Kamerstuk 20487-33

Verslag van een algemeen overleg

Natuur- en Milieu-educatie; Verslag van een Algemeen Overleg


20 487
Natuur- en Milieu-educatie

nr. 33
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 16 maart 2009

De vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit1, de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap2, de vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer3 en de vaste commissie voor Verkeer en Waterstaat4 hebben op 19 februari 2009 overleg gevoerd met minister Verburg van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit over:

– de brief van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit d.d. 5 december 2008 over uitvoeringskader nota Natuur- en Milieu-Educatie (20 487, nr. 32).

Van dit overleg brengen de commissies bijgaand woordelijk geredigeerd verslag uit.

Voorzitter: Atsma

Griffier: Dortmans

De voorzitter: Wij hebben twee uur de tijd voor dit overleg maar dat wil niet zeggen dat wij daar ook twee uur voor moeten gebruiken. Ik stel voor, een maximale spreektijd van vier minuten per woordvoerder te hanteren. Er zullen in elk geval zeven fracties aan het overleg deelnemen dus vier minuten moet kunnen. Ik geef allereerst het woord aan de heer Cramer die spreekt namens de ChristenUnie.

De heer Cramer (ChristenUnie): Voorzitter. Ik dank de minister voor het voorleggen van het uitvoeringskader en het werkplan. Wij hebben daarom gevraagd en nu kunnen wij met gezwinde spoed aan de gang. Mogelijk bieden de omstandigheden van nu, de economische teruggang, ook kansen voor natuur en milieu. Mensen gaan meer in eigen land op vakantie, zoeken meer uitjes in eigen land – die zijn misschien wel goedkoper – en mogelijk komt er daardoor meer waardering voor de niet-materiële zaken zoals de natuur.

Ik maak toch wel een paar opmerkingen over het voorliggende plan. In het werkplan staan niet alleen veel acties maar is er ook veel versplintering. Ik snap dat er veel gedaan kan worden onder de noemer NME en dat onderwerp maakt mensen natuurlijk enthousiast, maar wij moeten wel uitkijken dat wij niet te veel tegelijk willen. Zoveel geld is daar ook weer niet voor beschikbaar. Ik hoor graag een nadere verklaring voor de grote hoeveelheid projecten.

De regering is bij motie gevraagd om het werkveld te betrekken bij de uitvoering. Is het werkveld daadwerkelijk betrokken bij het opstellen van het werkplan en het uitvoeringskader? Kan de minister aangeven hoe dat precies gebeurd is? Ook in de uitvoering moet het werkveld sterk leidend en betrokken zijn. Hoe verhoudt zich dat tot de rol van SenterNovem? Ik zie de meerwaarde van een instantie die de regie voert, maar waar mogelijk moet het aan het werkveld worden overgelaten. Daar zijn tot nu toe ook veel mooie dingen uit voortgekomen. In het hele arrangementenverhaal wordt uitgegaan van een erg sterke centrale regie. Gaat dat niet ten koste van het lokale en provinciale maatwerk dat naar mijn gevoel nodig is? Overstijgen wij daarmee ook niet de bij motie vastgestelde 6% die maximaal mag worden besteed aan vergaderen, monitoren, evalueren en onderzoeken?

Ik snap dat de minister graag wil dat het Rijk niet alleen als financier optreedt voor natuur- en milieueducatie. Hoe realistisch is echter het vereiste van 25% tot 50% cofinanciering, zeker in deze tijd? Ik hoef alleen maar te wijzen op het besluit van het VSB-fonds om geen natuurprojecten meer te financieren. Dat scheelt nu 8 mln. per jaar terwijl het Rijk 5 mln. uitgeeft aan de NME.

De manier van werken in het NME-veld is gericht op projectfinanciering: geld komt per project beschikbaar. Ik vraag kort de aandacht voor een ongewenst neveneffect. Succesvolle projecten zijn hierdoor in feite verliesgevend. Hoe succesvoller, hoe meer vraag ernaar is en hoe meer vraag, hoe hoger de kosten. Voor het project is echter een vastgesteld bedrag beschikbaar. Kan de minister eens kijken of daarvoor een oplossing geboden kan worden? Het zou jammer zijn als succesvolle projecten niet verder uitgezet kunnen worden omdat dat anders verlies oplevert voor de uitvoering.

Ik maak een opmerking over de rol van de vrijwilligers. Zij worden niet genoemd in het uitvoeringskader en het werkplan. Ik vraag graag aandacht voor deze belangrijke groep. Het uitvoeringsprogramma is gefocust op beroepskrachten maar veel van het NME-werk wordt verricht door vrijwilligers. Deze mensen verdienen veel waardering; een compliment is op zijn plaats. Deze groep verdient om nog een andere reden aandacht. Vrijwilligers werken niet meer zoals vroeger. De nieuwe vrijwilligers werken graag op projectbasis; korte projecten, duidelijke doelen en beperking in de tijd. Het NME-veld lijkt hier onvoldoende op ingericht. Het zal veel capaciteit en geld kosten om die omslag te maken. Zijn er mogelijkheden binnen het programma om hier aandacht en geld aan te besteden? Dat lijkt mijn fractie van belang omdat de grote inzet van vrijwilligers nog veel meer geld scheelt.

Er is een motie ingediend om de Regeling draagvlak natuur te behouden. In 2009 wordt de regeling voor het komend jaar, 2010, alweer opengesteld. Ook daarna houden wij de regeling.

De voorzitter: Het woord is aan de heer Van der Vlies van de SGP-fractie.

De heer Van der Vlies (SGP): Voorzitter. In deze maand promoveert er iemand aan de universiteit van Utrecht op het verband tussen een groene leefomgeving en gezondheid. Dat verband blijkt er te zijn. Een groene leefomgeving is goed voor iedereen, maar is niet voor iedereen vanzelfsprekend. Je zult maar in een stad wonen en ver weg zijn van die groene omgeving. Kennismaking met die leefomgeving moet op jonge leeftijd beginnen en zodanig zijn dat het beklijft. Het moet niet al te incidenteel zijn maar echt iets doen, een toegevoegde waarde hebben, voor de belangstelling en de attitude ten aanzien van natuur, milieu en landschap. Mijn fractie is daarom blij met het uitvoeringskader en het werkprogramma dat daaraan verbonden is. Over de accenten daarin heb ik nog wel enkele vragen te stellen. Het uitvoeringskader richt zich op de regiegroep, een ambtelijk voorbereidingsplatform en het programmabureau NME, SenterNovem. Waar zit precies de betrokkenheid van de lokale gemeenten? Zou die niet een zwaarder accent moeten krijgen? Kunnen wij niet de provinciale programma’s versterken? Het schaalniveau waarop die plaatsvinden, spreekt mijn fractie aan.

De financiële bijdrage van de lagere overheden is belangrijk voor de continuïteit van de programma’s. Die bijdragen krijgen steeds meer een incidenteel in plaats van structureel en constant karakter. Zouden er bindende afspraken gemaakt kunnen of moeten worden over het structureel financieren van NME-activiteiten, bijvoorbeeld in het kader van provinciale programma’s?

Over de vrijwilligers en de betrokkenheid van vrijwilligers, waar de zaak mee staat of valt, heeft collega Cramer al gesproken. Mijn vraag is klip en klaar of er nog mogelijkheden onderzocht en gevonden zijn om vrijwilligers te faciliteren.

Ik stel graag een vraag over de subsidieregeling maatschappelijke organisaties en milieu. Klopt het dat maatschappelijke organisaties die door het aanbieden van producten en diensten een deel van de inkomsten uit de markt willen halen niet meer in aanmerking komen voor deze subsidieregeling omdat zij in Europeesrechtelijke zin als onderneming aangemerkt worden? Dat zou onwenselijk zijn omdat deze organisaties juist van rijkswege gestimuleerd zijn om marktfinanciering binnen te halen. Ik hoor hierop graag een helder antwoord want het betreft de haalbaarheid en de toegankelijkheid van de subsidieregeling.

Aan de monitoring en evaluatie moet vormgegeven worden. Wanneer gebeurt dat en wie is daarvoor verantwoordelijk?

In de kerndoelen voor het basisonderwijs is een standaardplek ingeruimd voor het NME; kinderen moeten de natuur in. Het is echter aan de scholen om daar invulling aan te geven. Hoewel de scholen die ruimte absoluut moeten houden, lijkt de belangstelling ervoor af te nemen. Zou hieraan in de Pabo’s niet meer aandacht moeten worden besteed? Is de minister bereid om dit punt met haar collega van OCW te bespreken?

In het advies Groen opgroeien van de Raad voor het Landelijk Gebied staat de aanbeveling om elk kind kennis te laten maken met een school-/werktuin en daarvoor allianties aan te gaan met volkstuinders met name in nieuwe groeikernen. Dat spreekt mij aan. Wat gaat de minister daarmee doen?

In het rondetafelgesprek is het natuuronderwijs aan leerlingen met een verstandelijke beperking opgevoerd als knelpunt. Gelet op de kenmerken van deze doelgroep is dat jammer. Ziet de minister in het zoeken naar verbeteringen een rol weggelegd voor de regiegroep?

De voorzitter: Het woord is aan de heer Biskop van de CDA-fractie.

De heer Biskop (CDA): Voorzitter. De CDA-fractie heeft met belangstelling kennis genomen van het uitvoeringskader en het werkplan. De termen «arrangementen», «regiegroep» en «programmabureau» doen bijna vergeten dat het uiteindelijk gaat om het dichterbij brengen van burgers bij de natuur zodat de aanwezigheid van groente en fruit in supermarkten minder vanzelfsprekend is en helder is dat de melk niet uit de fabriek komt maar dat daar ook nog een koe aan te pas komt. Het belang van NME wordt met het werkplan en het uitvoeringskader nog eens onderstreept. De minister heeft zelf gezegd dat er niet al te veel regels moeten komen en dat er niet al te veel van bovenaf mag worden opgelegd. De vraag is of gemeenten dan wel voldoende aan hun trekken komen. Wordt het uitvoeringskader dan wel echt effectief? Raken wij niet te veel weg van NME als een gewoon onderdeel van opvoeding en educatie?

De opmerkingen over vrijwilligers zijn net ook al gemaakt. Ik vestig daarbij in het bijzonder nog de aandacht op organisaties zoals Scouting Nederland die vanuit hun reguliere activiteiten allerlei dingen doen maar die daar juist de natuur erg bij betrekken. Kan de minister aangeven hoe zij tegen scouting aankijkt in het kader van natuur- en milieueducatie?

Bij de vorige bespreking van de NME-nota heb ik een motie ingediend over de verwerking van de resultaten van de Beneluxwerkconferenties en het uitvoeringskader. Daarbij heb ik verwezen naar een toen nog te houden conferentie, afgelopen november. Nu vind ik in de stukken wel een verwijzing naar die conferentie met daarbij de opmerking dat de motie daarmee is uitgevoerd, maar dat was niet de bedoeling. De bedoeling was, en is nog steeds, om met die verschillende conferenties iets te doen in de praktijk. Wat leren wij nou van onze collega’s in België en Luxemburg? Hoe gaan zij om met natuur- en milieueducatie? Hoe kan de aandacht voor grensoverschrijdende natuurgebieden worden verbeterd? Juist door in de praktijk bezig te zijn, kunnen kinderen leren dat natuur- en milieueducatie niet iets is van een schooltuintje of een milieueducatief centrum maar dat die de grens overgaat. Zo leren zij dat wij met elkaar rekening moeten houden.

Over kinderen met een verstandelijke beperking is door mijn collega Van der Vlies net al wat gezegd. Overigens zijn er ook opmerkingen gemaakt over de doelgroep nul- tot vierjarigen. Wordt er ook voor die groep nog een gerichte taak of een gericht arrangement ontwikkeld?

Wij zijn al eerder ingegaan op de interdepartementale aanpak. De CDA-fractie vraagt zich af wat de rol van het ministerie van OCW precies is. Voor dat ministerie is een grote rol weggelegd, maar de inzet blijft achter. Gaat het meebetalen en stimuleren dat scholen ermee aan de slag gaan? Mijn fractie ziet graag een goede inbedding. Er is net gerefereerd aan de kerndoelen, maar aan de kerndoelen alleen heb je op zich niets. In het plan staat dat OCW zichzelf bij de NME vooral een passieve rol toekent. Lukt het de minister niet om daarover met haar collega’s zaken te doen?

Behalve in de NME speelt educatie bij LNV op tal van andere terreinen een rol. Hoe worden zaken aan elkaar gekoppeld? Ik denk bijvoorbeeld aan de kassenklas waar de minister zelf ook nog bij aanwezig is geweest. Er zijn allerlei activiteiten van ondernemers met scholen. Zij zijn vooral educatief bezig. Kunnen wij die ontwikkelingen ook gebruiken in het kader van NME? Zijn de groepen vrijwilligers op die projecten ook beschikbaar om iets met natuur- en milieueducatie te doen?

De voorzitter: Het woord is aan mevrouw Jacobi namens de PvdA-fractie.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Voorzitter. De brief van de minister is een uitwerking van de motie-Cramer c.s, die door mij en mevrouw Snijder is meeondertekend, over een uitvoeringskader. Ik dank haar daarvoor. De vraag is wel of met het gevraagde uitvoeringskader gerealiseerd wordt dat NME een goed fundament vormt voor de transitieontwikkeling van duurzaamheid. Naar mijn mening is die relatie nog flinterdun. Ik vraag de minister om te reageren op de vraag in hoeverre dit bijdraagt aan het transitieproces en de duurzaamheid voor de toekomst.

Er wordt veel georganiseerd. De vorige keer hebben wij er al over gesproken dat slechts 6% van de gereserveerde middelen voor NME uitgegeven mag worden aan monitoren, vergaderen, kortom aan overhead. De minister heeft niet expliciet aangegeven dat dat gebeurt. Mijn vraag is hoeveel procent het nu is. Het lijkt veel hoger te zijn dan 6%. Er zit veel drukte omheen.

De vorige keer heeft de PvdA-fractie zich samen met de SP-fractie sterk gemaakt voor een wat rustigere financiering. Voorkomen moet worden dat allerlei organisaties die een goede bijdrage leveren aan NME van de provincie naar een speciaal fonds naar LNV en weer terug worden gestuurd. Ik doe het verzoek om aan te sturen op één loket waar men zich kan melden en waar zicht op is. De minister heeft daar eigenlijk niets over gezegd. Zij heeft echter wel gesproken over de motie-Biskop en de internationale dimensie. Ik voel mij dan ook wat tekort gedaan. De minister kan dat vandaag weer goed maken. De vele tussenlagen zijn er volgens mij nog niet echt uit.

Ik ga graag in op de effectiviteit van natuur- en milieueducatie. In mijn beleving zou het Rijk de kaders moeten stellen. In Engeland schijnen er bijvoorbeeld heel effectieve programma’s te zijn voor natuur en milieu met kaartjes voor kinderen. Dat zou op termijn ook in Nederland een mogelijkheid kunnen zijn. De effectiviteit moet naar mijn mening beter gestuurd worden. Het ministerie moet de kaders strak aangeven. Ik sluit mij aan bij de woorden van de heer Van der Vlies dat er een goede verdeelsleutel moet zijn. Volgens mij luistert de minister helemaal niet. Straks krijg ik halve antwoorden.

Minister Verburg: Jawel hoor, ik luister.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Op lokaal niveau worden activiteiten georganiseerd en op rijksniveau worden effectiviteit, kaders en visie geregeld. Zo ver zijn wij nog niet. Ik hoor daarom graag wat er hierna nog te verwachten is. Bovendien hoor ik graag dat er nog meer aan effectiviteit gaat gebeuren.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik stel u graag een vraag. De laatste keer dat wij hierover spraken, was de PvdA-staatssecretaris van Onderwijs aanwezig. Ik stelde toen ook de vraag die u nu stelt: wat zijn de kaders, moet het niet geïntegreerder? Haar grappige reactie was dat zij dacht dat ik alleen tevreden zou zijn als het partijprogramma van de Partij voor de Dieren op scholen zou worden onderwezen. Ik ben daar natuurlijk geen tegenstander van, maar mijn vraag werd afgedaan met een verwijzing naar de commissie-Dijsselbloem. Op scholen zouden wij niet meer moeten willen dan taal en rekenen. Ik hoor dat u mijn zorgen deelt. Welke gevolgen verbindt u eraan als de minister niet een stapje harder gaat lopen om echt tot integratie te komen?

Mevrouw Jacobi (PvdA): Nu gaan wij allemaal dingen door elkaar gooien. De Partij voor de Dieren doet dat wel vaker. Het is echter desastreus als het hier gebeurt. Ik vind dat de kaders voor natuur- en milieueducatie landelijk moeten worden gesteld. Ook de effectiviteit van programma’s moet landelijk worden beoordeeld. Op lokaal niveau vindt de toepassing daarvan plaats. Ik heb nog geen woord gezegd over een verplichte opname in het basisonderwijs. Het is van belang dat er in het onderwijs veel aandacht aan wordt besteed. De discussie over het verplicht stellen daarvan en de effectiviteit is echter van een andere aard. Mijn pleidooi voor goede landelijke kaders en een goed beleid verbindt u ten onrechte aan een integraal en verplicht NME in het basisonderwijs, het liefst met het programma van de Partij voor de Dieren. Ik ben het met de staatssecretaris eens dat wij daar niet op uit moeten zijn. Hopelijk heb ik de zaak hiermee duidelijk gemaakt.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): De mensen van de Partij van de Arbeid hebben kennelijk problemen met hun «hoor-oren», citeer ik Loesje maar even. Ik heb niets gezegd over een verplichting of over het integraal doceren van het partijprogramma van de Partij voor de Dieren. Nogmaals, ik zou er geen tegenstander van zijn, maar ik houd er geen pleidooi voor. Mijn vraag is of ik goed begrepen heb dat de PvdA-fractie daadwerkelijk bereid is om te kijken naar de meest effectieve manieren om NME tot een succes te maken? Mag ik uw pleidooi op die manier samenvatten?

Mevrouw Jacobi (PvdA): Dat zeg ik net. U herhaalt mij gewoon.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Prima, dan heb ik u goed begrepen.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Blijkbaar vindt u het nodig om mij te herhalen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik ben geen bij. Ik heb u niet gestoken.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Zo zie ik het ook niet. Ik vind het wel grappig.

De VSB gaat subsidies weghalen voor sport, natuur en milieu. Landelijk krijgen wij 8 mln. minder voor natuur- en milieueducatie. Daarnaast hebben wij een strijd moeten voeren bij de begroting van LNV voor de Regeling draagvlak natuur. Ik wil graag dat die behouden blijft, maar dat zullen wij wel opnieuw moeten bevechten. Kan de minister ingaan op hoe het verder moet als er zoveel geld wegvalt voor natuur- en milieueducatie? Wij zijn daar toch wel redelijk op aangewezen.

Ik ga wat van de hak op de tak, maar dat heeft te maken met de tijd. Mijn laatste opmerking betreft de vrijwilligers. Indachtig het verhaal van effectieve methodes en kaderstellingen op landelijk niveau moeten wij meer en gerichte aandacht laten uitgaan naar welk type modellen er zijn voor vrijwilligerswerk. Welke soort financiering bestaat er? Ik begreep van natuurorganisaties dat er landelijk eigenlijk niet structureel geld beschikbaar is, alleen op projectbasis. Ik vind dat daar meer aandacht voor moet zijn.

De voorzitter: Het woord is aan mevrouw Snijder van de VVD-fractie.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Voorzitter. Ik dank de minister voor haar uitwerking van de nota Kiezen, leren en meedoen. Het beeld van een kind in het gras doet voorkomen dat het om kinderen gaat. Mij bekruipt echter de angst dat het vooral weer om volwassenen gaat, met name om volwassenen die weer heel veel gaan vergaderen. Dat is mijn eerste zorg. De minister begint haar brief met te stellen dat het doel is om te komen tot samenhang in beleid en activiteiten. Ik ben het daar helemaal mee eens. Terwijl ik het verhaal las, bekroop mij echter toch de angst dat het vooral gaat om groepen die steeds zelf het wiel uitvinden. Wat bedoelt de minister met «een uitvoeringsstrategie in arrangementen» en «een aanpak van vooral bestuurlijke en maatschappelijke betrokkenheid»? Er wordt een groot aantal beleidsterreinen genoemd wat die zorg versterkt. Ik tel acht beleidsterreinen, van groen in de stad tot krachtwijken, maatschappelijke stages, watereducatie et cetera. Alles valt eronder. Dat is een heel breed spectrum. Het gaat toch vooral weer om volwassenen terwijl de VVD-fractie juist wil dat er gericht wordt op jongeren en jeugd. Uit onderzoeken blijkt dat natuur van goede invloed is op jongeren. Laat kinderen af en toe spelen en ruiken aan die natuur. Dat brengt rust in hun leventje. Laat kinderen daar vooral wat van meekrijgen. Ik vraag de minister dat ook omdat zij zelf in een kadertje aangeeft dat uit een recente inventarisatie van het ministerie van Verkeer en Waterstaat is gebleken dat er alleen al op het gebied van watereducatie 302 verschillende projecten zijn. Hoe kan daarin gestuurd worden en hoe kan dat nog effectief zijn? Het komt waarschijnlijk allemaal van onderop maar hoe gaat de minister daarmee om? Ik kan niet beoordelen hoe effectief dat allemaal is. De VVD-fractie ging ervan uit dat het vooral gericht zou zijn op kinderen. Op deze manier schieten wij ons doel voorbij.

Ik heb gelezen: Verburg wil scharrelkids in de Vogelaarwijken. Dat spreekt mijn fractie aan. Hoe legt de minister echter die verbinding? Ook bij smaaklessen zou een verbinding met natuur gelegd kunnen worden. Dat spreekt mijn fractie bijzonder aan. Zoals de heer Van der Vlies al zei, kan daarbij de Pabo betrokken worden. De VVD-fractie heeft daar ook in het verleden al aandacht voor gevraagd. Als er niet wat structurelers in de studie wordt neergelegd, dan werkt dat heel simpel door. De VVD-fractie vindt dat de beroepskrachten er niet te veel mee bezig moeten zijn. Bovendien geldt dat als vrijwilligers niet het gevoel hebben dat zij erbij betrokken zijn, zij afhaken. Dan wordt het moeilijk om mee te doen. Vooral in deze tijd is het heel goed om vrijwilligers het gevoel te geven dat zij bij dat hele «natuurgedoe» betrokken zijn. Ik vind «natuureducatie» geen goed woord. Mensen moeten betrokken worden bij de natuur; dat valt niet echt onder «educatie». Ik roep er dus toe op om vooral de vrijwilligers erbij te betrekken. Dan werkt het dubbelop.

Ik hoor graag hoe de minister de cofinanciering ziet. Zij geeft aan dat met cofinanciering een belangrijk signaal wordt gegeven om gezamenlijk de verantwoordelijkheid te nemen, maar waaraan denkt zij daarbij?

De voorzitter: Het woord is aan mevrouw Ouwehand van de Partij voor de Dieren.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Wij hebben het uitvoeringskader van de minister ontvangen. Zij noemt daarin de prioriteiten op haar terrein: biodiversiteit, voeding, gezondheid, klimaat, energie, water en dierenwelzijn. Dat lijken mij prima keuzes. Ik herhaal het pleidooi van de vorige keer. Als wij niet voor een integrale benadering en landelijke sturing kiezen – ik sluit mij dus in zekere zin aan bij de PvdA-fractie hoewel mevrouw Jacobi dat helemaal niet verwacht – dan is het misschien een beetje zonde wat wij aan het doen zijn. Ik herhaal wat citaten van de heer Van Koppen. De beste man is hoogleraar natuur- en milieueducatie. Hij heeft ervoor geleerd en hij kan dus wel wat weten. Hij heeft aangegeven dat natuur geen te consumeren product is maar een collectief goed met een waarde op zichzelf. Het gebrek aan dierenwelzijn in de bio-industrie lijkt onbehaaglijk te knagen aan ons geweten. Slechts een minderheid zet dat echter om in ander koopgedrag. Dat moet de minister toch aanspreken. Zij krabt zich achter de oren hoe het toch kan dat burgers willen dat dieren een beter leven hebben maar dat consumenten daar kennelijk niet gemakkelijk toe te verleiden zijn. Dat komt omdat natuurbeleving heel gemakkelijk geïsoleerd en op zichzelf staand kan plaatsvinden volgens hoogleraar Van Koppen. Het is niet zomaar een pad naar duurzame consumptie. Om die koppeling te leggen, is het nodig dat natuurbeleving verbonden wordt aan een bredere context; aan onze eigen consumptiepraktijken, aan problemen van sociale rechtvaardigheid en aan arrangementen van beleid en markt. Het lijkt mij een prima ideëel gedachtegoed om aan die prioriteiten van de minister handen en voeten te geven.

Zeker gezien het feit dat leerlingen gemiddeld één keer per jaar ermee te maken krijgen en het op latere leeftijd veel moeilijker is om dit bewustzijn te creëren dan wel terug te krijgen, is er ook kostentechnisch nog wel wat voor te zeggen. Zo plat wil ik het eigenlijk niet brengen, maar misschien moet het toch gezegd worden. Op kosten van campagnes als die van het Voedingscentrum «Jij kan kiezen» en «Een beter milieu begint bij jezelf» kunnen we wellicht besparen als wij gewoon goed starten. Er worden op verschillende plekken initiatieven ontplooid. Iedereen probeert het wiel zelf uit te vinden. Verschillende onderdelen moeten gewoon goed op elkaar aansluiten. Ik hoor graag een reactie van de minister daarop. Leerlingen en jongeren krijgen iedere keer een hapje informatie en het is aan ons om alle hapjes samen tot een gezonde en verantwoorde maaltijd te maken.

Ik kom op een van de lopende discussiepunten tussen mij en de minister: de kinderboerderijen. De minister heeft eerder aangegeven dat kinderboerderijen een educatieve waarde hebben. Zij schaart die onder natuur- en milieueducatie. In een eerder overleg heb ik haar gezegd dat op kinderboerderijen niet het goede voorbeeld wordt gegeven van hoe je met dieren om moet gaan. De minister zei: dat houden wij in de gaten, de gezondheids- en welzijnswet is van toepassing en het LICG. Als er wat mis mocht gaan, dan hoor ik daar graag concrete voorbeelden van. Ik heb niet stilgezeten en een rondje gemaakt langs verschillende kinderboerderijen. Ik ben langs gegaan bij het praktijkopleidingscentrum in Barneveld waar mensen die op een kinderboerderij willen gaan werken een praktijkopleiding kunnen volgen. Het LICG geeft aan dat konijnen als sociale dieren niet in hun eentje moeten worden gehuisvest. De praktijk van alledag op de kinderboerderijen is echter heel anders. Ik kan de minister een lijstje geven van kinderboerderijen waar dat niet goed gaat. Zij kan daar zelf naar gaan kijken. Ik heb gesprekken gevoerd met de medewerkers op die kinderboerderijen. Daaruit blijkt dat de wil er wel is. De minister denkt steeds dat als ik zeg dat het niet goed gaat, ik die mensen ook beschuldig van van alles. De wil is er om het goed te doen voor die dieren. Men weet echter niet hoe. Verschillende gemeenteambtenaren vragen zich af waar zij aan goede informatie kunnen komen en wie hen vertelt hoe groot de hokken moeten zijn. Wij kunnen hen niet laten aanmodderen. Het LICG weet hoe het moet met die dieren. Laten wij daar een vertaling van maken en ervoor zorgen dat de praktijkvoorbeelden op de kinderboerderijen goed worden uitgevoerd.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Ik ben verheugd over het eerste deel van uw inbreng, maar bij uw verhaal over de kinderboerderijen vraag ik mij af op welk niveau Den Haag de zaken volgens u moet regelen. Ik heb het idee dat het zo wel heel gedetailleerd wordt.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Als ik zie dat de besluiten die wij hier in Den Haag nemen doorspekt zijn van goede bedoelingen en mooie, groene en duurzame etiketten en mooie siervormen voor de zittende politiek terwijl er in de dagelijkse praktijk niets van terecht komt, dan wil ik daar op detailniveau met de minister over spreken. Ik heb het voorbeeld van de kinderboerderijen vorige keer al aangehaald, omdat de minister zelf zegt dat mensen daar kunnen zien hoe met dieren om moet worden gegaan. Als dat daar niet goed wordt getoond – mensen zijn visueel ingesteld en kijken liever op een kinderboerderij hoe het moet dan dat zij op internet een folder lezen – dan wordt een grote kans gemist. Als u zich stoort aan het detailniveau, dan kan ik nog wel wat debatjes van de Partij van de Arbeid aanzwengelen.

De voorzitter: Laten wij dat later maar uitwisselen. Het woord is aan de heer Polderman van de SP-fractie.

De heer Polderman (SP): Voorzitter. Wat moet ik er na de inbreng van de voorgaande zes sprekers nog aan toevoegen? Ik kan mij aansluiten bij het algemene gevoel dat er toch vooral veel op papier staat. Dat is toch eigenlijk precies het probleem dat wij hebben met het uitvoeringskader. Het is vooral tekentafelwerk. De sector heeft behoefte aan meer structureel geld voor de praktische uitvoering, dus geld dat wordt uitgekeerd over meerdere jaren. Om die reden hebben mevrouw Jacobi en de SP-fractie een motie ingediend voor rustige meerjarige financiering; dat is wat er nog aan ontbreekt. Misschien kan ik het beter in de marktideologie vertellen: het gaat om investeringszekerheid. Het kabinet snapt wel dat kolen- en afvalcentrales die zekerheid van investeringen moet hebben, maar begrijpt dat niet van de werkers in de NME-sector. Over dit probleem hebben wij de vorige keer gesproken en eigenlijk ligt dat er nog steeds. NME-ers zijn nu vaak de helft van hun tijd kwijt met het invullen van formulieren en het schrijven van aanvragen. Dat is zonde van de tijd en zonde van de energie. Misschien begrijpt de minister het beter als ik het naar termen vertaal die zij ook altijd gebruikt: de administratieve lastendruk moet worden weggenomen. De motie die wij hebben ingediend, ging over investeringszekerheid en het wegnemen van lastendruk. Misschien begrijpt de minister het beter als ik het zo zeg.

In het uitvoeringskader heeft de minister het over de reële verhouding tussen uitvoering en overhead. Als ik er nu naar kijk, dan betreft het hele uitvoeringskader vooral het organiseren, het bureaucratiseren. Het gaat niet over de uitvoering.

Net als andere sprekers, maakt mijn fractie zich zorgen over het wegvallen van de VSB-subsidie. Dat is een behoorlijk fonds en het geld daaruit werd goed besteed. Bij de begroting hebben wij al gediscussieerd over het wegvallen van de Draagvlak natuurregeling. Het voor langere termijn veilig stellen van dat soort gelden baart ernstige zorgen. De NME-werkers zijn niet geholpen met één loket bij SenterNovem.

Een bedrag van 5 mln. voor het gehele land is natuurlijk maar een schijntje. Vanaf 2012 is het dan ook nog niet verzekerd. De continuïteit na de tweede helft van 2011 is dus ver te zoeken. Kan de minister de schamele bedragen in verhouding zetten tot de maatregelen die zij neemt voor het bevorderen van het naleefgedrag voor natuur en milieu?

Consumentenmacht is een belangrijke drijfveer om op te sturen. Eigenlijk zou daar in educatie meer op ingezet moeten worden. Vanuit dat oogpunt moet aan de consument worden uitgelegd, en dat kan alleen via educatie, dat de macht richting vervuilers in de wereld anders zou moeten. Dat zou gestimuleerd moeten worden, in aansluiting op het speerpunt van duurzaamheid dat het kabinet tot nu toe steeds heeft genoemd. Ik hoop dat bij de heropening van de onderhandelingen van dit kabinet die duurzaamheid niet weggepoetst wordt want dan zullen wij nog veel meer aan educatie moeten doen om dat weer een keer goed te krijgen.

Die essentie en urgentie komen naar mijn idee onvoldoende naar voren in dit uitvoeringskader. Het betreft onder meer de uitvoering van de motie waarin gevraagd is om de gemeentes te helpen zodat het geld dat daarheen wordt gestuurd ook daadwerkelijk veilig wordt gesteld. De minister schrijft dat zij dat gaat agenderen voor een volgend overleg. Dat schiet natuurlijk niet op. Ik vind de uitvoering van de motie die daar om gevraagd heeft buitengewoon mager.

In de opmerkingen, voetnoot 2, van het Uitvoeringskader staat dat er 302 waterpakketten zijn. Dat is toch eigenlijk het gevolg van jarenlang wanbeleid? Dezelfde ambtenaren die het Uitvoeringskader hebben geschreven, trokken jarenlang het land door met de kreet «laat duizend bloemen bloeien». De minister mag daar dus niet over klagen. Het moet altijd weer vernieuwend zijn wat uiteindelijk dodelijk is voor het proces. Er moeten allochtonen bij betrokken worden dus dan komen er projecten voor allochtonen. Er moet ICT bij betrokken worden dus dan worden bestaande projecten omgetoverd tot ICT-projecten. Als het klimaat in de mode is, dan moet alles weer omgetoverd worden naar klimaatprojecten. Er is heel veel kennis aanwezig. Met het voldoen aan de tendens van vernieuwing en aansluiting wordt de sector niet vrolijk.

Ik sluit ten slotte aan bij een opmerking die de heer Van der Vlies heeft gemaakt over het veldwerk van Nederland. De tendens was dat mensen moeten professionaliseren; het moet marktgeoriënteerd worden. Als dat gebeurt, komen mensen echter niet meer in aanmerking voor subsidie. Ik sluit mij aan bij de vragen die de heer Van der Vlies daarover gesteld heeft want gekker kan het eigenlijk niet worden.

Antwoord van de minister

Minister Verburg: Voorzitter. Ik dank de leden van de Tweede Kamer voor hun inbreng in eerste termijn. Ik merk dat de belangstelling voor natuur- en milieueducatie groot is en dat het belang daarvan door de Kamer wordt onderschreven. De regering vindt dat belang ook heel groot. Om die reden hebben wij nog niet zo lang geleden hierover van gedachten gewisseld. De Kamer heeft toen gezegd: minister, laat eens zien hoe u het allemaal gaat uitvoeren. De lijn van de nota, namelijk het vraaggericht opereren, het inspelen op en het mogelijk maken van zoveel mogelijk vraaggestuurde activiteiten is iets dat als een groene ader door de nota en het voorstel voor natuur- en milieueducatie loopt. Zo moet het ook. Uit de natuur- en milieueducatienota blijkt ook dat wij vanuit Den Haag niet steeds opnieuw het wiel moeten uitvinden. De heer Polderman heeft ook gezegd: de ene keer is het dit en de andere keer weer dat. Natuur- en milieueducatie heeft inderdaad veel kleuren en smaken. Daar zijn ook vaak veel vrijwilligers bij betrokken die met hart en ziel werken aan het betrekken van jongeren bij de natuur.

Mevrouw Ouwehand en mevrouw Jacobi hebben nog eens onderstreept hoe belangrijk het is om natuur- en milieueducatie te geven en jongeren bekend te maken met de natuur. Ik ben er zelf ook diep van overtuigd dat wij moeten investeren in jeugd en jongeren en dat wij hen kennis moeten laten maken met de natuur. Zij moeten de niet-materiële waarde van die natuur leren kennen, de beleving. Dat is essentieel. Als je daar tijd voor hebt, dan leer je dat zien en dan leer je om daarvan te genieten. Op het moment dat je van natuur kan genieten, ga je natuur ook waarderen. Als iemand natuur- en milieu waardeert, gaat hij er ook met respect mee om. Dat is buitengewoon wezenlijk op jeugdige leeftijd. Er is echter nog iets. Ik denk dat het ook goed is om jongeren bekend te maken met zowel de te genieten kant van de natuur als hetgeen een risico kan zijn in de natuur. Het gaat dan om hoe het weer zich kan gedragen en of een bodem al dan niet veilig is. In Nederland lijkt het allemaal tamelijk veilig maar er is meer natuur dan alleen de Nederlandse. Het lijkt mij goed om jongeren bekend en vertrouwd te maken met de eigenaardigheden en eigenheden van de natuur, zodat jongeren wanneer zij op de leeftijd komen dat zij het voor het zeggen krijgen, op een verantwoorde manier omgaan met de natuur.

De vraag is hoe daarmee wordt omgegaan in het uitvoeringsprogramma. Ik benadruk dat in het uitvoeringsprogramma geprobeerd is om niet alles vanuit Den Haag gedetailleerd voor te schrijven. De meeste Kamerleden hebben ook gezegd: bepaal niet alles vanuit Den Haag. Mevrouw Ouwehand heeft daar wat andere opmerkingen over en ik kom daar straks nog op terug. Wij willen inzoomen en inspelen op bestaande initiatieven door waar nodig de voorwaarden te scheppen en verbindingen aan te brengen; «vraaggericht» en «arrangementen» zijn de sleutelwoorden waarmee wij werken en waarmee de regiegroep werkt. Bij die regiegroep zijn gemeenten, provincies en andere departementen betrokken. Daar zijn echter ook andere natuur- en milieueducatieorganisaties bij betrokken. Alle organisaties die er iets mee te maken hebben, zitten dus in die regiegroep. Die regiegroep doet het werk zo smal mogelijk. Mevrouw Jacobi heeft gevraagd of de verdeling klopt; zij wil niet meer dan 6% aan uitvoeringskosten, zoveel mogelijk inzetten op gerichte activiteiten en het geld laten komen waar het moet komen. Ik kan daar bevestigend op reageren. Er wordt gestuurd op niet meer dan 5% uitvoeringskosten – niet meer dan 5% bureaucratie, zo zeg ik tegen de heer Polderman – en 95% toebedelen aan projecten waar het geld tot zijn recht komt en waar het leidt tot hetgeen wij allemaal beogen en belangrijk vinden.

Mevrouw Jacobi heeft ook gevraagd naar de combinatie en coördinatie tussen natuur- en milieueducatie en leren voor duurzame ontwikkeling. Die combinatie is er, want waarom zou men langs elkaar heen werken? Mevrouw Jacobi pleit voor één loket. Dat is ook onze overtuiging. Hoe kan men samenwerken en van elkaar leren? Die samenwerking is er dus al, zij het dat in natuur- en milieueducatie de focus ligt op de inhoud van natuur- en milieu, de ecologische basis. Het leren voor duurzame ontwikkeling voegt daaraan de afweging tussen ecologie, economie en sociale vraagstukken toe. Het een ligt in het verlengde van het ander en wij stemmen dat ook heel zorgvuldig op elkaar af.

In Nederland is er een veelvoud aan initiatieven en arrangementen. Er zijn kinderboerderijen, schooltuinen, natuur- en milieueducatiecentra, bezoekerscentra en leskisten. Er zijn inderdaad 302 leskisten voor water; dat is een beetje veel. Via het uitvoeringsprogramma proberen wij dat te voorkomen. Al die leskisten zijn met de beste bedoelingen ontwikkeld. Daar zitten echter allemaal ontwikkelingskosten aan vast en kostbare tijd van vrijwilligers. Wij zeggen: kom op met je informatie zodat er één leskist kan worden ontwikkeld waar andere organisaties gebruik van kunnen maken. Dat werkt frustratie tegen. Ik heb niet voor niets dat onderwerp genoemd. De regiegroep, en de onderliggende uitvoeringsorganisatie, is aan het makelen zodat niet elke gemeente en elke provincie zelf het wiel uitvindt en daar subsidie voor aanvraagt, maar de een van de ander kan profiteren. Het boeket aan mogelijkheden kan dan gewoon groter worden.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Hoe wordt die regie dan precies gevoerd? Hoe zorgt de minister ervoor dat wij niet in dezelfde valkuil terecht komen? Zorgt zij voor een bepaald coördinatiepunt? Ik zou mij daar iets bij voor kunnen stellen.

Minister Verburg: Er is een regiegroep die dat soort dingen samenbrengt. Daarnaast wordt er een website gebouwd waarop dat soort initiatieven een plaats krijgt. Die website is nog niet voldragen maar de bedoeling is dat via een intelligent maar eenvoudig systeem van verwijzing mensen op een idee kunnen worden gebracht. Als iemand wil weten of er al leskisten zijn voor water, dan kunnen zij op de term «leskist water» klikken en worden zij verder geïnformeerd. Op dat punt leren wij van Vlaanderen, waarmee ik op het punt kom dat de heer Biskop heeft geopperd. Hij vraagt of die internationale afstemming in de Benelux ergens toe leidt. Het antwoord op die vraag is ja. Vlaanderen en Luxemburg zeggen dat zij iets kunnen leren van ons. Daar zijn wij natuurlijk heel blij mee. Wij hebben gezien dat Vlaanderen een prachtige website heeft en zoiets willen wij ook. Wij doen dat binnen het budget dat daarvoor beschikbaar is. Wij moeten wel het huisje bij het schuurtje houden zodat er zoveel mogelijk naar kinderen en jeugd gaat.

Ik geef ook graag antwoord op een vraag van mevrouw Snijder. Zij zegt dat het uitvoeringsprogramma vooral op volwassenen lijkt te zijn toegesneden. De praktijk leert nu eenmaal dat de begeleiding en het initiatief bij activiteiten vaak in handen ligt van volwassenen. De meeste programma’s en projectenideeën en projecten zijn evenwel geënt op jongeren. Zo hoort dat ook.

De heer Polderman vraagt: wie investeert in wat? Het staat de Kamer natuurlijk altijd vrij om bij een begroting meer geld vrij te maken. De begroting voor dit jaar is echter vastgesteld en daarin staat ook het budget voor dit jaar. Bij elke begroting is er een nieuwe kans. Ik moet het doen uit de lengte of de breedte met een vastgestelde begroting. Ik doe het echter niet alleen daarmee. In de nota Natuur- en milieueducatie staat hoeveel initiatieven er zijn en dat er in Nederland voor 45 mln. wordt ingezet voor natuur- en milieueducatie, door gemeenten, provincies, natuuren milieuorganisaties en de scouting. De scouting is ook een club die een goede bijdrage kan leveren en waarvan jongeren veel kunnen leren in en van de natuur. Dat is prima. Zo zijn er nog heel veel organisaties die spelenderwijs de jeugd bekendmaken met de natuur. De NME-gelden zijn niet bedoeld om iedereen zelf het wiel te laten uitvinden en van bovenaf als zegening te laten neerdalen bij welk initiatief dan ook. Zij zijn bedoeld als potje om arrangementen te regelen, om vraaggericht te werken, om te makelen, om te koppelen en om van elkaar te leren. Soms zit er nog iets bij van ondersteuning en opleiding; dat soort zaken doen wij er ook van. Wij gaan echter niet het wiel opnieuw uitvinden.

Ik kom op de specifieke vragen. De heer Biskop vraagt naar de rol van het ministerie van OCW. De staatssecretaris heeft die rol de vorige keer helder beschreven: het onderwerp staat in de kerndoelen. In het kabinet moet één bewindspersoon verantwoordelijk zijn. Het ministerie van OCW is daarom ook betrokken bij de regie en alle uitvoeringstaken. Het is ook zeer betrokken bij dit hele verhaal.

De heer Van der Vlies vroeg naar NME op de Pabo. Ik verwijs hem graag naar de nota Natuur- en Milieueducatie waarin bij het stimuleringsbudget staat dat er zowel initiatieven zijn in het initieel onderwijs als in de nascholing. Het staat op pagina 33 van de nota. Via het programma Leren voor duurzame ontwikkeling is er al ondersteuning voor het netwerk Duurzame Pabo waarin een aantal Pabo’s en natuur- en milieuorganisaties samenwerken. Ook daar zit het initiatief en ook dat proberen wij te faciliteren zonder van alles en nog wat dubbel te doen.

Er is een vraag gesteld over de betrokkenheid van gemeenten in het uitvoeringskader. Ik heb daarop antwoord gegeven. Tegen de heer Van der Vlies zeg ik dat het natuurlijk helemaal niet uitgesloten is dat een provincie wil bijdragen aan bovengemeentelijke of intergemeentelijke activiteiten. Dat is prima. Hoe meer hoe beter, als het maar in de regiegroep wordt afgestemd zodat provincies niet, met de beste bedoelingen, een leskist zus of een leskist zo ontwikkelen en uitbesteden. Wij proberen dat aan de voorzijde op elkaar af te stemmen zodat in de praktijk zo effectief en vraaggericht mogelijk kan worden geopereerd en zoveel mogelijk mensen, vooral jeugd en jongeren, kunnen worden bereikt.

De heer Van der Vlies (SGP): Wij gaan natuurlijk niet over de provincies. Ik weet hoe het in elkaar zit in bestuurlijk Nederland. Ik wil ook niet in die bevoegdheden treden. Ik constateer echter een verschil tussen provincies. In Zuid-Holland is het echt beduidend beter georganiseerd dan in sommige andere provincies, die ik maar niet benoem, want dan moet ik de bewijslast leveren. Mijn vraag is of de schaalgrootte van de provincies niet meer uitgenut kan worden bijvoorbeeld door als minister een gesprek daarover te voeren met het IPO.

Minister Verburg: U zegt terecht dat provincies daarin een eigen verantwoordelijkheid hebben. Het IPO heeft één vertegenwoordiger in de regiegroep. Ik zal de voorzitter van de regiegroep vragen om dit punt aan de orde te stellen. Ik weet uit betrouwbare bron dat de vertegenwoordiger van de koepel zich ervan bewust is dat er nogal wat verschil is in inzet per provincie. Ik zeg evenwel toe dat ik aan de voorzitter van de regiegroep vraag om dit punt nog eens op de agenda te zetten.

De heer Cramer (ChristenUnie): In het verlengde hiervan maak ik de combinatie met iets waar de minister al op geantwoord heeft. Het ontwikkelen van een leskist wordt gefinancierd, maar de bedoeling ervan is natuurlijk dat deze gebruikt gaat worden. Dat is vaak ook een project, maar daar is dan ineens geen geld voor. Dat is de spanning waar ik op wees: een succesvol project voor het ontwikkelen van een goede leskist moet leiden tot het gebruik van die leskist. Zit voldoende in het programma dat het gebruik van de middelen die worden ontwikkeld in een project, uiteindelijk bij de doelgroep terechtkomt?

Minister Verburg: Het lijkt mij terecht dat de heer Cramer die vraag stelt. Dat neemt niet weg dat het bij het stimuleren van een dergelijk project niet alleen gaat om het ontwikkelen van een leskist. Het is ook verstandig en reëel om je af te vragen wat de doelgroep is, hoe die te bereiken is en wat er met die leskist zal worden gedaan. Die vragen zijn van belang om de leskist samen te stellen en voor de financiën.

Met de Nota Natuur- en Milieu-Educatie beogen wij om projectgericht en vraaggestuurd te werken en op basis van de keuzes te faciliteren. Het is niet de intentie om met de gelden ten behoeve van de Nota Natuur- en Milieu-Educatie een aantal fte’s in stand te houden. Mochten projecten en voorstellen daartoe bijdragen, dan is dat uiteraard meegenomen, maar dat is niet het beoogde doel. Het faciliteren van projecten en het bijeen brengen en uitwerken van ideeën hebben de hoogste prioriteit. In het ene geval zullen de ideeën door professionals worden uitgewerkt en in het andere geval door vrijwilligers.

De heer Cramer (ChristenUnie): De minister stelt duidelijk en naar mijn idee terecht dat het belangrijk is om in de projectaanvraag te vermelden wat de doelstelling is. Het product moet echter niet alleen worden ontwikkeld, maar dat dient ook te worden gebruikt. Als het product succesvol blijkt, hoe stimuleren wij dan het gebruik daarvan? Dat is immers het vervolg.

Minister Verburg: Ik kan mij niet voorstellen dat mensen het ontwikkelen van een leskist als hoogste doel stellen. Ik vermoed dat men, voordat de projectaanvraag wordt gedaan, nadenkt over de doelgroep, de wijze waarop die bereikt moet worden, het budget, verantwoordelijken enz. Er zit dus een programma achter. Als er in Hoogeveen een leskist is ontwikkeld en daarmee ervaringen zijn opgedaan, ziet de regiegroep het als een uitdaging om die kist op de website te plaatsen. Mocht men bijvoorbeeld in Venray interesse hebben en zich afvragen wat er van anderen is te leren en over te nemen, dan kan men die website vinden door de term «NME» in te typen en Google te laten zoeken. Vervolgens kan men in Venray een project beginnen. Er zijn goede praktijkvoorbeelden van dynamische projecten waaraan enthousiast wordt gewerkt en waarbij veel mensen betrokken zijn. Van die projecten worden vaak foto’s afgebeeld waarop genietende kinderen te zien zijn met vuile broeken, vieze schoenen en rode konen. Nadat zij van de natuur hebben genoten, is er geen televisie of internet meer. Zij komen thuis, drinken een glas limonade en gaan naar bed.

De VSB kondigde vandaag aan dat er minder geld beschikbaar komt voor natuur. Dat zou tot gevolg kunnen hebben dat er ook minder geld komt voor NME-activiteiten. Ik heb daarover alleen een bericht in de krant gelezen en daarvan dus geen specificatie gezien. Eerlijk gezegd, vind ik dat de VSB goed handelt. Het is weliswaar jammer dat zij niet meer voor natuuractiviteiten kiest, maar het zal de commissieleden duidelijk zijn dat het op dit moment niet mogelijk is om alle subsidies en sponsoractiviteiten op te vangen die elders worden beëindigd. Eenieder is ervan overtuigd dat wij alle mogelijkheden moeten benutten – mevrouw Jacobi wees daar terecht op – om sterker uit deze crisis te komen, te bewerkstelligen dat er meer oog is voor vergroening en dat er meer duurzaam wordt gewerkt. Als organisaties genoodzaakt zijn om de broekriem aan te halen, moeten zij ook nadenken over wat zij al dan niet doen en wat zij willen bereiken. Zoals gezegd, respecteer ik de keuze van de VSB. Dat neemt niet weg dat ik het jammer vind dat die is gemaakt. Ik zei immers al dat ik het belangrijk vind dat duurzaamheid en vergroening – er wordt wel eens gesproken over «a new grean deal»– centraal staan.

Voorzitter: Van der Vlies

Mevrouw Jacobi (PvdA): Ik vroeg de minister of zij een beeld heeft van de effecten van die beslissing.

Minister Verburg: Zoals ik al zei, heb ik het bericht over de VSB vanmorgen in de krant gelezen. Ik weet echt niet hoe het precies zit.

De heer Cramer en mevrouw Jacobi hebben opmerkingen gemaakt over de Regeling draagvlak natuur. Daarover zijn moties aangenomen, dus daarop komen wij op een ander moment terug.

De heren van der Vlies en Polderman vroegen of subsidie van het ministerie van VROM op grond van de Subsidieregeling maatschappelijke organisaties en milieu (SMOM) aan een NME-organisatie wordt geweigerd, omdat toekenning daarvan op die grond volgens de Europese richtlijn niet correct zou zijn. Ik heb begrepen dat er een bezwaarprocedure loopt en dat de hoorzitting morgen wordt gehouden. Uiteraard kan ik hangende deze procedure niets over deze kwestie zeggen. Dat neemt niet weg dat wij er alles aan doen om ervoor te zorgen dat de SMOM – het is op zichzelf een goede regeling – zo effectief mogelijk wordt ingezet.

Mevrouw Jacobi sprak over één loket en «rustige financiering». Wij werken eraan om tot één informatieloket te komen. Ik begrijp echter niet wat zij met «rustige financiering» bedoelt. De regiegroep speelt zo veel mogelijk in op het samenbrengen en creëren van arrangementen. Mocht mevrouw Jacobi met «rustige financiering» iets anders bedoelen, dan verneem ik dat graag in tweede termijn.

Mevrouw Jacobi vroeg in hoeverre NME kan bijdragen aan een transitieproces met het oog op een duurzame toekomst. Daarover heb ik al het nodige gezegd. Wij sturen met het oog daarop. De regiegroep is heel gemotiveerd. Hij is zich ervan bewust dat het heel belangrijk is dat jongeren leren om te kijken, te luisteren, te proeven en te voelen. Vervolgens is het van belang dat zij leren om te genieten en om respect te hebben voor de natuur. Daarna kunnen die jongeren misschien hun steentje bijdragen aan natuuronderhoud en duurzame ontwikkeling. Vaak blijkt namelijk dat mensen die de natuur waarderen en respecteren, duurzamer denken en handelen.

De heer Biskop sprak over de klaskas. De bedoeling is dat tuinders de klas in de kas halen, of dat scholen zelf het initiatief nemen om naar een tuinder te gaan. Vorig jaar ben ik bij een tuinder geweest die dat initiatief steunt en heb ik gezegd dat ik dat goed vind. Als een tuinder jongeren weet te interesseren, kiezen zij misschien voor een maatschappelijke stage of een beroepsstage in zijn bedrijf. Het is goed om de jeugd te tonen hoe bijvoorbeeld tomaten groeien en dat die in tegenstelling tot aardappelen, geplukt moeten worden. Tomaten hoeven immers niet te worden opgegraven.

De heer Cramer (ChristenUnie): Dat is wel een verschil!

Minister Verburg: Ja, dat is wel een verschil.

De heer Van der Vlies (SGP): Ze zijn wel familie van elkaar.

Minister Verburg: Ja, maar ze smaken anders. Verder is het voor jongeren interessant om te zien hoe paprika’s, druiven enzovoort geteeld worden.

De heer Biskop (CDA): De minister sprak zojuist over maatschappelijke stages en beroepsstages. Dat is uiteraard prachtig. Als kinderen in het regulier voortgezet onderwijs stagelopen, komen zij echter vaak terecht bij professionele organisaties en in het NME-veld zijn veel vrijwilligersorganisaties actief. Het kost vrijwilligersorganisaties veel meer moeite en geld om stageplaatsen te creëren dan een professionele organisatie.

Minister Verburg: De heer Biskop zou eens moeten weten. Menig professioneel stagemakelaar kan een puntje zuigen aan de werkwijze van de vrijwilligers in het NME-veld. Uiteraard zie ik ook veel goede stagemakelaars en -begeleiders in het onderwijs en professionele organisaties, maar in het NME-veld zijn heel veel goede voorbeelden te vinden. Daar wordt gevraagd wat je wensen, je contacten, je drive enzovoort zijn. Daarvoor kan niet genoeg waardering zijn. Het veld ligt open. De sector heeft overigens ook zelf belang bij stagiairs. Kort geleden mocht ik in de land- en tuinbouwsector een inleiding houden over de huidige arbeidsmarkt en die van de toekomst. Op dat moment werd mij duidelijk dat de sector iets zou kunnen doen aan zijn imago. Jongeren hebben namelijk vaak het idee dat personeel in de land- en tuinbouw hard moet werken en dat het niet veel verdient.

De heer Polderman (SP): Is dat dan geen realistisch beeld?

Voorzitter: Atsma.

Minister Verburg: Dat beeld zal hier misschien goed zijn, maar elders niet. Ik vind het belangrijk dat de sector aan zijn imago werkt. Ik heb die mensen dan ook gevraagd om in deze periode, waarin de vraag terugloopt, de positie van de sector op de arbeidsmarkt te versterken. Zij kunnen beginnen met het binnenhalen van jongeren in de kas. Desnoods neemt de jeugd opa en oma mee. Wij kennen activiteiten als «kom op de boerderij» en «kom in de kas». Dat zijn altijd prachtige dagen.

De heer Cramer vroeg naar de betrokkenheid van het werkveld bij het uitvoeringskader. Daarover heb ik gesproken. Zowel provincies als gemeenten en NME-organisaties zijn daarbij betrokken. Hoe meer wij en zij van elkaar kunnen leren, hoe beter dat zal zijn. De regiegroep brengt iedereen en alles samen.

De heer Cramer vroeg om een verklaring voor de hoeveelheid projecten. Wij gaan vraaggericht te werk, maar richten ons op groen, water, energie en energie in relatie tot het klimaat. Het werk vindt zo veel mogelijk plaats in de nabijheid van werkende mensen en in de omgeving van scholen.

De heren Biskop en Van der Vlies vroegen aandacht voor jonge kinderen met een beperking. Tevens vroeg de heer Biskop naar speciale activiteiten voor kinderen van 0 tot 4 jaar. Ik heb al duidelijk gemaakt dat ik van mening ben dat je niet jong genoeg kunt beginnen met het opdoen van ervaringen in en met de natuur. Er zijn reeds goede initiatieven ontplooid waarbij peuterspeelzalen, opleidingen voor kleuterleiders en de koepelorganisatie BoinK betrokken zijn. Tijdens het rondetafelgesprek met maatschappelijke organisaties dat vorige week plaatsvond, hebben de commissieleden over die initiatieven gehoord. Het is de kunst om die losse initiatieven te implementeren en tot een geheel te komen. Als deze gebruikersgroep een concrete vraag voorlegt en er enig perspectief is op doorwerking, is het een goede zaak om ook daarvoor binnen de arrangementenaanpak activiteiten te ontplooien. Het ministerie van LNV heeft aan verschillende initiatieven projectsubsidie gegeven en daardoor zijn netwerken ontstaan. Het is dus ook mogelijk om die doelgroepen te bereiken.

Voor kinderen met een visuele beperking zijn er onder andere projecten op het terrein van natuur en milieu. Denk daarbij aan een geurentuin. Voor kinderen met een lichamelijke beperking zijn rolstoelvriendelijke natuurpaden aangelegd. Verder is er de cursus «de natuur als leerschool» van Fontys Hogescholen, de Stichting Veldwerk Nederland en het Netwerk Duurzame Pabo voor kinderen met leermoeilijkheden. Voor die mensen is het ook mogelijk om een pilot te doen binnen de arrangementenaanpak, mits er een substantiële groep van vragende partijen is te mobiliseren die bereid is om daaraan mee te doen en zich daarvoor in te zetten. Als organisaties daaraan meedoen, moeten wij zien dat een en ander in de praktijk effect heeft.

Een onafhankelijke organisatie zal zich bezighouden met de evaluatie en de monitoring van de Nota Natuur en Milieu-Educatie. Wij gaan na welke bureaus of organisaties dat kunnen doen. Bekend is dat met name de Universiteit van Wageningen op dit terrein veel expertise heeft. Ik laat een indicatorenstelsel opstellen voor het NME-beleid.

Schooltuinen zijn belangrijk om de natuur van dichtbij te beleven. Jongeren zouden ook moeten leren om hun eigen kropje sla en rabarber te verbouwen. Niets is eenvoudiger dan het verbouwen van rabarber. Schooltuintjes komen dus ook aan de orde in het kader van het programma Groen en de Stad.

Mevrouw Ouwehand zei dat kinderboerderijen niet het goede voorbeeld geven. Eerder vroeg ik haar om problemen te melden. Ik herinner mij dat zij zei dat er grote verschillen zijn en dat het Landelijk Informatiecentrum Gezelschapsdieren (LICG) voorlichting kan geven. Graag ontvang ik van mevrouw Ouwehand een lijstje met namen. Dan zal ik nagaan wat ik met het LICG aan de problemen kan doen. Gemeenteambtenaren zouden overigens ook de website van het LICG kunnen bezoeken, maar zij hebben misschien een zetje nodig om dat te doen. Ik zeg nogmaals dat, als mevrouw Ouwehand namen heeft, wij misschien iets voor elkaar en vooral voor de dieren kunnen betekenen.

Mevrouw Ouwehand hield een betoog over professor Van Koppen, waarnaar ik met belangstelling heb geluisterd. Het valt mij op dat mevrouw Ouwehand zijn naam vaker noemt. Hij is dan ook een bijzonder goede wetenschapper. Ik ben het niet oneens met de inleiding van mevrouw Ouwehand, maar dat is voor mij geen aanleiding om het uitvoeringsprogramma te veranderen. Mocht onze aanpak op het terrein van natuur- en milieueducatie er echter toe bijdragen dat jongeren niet alleen als burgers zeggen wat zij graag willen maar dat zij zich daar ook als consument naar gedragen, dan zou dat de slagroom op de taart zijn.

Nadere gedachtewisseling

De heer Polderman (SP): Voorzitter. Ik ben het met de minister eens dat wij niet alles vanuit Den Haag moeten voorschrijven. Dat verlangen wij dan ook niet. Wij moeten concluderen dat alleen gemeenten die het nut inzien van NME, zorgdragen voor de financiering. Dat hebben wij overigens al eerder vastgesteld. De crux is dat het tot nu toe te vrijblijvend is. Met mijn motie heb ik de minister daarom verzocht om met de VNG in overleg te treden met als doel om daarin verandering te brengen. Het is belangrijk om met de lokale overheid bindende afspraken te maken om ervoor te zorgen dat dit soort activiteiten in alle gemeenten wordt ontplooid. Dat zou de enige landelijke bemoeienis moeten zijn. Er is sprake van onduidelijkheid en daardoor van onzekerheid op lokaal niveau. De betrokken organisaties moeten elk jaar afwachten of een gemeentelijke overheid of een provinciale overheid bereid is om door te gaan. Het VSB-fonds valt ook al af. Er gaat veel tijd verloren aan bureaucratische handelingen en er is weinig tijd voor de uitvoering. Wij verzoeken de minister om te garanderen dat er afspraken worden gemaakt. Ondanks dat ik dat in mijn motie heb verwoord, liet de minister dat liggen. Dat vind ik bijzonder jammer, want dat is volgens mij de kern van de zaak.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Ik waardeer de constructieve opstelling van de minister. Ik had mij voorgenomen om in tweede termijn een constructieve bijdrage te leveren, maar zij is mij zelfs een stapje voor. Wat een memorabel moment! Wij vieren dat vandaag.

Mijn ervaring is dat de medewerkers van de kinderboerderijen wel goed werk willen leveren, maar dat zij op zoek zijn naar een goede methode. De een zoekt op internet, de ander neemt een kijkje bij de collega’s en de volgende neemt contact op met de ezelsociëteit, omdat zij nu eenmaal de expert is op het terrein van verzorging van ezels. Als het LICG aan voorlichting doet, ben ik daar blij mee. Desalniettemin is een proactieve benadering volgens mij op zijn plaats. Daarmee kunnen wij voorkomen dat alle mensen die zich bezighouden met kinderboerderijen het wiel uitvinden, terwijl het antwoord er al lang is. Als de minister bereid is om een brief aan alle kinderboerderijen te sturen om de medewerkers ervan bewust te maken dat er hulp beschikbaar is indien daaraan behoefte is, zal ik nog gelukkiger zijn dan misschien al van mijn gezicht is af te lezen. Denk bijvoorbeeld aan hulp bij verbouwingen in de zin van het geven van adviezen over hokken die dan het meest geschikt zijn.

De voorzitter: Het geluk straalt altijd van u af.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Voorzitter. Ik dank de minister voor haar beantwoording. Ik vraag mij af hoe de minister dat ziet: «scharrelkids» in de Vogelaarwijken.

In eerste termijn maakte ik een opmerking over smaaklessen. Zouden die een rol kunnen spelen bij natuureducatie? De minister probeert die smaaklessen in te bedden in het onderwijsprogramma. Het lijkt mij dan ook goed om een en ander te koppelen.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Voorzitter. Hoeveel jongeren doen mee aan NME en wat zijn de doelstellingen daarvan? De minister spreekt over monitoring, maar naar mijn oordeel moeten wij ons afvragen wat het effect is, of er verbetering mogelijk is enzovoort. Als het bereiken van duurzaamheid onze doelstelling is, vind ik het te slap om te spreken over monitoring. Naar mijn idee is het dan belangrijk om SMART-doelstellingen te formuleren.

De minister vroeg mij om uit te leggen wat ik onder «rustige financiering» versta. Dat is een herhaling van zetten. Vorig jaar zeiden wij dat wij willen voorkomen dat er veel niet-gecoördineerde projecten ontstaan. Ik heb de indruk dat de coördinatie wel verbetert, maar pleit ervoor dat mensen op één plaats in de provincie terechtkunnen voor subsidies en ondersteuning. Ik wil dat zij daar terechtkunnen met vragen en alles wat te maken heeft met natuur- en milieueducatie. De motie die door de meerderheid van de Kamer is aangenomen, is met dat doel opgesteld.

De heer Biskop (CDA): Voorzitter. De minister is heel tevreden over de samenwerking met het ministerie van OCW. Dat gun ik haar van harte. Uit de nota maak ik echter op dat het ministerie van OCW een enigszins passieve houding aanneemt. Mocht dat ministerie zich toch regelmatig bij het ministerie van LNV melden met het verzoek om gezamenlijk iets te ondernemen op het terrein van natuur- en milieueducatie, dan zou ik dat toejuichen. Ik hoop dan ook dat dit regelmatig gebeurt.

De minister sprak over een website met geweldige ideeën aan de hand waarvan iedereen zijn eigen zoektocht kan beginnen. Minister Plasterk heeft voor het onderwijs Wikiwijs bedacht. Het zou goed zijn als iemand die op Wikiwijs zoekt naar «NME», meteen goede informatie krijgt. Maar op zijn minst zou er een verwijzing op die site moeten staan naar de nog te bouwen website van deze minister.

De heer Van der Vlies (SGP): Voorzitter. Graag dank ik de minister voor haar beantwoording. Wij zijn het volstrekt eens over het nut van NME. Dat neemt niet weg dat wij op zoek moeten naar een methode om het bereik te verbeteren en dat wij dienen te zorgen voor bestendige indrukken en ideeën. Het is immers van belang dat de ideeën en de indrukken doorwerken in het latere leven. Het moeten dus geen incidentele waarnemingen zijn.

De minister heeft toegezegd dat zij met de vertegenwoordiger van het IPO in de regiegroep zal spreken over de verschillen tussen de provincies. Volgens mij is er wat dat betreft een wereld te winnen: het tegengaan van versnippering, het stimuleren van achterblijvende gemeenten om aan een dergelijk provinciaal programma deel te nemen enzovoort. Ik zie wat dat betreft goede kansen en dank de minister daarom voor haar toezegging.

De minister zei ten aanzien van de SMOM dat er een procedure loopt en dat wij die dus moeten afwachten. Dat is helder, maar ik heb begrepen dat dit zou kunnen stuiten op een Europeesrechtelijke onmogelijkheid. Als blijkt dat dit inderdaad het geval is, moeten wij voor dat probleem een oplossing vinden. Anders wordt een belangrijk deel van het NME-werkveld gefrustreerd. Naar mijn idee kunnen wij dat niet laten gebeuren. Graag wil ik een beleidsreactie zodra die procedure is afgerond.

De heer Cramer (ChristenUnie): Voorzitter. Aan het begin van mijn betoog in eerste termijn sprak ik over de versplintering. Misschien moet ik het positiever brengen en zeggen dat deze NME-inventarisatie duidelijk heeft gemaakt dat er zo veel op dit terrein gebeurt, dat het een overvol actieprogramma is geworden. Er gebeurt dus heel veel en wij zullen een en ander wat meer kanaliseren. Dat dit nu helder is, vind ik klasse. Het is echter wel van belang dat het werkveld daarbij op een goede manier betrokken blijft. Ik heb begrepen dat het geen onderdeel uitmaakt van de regiegroep. Zou het niet verstandig zijn om het werkveld daarvan onderdeel te laten uitmaken? Wat is de rol van SenterNovem? Is er voldoende deskundigheid, of is er nog een organisatie nodig?

Het is goed om van de minister te vernemen dat op 5% à 6% wordt gestuurd. Ik maak mij daarover zorgen, maar zij deed daarover goede, duidelijke uitspraken.

Ik begrijp de woorden van de minister over de projectfinanciering. Zij overtuigde mij daarmee, maar ik vraag mij af hoe de financiering geregeld wordt als de gemeente Venray met behulp van Google inderdaad op dat idee komt. De minister hoeft die vraag niet direct te beantwoorden. Voor het werkveld is het echter wel van belang om op een bepaald moment te weten hoe wij dat kunnen doen.

De vraag of er binnen het NME-veld mogelijkheden zijn om de omslag naar meer projectmatig werken te maken, is niet beantwoord. Kunnen wij daarbij helpen en iets aan financiering doen?

Ik sluit af met een anekdote die betrekking heeft op mij en die het belang van natuur- en milieueducatie duidelijk maakt. Ik ben opgegroeid in de grote stad. Op een gegeven moment verhuisde ik naar Zeewolde. Eén van de boeren daar verzocht mij om een maaltje boontjes van het veld te halen. Dat heb ik gedaan. Althans, ik ben het kavelpad opgelopen, nadat hij mij had uitgelegd wat dat is. Tot mijn verbijstering kon ik geen boontjes vinden. Op een bepaald moment trok ik aan de linkerkant van het kavelpad een plant met aardappelen uit de grond. Die plant herkende ik wel. Ik keek nog even verder, maar kon echt geen boontjes vinden. Vervolgens liep ik terug naar de boer en vroeg ik hem om mij te zeggen waar die planten staan. Hij heeft nog steeds last van astma. Het is hem dus vreselijk slecht bekomen, dat aanbod. Wel moest hij er hartelijk om lachen en ik heb geleerd hoe die planten er uitzien. Met deze anekdote geef ik aan dat het belangrijk is om aan den lijve te ondervinden hoe het zit. Ik vertelde die naar aanleiding van de opmerking van de minister dat tomaten niet onder de grond groeien. Dat klopt! Ik heb dat gemerkt.

De voorzitter: U had op dat moment ook een zeker geluk gevonden, net als mevrouw Ouwehand.

Minister Verburg: Voorzitter. Ik dank de commissieleden voor hun inbreng in tweede termijn.

Tegen de heer Polderman zeg ik dat de VNG via de regiegroep bij deze zaak betrokken is en daarmee alle gemeenten. Elke verstandige gemeente houdt zich hiermee bezig, want die realiseert zich dat dit belangrijk is. Gemeenten voor Duurzame Ontwikkeling is een vereniging voor lokale natuuren milieucommunicatie. Binnen de VNG doet zij actief aan promotie van deze zaak. Daarmee ben ik blij, want dat past in mijn lijn, de lijn die mevrouw Jacobi heeft bepleit en die van de heer Polderman. Ik zeg toe dat ik de voorzitter van de regiegroep – zij zit in de zaal en luistert dus mee – zal verzoeken om de vertegenwoordiger van de VNG op de hoogte te brengen van de zorgen die vandaag door de commissieleden zijn geuit en de aandacht die is gevraagd voor NME in elke gemeente. Na de vergadering van de regiegroep zal ik de commissieleden over de uitkomst informeren.

Ik zal mevrouw Ouwehand nog gelukkiger maken: ik ben niet van plan om alle kinderboerderijen een brief te sturen, want soms benoemen zij zichzelf. Er zijn twee stichtingen, waaronder de Stichting Kinderboerderijen Nederland. Ik zeg toe dat ik beide stichtingen een brief zal schrijven waarin ik betrokkenen wijs op de mogelijkheden die er zijn om kinderboerderijen diervriendelijk in te richten. Een afschrift van die brief zal ik aan de Kamer sturen. Ik zie dat mevrouw Ouwehand stilletjes aan begint te stralen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik wilde alleen non-verbaal tonen dat ik gelukkig ben met die toezegging.

Minister Verburg: Mevrouw Snijder-Hazelhoff sprak over smaaklessen. Zij heeft volstrekt gelijk dat die lessen een heel grote rol spelen. Ik vraag mij af of zij zelf wel eens een dergelijke les heeft gevolgd. Ik mocht dat twee keer doen en vond dat fantastisch. Je leert je tong en je neus opnieuw te ontdekken. Nadat je iets hebt geproefd, word je gevraagd om te beschrijven wat je proeft en ruikt en waar dat vandaan komt. Je doet een soortgelijke ervaring op als de heer Cramer beschreef, al is er dan sprake van andere omstandigheden. Zeker voor een schoolklas zijn smaaklessen een feest. Wij zien dan ook dat die lessen aanslaan. Vorige week mocht ik aanwezig zijn tijdens de duizendste smaakles. Die werd gegeven door onze topkok Pierre Wind. Inmiddels heb ik begrepen dat het aantal aanvragen voor smaaklessen in vergelijking met dat van vorig jaar nagenoeg is verdubbeld. Op basisscholen zijn die lessen enorm populair en men zegt het voort. Van die lessen blijft bij kinderen iets hangen. Dat is ook een belangrijke stap op het terrein van natuur- en milieueducatie die bijdraagt aan bewustwording.

Mevrouw Jacobi maakte nog een opmerking over duurzaamheid en een goede monitoring. Zij vroeg mij om die monitoring vorm te geven volgens de methode SMART. Ik ben bereid om dat te doen en vind het noodzakelijk om de monitoring te richten op de resultaten die worden geboekt.

Mevrouw Jacobi sprak nogmaals over de «rustige financiering» en de een-loketgedachte. Ik heb toegezegd dat ik de commissieleden een brief zal sturen met de reactie van het IPO en de VNG. Ik weet niet of er voor elke provincie aanleiding is voor een loket en evenmin of daaraan behoefte is. Ons is dat verzoek niet gedaan, maar daarover zal ik spreken met de voorzitter van de regiegroep. Ook die uitkomst zal ik terugkoppelen.

Het lijkt mij een enorme uitdaging om op de website Wikiwijs een prominente verwijzing te plaatsen naar de website die betrekking heeft op natuur- en milieueducatie. Wij zullen proberen om dat te doen.

Uiteraard ben ik bereid om de minister van VROM te verzoeken, de Kamer te informeren over de SMOM zodra de rechtelijke procedure is afgerond en er dus een uitspraak is.

De heer Cramer heeft gelijk dat het werkveld niet vertegenwoordigd is in de regiegroep. Daartoe is echter geen concreet verzoek gedaan. Er is sprake van een breed, versnipperd werkveld. De vraag is dus op welke wijze dat is te realiseren.

De heer Cramer (ChristenUnie): Staat de minister er welwillend tegenover als dat verzoek komt en het werkveld het zojuist geschetste probleem heeft opgelost?

Minister Verburg: Ja.

De heer Cramer maakte een opmerking over SenterNovem en de sturing op financiering van 5% à 6%. Wij zullen dat zien.

Vervolgens vroeg de heer Cramer hoe het gaat als Venray graag de leskist van Hoogeveen wil benutten. Ik heb reeds eerder gezegd dat wij 5 mln. beschikbaar hebben, dat dit een mooi bedrag is, maar dat er in totaal zelfs 45 mln. van gemeentes zelf op de plank ligt. De meeste gemeenten trekken geld uit voor natuur- en milieueducatie. Ik kan mij dan ook voorstellen dat die enthousiasteling in Venray denkt dat datgene wat in Hoogeveen mogelijk is, ook of zelfs beter in Venray is te realiseren. Hij zal vervolgens naar de gemeente gaan en vragen of daarvoor geld beschikbaar is en of zij daaraan wil meewerken. Mocht dat niet het geval zijn, dan zal diegene zeggen dat men met een initiatief komt bij de volgende begrotingsbehandeling. In de praktijk blijkt dat men het voortzegt.

Ik heb met veel belangstelling kennis genomen van de ervaring en de beleving van de heer Cramer. Daarmee onderstreept hij dat het belangrijk is om jongeren kennis te laten maken met de natuur en het milieu.

De voorzitter: Ik stel vast dat de minister een groot aantal vragen van de leden heeft beantwoord. Naar mijn idee bestaat er consensus en zal er niet meteen een vervolgoverleg plaatsvinden. De minister heeft onder andere toegezegd dat zij een brief zal sturen aan de koepels van kinderboerderijen. Verder zal zij de minister van VROM aansporen om de Kamer te rapporteren over de SMOM, zodra de rechtelijke procedure is afgerond.

De voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

Atsma

De voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Bochove

De voorzitter van de vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Koopmans

De voorzitter van de vaste commissie voor Verkeer en Waterstaat,

Jager

De griffier van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

Dortmans


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), ondervoorzitter, Schreijer-Pierik (CDA), Atsma (CDA), voorzitter, Poppe (SP), Waalkens (PvdA), Snijder-Hazelhoff (VVD), Jager (CDA), Ormel (CDA), Koopmans (CDA), Van der Ham (D66), Van Velzen (SP), Samsom (PvdA), Van Dijken (PvdA), Neppérus (VVD), Jansen (SP), Jacobi (PvdA), Cramer (ChristenUnie), Koppejan (CDA), Graus (PVV), Vermeij (PvdA), Zijlstra (VVD), Thieme (PvdD), Dibi (GroenLinks), Polderman (SP) en Elias (VVD).

Plv. leden: Van der Staaij (SGP), Mastwijk (CDA), Ten Hoopen (CDA), Luijben (SP), Tang (PvdA), Boekestijn (VVD), Bilder (CDA), Biskop (CDA), Koşer Kaya (D66), Van Leeuwen (SP), Eijsink (PvdA), Depla (PvdA), Van Baalen (VVD), Kant (SP), Blom (PvdA), Ortega-Martijn (ChristenUnie), Van Heugten (CDA), Brinkman (PVV), Kuiken (PvdA), Ten Broeke (VVD), Ouwehand (PvdD), Vendrik (GroenLinks), Lempens (SP) en Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD).

XNoot
2

Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), Van Bochove (CDA), voorzitter, Depla (PvdA), Slob (ChristenUnie), Remkes (VVD), Joldersma (CDA), Jan de Vries (CDA), Van Vroonhoven-Kok (CDA), Jan Jacob van Dijk (CDA), Leerdam (PvdA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Kraneveldt-van der Veen (PvdA), Roefs (PvdA), ondervoorzitter, Verdonk (Verdonk), Van Leeuwen (SP), Biskop (CDA), Bosma (PVV), Pechtold (D66), Zijlstra (VVD), Langkamp (SP), Jasper van Dijk (SP), Besselink (PvdA), Ouwehand (PvdD) en Dibi (GroenLinks).

Plv. leden: Van der Staaij (SGP), Ferrier (CDA), Gill’ard (PvdA), Anker (ChristenUnie), Van Miltenburg (VVD), Atsma (CDA), Sterk (CDA), Vietsch (CDA), Schinkelshoek (CDA), Van Dijken (PvdA), Elias (VVD), Hamer (PvdA), Van Dam (PvdA), Van der Burg (VVD), Gesthuizen (SP), Jonker (CDA), Fritsma (PVV), Van der Ham (D66), Ten Broeke (VVD), Van Bommel (SP), Leijten (SP), Timmer (PvdA), Thieme (PvdD), Halsema (GroenLinks) en Gerkens (SP).

XNoot
3

Samenstelling:

Leden: Van Gent (GroenLinks), Van der Staaij (SGP), Poppe (SP), Snijder-Hazelhoff (VVD), ondervoorzitter, Depla (PvdA), Van Bochove (CDA), Koopmans (CDA), voorzitter, Spies (CDA), Van der Ham (D66), Van Velzen (SP), Vietsch (CDA), Aptroot (VVD), Samsom (PvdA), Boelhouwer (PvdA), Roefs (PvdA), Neppérus (VVD), Van Leeuwen (SP), Jansen (SP), Van der Burg (VVD), Van Heugten (CDA), Vermeij (PvdA), Madlener (PVV), Ouwehand (PvdD), Bilder (CDA) en Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie).

Plv. leden: Vendrik (GroenLinks), Van der Vlies (SGP), Polderman (SP), Remkes (VVD), Jacobi (PvdA), Hessels (CDA), Koppejan (CDA), Ormel (CDA), Koşer Kaya (D66), Leijten (SP), Schreijer-Pierik (CDA), De Krom (VVD), Timmer (PvdA), Waalkens (PvdA), Vos (PvdA), Zijlstra (VVD), Langkamp (SP), Gerkens (SP), Van Beek (VVD), Schermers (CDA), Besselink (PvdA), Agema (PVV), Thieme (PvdD), Vietsch (CDA) en Ortega-Martijn (ChristenUnie).

XNoot
4

Samenstelling:

Leden: Vendrik (GroenLinks), Van der Staaij (SGP), Snijder-Hazelhoff (VVD), Mastwijk (CDA), Jager (CDA), voorzitter, Koopmans (CDA), Gerkens (SP), Van der Ham (D66), Haverkamp (CDA), Aptroot (VVD), Samsom (PvdA), Boelhouwer (PvdA), Roefs (PvdA), Jansen (SP), Cramer (ChristenUnie), Roemer (SP), Koppejan (CDA), Vermeij (PvdA), Madlener (PVV), Ten Broeke (VVD), ondervoorzitter, Ouwehand (PvdD), Polderman (SP), Tang (PvdA) en De Rouwe (CDA).

Plv. leden: Halsema (GroenLinks), Van der Vlies (SGP), Boekestijn (VVD), Bilder (CDA), Hessels (CDA), Atsma (CDA), Van Bommel (SP), Koşer Kaya (D66), Sterk (CDA), Neppérus (VVD), Dijsselbloem (PvdA), Jacobi (PvdA), Besselink (PvdA), Anker (ChristenUnie), Van Leeuwen (SP), Knops (CDA), Depla (PvdA), Agema (PVV), Verdonk (Verdonk), Thieme (PvdD), Lempens (SP), Waalkens (PvdA), Van Heugten (CDA) en De Krom (VVD).