Problemen bij de uitvoering van rechtsbijstand onder het Europese Migratiepact |
|
Robert van Asten (D66) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Juridische bijstand in asielzaken onder nieuwe EU-migratiepact loopt nu al mis: afspraken met asieladvocaten tijdelijk stopgezet»?1
Ja.
Klopt het dat in de afgelopen dagen een aanzienlijk aantal intakegesprekken tussen asielzoekers en hun rechtsbijstandverlener geen doorgang heeft kunnen vinden doordat uitnodigingen niet of te laat zijn verstuurd en vervoer niet was geregeld?
Het klopt dat na invoering van het Pact zowel intakegesprekken als nabesprekingen van het gehoor tijdelijk niet zijn doorgegaan. Sinds 25 juni 2026 stonden op de locaties Ter Apel, Den Bosch en Zevenaar de eerste gesprekken met asieladvocaten gepland na inwerkingtreding van het EU-Migratiepact. In de periode 25 t/m 29 juni zijn daar in totaal 115 gesprekken ingepland, waarvan 85 geen doorgang vonden wegens niet-verschijnen van de asielzoeker. Dit betrof met name logistieke knelpunten: uitnodigingen die de asielzoeker niet (tijdig) bereikten en vervoer dat niet was geregeld. Op de locatie Schiphol worden in de asielgrensprocedure eveneens zaken onder het Migratiepact behandeld. Daar hebben sinds 12 juni jl. alle geplande intakes en nabesprekingen volgens planning plaatsgevonden.
Hoeveel intakegesprekken en nabesprekingen zijn sinds de inwerkingtreding van het Europese Migratiepact gepland, hoeveel daarvan zijn niet doorgegaan en wat zijn daarvan de oorzaken?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat de Raad voor Rechtsbijstand de planning van nieuwe rechtsbijstandsgesprekken tijdelijk heeft opgeschort? Zo ja, sinds wanneer en welke gevolgen heeft dit voor de voortgang van asielprocedures? Wanneer worden de rechtsbijstandgesprekken weer hervat?
De Raad voor Rechtsbijstand heeft op 29 juni 2026 een communicatiebericht verspreid over de logistieke problemen met de planning van kennismakingsgesprekken onder alle asieladvocaten. Advocaten die stonden ingeroosterd voor gesprekken die geen doorgang vonden, zijn individueel geïnformeerd. Op 2 juli 2026 heeft de Raad voor de Rechtsbijstand de planning in asielprocedures weer kunnen hervatten.
Welke organisaties zijn verantwoordelijk voor respectievelijk het tijdig informeren van asielzoekers over afspraken, het organiseren van vervoer, de afstemming tussen Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en Raad voor Rechtsbijstand?
Er is geen wettelijke bepaling die één partij exclusief verantwoordelijk maakt voor het tijdig informeren van asielzoekers over afspraken. In de praktijk nodigt iedere betrokken instantie de asielzoeker zelf per brief uit voor de betreffende afspraak. Post voor asielzoekers wordt geleverd bij de receptie van de opvanglocatie. De asielzoeker is zelf verantwoordelijk voor het tijdig openen en opvolgen van deze post en voor het nakomen van gemaakte afspraken. Dit wordt echter bemoeilijkt wanneer de asielzoeker (nog) niet is toegewezen aan een opvanglocatie en daardoor moeilijk bereikbaar is voor postbezorging.
Het COA is op grond van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 verantwoordelijk voor het beschikbaar stellen van openbaarvervoerskaarten voor reizen van en naar de rechtsbijstandverlener in verband met de asielprocedure. Deze verstrekking maakt onderdeel uit van het reguliere opvangpakket en vloeit voort uit de aan het COA toegekende taken op grond van de Wet COA.
Worden gehoren door de IND uitgesteld wanneer een asielzoeker vooraf geen daadwerkelijk gesprek met zijn of haar advocaat heeft kunnen voeren? Zo nee, hoe waarborgt u in dat geval het recht op effectieve rechtsbijstand? Zo ja, welke vertraging brengt dit in praktijk met zich mee?
In beginsel spreekt de aanvrager twee dagen voor het gehoor zijn advocaat voor een kennismakingsgesprek. Dit gesprek is niet bedoeld als inhoudelijke voorbereiding op het gehoor. De intake is bedoeld om de advocaat tijdig te kunnen koppelen aan een asielzoeker, kennis te maken en toegang te geven tot het dossier. Het uitblijven van dit gesprek staat het doorgaan van het gehoor daarmee niet in de weg. Twee dagen na het gehoor vindt de nabespreking met de advocaat plaats. Vanaf dat moment vervult de advocaat ook formeel een rol in de versnelde en niet-versnelde asielprocedure.
Deelt u de opvatting dat effectieve toegang tot rechtsbijstand een essentieel onderdeel vormt van een zorgvuldige asielprocedure en van de implementatie van het Europese Migratiepact?
Ja. Effectieve toegang tot rechtsbijstand is een essentieel onderdeel van een zorgvuldige asielprocedure. Dit is geborgd doordat gedurende de hele procedure rechtsbijstand beschikbaar is. Juridische counseling is beschikbaar vanaf het moment van de asielaanvraag tot aan de koppeling met een advocaat, waarna de advocaat de juridische vertegenwoordiging overneemt.
Bestaat het risico dat besluiten die onder deze omstandigheden met problemen bij de uitvoering van rechtsbijstand worden genomen door de rechter worden vernietigd vanwege onvolledige rechtsbescherming of procedurele tekortkomingen? Heeft u hierover juridisch advies ingewonnen?
De tijdelijke onderbreking van de planning van asielrechtsbijstand heeft enkele dagen geduurd. Inmiddels is de planning hervat. Dit heeft er niet toe geleid dat in lopende procedures besluiten zijn genomen zonder dat rechtsbijstand beschikbaar was. Gehoren zijn doorgegaan en in overleg met de advocatuur is gezorgd dat nabesprekingen, die aanvankelijk niet konden plaatsvinden, alsnog worden ingepland. De IND heeft vanwege de tijdelijke onderbreking geen besluit genomen en zal geen besluit nemen voordat de asielzoeker rechtsbijstand heeft ontvangen. Tegen deze achtergrond zie ik geen reëel risico dat besluiten door de rechter worden vernietigd wegens onvolledige rechtsbescherming of procedurele tekortkomingen als gevolg van deze tijdelijke onderbreking.
Zijn deze uitvoeringsproblemen het gevolg van onvoldoende voorbereiding op de invoering van het migratiepact, capaciteitsproblemen, ICT-problemen, logistieke knelpunten of andere oorzaken? Kunt u dit toelichten?
Door een achterstand bij de uitplaatsing vanuit Ter Apel naar opvanglocaties verspreid over het land moesten asielzoekers voor gesprekken met hun advocaat en voor IND gehoren naar behandellocaties in het land worden vervoerd. Dat vervoer bleek niet in alle gevallen geregeld. Daarnaast ontstonden knelpunten doordat uitnodigingen voor een gesprek met de advocaat niet tijdig op het juiste adres werden bezorgd of de asielzoeker niet bereikten. Dit werd mede veroorzaakt doordat personen niet konden uitstromen uit de Centrale Ontvangstlocatie (COL) waardoor post niet goed kon worden uitgereikt. Als gevolg hiervan konden veel gesprekken niet doorgaan. De COL is ingericht voor kortdurende opvang en niet voor langdurig verblijf. Voorzieningen voor langer verblijf, zoals een reguliere postvoorziening, waren daarom in beginsel niet beschikbaar. Dit is ondervangen door in Ter Apel een extra postkamer in te richten.
Welke acute maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat rechtsbijstand, vervoer en communicatie zo snel mogelijk weer volledig functioneren?
Om een goede overgang te borgen, zijn tijdelijke werkafspraken gemaakt tussen COA, IND en Raad voor de Rechtsbijstand over betere informatievoorziening, tijdige aanlevering van afsprakenlijsten en duidelijke afspraken over het vervoer voor asielzoekers. In Ter Apel is een extra postkamer ingericht om ervoor te zorgen dat informatie asielzoekers tijdig en correct bereikt. Volwassen asielzoekers zijn zelf verantwoordelijk voor het controleren van hun post, waaronder berichten over het contact met hun advocaat. Deze maatregelen gelden totdat er structurele afspraken worden gemaakt in de uitvoeringsketen. Met deze maatregelen functioneren de informatievoorziening, rechtsbijstand en het vervoer weer volgens de gemaakte werkafspraken. De uitvoering wordt wekelijks gemonitord, zodat de tijdelijke werkprocessen waar nodig kunnen worden bijgesteld. Hiermee wordt de uitvoering verder gestabiliseerd en worden risico's op vergelijkbare knelpunten zoveel mogelijk voorkomen.
Om herhaling te voorkomen worden structurele ketenafspraken voorbereid. Het COA, de IND en de Raad voor Rechtsbijstand verduidelijken verantwoordelijkheden in de uitvoeringsketen en stellen vaste procedures vast voor het tijdig verstrekken van uitnodigingen en het organiseren van vervoer naar afspraken met de IND en de rechtsbijstandverlener. Daarnaast wordt de informatievoorziening verder verbeterd.
Welke structurele maatregelen neemt u om te voorkomen dat vergelijkbare uitvoeringsproblemen zich opnieuw voordoen tijdens de verdere implementatie van het Europese Migratiepact?
Zie antwoord vraag 10.
Woningbouwplannen in Hardinxveld-Giessendam die dreigen vast te lopen door provinciale regels |
|
Robert van Asten (D66) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Hardinxveld-Giessendam in de knel door provinciale regels»?1
Ja
Hoe beoordeelt u de situatie waarin de gemeente Hardinxveld-Giessendam aangeeft ruimte te zien voor circa 2.500 extra woningen, terwijl volgens de gemeente provinciale regelgeving verdere ontwikkeling van woningbouwlocatie ’t Oog na de eerste fase van 170 woningen belemmert?
Ik ben bekend met de situatie in Hardinxveld-Giessendam en heb contact gehad met betrokken partijen zoals deze gemeente, de provincie Zuid-Holland en de regionale versnellingstafel over de actuele ontwikkelingen.
De verdere ontwikkeling van de woningbouwlocatie ’t Oog is niet opgenomen op de «3 hectare lijst» van grotere buitenstedelijke locaties van de provincie Zuid-Holland.
In het project spelen diverse factoren een rol waaronder het beleid op buitenstedelijk bouwen, maar ook infrastructurele knelpunten zoals de spoorwegovergang over de Merwede Linge-lijn en de belasting van de op- en afritten van de A15. Ook zijn er uitdagingen op het gebied van water en bodem. De provincie en de gemeente zijn ambtelijk in gesprek over de verdere ontwikkeling van woningbouw in deze regio waaronder de locatie ’t Oog.
In deze regio is voldoende plancapaciteit om de regionale woningbouwopgave tot en met 2030 te realiseren.
Over de belemmeringen ten aanzien van buitenstedelijk bouwen in de provincie Zuid-Holland heb ik recent een brief2 gestuurd naar de Provincie Zuid-Holland. Daarover en ook over de aanvullende woningbouwopgave tot en met 2036 ben ik met de provincie in gesprek.
Deelt u de opvatting dat locaties die aantoonbaar bijdragen aan het terugdringen van de woningnood en waarvoor lokaal bestuurlijk draagvlak bestaat, niet onnodig door provinciale regels zouden moeten worden geblokkeerd? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u om dit te bevorderen?
Vanzelfsprekend is het niet de bedoeling dat woningbouw onnodig wordt geblokkeerd door beleid en regelgeving. Tegelijkertijd is de fysieke ruimte in Nederland beperkt en moeten keuzes worden gemaakt. Daarbij is ook de provincie aan zet. De lijn van de ontwerpNota Ruimte is dan ook dat meervoudig ruimte gebruik noodzakelijk is. Maar ook dat bedrijventerreinen en hoogwaardige landbouwgronden beschermd moeten worden. Woningbouw moet ook goed ontsloten kunnen worden.
Kortom, er zijn afspraken en regels nodig over hoe de ruimte wordt verdeeld. In de ontwerpNota Ruimte geeft het Rijk aan hoe we die verdeling zien. Provincies leggen in hun omgevingsvisie en verordeningen hun verdeling en regels vast. Het ruimtelijk beleid moet op elkaar afgestemd zijn. Daar hoort ook bij dat provincies zorgen dat er voldoende ruimte is voor woningbouwlocaties ten opzichte van de bestuurlijk afgesproken aantallen woningen: binnenstedelijk en buitenstedelijk. In het ontwerpbesluit Versterking regie volkshuisvesting regel ik daarom ook dat de ladder voor duurzame verstedelijking niet meer van toepassing is voor nieuwe woningbouwlocaties.
Waar er sprake is van belemmeringen zijn de regionale versnellingstafels bedoeld om belemmeringen naar voren te brengen en projecten weer vlot te trekken.
De focus ligt daarbij primair op het realiseren van de beschikbare locaties.
Als daar belemmeringen geconstateerd worden die komen door strijd met landelijke uitgangspunten kan ik waar nodig mijn bevoegdheden inzetten om te interveniëren. Dat begint altijd bij bestuurlijk overleg.
Hoe verhoudt de bescherming van open ruimte en landschap zich volgens u tot de nationale woningbouwopgave, in het bijzonder in situaties waarin gemeenten onderbouwen dat een gebied feitelijk al mede wordt gebruikt door bestaande infrastructuur, bedrijvigheid en bebouwing?
Zie antwoord vraag 3.
Welke ruimte biedt de huidige wet- en regelgeving aan provincies om woningbouwlocaties te beperken die door gemeenten als logisch en noodzakelijk voor de woningbouwopgave worden beschouwd?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u aangeven hoeveel woningbouwlocaties in Nederland momenteel worden vertraagd of beperkt als gevolg van provinciale ruimtelijke regels of beleidskeuzes? Zo nee, bent u bereid dit in kaart te brengen?
Hier is geen totaaloverzicht van. Vertraging van woningbouwprojecten wordt immers vaak veroorzaakt door een combinatie van factoren, zoals problemen met netcongestie en complexiteit in procedures. Zoals in mijn antwoord op vraag 3, 4 en 5 beschreven, wordt aan de regionale versnellingstafels gezamenlijk gezocht naar oplossingen voor belemmeringen in woningbouwprojecten. Ook bespreek ik belemmeringen in de realisatie van de woningbouwopgave tijdens de bestuurlijke overleggen Woondeals. Ik ben bovendien op diverse manieren in gesprek met provincies over hun omgevingsbeleid in het kader van de NOVEX-tafels. Dit betreft ook de wederkerige afspraken die Rijk en Regio jaarlijks maken in het ruimtelijk arrangement.
Bent u bereid in overleg te treden met de provincie Zuid-Holland over de gevolgen van het herziene omgevingsbeleid voor woningbouwlocaties zoals ’t Oog, en daarbij te bezien of maatwerk mogelijk is? Zo nee, waarom niet?
Ik ben momenteel in het kader van het herziene omgevingsbeleid dat onlangs in provinciale staten van Zuid-Holland is vastgesteld, al in gesprek met de provincie. Daarbij zal ik specifiek aandacht besteden aan de uitvoering van diverse aangenomen amendementen en moties die gaan over meer ruimte voor woningbouw en aan mogelijke flexibiliteit in de uitvoering van het omgevingsbeleid.
In uw recente brief aan provinciale staten van Zuid-Holland heeft u aangegeven dat woningbouwlocaties die bijdragen aan de nationale woningbouwopgave niet onnodig moeten worden geblokkeerd door provinciale regels. Welke concrete resultaten verwacht u naar aanleiding van deze oproep?
Ik heb de genoemde brief aan de provinciale staten van Zuid-Holland gestuurd in de verwachting dat die voor de leden belangrijke input zou zijn in hun bespreking en stemmingen. Ik constateer dat er bij de behandeling onder meer een wijziging is aangenomen die als strekking heeft het beleid rond een straatje erbij te verruimen. Ik ben met de provincie in gesprek om te vernemen hoe men verder gaat met de buitenstedelijke locaties en met de uitvoering van het herziene beleid.
Deelt u de zorg dat gemeenten die bereid en in staat zijn om extra woningen te realiseren, ontmoedigd kunnen raken wanneer planologisch voorbereide locaties alsnog vastlopen in bestuurlijke procedures en beleidsmatige beperkingen? Zo ja, welke consequenties verbindt u daaraan?
Het vastlopen in bestuurlijke procedures dienen we te voorkomen. De wet Versterking regie volkshuisvesting is daar al een belangrijke stap in, onder meer door via aanpassingen in het stelsel duidelijkheid te creëren over de betaalbaarheidsverdeling en waar en voor wie we bouwen. Bij ruimtelijk beleid moeten – zoals hierboven al is beschreven – altijd meerdere belangen worden afgewogen.
Welke aanvullende maatregelen overweegt u om ervoor te zorgen dat provinciaal beleid beter aansluit bij de ambitie om landelijk ten minste 100.000 woningen per jaar te realiseren, met name in provincies waar de woningdruk het hoogst is?
Zoals in mijn voorgaande antwoorden beschreven vind ik het belangrijk dat provincies voldoende ruimte bieden voor woningbouwlocaties en geen onnodige belemmeringen opwerpen. Ik houd daarbij de vinger aan de pols, mede door concepten van omgevingsvisies en verordeningen te bezien en daar waar nodig het gesprek over aan te gaan. Daarbij let ik erop dat de regelgeving en de uitvoering van regelgeving en beleid in lijn zijn met het Rijksbeleid en -regelgeving. Als dat niet het geval is, gebruik ik mijn instrumentarium om te interveniëren. Ik voer daarover dan allereerst een bestuurlijk gesprek.
Daarnaast maak ik in de actualisering van de Woondeals gericht afspraken om de ambitie van 100.000 woningen per jaar te realiseren.
Bent u bereid te onderzoeken of de Omgevingswet en de provinciale instructieregels voldoende ruimte bieden voor lokaal maatwerk bij woningbouwlocaties die aansluiten op bestaande infrastructuur en voorzieningen? Zo ja, wanneer kan de Kamer hierover worden geïnformeerd?
Zoals het tweede reflectierapport «Werk aan de winkel» van de Evaluatiecommissie Omgevingswet laat zien, geeft de Omgevingswet voldoende ruimte.
Ik heb u het rapport van de Evaluatiecommissie Omgevingswet op 10 maart 2026 gezonden en op 19 juni 2026 heb ik u de kabinetsreactie hierop gezonden3. Hierbij heb ik aangegeven dat de Omgevingswet alle bevoegde gezagen een wenkend perspectief biedt om te komen tot een balans tussen het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Ik zie geen aanleiding voor aanvullend onderzoek.
Herkent u het beeld dat provinciale beleidskeuzes in sommige gevallen leiden tot het schrappen of beperken van woningbouwlocaties die door gemeenten als kansrijk, uitvoerbaar en maatschappelijk gewenst worden beschouwd? Zo ja, welke mogelijkheden heeft het Rijk om ervoor te zorgen dat provinciaal beleid de nationale woningbouwopgave ondersteunt in plaats van belemmert?
Ik werk samen met provincies en gemeenten aan het realiseren van voldoende woningen in Nederland. Daarbij ligt de focus op het realiseren van de locaties die al in beeld zijn. Als belemmeringen voor de woningbouw voortvloeien uit provinciale keuzes, dan ga ik eerst bestuurlijk in gesprek. Wanneer bestuurlijk overleg niet tot het gewenste resultaat leidt, kan ik waar nodig mijn bevoegdheden inzetten om te interveniëren. Voor al die woningzoekenden die dringend behoefte hebben aan een thuis.
Bent u bekend met het artikel «Energiezuinige warmtepomp dreigt fors duurder te worden, vooral voor huishoudens die flink verduurzamen: «Een grote strategische fout»», waarin zorgen worden geuit over stijgende kosten voor warmtepompen door flexibele nettarieven voor kleinverbruikers?1
Ja, dit artikel is mij bekend.
Voorziet u dat de verwachte prijsstijging zal zorgen voor een remmend effect op de bereidheid van huishoudens om over te stappen op een warmtepomp?
Ik snap de zorgen dat een aanpassing van de nettarieven zou kunnen leiden tot een remmend effect op de bereidheid van huishoudens om over te stappen op een (hybride) warmtepomp. Huishoudens met een (hybride) warmtepomp verbruiken doorgaans meer elektriciteit dan huishoudens die nog verwarmen met aardgas of op een warmtenet zijn aangesloten. Met het voorstel om de nettarieven voor kleinverbruikers te differentiëren gaan huishoudens die meer elektriciteit verbruiken hogere netkosten betalen. Het voorgestelde nettarief varieert daarnaast op het moment van de dag. Dit geeft een prikkel om het verbruik van elektriciteit waar mogelijk te verschuiven naar de rustigere momenten op het net, waarvoor lagere tarieven gelden. Daarbij kunnen huishoudens voor een deel hun kosten weer beperken. Minder hoge verbruikspieken bespaart bovendien weer veel investeringen wat stijging van de nettarieven dempt. Hoeveel huishoudens met een warmtepomp daadwerkelijk meer gaan betalen dan onder het huidige nettarief hangt dus af van hoeveel elektriciteit zij verbruiken en wanneer zij dit verbruiken.
Momenteel wordt door Berenschot in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat een onderzoek uitgevoerd naar de financiële effecten van de tijdsafhankelijke nettarieven op verschillende typen huishoudens. Ik zal deze effecten ook bezien in context van de volledige energierekening. De onderzoeksresultaten worden naar verwachting dit najaar met uw Kamer gedeeld.
Besluitvorming over de nettarieven is aan de ACM. Naar verwachting zal de ACM in het beoordelingstraject van het codewijzigingsvoorstel ook de lengte van de tijdsblokken en het effect daarvan op het handelingsperspectief van huishoudens met een warmtepomp betrekken. Het ontwerpbesluit van de ACM zal bovendien ook worden geconsulteerd. Bovendien heeft de ACM in haar brief aan uw Kamer over volume- en tijdsafhankelijke nettarieven van 10 juni jl. ook aangegeven bereid te zijn om na de zomer een technische briefing te geven aan de Tweede Kamer over dit ontwerpbesluit.
Hoe waarborgt u dat congestieverlichtende maatregelen niet ten koste gaan van verduurzaming?
Congestieverlichtende maatregelen, zoals tijdsafhankelijke nettarieven, leiden tot een betere benutting van het elektriciteitsnet. Dat creëert juist ruimte op het elektriciteitsnet voor verduurzaming via elektrificatie. Bovendien worden mensen met tijdsafhankelijke nettarieven beloond voor gebruik op rustige momenten op het net. Daarnaast zorgt een slimmere benutting van het net ervoor dat er minder netuitbreidingen nodig zijn waardoor de totale netkosten minder toenemen. Dit draagt bij aan de betaalbaarheid van de netten voor alle gebruikers op lange termijn en daarmee ook aan de verduurzaming. Het is dan wel wenselijk dat huishoudens voldoende handelingsperspectief hebben om hun gebruik te schuiven.
U vraagt terecht aandacht voor een goede balans tussen verschillende maatregelen. We blijven er op sturen dat de financiële prikkels goed afgesteld staan om ook de verduurzaming te stimuleren, waaronder via elektrificatie. Uiteindelijk moet elk gebouw in Nederland aardgasvrij worden verwarmd. Het kabinet ziet de warmtepomp als een belangrijke techniek voor het verduurzamen van woningen en gebouwen. Het is daarom belangrijk dat een (hybride) warmtepomp aantrekkelijk blijft als verduurzamingsoptie voor ruimteverwarming. Hierbij zijn niet alleen de netkosten bepalend maar ook de aanschafkosten, leveringstarieven en energiebelasting in vergelijking met de kosten van alternatieven zoals gas of warmtenet.
Hoe waarborgt u dat warmtepompen ook in de toekomst kunnen blijven bijdragen aan een slim en flexibel energiesysteem?
Samen met de netbeheerders en de ACM zijn er in het Landelijk Actieprogramma Netcongestie (LAN) al verschillende acties in gang gezet, gericht op het gebruik van slimme apparaten om piekmomenten te vermijden. Zo werkt de Stichting Koninklijk Nederlands Normalisatie Instituut (NEN) in opdracht van het kabinet aan een Nederlands Technische Afspraak (NTA) voor slimme warmtepompen. Deze NTA wordt naar verwachting vanaf 2028, wanneer de NTA en bijbehorende certificering gereed zijn, geïmplementeerd via de voorwaarden voor de Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE).
Hoe waarborgt u dat huishoudens die reeds in een warmtepomp hebben geïnvesteerd niet door wijzigingen in nettarieven geconfronteerd worden met fors stijgende kosten?
De nettarieven voor elektriciteit zullen de komende jaren voor iedereen stijgen in verband met de investeringen in het elektriciteitsnet die nodig zijn voor de energietransitie. De voorgestelde tariefwijzigingen dragen bij aan het zo laag mogelijk houden van deze kosten en een meer evenwichtige verdeling er van. Dit vormt bovendien een extra prikkel voor de markt om innovatieve oplossingen aan te bieden waarmee ook al geïnstalleerde warmtepompen kunnen reageren op dynamische tarieven.
Hoeveel huishoudens met een warmtepomp door wijzigingen in nettarieven meer zullen gaan betalen dan onder het huidige nettarief hangt af van de hoeveelheid elektriciteit die zij precies gebruiken en wanneer zij dit gebruiken. Zoals ook aangegeven bij de beantwoording van vraag 2 moet goed worden gekeken naar de juiste prikkels zodat dat het gebruik van een (hybride) warmtepomp aantrekkelijk blijft.
Hoe reflecteert u op het risico dat juist huishoudens die verduurzamen financieel zwaarder worden belast?
We gebruiken steeds vaker elektriciteit om te koken, onze huizen te verwarmen of de auto op te laden. Daardoor wordt het elektriciteitsnet zwaarder belast. Op dit moment betalen alle huishoudens jaarlijks hetzelfde bedrag aan de netbeheerder: een vast nettarief. Een huishouden in een vrijstaande woning met een warmtepomp en een eigen laadpaal voor de elektrische auto betaalt nu dus evenveel voor het gebruik van het elektriciteitsnet als een huishouden in een klein appartement met cv-ketel of warmtenet en zonder laadpaal. Het beoogde nettarief heeft tot doel de stijgende kosten voor het elektriciteitsnet meer evenredig te verdelen en slim netgebruik te belonen. Naast de nettarieven wordt gekeken naar de ontwikkeling van de totale energielasten. Zo betalen huishoudens met een volledige elektrische warmtepomp bijvoorbeeld geen netkosten meer voor aardgas. Ook zal naar verwachting de rekening voor huishoudens met een gasaansluiting de komende jaren stijgen. We blijven erop sturen dat de financiële prikkels in die kostenmix goed afgesteld staan om duurzame warmte, waaronder elektrificatie, te stimuleren. Momenteel worden de financiële effecten voor verschillende typen huishoudens in kaart gebracht. Voor meer informatie hierover, zie de beantwoording van vraag 2.
Bent u bereid hierover in gesprek te gaan met de netbeheerders en Autoriteit Consument & Markt (ACM)?
De ACM is exclusief bevoegd om nettarieven vast te stellen. De ACM heeft het voorstel van de netbeheerders nu in behandeling en zal daar – na een consultatieronde – een besluit overnemen. In overleg met het kabinet en de ACM hebben de netbeheerders eerder op verzoek van de Tweede Kamer hun voorstel voor een nieuw nettariefstelsel reeds aangepast (zie Kamerbrief aanpak netcongestie van 6 oktober 2025). Het kabinet is verantwoordelijk voor flankerend beleid om de wijziging van het nettarief stelsel waar nodig te ondersteunen.
Bent u bereid gerichte maatregelen te nemen indien warmtepompeigenaren fors hogere netkosten krijgen?
De overstap naar een warmtepomp moet een aantrekkelijke verduurzamingsoptie blijven. Dit is echter niet alleen afhankelijk van de netkosten, maar van de combinatie van aanschaf, nettarieven, leveringstarieven en energiebelasting. Of er maatregelen nodig zijn, moet dan ook worden bezien vanuit dit totale kostenplaatje voor warmtepompen in verhouding tot alternatieve vormen van ruimteverwarming. Uitgangspunt is dat verduurzaming van de woning aantrekkelijk blijft. Het kabinet monitort de hoogte van de energierekening continu.
Hoe beoordeelt u voorstellen, zoals een flexbonus, die huishoudens stimuleren warmtepompen te combineren met zonnepanelen, opslag of slimme aansturing om zowel de energierekening als de belasting van het stroomnet te verlagen?
Het is een goede ontwikkeling dat huishoudens warmtepompen steeds vaker combineren met zonnepanelen, opslag of slimme aansturing om zowel de energierekening als de belasting van het stroomnet te verlagen. Zodra er meer zicht is op de terugverdientijd en businesscase voor warmtepompen (voor meer informatie over het onderzoek, zie antwoord bij vraag 2), zal worden bezien of, en zo ja, welke extra maatregelen nodig zijn om de overstap naar warmtepompen aantrekkelijk te houden. Daarnaast zet ik in op een verbeterde informatievoorziening aan consumenten over de mogelijkheden, bijvoorbeeld via de landelijke Zet ook de knop om campagnes vanuit de Rijksoverheid en de informatievoorziening door Milieu Centraal over bijvoorbeeld de praktische mogelijkheden van slim energieverbruik en van hoger eigen verbruik van zelf opgewekte energie.
Kunt u toezeggen de Kamer voor de ACM de tarieven definitief vaststelt te informeren over de verwachte invloed van flexibele nettarieven op de terugverdientijd en businesscase van warmtepompen?
Ja, zoals aangegeven in de beantwoording bij vraag 2 worden de onderzoeksresultaten van het Berenschot onderzoek naar verwachting dit najaar met uw Kamer gedeeld. De ACM verwacht eind dit jaar een definitief besluit te nemen over het nieuwe tariefstelsel. Gezien de benodigde implementatietijd kan het nieuwe stelsel in 2029 ingevoerd worden, wat betekent dat de ACM in 2028 de hoogte van de tarieven voor 2029 definitief vaststelt.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Gifzones belemmeren bouw van tienduizenden woningen in zeker 40 gemeenten' |
|
Anne-Marijke Podt (D66), Robert van Asten (D66) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat gemeenten verschillend omgaan met spuitvrije zones voor het gebruik van bestrijdingsmiddelen op landbouwgrond en dat het aanhouden van een minimale afstand van 50 meter in de praktijk regelmatig leidt tot vertraging en het stikvallen van woningbouwprojecten?1
Het klopt dat gemeenten verschillend omgaan met spuitvrije zones. Op basis van uitspraken van de (Afdeling bestuursrechtspraak van de) Raad van State wordt, voor nieuwe situaties, als vuistregel een spuitvrije zone van 50 meter aangehouden tussen agrarische gronden waar gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt en gevoelige functies zoals woningen. Dit kan een belemmering zijn voor woningbouw omdat het inrichten van een spuitvrije zone bij een woningbouwproject of het opkopen of schadeloos stellen van agrarische bedrijven extra kosten met zich meebrengt.
Een kortere afstand dan 50 meter is mogelijk, maar vereist een deugdelijke en locatie specifieke motivering, aldus de Raad van State. Die motivering is vaak ingewikkeld omdat er niet veel wetenschappelijke inzichten zijn. Er is daarom door BZK en LVVN een onderzoek uitgezet bij het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en de Wageningen University & Research (WUR). Zij verkennen of het mogelijk is om een wetenschappelijk onderbouwd model te kunnen ontwikkelen voor de inrichting van een spuitzone. Begin juli 2026 verwacht ik de resultaten van deze RIVM/WUR-verkenning naar spuitzonering. Daar zal ik uw Kamer over informeren.
Kunt u een beeld geven van de schaal waarop woningbouw wordt geremd door de instelling van deze spuitvrije zones of door de onduidelijkheid die hierover ontstaat voor ontwikkelaars en woningzoekenden?
Het probleem speelt in heel Nederland daar waar woningbouwprojecten (deels) binnen 50 meter van agrarisch areaal liggen waar gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt of kunnen worden gebruikt. Het IPO2 geeft aan dat dit vooral speelt in Groningen, Flevoland, Drenthe, Zeeland, Limburg en Gelderland.
De precieze schaal van het probleem voor het realiseren van woningbouw bij agrarische gronden is niet inzichtelijk. Met name voor kleinschalige woningbouw kan het problematisch zijn om hier een oplossing voor te vinden.
Klopt het dat gemeenten onder de Omgevingswet zorg dragen voor de gezondheid van hun inwoners en dat deze zorgplicht ook veelal wordt gezien als reden om spuitvrije zones in te stellen, of voor inwoners om gemeenten daartoe op te roepen?
De Omgevingswet verplicht gemeenten rekening te houden met de gezondheid van hun inwoners bij onder andere het vaststellen van ruimtelijke plannen en het verlenen van omgevingsvergunningen. Daarbij maken gemeenten afwegingen op grond van het zoeken naar een balans tussen het beschermen (veiligheid, gezondheid, milieu) en het benutten (wonen, werken, recreatie) van de fysieke leefomgeving.
Klopt het dat de stijging van de grondprijs en de diverse uitkoopregelingen ervoor zorgen dat er de laatste jaren meer intensieve teelt (zoals bollenteelt), met relatief veel middelengebruik, is gekomen en dat deze teelten (dus) ook vaker in de buurt van beoogde woningbouwlocaties zijn?
De meeste recente CBS cijfers laten geen duidelijke toename zien in het aantal hectare bollenteelt. Verder laten de landbouwtellingen nog geen trend zien waarbij grasland wordt omgezet naar bouwland. Tegelijkertijd is het van belang om mogelijke negatieve effecten van de stijgende grondprijzen en de diverse uitkoopregelingen zorgvuldig te blijven monitoren. Ik zal de ontwikkelingen op dit punt dan ook blijven volgen.
Herkent u het beeld dat ook boeren die geen gebruik maken van bestrijdingsmiddelen de huidige onduidelijkheid inzetten om te zorgen dat woningbouw niet naast hun perceel wordt gevestigd? Op welke schaal gebeurt dit?
Ja, het is inderdaad een risico dat telers woningbouw naast hun perceel willen voorkomen omdat boeren die naast hun grond woningen zouden krijgen, daar binnen de spuitvrije zone niet meer ongehinderd gewasbeschermingsmiddelen kunnen gebruiken. We hebben echter geen zicht of dit daadwerkelijk plaatsvindt.
Bent u bereid om, op basis van het onderzoek van het RIVM en de WUR naar risico’s en mogelijke richtlijnen, in gesprek te gaan met de VNG over duidelijke richtlijnen of een afwegingskader, zodat duidelijker en consistenter wordt omgegaan met afstanden tussen (bestaande en nieuwe) woningbouw en landbouwgrond, waarbij zowel gezondheid als woningbouwopgave geborgd zijn?
Momenteel wordt gewerkt aan het sluiten van bindende convenanten over gewasbeschermingsmiddelen, waarbij ook de VNG betrokken is. Voor de afspraken in het convenant zal ik de uitkomsten van het onderzoek van het RIVM en de WUR meenemen. Begin juli verwacht ik de resultaten van deze RIVM/WUR-verkenning naar spuitzonering. Daar zal ik de Kamer over informeren.
Kunt u zich voorstellen dat de huidige onduidelijkheid vanuit het Rijk op dit vlak en de vele zorgen die er (daardoor) bij omwonenden leven, er ook voor zorgen dat de vraag om spuitvrije zones toeneemt? Zo ja, bent u bereid in samenwerking met de VNG ook expliciet te kijken naar andere manieren waarop zorgen en onduidelijkheden rond het gebruik van bestrijdingsmiddelen kan worden verholpen (te denken valt aan verplichtingen rond transparantie en communicatie bij gebruik)?
Zoals gezegd wordt ingezet op afspraken maken binnen het convenant over beperkende maatregelen in zones tussen landbouwpercelen en bebouwing. Ook kunnen andere maatregelen worden overwogen in het convenant, zoals een actieve meldplicht voor ondernemers om omwonenden tijdig te informeren over geplande gewasbehandelingen.
Daarnaast is in samenwerking met RVO de «Handreiking aanpak spuitvrije zone bij nieuwbouwprojecten» opgesteld. Deze helpt gemeenten door ze inzicht te verschaffen in verscheidene manieren waarop het een spuitvrije zone kan realiseren waardoor woningbouw sneller mogelijk wordt. Ook is het kennisdocument «Kennisdocument Omgaan met 50 meter spuitvrije zone bij nieuwbouw» gepubliceerd.
Bent u het eens dat de huidige urgente woningbouwopgave én maatschappelijke zorgen rond een gezonde leefomgeving vragen om een zorgvuldige afweging in de ruimtelijke ordening en dat ook dit wil zeggen dat niet iedere vorm van agrarisch grondgebruik overal kan? Op welke wijze kan dit worden meegenomen in de definitieve Nota Ruimte?
Woningbouwambities en gezondheidsbelang zijn beiden maatschappelijk urgent en verdienen beide zorgvuldige ruimtelijke ordening. Conform de Omgevingswet moet daarom gezocht worden naar een balans tussen het beschermen (veiligheid, gezondheid, milieu) en het benutten (wonen, werken, recreatie) van de fysieke leefomgeving. De Ontwerpnota Ruimte laat zien dat scherpe keuzes en een zorgvuldige, integrale belangenafweging noodzakelijk zijn.
Op welke termijn kunt u de Kamer informeren over concrete maatregelen om te voorkomen dat deze «spuitvrije zones» de woningbouwopgave verder vertragen?
De inzet is een convenant op hoofdlijnen te sluiten vóór de zomer en ná de zomer tot gedetailleerde afspraken te komen in deelconvenanten. Ik zal u voor de zomer informeren over het convenant op hoofdlijnen. Daarnaast verwachten we de eerste resultaten uit het onderzoek met WUR en het RIVM deze zomer.
Structurele extra politiecapaciteit voor gemeenten met een aanmeldcentra |
|
Mahjoub Mathlouti (D66), Robert van Asten (D66) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Hoe geeft u uitvoering aan de ambitie uit het coalitieakkoord dat «voor gemeenten met een aanmeldcentrum structureel hogere politie-inzet mogelijk wordt»? Welke aanvullende politiecapaciteit wordt hiervoor structureel beschikbaar gesteld?
Klopt het dat deze structureel hogere politie-inzet voor gemeenten met een aanmeldcentrum bovenop de reguliere verdeling van extra politiecapaciteit over de regionale eenheden moet worden gerealiseerd? Zo nee, hoe moet de afspraak uit het coalitieakkoord volgens u worden begrepen?
Klopt het dat binnen de politie wordt overwogen om de hogere politie-inzet bij gemeenten met een aanmeldcentrum te bekostigen uit de extra middelen die reeds aan de regionale eenheden worden toegekend, waaronder de genoemde € 115 miljoen? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot de afzonderlijke ambitie uit het coalitieakkoord om voor deze gemeenten structureel hogere politie-inzet mogelijk te maken?
Deelt u het uitgangspunt dat de extra inzet die nodig is vanwege de landelijke functie van een aanmeldcentrum niet ten koste zou moeten gaan van de politiecapaciteit voor de reguliere politietaken binnen de betreffende regionale eenheid? Hoe wordt dit bij de verdeling van capaciteit en middelen geborgd?
Kunt u aangeven welke afspraken inmiddels met de korpsleiding en de betrokken regionale eenheden zijn gemaakt over de omvang, financiering en verdeling van deze structureel hogere politie-inzet? Kunt u daarbij specifiek aangeven of hiervoor eerst afzonderlijk capaciteit en middelen beschikbaar worden gesteld, voordat de overige extra capaciteit over de regionale eenheden wordt verdeeld?
Het bericht ‘Onderzoeksraad: 7000 kinderen in asielnoodopvang structureel verwaarloosd’ |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA), Robert van Asten (D66) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Onderzoeksraad: 7000 kinderen in de asielnoodopvang structureel verwaarloosd?»1
Deelt u de mening dat het ontoelaatbaar dat kinderen in Nederland mogelijk permanente schade oplopen door een tekort aan opvangplekken? Zo nee, wat gaat u op korte termijn doen om dit te voorkomen?
Wat vindt u ervan dat Nederland zich niet houdt aan het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind?
Kunt u toelichten binnen welke termijn kinderen uit de noodopvang kunnen worden gehaald en kunnen worden geplaatst in reguliere opvang bestemd voor kinderen? Welk doel stelt u uzelf om dit voor elkaar te krijgen?
Wat is er in de afgelopen twee jaar, sinds voorzitter van het Kinderrechtencollectief Marc Dullaert aan de bel trok, gebeurd om kinderen uit de noodopvang te krijgen?
Hoe staat het met de uitvoering van aangenomen motie Westerveld om geen nieuwe kinderen meer te plaatsen op (crisis)noodopvangplekken (Kamerstuk 19 637, nr. 3513)?
Kunt u toezeggen dat er op korte termijn een overzicht wordt gemaakt van alle onveilige plekken in noodopvanglocaties en deze worden verholpen om de veiligheidssituatie voor kinderen te verbeteren? Zo ja, binnen welke termijn wordt dit opgepakt?
Kunt u toezeggen het rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid ook te betrekken bij de gesprekken met gemeenten die onder bestuurlijk toezicht staan om de noodzaak van het realiseren van reguliere opvang voor kinderen te benadrukken en hen expliciet te vragen om opvang voor kinderen en gezinnen te realiseren?
Kunt u aangeven wat de voortgang is van de uitvoering van de motie Podt over psychosociale ondersteuning voor kinderen in de noodopvang (Kamerstuk 19 637, nr. 2486)? Waarom is dit programma nog niet uitgerold en binnen welke termijn verwacht u dit alsnog te kunnen doen?
Kunt u toelichten hoeveel kinderen in de noodopvang op dit moment geen toegang hebben tot onderwijs? Kunt u toezeggen dat deze kinderen alsnog een vorm van (tussentijds) onderwijs krijgen om te voorkomen dat zij een achterstand oplopen?
Kunt u reageren op elk van de aanbevelingen uit het rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid, waarbij u in ieder geval aangeeft hoe u opvolging geeft aan de aanbevelingen?
Kunt u reflecteren op de constatering van de Onderzoeksraad voor Veiligheid dat er «robuust bestuur» nodig is om de veiligheid in de noodopvang te herstellen? Hoe bent u voornemens hier gehoor aan te geven?
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het volgende debat over vreemdelingen- en asielbeleid?
Bent u bekend met het bericht «Maandenlange zoektocht van Defensie naar opvanglocatie voor asielzoekers levert nul plaatsen op. «We zijn teleurgesteld»»?1
Kunt u toelichten hoe de zoektocht naar overheidsgrond voor asielopvang sinds deze zomer is verlopen? Welke gebieden zijn hiervoor in kaart gebracht, zowel locaties in bezit van defensie als andere locaties in bezit van het Rijksvastgoedbedrijf?
Klopt het dat locaties zijn afgevallen op basis van «lokaal draagvlak»? Zo ja, bij hoeveel locaties was dit het geval en welke argumenten werden daarbij aangedragen?
Kunt u toelichten waarom locaties die eerder beschikbaar zijn gesteld voor asielopvang nu zijn afgevallen?
Zijn er nog opties in beeld voor een opvanglocatie, die niet in bezit zijn van defensie? Bijvoorbeeld ander grondgebied dat in bezit is van het Rijksvastgoedbedrijf? Zo ja, hoeveel locaties zijn hiervoor nog in beeld?
Kunt u toelichten welke andere opties u nog heeft om op korte termijn een opvanglocatie te vinden om te voorkomen dat personen in Ter Apel buiten moeten slapen?
Kunt u bevestigen dat defensie op dit moment enkel is betrokken bij «overleg» over asielopvang maar geen formeel steunverzoek heeft ontvangen? Wordt een dergelijk steunverzoek alsnog overwogen?
Welke concrete gevolgen heeft het uitblijven van deze opvangplekken voor de beschikbare opvangcapaciteit de komende maanden en het blijvende tekort aan plekken in Ter Apel?
Kunt u toelichten hoeveel plekken er nodig zijn om het aanmeldcentrum in Ter Apel te ontlasten? Kunt u toelichten waarom er vanuit het Rijk niet een (paar) grootschalige noodopvang komt voor deze personen totdat uitvoering van de Spreidingswet deze noodopvang overbodig maakt?
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het eerstvolgende commissiedebat over vreemdelingen- en asielbeleid?
Bouwprojecten die door de schorsing van kwaliteitsborgers dreigen stil te vallen |
|
Robert van Asten (D66) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Tot dertienhonderd bouwprojecten dreigen stil te vallen door schorsing controleur»?1
Wat is uw reactie op dit bericht?
Klopt het dat tot ongeveer 1.300 lopende bouwprojecten geraakt worden door de recente schorsing van één of meer kwaliteitsborgers? Kunt u aangeven hoeveel projecten daadwerkelijk zijn stilgelegd of op korte termijn dreigen te worden stilgelegd?
Wanneer zijn uw ministerie en de Toelatingsorganisatie Kwaliteitsborging Bouw op de hoogte geraakt van de problemen bij de betrokken kwaliteitsborgers? Welke maatregelen zijn sinds dat moment genomen om de gevolgen voor lopende bouwprojecten te beperken?
Deelt u de opvatting dat het stilleggen van mogelijk honderden bouwprojecten grote gevolgen kan hebben voor woningzoekenden, bouwbedrijven en opdrachtgevers, en dat bij de huidige woningnood iedere vermijdbare bouwstop moet worden voorkomen?
Klopt het bericht dat gemeenten zich genoodzaakt kunnen zien de bouw stil te leggen totdat de schorsing wordt opgeheven of een andere kwaliteitsborger via een nieuwe bouwmelding is aangesteld? Op welke wettelijke bepalingen en regels is dit precies gebaseerd?
Klopt tevens het bericht dat de Toelatingsorganisatie stelt dat bij een schorsing geen nieuwe projecten mogen worden aangenomen, maar dat lopende projecten in de regel mogen worden afgemaakt?
Kunt u op korte termijn samen met de Toelatingsorganisatie, de VNG, de instrumentaanbieders en de bouwsector tot één landelijke handelwijze komen, zodat gemeenten en bouwers niet ieder afzonderlijk hoeven uit te zoeken of en onder welke voorwaarden kan worden doorgebouwd?
Welke mogelijkheden bestaan er om lopende projecten waarbij geen concrete twijfel bestaat over de uitgevoerde controles, tijdelijk en onder aanvullende voorwaarden te laten doorgaan?
Kan voor getroffen projecten een versnelde overdracht naar een andere erkende kwaliteitsborger worden georganiseerd, waarbij eerder uitgevoerde en deugdelijk gedocumenteerde controles zoveel mogelijk worden overgenomen?
Is er bij de overige kwaliteitsborgers voldoende capaciteit om de getroffen projecten snel over te nemen? Zo nee, welke maatregelen neemt u om deze capaciteit tijdelijk te vergroten en welke maximale overdrachtstermijn acht u aanvaardbaar?
Bent u bereid een landelijk coördinatiepunt in te richten waar in de toekomst opdrachtgevers, aannemers en gemeenten getroffen projecten kunnen aanmelden en ondersteuning krijgen bij het vinden van een vervangende kwaliteitsborger?
Wie draagt de kosten van stillegging, vertraging, aanvullende controles en het inschakelen van een nieuwe kwaliteitsborger? Acht u het aanvaardbaar dat de schorsing van één grotere kwaliteitsborger zoveel bouwprojecten tegelijk kan raken? Wat zegt dit volgens u over de concentratie, capaciteit en kwetsbaarheid van het stelsel?
Was bij de invoering van de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen voorzien in een continuïteitsregeling voor het faillissement, wegvallen of de schorsing van een grote kwaliteitsborger? Zo nee, bent u bereid zo’n regeling alsnog op te stellen?
Kunt u deze vragen gezien de dreigende bouwstops en de gevolgen voor toekomstige bewoners, bouwers en opdrachtgevers en met spoed beantwoorden?
Bent u bekend met het bericht «Jeugdgezondheidszorg voor twintigduizend asielkinderen is vooralsnog vanaf oktober maanden niet beschikbaar»?1
Deelt u de mening dat een dergelijk gat in zorgcontinuïteit voor deze (kwetsbare) groep een zorgelijke, onwenselijke ontwikkeling is? Zo ja, hoe reflecteert u daarop? Zo nee, waarom niet?
Hoe reflecteert u op, zoals Artsen Jeugdgezondheidszorg Nederland (AJN) in het artikel aangeeft, een dergelijke «versnippering van de collectieve en preventieve jeugdgezondheidszorg» in Nederland? Deelt u de mening dat dit een onwenselijk precedent schept en verschillen in toegang tot zorg oplevert voor kinderen in Nederland? Zo nee, waarom niet?
Welke effecten en risico’s voorziet u, mocht de in het artikel genoemde situatie werkelijkheid worden? Kunt u per risico aangeven welke stappen worden gezet om dit risico te voorkomen? Kunt u daarbij specifiek ingaan op risico’s rond de bestrijding van (infectie)ziekten onder baby’s, kinderen en jongeren in Nederland?
Gelet op de krapte op de arbeidsmarkt in de (jeugdgezondheids)zorg, hoe reëel acht u het dat de Arts en Zorg Groep de zorg in de asielzoekerscentra tijdig en volledig over kan nemen voor de beoogde (lagere) prijs, nu het COA in het artikel aangeeft dat hij daarover in gesprek is met de Arts en Zorg Groep?
Welke waarborgen en afspraken zijn er vastgelegd over de zorgcontinuïteit ten tijde van de overgangsperiode van de GGD-GHOR naar de Arts en Zorg Groep, en ten tijde van de periode erna? Indien die er niet zijn, hoe bent u voornemens de zorgcontinuïteit te borgen voor deze groep kinderen in asielzoekerscentra?
Hoe wordt toezicht gehouden op de kwaliteit van geleverde zorg en wie is verantwoordelijk (zowel politiek/ministerieel als in de uitvoering)? Waar kunnen professionals, burgers en asielzoekers(kinderen) terecht met signalen en klachten over de zorg vanuit de Arts en Zorg Groep (of het gebrek aan zorg)? Hoe wordt daarbij rekening gehouden met, bijvoorbeeld, de geletterdheid en moedertaal van de doelgroep in kwestie in de asielzoekerscentra?
Welke concrete mogelijkheden zijn er om in te grijpen, in geval van (ernstige) tekortkomingen in de kwaliteit of continuïteit van de (jeugdgezondheids)zorg in de asielzoekerscentra tijdens de overgangsperiode en de periode daarna?
Kunt u deze vragen beantwoorden (ruim) voor het debat Jeugdbeleid van 30 september 2026?
Het bericht ‘Sloopmaterialen nauwelijks hergebruikt als hoogwaardig bouwmateriaal’ |
|
Dion Huidekooper (D66), Robert van Asten (D66) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Sloopmaterialen nauwelijks hergebruikt als hoogwaardig bouwmateriaal»?1
Herkent u het in het bericht geschetste beeld dat een aanzienlijk deel van de bij sloop en renovatie vrijkomende bouwproducten en bouwmaterialen nog niet opnieuw als volwaardig bouwproduct of bouwmateriaal wordt toegepast? Welke gegevens zijn hierover bij het Rijk beschikbaar?
Deelt u de opvatting dat beter inzicht in vrijkomende materiaalstromen nodig is om gericht beleid te kunnen voeren op meer hergebruik en hoogwaardige recycling?
In de Aanpak Circulair Slopen en Hergebruik is aangekondigd dat er wordt gewerkt aan landelijke monitoring van circulair slopen en hergebruik. Kunt u aangeven hoe deze monitoring ervoor staat en wanneer de eerste resultaten worden verwacht?
Koplopers in de bouwsector geven aan dat hergebruikte materialen in de huidige Milieuprestatie Gebouwen (MPG) soms ongunstiger scoren dan nieuwe materialen door een gebrek aan gestandaardiseerde data. Ziet u mogelijkheden om deze systematiek op korte termijn te optimaliseren, zodat hergebruik eerlijk wordt gewaardeerd?
In dezelfde aanpak wordt gewerkt aan een baseline en meetbare ambities voor circulair slopen en hergebruik. Wanneer verwacht u deze vast te kunnen stellen en op welke manier wordt de Kamer hierover geïnformeerd?
Welke belemmeringen voor meer hergebruik van bouwproducten en bouwmaterialen ziet u op dit moment als het meest urgent, bijvoorbeeld op het gebied van certificering, kwaliteitsborging, garanties en de waardering van hergebruik in de milieuprestatieberekening?
Welke mogelijkheden ziet u om de komende jaren meer zekerheid te creëren voor opdrachtgevers en bouwers die gebruik willen maken van hergebruikte bouwproducten en materialen?
Hoe beoordeelt u de mogelijkheid om bij grotere sloop- en renovatieprojecten vaker vooraf in kaart te brengen welke bouwproducten en materialen geschikt zijn voor hergebruik? Welke rol kan het Rijk spelen om dit verder te stimuleren?
Deelt u de opvatting dat een grotere beschikbaarheid van herbruikbare materialen ook voldoende vraag naar deze materialen vereist? Welke mogelijkheden ziet u voor het Rijk en andere publieke opdrachtgevers om die vraag verder te vergroten?
Deelt u de opvatting dat de overheid via haar eigen inkoopbeleid (zoals bij het Rijksvastgoedbedrijf) een sleutelrol kan spelen in het creëren van voldoende vraag naar deze materialen? Hoe geeft u hier momenteel concreet invulling aan?
Welke aanvullende stappen acht u nodig om het aandeel hergebruikte bouwproducten en materialen richting 2030 substantieel te vergroten?
Problemen bij de uitvoering van rechtsbijstand onder het Europese Migratiepact |
|
Robert van Asten (D66) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Juridische bijstand in asielzaken onder nieuwe EU-migratiepact loopt nu al mis: afspraken met asieladvocaten tijdelijk stopgezet»?1
Ja.
Klopt het dat in de afgelopen dagen een aanzienlijk aantal intakegesprekken tussen asielzoekers en hun rechtsbijstandverlener geen doorgang heeft kunnen vinden doordat uitnodigingen niet of te laat zijn verstuurd en vervoer niet was geregeld?
Het klopt dat na invoering van het Pact zowel intakegesprekken als nabesprekingen van het gehoor tijdelijk niet zijn doorgegaan. Sinds 25 juni 2026 stonden op de locaties Ter Apel, Den Bosch en Zevenaar de eerste gesprekken met asieladvocaten gepland na inwerkingtreding van het EU-Migratiepact. In de periode 25 t/m 29 juni zijn daar in totaal 115 gesprekken ingepland, waarvan 85 geen doorgang vonden wegens niet-verschijnen van de asielzoeker. Dit betrof met name logistieke knelpunten: uitnodigingen die de asielzoeker niet (tijdig) bereikten en vervoer dat niet was geregeld. Op de locatie Schiphol worden in de asielgrensprocedure eveneens zaken onder het Migratiepact behandeld. Daar hebben sinds 12 juni jl. alle geplande intakes en nabesprekingen volgens planning plaatsgevonden.
Hoeveel intakegesprekken en nabesprekingen zijn sinds de inwerkingtreding van het Europese Migratiepact gepland, hoeveel daarvan zijn niet doorgegaan en wat zijn daarvan de oorzaken?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat de Raad voor Rechtsbijstand de planning van nieuwe rechtsbijstandsgesprekken tijdelijk heeft opgeschort? Zo ja, sinds wanneer en welke gevolgen heeft dit voor de voortgang van asielprocedures? Wanneer worden de rechtsbijstandgesprekken weer hervat?
De Raad voor Rechtsbijstand heeft op 29 juni 2026 een communicatiebericht verspreid over de logistieke problemen met de planning van kennismakingsgesprekken onder alle asieladvocaten. Advocaten die stonden ingeroosterd voor gesprekken die geen doorgang vonden, zijn individueel geïnformeerd. Op 2 juli 2026 heeft de Raad voor de Rechtsbijstand de planning in asielprocedures weer kunnen hervatten.
Welke organisaties zijn verantwoordelijk voor respectievelijk het tijdig informeren van asielzoekers over afspraken, het organiseren van vervoer, de afstemming tussen Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en Raad voor Rechtsbijstand?
Er is geen wettelijke bepaling die één partij exclusief verantwoordelijk maakt voor het tijdig informeren van asielzoekers over afspraken. In de praktijk nodigt iedere betrokken instantie de asielzoeker zelf per brief uit voor de betreffende afspraak. Post voor asielzoekers wordt geleverd bij de receptie van de opvanglocatie. De asielzoeker is zelf verantwoordelijk voor het tijdig openen en opvolgen van deze post en voor het nakomen van gemaakte afspraken. Dit wordt echter bemoeilijkt wanneer de asielzoeker (nog) niet is toegewezen aan een opvanglocatie en daardoor moeilijk bereikbaar is voor postbezorging.
Het COA is op grond van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 verantwoordelijk voor het beschikbaar stellen van openbaarvervoerskaarten voor reizen van en naar de rechtsbijstandverlener in verband met de asielprocedure. Deze verstrekking maakt onderdeel uit van het reguliere opvangpakket en vloeit voort uit de aan het COA toegekende taken op grond van de Wet COA.
Worden gehoren door de IND uitgesteld wanneer een asielzoeker vooraf geen daadwerkelijk gesprek met zijn of haar advocaat heeft kunnen voeren? Zo nee, hoe waarborgt u in dat geval het recht op effectieve rechtsbijstand? Zo ja, welke vertraging brengt dit in praktijk met zich mee?
In beginsel spreekt de aanvrager twee dagen voor het gehoor zijn advocaat voor een kennismakingsgesprek. Dit gesprek is niet bedoeld als inhoudelijke voorbereiding op het gehoor. De intake is bedoeld om de advocaat tijdig te kunnen koppelen aan een asielzoeker, kennis te maken en toegang te geven tot het dossier. Het uitblijven van dit gesprek staat het doorgaan van het gehoor daarmee niet in de weg. Twee dagen na het gehoor vindt de nabespreking met de advocaat plaats. Vanaf dat moment vervult de advocaat ook formeel een rol in de versnelde en niet-versnelde asielprocedure.
Deelt u de opvatting dat effectieve toegang tot rechtsbijstand een essentieel onderdeel vormt van een zorgvuldige asielprocedure en van de implementatie van het Europese Migratiepact?
Ja. Effectieve toegang tot rechtsbijstand is een essentieel onderdeel van een zorgvuldige asielprocedure. Dit is geborgd doordat gedurende de hele procedure rechtsbijstand beschikbaar is. Juridische counseling is beschikbaar vanaf het moment van de asielaanvraag tot aan de koppeling met een advocaat, waarna de advocaat de juridische vertegenwoordiging overneemt.
Bestaat het risico dat besluiten die onder deze omstandigheden met problemen bij de uitvoering van rechtsbijstand worden genomen door de rechter worden vernietigd vanwege onvolledige rechtsbescherming of procedurele tekortkomingen? Heeft u hierover juridisch advies ingewonnen?
De tijdelijke onderbreking van de planning van asielrechtsbijstand heeft enkele dagen geduurd. Inmiddels is de planning hervat. Dit heeft er niet toe geleid dat in lopende procedures besluiten zijn genomen zonder dat rechtsbijstand beschikbaar was. Gehoren zijn doorgegaan en in overleg met de advocatuur is gezorgd dat nabesprekingen, die aanvankelijk niet konden plaatsvinden, alsnog worden ingepland. De IND heeft vanwege de tijdelijke onderbreking geen besluit genomen en zal geen besluit nemen voordat de asielzoeker rechtsbijstand heeft ontvangen. Tegen deze achtergrond zie ik geen reëel risico dat besluiten door de rechter worden vernietigd wegens onvolledige rechtsbescherming of procedurele tekortkomingen als gevolg van deze tijdelijke onderbreking.
Zijn deze uitvoeringsproblemen het gevolg van onvoldoende voorbereiding op de invoering van het migratiepact, capaciteitsproblemen, ICT-problemen, logistieke knelpunten of andere oorzaken? Kunt u dit toelichten?
Door een achterstand bij de uitplaatsing vanuit Ter Apel naar opvanglocaties verspreid over het land moesten asielzoekers voor gesprekken met hun advocaat en voor IND gehoren naar behandellocaties in het land worden vervoerd. Dat vervoer bleek niet in alle gevallen geregeld. Daarnaast ontstonden knelpunten doordat uitnodigingen voor een gesprek met de advocaat niet tijdig op het juiste adres werden bezorgd of de asielzoeker niet bereikten. Dit werd mede veroorzaakt doordat personen niet konden uitstromen uit de Centrale Ontvangstlocatie (COL) waardoor post niet goed kon worden uitgereikt. Als gevolg hiervan konden veel gesprekken niet doorgaan. De COL is ingericht voor kortdurende opvang en niet voor langdurig verblijf. Voorzieningen voor langer verblijf, zoals een reguliere postvoorziening, waren daarom in beginsel niet beschikbaar. Dit is ondervangen door in Ter Apel een extra postkamer in te richten.
Welke acute maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat rechtsbijstand, vervoer en communicatie zo snel mogelijk weer volledig functioneren?
Om een goede overgang te borgen, zijn tijdelijke werkafspraken gemaakt tussen COA, IND en Raad voor de Rechtsbijstand over betere informatievoorziening, tijdige aanlevering van afsprakenlijsten en duidelijke afspraken over het vervoer voor asielzoekers. In Ter Apel is een extra postkamer ingericht om ervoor te zorgen dat informatie asielzoekers tijdig en correct bereikt. Volwassen asielzoekers zijn zelf verantwoordelijk voor het controleren van hun post, waaronder berichten over het contact met hun advocaat. Deze maatregelen gelden totdat er structurele afspraken worden gemaakt in de uitvoeringsketen. Met deze maatregelen functioneren de informatievoorziening, rechtsbijstand en het vervoer weer volgens de gemaakte werkafspraken. De uitvoering wordt wekelijks gemonitord, zodat de tijdelijke werkprocessen waar nodig kunnen worden bijgesteld. Hiermee wordt de uitvoering verder gestabiliseerd en worden risico's op vergelijkbare knelpunten zoveel mogelijk voorkomen.
Om herhaling te voorkomen worden structurele ketenafspraken voorbereid. Het COA, de IND en de Raad voor Rechtsbijstand verduidelijken verantwoordelijkheden in de uitvoeringsketen en stellen vaste procedures vast voor het tijdig verstrekken van uitnodigingen en het organiseren van vervoer naar afspraken met de IND en de rechtsbijstandverlener. Daarnaast wordt de informatievoorziening verder verbeterd.
Welke structurele maatregelen neemt u om te voorkomen dat vergelijkbare uitvoeringsproblemen zich opnieuw voordoen tijdens de verdere implementatie van het Europese Migratiepact?
Zie antwoord vraag 10.
Het bericht ‘Ook vrouwen en kinderen moeten nu buiten wachten in Ter Apel, dat steeds meer op een tentenkamp lijkt’ |
|
Robert van Asten (D66) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven hoeveel personen de afgelopen weken geen toegang hebben gekregen tot het aanmeldcentrum in Ter Apel en daardoor waren aangewezen op noodopvang buiten of in de directe omgeving? Bent u bereid deze cijfers periodiek met de Kamer te delen zolang de huidige situatie voortduurt?1
Klopt het dat ook (zwangere) vrouwen, kinderen, mensen met een beperking en andere kwetsbare personen nu soms buiten moeten wachten? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot de wettelijke zorgplicht van de overheid en de verplichtingen onder de EU-Opvangrichtlijn, die bijzondere bescherming van kwetsbare groepen voorschrijft?
Kunt u bevestigen dat het beleid om kwetsbare personen altijd toegang te verlenen tot het aanmeldcentrum per of rond 12 juni jl. is gewijzigd of opgeschort? Zo ja, wat was hiervan de oorzaak?
In hoeverre hangt de verslechterde toegang voor kwetsbare personen samen met de invoering van het nieuwe proces van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) als gevolg van het Europese migratiepact? Welk specifiek onderdeel van dat nieuwe proces veroorzaakt dit knelpunt en wanneer verwacht u dat dit is opgelost?
Bent u in gesprek met het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), Vluchtelingenwerk en het Rode Kruis over het waarborgen van de veiligheid en sfeer rondom het terrein? Zien zij de omstandigheden verslechteren?
Hoe wordt op dit moment, in samenwerking met het Rode Kruis, gewerkt aan een nationaal opschalingsplan waarop kan worden teruggevallen? Op welke termijn kan een dergelijk plan naar de Kamer worden gestuurd?
Welke additionele maatregelen worden verkend om op korte termijn verlichting te bieden aan het aanmeldcentrum in Ter Apel?
Woningbouwplannen in Hardinxveld-Giessendam die dreigen vast te lopen door provinciale regels |
|
Robert van Asten (D66) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Hardinxveld-Giessendam in de knel door provinciale regels»?1
Ja
Hoe beoordeelt u de situatie waarin de gemeente Hardinxveld-Giessendam aangeeft ruimte te zien voor circa 2.500 extra woningen, terwijl volgens de gemeente provinciale regelgeving verdere ontwikkeling van woningbouwlocatie ’t Oog na de eerste fase van 170 woningen belemmert?
Ik ben bekend met de situatie in Hardinxveld-Giessendam en heb contact gehad met betrokken partijen zoals deze gemeente, de provincie Zuid-Holland en de regionale versnellingstafel over de actuele ontwikkelingen.
De verdere ontwikkeling van de woningbouwlocatie ’t Oog is niet opgenomen op de «3 hectare lijst» van grotere buitenstedelijke locaties van de provincie Zuid-Holland.
In het project spelen diverse factoren een rol waaronder het beleid op buitenstedelijk bouwen, maar ook infrastructurele knelpunten zoals de spoorwegovergang over de Merwede Linge-lijn en de belasting van de op- en afritten van de A15. Ook zijn er uitdagingen op het gebied van water en bodem. De provincie en de gemeente zijn ambtelijk in gesprek over de verdere ontwikkeling van woningbouw in deze regio waaronder de locatie ’t Oog.
In deze regio is voldoende plancapaciteit om de regionale woningbouwopgave tot en met 2030 te realiseren.
Over de belemmeringen ten aanzien van buitenstedelijk bouwen in de provincie Zuid-Holland heb ik recent een brief2 gestuurd naar de Provincie Zuid-Holland. Daarover en ook over de aanvullende woningbouwopgave tot en met 2036 ben ik met de provincie in gesprek.
Deelt u de opvatting dat locaties die aantoonbaar bijdragen aan het terugdringen van de woningnood en waarvoor lokaal bestuurlijk draagvlak bestaat, niet onnodig door provinciale regels zouden moeten worden geblokkeerd? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u om dit te bevorderen?
Vanzelfsprekend is het niet de bedoeling dat woningbouw onnodig wordt geblokkeerd door beleid en regelgeving. Tegelijkertijd is de fysieke ruimte in Nederland beperkt en moeten keuzes worden gemaakt. Daarbij is ook de provincie aan zet. De lijn van de ontwerpNota Ruimte is dan ook dat meervoudig ruimte gebruik noodzakelijk is. Maar ook dat bedrijventerreinen en hoogwaardige landbouwgronden beschermd moeten worden. Woningbouw moet ook goed ontsloten kunnen worden.
Kortom, er zijn afspraken en regels nodig over hoe de ruimte wordt verdeeld. In de ontwerpNota Ruimte geeft het Rijk aan hoe we die verdeling zien. Provincies leggen in hun omgevingsvisie en verordeningen hun verdeling en regels vast. Het ruimtelijk beleid moet op elkaar afgestemd zijn. Daar hoort ook bij dat provincies zorgen dat er voldoende ruimte is voor woningbouwlocaties ten opzichte van de bestuurlijk afgesproken aantallen woningen: binnenstedelijk en buitenstedelijk. In het ontwerpbesluit Versterking regie volkshuisvesting regel ik daarom ook dat de ladder voor duurzame verstedelijking niet meer van toepassing is voor nieuwe woningbouwlocaties.
Waar er sprake is van belemmeringen zijn de regionale versnellingstafels bedoeld om belemmeringen naar voren te brengen en projecten weer vlot te trekken.
De focus ligt daarbij primair op het realiseren van de beschikbare locaties.
Als daar belemmeringen geconstateerd worden die komen door strijd met landelijke uitgangspunten kan ik waar nodig mijn bevoegdheden inzetten om te interveniëren. Dat begint altijd bij bestuurlijk overleg.
Hoe verhoudt de bescherming van open ruimte en landschap zich volgens u tot de nationale woningbouwopgave, in het bijzonder in situaties waarin gemeenten onderbouwen dat een gebied feitelijk al mede wordt gebruikt door bestaande infrastructuur, bedrijvigheid en bebouwing?
Zie antwoord vraag 3.
Welke ruimte biedt de huidige wet- en regelgeving aan provincies om woningbouwlocaties te beperken die door gemeenten als logisch en noodzakelijk voor de woningbouwopgave worden beschouwd?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u aangeven hoeveel woningbouwlocaties in Nederland momenteel worden vertraagd of beperkt als gevolg van provinciale ruimtelijke regels of beleidskeuzes? Zo nee, bent u bereid dit in kaart te brengen?
Hier is geen totaaloverzicht van. Vertraging van woningbouwprojecten wordt immers vaak veroorzaakt door een combinatie van factoren, zoals problemen met netcongestie en complexiteit in procedures. Zoals in mijn antwoord op vraag 3, 4 en 5 beschreven, wordt aan de regionale versnellingstafels gezamenlijk gezocht naar oplossingen voor belemmeringen in woningbouwprojecten. Ook bespreek ik belemmeringen in de realisatie van de woningbouwopgave tijdens de bestuurlijke overleggen Woondeals. Ik ben bovendien op diverse manieren in gesprek met provincies over hun omgevingsbeleid in het kader van de NOVEX-tafels. Dit betreft ook de wederkerige afspraken die Rijk en Regio jaarlijks maken in het ruimtelijk arrangement.
Bent u bereid in overleg te treden met de provincie Zuid-Holland over de gevolgen van het herziene omgevingsbeleid voor woningbouwlocaties zoals ’t Oog, en daarbij te bezien of maatwerk mogelijk is? Zo nee, waarom niet?
Ik ben momenteel in het kader van het herziene omgevingsbeleid dat onlangs in provinciale staten van Zuid-Holland is vastgesteld, al in gesprek met de provincie. Daarbij zal ik specifiek aandacht besteden aan de uitvoering van diverse aangenomen amendementen en moties die gaan over meer ruimte voor woningbouw en aan mogelijke flexibiliteit in de uitvoering van het omgevingsbeleid.
In uw recente brief aan provinciale staten van Zuid-Holland heeft u aangegeven dat woningbouwlocaties die bijdragen aan de nationale woningbouwopgave niet onnodig moeten worden geblokkeerd door provinciale regels. Welke concrete resultaten verwacht u naar aanleiding van deze oproep?
Ik heb de genoemde brief aan de provinciale staten van Zuid-Holland gestuurd in de verwachting dat die voor de leden belangrijke input zou zijn in hun bespreking en stemmingen. Ik constateer dat er bij de behandeling onder meer een wijziging is aangenomen die als strekking heeft het beleid rond een straatje erbij te verruimen. Ik ben met de provincie in gesprek om te vernemen hoe men verder gaat met de buitenstedelijke locaties en met de uitvoering van het herziene beleid.
Deelt u de zorg dat gemeenten die bereid en in staat zijn om extra woningen te realiseren, ontmoedigd kunnen raken wanneer planologisch voorbereide locaties alsnog vastlopen in bestuurlijke procedures en beleidsmatige beperkingen? Zo ja, welke consequenties verbindt u daaraan?
Het vastlopen in bestuurlijke procedures dienen we te voorkomen. De wet Versterking regie volkshuisvesting is daar al een belangrijke stap in, onder meer door via aanpassingen in het stelsel duidelijkheid te creëren over de betaalbaarheidsverdeling en waar en voor wie we bouwen. Bij ruimtelijk beleid moeten – zoals hierboven al is beschreven – altijd meerdere belangen worden afgewogen.
Welke aanvullende maatregelen overweegt u om ervoor te zorgen dat provinciaal beleid beter aansluit bij de ambitie om landelijk ten minste 100.000 woningen per jaar te realiseren, met name in provincies waar de woningdruk het hoogst is?
Zoals in mijn voorgaande antwoorden beschreven vind ik het belangrijk dat provincies voldoende ruimte bieden voor woningbouwlocaties en geen onnodige belemmeringen opwerpen. Ik houd daarbij de vinger aan de pols, mede door concepten van omgevingsvisies en verordeningen te bezien en daar waar nodig het gesprek over aan te gaan. Daarbij let ik erop dat de regelgeving en de uitvoering van regelgeving en beleid in lijn zijn met het Rijksbeleid en -regelgeving. Als dat niet het geval is, gebruik ik mijn instrumentarium om te interveniëren. Ik voer daarover dan allereerst een bestuurlijk gesprek.
Daarnaast maak ik in de actualisering van de Woondeals gericht afspraken om de ambitie van 100.000 woningen per jaar te realiseren.
Bent u bereid te onderzoeken of de Omgevingswet en de provinciale instructieregels voldoende ruimte bieden voor lokaal maatwerk bij woningbouwlocaties die aansluiten op bestaande infrastructuur en voorzieningen? Zo ja, wanneer kan de Kamer hierover worden geïnformeerd?
Zoals het tweede reflectierapport «Werk aan de winkel» van de Evaluatiecommissie Omgevingswet laat zien, geeft de Omgevingswet voldoende ruimte.
Ik heb u het rapport van de Evaluatiecommissie Omgevingswet op 10 maart 2026 gezonden en op 19 juni 2026 heb ik u de kabinetsreactie hierop gezonden3. Hierbij heb ik aangegeven dat de Omgevingswet alle bevoegde gezagen een wenkend perspectief biedt om te komen tot een balans tussen het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Ik zie geen aanleiding voor aanvullend onderzoek.
Herkent u het beeld dat provinciale beleidskeuzes in sommige gevallen leiden tot het schrappen of beperken van woningbouwlocaties die door gemeenten als kansrijk, uitvoerbaar en maatschappelijk gewenst worden beschouwd? Zo ja, welke mogelijkheden heeft het Rijk om ervoor te zorgen dat provinciaal beleid de nationale woningbouwopgave ondersteunt in plaats van belemmert?
Ik werk samen met provincies en gemeenten aan het realiseren van voldoende woningen in Nederland. Daarbij ligt de focus op het realiseren van de locaties die al in beeld zijn. Als belemmeringen voor de woningbouw voortvloeien uit provinciale keuzes, dan ga ik eerst bestuurlijk in gesprek. Wanneer bestuurlijk overleg niet tot het gewenste resultaat leidt, kan ik waar nodig mijn bevoegdheden inzetten om te interveniëren. Voor al die woningzoekenden die dringend behoefte hebben aan een thuis.
Bent u bekend met het artikel «Energiezuinige warmtepomp dreigt fors duurder te worden, vooral voor huishoudens die flink verduurzamen: «Een grote strategische fout»», waarin zorgen worden geuit over stijgende kosten voor warmtepompen door flexibele nettarieven voor kleinverbruikers?1
Ja, dit artikel is mij bekend.
Voorziet u dat de verwachte prijsstijging zal zorgen voor een remmend effect op de bereidheid van huishoudens om over te stappen op een warmtepomp?
Ik snap de zorgen dat een aanpassing van de nettarieven zou kunnen leiden tot een remmend effect op de bereidheid van huishoudens om over te stappen op een (hybride) warmtepomp. Huishoudens met een (hybride) warmtepomp verbruiken doorgaans meer elektriciteit dan huishoudens die nog verwarmen met aardgas of op een warmtenet zijn aangesloten. Met het voorstel om de nettarieven voor kleinverbruikers te differentiëren gaan huishoudens die meer elektriciteit verbruiken hogere netkosten betalen. Het voorgestelde nettarief varieert daarnaast op het moment van de dag. Dit geeft een prikkel om het verbruik van elektriciteit waar mogelijk te verschuiven naar de rustigere momenten op het net, waarvoor lagere tarieven gelden. Daarbij kunnen huishoudens voor een deel hun kosten weer beperken. Minder hoge verbruikspieken bespaart bovendien weer veel investeringen wat stijging van de nettarieven dempt. Hoeveel huishoudens met een warmtepomp daadwerkelijk meer gaan betalen dan onder het huidige nettarief hangt dus af van hoeveel elektriciteit zij verbruiken en wanneer zij dit verbruiken.
Momenteel wordt door Berenschot in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat een onderzoek uitgevoerd naar de financiële effecten van de tijdsafhankelijke nettarieven op verschillende typen huishoudens. Ik zal deze effecten ook bezien in context van de volledige energierekening. De onderzoeksresultaten worden naar verwachting dit najaar met uw Kamer gedeeld.
Besluitvorming over de nettarieven is aan de ACM. Naar verwachting zal de ACM in het beoordelingstraject van het codewijzigingsvoorstel ook de lengte van de tijdsblokken en het effect daarvan op het handelingsperspectief van huishoudens met een warmtepomp betrekken. Het ontwerpbesluit van de ACM zal bovendien ook worden geconsulteerd. Bovendien heeft de ACM in haar brief aan uw Kamer over volume- en tijdsafhankelijke nettarieven van 10 juni jl. ook aangegeven bereid te zijn om na de zomer een technische briefing te geven aan de Tweede Kamer over dit ontwerpbesluit.
Hoe waarborgt u dat congestieverlichtende maatregelen niet ten koste gaan van verduurzaming?
Congestieverlichtende maatregelen, zoals tijdsafhankelijke nettarieven, leiden tot een betere benutting van het elektriciteitsnet. Dat creëert juist ruimte op het elektriciteitsnet voor verduurzaming via elektrificatie. Bovendien worden mensen met tijdsafhankelijke nettarieven beloond voor gebruik op rustige momenten op het net. Daarnaast zorgt een slimmere benutting van het net ervoor dat er minder netuitbreidingen nodig zijn waardoor de totale netkosten minder toenemen. Dit draagt bij aan de betaalbaarheid van de netten voor alle gebruikers op lange termijn en daarmee ook aan de verduurzaming. Het is dan wel wenselijk dat huishoudens voldoende handelingsperspectief hebben om hun gebruik te schuiven.
U vraagt terecht aandacht voor een goede balans tussen verschillende maatregelen. We blijven er op sturen dat de financiële prikkels goed afgesteld staan om ook de verduurzaming te stimuleren, waaronder via elektrificatie. Uiteindelijk moet elk gebouw in Nederland aardgasvrij worden verwarmd. Het kabinet ziet de warmtepomp als een belangrijke techniek voor het verduurzamen van woningen en gebouwen. Het is daarom belangrijk dat een (hybride) warmtepomp aantrekkelijk blijft als verduurzamingsoptie voor ruimteverwarming. Hierbij zijn niet alleen de netkosten bepalend maar ook de aanschafkosten, leveringstarieven en energiebelasting in vergelijking met de kosten van alternatieven zoals gas of warmtenet.
Hoe waarborgt u dat warmtepompen ook in de toekomst kunnen blijven bijdragen aan een slim en flexibel energiesysteem?
Samen met de netbeheerders en de ACM zijn er in het Landelijk Actieprogramma Netcongestie (LAN) al verschillende acties in gang gezet, gericht op het gebruik van slimme apparaten om piekmomenten te vermijden. Zo werkt de Stichting Koninklijk Nederlands Normalisatie Instituut (NEN) in opdracht van het kabinet aan een Nederlands Technische Afspraak (NTA) voor slimme warmtepompen. Deze NTA wordt naar verwachting vanaf 2028, wanneer de NTA en bijbehorende certificering gereed zijn, geïmplementeerd via de voorwaarden voor de Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE).
Hoe waarborgt u dat huishoudens die reeds in een warmtepomp hebben geïnvesteerd niet door wijzigingen in nettarieven geconfronteerd worden met fors stijgende kosten?
De nettarieven voor elektriciteit zullen de komende jaren voor iedereen stijgen in verband met de investeringen in het elektriciteitsnet die nodig zijn voor de energietransitie. De voorgestelde tariefwijzigingen dragen bij aan het zo laag mogelijk houden van deze kosten en een meer evenwichtige verdeling er van. Dit vormt bovendien een extra prikkel voor de markt om innovatieve oplossingen aan te bieden waarmee ook al geïnstalleerde warmtepompen kunnen reageren op dynamische tarieven.
Hoeveel huishoudens met een warmtepomp door wijzigingen in nettarieven meer zullen gaan betalen dan onder het huidige nettarief hangt af van de hoeveelheid elektriciteit die zij precies gebruiken en wanneer zij dit gebruiken. Zoals ook aangegeven bij de beantwoording van vraag 2 moet goed worden gekeken naar de juiste prikkels zodat dat het gebruik van een (hybride) warmtepomp aantrekkelijk blijft.
Hoe reflecteert u op het risico dat juist huishoudens die verduurzamen financieel zwaarder worden belast?
We gebruiken steeds vaker elektriciteit om te koken, onze huizen te verwarmen of de auto op te laden. Daardoor wordt het elektriciteitsnet zwaarder belast. Op dit moment betalen alle huishoudens jaarlijks hetzelfde bedrag aan de netbeheerder: een vast nettarief. Een huishouden in een vrijstaande woning met een warmtepomp en een eigen laadpaal voor de elektrische auto betaalt nu dus evenveel voor het gebruik van het elektriciteitsnet als een huishouden in een klein appartement met cv-ketel of warmtenet en zonder laadpaal. Het beoogde nettarief heeft tot doel de stijgende kosten voor het elektriciteitsnet meer evenredig te verdelen en slim netgebruik te belonen. Naast de nettarieven wordt gekeken naar de ontwikkeling van de totale energielasten. Zo betalen huishoudens met een volledige elektrische warmtepomp bijvoorbeeld geen netkosten meer voor aardgas. Ook zal naar verwachting de rekening voor huishoudens met een gasaansluiting de komende jaren stijgen. We blijven erop sturen dat de financiële prikkels in die kostenmix goed afgesteld staan om duurzame warmte, waaronder elektrificatie, te stimuleren. Momenteel worden de financiële effecten voor verschillende typen huishoudens in kaart gebracht. Voor meer informatie hierover, zie de beantwoording van vraag 2.
Bent u bereid hierover in gesprek te gaan met de netbeheerders en Autoriteit Consument & Markt (ACM)?
De ACM is exclusief bevoegd om nettarieven vast te stellen. De ACM heeft het voorstel van de netbeheerders nu in behandeling en zal daar – na een consultatieronde – een besluit overnemen. In overleg met het kabinet en de ACM hebben de netbeheerders eerder op verzoek van de Tweede Kamer hun voorstel voor een nieuw nettariefstelsel reeds aangepast (zie Kamerbrief aanpak netcongestie van 6 oktober 2025). Het kabinet is verantwoordelijk voor flankerend beleid om de wijziging van het nettarief stelsel waar nodig te ondersteunen.
Bent u bereid gerichte maatregelen te nemen indien warmtepompeigenaren fors hogere netkosten krijgen?
De overstap naar een warmtepomp moet een aantrekkelijke verduurzamingsoptie blijven. Dit is echter niet alleen afhankelijk van de netkosten, maar van de combinatie van aanschaf, nettarieven, leveringstarieven en energiebelasting. Of er maatregelen nodig zijn, moet dan ook worden bezien vanuit dit totale kostenplaatje voor warmtepompen in verhouding tot alternatieve vormen van ruimteverwarming. Uitgangspunt is dat verduurzaming van de woning aantrekkelijk blijft. Het kabinet monitort de hoogte van de energierekening continu.
Hoe beoordeelt u voorstellen, zoals een flexbonus, die huishoudens stimuleren warmtepompen te combineren met zonnepanelen, opslag of slimme aansturing om zowel de energierekening als de belasting van het stroomnet te verlagen?
Het is een goede ontwikkeling dat huishoudens warmtepompen steeds vaker combineren met zonnepanelen, opslag of slimme aansturing om zowel de energierekening als de belasting van het stroomnet te verlagen. Zodra er meer zicht is op de terugverdientijd en businesscase voor warmtepompen (voor meer informatie over het onderzoek, zie antwoord bij vraag 2), zal worden bezien of, en zo ja, welke extra maatregelen nodig zijn om de overstap naar warmtepompen aantrekkelijk te houden. Daarnaast zet ik in op een verbeterde informatievoorziening aan consumenten over de mogelijkheden, bijvoorbeeld via de landelijke Zet ook de knop om campagnes vanuit de Rijksoverheid en de informatievoorziening door Milieu Centraal over bijvoorbeeld de praktische mogelijkheden van slim energieverbruik en van hoger eigen verbruik van zelf opgewekte energie.
Kunt u toezeggen de Kamer voor de ACM de tarieven definitief vaststelt te informeren over de verwachte invloed van flexibele nettarieven op de terugverdientijd en businesscase van warmtepompen?
Ja, zoals aangegeven in de beantwoording bij vraag 2 worden de onderzoeksresultaten van het Berenschot onderzoek naar verwachting dit najaar met uw Kamer gedeeld. De ACM verwacht eind dit jaar een definitief besluit te nemen over het nieuwe tariefstelsel. Gezien de benodigde implementatietijd kan het nieuwe stelsel in 2029 ingevoerd worden, wat betekent dat de ACM in 2028 de hoogte van de tarieven voor 2029 definitief vaststelt.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Moeten we de wc niet meer doorspoelen met drinkwater?’ |
|
Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66), Robert van Asten (D66) |
|
Vincent Karremans (VVD), Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het gebruik van hoogwaardig drinkwater voor laagwaardige toepassingen zoals toiletspoeling, in het licht van toenemende drinkwaterschaarste door droogte, klimaatverandering en bevolkingsgroei?1
In het Nationaal Plan van Aanpak Drinkwaterbesparing, dat in 2024 met de Kamer is gedeeld (2024D26664), is het doel opgenomen om laagwaardig gebruik van drinkwater te beperken, zowel bij de zakelijke gebruikers als bij huishoudens. We streven naar «juiste kwaliteit voor het juiste gebruik». Vanuit dat perspectief is het doorspoelen van de wc met drinkwater niet gunstig. Toepassing van andere kwaliteiten water moet echter wel zonder al te grote gezondheidsrisico’s kunnen. Daarom is vorig jaar door RIVM onderzoek gedaan naar de gezondheidsrisico’s van grijs- en hemelwatergebruik in de gebouwde omgeving2.
Het RIVM concludeert dat er microbiologische risico’s zijn die op dit moment onvoldoende afgedekt kunnen worden met beheersmaatregelen. De beleidsappreciatie van dit onderzoek is op 27 januari jl. met de Kamer gedeeld (Kamerstukken 27 625, nr. 735).
Deelt u de opvatting dat het grootschalig inzetten van grijswater (zoals hergebruikt douchewater) en hemelwater een substantiële bijdrage kan leveren aan het verminderen van de druk op de drinkwatervoorziening?
Ja, en deze wordt ook onderschreven door het RIVM, mits dit op een verantwoorde manier kan.
Kunt u een actuele stand van zaken geven van de uitwerking van de aanbevelingen van het RIVM ten aanzien van het gebruik van grijs- en hemelwater in de gebouwde omgeving?
In het WGO Water op 2 februari jl. is aan het lid Vellinga-Beemsterboer toegezegd dat de Kamer na een jaar zal worden geïnformeerd over de stand van zaken van de uitwerking van de aanbevelingen3. Het ministerie is op dit moment bezig met het vormgeven van de opdracht om de aanbevelingen van het RIVM uit te werken. Hierin wordt aan experts gevraagd om uit te werken wat de minimale kwaliteitseis voor grijswater zou moeten zijn. Ook overlegt het ministerie met de installatiebranche om beheersmaatregelen vast te laten leggen in werkprotocollen voor aanleg, beheer en onderhoud van grijs- en hemelwatersystemen.
Gelet op het feit dat u tijdens het wetgevingsoverleg Water van 2 februari 2026 aangaf pilots te willen uitvoeren en dat u binnen een jaar hierop terugkomt bij de Kamer, en in het Nationaal Plan van Aanpak Drinkwaterbesparing2 wordt bovendien 2035 als jaar genoemd waarin waterbewust bouwen de norm is: kunt u concreet aangeven welke pilots inmiddels zijn gestart, wat de planning is en wanneer de eerste resultaten worden verwacht?
Het laten uitvoeren en monitoren van pilots is een belangrijk onderdeel van de aanpak. De selectie van representatieve pilots wil het ministerie samen met de (bouw)partners doen. Deze zijn niet alleen gericht op het opdoen van ervaring met de effectiviteit van beheersmaatregelen voor gebouwgebonden systemen, maar ook ervaring op te doen met bijvoorbeeld collectieve oplossingen. Hierbij wordt ook gekeken naar de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) die een rol heeft in het verlenen van ontheffingen en het goedkeuren van meetprogramma’s.
Met een ontheffing van de ILT is bijvoorbeeld al een pilot in Tilburg5 opgestart om bad- en douchewater te gebruiken om toiletten te spoelen. In Silvolde6 zijn meerdere woningen gebouwd die regenwater in het gebied opgevangen waar ze drinkwater van kunnen maken; met een goedgekeurd meetprogramma kunnen ze daarmee aan de slag. Datzelfde geldt voor SUPERLOCAL7 in Kerkrade waar voor twee appartementencomplexen regenwater hergebruikt wordt. Dit soort pilots kunnen we gebruiken om van te leren hoe het gebruik van grijs- en hemelwater verantwoord kan. Zoals toegezegd wordt de Kamer hier in 2027 over geïnformeerd.
Waarom kiest u ervoor om (opnieuw) pilots uit te voeren terwijl in andere landen en regio’s, zoals Vlaanderen, al uitgebreide ervaring is opgedaan met grijswatersystemen? Welke lessen uit Vlaanderen zijn inmiddels concreet vertaald naar Nederlands beleid en regelgeving?
Pilots bieden de gelegenheid om op gecontroleerde schaal te experimenteren en te monitoren hoe gezondheidsrisico’s beheerst kunnen worden. De lessen uit andere landen nemen we daarin mee. De overeenkomsten en verschillen met Vlaanderen heeft onderzoeksinstituut KWR in juli 2025 geïnventariseerd in het rapport «Veilig water uit alternatieve bronnen»8. Vertaling naar beleid en regelgeving kan pas als de risico’s beheersbaar zijn. Een cruciaal verschil tussen het Nederlandse en Vlaamse drinkwater is overigens wel de toevoeging van chloor in Vlaanderen, waardoor daar de gezondheidsrisico’s veel kleiner zijn bij gebruik van alternatieve bronnen.
Welke specifieke belemmeringen staan momenteel grootschalige toepassing van grijswatersystemen in de weg in zowel nieuwbouw als bestaande bouw (bijvoorbeeld op het gebied van NEN-normering, toezicht door de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT), volksgezondheid of kosten)?
Het RIVM heeft in haar kennisnotitie concrete aanbevelingen gedaan voor het beheersbaar maken van de gezondheidsrisico’s: o.a. borging van correcte aanleg en ingebruikname van huishoudwatersystemen, beheersmaatregelen om wanverbindingen te voorkomen en het voorlichten van leveranciers en bewoners over mogelijke risico’s. Deze aanbevelingen zien toe op concrete acties voor zowel beleid als praktijk. In de Kamerbrief van 27 januari jl. is dit nader toegelicht.
In hoeverre zijn risico’s zoals foutaansluitingen inmiddels voldoende in beeld en beheersbaar, en welke aanvullende maatregelen acht u noodzakelijk om deze risico’s te beperken?
Hiervoor wordt verwezen naar de kennisnotitie van het RIVM en de beleidsappreciatie die hierop aan de Kamer is gegeven op 27 januari jl.
Acht u het noodzakelijk om de norm voor grijswater- en hemelwatersystemen in nieuwbouw uiterlijk in 2035 naar voren te halen gezien de grote urgentie?
In het WGO Water op 2 februari jl. is aangegeven dat over twee jaar samen met de Minister van VRO de balans opgemaakt kan worden uit de acties in de beleidsappreciatie en we dan bezien of het verantwoord is om de wet- en regelgeving aan te passen.
Kunt u toelichten waarom een mogelijke opname van grijswatersystemen in het Bouwbesluit (of opvolgende regelgeving) volgens u een tijdslijn van circa twee jaar vergt, en ziet u mogelijkheden om dit proces te versnellen?
Zoals met de Kamer gedeeld in januari jl., kunnen aan het gebruik van grijs- en hemelwater risico’s voor de volksgezondheid zitten. Ook dat is een verantwoordelijkheid van de regering. Daarnaast speelt bij zo’n extra eis in het Bbl de substantiële verhoging van de bouwkosten, die de betaalbaarheid van de nieuwbouw verder onder druk zet. De komende twee jaar zijn nodig om de beheersing van de gezondheidsrisico’s zorgvuldig te onderzoeken in praktijkproeven in de verschillende fases van aanleg, beheer en onderhoud. Ook worden de kosten en baten en integrale impact op milieu onderzocht om zo verantwoord een heroverweging te kunnen maken. Tegelijk kijkt het ministerie naar alternatieve oplossingen om vraag en aanbod van drinkwater in evenwicht te houden, zoals de aanbodkant vergroten maar ook het drinkwaterbesparings-potentieel, op verschillende schaalniveaus van de drinkwaterketen.
Welke rol spelen kostenoverwegingen in uw afweging, en hoe verhouden deze zich tot de maatschappelijke baten van drinkwaterbesparing en het voorkomen van drinkwatertekorten?
In algemene zin moeten de kosten opwegen tegen de baten. Uit eerder onderzoek van Witteveen en Bos (2023) blijkt dat de investeringen in een grijs- of hemelwatersysteem € 4.000 tot € 7.000 per grondgebonden woning bedragen, met jaarlijkse onderhoudskosten van € 330 tot € 640. In de beleidsappreciatie op dat rapport (Kamerstukken 27 625, nr. 658) is aangegeven dat een nadere uitwerking van de kosten en baten van individuele mogelijke systemen volgt. Hierbij moeten ook de kosten van (extra) drinkwaterbereiding in ogenschouw worden genomen.
Hoe voorkomt u dat Nederland te maken krijgt met «drinkwatercongestie», en welke rol ziet u daarbij voor decentrale wateroplossingen zoals grijswatersystemen?
Het is belangrijk dat vraag en aanbod van drinkwater in balans blijven. Hiervoor werkt het Ministerie van IenW met de provincies en drinkwaterbedrijven samen aan het Actieprogramma beschikbaarheid drinkwaterbronnen 2023–2030 om de productiecapaciteit van de drinkwaterbedrijven te vergroten met minimaal 100 miljoen kubieke meter drinkwater per jaar. Tegelijk wordt ook met veel partijen samengewerkt aan het Nationaal Plan van Aanpak Drinkwaterbesparing om het drinkwatergebruik bij particulieren terug te dringen naar 100 liter per persoon per dag en 20% zuiniger drinkwatergebruik bij bedrijven. Voor de periode na 2030 werkt het ministerie aan een perspectief en strategie. Decentrale oplossingen zijn daar een onderdeel in en deze kunnen van betekenis zijn als er lokale knelpunten zijn.
Op welke wijze wordt het gebruik van grijswater momenteel gestimuleerd via bestaande instrumenten, zoals de MIA/VAMIL-regeling, en acht u deze stimulansen voldoende?
Op de Milieulijst voor MIA/Vamil staan verschillende technieken die bijdragen aan besparing van water (niet per sé drinkwater) in brede zin. Zowel in de industrie als in de landbouw. Uit het jaarverslag 2024 blijkt dat de totale steun die is verleend aan waterbesparing vanuit het MIA/Vamil-budget op het totale budget helaas beperkt is. Daarom wil ik in het Nationaal Plan van Aanpak Drinkwaterbesparing verkennen of uitbreiding van financiële regelingen voor drinkwaterbesparing bij zakelijke gebruikers mogelijk is. Specifiek wordt gekeken naar de mogelijkheden voor uitbreiding van bestaande nationale financiële regelingen, zoals MIA/Vamil en Veki9 en vraag ik IPO en VNG de bestaande regionale financiële regelingen in kaart te brengen met daarbij de mogelijkheden voor uitbreiding.
Bent u bereid om, vooruitlopend op eventuele aanpassing van het Bouwbesluit, al concrete maatregelen te nemen om de toepassing van grijswater in de bouwpraktijk te versnellen? Zo ja, welke?
Zoals hierboven toegelicht wil ik nu al pilots stimuleren. Om het generiek uit te rollen zijn er concrete beheersmaatregelen aanbevolen om dit in de toekomst wel veilig te kunnen doen. Hiermee ga ik aan de slag en pas dan kan worden overwogen of het drinkwaterbesluit en het besluit bouwwerken leefomgeving in deze zin worden aangepast.
Kunt u toezeggen dat de Kamer vóór het commissiedebat over ruimtelijke ordening wordt geïnformeerd over de voortgang en mogelijke beleidsopties, zodat hierover gericht besluitvorming kan plaatsvinden?
In het WGO Water van 2 februari jl. is al toegezegd dat de Kamer over een jaar wordt geïnformeerd.
Het bericht 'Gifzones belemmeren bouw van tienduizenden woningen in zeker 40 gemeenten' |
|
Anne-Marijke Podt (D66), Robert van Asten (D66) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat gemeenten verschillend omgaan met spuitvrije zones voor het gebruik van bestrijdingsmiddelen op landbouwgrond en dat het aanhouden van een minimale afstand van 50 meter in de praktijk regelmatig leidt tot vertraging en het stikvallen van woningbouwprojecten?1
Het klopt dat gemeenten verschillend omgaan met spuitvrije zones. Op basis van uitspraken van de (Afdeling bestuursrechtspraak van de) Raad van State wordt, voor nieuwe situaties, als vuistregel een spuitvrije zone van 50 meter aangehouden tussen agrarische gronden waar gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt en gevoelige functies zoals woningen. Dit kan een belemmering zijn voor woningbouw omdat het inrichten van een spuitvrije zone bij een woningbouwproject of het opkopen of schadeloos stellen van agrarische bedrijven extra kosten met zich meebrengt.
Een kortere afstand dan 50 meter is mogelijk, maar vereist een deugdelijke en locatie specifieke motivering, aldus de Raad van State. Die motivering is vaak ingewikkeld omdat er niet veel wetenschappelijke inzichten zijn. Er is daarom door BZK en LVVN een onderzoek uitgezet bij het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en de Wageningen University & Research (WUR). Zij verkennen of het mogelijk is om een wetenschappelijk onderbouwd model te kunnen ontwikkelen voor de inrichting van een spuitzone. Begin juli 2026 verwacht ik de resultaten van deze RIVM/WUR-verkenning naar spuitzonering. Daar zal ik uw Kamer over informeren.
Kunt u een beeld geven van de schaal waarop woningbouw wordt geremd door de instelling van deze spuitvrije zones of door de onduidelijkheid die hierover ontstaat voor ontwikkelaars en woningzoekenden?
Het probleem speelt in heel Nederland daar waar woningbouwprojecten (deels) binnen 50 meter van agrarisch areaal liggen waar gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt of kunnen worden gebruikt. Het IPO2 geeft aan dat dit vooral speelt in Groningen, Flevoland, Drenthe, Zeeland, Limburg en Gelderland.
De precieze schaal van het probleem voor het realiseren van woningbouw bij agrarische gronden is niet inzichtelijk. Met name voor kleinschalige woningbouw kan het problematisch zijn om hier een oplossing voor te vinden.
Klopt het dat gemeenten onder de Omgevingswet zorg dragen voor de gezondheid van hun inwoners en dat deze zorgplicht ook veelal wordt gezien als reden om spuitvrije zones in te stellen, of voor inwoners om gemeenten daartoe op te roepen?
De Omgevingswet verplicht gemeenten rekening te houden met de gezondheid van hun inwoners bij onder andere het vaststellen van ruimtelijke plannen en het verlenen van omgevingsvergunningen. Daarbij maken gemeenten afwegingen op grond van het zoeken naar een balans tussen het beschermen (veiligheid, gezondheid, milieu) en het benutten (wonen, werken, recreatie) van de fysieke leefomgeving.
Klopt het dat de stijging van de grondprijs en de diverse uitkoopregelingen ervoor zorgen dat er de laatste jaren meer intensieve teelt (zoals bollenteelt), met relatief veel middelengebruik, is gekomen en dat deze teelten (dus) ook vaker in de buurt van beoogde woningbouwlocaties zijn?
De meeste recente CBS cijfers laten geen duidelijke toename zien in het aantal hectare bollenteelt. Verder laten de landbouwtellingen nog geen trend zien waarbij grasland wordt omgezet naar bouwland. Tegelijkertijd is het van belang om mogelijke negatieve effecten van de stijgende grondprijzen en de diverse uitkoopregelingen zorgvuldig te blijven monitoren. Ik zal de ontwikkelingen op dit punt dan ook blijven volgen.
Herkent u het beeld dat ook boeren die geen gebruik maken van bestrijdingsmiddelen de huidige onduidelijkheid inzetten om te zorgen dat woningbouw niet naast hun perceel wordt gevestigd? Op welke schaal gebeurt dit?
Ja, het is inderdaad een risico dat telers woningbouw naast hun perceel willen voorkomen omdat boeren die naast hun grond woningen zouden krijgen, daar binnen de spuitvrije zone niet meer ongehinderd gewasbeschermingsmiddelen kunnen gebruiken. We hebben echter geen zicht of dit daadwerkelijk plaatsvindt.
Bent u bereid om, op basis van het onderzoek van het RIVM en de WUR naar risico’s en mogelijke richtlijnen, in gesprek te gaan met de VNG over duidelijke richtlijnen of een afwegingskader, zodat duidelijker en consistenter wordt omgegaan met afstanden tussen (bestaande en nieuwe) woningbouw en landbouwgrond, waarbij zowel gezondheid als woningbouwopgave geborgd zijn?
Momenteel wordt gewerkt aan het sluiten van bindende convenanten over gewasbeschermingsmiddelen, waarbij ook de VNG betrokken is. Voor de afspraken in het convenant zal ik de uitkomsten van het onderzoek van het RIVM en de WUR meenemen. Begin juli verwacht ik de resultaten van deze RIVM/WUR-verkenning naar spuitzonering. Daar zal ik de Kamer over informeren.
Kunt u zich voorstellen dat de huidige onduidelijkheid vanuit het Rijk op dit vlak en de vele zorgen die er (daardoor) bij omwonenden leven, er ook voor zorgen dat de vraag om spuitvrije zones toeneemt? Zo ja, bent u bereid in samenwerking met de VNG ook expliciet te kijken naar andere manieren waarop zorgen en onduidelijkheden rond het gebruik van bestrijdingsmiddelen kan worden verholpen (te denken valt aan verplichtingen rond transparantie en communicatie bij gebruik)?
Zoals gezegd wordt ingezet op afspraken maken binnen het convenant over beperkende maatregelen in zones tussen landbouwpercelen en bebouwing. Ook kunnen andere maatregelen worden overwogen in het convenant, zoals een actieve meldplicht voor ondernemers om omwonenden tijdig te informeren over geplande gewasbehandelingen.
Daarnaast is in samenwerking met RVO de «Handreiking aanpak spuitvrije zone bij nieuwbouwprojecten» opgesteld. Deze helpt gemeenten door ze inzicht te verschaffen in verscheidene manieren waarop het een spuitvrije zone kan realiseren waardoor woningbouw sneller mogelijk wordt. Ook is het kennisdocument «Kennisdocument Omgaan met 50 meter spuitvrije zone bij nieuwbouw» gepubliceerd.
Bent u het eens dat de huidige urgente woningbouwopgave én maatschappelijke zorgen rond een gezonde leefomgeving vragen om een zorgvuldige afweging in de ruimtelijke ordening en dat ook dit wil zeggen dat niet iedere vorm van agrarisch grondgebruik overal kan? Op welke wijze kan dit worden meegenomen in de definitieve Nota Ruimte?
Woningbouwambities en gezondheidsbelang zijn beiden maatschappelijk urgent en verdienen beide zorgvuldige ruimtelijke ordening. Conform de Omgevingswet moet daarom gezocht worden naar een balans tussen het beschermen (veiligheid, gezondheid, milieu) en het benutten (wonen, werken, recreatie) van de fysieke leefomgeving. De Ontwerpnota Ruimte laat zien dat scherpe keuzes en een zorgvuldige, integrale belangenafweging noodzakelijk zijn.
Op welke termijn kunt u de Kamer informeren over concrete maatregelen om te voorkomen dat deze «spuitvrije zones» de woningbouwopgave verder vertragen?
De inzet is een convenant op hoofdlijnen te sluiten vóór de zomer en ná de zomer tot gedetailleerde afspraken te komen in deelconvenanten. Ik zal u voor de zomer informeren over het convenant op hoofdlijnen. Daarnaast verwachten we de eerste resultaten uit het onderzoek met WUR en het RIVM deze zomer.
Het bericht ‘Enige school in Haagse Binckhorst stopt aan het einde van schooljaar’ |
|
Ilana Rooderkerk (D66), Robert van Asten (D66) |
|
Judith Tielen (VVD), Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Enige school in Haagse Binckhorst stopt aan het einde van schooljaar»1?
Ja.
Deelt u de opvatting dat bij grootschalige woningbouwlocaties voorzieningen zoals onderwijs en zorg vanaf de start onderdeel moeten zijn van de gebiedsontwikkeling, juist met het oog op de verwachte groei van het aantal inwoners?
Ja. Het is aan gemeenten en schoolbesturen om te zorgen dat basisvoorzieningen zoals onderwijs vanaf de start onderdeel zijn van gebiedsontwikkelingen.
Binnen nationaal grootschalige gebiedsontwikkelingen wordt middels financieel instrumentarium (het gebiedsbudget) de ontwikkeling van de openbare ruimte (denk aan parken en pleinen) nu al mogelijk gemaakt. Daarnaast ziet het Rijk vanuit zijn regierol toe op de ontwikkeling van voldoende (maatschappelijke) voorzieningen in de breedte conform totaalaanpak.
Kunt u in kaart brengen in hoeveel grootschalige woningbouwgebieden voorzieningen zoals basisscholen onder druk staan of dreigen te verdwijnen, doordat zij in de opstartfase nog niet voldoen aan geldende normen voor leerlingaantallen?
Het is niet mogelijk om aan te geven hoeveel basisscholen zijn opgeheven omdat ze te klein waren en specifiek in grootschalige woningbouwgebieden stonden. De reden voor een schoolsluiting kan verschillen. Soms heeft dit te maken met het stoppen van bekostiging door de rijksoverheid vanwege een te laag leerlingenaantal, maar een schoolbestuur kan ook zelf besluiten een school te sluiten. Dit kan ook als de school niet onder de opheffingsnorm zit. Schoolsluitingen worden, vanaf 1997, door DUO in een openbaar toegankelijk bestand geregistreerd.2
Hoe beoordeelt u het feit dat gebiedsontwikkeling niet (altijd) een lineair bouwproces kent en dat de verwachte groei van inwoners waaronder kinderen dus ook met sprongen gaat en dat dit dus nadelig kan uitwerken voor de bezettingsgraad van een school?
Het klopt dat de ontwikkeling van een nieuwe wijk niet altijd lineair verloopt. Op de site van DUO staat dat schoolbesturen en gemeenten rekening moeten houden met vertraging in de oplevering en dat schoolbesturen hun stichtingsaanvraag dus goed moeten plannen.3 De start van een school kan met één jaar worden uitgesteld. Uit de evaluatie blijkt dat gemeenten en schoolbesturen in sommige gevallen, zoals een nieuwe school in een nieuwbouwwijk, behoefte hebben aan meer flexibiliteit. Daarom verkent de Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie of de mogelijkheid voor een tweede jaar uitstel kan worden gecreëerd.
Een nieuwe school wordt in het vierde jaar en in het achtste jaar getoetst op de groei van het aantal leerlingen. De groei van een school kan, om verschillende redenen, achterblijven. Een schoolbestuur kan de Minister verzoeken om de bekostiging niet te stoppen door een beroep te doen op een uitzonderingsgrond. Door middel van een uitzonderingsgrond kan bekostiging worden behouden.
Hoe beoordeelt u het spanningsveld dat ontstaat wanneer enerzijds wordt ingezet op versnelde woningbouw en gebiedsontwikkeling, terwijl anderzijds de bekostigingssystematiek voor voorzieningen zoals scholen onvoldoende ruimte biedt om de aanloopfase van zulke gebieden te overbruggen?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u toelichten waarom in de Binckhorst de bestaande basisschool moet sluiten vanwege leerlingenaantallen, terwijl op basis van verwachte inwonersgroei binnen enkele jaren juist weer een nieuwe school nodig is?
Deze bassischool had in haar vierde jaar niet voldoende leerlingen om de tussentijdse toets te halen (62 leerlingen, terwijl 167 leerlingen nodig zijn). Het schoolbestuur had tegelijkertijd gecommuniceerd dat de school zou worden gesloten en bij DUO een beroep gedaan op een uitzonderingsgrond om bekostiging te blijven ontvangen. Het is uiteindelijk aan het schoolbestuur om te besluiten of een school wordt gesloten. Het schoolbestuur heeft ondertussen laten weten hun besluit terug te draaien.4 De basisschool op de Binckhorst hoeft dus niet te sluiten.
Ziet u mogelijkheden om binnen de huidige regelgeving meer ruimte te bieden voor maatwerk in groeigebieden, bijvoorbeeld via tijdelijke ontheffingen, aangepaste leerlingennormen of andere vormen van overbruggingsbekostiging?
Zoals in antwoord op vraag 4 en 5 is beschreven wordt de mogelijkheid verkend voor een extra jaar uitstel voor de start van een school, naast de huidige mogelijkheid van één jaar uitstel. Ook kan een schoolbestuur een beroep doen op een uitzonderingsgrond als een van hun scholen niet snel genoeg groeit. In uitzonderlijke gevallen kan de Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie de discretionaire bevoegdheid inzetten om de bekostiging voort te zetten.
Welke instrumenten heeft het Rijk verder om, samen met gemeenten en andere betrokken partijen, te borgen dat voorzieningen zoals onderwijs en zorg gelijktijdig met woningbouw worden gerealiseerd?
Gemeenten zijn primair verantwoordelijk en aan zet voor het borgen en inplannen van voldoende voorzieningen in grootschalige woningbouwontwikkelingen. Het Rijk neemt vanuit zijn regierol actief deel aan de ontwikkeling van nationaal grootschalige woningbouw. Conform coalitieakkoord werkt de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening momenteel aan de uitwerking van een totaalaanpak waardoor meer geborgd wordt dat door middel van koppelkansen functies als wonen, werken, bereikbaarheid, groen en maatschappelijke voorzieningen samen worden ontwikkeld. In de Taskforce Versnellen Woningbouw ziet de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening toe op het actief benutten van deze koppelkansen binnen grootschalige woningbouwontwikkelingen.
Acht u de huidige instrumenten toereikend om te voorkomen dat nieuwe woonwijken in de eerste jaren onvoldoende toegang hebben tot essentiële voorzieningen?
Nee. Het ministerie financiert middels de huidige stimuleringsregelingen geen voorzieningen, m.u.v. de eerder genoemde regeling gebiedsbudget. Middels deze regeling wordt openbare ruimte (parken en pleinen) binnen nationaal grootschalige woningbouwlocaties gesubsidieerd. Als onderdeel van de uitwerking van de totaalaanpak heeft dit verder mijn aandacht.
In de uitwerking van de totaalaanpak onderzoek ik de noodzaak en mogelijkheden voor aanvullende maatregelen.
Zo nee, welke aanvullende maatregelen overweegt u?
Zie antwoord vraag 9.
Het artikel ‘Waterschappen hebben geen zicht op bouwplannen in risicovolle gebieden' |
|
Robert van Asten (D66) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Klopt het dat er op dit moment nieuwbouwprojecten vertraging oplopen door slepende processen, als gevolg van onenigheid over adviezen van waterschappen, zoals bij de bouw van achtduizend woningen in de Zuidplaspolder?1 Zo ja, kunt u aangeven wat de omvang van deze vertraging in heel Nederland is?
Waterschappen hebben de taak om de effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op het waterbeheersysteem te beoordelen en te wegen. Dit is onder de Omgevingswet verankerd in de weging van het waterbelang2. Mijn ervaring is dat dit in het algemeen goed gaat en dat gemeenten de waterschappen bij veel gebiedsontwikkelingen vroegtijdig en blijvend betrekken. Dit gebeurt echter niet altijd, wat inderdaad vertraging kan veroorzaken. Dat hoeft overigens niet het resultaat te zijn van «onenigheid over adviezen». Vertraging kan ook ontstaan doordat noodzakelijke maatregelen te laat aan het licht komen en alsnog moeten worden ingepast.
Het is niet bekend hoeveel projecten door late betrokkenheid vertraging oplopen of wat de omvang van deze vertraging is. In de genoemde casus Cortelande (gemeente Zuidplas) was de verhouding met het waterschap complex en heeft dit zelfs geleid tot beroep bij de Raad van State. Er was in deze casus geen sprake van een gebrek aan betrokkenheid van het hoogheemraadschap. Het masterplan voor het middengebied van de Zuidplaspolder is al in 2021 vastgesteld. Dit gebeurde met vroegtijdige en intensieve inhoudelijke betrokkenheid en steun van het hoogheemraadschap. Het resultaat was een ontwerp waarbij rekening wordt gehouden met het lokale water- en bodemsysteem. Zo wordt er gebouwd op de betere gronden en blijft er veel ruimte vrij voor waterberging. Wel was er sprake van hoge tijdsdruk vanwege het aflopende voorkeursrecht op de gronden.
Deelt u de opvatting dat het voorkomen van dergelijke processen door betere afstemming tussen gemeenten en waterschappen kan bijdragen aan het versnellen van de woningbouw?
Ik deel de observatie dat vroegtijdige betrokkenheid van het waterschap
vertraging later in het proces kan voorkomen. Dit gaat vaak goed, maar niet altijd. Op de Woontop van eind 2024 heb ik daarom afspraken gemaakt met onder andere waterschappen en gemeenten. Dit houdt in dat waterschappen vroegtijdig worden betrokken bij de planvorming van gemeenten, waarmee tevens invulling wordt gegeven aan de hierboven genoemde weging van het waterbelang zoals dat ook is verankerd in de Omgevingswet. Waterschappen en gemeenten werken in opvolging daarvan aan een convenant waarin zij deze vroegtijdige samenwerking formaliseren.
Kunt u aangeven welke rol u voor de Rijksoverheid ziet in het bevorderen van vroegtijdige betrekking van waterschappen door gemeenten bij bouwplannen?
Zoals hierboven aangegeven, heb ik hierover op de Woontop afspraken gemaakt met de betrokken partijen. Onderdeel van deze afspraken is daarnaast dat we werken aan uniforme kaders voor onder andere wateroverlast. Hiervoor is de Landelijke maatlat voor een groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving als basis genomen. Dit maakt voor alle partijen aan de voorkant duidelijk waar zij rekening mee moeten houden. Dit helpt ook om invulling te geven aan de gemaakte keuze in de Ontwerp-Nota Ruimte dat we bij het plannen en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving systematisch rekening houden met vaker voorkomende extreme weersomstandigheden (zoals lange periodes van droogte, hitte en overvloedige neerslag) en hogere piekafvoeren van de rivieren.
Ook werken we met medeoverheden en het Ministerie van IenW aan ontwerpend onderzoek dat gericht is op een handelingsperspectief voor locaties die een uitdaging hebben ten aanzien van water en bodem. Dit levert bewezen en toepasbare ontwerpoplossingen op voor verschillende water- en bodemtypen, met als doel woningbouwprojecten in deze gebieden vooruit te helpen. Uiteindelijk blijft het aan de daarvoor bevoegde gezagen (veelal gemeenten) om waterschappen vroegtijdig te betrekken bij bouwplannen en daarmee invulling te geven aan de weging van het waterbelang, zo is dat ook afgesproken in de Omgevingswet.
Deelt u de mening dat waterschappen bij gebiedsontwikkelingen een belangrijke, zo niet preferente, rol hebben vanuit het principe Water- en Bodemsturend en de noodzaak piekwaterbergingsgebieden beschikbaar te hebben?
Zoals aangegeven ben ik inderdaad van mening dat waterschappen een belangrijke rol hebben bij gebiedsontwikkelingen. Zij kunnen de volledige breedte van de regionale wateropgaven overzien, ruimte voor (piek)waterbergingen is daar een onderdeel van. Ruimtelijke keuzes worden integraal gemaakt, dus geen enkel belang heeft een preferente rol, zo staat dat ook omschreven in de Ontwerp-Nota Ruimte. Zoals de Minister van IenW in zijn brief van oktober 20243 heeft aangegeven (en in het verlengde van voorgaande) is de lijn van dit kabinet «rekening houden met water en bodem» en niet «water en bodem sturend».
Uiteindelijk worden de bouwlocaties aangewezen door de daarvoor bevoegde gezagen, op basis van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In dat kader worden de verschillende (o.a. ruimtelijke) belangen afgewogen. Het advies van het waterschap op het omgevingsplan wordt hierbij betrokken, via de weging van het waterbelang. Zo staat dat ook in de Omgevingswet.
Kunt u toelichten in welke mate de Ontwerp-Nota Ruimte mogelijkheden biedt voor het stroomlijnen van besluitvorming rondom de locatiekeuze voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen?
In de Ontwerp-Nota Ruimte reikt dit kabinet twee concrete instrumenten aan die partijen helpen bij het maken van keuzes voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, in relatie tot het water- en bodemsysteem:
Dit instrument helpt partijen bij de locatiekeuze voor nieuwe ontwikkelingen, in relatie tot het water- en bodemsysteem.
Dit instrument helpt partijen bij keuzes rondom inrichting van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, in relatie tot het water- en bodemsysteem.
Aanvullend maakt het kabinet in de Ontwerp-Nota Ruimte de keuze om, met het oog op risico’s op overstromingen, nieuwe bebouwing in de uiterwaarden niet langer toe te staan en om, met het oog op het behoud van de zoetwatervoorziening, terughoudend te zijn met landaanwinning en buitendijks bouwen in het IJsselmeergebied.
Op deze manier tracht het kabinet de besluitvorming rondom nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen te stroomlijnen. Tevens heb ik op de Woontop (2024), zoals eerder benoemd, afspraken gemaakt die ook bijdragen aan het stroomlijnen van deze besluitvorming.
Uiteindelijk blijven keuzes ten aanzien van locatie (buiten de eerder genoemde uiterwaarden en IJsselmeergebied) en inrichting van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen de verantwoordelijkheid van de daarvoor aangewezen bevoegde gezagen.
Hoe is de behoefte aan piekbergingsruimte zoals geuit door de waterschappen meegenomen en vastgelegd in de ontwerp-Nota Ruimte?
In de Ontwerp-Nota Ruimte wordt aangegeven dat een robuust en toekomstbestendig hoofdwatersysteem ook voldoende ruimte vereist voor (piek)waterberging. Deze gebieden voor waterberging zijn bedoeld om overloop te creëren en daarmee wateroverlast op andere plekken te voorkomen, deels vanuit het hoofdwatersysteem en deels in de regionale watersystemen. Daarom wordt in de Ontwerp-Nota Ruimte aangegeven dat er (lokaal) voldoende ruimte wordt gereserveerd voor (piek)waterberging, het doel wordt nagestreefd om in diepe polders 5–10% ruimte te reserveren voor waterberging en ontwikkelingen op gronden die bijzonder geschikt zijn voor infiltratie te vermijden.
Specifiek voor het Noordzeekanaal en het Amsterdam-Rijnkanaal zijn de zoekgebieden voor (piek)waterberging op kaarten aangegeven omdat ze een belangrijke rol vervullen in de beheersmogelijkheden van wateroverlast. In deze gebieden spelen daarnaast ook nog andere ruimtelijke opgaven. Zo betreft een deel van het zoekgebied bij het Noordzeekanaal de Houtrakpolder waar opgaven vanuit energie, economie en water en bodem samenkomen. Dit gebied is op dit moment gereserveerd voor uitbreiding van de haven. De locatiebepaling voor waterberging rond het Noordzeekanaal vergt daarom nog nader onderzoek, dit wordt uitgewerkt in de gebiedsgerichte aanpak van het regionale Deltaprogramma Centraal Holland. De integrale besluitvorming hierover vindt plaats in de gebiedsgerichte aanpak in het NOVEX-gebied Noordzeekanaalgebied.
Acht u naar aanleiding van het signaal van de waterschappen aanvullingen op de ontwerp-Nota Ruimte noodzakelijk?
In reactie op de rapportage van Nieuwsuur heb ik aangegeven dat ik het belangrijk vind dat gemeenten waterschappen vroegtijdig betrekken bij bouwplannen, maar dat het verder institutionaliseren van de rol van waterschappen de processen stroperiger en duurder maakt. Het belang van het rekening houden met water en bodem staat voldoende benoemd in de Ontwerp-Nota Ruimte, ik zie daarom geen aanleiding om de Ontwerp-Nota Ruimte op dit punt aan te vullen.