De economische impact van extra defensie-uitgaven volgens het Centraal Planbureau (CPB). |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NOS-artikel – op basis van onderzoek van het CPB – over de beperkte economische impact van extra defensie-uitgaven?1
Ja, Defensie is bekend met het artikel en de studie van het CPB waarover deze rapporteert.
Hoe beoordeelt u het CPB-onderzoek dat de meeste defensie-investeringen geen economische groei in Nederland zullen opleveren?
Investeren in Defensie is in eerste instantie een investering in de veiligheid van Nederland en Europa. Veiligheid is een cruciale voorwaarde voor het goed functioneren van een economie. De baten van veiligheid zijn echter niet altijd makkelijk uit te drukken in economische waarden.
Als gevolg van de toenemende dreigingen in Nederland en Europa, groeide de Nederlandse Defensie-industrie tussen 2022 en 2023 fors van 5,7 naar 7,7 miljard. Defensie zet momenteel stappen op veel van de punten die het CPB benoemt. Met de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie (D-SII) 2025–2029 zet Defensie in op industrieversterkend inkopen in Nederland en Europa en daarmee ook op de opschaling van deze industrieën. Ook draagt Defensie positief bij aan lokale economieën rond defensielocaties en regio’s met innovatieve ecosystemen. Het CPB geeft aan dat dit tot meer positieve economische spill-over effecten zal leiden, bijvoorbeeld voor lokale ondernemers.
Defensie vindt het van groot belang dat er vanuit verschillende invalshoeken wordt nagedacht over de optimale koers van het beleid en volgt publicaties zoals deze daarom nauwlettend. In de tweede helft van 2026 wordt de Economische beleidsanalyse (EBA) defensie-Industrie gepresenteerd. Dit betreft een advies over de opgave omtrent de opschaling van de defensie-industrie. Daarin wordt ook gekeken naar economische effecten van uitgaven aan Defensie, de resultaten van o.a. dit CPB-rapport worden daarin meegenomen.2
Wat is uw plan om te voorkomen dat extra investeringen slechts zullen leiden tot een budget-stapeling zonder operationele verbetering?
De Defensienota 2024 geeft inzicht in de investeringen die nodig zijn om de krijgsmacht de komende jaren te versterken.3 Defensie versterkt zowel de gevechtskracht die nodig is om een groot conflict te voorkomen en zo nodig te kunnen voeren en winnen, als ondersteunende capaciteiten om inzet lang vol te houden. Hierbij is het van belang dat Defensie beschikt over het juiste personeel. Daarom richten investeringen zich ook op mensen en goed werkgeverschap om de organisatie te laten groeien en schaalbaar te maken.
De Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie (D-SII) benadrukt het belang van het opschalen van de defensie-industrie in Nederland en Europa. Dit stelt Defensie beter in staat om de bestaande behoeften in te vullen. Dit betekent meer investeren in het vergroten van de productie- en leveringszekerheid, waarbij meer uitgaven aan Defensie ook moeten bijdragen aan het versterken van de eigen economie. Defensie gaat extra investeren in de 5 NLD gebieden (kwantum, slimme materialen, intelligente systemen, ruimtevaarttechnologie, sensoren) en in de maritieme maakindustrie. Deze technologische gebieden zijn gebaseerd op de behoeften van de krijgsmacht en de (potentiële) sterktes van de Nederlandse economie. Deze technologische focusgebieden zijn niet alleen voor Defensie van belang, maar brengen ook zogeheten spill-over effecten naar de bredere economie met zich mee en dragen bij aan de Nederlandse kenniseconomie.
Waarom kiest het kabinet ervoor om Nederlandse investeringsuitgaven grootschalig te besteden in het buitenland?
Zoals hierboven genoemd, zet Defensie met de D-SII in op industrieversterkend inkopen in Nederland, en daarmee ook op de opschaling van Nederlandse industrieën. Dit draagt bij aan het verlagen van de importafhankelijkheid. Het CPB geeft aan dat dit tot meer positieve economische effecten kan leiden. Defensie schat hierbij in dat Nederland een significante bijdrage kan leveren aan de Europese veiligheid door te investeren in technologieën met een sterk dual-use karakter, zoals drones of slimme materialen. Defensie speelt in op economische sterktes van Nederland, creëert daarmee kansen voor aangrenzende industrieën en jaagt daarmee innovatie en groei in bestaande ecosystemen aan. Daarnaast werkt Defensie hard aan vraagbundeling binnen Europa om schaalvoordelen te realiseren en de Nederlandse en Europese defensie-industrie te versterken.
Wanneer Defensie materieel importeert wordt ingezet op Industriële Participatie, wat inhoudt dat Defensie met buitenlandse leveranciers afspreekt dat de Nederlandse industrie of kennispartners bij orders wordt betrokken. Het Ministerie van Economische Zaken is verantwoordelijk voor het Industrieel Participatiebeleid. Zij maakt afspraken met buitenlandse leveranciers om de Nederlandse industrie en kennisinstellingen onder andere bij orders te betrekken. Zo zijn in het kader van de aanschaf van onderzeeboten afspraken met de leverancier gemaakt die er mede voor zorgen dat tijdens de productiefase ruim € 1 miljard aan opdrachten bij de Nederlandse industrie terechtkomt.4 Ook bij andere aanschaftrajecten wordt participatie van de Nederlandse industrie verzekerd, zo verkrijgt de Nederlandse industrie op jaarbasis opdrachten met een waarde van ruim € 200 miljoen in samenhang met de verwerving van de F-35.5
Defensie zet bij de inkoop meer in op single-source inkoop, door toepassing van WVEU 346, wat het mogelijk maakt gericht te sturen op de herkomst van producten. Daardoor kan snel en gericht in Nederland worden ingekocht. Met een Government-to-Government office en actieve business development werkt Defensie ook actief aan het aansporen van export door de Nederlandse industrie.
Bent u bereid een plan te ontwikkelen om de Nederlandse defensie-industrie te versterken zodat er minder Nederlands belastinggeld naar het buitenland lekt?
De D-SII geeft richting aan het versterken en opschalen van de Nederlandse Defensie en Technologische Industriële Basis (NLDTIB). Defensie zet sterk in op het opschalen van de Nederlandse defensie-industrie om de productie- en leveringszekerheid te vergroten. Defensie zal herkomst en tijdigheid van levering zwaarder meewegen bij de aanschaf van materieel. Dit zal de Nederlandse industrie in staat stellen een groter aandeel van de uitgaven aan Defensie te absorberen. Zoals hierboven genoemd, zal de D-SII bijdragen aan het verlagen van de importafhankelijkheid. Defensie is echter primair verantwoordelijk voor het garanderen van de veiligheid van Nederland en in Europa. Dat betekent dat er ook materieel in het buitenland wordt aangeschaft.
Met het inzetten van de productielocatie van VDL, eerder een leegstaande hal, vindt nu economische activiteit plaats. Ook investeert Defensie onder andere middels het SecFund in nieuwe start- en scale ups waardoor ecosystemen worden opgebouwd en de Nederlandse industrie een grotere rol speelt bij de opschaling van de krijgsmacht. Met de C-UAS challenge daagt Defensie bedrijven uit om met innovatieve oplossingen te komen waarmee Defensie in haar behoeften kan voorzien. Zie ook vraag 8 hieronder over de inzet van Defensie op technologie.
Hoe voorkomt u een verdere krapte op de arbeidsmarkt doordat defensie extra personeelsleden probeert te werven?
Defensie herkent de arbeidsmarktkrapte uitdagingen die in Nederland spelen en heeft hier aandacht voor bij de groeiopgave. De huidige geopolitieke situatie vraagt om een groei van het aantal militairen om als Defensie in NAVO-verband geloofwaardig te kunnen afschrikken. Daarom bouwt Defensie aan een schaalbare krijgsmacht die in 2030 bestaat uit 100.000 mensen en wanneer nodig schaalbaar is naar maximaal 200.000 mensen. Die schaalbare capaciteit wordt vooral ingevuld door reservisten. Door in te zetten op het vergroten van het aantal reservisten kan Defensie het personeelsbestand uitbreiden terwijl de gevolgen voor de arbeidsmarkt beperkt blijven. Reservisten blijven werkzaam bij hun dagelijkse werkgever en zetten zich daarnaast deeltijd in voor Defensie. Reservisten werken bij allerlei verschillende bedrijven en nemen hun kennis niet alleen mee naar Defensie en nemen ook vaardigheden mee terug naar hun civiele werk. Zoals ook wordt toegelicht in de Stand van Defensie is een versnelling nodig om de doelstellingen op het gebied van de personele opschaling te behalen.
Kunt u uitsluiten dat de extra defensie-uitgaven worden gefinancierd middels lastenverzwaringen die een negatief effect zullen hebben op de Nederlandse economie, zoals het CPB waarschuwt?
Besluitvorming over de financiering van de extra defensie-uitgaven is aan een volgend Kabinet. Het budgetrecht ligt bij het parlement en daar zal dan ook het definitieve besluit over de defensie-uitgaven worden genomen.
Waarom investeert defensie relatief weinig in zogeheten «dual-use» technologie, die dus ook de civiele innovatie versterkt?
In lijn met de D-SII investeert Defensie veel in dual-use. Dat betreft enerzijds investeringen in dual-use technologieën en fundamenteel onderzoek op basis van de 10 basisgebieden. Anderzijds betreft dit investeringen in de 5 NLD-gebieden waar Defensie de rol vervult van smart developer en launching customer. Defensie heeft recent geïnvesteerd in diverse instrumenten6 die erop gericht zijn om kennis, technologie en innovaties op het gebied van dual-use bij start-ups, MKB en kennisinstituten (TO2, universiteiten, hogescholen). Nederland besteedt 1,3% van haar Defensiebegroting aan Research & Technology (R&T) en houdt dit vast als minimum. R&T bestedingen kunnen bredere economische spill-over effecten hebben. Ook als onderdeel van materieelprojecten worden investeringen in innovatie gedaan.
Hoe verklaart u dat het kabinet defensie-uitgaven presenteert alsof ze economische groei zouden genereren, terwijl het CPB nu duidelijk laat zien dat dit niet tot nauwelijks het geval is?
Het CPB laat zien dat de Nederlandse economie krapte ervaart die het effect op de economie van Defensie-uitgaven beperken. De bijdrage kan echter hoger uitvallen als de juiste omstandigheden worden gecreëerd. Zoals aangegeven werkt Defensie aan beleid waarvan aannemelijk is dat het de multiplier zal verhogen, bijvoorbeeld door in te zetten op opschaling van de defensie-industrie in Nederland, meer middelen beschikbaar te maken voor innovatie, o.a. gericht op fundamenteel onderzoek en dual-use. Uitgaven gericht op innovatieve sectoren zoals space kunnen positieve economische effecten hebben voor de bredere maatschappij. Ook wordt het «weglek-effect» verkleind doordat wordt ingezet op het opschalen van de defensie-industrie binnen Nederland en Europa. Tot slot geldt ook dat uitgaven aan Defensie van belang zijn om economische schade door geopolitieke instabiliteit te verminderen door middel van geloofwaardige afschrikking. Het CPB-onderzoek benadrukt dit ook.
Bent u bereid transparanter te zijn over de beperkte impact die extra defensie-investeringen zullen hebben op de Nederlandse economie?
Ja, Defensie is hier zeker toe bereid. Defensie heeft recentelijk een onderzoek in opdracht gegeven om beter inzicht te krijgen in de brede economische effecten van de opschaling zodat deze effecten, zonder concessies aan de veiligheid, zo hoog mogelijk te houden. Ook de EBA Defensie-industrie, die voor de zomer 2026 wordt gepubliceerd, zal ingaan op de economische effecten van defensie-uitgaven.
Deelt u de opvatting dat defensie-investeringen – waar mogelijk – zo veel mogelijk ten goede zouden moeten komen aan de Nederlandse economie en de Nederlandse defensie-industrie?
Zie Kamerstuk 31 125 134 en de beantwoording vraag 5.
Kunt u inzichtelijk maken wat de gevolgen zijn voor de arbeidsmarkt wanneer defensie inzet op uitbreiding van het personeelsbestand?
Zie beantwoording vraag 6.
Bent u bereid om de focus veelal te leggen op Nederlandse productie en industrie in plaats van het buitenland?
Zie beantwoording vraag 5.
Kunt u een transparante kosten-effectiviteitsanalyse opstellen waarin duidelijk wordt in hoeverre extra uitgaven zorgen voor daadwerkelijke weerbaarheid en veiligheid van Nederland?
De doelstelling van de NAVO om 3,5% van het bbp aan Defensie uit te geven berust op een uitgebreide analyse van de capabilities die de NAVO nodig heeft om de veiligheid en afschrikking binnen het verdragsgebied te garanderen. Defensie vult deze opgave in via uitgaven aan zaken als personeel, materieel en onderhoud. Defensie houdt in de aanschaf rekening met een aantal zaken, waaronder de kosteneffectiviteit van de uitgaven. Uw Kamer is eerder dit jaar geïnformeerd over het NAVO-planningsproces waarin tevens aandacht werd besteed aan de financiële consequenties van deze doelstellingen.7 In de Stand van Defensie rapporteert Defensie over het totaalbeeld van de voortgang van de doelstellingen.8
Hoe verhouden de investeringen in materieel, zoals wapensystemen en voertuigen, zich tot de met name digitale bedreiging zou vormen?
Defensie werkt aan het versterken van haar capaciteiten in alle domeinen: land, lucht, zee, ruimte en cyber. Het digitale domein is randvoorwaardelijk en ondersteunend aan al deze domeinen. Op al deze gebieden worden investeringen gedaan die Defensie in staat stellen haar missie effectiever te vervullen. De Defensienota 2024 en de Digitale Transformatie Strategie9 beschrijven de investeringen die worden gedaan om de huidige doelstellingen te vervullen. Defensie stelt zich met deze investeringen in staat om samen met onze bondgenoten alle relevante dreigingen het hoofd te bieden. Met het Defensieprojectenoverzicht 2025 is uw kamer geïnformeerd over de aanschaf van materieel.10
Hoe verantwoord u dat Nederlandse belastingmiddelen vooral buitenlandse defensie-industrieën – en daarmee hun weerbaarheid – versterken?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 5, zet Defensie sterk in op het opschalen van de Nederlandse defensie-industrie om de productie- en leveringszekerheid te vergroten. Dit zal de Nederlandse industrie in staat stellen een groter deel van de uitgaven aan Defensie te absorberen. Defensie is echter primair verantwoordelijk voor het garanderen van de veiligheid van Nederland en van onze bondgenoten. Dat betekent dat er ook materieel in het buitenland kan worden aangeschaft. We kopen vaker dezelfde producten als onze bondgenoten. Wat goed is voor hen, is ook goed voor ons (en andersom). Nederland schaft daarbij hoofdzakelijk materieel aan bij nauwe bondgenoten, met voorkeur in Europa en anders bij NAVO-partners. Partners van Nederland schaffen ook in Nederland zaken aan. Bovendien positioneren we Nederlandse industrie in het buitenland door toepassing van Industriële Participatie.
Ziet u mogelijkheden om Nederlandse belastingmiddelen meer in te zetten voor de Nederlandse defensie-industrie en de Nederlandse weerbaarheid?
Ja, zie beantwoording vraag 4 en 5.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat defensie-uitgaven maximaal rendabel zijn?
Defensie zorgt er allereerst voor dat haar uitgaven maximaal rendabel zijn in relatie tot de capabilities die nodig zijn om onze veiligheid te garanderen. Dit zijn capabilities waarover binnen het NATO Defence Planning Process (NDPP) afspraken worden gemaakt om ervoor te zorgen dat bondgenoten samen het NAVO-grondgebied kunnen verdedigen. Daarmee wordt voorzien in een cruciale voorwaarde voor een gezonde economie. Tegelijkertijd zal Defensie oog hebben voor kansen om door middel van verhoogde aanschaf in Nederland en inzet op innovatie positieve economische effecten te garanderen. Onderzoeken zoals het CPB-rapport bieden inzichten die Defensie helpen economische kansen te benutten. Echter blijft de missie van Defensie om de veiligheid te garanderen daarbij leidend. Het versterken van de defensie-industrie draagt daaraan bij; minder strategische afhankelijkheid en leveringszekerheid dragen ook bij aan afschrikking.
Het CPB-rapport 'Macro-economische effecten van hogere defensie-uitgaven' |
|
Maes van Lanschot (CDA) |
|
Vincent Karremans (VVD), Gijs Tuinman (BBB), Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Onderschrijft u de stelling van het CPB dat op een termijn van 1–4 jaar «de hogere defensie-uitgaven volledig ten koste gaan van andere economische activiteiten en geen extra toename van het bbp bewerkstelligen.»?1
Investeren in Defensie is in eerste instantie een investering in de veiligheid van Nederland en Europa. Veiligheid is een cruciale voorwaarde voor het goed functioneren van een economie. De baten van veiligheid zijn echter niet altijd makkelijk uit te drukken in economische waarden.
Het kabinet onderschrijft niet de stelling dat hogere defensie-uitgaven volledig ten koste gaan van andere economische activiteiten. Tegelijkertijd erkent het kabinet wel de door het CPB geschetste beperkingen voor extra economische groei op de korte termijn (1–4 jaar) in de Nederlandse context. Deze beperkingen hangen samen met structurele knelpunten, zoals de krapte op de arbeidsmarkt, ruimtelijke beperkingen en het risico op verdringing van bestaande economische activiteiten. Het CPB wijst er bovendien op dat de macro-economische effecten mede afhangen van de wijze van financiering (schulden, ombuigingen of belastingen), waarover besluitvorming aan een volgend kabinet is.
Defensie zet momenteel stappen op verschillende punten die het CPB benoemt. Met de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie (D-SII) 2025–20292 wordt ingezet op industrieversterkend inkopen in Nederland en Europa en op de gerichte opschaling van deze industrieën. Daarnaast kunnen defensie-investeringen bijdragen aan regionale economische activiteit, bijvoorbeeld rond defensielocaties en innovatieve ecosystemen. Het CPB geeft aan dat dergelijke investeringen kunnen leiden tot positieve economische spill-overeffecten, onder meer voor lokale ondernemers. Tegen deze achtergrond is de Nederlandse defensie-industrie tussen 2022 en 2023 gegroeid van circa € 5,7 mld. naar € 7,7 mld.
Daarbij merkt het kabinet op dat een belangrijk deel van de economische effecten van defensie-investeringen zich vooral op de middellange en lange termijn zal voordoen. Positieve economische effecten ontstaan vooral wanneer deze inzet gepaard gaat met gerichte investeringen in R&D, het realiseren van schaalvoordelen en het benutten van Nederlandse comparatieve voordelen, zoals uitgewerkt in de beantwoording van vraag 4.
Kunt u, indien dat niet het geval is, aangeven waar u verschillen ziet? Bijvoorbeeld ten aanzien van de onderliggende methodologie (literatuuronderzoek), de gebruikte data of de daaruit volgende conclusie.
Zie het antwoord op vraag 1.
Deelt u de mening dat we een «once in a generation» kans hebben om toe te groeien naar de afgesproken NAVO-norm van 3,5% én tegelijkertijd onze Nederlandse en Europese (defensie-)industrie te versterken?
Wij delen de opvatting dat de huidige situatie een bijzondere gelegenheid biedt om zowel de NAVO-norm van 3,5% defensie-uitgaven te realiseren als de Nederlandse en Europese defensie-industrie te versterken. Het is een kans om op een strategische manier te investeren in nationale veiligheid, noodzakelijke capaciteiten en technologische vernieuwing. Defensie en EZ werken samen met de Nederlandse industrie en onze NAVO-bondgenoten aan het benutten van de kansen voor de industrie.
Kunt u een overzicht geven van de knoppen waaraan uw ministeries op de korte (1–4 jaar) en langere termijn (5–15 jaar) kunnen draaien om de «defensie-multiplier» te verhogen?
Er zijn verschillende knoppen die benut (kunnen) worden om de economische effecten van Defensie-uitgaven op de (midden)lange termijn zo gunstig mogelijk te maken:
Tot slot geldt dat het oplossen van algemene knelpunten in de Nederlandse economie eraan bijdragen dat de bovenstaande knoppen tot minder verdringing van andere economische activiteiten plaatsvindt wanneer uitgaven aan defensie worden verhoogd.
Kunt u aangeven welke van deze knoppen u als meest kansrijk ziet? Kunt u een inschatting geven op hoofdlijnen aan de hand van de variabelen moeite (inclusief kosten) en impact?
Met de D-SII 2025–2029 heeft het kabinet reeds een belangrijke stap gezet om zowel de nationale en internationale veiligheid te garanderen als de economische baten te verhogen. Dit wordt gedaan door gecombineerde inzet op de beschreven knoppen. Dit draagt bij aan een sterke Nederlandse Krijgsmacht die een technologische voorsprong heeft op potentiële tegenstanders en toegang behoudt tot hoogwaardig, betaalbaar materieel waarbij leveringszekerheid noodzakelijk is. Ook zal de Economische beleidsanalyse (EBA) defensie-industrie in de tweede helft van 2026 een advies uitbrengen dat hier rekenschap van zal geven.
Kunt u aangeven welke initiatieven er vanuit uw ministeries ten aanzien van deze knoppen lopen?
Zie beantwoording vraag 4.
Bent u ervan op de hoogte dat de Europese Commissie in het komende jaar een nieuw besluit zal nemen over de voorwaarden waaronder de 2GHz-radiofrequentie, ook wel bekend als het S-band spectrum, gebruikt mag worden?
Ja. Het gaat hier specifiek om de banddelen 1.980–2.010 MHz en 2.170–2.200 MHz, die bij besluit van 14 februari 2007 op Europees niveau zijn geharmoniseerd voor de implementatie van systemen voor mobiele satellietdiensten.1 Beschikking 626/2008/EG2 van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 2008 bepaalt dat de rechten voor 18 jaar worden verleend, gerekend vanaf het moment van het selectiebesluit. Het selectiebesluit is genomen op 13 mei 2009 en de Commissie werkt op dit moment aan de vervolgstappen.3
Bent u ervan op de hoogte dat de twee bedrijven1 die in 2007 voor 20 jaar de licenties van het spectrum in handen kregen inmiddels zijn overgekocht door Amerikaanse partijen?2 Wat vindt u ervan dat deze licenties voor satellietcommunicatie niet meer in Europese handen zijn?
Ja, ik ben op de hoogte van de genoemde overnames. Ik vind het van belang dat het spectrum voor mobiele satellietdiensten na 2027 toegankelijk zal zijn voor partijen die interesse hebben in het aanbieden van diensten in deze band onder de door de Commissie gestelde voorwaarden. Ik zal richting de Europese Commissie bepleiten om zogenoemde «wholesale-verplichtingen» op te nemen in een eventuele nieuwe beschikking, dat wil zeggen dat andere partijen gebruik kunnen maken van het netwerk om diensten aan te bieden. Het opnemen van een dergelijke verplichting voorkomt het ontstaan van een risicovolle strategische afhankelijkheid van één of twee partijen.
Hoe reageert u op het gegeven dat het Amerikaanse SpaceX voor 17 miljard dollar aan communicatiefrequentie koopt bij EchoStar Corporation om particulier te gebruiken in het netwerk van Starlink?3 Is dit in lijn met uw visie op de vraag hoe de 2GHz-frequentie gebruikt zou moeten worden?
Het is nog onbekend of de Europese frequentierechten van EchoStar ten aanzien van de banddelen 1.980–2.010 MHz en 2.170–2.200 MHz onderdeel uitmaken van de deal die EchoStar heeft gesloten met SpaceX. In algemene zin ben ik geen voorstander van het ontstaan van afhankelijkheid van één of twee individuele partijen. Zie hiertoe ook het antwoord onder 2.
Kunt u het vervolgproces toelichten over de vraag hoe de voorwaarden worden opgesteld waaronder de 2GHz-frequentie in de toekomst gebruikt mag worden? Op welke momenten vindt hierover besluitvorming plaats en wanneer worden er onomkeerbare besluiten genomen?
De Europese Commissie beschikt over de bevoegdheid om een voorstel te doen over voorwaarden van gebruik van de 2 GHz-banddelen die Europees geharmoniseerd zijn. De Europese Commissie wordt hierin bijgestaan door het Comité voor Communicatie («CoCom»), zoals vastgelegd in artikel 118 van de Telecomcode.7 Indien de commissie een voorstel doet voor aanpassing van de geldende besluiten is de gewone wetgevingsprocedure van toepassing.8 Dit betekent dat een nieuw voorstel wordt voorgelegd aan het Europees Parlement en de Europese Raad. De instemming van beide gremia is vereist voor de inwerkingtreding van een eventueel nieuw voorstel dat de huidige EU-besluiten met betrekking tot de 2 GHz-banddelen zou vervangen. De Europese Commissie heeft momenteel nog geen aankondiging gedaan ten aanzien van een nieuw voorstel.
Heeft de 2GHz-frequentie een strategisch belang, bijvoorbeeld voor defensieve of civiele doeleinden? Kunt u schetsen op welke manieren de frequentie in de komende 18 jaar gebruikt kan worden?
In februari 2024 heeft de Radio Spectrum Policy Group (hierna: «RSPG») de Europese Commissie geadviseerd over de toekomst van de 2 GHz-banddelen.9 De RSPG bestaat uit vertegenwoordigers uit alle lidstaten die de Europese Commissie adviseren over Europees spectrumbeleid. In dit advies zijn verschillende scenario’s gepresenteerd over op welke manier deze banddelen gebruikt zouden kunnen worden. De scenario’s zijn gebaseerd op input van Europese stakeholders, die tijdens de totstandkoming van het advies in de periode van 9 november 2023 tot 21 december 2023 zijn geconsulteerd.10 De gepresenteerde scenario’s zijn: 1. Geen nieuwe bandindeling, huidige situatie met twee vergunninghouders voortzetten; 2. Verschillende nieuwe bandindelingen voor meerdere satellietoperators of voor innovatieve toepassingen die minder bandbreedte dan satellietoperators nodig hebben. Per scenario is eveneens gekeken naar de mogelijke voordelen voor de Europese Unie. Met inachtneming van de bestemming zijn er verschillende toepassingen denkbaar zowel ten aanzien van commercieel- als overheidsgebruik van de frequentieruimte.
Is bij u bekend of door het directoraat-generaal Defensie en Ruimte (DEFIS) een behoefte is geformuleerd om de 2GHz-frequentie voor het IRIS2-netwerk te gebruiken? Zo ja, kunt u toelichten wat deze behoefte is?
Nee, er is geen formeel verzoek bij mij bekend.
Wat is uw visie op de ontwikkeling van een «direct-to-device» functie, waarmee communicatie tussen satellieten en doorsnee smartphones mogelijk wordt? Verwacht u dat dit een veelgebruikte toepassing gaat zijn voor consumenten of dat dit strategische toepassing voor defensie zal ondersteunen? Voor welk van deze doeleinden zal de 2GHz-frequentie in de toekomst worden ingezet?
Direct-to-device communicatie, ook wel D2D genoemd, kan in verschillende frequentiebanden verzorgd worden en niet alleen in de onderhavige specifieke banddelen van de 2 GHz (1.980–2.010 MHz en 2.170–2.200 MHz). In juni 2025 heeft de RSPG de Europese Commissie geadviseerd over direct-to-device connectiviteit en de mogelijke varianten daarvan.11 Hierin is onder andere onderscheid gemaakt in direct-to-device in IMT banden (banden bestemd voor mobiele communicatie) en in MSS banden (banden bestemd voor satellietdiensten). Het kabinet onderschrijft de analyse in het RSPG advies. De verwachting is dat er binnen Nederland weinig vraag zal zijn naar D2D-diensten met betrekking tot IMT. Gelet op de uitstekende dekking die de mobiele operators bieden zijn er nagenoeg geen gebieden waar er geen goede mobiele netwerkdekking aanwezig is.
Deelt u de zorgen dat Deutsche Telekom, een (toekomstig) afnemer van de «direct-to-device» diensten van Starlink,4 belang heeft bij het verlenen van de 2GHz-frequentie aan een bedrijf dat zaken doet met SpaceX en tegelijkertijd betrokken is bij de besluitvorming van de Europese Commissie?
Het besluitvormingsproces ligt bij de Europese Commissie. Indien de commissie een nieuw voorstel doet is de gewone wetgevingsprocedure hierbij van toepassing, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4. Het besluitvormingsproces ligt niet bij private partijen. Deutsche Telekom is als zodanig niet betrokken bij de besluitvorming van de Europese Commissie.
Heeft u kennisgenomen van het adviesrapport van Detecon, een consultancybedrijf dat onder Deutsche Telekom valt, waarin de Europese Commissie wordt geadviseerd over de voorwaarden waaronder de 2GHz-frequentie in de toekomst verleend moet worden?5 Wat is uw reactie op dat rapport?
Ja. Het rapport maakt onderdeel uit van het besluitvormingsproces en dient als advies aan de Europese Commissie.
Hoe borgen de Europese Commissie en lidstaten de onafhankelijkheid van de adviezen die worden betrokken bij de besluitvorming over het (mogelijke) toekomstige gebruik van de licenties voor de 2GHz-frequentie?
Het gaat hierbij om een advies aan de Europese Commissie met betrekking tot het (Europese) regelgevende kader ten aanzien van het geharmoniseerde deel van de 2 GHz-frequentieband. Het rapport is onder verantwoordelijkheid van de Europese Commissie tot stand gekomen. In algemene zin wijst de Europese Commissie onafhankelijke experts aan voor de beoordeling van inschrijvingen indien er sprake is van een aanbestedingsprocedure.14 In dit specifieke geval heeft de Commissie een tender met voorwaarden uitgeschreven.15
Welke kaders gelden er voor de wijze waarop de Europese Commissie de licenties voor dit spectrum vaststelt? Aan welke voorwaarden moeten de licentiehouders (gaan) voldoen? Hoe wordt gewaarborgd dat deze licenties ten goede komen aan de Europese economie en autonomie?
De kaders voor het gebruik van dit spectrum zijn vastgelegd in beschikking 626/2008/EG, waarin ook is vastgelegd aan welke voorwaarden partijen moeten voldoen.16 Er is vooralsnog geen nieuw kader opgesteld door de Europese Commissie.
Het huidige kader omvat een vergelijkende selectieprocedure, waarbij aanvragers onder andere moeten aantonen dat hun mobiele satellietsysteem het vereiste technische en commerciële ontwikkelingsniveau heeft bereikt.
In de beschikking waarin is bepaald dat de 2 GHz-banddelen Europees geharmoniseerd worden voor de implementatie van systemen voor mobiele satellietdiensten, is aangegeven welke doelen deze harmonisatie dient. Zo is hier onder andere in vermeld dat pan-Europese telecommunicatie een verbetering kan betekenen van de dienstverlening in plattelandsgebieden in de Europese Unie en zo de digitale kloof op geografisch niveau kunnen verkleinen. Ook is aangegeven dat de invoering van nieuwe MSS-systemen tevens een bijdrage zou kunnen leveren aan de ontwikkeling van de interne markt en de mededinging kunnen verbeteren door het aanbod en de beschikbaarheid van pan-Europese diensten en eind-tot-eindverbindingen uit te breiden en doelmatige investeringen aan te moedigen. Bij de weging in de vergelijkende selectieprocedure zijn de voordelen voor de consument en algemene belangen als veiligheid meegenomen.
Wat zijn de uitkomsten van de consultatieronde van de Commissie bij de belanghebbenden rond deze spectrumbanden?6 Welke belanghebbenden zijn er? Zijn er Nederlandse belanghebbenden en hoe worden hun belangen meegewogen in de besluitvorming?
Een samenvatting van de uitkomsten van de consultatieronde zijn op 10 november jl. gepubliceerd door de Europese Commissie: Summary report of the Targeted Consultation on Mobile Satellite Services | Shaping Europe’s digital future. Hierbij zijn ook de niet vertrouwelijke reacties op de consultatie gepubliceerd. Hier zit geen reactie van een Nederlandse belanghebbende bij. In aanvulling hierop is door mij aan de bekende Nederlandse belanghebbenden een uitvraag gedaan naar de behoefte om deze specifieke banddelen in gebruik te nemen. De uitkomsten van deze uitvraag zullen gebruikt worden ter bepaling van het Nederlandse standpunt richting de Europese Commissie.
Heeft Nederland een zienswijze over de voorwaarden waaronder de Europese Commissie voor de komende achttien jaar het gebruik van het 2GHz-frequentie moet aanbieden? Zo ja, kunt u die toelichten?
Het kabinet onderschrijft de adviezen over mogelijke scenario’s voor de 2 GHz-banddelen zoals deze zijn opgesteld door de RSPG. Zie hiervoor het antwoord op vraag 5.
Bent u het ermee eens dat toegang tot de 2GHz-frequentie niet aan de hoogste bieder moet worden verkocht, maar aan partijen die het maatschappelijk en strategische belang van de Europese Unie dienen?
De selectiecriteria in het huidige kader voor toegang tot de 2 GHz-banddelen zijn opgenomen in beschikking 626/2008/EG18, en betreffen een vergelijkende toets. Onderdelen van de weging zijn onder andere voordelen voor de consument en mededinging (met als subcriteria het aantal eindgebruikers en datum waarop de ononderbroken levering van commerciële diensten begint), spectrumefficiëntie (met als subcriteria de totale hoeveelheid van het vereiste spectrum en de geaggregeerde datastroomcapaciteit), pan-EU geografische dekking en de mate waarin overheidsbeleidsdoelstellingen worden bereikt (waaronder levering van diensten van algemeen belang die bijdragen tot de bescherming van de volksgezondheid, veiligheid of zekerheid van de burgers, integriteit en veiligheid van diensten). Een financieel bod is geen onderdeel van de vergelijkende selectieprocedure zoals in de beschikking is vastgelegd.
Bent u het ermee eens dat, gezien vanuit het perspectief van strategische autonomie en gezien de gespannen geopolitieke situatie, het van het grootste belang is dat de marktpartijen die toegang krijgen tot de 2GHz-frequentie volledig Europees zijn?
Ik ben het er mee eens dat Europese partijen toegang moeten krijgen tot dit spectrum. Het opleggen van een wholesale-verplichting zou dit kunnen bewerkstelligen. Zie hiertoe meer uitgebreid de antwoorden op vraag 2 en 3.
Bent u het ermee eens dat het niet wenselijk is dat slechts één of enkele zeer grote telecomaanbieder(s) uit de grootste Europese landen toegang hebben tot dit spectrum ten koste van aanbieders uit kleinere landen?
Ja, daar ben ik het mee eens. Zie ook mijn overweging over het invoeren van een wholesaleverplichting, zoals uiteengezet onder vraag 2. Ten algemene is in de kabinetsappreciatie op het witboek digitale infrastructuur van de Europese Commissie aangegeven dat het kabinet zich altijd hard heeft gemaakt voor aanmoedigen en behouden van voldoende concurrentie op de Europese telecommarkten.19 Het kabinet beschouwt de bestaande verplichtingen voor dominante aanbieders om concurrenten toe te laten op hun netwerken als een belangrijk onderdeel van het telecomkader, mits hiermee de nationale veiligheid niet in het geding komt. Dit speelt een belangrijke rol om betaalbare en hoogwaardige dienstverlening te waarborgen voor Europese consumenten, bedrijven en publieke instellingen.
Bent u het ermee eens dat het wenselijk is dat er rond de 2GHz-frequentie een volwaardige wholesalemarkt (groothandelsmarkt) ontstaat, waar ook telecomaanbieders uit kleinere Europese landen toegang tot hebben en hierop innovatieve diensten kunnen ontwikkelen?
Ja, zie hiertoe het antwoord op vraag 2.
Bent u bereid om aan te geven bij de Europese Commissie dat Nederland als voorwaarde stelt dat de 2GHz-frequentie alleen voor Europese partijen beschikbaar komt, en dat hierbij uitgesloten wordt dat bedrijven achteraf door niet-Europese partijen worden overgekocht?
Zoals vermeld in de antwoorden op vragen 2 en 3 ben ik in algemene zin geen voorstander van het ontstaan van afhankelijkheid van één of twee individuele partijen, en is mijn standpunt dat het van belang is dat het spectrum voor mobiele satellietdiensten na 2027 toegankelijk zal zijn voor partijen die interesse hebben in het aanbieden van diensten in deze band onder de door de Commissie gestelde voorwaarden.
Ik zal vanuit het perspectief van het voorkomen van afhankelijkheden richting de Europese Commissie bepleiten om zogenoemde «wholesale-verplichtingen» op te nemen, dat wil zeggen dat andere partijen gebruik kunnen maken van het netwerk om diensten aan te bieden, indien aanpassing van de onderliggende besluiten aan de orde is gericht op het aanwijzen van nieuwe partijen na 2027. Het opnemen van een dergelijke verplichting voorkomt het ontstaan van een risicovolle strategische afhankelijkheid van één of twee partijen.
Is het mogelijk om in de voorwaarden die de Europese Commissie stelt op te nemen dat de partijen die de 2GHz-frequentie mogen gebruiken, worden verplicht om andere betrouwbare partijen wholesale toegang tot de frequentie te verlenen, zodat zij hier ook gebruik van kunnen maken?
Vooralsnog geldt het huidige kader, zoals omschreven in het antwoord op vraag 11. Afhankelijk van de voorstellen van de Europese Commissie, die op dit moment nog niet bekend zijn, zullen er mogelijkheden zijn om de voorwaarden aan te passen. In dat geval zal ik richting de Europese Commissie pleiten voor het opnemen van «wholesale-verplichtingen». Zie hiertoe ook mijn antwoord op vraag 2.
Bent u eveneens bereid om ervoor te pleiten dat de gegunde partijen op nationaal en internationaal niveau toegang moeten verlenen tot de 2GHz-frequentie aan andere betrouwbare partijen, zodat er geen risico ontstaat op een mono- of duopolie in heel Europa?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 2.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden, nog vóórdat er onomkeerbare stappen worden gezet door de Europese Commissie?
Ja.
Het Young Global Leader programma van het World Economic Forum |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u dit jaar toegetreden tot het zogenaamde «Young Global Leader» programma van het World Economic Forum?1
Ja.
Door wie en wanneer bent u uitgenodigd toe te treden tot de 2025 «Young Global Leaders» klas van het World Economic Forum? Was dit een schriftelijke uitnodiging? Zo ja, kan de Tweede Kamer deze uitnodiging ontvangen?
De uitnodiging is in januari 2025 per e-mail ontvangen vanuit The Forum of Young Global Leaders Foundation (YGL Foundation).
Is het correct dat u bent uitgenodigd in uw hoedanigheid van Minister? Zo nee, waarom staat dit dan letterlijk zo aangegeven op de «Young Global Leader» website? Is het kabinet op de hoogte van deze nevenfunctie?2
Nee, de nominatie voor en deelname aan het Young Global Leaders programma is op persoonlijke titel. Dat de huidige functie van deelnemers wordt vermeld op de website van het programma doet daar niets aan af. Deelname aan het programma betreft geen nevenfunctie.
Wat waren uw beweegredenen om (op deze uitnodiging in te gaan en) lid te worden van de 2025 klas met «Young Global Leaders» van het World Economic Forum?
Ik heb positief gereageerd op de uitnodiging, omdat ik het eervol vind hiervoor te zijn genomineerd en het een kans biedt om internationaal van gedachten te wisselen met getalenteerde leiders.
Kan de Tweede Kamer dit driejarige «ontwikkelingsprogramma» van de 2025 «Young Global Leader» klas waar u (namens het kabinet) onderdeel van uitmaakt ontvangen? Bij welke «thematische bijeenkomsten» bent u aanwezig geweest? Welke «academische modules» van het World Economic Forum heeft u gevolgd?
Er is geen formeel ontwikkelingsprogramma, op de website van het Young Global Leaders programma kunt u meer lezen over de bijeenkomsten en modules waar men optioneel aan kan deelnemen. Ik ben (nog) niet bij een thematische bijeenkomst van het programma aanwezig geweest en heb geen academische module gevolgd.
Het «Young Global Leader» programma verschaft daarnaast, «opportunities to contribute to strategic initiatives aligned with the World Economic Forum’s mission», op welke manier heeft u, als WEF «Young Global Leader» bijgedragen aan welke specifieke doelstellingen van het World Economic Forum? Kan de Tweede Kamer hiervan een overzicht ontvangen?
Ik heb niet bijgedragen aan specifieke doelstellingen van het World Economic Forum. Zie ook het antwoord op vraag 5.
Hoe zou het kabinet de «doelstellingen van het World Economic Forum» omschrijven?
De WEF biedt een nuttig platform voor de uitwisseling van ideeën, onderzoeksresultaten en inzichten over actuele thema’s tussen politici, wetenschappers, journalisten en vertegenwoordigers van internationale organisaties, het bedrijfsleven en ngo’s. Het biedt ook een goede gelegenheid om in bilaterale gesprekken met internationale leiders en het bedrijfsleven specifieke onderwerpen te bespreken die van belang zijn voor Nederland.
Het doel van het WEF is het bijeenbrengen van overheid, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties om gezamenlijk bij te dragen aan een betere wereld.
Kan uit het feit dat u, als Minister van Defensie, bent toegetreden tot het «Young Global Leader» programma van het World Economic Forum logischerwijs worden geconcludeerd dat het kabinet de doelstellingen van het World Economic Forum steunt? Zo nee, waarom niet?
Nee, deelname aan dit programma geschiedt op persoonlijke titel. Zie ook het antwoord op vraag 3 en 7.
Is het correct dat Klaus Schwab, de inmiddels omstreden oprichter van het World Economic Forum, op 20 september 2017 op de Harvard Kennedy School, in het openbaar te kennen heeft gegeven trots te zijn dat het World Economic Forum het Young Global Leader programma wereldwijd gebruikt om, in zijn woorden, «kabinetten te penetreren»?3
Het is niet aan mij om de woorden van dhr. Schwab te recenseren.
Vindt het kabinet het wenselijk als leden van het kabinet deelnemen aan een programma waarvan de bedenker zélf aangeeft dat het bedoeld is om wereldwijd «kabinetten te penetreren»?
Zie antwoord op vraag 9.
Is het correct dat de Koning ook een WEF «Young Global Leader» is (geweest)? Ja of nee?4
Nee.
Kunt u de bovenstaande simpele en feitelijke ja-nee-vraag met alleen «ja» of «nee» beantwoorden? Zo nee, waarom bent u daartoe maar niet in staat?
Ja.
Kunt u de bovenstaande vragen afzonderlijk en binnen drie weken beantwoorden? Zo nee, waarom niet?
De vragen zijn zo snel als mogelijk beantwoord.
De uitvoer van Nederlandse honden naar Israël |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Heijnen , Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD), Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat hondenleverancier Four Winds K9 zichzelf heeft opgeheven nadat het bedrijf meerdere malen per brief is verzocht om inzage in de documenten over hun uitvoer naar Israël?1
Kunt u op basis van douanegegevens een overzicht geven van het aantal honden dat sinds 2020 vanuit Nederland naar Israël is uitgevoerd, uitgesplitst per jaar en per maand?
Kunt u aangeven hoeveel aanvragen voor veterinaire certificering ten behoeve van de uitvoer van honden naar Israël in de afgelopen jaren zijn ingediend en hoeveel daarvan door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit zijn goedgekeurd, en op basis van welke veterinaire en administratieve toetsingscriteria deze certificering wordt verleend?
Kunt u de in vraag 2 en 3 genoemde aantallen uitsplitsen naar uitvoer door particuliere personen enerzijds en uitvoer door bedrijven of andere rechtspersonen anderzijds?
Beschikken de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit en de Douane over cijfers met betrekking tot veterinaire keuringen en afgegeven certificaten voor de uitvoer van honden naar Israël in 2025, en zo ja, kan de Kamer inzicht krijgen in deze gegevens, bij voorkeur uitgesplitst per maand?
Is bij de goedkeuring van uitvoer naar Israël beoordeeld of de honden kunnen worden ingezet voor militaire of repressieve doeleinden, en zo ja, hoe is deze risico-inschatting vastgelegd?
Acht u het wenselijk dat een bedrijf door zichzelf op te heffen feitelijk kan voorkomen dat er volledige duidelijkheid komt over mogelijke misstanden bij de uitvoer van honden?
Kunt u toelichten welke vormen van samenwerking de Nederlandse overheid, inclusief ministeries, uitvoeringsorganisaties of ambassades, heeft gehad met Four Winds K9 of aanverwante K9-bedrijven?
Bent u bekend met een LinkedIn-bericht van de Nederlandse ambassade in Costa Rica van 22 september 2024 waarin sprake lijkt te zijn van betrokkenheid bij of promotie van Four Winds K9 activiteiten, en kunt u toelichten wat de aard van deze betrokkenheid was?2
Heeft Nederland in de afgelopen tien jaar honden geschonken, gefinancierd of op andere wijze geleverd aan buitenlandse overheden of veiligheidsdiensten, waaronder Israël? Zo ja, aan welke landen, om hoeveel honden ging het, en onder welke voorwaarden?
Welke mensenrechten- en eindgebruikerschecks zijn uitgevoerd bij het schenken of uitvoeren van honden aan buitenlandse veiligheidsdiensten, en hoe wordt gecontroleerd of deze honden niet worden ingezet bij mensenrechtenschendingen?
Acht u de huidige wet- en regelgeving toereikend om te voorkomen dat vanuit Nederland uitgevoerde diensthonden worden ingezet voor vormen van geweldgebruik die naar Nederlandse maatstaven als buitensporig of onrechtmatig zouden gelden, en zo ja, waarop baseert u dat oordeel?
Bent u bereid de Kamer te informeren over welke aanvullende maatregelen worden onderzocht om meer inzicht te krijgen in de uitvoer, het eindgebruik en de handhaving rondom vanuit Nederland uitgevoerde diensthonden, en hoe daarbij wordt gewaarborgd dat deze honden niet worden ingezet bij mensenrechtenschendingen?
Bent u bekend met publieke uitingen van Four Winds DiagNose UAE, waarin wordt gesteld dat in samenwerking met de Federal Customs Authority in korte tijd een volledige canine unit van 50 handlers en honden is opgezet in de Verenigde Arabische Emiraten?3
Kunt u toelichten of en in hoeverre de Nederlandse overheid op de hoogte was van deze activiteiten van het VAE-zusterbedrijf van Four Winds, en of hierover informatie is gedeeld tussen Nederlandse toezichthouders en buitenlandse autoriteiten?
Acht u het relevant dat een bedrijf dat in Nederland honden exporteerde naar Israël, via een zusterbedrijf actief is in de VAE in nauwe samenwerking met overheidsdiensten, en ziet u aanleiding om te onderzoeken of kennis, training of honden vanuit Nederland indirect zijn ingezet bij deze activiteiten?
Kunt u deze vragen binnen twee weken beantwoorden?
Het Smash-systeem van Smart Shooter |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
Gijs Tuinman (BBB), Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NRC-artikel «Defensie meldt aanschaf Israëlische wapens tegen drones niet»?1
Klopt het dat de Smash 3000 (of andere versies daarvan) onderdeel zijn van de Extended AAAD Toolbox? Zo ja, waarom is dit nooit als zodanig richting de Kamer geëxpliceerd?
Klopt het dat het Smash-systeem al sinds 2020 op enige manier wordt gebruikt door Defensie? Zo ja, waarom wordt de Kamer dan pas op 19 december 2024 indirect geïnformeerd over de aanschaf via de Kamerbrief over de eAAAD Toolbox?
Is het bedrag dat met de verwerving van het Smash-systeem is gemoeid lager dan de ondergrens van projecten waarover de Tweede Kamer apart wordt geïnformeerd, te weten 50 miljoen euro? (Kamerstuk 27 830, nr. 463)
Stijgt de bandbreedte van het budget voor de verwerving van de eAAAD Toolbox door de additionele investeringen boven de mandateringsgrens van 250 miljoen euro uit? (Kamerstuk 27 830, nr. 463)
Deelt u de mening dat een beroep op commerciële vertrouwelijkheid of operationele veiligheid door het ministerie niet geloofwaardig is, aangezien zowel de CEO van Smart Shooter als krijgsmachtonderdelen zelf al uitvoerig publiekelijk gecommuniceerd hebben over de ingebruikname van het Smash-systeem door Defensie?
Is het gebruikelijk om bij communicatie richting de Kamer over wapenaankopen niet het land van herkomst te noemen, zoals in dit geval? Zo ja, kunt u voorbeelden geven waar dit ook niet is gebeurd?
Deelt u de opvatting dat de verwerving van Israëlische wapensystemen politiek gevoelig ligt en de Kamer hierover dus apart geïnformeerd had moeten worden ongeacht de omvang van het budget?
Deelt u de mening dat de Kamerbrief van 25 november jl. over aanvullende investeringen in C-UAS, en dus ook de eAAAD Toolbox, onderdeel was van de beraadslaging over de incidentele suppletoire begroting inzake bestrijding van drones, aangezien de ISB in die desbetreffende brief benoemd werd, de uitbreiding van de eAAAD Toolbox blijkens de Kamerbrief van 19 december 2024 gerelateerd is aan het project Initiële Counter-Unmanned Aircraft Systems capaciteit, Kamerleden ernaar vroegen en de Staatssecretaris zelf de aanschaf van extra Smash-systemen in het debat heeft aangekondigd? Zo ja, waarom heeft u dit niet in acht genomen toen u toezegde dat de beoogde leveranciers niet uit Israël afkomstig zijn? Zo nee, waarom niet?
Waarom heeft u bij uw aankondiging dat er extra Smash-systemen afgeroepen worden tijdens het wetgevingsoverleg niet aangegeven dat het om een Israëlische leverancier ging terwijl het al langer bekend is dat sommige fracties daar kritisch op zijn en in het debat ook ter sprake kwam dat geen wapens uit Israël een harde voorwaarde was voor de steun van de fractie van GroenLinks-PvdA?
Is bij Defensie bekend of, en in welke hoedanigheid, Smash of andere producten van Smart Shooter worden gebruikt door het Israëlische leger, in het bijzonder tijdens inzet in Gaza en de Westelijke Jordaanoever?
Klopt het dat Smart Shooter Smash ook aanbiedt voor inzet tegen personen? Zo ja, is er bij Defensie enige informatie bekend over het gebruik van Smash of andere producten van Smart Shooter tegen personen in Gaza of de Westelijke Jordaanoever?
Is er bij Defensie enige informatie bekend over de mogelijke betrokkenheid van Smash of andere producten van Smart Shooter bij ernstige mensenrechtenschendingen in Gaza en de Westelijke Jordaanoever?
Kan Defensie uitsluiten dat Smash of andere producten van Smart Shooter mogelijk gebruikt zijn bij ernstige mensenrechtenschendingen in Gaza en de Westelijke Jordaanoever?
Hoe heeft u het gebruik van Smash of andere producten van Smart Shooter tijdens de Gaza-oorlog meegenomen in uw afweging om tot aanschaf van het Smash-systeem over te gaan?
Hanteert Defensie inderdaad het uitgangspunt dat dit wapen alleen tegen drones ingezet kan worden en niet tegen mensen? Zo ja, waarop is dit uitgangspunt gebaseerd? Zo nee, waarom niet?
Welke plannen zijn er voor verdere investeringen in het Smash-systeem?
Op welke wijze heeft de proef van de Landmacht met de Smash 2000 bijgedragen aan de verdere (door)ontwikkeling van het Smash-systeem door Smart Shooter?
Op welke wijze draagt het gebruik van de Smash 3000 door de krijgsmacht bij aan de verdere (door)ontwikkeling van het Smash-systeem door Smart Shooter?
Bent u bereid een plan op te stellen om afhankelijkheden van de Israëlische wapenindustrie af te bouwen? Zo ja, wanneer kan de Kamer dit tegemoet zien? Zo nee, waarom niet?
Welke alternatieven zijn er, of worden ontwikkeld, voor het Smash-systeem, onder andere in Europa? Waarom is niet voor een alternatief gekozen?
Kunt u deze vragen één voor één en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Financiële en personele tekorten voor bescherming tegen spionage en sabotage in de Noordzee |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de recente berichtgeving waarin wordt gesteld dat financiële en personele tekorten bij de Nederlandse Kustwacht leiden tot verhoogde risico’s op sabotage en spionage? Hoe reflecteert u op deze verontrustende berichten?1
Klopt het dat het tekort aan geld en personeel bij de Kustwacht zo nijpend is dat de dienst tot zeker 2027 niet kan worden ingezet om internet- en elektriciteitskabels, pijpleidingen en andere infrastructuur op de Noordzee te beschermen tegen sabotage en spionage?
Kunt u aangeven of er een causale relatie bestaat tussen het capaciteitstekort bij de Kustwacht en concrete incidenten, zoals het Russische spionageschip Eagle S dat twee uur lang ongestoord boven onderzeese kabels bij Terschelling kon varen op 24 november 2023?
Welke acties onderneemt het kabinet om heel snel een einde te maken aan het gesteggel over geld tussen de departementen die betrokken zijn bij het Programma Bescherming Noordzee Infrastructuur (PBNI)?
Ziet het kabinet mogelijkheden om een deel van de financiële tekorten via Europese middelen te dekken, gelet op het feit dat Nederland een belangrijke Europese toegangspoort vormt voor trans-Atlantische datakabels?
Ziet het kabinet daarnaast een rol voor de NAVO bij het versterken van de bescherming van onderzeese datakabels en andere kritieke maritieme infrastructuur?
Het Young Global Leaders programma van het World Economic Forum |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
U schrijft in uw beantwoording dat u «op persoonlijke titel» bent uitgenodigd en deelneemt aan het Young Global Leaders programma van het World Economic Forum, kunnen we daaruit concluderen dat de uitnodiging die u van de YGL Foundation in januari 2025 per e-mail heeft ontvangen dus losstaat van het feit dat u op 2 juli 2024 als Minister van Defensie tot het kabinet bent toegetreden? Betekent dit logischerwijs ook dat in de uitnodiging die u heeft ontvangen dus niet wordt verwezen naar uw ministersambt? Kan de Tweede Kamer deze e-mail met de uitnodiging die u heeft ontvangen doorgestuurd krijgen? Heeft u misschien ook enig idee waarom u, los van uw ministersambt, op persoonlijke titel, bent genomineerd en uitgenodigd door de YGL Foundation?1
U weigert in uw beantwoording, hoewel u dit wordt gevraagd, te reflecteren op de uitspraak van de bedenker en oprichter van de YGL Foundation, de heer Klaus Schwab, een uitspraak waarin hij stelt dat het Young Global Leaders programma – een programma waarvoor u dus, kort na uw beëdiging als Minister, bent genomineerd en uitgenodigd, een uitnodiging waar u, op persoonlijke titel, ook op bent ingegaan – door het World Economic Forum wordt gebruikt om wereldwijd, citaat, «kabinetten te penetreren», waarom? Is dit niet een terechte vraag die een volksvertegenwoordiger, die geacht wordt de regering te controleren, behoort te stellen als een lid van het kabinet deelneemt aan een dergelijk omstreden programma, een vraag die door het kabinet vervolgens ook beantwoord zou moeten worden?
Is het naar uw mening wenselijk en verstandig, voor een lid van het kabinet, om op persoonlijke titel deel te nemen aan een programma waarvan de oprichter en bedenker, in het openbaar nota bene, zélf heeft aangegeven dat daarmee wordt beoogd om wereldwijd «kabinetten te penetreren»?
Bent u bekend met het bericht dat de Nederlandse Kustwacht door personeelstekorten beperkt handelingsperspectief heeft bij het signaleren en tegengaan van spionage- en sabotageactiviteiten op de Noordzee, mede in het licht van toenemende (digitale) dreigingen?1
Heeft u inzicht in hoe groot het huidige capaciteitstekort is bij de Nederlandse Kustwacht, uitgesplitst naar personeel, vaartuigen en middelen, en wat dit concreet betekent voor het toezicht op de Noordzee? Zo ja, kunt u dit specificeren? Zo niet, wat bent u van plan doen om dit in kaart te brengen?
In hoeverre acht u de bescherming van vitale infrastructuur op de Noordzee, zoals onderzeese kabels, pijpleidingen en windparken, op dit moment voldoende geborgd?
Acht u de huidige taakverdeling en samenwerking tussen Kustwacht, Koninklijke Marine en andere betrokken diensten passend bij de huidige dreiging van spionage en sabotage op zee? Zo niet, waar zit ruimte voor verbetering?
Bent u bereid de Koninklijke Marine een structureel grotere rol te geven bij de bescherming van de cruciale infrastructuur in de Noordzee? Zo niet, waarom niet?
Welke rol ziet u voor innovatie en technologische middelen, zoals onderwaterdrones, sensoren, autonome vaartuigen of satellietmonitoring, bij het verkleinen van het capaciteitstekort?
Hoe is de samenwerking met andere Noordzeelanden en internationale partners ingericht bij het detecteren en tegengaan van spionage en sabotage, en waar ziet u mogelijkheden tot intensivering?
Welke concrete maatregelen op korte en middellange termijn bent u voornemens te nemen om te voorkomen dat toezicht, handhaving en beveiliging op de Noordzee structureel tekortschieten?
Bent u bekend met het artikel «Nederlandse militairen treffen in oorlogstijd nieuwe vijand; dodelijke infectie met resistente bacteriën»?1
Bent u het eens met kapitein-ter-zee en internist Barth dat Nederland te weinig antibiotica op voorraad heeft in geval van tijden van militair conflict? Zo nee, waarom niet?
Bent u van plan een afdoende strategische voorraad antibiotica aan te leggen en/of deze zelf te produceren ten behoeve van onze Nederlandse militairen in geval van militair conflict? Zo ja, hoe gaat u dit concreet vormgeven en wat is het tijdspad? Zo nee, waarom niet?
Bent u van plan een afdoende voorraad antibiotica aan te leggen en/of deze zelf te produceren voor de structurele behoefte van de Nederlandse burger? Zo ja, hoe gaat u dit concreet vormgeven en wat is het tijdspad? Zo nee, waarom niet?
Is er in geval van een grootschalig militair conflict gegarandeerd voldoende capaciteit voor Nederlandse gewonde militairen in Nederlandse én in Oost-Europese ziekenhuizen? Zo nee, wat gaat u concreet ondernemen om dit op orde te brengen en wat is het tijdspad?
Extra geld voor Oekraïne |
|
Kati Piri (PvdA), Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken) (VVD), Dick Schoof (minister-president ) (INDEP), Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraak van de demissionair Minister-President dat extra geld voor Oekraïne buiten het uitgavenkader zit en dus in het saldo loopt (in het plenair debat van 27 november 2025)?
Ja, zoals opgenomen in het hoofdlijnenakkoord valt steun aan Oekraïne niet onder het uitgavenkader. Deze uitgaven zijn wel saldo- en schuldrelevant. In het hoofdlijnenakkoord is opgenomen dat het (demissionaire) kabinet de Europese begrotingsnormen respecteert.
Hoe verhoudt deze uitspraak zich tot de kabinetsappreciatie (van 18 december 2025) van het amendement voor aanvullende middelen voor Oekraïne (Kamerstuk 36 850 X, nr. 7), waarbij de demissionair Minister van Financiën aangeeft dat het amendement geen deugdelijke dekking heeft?
Steun aan Oekraïne valt niet onder het uitgavenkader, maar is wel relevant voor het EMU-saldo en de EMU-schuld. Het kabinet hecht aan de Europese referentiewaarden voor het tekort (3% bbp) en de schuld (60% bbp). Het was niet realistisch om de gehele 2 miljard euro waar de motie om verzocht nog in 2025 uit te geven. Dit betekent dat de door uw Kamer gevraagde resterende 1,3 miljard euro uit het amendement van het lid Stultiens in 2025 niet tot besteding zou komen, waardoor het in 2026 het saldo en de schuld zou belasten. Gegeven de financiële realiteit dat we in 2026 tegen de grenzen aanlopen1, is het vanuit het EMU-saldo bezien daarom wenselijk dat een dergelijke intensivering van dekking wordt voorzien.
Kunt u aangeven of het demissionaire kabinet vasthoudt aan de lijn-Schoof (buiten het uitgavenkader) of aan de lijn-Heinen (binnen het uitgavenkader) inzake extra geld voor Oekraïne?
Deze vraag berust op een verkeerde veronderstelling (zie het antwoord op vraag 1 en 2).
Klopt het dat deze extra 1,3 miljard euro voor Oekraïne dit jaar al is uitgegeven met geleend geld uit 2026 en dat bovengenoemd amendement er slechts voor zorgt dat deze uitgaven worden betaald met extra geld in 2025, waardoor er in 2026 geen budgettair gat voor Oekraïne ontstaat?
Het kabinet heeft in het voorjaar van 2025 3,1 miljard euro beschikbaar gesteld voor militaire steun aan Oekraïne in 2026. Hiervan is 2 miljard euro versneld tot besteding gekomen in 2025 middels een kasschuif van 2026 naar 2025.
Hiernaast is het kabinet middels de motie van het lid Klaver c.s. verzocht het budget voor militaire steun aan Oekraïne aan te vullen met 2 miljard euro, zodat het budget in het eerste kwartaal van 2026 beschikbaar gesteld kan worden ten behoeve van de defensie-industrie in Oekraïne. Het kabinet heeft als eerste stap in de opvolging van de motie 700 miljoen euro aangewend ten behoeve van steun aan Oekraïne. Door het versneld vrijmaken van middelen voor steun aan Oekraïne zorgt het kabinet dat in het eerste kwartaal van 2026 militaire leveringen aan Oekraïne gecontinueerd kunnen worden. In het begin van 2026 zal het kabinet bezien hoe verdere opvolging aan de motie wordt gegeven.
Kunt u deze vragen met spoed beantwoorden?
Ja.
De brief over invulling van de motie militaire steun aan Oekraïne |
|
Vicky Maeijer (PVV), Raymond de Roon (PVV), Teun van Dijck (PVV) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) , Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken) (VVD), Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u alsnog expliciet en uitgebreid ingaan op de niet in de brief gedeelde informatie met betrekking tot artikel 3.1 CW 2016, inzake a) de doelstellingen, de doeltreffendheid en de doelmatigheid die worden nagestreefd; b) de beleidsinstrumenten die worden ingezet; c) de financiële gevolgen voor het Rijk en, waar mogelijk, de financiële gevolgen voor maatschappelijke sectoren? Zo nee, waarom niet?1
De maatregelen betreffen een voortzetting van het huidige Oekraïne steunbeleid en wijken daarmee niet af van de artikel 3.1 CW overwegingen die eerder met uw Kamer zijn gedeeld, als bijlage van de periodieke leveringenbrief (kenmerk 22 054-463, dd. 11 september 2025). In deze bijlage komt naar voren dat het ingezette beleidsinstrument de levering van militair materieel betreft, de nota van wijziging zet dit beleid voort.
Waaruit bestaat de 500 miljoen euro aan verwachte onderuitputting in 2025? In hoeverre is deze onderuitputting een zekerheid?
De verwachte onderbesteding van € 500 miljoen heeft betrekking op hoofdstuk K, het defensiematerieelfonds. Deze verwachting is gebaseerd op lagere valutakoersen dan waarop gepland is (ca. € 250 miljoen.) en vertraging op meerdere reguliere defensieprojecten a.g.v. externe factoren. Beide categorieën van onderbesteding kenden een hoge mate van zekerheid. Voor dit fonds geldt een onbeperkte eindejaarsmarge. Dit betekent dat de middelen naar volgend jaar kunnen worden geschoven waardoor de onderrealisatie beschikbaar. Hierdoor zal er geen vertraging of afstel van behoeften en/of projecten uit het DMF ontstaan in 2026 of latere jaren. Genoemde bedragen zijn afgerond op hele miljoenen. Uw Kamer wordt bij Slotwet geïnformeerd over de werkelijke realisatie en onderbesteding
Welke reguliere defensieprojecten hebben als gevolg van externe factoren vertraging opgelopen en waarom? Wat zijn de concrete gevolgen hiervan?
De voortgang van individuele projecten, eventuele vertragingen en andere wijzigingen op de lopende projecten zullen door Defensie zoals gebruikelijk worden gerapporteerd in het Defensie Projecten Overzicht (DPO) van mei 2026.
Hoe groot is de kans op toekomstige tegenvallers? Zijn er al tegenvallers met een zekere mate van waarschijnlijkheid te voorzien? Zo ja, waarop en hoeveel?
Het aanwenden van onderuitputting ten behoeve van steun aan Oekraïne betekent dat deze onderuitputting niet beschikbaar is voor het invullen van de in=uittaakstelling2, waardoor in de toekomst eerder tegenvallers kunnen ontstaan. Het kabinet heeft nog geen exacte inschatting van toekomstige tegenvallers. Bij het Financieel Jaarverslag van het Rijk zal dit duidelijk worden.
In de nota van wijziging schrijft u dat er wordt gekeken naar het Nederlandse en Oekraïense bedrijfsleven voor respectievelijk 300 miljoen en 400 miljoen; hoe is deze verdeling tot stand gekomen?2
De invulling en verdeling is tot stand gekomen op basis van een inventarisatie welk materieel op zeer korte termijn beschikbaar was, voor zowel contractering als levering. Daarbij is nadrukkelijk gekeken naar de betrokkenheid en de opbouw van de Nederlandse defensie-productieketen en het Oekraïense bedrijfsleven conform de moties 36 045, nr. 243 en de motie 21 501-20, nr. 2286.
Waar zal de 700 miljoen exact aan worden uitgegeven? Welke contracten worden met welke bedrijven voor welke orders getekend?
Omwille van commerciële vertrouwelijkheid doet Defensie geen uitspraken over de precieze besteding van deze middelen. Uw Kamer wordt geïnformeerd over het aan Oekraïne geleverd materieel middels periodieke leveringenbrieven.
Op welke manier exact garandeert u dat de 400 miljoen voor het Oekraïense bedrijfsleven doelmatig besteed wordt en bovendien niet ten prooi valt aan corruptie?
Directe aanschaf in Oekraïne gebeurt op basis van het Nederlandse model. De Nederlandse procedure omvat een gegronde controle van elk Oekraïens bedrijf door de Audit Dienst Rijk (ADR). Deze regels en procedures nemen tijd in beslag en vereisen toegang tot informatie over bijvoorbeeld de prijsopbouw en winstmarges van de voorgenomen verwerving. Dit Government to Business-model zorgt ervoor dat er geen tussenkomst is van overheidsfunctionarissen bij de totstandkoming van contracten. Bij het Nederlandse model van directe samenwerking met de Oekraïense industrie, is Nederland zelf verantwoordelijk voor het uitonderhandelen en overeenkomen van een contract met een Oekraïense leverancier. Er zijn ook samenwerkingsovereenkomsten met NATO-trusted partners waarbij het partnerland de verwerving doet; Nederland vertrouwt in dat geval op de procedures van bondgenoten.
In de brief wordt gesproken over het spoedeisende karakter als reden om een beroep te doen op artikel 2.27, tweede lid CW 2016; waaruit blijkt dit spoedeisende karakter? Waarom kon deze uitgave niet een week later, na stemming over de najaarsnota, plaatsvinden?
Uw Kamer heeft het kabinet verzocht om aanvullende militaire Oekraïnesteun beschikbaar te stellen. Het kabinet heeft ervoor gekozen om invulling te geven aan deze motie door in 2025 versneld 700 miljoen euro beschikbaar te stellen om te waarborgen dat de steun aan Oekraïne voorgezet wordt.
De stemming over de 2e suppletoire begroting 2025 van de Defensiebegroting, waarin de 700 miljoen euro is verwerkt, in de Tweede Kamer stond echter pas gepland op 18 december. Zonder het toepassen van artikel CW 2.27 tweede lid zouden de overeenkomsten pas na autorisatie van zowel de Tweede als de Eerste Kamer rechtmatig kunnen worden aangegaan. Daarmee zou het niet mogelijk zijn om nog in 2025 invulling te geven aan de oproep van uw Kamer. Door een beroep te doen op artikel CW 2.27 tweede lid heeft het kabinet getracht uw Kamer juist en tijdig te informeren over de wijze waarop het kabinet een eerste stap zet in de invulling aan de door uw Kamer aangenomen motie4. Op 9 december heeft uw Kamer aangegeven dat zij zich deugdelijk geïnformeerd acht.
De Kamer mag de onderuitputting niet gebruiken voor extra uitgaven, maar waarom mag u dit wel? Hoeveel van de resterende onderuitputting kan nog worden gebruikt?
In aanvulling op het antwoord op vraag 4 is ervoor gekozen om de onderuitputting anders aan te wenden dan het invullen van de in=uittaakstelling. Hiermee kiest het kabinet ervoor om opvolging te geven aan de motie van de Kamer. Bij het Financieel Jaarverslag van het Rijk zal de definitieve onderuitputting over 2025 duidelijk worden.
Het artikel 'Kabinet trekt toch 700 miljoen euro extra uit voor Oekraïne' |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) , Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD), Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Het kabinet gebruikt 700 miljoen aan onderuitputting in de begroting voor extra steun aan Oekraïne, is deze gang van zaken niet in strijd met de begrotingsregels, aangezien onderuitputting niet gebruikt mag worden voor nieuw beleid?1
Het kabinet kan besluiten om de onderuitputting anders aan te wenden. In dit geval gebruikt het kabinet de onderuitputting ten behoeve van steun aan Oekraïne en zet daarmee een eerste stap in de opvolging aan de motie van de Kamer. Het aanwenden van de onderuitputting betekent wel dat deze onderuitputting niet beschikbaar is voor het invullen van de in=uittaakstelling, waardoor in de toekomst eerder tegenvallers kunnen ontstaan.
Hoe verhoudt het toch vrijmaken van extra geld zich tot de stellingname van het kabinet tegen de motie Klaver cs. waar de Minister-President nog duidelijk was in zijn boodschap dat er geen onmiddellijke ruimte was voor extra steun aan Oekraïne? (Kamerstuk 36 045, nr. 243)
Het kabinet ziet de noodzaak voor onverminderde steun aan Oekraïne en kijkt daarbij wat Oekraïne nodig heeft en wat Nederland kan bieden. Het kabinet erkent de wens van de Kamer om op korte termijn extra militaire steun te leveren en heeft daartoe bezien wat er mogelijk is. Met het aanwenden van onderuitputting zet het kabinet een eerste stap in de opvolging aan de motie van de Kamer. Het kabinet beziet vervolgens in het begin van het nieuwe jaar hoe verdere opvolging aan de motie gegeven kan worden.
Kunt u een actueel overzicht geven van alle bilaterale steun (giften) van Nederland aan Oekraïne tot nu toe, waarbij inzichtelijk is gemaakt wanneer welk bedrag is geschonken en voor welk doel (militair/civiel)?
Sinds de Russische invasie in Oekraïne in 2022 is er tot aan Miljoenennota 2026 13,4 miljard euro via Defensie2, 3,4 miljard euro via BZ/BHO en 442 miljoen euro via Financiën aan steun voor Oekraïne toegezegd. 3,4 miljard euro aan militair- en niet-militaire steun valt in 2026. Daarnaast is er 700 miljoen euro vrijgemaakt in 2025 in reactie op de Tweede Kamermotie voor aanvullende militaire Oekraïnesteun3. In tabel 1 wordt een overzicht gegeven van de totale internationale steun door Nederland. De tabel is inclusief de additionele 700 miljoen euro in 2025.
De militaire steun ziet met name op munitieleveringen en wapensystemen zoals F-16 toestellen, tanks en luchtverdediging. Met de niet-militaire steun draagt het kabinet onder andere bij aan acute noodhulp, herstel van (energie-)infrastructuur, huizen en drinkwatervoorzieningen.
2022
2023
2024
2025
2026
2027
2028
2029
2030
Militaire steun2
171
965
2.482
5.522
2.563
965
597
145
40
Niet-militaire steun (incl. macro-financiële bijstand)
457
546
807
772
856
445
9
4
5
Bedragen t/m 2024 volgen uit Financieel Jaarverslag Rijk. Bedragen 2025–2030 volgen uit de Oekraïne bijlage bij Miljoenennota 2026 en zijn geactualiseerd voor de nota van wijziging bij Najaarsnota 2025.
De getoonde reeks voor militaire steun wijkt enigszins af t.o.v. de laatste update Kamerbrief leveringen aan Oekraïne. Waar de Kamerbrief kijkt naar leveringen uit eigen voorraad, ziet deze reeks op netto-kasuitgaven in de begroting. De bedragen aan militaire steun in de tabel hebben vanaf 2028 volledig betrekking op compensatie voor in het verleden geleverd materieel uit eigen voorraad. Door deze compensatie kan dit materieel worden vervangen ten bate van de eigen krijgsmacht.
Kunt u een actueel overzicht geven van bilaterale steun in de vorm van leningen aan Oekraïne tot nu toe, waarbij inzichtelijk is gemaakt wanneer welk bedrag is verstrekt en voor welk doel?
Nederland heeft in 2022 één specifieke bilaterale lening van 200 miljoen euro aan Oekraïne, verstrekt via een kredietlijn van het Internationaal Monetair Fonds (IMF). Deze lening was bedoeld als begrotingssteun aan Oekraïne om de dagelijkse uitgaven te financieren en de economie draaiende te houden.4
Kunt u een actueel overzicht geven van de bilaterale steun tot nu toe van alle andere Europese lidstaten in de vorm van leningen én giften aan Oekraïne?
Volgens de meest recente beschikbare cijfers van de Europese Commissie hebben de Europese Commissie en EU-lidstaten in totaal tot en met 2025 circa 170 miljard euro steun geleverd aan Oekraïne (waaronder 66 miljard euro in militaire steun en 100,6 miljard euro in niet-militaire steun). Deze cijfers zijn mogelijk niet volledig. Het aandeel van lidstaten in de steun van de Europese Commissie wordt over het algemeen bepaald aan de hand van de bni-sleutel, maar deze verschilt ieder jaar. Daarom is het lastig om de totale steun terug te voeren op individuele lidstaten.
Elke lidstaat maakt individuele afwegingen over de omvang van de steun evenals de mate waarin publieke informatie over deze steun verstrekt wordt. Het kabinet doet daarom geen uitspraken over de steun verleend door andere lidstaten.
Kunt u een actueel overzicht geven van steun in Europees verband uitgesplitst in giften, leningen en garanties waarbij tevens inzichtelijk is gemaakt wat het Nederlandse aandeel is per categorie?
Via verschillende instrumenten heeft de EU steun geleverd aan Oekraïne. Hieronder worden de verschillende steunpakketten uiteengezet:
Naast hierboven genoemde niet-militaire steun is er in EU-verband ook militaire steun verstrekt aan Oekraïne. Volgens de Europese Commissie is er door de EU en lidstaten 66 miljard euro aan militaire steun geleverd, waaronder 6,1 miljard euro onder de Europese vredesfaciliteit (EPF) en 362 miljoen euro voor de EU Military Assistance Mission in support of Ukraine (EUMAM). Vanuit het Ministerie van Buitenlandse Zaken is in de periode 2023 tot en met 2025 171,5 miljoen euro bijgedragen aan het EPF voor Oekraïne. Hieruit wordt ook het niet-operationele deel van EUMAM betaald. Vanuit het Ministerie van Defensie is circa 35 miljoen euro uitgegeven tot en met 1 april 2025 aan het operationele deel van EUMAM. Zoals aangegeven in de recent verstuurde Kamerbrief5 komt het grootste deel van het EPF nog niet tot besteding door een veto van Hongarije.
Wat heeft de opvang van Oekraïners in Nederland tot nu toe gekost per jaar voor de nationale overheid, inclusief kosten voor zorg, onderwijs en sociale zekerheid? Kunt u deze kosten uitsplitsen per genoemde categorie?
Een overzicht van de gerealiseerde geoormerkte uitgaven voor Oekraïense ontheemden van voorgaande jaren zijn terug te vinden in het Financieel Jaarverslag Rijk van het desbetreffende jaar. In deze overzichten wordt voor 2024, 2023 en 2022 het onderscheid gemaakt tussen opvang ontheemden, zorg en onderwijs.
2022
2023
2024
Opvang ontheemden
1.079
3.436
2.598
Zorg
54
170
223
Onderwijs
200
222
75
Wat heeft de opvang van Oekraïners tot nu toe gekost per jaar voor decentrale overheden, inclusief kosten voor zorg, onderwijs en sociale zekerheid? Kunt u deze kosten uitsplitsen per genoemde categorie?
Zie antwoord op vraag 7.
Het verder uitsplitsen van de kosten voor de opvang tussen nationale overheid en de decentrale overheden is niet mogelijk. Daarbij zijn de kosten van de nationale overheid vaak een vergoeding aan decentrale overheden voor de gemaakte kosten. Dit geldt bijvoorbeeld voor de opvang van ontheemden. Zo maken de veiligheidsregio’s onder andere kosten voor de eerste opvang en maken gemeenten kosten voor de gemeentelijke opvang (GOO) en de particuliere opvang (POO). Voor zover beschikbaar worden de gemaakte kosten per begroting gepresenteerd in de departementale jaarverslagen.
Is Nederlandse steun in welke vorm dan ook betrokken bij het onlangs gemelde corruptieschandaal in Oekraïne of eerder betrokken geweest bij corruptie in Oekraïne op welk niveau dan ook?
Op dit moment zijn er geen indicaties dat met Nederlandse steun malversaties zouden hebben plaatsgevonden. Nederland heeft geen bijdrages gedaan aan het Oekraïense staatsenergiebedrijf Energoatom. Het grootste deel van de Nederlandse energiesteun aan Oekraïne loopt via internationale instellingen, zoals de Wereldbank en de EBRD. Deze banken hebben langjarige ervaring met het verlenen van steun en hebben sterke controlemechanismen om corruptie te voorkomen. Nederland ondersteunt Oekraïne actief bij het versterken van anti-corruptie-instanties, zowel bilateraal als in Europees verband.
Welke garanties heeft het kabinet dat Nederlandse steun doelmatig wordt besteed?
De Nederlandse procedures en auditing regels zien toe op de rechtmatige en doelmatige besteding van de beschikbaar gestelde middelen voor steun aan Oekraïne.
Het toetsen van militaire doelmatigheid vindt plaats aan de voorkant, waarbij de behoefte vanuit Oekraïne (centraal gecoördineerd door NATO Security Assistance and Training for Ukraine (NSATU)) al dan niet wordt gekoppeld aan het aanbod. Dit kan commercieel of eigen voorraad betreffen. De informatie over doelmatigheid van het militair vermogen komt terug via NSATU en Oekraïne.
Welke controlemechanismen heeft de Nederlandse regering tot haar beschikking om na te gaan of Nederlandse steun voldoende doelmatig wordt besteed?
Directe aanschaf in Oekraïne gebeurt op basis van het Nederlandse model. De Nederlandse procedure omvat een gegronde controle van elk bedrijf door de Audit Dienst Rijk (ADR). Deze regels en procedures nemen tijd in beslag en vereisen toegang tot informatie over bijvoorbeeld de prijsopbouw en winstmarges van de voorgenomen verwerving. Dit Government to Business-model zorgt ervoor dat er geen tussenkomst is van overheidsfunctionarissen bij de totstandkoming van contracten. Bij het Nederlandse model van directe samenwerking met de Oekraïense industrie, is Nederland zelf verantwoordelijk voor het uitonderhandelen en overeenkomen van een contract met een Oekraïense leverancier. Er zijn ook samenwerkingsovereenkomsten met NATO-trusted partners waarbij het partnerland de verwerving doet; Nederland vertrouwt in dat geval op de procedures van bondgenoten.
De Nederlandse niet-militaire steun loopt voor het grootste deel via de internationale financiële instellingen, zoals de Wereldbank en de EBRD. Deze banken hebben ervaring met steunprogramma’s in Oekraïne en passen audit- en controlemechanismen toe om corruptie zoveel mogelijk te voorkomen. Daarnaast loopt een deel van de Nederlandse bijdragen via de EU en VN-organisaties, die alle bijdragen toetsen op risico’s rondom fraude en corruptie. In geval van bilaterale steunprogramma’s wordt gewerkt met Nederlandse uitvoerende organisaties met een bewezen track record. Bij nieuwe bijdragen doorlopen uitvoerende organisaties een integriteitsanalyse en is er op reguliere basis contact over de stand van zaken m.b.t. hun werkzaamheden in Oekraïne.
Kunt u deze vragen vóór het plenaire debat over de Europese top van 18 en 19 december beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat de NAVO een Israëlisch defensiebedrijf in de ban doet vanwege een smeergeldzaak |
|
Stephan van Baarle (DENK) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «NAVO doet Israëlisch defensiebedrijf in de ban vanwege smeergeldzaak»?1
Klopt het dat het Israëlische defensiebedrijf Elbit Systems sinds 31 juli niet meer mee mag doen met aanbestedingsprocedures van de NAVO vanwege mogelijke corruptie?
Klopt het ook dat de lopende samenwerkingen tussen de NAVO en het Israëlische bedrijf zijn stilgelegd?
Klopt het dat het gaat om ernstige beschuldigingen waaruit blijkt dat Elbit zich mogelijk schuldig heeft gemaakt aan strafbare praktijken, waaronder onregelmatigheden bij de toekenning van contracten?
Op welk precies moment was de Nederlandse overheid op de hoogte van beschuldigingen dan wel vraagtekens aan het adres van Elbit inzake mogelijke corruptie?
Wat heeft de Nederlandse overheid gedaan met deze informatie?
Heeft u deze informatie onderzocht en meegewogen in het inkoopbeleid? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u de strekking en de uitkomsten van het onderzoek delen en aangeven hoe u dit meeweegt?
Hoe beoordeelt u deze informatie in relatie tot uw beleid en uw inkoopkader?
Op welk moment was de Nederlandse overheid op de hoogte van de opschorting van onderdelen van de relatie met Elbit door de NAVO?
Heeft de Nederlandse overheid deze opschorting laten meewegen in het beleid en in het bijzonder in het inkoopbeleid? Zo neen, waarom niet?
Zijn er aankopen gedaan door Nederland bij Elbit nadat de Nederlandse overheid informatie had over mogelijke verdenkingen omtrent corruptie? Zo ja, welke en hoe kunt u dit verantwoorden?
Acht u het inkopen bij een defensiebedrijf dat verwikkeld is in een corruptieschandaal verantwoord?
Bent u zich ervan bewust dat door het inkopen bij Elbit Nederlands belastinggeld terecht kan komen in de zakken van corruptieplegers?
Bent u zich ervan bewust dat de beschuldigingen over corruptie bovenop het feit komen dat Elbit, samen met andere Israëlische defensiebedrijven, hun wapentuig in de praktijk test op Palestijnen en hiermee schuldig zijn aan oorlogsmisdaden?
Bent u bereid om alle samenwerking met en inkopen bij Elbit te stoppen? Zo nee, waarom niet?
Het Young Global Leader programma van het World Economic Forum |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u dit jaar toegetreden tot het zogenaamde «Young Global Leader» programma van het World Economic Forum?1
Ja.
Door wie en wanneer bent u uitgenodigd toe te treden tot de 2025 «Young Global Leaders» klas van het World Economic Forum? Was dit een schriftelijke uitnodiging? Zo ja, kan de Tweede Kamer deze uitnodiging ontvangen?
De uitnodiging is in januari 2025 per e-mail ontvangen vanuit The Forum of Young Global Leaders Foundation (YGL Foundation).
Is het correct dat u bent uitgenodigd in uw hoedanigheid van Minister? Zo nee, waarom staat dit dan letterlijk zo aangegeven op de «Young Global Leader» website? Is het kabinet op de hoogte van deze nevenfunctie?2
Nee, de nominatie voor en deelname aan het Young Global Leaders programma is op persoonlijke titel. Dat de huidige functie van deelnemers wordt vermeld op de website van het programma doet daar niets aan af. Deelname aan het programma betreft geen nevenfunctie.
Wat waren uw beweegredenen om (op deze uitnodiging in te gaan en) lid te worden van de 2025 klas met «Young Global Leaders» van het World Economic Forum?
Ik heb positief gereageerd op de uitnodiging, omdat ik het eervol vind hiervoor te zijn genomineerd en het een kans biedt om internationaal van gedachten te wisselen met getalenteerde leiders.
Kan de Tweede Kamer dit driejarige «ontwikkelingsprogramma» van de 2025 «Young Global Leader» klas waar u (namens het kabinet) onderdeel van uitmaakt ontvangen? Bij welke «thematische bijeenkomsten» bent u aanwezig geweest? Welke «academische modules» van het World Economic Forum heeft u gevolgd?
Er is geen formeel ontwikkelingsprogramma, op de website van het Young Global Leaders programma kunt u meer lezen over de bijeenkomsten en modules waar men optioneel aan kan deelnemen. Ik ben (nog) niet bij een thematische bijeenkomst van het programma aanwezig geweest en heb geen academische module gevolgd.
Het «Young Global Leader» programma verschaft daarnaast, «opportunities to contribute to strategic initiatives aligned with the World Economic Forum’s mission», op welke manier heeft u, als WEF «Young Global Leader» bijgedragen aan welke specifieke doelstellingen van het World Economic Forum? Kan de Tweede Kamer hiervan een overzicht ontvangen?
Ik heb niet bijgedragen aan specifieke doelstellingen van het World Economic Forum. Zie ook het antwoord op vraag 5.
Hoe zou het kabinet de «doelstellingen van het World Economic Forum» omschrijven?
De WEF biedt een nuttig platform voor de uitwisseling van ideeën, onderzoeksresultaten en inzichten over actuele thema’s tussen politici, wetenschappers, journalisten en vertegenwoordigers van internationale organisaties, het bedrijfsleven en ngo’s. Het biedt ook een goede gelegenheid om in bilaterale gesprekken met internationale leiders en het bedrijfsleven specifieke onderwerpen te bespreken die van belang zijn voor Nederland.
Het doel van het WEF is het bijeenbrengen van overheid, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties om gezamenlijk bij te dragen aan een betere wereld.
Kan uit het feit dat u, als Minister van Defensie, bent toegetreden tot het «Young Global Leader» programma van het World Economic Forum logischerwijs worden geconcludeerd dat het kabinet de doelstellingen van het World Economic Forum steunt? Zo nee, waarom niet?
Nee, deelname aan dit programma geschiedt op persoonlijke titel. Zie ook het antwoord op vraag 3 en 7.
Is het correct dat Klaus Schwab, de inmiddels omstreden oprichter van het World Economic Forum, op 20 september 2017 op de Harvard Kennedy School, in het openbaar te kennen heeft gegeven trots te zijn dat het World Economic Forum het Young Global Leader programma wereldwijd gebruikt om, in zijn woorden, «kabinetten te penetreren»?3
Het is niet aan mij om de woorden van dhr. Schwab te recenseren.
Vindt het kabinet het wenselijk als leden van het kabinet deelnemen aan een programma waarvan de bedenker zélf aangeeft dat het bedoeld is om wereldwijd «kabinetten te penetreren»?
Zie antwoord op vraag 9.
Is het correct dat de Koning ook een WEF «Young Global Leader» is (geweest)? Ja of nee?4
Nee.
Kunt u de bovenstaande simpele en feitelijke ja-nee-vraag met alleen «ja» of «nee» beantwoorden? Zo nee, waarom bent u daartoe maar niet in staat?
Ja.
Kunt u de bovenstaande vragen afzonderlijk en binnen drie weken beantwoorden? Zo nee, waarom niet?
De vragen zijn zo snel als mogelijk beantwoord.
Het CPB-rapport 'Macro-economische effecten van hogere defensie-uitgaven' |
|
Maes van Lanschot (CDA) |
|
Vincent Karremans (VVD), Gijs Tuinman (BBB), Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Onderschrijft u de stelling van het CPB dat op een termijn van 1–4 jaar «de hogere defensie-uitgaven volledig ten koste gaan van andere economische activiteiten en geen extra toename van het bbp bewerkstelligen.»?1
Investeren in Defensie is in eerste instantie een investering in de veiligheid van Nederland en Europa. Veiligheid is een cruciale voorwaarde voor het goed functioneren van een economie. De baten van veiligheid zijn echter niet altijd makkelijk uit te drukken in economische waarden.
Het kabinet onderschrijft niet de stelling dat hogere defensie-uitgaven volledig ten koste gaan van andere economische activiteiten. Tegelijkertijd erkent het kabinet wel de door het CPB geschetste beperkingen voor extra economische groei op de korte termijn (1–4 jaar) in de Nederlandse context. Deze beperkingen hangen samen met structurele knelpunten, zoals de krapte op de arbeidsmarkt, ruimtelijke beperkingen en het risico op verdringing van bestaande economische activiteiten. Het CPB wijst er bovendien op dat de macro-economische effecten mede afhangen van de wijze van financiering (schulden, ombuigingen of belastingen), waarover besluitvorming aan een volgend kabinet is.
Defensie zet momenteel stappen op verschillende punten die het CPB benoemt. Met de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie (D-SII) 2025–20292 wordt ingezet op industrieversterkend inkopen in Nederland en Europa en op de gerichte opschaling van deze industrieën. Daarnaast kunnen defensie-investeringen bijdragen aan regionale economische activiteit, bijvoorbeeld rond defensielocaties en innovatieve ecosystemen. Het CPB geeft aan dat dergelijke investeringen kunnen leiden tot positieve economische spill-overeffecten, onder meer voor lokale ondernemers. Tegen deze achtergrond is de Nederlandse defensie-industrie tussen 2022 en 2023 gegroeid van circa € 5,7 mld. naar € 7,7 mld.
Daarbij merkt het kabinet op dat een belangrijk deel van de economische effecten van defensie-investeringen zich vooral op de middellange en lange termijn zal voordoen. Positieve economische effecten ontstaan vooral wanneer deze inzet gepaard gaat met gerichte investeringen in R&D, het realiseren van schaalvoordelen en het benutten van Nederlandse comparatieve voordelen, zoals uitgewerkt in de beantwoording van vraag 4.
Kunt u, indien dat niet het geval is, aangeven waar u verschillen ziet? Bijvoorbeeld ten aanzien van de onderliggende methodologie (literatuuronderzoek), de gebruikte data of de daaruit volgende conclusie.
Zie het antwoord op vraag 1.
Deelt u de mening dat we een «once in a generation» kans hebben om toe te groeien naar de afgesproken NAVO-norm van 3,5% én tegelijkertijd onze Nederlandse en Europese (defensie-)industrie te versterken?
Wij delen de opvatting dat de huidige situatie een bijzondere gelegenheid biedt om zowel de NAVO-norm van 3,5% defensie-uitgaven te realiseren als de Nederlandse en Europese defensie-industrie te versterken. Het is een kans om op een strategische manier te investeren in nationale veiligheid, noodzakelijke capaciteiten en technologische vernieuwing. Defensie en EZ werken samen met de Nederlandse industrie en onze NAVO-bondgenoten aan het benutten van de kansen voor de industrie.
Kunt u een overzicht geven van de knoppen waaraan uw ministeries op de korte (1–4 jaar) en langere termijn (5–15 jaar) kunnen draaien om de «defensie-multiplier» te verhogen?
Er zijn verschillende knoppen die benut (kunnen) worden om de economische effecten van Defensie-uitgaven op de (midden)lange termijn zo gunstig mogelijk te maken:
Tot slot geldt dat het oplossen van algemene knelpunten in de Nederlandse economie eraan bijdragen dat de bovenstaande knoppen tot minder verdringing van andere economische activiteiten plaatsvindt wanneer uitgaven aan defensie worden verhoogd.
Kunt u aangeven welke van deze knoppen u als meest kansrijk ziet? Kunt u een inschatting geven op hoofdlijnen aan de hand van de variabelen moeite (inclusief kosten) en impact?
Met de D-SII 2025–2029 heeft het kabinet reeds een belangrijke stap gezet om zowel de nationale en internationale veiligheid te garanderen als de economische baten te verhogen. Dit wordt gedaan door gecombineerde inzet op de beschreven knoppen. Dit draagt bij aan een sterke Nederlandse Krijgsmacht die een technologische voorsprong heeft op potentiële tegenstanders en toegang behoudt tot hoogwaardig, betaalbaar materieel waarbij leveringszekerheid noodzakelijk is. Ook zal de Economische beleidsanalyse (EBA) defensie-industrie in de tweede helft van 2026 een advies uitbrengen dat hier rekenschap van zal geven.
Kunt u aangeven welke initiatieven er vanuit uw ministeries ten aanzien van deze knoppen lopen?
Zie beantwoording vraag 4.
De economische impact van extra defensie-uitgaven volgens het Centraal Planbureau (CPB). |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NOS-artikel – op basis van onderzoek van het CPB – over de beperkte economische impact van extra defensie-uitgaven?1
Ja, Defensie is bekend met het artikel en de studie van het CPB waarover deze rapporteert.
Hoe beoordeelt u het CPB-onderzoek dat de meeste defensie-investeringen geen economische groei in Nederland zullen opleveren?
Investeren in Defensie is in eerste instantie een investering in de veiligheid van Nederland en Europa. Veiligheid is een cruciale voorwaarde voor het goed functioneren van een economie. De baten van veiligheid zijn echter niet altijd makkelijk uit te drukken in economische waarden.
Als gevolg van de toenemende dreigingen in Nederland en Europa, groeide de Nederlandse Defensie-industrie tussen 2022 en 2023 fors van 5,7 naar 7,7 miljard. Defensie zet momenteel stappen op veel van de punten die het CPB benoemt. Met de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie (D-SII) 2025–2029 zet Defensie in op industrieversterkend inkopen in Nederland en Europa en daarmee ook op de opschaling van deze industrieën. Ook draagt Defensie positief bij aan lokale economieën rond defensielocaties en regio’s met innovatieve ecosystemen. Het CPB geeft aan dat dit tot meer positieve economische spill-over effecten zal leiden, bijvoorbeeld voor lokale ondernemers.
Defensie vindt het van groot belang dat er vanuit verschillende invalshoeken wordt nagedacht over de optimale koers van het beleid en volgt publicaties zoals deze daarom nauwlettend. In de tweede helft van 2026 wordt de Economische beleidsanalyse (EBA) defensie-Industrie gepresenteerd. Dit betreft een advies over de opgave omtrent de opschaling van de defensie-industrie. Daarin wordt ook gekeken naar economische effecten van uitgaven aan Defensie, de resultaten van o.a. dit CPB-rapport worden daarin meegenomen.2
Wat is uw plan om te voorkomen dat extra investeringen slechts zullen leiden tot een budget-stapeling zonder operationele verbetering?
De Defensienota 2024 geeft inzicht in de investeringen die nodig zijn om de krijgsmacht de komende jaren te versterken.3 Defensie versterkt zowel de gevechtskracht die nodig is om een groot conflict te voorkomen en zo nodig te kunnen voeren en winnen, als ondersteunende capaciteiten om inzet lang vol te houden. Hierbij is het van belang dat Defensie beschikt over het juiste personeel. Daarom richten investeringen zich ook op mensen en goed werkgeverschap om de organisatie te laten groeien en schaalbaar te maken.
De Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie (D-SII) benadrukt het belang van het opschalen van de defensie-industrie in Nederland en Europa. Dit stelt Defensie beter in staat om de bestaande behoeften in te vullen. Dit betekent meer investeren in het vergroten van de productie- en leveringszekerheid, waarbij meer uitgaven aan Defensie ook moeten bijdragen aan het versterken van de eigen economie. Defensie gaat extra investeren in de 5 NLD gebieden (kwantum, slimme materialen, intelligente systemen, ruimtevaarttechnologie, sensoren) en in de maritieme maakindustrie. Deze technologische gebieden zijn gebaseerd op de behoeften van de krijgsmacht en de (potentiële) sterktes van de Nederlandse economie. Deze technologische focusgebieden zijn niet alleen voor Defensie van belang, maar brengen ook zogeheten spill-over effecten naar de bredere economie met zich mee en dragen bij aan de Nederlandse kenniseconomie.
Waarom kiest het kabinet ervoor om Nederlandse investeringsuitgaven grootschalig te besteden in het buitenland?
Zoals hierboven genoemd, zet Defensie met de D-SII in op industrieversterkend inkopen in Nederland, en daarmee ook op de opschaling van Nederlandse industrieën. Dit draagt bij aan het verlagen van de importafhankelijkheid. Het CPB geeft aan dat dit tot meer positieve economische effecten kan leiden. Defensie schat hierbij in dat Nederland een significante bijdrage kan leveren aan de Europese veiligheid door te investeren in technologieën met een sterk dual-use karakter, zoals drones of slimme materialen. Defensie speelt in op economische sterktes van Nederland, creëert daarmee kansen voor aangrenzende industrieën en jaagt daarmee innovatie en groei in bestaande ecosystemen aan. Daarnaast werkt Defensie hard aan vraagbundeling binnen Europa om schaalvoordelen te realiseren en de Nederlandse en Europese defensie-industrie te versterken.
Wanneer Defensie materieel importeert wordt ingezet op Industriële Participatie, wat inhoudt dat Defensie met buitenlandse leveranciers afspreekt dat de Nederlandse industrie of kennispartners bij orders wordt betrokken. Het Ministerie van Economische Zaken is verantwoordelijk voor het Industrieel Participatiebeleid. Zij maakt afspraken met buitenlandse leveranciers om de Nederlandse industrie en kennisinstellingen onder andere bij orders te betrekken. Zo zijn in het kader van de aanschaf van onderzeeboten afspraken met de leverancier gemaakt die er mede voor zorgen dat tijdens de productiefase ruim € 1 miljard aan opdrachten bij de Nederlandse industrie terechtkomt.4 Ook bij andere aanschaftrajecten wordt participatie van de Nederlandse industrie verzekerd, zo verkrijgt de Nederlandse industrie op jaarbasis opdrachten met een waarde van ruim € 200 miljoen in samenhang met de verwerving van de F-35.5
Defensie zet bij de inkoop meer in op single-source inkoop, door toepassing van WVEU 346, wat het mogelijk maakt gericht te sturen op de herkomst van producten. Daardoor kan snel en gericht in Nederland worden ingekocht. Met een Government-to-Government office en actieve business development werkt Defensie ook actief aan het aansporen van export door de Nederlandse industrie.
Bent u bereid een plan te ontwikkelen om de Nederlandse defensie-industrie te versterken zodat er minder Nederlands belastinggeld naar het buitenland lekt?
De D-SII geeft richting aan het versterken en opschalen van de Nederlandse Defensie en Technologische Industriële Basis (NLDTIB). Defensie zet sterk in op het opschalen van de Nederlandse defensie-industrie om de productie- en leveringszekerheid te vergroten. Defensie zal herkomst en tijdigheid van levering zwaarder meewegen bij de aanschaf van materieel. Dit zal de Nederlandse industrie in staat stellen een groter aandeel van de uitgaven aan Defensie te absorberen. Zoals hierboven genoemd, zal de D-SII bijdragen aan het verlagen van de importafhankelijkheid. Defensie is echter primair verantwoordelijk voor het garanderen van de veiligheid van Nederland en in Europa. Dat betekent dat er ook materieel in het buitenland wordt aangeschaft.
Met het inzetten van de productielocatie van VDL, eerder een leegstaande hal, vindt nu economische activiteit plaats. Ook investeert Defensie onder andere middels het SecFund in nieuwe start- en scale ups waardoor ecosystemen worden opgebouwd en de Nederlandse industrie een grotere rol speelt bij de opschaling van de krijgsmacht. Met de C-UAS challenge daagt Defensie bedrijven uit om met innovatieve oplossingen te komen waarmee Defensie in haar behoeften kan voorzien. Zie ook vraag 8 hieronder over de inzet van Defensie op technologie.
Hoe voorkomt u een verdere krapte op de arbeidsmarkt doordat defensie extra personeelsleden probeert te werven?
Defensie herkent de arbeidsmarktkrapte uitdagingen die in Nederland spelen en heeft hier aandacht voor bij de groeiopgave. De huidige geopolitieke situatie vraagt om een groei van het aantal militairen om als Defensie in NAVO-verband geloofwaardig te kunnen afschrikken. Daarom bouwt Defensie aan een schaalbare krijgsmacht die in 2030 bestaat uit 100.000 mensen en wanneer nodig schaalbaar is naar maximaal 200.000 mensen. Die schaalbare capaciteit wordt vooral ingevuld door reservisten. Door in te zetten op het vergroten van het aantal reservisten kan Defensie het personeelsbestand uitbreiden terwijl de gevolgen voor de arbeidsmarkt beperkt blijven. Reservisten blijven werkzaam bij hun dagelijkse werkgever en zetten zich daarnaast deeltijd in voor Defensie. Reservisten werken bij allerlei verschillende bedrijven en nemen hun kennis niet alleen mee naar Defensie en nemen ook vaardigheden mee terug naar hun civiele werk. Zoals ook wordt toegelicht in de Stand van Defensie is een versnelling nodig om de doelstellingen op het gebied van de personele opschaling te behalen.
Kunt u uitsluiten dat de extra defensie-uitgaven worden gefinancierd middels lastenverzwaringen die een negatief effect zullen hebben op de Nederlandse economie, zoals het CPB waarschuwt?
Besluitvorming over de financiering van de extra defensie-uitgaven is aan een volgend Kabinet. Het budgetrecht ligt bij het parlement en daar zal dan ook het definitieve besluit over de defensie-uitgaven worden genomen.
Waarom investeert defensie relatief weinig in zogeheten «dual-use» technologie, die dus ook de civiele innovatie versterkt?
In lijn met de D-SII investeert Defensie veel in dual-use. Dat betreft enerzijds investeringen in dual-use technologieën en fundamenteel onderzoek op basis van de 10 basisgebieden. Anderzijds betreft dit investeringen in de 5 NLD-gebieden waar Defensie de rol vervult van smart developer en launching customer. Defensie heeft recent geïnvesteerd in diverse instrumenten6 die erop gericht zijn om kennis, technologie en innovaties op het gebied van dual-use bij start-ups, MKB en kennisinstituten (TO2, universiteiten, hogescholen). Nederland besteedt 1,3% van haar Defensiebegroting aan Research & Technology (R&T) en houdt dit vast als minimum. R&T bestedingen kunnen bredere economische spill-over effecten hebben. Ook als onderdeel van materieelprojecten worden investeringen in innovatie gedaan.
Hoe verklaart u dat het kabinet defensie-uitgaven presenteert alsof ze economische groei zouden genereren, terwijl het CPB nu duidelijk laat zien dat dit niet tot nauwelijks het geval is?
Het CPB laat zien dat de Nederlandse economie krapte ervaart die het effect op de economie van Defensie-uitgaven beperken. De bijdrage kan echter hoger uitvallen als de juiste omstandigheden worden gecreëerd. Zoals aangegeven werkt Defensie aan beleid waarvan aannemelijk is dat het de multiplier zal verhogen, bijvoorbeeld door in te zetten op opschaling van de defensie-industrie in Nederland, meer middelen beschikbaar te maken voor innovatie, o.a. gericht op fundamenteel onderzoek en dual-use. Uitgaven gericht op innovatieve sectoren zoals space kunnen positieve economische effecten hebben voor de bredere maatschappij. Ook wordt het «weglek-effect» verkleind doordat wordt ingezet op het opschalen van de defensie-industrie binnen Nederland en Europa. Tot slot geldt ook dat uitgaven aan Defensie van belang zijn om economische schade door geopolitieke instabiliteit te verminderen door middel van geloofwaardige afschrikking. Het CPB-onderzoek benadrukt dit ook.
Bent u bereid transparanter te zijn over de beperkte impact die extra defensie-investeringen zullen hebben op de Nederlandse economie?
Ja, Defensie is hier zeker toe bereid. Defensie heeft recentelijk een onderzoek in opdracht gegeven om beter inzicht te krijgen in de brede economische effecten van de opschaling zodat deze effecten, zonder concessies aan de veiligheid, zo hoog mogelijk te houden. Ook de EBA Defensie-industrie, die voor de zomer 2026 wordt gepubliceerd, zal ingaan op de economische effecten van defensie-uitgaven.
Deelt u de opvatting dat defensie-investeringen – waar mogelijk – zo veel mogelijk ten goede zouden moeten komen aan de Nederlandse economie en de Nederlandse defensie-industrie?
Zie Kamerstuk 31 125 134 en de beantwoording vraag 5.
Kunt u inzichtelijk maken wat de gevolgen zijn voor de arbeidsmarkt wanneer defensie inzet op uitbreiding van het personeelsbestand?
Zie beantwoording vraag 6.
Bent u bereid om de focus veelal te leggen op Nederlandse productie en industrie in plaats van het buitenland?
Zie beantwoording vraag 5.
Kunt u een transparante kosten-effectiviteitsanalyse opstellen waarin duidelijk wordt in hoeverre extra uitgaven zorgen voor daadwerkelijke weerbaarheid en veiligheid van Nederland?
De doelstelling van de NAVO om 3,5% van het bbp aan Defensie uit te geven berust op een uitgebreide analyse van de capabilities die de NAVO nodig heeft om de veiligheid en afschrikking binnen het verdragsgebied te garanderen. Defensie vult deze opgave in via uitgaven aan zaken als personeel, materieel en onderhoud. Defensie houdt in de aanschaf rekening met een aantal zaken, waaronder de kosteneffectiviteit van de uitgaven. Uw Kamer is eerder dit jaar geïnformeerd over het NAVO-planningsproces waarin tevens aandacht werd besteed aan de financiële consequenties van deze doelstellingen.7 In de Stand van Defensie rapporteert Defensie over het totaalbeeld van de voortgang van de doelstellingen.8
Hoe verhouden de investeringen in materieel, zoals wapensystemen en voertuigen, zich tot de met name digitale bedreiging zou vormen?
Defensie werkt aan het versterken van haar capaciteiten in alle domeinen: land, lucht, zee, ruimte en cyber. Het digitale domein is randvoorwaardelijk en ondersteunend aan al deze domeinen. Op al deze gebieden worden investeringen gedaan die Defensie in staat stellen haar missie effectiever te vervullen. De Defensienota 2024 en de Digitale Transformatie Strategie9 beschrijven de investeringen die worden gedaan om de huidige doelstellingen te vervullen. Defensie stelt zich met deze investeringen in staat om samen met onze bondgenoten alle relevante dreigingen het hoofd te bieden. Met het Defensieprojectenoverzicht 2025 is uw kamer geïnformeerd over de aanschaf van materieel.10
Hoe verantwoord u dat Nederlandse belastingmiddelen vooral buitenlandse defensie-industrieën – en daarmee hun weerbaarheid – versterken?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 5, zet Defensie sterk in op het opschalen van de Nederlandse defensie-industrie om de productie- en leveringszekerheid te vergroten. Dit zal de Nederlandse industrie in staat stellen een groter deel van de uitgaven aan Defensie te absorberen. Defensie is echter primair verantwoordelijk voor het garanderen van de veiligheid van Nederland en van onze bondgenoten. Dat betekent dat er ook materieel in het buitenland kan worden aangeschaft. We kopen vaker dezelfde producten als onze bondgenoten. Wat goed is voor hen, is ook goed voor ons (en andersom). Nederland schaft daarbij hoofdzakelijk materieel aan bij nauwe bondgenoten, met voorkeur in Europa en anders bij NAVO-partners. Partners van Nederland schaffen ook in Nederland zaken aan. Bovendien positioneren we Nederlandse industrie in het buitenland door toepassing van Industriële Participatie.
Ziet u mogelijkheden om Nederlandse belastingmiddelen meer in te zetten voor de Nederlandse defensie-industrie en de Nederlandse weerbaarheid?
Ja, zie beantwoording vraag 4 en 5.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat defensie-uitgaven maximaal rendabel zijn?
Defensie zorgt er allereerst voor dat haar uitgaven maximaal rendabel zijn in relatie tot de capabilities die nodig zijn om onze veiligheid te garanderen. Dit zijn capabilities waarover binnen het NATO Defence Planning Process (NDPP) afspraken worden gemaakt om ervoor te zorgen dat bondgenoten samen het NAVO-grondgebied kunnen verdedigen. Daarmee wordt voorzien in een cruciale voorwaarde voor een gezonde economie. Tegelijkertijd zal Defensie oog hebben voor kansen om door middel van verhoogde aanschaf in Nederland en inzet op innovatie positieve economische effecten te garanderen. Onderzoeken zoals het CPB-rapport bieden inzichten die Defensie helpen economische kansen te benutten. Echter blijft de missie van Defensie om de veiligheid te garanderen daarbij leidend. Het versterken van de defensie-industrie draagt daaraan bij; minder strategische afhankelijkheid en leveringszekerheid dragen ook bij aan afschrikking.
Een gat in de steun aan Oekraïne |
|
Eric van der Burg (VVD), Fatimazhra Belhirch (D66), Kati Piri (PvdA), Maes van Lanschot (CDA), Laurens Dassen (Volt), Don Ceder (CU), Hanneke van der Werf (D66), Derk Boswijk (CDA) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de aangenomen motie van het lid Boswijk c.s. waarin de regering verzocht werd zich ervoor in te blijven spannen dat er geen ongewenste gaten vallen in de militaire steun aan Oekraïne?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat een deel van het budget voor militaire steun aan Oekraïne van 2026 naar het jaar 2025 vooruit is geschoven?
Ja, het kabinet heeft tijdens voorjaarsbesluitvorming van 2025 besloten om de militaire steun te continueren met € 3,1 miljard op de defensiebegroting voor 2026 (binnen het totaal van € 3,5 miljard steun voor Oekraïne). De militaire en geopolitieke ontwikkelingen rondom Oekraïne hebben er toe geleid dat het kabinet heeft besloten een deel hiervan versneld in 2025 te realiseren.
Klopt het dat daarmee vaststaat dat de militaire steun aan Oekraïne in 2026 flink lager zal zijn dan in dit jaar? Zo ja, wat is het verschil?
De totale militaire steun aan Oekraïne blijft hetzelfde als bij de voorjaarsbesluitvorming is besloten. Een deel van deze steun is versneld in 2025 tot kasuitgaven gekomen. Als direct gevolg van het besluit is een gedeelte van de middelen die oorspronkelijk voor 2026 bestemd waren, reeds dit kalenderjaar uitgegeven. Het totale begrote bedrag aan kasuitgaven zal daardoor ca. € 4,3 miljard voor 2025 bedragen op de defensiebegroting. De momenteel begrote militaire steun op de defensiebegroting aan kasuitgaven voor 2026 bedraagt vooralsnog € 2,1 miljard. Voor 2027 zijn reeds kasuitgaven voor een totaal van € 750 miljoen gereserveerd op de defensiebegroting, mede omdat dit Nederland in staat stelt meerjarige uitgavenverplichtingen aan te gaan (bijvoorbeeld mbt de productie van drones en F16-gerelateerde verplichtingen).
Daarnaast is er in 2025, 2026 en 2027 nog respectievelijk ca. € 0,7 miljard, ca. € 0,5 miljard en ca. € 0,4 miljard beschikbaar op het defensiematerieelfonds voor de eigen krijgsmacht ter vervanging van eerder geleverd materieel.
Voorziet u dat in 2026 de voortzetting van de Oekraïense defensie-industrie in het geding komt? Zo nee, waarom niet?
Dit kabinet onderstreept het belang van het investeren in de Oekraïense defensie-industrie en heeft daartoe reeds meer dan € 1 miljard direct bij bedrijven in Oekraïne verworven. Een deel van deze investeringen zal in 2026 tot daadwerkelijke leveringen aan Oekraïne leiden. Ook in 2026 zal Nederland blijven investeren in de Oekraïense defensie-industrie.
Nederland investeert relatief veel in de Oekraïense defensie-industrie, onder andere via het Drone Line Initiative. Om voortzetting van de productie van de Oekraïense defensie-industrie in 2026 te waarborgen roept dit kabinet ook andere landen op om meer te investeren in de Oekraïense defensie-industrie. Hierbij biedt Nederland ook aan om gebruik te maken van onze contracten, ervaringen en opgedane lessen.
Bent u het ermee eens dat de Oekraïense strijdkrachten onverminderde steun verdienen? Zo nee, waarom niet?
Ja, Nederland blijft Oekraïne politiek, militair, financieel en moreel onverminderd steunen in tijden van oorlog, herstel en wederopbouw, zo lang als nodig is. Daarom is de lijn van het kabinet dat de internationale steun opgevoerd moet worden om Oekraïne in de sterkst mogelijke positie te brengen, waardoor Oekraïne ruimte krijgt bij mogelijke onderhandelingen en Oekraïne zich ook tegen toekomstige Russische agressie kan blijven verdedigen. Het onverminderd ondersteunen van de Oekraïense strijdkrachten met militaire steun is daar uiteraard onderdeel van.
Hoe bent u van plan om te voorkomen dat er ongewenste gaten vallen in de militaire steun aan Oekraïne?
Defensie richt zich op het waarborgen van een doorlopende en betrouwbare militaire steun aan Oekraïne. Tegelijkertijd is ook enige ruimte voor flexibiliteit nodig om te kunnen reageren op veranderende omstandigheden, zowel in Oekraïne als in de internationale steunverlening. Nederland zorgt ervoor dat de samenstelling van de militaire steun nauw aansluit op de behoeften van het Oekraïense Ministerie van Defensie en dat toezeggingen aan Oekraïne ook daadwerkelijk worden gerealiseerd. Naast de eigen inspanningen spoort Nederland ook andere bondgenoten aan om meer steun aan Oekraïne te leveren. Daarmee zet het kabinet in op meerburden sharing. Daarbij wordt ook gekeken naar de inzet van Russische bevroren tegoeden.
Het bericht ‘'Nederland moet zich uitspreken' tegen grote militaire actie VS in Cariben’ |
|
Don Ceder (CU), Heera Dijk (D66) |
|
van Marum , David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) , Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het bericht ««Nederland moet zich uitspreken» tegen grote militaire actie VS in Cariben» en de aankondiging van operatie «Southern Spear» van Secretary of War Pete Hegseth?1 2
Het Koninkrijk der Nederlanden zet zich onverminderd in voor stabiliteit en veiligheid in het Caribisch gebied. Het kabinet benadrukt dat alle partijen zich moeten inspannen om verdere escalatie te voorkomen en zich dienen te houden aan het internationaal recht. Het kabinet roept, samen met andere EU-lidstaten, hiertoe op. Dit werd op 9 november jl. ook onderschreven in de gezamenlijke verklaring van de CELAC-EU-top met Latijns-Amerikaanse – en Caribische landen.
In contacten met de Verenigde Staten benadrukt de regering het belang van het meewegen van de gevolgen voor de regio, waaronder het Caribisch deel van het Koninkrijk.
Heeft u al contact gehad met de Amerikaanse regering over de aanvallen in het Caribisch gebied en de operatie? Welke boodschap heeft u daarbij overgebracht?
Zie antwoord vraag 1.
Meent u dat de aanvallen een ondermijning zijn van het internationaal recht? Zo nee, waarom niet? Welk juridisch regime is volgens u dan van toepassing?
Het Koninkrijk is niet betrokken bij de huidige militaire operatie van de Verenigde Staten. Het betreft een nationaal aangestuurde operatie van de VS, die in internationale wateren plaatsvindt, waarbij de regering van de VS zich beroept op zelfverdediging. Volgens de VS vormen transnationale drugskartels, vanwege hun gewelddadige en paramilitaire activiteiten, een ernstige dreiging voor de nationale veiligheid van de VS.
Het kabinet heeft kennisgenomen van deze rechtvaardiging voor het gebruik van geweld. Zoals bekend is het standpunt van het kabinet dat voor het recht op zelfverdediging sprake moet zijn van een gewapende aanval of een onmiddellijke dreiging daarvan. Het kabinet beschikt op dit moment niet over informatie om eigenstandig te kunnen beoordelen of hiervan sprake is.
Wat is op dit moment de veiligheidsanalyse ten aanzien van de veiligheid van de landen in het Caribisch deel van het Koninkrijk? Welke stappen moeten naar aanleiding van de meest recente nieuwsberichten verder ondernomen worden om de veiligheid van de inwoners op de eilanden te garanderen?
De veiligheidssituatie in het Caribisch deel van het Koninkrijk staat onder verhoogde aandacht vanwege de recente spanningen tussen de Verenigde Staten en Venezuela, in combinatie met de aanhoudende politieke, sociaaleconomische en humanitaire instabiliteit in Venezuela. Mogelijke neveneffecten van deze ontwikkelingen zouden met name gevolgen kunnen hebben voor de Benedenwindse eilanden – Aruba, Curaçao en Bonaire – gezien hun geografische nabijheid. De risico’s betreffen zowel mogelijke neveneffecten van geopolitieke spanningen als de impact van regionale migratie- en veiligheidsvraagstukken.
De Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister van Defensie houden de ontwikkelingen nauwgezet in de gaten. De Minister van Buitenlandse Zaken staat in contact met en houdt de regeringen van Aruba en Curaçao en de gezaghebber van Bonaire op de hoogte van de ontwikkelingen. Ondanks de afwezigheid van een acute dreiging, werken Aruba, Bonaire en Curaçao momenteel aan diverse scenario’s die helpen bij de voorbereiding op bijvoorbeeld logistieke vraagstukken. Dit geldt eveneens voor Nederland, door voorbereidingen te treffen voor bijstand en ondersteuning. Dat hoort bij de reguliere samenwerking op het gebied van crisisbeheersing. De eilanden kunnen daarbij waar gewenst rekenen op de ondersteuning van de Nederlandse departementen.
Hoe is de motie Ceder c.s. over het versterken van defensiecapaciteit van het Caribisch deel van het Koninkrijk uitgevoerd? Kunt u in detail ingaan op welke versterkingen er inmiddels zijn gedaan? Hoe luidden de reacties van de verantwoordelijke bestuurders op de eilanden omtrent deze stappen?3
Het Ministerie van Defensie is verantwoordelijk voor de handhaving van de onafhankelijkheid en de verdediging van het Koninkrijk. Defensie heeft daarom een permanente presentie in de regio bestaande uit personeel en materieel van meerdere Defensieonderdelen, verspreid over diverse bases en kazernes.
Doorlopend weegt Defensie zorgvuldig af of aanvullende versterkingen nodig zijn in het licht van de huidige ontwikkelingen. Op dit moment wordt er geen aanvullend materieel vanuit Europees Nederland gestuurd. Defensie kijkt periodiek of dit passend is als voorzorgsmaatregel.
Daarnaast wordt de Nederlandse Krijgsmacht in het licht van de ernstig verslechterde veiligheidssituatie in de wereld verder versterkt. Een deel van de investeringen komt ook de activiteiten van Defensie in het Caribisch deel van het Koninkrijk ten goede, bijvoorbeeld de vernieuwing van de marinevloot. Investeringen voor de aankomende jaren die specifiek toezien op het Caribisch deel van het Koninkrijk zijn onder andere een luchtwaarschuwingsradar, counter-UAS (Unmanned Aerial Systems) middelen, draagbare luchtverdedigingsmiddelen, en het gebruik maken van aanvullende vlieguren voor Defensie voor de DASH-8, het verkenningsvliegtuig van de Kustwacht Caribisch Gebied. Tot slot worden de beveiligings- en bewakingstaken van de Caribische milities (CARMIL) overgedragen aan het Defensie Bewakings- en Beveiligingsorganisatie (DBBO), waardoor de CARMIL meer paraat kan staan voor inzet en bijstand.
Nu het Verenigd Koninkrijk is gestopt met het delen van inlichtingen over vermeende drugssmokkel in het Caribisch gebied met de VS, overweegt u dit ook te doen? Zo nee, waarom niet?4
Het Koninkrijk der Nederlanden is niet betrokken bij de Amerikaanse operatie. Door de VS is toegezegd dat de informatie die gezamenlijk voor de Joint Interagency Taskforce South (JIATF-S) wordt vergaard, niet wordt ingezet voor de nationale operatie van de VS.
Defensie doet geen publieke uitspraken over de concrete activiteiten op het gebied van samenwerking en gegevensuitwisseling met andere inlichtingendiensten en communiceert daarover met de Kamer via de geëigende kanalen.
Heeft de Amerikaanse aanwezigheid binnen het Koninkrijk (zoals op Curaçao en Aruba) een rol gespeeld bij de Amerikaanse aanvallen op boten, doordat er bijvoorbeeld Amerikaanse vliegtuigen zijn opgestegen vanaf Curaçao die betrokken waren bij de aanvallen? Zo ja, wat was die rol concreet en hoe beoordeelt u deze rol?
Er vinden geen vluchten plaats vanaf Hato Airport t.b.v. de nationale operatie van de VS.
Voor het gebruik van de Cooperative Security Location (CSL) op het vliegveld van Curaçao hebben het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten in het een verdrag5 afspraken vastgelegd. Dit verdrag geeft toestemming voor het uitvoeren van vluchten vanaf de luchthaven van Curaçao ten behoeve van surveillance, monitoring en het opsporen van drugstransporten. Deze instemming ziet alleen op onbewapende vluchten. Het uitvoeren van onbewapende verkenningsvluchten vanaf de CSL naar de internationale wateren en het internationale luchtruim past binnen de verdragsafspraken. Deze reikwijdte beperkt zich echter tot gezamenlijke inzet, niet tot nationale inzet. Het Koninkrijk is niet betrokken bij de nationale inzet vanuit de VS in de internationale wateren en het internationale luchtruim.
Bent u bereid om, zo nodig met gelijkgestemde landen of in EU-verband, aan te dringen op een onafhankelijk onderzoek naar de aanvallen? Zo nee, waarom niet?
Het is in eerste instantie aan de Verenigde Staten om (onafhankelijk) onderzoek uit te voeren. We spreken partners en bondgenoten aan wanneer de situatie daartoe aanleiding geeft, ook in EU-verband. Vaak is het effectiever om dat via diplomatieke kanalen te doen. Daarnaast verwijst het kabinet naar de gezamenlijke verklaring van de EU en de Latijns-Amerikaanse en Caribische landen van 9 november 2025.
Bent u voornemens om zich uit te spreken tegen deze aanvallen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
In hoeverre is er contact en overleg met de verantwoordelijke bestuurders binnen het Koninkrijk. Bent u bereid de Kamer periodiek te informeren over de stand van zaken?
De Minister van Buitenlandse Zaken heeft regelmatig en nauwgezet contact met de verantwoordelijke bestuurders over de geopolitieke actualiteit.
De Kamer is in de laatste periode op verschillende manieren geïnformeerd over de stand van zaken, waaronder het Kamerdebat op 9 december jl. Desgevraagd kunnen de Minister van Buitenlandse Zaken, de Minister van Defensie en de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties altijd om aanvullende informatie worden gevraagd.
Het wegnemen van financieringsknelpunten voor het opschalen van de defensie-industrie |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
Gijs Tuinman (BBB), Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u een stand van zaken geven van wat er tot nog toe gedaan is binnen de vier actielijnen om knelpunten rondom financiering van (de opschaling van) de defensie-industrie te verminderen, zoals omschreven in uw brief van 12 maart 2025? (Kamerstuk 31 125, nr. 133)
Herinnert u zich de aangenomen motie Boswijk over het wegnemen van financieringsknelpunten voor het opschalen van de defensie-industrie, met daarin het verzoek alle aanbevelingen uit het rapport van de specialisten van IDEA uit te voeren? (Kamerstuk 31 125, nr. 136)
Kunt u van ieder van de acht door IDEA geformuleerde knelpunten apart aangeven waar deze aansluiten binnen de vier actielijnen uit de brief van 12 maart 2025?
Kunt u van ieder van de acht door IDEA geformuleerde knelpunten apart aangeven welke stappen Defensie inmiddels heeft gezet om deze knelpunten aan te pakken?
Bent u bereid de onderzoekers van IDEA te vragen of zij van mening zijn dat met de ingezette actielijnen van Defensie daadwerkelijk de door hen op basis van ruim 500 consultaties van Nederlandse en Europese defensiebedrijven en financiële instellingen geconstateerde knelpunten adequaat worden aangepakt? Zo nee, waarom niet?
Kunt u de Kamer voor het eind van 2025 informeren over de uitkomsten van deze uitvraag bij de onderzoekers?
Het bericht dat als je bij de geheime dienst solliciteert, Google dat als eerste weet |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
Rijkaart , Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht van Follow the Money waarin onderbouwd wordt dat sollicitatiegegevens van kandidaten voor de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) via werkenvoornederland.nl automatisch terechtkomen bij Amerikaanse techbedrijven zoals Google, Amazon en Cloudflare?1
Ja.
Herinnert u zich de antwoorden van uw ambtsvoorganger op eerder gestelde schriftelijke vragen over dit onderwerp, waarin juist beweerd werd dat er geen gegevens van sollicitanten bij de AIVD en MIVD gedeeld worden met Google?2
De beantwoording van de eerder gestelde Kamervragen over dit onderwerp is mij bekend.
Hoe verklaart u het verschil tussen die eerdere antwoorden en de uitkomsten van het onderzoek van Follow the Money? Deelt u de mening dat dit verschil niet afgedaan kan worden met verwijzen naar «definitiekwesties» over wanneer iemand wel of niet een sollicitant is? Zo nee, waarom niet?
Ik begrijp dat eerdere beantwoording niet toereikend is. Ik zal hier proberen om eventuele onduidelijkheden weg te nemen. In de beantwoording van de Kamervragen in februari 2025 is verschil gemaakt tussen een sollicitant en een geïnteresseerde bezoeker van werkenvoornederland.nl. Op het moment dat een geïnteresseerde de website werkenvoornederland.nl bezoekt, gebruikt BZK/Organisatie & Personeel Rijk (O&P Rijk) inderdaad Google Analytics. Overigens wordt er momenteel gewerkt aan de uitfasering van Google Analytics plaats en de overstap naar een Europees alternatief, en gebruiken we Google Analytics niet meer voor de vacaturepagina’s van de AIVD en MIVD op werkenvoornederland.nl.
Zodra een geïnteresseerde bezoeker een motivatie en persoonlijke gegevens achter laat om te solliciteren, gebeurt dit in een aparte omgeving. In deze aparte omgeving wordt Google Analytics niet gebruikt. De persoonlijke gegevens van een sollicitant komen dan ook niet bij Google Analytics terecht. Hetzelfde geldt voor het selectieproces, dat offline plaatsvindt.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat sollicitanten worden gewaarschuwd om «geen informatie over hun sollicitatie te delen», terwijl de overheid zelf informatie over de interesse in een sollicitatie bij de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (onbedoeld) deelt met buitenlandse partijen? Zo nee, waarom niet?
Het actief delen van een (lopende) sollicitatie bij de inlichtingen- en veiligheidsdiensten in je eigen omgeving en het vermelden daarvan op sociale media brengt bepaalde risico's met zich mee. Afgezien van zeer beperkte data van geïnteresseerde bezoekers (zie beantwoording vragen 5 en 7) worden er geen persoonlijke gegevens van sollicitanten gedeeld. De kans dat digitaal gedrag op een website als werkenvoornederland.nl tot dezelfde risico's leidt is daarom kleiner.
Deelt u de zorg van experts dat dit gegevenslek de veiligheid van sollicitanten én daarmee de nationale veiligheid in gevaar kan brengen, met name wanneer deze data via Amerikaanse wetgeving opgevraagd kan worden door Amerikaanse inlichtingendiensten? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de mening dat het belangrijk is om zorgvuldig met dergelijke data om te gaan. Het verwerken van gegevens door Google ten behoeve van het gebruik van de analyse functionaliteit van Google Analytics is tot een minimum beperkt. De data die verwerkt worden door middel van Google Analytics, worden conform de Google Analytics 4 (GA4) voorwaarden verwerkt. Indien het noodzakelijk is persoonsgegevens te verwerken, worden deze door Google geaggregeerd, voordat deze onmiddellijk volgens de gestelde voorwaarden verwijderd worden. Er is geen indicatie dat er sprake is of was van een gegevenslek.
Op welke wijze worden gegevens van sollicitanten momenteel verwerkt bij sollicitaties voor de AIVD en MIVD? Kunt u toelichten welke gegevens worden gedeeld, met welke (buitenlandse) partijen en op basis van welke verwerkersovereenkomsten?
Iemand kan solliciteren door een online formulier in te vullen. Deze informatie wordt gebundeld door een Nederlands bedrijf, waarna de AIVD en de MIVD de informatie in hun eigen systemen zetten. De informatie wordt kort hierna verwijderd uit het oorspronkelijke systeem. De diensten doen geen uitspraken over de wijze van verwerking van de gegevens van sollicitanten op de eigen beveiligde systemen.
Klopt het dat bij het klikken op de knop «solliciteren» op werkenvoornederland.nl gegevens van de sollicitant, zoals IP-adres, browsergegevens en klikgedrag, automatisch worden doorgestuurd naar techbedrijven? Zo ja, hoe rijmt u dit met het beveiligingsniveau dat bij sollicitaties voor de inlichtingen- en veiligheidsdiensten vereist is?
O&P-Rijk maakt voor werkenvoornederland.nl gebruik van GA4 dienstverlening van Google. Het IP-adres, de browsergegevens en het klikgedrag van een geïnteresseerde bezoeker wordt verwerkt door Google, conform de Google Analytics 4 (GA4) voorwaarden. Zoals bij vraag 5 aangegeven, betekent dit dat het verwerken van gegevens door Google tot een minimum beperkt is. De diensten maken door middel van publicatie van vacatures op werkenvoornederland.nl gebruik van het platform van BZK/O&P Rijk.
Deze website valt onder het beleid van BZK en er wordt doorlopend gekeken naar – waar nodig – verbeteringen in de processen en informatiebeveiliging.
In hoeverre is de privacy- en cybersecurityrisicoanalyse van de site werkenvoornederland.nl toegespitst op functies bij de AIVD en MIVD? Zijn hier aanvullende maatregelen genomen? Zo nee, waarom niet?
De privacy- en cybersecurityanalyses van de website werkenvoornederland.nl zijn niet toegespitst op de vacatures van de AIVD en de MIVD. BZK/O&P Rijk levert met deze website een generieke dienstverlening en volgt hier het beleid rondom websites bij BZK, het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO), de Baseline Informatiebeveiliging Overheid (BIO) en de verplichte richtlijnen websites en andere online middelen van het Forum Standaardisatie.
Het solliciteren op functies bij de AIVD en de MIVD gebeurt in een aparte omgeving, wat een aanvullende (beveiligings)maatregel is.
Waarom is er niet gekozen voor een beveiligd, intern sollicitatieportaal voor functies bij de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, los van het generieke Rijksportaal?
Onze inlichtingen- en veiligheidsdiensten zijn continu op zoek naar experts en professionals. Een toegankelijk en makkelijk vindbaar portaal, zoals via werkenvoornederland.nl, is noodzakelijk om de juiste doelgroepen te bereiken. Dit is tevens onderdeel van de rijksbrede afspraak dat vacatures altijd worden gepubliceerd op werkenvoornederland.nl. Deze website is als het ware een etalage voor vacatures, waaronder voor de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Wanneer iemand solliciteert, worden gegevens verwerkt in een apart sollicitatieportaal. Zie ook het antwoord op vraag 3.
Bent u bereid om het sollicitatieproces voor functies bij de AIVD en MIVD onmiddellijk te herzien, zodat gegevens niet (meer) toegankelijk zijn voor partijen buiten de Nederlandse overheid? Zo nee, waarom niet?
Ik hecht veel waarde aan de veiligheid van geïnteresseerden die overwegen te solliciteren bij de diensten en personen die daadwerkelijk solliciteren. Vooralsnog is er geen aanleiding om het sollicitatieproces onmiddellijk te herzien. Er wordt voortdurend bekeken hoe de processen en informatiebeveiliging verbeterd kunnen worden.
Is het wat u betreft denkbaar dat Google weet wie er de afgelopen veertien jaar bij de diensten hebben gesolliciteerd? Zo nee, kunt u onderbouwen waarom dat volgens u niet denkbaar zou zijn?
Die kans is klein, omdat wat via Google Analytics (zowel in het verleden via Universal Analytics als nu via GA4) werd gemeten, zich beperkt tot geaggregeerde webstatistieken van bezoekers van werkenvoornederland.nl. Het gebruik van gegevens is tot een minimum beperkt en wordt door Google enkel in geaggregeerde vorm verwerkt.
Wat betekent dit voor reeds lopende sollicitatieprocedures? Worden sollicitanten achteraf geïnformeerd dat hun gegevens mogelijk bij derden terecht zijn gekomen? Zo nee, waarom niet?
Zoals bij vraag 3 en 6 aangegeven, gebeurt solliciteren in een aparte omgeving. Google heeft geen zicht op deze fase van het sollicitatieproces en daarmee is de impact op lopende sollicitatieprocedures minimaal.
Hoe staat het inmiddels met het onderzoek van de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) naar het gebruik van Google Analytics 4 en het mogelijke verbod op het gebruik hiervan?
De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) is in 2022 een onderzoek gestart naar het gebruik van Google Analytics versie 3 (Universal Analytics). Hierover heeft de AP geen besluit gepubliceerd, omdat dit heeft geresulteerd in een berisping voor de partij die Google Analytics in gebruik had genomen. Berispingen worden, conform het openbaarmakingsbeleid van de AP, niet openbaar gemaakt. In het onderzoek ging het om doorgifte van persoonsgegevens naar de VS, wat in strijd kan zijn met de AVG. Nu geldt echter een adequaatheidsbesluit voor de VS (Data Privacy Framework). Hierdoor voldoet doorgifte naar de VS, voor zover er is voldaan aan het DPF, ook aan de eisen van de AVG die gelden voor doorgifte. Het onderzoek naar Google Analytics versie 3 is daarmee ook niet één op één door te trekken naar het gebruik van Google Analytics op dit moment.
Een totaalverbod op Google Analytics opgelegd door de AP ligt nu niet voor de hand. Het is niet aan de AP een oordeel te vellen over de diensten die door Google geleverd worden, aangezien het Europese hoofdkantoor van Google in Ierland is gevestigd. Ook vanuit cookiewetgeving (artikel 11.7a Telecommunicatiewet) is dit niet aan de AP, omdat de Autoriteit Consument & Markt (ACM) de bevoegde toezichthouder is. De AP heeft in overleg met de ACM aan de Minister van Economische Zaken voorgesteld om dit toezicht bij de AP te beleggen. In het kader van toezicht op cookies en online tracking is de AP wel aan het onderzoeken in hoeverre zij wat kan zeggen over welke cookies wel en niet onder de uitzondering van de cookiebepaling kunnen vallen. Wanneer zij daar uitsluitsel over kan geven, ligt onder andere aan het verschuiven van de bevoegdheid op de cookiebepaling.
Hoe oordeelt u over de conclusie van de geraadpleegde experts in het artikel van Follow The Money, dat het gebruik van Google Analytics op werkenvoornederland.nl sowieso niet conform de AVG is, omdat er sprake kan zijn van het verzamelen van identificeerbare persoonsgegevens, maar hier geen toestemming voor gevraagd wordt?
Er worden enkel analytische cookies en geen tracking cookies geplaatst. Dit is, conform regelgeving, opgenomen in het cookie-statement van werkenvoornederland.nl (Cookies - Werken voor Nederland).
Welke maatregelen gaat u nemen om dit lek zo spoedig mogelijk te voorkomen en het vertrouwen in de veiligheid van werken bij de overheid te herstellen?
Zoals ook bij vraag 5 aangegeven, is er geen indicatie dat er sprake is of was van een gegevenslek. Voor de vacaturepagina's van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten die gelezen worden door geïnteresseerden is het gebruik van Google Analytics, inmiddels uitgezet na een nieuwe afweging in het kader van dienstverlening.
Bent u ervan op de hoogte dat de Europese Commissie in het komende jaar een nieuw besluit zal nemen over de voorwaarden waaronder de 2GHz-radiofrequentie, ook wel bekend als het S-band spectrum, gebruikt mag worden?
Ja. Het gaat hier specifiek om de banddelen 1.980–2.010 MHz en 2.170–2.200 MHz, die bij besluit van 14 februari 2007 op Europees niveau zijn geharmoniseerd voor de implementatie van systemen voor mobiele satellietdiensten.1 Beschikking 626/2008/EG2 van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 2008 bepaalt dat de rechten voor 18 jaar worden verleend, gerekend vanaf het moment van het selectiebesluit. Het selectiebesluit is genomen op 13 mei 2009 en de Commissie werkt op dit moment aan de vervolgstappen.3
Bent u ervan op de hoogte dat de twee bedrijven1 die in 2007 voor 20 jaar de licenties van het spectrum in handen kregen inmiddels zijn overgekocht door Amerikaanse partijen?2 Wat vindt u ervan dat deze licenties voor satellietcommunicatie niet meer in Europese handen zijn?
Ja, ik ben op de hoogte van de genoemde overnames. Ik vind het van belang dat het spectrum voor mobiele satellietdiensten na 2027 toegankelijk zal zijn voor partijen die interesse hebben in het aanbieden van diensten in deze band onder de door de Commissie gestelde voorwaarden. Ik zal richting de Europese Commissie bepleiten om zogenoemde «wholesale-verplichtingen» op te nemen in een eventuele nieuwe beschikking, dat wil zeggen dat andere partijen gebruik kunnen maken van het netwerk om diensten aan te bieden. Het opnemen van een dergelijke verplichting voorkomt het ontstaan van een risicovolle strategische afhankelijkheid van één of twee partijen.
Hoe reageert u op het gegeven dat het Amerikaanse SpaceX voor 17 miljard dollar aan communicatiefrequentie koopt bij EchoStar Corporation om particulier te gebruiken in het netwerk van Starlink?3 Is dit in lijn met uw visie op de vraag hoe de 2GHz-frequentie gebruikt zou moeten worden?
Het is nog onbekend of de Europese frequentierechten van EchoStar ten aanzien van de banddelen 1.980–2.010 MHz en 2.170–2.200 MHz onderdeel uitmaken van de deal die EchoStar heeft gesloten met SpaceX. In algemene zin ben ik geen voorstander van het ontstaan van afhankelijkheid van één of twee individuele partijen. Zie hiertoe ook het antwoord onder 2.
Kunt u het vervolgproces toelichten over de vraag hoe de voorwaarden worden opgesteld waaronder de 2GHz-frequentie in de toekomst gebruikt mag worden? Op welke momenten vindt hierover besluitvorming plaats en wanneer worden er onomkeerbare besluiten genomen?
De Europese Commissie beschikt over de bevoegdheid om een voorstel te doen over voorwaarden van gebruik van de 2 GHz-banddelen die Europees geharmoniseerd zijn. De Europese Commissie wordt hierin bijgestaan door het Comité voor Communicatie («CoCom»), zoals vastgelegd in artikel 118 van de Telecomcode.7 Indien de commissie een voorstel doet voor aanpassing van de geldende besluiten is de gewone wetgevingsprocedure van toepassing.8 Dit betekent dat een nieuw voorstel wordt voorgelegd aan het Europees Parlement en de Europese Raad. De instemming van beide gremia is vereist voor de inwerkingtreding van een eventueel nieuw voorstel dat de huidige EU-besluiten met betrekking tot de 2 GHz-banddelen zou vervangen. De Europese Commissie heeft momenteel nog geen aankondiging gedaan ten aanzien van een nieuw voorstel.
Heeft de 2GHz-frequentie een strategisch belang, bijvoorbeeld voor defensieve of civiele doeleinden? Kunt u schetsen op welke manieren de frequentie in de komende 18 jaar gebruikt kan worden?
In februari 2024 heeft de Radio Spectrum Policy Group (hierna: «RSPG») de Europese Commissie geadviseerd over de toekomst van de 2 GHz-banddelen.9 De RSPG bestaat uit vertegenwoordigers uit alle lidstaten die de Europese Commissie adviseren over Europees spectrumbeleid. In dit advies zijn verschillende scenario’s gepresenteerd over op welke manier deze banddelen gebruikt zouden kunnen worden. De scenario’s zijn gebaseerd op input van Europese stakeholders, die tijdens de totstandkoming van het advies in de periode van 9 november 2023 tot 21 december 2023 zijn geconsulteerd.10 De gepresenteerde scenario’s zijn: 1. Geen nieuwe bandindeling, huidige situatie met twee vergunninghouders voortzetten; 2. Verschillende nieuwe bandindelingen voor meerdere satellietoperators of voor innovatieve toepassingen die minder bandbreedte dan satellietoperators nodig hebben. Per scenario is eveneens gekeken naar de mogelijke voordelen voor de Europese Unie. Met inachtneming van de bestemming zijn er verschillende toepassingen denkbaar zowel ten aanzien van commercieel- als overheidsgebruik van de frequentieruimte.
Is bij u bekend of door het directoraat-generaal Defensie en Ruimte (DEFIS) een behoefte is geformuleerd om de 2GHz-frequentie voor het IRIS2-netwerk te gebruiken? Zo ja, kunt u toelichten wat deze behoefte is?
Nee, er is geen formeel verzoek bij mij bekend.
Wat is uw visie op de ontwikkeling van een «direct-to-device» functie, waarmee communicatie tussen satellieten en doorsnee smartphones mogelijk wordt? Verwacht u dat dit een veelgebruikte toepassing gaat zijn voor consumenten of dat dit strategische toepassing voor defensie zal ondersteunen? Voor welk van deze doeleinden zal de 2GHz-frequentie in de toekomst worden ingezet?
Direct-to-device communicatie, ook wel D2D genoemd, kan in verschillende frequentiebanden verzorgd worden en niet alleen in de onderhavige specifieke banddelen van de 2 GHz (1.980–2.010 MHz en 2.170–2.200 MHz). In juni 2025 heeft de RSPG de Europese Commissie geadviseerd over direct-to-device connectiviteit en de mogelijke varianten daarvan.11 Hierin is onder andere onderscheid gemaakt in direct-to-device in IMT banden (banden bestemd voor mobiele communicatie) en in MSS banden (banden bestemd voor satellietdiensten). Het kabinet onderschrijft de analyse in het RSPG advies. De verwachting is dat er binnen Nederland weinig vraag zal zijn naar D2D-diensten met betrekking tot IMT. Gelet op de uitstekende dekking die de mobiele operators bieden zijn er nagenoeg geen gebieden waar er geen goede mobiele netwerkdekking aanwezig is.
Deelt u de zorgen dat Deutsche Telekom, een (toekomstig) afnemer van de «direct-to-device» diensten van Starlink,4 belang heeft bij het verlenen van de 2GHz-frequentie aan een bedrijf dat zaken doet met SpaceX en tegelijkertijd betrokken is bij de besluitvorming van de Europese Commissie?
Het besluitvormingsproces ligt bij de Europese Commissie. Indien de commissie een nieuw voorstel doet is de gewone wetgevingsprocedure hierbij van toepassing, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4. Het besluitvormingsproces ligt niet bij private partijen. Deutsche Telekom is als zodanig niet betrokken bij de besluitvorming van de Europese Commissie.
Heeft u kennisgenomen van het adviesrapport van Detecon, een consultancybedrijf dat onder Deutsche Telekom valt, waarin de Europese Commissie wordt geadviseerd over de voorwaarden waaronder de 2GHz-frequentie in de toekomst verleend moet worden?5 Wat is uw reactie op dat rapport?
Ja. Het rapport maakt onderdeel uit van het besluitvormingsproces en dient als advies aan de Europese Commissie.
Hoe borgen de Europese Commissie en lidstaten de onafhankelijkheid van de adviezen die worden betrokken bij de besluitvorming over het (mogelijke) toekomstige gebruik van de licenties voor de 2GHz-frequentie?
Het gaat hierbij om een advies aan de Europese Commissie met betrekking tot het (Europese) regelgevende kader ten aanzien van het geharmoniseerde deel van de 2 GHz-frequentieband. Het rapport is onder verantwoordelijkheid van de Europese Commissie tot stand gekomen. In algemene zin wijst de Europese Commissie onafhankelijke experts aan voor de beoordeling van inschrijvingen indien er sprake is van een aanbestedingsprocedure.14 In dit specifieke geval heeft de Commissie een tender met voorwaarden uitgeschreven.15
Welke kaders gelden er voor de wijze waarop de Europese Commissie de licenties voor dit spectrum vaststelt? Aan welke voorwaarden moeten de licentiehouders (gaan) voldoen? Hoe wordt gewaarborgd dat deze licenties ten goede komen aan de Europese economie en autonomie?
De kaders voor het gebruik van dit spectrum zijn vastgelegd in beschikking 626/2008/EG, waarin ook is vastgelegd aan welke voorwaarden partijen moeten voldoen.16 Er is vooralsnog geen nieuw kader opgesteld door de Europese Commissie.
Het huidige kader omvat een vergelijkende selectieprocedure, waarbij aanvragers onder andere moeten aantonen dat hun mobiele satellietsysteem het vereiste technische en commerciële ontwikkelingsniveau heeft bereikt.
In de beschikking waarin is bepaald dat de 2 GHz-banddelen Europees geharmoniseerd worden voor de implementatie van systemen voor mobiele satellietdiensten, is aangegeven welke doelen deze harmonisatie dient. Zo is hier onder andere in vermeld dat pan-Europese telecommunicatie een verbetering kan betekenen van de dienstverlening in plattelandsgebieden in de Europese Unie en zo de digitale kloof op geografisch niveau kunnen verkleinen. Ook is aangegeven dat de invoering van nieuwe MSS-systemen tevens een bijdrage zou kunnen leveren aan de ontwikkeling van de interne markt en de mededinging kunnen verbeteren door het aanbod en de beschikbaarheid van pan-Europese diensten en eind-tot-eindverbindingen uit te breiden en doelmatige investeringen aan te moedigen. Bij de weging in de vergelijkende selectieprocedure zijn de voordelen voor de consument en algemene belangen als veiligheid meegenomen.
Wat zijn de uitkomsten van de consultatieronde van de Commissie bij de belanghebbenden rond deze spectrumbanden?6 Welke belanghebbenden zijn er? Zijn er Nederlandse belanghebbenden en hoe worden hun belangen meegewogen in de besluitvorming?
Een samenvatting van de uitkomsten van de consultatieronde zijn op 10 november jl. gepubliceerd door de Europese Commissie: Summary report of the Targeted Consultation on Mobile Satellite Services | Shaping Europe’s digital future. Hierbij zijn ook de niet vertrouwelijke reacties op de consultatie gepubliceerd. Hier zit geen reactie van een Nederlandse belanghebbende bij. In aanvulling hierop is door mij aan de bekende Nederlandse belanghebbenden een uitvraag gedaan naar de behoefte om deze specifieke banddelen in gebruik te nemen. De uitkomsten van deze uitvraag zullen gebruikt worden ter bepaling van het Nederlandse standpunt richting de Europese Commissie.
Heeft Nederland een zienswijze over de voorwaarden waaronder de Europese Commissie voor de komende achttien jaar het gebruik van het 2GHz-frequentie moet aanbieden? Zo ja, kunt u die toelichten?
Het kabinet onderschrijft de adviezen over mogelijke scenario’s voor de 2 GHz-banddelen zoals deze zijn opgesteld door de RSPG. Zie hiervoor het antwoord op vraag 5.
Bent u het ermee eens dat toegang tot de 2GHz-frequentie niet aan de hoogste bieder moet worden verkocht, maar aan partijen die het maatschappelijk en strategische belang van de Europese Unie dienen?
De selectiecriteria in het huidige kader voor toegang tot de 2 GHz-banddelen zijn opgenomen in beschikking 626/2008/EG18, en betreffen een vergelijkende toets. Onderdelen van de weging zijn onder andere voordelen voor de consument en mededinging (met als subcriteria het aantal eindgebruikers en datum waarop de ononderbroken levering van commerciële diensten begint), spectrumefficiëntie (met als subcriteria de totale hoeveelheid van het vereiste spectrum en de geaggregeerde datastroomcapaciteit), pan-EU geografische dekking en de mate waarin overheidsbeleidsdoelstellingen worden bereikt (waaronder levering van diensten van algemeen belang die bijdragen tot de bescherming van de volksgezondheid, veiligheid of zekerheid van de burgers, integriteit en veiligheid van diensten). Een financieel bod is geen onderdeel van de vergelijkende selectieprocedure zoals in de beschikking is vastgelegd.
Bent u het ermee eens dat, gezien vanuit het perspectief van strategische autonomie en gezien de gespannen geopolitieke situatie, het van het grootste belang is dat de marktpartijen die toegang krijgen tot de 2GHz-frequentie volledig Europees zijn?
Ik ben het er mee eens dat Europese partijen toegang moeten krijgen tot dit spectrum. Het opleggen van een wholesale-verplichting zou dit kunnen bewerkstelligen. Zie hiertoe meer uitgebreid de antwoorden op vraag 2 en 3.
Bent u het ermee eens dat het niet wenselijk is dat slechts één of enkele zeer grote telecomaanbieder(s) uit de grootste Europese landen toegang hebben tot dit spectrum ten koste van aanbieders uit kleinere landen?
Ja, daar ben ik het mee eens. Zie ook mijn overweging over het invoeren van een wholesaleverplichting, zoals uiteengezet onder vraag 2. Ten algemene is in de kabinetsappreciatie op het witboek digitale infrastructuur van de Europese Commissie aangegeven dat het kabinet zich altijd hard heeft gemaakt voor aanmoedigen en behouden van voldoende concurrentie op de Europese telecommarkten.19 Het kabinet beschouwt de bestaande verplichtingen voor dominante aanbieders om concurrenten toe te laten op hun netwerken als een belangrijk onderdeel van het telecomkader, mits hiermee de nationale veiligheid niet in het geding komt. Dit speelt een belangrijke rol om betaalbare en hoogwaardige dienstverlening te waarborgen voor Europese consumenten, bedrijven en publieke instellingen.
Bent u het ermee eens dat het wenselijk is dat er rond de 2GHz-frequentie een volwaardige wholesalemarkt (groothandelsmarkt) ontstaat, waar ook telecomaanbieders uit kleinere Europese landen toegang tot hebben en hierop innovatieve diensten kunnen ontwikkelen?
Ja, zie hiertoe het antwoord op vraag 2.
Bent u bereid om aan te geven bij de Europese Commissie dat Nederland als voorwaarde stelt dat de 2GHz-frequentie alleen voor Europese partijen beschikbaar komt, en dat hierbij uitgesloten wordt dat bedrijven achteraf door niet-Europese partijen worden overgekocht?
Zoals vermeld in de antwoorden op vragen 2 en 3 ben ik in algemene zin geen voorstander van het ontstaan van afhankelijkheid van één of twee individuele partijen, en is mijn standpunt dat het van belang is dat het spectrum voor mobiele satellietdiensten na 2027 toegankelijk zal zijn voor partijen die interesse hebben in het aanbieden van diensten in deze band onder de door de Commissie gestelde voorwaarden.
Ik zal vanuit het perspectief van het voorkomen van afhankelijkheden richting de Europese Commissie bepleiten om zogenoemde «wholesale-verplichtingen» op te nemen, dat wil zeggen dat andere partijen gebruik kunnen maken van het netwerk om diensten aan te bieden, indien aanpassing van de onderliggende besluiten aan de orde is gericht op het aanwijzen van nieuwe partijen na 2027. Het opnemen van een dergelijke verplichting voorkomt het ontstaan van een risicovolle strategische afhankelijkheid van één of twee partijen.
Is het mogelijk om in de voorwaarden die de Europese Commissie stelt op te nemen dat de partijen die de 2GHz-frequentie mogen gebruiken, worden verplicht om andere betrouwbare partijen wholesale toegang tot de frequentie te verlenen, zodat zij hier ook gebruik van kunnen maken?
Vooralsnog geldt het huidige kader, zoals omschreven in het antwoord op vraag 11. Afhankelijk van de voorstellen van de Europese Commissie, die op dit moment nog niet bekend zijn, zullen er mogelijkheden zijn om de voorwaarden aan te passen. In dat geval zal ik richting de Europese Commissie pleiten voor het opnemen van «wholesale-verplichtingen». Zie hiertoe ook mijn antwoord op vraag 2.
Bent u eveneens bereid om ervoor te pleiten dat de gegunde partijen op nationaal en internationaal niveau toegang moeten verlenen tot de 2GHz-frequentie aan andere betrouwbare partijen, zodat er geen risico ontstaat op een mono- of duopolie in heel Europa?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 2.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden, nog vóórdat er onomkeerbare stappen worden gezet door de Europese Commissie?
Ja.
Nederlandse jongeren die zich zorgen maken over oorlog |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
Foort van Oosten (VVD), Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Herkent u de zorgen van kinderen en jongeren over oorlog en veiligheid, zoals blijkt uit het onderzoek van UNICEF?1
De Rijksoverheid neemt de zorgen van kinderen en jongeren zoals uit het onderzoek van Unicef blijkt, uiterst serieus.
Welke verantwoordelijkheden ziet u voor de overheid om ervoor te zorgen dat kinderen in Nederland zich veilig voelen?
De Rijksoverheid werkt aan de veiligheid van kinderen op verschillende gebieden. Zowel op het gebied van fysieke als digitale veiligheid en weerbaarheid. Zo is recentelijk door het kabinet de Strategie Kinderrechten Online gelanceerd. Hierin staat hoe de overheid en organisaties samenwerken aan oplossingen die jongeren helpen om veilig en vaardig op te groeien. Betere ondersteuning voor ouders en het vergroten van de digitale weerbaarheid is hier onderdeel van.
Op welke manier worden kinderen en hun specifieke behoeften en kwetsbaarheden momenteel meegenomen in plannen om Nederland veilig en weerbaar te houden? Kunt u hierbij ingaan op fysieke kwetsbaarheden van jongeren, maar ook op kwetsbaarheden omdat zij midden in hun ontwikkeling zitten en bijvoorbeeld zo veel mogelijk voorkomen moet worden dat zij onderwijs missen?
Het versterken van de weerbaarheid van Nederland is niet alleen een taak voor de overheid, maar ook voor de gehele samenleving. Voor kinderen en jongeren is het van groot belang dat zij worden meegenomen in de plannen om Nederland veilig en weerbaar te houden. De bijdrage van het funderend onderwijs is belangrijk voor de gehele weerbaarheidsopgave en onderstreept ook het belang van continuïteit in deze sector. Om die reden houdt de Rijksoverheid bij het treffen van voorbereidingen op mogelijke crises rekening met kinderen en specifiek ook met kinderen in een kwetsbare positie. Het onderwijs speelt daarin een essentiële rol. Het Ministerie van OCW zet er daarom op in dat de onderwijssectoren van het funderend onderwijs zo goed mogelijk zijn voorbereid op situaties van maatschappelijke ontwrichting, zodat het onderwijs aan alle leerlingen zoveel mogelijk door kan blijven gaan. OCW doet dit samen met andere organisaties in de onderwijssector, die voor de continuïteit van het onderwijs in crisissituaties van belang zijn.
Hoe borgt u dat de belangen van kinderen in crisistijd niet van tafel vallen?
Besluitvorming en communicatie tijdens een crisis ziet toe op de belangen van alle inwoners van Nederland, dus ook van kinderen.
Is er in de communicatie vanuit de overheid over oorlog en mogelijke rampen specifieke aandacht voor kinderen (van 0 tot 18), aangezien veel kinderen aangeven dat hun zorgen een direct gevolg zijn van wat ze zien op televisie en op sociale media?
In november 2025 is de meerjarige publiekscampagne Denk vooruit gestart, inclusief een informatieboekje dat vanaf 25 november bij ruim 8,5 miljoen adressen huis-aan-huis is bezorgd. Dit boekje richt zich op het activeren van het huishouden en is niet specifiek gericht op de zorgen van kinderen. Unicef heeft hier bij de start van de verzendperiode haar zorg over geuit. Wel wordt in deze publicatie aandacht gegeven aan het voeren van het gesprek binnen een huishouden en het gezamenlijk opstellen van een noodplan. Ouders en verzorgers worden gestimuleerd om het gesprek binnen het gezin te voeren. Daarnaast staan er op www.denkvooruit.nl vragen en antwoorden met tips voor ouders/verzorgers om het gesprek met kinderen die zich zorgen maken te voeren en een doorverwijzing naar organisaties die hen hierbij kunnen helpen.
Als onderdeel van de campagne-inzet in 2026 komt er speciale aandacht voor het informeren en activeren van kinderen en jongeren. Daarnaast is er al in een groot aantal veiligheidsregio’s een Risk Factory: een fysiek belevingscentrum voor veiligheid waar basisschoolleerlingen antwoord krijgen op allerlei vragen die gaan over veiligheid en leren hoe ze met deze risico’s om kunnen gaan.
Is bij communicatie vanuit de overheid over crisisparaatheid aandacht voor het feit dat kinderen dit ook zien en dat dit tot zorgen kan leiden? Welke acties neemt u om te zorgen dat kinderen hierover in gesprek kunnen gaan?
Zie antwoord vraag 5. Zie aanvullend ook het antwoord op vraag 3, waaruit blijkt dat het Ministerie van OCW hier ook andere organisaties in de onderwijssector bij betrekt.
Bent u voornemens om binnen de middelen die gereserveerd zijn voor het vergroten van de maatschappelijke weerbaarheid een deel specifiek te bestemmen voor het vergroten van de weerbaarheid van kinderen? Zo ja, welke plannen heeft u hiervoor? Zo nee, waarom niet?
In november 2025 is de meerjarige publiekscampagne Denk vooruit gestart. Als onderdeel van de campagne-inzet in 2026 komt er speciale aandacht voor het informeren en activeren van kinderen en jongeren.
Op welke manier bent u van plan er voor te zorgen dat meer kinderen en jongeren er vertrouwen in krijgen dat de overheid weet wat zij nodig hebben om zich veilig te voelen, aangezien uit de peiling van UNICEF blijkt dat nu slechts een kwart van hen denkt dat de overheid weet wat hiervoor nodig is?
Het is van belang dat de Rijksoverheid blijft investeren in de betrokkenheid van jongeren bij al het beleid dat hen aangaat, waaronder op het gebied van veiligheid. Want jongeren kunnen het beste zelf aangeven hoe hun veiligheidsgevoel versterkt kan worden.
Op de NAVO-top ontvingen de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister-President het manifest over hoe jongeren vrede en veiligheid ervaren in Nederland en hebben ze met jongeren het gesprek gevoerd. Dit manifest is opgesteld door twee Jongerenvertegenwoordigers aan de hand van gesprekken met meer dan 1000 jongeren. Het manifest beschrijft de zorgen van jongeren op het gebied van geopolitieke spanningen, polarisatie in de samenleving, bestaanszekerheid en de digitale wereld. In dit manifest wordt uiteengezet hoe de overheid jongeren beter kan betrekken bij de besluitvorming rondom thema’s als veiligheid en weerbaarheid- fysiek en digitaal. In het gesprek met jongeren op de NAVO-top is afgesproken dat de Minister-President elk half jaar met de Jongerenvertegenwoordigers om tafel gaat, en zijn opvolger motiveert hetzelfde te doen. Tot slot, kwam uit het gesprek naar voren dat de stem van jongeren wordt betrokken in de werkgroep van de Ministeries van Defensie, Justitie en Veiligheid en de NCTV.
Om de stem van jongeren beter te betrekken bij al het beleid dat hen aangaat wordt gewerkt aan een Nationale Jeugdstrategie2. Op 4 september jl. is door jongeren het ontwerp voor de nationale jeugdstrategie gepresenteerd. Dit ontwerp, waar 12.000 jongeren uit Europees en Caribisch Nederland aan meewerkte, bevat aanbevelingen vanuit jongeren op 9 door hen gekozen thema’s (waaronder «politiek en veiligheid»). Het doel van de nationale jeugdstrategie is dat er afspraken worden gemaakt over de manier waarop jongeren duurzaam en structureel betrokken worden bij het maken van beleid. De nationale jeugdstrategie noemt bestaanszekerheid, een verslechterende mentale gezondheid en een gebrek aan toekomstperspectief de drie grootste uitdagingen voor Nederlandse jongeren. De komende tijd werken de Ministeries van VWS, SZW en OCW aan het implementeren van de nationale jeugdstrategie.
Nederlandse onderdelen in Russische drones en raketten |
|
Frans Timmermans (GroenLinks-PvdA), Kati Piri (PvdA), Jimme Nordkamp (PvdA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) , Dick Schoof (minister-president ) (INDEP), Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitspraken van President Zelensky dat de rakketten en drones die Rusland gebruikt om Oekraïense doelen te raken onderdelen uit Nederland bevatten?1
Ja.
Was u op de hoogte van het feit dat in Nederland gemaakte onderdelen voor drones en raketten door Rusland gebruikt worden? Zo ja, waarom is hier niet eerder actie op ondernomen?
Uw Kamer heeft hier eerder in 2022 vragen over gesteld.2 Sinds medio 2022 is het duidelijk dat de Russische militaire industrie in hoge mate afhankelijk is van westerse componenten, waaronder ook componenten uit Nederland. Rusland slaagt er nog altijd in om – via omwegen en tegen hoge kosten – dergelijke componenten te importeren. Hiervoor gebruikt het een uitgebreid netwerk van tussenhandelaren in derde landen.
De aanpak van sanctieomzeiling is dan ook al sinds 2022 een prioriteit binnen het Nederlandse sanctiebeleid. Dit behelst nationaal een combinatie van onderzoek, voorlichting en handhaving. Daarnaast wordt met derde landen samengewerkt om omzeiling via hun grondgebied tegen te gaan. Nederland spreekt hier zelf actief landen op aan en EU Sanctiegezant David O’Sullivan speelt hierin een belangrijke rol. Binnen de EU zet Nederland zich consequent in voor een effectieve aanpak van omzeiling. Dit is steevast een van de speerpunten in EU sanctiepakketten. Waar diplomatieke inspanningen niet genoeg opleveren, verbindt de EU hieraan consequenties door passende en gerichte maatregelen in te stellen. De EU legde al sancties op aan 132 bedrijven in derde landen die aantoonbaar sancties omzeilen en daarmee het Russisch militair industrieel complex ondersteunen. Hierbij wordt samengewerkt met G7-partners en Nederland draagt hier actief aan bij.
Kunt u toelichten welke acties u concreet ondernomen heeft naar aanleiding van berichten uit 2024 waaruit bleek dat oude ASML-machines door Rusland gebruikt werden voor de productie van chips voor drones? En hoe effectief zijn deze maatregelen geweest?2
Het kabinet kan geen inzicht geven in concrete acties die mogelijk worden gedaan bij individuele bedrijven. Zoals destijds is geantwoord is Rusland sterk afhankelijk van het westen voor technologie en componenten.4 Deze situatie is nog steeds van toepassing.
De handhaving van sanctiemaatregelen ten aanzien van de export van gesanctioneerde goederen is een verantwoordelijkheid van de Douane in opdracht van de Staatssecretaris Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp. Daarbij wordt nadrukkelijk ingezet op het tegengaan van omzeiling. Bedrijven die ervan worden verdacht zich bewust schuldig te maken aan sanctieomzeiling worden ter vervolging voorgelegd aan het Openbaar Ministerie. De meeste Nederlandse bedrijven die betrokken raken bij sanctieomzeiling zijn zich daarvan echter niet bewust. Daarom worden bedrijven, waarvan uit onderzoek blijkt dat zij mogelijk (onbewust) betrokken zijn bij omzeiling, actief benaderd en voorgelicht over de risico’s van omzeiling. De bedrijven worden daarmee in de gelegenheid gesteld om passende interne maatregelen te nemen. Op die manier zijn al veel malafide distributeurs in derde landen uitgesloten van handel.
Erkent u dat hiermee de Nederlandse steun aan Oekraïne ernstig ondermijnd wordt?
Het feit dat onderdelen afkomstig van Nederlandse bedrijven nog steeds worden teruggevonden in Russische drones en raketten die gebruikt worden in de oorlog tegen Oekraïne, is zeer onwenselijk. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken, in samenwerking met andere overheidsorganen, zet zich sterk in om sanctieomzeiling van deze goederen tegen te gaan.
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken staat in nauw contact met Oekraïense autoriteiten over deze kwestie. Net als alle andere signalen van (mogelijke) sanctieomzeiling worden signalen die gedeeld worden vanuit de Oekraïense autoriteiten zeer serieus genomen en opgevolgd met acties die gericht zijn om sanctieomzeiling tegen te gaan.
Vallen alle onderdelen voor drones en raketten onder de huidige sancties tegen Rusland en zo niet, bent u bereid om deze alsnog toe te voegen aan de Europese sanctielijst?
De onderdelen in kwestie vallen al sinds 2022 onder de sancties tegen Rusland, mede op aandringen van Nederland. Binnen de aanpak van sanctieomzeiling ligt sterk de nadruk op goederen die op de zogeheten lijst van «Common High Priority Items»5 staan. Dit zijn goederen die de Russische oorlogsindustrie het hardst nodig heeft. De goederen op deze lijst zijn voor een groot gedeelte van belang voor de productie van componenten bestemd voor Russische drones en raketten. Het kabinet zet zich voortdurend in om met nieuwe sanctiemaatregelen en verbeteringen in de naleving van sancties de effectiviteit van het beleid te optimaliseren om omzeiling zo effectief mogelijk aan te pakken.
Heeft u een indicatie van welke Nederlandse bedrijven hierbij direct of indirect betrokken zijn? Zo nee, bent u bereid hier met spoed onderzoek naar te doen?
De overheid werkt actief samen met Nederlandse producenten om hen te helpen de omzeiling van hun goederen tegen te gaan. Dikwijls gaat het om kleine onderdelen die via vele tussenschakels in Rusland terecht komen en worden verwerkt in raketten en drones. De lange ketens maken het een hardnekkig probleem. Echter, diezelfde lange ketens zijn een direct gevolg van de verrichte inspanningen en maken het complexer en duurder voor Rusland om aan componenten te komen bedoeld voor haar wapenindustrie. De sancties zijn bedoeld als economisch drukmiddel en in dat opzicht dienen sancties dus hun doel. Het kabinet blijft zich onophoudelijk inzetten om de effectiviteit hiervan te optimaliseren.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden voor 12:00 uur op dinsdag 7 oktober?
De vragen zijn één voor één beantwoord. Het bleek helaas niet mogelijk deze vragen per ommegaande te beantwoorden, zoals door u verzocht.