Kamerstuk 21501-32-492

Verslag van een algemeen overleg

Landbouw- en Visserijraad


Nr. 492 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 1 juni 2011

De vaste commissie voor Economische Zaken, Landbouw en Innovatie1 en de vaste commissie voor Europese Zaken2 hebben op 27 april 2011 overleg gevoerd met staatssecretaris Bleker van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie over:

  • de brief van de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, d.d. 20 april 2011, met de geannoteerde agenda van de Landbouwraad op 17 mei 2011 te Brussel, (21 501-32, nr. 478);

  • de brief van de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, d.d. 20 april 2011, met het verslag Landbouw- en Visserijraad 14 april 2011, (21 501-32, nr. 479);

  • de brief van de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, d.d. 12 april 2011,inzake de reactie n.a.v. motie Jacobi c.s. (21 501-32, nr. 456) inzake diermelen in diervoeders, (21 501-32, nr. 475);

  • de brief van de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, d.d. 13 april 2011, over de aanpak van Discards en de toekomst van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid, (32 201, nr. 12);

  • de brief van de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, d.d. 13 april 2011 over plaatsing van carbendazim op bijlage I van richtlijn 91/414/EEG (27858, nr. 97).

Van dit overleg brengen de commissies bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,

Van der Ham

De voorzitter van de vaste commissie voor Europese Zaken,

Verburg

De griffier van de vaste commissie voor Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,

Franke

Voorzitter: Houwers

Griffier: Schüssel

Aanwezig zijn acht leden der Kamer, te weten: Jacobi, Van Gerven, Koopmans, Snijder-Hazelhoff, Slob, Grashoff, Ouwehand en Houwers,

en staatssecretaris Bleker van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie die vergezeld is van enkele ambtenaren van zijn ministerie.

De voorzitter: Goedemorgen allemaal. Het is tijd om te beginnen, nadat we gisteravond in een vergelijkbare samenstelling in deze zaal hebben gezeten. Ik stel voor om een spreektijd van vier minuten per fractie te nemen, met maximaal twee interrupties per fractie. Ik heet de staatssecretaris en de ambtelijke ondersteuning ook van harte welkom.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Voorzitter. Zoals u al zei, we gaan zo'n beetje met elkaar naar bed en staan weer met elkaar op.

De heer Van Gerven (SP): En wat levert het op?

Mevrouw Jacobi (PvdA): Allereerst zal ik ingaan op het gemeenschappelijk visserijbeleid. Er ligt nog een motie van mijn hand over de visserij in onder andere in de westelijke wateren. Ik zag dat we daar de Middellandse Zee ondertussen ook al aan kunnen toevoegen. Mede naar aanleiding van de interventies van de lidstaten heeft Commissaris Damanaki geconcludeerd dat de herziening van het regime voor de westelijke wateren moet plaatsvinden bij de hervorming van het gemeenschappelijk visserijbeleid. Ik wacht nog op een brief van de staatssecretaris hierover. Gisteren hebben we in de procedurevergadering afgesproken dat we nog voor het zomerreces een breed overleg krijgen over het gemeenschappelijk visserijbeleid. Dan kan een zelfde soort traject worden doorlopen als bij de hernieuwing van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Ik bewaar mijn verdere opmerkingen hierover tot dat overleg. Volgens ons moeten we de discards er nauw bij betrekken. Dit is ook een unieke kans om deze te verminderen.

Ik dank de staatssecretaris voor zijn brief over diermeel en diervoeders. Er ligt nog een motie van mijn hand over diermeel. De staatssecretaris schrijft dat Nederland alleen akkoord zal gaan «als aangetoond is dat verwerking van diermelen omgeven is door effectieve controles en waarborgen». De staatssecretaris gaat niet in op andere kwesties, zoals de mogelijkheden voor alternatieve aanwending. Laten we wel zijn, in hoeverre kunnen al die zekerheden en effectieve controles worden gewaarborgd, terwijl meerdere malen is gebleken dat er toch af en toe incidenten zijn in deze sector? Ik vrees het ergste wat betreft de Oost-Europese landen, waar kosteneffectiviteit een belangrijke rol speelt. Ik zal mijn motie dus toch in stemming brengen. Ik zou graag zien dat wij ons gewoon tegen die verwerking opstellen, omdat deze heel veel gaat kosten. Als er uiteindelijk niet 100% garantie kan worden gegeven, gaat dat ook ten koste van het imago.

Gisteravond hebben we al het nodige gezegd over de gewetensbezwaren en de toeslagrechten. De gewetensbezwaarden voldoen keurig aan het uitvoeringsprotocol, dat ik zelfs bij me heb. We hebben daar allemaal mee ingestemd. Als Europa daar problemen mee heeft, moeten we Europa met meerdere lidstaten over de streep halen, of dan moet de lidstaat zelf garant staan. Ik vind het in principe onterecht dat aan deze mensen boetes worden opgelegd. Waarom hadden ze dan aan het protocol moeten voldoen? Ik wil graag weten wanneer we met die proef kunnen starten, zodat we door kunnen.

Mijn oude collega Harm-Evert Waalkens heeft drie jaar geleden een meerderheid gekregen voor zijn motie om door te gaan met koudmerken tot juli 2011, omdat er geen alternatieven zijn en omdat dit heel belangrijk is voor het herkennen van de koeien. Die termijn is nu bijna voorbij. In de tussentijd zou er worden gekeken naar alternatieven, zoals het chippen van dieren, maar die chip gaat door het hele lichaam van de koe en die vind je uiteindelijk terug bij de kassa, als je gaat afrekenen, of op je bord, en dat is ook niet de bedoeling. Hoe ziet de staatssecretaris de voortgang bij het koudmerken in relatie tot alternatieven?

De heer Van Gerven (SP): Voorzitter. Twee weken geleden heb ik op een door Greenpeace georganiseerde bijeenkomst gesproken met vissers uit Mauritanië, Senegal en Kaapverdië. Ik moet zeggen dat ik geschrokken ben door de negatieve impact van de Europese visserij-associatieakkoorden met arme landen op lokale vissersgemeenschappen. Mijn vraag aan de staatssecretaris is waarom er geen onafhankelijk klachtenpunt in Europa is over deze associatieakkoorden. Er is veel kritiek van maatschappelijke organisaties en er zijn veel klachten van lokale vissers. Zou het niet wenselijk en netjes zijn als deze mensen bij een officieel klachtenpunt hun verhaal kunnen doen, waar juristen en ecologen de klachten onafhankelijk onderzoeken? De SP-fractie vraagt of de staatssecretaris hiervoor een pleidooi wil houden.

Mijn schrik werd niet minder toen ik een nieuwsbericht las over een door de Europese Commissie gefinancierd rapport van Oceanic Development betreffende de overexploitatie van de Marokkaanse visbestanden. Eerder was ons voorgehouden dat het echt om surplusbestanden zou gaan. De staatssecretaris heeft een hernieuwd akkoord in Europa laten afhameren zonder dit aan de Kamer voor te leggen. We spraken hier al eerder over. In het rapport staat niet alleen dat de Europese visserijakkoorden bijdragen aan de overbevissing van de Marokkaanse visbestanden, maar ook dat de Europese belastingbetaler erbij in schiet. Elke geïnvesteerde euro levert slechts € 0,65 toegevoegde waarde op voor de EU. Ik vraag de staatssecretaris om de Europese Commissie te vragen dit rapport openbaar te maken, zodat de Kamer het kan betrekken in haar overwegingen. Voorts vraag ik de staatssecretaris om deze transparantie en openbaarheid als standaardbeleid te bepleiten voor soortgelijke rapporten in verleden, heden en toekomst.

Wat is de inzet van de Nederlandse regering bij de herziening van de diertransportrichtlijn? Mag ik aannemen dat hier zwaar op wordt ingezet en dat de inzet in lijn is met de aangenomen motie van mijn hand? Zet de staatssecretaris in op een maximum van 500 km of 8 uur? Zet hij in op het trapsgewijs opschroeven van de transportcondities naarmate het transport langer duurt? Gaat hij misstanden tijdens het transport bestrijden?

Dan de inzet bij afgesloten natuurgebieden op zee. Er ligt al tijden een aangenomen motie-Polderman over de uitvoering daarvan. We krijgen daarover een brief. De motie vraagt de aanbeveling uit de Natuurbalans 2008 zo spoedig mogelijk uit te voeren en de diverse planologische claims te borgen door toe te werken naar een rijksbestemmingsplan Noordzee. Hierbij zal het OSPAR-Verdrag, dat Nederland heeft getekend, meegenomen worden. Dat verdrag vraagt landen om natuurgebieden op zee aan te wijzen. Ik vraag de staatssecretaris en zijn betrokken collega's om de afspraken van het Biodiversiteitsverdrag uit Nagoya, Japan, hierin mee te nemen. Dat is een nieuw element. In dat verdrag wordt meer nadruk gelegd op de mariene biodiversiteit.

Ik heb gisteren al het nodige gevraagd over de oormerkweigeraars of de gewetensbezwaarden. De staatssecretaris zou vandaag antwoorden. Ik begrijp niet goed dat deze mensen, als zij zich houden aan de regels die wij hier hebben afgesproken, toch een korting van 20% krijgen. Ik vraag de staatssecretaris of ik dat goed heb begrepen. Ik vraag ook of het klopt dat een uitzonderingspositie gewoon mogelijk is en op geen enkel bezwaar van Europa stuit, als wij dat in Nederland netjes regelen. Zo heb ik het begrepen uit de stukken die ik heb doorgenomen.

Hulde voor het standpunt van de staatssecretaris over de discards.

De voorzitter: Ik denk dat u moet afronden.

De heer Van Gerven (SP): Ook dank voor de inzet op de effectbeoordeling van het gemeenschappelijk landbouwbeleid voor boeren in de Derde Wereld, waarover we eerder hebben gesproken. Het is uitstekend dat de staatssecretaris dat heeft ingebracht.

De heer Koopmans (CDA): Voorzitter. Allereerst het gemeenschappelijk landbouwbeleid. We waren een beetje verrast dat het ministerie recentelijk bekend maakte dat Nederland met Polen op één lijn zou zitten. We zitten met de vraag wie naar welke kant is opgeschoven. Ik hoop dat vooral Polen onze kant is opgeschoven. We hebben de vorige keer al helder gemaakt langs welke lijnen volgens ons gewerkt kan worden. Ik heb het de vorige keer het hekwerk genoemd dat de Kamer met een paar moties heeft gemaakt, waarbinnen de staatssecretaris mag grazen. Ik ga er dus vanuit dat Polen deze kant op is gekomen.

Het is ook goed om het even over het gmo-beleid te hebben. Nederland moet 22,7 mln. terugbetalen aan Brussel, en dat is pijnlijk. Er zijn blijkbaar onterecht kosten gesubsidieerd voor de marketing door een producentenorganisatie en voor het drukken van kwaliteitslabels op verpakkingen. In beide gevallen gaat het om gmo-middelen voor groente en fruit die zijn toegekend in de jaren 2006 en 2008. De Commissie zegt dat een producentenorganisatie subsidie mag aanvragen voor het maken van reclame, maar in dit specifieke geval hebben de ondernemingen hun eigen marketing ter hand genomen. De vraag is of dit voorkomen had kunnen worden. Kan die boete nog teruggedraaid worden, omdat niemand welbewust de zaak heeft lopen flessen? Zijn de regels onduidelijk? Zijn zij onduidelijk uitgelegd? Ik wil graag specifiek weten hoe het in elkaar zit.

Ik vind het ook van belang om de hele regeling eens goed te evalueren, want een aantal jaren is ons hetzelfde overkomen, maar enkele andere landen ook. Het lijkt mij niet zo verstandig dat we geld uitkeren en daarna boetes krijgen. De vraag is ook wie die boete gaat betalen. Is dat het ministerie van Financiën, of gaat het uit het budget van de staatssecretaris? Gaat dat via het Productschap Tuinbouw (PT)? Ik ben erg benieuwd hoe dat loopt. Wij zijn er voorstander van dat het kabinet in debatten in Brussel inbrengt dat de gmo-regeling moet worden gehandhaafd of misschien zelfs uitgebreid.

Wij hebben in de Kamer al vaker gesproken over alles wat te maken heeft met de mededingingswetgeving. De staatssecretaris is ons – maar belangrijker nog: de samenleving – daarover nog een brief schuldig. Dit is een belangrijk punt, gezien de grote ellende in de garnalensector, waar men niet met elkaar durft te praten over samen actie voeren, omdat men bang is op de een of andere manier weer op de kop te krijgen van de NMa. Wij vinden het een slechte zaak dat die angst bij mensen heerst. Wij geloven in samenwerken en in coöperaties, ook als deze het hele land bestrijken. Ik heb al eerder gezegd dat de inval in 2009 bij de telersorganisaties van groente in mijn ogen een grote schande is, want toen lagen alle tuinders bijna dood op de grond, en dan komt de NMa ook nog binnenbanjeren, om te kijken of zij afspraken hadden gemaakt, zeker afspraken om samen dood te gaan. Dat is gewoon geen goede manier van handelen, en daarover moet dus helderheid en ruimte komen.

De complimenten van de heer Van Gerven over de discards neem ik niet over. Integendeel. De CDA-fractie heeft het gevoel dat de staatssecretaris de verkeerde kant op gaat. Er ligt nog een motie voor. Er zouden goede alternatieven komen, maar die zie ik niet. Ik krijg hierop graag een wat duidelijker antwoord van de staatssecretaris, anders gaan we daar morgen toch maar over stemmen, lijkt me.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Begrijp ik het goed dat mijn beste collega van de CDA-fractie er voorstander van is dat er meer discards komen?

De heer Koopmans (CDA): Een totale ban erop is gewoon geen goed idee. De wijze waarop deze wordt uitgevoerd, is zo fnuikend voor de sector dat de CDA-fractie in een motie heeft gevraagd om samen met het bedrijfsleven te zoeken naar alternatieven waarmee dat beter kan. Een totale ban is heel slecht voor de sector, dus dat moet slimmer. Als wij niets slimmers krijgen, kan het wat ons betreft nog even niet, maar wij zijn ervan overtuigd dat de staatssecretaris samen met de sector wel iets slims kan bedenken.

Ik steun de lijn van de staatssecretaris wat diermeel betreft. Het kan misschien nog wel een slagje enthousiaster, want het is heel belangrijk dat dit hoogwaardige product weer ingezet kan worden.

Het uitkeren van GLB-middelen aan niet-agrariërs, zoals Staatsbosbeheer, gemeenten, Schiphol, en noem maar op, wordt moeilijker vanaf 2011. Wij willen van de staatssecretaris weten welke gevolgen dat heeft voor dat soort organisaties. Wij zouden het jammer vinden als Natuurmonumenten geen middelen meer zou ontvangen.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Voorzitter. In het kader van de NMa zal ik geen rigoureuze uitspraken doen over doodgaan of wat dan ook, zoals de heer Koopmans deed, maar ik deel zijn bezorgdheid over de uitspraken van de NMa. Af en toe vraag ik mij af hoe wij deze in de context van onze ondernemers en van de coöperaties moeten plaatsen. Maar de mening van de heer Koopmans die blijkt uit zijn laatste uitspraak over de middelen voor Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer, deel ik absoluut niet. Wij hebben de vorige keer een discussie gehad over het GLB, dat vooral is bedoeld voor de actieve boer, dus in die zin neem ik wat afstand van de uitspraken van mijn rechterbuurman.

De heer Koopmans (CDA): Daar past wel de kanttekening bij dat het wat mij betreft vooral uit de tweede pijler moet.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Dan wordt het in ieder geval al wat genuanceerder. Dank daarvoor, maar ik denk dat wij alert moeten zijn. Wij hebben deze discussie de vorige keer ook uitgebreid gevoerd.

Vervolgens kijk ik even terug naar de discussie die overal wordt gevoerd. In Boedapest zijn de voorzitters van de landbouwcommissies bij elkaar geweest voor een interparlementaire conferentie, en daarbij was ook de Europese Commissie aanwezig. Ik spreek toch mijn zorg uit over hoe breed over het GLB wordt gesproken. Onze inzet bij het gemeenschappelijk landbouwbeleid is om de agrarische sector te ondersteunen wat betreft kennis en concurrentiekracht en door te betalen voor de diensten die deze levert aan de samenleving. Ik zie dat door de Europese Commissie wordt gesproken over sociale innovatie, de leefbaarheid op het platteland, etc. Ik maak mij zorgen dat er door een aantal lidstaten en door de Europese Commissie in die breedte naar het GLB wordt gekeken en over de vraag waar straks al die middelen naartoe zullen gaan. Ik hoor graag van de staatssecretaris of we daarbij goede sturing hebben.

De kwaliteit van de landbouwproducten is een onderwerp dat regelmatig op de agenda staat. Vorige keer is daarover een gedachtewisseling geweest in de raad. Wij delen het standpunt van de staatssecretaris dat er geen noodzaak is voor verplichte EU-regelgeving; niet meer bureaucratie dan we nu al hebben. Ik vraag hem om die lijn vooral vast te houden, want ik heb begrepen dat die discussie in de komende Landbouwraad opnieuw zal worden gevoerd.

Verder staat er informatie van de Zweedse delegatie op de agenda over een rapport over het transport van dieren. Ik ben heel benieuwd wanneer dat rapport naar buiten komt. Kan de staatssecretaris ons daarvan op de hoogte houden? Hij heeft ons op 21 april een brief gestuurd over de stahoogte. Het lijkt erop dat wij nu verder gaan dan de Europese regelgeving. Brengt hij dat in het debat in? Wordt dat meegewogen bij het rapport dat de Zweden naar buiten zullen brengen? Het is volgens ons wel van belang om op één lijn te blijven in verband met de concurrentieverhoudingen.

Wij hebben al een aantal keren onze zorg uitgesproken over een dierziekte als MKZ, die nog steeds rondwaart aan en binnen de grenzen van Europa. We hebben afgesproken om te gaan enten zodra er op dit gebied wat gebeurt, maar wat gebeurt er dan met het vlees? Hebben we daar nu al duidelijke afspraken over, niet alleen in Nederland, maar ook op Europees niveau? Ik denk dat het goed is om dat helder te hebben.

Mevrouw Jacobi maakte een opmerking over koudmerken. De motie hierover was ingediend mede op initiatief van de VVD-fractie, die zich ook zeer bewust is van de datum 1 juli 2011. Ik roep de staatssecretaris op om er grondig naar te kijken. Als we de koe in de wei willen houden, hoor ik niet anders dan dat boeren heel graag willen dat zij het nummer van een afstand op de bil kunnen zien, want dan kunnen ze beoordelen of de koe gezond is of dat er wat mee is. Dan weten ze in ieder geval over welke koe ze het hebben. Ik doe een oproep om er grondig naar te kijken en wellicht ook te bezien of dit wel onder het Ingrepenbesluit moet blijven vallen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Denkt mevrouw Snijder dat het ook mogelijk is dat boeren wat minder koeien hebben, zodat ze deze goed kunnen herkennen als ze in de wei lopen?

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Een beetje boer kent ze niet allemaal, maar kent het beeld op hoofdlijnen. Ook als er vijftig zwartbonte koeien lopen, lijken ze veel op elkaar, kan ik u zeggen, dus men heeft er echt behoefte aan om van een afstand te kunnen zien om welke koe het gaat.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): De suggestie van de VVD-fractie dat het in het belang van het dier zou zijn om te koudmerken, omdat ze anders niet de wei in kunnen, wil ik van tafel hebben. Het is inderdaad in het belang van dieren om naar buiten te kunnen als ze daar behoefte aan hebben. Dan zou het aantal dieren moeten worden aangepast aan het vermogen van de boer om de dieren individueel te herkennen. We gaan hier niet beweiding verkopen als noodzakelijk, maar dan met koudmerken.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Het gaat erom dat je een koe die in de wei loopt, moet kunnen herkennen, om te kijken of ze een kalfje moet krijgen, of iets anders heeft. Of wil de Partij voor de Dieren het liever veel korter door de bocht? U zegt het maar. Wij hebben onze keuze gemaakt, mevrouw Ouwehand.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voor ons hoeven koeien geen kalfjes te krijgen die binnen een dag bij ze weg worden gehaald, zodat we zo veel mogelijk melk van de koe kunnen jatten.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Maar wel in de wei toch, graag?

De heer Slob (ChristenUnie): Voorzitter. Laten we maar weer even naar de vis overstappen, want die koeien ... Mede op verzoek van de fractie van de ChristenUnie heeft de staatssecretaris in de afgelopen week in de marge van de LNV-Raad aandacht gevraagd voor de in onze ogen onacceptabele blokkades van de Franse havens, met name Boulogne. Ik weet dat er op dit moment een belangrijk gesprek plaatsvindt in Parijs, waarbij Nederland de Franse overheid indringend in de ogen gaat kijken. Het gaat nu al de vijfde week in, maar het moet echt afgelopen zijn. Ik zou graag zo snel mogelijk op de hoogte worden gesteld van de uitkomsten van dat gesprek. Klopt het dat de staatssecretaris een inventarisatie heeft gemaakt van de Nederlandse schepen die in de binnenhaven van Boulogne willen lossen? Dat zouden er 13 zijn. Er is gezegd dat zij geen enkele rechtsbescherming zouden hebben. Dan vraag je je wel af in welke tijd we leven. Wij vinden dat er keiharde garanties moeten komen dat die schepen daar hun werk kunnen doen. Ik zou het ook fijn vinden als de Nederlandse overheid die vissers bijstaat bij de schadeclaims die nu worden ingediend. Er is gezegd dat zij dat individueel moeten doen. Kan de staatssecretaris toezeggen dat de landsadvocaat daarbij wat adviezen geeft en ze helpt?

Ik heb al eerder gezegd dat wij niet zo blij zijn met de brief aan de Kamer over de discards of bijvangsten. De staatssecretaris omarmt de discard ban die in Europa wordt besproken, maar dat is eigenlijk de slechtste oplossing die je kunt bedenken. Het is zo weinig intelligent om daarvoor te kiezen. De staatssecretaris is volgens mij een heel intelligente man, die heel lang heeft doorgestudeerd. Ik zag een paar lettertjes voor zijn naam staan, zodat ik dacht dat hij er toch wel even voor heeft gezeten, en dat is niet verkeerd. Er zijn veel intelligentere oplossingen. Natuurlijk moeten we iets doen aan die bijvangsten, maar we moeten kijken naar de discrepantie tussen de overdadige regelgeving en de werkelijkheid. Wij hebben de motie-Koopmans medeondertekend, die daarvoor al wat mogelijkheden biedt. Er zijn inmiddels al wat moties van mijn hand aangenomen over regelgeving en vistuigen die daaraan tegemoetkomen. Ik vraag de staatssecretaris om terug te nemen dat hij een voorstander is van de discard ban en om andere sporen in te gaan. Ik hoor hierop graag een heel duidelijk antwoord. Het zou de doodsteek zijn voor de gemengde visserij in Nederland, die het al ongelofelijk zwaar heeft. Er liggen al heel veel kotters aan de kant, ook omdat de olieprijs zo hoog is.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Wat betreft de discards handelt de staatssecretaris naar een motie die is aangenomen door de Kamer. Vindt de ChristenUnie het niet ongelofelijk vervelend dat gevangen dieren dood overboord worden gegooid? Nutteloos, weg. Is de heer Slob het met mij eens dat de regelgeving veel eenvoudiger wordt als we afspreken om alles wat wordt gevangen aan te landen en dus niet weg te gooien?

De heer Slob (ChristenUnie): Ik ben er altijd heel helder over geweest dat wij iets moeten doen aan de bijvangsten, daar is geen twijfel over mogelijk, maar de regelgeving werkt de bijvangsten bij wijze van spreken in de hand, bijvoorbeeld over de maasbreedtes of de quota. Je zou eigenlijk gemengde quota moeten hebben en wat grotere mazen, zodat er veel minder bijvangst komt. Er moeten intelligentere vismethodes worden toegepast, maar de regelgeving werkt daarbij soms belemmerend. Volgens ons moeten we daar keihard op inzetten. We hebben daar ook heel vaak voorstellen voor gedaan. Het helpt niet als we die werkelijkheid ontkennen en een discard ban uitspreken. Dat is een heel rare oplossing, die de doodsteek betekent voor de gemengde visserij in Nederland. Volgens mij kan dat niet de bedoeling zijn. Ik kies heel nadrukkelijk voor het pad van verduurzaming en bekijken of de regelgeving kan worden aangepast. Het zou mooi zijn als de Partij voor de Dieren zich daar ook achter zou scharen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Zo blijft het ingewikkeld, als je kijkt naar maaswijdtes en inspanningen. Volgens mij is het het handigst om te kijken wat de zee aan kan, op basis daarvan de capaciteit te bepalen, en dan te zeggen: alles wat gevangen wordt, landen we aan, klaar. Dan wordt de regelgeving ongelofelijk eenvoudig en dan gooien we niets meer weg, wat de ChristenUnie ook vervelend vindt. Dan hanteren we ook het voorzorgbeginsel; we halen niet meer uit de zee dan ecologisch verantwoord is. Dan hoeven we niet meer te werken met ingewikkelde systemen wat betreft de maaswijdte.

De heer Slob (ChristenUnie): Volgens mij ben ik helder geweest. Er zijn ook andere mogelijkheden om de bijvangsten zo veel mogelijk te beperken en daar zetten wij stevig op in. Ik heb hierover al heel wat voorstellen voorgelegd aan de Kamer waarvoor ik gelukkig ook een meerderheid heb gekregen. Ik ben overigens benieuwd hoe de staatssecretaris de aangenomen motie zal uitvoeren om heel kritisch de stofkam door die 900 regels te halen.

Ik maak mij ook grote zorgen over het rare spel dat gaande is tussen de garnalenvissers en de NMa. Waar is het vredesnaam voor nodig om daarover dat persbericht te laten uitgaan? De NMa gooit olie op het vuur in plaats van op de golven. Ik ga ervan uit dat de garnalenvissers van de staatssecretaris alle steun krijgen die mogelijk en verantwoord is, om uit deze problematiek te komen, die ook een Europese dimensie heeft. Er is al gerefereerd aan de aangenomen moties over de NMa, zoals de motie-Wiegman-van Meppelen Scheppink/Jacobi. Het gaat niet alleen om duurzaamheid, maar om de balans tussen people, planet, profit. Ik vraag de staatssecretaris om dat op te pakken.

De ChristenUnie verzoekt om in het verslag van de raad in te gaan op de voortgang van en een vooruitblik op het Codex Alimentarius-comité inzake voedselveiligheid en voedselzekerheid. Aan wat voor standaarden, richtlijnen en gedragscodes wordt precies gewerkt? Mocht hierover voor de raad al informatie zijn, dan ziet mijn fractie deze graag bij de geannoteerde agenda tegemoet, zodat wij daar op een later tijdstip over kunnen spreken. Verder neem ik aan dat wij voor 17 mei schriftelijk kunnen reageren op eventuele nieuwe punten van de geannoteerde agenda.

De heer Grashoff (GroenLinks): Voorzitter. Wat betreft het gemeenschappelijk visserijbeleid merk ik op dat wij in deze commissie vaak van gedachten wisselen over een stukje hier of een aspectje daar, maar dat de samenhang ontbreekt. In de procedurevergadering is afgesproken dat er een speciaal AO over komt. Het lijkt mij goed om met de staatssecretaris af te spreken om dit zo voor te bereiden dat wij wat meer overzicht over het geheel hebben en er wat diepgaander en constructiever over kunnen spreken, zoals wij ook hebben gedaan bij het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Volgens mij helpt dat. Ik leg aan onszelf en aan de staatssecretaris de vraag voor of wij dat op een verstandige manier kunnen doen, maar ik heb er geen precies beeld van.

Het rapport van de Europese Commissie over diertransporten is nog niet openbaar. Wij zouden dat graag snel willen hebben. Ik sluit mij aan bij de vraag van de heer Van Gerven wat de inzet van Nederland is.

Er is al eerder besproken dat Nederland geen voorstander is van Europese regelgeving over de kwaliteit van landbouwproducten. Ik maak uit het verslag op dat er desondanks wel degelijk regelgeving zal komen. Er staat namelijk dat een grote meerderheid van de lidstaten daar redelijk enthousiast over is. Mijn vraag is dan of het wel een verstandige strategie is om «nee» te blijven zeggen totdat er iets over je heen komt. Of is het verstandiger om na te denken over een redelijke invulling van een dergelijk beleid, die niet leidt tot bureaucratie of elementen van concurrentievervalsing, waar door sommige woordvoerders op is gewezen, maar die kan bijdragen aan een versterking van de concurrentiekracht van die specifieke, bijzondere producten? Ik kan mij voorstellen dat het second best, of misschien wel first best, is om ervoor te zorgen dat dit Europese beleid met een goede maatvoering wordt ingevoerd in plaats van alleen maar «nee» te blijven roepen, terwijl je ziet dat het toch gaat gebeuren. Kan de staatssecretaris hierop ingaan?

Tot slot een algemene opmerking. Het valt mij steeds vaker op dat bij de geannoteerde agenda voor de Landbouwraad niet consequent wordt vermeld wat de Nederlandse inzet op onderdelen is. Ik zou zeer geholpen zijn als dat consequenter, steviger en iets meer onderbouwd uit die geannoteerde agenda tevoorschijn zou komen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Zoals de heer Van Gerven al zei, hebben wij twee weken geleden op initiatief van Greenpeace in Nieuwspoort met Afrikaanse vissers gesproken. Degenen die nog niet op de hoogte waren van de gevolgen van de visserijakkoorden, schrokken zich daar een hoedje. Ik herhaal dat ik nog steeds bijzonder ontstemd ben over de manier waarop het akkoord met Marokko bij de vorige Landbouw- en Visserijraad met een jaar is verlengd. Zweden heeft geprobeerd om een meerderheid tegen te krijgen. Het hing op Nederland. Dankzij Nederland is het akkoord met een jaar verlengd om te bekijken hoe het nu verder moet, terwijl er duidelijke aanwijzingen zijn dat er sprake is van grove schendingen van internationale afspraken over mensenrechten. Ik wil graag weten van de staatssecretaris hoe het precies loopt met de onderhandelingen. Er zijn behoorlijk wat signalen dat er achter gesloten deuren deals worden gesloten waarop het Nederlands parlement en ook andere parlementen geen controle kunnen uitoefenen. Ik ben er helemaal niet gerust op. Het gaat om grote belangen, niet alleen omdat de Europese Unie er grote geldbedragen in steekt, maar natuurlijk vooral gezien de gevolgen die de lokale bevolking en het ecosysteem ervan ondervinden. Ik ben benieuwd naar de visie van de staatssecretaris op die onderhandelingen. Deelt hij mijn opvatting dat het cruciaal is om hier zorgvuldig, met meer transparantie en openheid, mee om te gaan? Zweden heeft kennelijk de hand weten te leggen op een rapport over de deal met Marokko. Daaruit zou blijken dat het Europa alleen maar geld kost, dat de helft van de vloot in controversiële wateren van de Westelijke Sahara vist en dat het programma om de Marokkaanse vloot te moderniseren een fiasco is. Kan de staatssecretaris daarop reageren? Mocht hij het rapport niet hebben, kan hij zijn Zweedse collega dan vragen naar de achtergronden? Ik wil daar meer van weten.

Wat betreft de discards herinner ik de staatssecretaris aan de aangenomen motie en aan het pleidooi van Eurocommissaris Damanaki. Toen deze commissie bij haar op bezoek was in Brussel, heb ik beloofd dat ik er alles aan zou doen om de staatssecretaris aan haar kant te krijgen, en die belofte kom ik na. Ik spoor de staatssecretaris echt aan om alle voorstellen van de Europese Commissie die de goede kant opgaan, voluit te steunen. Mevrouw Damanaki kan die steun goed gebruiken en dat ligt ook in lijn met de aangenomen motie van mijn hand.

Kortheidshalve sluit ik mij aan bij wat de heer Van Gerven heeft gezegd over de beschermde gebieden. Deze commissie heeft de staatssecretaris gevraagd naar de Nederlandse inzet bij de vertaling naar Europa van de biodiversiteitsafspraken van Nagoya. Die brief stond geagendeerd voor een AO dat gisteren van de agenda is gehaald, maar dat neemt niet weg dat de staatssecretaris die brief nog moet sturen. Ik baal daarvan. De Nederlandse inzet bij het Europese beleid inzake dierenwelzijn is er ook nog steeds niet. Waar is de staatssecretaris mee bezig? Waarom krijgt de Kamer de brieven niet waar zij om vraagt?

De voorzitter: U hebt nog een halve minuut.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Dan zal ik opschieten. Er staat ineens iets op de agenda over diertransport. Ik had graag gezien dat wij de complete Nederlandse inzet voor deze kabinetsperiode al hadden gezien. Het staat nota bene in het regeerakkoord. Ik vraag de staatssecretaris om te pleiten voor een transportduur van maximaal twee uur. Ik weet niet wat er in het Europese rapport staat, maar ik kan mij voorstellen dat de staatssecretaris vanaf de eerste minuut met een flinke ambitie komt. Transporten bij zomerse temperaturen moeten worden verboden, omdat we afgelopen zomer hebben gezien dat de controle daarop onvoldoende garandeert dat dieren niet in kokende vrachtwagens worden vervoerd. Ik wil ook van de staatssecretaris weten wat hij vindt van transporten vanuit Europa naar bijvoorbeeld Rusland. De voormalige minister Verburg was daar niet erg over te spreken. Ik kan mij voorstellen dat deze staatssecretaris daar ook niet op zit te wachten.

Tot slot moet mij even iets van het hart over het koudmerken. Ik heb zojuist al gezegd dat het me echt te gortig wordt om een ingreep aan een dier te verkopen als een dierenwelzijnsmaatregel. De fracties die hierover zijn begonnen, pleiten ervoor om het verbod op koudmerken opnieuw uit te stellen. Dat is al de derde of vierde keer. We lopen tegen de deadline aan en nu komen er pas vragen over alternatieven. Ik vind dat de fracties die vragen om uitstel van deze maatregel, er bovenop moeten zitten om ervoor te zorgen dat de opnieuw uitgestelde datum daadwerkelijk wordt gehaald. Ik zie het alweer gebeuren dat er nieuw uitstel komt. Dat zou ik echt schandalig vinden.

Mevrouw Jacobi (PvdA): U insinueert allerlei deals die niet zouden deugen. Ik vind dat u even concreet moet aangeven wat dat voor praktijken zijn.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): U bedoeld de visserijakkoorden? Ik heb het voorzichtig gevraagd. Ik heb gezegd: mij bereiken signalen dat er achter gesloten deuren behoorlijk wat wordt afgesproken. Er is een artikel verschenen waaruit blijkt dat Zweden de hand heeft weten te leggen op een van die rapporten. Ik vraag de staatssecretaris wat hij daarover kan zeggen. Deelt hij de mening dat er onvoldoende transparantie is? Is hij bereid om uit te zoeken wat Zweden precies weet over die deal met Marokko?

De heer Koopmans (CDA): Mevrouw Ouwehand heeft misschien wel een punt, maar zou het dan niet beter zijn om niet te pleiten voor uitstel maar meteen voor afstel van het verbod op koudmerken?

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Wat denkt u zelf? Daar zijn we natuurlijk niet voor.

De heer Koopmans (CDA): Nu heb ik even mijn standpunt kunnen zeggen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik ben blij dat ik u daarmee heb kunnen helpen. Ik hoop dat de staatssecretaris het met mij eens is dat u zich daarvoor moet schamen. Er is afgesproken dat wij van een bepaalde ingreep af willen, maar dat is drie of vier keer uitgesteld. Dat is niet de houding die ik bij deze staatssecretaris verwacht, dus ik ben heel benieuwd hoe hij hierop reageert.

De heer Koopmans (CDA): Bent u afgelopen weekend op het strand geweest? Half Nederland is getatoeëerd. Daar heeft niemand een probleem mee, maar we zitten hier moeilijk te doen over het helpen van koeien door ze te koudmerken, zodat de koeien beter herkenbaar zijn voor de boer. Ik begrijp daar niets van. U wel?

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Het is grappig dat er altijd wordt gezegd dat de Partij van de Dieren zou denken dat dieren mensen zijn, maar dat de CDA-fractie nu een soortgelijk pleidooi houdt. Volgens mij is een klein verschil dat mensen zelf besluiten om zich te laten tatoeëren, terwijl een koe wordt gedwongen om een behandeling te ondergaan, maar misschien heeft de CDA-fractie daar een heel andere visie op. Dat kan.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Ik nodig mevrouw Ouwehand uit om te kijken hoe die behandeling gaat, want deze is heel wat diervriendelijker dan het menselijke gedoe bij een tatoeage. Ik heb nog een kritische opmerking. Mevrouw Ouwehand zegt dat er alweer iets van de agenda is geschoven, maar dat is niet zo. Biodiversiteit is toegevoegd aan een ander AO. Dat moet rechtgezet worden, want ik vond die opmerking zeer kort door de bocht.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Dan zeg ik dat het AO over biodiversiteit opnieuw is uitgesteld, doordat het is toegevoegd aan een ander AO, waardoor we niet veel spreektijd krijgen om de aarde te redden van de ondergang en de ecologische verwoesting.

De voorzitter: Ik stel voor dat deze discussie in de procedurevergadering wordt afgerond. De conclusie is dat dit overleg in ieder geval nog wel komt. Ik vraag de staatssecretaris of hij behoefte heeft aan vooroverleg en zo ja, hoelang.

Staatssecretaris Bleker: Wij gaan nader onderzoek doen of er meer mensen getatoeëerd dan koeien gekoudmerkt zijn. Daar hebben wij vijf minuten voor nodig.

De voorzitter: Dan geef ik graag enige minuten en dan horen wij dadelijk het resultaat.

De vergadering wordt enige minuten geschorst.

De voorzitter: De staatssecretaris heeft uitgezocht hoe het met het koud brandmerken zit, dus dat gaan wij dadelijk horen. Hij heeft daarnaast vast en zeker nog heel veel andere antwoorden. Ik stel voor om geen tweede termijn te houden, maar iedereen royaal twee interrupties te geven.

Staatssecretaris Bleker: Voorzitter. Ik kan hierbij behulpzaam zijn door in blokjes te werken. Ik begin met het blok visserij. De heer Slob is goed geïnformeerd over de situatie in de Franse havens. Er vindt vanochtend overleg plaats met het Franse ministerie, de autoriteiten ter plekke, de visserijorganisaties en Nederland, dat zeer sterk heeft aangedrongen op dat overleg. Over de uitkomsten van dat overleg zal ik de Kamer deze week informeren. De heer Slob heeft ook gevraagd of de Nederlandse regering bereid is om juridische bijstand te verlenen aan de vissers die naar hun oordeel schade ondervinden van wat daar gebeurt. Wij zijn bereid om een soort algemeen juridisch advies te laten opstellen door de landsadvocaat, op basis waarvan de vissers zelf vervolgens concrete juridische acties kunnen ondernemen.

De heer Slob (ChristenUnie): Er moet natuurlijk eerst overleg plaatsvinden met de vissers, maar is er eventueel ook de bereidheid om de landsadvocaat namens de vissers als Nederland een claim te laten indienen? Dat is natuurlijk veel krachtiger in de richting van de Fransen.

Staatssecretaris Bleker: Nee, we moeten het zuiver houden. De ondernemers die hierdoor getroffen zijn, moeten zelf die juridische procedure volgen. Ik vind dat ik al een heel goede stap zet door hen van een gedegen advies van de landsadvocaat te voorzien voordat zij daartoe overgaan. Overigens zullen wij contact blijven houden met de Franse autoriteiten, ook lopende eventuele juridische procedures.

Dan de visserij in meer algemene zin. Er is een mandaat aan de Europese Commissie verstrekt om te onderhandelen over een overeenkomst over de westerse wateren. In dat mandaat zijn mede op ons verzoek stevige passages opgenomen over duurzaamheid, de ecologie ter plekke, de impact op de lokale visserij en de lokale economie. Het is een normale zaak dat de Commissaris die onderhandelingen voert. Zo hoort het ook. Dan komt er een uitkomst en die toetsen we met elkaar aan het mandaat dat is gegeven. Ik vind niet dat we vanuit de Landbouw- en Visserijraad of van hieruit moeten gaan meeonderhandelen. We moeten scherp zijn in het mandaat, en dat is gebeurd, en vervolgens het resultaat beoordelen.

De heer Grashoff vroeg hoe het staat met de meer algemene discussie over het gemeenschappelijk visserijbeleid. Wanneer er zicht komt op concrete wetgevingsvoorstellen van de zijde van de Europese Commissie ben ik bereid om een algemene brief te formuleren, waarin de inzet van de Nederlandse regering rond die wetgevingsvoorstellen is verwoord, zodat wij hierover op dezelfde manier kunnen spreken als wij hebben gedaan bij het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Indien mogelijk zal die brief van ons er voor het zomerreces zijn. Mevrouw Jacobi heeft hier ook naar gevraagd.

Ik denk dat het goed is om op twee manieren heel serieus om te gaan met de discard ban. Voor een duurzame visserij in de toekomst is het van belang om dat vraagstuk op te lossen en de bijvangsten vergaand te beperken. Zoals ik in de brief van 13 april heb geschreven, is het volume aan bijvangsten, dus de hoeveelheid vis die dood wordt teruggeworpen in zee, op de lange termijn niet houdbaar, gelet op de algemene ecologische opgave die we hebben in de visserij. De Commissaris pleit ervoor om te komen tot een verbod op bijvangst die ter plekke dood wordt teruggeworpen in zee. Deze zou moeten worden aangeland, zodat je er zicht op hebt en er controle op is. Dat is het doel. Vervolgens zegt de Commissaris dat dit heel gefaseerd moet gebeuren. Dat doe je niet van de ene op de andere dag. Je moet goed rekening houden met verschillende omstandigheden, want het is complex. Je moet kijken naar verschillende visserijtakken, naar een effectieve implementatie in verschillende gebieden, en naar verschillende maatregelen die je kunt treffen wat betreft vistuig. Het vaste streven is om de manier waarop het nu gaat te beëindigen, omdat deze niet houdbaar is. Op de lange termijn blijft dat zagen aan de stoelpoten van de visserij, dus je moet hier in vergaande mate een reductie plegen. Als er dan bijvangsten zijn, moeten zij worden aangeland, zodat je deze eventueel kunt verdisconteren in quota en dat soort dingen meer. Dat is de essentie. Het is geen simpel verhaal over een verbod op bijvangst van de ene dag op de andere, maar het is een heel ingewikkelde aanpak, met de vaste wil om er een eind aan te maken zoals het nu gaat. Wij steunen de Commissie daar stevig in.

De heer Slob (ChristenUnie): Iedereen is het erover eens dat het onderwerp bijvangst op de agenda staat en dat er alles aan moet worden gedaan om deze te verminderen; ook de vissers, die dat zelf ook niet plezierig vinden. De vraag is of je dat top-down doet door een discard ban als uitgangspunt te nemen, of bottom-up, met veel intelligentere maatregelen, waarbij de regelgeving wat meer in overeenstemming wordt gebracht met de werkelijkheid. Op die wijze kun je ook de bijvangsten verminderen. Als je nu de maasbreedtes gaat verwijden, krijg je minder zeedagen. Waar zijn we dan mee bezig? Als de doelstelling is om het van bovenaf te regelen, zal het straks echt het doel voorbijschieten. Dan zul je zien dat er juist dingen gebeuren die buiten de wal blijven en waar dan weinig zicht op is. Ik vind dit echt een heel principieel punt. Ik wil graag dat de staatssecretaris in Europa uitspreekt dat Nederland de doelstelling om de bijvangsten te verminderen ondersteunt, maar dat we daar niet van bovenaf, maar van onderaf keihard aan gaan werken en daarvoor een heel programma neerzetten.

Staatssecretaris Bleker: Misschien is dit een misverstand. Je moet het doel duidelijk formuleren. Voor dat einddoel bestaat brede steun in Europa en ook hier, heb ik begrepen. De Commissie zegt zelf eerst een soort impactanalyse te maken wat dit betekent voor de verschillende takken van sport binnen de visserijsector en in ecologisch opzicht. De implementatie ervan zal gefaseerd plaatsvinden, met de intelligente maatregelen waarover de heer Slob spreekt, en het even aanpassen van regels. Die implementatie wordt voorbereid in een dialoog met alle betrokken partijen, zoals de sector en de ngo's. Dat is de werkwijze die de Commissaris zich voorstelt, zoals ik heb gemeld in de brief van 13 april. Ik vind dat we als overheid duidelijk moeten formuleren waar we naartoe willen. Dat heeft te maken met de legitimiteit van de visserij op de lange duur. Dat wordt ook zo gezien door de sector. De Commissaris stelt voor om de implementatie stapsgewijs, met een mix aan maatregelen, in samenspraak met de sector vorm te geven.

De heer Koopmans (CDA): Zoals de staatssecretaris het nu formuleert, lijkt het mij beter dan wat hij op 13 april heeft opgeschreven. Wij steunen het doel alleen als de weg die hij net formuleerde, wordt doorlopen. Wij steunen het doel niet als die weg niet wordt doorlopen. Begrijpt de staatssecretaris dat wij er zo naar kijken? Ik heb de brief ook gelezen, maar deze is veel harder en scherper. Deze begint heel simpel: de introductie van een discard ban en aanvullende maatregelen om ongewenste bijvangsten zo veel mogelijk te beperken. Dat is veel strakker. Zoals de staatssecretaris het net formuleerde, vond ik het een begaanbare weg, maar nogmaals: alleen onder die voorwaarden.

Staatssecretaris Bleker: Ik heb de vorige keer in een debat met de heer Koopmans ook aangegeven dat we overleg voeren met de sector over hoe wij dit op een redelijke manier kunnen implementeren. Wat voor maatregelen moet je daarvoor treffen? Op pag. 2 van de brief wordt letterlijk geschetst hoe de Commissaris te werk wil gaan. Die aanpak, inclusief dat doel, ondersteunen wij.

De heer Van Gerven heeft gevraagd of ik in overleg zal treden met de Europese Commissie om de haalbaarheid te onderzoeken van een Europees informatie- en klachtenpunt. Ik zie op dit moment geen aanleiding om dat te doen.

De heer Van Gerven (SP): Kan de staatssecretaris dat eens wat nader motiveren? Ik heb ook gemotiveerd waarom wij vinden dat het goed zou zijn als zo'n meldpunt voor klachten er komt. De staatssecretaris zegt: ik zie de behoefte niet, punt. Dat is wel erg magertjes.

Staatssecretaris Bleker: Volgens mij zijn er zowel nationaal als op Europees niveau veel mogelijkheden om dit soort zorgpunten op de agenda te krijgen, bijvoorbeeld langs de lijnen die wij hanteren, en dat gebeurt ook in andere lidstaten. Een klachtenmeldpunt voegt daar naar mijn oordeel niets aan toe. Daar komt bij dat je wel een heel goed verhaal moet hebben, wil je dit soort instituten, tussen aanhalingstekens, toevoegen. Ik weet niet welk probleem je daarmee oplost, in aanvulling op de mogelijkheden die er nu al zijn om dit soort zaken te agenderen, maar misschien kan dat nog worden verduidelijkt.

De heer Van Gerven (SP): Bij die bijeenkomst met Greenpeace hebben wij gezien dat er heel veel klachten zijn en zaken die naar mijn idee niet gehoord worden. Er spelen altijd enorme belangen. De visserijsector is ook heel kwetsbaar. We hebben het nu over die discards. Ik vind het onbegrijpelijk dat de fractie van de ChristenUnie dat beleid niet ondersteunt. Er zijn heel veel bedreigingen, zowel voor de vissers die nog over zijn als voor de vis die er is. Ik denk dat het goed is als er een onafhankelijke klachtencommissie naast komt staan, waarin ecologen een inbreng kunnen hebben die noch het ene noch het andere belang hebben te dienen. Ik denk dat dit een toegevoegde waarde kan hebben, maar ik heb dat niet tot achter de komma uitgerekend, dat is duidelijk. Ik denk dat dit een bijdrage kan leveren aan gewoon fatsoenlijk, beter beleid, waarbij de mensen worden gehoord die nu te weinig worden gehoord.

Staatssecretaris Bleker: Laat ik het zo doen: ik zal op hoog ambtelijk niveau bij de Commissie laten informeren hoe dat loopt en of dat een toegevoegde waarde kan hebben. Dan kom ik daar bij het volgende AO over de Landbouw- en Visserijraad op terug.

Dan kom ik op de garnalen. Onder leiding van de heer Heijkoop wordt overleg gevoerd met de vertegenwoordiging van de garnalensector over het toekomstperspectief voor deze sector. Wij kunnen ons nu wel concentreren op het NMa-verhaal, maar het achterliggende probleem is dat er zoveel garnalen worden gevangen dat het leidt tot een prijs die voor de visserij niet voldoende aantrekkelijk is. De uitspraken die zijn gedaan over de Mededingingsautoriteit laat ik geheel voor rekening van de Kamerleden. Volgens mij is de Mededingingsautoriteit gehouden om bepaalde mededingingswetgeving van de wetgever uit te voeren en daarop toe te zien. Om daarover per geval politieke oordelen te uiten vind ik zelf lastig en ook niet zo wenselijk.

Er kunnen wel vragen worden gesteld over wat de huidige mededingingswetgeving en de wijze waarop deze in Nederland wordt toegepast, betekent voor de prijsvorming in de voedselketen en andere waarden die wij daarbij van belang vinden, zoals duurzaamheid en dat soort zaken meer. Daarover had ik al een brief willen toesturen. Die brief heb ik hier ook voor mij liggen, maar ik moet zeggen dat dit een knap ingewikkelde kwestie is. Ik blijf daar vragen over stellen, want ik leef met dezelfde vragen als de Kamer. Je komt daarbij twee werelden tegen. De ene spreekt uit dat mededingingswetgeving en de uitvoering daarvan in het belang is van de consument en van de economie; overal waar concurrentie is, leidt dat tot innovatie en kwaliteit, enz. Dat is als het ware een vrij algemene, principiële redenering om te funderen waarom wij mededingingswetgeving hebben. In diezelfde mededingingswetgeving zijn tot op zekere hoogte wel uitzonderingsbepalingen opgenomen voor de voedselbranche. Ik denk dat bij de totstandkoming van deze mededingingswetgeving het vraagstuk van het verdisconteren van maatschappelijke waarden in de voedselketen zoals duurzaamheid niet expliciet aan de orde is geweest. Ik denk dat je dat wel uit de wetsgeschiedenis kunt destilleren, want dat is echt iets van de laatste jaren. Ik ben er nog niet helemaal uit hoe het verdisconteren van waarden zoals duurzaamheid in de voedselketen zich precies verhoudt tot de bestaande mededingingswetgeving en de uitvoering daarvan, dus daar heb ik wat meer tijd voor nodig. Ik wil ook nog even bekijken hoe dat in andere landen werkt. Het duurt wat langer, maar dat is niet omdat ik het belang ervan onderschat. Integendeel. Ik vind dat er heel goed en diepgravend naar gekeken moet worden.

De heer Koopmans (CDA): Dat is een antwoord dat we al jaren van de regering horen en ik moet zeggen dat ik dat een klein beetje moe begin te worden. Bij de woorden die ik hoor uit de mond van de staatssecretaris denk ik dat er iets van begrip begint te ontstaan, maar in de ogen van de CDA-fractie mogen wij als medewetgever best opmerkingen maken over wat de NMa doet. Waarom niet? Ik vind het echt van de zotte dat de NMa zegt dat vangstbeperkingen verboden zijn, terwijl wij allemaal zeggen dat het op grond van duurzaamheid goed is om na te denken over vangstbeperking. Als je dan het persbericht en de uitingen van de NMa ziet, dat men maar met een beheerplan moet komen, dan denk ik dat wij aan de slag moeten om ervoor zorgen dat de wetgeving wordt ontdaan van elementen waardoor coöperatieve samenwerking wordt belemmerd, want de CDA-fractie is daar een groot voorstander van. Blijkbaar zit er in de wetsgeschiedenis nog een haakje met betrekking tot voedsel. We moeten heel snel aan de slag om daar goed antwoord op te geven, omdat we anders slagen missen op het gebied van duurzaamheid en rentabiliteit.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Twee jaar geleden en vorig jaar heb ik al moties ingediend, onder andere met mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink en de heer Koppejan, om de Nederlandse mededingingswetgeving te completeren met ecologische doelen. Dat zou uitgezocht worden. Ik denk dat je door rekening te houden met die ecologische aspecten de zaak in balans kunt brengen. Ik heb begrepen dat er bij bepaalde juridische uitspraken al duidelijk ruimte is voor die ecologische aspecten. Ik snap dat de staatssecretaris wat meer tijd nodig heeft, maar ik wil graag dat er op korte termijn wordt gecommuniceerd over de zaken die al duidelijk zijn.

De heer Grashoff (GroenLinks): Volgens mij zijn vergelijkbare punten al eerder aan de orde geweest. Er hangt steeds de schijn omheen dat het Europese mededingingsrecht dit beleid mede zou bepalen, maar ik heb begrepen dat zaken als quota en productiebeperking helemaal niet verboden zijn binnen het Europese mededingingsrecht. Hierbij wordt dus een eigen koers gevaren of er wordt een eigen interpretatie aan gegeven, die bij uitstek overproductie in de hand werkt en daarmee haaks staat op duurzaamheidsbeginselen. Het lijkt mij dat wij een keer moeten ophouden met te zeggen dat het ingewikkeld is en dat we erover moeten nadenken. Ik ben benieuwd wat voor tijdpad de staatssecretaris voor zich ziet om tot een echte strategie te komen. Wanneer mogen we deze verwachten?

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Volgens mij heeft dit ook grote raakvlakken met mijn vraag over de beschermde gebieden. De eerste vraag is of de staatssecretaris dit als een integraal probleem wil benaderen. Ik moet mij verontschuldigen, want de staatssecretaris heeft wel een briefje gestuurd over biodiversiteit. Het was een kort briefje, dus misschien stond het daarom niet goed op mijn netvlies, excuus daarvoor. Dat neemt niet weg dat ik vind dat wij bij dit onderdeel niet kunnen wachten tot die beschermde gebieden op zee als een individueel traject worden aangevlogen. Ik hoor hierop graag een integrale reactie, als hij de brief die hij voor zich heeft liggen, toch nog definitief moet maken.

Staatssecretaris Bleker: Wat betreft de timing: in de eerste twee weken na het meireces komt de naar aanleiding van schriftelijke vragen op 8 november toegezegde brief over prijsvorming in de agro-nutriketen naar de Kamer. In dezelfde dan wel in een tweede brief zullen wij ook op de kwestie van mededinging in de garnalenvisserij ingaan. In die brief zal ook de vraag worden beantwoord of er binnen de bestaande interpretatieruimte van de mededingingswetgeving ketenafspraken over de verrekening van meerkosten voor de omschakeling naar duurzame productievormen kunnen worden gemaakt. Daarin wordt ook de vraag beantwoord over mogelijkheden om binnen het mededingingsrecht niet-economische belangen zoals maatschappelijk verantwoord ondernemen en duurzaamheid mee te wegen als rechtvaardigingsgrond. Deze vragen zullen worden beantwoord in die brief, die na het meireces komt. Daarbij wordt ook ingegaan op de kwestie van de garnalen.

De heer Koopmans (CDA): Kan dat ook betekenen dat u met voorstellen komt om de wet te wijzigen? U spreekt over «binnen het mededingingsrecht», maar het zou kunnen dat we zeggen dat we het anders gaan doen in dit land.

Staatssecretaris Bleker: Dit zijn de antwoorden op de vragen die eerder door u zijn gesteld. Daarnaast komt het kabinet in september met een bredere nota over duurzaamheid en mededinging, zoals eerder is toegezegd. Deze heeft niet alleen betrekking op de voedselketen, maar reikt verder. Dat is de afspraak. In de brief na het meireces wordt ingegaan op de agro-nutriketen en in de brief in september op dat andere. Als wij tegen grenzen aanlopen van mededingingsregelgeving wat betreft duurzaamheid, of het nu in de voedselsector is of in andere sectoren, is inderdaad toegezegd dat wij deze zullen markeren en zullen aangeven waarom wij vinden dat de regelgeving moet worden aangepast dan wel dat de uitvoering binnen de interpretatieruimte kan worden aangepast, want die kant van de medaille zit er ook aan.

De heer Koopmans (CDA): Is de staatssecretaris bereid om met de NMa te praten over wat zij met de garnalensector aan het doen is? We kunnen nog wel vijf maanden die idioterie van de NMa, in onze ogen, handhaven, maar dat vindt niemand zinnig.

Staatssecretaris Bleker: De brief gaat ook over de garnalen en de mededinging. We zullen u ook uitgebreid informeren over de achtergronden van de handelwijze van de NMa.

Voorzitter. Het klopt dat wij ons zullen inzetten voor het aanwijzen van meer beschermde gebieden op zee, zoals voortvloeit uit de conventie over biodiversiteit, waar mevrouw Ouwehand naar vroeg. Het voornemen is dat 15% van het Nederlandse deel van de Noordzee wordt aangewezen als beschermd gebied. Ik hoop de Kamer hierover dit jaar nader duidelijkheid te kunnen geven.

Ik zal de Zweedse collega vragen of er een rapport over Marokko is. Als dat zo is, kom ik er in de documentatie voor een volgende Landbouw- en Visserijraad op terug. Dit waren mijn antwoorden op de vragen inzake visserij, voor zover ik kan nagaan.

De voorzitter: Ik heb geen vragen openstaan. Dan gaan we verder met het blok landbouw.

Staatssecretaris Bleker: In de raad van ministers voor Landbouw, de Landbouw- en Visserijraad, hebben wij al veel gesproken over het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Soms zelfs zoveel dat we denken: wat is de toegevoegde waarde van de laatste gespreksronde. Het is niet gelukt om tot raadsconclusies te komen, hoewel deze door de voorzitter vrij algemeen waren geformuleerd, dus dat zijn voorzittersconclusies geworden, waar een deel van de landen zich niet achter heeft gesteld. In het overleg met mijn Poolse collega dacht ik: laten we nu eens een slagje dieper gaan in plaats van in algemeenheden te blijven spreken. Het was voor mij belangrijk om te beproeven of de intentie van mijn Poolse collega is om een groot deel van het GLB in allerlei tweede-pijlerprojecten te stoppen die niet direct zijn gericht op de agrarische ondernemer. Het antwoord op die vraag is mij duidelijk geworden. De Poolse collega wil alles op alles zetten om de gelden zo veel als maar mogelijk is direct richting ondernemer te sturen. Dat vond ik een belangrijk punt. Ik heb hem daar volop in gesteund, omdat het ook onze inzet is.

Verder heb ik willen beproeven hoe hij aankijkt tegen de basispremie en de top-ups. Ik moest constateren dat hij net als wij vindt dat er in ieder geval een basispremie moet zijn. Een eyeopener was voor mij dat hij op dezelfde lijn zit om lidstaten de vrijheid te geven om, uitgaande van een level playing field en een basispremie, de overige middelen gericht in te zetten voor het stimuleren van de sector, passend bij de situatie in dat land. Dat kan betekenen dat er bij ons andere speerpunten zijn dan in Polen of Roemenië.

Wij vinden dus dat Europa voor het gedeelte dat niet de basispremie betreft, een aantal mogelijkheden zou moeten bieden waaraan de lidstaten vervolgens invulling kunnen geven. Het is heel belangrijk dat wij als centrale punten in de eerste gedachtevorming hebben geconcretiseerd dat de gelden zo veel mogelijk direct naar de ondernemer moeten en dat we de lidstaten vrijheid moeten bieden. Dat is ook gecommuniceerd. Wat betreft de verdeling van de middelen staat in het persbericht, zoals men ziet, netjes geformuleerd dat we nog niet zijn gekomen tot een beeld hoe dat zou moeten. Daar ging het overleg met de Poolse collega over. Ik vind dat belangrijk, omdat Polen als het ware de verbindingsschakel is tussen West-Europa en de nieuwe Europese lidstaten. Het is een groot land, met 1,2 miljoen boeren. Willen we tot overeenstemming komen in de Landbouwraad, dan zullen we Polen mee moeten hebben. Als we Polen niet mee hebben in dat geheel, hebben we de andere nieuwe Oost-Europese lidstaten ook niet mee. Dan hebben we dus een clash. Daarom investeer ik in de gezamenlijke gedachtevorming met Polen.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Even concreet, dit verhaal betreft pijler 1, met een aantal randvoorwaarden waarbinnen de lidstaten de zogenaamde top-ups kunnen vormgeven?

Staatssecretaris Bleker: We hebben tegen elkaar gezegd: als we het goed kunnen organiseren, met een basispremie en goede, eenvoudig toe te passen top-ups, en we zeggen: zo veel mogelijk geld direct naar de agrarische ondernemer, hoe belangrijk is dan nog een discussie over de eerste of de tweede pijler?

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Ik heb ooit al eens gevraagd of het bij het nieuwe GLB nog van belang is of we een pijler 1 of 2 hebben, als we er maar heel gericht voor zorgen dat de middelen op het erf bij de ondernemer komen. Ik ben wel benieuwd hoe de vervolgdiscussie met Polen ging over dit verhaal.

Staatssecretaris Bleker: We hebben gezegd: laten we uitgaan van de principes dat er een basispremie is, dat het geld zo veel als maar mogelijk is, direct naar de ondernemer moet gaan en dat de lidstaten gericht moeten kunnen stimuleren, met een aantal onderdelen die op het Europese menu staan. Als dat de basisprincipes zijn, moet de verdere vormgeving daaraan ondergeschikt worden gemaakt. Ik zal u zeggen dat dit lang niet makkelijk zal worden, want de Fransen en de Italianen denken er heel anders over. Er zijn ook landen die vinden dat het in overwegende mate in projecten en programma's in de tweede pijler moet in plaats van als directe betalingen aan ondernemers. Die strijd is nog lang niet gestreden. Dat Polen nu ook op deze lijn zit, sterkt ons in onze positie om de tweede pijler niet onnodig groot te maken en om gericht te kunnen stimuleren; rechtstreeks naar de ondernemer.

De heer Grashoff (GroenLinks): Ik heb een aanvullende vraag over het vertoog van de staatssecretaris over het gesprek met Polen, namelijk of hij het aspect van vergroening van de eerste pijler ook ter sprake heeft gebracht bij zijn Poolse collega.

Staatssecretaris Bleker: Jazeker, en daar is ook meteen een verschil. Om een voorbeeld te noemen, ik geloof dat 30% van de oppervlakte van Polen Natura 2000-gebied is. Bij ons is dat 8%. Men kan zich voorstellen dat vergroenen, in de zin van boeren stimuleren om op akkers en weiden groene prestaties te leveren, daar een minder hoge prioriteit heeft dan in Nederland. In Polen gaat het veel meer om structuurversterking van de sector, innovatiekracht, schaal, energie, enz. De Poolse collega en ik hebben besproken dat de uitgangssituatie per land zo verschillend kan zijn dat voor ons vergroening misschien belangrijker kan zijn als top-up dan in Polen. Dat kan, ervan uitgaande dat er basisvoorwaarden zijn die voor heel Europa gelden en die de bottomline vormen, bijvoorbeeld als het gaat om milieu, enz.

Voorzitter. Het bedrag van 22,7 mln. is vervelend. Wij zullen zeker in beroep gaan bij het bemiddelingsorgaan en eventueel bij het Hof. Ik kan natuurlijk niet vooruitlopen op de uitkomst daarvan. Wij hebben een onderzoek uitgezet naar gemeenschappelijke marktordeningen (gmo's) bij groente en fruit, maar de resultaten daarvan zijn nog niet bekend. De vraag wie de boete betaalt, kan ik dan ook niet beantwoorden, want wij gaan er nu vanuit dat we in staat zijn om dat vergaand terug te dringen.

De heer Grashoff heeft gelijk dat er geen blokkerende minderheid is wat betreft de kwaliteitslabels voor landbouwproducten. We zullen ons nader beraden, onder andere samen met de Duitsers, hoe wij daarin gaan varen.

Schiphol en Staatsbosbeheer zijn inderdaad uitgesloten, omdat op hun grond niet primair agrarische doelstellingen worden gerealiseerd. Toetsingscriterium moet mijns inziens blijven dat de grond door de rechtspersoon primair voor agrarische doelstellingen wordt gebruikt. Volgens mij moeten we daar scherp in blijven en soms misschien ook wel scherper worden.

In het schriftelijk overleg zullen wij nader ingaan op de Codex Alimentarius, waar de heer Slob naar heeft gevraagd. Ik hoop dan wat meer informatie te hebben over de voornemens van het voorzitterschap. Tot nu toe lijkt het een soort inventariserend verhaal van het voorzitterschap te worden. Tot zover de hoofdpunten van het gemeenschappelijk landbouwbeleid.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): U bent ingegaan op het gesprek met Polen. Deelt u mijn zorg dat het te veel wordt verbreed, als het sociale plaatje eraan wordt gekoppeld door de Europese Commissie?

Staatssecretaris Bleker: Ik zie ook dat er door sommige lidstaten van alles en nog wat bij wordt gesleept, onder de noemer van de instandhouding van de traditionele landbouw of van de tradities op het platteland. Ik heb in de Landbouwraad gezegd dat de beste manier om de plattelandscultuur en de tradities op het platteland in stand te houden is door ervoor te zorgen dat er economisch goed renderende agrarische bedrijven zijn. Dat is de voorwaarde, maar het lijkt erop alsof mijn Roemeens en Bulgaarse collega's van mening zijn dat regionale volksdansgroepen van steun moeten worden voorzien, om nieuwe klompen aan te schaffen, zeg maar. Daar moeten we niet naartoe.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): In die zin deelt u de zorg die ik net uitsprak.

Staatssecretaris Bleker: Ja, ik zie her en der wel wat signalen. Het is ook bijna een confrontatie van verschillende culturen. We moeten daar goed op letten.

Voorzitter. Ik moet mevrouw Ouwehand teleurstellen. Ik ben voornemens om de vrijstelling voor het koudmerken die per 1 juli afloopt, te verlengen.

De heer Van Gerven en anderen hebben gesproken over de gewetensbezwaarden. Wij hebben contact gehad met Brussel over de vraag of wij een korting moeten opleggen voor degenen die zich niet aan de verplicht voorgeschreven Identificatie en Registratie (I&R) houden. Wij kunnen volstaan met de korting van 20%. Aanvankelijk zou er een progressie zijn in die korting, zodat deze in de loop der jaren zou oplopen, maar dat hoeft niet. We hebben Brussel gewezen op mogelijke alternatieven zoals het elektronisch merken dat in Denemarken wordt toegepast. De informatie is tot nu toe dat dit onvoldoende soelaas zou bieden. In de loop van dit jaar komt de Commissie met nieuwe voorstellen over Identificatie en Registratie. Wij zullen erop aandringen om waar mogelijk nieuwe mogelijkheden te bieden, zoals chippen of andere vormen die denkbaar zijn. We zijn in algemene zin niet tevreden over de huidige methoden, dus er moet echt creatief, onorthodox worden gekeken naar effectieve alternatieven.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Bij de gewetensbezwaarden gaat het mij ook om het principe. Wij hebben in Nederland met veel zorgvuldigheid uiteindelijk voor de gewetensbezwaarden een protocol opgesteld, en daar houden zij zich keurig aan. In die zin wordt voldaan aan alle doelstellingen van Identificatie en Registratie. Europa vindt kennelijk dat dit toch tot een boete zou moeten leiden, terwijl deze boeren keurig meedoen aan zaken als natuurbeheer. Ik vind het principieel onjuist om, nadat je eerst al die afspraken met ze hebt gemaakt, deze later weer buiten werking te stellen en ze toch voor boetes in aanmerking te laten komen. Ik snap dat Europa dat wil, maar ik vind dat een lidstaat dan zelf de rug recht moet houden en moet zeggen: het is ons risico dat er een boete wordt opgelegd, en deze niet op hen te verhalen, want zij doen aan alles mee. Ik vind het onterecht dat zij, terwijl zij aan alle eisen voldoen, toch een korting van 20% krijgen. Het gaat veelal om kleinere en de meest duurzame boeren. Ik wil heel graag een lans voor hen breken. De lidstaat moet in Europa zijn best doen om een gelijkwaardige situatie te creëren zoals we het hier hebben geregeld, en zolang dan maar bokje staan. Dat is mijn standpunt.

De heer Van Gerven (SP): Het principiële punt is ook dat deze boeren zich maximaal inzetten voor dierenwelzijn en dan worden gestraft. Dat klopt niet, daar zit iets fout. Een korting van 20% snap ik al helemaal niet. Ik wil de staatssecretaris een notitie voorleggen van 7 mei 1999. Dat was een memorabele dag voor de gewetensbezwaarden. De verantwoordelijke personen van de Europese Commissie die hier kennelijk op bezoek waren, zeiden dat het een nationaal probleem is, dat nationaal opgelost kan worden. Dat is helemaal in strijd met de informatie die wij nu horen over die korting. Zij zeggen: als er een alternatieve eenduidige methode is voor Identificatie en Registratie, hoeven zij niet gekort te worden. Bij het verlaten van het bedrijf moet er wel met die rare plastic oormerken worden gewerkt, maar als je het in het bedrijf houdt, hoeft dat niet. Volgens mij is er dus best een oplossing mogelijk. Ik hoor hierop graag een reactie van de staatssecretaris.

Staatssecretaris Bleker: De meest recente contacten die wij hebben gehad met de Commissie, leiden tot de uitspraak van de Commissie dat wij gehouden zijn om die 20% korting op te leggen. Ik moet zeggen dat ik het ook zuur vind, maar dat is het meest recent. De vraag van mevrouw Jacobi is dan wie er opdraait voor de consequenties als wij toestaan om het niet te doen. Dat vind ik een heel gevaarlijke, moet ik zeggen. Dan zou de lidstaat moeten opdraaien voor de consequenties.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Het gaat mij om het gelijkheidsprincipe. Wij hebben tot in de details een systeem met hen opgesteld, waarbij is gezegd dat het zo voldoet aan de eisen van Identificatie en Registratie. Daarmee is dat protocol om zo te zeggen gelijk aan de gele flappen. Als je met hen die afspraken hebt kunnen maken, moet je ze ook gelijk behandelen en dan moet je ook bokje staan voor de consequenties daarvan. Dat vind ik geen gevaarlijke, maar een principiële positie.

Staatssecretaris Bleker: Goed zo. Ik ga verkennen wat die consequentie dan inhoudt en of dat aanvaardbaar is.

De heer Van Gerven (SP): Kan de staatssecretaris zeggen op welke termijn hij die exercitie gaat doen?

Staatssecretaris Bleker: Voor de zomer. Laten we dit afspreken: als er echt iets nieuws onder de zon is, dan hoort u van mij.

De voorzitter: Ik stel voor dat u gewoon in alle gevallen even voor de zomer laat horen wat de stand van zaken is.

Staatssecretaris Bleker: Dan zal ik ingaan op de overige punten. Er zijn uiteenlopende opvattingen in de Kamer over diermeel. Wij hebben in de brief aangegeven hoe wij erover denken. Ik heb daar nu niets aan toe te voegen.

De inzet bij diertransport is: maximaal 8 uur, betere condities tijdens het transport en meer ruimte voor vee, zoals wij in de recente brief hebben geschreven en zoals mevrouw Snijder ook zei. Het EFSA-rapport is op 12 juni gepubliceerd op de website van de EFSA. De reactie van de Europese Commissie komt binnenkort. Onze inzet is duidelijk en blijft zo. Wij zijn op dit punt redelijk koploper en dat willen we ook blijven. We willen ervoor zorgen dat Europa in diezelfde kopgroep komt.

Mevrouw Ouwehand noemde 200 km als maximum. Dan kan ik zelfs niet meer met mijn schitterende hengst naar de hengstenkeuring. Laten we even een beetje nuchter blijven, bij 8 uur kunnen we het verantwoord doen, mits goed verzorgd en onder goede voorwaarden. Als je zegt twee uur, kun je net zo goed zeggen: laten we de boel maar sluiten.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Nu word ik bijna geprikkeld om heel akelige dingen over die hengstenkeuringen te zeggen, maar dat komt nog wel.

Staatssecretaris Bleker: Mag ik mevrouw Ouwehand hierbij dan uitnodigen? Als alles goed gaat deze zomer, heb ik volgend jaar echt een heel mooie hengst op de keuring. Dan kan zij zien hoe daar liefdevol met hengsten wordt omgegaan.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik neem die uitdaging aan.

Voorzitter. Ik heb de staatssecretaris ook gevraagd om een reactie op diertransporten vanuit Nederland naar Rusland. In de vorige kabinetsperiode hebben wij daarover gesproken met de toenmalige minister Verburg. Zij heeft gezegd dat zij vindt dat dit eigenlijk niet kan en dat we dat niet moeten willen; hier varkens inladen en ze helemaal naar Rusland brengen. Wat vindt de staatssecretaris van zulke transporten?

Staatssecretaris Bleker: Als het gaat om slachtvee over dat soort afstanden, kun je beter met de Russen afspreken dat het hier wordt geslacht en in pakjes naar Rusland gaat. Dat lijkt me dan een betere weg. Als het gaat om fokvee of andere dieren, is het een heel ander verhaal. Ik deel de opvatting van mevrouw Verburg dat er wel grenzen zijn. Er worden naar ik meen 800 000 kalveren geïmporteerd in Nederland, die ook van ver weg komen, maar het alternatief, als die kalveren daar blijven, is dat ze vrij kort na de geboorte om het leven worden gebracht. Nu hebben ze in ieder geval nog een aantal maanden waarin ze opgroeien, dus er zitten meerdere kanten aan de medaille. Mevrouw Ouwehand wordt hier onpasselijk van, geloof ik, maar zo is het wel. Men heeft mij verteld wat er gebeurt met een stierkalf dat in Letland wordt geboren, en dat wil je liever niet weten.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Even voor de goede orde, dat wil je inderdaad niet weten, maar de staatssecretaris kan hier toch niet met droge ogen beweren dat piepjonge kalfjes die worden versleept naar een verzamelplaats en dan op transport gaan naar Nederland, daar gelukkig van worden. Dat geloof ik niet.

Staatssecretaris Bleker: Dat beweer ik ook niet, maar kennelijk is het alternatief in dat soort landen om ze op niet al te vriendelijke wijze een dag na de geboorte te euthanaseren. Mevrouw Ouwehand doet de handen over elkaar, maar dat zijn wel de dilemma's waar we mee zitten.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik zou nog als denkrichting willen meegeven aan de staatssecretaris: als je fundamenteel aanvoelt dat iets niet deugt, hoef je er niet aan mee te werken. Dat kan ook een oplossing zijn.

Staatssecretaris Bleker: Ja, dat kan, maar het dilemma is niet weg.

De voorzitter: Daar zullen we een andere keer over spreken. Ik stel de staatssecretaris voor om de laatste punten kort te beantwoorden, anders zal het schriftelijk moeten.

Staatssecretaris Bleker: Mijn ambtelijke ondersteuning zegt dat ik er helemaal doorheen ben.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Ik heb nog een vraag naar aanleiding van de vorige Landbouwraad, waarbij een brief was toegezegd naar aanleiding van mijn vraag wat de consequenties zijn van het niet doorgaan van de beschermde oorsprongsbenaming.

De voorzitter: Het is niet de bedoeling om nieuwe vragen te stellen. U mag alleen nog een vraag stellen die niet is beantwoord.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Dit is een oude vraag waarover ik nog een brief had moeten hebben.

Staatssecretaris Bleker: Die komt voor het volgende AO over de Landbouwraad.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Ik had nog een vraag over MKZ.

Staatssecretaris Bleker: O ja, dat is een belangrijk punt. Voor het zomerreces ontvangt u van mij een soort update over de bekende dierziekten, de dierziekten die mogelijk nog optreden, de strategie van bestrijding tot nu toe en eventuele herijking van die bestrijding, voor zover aan de orde. Voor het zomerreces krijgt u een overzichtsbrief hierover.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Ook over het punt waarnaar ik heb gevraagd, namelijk het enten?

Staatssecretaris Bleker: Ja, ook over die punten.

De heer Van Gerven (SP): Ik deel de voorzitter mee dat ik een VAO aanmeld om een motie in te dienen.

De voorzitter: Voor of na het meireces? Voor het meireces is het nogal vol.

De heer Van Gerven (SP): Het hoeft niet per se voor het meireces.

De voorzitter: Dan houden we daar rekening mee.

De heer Koopmans (CDA): Ik doe de mededeling dat ik de motie over de discard ban morgen toch in stemming laat brengen. Dat zal ik de Voorzitter ook laten weten.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Ik wil graag van de heer Van Gerven weten waar dat VAO over moet gaan.

De heer Van Gerven (SP): Dat gaat over de discussie die we de vorige keer hebben gevoerd over Coreper. Er worden ambtelijk allerlei dingen afgetimmerd waarbij wij als politiek het nakijken hebben. Daarover wil ik opnieuw een motie in stemming brengen, waar de VVD-fractie waarschijnlijk van harte achter staat.

De voorzitter: Is dat wel een vervolg op dit algemeen overleg? Dat is naar mijn beleving helemaal niet aan de orde geweest. Ik stel dan toch voor dat u daarvoor een andere weg bewandelt.

De heer Van Gerven (SP): Het is de vorige keer aan de orde geweest. Het gaat over de Landbouw- en Visserijraad, dus het komt iedere keer terug. Ik zie niet in waarom ik die motie niet zou kunnen inbrengen.

De voorzitter: Het is niet de gewoonte om hier VAO's te blokkeren, maar het is volgens mij niet helemaal de geëigende weg. Ik stel voor om hierover te spreken als wij iets meer tijd hebben. Ik ga afronden …

De heer Van Gerven (SP): Voorzitter. Ik wil hier toch tegen protesteren. Het heeft alles te maken met de Landbouw- en Visserijraad. Er is de vorige keer een motie over ingediend die het niet heeft gehaald. Er is discussie over geweest. De meningen daarover zijn gewijzigd, dus ik zie niet in dat dit niet zou kunnen, maar ik vind niet dat het per se voor het reces moet. Het heeft niet zo'n haast, maar ik vind wel dat die mogelijkheid er gewoon moet zijn.

De heer Grashoff (GroenLinks): Voorzitter. Even een punt van orde. Mag ik uit uw woorden concluderen dat er geen VAO wordt geblokkeerd?

De voorzitter: Nee, dat hebt u goed gehoord. Dat heb ik ook gezegd. Wij blokkeren geen VAO's, maar ik denk dat het wel goed is om even met elkaar te bekijken hoe je tot zo'n VAO komt. Ik heb begrepen dat de heer Grashoff nog een korte mededeling wil doen.

De heer Grashoff (GroenLinks): Dat is een mededeling van heel praktische aard. Vanaf het meireces tot aan het zomerreces heeft de Enquêtecommissie Financieel Stelsel een heel intensieve periode. Ik maak deel uit van die commissie. Ik zal me gedurende die zes weken dus grotendeels laten vervangen. Mocht u denken: waarom zien we die Grashoff ineens niet meer terug, zit hij een beetje uit zijn neus te eten, nee, wij zitten ergens op de achtergrond dat werk te doen en mijn collega's El Fassed en Van Tongeren zullen mij hier zo veel mogelijk vervangen.

De voorzitter: Oké, we hoeven dus niet verstoken te blijven van het GroenLinksgeluid, begrijp ik.

Ik zal nog even kort te toezeggingen langslopen. Er zijn er negen, naar onze beleving:

  • 1. De staatssecretaris zal nog deze week de Kamer informeren over de uitkomsten van het gesprek van vandaag over de problemen met de Franse havens.

  • 2. De staatssecretaris zal voor het zomerreces een algemene brief aan de Kamer sturen over de Nederlandse inzet rond de wetgevingsvoorstellen van de Europese Commissie over het gemeenschappelijk visserijbeleid.

  • 3. De staatssecretaris zal in Brussel navragen of er behoefte is aan een onafhankelijk klachtenpunt inzake de visserijakkoorden en zal hierop terugkomen tijdens het volgende AO Landbouw- en Visserijraad.

  • 4. Binnen twee weken na het meireces zal de staatssecretaris de vragen uit november 2010 over prijsvorming in de agro-nutriketen beantwoorden en een brief toesturen over mededinging in de voedselketen en de garnalenvisserij.

  • 5. In september zal de staatssecretaris de Kamer een brede nota sturen over duurzaamheid en mededinging.

  • 6. De staatssecretaris zal zijn Zweedse collega vragen naar het rapport, genoemd door mevrouw Ouwehand, over visserij in Marokko. Indien dit rapport bestaat, zal de staatssecretaris hierover een brief sturen voorafgaand aan het volgende AO Landbouw- en Visserijraad.

  • 7. De staatssecretaris zal de Kamer voor het zomerreces een nadere brief sturen over de oormerkweigeraars of gewetensbezwaarden.

  • 8. Voor het zomerreces komt er nog een brief over dierziekten, etc.

  • 9. De staatssecretaris zal voor het zomerreces een brief aan de Kamer sturen over de oorsprongsetikettering en de streekproducten.

De heer Grashoff (GroenLinks): Ik heb het misschien gemist in dit overzicht, maar de staatssecretaris zou ons iets toesturen over het gemeenschappelijk visserijbeleid.

De voorzitter: Dat was de tweede toezegging. Ik dank alle aanwezigen voor het geduld en tot een volgende gelegenheid.