Kamerstuk 31706-9

Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten

Dossier: Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten


31 706
Regeling van een tegemoetkoming voor chronisch zieken en gehandicapten (Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten)

nr. 9
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 3 oktober 2008

Tijdens het VAO «financiële tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten» van 3 juli jl. (Handelingen der Kamer II, vergaderjaar 2007–2008, nr. 105, blz. 7630–7632) is een motie aangenomen waarin het kabinet verzocht wordt een integrale en onafhankelijke ketenuitvoerbaarheidstoets uit te voeren.1 In reactie op die motie heeft het kabinet laten weten een audit te laten uitvoeren op de keten van verantwoordelijkheden inzake het Wetsvoorstel tegemoetkoming chronisch en gehandicapten, dat inmiddels bij uw Kamer aanhangig is gemaakt. Op 16 september jl. is uw Kamer bij brief nader geïnformeerd over de aanpak van deze ketenuitvoerbaarheidstoets.2 Zoals in deze brief is vermeld, is het onderzoek uitgevoerd door Berenschot B.V. en is het onderzoek toegespitst op de uitvoering van de voorgestelde forfaitaire tegemoetkoming in de Wtcg. In het onderzoek is evenwel ook zijdelings aandacht besteed aan de uitvoering door het CAK van de verlaging van de eigen bijdragen AWBZ en Wmo. De onderzoekers hebben op 1 oktober jl. hun rapportage afgerond. Deze bied ik u hierbij aan, mede namens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Financiën.3

Naar aanleiding van de in het rapport neergelegde bevindingen, merk ik het volgende op.

Het kabinet is verheugd dat de hoofdconclusie van het onderzoek luidt dat alle ketenpartners in principe in staat zijn om tijdig de juiste informatie aan te leveren voor de uitkering van het forfait. Aan de belangrijkste voorwaarde voor een adequate uitvoering van de nieuwe forfaitaire regeling is daarmee in beginsel voldaan.

De hoofdconclusie wordt uitgewerkt in een aantal deelconclusies waaruit blijkt dat de ketenpartners over het algemeen goed op de hoogte zijn van hetgeen van hen verwacht wordt en ook tijdig beschikken over de informatie die zij nodig hebben voor hun taak in de informatieketen. Ook is er tijdig een adequate infrastructuur beschikbaar om tot uitkering van de forfaits te komen. Er is verder gekeken naar het waarborgen van de privacy van de cliënten door de verschillende ketenpartners. De onderzoekers hebben vastgesteld dat het CIZ, Vektis en het CAK beschikken over een privacyprotocol dat is aangemeld bij het College Bescherming Persoonsgegevens. Ik voeg hieraan nog toe dat het College Bescherming Persoonsgegevens conform zijn taak toezicht zal houden op het zorgvuldig gebruik van de verzamelde persoonsgegevens. Bovendien worden bij algemene maatregel van bestuur en ministeriële regeling nog nadere eisen gesteld aan de bescherming van persoonsgegevens.

Gezien de centrale rol die het CAK bij de uitvoering van de nieuwe regeling zal hebben, is in het bijzonder gekeken of het CAK voldoende is toegerust voor een correcte verwerking van de gegevensstromen. De onderzoekers komen tot de conclusie dat dit inderdaad het geval is, waarbij in het bijzonder wordt gewezen op het leereffect van de uitvoering van de compensatie voor het verplicht eigen risico in de Zorgverzekeringswet. Zijdelings merken de onderzoekers op dat het CAK naar verwachting ook goed in staat zal zijn de korting op de eigen bijdragen AWBZ en Wmo uit te voeren, de andere taak die aan het CAK wordt opgedragen in het kader van de voorgestelde regeling.

Deze positieve beoordeling van de uitvoeringsketen neemt niet weg dat er ook een aantal punten naar voren komt, waaraan de komende tijd nog nader aandacht zal worden besteed.

Zoals uit het onderzoek blijkt moet voorkomen worden dat deze regeling extra druk op het «frontoffice» van het CAK oplevert. Het kabinet onderschrijft ten volle het belang van dit punt. Daarbij is het van belang vast te stellen dat het CAK voor de nieuwe regeling een separaat frontoffice inricht en dat het bestaande frontoffice voor de andere uitvoeringstaken van het CAK hiermee niet wordt belast. Dit betekent dat de uitvoering van de forfaitaire regeling niet wordt beïnvloed door de andere taken van het CAK.

De onderzoekers wijzen in dit verband op de noodzaak van goede voorlichting gericht op de doelgroep van de Wtcg. Naarmate er bij het publiek meer onduidelijkheid bestaat over de nieuwe regeling, zal de druk op het CAK, als meest zichtbare uitvoerder van de regeling, toenemen. Het is daarom essentieel dat de doelgroep goed over de nieuwe regeling wordt geïnformeerd. Als mensen op de hoogte zijn van de veranderingen die zij met ingang van volgend jaar kunnen verwachten, zullen zij zich minder snel tot het CAK wenden om duidelijkheid over hun situatie te verkrijgen. Het kabinet is zich terdege bewust van de noodzaak om de doelgroep tijdig en adequaat over de nieuwe regeling te informeren. Daarom zijn inmiddels samen met de ketenpartners, de Belastingdienst, het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Chronisch Zieken en Gehandicaptenraad voorbereidingen gestart voor een publiekscampagne, zodat de doelgroep tijdig weet hoe de nieuwe regeling eruit ziet en wat men kan verwachten.

Naast een grote inspanning ten aanzien van de communicatie over de nieuwe regeling, wordt ook geïnvesteerd in de kwaliteit van het frontoffice dat het CAK voor zijn nieuwe taak opzet. Aan het CAK worden in het kader van de Wtcg extra middelen ter beschikking gesteld. Het CAK wordt daarmee in staat gesteld tijdig over voldoende, goed opgeleide medewerkers te beschikken en investeringen in de benodigde infrastructuur te doen.

Om er alles aan te doen om tot een soepel lopende uitvoeringsketen te komen, zal verder vanuit het ministerie van VWS al op zeer korte termijn een implementatieoverleg met de ketenpartners worden opgezet. Er wordt een stuurgroep «implementatie Wtcg» geformeerd op hoog ambtelijk niveau. Voor deze stuurgroep zullen het CAK, het Centraal Indicatieorgaan Zorg (CIZ), Zorgverzekeraars Nederland en Vektis worden uitgenodigd. In dit overleg kunnen de ketenpartners alle implementatie- en uitvoeringskwesties waar men bij het uitvoeren van de wettelijke plicht tegenaan loopt aan de orde stellen. Eventuele onduidelijkheden en problemen in de uitvoeringsketen kunnen zo tijdig worden gesignaleerd en weggenomen, zodat de ketenpartners zich optimaal op hun taak bij de uitvoering van de Wtcg kunnen voorbereiden. Daarbij zullen ook zaken zoals werkafspraken, uitwisselingstechnieken en service level agreements aan de orde komen.

Ten aanzien van de beschikbaarheid van gegevens bij de verschillende ketenpartners plaatsen de onderzoekers ook nog enkele kanttekeningen. Het betreft de registratie van het gebruik van hulpmiddelen door zorgverzekeraars, het ontbreken van een klein deel van de burgerservicenummers (BSN) en bankrekeningnummers van cliënten, het ontbreken bij het CIZ van indicaties voor onbepaalde tijd die door de rechtsvoorgangers van het CIZ zijn afgegeven en het maken van afspraken over het secundaire informatieproces.

Deze aandachtpunten, die grotendeels reeds waren onderkend vormen mede de aanleiding voor het opzetten van het hiervoor genoemde implementatieoverleg. Ten aanzien van de registratie van hulpmiddelen vindt reeds overleg plaats met Zorgverzekeraars Nederland, waarbij bezien wordt welke inspanningen op dit punt nog door verzekeraars verricht moeten worden. In aansluiting op eerdere correspondentie heeft mijn Ministerie Zorgverzekeraars Nederland er per brief op gewezen dat zorgverzekeraars onder de Wtcg een wettelijke plicht tot registratie van hulpmiddelen zullen hebben. In deze brief is aangedrongen op een snelle en adequate inspanning terzake door de zorgverzekeraars. De brief bevat tevens een voorstel voor de wijze waarop deze registratie zou kunnen plaatsvinden. Dit zal ook in het implementatieoverleg nauwgezet worden gemonitord. Ook zal in het implementatieoverleg naar een oplossing voor de ontbrekende BSN en bankrekeningnummers worden gezocht. Bij beschikking deelt het CAK het bekende rekeningnummer mee, dan wel wordt gemeld dat geen rekeningnummer bekend is. Indien betrokkene zijn, of een ander rekeningnummer wil opgeven, kan dat met de antwoordkaart die bij de beschikking is gevoegd. Over de indicaties voor onbepaalde tijd en over het secundaire informatieproces zullen in het implementatieoverleg met de ketenpartners nadere afspraken worden gemaakt.

Gelet op de conclusies van het onderzoek en gelet op de reeds in gang gezette aanvullende acties die hierboven zijn besproken, heeft het kabinet er alle vertrouwen in dat de uitvoering van de Wtcg correct zal verlopen.

De staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

M. Bussemaker


XNoot
1

Motie Omtzigt c.s., Tweede Kamer 2007–2008, 29 689, nr. 207.

XNoot
2

Brief van 16 september 2008, kamerstuk 31 706, nr. 6.

XNoot
3

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.