Bent u bekend met het artikel en wat is uw reactie hierop?1
Ja. Het rijden met een ongeldig rijbewijs is onacceptabel. Wie ondanks een ongeldig verklaard rijbewijs of met een rijbewijsmaatregel toch blijft rijden, brengt de verkeersveiligheid in gevaar, houdt zicht niet aan een opgelegde straf en pleegt een strafbaar feit waar een gevangenisstraf voor opgelegd kan worden. Het is goed om te zien dat de politie hier intensief op handhaaft. De politie hanteert een risicogestuurde aanpak die succesvol blijkt. De politie zet hiervoor onder andere de Automatic Number Plate Recognition (ANPR)-camera’s in. Personen met een ongeldig verklaard rijbewijs die een voertuig op hun naam hebben staan, kunnen met behulp van deze camera’s snel gelokaliseerd worden. Hierdoor wordt de pakkans vergroot.
Erkent u dat een straf die door duizenden bestuurders eenvoudig wordt genegeerd, blijkbaar aantoont dat het gezag in Nederland tot onder het nulpunt is gedaald en dat het tijd is om over te stappen op een zerotolerancebeleid als het gaat om recidivisten ten aanzien van de verkeersveiligheid? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ik ben het ermee eens dat bestuurders die met een ongeldig verklaard rijbewijs of met een rijbewijsmaatregel door blijven rijden, stevig aangepakt moeten worden. Daarom neem ik met het Wetsvoorstel verbetering aanpak rijden onder invloed ook aanvullende maatregelen voor deze doelgroep.2 Het wetsvoorstel regelt onder meer dat ten aanzien van mensen die een opgelegde ontzegging van de rijbevoegdheid schenden, vervangende hechtenis kan worden toegepast. Zo kan er snel worden ingegrepen als iemand toch achter het stuur wordt aangetroffen, zonder dat er eerst een vervolging voor het rijden met een ontzegging van de rijbevoegdheid plaats moet vinden.
Ook regelt het wetsvoorstel dat de ontzegging van de rijbevoegdheid dadelijk uitvoerbaar verklaard kan worden. Hiermee kan een opgelegde rijontzegging direct ten uitvoer worden gelegd en geldt deze bijvoorbeeld dus ook al lopende een eventueel hoger beroep.
Daarnaast geeft het wetsvoorstel de strafrechter de bevoegdheid om bij een ontzegging van de rijbevoegdheid het rijbewijs ook ongeldig te verklaren voor alle categorieën waarvoor het is afgegeven voor de resterende duur van de geldigheid. Dat betekent dat het rijbewijs definitief ongeldig wordt en dat iemand pas na afloop van de duur van de rijontzegging een nieuw rijbewijs kan aanvragen. Om een nieuw rijbewijs te kunnen krijgen moet iemand opnieuw zijn rijvaardigheid en rijgeschiktheid aantonen. Ik meen dat er hiermee een stevig pakket ligt om notoire verkeersovertreders die achter het stuur blijven stappen af te schrikken en aan te pakken.
Het wetsvoorstel is aangemeld voor plenaire behandeling. Graag ga ik in het kader van die behandeling verder met uw Kamer in gesprek over deze aanvullende maatregelen.
Kunt u inschatten hoeveel personen hun rijontzegging jaarlijks negeren en in de auto stappen, gezien de politie jaarlijks 10.000 gevallen per jaar betrapt en het daarom in de lijn der verwachting ligt dat het echte cijfer vele manen hoger ligt?
Er is geen zicht op het aantal mensen dat rijdt met een rijontzegging maar hiervoor niet wordt gepakt. Ik beschik wel de instroomcijfers van zaken bij het OM voor artikel 9 WVW1994, rijden tijdens een ontzegging van de rijbevoegdheid.
Jaar
Instroom bij het OM van artikel 9 WVW 1994 zaken
2021
8.177
2022
9.941
2023
10.404
2024
8.182
2025
8.869
Hoeveel van de betreffende bestuurders zijn in de afgelopen vijf jaar twee, drie of meer keer betrapt op rijden zonder geldige rijbevoegdheid? Wat is het hoogste aantal overtredingen dat in deze periode bij één persoon is geconstateerd?
In de afgelopen vijf jaar zijn over deze periode opgeteld 5177 personen twee keer betrapt op rijden zonder geldige rijbevoegdheid, 2107 personen drie keer, 1124 personen vier keer en 1320 personen vijf keer en meer. De bestuurder die het vaakst is betrapt op het rijden zonder geldige rijbevoegdheid is 36 keer gepakt.
Hoe vaak is een persoon, waarvan het rijbewijs al afgepakt was, betrokken geraakt bij een verkeersongeval en hoe vaak had zo’n verkeersongeval een dodelijk slachtoffer?
Het is niet bekend in hoeveel gevallen een bestuurder waarvan het rijbewijs ongeldig was, betrokken is geraakt bij een verkeersongeval en hoe vaak daarbij sprake was van een dodelijk slachtoffer, omdat dit niet als zodanig wordt geregistreerd. Wel kan uit de cijfers gehaald worden hoeveel unieke personen voor een artikel 9 WVW 1994 (rijden zonder geldig rijbewijs) delict in combinatie met een artikel 6 WVW 1994 (veroorzaken ongeval) delict zijn vervolgd. Het gaat in totaal om 239 personen. Daarbij moet worden opgemerkt dat bij een ongeval meerdere bestuurders betrokken kunnen zijn en schuld kunnen hebben en ook kunnen de delicten los van elkaar gepleegd zijn.
Deelt u de mening dat het niet langer uit te leggen is dat de verkeersveiligheid herhaaldelijk in het geding komt door mensen die een opgelegde sanctie negeren en dat feitelijk moet worden overgegaan naar onmiddellijk hechtenis als sprake is van een rijverbod? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Met het oog op de verkeersveiligheid acht ik het inderdaad van belang dat personen die (herhaaldelijk) een rijontzegging negeren, zo snel mogelijk van de weg gehaald kunnen worden. Daarom wordt met het in het antwoord op vraag 2 al genoemde Wetsvoorstel verbetering aanpak rijden onder invloed voorgesteld dat ten aanzien van deze bestuurders vervangende hechtenis kan worden toegepast.
Acht u de maatregelen uit het wetsvoorstel Verbetering aanpak rijden onder invloed afdoende, of zijn aanvullende maatregelen noodzakelijk om veelplegers die ondanks een rijontzegging of ongeldig verklaard rijbewijs blijven rijden effectief uit het verkeer te weren? Zo ja, aan welke maatregelen denkt u zelf?
Met het wetsvoorstel worden belangrijke stappen gezet om deze groep bestuurders effectiever aan te pakken. In dit verband noem ik nogmaals in het bijzonder de vervangende hechtenis. Niet alleen maakt dit snel optreden mogelijk, de verwachting is ook dat van de vervangende hechtenis een grotere afschrikwekkende werking uitgaat dan van het huidige beleid waarbij er eerst een aparte vervolging voor het schenden van de rijontzegging dient plaats te vinden. Daarnaast is de aanpak van de politie met behulp van ANPR-camera’s, zoals in het antwoord op vraag 1 benoemd, erg effectief. Momenteel wordt ook nog gewerkt aan de ontwikkeling van een bredere veelplegersaanpak, die ziet op alle verkeersovertredingen en niet specifiek het schenden van een rijontzegging. Uw Kamer wordt hier in het najaar nader over geïnformeerd.
Bent u bereid wettelijk te regelen dat bij herhaald rijden terwijl het rijbewijs is ingevorderd, ongeldig verklaard of terwijl een rijontzegging geldt, het voertuig in beginsel altijd in beslag wordt genomen en, waar mogelijk, verbeurd wordt verklaard? Zo nee, waarom niet?
Ik begrijp en deel de wens om hard op te treden tegen veelplegers die blijven rijden terwijl hun rijbewijs is ingevorderd, ongeldig verklaard of terwijl een rijontzegging geldt. De inbeslagname van een voertuig is al mogelijk en is afhankelijk van de omstandigheden van het geval en de ernst van de gedraging. De bevoegdheid om te beslissen over de inbeslagname ligt bij het openbaar ministerie en de rechter. Verbeurdverklaring kan door de rechter worden opgelegd als bijkomende straf wanneer het voertuig is gebruikt om het strafbare feit te plegen. Met het oog op het belang van de rechtelijke straftoemetingsvrijheid, acht ik het echter van belang dat niet wettelijk wordt voorgeschreven dat de inbeslagname en verbeurdverklaring altijd moet plaatsvinden in geval van recidive. Het is van belang dat de rechter de omstandigheden van het geval en de proportionaliteit van een dergelijke straf kan afwegen. Bovendien kan het zo zijn dat het voertuig niet in bezit zijn van de overtreder. Tot slot zal een dergelijke regeling hardnekkige overtreders helaas niet tegenhouden om in een ander voertuig te blijven rijden. Vervangende hechtenis, zoals voorgesteld met voornoemd wetsvoorstel, is in die gevallen naar verwachting effectiever.
Het bericht "Schietinstructeur Defensie gemangeld door werkgever na persoonlijke vete van collega’s" |
|
Tamara ten Hove (PVV), Shanna Schilder (PVV) |
|
David van Weel (VVD), Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Schietinstructeur Defensie gemangeld door werkgever na persoonlijke vete van collega’s»?1
Ja.
Herkent u het beeld dat in de praktijk individuele ambtenaren vanuit hun eigen overtuiging een zodanig grote invloed op beleid kunnen uitoefenen dat effectief leidinggeven vanaf hogerhand onmogelijk wordt? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik herken dit beeld niet.
Hebben de secretaris-generaal en/of de commandant der strijdkrachten u geïnformeerd over deze zaak en de genomen keuzes? Zo ja, wanneer en in welke vorm? Zo nee, waarom niet?
Ik ben op hoofdlijnen geïnformeerd over deze zaak. Over de precieze wijze en het moment van informeren doe ik geen nadere mededelingen om redenen van privacy bij individuele casuïstiek.
Gaat u de illegaal handelende ambtenaren van de zogenaamde «werkgroep» per direct op non-actief zetten en/of ontslaan, of blijft de enige werknemer van Defensie die consequenties ervaart de legaal handelende schietinstructeur? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ik herken mij niet in uw kwalificatie, noch in de geschetste situatie.
Acht u het wenselijk dat melding maken van disfunctioneren van het apparaat bij hogere rangen door Defensie geduid wordt als een vorm van «werkweigering»? Zo ja, waarom? Zo nee, wat gaat u eraan doen die cultuur te veranderen?
Het melden van ongewenst gedrag, het doen van een integriteitsmelding of het melden van disfunctioneren is geen werkweigering. Van werkweigering is bijvoorbeeld sprake wanneer iemand zich zonder toestemming niet meldt voor de toegewezen functie, waarbij de afwezigheid evenmin achteraf gerechtvaardigd is. Er is dus ook geen reden om de cultuur hierop te veranderen.
Hoe voorkomt u dat correctiemechanismen binnen Defensie (en andere overheidsinstanties) zich bij hun beoordeling louter baseren op interne rapportages van diezelfde organisatie waartegen de klachten zijn ingediend?
Daarvan is geen sprake. Bij het beoordelen van klachten wordt niet alleen gekeken naar het standpunt van de organisatie waarover wordt geklaagd maar nadrukkelijk ook naar het standpunt van de klager en andere relevante informatie.
Hoeveel vaststellingsovereenkomsten en andere vormen van beëindiging van de arbeidsovereenkomst zijn in de afgelopen vijf jaar binnen Defensie gesloten?
De bevoegdheid tot het sluiten van vaststellingsovereenkomsten is op verschillende commandantenniveaus in de organisatie belegd. Defensie houdt hiervan geen centrale registratie bij. Daarom kan ik niet aangeven hoeveel van dit soort overeenkomsten zijn gesloten.
In hoeveel van de onder vraag zeven genoemde beëindigingen was sprake van omstandigheden die ook maar enigszins van vergelijkbare aard zijn met de onderhavige zaak, waaronder beëindiging van het dienstverband naar aanleiding van een arbeidsconflict, een integriteitskwestie, een melding, een klacht of een vergelijkbare aanleiding? Kan de Kamer een geanonimiseerde uitsplitsing naar categorie van aanleiding ontvangen?
Zie het antwoord op vraag 7; omdat ik niet kan aangeven hoeveel van dit soort overeenkomsten zijn gesloten, kan ik ook geen uitsplitsing maken per categorie.
Deelt u de mening dat het onbegrijpelijk is dat Defensie meent «geen partij» te zijn in deze zaak, ondanks dat de complete besluitvorming gebaseerd is op interne rapportages van Defensie, het een (opgezegde) arbeidsovereenkomst bij Defensie betreft, de secretaris-generaal als ook de commandant der strijdkrachten zijn geïnformeerd en de complete zaak is gebaseerd op handelen in zijn functie als militair? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik deel deze mening niet. Defensie is geen partij bij het verstrekken of intrekken van privéwapenverloven.
Welke concrete stappen gaat u ondernemen om deze en vergelijkbare samenspanningen van ambtenaren te doorbreken en serieuze consequenties daaraan te verbinden?
Ik herken mij niet in uw kwalificatie. Van samenspanningen is geen sprake.
De veroordeling van Mert P. en de aanhoudende veiligheidsproblemen rond de Fivoor-klinieken in Den Dolder |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving over de veroordeling van Mert P., die tijdens verlof in januari 2025 een 76-jarige vrouw in Den Dolder om het leven bracht?1
Ja.
Hoe kijkt u, ruim anderhalf jaar na deze afschuwelijke moord, terug op de veiligheidssituatie rond de Fivoor-klinieken in Den Dolder? Deelt u de conclusie dat de maatregelen die na de moord op Anne Faber in 2017 zijn genomen onvoldoende zijn gebleken om de veiligheid van omwonenden te waarborgen? Zo nee, waarom niet?
De moord van 2 januari 2025 is afschuwelijk en heeft een enorme impact gehad. Het heeft geleid tot groot verdriet bij de nabestaanden en tot gevoelens van onveiligheid onder omwonenden. De veiligheid rondom forensische zorginstellingen heeft continu onze aandacht. Dit is in het belang van omwonenden en medewerkers, maar ook van de cliënten zelf.
Op 12 februari 2025 heeft mijn ambtsvoorganger in de beantwoording van Kamervragen van de leden Thiadens en Van Dijk (beiden PVV) antwoord gegeven op de vraag welke maatregelen er zijn genomen na de moord op Anne Faber in 2017.2 Dit betreft onder andere om wijziging in de aanpak van verdachten van een ernstig misdrijf die niet meewerken aan een gedragsdeskundig onderzoek (weigerende observandi), het wegnemen van belemmeringen bij informatie-uitwisseling en een beter zicht op risico’s; bij uitplaatsing naar een instelling voor forensische zorg is naast een professioneel oordeel, een gestructureerde risicotaxatie en een delictsanalyse verplicht gesteld.
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) heeft onderzocht of de zorg aan de dader van de steekpartij op niveau was. In haar rapport concludeerde de IGJ dat de zorg op onderdelen beter en meer volgens protocol had gekund.3 Tegelijkertijd concludeert de IGJ dat wanneer was voldaan aan alle protocollen het dodelijke steekincident niet voorkomen had kunnen worden. Voor de volledige reactie op het rapport verwijs ik u naar de Voortgangsbrief forensische zorg die ik op 26 maart jl. met uw Kamer heb gedeeld.4
Naar aanleiding van het steekincident in januari 2025 hebben de burgemeester van Zeist en de Commissaris van Koning van Utrecht een beroep gedaan op mijn ambtsvoorganger. Daarop volgend zijn er (aanvullende) maatregelen genomen om het veiligheidsgevoel van omwonenden te vergroten en maatschappelijke rust en verbinding te creëren.5 Het gaat onder andere om het aanstellen van een omgevingsmanager, de inzet van extra BOA’s en het plaatsen van camera’s op de looproute van het terrein van Fivoor naar het dorp Den Dolder. Het Ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) ondersteunt de gemeente Zeist hierbij financieel.
Ondanks de veiligheidsmaatregelen kunnen incidenten nooit volledig worden uitgesloten. Een ernstig incident geeft altijd aanleiding om kritisch te bezien of er aanvullende maatregelen nodig zijn. De veiligheid van omwonenden, burgers in het algemeen, medewerkers en cliënten staat daarbij voorop.
Wie heeft destijds besloten Mert P. onbegeleid verlof te verlenen? Welke functionarissen waren betrokken bij die beslissing? Zijn deze mensen inmiddels ontslagen? Zo nee, waarom niet?
Vanwege het belang van resocialisatie en een veilige terugkeer in de samenleving, maakt verlof een onlosmakelijk deel uit van de behandeling van deze cliënten. In de kliniek van Fivoor – waar de dader van het dodelijke steekincident destijds verbleef – worden cliënten behandeld met een licht verstandelijke beperking (LVB) in combinatie met psychiatrische stoornissen en/of gedragsproblemen.
Als onderdeel van de behandeling en wanneer dat als verantwoord wordt ingeschat, kunnen de cliënten in deze kliniek op begeleid of onbegeleid verlof gaan. Het verlof wordt stapsgewijs opgebouwd. Op basis van het dossier en de observaties tijdens de behandeling wordt multidisciplinair gekeken naar de risico’s van de cliënt in de betreffende verloffase. betrokken cliënt ontving op dat moment geen zorg in het kader van een strafrechtelijke maatregel of voorwaarde.
Kunt u toezeggen dat nooit meer gevaarlijke gekken zoals deze moordenaar met verlof, laat staan onbegeleid verlof, op de maatschappij worden losgelaten?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe beoordeelt u de aanhoudende signalen van bewoners en de gemeenteraad van Zeist dat de veiligheid rond de klinieken nog steeds onvoldoende is gewaarborgd en dat het vertrouwen in de situatie volledig is verdwenen? Welke lessen trekt u daaruit?
Bij de beantwoording van vraag 2 ben ik ingegaan op de veiligheidsmaatregelen die eerder zijn getroffen. Dat neemt niet weg dat ik de zorgen van de inwoners van Den Dolder over de lokale veiligheid serieus neem.
Acht u het acceptabel dat inwoners van Den Dolder na alles wat er is gebeurd opnieuw moeten vrezen voor jarenlang uitstel, gezien de Fivoor-klinieken uiterlijk 1 januari 2027 uit Den Dolder zouden vertrekken, maar dat de bestuurder van Fivoor heeft aangegeven dat deze planning waarschijnlijk niet haalbaar is en dat een verhuizing mogelijk nog jaren op zich laat wachten?
Fivoor is een particuliere aanbieder van forensische en reguliere zorg aan cliënten met complexe psychiatrische ziektebeelden. De kliniek is zelf verantwoordelijk voor het vinden van een nieuwe locatie.Dat neemt niet weg dat ik op verzoek van de burgemeester van Zeist en de commissaris van de Koning van Utrecht de zoektocht naar een nieuwe locatie voor Fivoor ondersteun, omdat ik de zorgen van de inwoners begrijp. In de beantwoording van de Kamervragen van het lid Ellian (VVD) van 25 maart 2026 heb ik antwoord gegeven op de vraag welke rol JenV speelt in deze zoektocht.6 JenV heeft als voorzitter een bijdrage geleverd aan de Regionale Regietafel. Aan deze tafel zitten burgemeesters uit de regio en de commissaris van de Koning van de provincie Utrecht vanuit een gezamenlijke verantwoordelijkheid om voldoende reguliere én forensische zorg beschikbaar te houden in de regio. Daarnaast is JenV betrokken bij de Stuurgroep Reallocatie Fivoor die concrete locaties voor herhuisvesting onderzoekt.
Fivoor heeft het streven geuit om 1 januari 2027 te willen verhuizen maar heeft daarbij aangegeven dat de verhuisdatum afhankelijk is van het vinden van een alternatieve locatie in de regio. Vanaf het moment dat er een geschikte locatie voor de herhuisvesting is gevonden, duurt het doorgaans een aantal jaren om daadwerkelijk te kunnen verhuizen.
Welke concrete maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat de klinieken uiterlijk op 1 januari 2027 zoals afgesproken, en nog liever morgen, uit Den Dolder zijn verdwenen? Kunt u de inwoners van Den Dolder op zijn minst de harde garantie geven dat deze datum niet opnieuw zal opschuiven? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening dat inwoners van Den Dolder na jaren van incidenten, waarschuwingen en uitgestelde verhuizingen recht hebben op duidelijkheid en dat de veiligheid van omwonenden niet opnieuw ondergeschikt mag worden gemaakt aan bestuurlijke en praktische problemen rond de herhuisvesting van Fivoor? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u de Kamer zo spoedig mogelijk informeren over de voortgang van de verhuizing, de concrete planning, de eventuele knelpunten en de maatregelen die u neemt om te voorkomen dat de vertrekdatum opnieuw opschuift?
Ik heb uw Kamer in de meest recente Voortgangsbrief forensische zorg geïnformeerd over de stand van zaken.7 In deze brief staat dat er drie locaties in beeld zijn voor de herhuisvesting van Fivoor. Met het oog op lokaal draagvlak voor de nieuwe locatie, verloopt de herhuisvesting volgens een zorgvuldig proces dat op dit moment wordt uitgewerkt. Het doorkruisen van dit proces roept risico’s op voor de herhuisvesting. De betreffende locaties worden daarom op dit moment niet gedeeld. Ik houd uw Kamer op de hoogte van relevante ontwikkelingen.
Het eindrapport van de Staatscommissie tegen Racisme en Discriminatie |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
Enneüs Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het eindrapport van de Staatscommissie tegen Racisme en Discriminatie waarin politici, bewindspersonen en media worden opgeroepen zich minder terughoudend op te stellen tegenover volgens de commissie discriminerende of racistische uitlatingen?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat het niet aan een staatscommissie is, die onder leiding van voormalig Partij van de Arbeid (PvdA)-senator Joyce Sylvester opereert, om te bepalen welke politieke opvattingen binnen het democratische debat wel of niet voldoende geaccepteerd zijn? Zo nee, waarom niet?
De Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme was een onafhankelijk adviescollege dat voor vier jaar, op verzoek van de Tweede Kamer, is ingesteld. De staatscommissie had als opdracht wetenschappelijk onderzoek te doen en op basis daarvan advies te geven over beleid, wet- en regelgeving om discriminatie en racisme tegen te gaan. Deze adviezen richten zich zowel op de overheid alsook op het parlement en de samenleving. De Staatscommissie heeft om invulling te geven aan deze opdracht een werkprogramma opgesteld. Hierin stond de werkwijze en inhoudelijke lijnen beschreven waarlangs de staatscommissie gedurende vier jaar haar onderzoek vormgaf en uitvoerde.
Hoe verhoudt de oproep van de staatscommissie om politieke uitingen actiever te «normeren» zich tot de vrijheid van meningsuiting en het vrije politieke debat?
Voor politici geldt dat zij een ruime uitingsvrijheid hebben. Politici moeten kritiek kunnen uitoefenen op het beleid en standpunten over de inrichting van de samenleving kunnen uitdragen. Kamerleden kunnen niet strafrechtelijk vervolgd worden voor wat zij in de vergaderingen van het parlement zeggen. Dit vind ik zelf ook belangrijk.
Aan de andere kant heeft het Europese Hof voor de Rechten van de Mens ook gezegd dat politici vanwege hun belangrijke maatschappelijke functie moeten vermijden dat hun publieke uitingen intolerantie tegen bepaalde groepen voeden.
Woorden doen er immers toe, in het bijzonder die van politici. Onze uitspraken kunnen een grote invloed hebben en doorwerken in de samenleving en de manier waarop mensen met elkaar omgaan. We hebben een gezamenlijke verantwoordelijkheid, als kabinet en parlement, om het goede voorbeeld te geven. Dit draag ik ook uit.
Deelt u de mening dat het niet de taak van een staatscommissie is om Kamerleden, Ministers en media aanwijzingen te geven over welke politieke uitingen wel of niet genormeerd dienen te worden? Zo nee, waarom niet?
Het is aan de rechter en het College voor de Rechten van de Mens om een oordeel te vellen over de vraag of er in een specifiek geval sprake is van discriminatie of racisme. Wel zie ik het als taak van de Staatscommissie tegen discriminatie en racisme om, als onafhankelijk adviescollege, met algemene aanbevelingen te komen voor het kabinet, alsook voor de samenleving als geheel. Uit het onderzoek van de staatscommissie blijkt dat uitlatingen van Kamerleden invloed hebben op uitingen in kranten en op sociale media en omgekeerd.
Acht u het wenselijk dat een door de overheid ingestelde commissie, onder leiding van voormalig PvdA-senator Joyce Sylvester, zich uitlaat over de wijze waarop Kamerleden, Ministers en media zouden moeten reageren op politieke standpunten van gekozen volksvertegenwoordigers? Zo ja, waarom?
Zie antwoord op vraag 2.
Hoe verklaart u dat de staatscommissie zich wel uitspreekt over bepaalde rechtspolitieke uitlatingen, maar geen aandacht lijkt te besteden aan polariserende, demoniserende of andere vergaande uitlatingen uit het linkerdeel van het politieke spectrum? Acht u dit een voorbeeld van selectieve verontwaardiging? Speelt de politieke achtergrond van de leiding van de commissie hierin een rol en kunt u hier uitgebreide toelichting op geven?
De Staatscommissie tegen discriminatie en racisme noemt in haar eindrapport een aantal recente voorbeelden van uitingen en handelingen waarvan zij constateren dat die (direct of indirect) bijdragen aan structurele patronen van discriminatie en racisme in de Nederlandse samenleving. De staatscommissie beschrijft deze voorbeelden niet om individuele politici aan te spreken, maar om een breder patroon van politieke terughoudendheid te illustreren. Er worden daarbij voorbeelden van verschillende politici en politieke partijen aangehaald.
Hoe beoordeelt u verder de aanbeveling van de staatscommissie om een «vlekkeloze beheersing van de Nederlandse taal» niet langer als functie-eis te stellen wanneer dit volgens de commissie niet strikt noodzakelijk is?
Het is nog te vroeg om op specifieke aanbevelingen van de staatscommissie in te gaan. Dit vraagt om nadere bestudering, overleg en afstemming. Tijdens het Commissiedebat discriminatie, racisme en mensenrechten van 21 mei 2026 heb ik toegezegd met een kabinetsreactie te komen op het eindrapport van de staatscommissie en op enkele van de voortgangsrapportages. In deze kabinetsreactie zal ik ook ingaan op de aanbevelingen uit het rapport.
Deelt u de mening dat een goede beheersing van de Nederlandse taal binnen de overheid juist van groot belang is voor de kwaliteit van de dienstverlening, de communicatie met burgers en het functioneren van de overheid? Zo nee, waarom niet?
Ja. Goede beheersing van de Nederlandse taal blijft van belang voor de kwaliteit van dienstverlening en communicatie met burgers.
Waarom blijft de overheid bij de werving van personeel onderscheid maken op basis van afkomst, geslacht en andere identiteitskenmerken in plaats van uitsluitend te selecteren op geschiktheid, ervaring en kwaliteiten?
Zoals meermaals is aangegeven in recente debatten en in antwoord op Kamervragen, gelden bij het Rijk geen streefcijfers of voorkeursbeleid bij werving en selectie. Het beleid binnen het Rijk ziet toe op gelijke kansen en het tegengaan van arbeidsmarktdiscriminatie. De aanpak bij werving en selectie is gericht op objectieve werving en selectie, op basis van de functie-eisen die relevant zijn voor die specifieke functie.
Bent u bereid de financiering van deze staatscommissie stop te zetten en de stekker eruit te trekken nu zij aanbevelingen doet die neerkomen op het maken van onderscheid tussen mensen op basis van afkomst en identiteit en zich bovendien actief mengt in het politieke debat? Zo nee, waarom niet? Hoe ver kan deze commissie dan wél gaan?
De Staatscommissie tegen discriminatie en racisme heeft op 8 juni 2026 haar eindrapport gepresenteerd. De staatscommissie was voor vier jaar ingesteld en de commissie is na het presenteren van haar eindrapport en het afronden van haar onderzoek opgeheven. Dit is ook zo opgenomen in het instellingsbesluit.
Het bericht ‘Terrorjeugd hangt bewoners Pittelo de keel uit: 'Ze plasten over mijn zoon heen'' |
|
Annelotte Lammers (PVV), Shanna Schilder (PVV) |
|
Enneüs Heerma (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Terrorjeugd hangt bewoners Pittelo de keel uit: «Ze plasten over mijn zoon heen»» van 11 september 2026?1
Klopt het dat er bij de politie inmiddels meer dan honderd meldingen zijn gedaan door één gezin alleen al? Hoeveel meldingen van overlast, bedreiging, vernieling of geweld door jongeren zijn de afgelopen twaalf maanden in totaal geregistreerd voor de wijk Pittelo en hoe verhoudt zich dat tot voorgaande jaren? Hoe kan het dat deze overlast, ondanks een reeks meldingen die al vijf jaar loopt, nog altijd voortduurt?
Hoe beschouwt u in het licht van deze berichtgeving de effectiviteit van het toevoegen van meer boa-capaciteit, zoals in Assen begin dit jaar is gedaan?2
Bent u bereid zich er maximaal voor in te zetten dat de politie in Assen, maar ook in andere probleemwijken en -steden, strikter en steviger handhaaft tegen jongeren die zich schuldig maken aan overlast, intimidatie, vernielingen en geweld en dat notoire overlastgevers sneller worden aangehouden en strafrechtelijk worden aangepakt? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat dezelfde overlastgevers telkens opnieuw voor overlast, intimidatie en geweld kunnen zorgen? Zo nee, waarom niet?
Bent u van mening dat mede uit het voorbeeld van dit nieuwsartikel (wederom) blijkt dat Nederland kampt met een gezagscrisis en de politie effectief niet meer de baas is op straat? Zo ja, waar komt dat precies door? Zo nee, waarom niet?
Herkent u het beeld dat bewoners van Pittelo schetsen, waarbij het bij meldingen soms drie kwartier of langer duurt voordat de politie arriveert en overlastgevers dan allang zijn verdwenen, en wat doet dat volgens u met het gedrag van jongeren die weten dat ze weinig te vrezen hebben?
Bent u van mening dat het tekortschieten van de diensten in deze ook te wijten is aan de verkeerde prioritering van politietaken, zoals besproken in het recente rapport van de Algemene Rekenkamer? Zo nee, waarom niet?
Hoeveel jongeren staan momenteel landelijk geregistreerd als notoire, herhaaldelijke overlastgevers of veelplegers onder de achttien jaar en is er zicht op de effectiviteit van de maatregelen die tegen hen en hun ouders worden ingezet? Zo nee, waarom niet?
Het bericht "Schietinstructeur Defensie gemangeld door werkgever na persoonlijke vete van collega’s" |
|
Tamara ten Hove (PVV), Shanna Schilder (PVV) |
|
David van Weel (VVD), Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Schietinstructeur Defensie gemangeld door werkgever na persoonlijke vete van collega’s»?1
Ja.
Herkent u het beeld dat in de praktijk individuele ambtenaren vanuit hun eigen overtuiging een zodanig grote invloed op beleid kunnen uitoefenen dat effectief leidinggeven vanaf hogerhand onmogelijk wordt? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik herken dit beeld niet.
Hebben de secretaris-generaal en/of de commandant der strijdkrachten u geïnformeerd over deze zaak en de genomen keuzes? Zo ja, wanneer en in welke vorm? Zo nee, waarom niet?
Ik ben op hoofdlijnen geïnformeerd over deze zaak. Over de precieze wijze en het moment van informeren doe ik geen nadere mededelingen om redenen van privacy bij individuele casuïstiek.
Gaat u de illegaal handelende ambtenaren van de zogenaamde «werkgroep» per direct op non-actief zetten en/of ontslaan, of blijft de enige werknemer van Defensie die consequenties ervaart de legaal handelende schietinstructeur? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ik herken mij niet in uw kwalificatie, noch in de geschetste situatie.
Acht u het wenselijk dat melding maken van disfunctioneren van het apparaat bij hogere rangen door Defensie geduid wordt als een vorm van «werkweigering»? Zo ja, waarom? Zo nee, wat gaat u eraan doen die cultuur te veranderen?
Het melden van ongewenst gedrag, het doen van een integriteitsmelding of het melden van disfunctioneren is geen werkweigering. Van werkweigering is bijvoorbeeld sprake wanneer iemand zich zonder toestemming niet meldt voor de toegewezen functie, waarbij de afwezigheid evenmin achteraf gerechtvaardigd is. Er is dus ook geen reden om de cultuur hierop te veranderen.
Hoe voorkomt u dat correctiemechanismen binnen Defensie (en andere overheidsinstanties) zich bij hun beoordeling louter baseren op interne rapportages van diezelfde organisatie waartegen de klachten zijn ingediend?
Daarvan is geen sprake. Bij het beoordelen van klachten wordt niet alleen gekeken naar het standpunt van de organisatie waarover wordt geklaagd maar nadrukkelijk ook naar het standpunt van de klager en andere relevante informatie.
Hoeveel vaststellingsovereenkomsten en andere vormen van beëindiging van de arbeidsovereenkomst zijn in de afgelopen vijf jaar binnen Defensie gesloten?
De bevoegdheid tot het sluiten van vaststellingsovereenkomsten is op verschillende commandantenniveaus in de organisatie belegd. Defensie houdt hiervan geen centrale registratie bij. Daarom kan ik niet aangeven hoeveel van dit soort overeenkomsten zijn gesloten.
In hoeveel van de onder vraag zeven genoemde beëindigingen was sprake van omstandigheden die ook maar enigszins van vergelijkbare aard zijn met de onderhavige zaak, waaronder beëindiging van het dienstverband naar aanleiding van een arbeidsconflict, een integriteitskwestie, een melding, een klacht of een vergelijkbare aanleiding? Kan de Kamer een geanonimiseerde uitsplitsing naar categorie van aanleiding ontvangen?
Zie het antwoord op vraag 7; omdat ik niet kan aangeven hoeveel van dit soort overeenkomsten zijn gesloten, kan ik ook geen uitsplitsing maken per categorie.
Deelt u de mening dat het onbegrijpelijk is dat Defensie meent «geen partij» te zijn in deze zaak, ondanks dat de complete besluitvorming gebaseerd is op interne rapportages van Defensie, het een (opgezegde) arbeidsovereenkomst bij Defensie betreft, de secretaris-generaal als ook de commandant der strijdkrachten zijn geïnformeerd en de complete zaak is gebaseerd op handelen in zijn functie als militair? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik deel deze mening niet. Defensie is geen partij bij het verstrekken of intrekken van privéwapenverloven.
Welke concrete stappen gaat u ondernemen om deze en vergelijkbare samenspanningen van ambtenaren te doorbreken en serieuze consequenties daaraan te verbinden?
Ik herken mij niet in uw kwalificatie. Van samenspanningen is geen sprake.
De veroordeling van Mert P. en de aanhoudende veiligheidsproblemen rond de Fivoor-klinieken in Den Dolder |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving over de veroordeling van Mert P., die tijdens verlof in januari 2025 een 76-jarige vrouw in Den Dolder om het leven bracht?1
Ja.
Hoe kijkt u, ruim anderhalf jaar na deze afschuwelijke moord, terug op de veiligheidssituatie rond de Fivoor-klinieken in Den Dolder? Deelt u de conclusie dat de maatregelen die na de moord op Anne Faber in 2017 zijn genomen onvoldoende zijn gebleken om de veiligheid van omwonenden te waarborgen? Zo nee, waarom niet?
De moord van 2 januari 2025 is afschuwelijk en heeft een enorme impact gehad. Het heeft geleid tot groot verdriet bij de nabestaanden en tot gevoelens van onveiligheid onder omwonenden. De veiligheid rondom forensische zorginstellingen heeft continu onze aandacht. Dit is in het belang van omwonenden en medewerkers, maar ook van de cliënten zelf.
Op 12 februari 2025 heeft mijn ambtsvoorganger in de beantwoording van Kamervragen van de leden Thiadens en Van Dijk (beiden PVV) antwoord gegeven op de vraag welke maatregelen er zijn genomen na de moord op Anne Faber in 2017.2 Dit betreft onder andere om wijziging in de aanpak van verdachten van een ernstig misdrijf die niet meewerken aan een gedragsdeskundig onderzoek (weigerende observandi), het wegnemen van belemmeringen bij informatie-uitwisseling en een beter zicht op risico’s; bij uitplaatsing naar een instelling voor forensische zorg is naast een professioneel oordeel, een gestructureerde risicotaxatie en een delictsanalyse verplicht gesteld.
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) heeft onderzocht of de zorg aan de dader van de steekpartij op niveau was. In haar rapport concludeerde de IGJ dat de zorg op onderdelen beter en meer volgens protocol had gekund.3 Tegelijkertijd concludeert de IGJ dat wanneer was voldaan aan alle protocollen het dodelijke steekincident niet voorkomen had kunnen worden. Voor de volledige reactie op het rapport verwijs ik u naar de Voortgangsbrief forensische zorg die ik op 26 maart jl. met uw Kamer heb gedeeld.4
Naar aanleiding van het steekincident in januari 2025 hebben de burgemeester van Zeist en de Commissaris van Koning van Utrecht een beroep gedaan op mijn ambtsvoorganger. Daarop volgend zijn er (aanvullende) maatregelen genomen om het veiligheidsgevoel van omwonenden te vergroten en maatschappelijke rust en verbinding te creëren.5 Het gaat onder andere om het aanstellen van een omgevingsmanager, de inzet van extra BOA’s en het plaatsen van camera’s op de looproute van het terrein van Fivoor naar het dorp Den Dolder. Het Ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) ondersteunt de gemeente Zeist hierbij financieel.
Ondanks de veiligheidsmaatregelen kunnen incidenten nooit volledig worden uitgesloten. Een ernstig incident geeft altijd aanleiding om kritisch te bezien of er aanvullende maatregelen nodig zijn. De veiligheid van omwonenden, burgers in het algemeen, medewerkers en cliënten staat daarbij voorop.
Wie heeft destijds besloten Mert P. onbegeleid verlof te verlenen? Welke functionarissen waren betrokken bij die beslissing? Zijn deze mensen inmiddels ontslagen? Zo nee, waarom niet?
Vanwege het belang van resocialisatie en een veilige terugkeer in de samenleving, maakt verlof een onlosmakelijk deel uit van de behandeling van deze cliënten. In de kliniek van Fivoor – waar de dader van het dodelijke steekincident destijds verbleef – worden cliënten behandeld met een licht verstandelijke beperking (LVB) in combinatie met psychiatrische stoornissen en/of gedragsproblemen.
Als onderdeel van de behandeling en wanneer dat als verantwoord wordt ingeschat, kunnen de cliënten in deze kliniek op begeleid of onbegeleid verlof gaan. Het verlof wordt stapsgewijs opgebouwd. Op basis van het dossier en de observaties tijdens de behandeling wordt multidisciplinair gekeken naar de risico’s van de cliënt in de betreffende verloffase. betrokken cliënt ontving op dat moment geen zorg in het kader van een strafrechtelijke maatregel of voorwaarde.
Kunt u toezeggen dat nooit meer gevaarlijke gekken zoals deze moordenaar met verlof, laat staan onbegeleid verlof, op de maatschappij worden losgelaten?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe beoordeelt u de aanhoudende signalen van bewoners en de gemeenteraad van Zeist dat de veiligheid rond de klinieken nog steeds onvoldoende is gewaarborgd en dat het vertrouwen in de situatie volledig is verdwenen? Welke lessen trekt u daaruit?
Bij de beantwoording van vraag 2 ben ik ingegaan op de veiligheidsmaatregelen die eerder zijn getroffen. Dat neemt niet weg dat ik de zorgen van de inwoners van Den Dolder over de lokale veiligheid serieus neem.
Acht u het acceptabel dat inwoners van Den Dolder na alles wat er is gebeurd opnieuw moeten vrezen voor jarenlang uitstel, gezien de Fivoor-klinieken uiterlijk 1 januari 2027 uit Den Dolder zouden vertrekken, maar dat de bestuurder van Fivoor heeft aangegeven dat deze planning waarschijnlijk niet haalbaar is en dat een verhuizing mogelijk nog jaren op zich laat wachten?
Fivoor is een particuliere aanbieder van forensische en reguliere zorg aan cliënten met complexe psychiatrische ziektebeelden. De kliniek is zelf verantwoordelijk voor het vinden van een nieuwe locatie.Dat neemt niet weg dat ik op verzoek van de burgemeester van Zeist en de commissaris van de Koning van Utrecht de zoektocht naar een nieuwe locatie voor Fivoor ondersteun, omdat ik de zorgen van de inwoners begrijp. In de beantwoording van de Kamervragen van het lid Ellian (VVD) van 25 maart 2026 heb ik antwoord gegeven op de vraag welke rol JenV speelt in deze zoektocht.6 JenV heeft als voorzitter een bijdrage geleverd aan de Regionale Regietafel. Aan deze tafel zitten burgemeesters uit de regio en de commissaris van de Koning van de provincie Utrecht vanuit een gezamenlijke verantwoordelijkheid om voldoende reguliere én forensische zorg beschikbaar te houden in de regio. Daarnaast is JenV betrokken bij de Stuurgroep Reallocatie Fivoor die concrete locaties voor herhuisvesting onderzoekt.
Fivoor heeft het streven geuit om 1 januari 2027 te willen verhuizen maar heeft daarbij aangegeven dat de verhuisdatum afhankelijk is van het vinden van een alternatieve locatie in de regio. Vanaf het moment dat er een geschikte locatie voor de herhuisvesting is gevonden, duurt het doorgaans een aantal jaren om daadwerkelijk te kunnen verhuizen.
Welke concrete maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat de klinieken uiterlijk op 1 januari 2027 zoals afgesproken, en nog liever morgen, uit Den Dolder zijn verdwenen? Kunt u de inwoners van Den Dolder op zijn minst de harde garantie geven dat deze datum niet opnieuw zal opschuiven? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening dat inwoners van Den Dolder na jaren van incidenten, waarschuwingen en uitgestelde verhuizingen recht hebben op duidelijkheid en dat de veiligheid van omwonenden niet opnieuw ondergeschikt mag worden gemaakt aan bestuurlijke en praktische problemen rond de herhuisvesting van Fivoor? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u de Kamer zo spoedig mogelijk informeren over de voortgang van de verhuizing, de concrete planning, de eventuele knelpunten en de maatregelen die u neemt om te voorkomen dat de vertrekdatum opnieuw opschuift?
Ik heb uw Kamer in de meest recente Voortgangsbrief forensische zorg geïnformeerd over de stand van zaken.7 In deze brief staat dat er drie locaties in beeld zijn voor de herhuisvesting van Fivoor. Met het oog op lokaal draagvlak voor de nieuwe locatie, verloopt de herhuisvesting volgens een zorgvuldig proces dat op dit moment wordt uitgewerkt. Het doorkruisen van dit proces roept risico’s op voor de herhuisvesting. De betreffende locaties worden daarom op dit moment niet gedeeld. Ik houd uw Kamer op de hoogte van relevante ontwikkelingen.
Bent u bekend met het artikel en wat is uw reactie hierop?1
Ja. Het rijden met een ongeldig rijbewijs is onacceptabel. Wie ondanks een ongeldig verklaard rijbewijs of met een rijbewijsmaatregel toch blijft rijden, brengt de verkeersveiligheid in gevaar, houdt zicht niet aan een opgelegde straf en pleegt een strafbaar feit waar een gevangenisstraf voor opgelegd kan worden. Het is goed om te zien dat de politie hier intensief op handhaaft. De politie hanteert een risicogestuurde aanpak die succesvol blijkt. De politie zet hiervoor onder andere de Automatic Number Plate Recognition (ANPR)-camera’s in. Personen met een ongeldig verklaard rijbewijs die een voertuig op hun naam hebben staan, kunnen met behulp van deze camera’s snel gelokaliseerd worden. Hierdoor wordt de pakkans vergroot.
Erkent u dat een straf die door duizenden bestuurders eenvoudig wordt genegeerd, blijkbaar aantoont dat het gezag in Nederland tot onder het nulpunt is gedaald en dat het tijd is om over te stappen op een zerotolerancebeleid als het gaat om recidivisten ten aanzien van de verkeersveiligheid? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ik ben het ermee eens dat bestuurders die met een ongeldig verklaard rijbewijs of met een rijbewijsmaatregel door blijven rijden, stevig aangepakt moeten worden. Daarom neem ik met het Wetsvoorstel verbetering aanpak rijden onder invloed ook aanvullende maatregelen voor deze doelgroep.2 Het wetsvoorstel regelt onder meer dat ten aanzien van mensen die een opgelegde ontzegging van de rijbevoegdheid schenden, vervangende hechtenis kan worden toegepast. Zo kan er snel worden ingegrepen als iemand toch achter het stuur wordt aangetroffen, zonder dat er eerst een vervolging voor het rijden met een ontzegging van de rijbevoegdheid plaats moet vinden.
Ook regelt het wetsvoorstel dat de ontzegging van de rijbevoegdheid dadelijk uitvoerbaar verklaard kan worden. Hiermee kan een opgelegde rijontzegging direct ten uitvoer worden gelegd en geldt deze bijvoorbeeld dus ook al lopende een eventueel hoger beroep.
Daarnaast geeft het wetsvoorstel de strafrechter de bevoegdheid om bij een ontzegging van de rijbevoegdheid het rijbewijs ook ongeldig te verklaren voor alle categorieën waarvoor het is afgegeven voor de resterende duur van de geldigheid. Dat betekent dat het rijbewijs definitief ongeldig wordt en dat iemand pas na afloop van de duur van de rijontzegging een nieuw rijbewijs kan aanvragen. Om een nieuw rijbewijs te kunnen krijgen moet iemand opnieuw zijn rijvaardigheid en rijgeschiktheid aantonen. Ik meen dat er hiermee een stevig pakket ligt om notoire verkeersovertreders die achter het stuur blijven stappen af te schrikken en aan te pakken.
Het wetsvoorstel is aangemeld voor plenaire behandeling. Graag ga ik in het kader van die behandeling verder met uw Kamer in gesprek over deze aanvullende maatregelen.
Kunt u inschatten hoeveel personen hun rijontzegging jaarlijks negeren en in de auto stappen, gezien de politie jaarlijks 10.000 gevallen per jaar betrapt en het daarom in de lijn der verwachting ligt dat het echte cijfer vele manen hoger ligt?
Er is geen zicht op het aantal mensen dat rijdt met een rijontzegging maar hiervoor niet wordt gepakt. Ik beschik wel de instroomcijfers van zaken bij het OM voor artikel 9 WVW1994, rijden tijdens een ontzegging van de rijbevoegdheid.
Jaar
Instroom bij het OM van artikel 9 WVW 1994 zaken
2021
8.177
2022
9.941
2023
10.404
2024
8.182
2025
8.869
Hoeveel van de betreffende bestuurders zijn in de afgelopen vijf jaar twee, drie of meer keer betrapt op rijden zonder geldige rijbevoegdheid? Wat is het hoogste aantal overtredingen dat in deze periode bij één persoon is geconstateerd?
In de afgelopen vijf jaar zijn over deze periode opgeteld 5177 personen twee keer betrapt op rijden zonder geldige rijbevoegdheid, 2107 personen drie keer, 1124 personen vier keer en 1320 personen vijf keer en meer. De bestuurder die het vaakst is betrapt op het rijden zonder geldige rijbevoegdheid is 36 keer gepakt.
Hoe vaak is een persoon, waarvan het rijbewijs al afgepakt was, betrokken geraakt bij een verkeersongeval en hoe vaak had zo’n verkeersongeval een dodelijk slachtoffer?
Het is niet bekend in hoeveel gevallen een bestuurder waarvan het rijbewijs ongeldig was, betrokken is geraakt bij een verkeersongeval en hoe vaak daarbij sprake was van een dodelijk slachtoffer, omdat dit niet als zodanig wordt geregistreerd. Wel kan uit de cijfers gehaald worden hoeveel unieke personen voor een artikel 9 WVW 1994 (rijden zonder geldig rijbewijs) delict in combinatie met een artikel 6 WVW 1994 (veroorzaken ongeval) delict zijn vervolgd. Het gaat in totaal om 239 personen. Daarbij moet worden opgemerkt dat bij een ongeval meerdere bestuurders betrokken kunnen zijn en schuld kunnen hebben en ook kunnen de delicten los van elkaar gepleegd zijn.
Deelt u de mening dat het niet langer uit te leggen is dat de verkeersveiligheid herhaaldelijk in het geding komt door mensen die een opgelegde sanctie negeren en dat feitelijk moet worden overgegaan naar onmiddellijk hechtenis als sprake is van een rijverbod? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Met het oog op de verkeersveiligheid acht ik het inderdaad van belang dat personen die (herhaaldelijk) een rijontzegging negeren, zo snel mogelijk van de weg gehaald kunnen worden. Daarom wordt met het in het antwoord op vraag 2 al genoemde Wetsvoorstel verbetering aanpak rijden onder invloed voorgesteld dat ten aanzien van deze bestuurders vervangende hechtenis kan worden toegepast.
Acht u de maatregelen uit het wetsvoorstel Verbetering aanpak rijden onder invloed afdoende, of zijn aanvullende maatregelen noodzakelijk om veelplegers die ondanks een rijontzegging of ongeldig verklaard rijbewijs blijven rijden effectief uit het verkeer te weren? Zo ja, aan welke maatregelen denkt u zelf?
Met het wetsvoorstel worden belangrijke stappen gezet om deze groep bestuurders effectiever aan te pakken. In dit verband noem ik nogmaals in het bijzonder de vervangende hechtenis. Niet alleen maakt dit snel optreden mogelijk, de verwachting is ook dat van de vervangende hechtenis een grotere afschrikwekkende werking uitgaat dan van het huidige beleid waarbij er eerst een aparte vervolging voor het schenden van de rijontzegging dient plaats te vinden. Daarnaast is de aanpak van de politie met behulp van ANPR-camera’s, zoals in het antwoord op vraag 1 benoemd, erg effectief. Momenteel wordt ook nog gewerkt aan de ontwikkeling van een bredere veelplegersaanpak, die ziet op alle verkeersovertredingen en niet specifiek het schenden van een rijontzegging. Uw Kamer wordt hier in het najaar nader over geïnformeerd.
Bent u bereid wettelijk te regelen dat bij herhaald rijden terwijl het rijbewijs is ingevorderd, ongeldig verklaard of terwijl een rijontzegging geldt, het voertuig in beginsel altijd in beslag wordt genomen en, waar mogelijk, verbeurd wordt verklaard? Zo nee, waarom niet?
Ik begrijp en deel de wens om hard op te treden tegen veelplegers die blijven rijden terwijl hun rijbewijs is ingevorderd, ongeldig verklaard of terwijl een rijontzegging geldt. De inbeslagname van een voertuig is al mogelijk en is afhankelijk van de omstandigheden van het geval en de ernst van de gedraging. De bevoegdheid om te beslissen over de inbeslagname ligt bij het openbaar ministerie en de rechter. Verbeurdverklaring kan door de rechter worden opgelegd als bijkomende straf wanneer het voertuig is gebruikt om het strafbare feit te plegen. Met het oog op het belang van de rechtelijke straftoemetingsvrijheid, acht ik het echter van belang dat niet wettelijk wordt voorgeschreven dat de inbeslagname en verbeurdverklaring altijd moet plaatsvinden in geval van recidive. Het is van belang dat de rechter de omstandigheden van het geval en de proportionaliteit van een dergelijke straf kan afwegen. Bovendien kan het zo zijn dat het voertuig niet in bezit zijn van de overtreder. Tot slot zal een dergelijke regeling hardnekkige overtreders helaas niet tegenhouden om in een ander voertuig te blijven rijden. Vervangende hechtenis, zoals voorgesteld met voornoemd wetsvoorstel, is in die gevallen naar verwachting effectiever.
Het afhuren van (meerdere) strandtenten in Scheveningen door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
Enneüs Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het dat op moment van schrijven, 25 juni 2026, het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) één of meerdere Beach bars in Scheveningen heeft afgehuurd voor eigen festiviteiten?1
Ja.
Kunt u aangeven welke kosten hiermee gemaakt worden, wie er onder de genodigden vallen en voor hoeveel personen deze bijeenkomst bedoeld is?
De externe locaties zijn afgehuurd ten behoeve van personeelsbijeenkomsten voor medewerkers van verschillende organisatieonderdelen van het ministerie. Die zijn uitsluitend bedoeld voor eigen personeel. Binnen Rijksbegrotingshoofdstuk VII, Artikel 11 Centraal Apparaat is budget gealloceerd voor Personele uitgaven waar onder andere de kosten voor personeelsbijeenkomsten onder vallen. Deze kosten vallen binnen dit budget, maar zijn niet specifiek uit te splitsen naar dit aggregatieniveau.
Kunt u aangeven wanneer en op welk ambtelijk niveau het besluit is genomen deze Beach bar(s) af te huren?
Ieder organisatieonderdeel heeft budgetten beschikbaar gesteld gekregen voor dit type activiteiten. Over de organisatie en invulling van personeelsbijeenkomsten wordt per organisatieonderdeel besloten.
Kunt u aangeven welke publieke belangen er gediend worden door met publiek geld Beach bars in Scheveningen af te huren en hoe dit zich verhoudt tot de steeds verder oplopende lasten van belastingbetalende hardwerkende burgers?
Kunt u aangeven hoe vaak per jaar dergelijke activiteiten ondernomen worden door het Ministerie van BZK en welke kosten hiervoor gemaakt en gereserveerd worden?
Het is niet mogelijk om een dergelijk overzicht te maken. De kosten vallen binnen het hierboven genoemde centrale apparaatsbudget.
Kunt u aangeven wat er exact begint met verbinden?2
Personeelsbijeenkomsten worden georganiseerd om betrokkenheid, onderlinge verbondenheid en waardering te bevorderen.
Kunt u aangeven hoe dergelijke activiteiten zich verhouden tot het eerder aangekondigde beleid waarbij bezuinigd zou worden op onder andere borrels?3
Conform Rijksbreed beleid zijn de afgelopen jaren bij elk onderdeel van BZK de kosten van externe locaties, bijeenkomsten, lunches etc. onder de loep genomen en wordt er terughoudend omgegaan met het huren van externe locaties.
Kunt u, als Minister van het moederdepartement, aangeven hoe bovenstaande vragen gestalte vinden op andere departementen en hoe dit zich verhoudt tot uw ministerie?
Ieder departement is verantwoordelijk voor een eigen beleid op personeelsbijeenkomsten.
De voorgenomen aanscherping van de Wapenwet |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat het kabinet de Wapenwet wil aanscherpen met onder meer psychologische en lichamelijke controles voor houders van een wapenverlof?1
Erkent u dat houders van een wapenverlof reeds behoren tot de strengst gecontroleerde burgers van Nederland en zich moeten houden aan een uitgebreid stelsel van vergunningen, controles, screenings en opslagvoorschriften?
Waarom kiest u ervoor opnieuw extra verplichtingen op te leggen aan legale jagers, sportschutters en verzamelaars, terwijl het illegale wapenbezit onder criminelen onverminderd groot blijft? Heeft u dan wel de prioriteiten op orde?
Klopt het dat politie en justitie nu al moeite hebben om alle bestaande controles en toezichtmaatregelen rond verlofhouders uit te voeren? Zo ja, waarom acht u verdere uitbreiding van het stelsel dan uitvoerbaar? Zo nee, waar blijkt dat uit?
Op basis van welke concrete cijfers concludeert u dat psychologische en lichamelijke keuringen van alle verlofhouders daadwerkelijk zullen leiden tot een veiliger Nederland?
Waarom richt u zich op burgers die reeds bekend zijn bij de overheid, beschikken over een vergunning en zich al aan uitgebreide regels houden, in plaats van de aanpak van illegaal wapenbezit en vuurwapengeweld verder op te voeren?
Deelt u de opvatting dat het wrang is dat legale verlofhouders opnieuw worden geconfronteerd met extra controles, keuringen en beperkingen, terwijl veel Nederlanders dagelijks zien dat vuurwapengeweld, straatterreur en ernstige criminaliteit door veelplegers een steeds groter probleem vormen? Zo nee, waarom niet?
Welke problemen worden met deze maatregelen opgelost die niet reeds met de bestaande bevoegdheden, controles en screenings kunnen worden aangepakt?
Bent u bereid af te zien van nieuwe lasten voor legale verlofhouders zolang niet is aangetoond dat de bestaande regelgeving onvoldoende is en zolang de handhaving van de huidige regels niet volledig op orde is? Zo nee, waarom niet?
De cursusdag "Pleiten voor Palestina" voor advocaten |
|
Shanna Schilder (PVV), Gidi Markuszower (PVV) |
|
van Bruggen , Eerenberg |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de cursusdag voor advocaten onder de titel «Pleiten voor Palestina»?1
Ja, daarvan heb ik kennisgenomen.
Deelt u de mening dat advocaten in de eerste plaats juristen horen te zijn en geen politieke activisten? Zo nee, waarom niet?
Advocaten hebben dezelfde vrijheden als eenieder in Nederland. Daarbij hebben zij zich te houden aan de wet die geldt voor alle Nederlanders en, vanwege hun functie als advocaat, de beroepsspecifieke wet- en regelgeving voor de advocatuur. Het staat advocaten vrij om cursussen en trainingen te volgen die hun interesse wekken of die zij relevant achten voor hun beroepsuitoefening. Dat geldt ook voor deze cursusdag.
Welke waarborgen zijn er om te voorkomen dat permanente educatie voor advocaten wordt gebruikt voor politieke campagnes of ideologische beïnvloeding in plaats van juridische scholing?
Zie het antwoord op vraag 2. Het college van afgevaardigden van de Nederlandse orde van advocaten stelt bij verordening regels vast die betrekking hebben op de eisen ter bevordering van de vakbekwaamheid van advocaten en de kwaliteit van de beroepsuitoefening.2 De wijze waarop dat gebeurt is vastgelegd in door het college van afgevaardigden vastgestelde Verordening op de advocatuur.3 Het is daarmee dus aan de Nederlandse orde van advocaten om als regelgevende bevoegdheid voor de advocatuur de educatie voor advocaten in te richten. Als bewindspersoon heb ik daar geen bemoeienis mee.
De Nederlandse orde van advocaten heeft mij laten weten dat de organisatie die de betreffende cursus organiseert een niet door de Nederlandse orde van advocaten erkende opleidingsinstelling is en bijgevolg niet bevoegd is tot het zelfstandig toekennen van erkende PO-punten. Na deelname aan de cursus kan een advocaat aan de lokale deken verzoeken om toekenning van PO-punten. Het is aan de lokale deken om deze punten wel of niet toe te kennen.
Deelt u de opvatting dat een cursusdag onder de titel «Pleiten voor Palestina» geen recht zou mogen geven op PO-punten voor advocaten en bent u bereid zich ervoor in te spannen dat de voor deze cursusdag toegekende vier PO-punten alsnog worden geschrapt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat de organiserende stichting Muslim Rights Watch Nederland beschikt over een ANBI-status? Zo ja, op basis van welke activiteiten is deze status verleend?
In het ANBI-register op de website van de Belastingdienst staat vermeld dat Stichting Muslim Rights Watch Nederland de ANBI-status heeft vanaf 7 juli 2020. Omdat de Belastingdienst is gehouden aan de geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), kan geen nadere informatie worden verstrekt over deze individuele instelling.
Deelt u de opvatting dat een ANBI-status bedoeld is voor organisaties die zich inzetten voor het algemeen belang en niet voor politieke campagnes of activistische belangenbehartiging? Zo nee, waarom niet?
In zijn algemeenheid kan worden opgemerkt dat een instelling (onder meer) uitsluitend of nagenoeg uitsluitend (ten minste 90%) het algemeen nut moet beogen om als ANBI aangemerkt te worden. Het begrip algemeen nut is in de wet neutraal vormgegeven en wordt, zoals ook uit de jurisprudentie blijkt, neutraal getoetst. Dat betekent dat een ANBI de vrijheid heeft om – binnen de in de wet genoemde categorieën4 – een door haar als algemeen nuttig beschouwde doelstelling na te streven. Dit neutrale karakter is een belangrijke eigenschap van de ANBI-regelgeving, omdat ANBI’s daarmee een afspiegeling zijn van een diverse samenleving waarbinnen verschillende doelen als algemeen nuttig worden gezien. Hiermee wordt gewaarborgd dat niet alleen doelen in lijn met bijvoorbeeld het overheidsbeleid gezien kunnen worden als algemeen nuttig.
Vindt u dat het organiseren van een cursusdag als «Pleiten voor Palestina» past bij de voorwaarden die gelden voor organisaties met een ANBI-status? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid kritisch te kijken naar de ANBI-status van organisaties die zich in de praktijk steeds meer bezighouden met politieke actievoering en activisme? Zo nee, waarom niet?
Uit artikel 5b AWR volgt dat de beoordeling inzake de ANBI-status uitsluitend aan de inspecteur van de Belastingdienst is en dat de inspecteur voor de beslissing om een ANBI-status in te trekken is gebonden aan een limitatief aantal gronden.5 Vanwege het eerder genoemde neutrale karakter van de ANBI-regeling zijn gedragingen die niet aansluiten bij eenieders overtuiging van wat behoort tot het algemeen nut geen reden om de ANBI-status in te trekken.
Bent u bereid de ANBI-status van Muslim Rights Watch Nederland in te trekken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Het eindrapport van de Staatscommissie tegen Racisme en Discriminatie |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
Enneüs Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het eindrapport van de Staatscommissie tegen Racisme en Discriminatie waarin politici, bewindspersonen en media worden opgeroepen zich minder terughoudend op te stellen tegenover volgens de commissie discriminerende of racistische uitlatingen?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat het niet aan een staatscommissie is, die onder leiding van voormalig Partij van de Arbeid (PvdA)-senator Joyce Sylvester opereert, om te bepalen welke politieke opvattingen binnen het democratische debat wel of niet voldoende geaccepteerd zijn? Zo nee, waarom niet?
De Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme was een onafhankelijk adviescollege dat voor vier jaar, op verzoek van de Tweede Kamer, is ingesteld. De staatscommissie had als opdracht wetenschappelijk onderzoek te doen en op basis daarvan advies te geven over beleid, wet- en regelgeving om discriminatie en racisme tegen te gaan. Deze adviezen richten zich zowel op de overheid alsook op het parlement en de samenleving. De Staatscommissie heeft om invulling te geven aan deze opdracht een werkprogramma opgesteld. Hierin stond de werkwijze en inhoudelijke lijnen beschreven waarlangs de staatscommissie gedurende vier jaar haar onderzoek vormgaf en uitvoerde.
Hoe verhoudt de oproep van de staatscommissie om politieke uitingen actiever te «normeren» zich tot de vrijheid van meningsuiting en het vrije politieke debat?
Voor politici geldt dat zij een ruime uitingsvrijheid hebben. Politici moeten kritiek kunnen uitoefenen op het beleid en standpunten over de inrichting van de samenleving kunnen uitdragen. Kamerleden kunnen niet strafrechtelijk vervolgd worden voor wat zij in de vergaderingen van het parlement zeggen. Dit vind ik zelf ook belangrijk.
Aan de andere kant heeft het Europese Hof voor de Rechten van de Mens ook gezegd dat politici vanwege hun belangrijke maatschappelijke functie moeten vermijden dat hun publieke uitingen intolerantie tegen bepaalde groepen voeden.
Woorden doen er immers toe, in het bijzonder die van politici. Onze uitspraken kunnen een grote invloed hebben en doorwerken in de samenleving en de manier waarop mensen met elkaar omgaan. We hebben een gezamenlijke verantwoordelijkheid, als kabinet en parlement, om het goede voorbeeld te geven. Dit draag ik ook uit.
Deelt u de mening dat het niet de taak van een staatscommissie is om Kamerleden, Ministers en media aanwijzingen te geven over welke politieke uitingen wel of niet genormeerd dienen te worden? Zo nee, waarom niet?
Het is aan de rechter en het College voor de Rechten van de Mens om een oordeel te vellen over de vraag of er in een specifiek geval sprake is van discriminatie of racisme. Wel zie ik het als taak van de Staatscommissie tegen discriminatie en racisme om, als onafhankelijk adviescollege, met algemene aanbevelingen te komen voor het kabinet, alsook voor de samenleving als geheel. Uit het onderzoek van de staatscommissie blijkt dat uitlatingen van Kamerleden invloed hebben op uitingen in kranten en op sociale media en omgekeerd.
Acht u het wenselijk dat een door de overheid ingestelde commissie, onder leiding van voormalig PvdA-senator Joyce Sylvester, zich uitlaat over de wijze waarop Kamerleden, Ministers en media zouden moeten reageren op politieke standpunten van gekozen volksvertegenwoordigers? Zo ja, waarom?
Zie antwoord op vraag 2.
Hoe verklaart u dat de staatscommissie zich wel uitspreekt over bepaalde rechtspolitieke uitlatingen, maar geen aandacht lijkt te besteden aan polariserende, demoniserende of andere vergaande uitlatingen uit het linkerdeel van het politieke spectrum? Acht u dit een voorbeeld van selectieve verontwaardiging? Speelt de politieke achtergrond van de leiding van de commissie hierin een rol en kunt u hier uitgebreide toelichting op geven?
De Staatscommissie tegen discriminatie en racisme noemt in haar eindrapport een aantal recente voorbeelden van uitingen en handelingen waarvan zij constateren dat die (direct of indirect) bijdragen aan structurele patronen van discriminatie en racisme in de Nederlandse samenleving. De staatscommissie beschrijft deze voorbeelden niet om individuele politici aan te spreken, maar om een breder patroon van politieke terughoudendheid te illustreren. Er worden daarbij voorbeelden van verschillende politici en politieke partijen aangehaald.
Hoe beoordeelt u verder de aanbeveling van de staatscommissie om een «vlekkeloze beheersing van de Nederlandse taal» niet langer als functie-eis te stellen wanneer dit volgens de commissie niet strikt noodzakelijk is?
Het is nog te vroeg om op specifieke aanbevelingen van de staatscommissie in te gaan. Dit vraagt om nadere bestudering, overleg en afstemming. Tijdens het Commissiedebat discriminatie, racisme en mensenrechten van 21 mei 2026 heb ik toegezegd met een kabinetsreactie te komen op het eindrapport van de staatscommissie en op enkele van de voortgangsrapportages. In deze kabinetsreactie zal ik ook ingaan op de aanbevelingen uit het rapport.
Deelt u de mening dat een goede beheersing van de Nederlandse taal binnen de overheid juist van groot belang is voor de kwaliteit van de dienstverlening, de communicatie met burgers en het functioneren van de overheid? Zo nee, waarom niet?
Ja. Goede beheersing van de Nederlandse taal blijft van belang voor de kwaliteit van dienstverlening en communicatie met burgers.
Waarom blijft de overheid bij de werving van personeel onderscheid maken op basis van afkomst, geslacht en andere identiteitskenmerken in plaats van uitsluitend te selecteren op geschiktheid, ervaring en kwaliteiten?
Zoals meermaals is aangegeven in recente debatten en in antwoord op Kamervragen, gelden bij het Rijk geen streefcijfers of voorkeursbeleid bij werving en selectie. Het beleid binnen het Rijk ziet toe op gelijke kansen en het tegengaan van arbeidsmarktdiscriminatie. De aanpak bij werving en selectie is gericht op objectieve werving en selectie, op basis van de functie-eisen die relevant zijn voor die specifieke functie.
Bent u bereid de financiering van deze staatscommissie stop te zetten en de stekker eruit te trekken nu zij aanbevelingen doet die neerkomen op het maken van onderscheid tussen mensen op basis van afkomst en identiteit en zich bovendien actief mengt in het politieke debat? Zo nee, waarom niet? Hoe ver kan deze commissie dan wél gaan?
De Staatscommissie tegen discriminatie en racisme heeft op 8 juni 2026 haar eindrapport gepresenteerd. De staatscommissie was voor vier jaar ingesteld en de commissie is na het presenteren van haar eindrapport en het afronden van haar onderzoek opgeheven. Dit is ook zo opgenomen in het instellingsbesluit.
Een ernstig datalek binnen de EBI |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van berichtgeving dat vertrouwelijke dossierinformatie van een gedetineerde met een zware risicostatus zichtbaar is geweest voor een andere gedetineerde binnen de Extra Beveiligde Inrichting (EBI)?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat juist binnen de zwaarst beveiligde inrichting van Nederland vertrouwelijke strafrechtelijke informatie kennelijk bij een andere gedetineerde terecht heeft kunnen komen?
Uit onderzoek naar het incident blijkt dat tijdens het volgen van de procedure sprake is geweest van een menselijke fout. Op basis van het onderzoek valt niet vast te stellen of daadwerkelijk inzage in vertrouwelijke informatie heeft plaatsgevonden. Dit moet echter te allen tijde worden voorkomen. DJI treft dan ook aanvullende maatregelen om de kans op herhaling te verkleinen. Zo is een extra controlestap in de procedure aangebracht die ziet op het uitschakelen van de laptop. Ook voert DJI daarnaast nog enkele technische verbeteringen door. Vanuit een veiligheidsoogpunt kan ik deze niet gedetailleerd delen.
Klopt het dat de voorgeschreven veiligheidsprocedures in dit geval niet zijn gevolgd? Zo ja, hoe heeft dit kunnen gebeuren?
Uit onderzoek is gebleken dat tijdens het volgen van deze procedure sprake is geweest van een menselijke fout. DJI treft maatregelen om de kans op herhaling te verkleinen.
De reguliere procedure is dat nadat een gedetineerde een dergelijke laptop heeft gebruikt, de laptop wordt uitgeschakeld. Door middel van het uitschakelen van de laptop wordt alle historie automatisch verwijderd en daarmee «geschoond». Pas daarna mag de laptop worden uitgegeven aan een andere gedetineerde.
Geeft dit incident aanleiding tot het herzien van de veiligheidsprocedures? Zo nee, waarom niet?
De resultaten van het onderzoek naar aanleiding van het incident geven aanleiding tot het treffen van maatregelen. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 1, betreft dit een extra controlestap.
Kan worden uitgesloten dat vertrouwelijke informatie van andere gedetineerden eveneens onbevoegd is ingezien? Zo nee, waarom niet?
Op basis van het onderzoek valt niet vast te stellen of daadwerkelijk inzage in vertrouwelijke informatie van de betreffende gedetineerde heeft plaatsgevonden. Vanwege veiligheidsredenen kan niet verder worden ingegaan op de details van het onderzoek.
Er is nu geen aanleiding te vermoeden dat vergelijkbare incidenten zich eerder hebben voorgedaan.
Deelt u de mening dat een dergelijke blunder ernstige veiligheidsrisico’s met zich kan brengen voor lopende strafzaken, getuigen, slachtoffers, personeel en de openbare veiligheid? Zo nee, waarom niet?
Ik wil voorop stellen dat ik het uiteraard betreur dat deze fout zich voor heeft kunnen doen. Zoals aangegeven in mijn vorige antwoord op vraag 5, valt op basis van het onderzoek niet vast te stellen of daadwerkelijke inzage in vertrouwelijke informatie heeft plaatsgevonden.
Het Openbaar Ministerie, de betrokken gedetineerde en diens advocaat zijn inmiddels geïnformeerd. Het onderzoek heeft in afstemming met hen plaatsgevonden. Bij het vermoeden van een datalek is vereist dat binnen 72 uur een melding hiervan wordt gedaan bij de Autoriteit Persoonsgegevens. DJI heeft dit gedaan. Door DJI wordt op basis van de onderzoeksresultaten bekeken of hier nog verdere actie op moet volgen.
Acht u het verantwoord dat gedetineerden met een zware risicostatus zonder toezicht toegang hebben tot apparatuur waarmee dergelijke fouten kennelijk kunnen ontstaan? Zo ja, waarom?
De laptops die aan gedetineerden worden uitgereikt betreffen stand alone laptops die uitsluitend over functionaliteiten beschikken om het strafdossier te raadplegen.
Op basis van een uitspraak van RSJ2 moeten OM en DJI bij omvangrijke dossiers digitale inzage faciliteren. Bovendien is het uitsluitend op papier verstrekken van het strafdossier bij omvangrijke dossiers niet uitvoerbaar vanwege de beheersingsproblematiek die daarbij komt kijken. Niet enkel op het gebied van logistiek (het veilig transporteren van dossier van OM naar gedetineerde, bij overplaatsingen en bij beëindiging van inzage) maar ook op het gebied van informatieveiligheid en fysieke veiligheid (denk aan brandlast op cel).
Bent u bereid te onderzoeken of dossierinzage voor hoogrisicogedetineerden voortaan uitsluitend onder toezicht en op papier dient plaats te vinden, zodat deze gedetineerden in zijn geheel geen toegang meer hebben tot laptops, waar wij al eerder voor hebben gepleit, en dit soort datalekken daardoor onmogelijk wordt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Welke disciplinaire, organisatorische of personele consequenties worden verbonden aan het niet naleven van de veiligheidsprocedures die tot dit incident hebben geleid? Gaat de toedracht van dit incident worden onderzocht op mogelijk opzettelijk handelen?
Ik ga niet in op individuele personele en disciplinaire kwesties.
Kunt u garanderen dat zich binnen de EBI momenteel geen vergelijkbare beveiligingslekken voordoen waardoor gedetineerden toegang kunnen krijgen tot informatie die niet voor hen bestemd is? Zo nee, waarom niet?
DJI zet zich onvermoeibaar in voor een veilige omgeving, zowel fysiek als digitaal. De extra maatregelen die worden genomen naar aanleiding van het onderzoek zullen hieraan bijdragen.
Het bericht 'Drugs, vechtpartijen en gebrek aan controle, zo ontspoort de markt voor begeleid wonen' |
|
Shanna Schilder (PVV), Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek van Follow The Money over ernstige misstanden binnen de sector begeleid wonen voor kwetsbare jongeren?1
Ja, daarmee ben ik bekend. De situaties die in het artikel worden beschreven zijn ernstig. Met name omdat jeugdigen hier de dupe van zijn en als gevolg hiervan vaak niet de zorg krijgen die nodig is. Voor het kabinet staat voorop dat de kwaliteit, veiligheid en rechtmatigheid van de (jeugd)zorg centraal staan.
Hoeveel meldingen, signalen of aangiften zijn de afgelopen vijf jaar gedaan over geweld, drugsgebruik, seksuele uitbuiting, mensenhandel, intimidatie, criminele uitbuiting of ondermijning binnen instellingen voor begeleid wonen en hoelang zijn deze signalen al bekend bij gemeenten, inspecties, politie en het Rijk?
Begeleid wonen is een sector die qua toezicht verdeeld is over meerdere toezichthouders en financieringsstromen, waardoor een totaalcijfer niet beschikbaar is.
Klopt het dat jongeren binnen sommige woonvoorzieningen in aanraking komen met drugscriminelen, geweld en criminele ronselaars en deelt u de mening dat het onacceptabel is dat jongeren die bescherming nodig hebben juist in zulke omgevingen terechtkomen?
Ik ben helaas bekend met deze signalen en deel de mening dat dit onacceptabel is. De afgelopen periode heb ik meerdere maatregelen ingezet om screening en toezicht op zorg- en jeugdhulpaanbieders in het algemeen te versterken en verder aan te scherpen. Via de Kamerbrief van 15 april jl. heb ik u geïnformeerd dat ik besloten heb aan de slag te gaan met een wetsvoorstel waarmee ook een vergunningplicht voor jeugdhulpaanbieders wordt ingevoerd2. Ik ben ook van plan de vergunningplicht voor Wmo-aanbieders in te voeren.
Hoeveel aanbieders van begeleid wonen zijn de afgelopen vijf jaar onderzocht, gesloten, geschorst of strafrechtelijk aangepakt wegens fraude, witwassen, misbruik van zorggeld, ondeugdelijke zorg of banden met georganiseerde criminaliteit?
Begeleid wonen is een sector die qua toezicht verdeeld is over meerdere toezichthouders en financieringsstromen, waardoor een totaalcijfer niet beschikbaar is.
Hoe verklaart u dat het blijkbaar relatief eenvoudig is om een zorginstelling of woonvoorziening voor kwetsbare jongeren te starten terwijl toezicht, screening en controle volgens het onderzoek ernstig tekortschieten?
Door de decentralisatie en inkoop van jeugdhulp op gemeenteniveau ligt de contractering bij verschillende gemeenten en hanteren zij verschillende eisen. Ik erken dat de huidige toelating van nieuwe jeugdhulpaanbieders in sommige gevallen te eenvoudig is en te weinig randvoorwaarden biedt om malafide aanbieders te weren. Daarom heb ik besloten ook een vergunningplicht voor jeugdhulpaanbieders en Wmo-aanbieders te introduceren. De verwachting is dat het wetsvoorstel waarin dat wordt geregeld in 2028 kan worden aangeboden aan de Tweede Kamer.
Klopt het dat gemeenten in sommige gevallen tienduizenden euro’s per maand betalen voor één jongere in begeleid wonen en hoe wordt gecontroleerd dat dit geld daadwerkelijk aan zorg, begeleiding en veiligheid wordt besteed?
Hoewel het Ministerie van VWS daar geen centrale administratie over bijhoudt, blijkt dat uit de tarieven dat dit voor kan komen. De gemeente is verantwoordelijk voor de rechtmatigheid van gedeclareerde zorg en ondersteuning op grond van de jeugdwet en Wmo en de prijzen die zij hanteren bij inkoop daarvan.
Deelt u de opvatting dat bestaande toelatingseisen, screening en toezicht kennelijk onvoldoende effectief zijn wanneer aanbieders met dubieuze praktijken of banden met criminaliteit actief kunnen blijven? Zo nee, waarom niet?
Het toezicht op de uitvoering van de Jeugdwet is belegd bij verschillende partijen die hierin vanuit hun eigen expertise een verantwoordelijkheid hebben. Er zijn recentelijk maatregelen genomen om het toezicht verder aan te scherpen en het Kabinet heeft aanvullende maatregelen aangekondigd, zoals in het antwoord op vraag 5 en 8 te lezen is.
Toezicht kan incidenten helaas nooit helemaal voorkomen. Toezichthouders kunnen ook niet overal tegelijk zijn. Daarom maken toezichthouders op grond van risicoanalyse keuzes over waar de risico’s het grootst zijn en toezicht het meest effectief is. Hierbij is het belangrijk dat toezichthouders waar mogelijk informatie met elkaar uitwisselen en goed en multidisciplinair met elkaar samenwerken, zodat zij elkaar ook kunnen aanvullen en versterken.
Ziet u aanleiding bestaande screening, integriteitstoetsen en financiële controles voor aanbieders van begeleid wonen verder aan te scherpen en met een landelijke aanpak tegen malafide zorgaanbieders te komen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet komt met een stevig pakket maatregelen om zorgfraude en ondermijnende criminaliteit in de zorg harder aan te pakken. Het kabinet wil voorkomen dat malafide zorgaanbieders zich eenvoudig kunnen vestigen of na eerdere overtredingen opnieuw kunnen starten in de zorg. Daarom werkt het kabinet aan een wetsvoorstel om de toetredingseisen te versterken. Uitgangspunt is een duidelijk norm en voor alle nieuwe en herstartende aanbieders van zorg. Nieuwe en herstartende zorgaanbieders worden ook strenger gecontroleerd, de inzet van de Wet Bibob wordt uitgebreid en toezicht- en opsporingsdiensten krijgen extra capaciteit om fraudeurs sneller op te sporen en aan te pakken. Daarmee wil het kabinet voorkomen dat publiek zorggeld verdwijnt naar criminelen in plaats van naar mensen die zorg nodig hebben. Voor de aanpak is oplopend tot 50 miljoen euro per jaar beschikbaar. Dit heb ik op 8 juni jl. in een brief aan uw Kamer gecommuniceerd3.
Ook zijn in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) afspraken gemaakt om het gemeentelijk toezicht binnen de Jeugdhulp en WMO2015 te verstevigen en te professionaliseren. Ik ben momenteel met de VNG in gesprek over wat nodig is om het gemeentelijk toezicht te verstevigen. Daarnaast is sinds 1 januari 2026 de Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg (Wvbj) van kracht. De wet stelt strengere eisen aan de financiële bedrijfsvoering en verantwoording van jeugdhulpaanbieders.
Acht u de huidige bevoegdheden en capaciteit van gemeenten, de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en opsporingsdiensten voldoende om misstanden snel aan te pakken en bent u bereid met spoed te komen met een landelijke aanpak tegen fraude, criminaliteit, geweld en falend toezicht binnen begeleid wonen en de jeugdzorgsector en de Kamer hierover vóór het zomerreces te informeren?
Zie het antwoord op vraag 7 en 8. Op 15 april en op 8 juni jl. heb ik aangekondigd welke maatregelen het Kabinet neemt om fraude binnen de (jeugd)zorgsector aan te pakken en het toezicht te verstevigen. Ik ga de komende tijd aan de slag om deze maatregelen uit te werken.
De evacuatie van gedetineerden uit PI Vught |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van berichtgeving dat na de brand in de Penitentiaire Inrichting (PI) Vught in korte tijd voor 162 gedetineerden elders plek is gevonden?1
Ja.
Hoe verklaart u dat binnen zeer korte tijd voor tientallen gedetineerden elders capaciteit beschikbaar bleek, terwijl al langere tijd wordt gewezen op een ernstig tekort aan celcapaciteit?
De Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) heeft alles op alles gezet om alle beschikbare plekken tijdelijk te benutten als noodoplossing. Er zijn vrije plekken in de Vreemdelingenbewaring en enkele isoleercellen ingezet. In een aantal gevallen is personeel van de PI Vught meegegaan met de gedetineerden omdat de ontvangende inrichting wel plekken maar geen personeel had. Dit was alleen voor enkele dagen mogelijk en is geen duurzame oplossing. Op 26 mei jl. is geconstateerd dat de unit in Vught weer veilig in gebruik kon worden genomen en zijn alle gedetineerden in de nacht van 26 op 27 mei weer ingesloten in hun eigen cel.
Betekent dit dat er feitelijk meer beschikbare capaciteit binnen het gevangeniswezen aanwezig is dan eerder werd aangenomen? Zo nee, waarom niet?
Nee, er is niet meer beschikbare capaciteit binnen het gevangeniswezen dan eerder werd aangenomen. De capaciteit die nu is ingezet, biedt geen structurele oplossing en kon alleen voor enkele dagen worden ingezet als noodoplossing.
Deelt u de opvatting dat het onbegrijpelijk zou zijn wanneer enerzijds wordt gesproken over cellentekorten, terwijl anderzijds in crisissituaties kennelijk in korte tijd aanzienlijke capaciteit beschikbaar blijkt? Zo nee, waarom niet?
Zoals in vraag 2 en 3 aangegeven heeft DJI alles op alles gezet om deze groep gedetineerden kortdurend te verplaatsen, ook naar plekken die niet geschikt zijn voor een langere periode of waar geen personeel beschikbaar was. Dit was dus een tijdelijke noodoplossing.
Kunt u aangeven waar deze 162 gedetineerden precies zijn ondergebracht en op basis waarvan daar ruimte beschikbaar was?
Van de 162 gedetineerden is er voor circa 140 extern een plek gevonden. Deze gedetineerden zijn verplaatst naar zeven verschillende inrichtingen. Zoals hierboven vermeld is dit in een aantal gevallen gebeurd met het meesturen van personeel vanuit PI Vught. De overige gedetineerden zijn intern verplaatst.
Hoe is bij de overplaatsing van de 162 gedetineerden gewaarborgd dat hoogrisicogedetineerden of gedetineerden uit criminele netwerken niet in contact komen met personen met wie zij om veiligheidsredenen juist gescheiden dienen te blijven?
Het betrof de evacuatie van een unit waar geen hoog risico gedetineerden waren geplaatst. De tijdelijke overplaatsing heeft op een veilige manier plaatsgevonden.
Wat is de stand van zaken van de uitvoering van de motie-Schilder over het hanteren van meerpersoonscellen als norm waar dit veilig en verantwoord kan (Kamerstuk 36 800 VI, nr. 127)?
Waar mogelijk wordt ingezet op het gebruik van meerpersoonscellen (MPC). Concreet betekent dit dat – indien de gebouwelijke voorzieningen en de veiligheid van zowel gedetineerden als het personeel dit toelaten – MPC’s worden ingezet.
Hoeveel extra celplaatsen zouden op korte termijn kunnen worden gerealiseerd indien meerpersoonscellen breder worden toegepast?
Er zijn op korte termijn geen extra MPC’s te realiseren binnen de bestaande capaciteit. Conform de motie Eerdmans2 wordt in het geval van renovatie en uitbreiding van capaciteit ingezet op de realisatie van zo veel mogelijk MPC’s.
Het verheerlijken en normaliseren van drugsgebruik door minderjarigen in de aangekondigde Videoland-documentaire Nachtkinder |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de aangekondigde Videoland-documentaire Nachtkinderen, waarin minderjarige jongeren herkenbaar in beeld worden gebracht terwijl zij harddrugs gebruiken?1
Ja
Hoe kan het dat een streamingdienst kennelijk zonder noemenswaardige beperkingen minderjarigen drugs laat gebruiken voor de camera en dit vervolgens als entertainment uitzendt?
Streamingsdiensten (en omroepen) zijn, binnen de grenzen van de Mediawet, zelf verantwoordelijk voor de vorm en inhoud van de programma’s. Het is de vrije redactionele keuze van Videoland om de betreffende documentaire uit te zenden. De overheid oordeelt niet over de inhoud van programma’s. Dat vloeit voort uit de (grond)wettelijke vrijheid van meningsuiting en onafhankelijkheid van de media. Het Commissariaat voor de Media is als onafhankelijk toezichthouder de aangewezen partij om te onderzoeken of de totstandkoming van de documentaire in strijd is met de Mediawet. Het waarborgen van onafhankelijke media tegenover beïnvloeding van de inhoud van programma’s vereist een bij uitstek onafhankelijke toezichthouder. Zie verder het antwoord op vraag 6.
Tevens geldt dat audiovisuele content in Nederland wordt voorzien van een leeftijdsclassificatie op basis van de mogelijke schadelijkheid voor minderjarigen (conform hoofdstuk 4 van de Mediawet). Dit systeem, uitgevoerd door het onafhankelijke instituut voor de Classificatie van Audiovisuele Media (NICAM) via Kijkwijzer, heeft als doel de bescherming van minderjarigen en het informeren van ouders en opvoeders. In dit kader is de documentaire Nachtkinderen geclassificeerd met «Let op met kinderen tot 16 jaar», onder meer op basis van de weergave van drugsgebruik en grof taalgebruik. Deze classificatie maakt inzichtelijk dat bij de beoordeling van de inhoud expliciet rekening wordt gehouden met dergelijke elementen en de mogelijke impact daarvan op minderjarigen, zodat kijkers een geïnformeerde keuze kunnen maken.
Voor lineaire televisie-uitzendingen geldt dat content met een classificatie van 16 jaar alleen na 20.00 uur mag worden uitgezonden. Voor streamingsdiensten geldt dat content met deze classificatie niet toegankelijk mag zijn binnen kinderprofielen en dat content afgesloten kan worden met pin. Op deze wijze wordt rekening gehouden met de bescherming van minderjarigen bij de beschikbaarheid van dergelijke content.
Deelt u de opvatting dat het tonen van minderjarige drugsgebruikers zonder duidelijke afkeurende context bijdraagt aan de normalisering van harddrugsgebruik onder jongeren? Zo nee, waarom niet?
Het is niet mogelijk om vast te stellen of deze specifieke documentaire direct bijdraagt aan de normalisering van harddrugsgebruik onder jongeren. Normalisering is een complex en breed begrip dat bestaat uit verschillende onderdelen.2
Wel is het van belang dat jongeren zich bewust zijn van de schadelijke gevolgen van drugsgebruik. Het kabinet vindt het belangrijk dat duidelijk blijft dat drugsgebruik risico’s met zich meebrengt en niet als vanzelfsprekend of wenselijk wordt beschouwd. Om deze reden worden er verschillende middelen ingezet om de normalisering van drugsgebruik onder jongeren tegen te gaan.
Zo worden de ontwikkelingen van het drugsgebruik onder jongeren jaarlijks gemonitord. Uit de beschikbare gegevens blijkt dat het drugsgebruik onder minderjarigen de afgelopen jaren niet is toegenomen. Het kabinet blijft deze ontwikkelingen volgen en ondersteunt onderzoek hiernaar. Ook draagt het kabinet bij aan bewustwording van de maatschappelijke gevolgen van drugs onder jongeren met de campagne «Drugs raakt ons allemaal» waar de Minister van Justitie en Veiligheid de Kamer over heeft geïnformeerd in de brief «Bestrijding georganiseerde criminaliteit».3
Verder werkt het kabinet aan drugspreventie op het voortgezet onderwijs en vervolgonderwijs. Via het programma Helder op School krijgen onderwijsinstellingen handvatten aangereikt voor een praktische aanpak gericht op preventie van alcohol, tabak en drugs. Ook voor studentenverenigingen en introductiecommissies is informatie beschikbaar om (risicovol) gebruik van drugs terug te dringen. Voor gemeentes is een handreiking ontwikkeld om hogescholen, universiteiten en andere lokale partners te ondersteunen. Daarnaast ziet het kabinet ook vanuit studenten veelbelovende initiatieven. De ministeries van OCW, JenV en VWS hebben regelmatig contact met enkele initiatiefnemers. Zo wordt er, conform de motie Van Dijk en Bikker van 21 april jl., samengewerkt aan een training voor huisoudsten om bewustwording rondom middelengebruik en normen te creëren.4
Professionals uit de gezondheidszorg en het sociaal domein kunnen ook een belangrijke bijdrage leveren aan het voorkomen van (problematisch) drugsgebruik. Zij kunnen informatie en opvoedondersteuning geven en indien nodig toeleiden naar de preventie-afdeling van een instelling voor verslavingszorg of andere gespecialiseerde hulp. Het programma Open en Alert van het Trimbos-instituut helpt organisaties bij het opstellen van helder middelenbeleid en bevordert deskundigheid van professionals die daar werken.5 Het kabinet gaat nader in op de campagne en overige middelen in een voortgangsbrief over het drugsbeleid die u voor de zomer ontvangt.
Acht u het acceptabel dat minderjarigen herkenbaar in beeld worden gebracht terwijl zij strafbare en potentieel schadelijke gedragingen verrichten, ondanks de mogelijke gevolgen voor hun toekomst?
Het uitgangspunt van dit kabinet is dat minderjarigen zorgvuldig moeten worden beschermd, zeker wanneer zij herkenbaar in beeld worden gebracht in situaties die mogelijk schadelijk kunnen zijn voor hun ontwikkeling of toekomst.
Daarbij is het belangrijk om te benadrukken dat er ook sprake is van artistieke en journalistieke vrijheid van documentairemakers die beschermd moet worden. Documentairemakers moeten de creatieve ruimte hebben om maatschappelijke vraagstukken ongecensureerd te verkennen en te verwerken in hun productie; het tonen van een bepaalde realiteit kan ook een maatschappelijk probleem zichtbaar maken. Deze overweging is aan de maker. Daarbij hebben zij wel een journalistieke verantwoordelijkheid, waarbij ze rekening dienen te houden met wettelijke kaders en journalistieke codes. Makers moeten zich in dat kader bewust zijn van de bescherming van (de rechten van) personen die in de documentaire zitten, zeker als het gaat om minderjarigen. Zo stelt de leidraad van de Raad voor de Journalistiek dit ook als expliciet uitgangspunt.
De afweging om minderjarigen herkenbaar in beeld te brengen in deze documentaire vraagt om een zorgvuldige beoordeling van de mogelijke consequenties voor hun privacy, welzijn en toekomstperspectief. Ook hierbij ligt de eindverantwoordelijkheid bij de documentairemaker en, waar van toepassing, bij de ouders of wettelijke vertegenwoordigers. Het is aan alle betrokkenen om hierover vooraf het gesprek te voeren en de belangen van de jongeren centraal te stellen.
In hoeverre wordt onderzocht of dit soort content een aanzuigende werking heeft op jongeren en daarmee indirect bijdraagt aan drugsgebruik en drugsnormalisering?
Het Trimbos-instituut verricht doorlopend onderzoek naar factoren die van invloed kunnen zijn op drugsgebruik onder minderjarigen en jongeren. Het is bekend dat dat drugsgebruik en normalisering doorgaans het resultaat zijn van een samenspel van verschillende factoren. Er is meestal niet één afzonderlijke oorzaak, zoals een documentaire, aan te wijzen.
Hoewel er geen afzonderlijk onderzoek uitgevoerd wordt naar de mogelijke aanzuigende werking van individuele documentaires, worden ontwikkelingen in drugsgebruik en de houding van jongeren ten aanzien van drugs nauwlettend gevolgd via monitoring. Het kabinet ondersteunt dit onderzoek, onder meer via financiering van het Trimbos-instituut, zodat trends en mogelijke risicofactoren op tijd in kaart worden gebracht.
Deelt u de mening dat streamingdiensten en producenten een grens overschrijden wanneer harddrugsgebruik door minderjarigen op deze manier wordt gefilmd en verspreid? Zo nee, waarom niet?
Het is niet aan het kabinet om te oordelen over de inhoud van programma’s en derhalve ook niet om te zeggen of hier grenzen worden overschreden. Het Commissariaat voor de Media kan op basis van signalen, zoals vragen of klachten van kijkers en luisteraars, besluiten onderzoek te doen naar de naleving van normen waarop hij toeziet. Het Commissariaat geeft risicogestuurd invulling aan zijn toezicht. Dit betekent dat hij signalen beoordeelt op de mate waarin het Commissariaat daarin risico’s ziet. Prioriteiten worden aan de hand van die risico-inschatting bepaald. Het Commissariaat beschikt vervolgens over een breed pallet aan mogelijke toezichtinterventies. Mocht een streamingsdienst een grens overschrijven, dan zullen zij hier de juiste interventie op toepassen. Zie in dit kader de toezichtaanpak van het Commissariaat en het handhavingsbeleid.
Wordt onderzocht of het herkenbaar in beeld brengen van minderjarige drugsgebruikers gevolgen moet hebben voor zowel de betrokken producenten als de minderjarigen die zichtbaar strafbare feiten plegen? Zo nee, waarom niet?
Het is aan het Openbaar Ministerie om al dan niet tot strafrechtelijke vervolging over te gaan. Het gebruik van drugs is in Nederland op zichzelf niet strafbaar. Los daarvan ziet het kabinet ook geen aanleiding om een afzonderlijk onderzoek te starten naar andere mogelijke gevolgen voor de producenten en minderjarigen die in deze documentaire herkenbaar in beeld worden gebracht.
Dit neemt niet weg dat het van belang is om zorgvuldig om te gaan met de privacy en belangen van minderjarigen. Drugsgebruik brengt risico’s met zich mee en het kabinet vindt het belangrijk dat het gebruik van drugs door jongeren niet als vanzelfsprekend of wenselijk wordt beschouwd. Bij producties waarin kwetsbare jongeren herkenbaar in beeld komen, is een verantwoordelijkheid weggelegd voor de betrokken partijen om de mogelijke gevolgen voor het welzijn en toekomstperspectief van deze jongeren zorgvuldig af te wegen.
De bekladding van het Nationaal Monument op de Dam |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de bekladding van het Nationaal Monument op de Dam met rode verf, vlak voor de Nationale Dodenherdenking?1
Ja.
Hoe beoordeelt u deze daad, mede gezien de symbolische waarde van het monument en het moment waarop deze plaatsvond?
Bekladding is verboden en onacceptabel. Dat keur ik uiteraard af. Dat geldt zeker in dit geval nu aan het Nationaal Monument op de Dam vernielingen zijn aangericht. Naast een monumentale status heeft dit ook een grote inhoudelijke betekenis voor Nederland, zeker zo vlak voor de nationale dodenherdenking op 4 mei. Onze rechtsstaat biedt burgers genoeg alternatieve mogelijkheden om een mening te uiten. Dat uiteindelijk om 20.00 uur de herdenking toch door kon gaan als gepland, is dankzij het werk van velen.
Hoe is het mogelijk dat een nationaal monument op een dergelijk gevoelig moment niet afdoende beveiligd is gebleken en deelt u de mening dat dit in het vervolg anders aangepakt moet worden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe?
De burgemeester is bevoegd tot het nemen maatregelen ter handhaving van de openbare orde. In de gemeente Amsterdam heeft de gemeenteraad aan de burgemeester de bevoegdheid gegeven om ter handhaving van de openbare orde camera’s in te zetten ten behoeve van toezicht op openbare plaatsen (art. 151c Gemeentewet). De burgemeester van Amsterdam heeft in vervolg daarop gebieden aangewezen waar cameratoezicht kan plaatsvinden. Het Nationaal Monument staat in een dergelijk gebied en er zijn twee camera’s op de Dam geplaatst.
In hoeverre was er vooraf rekening gehouden met het risico op dergelijke acties, mede gezien eerdere incidenten en maatschappelijke spanningen?
De burgemeester is het lokaal gezag en legt verantwoording af aan de gemeenteraad. De gemeente Amsterdam heeft mij desgevraagd laten weten dat er vooraf geen enkele informatie was die erop wees dat het Monument op de Dam beklad zou worden. Dat is ook niet eerder voorgekomen voorafgaand aan de nationale herdenking. Er was geen aanleiding om aanvullend op het huidige toezicht permanente bewaking van het Nationaal Monument op de Dam in te stellen. De driehoek heeft zich voorbereid op een waardige en veilige herdenking, zoals deze ook heeft plaatsgevonden.
Klopt het dat het Nationaal Monument de afgelopen jaren vaker doelwit is geweest van vandalisme en welke lessen zijn daaruit getrokken?
Ja, tijdens een demonstratie in augustus 2025 heeft een deelnemer het monument beklad met de tekst «Never again is now». Deze persoon is kort daarna aangehouden.
Deelt u de mening dat herhaalde incidenten wijzen op tekortschietende beveiliging en handhaving rond dit nationale symbool? Zo nee, waarom niet?
Zoals eerder aangegeven is de burgemeester van Amsterdam bevoegd tot het nemen maatregelen ter handhaving van de openbare orde en heeft het gebied rondom het Monument op de Dam aangewezen als gebied waar 24/7 cameratoezicht plaatsvindt. Daarnaast worden de Dam en omgeving doorlopend meegenomen in surveillancerondes van de politie. Dit toezicht wordt geïntensiveerd tijdens bijvoorbeeld evenementen en rond demonstraties.
Op deze manier kan met relatief beperkte capaciteit oog worden gehouden op monumenten. Schaarse inzet van politiemedewerkers in de openbare ruimte wordt primair ingezet ter bescherming van mensen. Het is aan het lokaal bevoegd gezag om hierover kaders te stellen en deze inzet te beoordelen.
De maximale straf voor vernieling ex artikel 350 lid 1 Sr is een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren of geldboete van de vierde categorie. Toepassing hiervan is in voorgaande gevallen uiteraard aan de rechter.
Welke concrete maatregelen worden genomen om herhaling te voorkomen en acht u de huidige aanpak en strafmaat afschrikwekkend genoeg? Zo ja, hoe rijmt u dat met het feit dat het herhaalde incidenten zijn? Zo nee, bent u bereid deze flink aan te scherpen?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bekend met het bericht dat inwoners van Loosdrecht zich door de komst van een asielzoekerscentrum (azc) voor alleenstaande mannelijke asielzoekers diep verdeeld voelen en als racisten worden weggezet?1
Ja.
Heeft u begrip voor de terechte woede en veiligheidszorgen van inwoners, met name vrouwen en gezinnen, over de komst van 70 alleenstaande mannelijke vreemdelingen op een locatie waar kinderen spelen en langsfietsen? Zo ja, waaruit blijkt dat concreet, of laat u hen totaal aan hun lot over?
Ik heb begrip voor de zorgen en gevoelens die inwoners van de gemeente Wijdemeren hebben over de komst van de noodopvanglocatie in Loosdrecht. Het is belangrijk dat inwoners deze zorgen ook kunnen uiten en worden gehoord. Daarom vinden er voorafgaand aan de opening van een locatie inspraakavonden plaats in de betreffende gemeenten en worden er maatregelen getroffen op het gebied van veiligheid, zoals dat altijd gebeurt alvorens nieuwe locaties opengaan. Dit heeft ook plaatsgevonden in Loosdrecht. Uitingen van geweld zijn op geen enkele manier acceptabel.
Klopt het dat bewoners pas enkele dagen van tevoren zijn geïnformeerd over het azc in het voormalige gemeentehuis, zonder veiligheidsplan en zonder enige inspraak?
Het is juist dat de omwonenden enkele dagen van tevoren zijn geïnformeerd. Er hebben inloopavonden plaatsgevonden waarbij de opbrengst van de inloopavonden is gebruikt om het veiligheidsplan verder vorm te geven. Het klopt dan ook niet dat er geen veiligheidsplan voorhanden was. Ook na de inloopavonden zijn er op diverse moment gesprekken gevoerd met omwonenden.
Is dit de toekomstige blauwdruk van uw asielbeleid: de zelf veroorzaakte asielcrisis afwentelen op kleine Nederlandse dorpen als Loosdrecht omdat u weigert de instroom te stoppen?
Ik herken het geschetste beeld over het soort asielbeleid dat het kabinet nastreeft niet. Het kabinet zet zich op verschillende manieren in om de instroom te beperken. Zo wordt uitvoering gegeven aan de Wet Tweestatusstelsel zoals deze is aangenomen in de Eerste Kamer. Daarnaast wordt uitvoering gegeven aan het Europese Migratiepact dat op 12 juni in werking is getreden. Hierin zijn verschillende instroombeperkende maatregelen opgenomen die de instroom van asielzoekers naar Nederland moet verminderen. Daarnaast wordt ook de Spreidingswet in stand gehouden en wordt het interbestuurlijk toezicht uitgevoerd. Van gemeente wordt verwacht dat zij opvang realiseren.
Wat vindt u ervan dat in Loosdrecht op 18 maart 2026 geen gemeenteraadsverkiezingen zijn gehouden, er dus geen democratisch mandaat ligt en onder leiding van een waarnemend VVD-burgemeester desondanks een azc wordt doorgedrukt tegen de wil van een groot deel van de inwoners?
Ik neem afstand van de wijze waarop u de burgemeester van Wijdemeren kwalificeert. Deze burgemeester heeft samen met het college van burgemeester en wethouders en met steun van de gemeenteraad invulling gegeven aan mijn verzoek om voor het acute tekort aan opvangplekken opvangplekken te realiseren. Ik ben de gemeente Wijdemeren daar zeer erkentelijk voor.
Mede op grond van de Wet algemene regels herindeling blijven de gemeenteraadsleden en het college van Wijdemeren volledig in functie tot de officiële fusiedatum met de gemeente Hilversum op 1 januari 2027. Tot 1 januari 2027 beschikt het college van burgemeester en wethouders van Wijdemeren derhalve over een volwaardig democratisch mandaat op basis van de gemeenteraadsverkiezingen van 16 maart 2022. Het college van burgemeester en wethouders van Wijdemeren heeft op basis van de wettelijke taken en bevoegdheden het besluit inzake de opvang van asielzoekers genomen en heeft daarover democratische verantwoording afgelegd aan de gemeenteraad.
Bent u bekend met de uitspraken van de waarnemend burgemeester, ter rechtvaardiging van zijn besluit, dat «er een crisis is» en dat «als we niet uitkijken, er weer mensen op het gras in Ter Apel of in sporthallen moeten slapen»?
Ik ben bekend met deze uitspraken. Op dit moment is de situatie in de asielopvang, dat het COA heeft moeten overgaan tot gecontroleerde toegang in Ter Apel. Op dit moment wachten mensen op het gras in Ter Apel tot er een opvangplek bij het COA beschikbaar is. Voor de korte termijn is er echter met spoed noodopvang nodig. Gemeenten die dit afgelopen periode hebben gerealiseerd ben ik dankbaar gezien de nijpende situatie.
Vindt u dat de belangen van alleenstaande mannelijke asielzoekers zwaarder wegen dan de veiligheid, rust en leefbaarheid van Nederlandse vrouwen, kinderen en gezinnen in Loosdrecht?
Ik hecht belang aan zowel de veiligheid en leefbaarheid van de inwoners van Loosdrecht als de veilige en leefbare opvang van asielzoekers. Dat dit een tegenstelling zou zijn, herken ik niet.
Bent u het eens met de stelling dat hieruit blijkt dat er sprake is van systematische benadeling van Nederlanders en bevoordeling van vreemdelingen?
Nee.
Heeft u de beelden gezien van het politieoptreden tegen demonstrerende inwoners?
Ja.
Bent u het eens met de stelling dat optreden tegen gewelddadige demonstranten noodzakelijk is, maar dat bruut politieoptreden tegen vreedzame, onschuldige inwoners met terechte zorgen niet bij onze rechtsstaat past? Zo nee, waarom niet?
Demonstreren is een grondrecht. Intimidatie of bedreiging van lokaal bestuur of gezag en vernieling is nooit acceptabel. Hier spreek ik me met klem tegen uit en als kabinet staan we vierkant achter lokaal bestuur en politie als zij optreden tegen intimidatie, geweld en vernieling.
Hoe verklaart u de dubbele maat waarbij honderden klimaatactivisten de A12 mogen blokkeren, door de politie worden begeleid en zonder enige straf wegkomen, terwijl demonstraties van bezorgde burgers in Loosdrecht worden neergeslagen en zij binnen enkele dagen worden veroordeeld?
Demonstreren is een grondrecht, maar dient te gebeuren binnen de grenzen van de wet. Wanneer er sprake is van geweld, intimidatie en bedreigingen dan wel andere overtredingen van de wet wordt er lokaal ingegrepen. Op dat moment wordt door het lokaal gezag bepaald wat de passende manier van handelen is. De inhoud van de boodschap speelt hierbij geen rol.
Bent u bereid de burgemeester tot de orde te roepen wegens het disproportionele politiegeweld, zelf in te grijpen en een streep te zetten door het azc? Zo nee, waarom niet?
De burgemeester heeft het gezag over de politie bij de inzet voor het handhaven van de openbare orde. De burgemeester legt verantwoording af aan de gemeenteraad over de uitoefening van zijn gezag. Ik treed hier niet in. Als kabinet steunen wij het lokale bestuur.
Ten aanzien van de stelling dat er disproportioneel geweld door de politie is gebruikt willen wij opmerken dat de ongeregeldheden in Loosdrecht werden gekenmerkt door geweld tégen de politie. Dat is onacceptabel. Daarnaast merk ik op dat de politie geweld als uiterste redmiddel gebruikt en dat gebruik van geweld door de politie altijd wordt getoetst.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoorden, doch ten minste ruim vóór de geplande komst van het azc?
Ik heb deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het herhaaldelijk blokkeren van snelwegen door demonstranten |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
David van Weel (VVD), Enneüs Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de zoveelste wegblokkade van Extinction Rebellion (XR), dit keer in Utrecht?1
Ja.
Bent u bekend met het feit dat ook andere burgers grondrechten hebben, zoals bewegingsvrijheid en het recht op gebruik van de openbare weg, of geldt dat in de praktijk alleen zolang er geen actiegroep op het asfalt zit? Acht u het recht om te demonstreren absoluut?
Het demonstratierecht is een groot goed, maar niet absoluut. Demonstranten dienen zich aan de wet te houden. Tegen demonstranten die de wet overtreden door het plegen van geweld of vernielingen kan strafrechtelijk worden opgetreden. Dit grondrecht kan in botsing komen met andere grondrechten, zoals bijvoorbeeld het recht op privacy. Het lokaal bestuur is verantwoordelijk voor het faciliteren of waar mogelijk gerechtvaardigd beperken van demonstraties. Het is aan hen om in die beoordeling ook andere belangen of grondrechten die spelen mee te wegen.
Deelt u de opvatting dat het structureel blokkeren van vitale infrastructuur een creatieve, zij het selectieve, interpretatie is van het demonstratierecht? Waar eindigt volgens u demonstreren en begint simpelweg ontwrichten?
Onder het huidige wettelijk kader kunnen demonstranten die strafbare feiten plegen ten aanzien van vitale infrastructuur al vervolgd worden. En dit gebeurt ook. Zo bestaan er, verspreid over de Spoorwegwet en het Wetboek van Strafrecht, verschillende bepalingen waardoor strafrechtelijk kan worden opgetreden tegen actievoerders die het (goederen)spoor blokkeren of die schade veroorzaken aan een (spoor)weg.
Het recht om te demonstreren is een belangrijk recht dat beschermd moet worden door de overheid. Maar niet ten koste van alles, want er spelen ook belangen en rechten van anderen, die net zo goed door de overheid moeten worden beschermd. Dat betekent dat als een demonstrant zijn recht om te demonstreren uitoefent en daarbij een strafbaar feit pleegt, hiertegen opgetreden kan worden. Op welke wijze opgetreden wordt, zal van demonstratie tot demonstratie verschillen. Steeds zullen alle belangen die spelen goed moeten worden afgewogen, waarbij het recht om te demonstreren zwaar weegt en dus niet te snel beperkt mag worden.2 Het is aan het lokaal gezag om deze belangenafweging te maken.
Klopt het dat handhaving inmiddels contextafhankelijk is geworden, waarbij de inhoud van de boodschap mede bepaalt of de wet wordt toegepast? Zo nee, waarom niet?
Nee, dat klopt niet. De burgemeester is belast met de handhaving van de openbare orde en de veiligheid op basis van een operationele inschatting van de risico’s daarvoor. Er is geen grond voor de suggestie dat de inhoud van de boodschap bepaalt of (en hoe) wordt opgetreden. Contextafhankelijkheid ziet op omstandigheden als locatie, omvang, duur, verkeersveiligheid en naleving van aanwijzingen en wet- en regelgeving; niet op de inhoud van het betoog.
Hoe legt u aan burgers uit dat regels nageleefd moeten worden, terwijl tegelijkertijd zichtbaar wordt dat overtredingen op grote schaal zonder directe consequenties blijven? Wanneer worden eindelijk harde maatregelen genomen en zwaardere handhavingsmiddelen ingezet, zoals bijvoorbeeld de inzet van waterkannonen en zwaardere sancties?
Het demonstratierecht biedt veel ruimte voor diverse soorten acties, maar biedt demonstranten geen vrijbrief om zich niet aan de wet te houden. Strafrechtelijk optreden is dan ook mogelijk wanneer dit in de feiten en omstandigheden van het geval gerechtvaardigd is. Het is aan het lokaal gezag om tot een oordeel te komen of er sprake is van strafbare feiten en op welke manier hiertegen opgetreden wordt, waarbij dient te worden meegewogen dat de acties plaatsvinden ter uitoefening van een grondrecht.
Indien noodzakelijk treedt de politie op onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag met de-escalatie als uitgangspunt. Waar inzet van geweldsmiddelen nodig is, gebeurt dit binnen de Ambtsinstructie en de beginselen van proportionaliteit, subsidiariteit en gematigdheid. Het OM heeft een zelfstandige bevoegdheid om te bepalen in welke zaken vervolgens vervolging wordt ingesteld.
In hoeverre vindt u het wenselijk dat werkende burgers hun dag moeten herinrichten omdat de overheid structureel ervoor kiest niet in te grijpen? Kunnen deze mensen hun (brandstof)kosten bij u declareren?
Acties die hinder teweeg brengen vergen telkens een zorgvuldige afweging door het lokaal gezag tussen het demonstratierecht en het beperken daarvan ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.
De overheid is niet aansprakelijk voor schade als gevolg van strafbare feiten die door derden worden gepleegd. Er bestaat daarom geen regeling om indirecte kosten, zoals extra reistijd of brandstof, te declareren bij het Rijk naar aanleiding van verstoringen door derden. Wanneer partijen door een actie schade lijden, is het aan hen zelf om daarvan aangifte te doen en de schade op de vermeende daders te verhalen.
Het kabinet vindt het belangrijk dat daders die schade veroorzaken, deze zoveel mogelijk vergoeden en stimuleert dan ook het doen van aangifte bij vermoedens van strafbare feiten. Zoals toegezegd in de brief aan uw Kamer van 11 juli 2025 met betrekking tot de inzichten uit de dialoog over demonstreren en beschermen herdenkingen onderzoekt het kabinet op welke wijze wij partijen die schade lijden meer kunnen ondersteunen bij het verhalen van schade.3 Indachtig ook de motie d.d. 25 september 2025 van het lid Stoffer over bewerkstelligen dat relschoppers die het demonstratierecht misbruiken opdraaien voor de kosten voor de samenleving,4 brengt het kabinet samen met partijen die schade hebben geleden de belemmeringen die zij hierbij in de praktijk ervaren in kaart om deze zo veel mogelijk weg te kunnen nemen.
Ziet u aanleiding om nader te onderzoeken of organisaties die zich herhaaldelijk schuldig maken aan het ontwrichten van de openbare orde nog passen binnen de voorwaarden voor een ANBI-status? Zo nee, kunt u dit uitgebreid motiveren?
De toekenning en toetsing van de ANBI-status betreft een fiscale aangelegenheid en is aan de Belastingdienst. De belastinginspecteur zal een ANBI-status bij beschikking intrekken (of een aanvraag weigeren) indien niet (meer) wordt voldaan aan de wettelijke voorwaarden opgenomen in de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), waaronder de voorwaarden van het beogen van algemeen nut en de zogenoemde «integriteitstoets».
Het begrip «algemeen nut» is in de AWR neutraal vormgegeven en wordt, zoals ook uit de jurisprudentie blijkt, neutraal getoetst. Dat betekent dat een ANBI de vrijheid heeft om – binnen de in de wet genoemde categorieën5 – een door haar als algemeen nuttig beschouwde doelstelling na te streven. Dit neutrale karakter is een belangrijke eigenschap van de ANBI-regelgeving, omdat ANBI’s daarmee een afspiegeling zijn van een diverse samenleving waarbinnen verschillende doelen als algemeen nuttig worden gezien.
De integriteitstoets houdt in dat de ANBI-status door de inspecteur wordt ingetrokken als het hem kenbaar is dat de instelling of een bestuurder, feitelijk leidinggever of gezichtsbepalend persoon van die instelling onherroepelijk is veroordeeld wegens het opzettelijk plegen van een in de ANBI-regelgeving genoemd misdrijf.6 Het gaat hierbij om misdrijven als bedoeld in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering en de artikelen 137c, eerste lid, 137d, eerste lid, en 266 van het Wetboek van Strafrecht. Hieronder vallen onder andere misdrijven tegen de openbare orde. Voor intrekking op grond van de integriteitstoets is tevens vereist dat er niet meer dan vier jaar verstreken is sinds de veroordeling en dat het misdrijf gezien zijn aard of in samenhang met andere door de ANBI of genoemde personen begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde vormt. De Belastingdienst onderhoudt hiervoor contacten met het OM.
De ANBI-status wordt ook ingetrokken als de inspecteur gerede twijfel heeft over de integriteit van de instelling of van de eerdergenoemde personen én de instelling of persoon ondanks een verzoek daartoe van de inspecteur niet binnen zestien weken een verklaring omtrent gedrag (VOG) kan overleggen.7 Gerede twijfel veronderstelt dat de inspecteur niet te lichtvaardig kan overgaan tot het opvragen van een VOG.8
Verdenkingen, niet-vervolgbare activiteiten of gedrag dat simpelweg niet aansluit bij eenieders overtuiging van wat behoort tot het algemeen nut zijn geen redenen om de ANBI-status van een instelling in te trekken.
Onterechte parkeerboetes door scanauto’s |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
van Bruggen , David van Weel (VVD), Enneüs Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van berichtgeving dat scanauto’s jaarlijks honderdduizenden onterechte parkeerboetes opleggen?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat naar schatting circa een half miljoen parkeerboetes per jaar onterecht wordt opgelegd en deelt u de opvatting dat dit aantal wijst op een structureel probleem in de wijze waarop gemeenten scanauto’s en geautomatiseerde handhaving inzetten? Zo nee, waarom niet?
Het is natuurlijk nooit goed als naheffingen onterecht worden opgelegd. Dit betreft echter in de eerste plaats een vraagstuk voor het lokaal bestuur. Of er parkeerbelasting wordt geheven, hoe hoog die parkeerbelasting is en op welke wijze wordt gecontroleerd of deze wordt betaald is aan het gemeentebestuur zelf gelaten.
Welke eisen gelden er momenteel voor de inzet van geautomatiseerde systemen en algoritmes bij handhaving door gemeenten en in hoeverre wordt vooraf en achteraf gecontroleerd of deze systemen correct functioneren en geen onterechte besluiten genereren?
Bij het gebruik van scanauto’s voor handhavingsdoeleinden kan er in gevallen sprake zijn van verwerking van persoonsgegevens, in die gevallen is de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) van toepassing. Op grond van de AVG is in bepaalde situaties een beoordeling van het effect op persoonsgegevens (een DPIA) verplicht. Ook moet een gemeente een Functionaris Gegevensbescherming (FG) aanwijzen. Deze FG moet bij het uitvoeren van een DPIA adviseren. Daarnaast is het op grond van de AVG in principe niet toegestaan om volledig geautomatiseerde besluiten te nemen. Uit het onderzoek van de Autoriteit Persoonsgegevens (AP), waar het aangehaalde nieuwsbericht naar verwijst, blijkt dat de onderzochte gemeenten de resultaten van de scanauto’s door een mens laten controleren.
Wanneer er sprake is van het gebruik van Artificiële Intelligentie (AI) bij handhaving door gemeenten, is de AI-verordening van toepassing. Welke regels uit de AI-verordening van toepassing zijn is afhankelijk van de risicoclassificatie van het AI-systeem. Zo bepalen de regels dat bij reguliere AI-systemen die bij handhaving worden gebruikt door gemeenten, gebruikers van het systeem onder meer voldoende op de hoogte moeten zijn van de risico’s van AI («AI-geletterdheid»).
Tot slot kan ik wijzen op de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Awb verplicht overheidsorganisaties besluiten zorgvuldig voor te bereiden en te voorzien van een deugdelijke motivering.
Overheidsorganisaties die geautomatiseerde systemen en algoritmes inzetten in hun processen, zijn zelf verantwoordelijk voor de kwaliteit hiervan. Interne processen moeten een zorgvuldige werking en inbedding waarborgen. De AP houdt toezicht op de naleving van de AVG. In een thans ter consultatie gepubliceerd wetsvoorstel2 wordt een structuur voor toezicht op naleving van de AI-verordening voorgesteld, waarin ook de AP een rol speelt. Rekenkamers doen onderzoek naar het handelen van gemeenten. Tot slot is het mogelijk om besluiten van bestuursorganen aan te vechten bij de bestuursrechter.
Hoe waarborgt u dat de inzet van scanauto’s niet leidt tot een situatie waarin burgers feitelijk worden geconfronteerd met een handhavingspraktijk die primair gericht is op het genereren van inkomsten, met name als er ieder jaar drie tot vijf miljoen parkeerboetes worden opgelegd? Kunt u inzicht geven in de ontwikkeling van de inkomsten uit parkeerboetes bij gemeenten vóór en na de invoering van scanauto’s?
Dat overzicht is mij niet bekend. De inzet van scanauto’s is als gezegd een lokale aangelegenheid waarbij het Rijk niet betrokken is. Het is mij dan ook niet bekend welke gemeenten hier gebruik van maken en dus ook niet wanneer hiertoe eventueel zou zijn overgegaan. Dat maakt een vergelijking niet mogelijk, los van de vraag of een vergelijking steun zou geven aan de vooronderstelling dat gemeenten een handhavingspraktijk zouden inrichten als verdienmodel.
Deelt u de zorg dat burgers in de praktijk vaak zelf moeten aantonen dat een boete onterecht is, terwijl de fout bij de overheid ligt? Zo nee, waarom niet?
Het vraagt soms inderdaad actie van een burger om de overheid op eigen fouten of vergissingen te wijzen. Hoewel alles er uiteraard op gericht dient te zijn dat fouten zo veel mogelijk voorkomen worden. In alle gevallen staat bezwaar open tegen een boete.
Hoe beoordeelt u de toegankelijkheid en effectiviteit van bezwaarprocedures tegen parkeerboetes, met name voor ouderen en minder digitaal vaardige burgers? In hoeverre is het wenselijk dat bezwaarprocedures tegen dit soort boetes grotendeels geautomatiseerd verlopen?
Het is altijd mogelijk dat een burger schriftelijk bezwaar aantekent tegen een beslissing waarmee deze het niet eens is. Een digitaal proces kan dit vergemakkelijken, maar een burger kan dus ook een bezwaarschrift per post versturen. Ook beroep bij de rechter kan door natuurlijke personen schriftelijk worden ingesteld.
Deelt u de mening dat bij een dergelijk hoog foutpercentage een verplichting tot menselijke controle vooraf noodzakelijk is? Zo nee, waarom niet?
Uit het onderzoek van de AP blijkt dat de gemeenten die daaraan hebben meegewerkt, nadat geautomatiseerd is geconstateerd dat een voertuig geen parkeerrecht heeft, een mens de situatie laten beoordelen. Menselijke controle geeft dan ook niet de garantie dat er geen fouten worden gemaakt. In het rapport van de AP worden technische en organisatorische maatregelen benoemd, die kunnen bijdragen aan het tegengaan van fouten.
Welke maatregelen worden genomen om het aantal onterechte boetes substantieel terug te dringen?
Welke maatregelen het gemeentebestuur neemt om het foutpercentage te verminderen is in de eerste plaats aan het gemeentebestuur zelf.
Bent u bereid gemeenten aan te spreken op hun verantwoordelijkheid en hun wijze van handhaving? Zo nee, waarom niet?
Het aanspreken van gemeenten suggereert een algemene hiërarchische verhouding die er niet is. Binnen de kaders van de wet zijn gemeenten ten aanzien van de heffing van belastingen en de handhaving hiervan zelf verantwoordelijk en aanspreekbaar. Dit betreft ook geen vorm van medebewind waarin het gemeentebestuur optreedt als uitvoerder van landelijke regelingen. Binnen de autonome ruimte van het gemeentebestuur is het niet goed voorstelbaar dat ik als Minister mij bemoei met een lokale uitvoeringspraktijk, ook niet wanneer uit berichtgeving als deze blijkt dat er zorgen zijn over de wijze waarop die uitvoering uitpakt.
Kan worden uitgesloten dat burgers financieel worden benadeeld doordat zij onterecht opgelegde boetes (tijdelijk) moeten betalen of kosten moeten maken om hun gelijk te halen?
Een onterecht opgelegde naheffing is natuurlijk erg vervelend. Voor de invordering hiervan gelden regels die rekening houden met financiële gevolgen.
Deelt u de opvatting dat het vertrouwen in de overheid verder wordt geschaad wanneer burgers op grote schaal onterecht worden beboet? Zo nee, waarom niet?
Het is niet bevorderlijk voor het vertrouwen in de overheid wanneer op een bepaald vraagstuk een groot foutpercentage lijkt te bestaan. Ik ga er van uit dat in gemeenten waarin dit aan de orde zou is, dit gesprek serieus wordt gevoerd. In mijn ervaring werken gemeenten continu aan het versterken van dit vertrouwen.
In hoeverre zijn er signalen dat ook andere geautomatiseerde of op algoritmes gebaseerde processen binnen gemeenten leiden tot fouten of onterechte besluiten richting burgers?
Ik heb die signalen niet.
Bent u bereid te onderzoeken of compensatie of herstelmaatregelen nodig zijn voor burgers die onterecht zijn beboet?
Wanneer een naheffing onterecht wordt opgelegd, wordt de naheffing in bezwaar of in beroep vernietigd en blijft er geen betalingsverplichting over. Eventueel eerder betaalde bedragen worden dan teruggestort.
Gemeentelijke uitgaven aan iftar-activiteiten |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
Enneüs Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van berichtgeving dat grote gemeenten tienduizenden euro’s uitgeven aan iftar-activiteiten, al dan niet via subsidies of eigen organisatie?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat het organiseren of subsidiëren van iftars door gemeenten in de kern een religieuze activiteit ondersteunt? Zo nee, waarom niet?
Het beginsel van scheiding tussen kerk en staat vloeit in belangrijke mate voort uit de godsdienstvrijheid in artikel 6 en het discriminatieverbod in artikel 1 van de Grondwet. Het houdt ten eerste in dat de overheid zich neutraal opstelt richting religies door ze gelijk te behandelen en er geen voor te trekken. De staat bemoeit zich daarnaast niet of zeer beperkt met de interpretatie van religie en respecteert de organisatievrijheid van geloofsgemeenschappen. Geloofsgemeenschappen hebben van hun kant geen formele zeggenschap binnen de overheidsorganisatie.
Het beginsel van scheiding tussen kerk en staat sluit niet uit dat de overheid ruimte biedt aan geloofsuitingen in bijeenkomsten die ze organiseert, of subsidie verleent aan religieuze organisaties voor het bereiken van maatschappelijke doelen. Bij het bieden van die ruimte en bij die samenwerking dient de overheid zorgvuldig te werk te gaan om de religieuze neutraliteit van de overheid te bewaren. Dat betekent zoals gezegd dat de overheid geen godsdienst voorschrijft of voortrekt. Tegelijkertijd past aandacht voor pluriformiteit binnen een democratische rechtsstaat zoals Nederland, waar een grote diversiteit bestaat aan levensbeschouwingen, opvattingen, leefstijlen en waardepatronen.
Idealiter hebben door gemeenten gefinancierde activiteiten een openbaar karakter, dienen ze een maatschappelijk doel en voldoen ze aan bepaalde kwaliteitseisen. In welke mate een concrete iftaractiviteit overeenstemt met de gemeentelijke religieuze neutraliteit is aan de gemeenten om te beoordelen. De aanwezigheid van een gebed op een dergelijke bijeenkomst maakt deze in ieder geval nog niet in strijd met de scheiding tussen kerk en staat.
Hoe verhoudt het actief faciliteren van iftars door gemeenten zich tot het beginsel van scheiding tussen kerk en staat?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat gemeenten zich terughoudend dienen op te stellen bij het financieren of organiseren van religieuze bijeenkomsten, in het bijzonder iftars? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe voorkomt u dat het organiseren en subsidiëren van iftars door gemeenten de indruk wekt dat de overheid zich vereenzelvigt met een specifieke religie?
Zie antwoord vraag 2.
In hoeverre acht u het wenselijk dat gemeentelijke middelen worden ingezet voor activiteiten die direct samenhangen met religieuze gebruiken, zoals het verbreken van het vasten tijdens de ramadan?
Het wettelijke kader met betrekking tot de scheiding tussen kerk en staat heb ik hierboven uiteengezet. De keuze om binnen dat kader meer of minder samenwerking te zoeken met godsdiensten en godsdienstig geïnspireerde initiatieven te steunen is er een die gemeenten zelfstandig maken in het kader van de gemeentelijke autonomie. De scheiding tussen kerk en staat sluit het samenwerken met religieus geïnspireerde initiatieven om maatschappelijke doelen te behalen niet uit. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan organisaties met een religieuze grondslag die maatschappelijk werk verrichten, zoals het Leger des Heils. Op grond van de Grondwet en de Gemeentewet heeft de gemeenteraad het budgetrecht en bepaalt deze zelf hoe het zijn middelen inzet. Het is in principe niet aan mij als Minister om daarover een oordeel te vellen.
Welke criteria hanteren gemeenten om te bepalen of een activiteit als «maatschappelijk» wordt aangemerkt, terwijl deze in de praktijk een religieus karakter heeft?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de zorg dat het labelen van iftars als «ontmoeting» of «integratie» feitelijk een omzeiling van het neutraliteitsbeginsel kan zijn? Zo nee, waarom niet?
Voor veel Nederlanders zijn religieuze praktijken een belangrijk onderdeel van hun leven. Dit leidt ertoe dat gemeenten soms de dialoog tussen Nederlanders bevorderen langs de band van activiteiten die verband houden met een bepaalde godsdienst. Hierboven heb ik uitgelegd dat het neutraliteitsbeginsel niet uitsluit dat samen wordt gewerkt met godsdienstig geïnspireerde activiteiten bij het bereiken van maatschappelijke doelen. Daarbij dient de overheid wel zorgvuldig te werk te gaan zodat de religieuze neutraliteit van de overheid bewaard blijft. Ik vertrouw op het vermogen van gemeenten om aan de hand van de concrete omstandigheden en voorkeuren in de gemeente en de concrete eigenschappen van de iftaractiviteiten een afweging te maken.
In hoeverre wordt gecontroleerd of dergelijke subsidies daadwerkelijk een algemeen maatschappelijk doel dienen en niet primair een religieuze activiteit faciliteren?
Het budgetrecht in de gemeente berust bij de gemeenteraad. Het college verantwoordt zich aan de raad over de bestedingen. Die verantwoording ziet onder meer op de bestedingen op basis van de begroting, maar ook op de uitvoering van subsidieverordeningen. De lokale politiek heeft voldoende wettelijke mogelijkheden om deze politieke dialoog te laten plaatsvinden.
Kunt u uitsluiten dat door deze praktijk een precedent ontstaat waardoor terugkerend aanspraak wordt gemaakt op vergelijkbare financiering? Zo nee, hoe wordt hiermee omgegaan?
Dat een subsidie is verleend voor een bepaalde activiteit betekent niet dat de subsidieontvanger een volgende keer automatisch weer recht heeft op subsidie voor die activiteit. Het is aan het bestuursorgaan waar de subsidieaanvraag wordt ingediend om daarover te beslissen. Een bestuursorgaan kan een subsidie verlenen op basis van een wettelijk voorschrift, zoals een subsidieverordening van de gemeenteraad. Ook kunnen zogenoemde incidentele subsidies worden verleend, waaraan geen wettelijk voorschrift ten grondslag ligt. Het wel of niet verstrekken van een dergelijke incidentele subsidie behoort tot de beleidsvrijheid van het bestuursorgaan. Binnen de gemeente verantwoordt het college zich aan de raad over de bestedingen op basis van de begroting.
Acht u het wenselijk dat gemeenten zelf iftars organiseren op bijvoorbeeld het stadhuis en zo ja, hoe verhoudt zich dat tot de vereiste neutraliteit van de overheid?
Ook hier is sprake van een keuze die een gemeente kan maken binnen de eigen autonomie, en is er ruimte dit te doen binnen de wettelijke kaders rondom de scheiding tussen kerk en staat. Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 8.
Ziet u aanleiding om gemeenten explicieter te wijzen op de grenzen van het subsidiëren van activiteiten met een religieus karakter? Zo nee, waarom niet?
Mijn ministerie heeft in 2019 in samenwerking met de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) het Tweeluik religie en publiek domein gepubliceerd. Dit Tweeluik biedt voldoende handvatten aan gemeenten om een juridisch correcte afweging te maken inzake het wel of niet subsidiëren van activiteiten met een religieus element. Ook het subsidiëren van iftarmaaltijden wordt in het document besproken. De handreiking is onder andere beschikbaar op de website van de VNG.
Verschillen in strafmaat en kwalificatie bij zaken van bekladding van religieuze instellingen |
|
Shanna Schilder (PVV), Gidi Markuszower (PVV), Annelotte Lammers (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van recente berichtgeving, onder meer van het Centrum Informatie en Documentatie Israël (CIDI), over een uitspraak in een strafzaak rond bekladding van een Joodse instelling1 en hoe verhoudt deze zich tot een eerdere uitspraak uit 2024 waarbij voor een vergelijkbaar feit tegen een moskee celstraffen zijn opgelegd?2
Ja, ik ben bekend met deze berichten. Ik treed niet in de beoordeling van rechterlijke uitspraken. Wel kan ik toelichten dat strafrechters in elke zaak zelfstandig beoordelen of sprake is van een strafbaar feit, welke juridische kwalificatie daaraan wordt gegeven en welke straf passend en geboden is, mede op basis van de specifieke feiten en omstandigheden van het geval, waaronder eventueel een discriminatoir motief. Het is daarbij niet ongebruikelijk dat zaken die op het eerste gezicht vergelijkbaar lijken, juridisch verschillend worden beoordeeld, omdat de bewijsvoering, de context van het delict en de omstandigheden van het geval kunnen verschillen.
Begrijpt u dat het niet erkennen van een antisemitisch motief in dit soort zaken door de Joodse gemeenschap kan worden ervaren als een gebrek aan erkenning van de ernst van antisemitisme?
Ik begrijp dat beslissingen in strafzaken in de samenleving en in specifieke gemeenschappen verschillend kunnen worden ervaren en emoties kunnen oproepen, zeker bij feiten die raken aan discriminatie. Tegelijkertijd is het aan de strafrechter om vast te stellen of een discriminatoir aspect kan worden bewezen. Die juridische toets kan niet worden vervangen door de maatschappelijke beleving van een feit, hoe invoelbaar die beleving ook kan zijn.
Hoe vaak wordt in dit soort zaken uiteindelijk juridisch vastgesteld dat sprake is van antisemitisme en hoe vaak niet? Kunt u concrete cijfers geven?
In het rapport Strafbare Discriminatie in Beeld 2025 van het OM is antisemitisme 93 keer geregistreerd als discriminatiegrond. Dit betreft 8% van het totaal aantal geregistreerde discriminatiegronden in dat jaar. In 2024 betrof dit 69 registraties, oftewel 11% van het totaal aantal geregistreerde discriminatiegronden in dat jaar.
Deelt u de mening dat het niet vaststellen van een antisemitisch oogmerk in gevallen waarin dat door betrokkenen en de maatschappij in zijn geheel wel zo wordt ervaren juist bijdraagt aan het toenemende antisemitisme in Nederland?
Ik deel die mening niet. Het strafrecht is gericht op het vaststellen van individuele strafbare feiten. Het al dan niet kunnen bewijzen van een discriminatoir aspect in een concrete strafzaak betekent niet dat het onderliggende feit daarmee wordt gebagatelliseerd of niet als ernstig wordt erkend. Daarnaast denk ik niet dat het in een strafzaak niet kunnen vaststellen van een antisemitisch aspect op zichzelf bijdraagt aan het toenemend antisemitisme in de samenleving.
Deelt u de mening dat antisemitisme als motief bij strafbare feiten explicieter en zwaarder meegewogen moet worden in de strafmaat? Zo nee, waarom niet?
Het huidige strafrechtelijke kader biedt al uitdrukkelijk de mogelijkheid om een discriminatoir aspect, waaronder antisemitisme, zwaar te laten meewegen bij vaststelling van de strafmaat.
Gedragingen met een discriminatoir karakter zijn strafbaar gesteld in de artikelen 137c tot en met 137g van het Wetboek van Strafrecht. Daarnaast kan een discriminatoir aspect worden aangemerkt als strafverzwarende omstandigheid bij bepaling van de straf. Met ingang van 1 juli 2025 is een algemene wettelijke strafverzwaringsgrond geïntroduceerd (artikel 44bis Wetboek van Strafrecht). Deze bepaling regelt dat de rechter de op te leggen straf met één derde kan verhogen indien een strafbaar feit (bijvoorbeeld een mishandeling of vernieling) is gepleegd met een discriminatoir aspect.
Hoe duidt u de verschillen in strafmaat en kwalificatie in het licht van het gelijkheidsbeginsel en het uitgangspunt van rechtsgelijkheid?
Het gelijkheidsbeginsel houdt in dat gelijke gevallen gelijk moeten worden behandeld. In het strafrecht betekent dit echter niet dat zaken die in eerste opzicht vergelijkbaar lijken, automatisch tot dezelfde uitkomst moeten leiden. De strafrechter beoordeelt per zaak afzonderlijk de concrete feiten en omstandigheden, de bewijslast, de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Verschillen in strafmaat of kwalificatie kunnen daarom gerechtvaardigd zijn wanneer deze verschillen berusten op relevante verschillen in bewijs, context of juridische beoordeling.
In hoeverre wordt bij incidenten zoals bekladding van Joodse instellingen standaard onderzocht of sprake is van een antisemitisch motief en welke factoren zijn hierbij van belang bij de overweging van de rechter voor het aannemen van een antisemitisch oogmerk? Bent u bereid in overleg met het Openbaar Ministerie en de rechtspraak te bezien of nadere richtlijnen of verduidelijkingen nodig zijn om meer consistentie te bevorderen?
In strafrechtelijke onderzoeken wordt in zaken waarin mogelijk sprake is van discriminatoire aspecten, waaronder antisemitisme, standaard onderzocht of aanwijzingen bestaan voor een dergelijk motief. Het OM hanteert daarbij de Aanwijzing Discriminatie.3
Of een discriminatoir motief uiteindelijk juridisch kan worden bewezen, hangt af van de beschikbare bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan door de rechter.
Ik zie, mede gelet op de bestaande wettelijke kaders en de Aanwijzing Discriminatie van het OM, op dit moment geen aanleiding om aanvullende of nadere richtlijnen te ontwikkelen. Wel blijf ik in gesprek met het OM en de rechtspraak over de effectieve werking van het bestaande instrumentarium en de bestrijding van discriminatie in al haar vormen.
Het bericht 'Plofkraakgolf: dit is waarom criminelen het weer gemunt hebben op contant geld' |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
David van Weel (VVD), Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Plofkraakgolf: dit is waarom criminelen het weer gemunt hebben op contant geld»?1
Ja.
Kunt u de toename in het aantal plofkraken duiden en aangeven op welke manier het kabinet haar beleid hierop toespitst?
De toename in het aantal plofkraken is gerelateerd aan sealbag (afstort)automaten. Dit zijn automaten waarin ondernemers geld kunnen afstorten in een verzegelde plastic zak (sealbag). Criminelen hebben een nieuwe modus operandi ontwikkeld en concentreren zich daarbij op dit type automaten.
De onlangs ingestelde gedeeltelijke sluiting van dit type automaat is een tijdelijke noodmaatregel van Geldmaat. Het Ministerie van Justitie en Veiligheid en het Ministerie van Financiën zijn in gesprek met Geldmaat, de politie, De Nederlandsche Bank en de grootbanken om tot structurele passende maatregelen te komen. Zie ook de beantwoording van vraag 9.
Kunt u aangeven op welke manier met de sector en Geldmaat gesproken wordt om plofkraken niet van invloed te laten zijn op de beschikbaarheid van contant geld?
Mijn ministerie heeft samen met het Ministerie van Financiën doorlopend overleg met Geldmaat, politie, banken en De Nederlandsche Bank (DNB). Samen zoeken wij steeds naar een zorgvuldige balans tussen het borgen van de veiligheid van passanten en omwonenden en het waarborgen van de beschikbaarheid en toegankelijkheid van contant geld.
Kunt u aangeven hoeveel geldautomaten er de afgelopen tien jaar gesloten zijn als gevolg van (aanhoudende) plofkraken en welke oplossingen worden geboden indien er sprake is van zo’n verwijdering?
De afgelopen jaren zijn er diverse geldautomaten gesloten, zowel geldautomaten om contant geld op te nemen als af te storten. Dit had niet alleen te maken met een reeks plofkraken, maar ook met de transitie van geldautomaten van individuele banken naar één landelijk dekkend netwerk van Geldmaat-automaten. Hierbij zijn locaties ontdubbeld en zijn automaten losgekoppeld van banklocaties en elders herplaatst. Om die reden is het lastig te zeggen welke automaten gesloten zijn vanwege plofkraken.
Indien een automaat wordt verwijderd als gevolg van een plofkraak, betekent dit vaak dat elders een automaat wordt bijgeplaatst.
In 2022 hebben de banken, vertegenwoordigers van consumentenorganisaties en toonbankinstellingen afspraken met elkaar vastgelegd in het Convenant contant geld om te borgen dat contant geld beschikbaar, bereikbaar, betaalbaar en veilig blijft. Onderdeel van deze afspraken is dat Geldmaat een minimumaantal automaten zal aanbieden, met een minimale bereikbaarheid in afstand of autorijminuten. Momenteel werkt de overheid aan de Wet chartaal betalingsverkeer om deze vrijwillige afspraken om te zetten in wetgeving.
Kunt u aangeven in hoeveel procent van de plofkraken er sprake is van een grensoverschrijdend karakter, zoals bijvoorbeeld het vluchten over de grens na afloop van de plofkraak?
De in Nederland gepleegde plofkraken worden gepleegd door in Nederland woonachtige daders. Bij de politie zijn geen zaken bekend waar sprake is van grensoverschrijdend vluchtgedrag als plofkraken in Nederland gepleegd worden.
Bent u van mening dat grenscontroles bij kunnen dragen aan het op heterdaad oppakken van daders van plofkraken, nu de NOS bericht het doelwit van veel plofkrakers zich verplaatst van Duitsland naar Nederland?2
De plofkraken in Duitsland worden met name gepleegd door in Nederland woonachtige daders. Bij de huidige reeks aan plofkraken in Nederland passeren de daders niet de grens tussen Nederland en Duitsland. De Nederlandse binnengrenscontroles zijn gericht op het tegengaan van irreguliere migratie en aan migratie gerelateerde grensoverschrijdende criminaliteit, zoals mensensmokkel of documentfraude. Hierdoor zullen binnengrenscontroles niet direct bijdragen aan het op heterdaad oppakken van daders van deze reeks plofkraken. Uiteraard kunnen grenswachters van de Koninklijke Marechaussee die de binnengrenscontroles uitvoeren, doorpakken als zij tijdens deze controles stuiten op strafbare feiten.
Op welke vlakken verschillen de aanpak van Duitsland en Nederland op dit gebied, nu de NOS aangeeft dat door de effectieve Duitse aanpak de focus terug op Nederland is komen te liggen?
De aanpak in Nederland en Duitsland verschilt niet. In beide landen is er aandacht voor preventie, het opsporen van daders en het versterken van heterdaadaanhoudingen. Ondanks hele goede beveiliging blijven daders altijd zoeken naar mogelijkheden om het te omzeilen.
Met name de intensieve operationele samenwerking tussen de Nederlandse en Duitse opsporingsinstanties heeft ervoor gezorgd dat het aantal plofkraken op reguliere geldautomaten in Duitsland aanzienlijk is afgenomen en blijft afnemen.
Kunt u aangeven hoeveel plofkraken er in buurlanden worden gepleegd door daders uit Nederland of die naar Nederland vluchten na afloop van een plofkraak?
De politie registreert niet alle zaken in het buitenland; alleen die zaken waarvan zij vermoeden dat Nederlandse daders betrokken zijn. Bij die zaken ziet de politie dat Nederlandse daders vanuit het buitenland terug Nederland in vluchten.
Land
2025
2026
Nederland
3
11
Duitsland
103
6
België
1
0
Luxemburg
2
0
Zwitserland
7
2
Oostenrijk
22
0
Peildatum: 10 april 2026
In hoeverre ziet u dat de beschikbaarheid van contant geld voor zowel burgers als ondernemers onder druk is komen te staan door plofkraken en de daartegen genomen maatregelen?
Sinds de recente toename van het aantal plofkraken heeft Geldmaat aanvullende maatregelen genomen. Zo zijn er tijdelijk 218 sealbag automaten met boven- en nevenbewoning gesloten. Voor de circa 240 overige sealbag automaten gelden tijdelijk aangepaste openingstijden van 7.00 tot 14.00, met uitzondering van de 44 sealbag automaten in Geldmaatwinkels. Deze hanteren hun reguliere openingstijden. Op de locatiewijzer van Geldmaat kunnen de actuele openingstijden gevonden worden. Deze maatregelen waren op korte termijn nodig om het risico op nieuwe plofkraken op dit type automaten te verkleinen. De sluiting van sealbag automaten heeft vrijwel geen gevolgen voor het opnemen van contant geld door ondernemers en burgers (de beschikbaarheid van contant geld), maar heeft wel gevolgen voor het kunnen afstorten van contant geld door ondernemers. Dit kan het voor ondernemers minder aantrekkelijk maken om contant geld te accepteren en kan daarmee gevolgen hebben voor de bruikbaarheid van contant geld. Er wordt gewerkt aan structurele veiligheidsmaatregelen, zodat gesloten sealbag automaten zo spoedig mogelijk en op verantwoorde wijze weer kunnen worden opengesteld.
Mogelijke stemfraude bij de gemeenteraadsverkiezingen in Gorinchem. |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
Enneüs Heerma (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat in Gorinchem vermoedens bestaan van stemfraude met volmachten bij de recente gemeenteraadsverkiezingen?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de signalen dat er mogelijk op grote schaal gebruik is gemaakt van volmachten, waaronder situaties waarin meerdere volmachten op vergelijkbare wijze waren voorbereid?
De mogelijkheid om te stemmen bij volmacht wordt in ons land breed gedragen, omdat het bijdraagt aan de toegankelijkheid van verkiezingen: mensen die niet zelf naar het stemlokaal kunnen, krijgen zo toch de mogelijkheid om hun stem uit te brengen. 54% van de kiezers die bij de Europees Parlementsverkiezing in 2024 een volmacht heeft afgegeven zou niet zijn gaan stemmen als machtigen niet mogelijk was.2 Dit laat zien dat het stemmen per volmacht een toegevoegde waarde heeft in ons verkiezingsproces; het zorgt dat er geen stemmen verloren gaan en levert een belangrijke bijdrage aan de opkomst bij verkiezingen.
De mogelijkheid om bij volmacht te stemmen brengt echter ook kwetsbaarheden met zich mee, zoals dat kiezers onder druk gezet kunnen worden om hun volmacht af te geven. Internationale waarnemers hebben bij eerdere verkiezingen ook op deze risico’s gewezen. Het ronselen van volmachten is strafbaar. De wettelijke strafbepalingen zijn op dit onderwerp recent nog aangescherpt. Hiervoor is 1 januari jl. een wetswijziging3 in werking getreden (Stb. 2025, 272) waarbij de delictsomschrijving is aangescherpt en de strafmaat is verhoogd. Ook is er voorafgaand aan de gemeenteraadsverkiezingen extra ingezet op aanvullende voorlichting voor kiezers, gemeenten en stembureaumedewerkers.
Wanneer er sprake is van een hoog percentage volmachten bij een stemlokaal kan dit een aanwijzing zijn voor mogelijke risico’s zoals ronselen. Daar kan echter niet op voorhand vanuit gegaan worden. Er kunnen ook andere verklaarbare factoren zijn: bij stemlokalen in de buurt van verzorgingscentra worden bijvoorbeeld vaker stemmen bij volmacht uitgebracht dan bij andere stemlokalen. In de praktijk zien we dat concrete aanwijzingen van onregelmatigheden zoals ronselen worden gesignaleerd en dat dit leidt tot aangifte en onderzoek door het Openbaar Ministerie (hierna: OM). De politie en het OM doen op dit moment onderzoek naar de gebeurtenissen rond de gemeenteraadsverkiezing in Gorinchem. Op de uitkomsten van dit onderzoek kan ik niet vooruitlopen. Als uit dat onderzoek blijkt dat er daadwerkelijk sprake is van ronselen, is dat strafbaar en is het aan de rechter om hierover te oordelen.
De casus Gorinchem betrek ik bij de evaluatie van de verkiezingen, om te beoordelen of aanvullende aanpassingen nodig zijn. Daarbij geldt dat elke maatregel zorgvuldig moet worden afgewogen: beperkingen van de mogelijkheid om bij volmacht te stemmen kunnen de toegankelijkheid van de verkiezingen beïnvloeden, vooral voor kiezers die echt niet zelf kunnen stemmen. Dit belang wordt altijd meegewogen.
Zijn er signalen dat vergelijkbare praktijken met betrekking tot volmachtstemmen ook in andere gemeenten hebben plaatsgevonden? Zo ja, waar en wordt hier ook onderzoek naar gedaan?
Er zijn geen andere signalen bij mij gemeld. Wanneer er sprake is van vergelijkbare praktijken in andere gemeenten is het aan het betreffende college om aangifte te doen, zodat de signalen kunnen worden onderzocht.
In hoeverre acht u het zorgwekkend dat op één stembureau een relatief hoog aantal volmachten is uitgebracht (circa 135 op 650 stemmen)?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat het huidige systeem van stemmen bij volmacht kwetsbaar is voor misbruik? Zo ja, welke risico’s zijn hierbij bekend? Hoe worden deze risico’s op dit moment aangepakt?
Zie antwoord vraag 2.
In hoeverre komt misbruik van volmachten vaker voor bij verkiezingen in Nederland en wordt dit structureel gemonitord?
De omvang van ronselen van volmachten bij verkiezingen in Nederland lijkt in de praktijk beperkt. Uit onderzoek van de Kiesraad blijkt dat er in de periode 1998–2015 dertien keer aangifte is gedaan van het ronselen van volmachten, waarna het OM een onderzoek is gestart. Bij de gemeenteraadsverkiezingen in 2022 is het OM in één geval tot vervolging overgegaan vanwege ronselen.
Er is geen actuele monitoring ingericht waarin het misbruik van volmachten structureel op een plek wordt bijgehouden. Iedere casus van misbruik van volmachten is ongewenst. Gemeenten en stembureaus hebben een belangrijke rol in het signaleren van mogelijke onregelmatigheden tijdens verkiezingen. Het ronselen van volmachten is strafbaar. Als er signalen van ronselen zijn, dient de betreffende gemeente aangifte te doen. Dat is ook in Gorinchem gebeurd.
Deelt u de zorg dat situaties waarin kiezers worden benaderd om hun volmacht af te geven het vertrouwen in het verkiezingsproces kunnen ondermijnen? Zo nee, waarom niet?
Het initiatief om een volmacht af te geven moet altijd bij de kiezer zelf liggen. Wanneer kiezers worden benaderd of zelfs onder druk worden gezet om hun volmacht af te geven, ligt dit initiatief niet langer bij de kiezer maar bij de persoon die de volmacht probeert te bemachtigen. Dit kan worden gekwalificeerd als ronselen en is schadelijk voor het vertrouwen in het verkiezingsproces. Om die reden is de strafbaarstelling en strafmaat voor ronselen recent aangescherpt.
Welke rol spelen kandidaten of politieke partijen bij het verzamelen van volmachten en waar ligt de grens tussen legitieme ondersteuning en ongewenste beïnvloeding?
Het komt voor dat politieke partijen bemiddelen tussen kiezers die een volmacht willen afgeven en potentiële gemachtigden. Dit kan handig zijn voor kiezers die zeker willen weten dat de gemachtigde op de partij van hun keuze gaat stemmen. Deze praktijk is toegestaan, mits het initiatief nog altijd bij de kiezer zelf ligt om contact op te nemen met de politieke partij, zodat een gemachtigde kan worden aangewezen en de kiezer dus ook weet wie de volmachtnemer is. Zodra politieke partijen of individuele kandidaten zelf kiezers benaderen om hen te bewegen hun volmacht af te geven, is er sprake van ronselen. Het is dus van belang om deze grens scherp voor ogen te houden.
Bent u bereid te onderzoeken of het huidige systeem van volmachtstemmen moet worden aangepast of aangescherpt om fraude en beïnvloeding tegen te gaan?
Iedere verkiezing wordt uitgebreid geëvalueerd met als doel te onderzoeken welke verbeteringen in het verkiezingsproces mogelijk zijn. De casus in Gorinchem wordt betrokken bij de evaluatie van de gemeenteraadsverkiezingen. Daarbij wordt bezien of en zo ja hoe de regels over het gebruik van volmachten moeten worden aangescherpt.
Welke vervolgstappen worden overwogen indien uit het onderzoek blijkt dat daadwerkelijk sprake is geweest van stemfraude en wat betekent dit voor de geldigheid van de verkiezingsuitslag in Gorinchem?
Het is aan het OM en vervolgens aan de rechter om te bepalen welke vervolgstappen passend zijn wanneer er sprake is van het ronselen van volmachten of andere vormen van stemfraude in Gorinchem. De gemeenteraad van Gorinchem heeft op 31 maart jl. besloten de nieuw verkozen leden niet toe te laten en een herstemming te organiseren. Inmiddels is bekend dat deze herstemming plaatsvindt op 29 april aanstaande. De gemeenteraad heeft hiertoe besloten omdat er te veel twijfels zijn over de betrouwbaarheid van de stemming, nu er een onderzoek loopt naar mogelijke verkiezingsfraude door de politie en het OM.
Op welke wijze wordt de Kamer geïnformeerd over de uitkomsten van het onderzoek en eventuele bredere implicaties voor toekomstige verkiezingen?
Zie antwoord vraag 9.