Het stijgend aantal mensen dat financieel in de problemen komt |
|
Wimar Bolhuis (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66), Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het nieuwsbericht «Nibud: huishoudens zeggen vaker financieel in de knel te komen» van de NOS en het rapport «Geldzaken in de praktijk 2026» van het Nibud, waar dit nieuwsbericht over gaat?1
Ja
Het Nibud-onderzoek laat zien dat, na jaren van een daling van geldzorgen, er voor het eerst een grotere groep is van mensen die moeite hebben om rond te komen: welke verklaringen ziet u hiervoor?
Het Nibud-onderzoek laat zien dat geldzorgen vooral zijn toegenomen bij jongvolwassenen van 18 tot 30 jaar. Voor verklaringen en maatregelen verwijs ik u naar het antwoord op vraag 4.
Deelt u de mening dat de stijgende zorgen over de persoonlijke financiën onder Nederlandse huishoudens problematisch en ongewenst is?
Het kabinet neemt de stijgende zorgen over de persoonlijke financiën zeer serieus. Dit doen we door gerichte maatregelen te nemen om kwetsbare groepen tijdig te signaleren en te ondersteunen. Preventie van problematische schulden en vroege bereikbaarheid van mensen met geldzorgen is daarbij essentieel. Zo zijn er verschillende projecten die gericht zijn op het versterken van de vindbaarheid van inwoners met geldzorgen, zowel binnen als buiten de gemeente, en wordt er gewerkt aan een werkgeversaanpak. Indien er toch problematische schulden ontstaan, is het noodzakelijk dat er een adequate oplossing volgt. Zo worden er verbetermaatregelen getroffen rondom vroegsignalering, en is doorverwijzing door een derde een essentieel onderdeel binnen de basisdienstverlening. Voor de uitgebreide beantwoording van deze vraag verwijs ik u naar de beantwoording van de Kamervragen van het lid Hamstra (CDA) over het Nibud rapport geldzaken in de praktijk 2026.2
In het rapport van Nibud staat dat vooral jongeren steeds meer geldproblemen hebben, het aandeel dat moeite heeft met rondkomen steeg van 40 procent in 2024 naar 54 procent in 2026, welke hoofdoorzaken ziet u hiervoor en wat zijn hun aandelen in de problematiek?
Het wel of niet kunnen rondkomen van jongvolwassenen is per situatie anders en kan verschillende oorzaken hebben. Bij jongeren spelen onder andere hoge kosten aan wonen, energie en boodschappen en het hebben van onzekere en wisselende inkomsten een rol. Daarbij weten jongeren vaak niet welke financiële zaken ze precies moeten regelen of waar ze recht op hebben.
Ook zijn er diverse online en offline verleidingen die jongeren soms moeilijk kunnen weerstaan, zoals gebruik maken van achteraf betalen. In het boek «financiële gezondheid van jongeren begrijpen en versterken» van Rosanne Oomkens (Hogeschool Utrecht, juni 2026) zijn veel onderzoeken en inzichten over dit onderwerp gebundeld.
Ik vind het belangrijk dat jongeren weten wat ze moeten regelen met betrekking tot hun geldzaken en dat zij goed leren omgaan met geld. Daarom heeft het kabinet de afgelopen jaren subsidie aan scholen verstrekt voor het structureel inbedden van financiële educatie binnen het onderwijs. Via deze subsidie hebben scholen onder andere leerkrachten kunnen trainen en persoonlijke financiële begeleiding kunnen bieden aan jongeren met geldzorgen. Daarnaast zijn vele (gratis) lesmethodes te vinden op Geldlessen.nl en zijn er diverse websites voor jongeren met geldvragen, zoals Wijzer in geldzaken en Digidingen-desk | Uitleg en tips voor al je digitale regelzaken.
SZW houdt mediacampagnes voor jongeren om hen bewust te maken van financiële risico’s, zoals achteraf betalen, en hen te attenderen op hulp bij geldzorgen. Ook heeft SZW aan verschillende organisaties subsidie verstrekt om jongeren met geldzorgen te ondersteunen, zoals Geldfit en het opschalen van het Jongeren Perspectieffonds naar meer gemeenten. Later dit jaar ontvangt de Kamer meer informatie over maatregelen voor jongeren, naar aanleiding van moties die hierover zijn ingediend.3
Welke oorzaak ziet u in de flinke toename van flexwerk onder jongeren en de inkomensonvoorspelbaarheid die dit meebrengt? In hoeverre vindt u flexibele contracten onder jongeren onwenselijk en welk nieuw beleid zet u in om dit terug te dringen en jongeren meer controle en zekerheid te geven?
Hoewel flexwerk onder de vermelde groep jongeren (tot 30 jaar) niet zodanig is toegenomen, is wel een (lichte) stijging te zien in de onderste helft van deze groep (18 tot 25 jaar). Hoe dan ook is het aantal flexwerkers (waaronder jongeren) in Nederland hoog. Dit is onwenselijk en daarom wordt de wet meer zekerheid flexwerkers (inwerkingtreding per 1 januari 2028) ingevoerd waardoor werknemers meer zekerheid van inkomen krijgen. Met deze wet wordt het nulurencontract afgeschaft en vervangen door het bandbreedtecontract (dat zorgt voor meer zekerheid van inkomen). Ook wordt de ketenregeling aangescherpt om draaideurconstructies met tijdelijke contracten te voorkomen en het perspectief op een vast contact te vergroten.
Voor bepaalde jongeren is belangrijk dat deze maatregelen niet gaan gelden. Minderjarigen, scholieren of studenten met een bijbaan (die gemiddeld 16 uur per week werken) kunnen straks bijvoorbeeld nog wel op basis van een nulurencontract blijven werken. Ook zal voor hen de aanscherping in de ketenregeling niet gelden. Dit is wenselijk om de toegang tot de arbeidsmarkt voor deze groepen niet te beperken; de bijbaan kan dienen als opstap richting de arbeidsmarkt. Bovendien is voor hen niet werk maar scholing de hoofdactiviteit. Jongeren met een contract van gemiddeld meer dan 16 uur per week hebben recht op meer zekerheid en voor hen zullen de nieuwe maatregelen dus wel gelden. Met de wet meer zekerheid flexwerkers zet ik dus in op meer zekerheid van inkomen uit werk voor werknemers met een flexibel contract, ook onder jongeren.
Hoe groot is in uw ogen de bijdrage van toegenomen online reclametargeting, gerichte verkoop en Buy Now Pay Later constructies via social media waarvan jongvolwassenen steeds meer gebruik maken en wat tot groeiende geldzorgen en betalingsmoeite leidt? Als dit niet duidelijk is, bent u dan bereid hiernaar een verdiepend onderzoek te laten uitvoeren?
Het Nibud-rapport Geldzaken in de praktijk 2026 laat zien dat financiële zorgen en betalingsproblemen onder jongvolwassenen relatief vaak voorkomen. Het rapport biedt echter geen basis om vast te stellen in welke mate online reclametargeting, gerichte verkoop en Buy Now, Pay Later (BNPL)-diensten via sociale media hieraan bijdragen.
Verkoop via social media zou het gebruikers sneller en gemakkelijker maken om een impulsaankoop te doen. Consumenten, waaronder jongvolwassenen, worden via sociale media blootgesteld aan gepersonaliseerde reclame en commerciële prikkels. Hoe groot de bijdrage is van sociale media op de geldzorgen onder jongeren is mij niet bekend. Het kabinet zet in op gerichte maatregelen tegen onder meer de verslavende ontwerpkeuzes van digitale diensten in het kader van de aankomende Digital Fairness Act.4 Voor verdere toelichting verwijs ik u naar de beantwoording van de Kamervragen van het lid van Dijk (CDA) c.s.5
Ook voor de invloed van BNPL geldt dat de precieze bijdrage aan geldzorgen onder jongeren niet is onderzocht. Wel zijn er signalen dat deze factoren van invloed kunnen zijn op financieel gedrag en dat uitgestelde betaalmogelijkheden zoals BNPL de drempel tot aankopen kunnen verlagen. Zo blijkt uit onderzoek van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) dat in 2023 via betaalrekeningen op naam van minderjarigen bijna 600.000 iDEAL-transacties zijn verricht die te relateren zijn aan BNPL-aanbieders.6
Deze signalen onderstrepen het belang van consumentenbescherming, in het bijzonder voor kwetsbare groepen, waaronder jongeren. Met de inwerkingtreding van de Implementatiewet herziene richtlijn consumentenkrediet, die momenteel bij uw Kamer voorligt, worden aanbieders van uitstel van betaling en bemiddelaars in uitstel van betaling streng gereguleerd. Aanbieders moeten onder meer beoordelen of een consument het krediet kan dragen. Daarnaast wordt een verbod ingevoerd op het verstrekken van uitstel van betaling aan minderjarigen en worden aanbieders verplicht de leeftijd van consumenten te verifiëren voordat het krediet wordt verstrekt. Gegeven de wijzigingen die met de Implementatiewet zullen worden doorgevoerd, acht ik verdiepend onderzoek op dit moment niet opportuun.
Ervan uitgaande dat huishoudens met een wisselend inkomen en die weinig controle ervaren over hun inkomsten – 80 procent van de huishoudens met weinig controle over hun inkomen heeft moeite met rondkomen – zich volgens Nibud duidelijk vaker in een kwetsbare positie bevinden, in hoeverre wordt het wisselend inkomen veroorzaakt door flexwerk en zzp-schap en betreft het hiermee de groep werkende armen in Nederland? Hoe groot is deze groep volgens u? Welke acties zet u in in om huishoudens meer controle en zekerheid te geven over hun inkomen?
Een wisselend inkomen kan inderdaad veroorzaakt worden door flexwerk en zzp-schap. Als dit inkomen onvoldoende is om in de noodzakelijke uitgaven te voorzien betreft dit de groep werkenden die in armoede leven. In Nederland leeft 1,7% van de werknemers en 4,4% van de zzp’ers in armoede. Van alle arme werknemers in 2024 werkte ruim de helft in deeltijd onder een flexibel arbeidscontract. 18,5% van de arme werknemers werkte voltijd onder een flexibel contract, 16,8% werkte deeltijd onder een vast contract en 7,5% werkte voltijd onder een vast contract.
Zoals het Nibud al toelicht in het rapport is niet enkel de hoogte van het inkomen belangrijk, maar ook de zekerheid en voorspelbaarheid van het inkomen. Het kabinet gaat aan de slag met het vergroten van de inkomenszekerheid en vereenvoudiging, met de ambitie om één kindregeling in te voeren om zekerheid voor gezinnen te vergroten. Ook wordt er gewerkt aan de vereenvoudiging en een basisniveau van aanvullende gemeentelijke regelingen.
Daarnaast boekt het kabinet voortgang op het arbeidsmarktpakket, met als doel zowel de zekerheid van werkenden als de wendbaarheid van werkgevers te verhogen. Zo zijn de wet invoering rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst op basis van uurtarief en de wet meer zekerheid flexwerkers recent door uw Kamer aangenomen. De eerste wet zal laagbetaalde zzp’ers beter beschermen tegen schijnzelfstandigheid en de tweede wet zorgt voor betere bescherming van oproepkrachten, uitzendkrachten en mensen met een tijdelijk contract. Op deze manier wordt de zekerheid van zzp’ers en werknemers met een flexibel arbeidscontract vergroot.
In het rapport van Nibud staat dat er een groot verschil is tussen de hoeveelheid zorgen en betalingsproblemen tussen huurders en mensen met een koopwoning, vindt u dit zorgelijk? Zo ja, wat voor maatregelen gaat u treffen om juist bij huurders deze zorgen en betalingsproblemen te verminderen?
Ik deel uw zorgen. Het percentage huishoudens met een huurwoning dat zich regelmatig tot altijd zorgen maakt over hun financiële situatie is 43%. Bij huishoudens met een koopwoning ligt dit percentage op 24%. Uit de analyse blijkt dat huishoudens in principe voldoende inkomen hebben voor noodzakelijke uitgaven, mits ze: de uren werken waar ze toe in staat zijn, alle landelijke regelingen aanvragen waar ze recht op hebben, goed met geld omgaan en geen onvermijdbare hoge uitgaven hebben.7 Niet alle huishoudens weten waar ze recht op hebben, waardoor ze bijvoorbeeld huurtoeslag laten liggen. Om dit tegen te gaan, wordt gewerkt aan een wetsvoorstel voor proactieve dienstverlening door Dienst Toeslagen. Dit geeft een wettelijke basis om inwoners actief te benaderen die recht hebben op huurtoeslag. Zo wordt niet-gebruik voorkomen.8
Nibud stelt dat een derde van de Nederlanders slechts 2.500 euro op de spaarrekening heeft staan, een groot deel hiervan heeft minder dan 1000: welke maatregelen treft het kabinet om ervoor te zorgen dat deze mensen bij een onverwachte uitgave niet in de schulden belanden?
Het hebben van een voorspelbaar inkomen door het voorkomen en verminderen van negatieve effecten van fouten, nabetalingen en terugvorderingen is noodzakelijk om te voorkomen dat inwoners in de schulden belanden. Deze zomer heeft het kabinet de voortgangsbrief van Routekaart Hervormingsagenda inkomensondersteuning 2026 met uw Kamer gedeeld. Hierin staat onder andere dat het Kabinet werkt aan hervorming van het terugvordering en nabetalingen beleid, het vorderingenbeleid te moderniseren (waaronder een recht op nabetalingen bij overheidsfouten), en keteneffecten te verminderen.
Daarnaast verbetert het de dienstverlening via proactieve aanpak, automatische toekenning van toeslagen, en harmonisatie van betaalmomenten. Ook werkt het aan preventie door duidelijke rechten en plichten te formuleren en veelvoorkomende fouten te onderzoeken.9
Hoe ziet u dit rapport in combinatie met de geplande bezuinigingen op sociale zekerheid en de zorg, die groepen extra raken die al moeite hebben met rondkomen en zich meer zorgen maken over hun financiële toekomst?
Het kabinet stelt maatregelen voor om de sociale zekerheid toekomstbestendig te maken. Meer dan één miljoen mensen maken op dit mensen gebruik van de sociale zekerheid, op tien miljoen werkenden. Het systeem loopt vast, het is versnipperd en zorgt er onvoldoende voor dat mensen weer mee gaan doen. Een eenvoudiger, beter werkende sociale zekerheid moet juist in staat zijn om mensen zekerheid te blijven bieden.
Het kabinet vindt het ook belangrijk om armoede en schuldenproblematiek aan te pakken. Dit doen we door gerichte maatregelen te nemen om de kwetsbare groepen te helpen. De maatregelen vindt u terug in het Nationaal Programma Armoede en Schulden.10
De mediane koopkrachtcijfers voor 2026 zijn licht positief en in de loop van het jaar verbeterd, hoe verklaart u dat onder veel groepen de geldzorgen en betalingsmoeite toch zijn gestegen? Het Nibud rapporteert dat op vrijwel alle uitgavenposten het aandeel mensen dat moeite heeft met betalen is toegenomen ten opzichte van 2 jaar daarvoor. In hoeverre missen de koopkrachtcijfers de daadwerkelijke, feitelijke kosten van gewone mensen?
Het Nibud-onderzoekt hoeveel mensen moeilijk kunnen rondkomen. Dit wordt beïnvloed door verschillende ontwikkelingen, niet alleen of iemands koopkracht is verbeterd of verslechterd. Koopkrachtverlies is voor minder huishoudens dan in 2024 een reden voor moeilijk rondkomen, terwijl schulden en te makkelijk uitgeven van geld zijn toegenomen als reden voor moeilijk rondkomen.
Koopkrachtplaatjes geven goed inzicht in de verdelingseffecten van beleid en macro-economische ontwikkelingen, maar zijn niet bedoeld om een voorspelling te geven voor de koopkrachtontwikkeling van huishoudens. Het kabinet en het CPB gaan uit van «statische» koopkracht, waarin de huishoudsituatie gelijk blijft ten opzichte van het voorgaande jaar. In de werkelijkheid zijn levensgebeurtenissen zoals geboorte, scheiding of baanverlies bepalend voor hoe het inkomen van huishoudens ontwikkelt. Het CBS brengt de ontwikkeling van deze «dynamische» koopkracht na afloop van het jaar in kaart.11
Daarnaast noemt het Nibud dat meespeelt dat mensen dagelijks geconfronteerd worden met prijzen die structureel hoger zijn komen te liggen door de hogere inflatiecijfers sinds 2022. Dit sluit aan bij de constatering van het CBS dat de gevoelsinflatie aanzienlijk hoger ligt dan de gemeten inflatie.12
De obstakels bij integratie voor de buitenlandse partners van Nederlanders |
|
Wimar Bolhuis (PvdA) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat Nederlanders die een liefdesrelatie hebben met een niet-EU-inwoner en aan de inkomenseisen voldoen, de mogelijkheid zouden moeten hebben om samen met hun geliefde een leven op te bouwen in Nederland, waarbij de niet-Nederlandse partner zo snel mogelijk zou moeten kunnen inburgeren?
Ja, wanneer aan de wettelijke voorwaarden is voldaan.
Deelt u de mening dat praktische obstakels die de vlotte inburgering van deze liefdespartners in de weg staan, zo veel mogelijk vermeden en opgeheven moeten worden?
In zijn algemeenheid wel. Dat wil zeggen: voor zover andere belangen dan die van de betrokken liefdespartners daardoor niet onevenredig geschaad worden. Het gaat dan onder meer om het belang van de Nederlandse samenleving dat de vreemdeling die naar Nederland komt al een zekere kennis van de Nederlandse taal en de Nederlandse samenleving heeft (Wet inburgering buitenland) en dat van tevoren al is getoetst of hij aan de toelatingsvoorwaarden voldoet (mvv-vereiste).
Acht u het wenselijk dat liefdespartners van Nederlanders honderden euro’s kwijt zijn louter en alleen aan de reiskosten om het basisexamen inburgering in het buitenland te kunnen afleggen?
Het is van belang dat alle examens op een betrouwbare, veilige en objectieve wijze worden afgenomen. Dit is alleen mogelijk op een diplomatieke Nederlandse post in het buitenland. Gezien het beperkte aantal locaties van deze posten kan het zijn dat personen hiervoor moeten reizen. Dat brengt kosten met zich mee: de onwenselijkheid van kosten die de vreemdeling moet maken weegt echter niet op tegen het borgen van de objectiviteit en betrouwbaarheid van het examen.
Is het mogelijk om buitenlandse partners van Nederlanders het basisexamen inburgering in het buitenland digitaal van op afstand te laten afleggen wanneer er geen examenfaciliteit in hun stad of dorp beschikbaar is? Zo nee, wat is ervoor nodig om dat wel mogelijk te maken?
Het is op dit moment technisch en organisatorisch niet mogelijk om het basisexamen inburgering buitenland digitaal af te leggen, anders dan op een diplomatieke post. Zoals gezegd kan alleen op deze manier gecontroleerd worden op fraude.
Wat is de gemiddelde doorlooptijd van het basisexamen inburgering in het buitenland? En wat is de gemiddelde doorlooptijd van de procedure voor een machtiging tot voorlopig verblijf?
Als het gaat om het basisexamen dan verschilt het per diplomatieke post wanneer iemand daar terecht kan voor het afleggen van een examen. In principe kan iemand binnen enkele maanden examen doen, uitzonderingen daargelaten. Examens worden door de aanvrager vaak verder van tevoren aangevraagd zodat diegene zich hier nog op voor kan bereiden.
De gemiddelde doorlooptijd van de mvv-procedure voor gezinshereniging/-vorming bedroeg in 2025 83 dagen.
Kan de termijn van acht weken waarover DUO beschikt om de examenuitslag bekend te maken, ingekort worden? Zo ja, met hoeveel weken? Zo nee, wat precies staat een inkorting in de weg?
Nee. De termijn van maximaal acht weken heeft te maken met het examenonderdeel Spreekvaardigheid. Dit onderdeel wordt nagekeken door menselijke beoordelaars, waarbij elke beoordelaar in principe maar 2 opgaven mag beoordelen, om te komen tot een uitslag met een hoge betrouwbaarheid. Dit proces vergt al snel 4 á 5 weken, dat is op dit moment ook de gemiddelde beoordelingstermijn. Om ook uitschieters op te kunnen vangen is de maximale termijn op 8 weken gesteld.
Hoe verhoudt de lange duurtijd van de combinatie van het basisexamen inburgering in het buitenland plus de procedure voor een machtiging tot voorlopig verblijf zich tot het recht op gezinsleven uit artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), wanneer aan alle inkomens- en huisvestingseisen wordt voldaan, en wanneer de wachttijd in de praktijk samenvalt met perioden waarin echtgenoten elkaar door visumtellingen niet eens fysiek mogen ontmoeten?
Een lidstaat heeft de taak om zorgvuldig te toetsen of aan al de toelatingsvoorwaarden voor gezinshereniging is voldaan. De EU-richtlijn gezinshereniging (EG 2003/86) geeft lidstaten daarvoor maximaal negen maanden de tijd. In Nederland is de wettelijke beslistermijn voor gezinshereniging maximaal 90 dagen en bij statushouders negen maanden. Hier wordt aan voldaan. Van schending van artikel 8 van de EVRM is dus geen sprake.
Een fysieke ontmoeting tussen echtgenoten is mogelijk buiten Nederland. Vreemdelingen die visumvrij (voor kort verblijf) zijn kunnen dit ook in Nederland doen (gedurende de vrije termijn). Bij visumplichtige vreemdelingen ligt dat genuanceerder. Bij de beoordeling van de aanvraag van een visum kort verblijf wordt door Buitenlandse Zaken in overweging genomen of er een duidelijk en concreet motief is om tijdens de lopende mvv-procedure naar NL te reizen, of de reden legitiem en goed onderbouwd is, en of het verblijfsdoel van de mvv-aanvraag relevant is voor de beoordeling van de aanvraag om het visum kort verblijf.
Is het mogelijk bij het inplannen van het basisexamen inburgering in het buitenland al het proces voor een machtiging tot voorlopig verblijf op te starten, zodat deze processen parallel lopen en mensen dus niet onnodig lang hoeven te wachten? Zo nee, wat concreet staat dat in de weg?
Nee, dat is niet mogelijk. Een geslaagd basisexamen inburgering buitenland is noodzakelijk voor de mvv-aanvraag. Zonder dit document is er sprake van een incomplete aanvraag. Voor de IND is het inefficiënt en onwenselijk om een niet-complete aanvraag toch te behandelen en vervolgens te wachten tot het ontbrekende diploma wordt overgelegd. De IND moet dan twee keer de aanvraag behandelen. Bovendien bestaat het risico dat het diploma nooit wordt overgelegd omdat het niet is gehaald.
Op welke objectieve gronden zijn partners uit Australië, Canada, Japan, Monaco, Nieuw-Zeeland, Vaticaanstad, Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten van Amerika, Zuid-Korea of Zwitserland vrijgesteld van het basisexamen buitenland, terwijl partners uit andere landen deze eis wel krijgen opgelegd? Is dit onderscheid nog te rechtvaardigen?
Op grond van buitenlands-politieke en economische redenen zijn bovengenoemde landen vrijgesteld van het basisexamen buitenland. Nederland vindt het wenselijk dat burgers van deze landen op een snellere en eenvoudiger wijze toelating tot Nederland kunnen krijgen. Het kabinet meent dat genoemde redenen een voldoende rechtvaardigingsgrond is voor het onderscheid dat gemaakt wordt in het mvv-vereiste, conform de EU-richtlijn gezinshereniging (EG 2002/86).1
Overigens heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State prejudiciële vragen over precies deze kwestie gesteld aan het Hof van Justitie van de EU (C-394–25, Volta).
Overweegt u de vrijstelling van het basisexamen inburgering in het buitenland uit te breiden naar andere landen wanneer het gaat om de liefdespartners van Nederlanders? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet overweegt geen uitbreiding van de vrijstelling van het basisexamen inburgering in het buitenland.
Het kabinet hecht eraan dat gezinsmigranten, die mvv-plichtig zijn, een zekere kennis van de Nederlandse taal en de Nederlandse samenleving hebben, voordat zij naar Nederland komen om hier te verblijven.
Is het kabinet bereid te onderzoeken of inburgering in Nederland zelf, onder begeleiding van de Nederlandse echtgenoot en familie, een gelijkwaardig of beter alternatief kan zijn voor het examen in het buitenland? Zo nee, waarom niet?
Nee, dit voorstel wordt als niet wenselijk gezien. Zoals geantwoord op vraag 10 en toegelicht in de Memorie van Toelichting bij de wet inburgering buitenland, hecht het kabinet eraan dat gezinsmigranten, die mvv-plichtig zijn, een zekere kennis van de Nederlandse taal en de Nederlandse samenleving hebben voordat zij naar Nederland komen om hier te verblijven. Het voorgestelde alternatief is daarmee strijdig.
Hoe weegt het kabinet de mentale en relationele schade van maandenlange gedwongen scheiding mee in de proportionaliteitstoets? Welke maatregelen zal het kabinet nemen om een vlottere inreis en integratie van liefdespartners van Nederlanders te garanderen om dit soort mentale en relationele schade te voorkomen?
Het kabinet onderkent dat langdurige scheiding van partners mentale en relationele impact kan hebben. Tegelijkertijd moeten toelatingsprocedures objectief, uitvoerbaar en juridisch houdbaar zijn. Omdat de mate van mentale en relationele impact per persoon sterk kan verschillen en niet op een objectieve manier vast te stellen is, kan dit geen afzonderlijk criterium zijn binnen de toelatingsprocedure.
Kunt u iedere vraag afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
De combinatie van werk en intensieve mantelzorg |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau waaruit blijkt dat intensieve mantelzorgers steeds vaker vastlopen in de combinatie van werk en zorg?1
Het Sociaal en Cultureel Planbureau (hierna: SCP) heeft recent twee rapporten opgeleverd rondom mantelzorg. Dit gaat om het rapport «Op zoek naar verbinding»2 en «Mantelzorg in beweging»3. Ik ben bekend met beide rapporten. Ook ben ik bekend met het SER-advies «Mantelzorg en werk in een zorgzame samenleving»4 waarnaar wordt verwezen in het FD-artikel dat is opgenomen als voetnoot bij de vraag.
Deelt u de zorg dat door de vergrijzing en het langer zelfstandig wonen steeds meer werkenden intensieve mantelzorg zullen verlenen? Zo ja, welke gevolgen verwacht u hiervan voor de arbeidsmarkt en het ziekteverzuim?
Ik deel het beeld dat door vergrijzing en het langer zelfstandig wonen steeds meer mantelzorg verleend zal worden. Deze vorm van zorgverlening komt ook terecht bij werkenden. Volgens het SCP-rapport «Mantelzorg in beweging» is het aantal mensen dat werk en mantelzorg combineert gestegen van 73% in 2014 naar 80% in 2024. Het aantal mensen dat mantelzorg geeft, is toegenomen van 33% tot 39%. In totaal gaven in 2024 5,5 miljoen mensen mantelzorg. Volgens het SER-advies «Mantelzorg en werk in een zorgzame samenleving» is naar schatting 18 procent van het totale ziekteverzuim gerelateerd aan mantelzorg. Wanneer een grotere groep werkenden in de toekomst mantelzorg zou verlenen, zal de kans op ziekteverzuim ook toenemen.
Hoeveel werknemers zijn de afgelopen vijf jaar uitgevallen of minder gaan werken vanwege intensieve mantelzorg, voor zover dit bekend is?
Er zijn geen cijfers bekend over hoeveel werknemers de afgelopen vijf jaar zijn uitgevallen of minder zijn gaan werken vanwege (intensieve) mantelzorg, omdat mantelzorg niet wordt geregistreerd. Het CBS geeft aan dat in 2023 807.000 werknemers van 15 tot 75 jaar te maken hadden met een langdurige zorgsituatie. Bijna driekwart heeft hierbij zelf zorg verleend. Ruim vier op de tien werknemers (243.000) die gezorgd hebben voor een langdurig zieke, hebben daarvoor aanpassingen gedaan in hun werk. 42.000 werknemers zijn minder uren gaan werken en 14.000 zijn tijdelijk gestopt met werken. Voor kortdurende zorgsituaties is niet bekend hoeveel werknemers minder uren zijn gaan werken of tijdelijk zijn gestopt met werken.5
Welke concrete maatregelen neemt u om te voorkomen dat werknemers hun baan moeten opgeven of structureel minder gaan werken vanwege intensieve mantelzorg?
De afgelopen jaren zijn met onder andere de Mantelzorgagenda 2023–2026 stappen gezet om de positie van mantelzorgers te erkennen en versterken. Voor werkende mantelzorgers is door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport samen met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid via een subsidie de Stichting Werk en Mantelzorg gefaciliteerd bij het ontwikkelen en uitvoeren van een ondersteuningsprogramma. De Stichting Werk en Mantelzorg ondersteunt werkgevers en stimuleert hen bij het maken van mantelzorgvriendelijk personeelsbeleid. Ook is met de Stichting van de Arbeid een inspiratiedocument voor werkgevers en werknemers over de combinatie werk en mantelzorg ontwikkeld. Via deze maatregelen wordt gewerkt aan het voorkomen van verzuim vanwege mantelzorg.
Daarnaast geeft de Wet flexibel werken werknemers de mogelijkheid bij de werkgever een verzoek in te dienen voor aanpassing van de arbeidsduur, werktijden en arbeidsplaats (bijvoorbeeld thuiswerken). Hoewel dit niet voor alle (intensieve) mantelzorgers voldoende ruimte zal bieden, kan deze flexibiliteit in de inrichting van werk wel bijdragen aan het kunnen combineren van arbeid en mantelzorg. Ook werk ik aan een wetsvoorstel ter vereenvoudiging van het verlofstelsel. Onderdeel daarvan is de samenvoeging van het huidige kortdurend en langdurend zorgverlof. Zie verder ook het antwoord op vraag 5.
Bent u bereid te onderzoeken of de bestaande verlofregelingen voor mantelzorg voldoende aansluiten bij langdurige en intensieve mantelzorgsituaties? Zo nee, waarom niet?
Momenteel werk ik aan een wetsvoorstel ter vereenvoudiging van het verlofstelsel. Onderdeel van dit wetsvoorstel is de samenvoeging van het huidige kortdurend en langdurend zorgverlof. Met het samenvoegen van beide regelingen komt er één zorgverlofregeling van acht weken, waarvan twee weken gedeeltelijk (70 procent) betaald. Het samenvoegen zorgt voor een aantal wijzigingen in kenmerken en voorwaarden ten opzichte van hoe het zorgverlof op dit moment in de Wet arbeid en zorg is geregeld. Zo worden de gedeeltelijk betaalde weken zorgverlof voor een breder aantal situaties inzetbaar. In het wetsvoorstel is opgenomen dat het verlof zowel voor de noodzakelijke verzorging van een naaste die ziek of hulpbehoevend is, als voor de verzorging van een naaste die levensbedreigend ziek is, kan worden ingezet. Dit kan ook relevant zijn voor mensen die mantelzorg verlenen. Het wetsvoorstel was tot 10 augustus jl. in internetconsultatie. Het streven is om het wetsvoorstel voor het einde van het jaar naar uw Kamer te sturen.
In het SER-advies «Mantelzorg en werk in een zorgzame samenleving» wordt aangegeven dat de bestaande verlofregelingen onvoldoende aansluiten bij langdurige en intensieve mantelzorgsituaties. Aanbevolen wordt een verlof te introduceren gedurende acht keer de overeengekomen arbeidsduur per week onder loondoorbetaling door een publiek gefinancierde uitkering van 70 procent van het dagloon, gemaximeerd en met het minimumloon als bodem, belegd bij een externe partij. In het najaar kom ik samen met mijn collega’s van VWS, OCW en FIN met een reactie op het SER-advies, waar ook in zal worden gegaan op deze aanbeveling.
Hoe beoordeelt u de signalen dat werkgevers vaak onvoldoende bekend zijn met de mogelijkheden om mantelzorgende werknemers te ondersteunen, en bent u bereid te bezien hoe deze kennis kan worden verbeterd?
Ik herken het beeld dat niet alle werkgevers voldoende bekend zijn met de mogelijkheden om mantelzorgende werknemers te ondersteunen. Ik zie dit als een aandachtspunt waar kansen liggen om de combinatie van werk en mantelzorg voor werknemers te verbeteren. Zoals eerder aangegeven is in de Mantelzorgagenda 2023–2026 een ondersteuningsprogramma voor werkgevers en een programma voor leidinggevenden opgenomen, gericht op het faciliteren van de combinatie van werk en mantelzorg voor werknemers. Een divers scala aan werkgevers en branches worden hiermee bereikt.
In het SER-advies «Mantelzorg en werk in een zorgzame samenleving» wordt aanbevolen om het gesprek over mantelzorg aan de cao-tafel te bevorderen en mantelzorgvriendelijk beleid in cao’s en bedrijven te promoten. Dit kan ook belangrijk zijn om bewustwording en concrete afspraken op de werkvloer te stimuleren. In het najaar zal in de reactie op het SER-advies ook ingegaan worden op deze aanbeveling en op de wijze waarop werkgevers nog meer geïnformeerd en ondersteund kunnen worden ten aanzien van het faciliteren van werk en mantelzorg.
Bent u bereid samen met de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport te bezien hoe de regeldruk voor mantelzorgers kan worden verminderd, zodat zij minder tijd kwijt zijn aan administratieve procedures en meer aan de zorg zelf?
Ik ben bereid samen met de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport te bezien hoe de regeldruk voor mantelzorgers kan worden verminderd. In het SER-advies »Mantelzorg en werk in een zorgzame samenleving» wordt regeldruk ook benoemd en geconstateerd dat die de belasting op mantelzorgers verhoogt en mantelzorgers kan belemmeren om toegang te krijgen tot voorzieningen die hen ontlasten. Zij geven daarbij verschillende concrete aanbevelingen, zoals het beperken van herindicaties in de Wmo en Wlz en het stroomlijnen van de toegang tot respijtzorg. In de kabinetsreactie op het SER-advies zullen we uw Kamer daarover verder informeren.
Kunt u de Kamer informeren welke aanbevelingen uit het SCP-rapport u overneemt, welke niet en waarom?
Zoals eerder aangegeven komt het kabinet dit najaar met een reactie op het SER-advies «Mantelzorg en werk in een zorgzame samenleving» en een breed plan voor de ondersteuning van mantelzorgers, conform de motie Struijs c.s.6. Hierin zullen ook de inzichten uit de SCP-rapporten worden meegenomen.
Het alleen achterlaten van een 1-jarig kind in een kinderopvang in Schiedam |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Thierry Aartsen (VVD), Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat een eenjarig jongetje na sluitingstijd slapend alleen is achtergelaten in een kinderopvang in Schiedam?1
Ja.
Hoe heeft dit kunnen gebeuren? Welke veiligheids- en sluitprotocollen gelden hiervoor en is bekend of deze in dit geval zijn nageleefd?
Laat ik vooropstellen dat ik het incident ten zeerste betreur. Ik kan mij voorstellen dat alle betrokkenen, in het bijzonder de ouders, erg geschrokken zijn van deze gebeurtenis.
Voor het sluiten van een kinderopvanglocatie zijn geen landelijke richtlijnen of protocollen. Wel gelden er andere strikte regels om de veiligheid van kinderen te waarborgen. Elke houder is verplicht om de veiligheid en gezondheid te waarborgen en hier beleid voor te hebben. Hierin staat welke veiligheidsrisico’s houders en de pedagogisch professionals zien voor de kinderen en hoe zij deze risico’s ondervangen. Organisaties kunnen bij het veiligheidsbeleid gebruik maken van verschillende protocollen en richtlijnen, zoals het Protocol Veilig Slapen. De inhoud van het veiligheids- en gezondheidsbeleid is de verantwoordelijkheid van de houder en wordt afgestemd op de specifieke locatiekenmerken. De toezichthouder controleert de naleving van deze verplichtingen.
Is de Inspectie van het Onderwijs op de hoogte van dit incident en is inmiddels een onderzoek gestart? Zo ja, wanneer verwacht u de uitkomsten met de Kamer te kunnen delen?
Op de kwaliteit en veiligheid in de kinderopvang wordt toezicht gehouden door de GGD’en. Zij doen dit in opdracht van gemeenten. Kinderopvanglocaties worden door de GGD minimaal jaarlijks geïnspecteerd en vaker als hiertoe aanleiding is. De Inspectie van het Onderwijs houdt interbestuurlijk toezicht op de gemeentelijke taken toezicht en handhaving in de kinderopvang.
Is bekend of personeelstekorten, werkdruk of organisatorische tekortkomingen hebben bijgedragen aan dit incident? Zo nee, wordt dit onderdeel van het onderzoek?
GGD Rotterdam-Rijnmond, de toezichthouder voor de desbetreffende locatie in Schiedam, heeft in opdracht van de gemeente onderzoek naar het incident gedaan. Daarbij is onder meer gekeken naar de personeelsbezetting, de werkwijze voor het aan- en afmelden, en het afsluiten van groepen. Na afronding van het onderzoek zijn de uitkomsten openbaar gemaakt in de vorm van een inspectierapport. Het rapport is te vinden in het Landelijk Register Kinderopvang.
Uit het rapport volgt dat de organisatie voldoet aan de kwaliteitseisen voor personeelsinzet. De geconstateerde tekortkoming ziet op het veiligheids- en gezondheidsbeleid.
Zoals gebruikelijk heeft de kinderopvangorganisatie gereageerd op het rapport en gaat zij met de verbeterpunten aan de slag.
Hoe vaak is het de afgelopen vijf jaar voorgekomen dat een kind na sluitingstijd alleen is achtergelaten in een kinderopvanglocatie en welke maatregelen zijn naar aanleiding van dergelijke incidenten genomen?
Hiervan zijn geen cijfers bekend, omdat deze niet landelijk worden bijgehouden.
Het nemen van maatregelen om risico’s tegen te gaan, bijvoorbeeld die zijn gebleken naar aanleiding van een incident, is onderdeel van het verplichte veiligheids- en gezondheidsbeleid van kinderopvangorganisaties. Indien er bij een GGD-onderzoek niet-naleving is geconstateerd, worden er door de kinderopvangorganisatie maatregelen geformuleerd voor herstel. Deze worden bij een volgende inspectie heronderzocht.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat een kind alleen achterblijft in een kinderopvang en bent u bereid te bezien of landelijke, verplichte eindcontroles bij het afsluiten van een locatie noodzakelijk zijn om herhaling te voorkomen?
De veiligheid van kinderen in de kinderopvang wordt zo veel als mogelijk geborgd in bestaande wet- en regelgeving. Kinderopvangorganisaties zijn gebonden aan strenge waarborgen voor de veiligheid van kinderen. De GGD’en houden toezicht op de naleving van deze verplichtingen. Wanneer een incident plaatsvindt, is het aan de organisatie om dit te evalueren en haar werkwijze waar nodig aan te passen. Ik blijf in gesprek met de sector om te bevorderen dat bestaande verplichtingen zorgvuldig worden uitgevoerd om de veiligheid van kinderen te borgen.
De antwoorden op vragen van het lid Bolhuis (2026D44753) |
|
Martin de Beer (VVD) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Hoe reflecteert u op de cijfers uit de antwoorden waaruit blijkt dat in december 2025 55% van de jongeren tot 27 jaar in de bijstand een herkomstland buiten Europa heeft en dat deze groep sinds 2021 90% van de groei vertegenwoordigt?
Welk deel van de statushouders tot 27 jaar ontvangt een bijstandsuitkering en welk deel heeft werk?
Hoe groot is het totale budget van de bijstand? Welk deel wordt besteed aan statushouders, en welk deel specifiek aan statushouders onder de 27 jaar?
Hoe lang is de gemiddelde statushouder onder 27 jaar die bijstand ontvangt al in Nederland en wat is de spreiding hiervan?
Kunt u aangeven wat de gemiddelde duur van de bijstandsuitkering is vergeleken tussen de groep statushouders versus niet-statushouders, en wat de spreiding is in duur voor de groep jongeren tot 27 jaar?
Kunt u aangeven welke belemmeringen of obstakels statushouders ervaren om een baan te vinden?
Hoe kijkt u naar de spanning tussen de inburgeringsplicht en het vinden van of uitvoeren van werk door een statushouder?
Welk deel van deze statushouders spreekt Nederlands?
Welke plannen heeft u om deze obstakels weg te nemen?
Welke plannen heeft u om prikkels en ondersteuning te bieden waardoor meer statushouders aan het werk gaan?
Kunt u aangeven welke succesfactoren meespelen bij statushouders die sneller aan een baan komen? Welke goede praktijkvoorbeelden kent u? In hoeverre zijn deze schaalbaar of welke lessen voor algemeen beleid zijn hieruit te trekken?
Kunt u aangeven welke belemmeringen er voor werkgevers zijn om statushouders aan te nemen?
Welke plannen heeft u om deze belemmeringen weg te nemen? Moet er bijvoorbeeld strenger gehandhaafd worden op de taaleis en zijn er voldoende (om)scholingsmogelijkheden naar bijvoorbeeld tekortsectoren?
Kunt u toezeggen dat zijn actieprogramma Nederland Werkt een plan zal bevatten om specifiek statushouders (breder dan de groep jongeren tot 27 jaar) meer succesvol te begeleiden naar werk?
Kan u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Participatiewet op 29 oktober?
Het spreekexamen Nederlands voor inburgeraars |
|
Wimar Bolhuis (GroenLinks-PvdA) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat inburgeraars en hun docenten last ondervinden van de luidruchtige omgeving waarin inburgeraars hun examen Spreken Nederlands moeten afleggen?1
Hoe beoordeelt u de inschatting dat er een verband is tussen het lage slaagpercentage voor het examen Spreken (minder dan 60%) en de luidruchtige omgeving waarin het examen afgelegd moet worden doordat iedereen tegelijk praat?
Bij welk aandeel van de mensen die na de vooropgestelde termijn van drie jaar hun inburgeringstraject nog niet afgerond hebben, is dat toe te schrijven aan het niet slagen voor het examen Spreken? Bij welk aandeel is dat toe te schrijven aan het falen voor meerdere onderdelen, waaronder examen Spreken?
Kunt u een inschatting geven van de schaal van het probleem? Hoeveel testcentra zijn er waar mensen het examen Spreken kunnen afleggen? In hoeveel daarvan dienen inburgeraars met meerdere mensen tegelijk in een open zaal met een koptelefoon tegen een computer te spreken? In hoeveel centra leidt dat tot luidruchtige omgevingen?
Wat is de reden dat het examen Spreken nu op deze manier is georganiseerd met luidruchtige omgevingen tot gevolg? Is de situatie verslechterd?
Zijn er examencentra die het examen Spreken bewust anders organiseren met aandacht voor het creëren van een rustige omgeving? Zo ja, wat is ervoor nodig om die aanpak op te schalen naar alle centra?
Welke opties ziet u om het examen Spreken anders te organiseren zodat er een rustige examenomgeving gecreëerd kan worden? Wat is ervoor nodig om die opties te implementeren?
Zou u deze vragen elk afzonderlijk kunnen beantwoorden?
Het stijgende aantal jongeren in de bijstand zonder duidelijke verklaringen of inzicht in oorzaken |
|
Wimar Bolhuis (GroenLinks-PvdA) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht van NRC Handelsblad «Hoe kan het toch dat het aantal jongeren in de bijstand toeneemt?»?1
Hoe beoordeelt u het feit dat de stijging van jongeren in de Participatiewet sterker is dan van andere leeftijdsgroepen en al dertien kwartalen op rij aanhoudt?
Hoe ontwikkelde de instroom van jongeren in de bijstand volgens u in de afgelopen vijf jaar, waar mogelijk uitgesplitst naar leeftijd, achtergrond, kwetsbare positie, voorgaande betrekking, bijstandsduur, en reden van instroom?
Deelt u de constatering van de onderzoekers in het artikel dat er geen eenduidige verklaring bestaat en wetenschappelijk onderzoek naar de oorzaken ontbreekt?
Heeft de regering onderzoek gedaan of laten doen naar de oorzaken van de structurele stijging van het aantal jongeren in de Participatiewet? Zo nee, bent u bereid dit te laten doen?
Aangezien werkende jongeren relatief vaak een flexibel contract hebben en hierdoor bij tegenslag vaak als eerste hun baan verliezen, welke maatregelen neemt u om het aandeel vaste contracten onder jongeren te verhogen?
Hoeveel jongeren, die door een kort arbeidsverleden alleen recht hebben op de minimale WW-duur van drie maanden, stromen jaarlijks na afloop van deze WW-duur door naar de bijstand? Hoe verhoudt zich dit tot andere leeftijdsgroepen?
Herkent u dat met de stijging van het aantal jongeren in de bijstand ook het aantal dakloze jongeren toeneemt, en kunt u hier de meest actuele cijfers over verstrekken? Biedt de Participatiewet dienstverlening aan instromende jongeren om hun huurwoning te behouden of om een huurwoning te bemachtigen?
Herkent u dat jongeren kort na hun achttiende relatief vaak en steeds vaker in problematische schulden raken, mede door online gokken of «buy now pay later»- diensten, en dit bijdraagt aan bijstandsinstroom? Welke bewindspersoon draagt de beleidsverantwoordelijkheid voor de samenhang tussen online kansspelen, consumentenkrediet, schuldenbeleid en de bijstandsinstroom van jongeren?
Hoe weegt u de samenhang tussen de mentale gezondheid van jongeren en hun arbeidsmarkt- en bijstandspositie, wetende dat onderzoek van het RIVM2 en GGD GHOR laat dat bijna de helft van de jongeren de eigen mentale gezondheid als niet goed (matig of slecht) beoordeelt? Hoe wordt interdepartementale samenwerking op dit thema vormgegeven en welke resultaten levert dit op?
Welke maatregelen neemt de regering om de dertien kwartalen aanhoudende stijging van jongeren in de bijstand te keren? Hoe gaat u de Kamer periodiek informeren over de voortgang en de resultaten van het beleid?
Het stijgend aantal mensen dat financieel in de problemen komt |
|
Wimar Bolhuis (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66), Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het nieuwsbericht «Nibud: huishoudens zeggen vaker financieel in de knel te komen» van de NOS en het rapport «Geldzaken in de praktijk 2026» van het Nibud, waar dit nieuwsbericht over gaat?1
Ja
Het Nibud-onderzoek laat zien dat, na jaren van een daling van geldzorgen, er voor het eerst een grotere groep is van mensen die moeite hebben om rond te komen: welke verklaringen ziet u hiervoor?
Het Nibud-onderzoek laat zien dat geldzorgen vooral zijn toegenomen bij jongvolwassenen van 18 tot 30 jaar. Voor verklaringen en maatregelen verwijs ik u naar het antwoord op vraag 4.
Deelt u de mening dat de stijgende zorgen over de persoonlijke financiën onder Nederlandse huishoudens problematisch en ongewenst is?
Het kabinet neemt de stijgende zorgen over de persoonlijke financiën zeer serieus. Dit doen we door gerichte maatregelen te nemen om kwetsbare groepen tijdig te signaleren en te ondersteunen. Preventie van problematische schulden en vroege bereikbaarheid van mensen met geldzorgen is daarbij essentieel. Zo zijn er verschillende projecten die gericht zijn op het versterken van de vindbaarheid van inwoners met geldzorgen, zowel binnen als buiten de gemeente, en wordt er gewerkt aan een werkgeversaanpak. Indien er toch problematische schulden ontstaan, is het noodzakelijk dat er een adequate oplossing volgt. Zo worden er verbetermaatregelen getroffen rondom vroegsignalering, en is doorverwijzing door een derde een essentieel onderdeel binnen de basisdienstverlening. Voor de uitgebreide beantwoording van deze vraag verwijs ik u naar de beantwoording van de Kamervragen van het lid Hamstra (CDA) over het Nibud rapport geldzaken in de praktijk 2026.2
In het rapport van Nibud staat dat vooral jongeren steeds meer geldproblemen hebben, het aandeel dat moeite heeft met rondkomen steeg van 40 procent in 2024 naar 54 procent in 2026, welke hoofdoorzaken ziet u hiervoor en wat zijn hun aandelen in de problematiek?
Het wel of niet kunnen rondkomen van jongvolwassenen is per situatie anders en kan verschillende oorzaken hebben. Bij jongeren spelen onder andere hoge kosten aan wonen, energie en boodschappen en het hebben van onzekere en wisselende inkomsten een rol. Daarbij weten jongeren vaak niet welke financiële zaken ze precies moeten regelen of waar ze recht op hebben.
Ook zijn er diverse online en offline verleidingen die jongeren soms moeilijk kunnen weerstaan, zoals gebruik maken van achteraf betalen. In het boek «financiële gezondheid van jongeren begrijpen en versterken» van Rosanne Oomkens (Hogeschool Utrecht, juni 2026) zijn veel onderzoeken en inzichten over dit onderwerp gebundeld.
Ik vind het belangrijk dat jongeren weten wat ze moeten regelen met betrekking tot hun geldzaken en dat zij goed leren omgaan met geld. Daarom heeft het kabinet de afgelopen jaren subsidie aan scholen verstrekt voor het structureel inbedden van financiële educatie binnen het onderwijs. Via deze subsidie hebben scholen onder andere leerkrachten kunnen trainen en persoonlijke financiële begeleiding kunnen bieden aan jongeren met geldzorgen. Daarnaast zijn vele (gratis) lesmethodes te vinden op Geldlessen.nl en zijn er diverse websites voor jongeren met geldvragen, zoals Wijzer in geldzaken en Digidingen-desk | Uitleg en tips voor al je digitale regelzaken.
SZW houdt mediacampagnes voor jongeren om hen bewust te maken van financiële risico’s, zoals achteraf betalen, en hen te attenderen op hulp bij geldzorgen. Ook heeft SZW aan verschillende organisaties subsidie verstrekt om jongeren met geldzorgen te ondersteunen, zoals Geldfit en het opschalen van het Jongeren Perspectieffonds naar meer gemeenten. Later dit jaar ontvangt de Kamer meer informatie over maatregelen voor jongeren, naar aanleiding van moties die hierover zijn ingediend.3
Welke oorzaak ziet u in de flinke toename van flexwerk onder jongeren en de inkomensonvoorspelbaarheid die dit meebrengt? In hoeverre vindt u flexibele contracten onder jongeren onwenselijk en welk nieuw beleid zet u in om dit terug te dringen en jongeren meer controle en zekerheid te geven?
Hoewel flexwerk onder de vermelde groep jongeren (tot 30 jaar) niet zodanig is toegenomen, is wel een (lichte) stijging te zien in de onderste helft van deze groep (18 tot 25 jaar). Hoe dan ook is het aantal flexwerkers (waaronder jongeren) in Nederland hoog. Dit is onwenselijk en daarom wordt de wet meer zekerheid flexwerkers (inwerkingtreding per 1 januari 2028) ingevoerd waardoor werknemers meer zekerheid van inkomen krijgen. Met deze wet wordt het nulurencontract afgeschaft en vervangen door het bandbreedtecontract (dat zorgt voor meer zekerheid van inkomen). Ook wordt de ketenregeling aangescherpt om draaideurconstructies met tijdelijke contracten te voorkomen en het perspectief op een vast contact te vergroten.
Voor bepaalde jongeren is belangrijk dat deze maatregelen niet gaan gelden. Minderjarigen, scholieren of studenten met een bijbaan (die gemiddeld 16 uur per week werken) kunnen straks bijvoorbeeld nog wel op basis van een nulurencontract blijven werken. Ook zal voor hen de aanscherping in de ketenregeling niet gelden. Dit is wenselijk om de toegang tot de arbeidsmarkt voor deze groepen niet te beperken; de bijbaan kan dienen als opstap richting de arbeidsmarkt. Bovendien is voor hen niet werk maar scholing de hoofdactiviteit. Jongeren met een contract van gemiddeld meer dan 16 uur per week hebben recht op meer zekerheid en voor hen zullen de nieuwe maatregelen dus wel gelden. Met de wet meer zekerheid flexwerkers zet ik dus in op meer zekerheid van inkomen uit werk voor werknemers met een flexibel contract, ook onder jongeren.
Hoe groot is in uw ogen de bijdrage van toegenomen online reclametargeting, gerichte verkoop en Buy Now Pay Later constructies via social media waarvan jongvolwassenen steeds meer gebruik maken en wat tot groeiende geldzorgen en betalingsmoeite leidt? Als dit niet duidelijk is, bent u dan bereid hiernaar een verdiepend onderzoek te laten uitvoeren?
Het Nibud-rapport Geldzaken in de praktijk 2026 laat zien dat financiële zorgen en betalingsproblemen onder jongvolwassenen relatief vaak voorkomen. Het rapport biedt echter geen basis om vast te stellen in welke mate online reclametargeting, gerichte verkoop en Buy Now, Pay Later (BNPL)-diensten via sociale media hieraan bijdragen.
Verkoop via social media zou het gebruikers sneller en gemakkelijker maken om een impulsaankoop te doen. Consumenten, waaronder jongvolwassenen, worden via sociale media blootgesteld aan gepersonaliseerde reclame en commerciële prikkels. Hoe groot de bijdrage is van sociale media op de geldzorgen onder jongeren is mij niet bekend. Het kabinet zet in op gerichte maatregelen tegen onder meer de verslavende ontwerpkeuzes van digitale diensten in het kader van de aankomende Digital Fairness Act.4 Voor verdere toelichting verwijs ik u naar de beantwoording van de Kamervragen van het lid van Dijk (CDA) c.s.5
Ook voor de invloed van BNPL geldt dat de precieze bijdrage aan geldzorgen onder jongeren niet is onderzocht. Wel zijn er signalen dat deze factoren van invloed kunnen zijn op financieel gedrag en dat uitgestelde betaalmogelijkheden zoals BNPL de drempel tot aankopen kunnen verlagen. Zo blijkt uit onderzoek van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) dat in 2023 via betaalrekeningen op naam van minderjarigen bijna 600.000 iDEAL-transacties zijn verricht die te relateren zijn aan BNPL-aanbieders.6
Deze signalen onderstrepen het belang van consumentenbescherming, in het bijzonder voor kwetsbare groepen, waaronder jongeren. Met de inwerkingtreding van de Implementatiewet herziene richtlijn consumentenkrediet, die momenteel bij uw Kamer voorligt, worden aanbieders van uitstel van betaling en bemiddelaars in uitstel van betaling streng gereguleerd. Aanbieders moeten onder meer beoordelen of een consument het krediet kan dragen. Daarnaast wordt een verbod ingevoerd op het verstrekken van uitstel van betaling aan minderjarigen en worden aanbieders verplicht de leeftijd van consumenten te verifiëren voordat het krediet wordt verstrekt. Gegeven de wijzigingen die met de Implementatiewet zullen worden doorgevoerd, acht ik verdiepend onderzoek op dit moment niet opportuun.
Ervan uitgaande dat huishoudens met een wisselend inkomen en die weinig controle ervaren over hun inkomsten – 80 procent van de huishoudens met weinig controle over hun inkomen heeft moeite met rondkomen – zich volgens Nibud duidelijk vaker in een kwetsbare positie bevinden, in hoeverre wordt het wisselend inkomen veroorzaakt door flexwerk en zzp-schap en betreft het hiermee de groep werkende armen in Nederland? Hoe groot is deze groep volgens u? Welke acties zet u in in om huishoudens meer controle en zekerheid te geven over hun inkomen?
Een wisselend inkomen kan inderdaad veroorzaakt worden door flexwerk en zzp-schap. Als dit inkomen onvoldoende is om in de noodzakelijke uitgaven te voorzien betreft dit de groep werkenden die in armoede leven. In Nederland leeft 1,7% van de werknemers en 4,4% van de zzp’ers in armoede. Van alle arme werknemers in 2024 werkte ruim de helft in deeltijd onder een flexibel arbeidscontract. 18,5% van de arme werknemers werkte voltijd onder een flexibel contract, 16,8% werkte deeltijd onder een vast contract en 7,5% werkte voltijd onder een vast contract.
Zoals het Nibud al toelicht in het rapport is niet enkel de hoogte van het inkomen belangrijk, maar ook de zekerheid en voorspelbaarheid van het inkomen. Het kabinet gaat aan de slag met het vergroten van de inkomenszekerheid en vereenvoudiging, met de ambitie om één kindregeling in te voeren om zekerheid voor gezinnen te vergroten. Ook wordt er gewerkt aan de vereenvoudiging en een basisniveau van aanvullende gemeentelijke regelingen.
Daarnaast boekt het kabinet voortgang op het arbeidsmarktpakket, met als doel zowel de zekerheid van werkenden als de wendbaarheid van werkgevers te verhogen. Zo zijn de wet invoering rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst op basis van uurtarief en de wet meer zekerheid flexwerkers recent door uw Kamer aangenomen. De eerste wet zal laagbetaalde zzp’ers beter beschermen tegen schijnzelfstandigheid en de tweede wet zorgt voor betere bescherming van oproepkrachten, uitzendkrachten en mensen met een tijdelijk contract. Op deze manier wordt de zekerheid van zzp’ers en werknemers met een flexibel arbeidscontract vergroot.
In het rapport van Nibud staat dat er een groot verschil is tussen de hoeveelheid zorgen en betalingsproblemen tussen huurders en mensen met een koopwoning, vindt u dit zorgelijk? Zo ja, wat voor maatregelen gaat u treffen om juist bij huurders deze zorgen en betalingsproblemen te verminderen?
Ik deel uw zorgen. Het percentage huishoudens met een huurwoning dat zich regelmatig tot altijd zorgen maakt over hun financiële situatie is 43%. Bij huishoudens met een koopwoning ligt dit percentage op 24%. Uit de analyse blijkt dat huishoudens in principe voldoende inkomen hebben voor noodzakelijke uitgaven, mits ze: de uren werken waar ze toe in staat zijn, alle landelijke regelingen aanvragen waar ze recht op hebben, goed met geld omgaan en geen onvermijdbare hoge uitgaven hebben.7 Niet alle huishoudens weten waar ze recht op hebben, waardoor ze bijvoorbeeld huurtoeslag laten liggen. Om dit tegen te gaan, wordt gewerkt aan een wetsvoorstel voor proactieve dienstverlening door Dienst Toeslagen. Dit geeft een wettelijke basis om inwoners actief te benaderen die recht hebben op huurtoeslag. Zo wordt niet-gebruik voorkomen.8
Nibud stelt dat een derde van de Nederlanders slechts 2.500 euro op de spaarrekening heeft staan, een groot deel hiervan heeft minder dan 1000: welke maatregelen treft het kabinet om ervoor te zorgen dat deze mensen bij een onverwachte uitgave niet in de schulden belanden?
Het hebben van een voorspelbaar inkomen door het voorkomen en verminderen van negatieve effecten van fouten, nabetalingen en terugvorderingen is noodzakelijk om te voorkomen dat inwoners in de schulden belanden. Deze zomer heeft het kabinet de voortgangsbrief van Routekaart Hervormingsagenda inkomensondersteuning 2026 met uw Kamer gedeeld. Hierin staat onder andere dat het Kabinet werkt aan hervorming van het terugvordering en nabetalingen beleid, het vorderingenbeleid te moderniseren (waaronder een recht op nabetalingen bij overheidsfouten), en keteneffecten te verminderen.
Daarnaast verbetert het de dienstverlening via proactieve aanpak, automatische toekenning van toeslagen, en harmonisatie van betaalmomenten. Ook werkt het aan preventie door duidelijke rechten en plichten te formuleren en veelvoorkomende fouten te onderzoeken.9
Hoe ziet u dit rapport in combinatie met de geplande bezuinigingen op sociale zekerheid en de zorg, die groepen extra raken die al moeite hebben met rondkomen en zich meer zorgen maken over hun financiële toekomst?
Het kabinet stelt maatregelen voor om de sociale zekerheid toekomstbestendig te maken. Meer dan één miljoen mensen maken op dit mensen gebruik van de sociale zekerheid, op tien miljoen werkenden. Het systeem loopt vast, het is versnipperd en zorgt er onvoldoende voor dat mensen weer mee gaan doen. Een eenvoudiger, beter werkende sociale zekerheid moet juist in staat zijn om mensen zekerheid te blijven bieden.
Het kabinet vindt het ook belangrijk om armoede en schuldenproblematiek aan te pakken. Dit doen we door gerichte maatregelen te nemen om de kwetsbare groepen te helpen. De maatregelen vindt u terug in het Nationaal Programma Armoede en Schulden.10
De mediane koopkrachtcijfers voor 2026 zijn licht positief en in de loop van het jaar verbeterd, hoe verklaart u dat onder veel groepen de geldzorgen en betalingsmoeite toch zijn gestegen? Het Nibud rapporteert dat op vrijwel alle uitgavenposten het aandeel mensen dat moeite heeft met betalen is toegenomen ten opzichte van 2 jaar daarvoor. In hoeverre missen de koopkrachtcijfers de daadwerkelijke, feitelijke kosten van gewone mensen?
Het Nibud-onderzoekt hoeveel mensen moeilijk kunnen rondkomen. Dit wordt beïnvloed door verschillende ontwikkelingen, niet alleen of iemands koopkracht is verbeterd of verslechterd. Koopkrachtverlies is voor minder huishoudens dan in 2024 een reden voor moeilijk rondkomen, terwijl schulden en te makkelijk uitgeven van geld zijn toegenomen als reden voor moeilijk rondkomen.
Koopkrachtplaatjes geven goed inzicht in de verdelingseffecten van beleid en macro-economische ontwikkelingen, maar zijn niet bedoeld om een voorspelling te geven voor de koopkrachtontwikkeling van huishoudens. Het kabinet en het CPB gaan uit van «statische» koopkracht, waarin de huishoudsituatie gelijk blijft ten opzichte van het voorgaande jaar. In de werkelijkheid zijn levensgebeurtenissen zoals geboorte, scheiding of baanverlies bepalend voor hoe het inkomen van huishoudens ontwikkelt. Het CBS brengt de ontwikkeling van deze «dynamische» koopkracht na afloop van het jaar in kaart.11
Daarnaast noemt het Nibud dat meespeelt dat mensen dagelijks geconfronteerd worden met prijzen die structureel hoger zijn komen te liggen door de hogere inflatiecijfers sinds 2022. Dit sluit aan bij de constatering van het CBS dat de gevoelsinflatie aanzienlijk hoger ligt dan de gemeten inflatie.12
De combinatie van werk en intensieve mantelzorg |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau waaruit blijkt dat intensieve mantelzorgers steeds vaker vastlopen in de combinatie van werk en zorg?1
Het Sociaal en Cultureel Planbureau (hierna: SCP) heeft recent twee rapporten opgeleverd rondom mantelzorg. Dit gaat om het rapport «Op zoek naar verbinding»2 en «Mantelzorg in beweging»3. Ik ben bekend met beide rapporten. Ook ben ik bekend met het SER-advies «Mantelzorg en werk in een zorgzame samenleving»4 waarnaar wordt verwezen in het FD-artikel dat is opgenomen als voetnoot bij de vraag.
Deelt u de zorg dat door de vergrijzing en het langer zelfstandig wonen steeds meer werkenden intensieve mantelzorg zullen verlenen? Zo ja, welke gevolgen verwacht u hiervan voor de arbeidsmarkt en het ziekteverzuim?
Ik deel het beeld dat door vergrijzing en het langer zelfstandig wonen steeds meer mantelzorg verleend zal worden. Deze vorm van zorgverlening komt ook terecht bij werkenden. Volgens het SCP-rapport «Mantelzorg in beweging» is het aantal mensen dat werk en mantelzorg combineert gestegen van 73% in 2014 naar 80% in 2024. Het aantal mensen dat mantelzorg geeft, is toegenomen van 33% tot 39%. In totaal gaven in 2024 5,5 miljoen mensen mantelzorg. Volgens het SER-advies «Mantelzorg en werk in een zorgzame samenleving» is naar schatting 18 procent van het totale ziekteverzuim gerelateerd aan mantelzorg. Wanneer een grotere groep werkenden in de toekomst mantelzorg zou verlenen, zal de kans op ziekteverzuim ook toenemen.
Hoeveel werknemers zijn de afgelopen vijf jaar uitgevallen of minder gaan werken vanwege intensieve mantelzorg, voor zover dit bekend is?
Er zijn geen cijfers bekend over hoeveel werknemers de afgelopen vijf jaar zijn uitgevallen of minder zijn gaan werken vanwege (intensieve) mantelzorg, omdat mantelzorg niet wordt geregistreerd. Het CBS geeft aan dat in 2023 807.000 werknemers van 15 tot 75 jaar te maken hadden met een langdurige zorgsituatie. Bijna driekwart heeft hierbij zelf zorg verleend. Ruim vier op de tien werknemers (243.000) die gezorgd hebben voor een langdurig zieke, hebben daarvoor aanpassingen gedaan in hun werk. 42.000 werknemers zijn minder uren gaan werken en 14.000 zijn tijdelijk gestopt met werken. Voor kortdurende zorgsituaties is niet bekend hoeveel werknemers minder uren zijn gaan werken of tijdelijk zijn gestopt met werken.5
Welke concrete maatregelen neemt u om te voorkomen dat werknemers hun baan moeten opgeven of structureel minder gaan werken vanwege intensieve mantelzorg?
De afgelopen jaren zijn met onder andere de Mantelzorgagenda 2023–2026 stappen gezet om de positie van mantelzorgers te erkennen en versterken. Voor werkende mantelzorgers is door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport samen met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid via een subsidie de Stichting Werk en Mantelzorg gefaciliteerd bij het ontwikkelen en uitvoeren van een ondersteuningsprogramma. De Stichting Werk en Mantelzorg ondersteunt werkgevers en stimuleert hen bij het maken van mantelzorgvriendelijk personeelsbeleid. Ook is met de Stichting van de Arbeid een inspiratiedocument voor werkgevers en werknemers over de combinatie werk en mantelzorg ontwikkeld. Via deze maatregelen wordt gewerkt aan het voorkomen van verzuim vanwege mantelzorg.
Daarnaast geeft de Wet flexibel werken werknemers de mogelijkheid bij de werkgever een verzoek in te dienen voor aanpassing van de arbeidsduur, werktijden en arbeidsplaats (bijvoorbeeld thuiswerken). Hoewel dit niet voor alle (intensieve) mantelzorgers voldoende ruimte zal bieden, kan deze flexibiliteit in de inrichting van werk wel bijdragen aan het kunnen combineren van arbeid en mantelzorg. Ook werk ik aan een wetsvoorstel ter vereenvoudiging van het verlofstelsel. Onderdeel daarvan is de samenvoeging van het huidige kortdurend en langdurend zorgverlof. Zie verder ook het antwoord op vraag 5.
Bent u bereid te onderzoeken of de bestaande verlofregelingen voor mantelzorg voldoende aansluiten bij langdurige en intensieve mantelzorgsituaties? Zo nee, waarom niet?
Momenteel werk ik aan een wetsvoorstel ter vereenvoudiging van het verlofstelsel. Onderdeel van dit wetsvoorstel is de samenvoeging van het huidige kortdurend en langdurend zorgverlof. Met het samenvoegen van beide regelingen komt er één zorgverlofregeling van acht weken, waarvan twee weken gedeeltelijk (70 procent) betaald. Het samenvoegen zorgt voor een aantal wijzigingen in kenmerken en voorwaarden ten opzichte van hoe het zorgverlof op dit moment in de Wet arbeid en zorg is geregeld. Zo worden de gedeeltelijk betaalde weken zorgverlof voor een breder aantal situaties inzetbaar. In het wetsvoorstel is opgenomen dat het verlof zowel voor de noodzakelijke verzorging van een naaste die ziek of hulpbehoevend is, als voor de verzorging van een naaste die levensbedreigend ziek is, kan worden ingezet. Dit kan ook relevant zijn voor mensen die mantelzorg verlenen. Het wetsvoorstel was tot 10 augustus jl. in internetconsultatie. Het streven is om het wetsvoorstel voor het einde van het jaar naar uw Kamer te sturen.
In het SER-advies «Mantelzorg en werk in een zorgzame samenleving» wordt aangegeven dat de bestaande verlofregelingen onvoldoende aansluiten bij langdurige en intensieve mantelzorgsituaties. Aanbevolen wordt een verlof te introduceren gedurende acht keer de overeengekomen arbeidsduur per week onder loondoorbetaling door een publiek gefinancierde uitkering van 70 procent van het dagloon, gemaximeerd en met het minimumloon als bodem, belegd bij een externe partij. In het najaar kom ik samen met mijn collega’s van VWS, OCW en FIN met een reactie op het SER-advies, waar ook in zal worden gegaan op deze aanbeveling.
Hoe beoordeelt u de signalen dat werkgevers vaak onvoldoende bekend zijn met de mogelijkheden om mantelzorgende werknemers te ondersteunen, en bent u bereid te bezien hoe deze kennis kan worden verbeterd?
Ik herken het beeld dat niet alle werkgevers voldoende bekend zijn met de mogelijkheden om mantelzorgende werknemers te ondersteunen. Ik zie dit als een aandachtspunt waar kansen liggen om de combinatie van werk en mantelzorg voor werknemers te verbeteren. Zoals eerder aangegeven is in de Mantelzorgagenda 2023–2026 een ondersteuningsprogramma voor werkgevers en een programma voor leidinggevenden opgenomen, gericht op het faciliteren van de combinatie van werk en mantelzorg voor werknemers. Een divers scala aan werkgevers en branches worden hiermee bereikt.
In het SER-advies «Mantelzorg en werk in een zorgzame samenleving» wordt aanbevolen om het gesprek over mantelzorg aan de cao-tafel te bevorderen en mantelzorgvriendelijk beleid in cao’s en bedrijven te promoten. Dit kan ook belangrijk zijn om bewustwording en concrete afspraken op de werkvloer te stimuleren. In het najaar zal in de reactie op het SER-advies ook ingegaan worden op deze aanbeveling en op de wijze waarop werkgevers nog meer geïnformeerd en ondersteund kunnen worden ten aanzien van het faciliteren van werk en mantelzorg.
Bent u bereid samen met de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport te bezien hoe de regeldruk voor mantelzorgers kan worden verminderd, zodat zij minder tijd kwijt zijn aan administratieve procedures en meer aan de zorg zelf?
Ik ben bereid samen met de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport te bezien hoe de regeldruk voor mantelzorgers kan worden verminderd. In het SER-advies »Mantelzorg en werk in een zorgzame samenleving» wordt regeldruk ook benoemd en geconstateerd dat die de belasting op mantelzorgers verhoogt en mantelzorgers kan belemmeren om toegang te krijgen tot voorzieningen die hen ontlasten. Zij geven daarbij verschillende concrete aanbevelingen, zoals het beperken van herindicaties in de Wmo en Wlz en het stroomlijnen van de toegang tot respijtzorg. In de kabinetsreactie op het SER-advies zullen we uw Kamer daarover verder informeren.
Kunt u de Kamer informeren welke aanbevelingen uit het SCP-rapport u overneemt, welke niet en waarom?
Zoals eerder aangegeven komt het kabinet dit najaar met een reactie op het SER-advies «Mantelzorg en werk in een zorgzame samenleving» en een breed plan voor de ondersteuning van mantelzorgers, conform de motie Struijs c.s.6. Hierin zullen ook de inzichten uit de SCP-rapporten worden meegenomen.
Het alleen achterlaten van een 1-jarig kind in een kinderopvang in Schiedam |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Thierry Aartsen (VVD), Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat een eenjarig jongetje na sluitingstijd slapend alleen is achtergelaten in een kinderopvang in Schiedam?1
Ja.
Hoe heeft dit kunnen gebeuren? Welke veiligheids- en sluitprotocollen gelden hiervoor en is bekend of deze in dit geval zijn nageleefd?
Laat ik vooropstellen dat ik het incident ten zeerste betreur. Ik kan mij voorstellen dat alle betrokkenen, in het bijzonder de ouders, erg geschrokken zijn van deze gebeurtenis.
Voor het sluiten van een kinderopvanglocatie zijn geen landelijke richtlijnen of protocollen. Wel gelden er andere strikte regels om de veiligheid van kinderen te waarborgen. Elke houder is verplicht om de veiligheid en gezondheid te waarborgen en hier beleid voor te hebben. Hierin staat welke veiligheidsrisico’s houders en de pedagogisch professionals zien voor de kinderen en hoe zij deze risico’s ondervangen. Organisaties kunnen bij het veiligheidsbeleid gebruik maken van verschillende protocollen en richtlijnen, zoals het Protocol Veilig Slapen. De inhoud van het veiligheids- en gezondheidsbeleid is de verantwoordelijkheid van de houder en wordt afgestemd op de specifieke locatiekenmerken. De toezichthouder controleert de naleving van deze verplichtingen.
Is de Inspectie van het Onderwijs op de hoogte van dit incident en is inmiddels een onderzoek gestart? Zo ja, wanneer verwacht u de uitkomsten met de Kamer te kunnen delen?
Op de kwaliteit en veiligheid in de kinderopvang wordt toezicht gehouden door de GGD’en. Zij doen dit in opdracht van gemeenten. Kinderopvanglocaties worden door de GGD minimaal jaarlijks geïnspecteerd en vaker als hiertoe aanleiding is. De Inspectie van het Onderwijs houdt interbestuurlijk toezicht op de gemeentelijke taken toezicht en handhaving in de kinderopvang.
Is bekend of personeelstekorten, werkdruk of organisatorische tekortkomingen hebben bijgedragen aan dit incident? Zo nee, wordt dit onderdeel van het onderzoek?
GGD Rotterdam-Rijnmond, de toezichthouder voor de desbetreffende locatie in Schiedam, heeft in opdracht van de gemeente onderzoek naar het incident gedaan. Daarbij is onder meer gekeken naar de personeelsbezetting, de werkwijze voor het aan- en afmelden, en het afsluiten van groepen. Na afronding van het onderzoek zijn de uitkomsten openbaar gemaakt in de vorm van een inspectierapport. Het rapport is te vinden in het Landelijk Register Kinderopvang.
Uit het rapport volgt dat de organisatie voldoet aan de kwaliteitseisen voor personeelsinzet. De geconstateerde tekortkoming ziet op het veiligheids- en gezondheidsbeleid.
Zoals gebruikelijk heeft de kinderopvangorganisatie gereageerd op het rapport en gaat zij met de verbeterpunten aan de slag.
Hoe vaak is het de afgelopen vijf jaar voorgekomen dat een kind na sluitingstijd alleen is achtergelaten in een kinderopvanglocatie en welke maatregelen zijn naar aanleiding van dergelijke incidenten genomen?
Hiervan zijn geen cijfers bekend, omdat deze niet landelijk worden bijgehouden.
Het nemen van maatregelen om risico’s tegen te gaan, bijvoorbeeld die zijn gebleken naar aanleiding van een incident, is onderdeel van het verplichte veiligheids- en gezondheidsbeleid van kinderopvangorganisaties. Indien er bij een GGD-onderzoek niet-naleving is geconstateerd, worden er door de kinderopvangorganisatie maatregelen geformuleerd voor herstel. Deze worden bij een volgende inspectie heronderzocht.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat een kind alleen achterblijft in een kinderopvang en bent u bereid te bezien of landelijke, verplichte eindcontroles bij het afsluiten van een locatie noodzakelijk zijn om herhaling te voorkomen?
De veiligheid van kinderen in de kinderopvang wordt zo veel als mogelijk geborgd in bestaande wet- en regelgeving. Kinderopvangorganisaties zijn gebonden aan strenge waarborgen voor de veiligheid van kinderen. De GGD’en houden toezicht op de naleving van deze verplichtingen. Wanneer een incident plaatsvindt, is het aan de organisatie om dit te evalueren en haar werkwijze waar nodig aan te passen. Ik blijf in gesprek met de sector om te bevorderen dat bestaande verplichtingen zorgvuldig worden uitgevoerd om de veiligheid van kinderen te borgen.
De obstakels bij integratie voor de buitenlandse partners van Nederlanders |
|
Wimar Bolhuis (PvdA) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat Nederlanders die een liefdesrelatie hebben met een niet-EU-inwoner en aan de inkomenseisen voldoen, de mogelijkheid zouden moeten hebben om samen met hun geliefde een leven op te bouwen in Nederland, waarbij de niet-Nederlandse partner zo snel mogelijk zou moeten kunnen inburgeren?
Ja, wanneer aan de wettelijke voorwaarden is voldaan.
Deelt u de mening dat praktische obstakels die de vlotte inburgering van deze liefdespartners in de weg staan, zo veel mogelijk vermeden en opgeheven moeten worden?
In zijn algemeenheid wel. Dat wil zeggen: voor zover andere belangen dan die van de betrokken liefdespartners daardoor niet onevenredig geschaad worden. Het gaat dan onder meer om het belang van de Nederlandse samenleving dat de vreemdeling die naar Nederland komt al een zekere kennis van de Nederlandse taal en de Nederlandse samenleving heeft (Wet inburgering buitenland) en dat van tevoren al is getoetst of hij aan de toelatingsvoorwaarden voldoet (mvv-vereiste).
Acht u het wenselijk dat liefdespartners van Nederlanders honderden euro’s kwijt zijn louter en alleen aan de reiskosten om het basisexamen inburgering in het buitenland te kunnen afleggen?
Het is van belang dat alle examens op een betrouwbare, veilige en objectieve wijze worden afgenomen. Dit is alleen mogelijk op een diplomatieke Nederlandse post in het buitenland. Gezien het beperkte aantal locaties van deze posten kan het zijn dat personen hiervoor moeten reizen. Dat brengt kosten met zich mee: de onwenselijkheid van kosten die de vreemdeling moet maken weegt echter niet op tegen het borgen van de objectiviteit en betrouwbaarheid van het examen.
Is het mogelijk om buitenlandse partners van Nederlanders het basisexamen inburgering in het buitenland digitaal van op afstand te laten afleggen wanneer er geen examenfaciliteit in hun stad of dorp beschikbaar is? Zo nee, wat is ervoor nodig om dat wel mogelijk te maken?
Het is op dit moment technisch en organisatorisch niet mogelijk om het basisexamen inburgering buitenland digitaal af te leggen, anders dan op een diplomatieke post. Zoals gezegd kan alleen op deze manier gecontroleerd worden op fraude.
Wat is de gemiddelde doorlooptijd van het basisexamen inburgering in het buitenland? En wat is de gemiddelde doorlooptijd van de procedure voor een machtiging tot voorlopig verblijf?
Als het gaat om het basisexamen dan verschilt het per diplomatieke post wanneer iemand daar terecht kan voor het afleggen van een examen. In principe kan iemand binnen enkele maanden examen doen, uitzonderingen daargelaten. Examens worden door de aanvrager vaak verder van tevoren aangevraagd zodat diegene zich hier nog op voor kan bereiden.
De gemiddelde doorlooptijd van de mvv-procedure voor gezinshereniging/-vorming bedroeg in 2025 83 dagen.
Kan de termijn van acht weken waarover DUO beschikt om de examenuitslag bekend te maken, ingekort worden? Zo ja, met hoeveel weken? Zo nee, wat precies staat een inkorting in de weg?
Nee. De termijn van maximaal acht weken heeft te maken met het examenonderdeel Spreekvaardigheid. Dit onderdeel wordt nagekeken door menselijke beoordelaars, waarbij elke beoordelaar in principe maar 2 opgaven mag beoordelen, om te komen tot een uitslag met een hoge betrouwbaarheid. Dit proces vergt al snel 4 á 5 weken, dat is op dit moment ook de gemiddelde beoordelingstermijn. Om ook uitschieters op te kunnen vangen is de maximale termijn op 8 weken gesteld.
Hoe verhoudt de lange duurtijd van de combinatie van het basisexamen inburgering in het buitenland plus de procedure voor een machtiging tot voorlopig verblijf zich tot het recht op gezinsleven uit artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), wanneer aan alle inkomens- en huisvestingseisen wordt voldaan, en wanneer de wachttijd in de praktijk samenvalt met perioden waarin echtgenoten elkaar door visumtellingen niet eens fysiek mogen ontmoeten?
Een lidstaat heeft de taak om zorgvuldig te toetsen of aan al de toelatingsvoorwaarden voor gezinshereniging is voldaan. De EU-richtlijn gezinshereniging (EG 2003/86) geeft lidstaten daarvoor maximaal negen maanden de tijd. In Nederland is de wettelijke beslistermijn voor gezinshereniging maximaal 90 dagen en bij statushouders negen maanden. Hier wordt aan voldaan. Van schending van artikel 8 van de EVRM is dus geen sprake.
Een fysieke ontmoeting tussen echtgenoten is mogelijk buiten Nederland. Vreemdelingen die visumvrij (voor kort verblijf) zijn kunnen dit ook in Nederland doen (gedurende de vrije termijn). Bij visumplichtige vreemdelingen ligt dat genuanceerder. Bij de beoordeling van de aanvraag van een visum kort verblijf wordt door Buitenlandse Zaken in overweging genomen of er een duidelijk en concreet motief is om tijdens de lopende mvv-procedure naar NL te reizen, of de reden legitiem en goed onderbouwd is, en of het verblijfsdoel van de mvv-aanvraag relevant is voor de beoordeling van de aanvraag om het visum kort verblijf.
Is het mogelijk bij het inplannen van het basisexamen inburgering in het buitenland al het proces voor een machtiging tot voorlopig verblijf op te starten, zodat deze processen parallel lopen en mensen dus niet onnodig lang hoeven te wachten? Zo nee, wat concreet staat dat in de weg?
Nee, dat is niet mogelijk. Een geslaagd basisexamen inburgering buitenland is noodzakelijk voor de mvv-aanvraag. Zonder dit document is er sprake van een incomplete aanvraag. Voor de IND is het inefficiënt en onwenselijk om een niet-complete aanvraag toch te behandelen en vervolgens te wachten tot het ontbrekende diploma wordt overgelegd. De IND moet dan twee keer de aanvraag behandelen. Bovendien bestaat het risico dat het diploma nooit wordt overgelegd omdat het niet is gehaald.
Op welke objectieve gronden zijn partners uit Australië, Canada, Japan, Monaco, Nieuw-Zeeland, Vaticaanstad, Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten van Amerika, Zuid-Korea of Zwitserland vrijgesteld van het basisexamen buitenland, terwijl partners uit andere landen deze eis wel krijgen opgelegd? Is dit onderscheid nog te rechtvaardigen?
Op grond van buitenlands-politieke en economische redenen zijn bovengenoemde landen vrijgesteld van het basisexamen buitenland. Nederland vindt het wenselijk dat burgers van deze landen op een snellere en eenvoudiger wijze toelating tot Nederland kunnen krijgen. Het kabinet meent dat genoemde redenen een voldoende rechtvaardigingsgrond is voor het onderscheid dat gemaakt wordt in het mvv-vereiste, conform de EU-richtlijn gezinshereniging (EG 2002/86).1
Overigens heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State prejudiciële vragen over precies deze kwestie gesteld aan het Hof van Justitie van de EU (C-394–25, Volta).
Overweegt u de vrijstelling van het basisexamen inburgering in het buitenland uit te breiden naar andere landen wanneer het gaat om de liefdespartners van Nederlanders? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet overweegt geen uitbreiding van de vrijstelling van het basisexamen inburgering in het buitenland.
Het kabinet hecht eraan dat gezinsmigranten, die mvv-plichtig zijn, een zekere kennis van de Nederlandse taal en de Nederlandse samenleving hebben, voordat zij naar Nederland komen om hier te verblijven.
Is het kabinet bereid te onderzoeken of inburgering in Nederland zelf, onder begeleiding van de Nederlandse echtgenoot en familie, een gelijkwaardig of beter alternatief kan zijn voor het examen in het buitenland? Zo nee, waarom niet?
Nee, dit voorstel wordt als niet wenselijk gezien. Zoals geantwoord op vraag 10 en toegelicht in de Memorie van Toelichting bij de wet inburgering buitenland, hecht het kabinet eraan dat gezinsmigranten, die mvv-plichtig zijn, een zekere kennis van de Nederlandse taal en de Nederlandse samenleving hebben voordat zij naar Nederland komen om hier te verblijven. Het voorgestelde alternatief is daarmee strijdig.
Hoe weegt het kabinet de mentale en relationele schade van maandenlange gedwongen scheiding mee in de proportionaliteitstoets? Welke maatregelen zal het kabinet nemen om een vlottere inreis en integratie van liefdespartners van Nederlanders te garanderen om dit soort mentale en relationele schade te voorkomen?
Het kabinet onderkent dat langdurige scheiding van partners mentale en relationele impact kan hebben. Tegelijkertijd moeten toelatingsprocedures objectief, uitvoerbaar en juridisch houdbaar zijn. Omdat de mate van mentale en relationele impact per persoon sterk kan verschillen en niet op een objectieve manier vast te stellen is, kan dit geen afzonderlijk criterium zijn binnen de toelatingsprocedure.
Kunt u iedere vraag afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het kabinetsplan om 75.000 asielzoekers aan werk te helpen |
|
Milan Schenk (FVD) |
|
Bart van den Brink (CDA), Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat het kabinet als doelstelling heeft om ervoor te zorgen dat in december 2030 75.000 meer statushouders en asielzoekers aan het werk zijn dan nu het geval is?
Waarom acht het kabinet het een kerntaak van de Nederlandse overheid om 75.000 statushouders en asielzoekers aan werk te helpen?
Deelt het kabinet de opvatting dat asielopvang in beginsel tijdelijk van aard is en niet bedoeld is als instrument voor arbeidsmarktbeleid?
Indien het antwoord op vraag 3 ontkennend luidt, waarom niet?
Klopt het dat het kabinet expliciet wil investeren in asielzoekers die nog in procedure zijn, maar volgens het kabinet een redelijke kans maken op een verblijfsvergunning?
Hoeveel asielzoekers die in het verleden als kansrijk werden aangemerkt, hebben uiteindelijk geen verblijfsvergunning gekregen? Graag een overzicht vanaf 2010.
Kan het kabinet uitsluiten dat het vroegtijdig begeleiden van asielzoekers naar werk, scholing en integratie de druk vergroot om uiteindelijk een verblijfsvergunning te verlenen?
Indien het antwoord op vraag 7 ontkennend luidt, waarom niet?
Hoe beoordeelt het kabinet het risico dat werkgevers, gemeenten of maatschappelijke organisaties zich in toekomstige procedures op het standpunt zullen stellen dat een asielzoeker inmiddels dusdanig is geïntegreerd dat terugkeer onwenselijk is?
Kan het kabinet uitsluiten dat dit beleid een extra aanzuigende werking heeft op personen die primair economische motieven hebben om via de asielroute toegang tot de Nederlandse arbeidsmarkt te verkrijgen?
Indien het antwoord op vraag 10 ontkennend luidt, waarom niet?
Het kabinet zet in op het aanpakken van arbeidsmarkttekorten door asielmigranten sneller naar werk te begeleiden maar tegelijkertijd constateert het kabinet dat arbeidsmigratie druk legt op de bevolkingsgroei en geen structurele oplossing vormt voor krapte op de arbeidsmarkt; hoe beoordeelt u deze spanning?
Bent u zich bewust van signalen dat de vraag op de arbeidsmarkt in verschillende sectoren afneemt en zijn er prognoses beschikbaar over de wijze waarop de arbeidsmarkt zich de komende jaren zal ontwikkelen en welke gevolgen de instroom van 75.000 extra werknemers daarop zal hebben?
Wat is volgens het kabinet het effect van deze instroom op de arbeidsmarktkansen van Nederlandse werknemers?
Bent u het ermee eens dat verbeteringen op het gebied van arbeidsproductiviteit, innovatie en automatisering op de langere termijn een betere oplossing vormen dan een voortdurende uitbreiding van het arbeidsaanbod door migratie?
Hoeveel procent van de huidige statushouders beschikt volgens het kabinet over relevante werkervaring en/of een opleiding die aansluit op tekortsectoren zoals de bouw, techniek of zorg?
Hoe ziet u in dat licht de instroom van 75.000 extra werknemers, terwijl een groot deel van deze groep naar verwachting niet beschikt over de kwalificaties die in de grootste tekortsectoren worden gevraagd?
Kunt u reflecteren op de gevolgen die een instroom van 75.000 extra werknemers in met name lager- en middelbaar geschoolde arbeid kan hebben voor lonen, arbeidsvoorwaarden en arbeidsmarktkansen van Nederlandse werknemers die momenteel in deze sectoren werkzaam zijn?
Hoe kunnen de inburgeringseisen worden geflexibiliseerd zonder dat de kwaliteit van de inburgering onder druk komt te staan?
U schrijft dat de werkvloer een geschikte plek is om de Nederlandse taal te leren maar tegelijkertijd zien wij dat binnen steeds meer sectoren het Nederlands juist wordt verdrongen door het Engels; waarom verwacht u dat dit bij asielmigranten anders zal verlopen en hoe gaat hij waarborgen dat het Nederlands daadwerkelijk de voertaal blijft?
Klopt het dat het kabinet streeft naar huisvesting van werkende statushouders in de regio waar zij werkzaam zijn?
Betekent dit dat arbeidsmarktoverwegingen een rol gaan spelen bij de verdeling van statushouders over gemeenten?
Indien het antwoord op vraag 22 bevestigend luidt, hoe verhoudt zich dat tot het uitgangspunt dat asielopvang en huisvesting primair voortvloeien uit humanitaire bescherming en niet uit economische belangen?
Hoeveel belastinggeld verwacht het kabinet de komende vier jaar uit te geven aan de uitvoering van de aanpak Werk en Meedoen voor statushouders en asielzoekers?
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Kunt u voor uw ministerie uitgesplitst per jaar voor de komende kabinetsperiode, inzichtelijk maken hoeveel publieke middelen worden besteed aan adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties, waaronder maar niet beperkt tot het Voedingscentrum, het College financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten, de Nederlandse Sportraad en de Wetenschappelijke Klimaatraad?
In de vragen wordt verwezen naar verschillende (vormen van) organisaties die de regering op enigerlei wijze van advies (kunnen) voorzien. Ten behoeve van de beantwoording wordt onderscheid gemaakte tussen deze organisatievormen.
De regering wordt onder meer geadviseerd door onafhankelijke adviescolleges. Op grond van artikel 79 van de Grondwet en de Kaderwet adviescolleges worden vaste adviesorganen van het Rijk die adviseren over wetgeving en beleid, bij wet ingesteld. Adviescolleges kunnen op verzoek van regering of parlement, of ongevraagd, adviseren over beleid en wetgeving op het terrein waarop zij zijn ingesteld. De in de vraagstelling genoemde Wetenschappelijke Klimaatraad en de Nederlandse Sportraad zijn adviescolleges in de zin van de Kaderwet. De adviescolleges onder de Kaderwet die in 2025 actief waren, zijn opgenomen in de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk 2025.1 Een actueel overzicht van de adviescolleges onder de Kaderwet wordt bijgehouden in het Register van Overheidsorganisaties.2
Naast adviescolleges in de zin van de Kaderwet adviescolleges, bestaan er ook onafhankelijke externe commissies. Niet alle externe commissies zijn adviescommissies. Voor zover deze commissies (ook) een adviestaak hebben, adviseren zij de regering onafhankelijk over de uitvoering van bestaand beleid. De lijst van externe commissies wordt zo goed als mogelijk bijgehouden in het Register van Overheidsorganisaties.3 Voor de instelling van externe commissies hanteert het kabinet de Leidraad instellen externe commissies.4
Voor de meeste adviescolleges en -commissies worden begrote uitgaven niet apart op de departementale begroting vermeld. Om tegemoet te komen aan het informatieverzoek uit vragen 1 en 2, zal het kabinet eenmalig een overzicht opstellen met de financiële middelen die bij de departementen begroot zijn voor de adviescolleges die adviseren over beleid en wetgeving. Dit zijn de adviescolleges onder de Kaderwet adviescolleges en de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid.5 Er is enige tijd nodig om deze informatie bij de departementen te verzamelen en op een inzichtelijke wijze te kunnen presenteren. Ik zal dit overzicht voor het einde van het derde kwartaal aan de Kamer doen toekomen.
Het College financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten (Cft), ook genoemd in vraag 1, valt niet onder de reikwijdte van de Kaderwet adviescolleges. De taken, inrichting en werkwijze van het Cft zijn onder meer vastgelegd in de Rijkswet financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten. Het Cft toetst aan de normen zoals opgenomen in de Rijkswet financieel toezicht en adviseert hierover gevraagd en ongevraagd aan de Rijksministerraad. De uitgaven aan het Cft komen ten laste van Hoofdstuk IV Koninkrijksrelaties, artikel 6 (Apparaat) en zijn in de onderstaande tabel weergegeven. De in de tabel opgenomen uitgaven hebben betrekking op de volledige organisatie die de werkzaamheden verricht ten behoeve van het College financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten, het College financieel toezicht BES (Cft BES) en het College Aruba financieel toezicht (CAft). De colleges financieel toezicht hebben als toezichthouder tot doel om met de besturen van Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba duurzame overheidsfinanciën te realiseren. Het Cft BES voert zijn taken uit op basis van Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba; het CAft doet dit op grond van de Landsverordening Aruba financieel toezicht.
6.063
4.519
4.308
4.735
4.624
4.612
In vragen 1 en 2 wordt daarnaast verwezen naar «non-gouvernementele organisaties». Departementen kunnen aan organisaties die geen onderdeel uitmaken van de Rijksoverheid subsidies verstrekken met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager. De Kamers worden structureel geïnformeerd over welke subsidies door de departementen verstrekt worden. Op grond van de Rijksbegrotingsvoorschriften6 worden in alle begrotingen per begrotingsartikel in de tabel «budgettaire gevolgen van beleid» de subsidies opgenomen, met een ondergrens van € 1 miljoen.7 In bijlage 3 bij elke begroting, het subsidieoverzicht, wordt een overzicht van alle subsidies voor het betreffende departement opgenomen, zonder budgettaire ondergrens. Hierbij wordt ook het subsidiebedrag tot twee jaar voor en vier jaar na het betreffende begrotingsjaar vermeld. Tevens dient voor elke subsidie het betreffende begrotingsartikel, de grondslag van de subsidie in wet- of regelgeving en de laatst beschikbare evaluatie te worden opgenomen. In de vraag wordt specifiek aandacht gevraagd voor het Voedingscentrum. Het Voedingscentrum is geen adviesorgaan van de overheid, maar een stichting die werkt op basis van subsidies van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. Ook deze subsidies worden vermeld in de betreffende begrotingen, zoals hierboven beschreven. Daarnaast heeft de Minister van VWS, in antwoord op vragen van leden van uw Kamer, recent aanvullende informatie verstrekt over de subsidies aan het Voedingscentrum.8
Kunt u per ministerie exact aangeven hoe de financiering van deze adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties is vormgegeven (structureel/incidenteel, subsidie/opdracht, looptijd en verantwoordingsvereisten) en welke begrotingsartikelen hiervoor worden aangesproken, neem hierin ook constructies mee zoals bij het Voedingscentrum, waarbij financiering van twee departementen komt?
Zie antwoord vraag 1.
Welke formele en informele invloed hebben deze adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties op beleidsvorming binnen elk ministerie? Kunt u concreet aangeven welke beleidsvoorstellen in het afgelopen jaar aantoonbaar zijn aangepast, gestart of versneld naar aanleiding van hun adviezen?
Het is niet mogelijk om specifiek aan te geven of er op enig moment in het afgelopen jaar, op een ministerie, een beleidsvoorstel is aangepast vanwege «informele invloed» van een orgaan dat onder de brede definitie uit de vraagstelling valt. In algemene zin kan ik zeggen dat het kabinet hecht aan een transparant openbaar bestuur. Het kabinet heeft die inzet onder meer beschreven in de beleidsbrief Binnenlandse Zaken.9 Van «formele invloed» van non-gouvernementele organisaties is uiteraard geen sprake.
Hoogwaardige en onafhankelijke advisering van adviescolleges komt de beleidsvorming ten goede en levert een bijdrage aan de kwaliteit en het functioneren van het openbaar bestuur. Het rapport «Deskundige Overheid» van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid wijst erop dat een deskundige overheid in staat moet zijn om relevante kennis en kunde binnen het brede kennisecosysteem rond de overheid op een goede manier te betrekken bij de beleidsvorming. Adviezen van adviescolleges, net als andere adviezen die het kabinet ontvangt, kunnen daarmee uiteraard invloed hebben op het beleid. Daar gaat echter altijd een politieke weging aan vooraf. Adviezen zijn, naar hun aard, namelijk niet bindend. De formele kaders van het adviesstelsel zijn erop gericht om transparantie over ontvangen adviezen te bevorderen en het primaat van de politiek te borgen. Artikel 80, eerste lid, van de Grondwet bepaalt dat adviezen van adviescolleges die adviseren over beleid en wetgeving openbaar gemaakt dienen te worden. De Kaderwet adviescolleges verplicht de verantwoordelijk bewindspersoon om binnen drie maanden na ontvangst van een dergelijk advies diens standpunt kenbaar te maken aan de Eerste en Tweede Kamer. Ook de Kamers vragen het kabinet geregeld om te reageren op adviezen van adviescolleges, bijvoorbeeld als de Kamer zelf om het betreffende advies verzocht heeft. Met dit alles wordt richting de Kamers en de samenleving inzichtelijk gemaakt welke adviezen de regering gehad heeft van adviescolleges en hoe de regering met deze adviezen is omgegaan. Het kabinet weegt adviezen, geeft zijn reactie, neemt besluiten, en legt daarover verantwoording af aan uw Kamer. Het is goed te markeren dat het kabinetsbeleid is om geen «adviesverplichtingen» in te voeren, waarbij de regering verplicht is om advies te vragen alvorens zij beleid of wetgeving maakt. Dit is verankerd in de Aanwijzingen voor de regelgeving.10 Voor de instelling van externe commissies, buiten de Kaderwet adviescolleges, geldt de Leidraad instellen externe commissies. Hierbij worden dezelfde uitgangspunten gehanteerd als onder de Kaderwet. Ook daar geldt dat bewindspersonen de Kamers informeren over adviezen van onafhankelijke externe commissies en de reactie van het kabinet op deze adviezen.
Hoe wordt per ministerie de onafhankelijkheid en objectiviteit van publiek gefinancierde adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties getoetst en geborgd? Welke toetsingskaders worden gehanteerd en welke concrete maatregelen worden genomen bij (de schijn van) belangenverstrengeling of een gebrek aan wetenschappelijke of beleidsmatige neutraliteit?
Leden van adviescolleges worden conform de Kaderwet adviescolleges benoemd op grond van deskundigheid en ervaring op het beleidsterrein waarop het adviescollege is ingesteld. Adviescolleges opereren onafhankelijk. Ambtenaren die werkzaam zijn bij een ministerie of een onder het ministerie ressorterende instelling zijn daarom bij wet uitgesloten van het lidmaatschap van een adviescollege dat adviseert op het beleidsterrein waarop de ambtenaar werkzaam is. Ook legt de secretaris van het adviescollege over diens werkzaamheden slechts verantwoording af aan het college. Voor externe adviescommissies worden, conform de Leidraad instellen externe commissies, dezelfde uitgangspunten gehanteerd. Er is daarnaast wet- en regelgeving omtrent de vergoedingen van leden van adviescolleges- en commissies en de openbaarmaking daarvan. Het kabinet hecht er daarnaast aan dat adviescolleges transparant zijn over nevenfuncties van raadsleden.11
Over non-gouvernementele organisaties kan ik in algemene zin zeggen dat de Kamer via de begrotingen structureel geïnformeerd wordt over welke subsidies worden verstrekt en welke wet- en regelgeving hierop van toepassing is.
Voor subsidies dient in het subsidieoverzicht bij elk begrotingshoofdstuk vermeld te worden ten laste van welk begrotingsartikel een subsidie komt, de grondslag van de subsidie in wet- of regelgeving en de laatst beschikbare evaluatie. Langs die weg wordt inzichtelijk gemaakt welke voorwaarden er aan subsidies gesteld worden.
Kunt u per ministerie inzichtelijk maken welke externe organisaties, lobbyclubs of consultants door adviesraden of commissies zijn ingehuurd met publieke middelen, inclusief de aard van de opdrachten, de kosten en de wijze waarop deze uitgaven zijn verantwoord?
Zie mijn antwoord op vragen 1 en 2. Adviescolleges kunnen zich, op grond van artikel 19 van de Kaderwet adviescolleges, laten bijstaan door andere personen voor zover dat voor de invulling van hun wettelijke adviestaak noodzakelijk is. Het is passend dat adviescolleges hierin onafhankelijk opereren. Conform de Leidraad instellen externe commissies geldt hetzelfde uitgangspunt voor externe (advies)commissies.
Kunt u per ministerie inzichtelijk maken hoeveel fte ambtenaren jaarlijks betrokken zijn bij activiteiten rondom deze raden en commissies, inclusief het verwerken van hun adviezen, en welke totale kosten hiermee gemoeid zijn?
Het kabinet houdt niet bij hoeveel uren ambtenaren besteden aan dergelijke werkzaamheden. Het is een regulier en integraal onderdeel van het werk van een beleidsdepartement om contact te hebben met partijen die de regering gevraagd of ongevraagd van kennis en advies voorzien, om reacties op deze adviezen voor te bereiden en vervolgens de bewindspersoon te ondersteunen bij het afleggen van verantwoording aan het de Staten-Generaal.
Hoe beoordeelt u de recente maatschappelijke en politieke ophef rondom het advies van het Voedingscentrum? Welke lessen trekken de betrokken Ministers hieruit ten aanzien van transparantie, onafhankelijkheid en rolvastheid van adviesorganen, en welke concrete verbetermaatregelen worden doorgevoerd?
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft hier in het commissiedebat Leefstijlpreventie op 23 april jl. en in het navolgende Tweeminutendebat op 18 juni jl. uitgebreid met leden van uw Kamer over gesproken. Het Voedingscentrum voorziet in de onafhankelijke voorlichting over voedsel en voeding. De Schijf van Vijf die hiervoor de basis vormt, is een vertaling van de Richtlijnen goede voeding van de Gezondheidsraad. De Gezondheidsraad is een onafhankelijk adviesorgaan voor regering en parlement. Het Voedingscentrum is geen adviesorgaan van de overheid, maar een stichting die werkt op basis van subsidies van de Ministeries van VWS en LVVN. Zowel de Gezondheidsraad als het Voedingscentrum zijn onafhankelijk werkende organisaties die zich baseren op de wetenschap. De onderbouwing van zowel de Richtlijnen van de Gezondheidsraad en de totstandkoming van de Schijf van Vijf zijn online beschikbaar en daarmee transparant. Het kabinet hecht waarde aan de onafhankelijke rol en taken van het Voedingscentrum en waakt ervoor dat ministeries hierop inhoudelijk invloed uitoefenen. Het kabinet vindt dat het Voedingscentrum naar haar rol heeft gehandeld en ziet daarom geen aanleiding voor verbetermaatregelen.
Acht u het wenselijk dat door de overheid gefinancierde adviesraden en commissies voorstellen doen met zeer ingrijpende maatschappelijke en economische gevolgen zoals een vleestaks, een forse reductie van dierlijk eiwit of het afbouwen van delen van de zware industrie, zoals voorgesteld door de Wetenschappelijke Klimaatraad? Hoe weegt elk ministerie dergelijke adviezen ten opzichte van democratische besluitvorming, draagvlak en economische realiteit?
Het kabinet vindt het in algemene zin wenselijk dat adviescolleges, vanuit hun onafhankelijke deskundigheid, de adviestaak vervullen die de wetgever hun heeft opgedragen. Het staat adviescolleges, zoals de Wetenschappelijke Klimaatraad, daarmee vrij om beleidsmaatregelen voor te stellen ter uitvoering van hun wettelijke adviestaak. Adviezen zijn, naar hun aard, niet bindend. Zoals beschreven bij antwoord 3, is er een duidelijke en transparante rolverdeling tussen adviescolleges en regering. Adviescolleges adviseren; het kabinet weegt adviezen, geeft zijn reactie, neemt besluiten, en legt daarover verantwoording af aan uw Kamer.
Het inwisselen van buitenlandse rijbewijzen in Nederland |
|
Esmah Lahlah (GroenLinks-PvdA) |
|
Vincent Karremans (VVD), Thierry Aartsen (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de regels rondom het inwisselen van buitenlandse rijbewijzen in Nederland?
Klopt het dat personen die gebruikmaken van de 30%-regeling, zoals kennismigranten, hun buitenlandse rijbewijs uit elk land kunnen omwisselen voor een Nederlands rijbewijs zonder opnieuw examens hoeven af te leggen?
Klopt het dat statushouders daarentegen, bijvoorbeeld afkomstig uit Syrië, hun rijbewijs niet kunnen omwisselen en daardoor opnieuw examens moeten afleggen, kosten moeten maken en daardoor vertraagd worden?
Hoe verklaart u het verschil in behandeling tussen kennismigranten die onder de 30%-regeling vallen en statushouders bij het omwisselen van rijbewijzen?
In hoeverre is dit verschil tussen de behandeling bij bijvoorbeeld een Syrische arbeidsmigrant en een Syrische statushouder gebaseerd op verkeersveiligheid of objectieve kwaliteitseisen, en in hoeverre op andere factoren zoals verblijfsgrond en economische positie?
Tot hoeverre acht u het wenselijk dat de afweging of iemand zijn rijbewijs kan omwisselen of niet, gebaseerd is op verblijfsgrond en economische positie?
Deelt u de opvatting dat het onderscheid tussen groepen migranten op basis van regeling (zoals de 30%-regeling) moeilijk uitlegbaar is wanneer het niet direct samenhangt met verkeersveiligheid?
Bent u bereid te onderzoeken of de regels voor het omwisselen van rijbewijzen eenduidiger en rechtvaardiger kunnen, bijvoorbeeld door één lijn te trekken voor verschillende groepen migranten op basis van objectieve verkeerskwaliteiteisen?
Bent u bekend met de motie van het lid Lahlah over het wegnemen van drempels voor asielzoekers met een W-document om een rijbewijs aan te vragen1 en uw appreciatie waarin u deze motie ontraadt?2
Klopt het dat asielzoekers met een W-document wel theorie- en praktijkexamens kunnen afleggen bij het CBR, maar vervolgens geen Nederlands rijbewijs kunnen aanvragen?
Klopt het dat er op dit moment tussen en binnen gemeentes verschillen zijn in de mogelijkheden voor asielzoekers om een rijbewijs te kunnen aanvragen na afgelegde theorie- en praktijkexamens?
Kunt u nader toelichten hoe het woonlandbeginsel uit de Europese rijbewijsrichtlijn wordt geïnterpreteerd in relatie tot asielzoekers met een W-document?
In hoeverre biedt dit woonlandbeginsel ruimte voor nationale interpretatie, en benut Nederland deze ruimte maximaal?
Hoe gaan andere EU-lidstaten om met asielzoekers die een rijbewijs willen aanvragen voordat zij een definitieve verblijfsstatus hebben? Zijn er voorbeelden van landen waarbij asielzoekers wel een rijbewijs kunnen aanvragen?
Deelt u de opvatting dat het toestaan van examens zonder de mogelijkheid om een rijbewijs te verkrijgen kan leiden tot inefficiëntie, kosten en frustratie bij betrokkenen?
Deelt u de opvatting dat, indien dit juridisch mogelijk is, wie zijn rijexamens heeft gehaald ook een rijbewijs moet kunnen krijgen?
In uw appreciatie van de eerder genoemde motie van het lid Lahlah geeft u aan dat er wordt gewerkt aan een implementatie van de vierde rijbewijsrichtlijn vanuit Brussel; zal deze implementatie ruimte kunnen bieden voor de wetgever om iets te doen aan onze invulling van «gewone verblijfplaats» en het woonlandbeginsel?
Welke mogelijkheden ziet u om, binnen de bestaande Europese kaders, deze belemmeringen te verminderen of weg te nemen?
In hoeverre bent u bereid zich in te spannen om bestaande belemmeringen weg te nemen voor asielzoekers, met name wanneer deze niet direct voortvloeien uit verkeersveiligheidseisen maar uit administratieve of verblijfsrechtelijke voorwaarden? Op welke manier bent u van plan om die inspanning invulling te geven en met welk tijdspad?
Fraude bij inburgeringsexamens |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de opvatting dat fraude bij inburgeringsexamens directe consequenties moet hebben voor het verblijfsrecht van betrokkenen? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan?1
Het plegen van fraude vind ik onacceptabel. Wanneer fraude wordt ontdekt bij het basisexamen inburgering buitenland (bib) wordt de aanvraag om de machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) dan ook geweigerd.
Als er wordt ontdekt dat een examenkandidaat heeft gefraudeerd bij het afleggen van een inburgeringsexamen in Nederland op grond van de Wet inburgering 2021 (Wi2021), dan wordt de examenuitslag ongeldig verklaard. Dit is bijvoorbeeld het geval als een examenkandidaat zich voordoet als een andere persoon, of als een kandidaat verboden hulpmiddelen zoals o.a. telefoons, camera’s, zonnebrillen en horloges meeneemt in de examenzaal. Dit kan er vervolgens toe leiden dat betrokkene niet in aanmerking komt voor een inburgeringsdiploma of, wanneer dit niet direct maar achteraf wordt ontdekt, dat een afgegeven inburgeringsdiploma wordt ingetrokken.
De intentie is om de verblijfsvergunning dan wel het Nederlanderschap niet te verlengen c.q. in te trekken. De mogelijkheden daartoe zijn echter beperkt. Of daartoe kan worden overgegaan, hangt af van de feiten en omstandigheden van het individuele geval. Daarbij vindt steeds een zorgvuldige belangenafweging plaats. Onder andere het evenredigheidsbeginsel en de persoonlijke omstandigheden van betrokkene, waaronder het recht op eerbiediging van het gezins- en privéleven, worden hierin meegewogen.
Welke mogelijkheden bestaan er om reeds verleende verblijfsvergunningen of naturalisaties, die (mede) zijn gebaseerd op frauduleus verkregen inburgeringscertificaten, in te trekken?
Zie antwoord vraag 1.
Hoeveel personen hebben mogelijk ten onrechte een inburgeringscertificaat verkregen als gevolg van deze fraude, en wat betekent dit voor de betrouwbaarheid van het huidige systeem?
Als het gaat om het basisexamen inburgering buitenland dan zijn de controles naar aanleiding van de fraudezaken aangescherpt. Dergelijk misbruik is onacceptabel. Sinds ik uw Kamer op 24 april jl. heb geïnformeerd is er nog een vervalst slagingsbewijs van het bib ontdekt. Op dit moment zijn er dus acht gevallen van fraude bekend. De aanvraag van de mvv van deze acht personen is afgewezen. Door streng op te treden, zoals het doen van aangifte, wordt een duidelijk signaal afgegeven dat misbruik en fraude niet getolereerd worden. Er vinden nu extra controles plaats en er wordt strenger gecontroleerd op de slagingsbewijzen. Ik onderzoek daarnaast welke vervolgstappen nodig zijn om deze vorm van misbruik in de toekomst te voorkomen. Op deze manier blijft de betrouwbaarheid van het huidige systeem gewaarborgd.
Voor wat betreft de inburgeringsdiploma’s die zijn verkregen op basis van het slagen voor het inburgeringsexamen in Nederland, op grond van de Wi2021, is het volgende van belang. Zoals ik in mijn brief aan uw Kamer van 24 april jl. heb laten weten, heeft het College voor Toetsen en Examens (CvTE) alle examens van het onderdeel spreekvaardigheid op niveau B1, die op 13 augustus 2025 zijn afgelegd, ongeldig verklaard. Dit heeft het CvTE besloten naar aanleiding van een signaal dat alle vragen uit het examen van die dag waren gedeeld in een Whatsapp-groep. Alle kandidaten die dit examen hadden gedaan, moeten dit examen dus nogmaals afleggen of hebben dit inmiddels gedaan. Om te voorkomen dat dit nogmaals gebeurt, is het aantal afnames per dag beperkt. Doordat er inmiddels extra examens zijn ontwikkeld, is het vanaf mei weer mogelijk om op meerdere momenten per dag verschillende examens af te nemen, zodat het onderling delen van examenopgaven geen zin meer heeft. Verder heeft het CvTE de Minister van OCW en mij laten weten, niet over indicaties te beschikken dat er structureel fraude wordt gepleegd. Na elke afname van een examen worden de resultaten hiervan gemonitord en de afgelopen periode zijn er geen signalen geweest van een (onverklaarbare) sterke stijging van het aantal geslaagden.
Als gevolg van de investeringen die de afgelopen periode zijn gedaan om de databanken met examenopgaven («itembanken») van de onderdelen van het inburgeringsexamen op niveau A2 en KNM, te vergroten, kunnen er nu veel meer verschillende examenversies worden samengesteld, Dat betekent dat het onderling delen van (omschrijvingen) van examenopgaven weinig tot geen nut meer heeft, omdat de kans dat iemand een eerder gedeelde opgave in zijn of haar examen krijgt zeer klein is. Overigens komt een inburgeraar pas in aanmerking voor een inburgeringsdiploma op grond van de Wi2021 indien hij of zij is geslaagd voor alle examenonderdelen van het inburgeringsexamen2 én zowel het Participatieverklaringstraject als de Module Arbeidsmarkt en Participatie succesvol heeft afgerond.
De organisaties die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van deze examens (het CvTE en DUO) en ik, zijn en blijven alert op signalen van onregelmatigheden tijdens examens en zullen zo nodig ingrijpen als hiervan sprake is. Zoals ik in mijn eerdergenoemde brief van 24 april jl. heb aangegeven, ben ik voornemens om – wanneer de itembanken voor de A2-examens hiervoor groot genoeg zijn – deze op termijn openbaar te maken. Op die manier hebben alle kandidaten dezelfde mogelijkheden om te oefenen met het beschikbare materiaal en heeft het geen zin meer om opgaven onderling te delen. Fundamentele aanpassingen aan het examenstelsel acht ik daarom niet noodzakelijk.
Op welke wijze wordt structureel gecontroleerd op fraude bij examenafname in het buitenland, en bent u bereid deze controles aanzienlijk te intensiveren?
De afname van het basisexamen buitenland vindt plaats op een Nederlandse diplomatieke post of bij een externe dienstverlener in het buitenland. Voorafgaand aan het examen wordt de identiteit van de kandidaat vastgesteld en biometrie afgenomen. Ook wordt vooraf gecontroleerd op verboden items. In het geval dat een kandidaat niet meewerkt aan de controle, mag de kandidaat niet deelnemen aan het examen. Verder vindt continu toezicht plaats tijdens het examen. Er zijn geen signalen dat er gefraudeerd wordt bij de afname zelf. Er is dan ook geen noodzaak om de controles bij de afnames te intensiveren. De geconstateerde fraude heeft alleen betrekking op het vervalste slagingsbewijs en daar wordt nu strenger op gecontroleerd. Zie ook het antwoord op vragen 3/7, 6 en 8.
Welke rol spelen tussenpersonen, commerciële bureaus of opleidingsinstituten bij deze fraude, en welke maatregelen worden genomen om deze partijen aan te pakken of te verbieden?
Dat is op dit moment niet bekend. De verwachting is dat de strafrechtelijke procedure hier meer inzicht in kan geven. Vervolgens zal bekeken worden welke maatregelen genomen kunnen worden.
Bent u bereid om een onafhankelijk onderzoek in te stellen naar de omvang en organisatie van deze fraudepraktijken, inclusief mogelijke netwerken die hierbij betrokken zijn?
De IND heeft aangifte gedaan in zeven zaken van fraude met het basisexamen inburgering buitenland. In overleg met de politie en het OM wordt bezien of ook in de achtste zaak aangifte wordt gedaan. Een strafrechtelijke procedure kan naar verwachting meer inzicht geven in deze fraudezaken. Daarnaast wordt op dit moment strenger gecontroleerd op de slagingsbewijzen.
In hoeverre acht u het huidige inburgeringsstelsel nog robuust genoeg om misbruik te voorkomen, en welke fundamentele aanpassingen acht u noodzakelijk?
Zie antwoord vraag 3.
Wordt overwogen om de afname van inburgeringsexamens in het buitenland (tijdelijk) op te schorten totdat de integriteit van het systeem kan worden gegarandeerd?
Jaarlijks worden 6000 tot 7000 bib examens succesvol afgelegd. Er zijn nu acht gevallen van fraude bekend met slagingsbewijzen van het basisexamen inburgering in het buitenland. Deze fraude is gepleegd bij het indienen van de mvv-aanvraag. Dit zijn acht gevallen teveel en daarom is het toezicht aangescherpt. Ik zie echter geen aanleiding om de afname van de examens op te schorten. Er zijn geen fraudezaken bekend met het afleggen van het basisexamen inburgering buitenland zelf. Zoals benoemd in het antwoord op vraag 4 wordt er door ambassadepersoneel toezicht gehouden op de afname van de examens.
Hoe wordt samengewerkt met buitenlandse autoriteiten om fraude bij examenafname tegen te gaan en daders op te sporen?
Het tegengaan van fraude tijdens het basisexamen inburgering buitenland betreft een intern, Nederlands proces. Hiervoor wordt niet samengewerkt met buitenlandse autoriteiten.
Bent u bereid om aanvullende sancties in te voeren, zoals langdurige uitsluiting van het inburgeringstraject of boetes, voor personen die fraude plegen of faciliteren?
Als het gaat om de fraude die gepleegd is met het basisexamen inburgering buitenland dan is aangifte gedaan tegen zeven personen. Naast de weigering van een mvv zal een strafrechtelijke procedure moeten uitwijzen welke consequenties aan de fraude verbonden kunnen worden.
Hoewel kandidaten die een inburgeringsexamen op grond van de Wi2021 afleggen een geheimhoudingsverklaring ondertekenen, is het onderling delen van herinneringen aan examenopgaven niet strafbaar en kunnen personen die dat doen hiervoor niet strafrechtelijk worden vervolgd. Dit is anders als het gaat om ge(foto)kopieerde examenopgaven. In een dergelijk geval kan hier wel tegen opgetreden worden. Hier wordt overigens streng op gecontroleerd: zoals in het antwoord op vraag 1 en 2 is aangegeven is het voor kandidaten namelijk verboden om o.a. telefoons, camera’s, zonnebrillen en horloges mee te nemen in de examenzaal. Er zijn dan ook geen signalen dat het kopiëren van examenopgaven gebeurt.
De uitkomsten van het Ipsos I&O-onderzoek 'Kosten Kinderopvang Pleegouders' |
|
Marjolein Moorman (PvdA) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitkomsten van het Ipsos I&O-onderzoek «Kosten Kinderopvang Pleegouders» uit mei 2024, uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van VWS, waaruit blijkt dat pleegouders gemiddeld 213 euro per maand zelf betalen aan kinderopvangkosten en dat uitschieters oplopen tot 1.500 euro per maand, de recente berichtgeving hierover, zoals in het Parool?1, 2
Ja.
Hoe verklaart u dat ondanks deze onderzoeksuitkomsten en het vrijgemaakte budget van ruim 10 miljoen euro per jaar pleegouders volgens recente berichtgeving nog steeds massaal zelf opdraaien voor de kosten van de kinderopvang?
Voor de periode 2025 t/m 2027 is € 10,7 miljoen per jaar beschikbaar gesteld als tegemoetkoming voor de kosten die pleegouders maken voor kinderopvang3 van hun pleegkinderen4. De tegemoetkoming geldt voor alle pleegouders, ook in het vrijwillig kader, en vergoedt (deels) de eigen bijdrage na kinderopvangtoeslag. Ik begrijp de frustratie van pleegouders als zij nog geen tegemoetkoming gehad hebben, maar wel kosten maken voor de kinderopvang van hun pleegkind.
De uitkering van deze middelen verloopt via gemeenten. Het bedrag is toegevoegd aan het gemeentefonds via de algemene uitkering. Het bleek onuitvoerbaar om deze middelen direct vanuit het Rijk over te maken naar de betreffende pleegouders, of naar de pleegzorgaanbieders. De enige haalbare optie bleek om aan te sluiten bij de bestaande geldstromen binnen de pleegzorg, zoals de pleegvergoeding: van Rijk naar gemeenten, van gemeenten naar aanbieders en van aanbieders naar pleegouders.
Vanwege de systematiek van het gemeentefonds kunnen er geen sluitende afspraken gemaakt worden die garanderen dat elke euro bij pleegouders terechtkomt. Gemeenten zijn vrij in de bestedingen van de middelen. Binnen deze context span ik mij in om ervoor te zorgen dat het geld zoveel mogelijk terechtkomt bij pleegouders. Dat doe ik samen met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), de pleegzorgaanbieders verenigd in Jeugdzorg Nederland (JZNL) en de vertegenwoordiging van pleegouders in de Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen (NVP). Zo heeft VNG dringend geadviseerd aan haar leden deze middelen volledig te bestemmen voor de tegemoetkoming aan pleegouders5. JZNL en VNG werken in afstemming met elkaar aan communicatie richting hun achterban om de uitvoering van deze tegemoetkoming aan pleegouders zoveel mogelijk te uniformeren.
In het onderzoek geeft slechts 45 procent van de pleegouders aan te weten op welke vergoedingen zij recht hebben en weet slechts iets meer dan de helft hoe deze aangevraagd moeten worden, welke stappen heeft u de afgelopen twee jaar genomen om de onduidelijkheid weg te nemen?
Sinds het besluit met de Voorjaarsnota 2025 om deze middelen vrij te maken heb ik samen met NVP, JZNL en VNG uitgewerkt hoe dit geld aan pleegouders uitgekeerd kon worden. Zoals in het antwoord onder 2 reeds genoemd, bleek uiteindelijk de enige haalbare optie voor de periode 2025–2027 om de middelen aan gemeenten over te maken via het gemeentefonds. Dit is in het najaar van 2025 definitief besloten. Hierdoor kon er pas laat via de landelijke partijen gecommuniceerd worden naar pleegouders waar zij zich kunnen melden om aanspraak te maken op de tegemoetkoming. De komende periode werk ik samen met NVP, JZNL en VNG aan duidelijkheid voor pleegouders, via verschillende vormen van communicatie. Pleegouders met vragen over deze tegemoetkoming kunnen zich in de tussentijd het beste melden bij hun eigen pleegzorgaanbieder.
Kunt u aangeven hoeveel van het beschikbare budget sinds 2025 daadwerkelijk is uitgekeerd aan pleegouders en welk bedrag tot op heden onbenut is gebleven?
Nee. De middelen zijn aan de algemene uitkering van het gemeentefonds toegevoegd. De verantwoordelijkheid voor de besteding en de verantwoording daarover vindt plaats op lokaal/gemeentelijk niveau. Gemeenten zijn niet verplicht om hierover ook nog specifiek informatie aan te leveren richting het Rijk, conform de interbestuurlijke verhoudingen zoals deze in ons staatsbestel zijn ingericht. Zie ook het antwoord onder vraag 2.
Deelt u de zorg dat deze situatie, zoals ook in het artikel wordt benoemd, een drempel vormt om pleegouder te worden of te blijven?
We weten dat er verschillende drempels zijn om pleegouder te worden en te blijven. Financiën zijn er daar een van. Ik span me samen met de sector in om zoveel mogelijk pleegouders te werven en de bestaande pleegouders te behouden – dat is cruciaal. Dit doe ik onder andere via de landelijke campagne «Jouw huis een tweede thuis», kindgerichte werving door pleegzorgaanbieders en het uitbreiden van de mogelijkheden van bijzondere kostenvergoeding naar pleegouders in het vrijwillig kader6.
Deelt u de in het artikel getrokken conclusie dat onduidelijkheid de overkoepelende oorzaak is? Wat vindt u van het feit dat 87 procent van de pleegouders zegt niet te weten hoe de regeling werkt? Op welke manier gaat u zorgen dat pleegouders actief geïnformeerd worden over hun recht op een tegemoetkoming?
Ik ben het ermee eens dat het voor pleegouders onduidelijk is hoe zij aanspraak kunnen maken op deze financiële tegemoetkoming – en dat trek ik mij aan. De aanleiding om deze middelen vrij te maken was om juist aan deze pleegouders een tegemoetkoming te kunnen bieden, omdat zij de kosten voor kinderopvang van hun pleegkinderen voor een groot deel zelf dragen. Tegelijkertijd realiseer ik me dat gemeenten en pleegzorgaanbieders in de uitvoering voor een grote opgave staan om deze middelen eenvoudig maar snel bij de betreffende pleegouders te krijgen. Daarom ontwikkelen VNG en JZNL handvatten voor hun achterban. Een belangrijk onderdeel daarvan is om pleegouders duidelijkheid te bieden over hoe ze aanspraak kunnen maken.
Het onderzoek laat ook zien dat pleegouders grote verschillen ervaren tussen gemeenten en pleegzorgorganisaties, en de behoefte hebben naar een landelijke en uniforme aanpak en ondersteuning, bent u bereid om te komen tot een landelijk loket of uniforme landelijke regeling, zodat pleegouders niet langer afhankelijk zijn van gemeentelijke verschillen en onduidelijke procedures? Zo ja, wat is hier voor het tijdspad? Zo niet, waarom?
Ik snap de wens van pleegouders. Voor de uitkering van deze middelen zijn we gehouden aan het (decentrale) jeugdstelsel, waarbij het onuitvoerbaar bleek om tot een centrale regeling te komen. Zie ook het antwoord onder vraag 2. Binnen deze context span ik me met de sector in om tot een zo uniform mogelijke uitvoering te komen, waarin pleegouders weten waar zij terecht kunnen om aanspraak te maken op een financiële tegemoetkoming. Vanwege de beperkingen van de huidige constructie onderzoekt het kabinet samen met gemeenten en de pleegzorgsector hoe pleegouders in de toekomst op dit vlak te ondersteunen.
Welke concrete maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat het niet-gebruik afneemt en dat pleegouders niet langer honderden euro’s per maand uit eigen zak hoeven te betalen en wat is hierbij het tijdspad?
VNG en JZNL zijn aan de slag om handvatten voor de uitvoering van deze tegemoetkoming te ontwikkelen, zoals genoemd onder vraag 6. In aanvulling op eerdere communicatie vanuit pleegzorgaanbieders richting pleegouders verwachten JZNL en VNG voor de zomer extra te communiceren over op welke wijze pleegouders aanspraak kunnen maken op de tegemoetkoming.
Kunt u deze vragen apart beantwoorden?
Ja.
Bent u bekend met het bericht ««Menselijke maat ontbreekt»: kritiek op Enschede na stopzetten bijstand»?1
Ja, ik heb kennisgenomen van dit bericht.
Klopt het dat de gemeente Enschede bijstandsuitkeringen heeft stopgezet of geweigerd op basis van de vermogenstoets, ook in situaties waarin het vermogen (deels) bestaat uit compensatiegelden voor gedupeerden van de toeslagenaffaire?
Het klopt dat de gemeente Enschede bijstandsuitkeringen heeft stopgezet op basis van de vermogenstoets. Dat is ook gebeurd bij een gedupeerde van de toeslagenaffaire. Ik begrijp dat een dergelijk besluit voor een gedupeerde pijnlijk kan zijn. Dit besluit was echter niet het gevolg van de ontvangst van compensatiegelden maar de ontvangst van een dwangsom. Hierdoor kwam het vermogen boven de vrijlatingsgrens van de bijstand uit (€ 8.000 voor een alleenstaande, € 16.000 voor een echtpaar).
Er moet onderscheid worden gemaakt tussen compensatiegelden voor de toeslagenaffaire en een dwangsom. In de casus waaraan u refereert heeft de gemeente de bijstand beëindigd vanwege de ontvangst van een dwangsom. Een dwangsom is bedoeld als financiële prikkel voor de overheid om besluiten te nemen binnen de geldende beslistermijnen. Een dwangsom is geen schadevergoeding en kan op die grond ook niet buiten beschouwing worden gelaten bij de bepaling van het recht op bijstand. Dat een dwangsom geen schadevergoeding is, blijkt uit uitspraken inzake «bijstand als lening» en «eigen bijdrage COA». In de eerste uitspraak heeft de Centrale Raad van Beroep niet de stelling onderschreven «dat het college de dwangsom niet als vermogen mocht aanmerken». Dit is het geval omdat een dwangsom geen vergoeding voor mogelijke immateriële schade is (ECLI:NL:CRVB:2025:1778). In de COA-zaak heeft de Raad van State geoordeeld dat het COA een eigen bijdrage voor de opvang mocht vragen aan een persoon die gedurende de asielprocedure een dwangsom ontving en doordoor boven de vermogensgrens uitkwam. Ook hier was het oordeel dat geen sprake was van een schadevergoeding (ECLI:NL:RVS:2026:140).
Elke gemeente is in beginsel verplicht de bijstand te beëindigen wanneer er sprake is van een te hoog vermogen. Het is mogelijk dat onderdelen van vermogen worden vrijgelaten op grond van artikel 31 of 34 van de Participatiewet. Compensatiegelden voor gedupeerden van de toeslagenaffaire zijn in een ministeriële regeling aangewezen als schadevergoeding die op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel l, van de Participatiewet niet meetellen bij de bepaling van het recht op bijstand (zij worden niet tot de middelen gerekend). Ook de gemeente Enschede handelt zo. Omdat een dwangsom geen schadevergoeding is, kan deze niet op deze grond worden vrijgelaten.
Deelt u de mening dat compensatiegelden voor gedupeerden van de toeslagenaffaire niet bedoeld zijn om als regulier vermogen te worden aangemerkt bij de beoordeling van het recht op bijstand?
Deze mening deel ik en dit is ook wettelijk vastgelegd, zie het laatste onderdeel van mijn antwoord onder vraag 2: het is een schadevergoeding die wordt vrijgelaten op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel l, van de Participatiewet.
In hoeverre acht u het wenselijk dat gemeenten deze compensatiegelden toch (indirect) meewegen in de vermogenstoets, bijvoorbeeld doordat zij leiden tot overschrijding van vermogensgrenzen?
Omdat de daadwerkelijke compensatiegelden expliciet zijn vrijgelaten, neem ik aan dat u hier doelt op de dwangsom. Ik begrijp dat het meewegen van een dwangsom in de vermogenstoets voor een gedupeerde onrechtvaardig kan voelen. Zoals hierboven aangegeven, is een dwangsom voor het niet tijdig beslissen door de overheid echter geen compensatie of schadevergoeding voor de toeslagenaffaire. Het ontvangen van een dwangsom staat ook niet in de weg aan het later ontvangen van de daadwerkelijke compensatie. Gemeenten moeten de dwangsom dan ook meenemen in de vermogenstoets.
Welke landelijke richtlijnen bestaan er voor gemeenten ten aanzien van de behandeling van compensatiegelden van gedupeerden bij de uitvoering van de Participatiewet?
Dat is afhankelijk van het type compensatie. Als een compensatie een vorm van immateriële schadevergoeding is, kan het college besluiten de compensatie vrij te laten voor de Participatiewet. Dat kan alleen als dat uit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is. Daarnaast zijn er schadevergoedingen die op grond van de Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ verplicht vrijgelaten moeten worden. De compensatie voor gedupeerden van de toeslagenaffaire valt onder deze laatste categorie.
Bent u van mening dat de gemeente Enschede in deze gevallen de ruimte voor maatwerk onvoldoende benut heeft, en zo ja, waarom?
Ik kan de individuele gevallen niet beoordelen, maar in het algemeen geldt dat er op grond van de Participatiewet in beginsel geen reden is om een uitkering voort te zetten wanneer een dwangsom leidt tot een te hoog vermogen. Daarnaast zijn er wettelijke hardheidsclausules, in de vorm van de «dringende redenen»-toets, om te voorkomen dat iemand in ernstige financiële problemen komt.
Hoe voorkomt u dat gedupeerden van de toeslagenaffaire, die juist door de overheid in de problemen zijn gebracht, opnieuw in financiële problemen komen door strikte toepassing van de vermogenstoets?
Het is niet de bedoeling dat gedupeerden van de toeslagenaffaire door toepassing van de vermogenstoets in de problemen komen. Daarom wordt de compensatie ook volledig buiten beschouwing gelaten. Echter wanneer iemand een dwangsom ontvangt en daardoor over voldoende vermogen beschikt om in het eigen levensonderhoud te voorzien, dan heeft iemand in beginsel voldoende eigen middelen van bestaan en moet een bijstandsuitkering worden beëindigd.
Bent u bereid om landelijk te verduidelijken of aan te scherpen dat compensatiegelden van gedupeerden (volledig) buiten beschouwing dienen te blijven bij de beoordeling van het recht op bijstand?
In artikel 31, tweede lid, onderdelen l, en s is al wettelijk geregeld welke compensatiegelden bij de beoordeling van het recht op bijstand buiten beschouwing moéten worden gelaten (onderdeel l) of kúnnen worden gelaten (onderdeel s).
Welke maatregelen bent u bereid te nemen om te voorkomen dat gemeenten bijstandsuitkeringen stopzetten of weigeren in situaties waarin dit leidt tot schrijnende en onrechtvaardige uitkomsten?
Zoals eerder toegelicht bij vraag 6 is de wet zo ingericht dat schrijnende en onrechtvaardige uitkomsten worden voorkomen.
Zijn er bij u signalen bekend dat ook andere gemeenten vergelijkbare praktijken hanteren waarbij compensatiegelden van gedupeerden van de toeslagenaffaire (direct of indirect) worden meegewogen in de vermogenstoets? Zo ja, om welke gemeenten gaat het en in welke omvang komt dit voor?
Mij hebben geen signalen bereikt dat compensatiegelden van gedupeerden van de toeslagenaffaire worden meegewogen in de vermogenstoets. Wel is mij bekend dat meerdere gemeenten een dwangsom, conform de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep en de Raad van State, zien als in aanmerking te nemen vermogen. Ongeacht de aanleiding van deze dwangsom.
Klopt het dat het kabinet heeft besloten om structureel circa € 30 miljoen per jaar te schrappen dat eerder was gereserveerd voor proactieve dienstverlening, bedoeld om niet-gebruik van onder andere de bijstand tegen te gaan?
Het klopt dat het kabinet bij de voorjaarsnota 2026 om budgettaire redenen heeft gekozen om vooralsnog minder te investeren in proactieve dienstverlening. Het voornemen om gegevensdeling mogelijk te maken voor de algemene bijstand zou dan niet in werking treden. Dit leidt tot een besparing oplopend naar structureel € 30 miljoen per jaar.1 De Kamer is hierover per brief van 2 april 2026 geïnformeerd.2 In deze brief heb ik aangegeven dat op het moment dat er weer financiële middelen beschikbaar zijn, het mogelijk is om dit onderdeel wel in werking te laten treden.
Inmiddels heb ik besloten om de benodigde financiële middelen voor het mogelijk maken van gegevensdeling voor de algemene bijstand vrij te maken door het tweede knikpunt in het kindgebonden budget te leggen bij € 57.950 (prijspeil 2024). Dit doe ik via een nota van wijziging op het recent bij uw Kamer ingediende wetsvoorstel.3 Hiermee kan het gedeelte van het wetsvoorstel dat ziet op de algemene bijstand alsnog tegelijk met de rest van het wetsvoorstel in werking treden.
Klopt het dat dit budget expliciet was gereserveerd omdat de bestaande inzet onvoldoende werd geacht om niet-gebruik effectief terug te dringen? Kunt u toelichten welke analyse hier destijds aan ten grondslag lag?
Het klopt dat de bestaande inzet onvoldoende werd geacht. De volgende analyse lag hieraan ten grondslag: Naar schatting 37% van de mensen die recht hebben op algemene bijstand maken daar geen gebruik van. De inschatting is dat het inkomen van niet-gebruikers onder het sociaal minimum ligt. Verder missen zij de beschikbare ondersteuning bij werk, opleiding en meedoen in de samenleving. We zetten in op het terugdringen van niet-gebruik met algemene communicatie (zoals pr-campagnes en benutten van bestaande contactmomenten met mensen), vereenvoudigingen (zoals P-wet in Balans) en automatische uitkeren (bijvoorbeeld van de individuele inkomenstoeslag uit de Participatiewet). Om het niet-gebruik verder terug te dringen is de persoonsgerichte aanpak van proactieve dienstverlening nodig met meer mogelijkheden voor hergebruik en deling van persoonsgegevens. Gebaseerd op empirische resultaten wordt verwacht dat met de voorgenomen gegevensuitwisseling voor proactieve dienstverlening 2,5% van deze groep wel gebruik zal gaan maken van hun recht op algemene bijstand. Deze raming van de benodigde uitkeringslasten en uitvoeringskosten is opgenomen in de Voorjaarsnota 20244 en toegelicht in de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel.5
Deelt het kabinet nog steeds de eerdere analyse dat proactieve dienstverlening leidt tot meer participatie, minder schulden en betere gezondheid? Zo ja, waarom wordt het bijbehorende budget geschrapt? Zo nee, op basis van welke nieuwe inzichten is het kabinet van deze analyse afgeweken?
Het kabinet deelt de genoemde analyse. Uitkeringen en voorzieningen helpen mensen naar werk, beter werk of opleiding, voorkomen dat het inkomen onder het minimum zakt en ondersteunen bij meedoen in de samenleving. Zoals aangegeven bij vraag 1, heb ik gezocht naar mogelijkheden om financiële middelen vrij te maken, zodat het onderdeel algemene bijstand van het wetsvoorstel proactieve dienstverlening wel direct in werking kan treden.
Kunt u toelichten of hier sprake is van gewijzigd beleid, gewijzigde inzichten of uitsluitend een budgettaire afweging?
Het kabinet gaat door met proactieve dienstverlening.
Hoe verhoudt dit besluit zich tot de uitspraak van Minister Aartsen tijdens de begroting SZW dat het wetsvoorstel inzake proactieve dienstverlening op dit moment bij de Kamer ligt en dat hij daarover snel met de Kamer in gesprek hoopte te gaan?
Ik bespreek het wetsvoorstel proactieve dienstverlening SZW graag snel met uw Kamer. Het wetsvoorstel is aangemeld voor plenaire behandeling.
Hoe verhoudt deze bezuiniging zich tot de aangenomen motie van het lid Hamstra c.s. over «automatisch uitkeren», ingediend bij de behandeling van de begroting SWZ, die als appreciatie Oordeel Kamer kreeg?1 Wat betekent de bezuiniging voor de uitvoering van de motie?
Het kabinet gaat door met proactieve dienstverlening. Ik heb gezocht naar mogelijkheden om financiële middelen vrij te maken, zodat het onderdeel algemene bijstand van het wetsvoorstel proactieve dienstverlening wel direct in werking kan treden. De motie van het lid Hamstra c.s. verzoekt in kaart te brengen wat er precies nodig is voor het werken naar automatisch uitkeren. Bij automatisch uitkeren hoeven mensen geen aanvraag meer te doen. Zij krijgen een uitkering of andere sociale voorziening automatisch als zij daarop recht hebben. Het wetsvoorstel proactieve dienstverlening SZW schrapt of wijzigt geen aanvraagprocedures. Het richt zich op het informeren van mensen over de ondersteuning die er voor hen is en hulp bij het aanvragen. Wel kan het wetsvoorstel proactieve dienstverlening SZW mensen bereiken die nog niet eerder een aanvraag hebben gedaan en in dat opzicht is het ondersteunend aan automatisch kunnen uitkeren.
Hoe verhoudt dit besluit zich tot de uitspraak van Minister Vijlbrief tijdens het commissiedebat Armoede en Schulden, dat er geen claim lag op de niet-gebruikte middelen en dat het omlaag brengen van het niet-gebruik niet de begroting in gevaar brengt?
De regel is dat realistisch wordt geraamd. Het gebruik van uitkeringen en voorzieningen wordt zo realistisch mogelijk ingeschat. De raming houdt rekening met het werkelijke gebruik in voorgaande jaren, de conjunctuur en met maatregelen, zoals proactieve dienstverlening, die kunnen leiden tot meer gebruik. Niet-gebruikte middelen, waarop een claim kan worden gelegd, zijn er daarom niet.
Kunt u een tijdlijn geven van de besluitvorming rondom dit budget en deze maatregel, inclusief het moment waarop het kabinet heeft besloten om deze middelen te schrappen?
Tijdens de voorbereiding van het wetsvoorstel en het besluit proactieve dienstverlening SZW zijn verschillende budgetten gereserveerd:
0,8
4,8
8,1
11,3
12,9
12,9
12,9
0,2
0,5
0,9
1,2
1,4
1,4
1,4
0,2
1,0
1,6
2,3
2,6
2,6
2,6
0,0
0,0
0,0
0,1
0,1
0,1
0,1
2,0
2,1
2,0
Kunt u bevestigen dat het tegengaan van niet-gebruik een van de pijlers is van het Nationaal Programma Armoede en Schulden? Hoe verhoudt het schrappen van deze middelen zich tot deze pijler?
Het kabinet heeft in het coalitieakkoord afgesproken te investeren in armoedebeleid en in het verkleinen van het niet-gebruik door proactieve dienstverlening. Het wetsvoorstel proactieve dienstverlening SZW speelt een belangrijke rol in het terugdringen van niet-gebruik, omdat het erop gericht is om burgers actief te informeren en te ondersteunen bij het benutten van hun recht op uitkeringen en voorzieningen.
Welke waarborgen ziet het kabinet om te voorkomen dat mensen die recht hebben op inkomensondersteuning buiten beeld blijven?
Het wetsvoorstel proactieve dienstverlening SZW richt zich op het persoonlijk informeren van mensen en het eenvoudiger kunnen aanvragen van uitkeringen en voorzieningen. In de memorie van toelichting worden de oorzaken van het buiten beeld blijven van mensen verdeeld in drie categorieën: oorzaken op het niveau van de regelgeving, oorzaken op het niveau van de uitvoering en oorzaken op het niveau van de burger. Het wetsvoorstel richt zich op het wegnemen van oorzaken van niet-gebruik op het niveau van de uitvoering en op het niveau van de burger. Het kabinet wil zoveel mogelijk oorzaken van niet-gebruik aanpakken door het stelsel van inkomensondersteuning te vereenvoudigen, de dienstverlening te verbeteren en de samenwerking tussen overheden en maatschappelijke organisaties te versterken. De focus ligt op het wegnemen van belemmeringen in de uitvoering, het vergroten van het vertrouwen en het beter informeren en ondersteunen van burgers. De precieze invulling daarvan zal de komende tijd verder worden uitgewerkt.
Kunt u uiteenzetten welke concrete aanpak het kabinet nu in de plaats stelt om niet-gebruik tegen te gaan, en waarin deze aanpak inhoudelijk en qua effectiviteit verschilt van de eerder aangekondigde inzet?
Het wetstraject wordt zo ingericht dat de grondslag voor gegevensdeling voor de algemene bijstand in zowel het wetsvoorstel als de conceptbesluit proactieve dienstverlening SZW wordt opgenomen.
Welke doelstellingen hanteert het kabinet momenteel ten aanzien van het terugdringen van niet-gebruik, en hoe wordt gemeten of deze worden behaald zonder de eerder gereserveerde middelen?
We willen het niet-gebruik verkleinen onder andere door proactieve dienstverlening.
Hoe beoordeelt het kabinet de kritiek van gemeenten en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), die deze maatregel heel onverstandig noemen?
Deze kritiek heb ik mij ter harte genomen en om die reden heb ik gezocht naar een mogelijkheid om financiële middelen vrij te maken.
Hoe groot is de groep mensen die geen gebruik maakt van de bijstand terwijl zij daar wel recht op hebben? Klopt het dat het hierbij om circa 150.000 mensen gaat?
Volgens onderzoek van de NLA maakten in 2021 naar schatting 160.000 mensen geen gebruik van de algemene bijstand, terwijl zij mogelijk wel recht hadden op een bijstandsuitkering of een gedeeltelijke bijstandsuitkering.7
Hoeveel mensen leven naar schatting onder het bestaansminimum als gevolg van dit niet-gebruik?
Er zijn geen cijfers beschikbaar over hoeveel mensen onder het bestaansminimum leven als gevolg van niet-gebruik. Er zijn wel schattingen van het aantal mensen dat mogelijk onterecht geen gebruik maakt van een uitkering of voorziening. Zij lopen daardoor het risico op een inkomen onder het bestaansminimum. De uitkeringen en voorzieningen met het grootste niet-gebruik zijn de Toeslagenwet, de AIO en de algemene bijstand. Deze uitkeringen vullen, als ze gebruikt worden, aan tot het bestaansminimum. De tabel geeft een overzicht van het niet-gebruik van deze uitkeringen en een schatting van het aantal betrokkenen.
33%-68%
136.200
Nederlandse Arbeidsinspectie, Onderzoeksrapport niet-gebruik van de Toeslagenwet, 23 oktober 2023, p.16
30%
73.500
CBS, Recht en gebruik Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen, 2023
37%
160.000
Kwantitatieve ontwikkelingen potentieel niet-gebruik algemene bijstand 2021, Nederlandse Arbeidsinspectie, december 2023
Verwacht het kabinet dat het niet-gebruik van de bijstand de komende jaren zal toenemen, mede in het licht van voorgenomen wijzigingen in de Werkloosheidswet (WW) en de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) waardoor meer mensen mogelijk op de bijstand aangewezen raken? Zo nee, waarop baseert het kabinet die verwachting?
Het kabinet wil met proactieve dienstverlening het niet-gebruik verkleinen. In hoeverre dat lukt bij de bijstand monitoren we door de ontwikkeling van het gebruik en het niet-gebruik van de bijstand te volgen.
Welke maatschappelijke gevolgen verwacht het kabinet van het schrappen van deze maatregel, in het bijzonder op het gebied van schuldenproblematiek, gezondheid, participatie en arbeidsmarktdeelname?
Het is mijn inzet om het onderdeel algemene bijstand gelijk met andere onderdelen van het wetsvoorstel proactieve dienstverlening SZW in werking te laten treden.
Is het kabinet bereid deze bezuiniging terug te draaien en de eerder aangekondigde aanpak van proactieve dienstverlening alsnog volledig uit te voeren? Zo nee, waarom niet?
Ja, zoals aangekondigd bij vraag 1 ik ben bereid om de aangekondigde bezuiniging uit de voorjaarsnota 2026 terug te draaien.
Het bericht ‘De lange arm van Marokko: actiegroep waarschuwt Kamer voor spionage en intimidatie in Nederland’ |
|
Annabel Nanninga (JA21), Ingrid Michon (VVD) |
|
David van Weel (VVD), Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met artikel van Elsevier Weekblad «De lange arm van Marokko: actiegroep waarschuwt Kamer voor spionage en intimidatie in Nederland»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de in het artikel geschetste signalen en stellingen over buitenlandse inmenging, beïnvloeding en intimidatie in Nederland?
Het kabinet vindt alle vormen van ongewenste buitenlandse inmenging (OBI, of: statelijke inmenging) in Nederland volstrekt onacceptabel. Iedereen in Nederland moet in vrijheid kunnen leven en keuzes kunnen maken, zonder daarin door autoriteiten van andere landen te worden beperkt.
Welke instrumenten heeft het kabinet om buitenlandse inmenging tegen te gaan?
Het kabinet werkt Rijksbreed doorlopend aan het tegengaan van statelijke inmenging in Nederland binnen de landenneutrale aanpak OBI. Hierbinnen wordt Rijksbreed de dreiging tegen de nationale veiligheid in kaart gebracht. Landen die zich schuldig maken aan ongewenste buitenlandse inmenging worden daar consequent op aangesproken. Bij dreigende incidenten of verdenking van strafbare feiten wordt niet geschroomd om binnen eigenstandige taken en bevoegdheden op te treden via bestuurlijke dan wel strafrechtelijke maatregelen. Daarnaast wordt doorlopend gewerkt aan het verhogen van de weerbaarheid van diasporagemeenschappen. Dit gebeurt onder meer door transparant te zijn over de dreiging en zodoende de bewustwording te vergroten.
Wat doet het kabinet aan het beschermen van onze samenleving voor buitenlandse inmenging?
Zie graag het antwoord op vraag 3.
Ziet u een verhoogde dreiging door de onrust in het Midden Oosten?
Momenteel zijn bij het kabinet geen signalen bekend dat de dreiging van buitenlandse inmenging van Marokko zou zijn toegenomen door de onrust in het Midden-Oosten. Het kabinet monitort de ontwikkelingen in het Midden-Oosten, bijvoorbeeld via bilaterale en multilaterale contacten en het postennetwerk. Mocht dit conflict aanleiding geven tot het vaststellen van een verhoogde dreiging van ongewenste buitenlandse inmenging, dan zullen de onder het antwoord op vraag 3 genoemde stappen worden ondernomen om de dreiging tegen te gaan.
Welke acties onderneemt het kabinet nu de Wet transparantie maatschappelijke organisaties (Wtmo) niet door de Eerste Kamer is aangenomen?
Om effectief op te kunnen treden tegen ongewenste buitenlandse financiering dienen instrumenten zich op specifieke vormen van financiering te richten. Nederland kent daarom een systeem waarbij in de eerste plaats de inlichtingen- en veiligheidsdiensten onderzoek kunnen doen in de gevallen waarin er ernstige vermoedens zijn van financiering vanuit het buitenland, die een gevaar opleveren voor de democratische rechtsorde of waardoor risico’s ontstaan voor de nationale veiligheid. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken kan notes verbales over financieringsstromen, die zij ontvangen van Golfstaten, doorsturen naar de AIVD. Ook kent Nederland verschillende instrumenten om witwassen en terrorismefinanciering tegen te gaan. Zo analyseert de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU) ongebruikelijke en verdachte transacties en kan de FIU deze delen met de opsporings-, inlichtingen- en veiligheidsdiensten om hierop te acteren.
Daarnaast blijft in de aanpak van ongewenste buitenlandse financiering Europese samenwerking essentieel om dit probleem aan te pakken. Binnen het Radicalisation Awareness Netwerk (RAN) en diens opvolger: de Knowledge Hub van de EU, wordt gewerkt aan bewustwording over het onderwerp binnen de lidstaten onder andere in de vorm van het delen van best practices en het komen tot mogelijke maatregelen. Er zal nader worden bezien of een aanvullend instrument passend is.
Welke instrumenten, wetgevende maatregelen en samenwerkingsvormen gebruiken andere landen (met name Duitsland) om buitenlandse inmenging te voorkomen, en hoe kunnen deze voorbeelden Nederland helpen zijn eigen weerbaarheid te versterken?
Om de weerbaarheid van gemeenschappen tegen ongewenste buitenlandse inmenging te vergroten hebben enkele landen centrale punten opgericht waar signalen van OBI kunnen worden gemeld, waaronder Duitsland.
Gelijkgezinde landen spreken andere landen op vergelijkbare wijze aan op OBI als de Nederlandse overheid. De wijze waarop vergt altijd een per casus bekeken benadering. Dat kan voor, of achter de schermen plaatsvinden. Deze gesprekken zijn altijd onderdeel van een bredere afweging.
Nederland onderhoudt contact met gelijkgezinde landen om ervaringen in de aanpak van OBI te delen en mee te nemen in de praktijk. In vergelijking met gelijkgezinde landen is Nederland een van de koplopers in het hanteren van een gecoördineerde whole-of-governmentbenadering van het fenomeen ongewenste buitenlandse inmenging, door de Rijksbrede aanpak OBI zoals beschreven in het antwoord op vraag 3.
Wat is de stand van zaken van het toegezegde meldpunt waar slachtoffers anoniem terecht kunnen, gelet op het feit dat de Kamer reeds in oktober 2023 heeft verzocht om de inrichting van een dergelijk meldpunt? Waarom laat dit zo lang op zich wachten?
Zoals beschreven in de kamerbrief2 over de stand van zaken rondom het centraal meldpunt OBI is het kabinet gestart met de inrichting van een centraal OBI-meldpunt buiten de rijksoverheid. Onder coördinatie van de NCTV is het afgelopen jaar een projectstructuur op touw gezet voor het realiseren van dit meldpunt. Deze projectstructuur bevindt zich momenteel in een afrondende fase.
Uw Kamer wordt conform het verzoek van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid van 16 april 2026 zo spoedig mogelijk integraal geïnformeerd over de stand van zaken OBI inclusief de voortgang van het centraal OBI-meldpunt.
Wat is het handelingskader van de overheid als er dreigingen zijn? Hoe vaak is het strafrecht ingezet in de afgelopen vijf jaar? Wat is een alternatieve route via bestuursrecht?
De bij de OBI-aanpak betrokken departementen en uitvoeringsorganisaties kunnen passende maatregelen treffen of voor opvolging zorgen in het kader van hun eigenstandige taken en bevoegdheden. Deze maatregelen kunnen zien op diplomatieke actie, bestuurlijke maatregelen, dan wel verhoging van de weerbaarheid van personen die te maken hebben met OBI.
Daar waar sprake is van een verdenking van strafbare feiten, kunnen OM en politie strafrechtelijk onderzoek doen, mede op basis van de uitgebreide strafbaarstelling spionage. De Minister van Justitie en Veiligheid doet geen uitspraken over individuele strafzaken, dat is aan het OM. Er vindt geen aparte registratie plaats ten aanzien van de vraag of een strafrechtelijk onderzoek verband houdt met een mogelijk motief vanuit de context van statelijke inmenging of diasporaproblematiek.
In algemene zin kunnen onder voorwaarden maatregelen uit het bestuursrecht van toepassing zijn in het optreden tegen dit type dreiging, al vindt hiervan ook geen aparte registratie plaats.
Wat doet het kabinet aan de uitspraak van de Kamer om het Moslimbroederschap te verbieden?
Op 17 maart jl. heeft uw Kamer de motie van de leden Boon en Wilders (beiden PVV) aangenomen die de regering verzoekt om de Moslimbroederschap en daaraan gelieerde organisaties in Nederland te verbieden.3 Ik beoog uw Kamer zo spoedig mogelijk over de afhandeling van de motie te informeren.
Bent u bekend met het bericht «Gescheiden ingang jongens en meisjes bij middelbare school Heemstede in verband met iftar, leerlingen verzocht schouders en knieën te bedekken»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Hoe beoordeeld u de situatie als geschetst in het nieuwsbicht?
Dit bericht doet verslag over een iftar die op initiatief van een aantal leerlingen georganiseerd zou worden op het HBM, een christelijke school voor voortgezet onderwijs. De school heeft ruimte willen bieden aan dit initiatief. Dat kan passen bij de wettelijke burgerschapsopdracht, die van scholen vraagt dat ze kennis en respect bevorderen van en voor verschillen, bijvoorbeeld in godsdienst en levensovertuiging. Zo’n initiatief moet dan echter niet ten koste gaan van de plicht die scholen op grond van de wettelijke burgerschapsopdracht hebben om zorg te dragen voor een veilige schoolcultuur die in overeenstemming is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. Scholen kunnen er ook voor kiezen om op andere manieren invulling te geven aan de wettelijke burgerschapsopdracht.
Kunt u bevestigen wat er feitelijk is gebeurd en zijn er u andere voorbeelden bekend, bijvoorbeeld op openbare scholen, waar dit op deze manier gebeurd is?
Naar aanleiding van de berichtgeving heeft de Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) contact opgenomen met het HBM. Het schoolbestuur van het HBM geeft aan niet op de hoogte te zijn geweest van de inhoud van de uitnodiging en niet achter de inhoud van de uitnodiging te staan. Hierover is ook door verschillende media gerapporteerd. Voor dit jaar is de iftarviering komen te vervallen, volgend jaar wil de school de iftarviering wel weer organiseren. De school wil de iftarviering dan laten plaatsvinden zonder gescheiden ingangen of kledingvoorschriften.
De inspectie geeft aan dat iftarvieringen geregeld voorkomen in het voortgezet onderwijs, zowel bij openbare scholen als bij christelijke scholen. Het is voor de inspectie onbekend of daarbij scholen vragen om bepaalde voorschriften te respecteren.
Deelt u de mening dat juist het onderwijs en daarmee scholen verschillen tussen kinderen moeten verkleinen en segregatie niet moeten faciliteren?
Ja die mening deel ik. Daarom hecht ik ook veel waarde aan de wettelijke burgerschapsopdracht, die van scholen vraagt dat ze aan leerlingen kennis en respect bijbrengen van en voor de basiswaarden van de democratische rechtsstaat, waaronder in ieder geval vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit. De wettelijke burgerschapsopdracht vraagt specifiek van scholen dat ze onder leerlingen kennis en respect bijbrengen voor verschillen, alsmede de waarde dat gelijke gevallen gelijk behandeld worden. Daarbij past het sowieso dat kinderen leren om elkaars opvattingen te respecteren, ook als deze afwijken van de eigen opvatting of van die van de ouders. Zo wordt ingezet op het bevorderen van sociale cohesie.
Hoe beoordeelt u het feit dat deze school er voor kiest jongens en meisjes niet gelijkwaardig te behandelen, maar via aparte ingangen het gebouw binnen te laten komen?
Zoals in antwoord 3 aangegeven, heeft deze school aangegeven niet achter de inhoud van de uitnodiging te staan en heeft de school zelf niet de keuze gemaakt om jongens en meisjes gescheiden het gebouw binnen te laten komen. Voor dit jaar is de iftarviering komen te vervallen. De school wil de iftarviering volgend jaar laten plaatsvinden zonder gescheiden ingangen of kledingvoorschriften
Hoe verhoudt het gescheiden binnen laten komen van jongens en meisjes zich tot de wettelijke zorgplicht voor een veilig en inclusief leerklimaat?
De school mag bij het aanbieden van het onderwijs geen onderscheid maken op grond van geslacht. Een uitzondering geldt, op grond van artikel 7, lid 2, van de Algemene wet gelijke behandeling, voor bijzondere scholen die jongens en meisjes scheiden als onderdeel van consistent en consequent gevoerd beleid dat, vanwege de aard van het onderwijs, wezenlijk, legitiem en gerechtvaardigd is gegeven de grondslag van de school.
In dit geval ging het om een christelijke school die de iftar heeft willen faciliteren. Daar ziet de uitzondering in de Algemene wet gelijke behandeling niet op. Tegelijkertijd maakt het enkele feit dat de school deze activiteit – op initiatief van leerlingen – faciliteert, niet dat de school daarmee in strijd handelt met de wettelijke zorgplicht en de verantwoordelijkheden van de school ten aanzien van gelijke behandeling. Daarbij hecht ik er wel aan nogmaals te benadrukken dat op de school altijd de verplichting rust om te zorgen voor een veilige schoolcultuur.
Hoe verhoudt het organiseren van gescheiden activiteiten zich tot de wettelijke verplichte burgerschapsvorming in het onderwijs en ziet u het risico dat dit leidt tot segregatie op school?
Gescheiden activiteiten mogen niet ten koste gaan van de plicht die scholen op grond van de wettelijke burgerschapsopdracht hebben om zorg te dragen voor een schoolcultuur die in overeenstemming is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en waarin leerlingen en personeel zich veilig en geaccepteerd weten. Dat betekent dat gescheiden activiteiten ook niet mogen leiden tot segregatie in de school, noch tot ongelijkwaardigheid.
Dit risico zie ik wel, zelfs als de activiteiten buiten schooltijd plaatsvinden en dus optioneel zijn. Dat betekent dat scholen heel bewust moeten nadenken over welke en hoe dergelijke activiteiten aansluiten op de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en burgerschapsvorming vanuit de verantwoordelijkheid als school. De inspectie ziet erop toe dat de cultuur op de school in lijn is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat.
Het bericht 'Strenge regels arbeidsmigratie Vlaanderen zijn effectief' |
|
Tijs van den Brink (CDA) |
|
Bart van den Brink (CDA), Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Strenge regels arbeidsmigratie Vlaanderen zijn effectief»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het dat Vlaanderen per 1 januari 2026 de regels voor gecombineerde werk- en verblijfsvergunningen heeft aangescherpt, onder meer door de toegang voor laaggeschoolde arbeid te beperken en de lijst met beroepen voor een versnelde procedure te verkorten? Is dat een route die u ook voor Nederland wenselijk acht?
Lidstaten maken hun eigen afwegingen in het arbeidsmigratiebeleid dat gaat over werknemers van buiten de Europese Unie, afhankelijk van hun arbeidsmarkt, demografie en maatschappelijke context.
In Nederland geldt, op basis van de Wet Arbeid Vreemdelingen (Wav), dat voor alle beroepen waarvoor werkgevers een reguliere tewerkstellingsvergunning (twv) of een reguliere gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (gvva) willen aanvragen, eerst drie maanden gezocht moeten worden naar arbeidsaanbod op de Nederlandse en Europese arbeidsmarkt. Dit is onderdeel van de arbeidsmarkttoets die UWV uitvoert. Het nieuwe beleid in Vlaanderen rondom gecombineerde werk- en verblijfsvergunningen voor niet-EU-werknemers is, ook na aanscherping, soepeler dan in Nederland. Vlaanderen werkt met een beroepenlijst waarvoor een versnelde procedure geldt. Vlaanderen heeft sinds dit jaar het aantal beroepen op de beroepenlijst ingekort. Voor beroepen die niet op de lijst staan, geldt dat werkgevers eerst negen weken moeten zoeken naar arbeidsaanbod op de Belgische en Europese arbeidsmarkt. Het Nederlandse beleid is dus strenger dan het beleid dat Vlaanderen voert. Voor kennismigranten past Nederland wel uitnodigender beleid toe.
Verder is in deze context relevant dat in het Coalitieakkoord is aangekondigd dat Nederland een pilot zal starten van drie jaar voor een programma dat gericht is op het, onder strenge voorwaarden, actief en gericht naar Nederland halen van goed geschoolde krachten die hier toegevoegde waarde in vooraf afgebakende sectoren hebben. Onderdeel van deze voorwaarden zijn een salariseis en huisvestingseis en een maximale termijn van drie jaar.
Beschikt u over signalen dat aanscherping van toelatingsvoorwaarden voor arbeidsmigratie, zoals in Vlaanderen, kan bijdragen aan het terugdringen van misstanden, fraude en oneerlijke concurrentie op de arbeidsmarkt?
Het doel van het Nederlandse arbeidsmigratiebeleid in de Wet arbeid vreemdelingen is dat arbeidsmigratie aansluit op de concrete behoefte op de arbeidsmarkt en de hier geldende arbeidsvoorwaarden- en omstandigheden. Door de toepassing van een arbeidsmarkttoets conform de Wav kunnen werkgevers over de benodigde werknemers beschikken terwijl Nederlandse en Europese werknemers niet worden verdrongen. De toelatingsvoorwaarden dragen bij aan het terugdringen van misstanden, fraude en oneerlijke concurrentie op de arbeidsmarkt. Zo toetst het UWV bij de aanvraag van een twv of gvva of de werkgever zich houdt aan de arbeidsvoorwaarden, zoals de betaling van marktconform loon, en of de werkgever de arbeidswetgeving eerder niet heeft overtreden. Als dit niet in orde is, wordt geen werkvergunning afgegeven.
Een kanttekening hierbij is dat op het moment dat de toelatingsvoorwaarden voor werknemers van buiten de Europese Unie strikt zijn, werkgevers op andere manieren proberen mensen van buiten de Europese Unie naar Nederland te halen. Een route hiervoor is via detachering vanuit andere EU lidstaten. Werkgevers hoeven dan geen werkvergunning aan te vragen waardoor UWV geen controle vooraf kan uitvoeren op de arbeidsvoorwaarden. Om die reden zet het kabinet in op de verduidelijking van de nationale en Europese regels voor de detachering van werknemers van buiten de EU, zodat werkgevers beter kunnen weten wat wel en niet is toegestaan en ook beter toezicht mogelijk is.
Bent u bereid te onderzoeken in hoeverre in Nederland, mede in het licht van de krapte op de arbeidsmarkt, eerst zwaarder moet worden ingezet op activering van het binnenlands en Europees arbeidsaanbod voordat werkgevers werknemers van buiten de Europese Unie kunnen aantrekken?
Het uitgangspunt van het Nederlandse beleid is reeds dat werkgevers eerst moeten inzetten op activering van het binnenlands en Europees arbeidsaanbod, voordat zij werknemers van buiten de Europese Unie kunnen aantrekken. Dit gebeurt door middel van de onder vraag 2 genoemde arbeidsmarkttoets. Hierbij toetst het UWV een aanvraag op de volgende drie punten: 1. De aanwezigheid van prioriteit genietend aanbod (Nederlanders, overige EU-burgers en derdelanders die mogen werken zonder werkvergunning); 2. tijdige melding van de vacature; 3. de wervingsinspanningen om prioriteitgenietend aanbod te vinden.
Bij laaggeschoolde arbeid concludeert UWV in de praktijk dat er in Nederland prioriteit genietend aanbod is, dus wordt geen werkvergunning afgegeven.
Hoe verhoudt de Vlaamse aanpak zich volgens u tot de Nederlandse inzet om grip te krijgen op arbeidsmigratie en misstanden tegen te gaan?
De Vlaamse aanpak lijkt met de aanpassing van de regelgeving iets meer in lijn te komen met de Nederlandse inzet. De Nederlandse inzet is op dit punt nog wel restrictiever.
Ziet u aanleiding om, mede naar aanleiding van de ervaringen in Vlaanderen, te bezien of de Nederlandse systematiek voor arbeidsmigratie van buiten de Europese Unie verder moet worden aangescherpt, juist waar het gaat om laagbetaald werk, huisvesting, registratie en de maatschappelijke draagkracht in regio’s en gemeenten?
Met de Wav voert Nederland reeds beleid welke mee ademt met de behoefte op de arbeidsmarkt. Alleen als een werkgever voor de aanvraag van een reguliere twv of gvva kan aantonen echt personeel nodig te hebben van buiten de EU, én als dat personeel niet reeds binnen Nederland en de EU beschikbaar is, is dit mogelijk. Voor laagbetaalde arbeid geldt dat er geen twv’s of gvva’s worden verstrekt, vanuit het uitgangspunt dat hiervoor prioriteitgenietend aanbod in Nederland en/of de EU aanwezig is. Het kabinet is zich goed bewust van de risico’s die er zijn op misstanden voor arbeidsmigranten in laagbetaalde arbeid. En ook van de druk op huisvesting, problemen rondom registratie, en het belang van maatschappelijke draagkracht in de regio’s en gemeenten.
Heeft u kennisgenomen van de artikelen «Arbeidsmigrant Jagoda stond haar eerste kind af. «We hadden zelfs geen geld voor luiers»» en «Afstandsmoeders boos over druk op arbeidsmigranten om baby af te staan: «Hebben ze dan niets geleerd van het verleden?»»1, 2
Ja
Hoe beoordeelt u de in dit artikel beschreven situatie waarin een arbeidsmigrant na verlies van werk en huisvesting tijdens haar zwangerschap uiteindelijk haar kind heeft afgestaan voor adoptie? Hoe reflecteert u op de reactie van afstandsmoeders die grote parallellen zien in de behandeling van arbeidsmigranten door Fiom en de Raad voor de Kinderbescherming en hun eigen situatie?
Het artikel beschrijft een schrijnende situatie, waarin duidelijk wordt dat de situatie van arbeidsmigranten in Nederland bijzonder kwetsbaar kan zijn vanwege onzekerheid over inkomsten, huisvesting en beperkte toegang tot voorzieningen en zorg. Het is ongelofelijk naar dat deze vrouwen soms, als gevolg van de lastige omstandigheden waarin zij zich bevinden, constateren dat het niet gaat lukken om hun kind op te voeden. De aangrijpende situatie van Jagoda staat helaas niet op zichzelf. Ieder jaar is er een beperkt aantal arbeidsmigranten dat zich bij de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) of Fiom meldt voor een begeleiding bij (een voornemen tot) afstand ter adoptie. De zorgen om deze groep onbedoeld zwangere arbeidsmigranten zijn binnen de Rijksoverheid bekend, onder andere doordat Fiom deze bij het Ministerie van J&V en het Ministerie van VWS onder de aandacht heeft gebracht.
Het kabinet voelt mee en begrijpt dat de situatie van zwangere arbeidsmigranten veel oproept bij de groep afstandsmoeders én afgestanen uit het verleden. Het kabinet snapt ook dat er overeenkomsten worden gezien tussen de situatie van toen en nu. Uit het rapport «Schade door schande» van commissie De Winter blijkt overduidelijk dat moeders, en soms ook vaders, in de jaren 1956–1984 in veel gevallen geen of nauwelijks zelfbeschikking hadden en kregen. Inmiddels is de keuzevrijheid van zwangeren gelukkig verbeterd ten opzichte van de periode die in het rapport wordt beschreven. Er is toegang tot onafhankelijke ondersteuning bij het maken van de keuze tussen zelf opvoeden, abortus, pleegzorg of adoptie.3 Ook is er hulp en zorg nadat de keuze is gemaakt, ongeacht de uitkomst. Deze ondersteuning wordt ook geboden aan arbeidsmigranten. Het is belangrijk dat de keuzevrijheid voor iedereen maximaal is. Ook voor vrouwen die onder moeilijke omstandigheden hun afwegingen moeten maken, zoals vrouwen die in Nederland als arbeidsmigrant zijn gekomen en werken in risicovolle banen met een laagbetaald loon. Voor deze groep vrouwen is extra aandacht nodig. Het kabinet zet zich hier voor in. Zo is de informatie over keuzeopties in Nederland via Fiom en het Landelijk Informatiepunt Onbedoelde Zwangerschap in diverse talen beschikbaar (Engels, Pools, Roemeens en Hongaars), kunnen tolken worden ingeschakeld in de hulpverlening en ontwikkelde Fiom een routekaart speciaal voor arbeidsmigranten waarin de keuzeopties, ondersteuning en hun rechten worden toegelicht.
Klopt het dat vrouwen die overwegen hun kind af te staan in het kader van de procedure, een document moeten ondertekenen dat in de praktijk bekendstaat als een afstandsverklaring of een vergelijkbaar document dat de procedure richting afstand en adoptie in gang zet?
Organisaties die betrokken zijn bij de begeleiding van vrouwen (of stellen) met een voornemen tot het doen van afstand ter adoptie hebben hun samenwerkingsafspraken vastgelegd in het «Protocol afstand ter adoptie».4
Het klopt dat de vrouw, en indien van toepassing en relevant ook de partner, in het kader van de procedure afstand ter adoptie wordt gevraagd om een document te ondertekenen. De ondertekening is vrijwillig en niet verplicht.
Wanneer een vrouw (of stel) afstand ter adoptie overweegt, dan doet de RvdK onderzoek. De vrouw houdt daarbij altijd de regie over de procedure. In het onderzoek van de RvdK wordt de moeder onder andere gevraagd of zij informatie over- en begeleiding bij haar voornemen om afstand te doen heeft (gehad) van bijvoorbeeld Fiom. Ook wordt met de moeder nogmaals bekeken welke (on)mogelijkheden er zijn met betrekking tot haar zwangerschap en geboorte van haar kind. Er worden alternatieven voor afstand ter adoptie besproken zoals opgroeien bij de vader/verwekker of bij een familielid.
Tijdens het onderzoek wordt besproken wat de mogelijkheden zijn, mocht de moeder de in gang gezette afstandsprocedure willen stoppen. Als de moeder bij haar voornemen blijft om afstand te doen, dan biedt de RvdK haar aan een document te lezen en ondertekenen waarin de moeder uit dat zij de afstandsprocedure wil voortzetten en eventueel haar keuze zelf kan toelichten. Dit gebeurt op een belangrijk moment in de procedure, namelijk ongeveer drie maanden na de geboorte en op het moment dat het kind van het tijdelijke pleeggezin naar de aspirant adoptieouders gaat. Het document wordt samen met de raadsonderzoeker of hulpverlener zorgvuldig doorgenomen en eventuele vragen over de procedure kunnen gesteld worden. Hiermee krijgt de moeder (of krijgen de ouders) een stem in het dossier, naast de andere stukken die door de betrokken partijen worden opgesteld. Doordat de moeder zelf ondertekent, is dit een extra waarborg waarmee een belangrijk keuzemoment in de procedure wordt gemarkeerd. In het document staat ook dat moeder totdat de adoptie is uitgesproken terug kan komen op haar keuze voor adoptie en wordt haar bijvoorbeeld gevraagd of ze haar keuze voor afstand ter adoptie heeft gedaan uit vrije wil zonder het ervaren van bedreiging of dwang.
Aangezien een moeder soms niet in de rechtbank aanwezig kan of wil zijn indien de rechter besluit over de adoptie, geeft een dergelijk document de moeder een uitdrukkelijkere stem. De rechter beslist vervolgens op basis van het gehele dossier over de adoptie. Dit maakt ook dat een ondertekend document niet noodzakelijk is in de procedure, maar wel waarde kan toevoegen.
Mede op basis van de onderzoeksresultaten van de Commissie onderzoek Binnenlandse Afstand en Adoptie 1956–1984 (CBAA) is inmiddels met alle betrokken partners het afstandsprotocol geëvalueerd. Dit heeft ertoe geleid dat partijen willen afzien van het gebruik van de term «afstandsverklaring». Partijen realiseren zich dat dit onbedoeld een lading heeft gekregen die op geen enkele manier past bij de wijze waarop een ondertekend document op dit moment nog wordt gebruikt. Hiervoor in de plaats wordt op dit moment gewerkt met een «Verzoek tot voortzetten afstandsprocedure» waarin de stem van de moeder een uitdrukkelijkere plek krijgt in het dossier en zij aan de instanties met het zetten van een handtekening het (symbolische) verzoek doet om de procedure voort te zetten. Echter, deze Kamervragen en de reacties op het artikel «Arbeidsmigrant Jagoda stond haar eerste kind af» maken dat de protocolpartners alternatieven voor het met een handtekening markeren van een belangrijke moment in de procedure zullen onderzoeken.
Wat is het beleid van Fiom rondom afstandsverklaringen? Kunt u in kaart brengen hoe vaak in de afgelopen 5 jaren via afstandsverklaringen afstand is gedaan van een kind? Wat is de juridische status en betekenis van een dergelijke verklaring of document binnen de huidige adoptieprocedure?
Het document is onderdeel van het protocol afstand ter adoptie waarin de samenwerkingsafspraken van meerdere betrokken partijen zijn vastgelegd. Het document is geen onderdeel van de begeleiding door Fiom, maar van het onderzoek door de RvdK. Het heeft geen juridische betekenis en wordt al geruime tijd niet als zodanig gepresenteerd. Het wordt voorgelegd aan alle vrouwen en/of stellen die drie maanden na de geboorte van hun kind de procedure tot afstand ter adoptie wensen voort te zetten. Vrouwen kunnen, zo staat ook in het document zelf, op ieder moment tijdens de procedure terugkomen op hun besluit tot afstand ter adoptie.
De RvdK registreert het aantal getekende documenten in de afgelopen 5 jaar niet. Wel publiceert Fiom jaarlijks cijfers over binnenlandse afstand en adoptie in de Landelijke Registratie Afstand Ter Adoptie (LATAR). Sinds de jaren negentig is het aantal vrouwen dat in Nederland besluit tot afstand ter adoptie gestabiliseerd tot gemiddeld 20 per jaar. Onderstaande tabel geeft per jaar de data van de afgelopen vijf jaar weer5:
Voornemen afstand ter adoptie
Zelf voor het kind zorgen
(Netwerk) pleegplaatsing
Afstand ter adoptie
Anders / onbekend1
2020
77
46
7
19
5
2021
54
31
5
14
4
2022
69
39
4
21
5
2023
51
19
10
21
1
2024
56
27
11
16
2
Anders/onbekend: o.a. de vrouw heeft het contact met de instelling verbroken, de vrouw heeft ervoor gekozen de zwangerschap af te breken of het kind is na de geboorte overleden.
Bent u het ermee eens dat zonder wettelijke basis geen gebruik zou moeten worden gemaakt van afstandsverklaringen?
In algemene zin is voor een document, zoals de zogenaamde afstandsverklaring, geen wettelijke basis vereist. Het is wel heel relevant welke betekenis en waarde hieraan in de begeleiding wordt gegeven, zodat de schijn van een juridische betekenis of bindende, onomkeerbare status nooit kan en zal ontstaan.
Op welke wijze wordt aan vrouwen die een dergelijk document ondertekenen, duidelijk gemaakt dat dit document geen onherroepelijke afstand van hun kind betekent en dat zij op hun beslissing kunnen terugkomen?
De bij de afstandsprocedure betrokken organisaties bespreken gedurende de hele begeleiding tijdens de zwangerschap en na de geboorte met ouders de mogelijkheden om op een besluit terug te komen tot aan het moment dat de adoptie wordt uitgesproken. Teugkomen op een (voorgenomen) besluit kan namelijk tot aan het moment dat de adoptie door de rechter wordt uitgesproken. Dit is niet eerder dan wanneer het kind één jaar in het aspirant-adoptiegezin gewoond heeft, het kind is dan minimaal 1 jaar en 3 maanden. Deze mogelijkheid om op het besluit terug te komen, staat ook expliciet in het te ondertekenen document genoemd.
Hoe wordt gecontroleerd of vrouwen die een dergelijk document ondertekenen, daadwerkelijk begrijpen wat zij ondertekenen, met name wanneer sprake is van taalbarrières, een kwetsbare sociaaleconomische positie of afhankelijkheid van anderen?
Zowel de RvdK als de instantie die de ouder(s) begeleidt bespreekt met de ouder(s) de procedure en de keuze die zij willen maken zorgvuldig door. Wanneer de RvdK tijdens het onderzoek spreekt met personen die de Nederlandse taal onvoldoende beheersen, wordt gebruik gemaakt van een erkende (eventueel telefonisch aanwezige) tolk. Vóór het document voorgelegd wordt aan de ouder(s) wordt het document toegelicht en besproken. Daarnaast wordt gevraagd of de ouder(s) gebruik willen maken van een vertaling van het document. Bij de behandeling ter zitting worden de ouder(s) altijd opgeroepen en heeft de rechter oog voor hun wensen. De rechter heeft een zelfstandige toetsende taak en onafhankelijke rechtsprekende rol ten aanzien van de verzoeken die worden ingediend bij afstand ter adoptie. Bovendien is er sinds een aantal jaar de mogelijkheid kosteloos gebruik te maken van een advocaat bij gezagsbeëindiging.
Hoe verhoudt het gebruik van een dergelijke verklaring zich tot de bevindingen van eerdere onderzoeken naar afstand en adoptiepraktijken, waarin is vastgesteld dat verklaringen die vrouwen in het verleden ondertekenden, geen zelfstandige rechtsgeldigheid hadden, maar wel de indruk konden wekken dat afstand juridisch onherroepelijk was?
Het kabinet kan zich goed voorstellen dat de berichten over arbeidsmigranten die in heel lastige omstandigheden een keuze moeten maken over hun zwangerschap veel oproepen bij belangenorganisaties van afstandsmoeders en afgestanen. Het is ook begrijpelijk en belangrijk dat zij, vanuit hun eigen ervaringen in het verleden, aandacht vragen voor de situatie van deze groep vrouwen en hun kinderen. Het kabinet neemt de signalen, die overigens via onder andere Fiom reeds bekend waren, serieus en gaat hiermee aan de slag.
Sinds de periode 1956–1984 zijn er grote aanpassingen gedaan in de begeleiding van onbedoeld en/of ongewenst zwangere vrouwen, juist omdat de situatie in het verleden zich niet mag herhalen. Er is toegang tot informatie en onafhankelijke ondersteuning bij het maken van de keuze tussen zelf opvoeden, abortus, pleegzorg of adoptie en nazorg na de keuze indien gewenst. Zowel de RvdK als Fiom hebben hier in ieder individuele gesprekken oog voor. Juist doordat er geleerd is van het verleden, wordt de begeleiding door deze partijen en het bespreken van alternatieven voor adoptie nu met de grootste zorgvuldigheid gedaan. Ook voor de vrouwen die als arbeidsmigrant in Nederland wonen en werken. Zo is de informatie over keuzeopties in Nederland via Fiom en het Landelijk Informatiepunt Onbedoelde Zwangerschap in diverse talen beschikbaar, kunnen tolken worden ingeschakeld bij keuzehulptrajecten en is een routekaart ontwikkeld speciaal voor arbeidsmigranten waarin de keuzeopties, ondersteuning en hun rechten worden toegelicht. Fiom organiseerde onlangs een kennissessie over onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap voor de hulpverleners en contactpersonen voor arbeidsmigranten bij Stichting Barka.
Het gebruik van de afstandsverklaringen komt als belangrijk aandachtspunt naar voren in het rapport van CBAA. De verklaringen kenden nooit juridische waarde of grondslag maar werden in sommige gevallen wel als dusdanig aan moeders gepresenteerd. Daarmee werkten de verklaringen voor ouders als drukmiddel; zij dachten immers vaak: «ik heb zelf getekend en kan nu niet meer terug». Dit had niet zo mogen gaan en leidt zeer terecht tot veel boosheid en verdriet bij moeders die een kind moesten afstaan en bij afgestanen. Het document dat op dit moment wordt voorgelegd aan de moeder om haar een stem te geven in het dossier verschilt sterk van de afstandsverklaring zoals die werd gehanteerd in de periode die de CBAA heeft onderzocht.
Op uitnodiging van het Ministerie van JenV en VWS zijn er in de tweede helft van vorig jaar en begin van dit jaar diverse reflectiebijeenkomsten georganiseerd waarin op de eigen rol en verantwoordelijk ten aanzien van afstand en adoptie in het verleden is stilgestaan. Ook Fiom en de RvdK namen hieraan deel. De Kamer ontvangt voor de zomer een brief met daarin een uitgebreide terugkoppeling van dit traject, alsmede de herstelmaatregelen voor moeders, vaders en afgestanen. In deze brief zullen ook de door de RvdK en Fiom geleerde lessen terugkomen, waarbij ook de werkwijze ten aanzien van de verklaringen de aandacht krijgt.
Hoe beoordeelt u signalen van belangenorganisaties van afstandsmoeders en afgestane kinderen dat vrouwen ook nu nog de indruk kunnen krijgen dat zij juridisch afstand doen van hun kind wanneer zij een dergelijk document ondertekenen?
Zie antwoord vraag 8.
Welke rol speelt Fiom bij de begeleiding van vrouwen die overwegen hun kind af te staan en welke verantwoordelijkheid draagt deze organisatie bij het informeren van vrouwen over de juridische betekenis van documenten die zij ondertekenen?
In het Protocol afstand ter adoptie zijn de taken en verantwoordelijkheden van alle betrokken organisaties beschreven. De organisatie die de ouder(s) ondersteunt (zoals Fiom) begeleidt de ouder(s) bij het nemen van de beslissing, biedt informatie over de keuzeopties, benoemt de belangen van het kind en de verwekker, bespreekt de impact van de keuze die in het nu gemaakt wordt, begeleidt bij de procedure die daarop volgt en rapporteert daarover aan de RvdK. De RvdK is verantwoordelijk voor het goede verloop van de (juridische) procedures in het kader van (voorlopige) voogdijmaatregelen en voor het bewaken van de bijbehorende termijnen. Tevens is de RvdK verantwoordelijk voor het voordragen van geschikte aspirant adoptieouders. Dit doet de RvdK in zorgvuldig overleg met de ouders. In het protocol heeft de RvdK de taak om het document aan de ouder(s) toe te lichten en hen te vragen of zij dit wensen te ondertekenen (of niet). Als de ouder(s) dit wille(n) kan de begeleider van Fiom hier ter ondersteuning bij aanwezig zijn.
Bent u het ermee eens dat uitgangspunt van het familierecht behoud van de familierechtelijke betrekkingen tussen moeder en kind is en dat Fiom een cruciale rol speelt om onbedoeld zwangere vrouwen te beschermen tegen externe druk tot verbreking van die familierechtelijke betrekkingen?
Vanzelfsprekend vormt het behoud van de familierechtelijke betrekkingen tussen moeder en kind, en zo mogelijk ook de vader, een belangrijke waarde in de begeleiding van moeders of stellen die overwegen om afstand te doen van hun kind. Het belang van het kind wordt hier nadrukkelijk in meegenomen. Ook is er in de begeleiding van Fiom en de RvdK aandacht voor externe factoren die de autonomie van de ouder(s) beïnvloeden en voor de impact van de beslissing van nu op de toekomst. Ondanks zorgvuldige begeleiding en het bespreekbaar maken van alternatieven kan de moeder of kunnen de ouders zelf tot het besluit komen om afstand te doen van hun kind. Het uitgangspunt daarbij is het zelfbeschikkingsrecht.
Indien het antwoord op de vorige vraag positief is, hoe beoordeelt u de pagina op de website van Fiom, getiteld: «Arbeidsmigrant en ongewenst zwanger»? Bent u het ermee eens dat de daarin door Fiom beschreven opties niet bijdragen aan behoud van familierechtelijke betrekkingen?
En vrouw heeft in Nederland vier keuzeopties6 bij twijfels over een (onbedoelde en/of ongewenste) zwangerschap. Afstand ter adoptie is in Nederland één van de keuzes die in vrijheid gemaakt kan en mag worden. Dit is nooit een lichtzinnige beslissing en vrouwen/stellen worden desgewenst intensief begeleid bij het komen tot een keuze en het verder leven hiermee. In de begeleiding die door Fiom wordt geboden komen alle keuzeopties aan bod en worden alternatieven uitgebreid onderzocht. Dat neemt niet weg dat er inderdaad vrouwen zijn die, vanwege de omstandigheden waarin zij leven, moeten concluderen dat het doen van afstand voor hen de enige mogelijke keuze is.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat onbedoeld zwangere arbeidsmigranten geen reële keuzevrijheid ervaren en tegen hun wil afstand doen?
Er bestaan helaas geen snelle en makkelijke oplossingen voor de complexe omstandigheden van deze groep vrouwen en stellen. Maar het kabinet moet en wil hier wel heel goed naar kijken. De ministeries van JenV, SZW en VWS zijn daarom al met elkaar en met betrokken veldpartijen in contact om te verkennen wat nodig is om bestaande hulp en ondersteuning beter te laten aansluiten op de behoeften van zwangere arbeidsmigranten.
Het Ministerie van SZW werkt aan een breed pakket aan maatregelen om de positie van arbeidsmigranten te verbeteren, waaronder op het gebied van huisvesting en huurbescherming.
Welke rol speelt de Raad voor de Kinderbescherming bij de procedure wanneer vrouwen overwegen hun kind af te staan en op welke wijze wordt daarbij getoetst of de keuze van de moeder vrij en weloverwogen tot stand komt?
Elk kind in Nederland dient onder gezag te staan. Het gezag ligt bij de biologische ouders of bij één van de biologische ouders. Als het gezag niet door de biologische ouder(s) uitgeoefend wordt, omdat de ouder(s) afstand wil(len) doen dan is het de taak van de Raad voor de Kinderbescherming om in het gezag over de minderjarige te voorzien en/of, indien noodzakelijk, een kinderbeschermingsmaatregel te verzoeken.
De RvdK doet in de procedure waarbij een vrouw afstand ter adoptie overweegt onderzoek. Tijdens het raadsonderzoek spreekt de RvdK met de ouder(s). Als er een vermoeden bestaat dat de ouder(s) niet vrijwillig de keuze voor afstand maakt/maken, dan wordt dat besproken met ouder(s) en wordt dit opgenomen in het raadsrapport. De alternatieven voor afstand ter adoptie worden in die gevallen opnieuw met de ouder(s) doorgenomen. Zo worden de mogelijkheden besproken om zelf voor het kind te zorgen en de mogelijkheden tot ondersteuning daarbij. Soms kan (langdurige) pleegzorg een alternatieve oplossing bieden.
Als de ouder(s) bij het voornemen tot afstand blijft/blijven verzoekt de RvdK aan de rechter om definitief in het gezag te voorzien. Bij de behandeling van dit verzoek ter zitting wordt/worden de ouder(s) altijd opgeroepen en heeft de rechter oog voor de wensen van de ouder(s). De rechter heeft een zelfstandige toetsende taak en onafhankelijke rechtsprekende rol in de procedures die betrekking hebben op afstand ter adoptie.
In hoeverre wordt bij de begeleiding van vrouwen die overwegen hun kind af te staan, expliciet gekeken naar hun sociaaleconomische omstandigheden, zoals verlies van werk, inkomen of huisvesting tijdens zwangerschap?
Huisvesting, werk en inkomen zijn zonder meer belangrijke onderwerpen in de begeleiding aan alle vrouwen en stellen die afstand ter adoptie overwegen. Als de vrouw dit wil, wordt samengewerkt met het andere zorg- of hulpverleners om oplossingen te vinden voor problemen met huisvesting of inkomsten. Voor een deel van de arbeidsmigranten die zich voor begeleiding bij afstand ter adoptie aanmeldt, betekent deze hulp ook dat zij er uiteindelijk voor kiezen om zelf voor het kind te gaan zorgen.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het aanstaande commissiedebat over personen- en familierecht op 16 april 2026?
Ja.
De juridische onhoudbaarheid van financiële steun aan Tata Steel |
|
Christine Teunissen (PvdD), Ines Kostić (PvdD) |
|
Sophie Hermans (VVD), Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het persbericht van Advocates for the Future waarin wordt gesteld dat de voorgenomen staatssteun van maximaal 2 miljard euro aan Tata Steel Nederland juridisch onhoudbaar, ineffectief en onrealistisch is?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de juridische analyse van Advocates for the Future van 19 december 2025 dat de voorgenomen staatssteun aan Tata Steel in haar huidige vorm niet voldoet aan de vereisten van noodzaak, effectiviteit en proportionaliteit onder de Europese staatssteunregels (CEEAG), met name omdat niet is aangetoond dat de maatregelen leiden tot daadwerkelijke en additionele klimaat- en gezondheidswinst? Op welke wetenschappelijke bronnen baseert u uw beoordeling dan precies (graag met nauwkeurige bronvermelding)?
Advocates for the Future heeft de juridische analyse ingediend als reactie op de publieke consultatie van de Joint Letter of Intent met Tata Steel2. Alle reacties op de publieke consultatie worden momenteel samengevat tot een zogenaamd hoofdlijnenverslag. Dit hoofdlijnenverslag wordt binnenkort naar de Kamer verzonden.
De Nederlandse staat wil en zal geen staatssteun verlenen aan een private onderneming in het kader van de maatwerkaanpak om te voldoen aan geldende wet- en regelgeving. De maatregelen onder de maatwerkaanpak moeten dan ook bovenwettelijk zijn. De staat ziet hier streng op toe en ook de Europese Commissie (hierna: EC) controleert dat de steun niet wordt gegeven om aan geldende EU-wetgeving te voldoen. De verwachte CO2-reductie van de projecten in de JLoI wordt onderschreven door het rapport van de technische adviseur van de staat. De Landsadvocaat heeft juridisch advies verleend over de (aanvullende) milieumaatregelen en in het bijzonder de bovenwettelijkheid daarvan. Dit advies is naar de Kamer verzonden.3 De Landsadvocaat concludeert dat de voorgestelde milieumaatregelen op dit moment niet juridisch afdwingbaar zijn zonder maatwerkafspraak. Daarmee is de beoogde gezondheidswinst dus additioneel aan de geldende wet- en regelgeving.
Staatssteun kan rechtmatig worden verleend indien wordt voldaan aan de voorwaarden van een Europees staatssteunkader, in dit geval, de Richtsnoeren staatssteun ten behoeve van klimaat, milieubescherming en energie 2022 (2022/C 80/01) (CEEAG). De beoogde steunmaatregel wordt dus conform de voorwaarden en verplichtingen uit het CEEAG-kader opgesteld. De EC moet de uiteindelijke steunmaatregel beoordelen en zal de voorgestelde maatregel toetsen aan de hand van dit kader. De juridische borging van het behalen van de doelen wordt uitgewerkt in de uiteindelijke maatwerkafspraak.
Kunt u aangeven of u een juridische staatssteunanalyse heeft laten opstellen waarin expliciet wordt getoetst aan artikel 107, lderde lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), het CEEAG-kader en het beginsel «de vervuiler betaalt», en bent u bereid deze analyse met de Kamer te delen vóór verdere besluitvorming? Zo nee, bent u bereid deze op te stellen en te delen?
De verenigbaarheid met de interne markt van de beoogde steunmaatregel zal door de EC worden getoetst aan de hand van de CEEAG. Om die reden wordt de beoogde steunmaatregel zo vormgegeven dat aan de voorwaarden en verplichtingen uit het CEEAG-kader wordt voldaan, waaronder bijvoorbeeld het beginsel «de vervuiler betaalt» voor de milieumaatregelen. Dit is geanalyseerd en hierover vinden ook gesprekken plaats met de EC in het kader van de prenotificatiefase van deze steunmaatregel. Echter, het formele notificatietraject van de steunmaatregel bij de EC is nog niet gestart. Op het moment van de formele notificatieprocedure wordt door de EC getoetst of de steunmaatregel voldoet aan alle voorwaarden en verplichtingen uit de CEEAG en of de steunmaatregel verenigbaar is met de interne markt. De EC is exclusief bevoegd om te beoordelen of de steun verenigbaar is met artikel 107, derde lid, VWEU. De steun kan niet worden verleend zonder dat de EC deze heeft beoordeeld en goedgekeurd. Deze goedkeuring, en daarmee de toets aan artikel 107, derde lid, VWEU, wordt openbaar gemaakt en gepubliceerd op de website van de Europese Commissie.
Kunt u uiteenzetten op welke wijze de aan de Kamer verstrekte CO2-reducties zijn berekend en welke aannames daarbij zijn gehanteerd over productievolumes en referentiescenario’s? Kunt u de onderliggende stukken en exacte wetenschappelijke bronnen met de Kamer delen, zodat de Kamer haar controlerende en kaderstellende taak naar behoren kan uitvoeren?
Zoals in eerdere beantwoording aangegeven zijn bij de Kamerbrief4 over de ondertekening van de JLoI ook de berekeningen van de CO2-reductie gepubliceerd5.
Hoe beoordeelt u de kritiek van experts dat de beoogde CO2-reducties grotendeels een «papieren werkelijkheid» betreft omdat een aanzienlijk deel van de uitstoot het gevolg is van capaciteitsafbouw, emissieverplaatsing en aannames? Op welke wetenschappelijke bronnen baseert u uw beoordeling dan precies (graag met nauwkeurige bronvermelding)?
Zoals in het antwoord op vraag 2 aangegeven zijn de beoogde CO2-reducties getoetst door de technische adviseur van de staat6. Het rapport hierover is met de JLoI meegestuurd naar de Kamer. Wat betreft de punten over capaciteitsafbouw en emissieverplaatsing verwijs ik graag naar eerdere beantwoording waarin wordt aangegeven dat er geen sprake is van capaciteitsafbouw en dat de maatwerkaanpak zich focust op vermindering van de directe CO2-uitstoot bij de bedrijven zelf. De komende periode worden de juridische waarborgen voor het behalen van de doelen uitgewerkt en opgenomen in de uiteindelijke maatwerkafspraak.
Waarom is bij de beoordeling van de klimaatwinst uitsluitend gekeken naar emissiereducties binnen Nederland (scope 1), terwijl bekend is dat methaanlekken bij gaswinning de totale klimaatimpact substantieel kunnen verhogen?
Een vergelijkbare vraag is eerder gesteld en beantwoord. Voor uw gemak hieronder nogmaals de exacte vraag en het antwoord.
Acht u het verenigbaar met de 1,5°C-doelstelling van het Parijsakkoord dat het grootste deel van de steun wordt ingezet voor installaties die primair op aardgas zullen gaan draaien, zonder harde verplichting tot tijdige omschakeling naar hernieuwbare energie, terwijl onzeker is of en wanneer omschakeling naar groene waterstof daadwerkelijk mogelijk zal zijn gezien de beperkte beschikbaarheid en concurrerende vraag? Op welke wetenschappelijke bronnen baseert u uw positie hierin dan precies (graag met nauwkeurige bronvermelding)?
De maatwerkafspraak met TSN beoogt een grote CO2-reductie van 7,2 Mton/jaar en forse verbetering van de leefomgeving en gezondheid van omwonenden te realiseren. Verder is in de JLoI opgenomen dat TSN ernaar streeft om uiterlijk in 2045 en zo snel als redelijkerwijs mogelijk is klimaatneutraliteit te bereiken. Juist vanwege de 1,5°C-doelstelling van het Parijsakkoord is het van belang om op korte termijn de emissies naar beneden te brengen.
Zoals in eerdere beantwoording aangegeven7 is in de JLoI overeengekomen dat TSN in de periode 2032–2037 het aardgas in de nieuw te bouwen DRP-installatie zal vervangen door groene waterstof en/of biomethaan. De installatie kan technisch overgaan op groene waterstof en/of biomethaan en hiervoor zijn dus geen technische aanpassingen nodig. Om in de tussenfase dat de DRP op aardgas draait een grotere CO2-reductie mogelijk te maken wordt CCS toegepast. Als is overgestapt op biomethaan kunnen hiermee ook negatieve emissies worden gerealiseerd.
Voor de aankoop van groene waterstof en biomethaan is de Staat voornemens een lening van 200 miljoen euro te verstrekken. De haalbaarheid van de overstap op groene energiebronnen is getoetst door de technische en financiële adviseurs van de staat. Voor groen gas specifiek schat externe adviseur Common Futures het Europese productiepotentieel voor groengasproductie op 100 bcm, ruim voldoende om aan de vraag van TSN van 0.5 bcm te voldoen. De juridische waarborgen voor de overstap op groene energiebronnen worden de komende tijd uitgewerkt en opgenomen in de maatwerkafspraak. Daarbij is het voorkomen van een lock-in op aardgas een van de voorwaarden uit het relevante staatssteunkader van de EC, de CEEAG.
Waarom zijn in de Joint Letter of Intent geen juridisch afdwingbare verplichtingen opgenomen die Tata Steel verplichten om uiterlijk op een vast moment te stoppen met het gebruik van kolen en aardgas? Hoe wordt het risico op een langdurige fossiele lock-in voorkomen, en kunt u de expertbronnen waarop u zich baseert meesturen?
Het proces van de maatwerkaanpak is zo georganiseerd dat de JLoI inspanningsverplichtingen bevat. Zie vraag 7 hierboven voor een nadere toelichting op de afspraken over de overstap van kolen naar aardgas en het voorkomen van een lock-in.
Kunt u toelichten hoe en door wie is getoetst en vastgesteld dat de gesubsidieerde maatregelen niet (gedeeltelijk) zien op naleving van bestaande wettelijke verplichtingen van Tata Steel? Hoe wordt precies voorkomen dat publieke middelen worden ingezet voor kosten die op grond van het beginsel «de vervuiler betaalt» voor rekening van het bedrijf zelf horen te komen?
De maatwerkaanpak richt zich op het realiseren van bovenwettelijke maatregelen, oftewel maatregelen die een grotere reductie bewerkstelligen dan wettelijk verplicht. Er kan dus ook alleen maatwerksteun worden gegeven voor bovenwettelijke maatregelen. De Staat toetst hier streng op. Ook de EC toetst dat de Nederlandse staat alleen maatregelen steunt die verder gaan dan Unienormen. Voor de milieumaatregelen specifiek is een juridische analyse gemaakt door de Landsadvocaat, zie ook het antwoord op vraag 2. Hieruit volgt dat de voorgestelde milieumaatregelen op dit moment niet wettelijk afdwingbaar zijn.8
Aangezien de voorgestelde steun slechts betrekking heeft op een deel van de staalproductie en Tata Steel zelf niet in staat zou zijn om de productie te vergroenen, hoe voorkomt u dat een subsidiefuik ontstaat? Staat niet reeds vast dat Tata Steel straks voor meer subsidie zal aankloppen? En wordt het door de nu voorgestelde steunmaatregelen van 2 miljard euro niet lastiger om deze te weigeren? Kunt u aangeven hoe precies dit scenario wordt voorkomen?
Met de JLoI committeert de staat zich op dit moment op geen enkele manier aan aanvullende investeringen boven op de beoogde maatwerksubsidie van 2 miljard euro. Daarbovenop is in de JLoI opgenomen dat er geen maatwerksteun wordt voorzien voor de tweede fase van de verduurzaming van TSN. De staat ziet op dit moment ook geen realistisch scenario waarin de tweede fase van de verduurzaming van TSN in aanmerking komt voor maatwerkondersteuning. De tweede fase zal naar de huidige verwachting medio jaren ’30 worden uitgevoerd. Op dat moment zijn naar verwachting hoge EU ETS kosten en een goedwerkende CBAM in combinatie met een mogelijk kolenverbod aan de orde. Dit alles maakt het zeer onwaarschijnlijk dat er überhaupt subsidie mag worden verstrekt voor deze fase. Tegelijkertijd kan dit scenario nooit volledig uitgesloten worden, omdat wet- en regelgeving en klimaatbeleid in de toekomst kan wijzigen. Daarbij is het goed om op te merken dat een individueel bedrijf niet kan worden uitgesloten van eventueel in de toekomst bestaande generieke subsidie-instrumenten. Zie ook de beantwoording van vragen van de leden Kostić (PvdD), Dassen (Volt), Van Oosterhout en Zalinyan (beiden GroenLinks-Pvda) die op 4 februari jl. zijn beantwoord en eveneens zien op het voorkomen van, kort gezegd, een subsidiefuik.9 Zie voor uw gemak hieronder de exacte vragen en beantwoording:
Waarom is er geen volledige en transparante counterfactual analyse gepubliceerd waaruit blijkt welk investeringspad Tata Steel zonder staatssteun zou volgen? Hoe kan zonder zo’n analyse worden vastgesteld dat sprake is van een daadwerkelijk stimulerend effect van de steun?
Het counterfactual scenario bevat bedrijfsvertrouwelijke informatie en is om deze reden, net als de businesscase, niet gepubliceerd. Dit is de gebruikelijke gang van zaken bij dit soort trajecten van individuele ondernemingen. De businesscase en het counterfactual scenario van TSN worden uitvoerig getoetst door de financiële adviseur van de staat. Daarbij moet, voor het verkrijgen van goedkeuring voor de eventuele staatssteun door de EC, zoals de CEEAG voorschrijft, ook inzicht worden geboden in het counterfactual scenario en een onderbouwing van het stimulerend effect worden gegeven. De EC toetst deze dus ook en deze analyse is dus van belang voor het verkrijgen van goedkeuring van de EC voor het verlenen van rechtmatige staatssteun.
Hoe verhoudt het ontbreken van een afgeronde milieueffectrapportage en gezondheidseffectrapportage zich tot het vereiste dat de steun bovenwettelijk is en daadwerkelijk bijdraagt aan de verbetering van de gezondheid van omwonenden? Op welke onafhankelijke wetenschappelijke adviezen baseert u zich precies?
Zie de aanbiedingsbrief bij deze beantwoording, de beantwoording van vraag 2 hierboven en de eerdere beantwoording van vergelijkbare vragen over het MER [PM verwijzing]. Daarbij moet worden opgemerkt dat bovenwettelijkheid wordt afgemeten aan (normen uit) nationale en Europese wetgeving, niet aan een het MER of de GER. Een MER of GER is immers een uitwerking van de effecten van de voorgestelde plannen van Tata Steel waar Tata Steel een vergunning voor aanvraagt. Zie ook het eerder aan de Kamer gestuurde advies van de Landsadvocaat.10
Kunt u toelichten hoe de gezondheidswinst voor omwonenden van Tata Steel onafhankelijk en zoveel mogelijk real time zal worden gemonitord, conform aangenomen motie-Teunissen c.s. over zo snel mogelijk zorgen voor onafhankelijk, continu en fijnmazig meten van gevaarlijke stoffen bij Tata Steel (Kamerstuk 28 089, nr. 302), en welke sancties op welke termijn volgen indien deze uitblijft?
Deze elementen worden nader uitgewerkt richting het sluiten van de maatwerkafspraak. Zie ook de aanbiedingsbrief bij deze beantwoording. Zoals reeds geantwoord11 op 25 november 2025 op een eerdere vraag van de leden Kostić (PvdD) en Koekkoek (Volt) over dit onderwerp is in artikel 8.2.d van de JLoI afgesproken dat TSN onderzoekt hoe ze onafhankelijke en transparante metingen en monitoring kan versterken, boven op de wettelijke verplichtingen die TSN op het gebied van meten en monitoren al heeft.
Kunt u toelichten of de Europese Commissie al een eerste analyse heeft gemaakt van de steunmaatregelen? Wat is de status van de beoordeling door de Commissie? Kunt u het standpunt van de Commissie met de Kamer delen?
Zoals aangeven bij het antwoord op vraag 3 is met de EC gesproken over de voorwaarden vanuit het steunkader waaronder rechtmatige staatssteun zou kunnen worden verleend. De gesprekken met de EC worden doorlopend gevoerd en zijn constructief. Echter, het formele notificatie traject van de steunmaatregel bij de EC is nog niet gestart en de EC heeft dus ook nog geen formele beoordeling afgerond.
Bent u bereid verdere besluitvorming en een eventuele staatssteunmelding bij de Europese Commissie op te schorten totdat (a) een volledige juridische staatssteunanalyse is afgerond en gedeeld met de Kamer, (b) bindende klimaatdoelen en gezondheidsdoelen zijn vastgelegd (in lijn met de onafhankelijke adviezen van o.a. Expertgroep Gezondheid IJmond), en (c) duidelijk is dat de maatregelen daadwerkelijk bijdragen aan de mondiale klimaatdoelen?
Zoals ook toegelicht in het antwoord op vraag 3, zal de verenigbaarheid met de interne markt van de beoogde steunmaatregel door de EC worden getoetst aan de hand van de CEEAG en is de maatregel om die reden zo vormgegeven dat aan de betreffende voorwaarden voldaan kan worden. De maatwerkafspraak met TSN is de snelste en effectiefste weg naar verduurzaming en verbetering van de leefomgeving en gezondheid van omwonenden. De inzet voor de maatwerkafspraak is gebaseerd op verschillende adviezen en rapporten, waaronder de adviezen van de Expertgroep Gezondheid IJmond. De staat heeft experts ingehuurd om de voorstellen en mogelijke afspraken juridisch, technisch en financieel te toetsten. Het kabinet vindt het in het belang van de omwonenden en het klimaat dat Tata Steel op de kortst mogelijke termijn de nodige verbeteringen gaat realiseren. Verdere onderzoeken zullen het proces vertragen terwijl het juist in ons allerbelang is om voortgang te boeken. Zoals eerder in deze en eerdere beantwoording aangegeven worden de juridische waarborgen voor het behalen van de doelen de komende periode verder uitgewerkt en opgenomen in de maatwerkafspraak. De EC toetst bepaalde aspecten van deze waarborgen ook bij het beoordelen van de maatregel aan het relevante staatssteunkader, CEEAG. Het goedkeuringsbesluit van de EC wordt openbaar gemaakt.
Herinnert u zich dat eerdere analyses van experts benadrukken dat de transformatie van Tata Steel naar aardgasproductie met CCS de Nederlandse energietransitie belemmert door grootschalige vraag naar (groen)gas, wat mest uit de bioindustrie vereist en daarmee een lock-in van intensieve veehouderij creëert, inclusief greenwashing-effecten? Hoe beoordeelt u deze bevindingen en op welke wetenschappelijke bronnen baseert u die beoordeling? Erkent u dat industrie afhankelijk maken van de intensieve veehouderij ingaat tegen de aangenomen motie-Tjeerd de Groot om die intensieve veehouderij af te bouwen?2 Hoe wordt precies gewaarborgd dat de stappen die worden genomen met Tata Steel die afbouw niet vertragen of dwarsbomen?
Zoals in eerdere beantwoording van Kamervragen aangegeven13, leidt het gebruik van biomethaan niet tot een afhankelijkheid van mest. Biomethaan kan namelijk ook uit andere rest- en afvalstromen worden geproduceerd. Daarbij wordt ook import van biomethaan voorzien. Er is dus geen sprake van een afhankelijkheid tussen de verduurzaming van de industrie en de intensieve veehouderij. Het milieubeleid en de bijbehorende regelgeving in de landbouw, waar een vermindering van de omvang van de veestapel onderdeel van uitmaakt, bepaalt de hoeveelheid mest die geproduceerd wordt in Nederland. Het kabinet houdt bij de vormgeving van biomethaan beleid rekening met een krimp van de veestapel. Waarbij een daling in de hoeveelheid beschikbare mest geen risico vormt voor het biomethaan beleid.14
Welke maatregelen treft u om te voorkomen dat de 2 miljard euro steun aan Tata Steel leidt tot een afhankelijkheid van gas en biomethaan uit veeteeltmest in plaats van een versnelling van de overstap naar echt hernieuwbare energiebronnen, zoals wind- en zonne-energie direct voor groene waterstofproductie?
Zie het antwoord op vraag 16.
Kunt u deze vragen individueel en vóór het debat over de Jointetter of Intent met Tata Steel beantwoorden?
Ja.
Hoe reageert u op de recente bevindingen van het laboratorium SGS Search, waaruit blijkt dat meer speelgoed asbest bevat dan uit het oorspronkelijke onderzoek bleek?
Het kabinet begrijpt dat de resultaten van het onderzoek van het AD tot zorgen hebben geleid. Daarom is het goed dat de risicobeoordeling van de NVWA beschikbaar is. Hierin concludeert de NVWA dat in algemene zin het gezondheidsrisico, door het spelen met verschillende soorten speelzand, verwaarloosbaar is.
Het is belangrijk dat consumenten erop kunnen vertrouwen dat de producten die zij kopen veilig zijn. Uit het onderzoek van de NVWA blijkt dat van de 106 speelzandmonsters er 66 geen asbest bevatten en 34 een hoeveelheid die onder de grenswaarde van 0,1% blijft.
In de gevallen waar sprake was van overschrijding van de norm, heeft de NVWA handhavend opgetreden en producten uit de schappen gehaald.
Ondanks het geconstateerde verwaarloosbare risico is de aanwezigheid van asbest in speelzand ongewenst. Nederland zal zich daarom in Europees verband inzetten voor aanscherping van de grenswaarde.
Bent u bereid, gezien de problemen steeds groter blijken, het zekere voor het onzekere te nemen en direct te komen tot een verkoopverbod? Zo nee, waarom niet?
In Nederland, maar ook in de rest van Europa, zijn marktdeelnemers, zoals fabrikanten, importeurs en verkopers, zelf verantwoordelijk voor de veiligheid van het speelgoed en moeten zij die veiligheid kunnen aantonen. De NVWA ziet erop toe dat de wet- en regelgeving voor deze producten wordt nageleefd. De NVWA concludeert in de risico-beoordeling dat in algemene zin het gezondheidsrisico, door het spelen met verschillende soorten speelzand, verwaarloosbaar is.
Verkopers en leveranciers van met asbest vervuild speelzand boven de norm van 0,1%, die geldt volgens het Warenwetbesluit Speelgoed 2011 ter implementatie van de Europese Speelgoedrichtlijn, worden door de NVWA aangesproken om de producten uit de handel te halen en eventueel bestuursrechtelijk gedwongen tot een terugroepactie. Voor de speelzandmonsters waarin meer dan 0,1% asbest is geconstateerd, is dit al gebeurd. Er zijn ook ondernemers die uit eigen beweging producten uit de handel hebben gehaald.
Daarom is het kabinet niet bereid een algemeen verkoopverbod voor speelzand in te stellen.
Aangezien meerdere laboratoria inmiddels onderzoek hebben gedaan en hebben geconstateerd dat meerdere producten met speelzand asbest bevat, bent u bereid samen te werken met deze laboratoria en experts om onderzoek te doen en veiligheidsmaatregelen op te stellen?
De NVWA werkt samen met SGS Search te Heeswijk, het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO), de Gemeentelijke Gezondheidsdiensten (GGD’s), de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) en de Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA). De gezamenlijke expertise m.b.t. asbest binnen deze organisaties is ruim voldoende om een zorgvuldig onderzoek te doen en veiligheidsmaatregelen op te stellen.
Een zorgvuldige bemonstering, analyse en risicobeoordeling van de NVWA is cruciaal om besluiten te nemen die bestuurs- of strafrechtelijk houdbaar zijn. Daarom kan de NVWA niet handhavend optreden op basis van laboratoriumresultaten van derden, bijvoorbeeld in opdracht van particuliere partijen. De NVWA heeft echter wel 14 Nederlandse laboratoria benaderd om hun onderzoeksresultaten met de NVWA te delen om zo een breder beeld te krijgen van de mogelijke aanwezigheid van asbest in speelzand.
Kunt u inschatten hoeveel kinderen, ouders en medewerkers van scholen en kinderdagverblijven door dit speelgoed zijn blootgesteld aan asbestvezels?
Het is begrijpelijk dat de aanwezigheid van asbest in speelgoed, zeker op plekken waar kinderen spelen, veel zorgen oproept. We kunnen geen betrouwbare inschatting geven van het aantal kinderen, ouders of medewerkers dat mogelijk is blootgesteld. Daarvoor ontbreken essentiële gegevens, zoals de exacte omvang van het gebruik van het vervuilde speelzand en de verspreiding van de betrokken producten.
Aangezien het speelzand is aangetroffen op basisscholen en kinderdagverblijven, bent u bereid de Nederlandse Arbeidsinspectie opdracht te geven onderzoek te doen naar de aanwezigheid van asbest op scholen waar dit speelzand is gebruikt?
De arbeidsinspectie is onafhankelijk. Daarom kan geen opdracht worden gegeven om onderzoek te doen naar de aanwezigheid van asbest op scholen en kinderopvangcentra, waar dit speelzand is gebruikt.
Bij vermoedens over gezondheids- en veiligheidsrisico’s van werkenden kan altijd een melding worden gedaan bij de arbeidsinspectie. De arbeidsinspectie pakt meldingen op basis van risicoanalyse en urgentie op. Meldingen worden met voorrang behandeld als er sprake is van direct gevaar, ernstig letsel of structurele misstanden. De arbeidsinspectie weegt dit per melding af.
Bent u bereid grootschalig onderzoek te doen naar alle vormen van consumentenartikelen die mineralen bevatten die gemijnd worden in gebieden waar van nature asbest vormt, zoals make-up dat talk bevat?
De NVWA concludeert in haar rapport dat in algemene zin het gezondheidsrisico, door het spelen met verschillende soorten speelzand, verwaarloosbaar is.
Uit een uitgebreid onderzoek naar asbest in cosmetische producten met talk door NVWA uit 2018 bleek dat slechts een klein aantal van de producten vervuild is met asbest. Uit de risicobeoordeling bleek het hierbij te gaan om een beperkt gezondheidsrisico.
Gezien de geconstateerde geringe gezondheidsrisico’s voor asbest in speelzand en cosmetische producten ziet het kabinet geen aanleiding voor een onderzoek naar alle vormen van consumentenartikelen die mineralen bevatten die gemijnd worden in gebieden waar van nature asbest voorkomt.
Wanneer was de NVWA op de hoogte van de problemen in Australië en Nieuw-Zeeland? Wanneer zijn ze begonnen met onderzoeken? Welk laboratorium voert het onderzoek uit en is dit laboratorium geaccrediteerd voor asbest analyse? Kunt u een tijdlijn geven van alle gezette stappen en acties die zijn ondernomen?
In de brief van de toenmalig Staatssecretaris van 20 februari 2026 (Kamerstukken 2025–2026 25 834, nr. 201) is toegelicht welke acties de NVWA heeft genomen naar aanleiding van de berichten uit Australië en Nieuw-Zeeland over asbest in speelzand. De asbest analyses binnen dit onderzoek zijn uitgevoerd door het geaccrediteerde laboratorium SGS Search te Heeswijk. Aan de hand van deze analyseresultaten heeft het RIVM een risicobeoordeling gemaakt op basis waarvan het Bureau Risicobeoordeling en Onderzoek (Buro) van de NVWA een advies geformuleerd heeft. De risicobeoordeling van het RIVM en het Buro advies zijn op 8 april 2026 openbaar gemaakt via hun eigen websites.
Bent u bereid de conclusies van het onderzoek van de NVWA naar de asbestvezels in het speelveld met de Kamer te delen? Zo ja, wanneer kan de Kamer deze brief verwachten?
De conclusies van het onderzoek van de NVWA naar de aanwezigheid van asbest in speelzand zijn via de website van de NVWA openbaar gemaakt. Daarnaast maakt de NVWA de onderliggende resultaten actief openbaar volgens de daartoe opgestelde procedures.
Waar kunnen ouders die zich zorgen maken over mogelijke asbestvervuiling van hun woning door het speelzand terecht om hier onderzoek naar te doen?
Ouders die zich zorgen maken over mogelijke asbestverontreiniging in hun woning door het betreffende speelzand, kunnen in eerste instantie contact opnemen met de GGD van hun gemeente voor advies over gezondheidsrisico’s en mogelijke vervolgstappen. Als zij de aanwezigheid van asbest willen laten vaststellen, kan
dat via een gecertificeerd asbestlaboratorium of een geaccrediteerd inspectiebureau dat materiaalonderzoek uitvoert. Deze partijen kunnen monsters nemen en analyseren volgens de daarvoor geldende normen.
Welke verantwoordelijkheden hebben verkopers om dit asbest-vervuild speelzand te saneren of veilig te storten?
Met asbest-vervuild speelzand dient, net als ander asbesthoudend afval, veilig gestort te worden op een stortplaats die asbest mag accepteren. Verkopers van speelzand dat met asbest vervuild is, dienen zelf afspraken te maken met een afvalinzamelaar over de veilige afvoer en verwerking van hun afval. Zij zijn gehouden aan de (strenge) geldende asbestregelgeving die als doel heeft om de leefomgeving en burgers en de werknemers te beschermen. Dit geldt ook voor andere bedrijven en instellingen (zoals kinderopvangcentra en scholen). Indien deze partijen zich willen ontdoen van asbest-vervuild speelzand, dan dienen zij zelf afspraken te maken met een afvalinzamelaar.
Welke consequenties zijn er voor de verkopers, leveranciers en producenten van het asbestvervuilde speelzand voor het verspreiden van het speelzand en het blootstellen van kinderen aan asbest? Bent u bereid terugroepacties te verplichten?
Fabrikanten en importeurs zijn verantwoordelijk voor het op de markt brengen van veilige producten. De NVWA ziet erop toe dat de wet- en regelgeving voor deze producten wordt nageleefd.
Verkopers en leveranciers van met asbest vervuild speelzand boven de norm van 0,1%, die geldt volgens het Warenwetbesluit Speelgoed 2011 ter implementatie van de Europese Speelgoedrichtlijn1, worden door de NVWA aangesproken om de producten uit de handel te halen en eventueel bestuursrechtelijk gedwongen tot een terugroepactie. Voor de speelzand monsters waarbij meer dan 0,1% asbest is geconstateerd is dit al gebeurd. Er zijn ook ondernemers die uit eigen beweging producten uit de handel halen en terugroepen bij klanten.
Bent u bereid samen met andere landen in Europees verband te pleiten voor een importverbod voor dit soort speelzand zolang het onduidelijk is of deze producten asbest bevatten?
Naar aanleiding van dit incident heeft Nederland het voortouw genomen bij de gezondheidskundige risicobeoordeling van asbest in speelzand. Zo’n risicobeoordeling voor speelzand was nog niet eerder uitgevoerd, waardoor een uniforme aanpak binnen de Europese lidstaten ontbreekt.
De NVWA concludeert in de risico-beoordeling dat in algemene zin het gezondheidsrisico, door het spelen met verschillende soorten speelzand, verwaarloosbaar is. Ondanks het geconstateerde verwaarloosbare risico is de aanwezigheid van asbest in speelzand ongewenst. Nederland zal zich daarom in Europees verband inzetten voor aanscherping van de grenswaarde. In samenwerking met Europese landen zal verder gewerkt worden aan een verbetering van de normen voor speelgoed.