet heb genoemd. Dat doe ik bij dezen. Het is een beetje een droevig verhaal. Wij hebben gekeken naar de kwaliteit van de biodiversiteit in de Noordzee. Wij hebben geconstateerd dat met name de visserij heeft gezorgd voor het omploegen van de bodem waardoor het bodemleven is geminimaliseerd. Uit onderzoek blijkt dat op de enkele plekken waar een windmolen staat, minimale natuurgebieden ontstaan.

De voorzitter: Ik verzoek u om de vraag van de heer Jansen te beantwoorden.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik wil even erkennen dat de heer Jansen hier een punt heeft. De enige beschermde natuurgebieden op zee op dit moment zijn de kleine ruimtes rondom een windmolen omdat vissers daar niet mogen komen. Dat effect geeft aan dat als je gebieden sluit voor visserij, dit leidt tot een direct herstel van de natuurwaarden. Dat neemt niet weg dat er op dit moment andere vragen onbeantwoord zijn, zoals die over het effect van de precieze locatie van de windmolens voor bijvoorbeeld vogels. Als die vragen niet zijn beantwoord, kunnen wij nog geen goede keuzes maken. Ik zie de mogelijkheden dus wel, maar ik denk dat er nog te veel vragen open zijn om op dit moment keuzes te kunnen maken. Ik verwacht dat in een structuurvisie die vragen worden beantwoord.

De heer Jansen (SP): Bij mijn weten is in het kader van MER-onderzoeken al uitputtend onderzoek gedaan naar de effecten van windmolenparken voor vogels. Vindt de PvdD-fractie niet ook dat het urgent is dat snel knopen worden doorgehakt over de locaties voor windparken? Dat moet uiteraard gebeuren in combinatie met een goede inpassing van de natuur in de Noordzee, bijvoorbeeld via een rijksbestemmingsplan. Bent u het met mij eens dat wij dit niet oeverloos moeten blijven onderzoeken en dat wij er niet over moeten blijven soebatten, maar dat wij snel knopen moeten doorhakken?

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik ben erg voor snelheid. Wij hebben de motie van de SP-fractie hierover gesteund. Het kabinet is aan het talmen. Dat is een feit waar wij tegenaan lopen. Dat mag er niet toe leiden dat wij onverantwoorde keuzes maken. Ik bevind mij in een duivels dilemma, dat geef ik toe. Verschillende effecten van de precieze locatiekeuze van windmolenparken zijn nog niet in kaart gebracht. Als wordt gekozen voor gebieden die op basis van natuurwaarden bescherming verdienen, vind ik dat het kabinet die snel in kaart moet brengen. Volgens mij kan dat ook. Zo lang hoeft dat onderzoek niet te duren. Als dat is onderzocht, weten wij direct wat de gevolgen zijn van bijvoorbeeld het heien voor de aanleg van windmolenparken voor de natuurwaarden die wij willen beschermen. Het kabinet moet met de beschermingsdoelstellingen komen, zodat wij snel kunnen schakelen.

De voorzitter: Ik heet de heren Koppejan en Vendrik, die wat later binnen zijn gekomen, van harte welkom. Ik zeg beiden dat een spreektijd van maximaal zeven minuten per woordvoerder is vastgesteld en dat iedere spreker in deze termijn twee interrupties heeft. De heer Koppejan heeft die al gebruikt. Ik geef hem nu het woord.

De heer Koppejan (CDA): Voorzitter. Mijn complimenten voor het nu voorliggende concept van het Nationaal Waterplan. Wij spreken onze waardering uit voor al degenen die hier de afgelopen tijd een bijdrage aan hebben geleverd. Het is een indrukwekkend stuk. Ik zal mij, net als mijn collega’s, beperken tot een aantal eerste voorlopige reacties op het concept-Nationaal Waterplan. Het plan moet immers nog de inspraak in en de Kamer heeft nog diverse werkbezoeken in de regio op de agenda staan.

Mijn eerste punt is de uitvoering van het advies van de Deltacommissie in relatie tot de noodzaak om in het kader van de bestrijding van de economische crisis investeringen naar voren te halen. De CDA-fractie hecht zeer aan een voortvarende aanpak van het vraagstuk rond waterveiligheid. Ook groene en blauwe investeringen, zoals de aanpak van de Zuidwestelijke Delta, bieden perspectief op zowel economisch rendement als winst voor de natuur. In hoeverre heeft de staatssecretaris geïnventariseerd welke projecten er in dit kader naar voren kunnen worden gehaald? Welke projecten zijn dit? Een aantal waterschappen wil versneld investeren in dijkversterkingsprojecten. Is de staatssecretaris bereid om hiervoor financiële middelen naar voren te halen, bijvoorbeeld voor het vergoeden van de rente van projecten die door de waterschappen worden voorgefinancierd? Daarmee zou ook het Hoogwaterbeschermingsprogramma versneld kunnen worden uitgevoerd.

Het valt ons op dat de besluitvorming over een aantal door de Deltacommissie voorgestelde projecten moet wachten tot 2015. Wij vinden dat te laat. Ik denk hierbij met name aan de mogelijkheid van zeewaartse kustuitbreiding en de gewenste peilstijging van het IJsselmeer. Dat laatste plan in combinatie tot het ontkoppelen van het Markermeer-IJmeer en het IJsselmeer leidt tot de nodige onrust en discussie in de gebieden rond het IJsselmeer. Wij vragen van de staatssecretaris om een goede voorbereiding van de discussie hierover, inclusief voldoende onderzoeksgegevens om tot een goede belangenafweging te komen. Kan zij aangeven hoe het besluitvormingstraject met betrekking tot peilverhoging van het IJsselmeer er de komende tijd uitziet? Wij hechten aan een zeer zorgvuldig besluitvormingstraject waar alle belanghebbenden goed bij worden betrokken. Tegelijkertijd mag de onzekerheid voor de burgers niet langer duren dan strikt noodzakelijk is. Definitieve besluitvorming in 2015 vinden wij daarom te laat. Ik hoor graag een reactie van de staatssecretaris hierop.

Ook in tijden van economische crisis gaan ontwikkelingen als klimaatverandering en zeespiegelstijging gewoon door. Wij waren daarom ook wat verbaasd dat in de beleidsnota Waterveiligheid, op pagina 43, wordt uitgegaan van een scenario voor de periode 2050–2100 waarin de zeespiegel slechts met 60 centimeter stijgt, daar waar de heer Veerman in zijn advies nog uitgaat van 65 tot 130 centimeter. Volgens deskundigen van de Universität Potsdam moeten wij zelfs rekening houden met een mogelijke stijging van 1,90 meter in 2100. Gaan wij nu al terugtrekkende bewegingen maken? De CDA-fractie vindt dat wij conform het advies van de commissie-Veerman ook voor de periode 2050–2100 op het ergste scenario voorbereid moeten zijn. Dat betekent dat wij daar tijdig in moeten investeren en tijdig geld voor moeten reserveren. Wij hebben namelijk ook een verantwoordelijkheid voor toekomstige generaties.

Ik hoor graag een laatste update van de uitwerking van het Deltaprogramma, de benoeming van de Deltaregisseur en de ontwerp-Deltawet inclusief een solide financiële basis.

De heer Jansen (SP): Ik probeer te begrijpen wat uw stelling inhoudt. Volgens mij was het nooit de bedoeling dat wij wat betreft de financiering op het worstcasescenario zouden gaan zitten. De commissie-Veerman zou het worstcasescenario evalueren om met name de ruimtelijke ontwikkelingen goed te kunnen inschatten. Er is echter toch niets mis mee om financieel uit te gaan van het meest waarschijnlijke scenario? Dat doen wij toch in allerlei in allerlei andere takken van sport ook?

De heer Koppejan (CDA): Ik bedoel dat mogelijkheden worden ingebouwd waarmee wij voorbereid zijn op het worstcasescenario. Mijn idee is dat de zaken dusdanig worden ontworpen dat als blijkt dat de scenario’s slechter zijn dan wij nu inschatten, snel kan worden geïnvesteerd. Ik bedoel bijvoorbeeld dat dijken zo worden aangelegd dat de hoogte voldoet aan de nu gehanteerde scenario’s, maar dat deze heel eenvoudig kunnen worden opgehoogd. Wij moeten vooruit denken en vooruit plannen. Er moet rekening worden gehouden met mogelijke ontwikkelingen. Dat betekent ook dat misschien nu iets meer moet worden geïnvesteerd om in een later stadium snel te kunnen upgraden.

De heer Jansen (SP): Lijkt het de CDA-fractie nu wel of niet logisch om bij de financiële ramingen uit te gaan van het meest waarschijnlijke scenario en in de ruimtelijke ontwikkeling rekening te houden met andere, slechtere, mogelijkheden? Of zegt u dat wij nu al zo veel geld moeten reserveren dat wij ook het worstcasescenario kunnen financieren?

De heer Koppejan (CDA): Ik vind dat wij inderdaad – dat is een heel actuele discussie – in onze overheidsfinanciën rekening moeten houden met toekomstscenario’s. Dat heeft te maken met het vergrijzingsvraagstuk, maar ook met klimaatvraagstuk. Voor beide moeten wij bereid zijn om te onderzoeken wat die kunnen betekenen voor toekomstige generaties. Wij moeten dus niet uitgaan van het gunstigste scenario, dat van 60 centimeter. Daarmee zouden wij ons zelf tekort kunnen doen volgens mij.

De heer Jansen (SP): Wat betreft de vergrijzing houdt de regering ook rekening met het meest waarschijnlijke scenario. Er is gekozen voor het meest waarschijnlijke demografische en economische scenario, niet voor het worstcasescenario. Dat zouden wij namelijk totaal niet kunnen betalen.

De heer Koppejan (CDA): In het rapport wordt op pagina 43 uitgegaan van een zeespiegelstijging van 60 centimeter. Ik vind een stijging van 60 centimeter wel de onderkant. Ik vind dat in de overheidsbegroting in de langetermijnfinanciering rekening moet worden gehouden met scenario’s waarin een veel grotere zeespiegelstijging wordt voorspeld.

De heer Vendrik (GroenLinks): Ik ben het volstrekt met u eens, mijnheer Koppejan. Het lijkt mij zeer verstandig om af te spreken wat u voorstelt. Het gaat om aanpassing aan een klimaatverandering die onvermijdelijk is. Als nu de wetenschappelijke inzichten zoals die vandaag de dag letterlijk opnieuw worden vastgesteld en worden besproken, impliceren dat de klimaatverandering zich veel harder, sneller en ingrijpender gaat voordoen, zou dan diezelfde redenering moeten opgaan voor al het beleid dat eigenlijk nodig is om klimaatverandering en de versnelling daarvan te voorkomen? Zouden wij daarbij niet dezelfde benadering moeten volgen? Die zie ik namelijk niet terug in het kabinetsbeleid en ook niet in de Europese inzet voor de klimaattop in Kopenhagen in december 2009. Is dat dan niet ook een logische consequentie van uw standpunt?

De heer Koppejan (CDA): U formuleert nu zo algemeen dat ik niet weet wat de consequentie ervan is als ik zeg dat ook daarmee rekening moet worden gehouden. Ik ben het eens met uw benadering. De waterveiligheid is een van de vraagstukken die te maken hebben met klimaatverandering. Zo zijn er ook andere vraagstukken, zoals die rond energie, die ook op de lange termijn moeten worden beschouwd. Dat is ook de benadering van mijn partij.

De heer Vendrik (GroenLinks): Ik begrijp dat wij dit niet eindeloos kunnen uitdiscussiëren, maar dit is wel de crux van het klimaatdebat voor de komende jaren. Dat is niet alleen het geval als wij gaan praten over adaptatieplannen binnen Nederland, maar juist ook over internationale mitigatie. De vraag is of wij inderdaad bereid zijn om de tering naar de nering te zetten. Als er nieuwe inzichten komen op weg naar Kopenhagen – die zullen, zo vrees is, aantonen dat de klimaatverandering veel harder en sneller gaat dan gedacht – moeten wij een eerlijk debat kunnen voeren over een veel hogere ambitie voor het programma Schoon en Zuinig, voor het Europese klimaatpakket en voor de inzet voor de onderhandelingen in Kopenhagen. Ik hoop dat u het komende jaar bij mij blijft, mijnheer Koppejan, ook als ik de debatten met mevrouw Spies ga voeren over dit onderwerp. Ik reken op u.

De heer Koppejan (CDA): Mevrouw Spies en ik verschillen op dit punt niet van mening. Ik denk dat wij op bepaalde punten een heel eind verder kunnen komen met elkaar.

Mevrouw Neppérus (VVD): U zegt dat er toch rekening moet worden gehouden met het worstcasescenario dat in het rapport is beschreven. Het lijkt mij goed om te bezien wat het meest waarschijnlijk is en waarover discussie bestaat. Het kan erger worden, maar er zijn ook wetenschappers die juist de andere kant op kijken. Is het logisch om nu al met het worstcasescenario alles helemaal in de tijd vast te prikken? Is het niet logischer om de ontwikkelingen te volgen? Er moet geld worden gereserveerd. Daarom gaan wij met dat fonds aan de slag. Is het niet verstandiger om te kijken hoe de zaken zich in de werkelijkheid ontwikkelen in plaats van ons helemaal vast te pinnen op het ergste dat mogelijk kan gebeuren? Ben je dan ook niet een beetje bang aan het maken?

De heer Koppejan (CDA): Misschien moet ik even een misverstand uit de wereld hebben. Wat betreft het worstcasescenario vind ik dat wij met er name in het ontwerp van bijvoorbeeld dijken rekening mee moeten houden dat wij kunnen anticiperen als de ergste scenario’s realistisch worden. Ik zeg dus niet dat wij er bij onze investeringen bij voorbaat vanuit moeten gaan dat het worstcasescenario werkelijkheid wordt. Wij moeten flexibel kunnen reageren. Wij moeten ons nu niet al vastleggen op het worstcasescenario, maar wij moeten er wel op voorbereid zijn. Dat is mijn stelling.

De voorzitter: Gaat u verder, mijnheer Koppejan. U hebt nog drie minuten.

De heer Koppejan (CDA): Dat kan bijna niet, want het waren allemaal interrupties.

De voorzitter: Bij de interrupties stond de klok gewoon stil.

De heer Koppejan (CDA): Ik kom nu op de Beleidsnota Noordzee. Niet alleen op het land, maar ook op zee is sprake van toenemende ruimteclaims. Wij maken ons zorgen over de verdere inperking van visserijgebieden door andere gebruiksfuncties als windenergieparken, havenuitbreidingen en beschermde zones in het kader van Natura 2000. Wij maken ons ook zorgen over de gevolgen daarvan voor de zeescheepvaart. De CDA-fractie is voorstander van multifunctioneel ruimtegebruik. Ik krijg graag van de staatssecretaris de toezegging dat er geen windturbineparken worden gerealiseerd zonder dat de mogelijkheden voor medegebruik voor visserij, MZI’s, aquacultuur, recreatie en andere vormen van duurzame energieproductie zijn onderzocht. Ook willen wij de garantie dat de aanleg van windmolenparken in zee de zeescheepvaart niet belemmert.

Mijn volgende punt betreft waterkwaliteit, ecologie en economie. Wij missen in het Nationaal Waterplan de aandacht voor de kleine wateren en de Hollandse boerensloot.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Wat betreft de Noordzee heb ik op de valreep aangegeven dat ik zonering voor visserijgebieden in het Nationaal Waterplan beschouw als een van de te maken beleidskeuzes om de biodiversiteit te kunnen herstellen en visbestanden de kans te geven om weer op een normaal niveau te komen. Wij hebben allemaal kunnen lezen dat het voor bepaalde vissoorten zeker 60 jaar gaat duren voordat het bestand weer op peil is. U kent de opvatting van de PvdD dat natuur een intrinsieke waarde heeft. Met rust laten heeft dus in veel gevallen onze voorkeur. De natuur op de Noordzee is ook de basis voor economisch gebruik als visserij. Daarvoor is een ecosysteembenadering belangrijk. Wat je er eenmaal uit hebt gehaald en echt hebt uitgeput, komt immers niet meer terug. Op welke wijze wil de CDA-fractie dat economische gebruik veiligstellen? Dat is niet mijn eerste inzet, maar ik meen wel de uwe. Je kunt toch niet doen alsof je maar kunt blijven vissen en dat wij vervolgens over 50 jaar nog de zelfde hoeveelheid vis kunnen eten als wij nu doen?

De heer Koppejan (CDA): Met dat laatste punt ben ik het eens, mevrouw Ouwehand. Daarvoor hebben wij een Europees visserijbeleid. Dat beleid gaat ook vruchten afwerpen. Wij zien dat de vangstquota voor schol en tong omhoog konden doordat de visbestanden zich hebben hersteld. Dat moet uiteindelijk ook het beleid zijn: monitoren hoe het gaat met zowel de natuur en de visbestanden en het beleid vaststellen op basis daarvan. Als het nodig is – wij hebben gisteren gesproken over het aalbestand en de ontwikkeling van de aal, waarmee het heel slecht gaat– moet de overheid durven ingrijpen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Het Europees visserijbeleid heeft ertoe geleid dat 88% van de Europese visgronden is overbevist, dus ik begrijp niet waar die positieve instelling vandaan komt. Mariene biologen geven aan dat een sluiting van zeegebieden cruciaal is voor herstel van de visbestanden. Ik hoor u niet vragen om dat soort beleidskeuzes in dit plan. Sterker nog, ik hoor u vragen of de hele Noordzee open kan worden gehouden voor visserij.

De heer Koppejan (CDA): Mijn benadering is inderdaad anders dan de uwe. Ik geloof niet in het sluiten van gebieden. Ik geloof in het monitoren van visbestanden het vaststellen van het beleid op basis daarvan.

Is de staatssecretaris het eens met de CDA-fractie dat de wijze waarop de huidige verontreinigingsheffing op reeds gezuiverd water een rem vormt op innovatieve samenwerkingsprojecten tussen waterschappen en bedrijven, zoals dat het geval is met Dow in Terneuzen? Mogen wij het antwoord op vraag 17 van de feitelijke vragen zo lezen dat de staatssecretaris in de loop van 2009 met voorstellen komt voor het verlagen of eventueel afschaffen van de verontreinigingsheffing op reeds gezuiverd water?

In de nota is een maximale watertemperatuur opgenomen van 25° C voor regionale wateren. Kan de staatssecretaris garanderen dat met deze nu voorgestelde waarde de voedingsmiddelenindustrie aan de Zaan niet in de problemen komt? Of is het juist de bedoeling van de staatssecretaris dat deze en andere industrieën van dit soort regionale wateren wegtrekken? Daarnaast zouden wij in het kader van duurzame energie en warmte-koudewinning willen pleiten voor meer experimenteerruimte waardoor soms iets warmer water mag worden geloosd.

Een belangrijk principe van het Nationaal Waterplan in het kader van het duurzaam maken van Nederland, is meebewegen waar het kan en weerstand bieden waar het moet. Hoe ziet de staatssecretaris het meebewegen met natuurlijke processen voor zich en wat betekent dit voor de bestaande functies en gebruikers in een bepaald gebied? De CDA-fractie constateert dat bewoners van polders hechten aan het behoud van het agrarische cultuurlandschap. In diverse delen van Nederland bestaat grote weerstand tegen plannen om in deze polders moerassen, meren of andere vormen van nieuwe natuur te creëren. De oorspronkelijke bewoners vinden dat hun natuurlijke leefomgeving daarmee wordt vernietigd. Wat is de visie van de staatssecretaris op dit soort ontwikkelingen?

In het Nationaal Waterplan staat dat de waterkeringen in de komende planperiode op orde worden gebracht en dat daarnaast wordt bezien hoe het veiligheidsniveau kan worden verhoogd. Hoe wordt de huidige achterstand ten aanzien van het op orde brengen van de waterkeringen weggewerkt? Op welke manier wordt in de huidige uitvoeringsprogramma’s voor de kustverdediging en rivieren reeds rekening gehouden met het advies van de Deltacommissie?

Op grond van de huidige inzichten is de financiële dekking voor de circa 100 projecten uit het Hoogwaterbeschermingsprogramma rond. In 2010 is de derde toetsingsronde gereed. Daaruit volgen nieuwe dijkversterkingsprojecten. Voor deze nieuwe ronde dijkversterkingen zijn geen financiële middelen gereserveerd. Wanneer kan de staatssecretaris hierover uitsluitsel geven? Is het niet nodig om in de volgende begroting van Verkeer en Waterstaat hiervoor een reservering op te nemen?

De heer Van der Ham (D66): U hebt gesproken over natuur, maar vooral dat die moet wijken voor de economie. U hebt bijvoorbeeld iets gezegd over Dow. Kunt u voor mij samenvatten wat u nu precies aan groene ideeën hebt over het Nationaal Waterplan? Over alles wat daarmee te maken had, was u vooral heel kritisch. Help mij een beetje.

De heer Koppejan (CDA): Het is toch wat jammer dat u mij wat minder volgt, mijnheer Van der Ham. Als u dat had gedaan, had u geweten dat juist de CDA-fractie moties heeft ingediend om de aanpak van de Zuidwestelijke Delta te versnellen. Dat onderwerp heb ik hier ook ter sprake gebracht. Daarbij gaat het juist om het weer gezond maken van de wateren, het bestrijden van blauwalg. Het gaat dus om de natuur. Ik heb in het verleden ook al een pleidooi gehouden voor het aanpakken van de zandhonger. Natuur en economie gaan zo veel mogelijk samen, wat de CDA-fractie betreft. Daar waar extra investeringen in natuur nodig zijn, zijn wij daar absoluut voor.

De heer Vendrik (GroenLinks): Voorzitter. Mijn excuses dat ik wat later binnenkwam. Ik zat klem in een debat met een ander deel van het kabinet over voorkomen van klimaatverandering. Dat moest de Kamer deze keer voeren met de bewindslieden van de buitenlandse zaken en dat valt niet mee, kan ik melden. Het ging daar ook – dat is buitengewoon interessant en relevant voor het debat hier – over de vraag wat de Europese Unie op weg naar Kopenhagen nu met zichzelf moet afspreken over de inzet ten aanzien van ontwikkelingslanden om hen te helpen aanpassingsmaatregelen te nemen voor onvermijdelijke klimaatverandering.

Toen ik het rapport van de commissie-Veerman en de kabinetsreactie daarop in twee delen las, dacht ik: wat hebben wij ontzettend veel geluk, want wij hebben geld en wij hebben kennis. Er zijn tientallen landen en miljoenen bewoners wereldwijd die een van beide of beide niet hebben. Die zien een onvermijdelijk proces van klimaatverandering op zich afstormen en weten bij god niet wat zij daaraan moeten doen. Als zij het wel weten, hebben zij geen geld. Vaak is het echter een combinatie van beide. Het is dus cruciaal dat Nederland en de Europese Unie, het rijke Westen dat historisch verantwoordelijk is voor het proces van klimaatverandering dat zich nu aan het voltrekken is, een structureel aanbod op tafel leggen, om te beginnen geld en daarna ook kennis. De tientallen landen wereldwijd die nauwelijks mogelijkheden hebben om een commissie-Veerman aan het werk te zetten, laat staan de plannen daarvan uit te voeren, moeten worden geholpen om zich wel aan te passen. Als wij dat niet doen, zijn de rapen gaar in alle denkbare opzichten. Wij hebben er zelf ook belang bij om een substantieel bod te doen op weg naar Kopenhagen 2009.

In het kleine Nederland hebben wij het volgens mij niet heel slecht geregeld. Mijn fractie was blij met het rapport van de commissie-Veerman en volgens mij was het kabinet dat ook. Op dat punt zijn wij het dus wel eens met elkaar, dat is mooi. Er zijn nog wel enkele punten om met de staatssecretaris te bespreken. Er is een groep internationale klimaatwetenschappers, deels van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC), die in het kader van Kopenhagen meehelpt met het verversen van de wetenschappelijke inzichten omtrent de snelheid van de klimaatverandering. Je zag het al van kilometers ver aankomen: die berichten worden somberder en ernstiger. De vraag wat deze berichten zouden moeten betekenen voor de onderhandelingen in Kopenhagen, levert nog een hele puzzel op. Deze ontwikkeling heeft onmiddellijke relevantie voor wat wij hier bespreken.

Ik vraag het kabinet, met de heer Koppejan, om uit te gaan van nog somberdere scenario’s dan waar de heer Veerman en de zijnen indertijd vanuit zijn gegaan op basis van het KNMI-scenario plus een oploopje, dus die 1,30 meter. Het zou echt meer kunnen zijn. Misschien moeten wij de mogelijkheid onderzoeken dat het zelfs niet bij 1,90 meter blijft. Komende zomer presenteert de minister van VROM op verzoek van de Kamer met een aantal extremere scenario’s voor klimaatverandering. Wellicht moeten wij laten doorrekenen wat deze betekenen voor adaptatiemaatregelen die in Nederland moeten worden genomen. Het lijkt mij uitermate relevant om beleid te ontwikkelen waarvan het no-regretgehalte zo hoog mogelijk is en dat het mogelijk maakt om«relatief eenvoudig» aanvullende maatregelen te nemen. Bestuurlijk, budgettair en ook mentaal moet de deur open staan voor de mogelijkheid dat dit gebeurt. Dat lijkt mij relevant voor het aanpakken van de klimaatverandering en de gevolgen daarvan voor Nederland.

Het hoofdpunt van het kabinet, namelijk dat wij ons hierop moeten voorbereiden, steunen wij. Klimaatverandering zit gelukkig, of misschien helaas, tussen de oren. Het is toch ook gelukkig dat dit het geval is, want wij moeten er iets aan doen. Het uitgangspunt dat de staatssecretaris kiest, namelijk zo veel mogelijk meebewegen met natuurlijke processen als het kan en weerstand bieden als het moet, onderschrijven wij volledig.

Er is een discussie ontstaan over het IJsselmeer. Ik neem aan dat dit al aan de orde is geweest toen ik er nog niet was. Ik hoor dat dit al heel breed aan de orde is geweest, dus dan kan ik aansluiten bij alle vragen die erover zijn gesteld. De commissie-Veerman is er heel beslist over dat het waterpeil in het IJsselmeer met anderhalve meter moet worden verhoogd. Dat gaan wij erbij plempen in het IJsselmeer. Klopt mijn taxatie dat dit idee voor een deel is ontstaan om het onvermijdelijke proces van verzilting, dat een hogere zeespiegel met zich meebrengt, zo veel mogelijk buiten de deur te houden? Gaan wij nu op een heel ingewikkelde manier moderne landbouwpolitiek bedrijven? Of zie ik dat verkeerd? Waarom is die stijging van het waterpeil natuurlijk? Het verhogen van het peil in het IJsselmeer met pak ’m beet anderhalve meter heeft immers gigantische consequenties voor de gebieden erom heen. Het legt volgens mij ook een enorm beslag op de investeringsagenda. Ik heb begrepen dat de staatssecretaris hier nader onderzoek naar laat doen. Dat lijkt mij sowieso verstandig. Het lijkt mij dat deze aanbeveling van de commissie-Veerman met de nodige terughoudendheid moet worden benaderd. Wij zijn er nog niet aan toe om die politieke keuze te maken.

De heer Van der Staaij (SGP): De vraagt rijst wel hoe dit zich verhoudt tot wat u aan het begin van uw betoog zei, namelijk dat u bang bent dat het worstcasescenario nog te optimistisch is en dat wij nog van veel ergere scenario’s moeten uitgaan. Moeten er dan eigenlijk niet veel ingrijpender dingen gebeuren, of moet daar in elk geval rekening mee worden gehouden, in uw visie?

De heer Vendrik (GroenLinks): Het nemen van adequate maatregelen tegen extreme vormen van klimaatverandering is iets anders dan er nu met voorrang voor kiezen om het peil van het IJsselmeer drastisch te verhogen. Dat is een discussie. Die zaken horen niet een op een bij elkaar. Ik sluit zo’n verhoging van het waterpeil niet uit. Het kabinet lijkt daar al voor te kiezen. Daar ben ik kritisch over. Het kabinet gaat bovendien nog uit van relatief milde vormen van klimaatverandering en zeespiegelstijging, zelfs dan komt het al met die maatregel. Dit is wat mij betreft een optie die wij wat meer naar achteren moeten schuiven. Het is in elk geval een optie die veel vragen oproept. U hebt op zich gelijk. Als aannemelijk is dat de klimaatverandering een veel extremere vorm gaat aannamen en komende jaren zou onomstotelijk bewezen worden, bijvoorbeeld in IPCC-verband, dat wij rekening moeten houden met een veel hogere zeespiegelstijging, is het evident dat wij ergens naartoe moeten met dat water. Wellicht komt dan dit soort opties weer op tafel. Onder de huidige omstandigheden en met de uitgangspunten die het kabinet kiest, vind ik deze maatregel die nu in studie wordt genomen echter dubieus.

De heer Van der Staaij (SGP): Begrijp ik goed dat als het op de concretisering aankomt, u zegt dat wij het maar niet aannemelijk moeten achten dat het allemaal nog extremer is dan waar de commissie-Veerman nu vanuit gaat? Vindt u dan ook dat wij op die manier moeten redeneren?

De heer Vendrik (GroenLinks): Laten wij niet de suggestie wekken dat het IJsselmeer ons moet redden bij extremere vormen van klimaatverandering. Daar is veel meer voor nodig, dat zult u met mij eens zijn. Ik snap uw punt. Het kan inderdaad zijn dat een veel heftigere agenda nodig is dan de commissie-Veerman voorstelt, inclusief die wat betreft het IJsselmeer en alles wat daarbij hoort. Daar ben ik benieuwd naar. Ik vind dat het kabinet zich moet voorbereiden op een extremere klimaatverandering. Als die extremere klimaatverandering zich voordoet, komen de politieke keuzes van vandaag weer in een nieuw daglicht te staan.

Het kabinet lijkt al overstag te zijn gegaan wat betreft bouwen in het IJmeer. Dat lijkt ons voorbarig. Volgens mij is Almere er nog niet uit, moet Duivesteijn nog kiezen. Het is bovendien niet echt handig, omdat het IJmeer een Natura 2000-gebied is. Dat is wat ons betreft een heel lovenswaardige status. Het gebied moet die houden. Ik hoor hier graag uitleg over.

Ik neem aan dat mevrouw Ouwehand al is ingegaan de Noordzee en de ecosysteembenadering. Als dat het geval is, sluit ik mij kortheidshalve daar volledig bij aan. Wat ons betreft wordt een deel van de Noordzee gesloten voor ecologieverstorende activiteiten. Daar is nu alle reden en ruimte voor. Ik vraag de staatssecretaris daarop te reageren.

Het debat over windenergie op zee loopt al jaren. Wij hebben al in 2002 de minister van Economische Zaken gevraagd met grote spoed een aantal gebieden aan te wijzen. Dat kan ook. Alle maatschappelijke organisaties hebben dat ook al gevraagd. Wij zitten echt te wachten op spoedige actie. Dus staatssecretaris, voor de zoveelste keer het verzoek: wijs die gebieden aan en ga als een haas die vergunningen uitgeven. Zorg ervoor dat alle exploitanten die wachten op uw vergunning, die zij nodig hebben om naar de bank te kunnen en subsidie te kunnen aanvragen bij de minister van EZ, de schop in de zee kunnen gooien en aan de slag kunnen.

De voorzitter: Ik schors de vergadering voor circa een halfuur, zodat iedereen een hapje kan eten.

Antwoord van de staatssecretaris

De voorzitter: Per fractie zijn maximaal twee interrupties toegestaan.

Staatssecretaris Huizinga-Heringa: Voorzitter. Veel sprekers hebben terecht opgemerkt dat het Nationaal Waterplan zeer belangrijk is. Het gaat over de veiligheid van en de leefbaarheid in ons land nu en in de toekomst. Ik stel het buitengewoon op prijs dat de Kamer al tijdens de inspraakfase van het ontwerp met mij hierover van gedachten wil wisselen. Mijn belangrijkste boodschap in dit ontwerp Nationaal Waterplan is dat er met de klimaatverandering grote opgaven liggen op het gebied van water. Ik wil ervoor zorgen dat Nederland beveiligd blijft tegen overstromingen en dat er een goede zoetwatervoorziening blijft. Onze inzet op dat terrein biedt kansen voor versterking van de economie en de ecologie.

Het karakter van ons land wordt voor een belangrijk deel door het water bepaald. Internationaal staan wij ook bekend als «Nederland waterland». Door nu te investeren in duurzaam waterbeheer en te anticiperen op de zeespiegelstijging en grotere rivierafvoeren, kunnen wij helpen om een goed fundament te leggen waarop volgende generaties verder kunnen bouwen. Om die reden heb ik besloten om de Deltacommissie in te stellen, beter bekend als de commissie-Veerman. Deze commissie adviseert het kabinet over de veiligheid op zeer lange termijn; een wat apolitieke kwestie. Wie gaat er nu na hoe ons land er over honderd jaar uitziet? Maar als het om zo iets belangrijks als water gaat, moet dit wel gebeuren.

Met de adviezen van de commissie moeten wij voortvarend aan de slag. Wij moeten ervoor zorgen dat de aandacht voor de wateropgaven op lange termijn gewaarborgd blijft. Daarom wordt er nog dit jaar de Deltawet naar de Kamer gestuurd. Bij de voortgang van dit wetsvoorstel liggen wij op schema. Daarom komt er ook een Deltaregisseur. Ik was blij te horen dat zelfs de fractie van de SGP, die normaal gesproken geen voorstander is van dergelijke nieuwe instituties, onderschrijft dat die regisseur belangrijk werk kan doen. Deze regisseur is in staat om zowel horizontaal als verticaal te werken, om zaken vlot te trekken en om het tempo erin te houden als het nodig is. Bovendien is de solide financiering van groot belang, maar daar kom ik later op terug.

Ik ga eerst in op de vragen die door alle woordvoerders zijn gesteld. In het Nationaal Waterplan gebruik ik de KNMI-voorspellingen tot 2050. Ik ga echter verder en voor de periode daarna gebruik ik het scenario van de Deltacommissie om te bepalen wat er in het meest extreme geval nodig is, een soort worst case scenario. Dat is helemaal geen gekke benadering. Als je je echt goed op iets wilt voorbereiden, kun je niet alleen uitgaan van een gematigd scenario. Je moet ook weten wat er in het ergste geval kan gebeuren. Daar moet je op voorbereid zijn. Dat doen wij met het scenario van de Deltacommissie. Vervolgens wordt natuurlijk bezien hoe wij de noodzakelijke maatregelen moeten nemen. Op korte termijn toetsen wij of de maatregelen flexibel en robuust genoeg zijn voor de lange termijn.

Dat betekent niet dat er nu te veel geïnvesteerd wordt. Ik geef een voorbeeld van de flexibiliteit waar ik op doel. De Afsluitdijk moet worden aangepakt om hem «Veermanproof» te maken. De dijk moet dus voldoen aan het worst case scenario. Ik ga ook na wat het kost als de dijk volgens het scenario van het KNMI wordt aangepakt. Als blijkt dat er niet genoeg geld bij elkaar gebracht kan worden om de Afsluitdijk te verhogen volgens het worst case scenario, kan ik besluiten om de dijk aan te pakken volgens het scenario dat geldt tot 2050. Dan weten wij dat wij er rond die tijd opnieuw naar moeten kijken als het worst case scenario werkelijkheid wordt. Deze beslissing nemen wij nu. Het is ook mogelijk dat de kosten zodanig zijn dat er meteen al rekening gehouden kan worden met het worst case scenario. Dan weten wij dat wij goed zitten met de Afsluitdijk, ook in het ergste geval. Dat is een flexibele aanpak waarbij er sprake is van adaptatie.

Het IJsselmeer is een vergelijkbaar voorbeeld. Er is gevraagd of in 2015 wordt besloten of het peil van het IJsselmeer met 1,5 meter verhoogd moet worden. Dat gebeurt niet. Tot 2015 wordt bezien of de richting die Veerman aangeeft een juiste is. Is het een oplossing voor de problemen met de zoetwatervoorziening en met de veiligheid om het IJsselmeer als grote zoetwaterbuffer te gebruiken? Is dat überhaupt mogelijk? In 2015 wordt besloten of dit een goede oplossing is. Er wordt pas tot het daadwerkelijk verhogen van het peil besloten als het klimaat daar aanleiding toe geeft, dus als de zeespiegelstijging daar aanleiding toe geeft. Er wordt dus nog heel goed naar gekeken. Alle deskundigheid wordt ingezet om een oordeel te geven over het gebruik van het IJsselmeer als zoetwaterbuffer. Er is een agenda opgesteld van zeven samenwerkende kennisinstituten, waaronder Alterra en Deltares, met een inventarisatie van de opgaven die onderzocht moeten worden. De Raad voor Verkeer en Waterstaat is er behoorlijk tevreden over dat wij daar op die manier flexibel en adaptief mee omgaan.

Mevrouw Neppérus (VVD): Het is positief dat de staatssecretaris hier flexibel mee bezig is, maar in de stukken is dat niet echt terug te vinden, ook niet wat betreft de financiering. Daarin lijkt het te gaan om keuzen voor de ergste scenario’s. Het is goed dat er steeds wordt nagegaan wat de stand van zaken is, maar in de uitgangspunten wil ik meer terugzien van de flexibiliteit.

Staatssecretaris Huizinga-Heringa: Op de financiering kom ik later terug. Ik wil niet dat wij stapje voor stapje maatregelen nemen waardoor wij steeds achter de feiten aanhollen. Dan kan je tien of twintig jaar later moeten constateren dat je dingen gedaan hebt die toch niet handig waren omdat het inmiddels zo veel erger is geworden dat het anders aangepakt had moeten worden. Wij betrekken het worst case scenario van de commissie-Veerman erbij. De heer Vendrik heeft erop gewezen dat er al weer nieuwe worst case scenario’s zijn. De inzichten veranderen continu. Wij gaan uit van het worst case scenario van Veerman. Als dat waarheid wordt, welke maatregelen moeten wij dan nemen om over honderd jaar in een veilig land te wonen? Vervolgens gaan wij terugrekenen. Ik heb zojuist het voorbeeld gegeven van de Afsluitdijk. Misschien kunnen wij nu al met weinig extra kosten rekening houden met het worst case scenario, maar het kan ook dat de kosten zo hoog zijn dat wij eerst het scenario tot 2050 als uitgangspunt nemen. Wij weten dan dat de zaak in 2050 mogelijk opnieuw moet worden bezien. Dat is een afweging. Vervolgens bekijken wij of de oplossingsrichting die Veerman aangeeft, houdbaar is. Wij gaan dat na. Is het inderdaad een oplossing om van het IJsselmeer een zoetwaterbuffer te maken? Er is gesproken over een second opinion, maar wij gaan onderzoeken of dat een begaanbare weg is. Als wij daar uit zijn, dan kunnen wij bezien welke maatregelen in gang gezet moeten worden op grond van de klimaatontwikkelingen.

Er komt elke zes jaar een nieuw Waterplan. Elk zes jaar kan er een herijking plaatsvinden. Hoe ontwikkelt het klimaat zich? Gaat het langzamer dan verwacht of juist sneller waardoor er eerder maatregelen genomen moeten worden? Flexibiliteit is onderdeel van de opzet en komt tot uiting in het om de zes jaar uitbrengen van een Waterplan. Wij proberen daarmee te voorkomen dat wij nu dingen doen waarvan wij later spijt krijgen.

De heer Jansen (SP): Hoeveel ruimte is er voor het bekijken van alternatieven voor het IJsselmeer als zoetwaterbuffer? Sommige alternatieven wijken marginaal af van het plan van Veerman, maar er zijn ook veel radicalere alternatieven. Boorsma heeft bijvoorbeeld een andere oplossing voor het IJsselmeer in relatie tot de zuidwestelijke delta. Hoeveel ruimte is er in de zes jaar tot 2015 om die alternatieven af te wegen? Het is voor de Kamer van belang dat de wezenlijke keuze nader onderbouwd wordt.

Staatssecretaris Huizinga-Heringa: De commissie-Veerman heeft deze aanbeveling gedaan. Natuurlijk gaan wij dat onderzoeken, maar het zou raar zijn om het werk van Veerman over te doen door weer bij nul te beginnen. Veel deskundigen hebben hiernaar gekeken, dus niet alleen de heer Veerman, en zij doen deze aanbeveling. Dan is het logisch dat eerst wordt bezien of dat een begaanbare weg is. Op het moment dat blijkt dat er heel veel vraagtekens, voetangels en klemmen zijn, moet je naar alternatieven kijken. Dan komen ook andere mogelijkheden in beeld. Als echter blijkt dat het IJsselmeer als zoetwaterbuffer een goede en houdbare oplossing is, dan gaan wij op dat spoor verder.

De heer Jansen (SP): Kunnen wij het komende halfjaar helderheid krijgen over de bandbreedte? Er zijn vandaag veel suggesties gedaan. Het lijkt mij zinnig om die ten minste te verkennen.

Staatssecretaris Huizinga-Heringa: Daar zal ik schriftelijk nader op ingaan.

De voorzitter: U kunt tijdens uw werkbezoeken bepaalde zaken inventariseren die daarbij mee kunnen wegen.

De heer Koppejan (CDA): Ik ben het met de staatssecretaris eens dat zorgvuldigheid zeer belangrijk is en dat meer onderzoek nodig is. Ik vraag mij alleen af of daar zes jaar voor nodig is. Dan blijft een peilverhoging van 1,5 meter zes jaar boven de markt hangen en dat zorgt voor onrust bij de bewoners van dit gebied. Is het niet mogelijk om op dat punt sneller duidelijkheid te geven of om wellicht de marges wat te verkleinen? Het gaat mij erom dat de bevolking in een eerder stadium helderheid wordt geboden.

Staatssecretaris Huizinga-Heringa: Ik ben het met u eens dat dit veel onrust geeft. Zes jaar is een lange tijd. Daar staat tegenover dat wij zeer zorgvuldig moeten zijn. Wanneer snel duidelijk wordt dat wij op het goede spoor zitten of dat het juist geen goede optie is, zullen wij daar zo veel eerder als mogelijk helderheid over geven. Wij gaan niet langzaamaan doen omdat wij tot 2015 de tijd hebben. Het zijn echter ingewikkelde vraagstukken waarbij je niet over één nacht ijs kunt gaan. Er zal altijd enige onrust onder de bevolking zijn. Ook als besloten wordt dat het IJsselmeer een zoetwaterbuffer moet worden, dan weten wij nog niet hoe het klimaat zich ontwikkelt. Misschien is een peilverhoging van 1,5 meter nooit nodig. Dat is de onzekerheid die de klimaatverandering met zich brengt.

De heer Boelhouwer (PvdA): Ik mag hopen dat de woorden van de staatssecretaris om tot 2015 te wachten er niet toe zullen leiden dat de plannen voor de zo noodzakelijke aanpassing van de IJsselmeerdijken in Noord-Holland op de lange baan worden geschoven. Die plannen moeten gerealiseerd worden om aan de huidige veiligheidsnormen te voldoen. Ik hoop ook niet dat de woorden van de staatssecretaris tot gevolg hebben dat de discussie over waterveiligheid verstoord wordt.

Staatssecretaris Huizinga-Heringa: Er wordt hard gewerkt aan bestaande programma’s om aan de normen te voldoen. Er wordt niets op nul gezet omdat wij met een onderzoek bezig zijn. Dat zou zeer vreemd zijn. Als wij in 2015 of zo veel eerder als er duidelijkheid is, een besluit nemen, dan nog is het maar vraag wanneer het peil wordt verhoogd en in welk tempo. Los van de beslissing om de veiligheid van de dijken ook aan de kant van Noord-Holland op orde te hebben. Daar blijven wij hard aan werken.

Ik zeg tegen de heer Koppejan dat er geen sprake van is dat wij eerst terugtrekkende bewegingen maken. Dat heeft hij ook uit mijn antwoord van zojuist op kunnen maken.

Op welke manier wordt in de huidige uitvoeringsprogramma’s rekening gehouden met de aanbevelingen van de Deltacommissie? Ten aanzien van de kust volgt het kabinet het advies om de hoogte van het kustfundament te laten meegroeien met de zeespiegelstijging door het toevoegen van zand. Het Rijk voert in 2009 en 2010 een nadere verkenning uit naar het tempo en de hoeveelheid van de benodigde zandsuppleties. Bij de rivieren worden de Maaswerken voortvarend uitgevoerd en wel voor 2015. Er komt een quick scan naar de gevolgen van het advies van de Deltacommissie voor de lopende uitvoeringsprogramma’s voor de waterveiligheid, inclusief Ruimte voor de Rivier en de Maaswerken. Daarbij wordt vooral nagegaan of de maatregelen niet in strijd zijn met de richting die Veerman aangeeft. Er wordt ook gekeken of er mogelijkheden zijn tot afvoer van 18 000 kuub water in plaats van de 16 000 die nu maatgevend is. Waar dit zonder al te veel kosten kan, gebeurt dit ook. Wanneer dat niet kan, gaan wij door op de geplande wijze.

Bij alle plannen voor de verre toekomst wordt zeker de huidige situatie niet vergeten. Wij steunen de waterschappen met wettelijke procedures en financiering. Samen met de waterschappen kijken wij naar mogelijkheden voor versnelling. Bij het waterschap Hollandse Delta en bij het hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier hebben wij een versnelling kunnen realiseren.

Er is aandacht gevraagd voor de aanbeveling van Veerman om de normen tien keer zo hoog te leggen. Het kabinet was al van plan om de normen aan te passen omdat de situatie sinds de jaren vijftig, toen de huidige normen zijn vastgesteld, ingrijpend is veranderd. Er is nu ongelooflijk veel meer aan economische waarde achter de dijken gebouwd. Daarbij komt dat wij nu anders tegen veiligheid aankijken. De huidige normen zijn niet alleen gebaseerd op economische schade, want wij willen ook het slachtofferrisico mee laten wegen. Dan kom je tot een strengere normering. Of dat ook moet leiden tot normen die tien keer zo streng zijn als nu, moeten wij nog uitzoeken. Wij zijn daarmee bezig. In 2010/2011 zullen wij een beredeneerd voorstel doen, maar dat de normen strenger moeten worden, staat voor ons vast.

Bij het onderzoek naar de strengere normering wil ik nagaan of er in de wet een soort van basisveiligheid opgenomen kan worden waar iedere Nederlander recht op heeft. Dat zou betekenen dat bij het buitendijks bouwen aan strengere normen voldaan moet worden. Nu vormen alleen waterstaatkundige bezwaren een belemmering. Het is aan de gemeente of de provincie om te beslissen of buitendijks gebouwd mag worden of niet. Ik zal onderzoeken of het mogelijk is om een basisveiligheidsniveau te ontwikkelen. Buitendijks bouwen zal ook aan bepaalde normen moeten voldoen. Die normen kunnen natuurlijk niet zo streng zijn als voor het binnendijks bouwen, maar er moet wel een soort basisniveau voor gelden. Dit lijkt mij zeker een begaanbare weg. In 2010/2011 kom ik hierop terug.

De heer Vendrik (GroenLinks): De staatssecretaris wil kennelijk nog langdurig in overweging nemen hoe wij buitendijks bouwen moeten benaderen. Het is dan vreemd dat in de stukken staat dat het kabinet ervoor kiest om buitendijkse ontwikkeling op beperkte schaal mogelijk te maken. Die ontwikkelingen zouden nog even opgeschort moeten worden tot is onderzocht wat de veiligheidsnormen moeten zijn. Dat lijkt mij veel logischer. Het lijkt er nu op dat het besluit eigenlijk al genomen is.

Staatssecretaris Huizinga-Heringa: Ik kan mij deze opmerking voorstellen wanneer de nadere informatie nog jaren op zich laat wachten, maar de eerste voorstellen komen al eind van dit jaar. Bij de plannen voor IJburg wordt al met veiligheidsnormen rekening gehouden, min of meer anticiperend op de gedachten die bij ons leven. Ik heb goede hoop dat dit samen kan gaan, dus dat er wel buitendijks gebouwd wordt maar dan met veiligheidsnormen.

Waarom wordt niet sterker ingezet op doorbraakvrije dijken? Als de preventie goed geregeld is, zijn discussies over andere aspecten overbodig, zo stelt de heer Boelhouwer. Doorbraakvrije dijken zijn niet overal in Nederland mogelijk, mede vanwege het ruimtebeslag. Los daarvan kunnen wij geen 100% veiligheid garanderen. Ik zou het bepaald slecht vinden als wij zo op onze technische kennis en dijken vertrouwen dat wij geen rekening meer zouden houden met overstromingen. Dat is te simpel. Wij doen wel het uiterste aan preventie. Mijn achterliggende gedachte bij de opdracht aan de commissie-Veerman was dat ik niet wil wachten op een ramp. Ik wil geen maatregelen na een ramp hoeven te nemen, maar ik wil die ramp voorkomen. Wij kunnen een ramp echter nooit helemaal uitsluiten.

In een aantal gevallen is het gelukt om versnelling aan te brengen bij de dijkversterking. Wij zijn daarbij afhankelijk van de plannen die daarvoor worden gemaakt. Er wordt zo veel mogelijk druk uitgeoefend om de huidige dijkversterkingen zo snel mogelijk voor elkaar te krijgen.

De Landelijke Rapportage Toetsing eindigt in 2011 met een beeld van nog te versterken waterkeringen. Dan hebben wij ook een beeld van de financiën. Het is nog te vroeg om daar een uitspraak over te doen. Wij moeten eerst de uitkomst van de toetsing afwachten om te weten waar wij het over hebben. Ik heb het ministerie van Financiën laten weten dat de derde toetsing niet voor niets wordt uitgevoerd en dat geld nodig zal zijn. Voor de juiste bedragen moeten wij de resultaten van de toetsing afwachten.

De heer Jansen vroeg waarom er in diepe polders wordt gebouwd in plaats van in te zetten op waterbuffers en waterkwaliteitsprojecten. Ik heb al gezegd dat wij nooit voor 100% kunnen garanderen dat er geen overstromingen meer komen. Bij een goede preventie hoef je niet te zeggen dat niemand meer mag wonen in dieperliggende polders. In combinatie met een goede basisveiligheid en een goede preventie blijft het mogelijk om daar te bouwen. Wij onderzoeken wel of het verstandig is om bepaalde wegen hoger aan te leggen zodat mensen op tijd weg kunnen komen, mocht er iets gebeuren. Dit geldt ook voor buitendijks bouwen.

De heer Jansen (SP): Het is verdomd lastig om uit te leggen dat er aan de ene kant gebouwd wordt in polders die zes tot zeven meter onder NAP liggen, terwijl er even verderop wordt ontpolderd. Ik wijs op de discussie over Groot Mijdrecht. De mensen die daar wonen, snappen het niet. Zij moeten weg om plaats te maken voor water, maar dertig kilometer wordt een nog diepere polder volgebouwd. Dat gaat er bij de meeste mensen niet in en bij mij ook niet trouwens.

Staatssecretaris Huizinga-Heringa: Dan hoop ik dat ik als ik u kan overtuigen, daarmee ook de meeste mensen heb overtuigd. Dat is altijd een poging waard. Bij Groot Mijdrecht is er geen relatie met veiligheid. Er moet daar een retentiegebied gevonden worden. Dat is een ruimtelijke opgave. Dit heeft te maken met regionale ruimtelijke eisen.

De heer Jansen (SP): Ik heb het niet alleen over veiligheid gehad, maar ook over zoetwatervoorzieningen. Dat laatste is een alternatief voor uw keuze voor het IJsselmeer als buffer. Dit raakt aan mijn vraag over de bandbreedte van de alternatieven. Wilt u ook dit aspect daarin betrekken?

Staatssecretaris Huizinga-Heringa: Dat is goed. Ik heb al toegezegd dat ik schriftelijk uiteen zal zetten wat de omvang van de bandbreedte is. Mocht het IJsselmeer echt niet voldoen, dan gaan wij natuurlijk verder kijken naar andere oplossingen. De opgave om Nederland veilig te krijgen, ook over honderd jaar, blijft staan.

Waar het kan, gaan wij mee met natuurlijke processen en waar het moet bieden wij daar weerstand aan. Wij zullen de kansen benutten die deze benadering biedt. Wij gebruiken natuurlijke processen om de kust te versterken en om ruimte aan rivieren te geven. Het is niet nodig om in algemeen polders de bestemming natuur te geven. Wij moeten een goede balans vinden tussen gebruiksfuncties die afhankelijk zijn van het waterbeheer. Soms moeten daarin keuzes worden gemaakt.

In het coalitieakkoord is het uitgangspunt «functie volgt peil» opgenomen. Door de verschillende betrokken departementen is uitgebreid gesproken over de vraag hoe een en ander vorm gegeven moet worden. Ik heb zelf een goed voorbeeld daarvan gezien in een redelijk landelijk gebied waar ruimte voor water nodig was, dus een retentiegebied. Bij «peil volgt functie» ga je ervan uit dat boeren bepaalde gebieden nodig hebben als weiland. Daar moet de waterstand dus laag blijven. Dan is er ook een gebied nodig waar het water naartoe kan. Bij «functie volgt peil» worden er afspraken met de betrokken boeren gemaakt over de mogelijkheid dat hun weiland een keer in de tien of vijftien jaar in de winter onder water komt te staan. De boeren hebben die weilanden nodig voor hun bedrijf, maar er moet ook rekening worden gehouden met het waterpeil. Wij willen ook de bodemdaling tegengaan, dus wij kunnen het waterpeil niet constant laag houden. In overleg wordt er een balans gezocht tussen de eisen van het water en de andere eisen in zo’n gebied. Dat is de uitwerking van de kreet «functie volgt peil». Wij zijn dus niet overgegaan van de ene ijzeren wet op de andere. In het verleden werd gezegd: dit zijn de eisen voor een bepaald gebied en pas het waterpeil er maar op aan of pak je boeltje maar. Dat leidt tot onwenselijke situaties. Er zijn zeer goede mogelijkheden om in overleg een balans te vinden.

In het Waterplan worden waterstaatkundige beletselen voor buitendijks bouwen bij Almere weggenomen. Er is geen eis tot compensatie. Verkeer en Waterstaat vormt geen struikelblok. Daarmee is Almere natuurlijk nog niet verplicht om daar te gaan bouwen. Dat is een eigen afweging waarbij veel belangen een rol kunnen spelen.

Het kabinet zet in op een robuust ecologisch systeem in het Markermeer en de verbetering van de waterkwaliteit is daar onlosmakelijk mee verbonden. Dat is een randvoorwaarde voor buitendijkse ontwikkelingen.

Er is commotie over het storten van baggerspecie die mogelijk te vervuilend is. Minister Cramer is daarvoor als eerste verantwoordelijk. Ik ben met haar daarover in overleg. Wij komen daar binnenkort op terug. Minister Cramer zou gezegd hebben dat de mogelijkheid van een moratorium wordt bezien. Wij zullen nagaan welke gevolgen een dergelijke stap kan hebben. De Kamer wordt middels een brief zo snel mogelijk van de uitkomsten van dit overleg op de hoogte gesteld.

Er is gevraagd waarom er zo weinig aandacht is voor de Hollandse boerensloot. Sloten zijn belangrijk voor de natuur. Daarvoor is regionaal en soms lokaal maatwerk nodig. Verder hebben diverse generieke maatregelen die in het Waterplan worden genoemd, zoals het Actieprogramma diffuse bronnen en het innovatieprogramma KRW, ook een positief effect op de kwaliteit van de kleine sloot, al is dit niet met zo veel woorden genoemd. Ik dacht dat de boerensloot wel is opgenomen in de watercanon. Het is jammer dat de heer Cramer dat niet heeft gezien.

De heer Cramer (ChristenUnie): Daarom merkte ik dat ook op!

Staatssecretaris Huizinga-Heringa: De heer Cramer suggereert mij om met de partners van het Nationaal Bestuursakkoord Water in gesprek te gaan over de noodzaak van structurele reserveringen. In het NBW heb ik met de regionale partners afspraken gemaakt over de te bereiken doelstellingen in 2015. De financiering van de maatregelen is de autonome bevoegdheid van de betrokken overheden. Mede op basis van de beleidsevaluatie zal ik met de partners afspraken maken over monitoring en rapportages zodat ik goed de vinger aan de pols kan houden.

De heer Cramer (ChristenUnie): Het is ongelooflijk belangrijk dat gemeenten en waterschappen worden doordrongen van de noodzaak van dit plan. Er moeten echter ook financiën voor gereserveerd worden. U wilt het monitoren, maar het is ook nodig dat men geld apart zet om de maatregelen uit te kunnen voeren. Aan mooie woorden in een beleidsplan hebben wij niets als er geen geld is voor de uitvoering. Graag uw aandacht voor dat onderdeel van de discussie in het kader van het NBW.

Staatssecretaris Huizinga-Heringa: Het is goed dat u daar aandacht voor vraagt. Je hebt inderdaad weinig aan mooie plannen als je geen geld hebt voor de uitvoering ervan. Het is de verantwoordelijkheid van de betrokken overheden om voor financiering te zorgen. Zij hebben daar ook een heffingsgrondslag voor. Als u signalen heeft dat dit niet goed gaat, ben ik bereid om de partners daarop te wijzen.

Er moet onderscheid gemaakt worden tussen maatregelen voor landwinning en maatregelen voor veiligheid. Ik heb de commissie-Veerman opdracht gegeven om na te gaan hoe zorg voor de veiligheid gecombineerd kan worden met andere functies, zoals natuur en economie. In dat kader is het verder doorzetten van zandsuppletie waardoor er voor de kust meer ruimte komt voor natuur, een goede mogelijkheid. Wij moeten echter keuzes maken. Wij moeten daarbij duidelijk maken welke kosten echt nodig zijn voor de veiligheid en welke kosten gemoeid zijn met bijkomende extra landwinning als een dergelijke project zich gemakkelijk laat combineren met het eerste doel. Bij de afweging van kosten en baten wordt duidelijk verschil gemaakt tussen maatregelen voor de veiligheid en maatregelen voor aanvullende functies die gelijk meegenomen kunnen worden.

Veel sprekers hebben gevraagd naar de relatie tussen Rijk en natuurorganisaties in het kader van zandsuppleties. Ik voer hierover zeer goed overleg met natuurorganisaties. Binnen enkele weken zal er een overeenkomst gesloten kunnen worden. Ik informeer de Kamer daar graag over.

De heer Van der Ham (D66): De natuurorganisaties willen de zandsuppletie monitoren met het oog op grootschalige projecten in de toekomst. Ik neem aan dat het overleg daarover gaat.

Staatssecretaris Huizinga-Heringa: Ja, en wij zijn het eens. Ik kan de Kamer daar binnen een of twee weken over informeren. Het ziet er buitengewoon goed uit.

Er is gevraagd hoe het beleid zich verhoudt tot het advies van de commissie-Poelmann inzake de dertien kustplaatsen. Het beleid is niet gewijzigd. Door zandsuppleties moet het huidige veiligheidsniveau gewaarborgd blijven. De strategie ten aanzien van de kust dingt daar niets op af. Er zijn zelfs mogelijkheden om de veiligheid te vergroten. Het advies van de commissie-Poelmann wordt gehandhaafd.

De heer Cramer heeft gevraagd of ik kan toelichten hoe de integrale afweging wordt gemaakt bij dubbele claims in gebieden op de Noordzee en wanneer keuzes worden gemaakt over het al dan niet opstellen van een bestemmingsplan. De integrale afweging van de verschillende claims is opgenomen in het Waterplan. Daarbij is ook aangegeven hoe wordt omgegaan met meerdere functies in een gebied. Het bestemmingsplan is een middel dat nu op het land wordt ingezet om de ruimtelijke afweging te borgen in relatie tot grondeigendom en het afgeven van bouwvergunningen. Op zee ontbreekt grondeigendom. Daar worden geen bouwvergunningen verstrekt, maar er gelden internationaal vastgelegde gebruiksrechten. Ik zal bekijken hoe het middel van het bestemmingsplan zich verhoudt tot het bestaande borgingsinstrumentarium, wat het daaraan toevoegt en in hoeverre het middel past in het internationale recht. Kortom, ik zal de suggestie van de heer Cramer volgen. Ik ga na in hoeverre wij hier iets mee kunnen, maar er zitten nog wel wat haken en ogen aan.

Het kabinet deelt de mening van de Kamer zoals verwoord in de motie-Polderman, dat gewerkt dient te worden aan een goede borging van de diverse planologische claims op de Noordzee. Het kabinet zal dit regelen. Hierbij staat nog niet vast dat een rijksbestemmingsplan noodzakelijk is. Ik zal dat nog nagaan, zoals ik zojuist al heb gezegd.

Mevrouw Ouwehand heeft gevraagd naar mijn beleidsvisie op de ruimte voor natuur op de Noordzee. Het kabinet is van mening dat de bescherming van de verschillende afzonderlijke gebieden moet leiden tot een samenhangend netwerk van beschermde gebieden op de Noordzee. Hiermee wordt invulling gegeven aan de doelen van de Vogel- en Habitatrichtlijn, de kaderrichtlijn Mariene Strategie en het OSPAR-verdrag. Met deze bescherming wil het kabinet de mariene biodiversiteit bevorderen. Voor de Noordzee kon dit nog niet volledig worden uitgewerkt. Dit gebeurt de komende tijd. De planmilieueffectrapportage is in april klaar. De uitkomsten daarvan worden meegenomen in het definitieve plan voor de Noordzee. Zoals bekend, bevindt dit ontwerp zich nog in de inspraakfase. Het uitgangspunt is het mogelijk maken van gebruik met als randvoorwaarde een sterke ecologie en natuur.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik hoor de staatssecretaris zeggen dat het OSPAR-verdrag zal worden nageleefd, maar dat zie ik niet terug in de beleidskeuzen. Het kabinet kiest voor een duurzaam, ruimte-efficiënt en veilig gebruik van de Noordzee in evenwicht met het mariene ecosysteem, zoals vastgelegd in de kaderrichtlijn Water, de kaderrichtlijn Mariene Strategie en de Vogel- en Habitatrichtlijn. Is dat een drukfoutje? Was het de bedoeling dat OSPAR daar ook bij genoemd werd?

Staatssecretaris Huizinga-Heringa: Daar hoort OSPAR gewoon bij.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Prima.

Staatssecretaris Huizinga-Heringa: Wij zullen ervoor zorgen dat in het definitieve plan het OSPAR-verdrag aan dat rijtje wordt toegevoegd.

Het kabinet kiest niet vanuit een oogpunt van veiligheid voor het aanleggen van eilanden in zee en ook niet voor verstedelijking van landbouwgebieden. Wel houdt het de mogelijkheid open van kleinschalige initiatieven voor energieopslag en -productie. Ik ben niet op hoogte van commerciële initiatieven op dit terrein.

De heer Koppejan is van mening dat er geen toestemming voor projecten voor windenergie op zee mag worden gegeven zonder een goed onderzoek naar de combinatie met andere functies. Dat gebeurt al. Verkeer en Waterstaat is goed op streek met het afgeven van vergunningen voor windenergie op zee. Er zijn inmiddels zeventien vergunningen voor dergelijke projecten gegeven. Wij vormen geen beletsel voor het halen van de kabinetsdoelstelling. Als wordt besloten om die doelstelling te verhogen, dan zal Verkeer en Waterstaat voldoende vergunningen kunnen verlenen. Er zijn echter wel andere problemen, zoals de financiering.

De fractie van de ChristenUnie krijgt graag een nadere analyse van de wijze waarop de wateropgaven samen met de ruimtelijke opgaven maximaal kunnen worden gekoppeld aan de opgaven voor de visserij. In de loop van 2010 zijn de resultaten van het onderzoek bekend naar de voorwaarden voor medegebruik van duurzame niet-bodemberoerende vormen van visserij in windparken. Er zijn daarbij mogelijk ook kansen voor aquacultuur. Als die resultaten bekend zijn, kunnen er keuzes gemaakt worden. Uiterlijk in 2013, wanneer de beheerplannen klaar moeten zijn voor Natura 2000-gebieden die in 2010 aangewezen worden, zullen ook de eventuele keuzes voor natuurgebieden op zee in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid worden beschreven.

Ik meen dat ik hiermee al zeer veel vragen heb beantwoord. Blijft over het Deltafonds. Ik vind het buitengewoon plezierig dat het overgrote deel van de commissie beseft dat er ook beslissingen genomen moeten worden over de financiering van maatregelen om onze veiligheid voor honderd jaar te garanderen. De kosten daarvan kunnen wij natuurlijk niet overlaten aan onze kinderen en kleinkinderen, zoals mevrouw Neppérus opmerkte. Wij zullen ook daarvoor onze verantwoordelijkheid moeten nemen. Het kabinet heeft al aangekondigd voor een solide structurele financiering van de noodzakelijke maatregelen te zorgen. Bij de presentatie van de Deltawet zullen ook voorstellen voor de financiering de Kamer bereiken. De commissie mag ervan uitgaan dat ook het kabinet ervan overtuigd is dat de maatregelen om deze opgave het hoofd te bieden, gedekt moeten zijn.

De heer Boelhouwer vroeg zich af of het MIRT in dit verband een optie is, mede met het oog op de integrale benadering. Natuurlijk is een integrale benadering nodig, maar ik ben het met de heer Van der Staaij eens dat wij moeten voorkomen dat wij de veiligheid van ons land moeten afwegen tegen bijvoorbeeld het aanleggen van een lightrailverbinding of van een spoorweg. De veiligheid van ons land moet bovenaan staan. De heer Vendrik wees erop dat de gevolgen van de klimaatverandering erger kunnen worden dan wij nu verwachten. Ook dan moeten wij niet op het laatste moment naar middelen moeten zoeken. Als wij zien aankomen dat wij voor grote opgaven komen te staan, is het ook onze opdracht om de financiering veilig te stellen. Nogmaals, ik ben buitengewoon blij dat ik daarvoor zo veel steun in de Kamer ontmoet.

De opmerking van de heer Vendrik dat wij ook een verantwoordelijkheid hebben tegenover andere regio’s in de wereld spreekt mij buitengewoon aan. In het Waterplan zijn vijf delta’s geselecteerd waarbij Verkeer en Waterstaat zal nagaan of het mogelijk is om zijn kennis van adaptie aan klimaatverandering te delen met anderen die niet over deze kennis beschikken, maar daar wel zeer sterk behoefte aan hebben.

De heer Boelhouwer (PvdA): Ik wil voorkomen dat de indruk ontstaat dat de PvdA wil dat gekozen moet worden tussen waterveiligheid en een lightrailtje. Als de staatssecretaris dat al zo bedoelde, kan zij dat niet waarmaken. Ik heb alleen gezegd dat er altijd een afweging gemaakt moet worden. Het Waterplan is één groot ruimtelijk plan voor de inrichting van Nederland. Dat betekent dat er veel afwegingen en keuzes moeten worden gemaakt. Wij hebben een procedure afgesproken, de procedure van het MIRT, om die afwegingen en die keuzes te kunnen maken. Daarbij kan een deel van de financiering worden afgezonderd van het MIRT. Mijn opmerking over het MIRT had echter betrekking op die totale afweging. Overigens hebben de waterschappen ontzettend veel geld op de Waterschapsbank staan. Zij kunnen in deze tijd, waarin het economisch moeilijk is, natuurlijk ook heel goed tonen dat ze gaan voor de waterveiligheid in dit land en een aantal projecten die misschien enigszins in de knel zouden kunnen komen, voorfinancieren en daarmee de economie en de waterveiligheid een push geven.

Staatssecretaris Huizinga-Heringa: Ik ben blij met deze nuancering. Het is goed om te horen dat de heer Boelhouwer ook de mening deelt dat het nodig is om geld apart te zetten en dat wij niet een situatie terecht mogen komen waarin wij de veiligheid tegen een lightrail gaan afwegen. Wij zijn het in grote trekken dan ook erg met elkaar eens.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik heb gevraagd waarom zonering van de gebieden op de Noordzee, bijvoorbeeld voor sluiting voor de visserij, niet expliciet als een van de beleidskeuzen is genoemd. De staatssecretaris heeft geantwoord dat zij inzet op verduurzaming, maar wij weten dat verduurzaming van de visserij onvoldoende soelaas biedt. Aangezien het herstellen van de biodiversiteit in de Noordzee een prioriteit is, zou dit een beleidskeuze moeten zijn.

Staatssecretaris Huizinga-Heringa: Ik heb die vraag inderdaad laten liggen. Ik kom daar in tweede termijn op terug.

De heer Vendrik (GroenLinks): Ik ben ook benieuwd naar dat antwoord, maar ik had een andere vraag. Volgens mij zijn mijn nieuwe bondgenoot bij het CDA, de heer Koppejan, en ik ontevreden. U wist dat nog niet, mijnheer Koppejan, maar u bent ontevreden. Dat zie ik aan u. Wij zijn ontevreden over het antwoord van de staatssecretaris op de vraag wat de betekenis is voor het Waterplan indien steeds aannemelijker wordt dat de klimaatverandering sneller gaat en feller wordt dan tot op heden is aangenomen.

Er zijn volgens mij twee opties. De eerste optie is dat het Waterplan op basis van het advies van de commissie-Veerman op een of andere manier in de versnelling gaat, in de verdieping, in de verbreding, en dat extra geborgd wordt dat bij alle maatregelen die de komende tien, twintig, dertig jaar worden uitgerold, het no-regretkarakter absoluut vooropstaat. Op eigen titel zou ik daar nog een tweede optie aan willen toevoegen. De staatssecretaris zou de komende weken, maanden tegen het kabinet kunnen zeggen dat zij het advies van Veerman uit wil voeren, dat zij uitgaat van een peilverhoging van 1,30 meter en dat het daarbij moet blijven. Al die anderen in het kabinet moeten dan maar via mitigatiebeleid ervoor zorgen dat het daarbij blijft. Dat zou ik ook logisch vinden en dan reken ik op uw steun, mevrouw de staatssecretaris. Mag dat?

Staatssecretaris Huizinga-Heringa: Als u erop doelt dat het van belang is om beide te doen, zowel adaptatie als mitigatie, dan ben ik dat helemaal met u eens. Het is zot om het ene zonder het andere te doen. Alleen inzetten op mitigatie, op het tegengaan van de klimaatverandering zelf door minder CO2-uitstoot en niet onder ogen zien dat die klimaatverandering wel heeft ingezet en dat het dus een bedreiging is, is dom. Dat durf ik toch wel zo cru te zeggen. Tegelijkertijd is het ook buitengewoon onverstandig om wel in te zetten op aanpassen aan klimaatverandering en niet te proberen die klimaatverandering tegen te houden en in te dammen. Beide is nodig! Er is wel een verschil tussen. Als het gaat om adaptatie kunnen wij redelijk bekijken welke maatregelen wij moeten nemen om te zorgen dat ons land veilig blijft. Als het gaat om mitigatie weten wij echter niet welke maatregelen wij moeten nemen om de klimaatverandering te kunnen beheersen, zodanig dat wij zouden kunnen zeggen: het wordt niet meer dan 1,30 meter. Op dat punt is de onzekerheid veel groter. Maar dat mag ons niet beletten om ons echt voluit in te zetten op het tegengaan van de klimaatverandering en op mitigatie.

Nadere gedachtewisseling

De heer Cramer (ChristenUnie): Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris voor de antwoorden. Ik denk dat wij hier nog vaker indringend over zullen spreken, ook na onze werkbezoeken aan de regio’s. Dit is vast niet het laatste debat over dit onderwerp.

Ik heb mij erover verbaasd dat de heer Jansen van de SP aan de ene kant zegt dat wij lokale overheden niet de ruimte moeten bieden om zelfstandig een afweging te maken, maar dat wij dat nationaal moeten doen en aan de andere kant een opmerking maakt over het IJsselmeer die volgens mij ingegeven is door de bezwaren die men lokaal heeft. Dan neemt hij dus opeens de lokale bezwaren over. Wij zouden de discussie aan moeten gaan over de vraag welke maatregelen nodig zijn en dan kijken hoe die precies uitpakken.

Ik heb bij de heer Boelhouwer beluistert dat hij de maatregelen die nu moeilijk liggen, wil plaatsen tegenover de noodzakelijke oplossing die wij voor de toekomst moeten kiezen. Ik meen dat de commissie-Veerman juist heeft geprobeerd om daar een antwoord op te geven.

Ik heb een antwoord gemist op mijn vragen of het Randmeer nog wel meegenomen wordt in de uitvoeringsagenda en wat er moet gebeuren met reservering van gronden van met name de kustgemeenten.

Over hetgeen de staatssecretaris heeft gezegd over het bestemmingsplan zou ik nog een heel verhaal kunnen houden, maar dat doe ik niet. Ik wil wel vragen op welke termijn zij komt met duidelijkheid of een bestemmingsplan wel of niet nodig is. Ik denk dat het goed is om daar snel helderheid over te hebben.

In een vorig overleg heb ik een buitengewoon romantisch verhaal gehouden over de sloot, ook in het belang van natuur- en milieueducatie, en over hoe geweldig het is als je langs de slootkant allemaal dingen kan vinden. De staatssecretaris heeft toen ook indringend met mij gewisseld dat zij het geen onderdeel wil laten zijn van de waterlichamen. Dit is wel het meest vitale en cruciale onderdeel van ons watersysteem. Daarom wil ik toch voorstellen dat de sloot een vrij breed 26ste venster in de watercanon krijgt. De staatssecretaris heeft toegezegd dat de sloot erin zou komen en eventueel verzint zij maar een 27ste venster, want er is een wedstrijd uitgeschreven voor een 26ste venster. Die sloot laten wij niet lopen.

De heer Vendrik (GroenLinks): Voorzitter. Dank voor de antwoorden. Het moet mij wel van het hart dat het verstandig is om op een bredere manier naar een idee als veiligheid te kijken. Ik voorzie dat het mogelijk is dat wij in een wereld komen te leven, waarin Nederland veilig is voor het water, maar dat mondiaal de strijd tegen de klimaatverandering niet op tijd is gevoerd. Hoe onveilig die wereld is, daar kunnen wij ons waarschijnlijk nog geen voorstelling van maken. Dan zijn wij hier achter de dijken echt niet veilig.

Ik ben voor het Deltafonds, maar ik zou een deal willen maken met de staatssecretaris. Voor elke euro die daar voor Nederlands adaptatiebeleid in gaat, is er meteen één euro voor internationaal adaptatiebeleid. Dan kunnen de projecten die Verkeer en Waterstaat voornemens is onderhanden te nemen elders in de wereld ook gefinancierd worden. Zo doe je nog eens wat en maak je progressie op het internationale podium. Dat helpt ook een goede deal in Kopenhagen te maken, zo kan ik haar melden. De rest van het kabinet zou haar daarin moeten volgen.

Wat betreft het IJsselmeer merk ik op dat het een ideetje is, die anderhalve meter, maar dat het nog niet meer is dan dat. Er wordt nog onderzoek naar gedaan en ook naar alle alternatieve opties. Dat wordt de komende zes jaar breed en diepgravend uitgezocht. Het lijkt mij winst dat wij nu goed met elkaar hebben vastgesteld dat het niet meer is dan een ideetje.

Over bouwen in het IJsselmeer het volgende. Ik vind dat een beetje gek. Ik kan ook niet zoveel met het antwoord van de staatssecretaris. Zij leek te suggereren dat er van haar kant geen extra beletselen zijn om dat te doen. Zij spreekt echter namens het kabinet en volgens mij is het gewoon een Natura 2000-gebied. Daarom ligt volgens mij de drempel heel hoog om daar te gaan bouwen. Vandaar dat de opmerking op dit punt in het Nationaal Waterplan mij erg bevreemdt. Ik zou graag zien dat de staatssecretaris daar in tweede termijn helderheid over biedt.

Wat betreft de Noordzee komt er nog informatie van het kabinet over de ruimtelijke inrichting. Daar komen wij nog uitvoerig over te spreken. Daarbij moet volgens mij het fundamenteel ecologische principe leidend zijn. Dat verdient de Noordzee. Dat betekent inderdaad, dat ben ik zeer met mevrouw Ouwehand eens, dat wij een aantal gebieden gewoon moeten sluiten voor de visserij, ook in het belang van de vissers.

De voorzitter: De aanmeldprocedure van de Noordzee in het kader van de Habitatrichtlijn loopt nu. Dat is een apart proces.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Dat is iets anders.

De voorzitter: Dat is echter een traject dat ook loopt.

Mevrouw Neppérus (VVD): Voorzitter. Eerst het punt van de flexibiliteit. Het gaat mij vooral om de vraag of je in het hele proces, in alles wat speelt, beter om kunt gaan met onzekerheden. Er staat voor mij toch nog te veel iets in van: het zal dat scenario wel zijn. Ik ben blij dat de staatssecretaris heeft gezegd dat er toch elke paar jaar naar zal worden gekeken. Dat vind ik een winstpunt dat ik heb genoteerd. Dat was niet zo zichtbaar in de stukken. Maar de onzekerheden die er zijn – niemand weet precies hoe het over twintig of dertig jaar zal zijn – is toch wel iets dat ik nauwlettend wil volgen. Dat speelt natuurlijk ook bij de financiering van alles. Zo’n Deltafonds vind ik een goed idee. Ik ben het er ook mee eens dat wij het niet aan onze kinderen en kleinkinderen over moeten laten. Het gaat echter om miljarden. Er moeten dus keuzes worden gemaakt. Daarbij gaat het ook om de vraag hoe reëel de scenario’s zijn. Ik neem aan dat wij daar vaker over zullen spreken, want ik denk dat dat een wezenlijk punt is. Wat dat betreft, is er nu wel meer duidelijkheid gekomen.

Als het gaat om het IJsselmeer is mij duidelijk geworden dat de staatssecretaris ruimte ziet en dat er meer alternatieven bekeken zullen worden. Er komt nog een brief, maar het rapport ging al duidelijk één kant op. Ik denk dan ook dat dat helder moet zijn.

De heer Van der Ham (D66): Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris voor haar antwoorden. Zij heeft aangegeven – daar ben ik blij mee – dat zij nog goed zal kijken naar een peilverhoging in het IJsselmeer van anderhalve meter. Er zijn allerlei discussies geweest naar aanleiding van het rapport van de commissie-Veerman, waarin ook alternatieven zijn aangedragen. Ik hoop dat die ook mee worden genomen en dat ook wat betreft de flexibiliteit van het risico van 1:10 000, het handhaven daarvan en dat leidend laten en blijven zijn, ook wordt meegenomen.

Dan de «Atsma-eilanden». Iedereen denkt dan onmiddellijk aan die tulp, maar daar denk ik helemaal niet aan. Een van dingen die speelden toen daarover gediscussieerd werd, was dat zou moeten worden bezien of er voordelen aan zouden zitten voor de ruimtelijke ordening. Er zou bijvoorbeeld kunnen worden onderzocht of Schiphol op zee – misschien niet in de komende decennia, maar pas in een verre toekomst – een mogelijkheid is om serieus te overwegen. Wij hebben daar in de afgelopen jaren al veel over gediscussieerd en er zijn conclusies getrokken. Dat soort scenario’s voor de verre toekomst was een van de redenen waarom de heer Atsma destijds die motie heeft ingediend. Bij de discussie met minister Cramer over de toekomst van de Randstad is dit punt ook langs gekomen. Minister Cramer heeft daarbij verwezen naar deze staatssecretaris.

Als het gaat om de ruimtelijke ordening van de Noordzee hopen wij zo snel mogelijk meer duidelijkheid te krijgen. Wij vinden die nu te ruim en niet voldoende afgebakend voor bijvoorbeeld de visstand. Wij wachten met veel interesse af wat er uit de overleggen met de natuurorganisaties komt rond de eilanden en de Waddeneilanden.

De heer Boelhouwer (PvdA): Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris voor haar beantwoording. Ik heb, evenals anderen, gewezen op de vele functies die de Noordzee heeft. Ik heb er ook op gewezen dat de manier waarop je de prioriteiten bepaalt, welke keuzen je gaat maken en welke beleidsinsteek je daarbij kiest, nog onvoldoende uit de stukken naar voren komt. Wij hebben de staatssecretaris dan ook uitdrukkelijk uitgenodigd om dat beter in beeld te brengen.

Ik vond het prachtig dat de staatssecretaris uit mijn laatste interruptie met graagte mijn opmerking over de financiën omarmde, maar ik had liever dat zij ook omarmd had wat ik verder heb gezegd, namelijk dat de keuzes die gemaakt moeten worden, ook in het kader van Veerman, veel breder zijn. Ik heb bij de Afsluitdijk gewezen op de mogelijkheden om energie te winnen in de overgang van zoet naar zout. Er kunnen ook windmolens neer worden gezet. De totale infrastructuur eist meer dan alleen maar het maken van keuzes en afwegingen in termen van een plan-Veerman. Het zou goed zijn als dat gevoel uit de woorden van de staatssecretaris naar voren zou komen en er steeds een totale afweging aan de orde is en niet alleen een afweging op het gebied van waterveiligheid. Ik wacht dat met belangstelling af.

De heer Van der Staaij (SGP): Voorzitter. Ik wil de staatssecretaris danken voor haar beantwoording. Het is door collega’s ook al gezegd: vandaag wordt bepaald niet het laatste woord gesproken over deze onderwerpen. Het is wel de aftrap voor de verdere debatten. De richting die de staatssecretaris heeft toegelicht spreekt ons zeer aan. Wij moeten de urgentie die ook uit het rapport-Veerman naar voren komt, serieus nemen, maar tegelijkertijd moeten wij de flexibiliteit erin houden. Ik zeg daar wel bij dat de keerzijde van flexibiliteit soms ook enige onzekerheid is. Als je dat wilt voorkomen, moet je alles al vroeg helemaal vastzetten. Dan weet je meer waar je aan toe bent, maar daar zitten ook veel nadelen aan. Daarom vinden wij die fasering en die flexibiliteit heel belangrijk.

Ik wil nog op één punt terugkomen. Er is namelijk voldoende ruimte om later nog verder te spreken over het IJsselmeer en de veiligheidsnormen. Ik ben echter blij dat de staatssecretaris krachtig heeft neergezet dat het moet gaan om een solide financiering en dat er geen sprake mag zijn van concurrentie met allerlei kortetermijndoelen en andere belangen. Maar waarom neemt het kabinet niet het woord Deltafonds in de mond? In het kabinetsstandpunt wordt gezegd: Veerman stelt een Deltaprogramma voor, dat gaan wij doen, en een Deltaregisseur, dat gaan wij ook doen. Maar als het gaat om een Deltafonds wordt het wat vager. Dan wordt gesproken over een solide financiering. Waarom?

De heer Jansen (SP): Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris voor haar toezegging om een aantal alternatieven mee te nemen bij de uitwerking van het plan, maar wat mij betreft is de insteek wel breder dan alleen het IJsselmeer. Ik heb gewezen op het alternatief van de heer Boorsma. Dat is een integrale alternatieve visie op heel Nederland. Bijvoorbeeld ook het afleiden van water in geval van hoogwater via de Schelde vond ik een interessant element uit dat plan. Dat geldt ook voor het vermijden van allerlei dure kunstwerken in de regio Rijnmond. Ik vind dat er ruimte moet zijn om dat mee te nemen. Wij horen binnenkort wel of dat ook gaat gebeuren. Ik heb overigens geen reactie gekregen op mijn concrete opmerkingen over de Schelde.

De staatssecretaris sprak warme woorden over het rijksbestemmingsplan, maar de motie-Polderman was toch wel iets concreter dan zij nu in haar nota is. In die motie staat namelijk: «verzoekt de regering conform de aanbeveling uit de Natuurbalans 2008 zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval in deze kabinetsperiode, te gaan werken aan de borging van de diverse planologische claims, door toe te werken naar een Rijksbestemmingsplan Noordzee». Dat is meer dan alleen maar onderzoeken. Er wordt gevraagd om binnen deze kabinetsperiode daar naartoe te werken. Ik ga ervan uit dat de staatssecretaris zich daaraan zal houden.

Bij de nadere onderbouwing van de veiligheidsnormen zou de staatssecretaris ook iets doen aan de kritiek van prof. Frijling. Ik ga ervan uit dat dat ook gebeurt. Verder steun ik het pleidooi van de heer Vendrik om de Deltawet te verbreden tot een klimaatwet, zodat adaptatie en mitigatie in relatie tot elkaar kunnen worden bezien. Het financieringsaspect is daarbij ook belangrijk. In beide gevallen gaat om het om een langetermijnvisie en een langetermijnfinanciering en misschien zijn er organisatorisch ook wel bepaalde overeenkomsten. Ik zou mij goed kunnen voorstellen dat de strategie die voor de Deltawet gekozen wordt, ook wordt gekozen voor mitigatie. Of dat ook moet vanwege de internationale aspecten weet ik niet, maar het lijkt mij wel een punt dat wij daarbij kunnen betrekken.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Ik heb in mijn bijdrage mijn zorgen uitgesproken over de vraag hoe hard de ecosysteembenadering door het kabinet zal worden gehanteerd. In de schriftelijke voorbereiding hebben wij het kabinet erop moeten wijzen dat het een cruciaal element van de internationaal erkende definitie niet heeft opgenomen. Het kabinet zei daarop: dat zullen wij alsnog doen. Zojuist vroeg ik: waar is OSPAR? Dat was dan weer een drukfoutje. Het zijn echter allemaal signalen dat de ecologische doelstellingen niet hard worden uitgewerkt en geen beleidsprioriteit zijn. Het lijkt eerder alsof het kabinet de visie heeft: hoe kunnen wij uit de Noordzee halen wat er te halen valt, zonder dat wij de verdragen die wij internationaal gesloten hebben, schenden? Dat lijkt mij een verkeerde gang van zaken. Wil de staatssecretaris herstel van de biodiversiteit expliciet opnemen in een van de beleidskeuzen? Daar horen dan alle middelen bij, zoals het sluiten van gebieden voor visserij en een uitwerking van de ecologische doelstellingen. Zo kan nu al worden genoemd dat OSPAR zegt dat wij de Centrale Oestergronden als een van de beschermde gebieden moeten aanwijzen. Ik wil de staatssecretaris vragen daar schriftelijk op te reageren, zodat wij daar met elkaar over kunnen praten voordat wij het definitieve Waterplan tegemoet kunnen zien. Nog een keer zo’n mooie kleurenfolder drukken, waar wij dan vervolgens weer allerlei moties over moeten indienen, lijkt mij een beetje zonde van het papier en de inkt. Daarom krijg ik graag een tussentijdse invulling van de uitwerking van de ecologische doelstellingen.

De heer Koppejan (CDA): Voorzitter. Allereerst dank ik de staatssecretaris voor alle antwoorden. Wij zijn heel tevreden over de door haar voorgestelde aanpak, waarin zowel flexibiliteit zit, alsook de duidelijke visie dat wij ons moeten voorbereiden, ook op worst case scenario’s. Dat heeft onze steun. Maar om de heer Vendrik nu niet meteen als bondgenoot te verliezen, heb ik toch nog een kritische vraag. Wij zitten nu middenin de fase waarin het kabinet keuzes moet maken over het naar voren halen van investeringen om de economie te stimuleren. Welke projecten heeft de staatssecretaris aangereikt aan het onderhandelingsteam om vervroegd naar voren te halen, zowel als het gaat om de voorstellen van de Deltacommissie, als om bijvoorbeeld de aanpak van de zuidwestelijke delta? Daar liggen namelijk kansen. Dat kan dan weer een positief effect zijn van de negatieve economische crisis.

Ik zou graag willen dat de staatssecretaris nog even ingaat op de zeescheepvaart in relatie tot de windmolenparken. Daar zijn zorgen over. Ik wil graag de toezegging van de staatssecretaris dat zij windmolenparken alleen goedvindt, als ze de zeescheepvaart niet belemmeren. Ik zou ook graag van haar horen dat wanneer er windmolenparken worden aangelegd op zee– daar is het CDA een voorstander van – dat er dan altijd goed gekeken wordt naar de mogelijkheden om daar ook MZI’s (mosselzaadinvanginstallaties) te plaatsen. Er zijn nu grote problemen op de Wadden met het plaatsen van MZI’s. Als wij ze elders kunnen plaatsen, biedt dat geweldige kansen.

Ik wil de staatssecretaris verder vragen nog in te gaan op mijn vraag over de verontreinigingsheffing. Zij is daar in de schriftelijke beantwoording op ingegaan, maar die heffing is op dit moment een rem op innovatieprojecten van waterschappen en bedrijven die gezuiverd water lozen. Ik krijg ook graag een reactie op mijn opmerking over de 25 graden voor regionale wateren. Ik krijg graag de toezegging van de staatssecretaris dat hetgeen gesteld wordt de voedingsmiddelenindustrie bij de Zaan niet in de problemen brengt.

Mevrouw Neppérus (VVD): Ik hoor de heer Koppejan spreken over het naar voren halen van investeringen. Ik neem aan dat daar ook geld bij betrokken is. Heeft hij al met het Torentje gebeld voor extra financiering? Mag het begrotingstekort omhoog?

De voorzitter: Het lijkt mij goed om de discussie nu af te ronden en geen voorschot te nemen – dat zal de staatssecretaris ook niet doen, denk ik – op de verdere discussie, want anders wordt er mogelijk iets ingevuld van wat andere fracties ook graag zouden invullen.

De heer Van der Ham (D66): Met alle respect, voorzitter, maar het is een coalitiepartner die zegt: ik wil nu weten wat de staatssecretaris heeft ingebracht. Wij kunnen hem daar alleen maar erg in bijvallen. Blijkbaar is zijn positie zo dat hij kan zeggen: ik eis het. En dat doet hij nu dus ook. Eindelijk. Ik steun de heer Koppejan.

De heer Vendrik (GroenLinks): Voorzitter. U gaat dit belangrijke punt toch niet ...

De heer Koppejan (CDA): Ik krijg steeds meer bondgenoten, hoor ik.

De heer Van der Ham (D66): Het CDA is wel de grootste politieke partij in dit land.

De heer Vendrik (GroenLinks): Mag het begrotingstekort daarvoor omhoog: relevante vraag.

De heer Koppejan (CDA): In onze fractie wordt wel alles besproken en wordt goed gecommuniceerd over de inbreng.

Mevrouw Neppérus (VVD): Maar heeft u het Torentje gebeld?

De voorzitter: Dit was even een leuk intermezzo. Ik geef nu het woord aan de staatssecretaris.

Staatssecretaris Huizinga-Heringa: Voorzitter. De heer Cramer wil graag dat de kustgemeenten duidelijkheid krijgen over de zandsuppleties. Wij starten snel met de verkenning rond de zandsuppleties aan de kust en zullen daarover nauw contact onderhouden met de gemeenten. Het huidige kustbeleid wordt ook in goed overleg met die gemeenten uitgevoerd.

De heer Cramer vroeg ook of het Randmeer in de Noordoostpolder wordt meegenomen. Dat Randmeer is na studie bij de vaststelling van de Nota Ruimte afgevoerd. Dat gaan wij nu niet weer opvoeren.

Ten slotte sprak de heer Cramer over de sloot en de watercanon. Er is een watercanon en die heeft 25 vensters. Hij zei al dat er een prijsvraag is uitgeschreven voor een 26ste venster. Ik nodig de heer Cramer hartelijk uit om daaraan mee te doen. Zijn verbale creatieve gaven zijn erg groot en zijn andere misschien ook wel. Ik nodig hem uit om te kijken of via die prijsvraag er nog een mooi venster over de sloot in de watercanon kan komen. Ik mag de jury natuurlijk niet beïnvloeden, maar ik hoop wel dat hij dan wint.

De heer Cramer (ChristenUnie): Ik wil met alle plezier meedoen aan die wedstrijd, maar dan zal ik waarschijnlijk wel buiten mededinging geplaatst worden. Het gaat mij er echter om dat de staatssecretaris in het vorige overleg hierover een toezegging heeft gedaan. Ik heb haar toen gevraagd of de sloot niet een onderdeel zou moeten zijn van het watersysteem. Zij heeft toen, met argumenten, betoogd dat dat niet het geval moet zijn. Dat hebben wij in vorige debatten over de maatregelen voor de waterkwaliteit, nog eens dunnetjes overgedaan. Zij heeft echter wel gezegd dat: u hebt gelijk dat de sloot een belangrijk onderdeel is en ik ga het opnemen in de watercanon. Dat is een harde toezegging van de staatssecretaris.

Staatssecretaris Huizinga-Heringa: Ik kom er absoluut op terug.

De heer Vendrik en anderen hebben gesproken over het IJsselmeer. De heer Vendrik zei dat het alleen maar een ideetje is, maar dat is het natuurlijk niet. Het verhogen van het waterpeil met anderhalve meter is een buitengewoon serieuze oplossingsmogelijkheid voor een buitengewoon serieus probleem, maar de zorgvuldigheid gebiedt dat wij de tijd nemen om te kijken of dat wat nu een goede oplossing lijkt te zijn, dat ook inderdaad is. Dat betekent dat je dat goed moet onderzoeken. Om nu alles waarvan wij zeggen dat wij dat onderzoeken, af te doen als een ideetje, zou elk onderzoek en elke zorgvuldigheid wel in een heel vreemd daglicht zetten. Een peilverhoging van anderhalve meter is een oplossing voor een serieus probleem, maar wij gaan niet over één nacht ijs. Wij gaan dat dus goed bekijken en onderzoeken. Mocht blijken dat dat echt geen begaanbare weg is, dan wordt uiteraard ook gekeken naar alternatieven voor de wijze waarop wij de opgave waar wij voor staan op kunnen lossen, zodat wij in de toekomst niet met de handen in het haar komen te zitten.

De heer Vendrik heeft over bouwen in het IJsselmeer gevraagd waarom dat in het Waterplan staat en heeft opgemerkt dat het kabinet toch met één mond spreekt. Natuurlijk spreekt het kabinet met één mond, maar vanuit V en W is er geen beletsel om in het IJsselmeer te bouwen. Dat zegt niets over het belang van Natura 2000 en over de vraag of er dan dus gebouwd kan worden. Dat zal echt nog bekeken moeten worden. Maar vanuit het Nationaal Waterplan is er geen beletsel. Het is goed om dat helder te maken.

Mevrouw Neppérus heeft ook gewezen op het IJsselmeer en gezegd dat niet alles op één kaart moet worden gezet, maar dat ook moet worden gekeken naar alternatieven. De zorgvuldigheid gebiedt inderdaad dat je goed kijkt. Dat houdt in dat als blijkt dat wij er op deze manier niet komen, wij zullen gaan kijken hoe wij wel een oplossing kunnen vinden. Nogmaals, die oplossing moeten wij vinden. Zoals de heer Van der Staaij al zei: flexibiliteit heeft nu eenmaal als keerzijde dat het een zekere onzekerheid met zich meebrengt. Daar kunnen wij niet omheen. Dat zullen wij moeten accepteren, maar ik zal wel mijn best doen om die onderzekerheid zo kort mogelijk te laten duren. De inzet is dus om zo snel mogelijk helderheid te krijgen. Het zou natuurlijk mooi zijn als dat voor 2015 kan.

De heer Van der Ham heeft gevraagd hoe het zit met de «Atsma-eilanden». Het kabinet zet daar niet actief op in. Ook een vliegveld in zee is tot 2040 niet aan de orde. Het is niet uitgesloten dat er commerciële initiatieven komen, maar het kabinet zat daar geen onderzoeken naar doen en zet daartoe geen stappen.

De heer Boelhouwer heeft nogmaals benadrukt dat integraliteit buitengewoon belangrijk is, ook als het gaat om de waterveiligheid en heeft gezegd: laat de staatssecretaris daar nog eens een paar warme woorden aan wijden. Hoe warmer kunnen mijn woorden zijn dan dat ik zeg dat de opdracht die ik aan de commissie-Veerman heb gegeven juist is geweest: kijk naar multifunctionaliteit; kijk niet alleen naar de waterveiligheid, maar zorg dat je naar het hele gebied kijkt en ook hoe wij de ingrepen die voor de waterveiligheid moeten worden gedaan, kunnen combineren met andere zaken. Ik dacht een moment in de woorden van de heer Boelhouwer te beluisteren – maar ik ga er direct van uit dat ik dat verkeerd gehoord heb – dat hij van mening was dat waterveiligheid een van de aspecten is en dat er heel veel aspecten moeten worden meegenomen in de afweging. Dat kan natuurlijk niet. Het gaat om de waterveiligheid, maar wij gaan niet rigide alleen daarnaar kijken. Wij kijken breder. Het mooiste voorbeeld daarvan is volgens mij de Afsluitdijk. Ik heb de opdracht gegeven om te kijken wat wij daar meer mee kunnen doen. Over een paar maanden zullen wij aangeven wat wij met de Afsluitdijk gaan doen. Het is goed mogelijk dat wij hetgeen daar moet gebeuren combineren met duurzame energievoorzieningen en misschien ook met andere dingen. Daar wordt nu goed over nagedacht. Het is nu juist het uitgangspunt van mijn waterbeleid om multifunctioneel en integraal te handelen. Dat was ook de opdracht aan de commissie-Veerman. Warmer kan ik het niet maken, mijnheer Boelhouwer. Het is ook buitengewoon gemeend.

De heer Van der Staaij heeft – ik zei het al – gewezen op de onzekerheid die nu eenmaal met flexibiliteit samenhangt. Hij vroeg aan mij waarom overal het woordje delta is overgenomen, behalve bij Deltafonds; daar wordt gesproken over een solide financiering. Wij willen als kabinet echt kijken hoe wij het kunnen regelen. De allerbeste manier om dat duidelijk te maken, is door te zeggen dat wij een solide financiering willen. Hoe wij die solide financiering vorm gaan geven, dat hoort de Kamer als wij met de Deltawet bezig gaan. De commissie-Veerman had ook voorbeelden hoe het zou kunnen. Het kabinet heeft echter wel de vrijheid om de financiering zo in te richten dat die volgens ons solide is. De basis van het advies van de commissie-Veerman wordt echter onverkort overgenomen.

De heer Boelhouwer (PvdA): Ik heb in tweede termijn ook nog een vraag gesteld over de Noordzee en de afwikkeling van de volgtijdelijkheid van de verschillende beslissingen en gebruiksfuncties. Dat punt ontbreekt in de notitie. Daarom zou ik het wel fijn vinden als daar nu antwoord op wordt gegeven.

Staatssecretaris Huizinga-Heringa: De afweging komt in het definitieve plan te staan.

De heer Jansen heeft gezegd dat in die motie-Polderman wordt gesproken over het toewerken naar een bestemmingsplan. Ik heb al gezegd dat wij daar volop mee bezig zijn en dat wij onderzoeken op welke manier het zou kunnen. De Kamer hoort daar binnen deze kabinetsperiode meer van. Dat is dus helemaal volgens de motie.

Er was nog een vraag van mevrouw Ouwehand blijven liggen. Dat was de vraag of bij de Noordzee een ecosysteembenadering beleid is.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Het ging om de beleidskeuze om gebieden op de Noordzee te sluiten voor visserij als een concrete uitwerking van Vogel- en Habitatrichtlijngebieden.

Staatssecretaris Huizinga-Heringa: Er wordt ingezet op duurzame visserij. Als het daarvoor nodig is om ruimtelijke maatregelen te nemen in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid, wordt dat met de minister van LNV besproken. De keuzes worden opgenomen in de beheerplannen, uiterlijk in 2013.

Mevrouw Ouwehand heeft ook nog gevraagd of wij herstel van de biodiversiteit expliciet zouden willen opnemen in dit plan. Het antwoord daarop is ja, dat willen wij. Zij vroeg ook: is het nou niet vreemd dat het woordje OSPAR en dat een gedeelte van een zin dat er absoluut bij hoort, weg zijn gevallen; is dat niet een teken dat het ministerie het natuurbeleid niet serieus neemt? Ik zou het net andersom willen zeggen. Het gaat uiteindelijk niet om wat je opschrijft, maar om wat je doet. Dat beleid is echt zo vormgegeven. Vandaar dat de zin die is weggevallen zonder enig probleem kan worden teruggeplaatst. Het beleid dekt die zin namelijk. Denkt u dus niet dat op V en W niet de overtuiging aangehangen wordt dat ook de natuur op zee, biodiversiteit en andere zaken die mevrouw Ouwehand heeft genoemd buitengewoon belangrijk zijn. Die punten zijn namelijk zeker belangrijk. Ik kan haar direct toezeggen dat wij het beleidsdoel diversiteit op zee expliciet opnemen in het beleidsplan. Het beleid is daar echt op gericht.

De heer Koppejan heeft gesproken over de zeescheepvaart en windmolenparken. Bij die zoekgebieden is rekening gehouden met de zeescheepvaart en er wordt ook gekeken naar de MZI’s.

Verder vroeg de heer Koppejan of de huidige verontreinigingsheffing op reeds gezuiverd water een rem vormt op innovatieve samenwerkingsprojecten. De heffing voor het lozen van reeds voorgezuiverd afvalwater is lager dan voor afvalwater dat niet voorgezuiverd is. Naar aanleiding van de aangenomen motie-Madlener is het mijn voornemen de Kamer nog dit jaar te informeren over de uitkomsten van een onderzoek dat ik op dit moment uitvoer naar de mogelijkheden van een vrijstelling van de verontreinigingsheffing voor puntbronnen die aan de Europese normen voldoen.

De heer Koppejan heeft ook een vraag gesteld over de temperatuur en over de situatie aan de Zaan. Hij heeft daar in het algemeen overleg over de stroomgebiedbeheersplannen ook aan gerefereerd. Ik heb toen al gezegd dat ik de reactie van de provincie op de inspraak af wil wachten. Ik wil eerst kijken hoe dat loopt en als er dan nog niets verandert aan de maximumwaarden moeten wij kijken of dat inderdaad de voedingsmiddelenindustrie raakt en op welke manier daar dan op gereageerd moet worden. Het is in ieder geval niet mijn doel om de voedingsmiddelenindustrie bij de Zaan vandaan te halen. Als het gaat om afstemming met het buitenland is die 25 graden de inzet in alle rivierencommissies en de overleggen met het buitenland. Daar wordt tot nu toe door geen enkel land een vraagteken bij gezet.

Ik heb tegen de heer Vendrik gezegd dat als het gaat om wind op zee V en W echt goed op streek is. Dat is waar. Ik was alleen iets te enthousiast toen ik zei dat er 17 vergunningen zijn afgegeven. Er zijn 17 vergunningaanvragen in behandeling en er zijn twee vergunningen afgegeven. Desalniettemin blijft gelden dat het echt niet aan V en W ligt en dat wij daar buitengewoon goed mee op streek zijn. Als het aan V en W ligt kunnen wij dik voldoen aan hetgeen voor deze kabinetsperiode is afgesproken. Wij zouden daar zelfs bovenuit kunnen gaan, mocht daartoe besloten worden.

De voorzitter: Ik zou iedereen graag nog gelegenheid geven om een interruptie te plegen, maar daar is geen tijd meer voor. Dat doen wij in een volgend overleg, want er komen nog meer overleggen over dit onderwerp.

De heer Jansen (SP): Voorzitter. Er zijn twee vragen van mij nog niet beantwoord, die over de Schelde en die over prof. Frijling.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): De vraag van mij over de oestergronden is ook niet beantwoord.

Staatssecretaris Huizinga-Heringa: Wat betreft de verdieping van de Westerschelde houdt het kabinet zich aan de afspraken die zijn gemaakt in de Scheldeverdragen. De vraag van de heer Jansen staat er niet bij, maar dit is het antwoord.

De heer Jansen (SP): Het kabinet kan zich houden aan de Scheldeverdragen, maar ook het alternatief van Boorsma bekijken. Dat gaat namelijk over de komende twee eeuwen. Daar zit dus echt wel wat in. Ik zou daarom graag de toezegging horen dat dit alternatief ook wordt meegenomen.

Staatssecretaris Huizinga-Heringa: Daar wordt naar gekeken.

In 2012 wordt besloten of de oestergronden extra bescherming behoeven. Dat wordt nu onderzocht en in 2012 nemen wij daar een besluit over. Dat doe ik overigens niet, maar dat doet de minister van LNV.

De voorzitter: Het is voor de mensen op de tribune wellicht goed om te weten dat de commissie in de komende periode op werkbezoek gaat. De data daarvan zijn nu vastgesteld. Dat zijn openbare werkbezoeken. De pers is daarbij ook van harte welkom. Op 23 maart gaan wij naar de zuidwestelijke delta. Op 6 april gaan wij naar Noord-Holland en de Hondsbossche Zeewering, op 15 mei naar het Brabantse en Gelderse rivierengebied, op 25 mei naar Kampen en omgeving en op 18 en 19 juni naar Vlieland, Harlingen, Afsluitdijk en omgeving. In de periode 22 tot 25 augustus wordt nog een bezoek gepland aan Lauwersoog en het Eems-Dollardgebied.

Toezeggingen

– Nog in 2009 zal de Kamer worden geïnformeerd over het onderzoek naar de vrijstelling van de verontreinigingsheffing van puntbronnen, zoals bedoeld in de motie-Madlener (30 818, nr. 33).

– De Kamer zal in het najaar van 2009 worden geïnformeerd over het Deltaprogramma en de (solide) wijze van financieren daarvan.

– De Kamer zal in deze kabinetsperiode worden geïnformeerd over het onderzoek naar de haalbaarheid van een Rijksbestemmingsplan, zoals bedoeld in de motie-Polderman (29 675, nr. 54).

– De staatssecretaris zal de Kamer binnen twee weken informeren over de uitkomsten van het overleg met de natuurorganisaties over sedimenttransport en zandsuppleties Waddenzee.

– De Kamer wordt schriftelijk nader geïnformeerd over de mogelijkheden voor een moratorium op de stort van baggerspecie.

– In 2010 komt de staatssecretaris met een voorstel voor de nieuwe normering waterveiligheid. Daarbij zal ook worden teruggekomen op een norm voor basisveiligheid, waaronder een norm voor het borgen van basisveiligheid voor buitendijkse bebouwing.

– De Kamer wordt vóór het zomerreces van 2009 geïnformeerd over de ruimte die bestaat voor alternatieven voor de peilstijging IJsselmeer, zoals het gebruiken van diepgelegen polders als zoetwaterbergingsgebied.

– De ontwerp-Deltawet komt nog in 2009 naar de Kamer.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik mis de toezegging dat herstel van de biodiversiteit expliciet een van de beleidskeuzes wordt.

De voorzitter: Dit onderwerp is aan de orde gekomen in de beantwoording van de schriftelijke vragen.

De heer Jansen (SP): Ik mis ook nog een belangrijke toezegging. Die betreft de alternatieven die bekeken zouden worden en waarover schriftelijk met de Kamer gecommuniceerd zou worden. Verder mis ik een toezegging over het splitsen van de kosten bij zandsuppletie tussen veiligheidssuppletie en de rest.

De voorzitter: De staatssecretaris komt in de definitieve nota op al deze alternatieven terug.

De voorzitter van de vaste commissie voor Verkeer en Waterstaat,

Jager

De voorzitter van de vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Koopmans

De voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

Atsma

De griffier van de vaste commissie voor Verkeer en Waterstaat,

Sneep


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Vendrik (GroenLinks), Van der Staaij (SGP), Snijder-Hazelhoff (VVD), Mastwijk (CDA), Jager (CDA), voorzitter, Koopmans (CDA), Gerkens (SP), Van der Ham (D66), Haverkamp (CDA), Aptroot (VVD), Samsom (PvdA), Boelhouwer (PvdA), Roefs (PvdA), Jansen (SP), Cramer (ChristenUnie), Roemer (SP), Koppejan (CDA), Vermeij (PvdA), Madlener (PVV), Ten Broeke (VVD), ondervoorzitter, Ouwehand (PvdD), Polderman (SP), Tang (PvdA) en De Rouwe (CDA).

Plv. leden: Halsema (GroenLinks), Van der Vlies (SGP), Boekestijn (VVD), Bilder (CDA), Atsma (CDA), Van Bommel (SP), Koşer Kaya (D66), Sterk (CDA), Neppérus (VVD), Dijsselbloem (PvdA), Jacobi (PvdA), Besselink (PvdA), Anker (ChristenUnie), Van Leeuwen (SP), Knops (CDA), Depla (PvdA), Agema (PVV), Verdonk (Verdonk), Thieme (PvdD), Lempens (SP), Waalkens (PvdA), Van Heugten (CDA) en De Krom (VVD).

XNoot
2

Samenstelling:

Leden: Van Gent (GroenLinks), Van der Staaij (SGP), Poppe (SP), Snijder-Hazelhoff (VVD), ondervoorzitter, Depla (PvdA), Van Bochove (CDA), Koopmans (CDA), voorzitter, Spies (CDA), Van der Ham (D66), Van Velzen (SP), Vietsch (CDA), Aptroot (VVD), Samsom (PvdA), Boelhouwer (PvdA), Roefs (PvdA), Neppérus (VVD), Van Leeuwen (SP), Jansen (SP), Van der Burg (VVD), Van Heugten (CDA), Vermeij (PvdA), Madlener (PVV), Ouwehand (PvdD), Bilder (CDA) en Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie).

Plv. leden: Vendrik (GroenLinks), Van der Vlies (SGP), Polderman (SP), Remkes (VVD), Jacobi (PvdA), Koppejan (CDA), Ormel (CDA), Koşer Kaya (D66), Leijten (SP), Schreijer-Pierik (CDA), De Krom (VVD), Timmer (PvdA), Waalkens (PvdA), Vos (PvdA), Zijlstra (VVD), Langkamp (SP), Gerkens (SP), Van Beek (VVD), Schermers (CDA), Besselink (PvdA), Agema (PVV), Thieme (PvdD), Sterk (CDA) en Ortega-Martijn (ChristenUnie).

XNoot
3

Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), ondervoorzitter, Schreijer-Pierik (CDA), Atsma (CDA), voorzitter, Poppe (SP), Waalkens (PvdA), Snijder-Hazelhoff (VVD), Jager (CDA), Ormel (CDA), Koopmans (CDA), Van der Ham (D66), Van Velzen (SP), Samsom (PvdA), Van Dijken (PvdA), Neppérus (VVD), Jansen (SP), Jacobi (PvdA), Cramer (ChristenUnie), Koppejan (CDA), Graus (PVV), Vermeij (PvdA), Zijlstra (VVD), Thieme (PvdD), Dibi (GroenLinks), Polderman (SP) en Elias (VVD).

Plv. leden: Van der Staaij (SGP), Mastwijk (CDA), Ten Hoopen (CDA), Luijben (SP), Tang (PvdA), Boekestijn (VVD), Bilder (CDA), Biskop (CDA), Pieper (CDA), Koşer Kaya (D66), Van Leeuwen (SP), Eijsink (PvdA), Depla (PvdA), Van Baalen (VVD), Kant (SP), Blom (PvdA), Ortega-Martijn (ChristenUnie), Van Heugten (CDA), Brinkman (PVV), Kuiken (PvdA), Ten Broeke (VVD), Ouwehand (PvdD), Vendrik (GroenLinks), Lempens (SP) en Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD).