Kamerstuk 31386-7

Wijziging van o.a. Wetboek van Strafrecht i.v.m. o.a. strafbaarstelling deelnemen en meewerken aan training voor terrorisme

Dossier: Wijziging van o.a. Wetboek van Strafrecht i.v.m. o.a. strafbaarstelling deelnemen en meewerken aan training voor terrorisme


nr. 7
VERSLAG

Vastgesteld 6 mei 2008

De vaste commissie voor Justitie1, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen. Onder het voorbehoud dat de hierin gestelde vragen en gemaakte opmerkingen voldoende zullen zijn beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van het voorstel van wet genoegzaam voorbereid.

ALGEMEEN

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel. Zij kunnen zich vinden in de voorgestelde wetswijzigingen. Deze leden merken op dat de Raad van State (hierna: de Raad) een blanco advies heeft uitgebracht. Kennelijk ziet de Raad geen aanleiding voor het maken van kritische kanttekeningen. Dat is bij een wet als deze, die toch een aantal belangrijke wijzigingen inhoudt, niet zonder betekenis.

De leden van de CDA-fractie lezen in de memorie van toelichting dat een deel van de voorstellen voortvloeit uit door de Kamer aangenomen moties. In dit verband wijzen deze leden op de motie-Van Haersma Buma (29 800 VI, nr. 43). In deze aangehouden motie werd de regering gevraagd vernieuwende voorstellen te doen om de zware criminaliteit aan te pakken. De regering werd daarbij tevens verzocht in te gaan op de mogelijkheid van het strafrechtelijk onder curatele stellen van veroordeelden, ontzetting uit bepaalde rechten van veroordeelden, zoals het recht bestuurder te zijn van een rechtspersoon, intrekking van paspoort en rijbewijs als bijzondere strafrechtelijke maatregelen, en het aan banden leggen van de uitvoer van grote hoeveelheden contant geld. De motie is destijds aangehouden. De regering gaf toen aan sympathiek te staan tegenover de motie en op de onderdelen van de motie in een later stadium te zullen terugkomen. Van realisering van hetgeen in de motie gevraagd, is het echter grotendeels niet gekomen. Deze leden vragen de regering in de nota naar aanleiding van het verslag in te gaan op de vraag hoe deze motie, voor zover mogelijk in het kader van deze wet, zal worden uitgevoerd.

Specifiek vragen de leden van de CDA-fractie waarom geen uitwerking is gegeven aan het in de motie vervatte voorstel om personen die veroordeeld zijn voor ernstige delicten de mogelijkheid te ontnemen zonder toestemming bepaalde rechtshandelingen te verrichten. Deze zogenaamde strafrechtelijke ondercuratelestelling was onderdeel van de motie-Van Haersma Buma, en zou dus ook van een vervolg moeten worden voorzien.

De leden van de CDA-fractie vragen een nadere toelichting op de beslissing om de helingsbepalingen in de artikelen 416 en 417bis Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) niet bij gelegenheid van dit wetsvoorstel beter toe te snijden op computercriminaliteit. Wanneer kan een voorstel ter zake worden verwacht?

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van dit wetsvoorstel. Zij hebben nog enkelen vragen en opmerkingen.

De leden van de SP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van dit wetsvoorstel; dat een aantal niet direct met elkaar samenhangende wijzigingen in voornamelijk het wetboek van strafrecht doorvoert. Op een aantal punten zijn zij tevreden met de voorstellen en kunnen zij zonder meer instemmen. Dat geldt bijvoorbeeld voor de verruiming van strafvorderlijke bevoegdheden voor de opsporing en vervolging van kinderpornografie, de aanpassing van de strafbaarstelling van het delict oplichting, en de verruiming van de strafbaarheid van internationale ambtenaren terzake van ambtsmisdrijven.

De leden van de SP-fractie vragen de regering waarom dit moment niet is gebruikt om artikel 273 Sr aan te passen, zoals is toegezegd in antwoord op de Kamervragen van het lid Gerkens (Aanhangsel Handelingen Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, nr. 888). Dit artikel is slechts van toepassing bij schending van bedrijfsgeheim, terwijl ook ernstig nadeel kan ontstaan door het bekendmaken van door computervredebreuk of een ander misdrijf verkregen computergegevens van privépersonen. Kan de regering in overweging nemen de wijziging van deze bepaling alsnog in dit voorstel op te nemen?

De leden van de VVD-fractie hebben met instemming kennisgenomen van het wetsvoorstel dat beoogt aan aangekondigde maatregelen en aangenomen moties uitvoering te geven en beter aansluiting te zoeken met de rechtspraktijk.

Deze leden staan positief tegenover het merendeel van de wijzigingen. Met name de uitbreiding van strafbaarstelling inzake deelnemen en meewerken aan training voor terrorisme, de verruiming van de strafvorderlijke bevoegdheid opsporing en vervolging kinderpornografie en de strafbaarstelling van het wederrechtelijk betreden luchtvaartterreinen zijn naar hun mening belangrijke stappen ter verbetering van aanpak van zeer ernstige vormen van (georganiseerde) misdrijven.

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel hetgeen verschillende wijzigingen beoogt van het strafrecht. Inhoudelijk stemmen deze leden met het merendeel van de voorgestelde wijzigingen zonder problemen in.

Verlenging verjaring vrouwelijke genitale verminking

De leden van de CDA-fractie merken op dat vrouwelijke genitale verminking een zeer ernstige vorm van mishandeling is. De motivering voor de verlenging van zowel de strafrechtelijke als de civielrechtelijke verjaringstermijn (de vergroting van de kans op aangifte en de mogelijkheid tot schadevergoeding) onderschrijven deze leden dan ook ten volle. Het is hen echter nog niet geheel duidelijk waarin het verschil in zienswijze tussen het College van procureurs-generaal en de regering met betrekking tot de registratie- en kwalificatieproblematiek is gelegen. Kan dit nader worden toegelicht?

In het verlengde hiervan vragen zij of de totale verjaringstermijn voor zedendelicten niet voor herziening in aanmerking komt. Bij de behandeling van het initiatiefwetsvoorstel-Ditrich/van Haersma Buma (28 495) inzake de afschaffing van de verjaringstermijn bij zeer ernstige delicten is dit onderwerp aan de orde geweest. Er is toen voor gekozen de bestaande verjaringstermijn in stand te laten. De maatschappelijke discussie over dit thema is sindsdien echter niet verstomd. Hoe kijkt de regering hier thans tegenaan?

De leden van de PvdA-fractie hebben met instemming kennisgenomen van het voornemen om de verjaring in geval van genitale verminking pas in te laten gaan vanaf het moment dat het slachtoffer 18 jaar wordt. Naar de mening van deze leden kan hiermee de vervolging van genitale verminking worden gediend. Wel vragen deze leden of dit ook daadwerkelijk gaat gebeuren. Deze leden moeten al geruime tijd met lede ogen aanzien dat genitale verminking weliswaar al jaren strafbaar is en dat de strafbaarheid ook is verruimd, maar dat desondanks er in de praktijk van de vervolging weinig van te merken valt. Verwacht de regering dat met het voorstel om de verjaringstermijn te verleggen er meer aangiften zullen worden gedaan, en vervolging meer vervolging zal plaatsvinden? Zo ja, kan de regering hierover een inschatting maken? Zullen vrouwen die tot de groep van mogelijke slachtoffers van genitale verminking behoren actief worden voorgelicht over de verlengde mogelijkheid van het doen van aangifte?

Begrijpen de leden van de PvdA-fractie het goed dat in de ernstigste gevallen van genitale verminking een vrouw die voor haar 18e verjaardag is besneden tot het moment dat zij 38 jaar oud wordt, aangifte kan doen respectievelijk een vordering tot schadevergoeding kan indienen?

De leden van de SP-fractie zijn tevreden over het voorstel de verjaringstermijn bij vrouwelijke genitale verminking te verlengen en de verjaringstermijn, net als bij sommige zedendelicten, pas in te laten gaan op het moment dat het slachtoffer 18 jaar is. Hiermee wordt de kans op aangifte vergroot en dat is belangrijk bij dit delict. Zoals ook geadviseerd door het College van procureurs-generaal is het van groot belang dat deze gekwalificeerde vorm van mishandeling, te weten vrouwelijke genitale verminking, juist en volledig als zodanig wordt geregistreerd. Immers, de lengte van de strafrechtelijke verjaringstermijn als de verjaringstermijn van een eventuele civiele vordering is hiervan afhankelijk. Is er op dit punt geen enkel probleem te verwachten? Zal deze extra aantekening («het betreft vrouwelijke genitale verminking») bij het registreren van de «mishandeling» steeds en zonder uitzondering geschieden, zo vragen deze leden.

Strafbaarstelling deelnemen en meewerken aan training voor terrorisme

De leden van de CDA-fractie juichen de strafbaarstelling van het deelnemen en meewerken aan training voor terrorisme toe. Zij menen dat hiermee een waardevolle extra mogelijkheid wordt geschapen om in een vroeg stadium op te treden tegen terroristen. In de memorie van toelichting wordt uitgebreid ingegaan op de strafbaarstellingsmogelijkheden en -verplichtingen in relatie tot het Europees Verdrag ter voorkoming van terrorisme.

Deze leden vragen of, en in hoeverre, het Europese voorstel tot wijziging van dat kaderbesluit gevolgen heeft voor de wijze waarop de aangelegenheden die in het voorliggende wetsvoorstel aan de orde zijn moeten worden geregeld.

De leden van de CDA-fractie vragen de regering nader aan te geven wanneer sprake zal zijn van een terroristische training. Is het ook strafbaar om een training, bijvoorbeeld een schietles, te volgen? Op zichzelf is een dergelijke activiteit niet een terroristische training. In samenhang met andere informatie over de betrokkene kan men van oordeel zijn dat sprake is van een training die wordt gevolgd met het doel een terroristisch misdrijf te begaan. Te denken valt ook bijvoorbeeld aan een persoon die met anderen filosofeert over aanslagen als 11 september en die tevens vlieglessen volgt. Kunnen die vlieglessen dan worden aangemerkt als een terroristische training? Kan ook het volgen van een cursus via internet onder de strafbaarstelling vallen, zo vragen deze leden.

De leden van de CDA-fractie vinden het terecht dat in de memorie van toelichting aandacht wordt besteed aan het feit dat niet onaannemelijk is dat trainingen voor terrorisme in het buitenland plaatsvinden. Deze leden vragen in dit verband of concreet met andere landen zal worden samengewerkt om te achterhalen of personen die naar een bepaald land reizen daadwerkelijk een terroristisch trainingskamp volgen? Voorts vragen deze leden of opleidingen die plaatsvinden door of voor leden van organisaties die op de lijst van terroristische organisaties van de Europese Unie (hierna: EU) of van de van staan, altijd als terroristische opleiding worden aangemerkt.

De aan het woorden zijnde leden vragen de regering aan te geven of deelname aan een kamp, zoals het dierenactivistenkamp dat in augustus 2007 in Appelscha werd gehouden, strafbaar kan zijn op basis van deze nieuwe wetgeving.

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van dit onderdeel van het wetsvoorstel. Zij vragen hoe de inhoud van dit onderdeel zich verhoudt tot hetgeen wordt voorgesteld in het Kaderbesluit van de raad tot wijziging van Kaderbesluit inzake terrorismebestrijding waarin onder andere wordt voorgesteld dat lidstaten er voor moeten zorgen dat training voor terroristische activiteiten in hun nationale wetgeving komt. Zijn er op het gebied van training voor terrorisme verschillen tussen wat in het onderhavige wetsvoorstel staat en hetgeen wordt voorgesteld in het genoemde kaderbesluit? Zo ja, wat zijn die verschillen?

De leden van de PvdA-fractie constateren met de regering dat er met het oog op terrorismebestrijding op het gebied van de strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen al de nodige verruimingen in wetgeving zijn gerealiseerd. In de motie-Eerdmans (29 754, nr. 13) die op de steun van de gehele Kamer kon rekenen, werd gesproken over het mogelijk strafbaar stellen van het bezoeken van en deelnemen aan een opleidingskamp voor terroristen. De voorgestelde strafbaarheid in het onderhavige wetsvoorstel gaat naar de mening van deze leden echter verder dan dat. Zo wordt voorgesteld om het deelnemen aan training voor terrorisme strafbaar te stellen, dit is breder dan deelneming aan een terroristisch trainingskamp. Veel van wat in dit kader onder training kan worden verstaan is al strafbaar op basis van de bestaande wetgeving. De leden van de PvdA-fractie begrijpen dat de nu voorgestelde wetgeving zich richt op het individu dat «in het kader van een door hem zelf voorgenomen terroristische aanslag naar een terroristisch training gaat» (pagina 6 memorie van toelichting). In die gevallen is er geen sprake van samenspanning, een georganiseerd verband en bovendien zal voorbereiding moeilijk aantoonbaar zijn. Wat wordt er in dit verband exact onder een «training» verstaan, zo vragen deze leden.

Voorts vragen de leden van de PvdA-fractie of met de strafbaarstelling van het (trachten te) verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van een terroristisch misdrijf of zelfs een misdrijf ter voorbereiding van een terroristisch misdrijf niet toch verder gaat dan hetgeen in artikel 7 van het Europees Verdrag ter voorkoming van terrorisme wordt voorgeschreven of beoogd. Dat artikel spreekt immers expliciet over «training for terrorism» hieronder wordt verstaan «to provide instruction in the making or use of explosives, firearms or other weapons or noxious or hazardous substances, or in other specific methods or techniques, for the purpose of carrying out or contributing to the commission of a terrorist offence, knowing that the skills provided are intended to be used for this purpose». Naar de mening van deze leden kan hieronder weliswaar worden verstaan het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van een terroristisch misdrijf, maar toch niet in alle gevallen van het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van een terroristisch misdrijf gaat het om training in de zin van het genoemde artikel uit het Europees Verdrag. De aan het woord zijnde leden stellen het op prijs als precies duidelijk wordt gemaakt op grond van welke verplichting in het Europese verdrag het voorgestelde artikel 134a Sr tot stand is gekomen.

In dit kader willen de leden van de PvdA-fractie graag vernemen op welke wijze andere landen artikel 7 van het Europees Verdrag ter voorkoming van terrorisme in nationale wetgeving hebben geïmplementeerd of voornemens zijn te implementeren. Deze leden willen graag weten of het begrip «meewerken aan training voor terrorisme» op dezelfde wijze wordt geïnterpreteerd en geïmplementeerd zoals de Nederlandse regering met onderhavig wetsvoorstel wenst?

Naar de mening van de leden van de PvdA-fractie is terecht niet gekozen om het geven van training alleen strafbaar te stellen, als het gaat om delicten voor zover daarmee het plegen van een terroristisch misdrijf wordt voorbereid. Begrijpen deze leden het goed dat van strafbaarheid sprake is als de dader met zijn verworven kennis en vaardigheden het oogmerk tot het plegen van een terroristisch misdrijf of het vergemakkelijken daarvan heeft? Hoe ziet de regering in praktijk het geval een terroristisch oogmerk kan worden aangetoond? Nu het wetsvoorstel niet alleen over trainingskampen gaat, is het volgen van een individuele training (bijvoorbeeld in een vechtsport) ook strafbaar? Hoe kan in het geval van een training een terroristisch oogmerk, anders dan uit de gevolgen achteraf, worden aangetoond?

De leden van de SP-fractie constateren dat een aanzienlijk deel van dit voorstel betrekking heeft op het strafbaar stellen, verruimen of de strafmaat verhogen bij terrorisme. Zo wordt bijvoorbeeld de strafmaat met een derde verhoogd bij het delict beschadiging van goederen (artikel 350 Sr), indien dit delict gepleegd wordt met het oogmerk een terroristisch misdrijf mogelijk te maken. Waarom wordt dit pakket aan aanvullende maatregelen nu voorgesteld, terwijl alle maatregelen die zijn genomen in het kader van terrorismebestrijding nog niet zijn geëvalueerd? Waarom kan deze evaluatie niet worden afgewacht? Welke urgentie is er nu dat deze evaluatie, die nota bene gepland gaat worden, niet afgewacht kan worden?

Voorts hebben de leden van de SP-fractie enige vragen over de internationale dimensie van deze voorstellen. Het Europees Verdrag ter voorkoming van terrorisme is nog niet goedgekeurd door de Kamer. Met betrekking tot het ontwerpkaderbesluit tot wijziging van het kaderbesluit inzake terrorismebestrijding lijkt er in de JBZ-Raad een politiek akkoord te zijn bereikt. In hoeverre verplichten dit verdrag en dit besluit Nederland tot aanvullende strafmaatregelen? In hoeverre komt het thans voorliggende voorstel overeen met deze internationale verplichting, en in hoeverre en op welke punten wijkt Nederland daar van af? Wanneer moeten deze omzettingen zijn geschied?

Naar de mening van de leden van de SP-fractie verplicht het Europees Verdrag ter voorkoming van terrorisme slechts het training geven voor terrorisme strafbaar te stellen, en wijkt de voorgestelde delictsomschrijving van artikel 134a Sr daar van af door ook het zelf deelnemen («hij die zich of een ander opzettelijk») strafbaar te stellen. Graag ontvangen zij een reactie. Ook staat in artikel 7 van het genoemde verdrag dat er sprake moet zijn van «knowing that the skills provided are intended to be used for this purpose». Dit aspect ontbreekt in het voorgestelde artikel 134a. Zeker gelet op de hoge strafmaat van acht jaar die wordt voorgesteld bij het deelnemen aan training, dient opzet in enige vorm zeker in de delictsomschrijving te worden opgenomen. Kan dit element alsnog worden opgenomen? Waaruit blijkt volgens de regering (pagina 9 memorie van toelichting) dat uit de voorgestelde formulering blijkt dat het opzet van de dader gericht dient te zijn op het terroristisch misdrijf? Wat verzet zich ertegen dit uitdrukkelijk op te nemen in artikel 134a Sr?

Ook op andere punten van de delictsomschrijving van artikel 134a Sr hebben de leden van de SP-fractie nadere vragen. Wat is precies het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van een terroristisch misdrijf? Wanneer is er precies sprake van het verwerven van kennis of vaardigheden tot het plegen van terroristische misdrijven? Is dit niet te ruim omschreven? Wordt hiermee niet bepaald gedrag gecriminaliseerd, terwijl niet met zekerheid te zeggen is dat de bedoeling ook gericht is op een terroristisch misdrijf, zo vragen deze leden.

De leden van de VVD-fractie zijn van mening dat bij de bestrijding van georganiseerde misdaad, en terrorisme in het bijzonder, het gebruik van infiltranten en/of beschermde getuigen van groot belang is. Juist in het geval van ernstige georganiseerde misdaad en terrorisme netwerken is het van essentieel belang om een adequate informatie- en bewijspositie van de betrokken opsporingsen vervolgingsinstanties te bewerkstelligen. Deze leden vragen de regering de mogelijkheden deze opsporingsbevoegdheden voor bovengenoemde zaken in te zetten, te bezien. Op welke wijze wordt momenteel gebruik gemaakt van deze bevoegdheden om terroristische netwerken aan te kunnen pakken? Op welke wijze kan Nederland het gebruik van de beschermde getuigen professionaliseren? Kan de regering ook inzichtelijke maken welke middelen hier momenteel voor beschikbaar zijn?

Uitbreiding mogelijkheden ontzetting uit het beroep bij misdrijven tegen de openbare orde

De leden van de CDA-fractie beschouwen de mogelijkheden tot ontzetting uit het beroep bij misdrijven tegen de openbare orde als een effectieve straf. In veel gevallen kan het ontzetten uit het beroep veel harder worden gevoeld dan een boete, een taakstraf of zelfs een celstraf. In de memorie van toelichting wordt aangegeven dat het Openbare Ministerie in zijn advies heeft gewezen op handhavingsproblemen met betrekking tot een door de rechter opgelegde ontzetting uit het beroep. Dit wordt door de regering niet ontkend, daar waar zij stelt dat de overtreding van het rechterlijke verbod niet altijd eenvoudig is vast te stellen. De leden van de CDA-fractie zien graag een nadere toelichting op de handhavingsproblematiek tegemoet.

De leden van de PvdA-fractie lezen dat het wetsvoorstel beoogt om bij meer misdrijven en ook in geval van «first offenders» ontzetting uit het beroep mogelijk te maken. In de memorie van toelichting schrijft de regering dat zij er waarde aan hecht om te benadrukken dat het voorstel voorziet in de mogelijkheid tot het opleggen van een ontzetting, maar dat het aan de rechter is om te beoordelen of die sanctie ook moet worden opgelegd. De portee van deze mededeling ontgaat de leden van de PvdA-fractie enigszins. Geldt met wat de regering hier stelt niet voor alle in het Wetboek van Strafrecht genoemde sancties? Wat bedoelt de regering hier te zeggen? Heeft deze uitspraak mogelijk verband met de ook de door de minister geconstateerde spanning en de rol van de rechter daarbij tussen een beroepsverbod enerzijds en de vrijheid van godsdienst en meningsuiting anderzijds?

Hoe vaak is het de afgelopen vijf jaar voorgekomen dat iemand op grond van de huidige wetgeving uit een beroep is gezet? Hoe vaak zal dit naar verwachting gebeuren op basis van de voorgestelde wetgeving? Is de afgelopen jaren in de praktijk behoefte geweest aan de verruiming van de ontzetting uit het beroep zoals dat nu wordt voorgesteld?

De leden van de SP-fractie zijn het met de regering eens dat ontzetting uit het beroep een zware sanctie is, die in bepaalde gevallen toch passend en geboden is. Met dit voorstel komt het vereiste van recidive te vervallen, ook degene die voor het eerst de wet overtreedt kan uit zijn beroep worden ontzet. Het oordeel daarover is weliswaar aan de rechter, maar de leden vragen of de regering nader toe kan lichten waarom het op dit moment wenselijk is het ook mogelijk te maken dat een «first offender», bijvoorbeeld hij die een groep mensen beledigd, uit zijn beroep kan worden ontzet. Verwacht de regering dat de rechter deze straf ook uit zal gaan spreken bij diegene die de wet voor het eerst overtreedt, of zal de rechter naar alle waarschijnlijkheid de bijkomende omstandigheid van recidive eisen?

De leden van de VVD-fractie constateren dat in de memorie van toelichting wordt ingegaan op de vraag naar het al dan niet kunnen aanmerken van kerkelijke en geestelijke ambten als «beroep». Deze leden merken op dat de regering tot de volgende conclusie komt: «kerkelijke en geestelijke ambten kunnen worden aangemerkt als «beroep», maar ongeacht de mogelijkheid tot (tijdelijke) ontzetting ten aanzien van de uitoefening van hun «beroep» de kerkelijke en geestelijke status van de betrokkene wordt niet getroffen». Kan de regering aangeven of de ontzetting uit een beroep altijd een tijdelijk karakter dient te hebben? Zo ja, wat is de maximale duur van ontzetting, zo vragen deze leden.

De leden van de ChristenUnie-fractie constateren dat de regering stelt dat ontzetting uit het beroep een zware sanctie is, maar in bepaalde gevallen passend en geboden kan zijn. De ontzetting uit het beroep is naar de opvatting van de regering een doelmatige sanctie ter voorkoming dat personen zich wederom in de positie bevinden hun beroep te misbruiken voor het plegen van strafbare feiten. De leden van de ChristenUnie-fractie hebben vragen over de uitwerking van de ontzetting uit het beroep in de praktijk. Krijgen deze mensen niet een hogere status binnen hun eigen gemeenschap, waarmee het effect juist omgekeerd is aan hetgeen beoogt, zo vragen deze leden. Tevens vragen zij de regering hoe deze ontzetting in de praktijk zal worden gehandhaafd. Welke uitspraken vallen er in welk verband wel, en welke vallen er niet onder? Ook vragen zij de regering of zij niet voorziet dat daadwerkelijke handhaving, het op een specifiek moment feitelijk voorkomen dat een geestelijke zijn beroep uitoefent, tot verstoring van de openbare orde en veiligheid zou kunnen leiden?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen daarnaast de regering dit voorstel nader te beargumenteren vanuit de scheiding tussen kerk en staat, in het bijzonder voor wat betreft de arbeidsverhoudingen. Deze leden vinden de memorie van toelichting op dit punt onvoldoende.

De leden van de ChristenUnie-fractie constateren tevens dat de mogelijkheid tot ontzetting uit beroep vooral wordt gemotiveerd vanuit de wens tot het uit het beroep zetten van geestelijke leidsmannen en leraren. Toch is de ontzetting uit het beroep daar niet toe beperkt gebleven. Zij vragen de regering dan ook in te gaan op de gevolgen van dit voorstel voor de vrijheid van meningsuiting voor journalisten en vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties.

Deze leden constateren tevens dat de regering het oordeel over de gerechtvaardigdheid van een ontzetting uit het beroep als bijkomende straf over laat aan de rechterlijke beoordeling in een specifiek geval. Zij vragen de regering zelf een illustratie te geven van een geval waarin het wel de bedoeling is van de regering dat de ontzetting uit het beroep als bijkomende straf wordt opgelegd, en een geval waarin het niet meer de bedoeling is, zodat deze leden beter inzicht krijgen in wat de regering zelf beoogt met deze maatregel.

De leden van de ChristenUnie-fractie constateren dat de regering niet ingaat op hetgeen door de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (hierna: NVvR) naar voren is gebracht met betrekking tot ontzetting uit het beroep. Wat zijn de consequenties van deze ontzettingsmogelijkheid voor het recht op vrije keuze van arbeid, bescherming van eigendom? Deze leden vragen de regering expliciet in te gaan op het door de NVvR genoemde effect op sociale uitkeringen en opgebouwde pensioenaanspraken.

Verruiming mogelijkheden ontzetting uit het beroep met betrekking tot bestuurders

De leden van de CDA-fractie hebben voorts enkele vragen met betrekking tot de sanctie van ontzetting uit het beroep met betrekking tot bestuurders. Allereerst vragen deze leden waarom hier gesproken wordt van ontzetting uit het beroep. Deze leden kunnen zich voorstellen dat een persoon als nevenfunctie bestuurder is van een rechtspersoon, bijvoorbeeld een stichting of een vereniging. Een dergelijk persoon kan dan toch een centrale rol spelen bij het criminele karakter van de rechtspersoon. Is het in een dergelijk geval niet aangewezen om een persoon te kunnen ontzetten uit de functie van bestuurder, ook indien niet sprake is van een beroep? Hoe ruim kan de ontzetting zijn. Geldt deze alleen voor de rechtspersoon waarbinnen het strafbare feit zich afspeelt, of kan het verbod gelden voor alle rechtspersonen die op hetzelfde vlak opereren, of zelfs tot alle rechtspersonen?

Uitgesproken ingenomen zijn de leden van de SP-fractie met het voorstel de mogelijkheden te verruimen bestuurders uit hun beroep te ontzetten. Al in 2004 stelden deze leden voor in het debat over de publieke moraal, dat frauduleuze bestuurders eenzelfde functie niet meer moeten kunnen uitoefenen. Diverse vormen van fraude tasten het vertrouwen aan in het financieel en economisch verkeer tussen de overheid, het bedrijfsleven, andere organisaties en de burger. Zij menen dat het zeer terecht is dat de regering nu voorstelt dat de mogelijkheden om bestuurders uit het beroep te ontzetten worden verruimd, gelet op het feit dat het inderdaad vaak calculerende daders betreft die zich verschuilen achter een rechtspersoon. Zij vinden het goed dat personen een bepaalde tijd de kans niet krijgen dezelfde delicten nogmaals te plegen. Is het overigens waar dat het bepalen van de duur van de ontzetting uit het beroep niet de discretionaire bevoegdheid van de rechter is, maar als vanzelf volgt uit artikel 31 Sr. Is dat wenselijk, wat zijn de redenen daarvoor geweest?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering naar de effectiviteit van de ontzetting uit het beroep van bestuurders, nu de NVvR terecht wijst op de praktijk dat bestuurders in die gevallen eenvoudig een stroman in kunnen zetten. Op welke manier draagt dit wetsvoorstel bij aan het voorkomen daarvan?

Verruiming strafvorderlijke bevoegdheid opsporing en vervolging kinderpornografie

De leden van de PvdA-fractie kunnen instemmen met de voorgestelde verruiming die het kortweg mogelijk maakt dat de officier van justitie in staat wordt gesteld om in het belang het onderzoek een instrument op een computer van een verdachte kan laten plaatsen om het internetgedrag van de verdachte te kunnen achterhalen. Deze mogelijkheid wordt gecreëerd door het strafmaximum van artikel 240a Sr van zes naar acht jaar te verhogen. Dit hogere strafmaximum wordt echter niet in de wet opgenomen omdat in de praktijk de rechter een hogere straf dan die van zes jaar zou willen opleggen. Toch nemen de leden van de PvdA-fractie niet aan dat de rechter in voorkomende gevallen wel een hogere straf zou kunnen gaan opleggen als het strafmaximum van acht jaar in de wet wordt vastgelegd. Zo ja, krijgt de rechter die mogelijkheid dan hoewel de wetgever dit eigenlijk niet bedoeld heeft? Was er geen andere manier om de rechter de bevoegdheid van artikel 126l Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) te geven zonder dat daar enigszins kunstmatig het strafmaximum moest worden verhoogd?

Aanpassing strafbaarstelling oplichting

De leden van de CDA-fractie hebben behoefte aan een nadere toelichting op de voorgestelde wijziging van artikel 326 Sr. Deze leden onderschrijven de analyse dat dit artikel wijziging behoeft, maar het is hen uit de toelichting niet duidelijk geworden of de wijziging voldoet. Deze leden wijzen bijvoorbeeld op de veel voorkomende zogenaamde acquisitiefraude. Bedrijven ontvangen soms rekeningen voor advertenties die niet of in niet bestaande tijdschriften worden geplaatst. Ook komt voor dat bedrijven rekeningen ontvangen voor fictieve heffingen. Recent is in het nieuws gekomen de zogenaamde domeinnaamfraude, waarbij domeinnamen worden aangeboden onder het voorwendsel dat anderen deze domeinnaam dreigen te kopen. Al deze vormen van fraude hebben de overeenkomst dat ze moeilijk te bewijzen zijn, of moeilijk onder een bestaand strafbaar feit zijn te brengen. In hoeverre leidt de hier voorgestelde wijziging van artikel 326 tot een effectievere mogelijkheid om deze vormen van criminaliteit aan te pakken. Indien deze wijzigingen niet op die vorm van criminaliteit zien, is de regering dan bereid een zodanige wijziging alsnog in dit wetsvoorstel op te nemen?

Invoering mogelijkheid tot het geven van een bevel tot opnemen van vertrouwelijke communicatie aan opsporingsambtenaren van de Koninklijke Marechaussee

De leden van de SP-fractie constateren dat voorgesteld wordt dat het bevel tot opnemen van vertrouwelijke communicatie voortaan ook aan een opsporingsambtenaar van de Koninklijke Marechaussee kan worden gegeven. Omdat het gaat om een bevoegdheid die diep ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer van mensen was dit voorheen voorbehouden aan opsporingsambtenaren van de politie. Kan de regering nader toelichten wat er nu veranderd is, ten opzichte van de eerdere overwegingen die er toe hebben geleid de groep opsporingsambtenaren te beperken? Waarom kan de groep opsporingsambtenaren nu wel uitgebreid worden?

Door berekening administratiekosten bij boetes

De leden van de CDA-fractie vinden het juist dat de doorberekening van administratiekosten in beginsel voor alle strafrechtelijke boetes gaat gelden. Ligt het, gelet op het feit dat doorberekening van administratiekosten bij boetes principieel mogelijk is, niet in de rede om ook administratiekosten in rekening te brengen bij taak-, leer- of celstraffen? En zullen administratiekosten in rekening gebracht gaan worden bij OM-transacties en in een later stadium bij oplegging van een (bestuurlijke) strafbeschikking?

De leden van de CDA-fractie merken op dat in de memorie van toelichting wordt gesteld dat aan de doorberekening van administratiekosten bij strafrechtelijke boetes op een later moment gevolg zal worden gegeven, dit in verband met indringende uitvoeringstechnische aspecten. Zij vragen of deze aspecten kunnen worden toegelicht en op welke termijn die doorberekening wel mogelijk zal kunnen zijn.

De leden van de PvdA-fractie vragen hoe de doorberekening van administratiekosten bij boetes aan degene aan wie de boete is opgelegd, budgettair gaat doorwerken. Betekent deze doorberekening van administratiekosten dat die kosten niet of minder ten laste van de begroting van het Centraal Justitieel Incasso Bureau (hierna: CJIB) komen? Welk bedrag zal er naar schatting jaarlijks aan administratieve kosten worden doorberekend? Voor hoeveel boetes per jaar geldt de doorberekening van administratieve kosten?

Ten aanzien van de doorberekening van administratiekosten bij boetes merken de leden van de SP-fractie op dat het hier gaat om een verhoging van de boetes om meer inkomsten voor het ministerie van Justitie te genereren. Voorheen maakten de administratiekosten gewoon deel uit van het boetebedrag, deze leden menen daarom dat dit voorstel feitelijke een verhoging van de boetes betekent. Zij menen voorts dat het niet zo is dat er nu meer kosten moeten worden gemaakt dan voorheen. Is onderzocht het verhogen van boetebedragen een betere afschrikwekkende werking heeft? Waarom gebeurt dit? Hoe ver gaat dat? Gaan we nu toe naar kostendekkende vormen van boetes, waarbij de administratie van de overheid doorberekend gaat worden?

Kan de regering toelichten wat het doorberekenen van de administratiekosten naar verwachting zal betekenen indien er een aanmaning gestuurd zal worden, hoeveel zal de verhoging van het bedrag (incassokosten) dan bedragen?

Strafbaarstelling wederrechtelijk betreden luchtvaartterreinen

De leden van de SP-fractie vragen of de regering nadere toelichting kan geven op artikel IX van het voorstel. De leden mogen aannemen dat hier goed over is nagedacht en dat ook dit onderdeel van het voorstel juridisch stand houdt.

Voorts vragen de aan het woord zijnde leden of de regering nadere toelichting welke luchtvaartterreinen zullen worden aangewezen zoals bedoeld in het voorgestelde artikel 62a, eerste lid van de Luchtvaartwet. De leden vernemen graag hoe deze aanwijzing er uit zal komen te zien, gelet op het feit dat deze strafbaarstelling slechts past bij gebieden die echte veiligheidsrisico’s met zich meebrengen.

De voorzitter van de commissie,

De Pater-van der Meer

Adjunct-griffier van de commissie,

Elagab