Kamerstuk 31706-59

Reactie op de brief van de Nederlandse Woonbond, de CG-Raad en Platform VG van 13 mei 2013 over de regeling aanwijzing chronisch zieken en gehandicapten inzake de inkomensafhankelijke huurverhogings

Dossier: Regeling van een tegemoetkoming voor chronisch zieken en gehandicapten (Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten)


Nr. 59 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR WONEN EN RIJKSDIENST

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 5 juni 2013

De Vaste commissie Wonen en Rijksdienst heeft verzocht om mijn reactie op de brief van de Nederlandse Woonbond, de CG-Raad en Platform VG van 13 mei 2013 over de regeling aanwijzing chronisch zieken en gehandicapten inzake de inkomensafhankelijke huurverhogings te ontvangen.

In de brief pleiten Woonbond, CG-Raad en Platform VG er voor om de aangewezen groep chronisch zieken en gehandicapten uit te breiden met andere groepen chronisch zieken en gehandicapten.

Ik heb begrip voor het verzoek om de criteria voor het behoren tot de aangewezen groep nog eens tegen het licht te houden. Belangrijk daarbij is dat de groep die gebruik kan maken van de bezwaarmogelijkheid tegen de inkomensafhankelijke huurverhoging duidelijk wordt afgebakend van andere chronisch zieken en gehandicapten en dat geen willekeur bij verhuurders kan ontstaan over de interpretatie van de criteria.

De regeling beoogt de groep chronisch zieken en gehandicapten te definiëren van wie vanwege hun chronisch ziekte of handicap in redelijkheid niet verwacht kan worden dat zij doorstromen naar een andere woning. Bij de in de regeling Aanwijzing chronisch zieken en gehandicapten (Staatscourant 2013, 11660) gedefinieerde groep chronisch zieken en gehandicapten is aangesloten bij de reeds bestaande uitzonderingen voor chronisch zieken en gehandicapten in de huurregelgeving (huurtoeslag, toewijzing betaalbare huurwoningen van woningcorporaties, woningwaarderingsstelsel). Bovendien moet de regeling uitvoerbaar zijn voor verhuurders en, in geval van geschillen, de Huurcommissie. Daarvoor is het nodig dat verhuurders en Huurcommissie aan de hand van door derden verstrekte geobjectiveerde gegevens kunnen toetsten of het huishouden tot de aangewezen groep chronisch zieken en gehandicapten behoort. Voor huurders is het belangrijk die duidelijkheid reeds vooraf te hebben met welke gegevens men dient aan te tonen tot de aangewezen groep te behoren. Dat betekent uniforme, eenduidige en door derden verstrekte geobjectiveerde gegevens door huurder en verhuurder goed te hanteren en te toetsen zijn.

Uiteraard staat het verhuurders vrij om ook bezwaren tegen de inkomensafhankelijke huurverhoging door andere chronisch zieken en gehandicapten te honoreren. Maar om de regeling uitvoerbaar te houden voor verhuurders en Huurcommissie moeten die in eventuele geschillen tussen verhuurders en huurders over de vraag of een bepaald huishouden een beroep kan doen op de bezwaargrond van artikel 7:252a lid 6 onder a BW, die vraag aan de hand van een objectieve bron kunnen beantwoorden.

In de brief geven Woonbond, CG-Raad en Platform VG aan dat bepaalde groepen naar hun mening buiten de boot vallen. Nu is het inherent aan alle aanwijzingen van bepaalde groepen dat er mensen buiten die aangewezen groepen vallen. Ik zal ingaan op de door hen aangedragen groepen die naar hun mening ten onrechte geen gebruik kunnen maken van de bezwaarmogelijkheid tegen de inkomensafhankelijke hogere huurverhoging.

  • Huurders met een chronische ziekte of handicap die wonen in een woning die bij de bouw al geschikt is gemaakt voor mensen met een mobiliteits-beperking.

    Als huurders een bij de bouw reeds voor chronisch zieken en gehandicapten aangepaste woning bewonen, zullen zij die woning toegewezen hebben gekregen vanwege hun chronische ziekte of handicap. In dat geval is in de administratie van de verhuurder terug te vinden dat die aangepaste woning specifiek vanwege die aanpassing(en) aan de huurder is toegewezen. Ik verwacht dat verhuurders in die gevallen het bezwaar van de huurder zal honoreren en de huurverhoging zal beperken tot inflatie+1,5%. Er is dan immers een bewijs beschikbaar in de administratie van de verhuurder en ik verwacht dat de verhuurder in deze gevallen ook geen doorstroming beoogt van het huishouden. Het staat verhuurders immers altijd vrij om bezwaren van huurders tegen de huurverhoging te honoreren, ook als de aangevoerde bezwaargrond niet wettelijk afdwingbaar is.

    Het moet dan wel gaan om voor specifieke (groepen) chronische zieken of gehandicapten aangepaste woningen. Als de woning enkel een nultredenwoning is, is er geen sprake van een aangepaste woning.

    Voor de toewijzing van voor chronisch zieken of gehandicapten aangepaste woningen kan lokaal verschillend beleid (van gemeenten of van verhuurders) gelden, hiervoor geldt geen landelijk beleid. Dat betekent dat in deze naar verwachting niet landelijk uniform zal worden gehandeld.

    Het is mogelijk dat voor een van de bewoners van een reeds bij de bouw aangepaste woning een van de in de regeling genoemde zorgindicaties is verstrekt. In dat geval kan het huishouden uiteraard op grond van die zorgindicatie bezwaar maken tegen de inkomensafhankelijke huurverhoging en hoeft de huurder geen bewijs van aanpassing van de woning te verstrekken.

  • Mensen met een ernstige visuele handicap: blinden en slechtzienden.

    Voor de uitvoerbaarheid van de regeling voor verhuurders en Huurcommissie is zoals gezegd vereist dat verhuurders en Huurcommissie aan de hand van door derden verstrekte gegevens kunnen toetsen of het huishouden tot de aangewezen groep behoort.

    Bij regelingen voor visueel gehandicapten mogen blinden als bewijsmiddel in het algemeen volstaan met een verklaring van de huisarts. Bij slechtziendheid wordt echter doorgaans gevraagd om een oogheelkundige verklaring (gegevens over gezichtsvelden, gezichtsscherpte en de diagnose) van de oogarts of een verslag van een (recent) low-vision onderzoek uitgevoerd bij één van de regionale instellingen (Bartiméus of Koninklijke Visio). De oogheelkundige verklaring of het verslag van het low-vision onderzoek geeft dan echter nog geen uitsluitsel over de vraag of de aanvrager tot de doelgroep behoort. Daarvoor is dan eerst nog een beoordeling door een aan de instantie waarbij de aanvraag is ingediend gelieerde oogarts nodig van die oogheelkundige verklaring of dat verslag van het low-vision onderzoek. Er is dus kennelijk geen sprake van eenduidige verklaringen over de mate van slechtziendheid. Verhuurders en Huurcommissie beschikken niet over oogheelkundige kennis om die oogheelkundige verklaringen of verslagen van low-vision onderzoeken te kunnen interpreteren en daarmee kunnen toetsen of het huishouden tot de aangewezen groep behoort. Het toevoegen van een groep slechtzienden die in redelijkheid niet geacht kunnen worden door te stromen naar aan andere woning aan de aangewezen groep zou de regeling dus onuitvoerbaar maken voor verhuurders en Huurcommissie.

    Hetzelfde geldt voor het beoordelen van de mate van een verstandelijke handicap of autisme, zodat getoetst kan worden of zij tot de groep behoren van wie in redelijkheid niet verwacht kan worden dat zij naar een andere woning doorstromen.

  • Mensen die een zorginidicatie voor minder dan 10 uur per week hebben.

    Bij de hantering van de 10-uur-per-weekgrens wordt niet alleen aangesloten bij de Tijdelijke regeling diensten van algemeen en economisch belang toegelaten instellingen, maar ook aan aanpalende regelgeving met betrekking tot de zorg waarbij de 10-uur-zorg-per-weekgrens wordt gehanteerd, zoals de Tegemoetkoming ouders van thuiswonende gehandicapte kinderen (TOG) en toegang tot het persoonsgebonden budget vanaf 1 januari 2013 (Regeling subsidies AWBZ per 1 januari 2013).

    Omdat deze 10-uur-grens breed wordt gehanteerd, zie ik geen aanleiding om de grens voor de regeling Aanwijzing groep chronisch zieken en gehandicapten lager te leggen.

  • Inwonende mantelzorgers.

    Voor de uitvoerbaarheid van de regeling is vereist dat verhuurders en de huurcommissie kunnen toetsen of een lid van het huishouden een mantelzorger is die een zorgbehoevende verzorgt. Daarvoor is een door derden verstrekt geobjectiveerd bewijsmiddel vereist. Uit dat bewijs zou moeten blijken dat door de inwonende mantelzorger, bijvoorbeeld echtgeno(o)t(e) of kind, geleverde zorg (naar de aard van de AWBZ) de zorgindicatie lager uitvalt dan 10 uur per week. Een dergelijk bewijs is niet voorhanden.

    Een bewijs van mantelzorg (zonder de relatie met de uren AWBZ-zorg) zou wellicht een verstrekt mantelzorgcompliment voor inwonende mantelzorgers kunnen zijn. In antwoorden op Kamervragen van het lid Bergkamp (D66) over het mantelzorgcompliment (Handelingen II, 2012/13, Aanhangsel nr. 2055) is aangegeven dat de regeling van het mantelzorgcompliment fundamenteel wordt heroverwogen en dat de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport uw Kamer voor de zomer nader zal informeren over het mantelzorgcompliment. Die heroverweging van het mantelzorgcompliment kan mogelijk aanleiding zijn de regeling Aanwijzing chronisch zieken en gehandicapten opnieuw te bezien.

    Alles overziende zie ik vooralsnog alleen mogelijkheden om blinden toe te voegen aan de aangewezen groep chronisch zieken en gehandicapten die bezwaar kunnen maken tegen de inkomensafhankelijke huurverhoging. De mogelijkheid voor aanpassing van de regeling ten aanzien van mantelzorgers zal worden bezien na de heroverweging van het mantelzorgcompliment door de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

De minister voor Wonen en Rijksdienst, S.A. Blok