Ontvangen 15 april 2026
De ondergetekenden stellen het volgende amendement voor:
I
Aan het opschrift wordt toegevoegd «en van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek vanwege het toepassen van het wettelijk bewijsvermoeden bij schade door de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk».
II
Aan de beweegreden wordt toegevoegd «en dat het tevens wenselijk is Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek aan te passen in verband met het toepassen van het wettelijk bewijsvermoeden bij schade die gevolg zou kunnen zijn van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk».
III
Na artikel III wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Het bewijsvermoeden zoals dat momenteel geldt voor schade als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van de gaswinning uit het Groningenveld of de gasopslag Norg of Grijpskerk, is een rechtvaardiger uitgangspunt voor de bescherming van gedupeerden. Dit amendement strekt ertoe dit bewijsvermoeden uit te breiden naar alle mijnbouwschade die kunnen voortvloeien uit de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk in Nederland. Dit omvat niet alleen schade door bodembeweging, maar ook schade als gevolg van uitstroming van delfstoffen.
Er is geen goede reden om dit rechtvaardiger uitgangspunt te beperken. Ook elders in Nederland ondervinden bewoners schade door mijnbouwactiviteiten, zoals gaswinning in andere regio's, zoutwinning of geothermie. De willekeur van het huidige systeem wordt pijnlijk zichtbaar na de aardbeving bij het Drentse gasveld Eleveld in maart 2026. De grens tussen de twee effectgebieden loopt dwars door de stad Assen: wie aan de ene kant woont wordt zonder bewijs gecompenseerd, wie aan de andere kant woont moet zelf aantonen dat zijn schade door de aardbeving is veroorzaakt. In het meest schrijnende geval liep deze grens zelfs dwars over het perceel van één bewoner, waardoor haar huis en haar tuin onder verschillende regelingen vielen. Dit soort willekeurige uitkomsten is onverteerbaar.
De indieners zijn zich ervan bewust dat uitbreiding van het bewijsvermoeden consequenties heeft en dat een zorgvuldige uitwerking nodig is. Dat is echter bij uitstek een afweging die aan het kabinet is bij de beoordeling van vergunningverlening.
Bovendien heeft de Tweede Kamer het kabinet al eerder opgeroepen het bewijsvermoeden uit te breiden. De aangenomen motie 33 529-1219 riep het kabinet op om hiertoe over te gaan, maar is tot op heden niet uitgevoerd. Het kabinet heeft de tijd gehad om dit via een afzonderlijk wetsvoorstel te regelen. Nu dat niet is gebeurd, is een amendement op dit wetsvoorstel de aangewezen weg. De indieners achten uitbreiding van het bewijsvermoeden gerechtvaardigd: mijnbouwactiviteiten zijn grootschalige industriële ingrepen in de bodem waarvan de risico's voor omwonenden vooraf moeilijk volledig in kaart te brengen zijn. Het is redelijk dat de partij die profiteert van deze activiteiten aannemelijk maakt dat schade een andere oorzaak heeft, en niet de gedupeerde bewoner.
Beckerman Bushoff