Kamerstuk 31001-65

Verslag van een algemeen overleg

Programma voor Jeugd en Gezin


31 001
Programma voor Jeugd en Gezin

nr. 65
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 17 februari 2009

De algemene commissie voor Jeugd en Gezin1 heeft op 21 januari 2009 overleg gevoerd met minister Rouvoet voor Jeugd en Gezin over:

– de brief van de minister voor Jeugd en Gezin, d.d. 7 november 2008 inzake de voortgangsrapportage Centra voor Jeugd en Gezin (31 001, nr. 56);

– de brief van de minister voor Jeugd en Gezin, d.d. 10 november 2008 inzake de G4/operatie Frankenstein (29 815, nr. 176).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

Voorzitter: Heijnen Griffier: Clemens

Vragen en opmerkingen uit de commissie

De heer Dibi (GroenLinks): Voorzitter. «Bijna nooit zie je een vogel in de lucht zich bedenken, zwenken, terug». Deze dichtregels van Judith Herzberg troffen minister Rouvoet zo erg, dat hij er zijn Nieuwjaarsspeech voor de ChristenUnie-aanhang mee opende. Ik vond ze zelf ook wel mooi. De minister vervolgde met een evaluatie van het jaar 2008. Ik heb de speech met veel belangstelling gelezen en kwam er bij de laatste regel tot mijn verbazing achter dat de minister geen enkel woord heeft gewijd aan de jeugdzorg. Hij sprak geen enkel woord over medewerkers die op grote schaal gebukt gaan onder werkdruk en bureaucratie, over de enorme personeelsvlucht en over het bijna niet bestaande vertrouwen van de jeugdzorgmedewerkers in het beleid van de minister. Vogels kiezen inderdaad hun koers zonder een spoor van twijfel, maar wordt het zo langzamerhand niet tijd dat de minister gaat twijfelen en gaat zwenken? Ik ga niet over de bijdrage van een minister tijdens een partijbijeenkomst, maar ik hoop van harte dat 2009 het jaar wordt waarin minister Rouvoet een andere koers kiest dan die van een struisvogel.

Volgens de voortgangsrapportage gaat het bij de Centra voor Jeugd en Gezin zijn gangetje. Er zijn wat kritische kanttekeningen, maar als wij de vinger aan de pols houden, komt alles goed. Voor GroenLinks is nu al duidelijk dat de centra in deze aanbodgerichte vorm slechts een extra bureaucratische laag worden en dat zij de verwachtingen net zo min zullen waarmaken als de Bureaus Jeugdzorg. Ik sluit mij graag aan bij de woorden van een prominent en gerespecteerd ChristenUnie-lid, Kars Veling. Hij zegt: als wij niet uitkijken, ontstaat een extra aansluitingsprobleem. Om die reden heb ik bij de begrotingsbehandeling een GroenLinks-alternatief gepresenteerd.

Mevrouw Bouchibti (PvdA): GroenLinks kan toch ook enthousiast zijn over een Centrum voor Jeugd en Gezin? Ik heb begrepen dat de heer Dibi een werkbezoek heeft afgelegd in Rotterdam. Daar staan niet alleen maar bakstenen. Het Centrum voor Jeugd en Gezin aldaar is een gesmeerde en goed lopende organisatie. Ik begrijp dus niet waarom de heer Dibi het nieuwe jaar zo negatief begint. Waarom steunt hij niet de mensen die werken in de Centra voor Jeugd en Gezin? Zij zijn immers hard aan het werk om iets op poten te zetten.

De heer Dibi (GroenLinks): Ik wilde ook niet als eerste spreken, juist omdat ik niet meteen zo kritisch wilde beginnen. Maar ik kan niet ontkennen dat er zorgen zijn in het veld. Onlangs hebben Netwerk en ABVAKABO FNV een onderzoek gedaan. Uit de resultaten daarvan blijkt dat het vertrouwen laag is. Sommige mensen zijn kritisch over de Centra voor Jeugd en Gezin. Dat geldt ook voor de minister. De minister opent zijn brief met een aantal vragen van ouders. De ouders noemen zelf ook kritiekpunten. Ik vind dat ik dit gewoon moet aankaarten. Er zijn heel veel Centra voor Jeugd en Gezin die het goed doen. Worden zij echter een soort extra loket naast de Bureaus Jeugdzorg? Ontstaan binnen de Centra voor Jeugd en Gezin allerlei eilandjes die ouders van het kastje naar de muur sturen? Ik hoop dat de minister hier goed op gaat letten. Daarom uit ik de kritiek. Dit doe ik ook omdat GroenLinks een alternatief heeft. Wij willen dat ieder gezin een eigen jeugdkracht krijgt, net zoals iedereen een vaste huisarts heeft die de directe zorg zelf geeft. Dit moet een hoog opgeleide hulpverlener zijn, die gespecialiseerd is op het brede terrein van de jeugdzorg en zich in het Centrum voor Jeugd en Gezin bevindt. Nadat de jeugdkracht het probleem in kaart heeft gebracht, geeft hij zo veel mogelijk zelf de hulp. Pas als het echt specialistische hulp betreft, wordt er doorverwezen. De minister hoeft niet meteen over te stappen op een heel nieuw systeem, maar is hij bereid te onderzoeken op welke wijze de huidige scheiding tussen diagnose en het geven van de juiste hulp kan worden opgegeven? Want waarom kan een huisarts wel een diagnose stellen, de juiste hulp geven en pas doorverwijzen als het moet? Waarom moet dit in de jeugdzorg zo versplinterd gebeuren? Waarom moeten er zo veel verschillende loketten zijn voor ouders? Ik was overigens verheugd om op de website van de SP te lezen dat deze partij zich inmiddels heeft aangesloten bij dit voorstel. Hopelijk kunnen wij gezamenlijk de andere partijen meetrekken. Voor alle duidelijkheid, de Bureaus Jeugdzorg zouden dan moeten verdwijnen. De gemeenten worden dan verantwoordelijk. De provincies verdwijnen dan ook als laag.

Het tweede onderwerp van vandaag is het antwoord van de minister op de eis van Mariëtte Hamer tijdens de algemene politieke beschouwingen, in reactie op wat in Amsterdam is gebeurd, namelijk de bewonderenswaardige operatie Frankenstein, die geïnitieerd was door wethouder Asscher. Ik citeer wat Mariëtte Hamer heeft gezegd tijdens de algemene politieke beschouwingen: «Mijn fractie bepleit een «doorbraakwet», waarmee in eerste instantie de vier grote steden bevoegdheden krijgen overgedragen van Jeugd, Justitie, VWS, SZW en Onderwijs. In deze »doorbraakwet« moeten bevoegdheden en verantwoordelijkheden worden gebundeld bij het lokale stadsbestuur. Ons voorstel is dat wij dit experimenteel doen. Na vier jaar bekijken we of de effectiviteit van de aanpak is verbeterd». Ik dacht «halleluja» toen ik dit hoorde. Maar nu lees ik de reactie van de minister en zie ik dat er met het schuiven van het geld niets verandert. Er is geen doorbraak. Ik neem aan dat de Partij van de Arbeid met mij teleurgesteld is over het uitblijven van de beloofde doorbraakwet. Wat GroenLinks betreft, moeten de G4 daadwerkelijk verantwoordelijk worden voor de terreinen Jeugd, Justitie, VWS, SZW en Onderwijs, zowel financieel als bestuurlijk, via een experimenteerwet. Is de minister alsnog bereid om te voldoen aan deze wens? Als hij daartoe niet bereid is, zal ik wellicht een motie indienen met de letterlijke tekst van de bijdrage van mevrouw Hamer. Ik ga er daarom van uit dat mevrouw Bouchibti hieraan wil meedoen.

Laat 2009 het jaar zijn waarin deze minister de jeugdzorg tot zijn grootste prioriteit verklaart. Beter één vogel in de hand, dan tien in de lucht.

Mevrouw Langkamp (SP): Voorzitter. Mij bekruipt de laatste tijd het gevoel dat het Centrum voor Jeugd en Gezin het antwoord op alle problemen is. Ik geef een opsomming van wat zoal van het Centrum voor Jeugd en Gezin wordt verwacht: prenatale zorg of zelfs preconceptiezorg, jeugdgezondheidszorg, preventie, vroegsignalering bij overgewicht, taalachterstand, kindermishandeling en meisjesbesnijdenis, opvoedingsondersteuning, relatietherapie, seksuele voorlichting, adoptiezorg, zorg voor licht verstandelijke gehandicapten, zorg voor jongeren met psychische problemen enzovoort, enzovoort. Op zich is dit prima, maar dan moeten de centra wel voldoende toegerust worden op het uitvoeren van al deze belangrijke taken. Daar wringt de schoen een beetje. Want een groot deel van deze taken komt terecht op het bordje van de jeugdartsen. Zij hebben te maken met een heel hoge werkdruk en veel te weinig tijd per kind.

Verder is het landelijk basismodel voor het Centrum voor Jeugd en Gezin volgens ons veel te beperkt. Wij komen hier nog over te spreken. Ten slotte zijn tot op heden nog maar weinig centra gerealiseerd. Het is begin 2009 en op dit moment telt ons land circa 30 Centra voor Jeugd en Gezin. Sommige centra zijn niet meer dan een website en een telefoonnummer. Hiernaast hebben wij 25 fysieke inlooppunten. Dit zijn echter nog geen formele Centra voor Jeugd en Gezin. In sommige gevallen krijgt de GGD of maatschappelijk werk een nieuw bord boven de deur en liggen er wat folders op de balie. That’s it. Niks fysieke bundeling van instellingen, maar wel een dure nieuwe managementlaag zoals in de plannen van Nieuwegein. Ook wordt lang niet overal samengewerkt met jeugdzorg, zoals in Boxtel. Erkent de minister dat op deze manier niet zoveel terechtkomt van deze centra, waarmee hij zo graag mooie sier maakt? Hoe gaat hij voorkomen dat de Centra voor Jeugd en Gezin straks in veel gevallen niet veel meer zijn dan een doorverwijsbalie? Hoe gaat hij voorkomen dat een extra, bureaucratische, dure managementlaag bijkomt? Hoe gaat hij ervoor zorgen dat overal in de Centra voor Jeugd en Gezin ook fysiek iemand van Bureau Jeugdzorg aanwezig is? Waar blijft zijn mooie voorpostfunctionaris? De gemeente Boxtel wil dat taken van Bureau Jeugdzorg worden overgenomen door andere instanties in het Centrum voor Jeugd en Gezin. Wat is de reactie van de minister hierop? Op deze manier wordt het inderdaad een extra laag en is het een beetje dubbelop.

Er zijn berichten over lange wachttijden voor jeugdmaatschappelijk werk, bijvoorbeeld op Schouwen-Duiveland. Mijn fractie maakt zich hierover zorgen. Betekent dit dat wij straks ook wachtlijsten krijgen voor de Centra voor Jeugd en Gezin? Wat gaat de minister hieraan doen? De huisarts is bij uitstek de gezinsarts. Toch is hij niet standaard bij het Centrum voor Jeugd en Gezin betrokken. Is dat niet een beetje raar? Zou de huisarts er niet standaard bij betrokken moeten worden of zouden Centra voor Jeugd en Gezin zelfs, zoals in sommige gevallen gebeurt, gehuisvest moeten worden in de gezondheidscentra?

Jongeren krijg je het Centrum voor Jeugd en Gezin echt niet in. Je zult dus vanuit zo’n centrum de straat op moeten om ze te bereiken, zoals de straatcoaches in Amsterdam en het stedelijk mobiel jongerenteam in Den Haag bijvoorbeeld doen. Is het de bedoeling dat dit soort instellingen ook onderdeel gaan uitmaken van de Centra voor Jeugd en Gezin?

Er wordt kortom van alles van de Centra voor Jeugd en Gezin verwacht, maar vooralsnog is dit op veel plaatsen niet veel meer dan toekomstmuziek. Als zij de hoge verwachtingen wel kunnen waarmaken, doet zich het probleem voor van de extra bureaucratische lagen. De minister kan dit wel blijven ontkennen, maar er zijn steeds meer mensen met verstand van zaken, die betrokken zijn geweest bij de oprichting van de Bureaus Jeugdzorg, die daarvoor waarschuwen. Zij waarschuwen ervoor dat de jeugdzorgketen op deze manier alleen maar langer wordt en dat het Centrum voor Jeugd en Gezin een soort nieuwe voorziening wordt, naast alle bestaande instellingen. Als wij toch bezig zijn met het realiseren van de Centra voor Jeugd en Gezin, waarom doen wij het dan niet meteen goed? Waarom wordt het vrijwillige deel van de Bureaus Jeugdzorg niet overgeheveld naar de Centra voor Jeugd en Gezin? Waarom wordt er niet meteen een einde gemaakt aan alle verschillende instanties? Weg met alle verschillende hulpverleners in één gezin! Het motto van de SP luidt: één gezin, één hulpverlener.

Mevrouw Bouchibti (PvdA): Voorzitter. Dit kabinet heeft fors ingezet op preventie in de jeugdzorg. Uiteraard steunt de Partij van de Arbeid dit beleid. Het lokale jeugdbeleid is versnipperd. De financiering ervan is onoverzichtelijk. Sommige gemeenten zijn daardoor bijna onbestuurbaar geworden. Ik bedank de GroenLinks-fractie dat zij mijn fractievoorzitter, Mariëtte Hamer, complimenteert vanwege haar oproep aan de minister tijdens de algemene politieke beschouwingen. De Partij van de Arbeid heeft met klem gevraagd om schotten weg te nemen in het jeugdbeleid. Ook hebben wij gevraagd om een bundeling van geldstromen. Ik weet niet waar GroenLinks het over heeft. Wij zijn namelijk tevreden. Wij zijn nog niet helemaal tevreden, maar ik vind wel dat ik de minister mag complimenteren. Dat mag ook wel eens gebeuren. Ik dank de minister ook voor de brief. Hij heeft een aangezet gedaan tot het bundelen en het ontschotten. Dit staat ook in de brief. Wij houden dit in de gaten.

De heer Dibi (GroenLinks): Ik geef mevrouw Bouchibti graag wat extra tijd. Ik heb zojuist het citaat van mevrouw Hamer voorgelezen. Het ging haar niet alleen om het bundelen van geld, maar ook om het overdragen van bevoegdheden en om het terugdringen van de verantwoordelijkheid van de provincies en het Rijk. Dit is allemaal niet gebeurd. Wij zien vooral een bundeling van geld. Dit was sowieso al kabinetsbeleid. Mevrouw Bouchibti ondersteunt kabinetsbeleid. Maar wat voor nieuws gebeurt er nu?

Mevrouw Bouchibti (PvdA): Ik begrijp het niet. De heer Dibi spreekt over het bundelen van geld, maar dit is natuurlijk een aanzet. In de brief gaat het over het bundelen van de brede doeluitkering, het grotestedenbeleid, het sociaal beleid en het integratiegeld. Al het geld wordt bij elkaar gebracht. Wethouders kunnen dit naar eigen inzicht inzetten. Wij willen de wethouders niet opleggen wat zij met dit geld moeten doen. Het geld gaat naar jeugdbeleid. Het is één grote pot. Dat geven zij uit. Ik weet niet wat de heer Dibi nog meer wil, maar dit is wel de eerste keer dat dit, mede dankzij de Partij van de Arbeid, in actie wordt gezet door deze minister. Als de heer Dibi nog een concrete aanvulling heeft, laat hem die dan noemen, dan werken wij daarmee samen. Maar dit is een aanzet. Het is de eerste keer dat de G7 – het is niet alleen maar de G4 – hierbij gezamenlijk optrekken. Ik begrijp echt niet wat de kritiek van de heer Dibi is. Nooit eerder is dit gebeurd. Nooit eerder zijn jeugd en beleid gebundeld en steekt men de koppen bij elkaar om hiermee aan de slag te gaan.

De heer Dibi (GroenLinks): Ik steun de bundeling van al deze middelen ook van harte. Ook steun ik de vrijheid die aan gemeenten wordt gegeven om de middelen in te zetten op de manier waarop zij dit zelf willen. Ik steun de minister daarin dus. Maar dit is gewoon kabinetsbeleid. Mevrouw Hamer bepleitte tijdens de algemene politieke beschouwingen iets anders. Zij wilde een doorbraakwet, waarin gemeenten ook echt verantwoordelijk werden voor allerlei verschillende terreinen. Kan mevrouw Bouchibti mij vertellen, naast het bundelen van geld, wat voor nieuws er gebeurt? Volgens mij gebeurt er naast het bundelen van geld namelijk niets. Dus wordt niet voldaan aan de wens van de Partij van de Arbeid.

Mevrouw Bouchibti (PvdA): De heer Dibi mag best een bijdrage leveren aan onze visie op het jeugdbeleid, maar volgens mij gaan wij over ons eigen beleid. Als de heer Dibi meent dat wij niet tevreden zijn, is dat prima, maar dat is dan voor zijn rekening. Ik ben wel tevreden. Ik zeg de minister wel dat wij het in de gaten houden. Wij willen nog veel meer. Dit is een aanzet, in ieder geval voor het eerste halfjaar. De heer Dibi mag zeggen dat wij niet tevreden zijn, maar wij zijn het wel.

Er komt een doorzettingsmacht voor de wethouder. Daarvoor hebben wij veel eerder ook al gepleit. In de toekomst kan ook de burgemeester via de Raad voor de Kinderbescherming opvoedondersteuning afdwingen bij de rechter. Daar hebben wij ook voor gepleit. In ieder geval komt de wetgeving dit jaar naar de Kamer.

In de brief over de operatie Frankenstein staat dat onderzocht gaat worden of het mogelijk is om contactmomenten in de jeugdgezondheidszorg flexibel toe te passen. Volgens mij hebben wij het al veel eerder over de flexibele contactmomenten gehad. Mijn vraag aan de minister is daarom wat hij nog gaat onderzoeken. Volgens mij zegt het veld zelf ook dat het de contactmomenten wil kunnen inzetten wanneer het dit wil. Het ene gezin heeft namelijk meer aandacht nodig dan het andere. Wat gaat de minister nog onderzoeken? Waarom wordt daarover nu al niet onderhandeld?

De zeven gemeenten die deelnemen aan opvoeden in de buurt gaan de praktijk verkennen. Er zal worden onderzocht hoe het Centrum voor Jeugd en Gezin en Bureau Jeugdzorg elkaar gaan versterken. In maart 2008 is er een overleg geweest. In oktober is er weer overlegd. Wat is de stand van zaken? Ik sluit mij aan bij de SP-fractie, die zich zorgen maakt over de samenwerking tussen de voorposten en Bureau Jeugdzorg, vooral als de zorg vrijwillig is, en over de geïndiceerde zorg bij Bureau Jeugdzorg. De minister is in gesprek geweest. Wat is de stand van zaken? Het is nu alweer eind januari 2009.

Bij de Verwijsindex Risicojongeren (VIR) is een goede samenwerking van belang. Hulpverleners die participeren in het Centrum voor Jeugd en Gezin moeten op de hoogte zijn van elkaars verrichtingen. De Partij van de Arbeid maakt zich zorgen. Professionals kunnen een melding maken in de VIR als zij zich zorgen maken, maar van professionals hoor ik dat zij bang zijn om dit te doen. Ik weet dat er pilots zijn. Wij gaan het niet hebben over een meldplicht, maar ik wil wel van de minister weten hoe hij ervoor gaat zorgen dat mensen daadwerkelijk een melding gaan doen in de VIR. Wat gaat de minister ondernemen?

In de brief staat ook wat de professionals moeten kunnen en kennen. Zij worden waar nodig om- of bijgeschoold. Dit gaat nog onderzocht worden. Wij hebben nog twee jaar. Het paard wordt achter de wagen gespannen als je nu pas onderzoekt wat professionals moeten kennen en kunnen. Dat is een beetje laat.

De Partij van de Arbeid maakt zich ernstige zorgen over de jeugd-ggz. Het principe van «één gezin, één plan» is niet mogelijk als de jeugd-ggz buitengesloten wordt. Huisartsen voelen zich ook buitengesloten. Zij voelen zich niet betrokken bij het Centrum voor Jeugd en Gezin en klagen hierover. Ik denk dat het belangrijk is dat zij betrokken worden bij het Centrum voor Jeugd en Gezin. Ik vraag de minister concreet om een plan van aanpak. Hoe denkt de minister de jeugd-ggz te betrekken bij de Centra voor Jeugd en Gezin? Wat gaat de minister met de huisartsen doen? Zij voelen zich buitengesloten. Wij zouden kunnen spreken over het basismodel, maar ik denk dat het belangrijk is dat er een plan van aanpak komt. Als huisartsen er niet bij betrokken worden, maak ik mij ernstige zorgen.

Mevrouw Sterk (CDA): Voorzitter. Vandaag bespreken wij de voortgangsrapportage van de Centra voor Jeugd en Gezin. Op het eerste gezicht lijkt de ontwikkeling volgens plan te verlopen. Er vindt ontzettend veel voorlichting plaats naar de gemeenten toe. De teller van het aantal CJG’s die lopen, staat voor 2008 op ongeveer 50, met en zonder naambordje. Dat ziet er goed uit. Tegelijkertijd geeft de brief alleen maar een beeld van de buitenkant. Je zou bijna vergeten dat het doel is, ervoor te zorgen dat gezinnen antwoorden en hulp krijgen. Wat binnen de CJG’s precies gebeurt, krijgen wij dus ook op basis van deze voortgangsrapportage niet te zien. De brief somt een aantal aspecten op die integraliteit en samenhang moeten stimuleren, zoals samenhang met onderwijs, geïndiceerde jeugdzorg, samenwerking met de eerstelijns gezondheidszorg en met de veiligheidshuizen en de ontwikkeling van het ekd en de VIR. De CDA-fractie wil in de volgende rapportage meer inzicht krijgen in wat daar nu feitelijk gebeurt. Hoe functioneert het? Voor welke oplossingen kiezen de gemeenten? Hoe vaak gebeurt dat? Juist de samenhang zal bepalen of de CJG’s zullen slagen.

Op dit moment kunnen wij nog niet vaststellen of wij niet opnieuw een bureaucratische laag aan het ontwikkelen zijn, in plaats van een effectieve organisatie waar ouders en kinderen terecht kunnen als zij om wat voor reden dan ook tegen de muur lopen. Wij zijn daar nog steeds niet gerust over. Dit hebben wij ook al uitgesproken tijdens het algemeen overleg over de Zorgadviesteams. Wij vinden de brief op dit punt veel te mager. Hierdoor krijgen wij heel moeilijk inzicht in de ontwikkelingen. Wellicht zegt de minister dat het nu nog te vroeg is om meer informatie daarover te kunnen geven, maar wij willen daarover bij de volgende rapportage, als deze operatie inmiddels maar liefst al twee jaar op stoom is, meer informatie ontvangen. Dat zou toch moeten kunnen? Ook krijgen wij op basis van deze brief nog onvoldoende zicht op de twee functies van het Centrum voor Jeugd en Gezin, namelijk de laagdrempelige opvoedondersteuning en het opsporen en helpen van risicokinderen. Daarom vragen wij de minister om een toezegging hierover.

Ik kom terug op de voorlichting. Het is opvallend dat de gemeenten qua voorlichting goed op stoom lijken te zijn. Volgens mij kun je als bestuurder of als ambtenaar bijna niets meer missen over het Centrum voor Jeugd en Gezin, gezien de vele bijeenkomsten. De vraag is echter hoe het ervoor staat bij de professionals. Zo is de gereedschapskist voor het CJG in eerste instantie ontwikkeld voor de gemeenten. Dit is overigens gebeurd in overleg met de MOgroep, GGZ Nederland, ActiZ, IPO en de VNG. In de brief staat op pagina zes: «Begin 2009 zal besloten worden hoe ook professionals op maat van informatie voorzien zullen worden». Met andere woorden: pas dan wordt blijkbaar bekeken hoe professionals daarin kunnen meedoen. Het model voor het CJG is toch een samenwerkingsmodel tussen gemeenten en professionals? Waarom wordt dan pas bekeken hoe professionals daarin passen? De gereedschapskist van mijn vader was een enorm rommeltje. Er zaten heel veel zaken in die er niet in thuishoorden. Daarmee zeg ik niet dat dit bij deze gereedschapskist ook het geval is, maar ik lees wel op verschillende plaatsen in de brief dat er nog van alles in de kist terecht zal komen. Ik zie op de tafel van de minister al een map staan waarop «gereedschapskist» staat. Kan de minister ons aan de hand van voorbeelden toelichten wat wij ons precies moeten voorstellen bij de gereedschapskist?

Ik sluit mij kortheidshalve aan bij de opmerking van mijn collega van de PvdA-fractie over de flexibele contactmomenten. De CDA-fractie maakt zich daar namelijk al bijna anderhalf jaar druk over. Wij zien mogelijkheden voor de jeugdgezondheidszorg om daarmee flexibeler om te gaan. Ik meen mij te herinneren dat eind 2008 met de jeugdgezondheidszorg een soort evaluatie zou plaatsvinden op grond waarvan zou worden besloten of dit tot de mogelijkheden behoort, inclusief eventueel een extra contactmoment voor jongeren van vijftien of zestien jaar oud. Ik vraag de minister om een korte reactie.

Ook de brief over de ontkokering voor de G4 staat op de agenda. Uit de brief blijkt dat de komende tijd inderdaad de nodige ontschotting zal plaatsvinden. Dat juicht de CDA-fractie toe. Maar, ontkokering is een middel, geen doel op zich. Tegelijkertijd doen wij de nuchtere constatering dat ontkokering op een zeker moment ook betekent dat elders schotten ontstaan. Het rapport van de RMO, «De ontkokering voorbij», waarschuwt daarvoor. Het is daarom cruciaal dat professionals elkaar over de schotten heen weten te vinden, dat ontbureaucratisering plaatsvindt en dat er sprake is van collegiaal bestuur. De pilots die op dit moment lopen, ziet de CDA-fractie dan ook met veel belangstelling tegemoet.

De heer Dibi (GroenLinks): Mevrouw Sterk zei net dat wij niet te zien krijgen wat binnen de CJG’s gebeurt. Dat vind ik wel een opmerkelijke uitspraak. Dat klopt ook. Er was een Centrum voor Jeugd en Gezin dat zich nu nog afvraagt of iemand van Bureau Jeugdzorg verplicht aanwezig moet zijn, bijvoorbeeld een dagdeel per week. Moeten de verschillende organisaties binnen het Centrum voor Jeugd en Gezin verplicht een keer per week samenkomen? Mevrouw Sterk legt nu heel veel vragen en wensen bij de minister op tafel, maar hoe kijkt het CDA er tegenaan? Heeft zij er zelf ook ideeën over?

Mevrouw Sterk (CDA): Om te beginnen hebben wij een basismodel ontwikkeld, waarin dit soort afspraken als basis zijn neergelegd. Daarin staat dat er een voorpost moet zijn van Bureau Jeugdzorg in elk CJG. Ik kan mij voorstellen dat het in het CJG van Appingedam echt niet noodzakelijk is dat elke week iemand van Bureau Jeugdzorg een dagdeel aanwezig is. In Rotterdam zou het beeld heel anders kunnen zijn. Misschien moet daar wel continu iemand van Bureau Jeugdzorg aanwezig zijn. Ik laat dus veel over aan de beleidsinvulling van de gemeenten. Met deze brief krijg ik er echter geen kijk op hoe gemeenten dit oppakken. Voor een oordeel over het functioneren van de Centra voor Jeugd en Gezin heb ik die informatie nodig. Daarop spreek ik de minister aan.

De heer Dibi (GroenLinks): Ik vind dit te gemakkelijk. Aan de ene kant zegt mevrouw Sterk dat het verplicht is, omdat het in het basismodel staat. Aan de andere kant kan zij zich bij een kleine gemeente voorstellen dat het niet gebeurt. Misschien zijn er nog andere redenen waarom het niet kan gebeuren.

Ik heb nog een vraag gesteld. Er zijn verschillende organisaties binnen een Centrum voor Jeugd en Gezin. Stel dat een kind bij al die verschillende organisaties terechtkomt, maar de organisaties toch niet van elkaar weten dat zij met het kind te maken hebben; dat leidt tot de huidige rare situaties. Vindt mevrouw Sterk dat deze organisaties verplicht moeten samenkomen, bijvoorbeeld één keer per week?

Mevrouw Sterk (CDA): Met alle respect, ik vind dat de heer Dibi slecht luistert. Ik heb net gezegd dat een voorpostfunctie van Bureau Jeugdzorg op elk CJG aanwezig moet zijn. Dit staat ook in het basismodel. De heer Dibi moet dit gewoon weten. De vraag is alleen of deze functie elke week of elke maand aanwezig zou moeten zijn. Dat laat ik over aan het Centrum voor Jeugd en Gezin en de gemeenten. Wel wil ik graag inzicht krijgen in de wijze waarop gemeenten dit vormgeven. Ook vind ik dat de heer Dibi erg gekleurd luistert. Het Centrum voor Jeugd en Gezin is begonnen om organisaties te laten samenwerken, met één coördinator en vanuit het principe van é

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Voorzitter. Na bestudering van alle stukken komt een aantal vragen bij ons op. Ik stel voorop dat het heel goed is dat de vier grote steden meer armslag krijgen. Daar hebben wij heel lang om gevraagd. Bundeling en ontschotting lijken mij goede zaken. De gemeenteraad vormt zich uiteindelijk een oordeel over de besteding van de gelden. Zo zou het moeten zijn. De zorg moet zo dicht mogelijk bij de gemeente worden geboden.

Eén ding, dat verband houdt met de CJG’s, komt nadrukkelijk naar voren. De SP-fractie heeft dit ook al heel even aangesneden. De Bureaus Jeugdzorg staan onder grote druk. Enerzijds moeten zij hun core business uitvoeren. Het verbeteren en oplossen van de wachtlijsten is een van de belangrijkste thema’s van dit moment. Anderzijds moeten de Bureaus Jeugdzorg contact hebben met alle CJG’s in de regio’s, maak ik op uit de stukken. In het voorbeeld van de provincie Zuid-Holland kan het zomaar gaan om honderd CJG’s. Het personeel staat onder druk. De VVD heeft een motie ingediend over de arbeidsmarktproblemen. Ik weet dat er een onderzoek naar wordt gedaan, maar is het niet mogelijk dat de minister daar nu al een visie op loslaat? Ik voorzie namelijk een groot probleem.

De minister schrijft in zijn brief dat valkuilen worden gesignaleerd. Welke valkuilen voorziet de minister? Ik heb zelf drie valkuilen in gedachten. Deze wil ik eens aan de minister voorleggen. Als iemand met een vraag bij een CJG binnenkomt, zou de valkuil kunnen zijn dat op dat moment ook de doopceel van iemand wordt gelicht. Er wordt gekeken of deze persoon al eerder in het CJG is geweest, en zo ja, met welke vragen. Ik ben ontzettend bang dat iemand meteen als probleemgeval wordt bestempeld en in zo’n systeem wordt getrokken, terwijl dat niet per se nodig is. Ik vraag mij af hoe de minister daar precies tegenaan kijkt.

Het risico bestaat dat mensen van een consultatiebureau hun rol wat breder opvatten en als een semiprofessional oordelen vellen over zaken waar zij eigenlijk niet voor zijn. Die geluiden hoor je ook van de CJG’s zelf. De VVD is laatst bij een aantal op bezoek geweest. In dit kader noem ik nog eens de Bolderkar-affaire, die in het onderwijs heeft gespeeld. Leraren gingen op een gegeven moment oordelen over dingen waarvoor zij niet waren opgeleid. Dit leidde tot een afschuwelijke affaire. Door de reacties van een kind op een pop maakten leraren op dat er sprake was van incest. Hoe kijkt de minister aan tegen dit soort signalen?

Er is nog een valkuil. Wij moeten ervoor oppassen dat de CJG’s een mooi decorstuk zijn, terwijl de keten erachter nog steeds niet werkt.

Professionals moeten allerlei dingen kunnen en kennen. Kan de minister alvast een concreet voorbeeld noemen van de nieuwe uitdagingen waarvoor zij staan? Dit moet niet te lang duren. De gemeenten zijn verplicht om drie loketten in te richten, een CJG, een veiligheidshuis en een Wmo-loket. Wat is de precies de verhouding tussen die drie loketten? In het veld bestaat daarover verwarring. Wanneer moeten mensen zelf gaan betalen voor diensten die door een CJG worden aangeboden? Sommige mensen maken namelijk gebruik van cursussen die een CJG aanbiedt, niet omdat zij die nodig hebben, maar omdat deze cursussen er nu eenmaal zijn.

Antwoord van de minister

De minister: Voorzitter. Ik dank de woordvoerders voor hun inbreng over dit belangrijke project binnen het programma voor Jeugd en Gezin. Dit project is vooral zo belangrijk omdat het aanhaakt bij een van de leidende begrippen in het beleidsprogramma van het programmaministerie, namelijk preventie. Inzet op preventie in een vroegtijdig stadium kan druk op de zwaarder geï

Met de VNG hebben wij het belang ervan in gezien om de structuur zodanig op te zetten dat door de komst van de CJG’s geen nieuwe laag ontstaat, maar een bundeling van bestaand gemeentelijk aanbod in de sfeer van jeugdgezondheidszorg, lokaal jeugdbeleid en de opvoedondersteuning. Deze bundeling leidt tot een versterking van de preventie. Dat is het materiële doel. Dat bedoel ik ook steeds als ik zeg dat de CJG’s geen doel op zich zijn, maar een middel om betere preventie, vroegsignalering, laagdrempelige toegang voor opvoedondersteuning en het laten afnemen van de druk op zwaardere vormen van geïndiceerde jeugdzorg te realiseren.

Dat besef zit heel diep bij ons, bij mijn medewerkers, maar zeker ook bij de gemeenten en bij de VNG. Daar zijn alle inspanningen erop gericht om in goede samenwerking de versterking van de preventie gestalte te geven. Hiermee heb ik impliciet al gezegd dat de CJG’s geen Haarlemmer olie zijn, geen antwoord op alle vragen of oplossing voor alle problemen. Professionals moeten in de eerste plaats goed samenwerken en goed werk leveren. Dat was zo, dat is zo en dat blijft zo. Dat moet de oplossing zijn voor de reële vragen van mensen.

Het belang van de vorming van CJG’s ligt vooral in de outcome, om maar eens een bestuurlijke term te gebruiken, dus wat je realiseert voor de mensen die hulp nodig hebben, gewoon met eenvoudige opvoedvragen zonder direct aan zware problemen te denken. Het belang ligt niet zozeer in een soort output van hoeveel, wanneer en op welk moment. Ik heb met de VNG heel duidelijke afspraken gemaakt over en voorwaarden gesteld aan de extra investeringen die ik heb gedaan in de CJG’s via de brede doeluitkering. Wij hebben één heel heldere afspraak gemaakt: in 2011 moet er in elke gemeenten ten minste een CJG zijn dat precies aan de functies van het basismodel beantwoordt. Hier zijn alle inspanningen op gericht en rekenen wij elkaar op af. Ondertussen zien wij wel het gemeenschappelijke belang om dit goed van de grond te krijgen. Dat heeft geleid tot de gezamenlijke ondersteuningsstructuur om gemeenten zover te brengen dat zij in 2011 hun afspraken zijn nagekomen. Het basismodel en de ondersteuning, ook van professionals, vormen de grote lijn.

Als wij willen dat alle 443 gemeenten in 2011 zo’n centrum hebben ingericht met de gemeentelijke vrijheid bovenop het basismodel, moeten wij het traject wel monitoren. Op basis van de monitoring is de schatting dat er in 2008 ongeveer 50 centra zijn gerealiseerd en eind 2009 ongeveer 125. Als wij er willen komen, moeten wij eind 2010 in de buurt van de 300 zitten. Dat gaat heel behoorlijk. Ik denk niet dat er verder geen problemen zijn en dat het zijn gangetje wel gaat. Uit de resultaten leid ik echter wel af dat de structuur die wij erop hebben gezet goed functioneert. Ik proef veel enthousiasme bij de gemeenten zelf en bij de professionals. Dat blijkt ook uit de voortgangsrapportage. Mijn mensen zijn voortdurend in contact met de gemeenten en gaan het land in om specifieke vragen te beantwoorden. De website blijkt een goed middel te zijn om gemeenten te helpen inzicht te krijgen. Zij kunnen daarop bijvoorbeeld zien hoe het elders wordt opgepakt, wat de modaliteiten zijn, wat er nog meer kan worden gedaan bovenop het basismodel en hoe precies moet worden omgegaan met de vragen binnen het basismodel. Wij zijn voortdurend bezig om de nieuwe vragen in kaart te brengen. Wij willen ervoor zorgen dat de ondersteuningsstructuur ook op de nieuw opkomende vragen is toegerust.

De Kamer wordt op de hoogte gehouden van de voortgang onderweg naar het einddoel in 2011. Het is een voorwaarde dat alle gemeenten in 2011 zo’n centrum hebben ingericht om de brede doeluitkering te kunnen beëindigen en het budget te laten opgaan in het gemeentefonds. Met dat laatste gaat het geld helemaal naar de gemeenten en hebben zij alle vrijheid om het te besteden binnen de kaders van de ruimer met het Rijk afgesproken doelstellingen. In deze fase zitten wij er nog vrij scherp bovenop, maar dat gebeurt in uitstekende samenwerking met de gemeenten.

Is deze voortgangsrapportage voldoende? Ik denk het niet. Deze biedt wat mij betreft een eerste impressie van waar wij staan met de ontwikkeling van de CJG’s. Ik had eerlijk gezegd niet meer verwacht op dit moment. Er wordt terecht gezegd dat wij nu twee jaar onderweg zijn met die centra. Daar zijn echter enkele relativerende opmerkingen bij te maken. Met de gemeenten is afgesproken dat de einddatum 2011 is. Dan moet er gepresteerd zijn. De verantwoordingsstructuur gekoppeld aan de brede doeluitkering is daar ook op afgestemd. Gemeenten krijgen de bedragen meerjarig toegekend, in het kader van de bdu.

De brede doeluitkering is op 1 januari 2008 gaan lopen en toen zijn de budgetten meerjarig toegekend. Juist om de administratieve belasting, ook van gemeenten, tot een minimum te beperken, is afgesproken dat alle gemeenten eenmalig verantwoording afleggen voor de besteding van de brede doeluitkering in 2011. Dat is ook besproken met de Kamer en ik herinner mij dat zij daarmee heeft ingestemd. Wij willen echter wel de vinger aan de pols kunnen houden. Daarom hebben wij afgesproken dat er jaarlijks een inhoudelijk verslag van de gemeenten komt over de wijze waarop zij met de CJG’s aan de slag zijn gegaan. Het eerste jaar van de brede doeluitkering was 2008. Nu gaat dus het eerste inhoudelijke verslag komen van wat de gemeenten hebben gedaan met dat geld in 2008. Die verslagen zullen mij in staat stellen om bij de volgende rapportage, die dus in het najaar zal komen, aan de Kamer meer specifiek mee te delen hoe het in de verschillende gemeenten gaat. Dat zal niet helemaal uitgesplitst naar de individuele gemeenten gebeuren.

Ik begrijp de behoefte van de Kamer, die ik zelf ook heb, om meer achter het logo van het CJG te kijken. Het mooi dat er zoveel CJG’s zijn. Wij checken in deze fase al naar beste vermogen of zij conform het basismodel zijn opgezet. Ik ben natuurlijk buitengewoon geïnteresseerd wat er bovenop gebeurt. In hoeveel gemeenten zit de huisarts er standaard bij? Waar wil de jeugd-ggz niet meewerken en waar wordt die buiten de deur gehouden? Welke modaliteiten komen wij grosso modo tegen in de positionering van Bureau Jeugdzorg in die CJG’s? Is dat inderdaad in Appingedam anders dan in Amsterdam en, zo ja, waarom? Dat type feiten willen wij weten. Die informatie kan in de volgende voortgangsrapportage worden opgenomen. Vanwege de afsluiting van het eerste jaar, is gisteren naar alle gemeenten een vragenlijst gegaan die moet dienen voor het inhoudelijke verslag over 2008 en de besteding van de bdu-middelen. Gemeenten kunnen die vragen tussen 1 april en 1 juli via internet beantwoorden. Die gegevens worden verzameld. Die leveren een veel gedetailleerder en completer overzicht op voor de volgende voortgangsrapportage. Daarin zal ook aandacht worden besteed aan de vormgeving van de verplichte elementen, het basismodel: hoe werkt het, zijn er al afspraken gemaakt, zo ja, welke en zo nee, waarom niet? Als er nog geen afspraken zijn gemaakt, gebeurt dat dan dit jaar, volgend jaar of in 2010/2011? De gemeenten worden erop gewezen dat zij in 2011 het eindresultaat moeten hebben gehaald. Daarmee coachen en begeleiden wij, het programmaministerie en de VNG, de gemeenten in het toewerken naar de eindsituatie.

Het is ons bekend dat ongeveer 85% van de gemeenten in Nederland bezig is met de ontwikkeling en vormgeving van CJG’s, althans van 85% weten wij het. Wat er met die overige 15% aan de hand is, weten wij nog niet precies. Naar die groep kijken wij uiteraard speciaal. Die gaan wij ook opzoeken. Daar hebben wij de Bende van Bart voor, een groep van actieve wethouders waarbij ook gedeputeerden betrokken zijn. Deze groep wil de gemeenten die nog wat aarzelen of die niet naar de georganiseerde bijeenkomsten konden komen, ondersteunen. Er zijn inderdaad veel voorlichtingsbijeenkomsten geweest en daar is gretig gebruik van gemaakt. Ik ken voorbeelden van gemeenten, ook kleinere, die tamelijk blanco naar zo’n bijeenkomst kwamen – ik ben er zelf bij enkele geweest – en zeiden dat zij niet goed wisten hoe zij het aan moesten pakken, waarvan ik nu in de rapportages terugzie dat zij misschien wel verder zijn dan een aantal heel grote gemeenten in het opzetten van relaties met het veiligheidshuis, Bureau Jeugdzorg en de jeugd-ggz en die ook regionaal de goede verbanden weten te leggen. Ik sprak op een van de bijeenkomsten met een vertegenwoordiger van de gemeente Oudewater, die een beetje bij mij in de buurt is. Hij was nog wat aan het zoeken. Het is een gemeente van nog geen 10 000 inwoners als ik mij niet vergis. Waar het gaat om wat men wil bovenop het basismodel, is deze gemeente al heel ver met veel regionale afspraken. Oudewater is bezig met een goede vormgeving van het basismodel met een stevige plus erop. De mate van voortgang is dus niet helemaal te koppelen aan de omvang van de gemeente. Grote en kleine gemeenten blijken in hetzelfde proces te zitten. Kleine gemeenten blijken soms heel ver te zijn met het maken van goede afspraken. Ik wil daar meer over weten. De Kamer wordt daar in de voortgangsrapportage over geïnformeerd.

Ik zeg mevrouw Bouchibti toe dat ik wil bezien hoe het zit met de huisartsen en de jeugd-ggz. Dat zijn relevante partners. Je kunt er heel lang over miezemuizen dat zij niet in het basismodel zitten. Toen de discussie over de samenstelling van het basismodel werd gevoerd, waren veel huisartsen niet zo happig. Het idee was: dat is verplicht dus als je daarin zit, moet je allerlei dingen. Nu men ziet hoe het CJG zich ontwikkelt, wat de betekenis ervan is als het goed wordt aangepakt en wat het betekent voor de kwaliteit van het eigen werk, ontstaat er een beweging de andere kant op. Nu melden huisartsen zich bij ons. Ik ga met hen in gesprek om de verbinding tussen eerstelijnszorg, met name huisartsen, en de CJG’s veel sterker gestalte te geven. Ik vind het een schijndiscussie of zij alsnog een plek moeten krijgen in het basismodel. Dat is een institutionele discussie over structuren. Die is niet zo interessant. Over het basismodel zijn afspraken gemaakt met alle betrokken partijen. Als in de praktijk blijkt dat de huisartsen staan te springen om nauwe aansluiting met de CJG’s, is mijn reactie: be my guest. Wij gaan spreken over de wijze waarop dat kan worden gefaciliteerd vanuit de ondersteuningsstructuur.

Mevrouw Bouchibti (PvdA): Wat zegt de minister dan? Het is een rijdende trein. Die huisartsen moeten instappen. Gaat hij met de huisartsen in gesprek? Voor je het weet is het immers te laat. Dat is van belang nu die behoefte er is en zij aangeven dat zij niet uitgesloten willen worden.

De minister voor Jeugd en Gezin gaat over het beleid met betrekking tot de jeugd-ggz en de minister van VWS gaat over het geld. Als het om een pgb gaat, moet men bij VWS zijn en als een jeugd-ggz-kindje ook nog te maken heeft gehad met de politie, zit er ook nog een deel bij Justitie. Ik zou zo graag willen dat de minister ook hier het voortouw in neemt. Ik heb van mensen uit de jeugd-ggz gehoord dat zij niet weten waar zij naartoe moeten als zij een gesprek willen hebben. Ik zou graag willen dat de minister nu met zijn collega’s om de tafel gaat zitten en ervoor zorgt dat de jeugd-ggz ook op die rijdende trein kan springen. Daarmee zou hij de PvdA-fractie erg blij maken.

De minister: Ik doe natuurlijk niets liever dan het blij maken van Kamerfracties met toezeggingen. De financiering van de jeugd-ggz en de discussie die wij hebben gehad over de wachtlijsten, staat natuurlijk los van de vraag of de jeugd-ggz als zodanig, de ggz-instellingen, goed zijn aangehaakt bij de ontwikkeling van de CJG’s. Dat is mijn belang. Daar ga ik samen met de gemeenten over, met niemand anders. Dat is ons belang. Dat bedoelde ik zo-even met mijn toezegging aan u, mevrouw Bouchibti. Ik ben in gesprek met de huisartsen, juist over dit punt. Ik merk dat er bij hen behoefte is. Volgens mij staat er alweer een afspraak met de huisartsen in mijn agenda om onder andere hierover te spreken. Ik ben onlangs op een congres geweest waarop dit punt ook naar voren kwam. Ik krijg geen signalen dat zij zich buitengesloten voelen. Ik krijg meer de omgekeerde signalen, namelijk dat zij misschien wel meer dan zij in het verleden wilden echt betrokken willen zijn bij dit proces omdat het van belang is voor het CJG, voor henzelf en ook voor de mensen. Onnodige verwijdering moet immers worden voorkomen. Dat juich ik zeer toe.

De discussie over het basismodel vind ik niet zo interessant. Wij gaan de huisartsen en de jeugd-ggz een plek geven. Daar zijn wij al concreet mee bezig. Dit onderwerp kan een plek krijgen in de overlegstructuur met de VNG, in de ondersteuningsstructuur in de richting van gemeenten. Het belang om in elk geval de jeugd-ggz te betrekken bij het CJG, moet onder de aandacht gebracht blijven worden. Ik ben en blijf graag bereid om in mij periodieke contacten met GGZ Nederland het belang te benadrukken. Ik pak dat graag op. Ik zie het inhoudelijke belang. Ik ben er blij mee dat het ook in die sectoren zo wordt gevoeld. Dan hoeven wij ze niet te dwingen om erbij te horen. Die behoefte is er gewoon. Dit was wat ik wou zeggen over de voortgangsrapportage, de bdu, de verantwoording en de wijze waarop ik de Kamer, nog preciezer dan nu mogelijk was, zal blijven informeren over de ontwikkeling van de CJG’s onderweg naar het einddoel van 2011.

Wij hebben ook iets gezegd over de aantallen. Enkele woordvoerders vroegen of het inderdaad al zo mooi is als het er staat. Ik heb in de brief de stand van zaken van 1 november 2008 gegeven. De laatste informatie is die van 31 december 2008. Toen hadden 46 gemeenten al een CJG conform het basismodel, met verschillende plussen erop. Dat is conform de planning voor 2008. Er zijn namelijk daarnaast 25 gemeenten die al het basismodel met een inlooppunt hebben gerealiseerd, maar nog niet officieel van start zijn gegaan. Dat hangt vaak ook samen met geplande openingsfestiviteiten. Ik bekreun mij er niet zo om. Een feit is dat er al heel veel initiatieven zijn die op het niveau zitten dat wij willen, dat van het basismodel. Wij weten het van 41 gemeenten zeker dat zij op 31 december een CJG hadden en er zijn 5 andere gemeenten die al zover zijn. Daarmee zitten wij op 46. Ons is gemeld dat er daarnaast 50 gemeenten zijn die van plan zijn om dit jaar een CJG te openen. Daarmee zitten wij op 96. Dan tel ik niet de 25 gemeenten mee die al wel een fysiek inlooppunt hebben, maar die het om wat voor reden dan ook nog geen CJG noemen. Dat kan legitiem zijn. Dat betekent dat wij wat betreft de doelstellingen ook voor dit jaar heel behoorlijk op streek zitten. Ik heb er veel vertrouwen in dat het de goede kant opgaat.

Er zijn enkele vragen gesteld over de ondersteuningsstructuur, de gereedschapskist, om de gemeenten toe te rusten. Ik wil een misverstand wegnemen, ook omdat er vragen zijn gesteld over de toerusting van professionals. Wij krijgen geen nieuwe beroepsgroep «CJG-professionals». Dat proef ik soms in de vragen over wat wij gaan doen en waarom wij nu pas gaan kijken waar die professionals behoefte aan hebben. Er wordt gedaan alsof er een soort nieuwe categorie professionals gaat ontstaan. Wij hebben te maken met de jeugdgezondheidszorg en mensen die lokaal bezig zijn met opvoedondersteuning. Dat zijn professionals. Mevrouw Dezentjé Hamming gebruikte ergens de term semiprofessionals, maar het zijn voluit professionals die hun beroep verstaan. Wij vragen van hen om die bagage, de kwaliteitseisen die zij aan de eigen beroepsgroep stellen, mee te nemen en in te brengen in het samenwerkingsverband van het CJG. Dat doen wij juist omdat wij willen voorkomen dat er een nieuwe institutie ontstaat met een nieuwe beroepsgroep en een nieuwe laag.

Samenwerken brengt natuurlijk wel een aantal extra vragen met zich mee, waaronder een vraag naar extra competenties gericht op samenwerking en goede uitwisseling van informatie binnen een centrum waar nodig en verantwoord met inachtneming van de eigen regels daarvoor. Voor die extra competenties zijn wij samen met de gemeenten aan het inventariseren wat de behoefte is. Nu de vorming van CJG’s zo langzamerhand in de praktijk gaat uitwerken, wordt zichtbaar waar professionals met hun eigen deskundigheid tegenaan lopen. Daar willen wij voor toegerust zijn. Wij willen de professionals ondersteunen met handreikingen via de gereedschapskist. Wij ondersteunen dus niet alleen de gemeenten in het proces van het inrichten van een CJG, maar wij zijn ook een slag aan het maken naar extra ondersteuning van de professionals die met behoud van de eigen professionaliteit in een CJG gaan samenwerken.

Mevrouw Bouchibti (PvdA): De minister zegt dat er geen nieuwe beroepsgroep komt. Wij willen achter de voordeur. Daar is de PvdA-fractie het mee eens. Het is ook nodig. Als wij die voordeur open trekken, zien wij gezinnen die kapot gaan aan problemen. Dat is niet pas een maand of twee maanden, maar al jaren lang. Ik vraag niet om een nieuwe beroepsgroep, maar er worden wel andere zaken gevraagd van de professionals. Zij lopen wel tegen bepaalde zaken aan. De problemen kunnen zij ook niet aan doordat er een soort cultuuromslag moet komen. Men moet ook naar mensen toe. Er moeten veel meer huisbezoeken worden afgelegd. De minister kan wel zeggen dat het geen nieuwe beroepsgroep is, maar wij vragen wel heel andere dingen van deze mensen in deze tijd. Deze tijd is anders dan tien jaar geleden. Ik vind wel dat de minister de mensen misschien een beetje tekort doet als hij zegt dat er niet zo veel verandert. De samenleving verandert en daarom moeten deze mensen ook veranderen.

De minister: Daar ben ik het mee eens, maar ik wil even heel precies zijn. De samenleving is veranderd en zij verandert nog steeds. Dat merken de professionals in de jeugdgezondheidszorg natuurlijk nu al. U zegt dat de praktijk verandert, mevrouw Bouchibti. Het achter de voordeur komen, is overigens voor mij geen doel op zich. Als zich daar iets afspeelt waarvan wij als samenleving zeggen dat wij dat niet accepteren, willen wij dat kunnen zien en willen wij toegerust zijn om te kunnen acteren. Dat heeft zich al ontwikkeld en ontwikkelt zich nog binnen de jeugdgezondheidszorg: het outreachend werken en de nadruk op extra huisbezoeken. In uw gesprekken met consultatiebureaus, zult u dat ook horen. Daar begint dat al. Die ontwikkeling is doorgemaakt. Dat neemt men mee, als professional, ook binnen de CJG’s. Juist omdat het CJG geen nieuw instituut is met nieuwe eisen die worden gesteld aan een nieuwe laag, is het van belang dat de professionals hun eigen professionaliteit meenemen, inclusief de kwaliteitseisen van zorg. Het CJG is in die zin geen kwaliteitsborging. Die komt via de band van de beroepsgroepen.

Opvoedingsondersteuning stelt andere eisen aan de professionals dan jeugdgezondheidszorg. Ik ben het ermee eens dat er in deze tijd andere dingen van professionals worden gevraagd. Dat loopt in de eerste plaats gewoon langs de toerusting van de professionals door de eigen beroepsgroepen. Wij zijn met de beroepsgroepen en de koepels als ActiZ en GGD Nederland in gesprek om te bezien wat de dimensie van die samenwerking tussen verschillende professionals binnen het CJG voor extra vragen, nieuwe vragen en extra competenties met zich meebrengt waarin moet worden geïnvesteerd. Dat soort elementen is ook in steeds grotere mate in de gereedschapskist te vinden. Mijn vader had overigens ook een gereedschapskist. Die was redelijk geordend, maar er zat wel in wat erin moest zitten. Mijn zorg is dat in die gereedschapskist die dingen zitten, zowel voor de gemeenten als voor de mensen die binnen de muren van zo’n CJG werken, die het mogelijk maken om het werk goed te kunnen doen.

Mevrouw Langkamp (SP): Ik hoor de minister nu een aantal keer benadrukken dat het CJG geen nieuw instituut is, geen extra laag. Ik heb in mijn bijdrage het voorbeeld genoemd van een nieuwe managementlaag waarmee het CJG gepaard gaat. Daar zou ik toch graag een reactie op willen van de minister.

De minister: Ik zie dat dit heel verschillend wordt ingevuld. Dat hangt dus erg af van de gemeente. Gemeenten zijn hier ook vrij in. Het is mogelijk dat in heel grote gemeenten, zoals in de G4, CJG’s worden ingericht binnen bijvoorbeeld een bestaande brede school of binnen een bestaand consultatiebureau. Zaken worden daar dan gecentraliseerd en mensen gaan samenwerken. In zo’n geval kan ik mij voorstellen dat een gemeente, die straks conform de wet gehouden is om regie te voeren over het functioneren van de CJG’s, het van belang vindt dat die centra een eenduidige structuur hebben. Het is aan de gemeente om te besluiten om daar een manager op te zetten. U hebt het over een managementlaag, mevrouw Langkamp. Ik zie heel verschillende varianten. Het is aan gemeenten. Zij zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de jeugdgezondheidszorg, dat waren zij en dat blijven zij. Zij zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de opvoedondersteuning. Ook daar verandert niets in. Als gemeenten het noodzakelijk achten om daar in het kader van het CJG een manager te zetten, is het aan hen om dat te doen. Wij werken met elkaar – daar is de ondersteuningsstructuur op gericht – aan inhoudelijke versterking. Het geld dat ik beschikbaar heb gesteld, is voor de inhoudelijke versterking van de opvoedondersteuning. In 2011 wil ik niet horen of 12 of 200 gemeenten een manager hebben aangesteld, maar of zij daadwerkelijk die opvoedondersteuning hebben versterkt. Dat wil ik horen. Als dat niet het geval is, hebben wij een probleem waarover wij moeten spreken.

Mevrouw Langkamp (SP): Ik begrijp dat u dat allemaal vooral bij de gemeenten wilt laten. Ik vind dat u wel een beetje de indruk wekt dat het eigenlijk niets nieuws is, alleen maar een bundeling van bestaande instellingen en organisaties. U bent het toch wel met mij eens dat als een gemeente ervoor kiest om een managementlaag op te zetten, er wel degelijk sprake is van een nieuwe structuur?

De minister: U zei tegen mij: u kunt blijven ontkennen dat er een extra laag is. Mijn reactie zou kunnen zijn: u kunt natuurlijk blijven beweren dat dit zo is en hopen dat ik op enig moment zeg dat u eigenlijk wel een punt hebt. Ik kijk gewoon naar de praktijk. Ik zie dat het CJG leidt tot een versterking van de opvoedondersteuning en de jeugdgezondheidszorg in hun onderlinge uitwisseling. Het enkele feit dat een aantal gemeenten, of misschien veel gemeenten, een manager aanstellen om dat proces te begeleiden, vind ik zeker in deze fase waarin de CJG’s hun beslag moeten krijgen helemaal niet zo gek. Het is aan gemeenten. Het is natuurlijk geen bewijs voor de stelling dat er dus een extra bureaucratische laag is. U zou pas gelijk hebben dat het een extra laag is als wij in het basismodel hadden opgenomen dat het CJG een doorverwijsbalie is. Dat is het dus definitief niet. U kunt het blijven beweren en ik zal het blijven ontkennen omdat het CJG geen doorverwijsinstantie is.

U hebt wel gelijk dat er de nodige vragen bij zijn, bijvoorbeeld wat betreft de perceptie van de mensen die gebruik maken van die diensten. Daar doelde ik in mijn brief op met het woord «valkuilen». Ik ben zo vrijmoedig geweest om een aantal positieve en een aantal kritische reacties voor de Kamer op papier te zetten. Dat zijn zaken die ik in de praktijk hoor. Die zijn ook bedoeld om mijzelf, de VNG en het programmaministerie scherp te houden: denk erom, er zijn dingen die wij wel willen met het CJG en dingen die wij niet willen. Heel veel mensen zijn erg blij. Dat blijkt uit onderzoeken: ongeveer 85% van de mensen wil dat er een laagdrempelig inlooppunt komt waar zij met eenvoudige vragen terecht kunnen. De naamsbekendheid van het Centrum voor Jeugd en Gezin is heel hoog. Mensen willen daar graag terecht kunnen. Dan moet het ook beschikbaar zijn. Daar zijn onze inspanningen op gericht. Dat heeft dus niets te maken met een bureaucratische laag, maar wel met het belang dat je het, zeker in deze fase, goed positioneert. Mensen moeten kunnen merken – dat bedoel ik met mijn opmerking over de outcome – dat het daadwerkelijk voor hen een meerwaarde heeft dat die instanties nu ook zichtbaar met elkaar samenwerken.

Dit brengt mij bij een aantal opmerkingen over Bureau Jeugdzorg. Ik hoef, denk ik, niet te herhalen wat wij hebben afgesproken over de positionering in het basismodel. Juist als wij vinden dat het CJG ook de druk op de geïndiceerde jeugdzorg moet doen afnemen door betere preventie, samenwerking en vroegsignalering, is het van belang dat Bureau Jeugdzorg daar een plek in heeft. Wij hebben dat heel bewust niet fysiek, in fte’s of in voorpostfunctionarissen uitgedrukt, maar wel in de voorpostfunctie. Er moet een verbinding zijn met Bureau Jeugdzorg en die hebben wij de voorpostfunctie genoemd. Er werd al gezegd dat het per gemeente kan verschillen of dat een fulltime of een parttime medewerker is.

Ik heb het voorbeeld van Den Haag wel eens genoemd. Daar is een team van vijf mensen van Bureau Jeugdzorg in de CJG’s gepositioneerd. Dat is een heel forse investering. Kennelijk hebben zowel Bureau Jeugdzorg als de gemeente Den Haag het grote belang ingezien van het directe contact. Er werd overigens terecht opgemerkt dat het samenhangt met de capaciteit van Bureau Jeugdzorg. In Den Haag heeft men de zaken wat dat betreft goed op orde gebracht. Den Haag heeft gezegd het belang te zien van een actieve betrokkenheid van Bureau Jeugdzorg bij het CJG en daarin te willen investeren omdat dat het eigen werk ten goede komt. Ik stimuleer dat. De vormgeving is opnieuw een zaak van gemeenten. Die waren, zijn en blijven verantwoordelijk voor de onderdelen die in het centrum samenwerken.

Ik stimuleer het zoeken naar nieuwe vormen van samenwerking tussen gemeenten en provincies. Ik heb in mijn brief melding gemaakt van «Opvoeden in de buurt». Iemand vroeg wanneer de resultaten daarvan komen. Er heeft een aantal malen bestuurlijk overleg plaatsgevonden – dat hoort bij zo’n traject – met de G7 en de bijbehorende provincies. Dat overleg is heel constructief en het verloop van het project ook. In formele zin, bestuurlijk, hebben wij dat eind 2008 afgesloten. Nu worden de resultaten op een rijtje gezet. Er wordt onderzoek naar verricht met medewerking van de gemeenten. Ik verwacht de Kamer na de zomer te kunnen informeren over de uitkomsten ervan. Het betrof overigens projecten waarin provincies en gemeenten samen zochten naar nieuwe vormen van samenwerking. De G27 hebben mij eigener beweging aangeboden om ook daarmee aan de slag te gaan in de vorm van pilots. Daar ben ik zeer positief over.

In het bestuursakkoord met de VNG van 2007 is gesproken over een aantal pilots tussen provincies en gemeenten om die aansluiting te verbeteren. Wij hebben gezegd dat wij daar medio 2009 meer over wilden weten. Daar zijn ook deze werkplaatsen van de G27, een eigen initiatief, op gericht. Ook daarover zal ik de Kamer, zodra er iets uitkomt, graag informeren. Het zijn voorbeelden waarin wij bewegingen zien. Bij«Opvoeden in de buurt» is bijvoorbeeld de geïndiceerde ambulante jeugdzorg ontzettend interessant. De vraag is of daarvan een deel naar de gemeenten kan worden overgeheveld. Nog even los van de formele vragen wat wel of niet kan op grond van de Wet op de jeugdzorg, is het heel interessant om vooruitlopend en anticiperend op de evaluatie van die wet te bezien wat er in de praktijk al mogelijk is met de huidige wet. Dat juich ik alleen maar toe. Bij een initiatief in Leeuwarden heeft de provincie gezegd dat indicaties voor jeugdzorg, met name voor ambulante jeugdzorg, zoveel mogelijk in de CJG’s moeten plaatsvinden. Dat gebeurt formeel onder verantwoordelijkheid van Bureau Jeugdzorg. Dat hoort ook zo, dat is hun core business onder de huidige wet. Er is dus een beweging waarin men zelf aan het aftasten is of dat niet eigenlijk meer hoort bij gemeenten. Dat komt ook in de richting van wat de heer Dibi vroeg, namelijk of er niet meer naar de gemeenten zou moeten. In formele zin komt die vraag aan de orde bij de discussie over de bestuurlijke verantwoordelijkheden op grond van de Wet op de jeugdzorg en de evaluatie daarvan.

Ondertussen zie ik wel initiatieven als «Opvoeden in de buurt», de pilots van de G27 en individuele initiatieven van provincies en gemeenten waardoor er veel in beweging is. Daarmee wordt recht gedaan aan de eigen verantwoordelijkheid van gemeenten en worden zij tegelijkertijd in staat gesteld om nog meer in samenhang met elkaar mensen te bedienen, dicht in de buurt, in een laagdrempelig inlooppunt. De vraag of wij niet nu zouden moeten beslissen om het vrijwillige deel van Bureau Jeugdzorg naar de CJG’s over te hevelen, heb ik daarmee volgens mij beantwoord. Dat is niet het geval, want dan gaan wij nu een beslissing nemen vooruitlopend op een evaluatie. Reken er maar op dat het een van de vragen is waarnaar wij gaan kijken: wat zou je kunnen verschuiven en wat zou je moeten verschuiven. Dat wil ik natuurlijk wel weten. Ik ga die evaluatie niet in vanuit bepaalde bestuurlijke belangen. De vraag is of de wet de doelen dient voor de mensen op wie deze was gericht of dat dit op een betere manier worden gedaan. Ik sta daar tamelijk open en onbevangen in om te bezien hoe wij de mensen het beste kunnen bedienen. Dan is de ontwikkeling van de CJG’s natuurlijk heel relevant in relatie tot Bureau Jeugdzorg.

De heer Dibi (GroenLinks): Ik begrijp dat u niet vooruit wilt lopen op die evaluatie. Wij kunnen niet wachten tot die gereed is. Volgens de nieuwe wet krijgt elk kind een wettelijk recht op jeugdzorg. Dat bestaat niet als er wachtlijsten zijn. Wij weten nu al dat de Bureaus Jeugdzorg niet hebben gebracht wat beoogd was. Stel dat wij de CJG’s tijd geven om volledig tot wasdom te komen, moeten de Bureaus Jeugdzorg dan nog blijven bestaan?

De minister: U hebt de conclusie al getrokken dat zij niet hebben gedaan waarvoor zij zijn ingericht. Dat is voor mij pas een feit als de evaluatie dat uitwijst. Dat er wachtlijsten zijn, heeft ook iets te maken met de organisatie van zorgaanbieders en met de vraagontwikkeling. Het is mij te vroeg om zonder evaluatie al conclusies te trekken. Ik wil daar graag op wachten. Dat vind ik ook wel zo zorgvuldig jegens de betrokkenen, voordat wij nu al schuldigen aanwijzen voor het feit dat er wachtlijsten zijn. Dat is mij te vroeg. U hebt wel gelijk dat het oplossen van de wachtlijsten ontzettend belangrijk is om het recht op jeugdzorg te kunnen verzilveren. Dat is ook wat mij motiveert om dit jaar die slag te maken met de wachtlijsten en er aan het eind van dit jaar af te zijn. U kent mijn inzet op dat punt.

De voorzitter: Mijnheer Dibi, de wachtlijsten bespreken wij vaak genoeg.

De heer Dibi (GroenLinks): Dat begrijp ik. Het gaat mij ook niet per se om de wachtlijsten. Het gaat mij erom dat er geen wettelijk recht op jeugdzorg is als er wachtlijsten zijn. Toen de Bureaus Jeugdzorg werden ingesteld, was het de bedoeling dat er één ingang was binnen de jeugdzorg. Zij moesten de groei beheersen. Wij zien dat de zorgvraag elk jaar 10% tot 15% stijgt. Dan kan ik niet anders dan, ook zonder evaluatie, de conclusie trekken dat zij niet hetgeen hebben gedaan waarvoor zij zijn opgericht. De minister moet dan bij de evaluatie bereid zijn om te zeggen: als dat niet is gelukt, is het nu einde verhaal.

De voorzitter: Ik stel toch voor dat wij het houden bij de CJG’s.

De minister: Voorzitter, misschien staat u mij toe om nog te reageren op dit punt. Ik ben het echt oneens met u, mijnheer Dibi, dat uit een bepaalde vraagontwikkeling de conclusie kan worden getrokken dat een instantie niet goed werkt. Dat is natuurlijk een rare conclusie. Los van de hoogte van de groeicijfers: als er meer vraag naar jeugdzorg is waardoor er wachtlijsten ontstaan, kan worden gezegd dat het te maken heeft met allerlei omstandigheden en dat de Bureaus Jeugdzorg en de zorgaanbieders moeten worden toegerust om hun werk goed te kunnen doen. Het is natuurlijk raar om de Bureaus Jeugdzorg de schuld te geven van de toenemende groei van de vraag naar jeugdzorg. Ik wil daar graag op terugkomen bij de evaluatie en de debatten over de wachtlijsten.

De voorzitter: Nu heeft mevrouw Langkamp het woord gevraagd, hopelijk niet over jeugdzorg en wachtlijsten.

Mevrouw Langkamp (SP): Dit lokt een beetje een reactie uit omdat de minister spreekt over «schuldigen aanwijzen». Even daarvoor zei hij iets waarmee ik het wel eens was. Het gaat er toch uiteindelijk gewoon om dat de mensen die in de jeugdhulpverlening werken gewoon hun werk kunnen doen. Ongeacht de vraag of dat bij de Jeugdzorg blijft of dat het wordt ondergebracht bij de CJG’s – ik stel voor om alleen het vrijwillige deel daar onder te brengen, maar goed, daar komen wij nog over te praten – gaat het erom dat een en ander zodanig wordt georganiseerd dat mensen de zorg kunnen bieden die kinderen nodig hebben. Daar zijn wij het toch over eens? Laten wij het alsjeblieft niet gaan hebben over «schuldigen aanwijzen» want dat vind ik kwalijk, ook tegenover de mensen die er werken.

Minister Rouvoet: Ik ben het daar zeer mee eens en daarom vond ik het nodig om de vinger te leggen bij de conclusie van de heer Dibi. Mij is gevraagd of het niet nu al moet gebeuren en daarop heb ik gezegd: nee, want ik wil de evaluatie afwachten. Toen ben ik even ingegaan – mijn excuses daarvoor – op het zijspoortje van «hoe komt dat dan». Ik laat dat nu verder even rusten. Ik ben het met de conclusie eens. Het gaat erom dat mensen de goede zorg krijgen. Ik ga daarom met een open mind die evaluatie in.

Mevrouw Langkamp (SP): Wij hebben het nu over het Centrum voor Jeugd en Gezin en over de schakel met Bureau Jeugdzorg. Dat staat in het basismodel. Er zijn Centra voor Jeugd en Gezin die nog helemaal niet samenwerken met Jeugdzorg. Zeker in het licht van de gedachte van «hoe moet het er allemaal in de toekomst uit gaan zien en moet daar wat aan veranderen?» is het zaak dat nu al gestart wordt met de samenwerking met Bureau Jeugdzorg. De schakel met Bureau Jeugdzorg staat in het basismodel. Daarnaast zijn er nog allerlei andere instanties waarmee samengewerkt kan worden; dat noemen wij «koppeling». Wat verstaat de minister precies onder «schakel met Bureau Jeugdzorg».

Minister Rouvoet: Wij hebben daarover uitgebreid overlegd, en volgens mij was daar overeenstemming over, toen wij het basismodel bespraken. Wij hebben gekozen voor een schakel, overigens net als bij het onderwijs, omdat wij het van belang vinden dat een Centrum voor Jeugd en Gezin zich primair richt op het domein van zorg en welzijn op lokaal niveau en op preventie. Dat staat niet los van wat er in het onderwijs en de geïndiceerde jeugdzorg gebeurt. Het CJG is geen doorverwijsbalie. Het is de bedoeling dat mensen er binnen komen en met een antwoord op hun opvoedvragen weer naar buiten gaan. Zo werkt het al bij de jeugdgezondheidszorg. Als men dan ergens tegenaan loopt dat men niet aankan in het preventieve domein omdat het aan een zware problematiek raakt, dan moet men het Bureau Jeugdzorg heel gemakkelijk weten te vinden. De lijn moet dan dus heel kort zijn. Dat bedoelen wij met een plek geven aan Bureau Jeugdzorg in het samenwerkingsverband van het Centrum voor Jeugd en Gezin. Wij hebben dat niet voorgeschreven in de zin van het minimumaantal uren dat er iemand van Bureau Jeugdzorg moet zitten. Natuurlijk heeft een Bureau Jeugdzorg van een grote provincie veel te bedienen. De vormgeving laat ik echter echt over aan de bestuurders die verantwoordelijk zijn voor Bureau Jeugdzorg respectievelijk de wethouders die voor CJG’s verantwoordelijk zijn. De verbinding moet er in elk geval zijn. Ik gaf al voorbeelden; in Den Haag leidt dit tot de aanwezigheid van vijf mensen in het Centrum voor Jeugd en Gezin. Klasse! Ergens anders zal tot een heel andere vorm van contact worden gekomen waarbij een medewerker direct bereikbaar is en zonodig aanwezig is. Ik ken ook het voorbeeld van een gemeente waar de Bureau Jeugdzorgmedewerker mee langs de deuren gaat in het kader van het outreaching werk van de jeugdgezondheidszorg. Prima. De voorpostfunctie moet gerealiseerd worden maar de vormgeving ervan is aan de gemeenten in samenspraak met de provincies.

Mevrouw Langkamp vraagt of niet het risico bestaat van wachtlijsten bij het Centrum voor Jeugd en Gezin. Dat zit niet aan het proces van CJG-vorming vast maar het is wel een van de redenen dat ik extra geld heb vrijgemaakt om opvoedondersteuning te versterken en uit te breiden. Als aanbod om mensen te helpen wordt gegenereerd en dat actief bekend wordt gemaakt, dan ontstaat het risico – dit is wat flauw geformuleerd – dat mensen er gebruik van gaan maken. Ik hoop dat zij er gebruik van gaan maken. Ik heb er 100 mln. voor uitgetrokken om te voorkomen dat mensen bij het Centrum voor Jeugd en Gezin aankloppen en daar vervolgens niet direct terecht kunnen. Ik hoor nu de vraag: wat gebeurt er achter die voordeur? Wij willen het tot een succes maken en dat betekent dat wij extra moeten investeren. Wij geven de gemeenten extra geld, en de gemeenten stoppen er zelf ook extra geld in via de accres-formule, zodat er meer opvoedondersteuning beschikbaar komt. Sowieso is de totstandkoming van de brededoeluitkering die gemeenten zonder allerlei schotten te ervaren kunnen besteden aan het hele domein van het Centrum voor Jeugd en Gezin, een plus in het voorkomen dat de druk op de CJG’s onnodig toeneemt. Wij hopen inderdaad dat het een succes wordt in de zin dat mensen het punt weten te vinden en er naartoe gaan.

Er zijn enkele vragen gesteld over de verwijsindex. Hopelijk kunnen wij op heel korte termijn een wetsvoorstel hierover naar de Kamer sturen. Het ligt nu ter bespreking voor aan de ministerraad; het advies van de Raad van State is verschenen. Ik kan inhoudelijk nog niet veel zeggen omdat het echt nog besproken moet worden in de ministerraad. Ik stel voor om op de gestelde vragen terug te komen bij de behandeling van het wetsvoorstel. Ik begrijp de opmerkingen goed; het moet natuurlijk ook gaan werken. In het Centrum voor Jeugd en Gezin zal lang niet altijd een verwijzing nodig zijn omdat men elkaar ook ziet bij de koffietafel; de buren zijn onder dicht bereik. Bij lichte opvoedproblematiek loopt men gemakkelijk bij elkaar naar binnen over één plan voor één gezin. De verwijsindex blijft echter een belangrijk instrument – daar heeft mevrouw Bouchibti gelijk in – om in contact te komen met de hulpverleners die men niet dagelijks ziet in het Centrum voor Jeugd en Gezin, bijvoorbeeld omdat zij in een andere gemeente zitten of omdat zij bij een heel andere instantie zitten die niet aangehaakt is aan het Centrum voor Jeugd en Gezin. Voor de regio, voor scholen en voor instanties die verder weg zitten, is de verwijsindex erg van belang. Wij zullen er met name op moeten letten – maar daar kom ik bij het wetsvoorstel graag op terug – dat als er reden toe is, men meldingen doet in de verwijsindex zodat men elkaar weet te vinden.

Mevrouw Bouchibti (PvdA): Ik wil geen vraag stellen over de VIR. Ik wacht het wetsvoorstel graag af. Ik kom echter wel graag terug op de opvoedondersteuning. Ik wil in de voortgangsrapportage niet alleen de vorm en het doel, opvoedondersteuning, terug zien, maar ook de diversiteit, het aanbod van mensen en de ouders die er komen. Of iemand licht verstandelijk gehandicapt is en kinderen heeft, scheelt nogal. Ik maak mij daar zorgen over en het veld spreekt er ook over. Daar moet echt goed naar gekeken worden. Straks krijgen wij weer een rapport-Frankenstein waarin staat dat mensen links en rechts opvoedondersteuning aanbieden. Ik zie dat ook in mijn stad, Amsterdam. Iedereen biedt maar opvoedondersteuning aan, desnoods ergens driehoog achter op een kamer. Men trekt vooral vrouwen aan. Wij moeten dat niet willen. Als ouders serieus vragen om begeleiding dan moeten wij daar serieus antwoord op geven.

Minister Rouvoet: Ik kijk graag naar wat ik met het oog op de voortgangsrapportage daarover kan melden. Ik maak daarbij de aantekening dat ik vooral wil weten of er voldoende aanbod is; voor de kwaliteit van het aanbod zijn de gemeenten verantwoordelijk en dat moeten zij ook blijven. Ik wil wel weten of er voldoende aanbod is. In de uitvraag voor de jaarlijkse verslaglegging over de besteding van de BDU zit de vraag of er voldoende aanbod is. Wij houden gemeenten scherp op dat punt. Zij willen dat ook. De gemeenten zien er scherp op toe dat zaken niet zomaar in het kader van het CJG worden aangeboden. Gemeenten kunnen weinig veranderen aan wat mensen via internet aanbieden. Zij zijn echter wel verantwoordelijk voor de kwaliteit van de opvoedondersteuning die in het kader van het Centrum voor Jeugd en Gezin wordt aangeboden. Wij nemen dat zoveel mogelijk mee in de rapportage. Het lijkt mij ook goed om het belang van dit punt in het overleg met de VNG te onderstrepen zodat men daar bij de ontwikkeling en vormgeving op gespitst is. Ik ben overigens graag bereid om de brief die de gemeenten hebben ontvangen en de vragenlijst die daarbij zit naar de Kamer te sturen. Dan krijgt de Kamer een beeld van wat zij in een voortgangsrapportage in elk geval aan gegevens kan verwachten. Ik herhaal mijn toezegging dat ik in contacten met de VNG het belang van samenwerkingsafspraken zal benadrukken. Dat punt zal terug te vinden zijn in de vragen aan de gemeenten maar zal ook benadrukt worden in de contacten met de VNG en de ondersteuningscultuur.

In relatie tot CJG’s ligt er nog één punt, namelijk de contactmomenten. Ik heb in de schorsing even gekeken, maar ik heb die niet helemaal paraat. Ik zal daar nog even apart naar kijken en ik kom daarop terug. Ik herinner mij de toezegging heel goed. Er was inderdaad samenhang met een nieuw contactmoment. Mij staat bij dat het van belang is om de flexibilisering van contactmomenten, waarop vanuit de Kamer aangedrongen is, goed te combineren met de verplichting in het kader van de Wet collectieve preventie volksgezondheid, zodat alle kinderen de nodige contactmomenten krijgen. Daarnaast komt er ruimte voor focus op risico’s. Ik zal de Kamer daar bij brief preciezer over informeren want ik heb dat hier niet helemaal paraat.

Ik ga nu in op een paar vragen die gesteld zijn over de G4. Ik ben blij dat mevrouw Bouchibti nog een keer aangaf, zoals overigens ook al tijdens de algemene politieke beschouwingen en een eerder debat, dat de PvdA-fractie zeer ingenomen is met de manier waarop het verzoek van mevrouw Hamer is opgepakt door het kabinet. Het doel is natuurlijk om de wethouders van met name de G4, en uiteindelijk ook breder, meer armslag te geven om samenhangend jeugdbeleid te voeren. Dat begint met het zoveel mogelijk bundelen van middelen zoals met de BDU al is gedaan. Ik heb een en ander al uitgebreid beschreven in mijn brief van 7 november en ik ga dat dus niet herhalen. Er is al heel veel gebundeld en wat nog gebundeld kan worden, zal gebundeld worden. Ik ben met collega’s en wethouders in gesprek om dat af te ronden. Bij de begrotingsbehandeling is een motie van mevrouw Bouchibti aangenomen waarin de regering wordt gevraagd om in elk geval met de wethouders van de G4 voor 1 februari afspraken te maken. Ik kan de Kamer melden dat een dezer dagen een voorstel van mijn kant naar de wethouders zal gaan. Er heeft intensief overleg plaatsgevonden over het realiseren van de gezamenlijke doelstelling. Ik verwacht op korte termijn een reactie op dat voorstel van de G4-wethouders. Zo mogelijk zal dat voor 1 februari maar in elk geval op heel korte termijn afgerond worden en zal de Kamer daarover geïnformeerd worden. De Kamer kan daar in de eerste helft van februari informatie ontvangen voor zover ik nu kan overzien.

Het is nog wel van belang om erop te wijzen dat inmiddels met Rotterdam een heel interessant traject is ingegaan in relatie tot de overlast door kinderen. In dat kader was de vraag of de domeinen van zorg en onderwijs wat dichter bij elkaar konden worden gebracht. Onder regie van het programmaministerie wordt daaraan gewerkt door de ministeries van OCW, Justitie en WWI. Wij proberen om de afspraken met Rotterdam te verbreden naar het APB-traject om kinderen en jongeren beter te bedienen. De huidige stand van zaken is dus dat wij met Rotterdam heel ver zijn en hopen in de loop van februari tot conclusies te komen. Dan komt ook de vraag aan de orde of een en ander verbreed kan worden naar de rest van de G4. Het hoeft allemaal niet beperkt te blijven tot de G4, maar de Kamer heeft zelf gevraagd om te beginnen met die G4 omdat de problematiek daar heel specifiek is. De ervaringen daarvan kunnen wellicht meegenomen worden naar andere gemeenten.

Overigens zijn veel dingen die wij doen, zoals de BDU en het bundelen van geld, voorbeelden van zaken waar niet alleen de G4 maar alle gemeenten van kunnen profiteren. Onze inspanningen en de acties met de G27 zijn erop gericht om zoveel mogelijk gemeenten armslag te geven om jeugdigen met problemen zo goed mogelijk te bereiken.

Onder meer mevrouw Bouchibti sprak over de G4 en de doorzettingsmacht. Wij hebben dat opgepakt, zoals afgesproken. De Kamer wordt daarover geïnformeerd in het kader van het wetsvoorstel voor het Centrum voor Jeugd en Gezin. Daarin zitten twee elementen: de wettelijke inrichting van de CJG’s en het versterken van de regierol van gemeenten. Ik verwijs naar mijn brief van 16 november 2007 waarin de contouren van dat wetsvoorstel zijn geschetst. Wij hebben die uitvoerig met elkaar besproken. Het wetsvoorstel ligt nu bij de Raad van State en na ommekomst van advies gaat het uiteraard naar de Kamer. In dat wetsvoorstel zit ook de doorzettingsmacht, hetgeen voor de hand lag. Met de Kamer kan worden gesproken over de vormgeving daarvan. In het «escalatiemodel» zoals het wordt genoemd in mijn wetsvoorstel is op verzoek van de Kamer de burgemeester genoemd als degene die uiteindelijk een beslissing kan nemen. Wij gaan het netjes uitschrijven en uitwerken en er vervolgens over discussiëren.

Daarnaast is de Kamer ook al eens geïnformeerd in relatie tot de vraag of een burgemeester verplichte opvoedingsondersteuning kan opleggen. Daarover is juridisch advies gevraagd aan de Raad van State en daar is de Kamer in oktober of november over bericht. Vanwege de juridische haken en ogen aan het rechtstreeks ingrijpen van een burgemeester in het gezin met opvoedingsondersteuning – dat ligt buitengewoon ingewikkeld in het kader van internationale verdragen – is gekozen voor een route waarbij de burgemeester de mogelijkheid krijgt om ervoor te zorgen dat via de Raad voor de Kinderbescherming de kinderrechter daarover een oordeel geeft. Ik ben met mevrouw Bouchibti eens dat daarmee een belangrijk instrument in de handen van de burgemeesters wordt gelegd.

Ik meen hiermee alle punten te hebben behandeld.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Ik heb nog twee vragen openstaan over de valkuilen. Ook heb ik een vraag gesteld over de Bureaus Jeugdzorg die zich moeten bezighouden met 100 CJG’s.

Minister Rouvoet: Die laatste vraag heb ik beantwoord. Het gaat over de afspraken die gemeenten en provincies maken over de positionering van Bureau Jeugdzorg. Over de valkuil heb ik iets gezegd maar ik heb niet precies uw vragen beantwoord. Ik heb aangegeven hoe de term in de brief terecht is gekomen. Ik heb ook goed willen luisteren naar de gebruikers van de CJG’s, de mensen die daar binnen moeten kunnen lopen. In dat verband staat in de eerste brief op de eerste pagina de term «valkuilen». In de ondersteuningstructuur willen wij daar rekening mee houden zodat valkuilen worden dichtgegooid voordat wij erbij in de buurt komen. Wij hebben een hekel aan valkuilen; die kunnen wij missen als kiespijn. U noemde zelf drie mogelijke valkuilen. Gelet op hoe het veld bezig is en de gemeenten bezig zijn met de vormgeving van de Centra voor Jeugd en Gezin vind ik het risico dat het een decorstuk wordt niet reëel. Het is zeer reëel wat daar gebeurt. Mensen hebben dezelfde ervaring van goed samenwerken; vroeger ervoer men afstand en nu zitten mensen die elkaar vroeger alleen maar spraken via de telefoon zelfs vaak in één kantoortuin. De Centra voor Jeugd en Gezin zijn dus alles behalve een decorstuk. U sprak daarnaast over het risico dat mensen die binnenkomen met een eenvoudige vraag tot probleemgeval worden bestempeld. Ik zie dat anders. Mensen die nu binnenstappen bij de jeugdgezondheidszorg voor opvoedingsondersteuning weten precies waar zij terechtkomen, namelijk bij professionals die een antwoord kunnen geven op hun vragen. Er is geen risico dat zij in een systeem worden getrokken juist omdat opvoedondersteuning een eigen verantwoordelijkheid heeft en die mensen gewoon met een antwoord weer naar buiten stuurt. Mensen worden niet opgehangen in een breed zorgsysteem of via de jeugdzorg doorverwezen. Ik hoop echter wel dat u het met mij eens bent dat als mensen binnenkomen met opvoedvragen waarvan de professional op lokaal niveau meent dat het niet meer een preventieve vraag tot opvoedondersteuning is maar ernstige gedragsproblematiek waar geïndiceerde jeugdzorg voor nodig is, het van belang is dat de lijn naar het Bureau Jeugdzorg kort is zodat mensen daar in het goede zorgsysteem terechtkomen.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Op dat laatste punt ben ik het natuurlijk roerend met u eens. Dat is ook wel duidelijk. Toch vind ik dat er sprake is van een risico. Aan de ene kant is het uitgangspunt dat de CJG’s door preventie de druk op de jeugdzorg doen verminderen en aan de andere kant bestaat het risico dat als een ouder een of meerdere vragen stelt, er gekeken wordt naar de achtergrond van de vragensteller en er al snel ergens een vinkje wordt gezet. Iemand met een min of meer gewone vraag wordt daardoor in een systeem gesleurd waardoor er uiteindelijk toch weer extra druk op die jeugdzorg komt. Iedereen weet hoe de VVD over het EKD denkt, maar het komt er wel.

Minister Rouvoet: Afgezien van de terminologie van «in een systeem sleuren» herken ik niet het beeld dat wordt geschetst van jeugdgezondheidswerkers. Ik herken daarin ook niet de mensen die lokaal opvoedondersteuning bieden, alsof het een soort ambitie is om zoveel mogelijk mensen een systeem in te sleuren. Ik kan u geruststellen: het EKD is het EKD van de jeugdgezondheidszorg. Iemand die zich binnen het Centrum voor Jeugd en Gezin bezighoudt met opvoedondersteuning heeft geen toegang tot het EKD. Ook op die manier wordt dus niemand in een systeem gesleurd.

Nadere gedachtewisseling

De heer Dibi (GroenLinks): Voorzitter. Het aantal ouders dat opvoedvragen heeft, neemt zorgwekkend toe. Dat kan met allerlei te maken hebben en is niet de schuld van het bureau Jeugdzorg. Dat heeft met medicalisering te maken, met het feit dat opvoeden complexer is geworden en met het beter de weg vinden naar allerlei instanties omdat gezinsdrama’s veel media-aandacht hebben gekregen. De minister heeft de oplossing gevonden – en dat hebben wij altijd gesteund – in de Centra voor Jeugd en Gezin die in de preventieve sfeer iets kunnen doen voordat mensen in die andere sfeer terechtkomen. Mijn fractie vraagt zich af of het CJG in de huidige aanbodgerichte vorm effectief is en of het binnen het huidige stelsel volledig tot wasdom kan komen. Het is misschien voorbarig om daar nu al een antwoord op te geven en ik geef het ook graag tijd en ruimte. Bij de evaluatie zal de GroenLinks-fractie definitief het uitgewerkte alternatief presenteren als dat naar haar mening niet gelukt is. Ik wens de minister veel succes in de komende tijd.

Mevrouw Langkamp (SP): Voorzitter. De ontwikkeling van de Centra voor Jeugd en Gezin is volop gaande, wat een goede zaak is. Er zijn nog drie punten waar ik in tweede termijn op terugkom. Ten eerste de bureaucratische managementlaag; de minister laat de vormgeving over aan de gemeenten en denkt dat het misschien wel goed is als er een tijdje een manager op wordt gezet. Het kan echter doorslaan waardoor gemeenten veel geld steken in het management, wellicht ook ten koste van het bieden van zorg en hulp. Ik vraag de minister hoe hij de vinger aan de pols houdt bij die ontwikkeling. Wat kan hij doen als gemeenten doorslaan?

Ten tweede de wachttijden voor het jeugdmaatschappelijk werk; de minister zegt dat daar 100 mln. euro extra in geïnvesteerd is en dat het dus goed moet komen. Misschien is het een idee om in de rapportage in het najaar op dit punt een soort stand van zaken te geven ten aanzien van hoe het ervoor staat met het jeugdmaatschappelijk werk, ook om te voorkomen dat wij straks met wachttijden blijven zitten.

Ten derde de voorpostfunctie van bureau Jeugdzorg in het Centrum voor Jeugd en Gezin. Het kan voorkomen dat er in het Centrum voor Jeugd en Gezin niet iemand fysiek aanwezig is van het bureau Jeugdzorg. De minister zegt dat er wel altijd iemand direct telefonisch bereikbaar zal zijn en eventueel in de gelegenheid zal zijn om direct aanwezig te zijn. Mijn fractie vindt dat te minimaal; daarmee wordt de inzet toch geconcentreerd rond die doorverwijsbalie, wat nadrukkelijk niet de bedoeling is van het Centrum voor Jeugd en Gezin. Mijn vraag is heel concreet: is het uiteindelijk wel de bedoeling dat in 2011 echt sprake is van fysieke aanwezigheid van iemand van het bureau Jeugdzorg in alle Centra voor Jeugd en Gezin?

Mevrouw Bouchibti (PvdA): Voorzitter. Ik dank de minister voor alle toezeggingen. Ik begrijp wat de minister heeft gezegd over het bundelen van gelden en het samenwerken met gemeenten. Gemeenten willen die samenwerking ook aangaan. De minister smeedt op het juiste moment het ijzer; het is nu erg heet.

Mevrouw Sterk (CDA): Voorzitter. Ook ik dank de minister voor de beantwoording. Wij zijn met een heel belangrijke operatie bezig. De minister begon daar zijn betoog ook al mee. Wij moeten ervoor zorgen dat er preventief wordt gewerkt zodat de wachtlijsten niet toenemen. Ik ben dan ook blij met de toezegging van de minister om te rapporteren over die extra-aandachtaspecten. Daarmee kunnen wij iets meer achter de voordeur van de CJG’s kijken. Ik ben met name benieuwd of de laagdrempelige zorg voldoende vorm krijgt. Mijn fractie heeft al eerder gesteld dat beide aspecten in het Centrum voor Jeugd en Gezin aan de orde moeten komen: de zorg voor kinderen met wie het echt misgaat en een laagdrempelige voorziening waar ouders terecht kunnen met hun vragen. De beeldvorming slaat soms de ene kant uit en dan weer totaal de andere kant.

Mijn fractie ziet graag de schriftelijke reactie tegemoet op het punt van de flexibilisering van de contactpunten.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Voorzitter. Er zijn nog twee van mijn vragen onbeantwoord gebleven. Ten eerste ga ik in op die valkuil. Ik wil niet negatief zijn maar stel toch een paar kritische vragen omdat ik ook op dit punt graag gerust gesteld wordt door de minister. Ik heb gevraagd of de minister het risico ziet dat de consultatiebureaus, overigens met de beste bedoelingen, zich meer gaan richten op het curatieve waardoor zij zich een wat bredere rol gaan toemeten? In dat verband heb ik de Bolderkar-affaire genoemd. Hoe is dat gewaarborgd in het Centrum voor Jeugd en Gezin? Ten tweede worden in het Centrum voor Jeugd en Gezin diensten aangeboden, onder meer in de vorm van cursussen. Daar kan kennelijk iedereen gebruik van maken. Kan de minister dat bevestigen? Moet er ook gedacht worden aan betaalde diensten of laat de minister dat helemaal over aan de gemeenten?

Minister Rouvoet: Voorzitter. Ik ga staccato de woordvoerders af. Ik denk dat de vraag die de heer Dibi zichzelf en daarmee ons stelt, terecht is: gaat het werken zoals het nu voorligt? Ik vind de ontwikkeling in de praktijk buitengewoon bemoedigend. Wij kennen echter pas echt het landelijke beeld in 2011; dat weten wij of alle gemeenten erin slagen om daar goed gestalte aan te geven. Ik benadruk graag dat het uiteindelijk niet gaat om de vraag of alle gemeenten een Centrum voor Jeugd en Gezin hebben, maar of het iets oplevert voor de mensen die er gebruik van willen maken. Wij hebben de overtuiging – anders waren wij er niet aan begonnen– dat de route van de Centra voor Jeugd en Gezin ongelooflijk belangrijk is, omdat het bij elkaar brengen van instanties die instanties versterkt. Daardoor wordt de hulp laagdrempeliger. De effectiviteitsvraag zal echter pas op de langere termijn te beantwoorden zijn. Ik heb hoge verwachtingen van het echt investeren in preventie. Daarom hecht ik ook zo aan dit traject. Het zal namelijk moeten leiden tot het afnemen van de druk op de geïndiceerde jeugdzorg. Dat zal niet direct in de loop van 2009 blijken uit het terughollen van de cijfers van de geïndiceerde jeugdzorg, maar daar moet het wel eindigen, want daar doen wij het voor: mensen beter zorg te geven, als het even kan buiten de geïndiceerde jeugdzorg. Liever dicht bij huis preventief geholpen dan in een residentiële of langdurige jeugdzorgvoorziening, met alle respect voor de kwaliteit die daar geleverd wordt. Wij houden de mensen er echter graag uit als wij hen eerder kunnen helpen. Ik dank de heer Dibi voor zijn succeswensen aan mij want die klonken zeer welgemeend en dat waardeer ik zeer.

Mevrouw Langkamp kwam nog een keer terug op de managers en op de manier waarop daarbij een vinger aan de pols kan worden gehouden. Ik ben vrij duidelijk geweest. Ik maak afspraken met gemeenten over wat ik aan resultaten in 2011 wil zien. Het resultaat telt; de route ernaartoe is echt aan de gemeenten. Het geld dat ik erin steek, wil ik terugzien in resultaten op het gebied van voldoende, sterkere en kwalitatief goede opvoedondersteuning. Ik waarschuw mevrouw Langkamp in algemene zin wel voor een te grote aversie tegen managers. Geen organisatie kan draaien zonder een behoorlijk management. Er kan weliswaar een overdaad aan management zijn en de overheadkosten kunnen daardoor te hoog worden, maar dat wil niet zeggen dat iedere manager die opduikt overbodig is. Ik plaats daarom een kanttekening bij de aanduiding «bureaucratische managementlaag». Ik laat het graag aan gemeenten over om te bezien wat nodig is. Het is ook in het belang van gemeenten om ten behoeve van de eigen inwoners te investeren in goede preventieve zorg en opvoedondersteuning, naast het feit dat zij in 2012 aan mij moeten rapporteren wat zij met het geld hebben gedaan en of dat resultaten heeft opgeleverd. Ik ken geen wethouders die de voorkeur geven aan het aanstellen van managers boven het leveren van goede zorgen aan de mensen binnen de eigen gemeente. Wethouders en gemeenten richten zich op dat laatste. Dat kan niet altijd zonder manager, maar het is natuurlijk ook zaak om overdaad te voorkomen. Het is aan de gemeenten, maar ik reken hen af op de resultaten. Op die manier houd ik de vinger aan de pols.

Op het punt van de wachtlijsten voor het jeugdmaatschappelijk werk kan ik bezien wat ik kan doen. Ik krijg hier aangereikt dat dat punt in de vragenlijst zit die ik naar de Kamer stuur. Daarin zitten vragen over licht pedagogische hulp vergeleken met bijvoorbeeld 2007. Ik licht de Kamer graag zo goed mogelijk daarover in maar wijs ook op de verdeling van de verantwoordelijkheid op het punt van het aanbod. Ik begrijp evenwel de belangstelling; er mag geen probleem ontstaan bij het maatschappelijk werk. Ik zal daarover melden wat ik kan.

Ik verzet mij tegen het beeld dat het Centrum voor Jeugd en Gezin een doorverwijsinstantie is. Dat is het niet; het zal zoveel mogelijk vragen zelf afdoen. In relatie tot het Bureau Jeugdzorg zit er echter wel een doorverwijzing in. Om die reden zit Jeugdzorg in het centrum. Als een zaak niet in het preventieve domein thuishoort, dan moet er een doorverwijzing plaatsvinden en dan moet de weg bekend zijn; vandaar die voorpostfunctie. In dat verband is het woord «doorverwijsbalie» wel aan de orde, maar dat is niet de raison d’être van onze Centra voor Jeugd en Gezin. Mensen moeten rechtstreeks naar het Bureau Jeugdzorg kunnen als er echt een serieus probleem is. Waar problemen gesignaleerd worden, moeten mensen kunnen worden doorverwezen.

Als de concrete vraag is of dit betekent dat in 2011 in alle Centra voor Jeugd en Gezin de fysieke aanwezigheid van iemand van Bureau Jeugdzorg vereist is, dan is het antwoord daarop nee. Het zit niet in het basismodel; dat is niet de afspraak. Ik vind dat het ook niet aan mij is om dat voor te schrijven aan gemeenten, zolang zij waarborgen dat de schakelfunctie goed benut wordt. Dat verschilt echter danig per gemeente. Of wij besluiten om alles centraal te regelen, via het Rijk, of wij zeggen dat het een verantwoordelijkheid is van gemeenten waarbij wij voorschrijven dat zij het moeten doen, maar aan de gemeenten zelf overlaten, in overleg met provincies, hoe zij het doen. Mijn ervaring is dat zowel gemeenten als provincies die verantwoordelijk zijn voor de Bureaus Jeugdzorg zich zeer bewust zijn van het belang van goede verbindingen. Het is ook voor het Bureau Jeugdzorg van belang om te weten wat er speelt op het moment dat het hun kant op komt. Het is ook niet noodzakelijk om voor te schrijven dat het in alle gemeenten op dezelfde wijze gebeurt.

Mevrouw Bouchibti roept mij op om het ijzer te smeden nu het heet is. Natuurlijk; dit is het moment waarop het moet gebeuren. Dat besef leeft heel breed, ook bij gemeenten. Om die reden is de samenwerking ook goed. Ik dank haar voor haar steun in dit opzicht.

Mevrouw Sterk legt de nadruk nog eens op de laagdrempeligheid. Dat is inderdaad een van de essentialia van de Centra voor Jeugd en Gezin. Ik zou een scala van Centra kunnen opsommen waar ik de afgelopen twee jaar geweest ben waarin dat zichtbaar gemaakt is. Wat de publiciteit heeft gehaald, is het voorbeeld van het Laakkwartier in Den Haag waar de hele buurt betrokken is bij de inrichting en opening van het Centrum voor Jeugd en Gezin. Daarmee is niet aangegeven dat zij zoveel mogelijk mensen binnen wilden hebben, maar dat mensen langs kunnen komen als zij iets hebben. Het is een onderdeel van de buurt, zoals van oudsher zomaar kon worden binnengestapt bij het consultatiebureau en zoals naareen andere wijkvoorziening kan worden gegaan. Het Centrum voor Jeugd en Gezin mag niet iets zijn waar men pas naartoe gaat als men een geweldig probleem heeft. Men moet daar met eenvoudige vragen naar binnen kunnen stappen en opgelucht weer naar huis kunnen gaan omdat men geholpen is. De toezeggingen die zij genoteerd heeft, kom ik graag na.

Mevrouw Dezentjé Hamming kwam nog terug op een valkuil. Zij vraagt of de consultatiebureaus toegaan naar een bredere taakopvatting en hoe gewaarborgd kan worden dat dat niet gebeurt. Los van de casus die zij noemde, kan er natuurlijk altijd, in welke sector dan ook, een incident zijn. Ook in deze sector is dat wel eens gebeurd. Als zij aan mij vraagt of de vorming van de Centra voor Jeugd en Gezin tot een andere vorm van professionaliteit van de consultatiebureaus leidt, dan is mijn antwoord daarop: natuurlijk niet. De waarborg is de eigen professionaliteit van de werkers. Ik heb daar groot vertrouwen in. Dat wil niet zeggen dat er nooit wat fout kan gaan, maar die garantie vraagt zij ook niet van mij. De vorming van de Centra voor Jeugd en Gezin leiden op zich niet vanzelfsprekend tot een bredere taakopvatting bij de consultatiebureaus. Zij doen binnen de setting van het CJG gewoon hun werk, naar eigen normen van professionaliteit.

De cursussen zijn een gemeentelijke aangelegenheid. Gemeenten kunnen besluiten om in het kader van opvoedondersteuning cursussen aan te bieden. Het is aan gemeenten of zij daar al dan niet kosten aan willen verbinden. Het is in elk geval altijd vrijwillig; mensen kunnen zich daarvoor melden. Als er een cursusaanbod is waarin mensen geïnteresseerd zijn, dan zullen zij in hun afweging zeker meenemen of zij daarvoor moeten betalen.

Toezeggingen

– De Kamer ontvangt rond 1 februari 2009 informatie over de afspraken met de G4 naar aanleiding van de motie-Bouchibti.

– De Kamer ontvangt op korte termijn de vragenlijst die naar de gemeenten is gestuurd in relatie tot het rapporteren over de voortgang van de CJG’s.

– De Kamer ontvangt schriftelijk informatie over flexibilisering van de contactmomenten.

– De Kamer ontvangt na de zomer informatie over de pilots in de G27 voortvloeiend uit het bestuursakkoord en informatie over Opvoeden in de buurt.

– De voortgangsrapportage CJG’s wordt in het najaar naar de Kamer gestuurd. Deze zal gebaseerd zijn op de cijfers die zijn aangeleverd door de gemeenten naar aanleiding van de vragenlijst.

De voorzitter van de algemene commissie voor Jeugd en Gezin,

Heijnen

Adjunct-griffier van de algemene commissie voor Jeugd en Gezin,

Clemens


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), Çörüz (CDA), Tichelaar (PvdA), Gerkens (SP), ondervoorzitter, Sterk (CDA), Van Miltenburg (VVD), Van Dijken (PvdA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Aasted-Madsen-van Stiphout (CDA), Ko°er Kaya (D66), Jonker (CDA), Teeven (VVD), Wolbert (PvdA), Voordewind (ChristenUnie), Zijlstra (VVD), Bouchibti (PvdA), Langkamp (SP), Ouwehand (PvdD), Agema (BVV), Leijten (SP), Dibi (GroenLinks), Heijnen (PvdA), voorzitter, Van Toorenburg (CDA) en Uitslag (CDA).

Plv. leden: Omtzigt (CDA), Heerts (PvdA), Kant (SP), Blanksma-van den Heuvel (CDA), Van der Burg (VVD), Eijsink (PvdA), Biskop (CDA), Van der Ham (D66), De Pater-van der Meer (CDA), Verdonk (Verdonk), Bouwmeester (PvdA), Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie), Schippers (VVD), Timmer (PvdA), Gesthuizen (SP), Bosma (PVV), De Wit (SP), Azough (GroenLinks), Arib (PvdA), Jan de Vries (CDA), Jan Jacob van Dijk (CDA) en Karabulut (SP).