31 700 XV
Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) voor het jaar 2009

nr. 45
BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 25 november 2008

Tijdens de algemene politieke beschouwingen heeft de heer Pechtold zijn zorgen geuit over de inkomenspositie van alleenstaanden. Alleenstaanden zouden bij diverse regelingen achterblijven ten opzichte van meerpersoonshuishoudens. De minister-president heeft een brief toegezegd die hier inhoudelijk ingaat. Middels deze brief wordt aan die toezegging voldaan. In het debat over het Belastingplan 2009 is gevraagd naar het leefvormneutrale karakter van het belastingsstelsel. Staatssecretaris de Jager heeft hierover een brief toegezegd.

Allereerst ga ik kort in op de inkomensverschillen tussen paren en alleenstaanden. In algemene zin valt op te merken dat alleenstaanden vaak relatief armer zijn dan paren (zie ook de CBS publicatie «de Nederlandse Economie 2007»). Daar is een logische verklaring voor. Binnen de groep alleenstaanden zitten relatief veel jongeren die nog aan het begin van hun carrière zitten en nog niet op het maximum van hun verdiencapaciteiten zijn beland. Tevens zijn er relatief veel oudere alleenstaanden. Ook ouderen beschikken over het algemeen over minder inkomen dan de groep die in het midden van hun carrière zit.

Daarnaast is er een belangrijke maatschappelijke trend gaande wat betreft de samenstelling van huishoudens. Het kostwinnerschap verdwijnt langzamerhand en het aantal tweeverdieners neemt toe. Met het oog op het belang van een grotere arbeidsparticipatie kan dat worden gezien als een positieve ontwikkeling. Deze trend ziet men ook terug in het beleid; oude, op het kostwinnerschap geënte regelingen worden langzaam gemoderniseerd. De afbouw van de overdraagbaarheid van de algemene heffingskorting is daar een voorbeeld van. Deze modernisering heeft geen directe invloed op de inkomenspositie van alleenstaanden maar is er sprake van een verschuiving binnen de groep meerpersoonshuishoudens. Wel zorgt dit voor een relatieve verslechtering van de positie van alleenstaanden ten opzichte van paren.

Bij de diverse inkomensgerelateerde regelingen die ons land rijk is, is de behandeling van alleenstaanden en meerpersoonshuishoudens vaak verschillend. In de sociale zekerheid worden alleenstaanden anders behandeld dan in de fiscaliteit of bij inkomensafhankelijke regelingen.

In de sociale zekerheid hebben alleenstaanden vaak een relatief hogere uitkering dan paren. Alleenstaande 65-plussers hebben recht op AOW gebaseerd op 70% van het minimumloon de terwijl samenwonende 65-plussers ieder recht hebben op AOW gebaseerd op 50% van het minimumloon (samen 100%). Ook in de bijstand hebben alleenstaanden recht op een uitkering gebaseerd op 70% van het minimumloon (alleenstaande ouders zelfs 90%) en hebben samenwonende bijstandsgerechtigden recht op een uitkering gebaseerd op 100% van het minimumloon.

Werknemersverzekeringen als de WW of de WIA zijn gebaseerd op het individu en kennen als zodanig ook geen partnertoets, behalve wanneer lage uitkeringen worden aangevuld tot het sociaal minimum op basis van de toeslagenwet. Er is hier dan ook geen sprake van het bevoordelen of benadelen van alleenstaanden.

Inkomensafhankelijke regelingen pakken anders uit. Zij hebben ook een ander doel. Sociale verzekeringen hebben als doel een verzekering te bieden tegen onverwachte omstandigheden of garanderen een bepaald sociaal minimum. Inkomensafhankelijke regelingen zijn bedoeld voor de compensatie van specifieke kosten (voor bijvoorbeeld de kosten van kinderen of zorg). Op de meeste inkomensafhankelijke regelingen is de AWIR van toepassing. De hoogte van de toeslag wordt gebaseerd op het gezamenlijk verzamelinkomen en dus wordt de toeslag op huishoudniveau uitbetaald. Ook hier geen verschil tussen alleenstaanden en paren. Op onderdelen maken sommige regelingen wél onderscheid tussen alleenstaanden en paren. De manier waarop is verschillend. De huurtoeslag maakt bijvoorbeeld onderscheid tussen één- en meerpersoonshuishoudens (inclusief kinderen). Bij de zorgtoeslag is er verschil tussen alleenstaanden en paren (exclusief kinderen). Overigens wordt dit verschil bij de zorgtoeslag kleiner: komend jaar wordt de zorgtoeslag voor alleenstaanden verhoogd.

Uiteindelijk komen de diverse regelingen weer bij elkaar in de koopkrachtplaatjes die het CPB en het kabinet publiceren. Daarin is van jaar op jaar te zien of de verschillen tussen alleenstaanden en paren groter of kleiner worden. Daarbij is het belangrijk om de juiste huishoudens met elkaar te vergelijken. Voor een goed beeld moeten huishoudtypes met een gelijk inkomensniveau en met een gelijk aantal kinderen worden vergeleken. Want wanneer we de koopkrachtplaatjes van de afgelopen jaren voor alleenstaanden met die van paren met kinderen gaan vergelijken dan zien we over het algemeen een verschil in het voordeel van de laatste. Dat is echter niet een gevolg van het voeren van beleid dat alleenstaanden benadeeld, maar een gevolg van beleid dat zich richt op het verbeteren van de inkomenspositie van huishoudens met kinderen. Dat laatste is iets waar dit kabinet (en voorgaande kabinetten) wel extra op inzet, getuige de bijzondere aandacht voor gezinnen bij het inkomensbeleid. Dit enerzijds vanuit het draagkrachtprincipe (het hebben van kinderen kost geld) en anderzijds vanuit de gedachte de arbeidsparticipatie bij gezinnen met kinderen te bevorderen. Het eerste wordt in de huidige kabinetsperiode vormgegeven door de extra middelen voor het kindgebonden budget en het tweede onder meer door de inkomensafhankelijke aanvullende combinatiekorting. Deze middelen komen terecht bij álle gezinnen met kinderen, ook bij alleenstaanden met kinderen.

Concluderend kan niet worden gesteld dat alleenstaanden achterblijven ten opzichte van paren. Het beeld is immers divers, als gevolg van de keuzes die bij de verschillende regelingen in het verleden zijn gemaakt. De verschillen tussen huishoudens met en zonder kinderen zijn een gevolg van politieke keuzes van het huidige (en ook van de vorige kabinetten Balkenende) waarin er bijzondere aanacht is (en was) voor de positie van huishoudens met kinderen.

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

J. P. H. Donner