| Ingediend | 11 juni 2026 |
|---|---|
| Beantwoord | 10 juli 2026 (na 29 dagen) |
| Indiener | Robert van Asten (D66) |
| Beantwoord door | Boekholt-O’Sullivan |
| Onderwerpen | bouwen en verbouwen huisvesting |
| Bron vraag | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2026Z12783.html |
| Bron antwoord | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20252026-2523.html |
Ja
Ik ben bekend met de situatie in Hardinxveld-Giessendam en heb contact gehad met betrokken partijen zoals deze gemeente, de provincie Zuid-Holland en de regionale versnellingstafel over de actuele ontwikkelingen.
De verdere ontwikkeling van de woningbouwlocatie ’t Oog is niet opgenomen op de «3 hectare lijst» van grotere buitenstedelijke locaties van de provincie Zuid-Holland.
In het project spelen diverse factoren een rol waaronder het beleid op buitenstedelijk bouwen, maar ook infrastructurele knelpunten zoals de spoorwegovergang over de Merwede Linge-lijn en de belasting van de op- en afritten van de A15. Ook zijn er uitdagingen op het gebied van water en bodem. De provincie en de gemeente zijn ambtelijk in gesprek over de verdere ontwikkeling van woningbouw in deze regio waaronder de locatie ’t Oog.
In deze regio is voldoende plancapaciteit om de regionale woningbouwopgave tot en met 2030 te realiseren.
Over de belemmeringen ten aanzien van buitenstedelijk bouwen in de provincie Zuid-Holland heb ik recent een brief2 gestuurd naar de Provincie Zuid-Holland. Daarover en ook over de aanvullende woningbouwopgave tot en met 2036 ben ik met de provincie in gesprek.
Vanzelfsprekend is het niet de bedoeling dat woningbouw onnodig wordt geblokkeerd door beleid en regelgeving. Tegelijkertijd is de fysieke ruimte in Nederland beperkt en moeten keuzes worden gemaakt. Daarbij is ook de provincie aan zet. De lijn van de ontwerpNota Ruimte is dan ook dat meervoudig ruimte gebruik noodzakelijk is. Maar ook dat bedrijventerreinen en hoogwaardige landbouwgronden beschermd moeten worden. Woningbouw moet ook goed ontsloten kunnen worden.
Kortom, er zijn afspraken en regels nodig over hoe de ruimte wordt verdeeld. In de ontwerpNota Ruimte geeft het Rijk aan hoe we die verdeling zien. Provincies leggen in hun omgevingsvisie en verordeningen hun verdeling en regels vast. Het ruimtelijk beleid moet op elkaar afgestemd zijn. Daar hoort ook bij dat provincies zorgen dat er voldoende ruimte is voor woningbouwlocaties ten opzichte van de bestuurlijk afgesproken aantallen woningen: binnenstedelijk en buitenstedelijk. In het ontwerpbesluit Versterking regie volkshuisvesting regel ik daarom ook dat de ladder voor duurzame verstedelijking niet meer van toepassing is voor nieuwe woningbouwlocaties.
Waar er sprake is van belemmeringen zijn de regionale versnellingstafels bedoeld om belemmeringen naar voren te brengen en projecten weer vlot te trekken.
De focus ligt daarbij primair op het realiseren van de beschikbare locaties.
Als daar belemmeringen geconstateerd worden die komen door strijd met landelijke uitgangspunten kan ik waar nodig mijn bevoegdheden inzetten om te interveniëren. Dat begint altijd bij bestuurlijk overleg.
Zie antwoord vraag 3.
Zie antwoord vraag 3.
Hier is geen totaaloverzicht van. Vertraging van woningbouwprojecten wordt immers vaak veroorzaakt door een combinatie van factoren, zoals problemen met netcongestie en complexiteit in procedures. Zoals in mijn antwoord op vraag 3, 4 en 5 beschreven, wordt aan de regionale versnellingstafels gezamenlijk gezocht naar oplossingen voor belemmeringen in woningbouwprojecten. Ook bespreek ik belemmeringen in de realisatie van de woningbouwopgave tijdens de bestuurlijke overleggen Woondeals. Ik ben bovendien op diverse manieren in gesprek met provincies over hun omgevingsbeleid in het kader van de NOVEX-tafels. Dit betreft ook de wederkerige afspraken die Rijk en Regio jaarlijks maken in het ruimtelijk arrangement.
Ik ben momenteel in het kader van het herziene omgevingsbeleid dat onlangs in provinciale staten van Zuid-Holland is vastgesteld, al in gesprek met de provincie. Daarbij zal ik specifiek aandacht besteden aan de uitvoering van diverse aangenomen amendementen en moties die gaan over meer ruimte voor woningbouw en aan mogelijke flexibiliteit in de uitvoering van het omgevingsbeleid.
Ik heb de genoemde brief aan de provinciale staten van Zuid-Holland gestuurd in de verwachting dat die voor de leden belangrijke input zou zijn in hun bespreking en stemmingen. Ik constateer dat er bij de behandeling onder meer een wijziging is aangenomen die als strekking heeft het beleid rond een straatje erbij te verruimen. Ik ben met de provincie in gesprek om te vernemen hoe men verder gaat met de buitenstedelijke locaties en met de uitvoering van het herziene beleid.
Het vastlopen in bestuurlijke procedures dienen we te voorkomen. De wet Versterking regie volkshuisvesting is daar al een belangrijke stap in, onder meer door via aanpassingen in het stelsel duidelijkheid te creëren over de betaalbaarheidsverdeling en waar en voor wie we bouwen. Bij ruimtelijk beleid moeten – zoals hierboven al is beschreven – altijd meerdere belangen worden afgewogen.
Zoals in mijn voorgaande antwoorden beschreven vind ik het belangrijk dat provincies voldoende ruimte bieden voor woningbouwlocaties en geen onnodige belemmeringen opwerpen. Ik houd daarbij de vinger aan de pols, mede door concepten van omgevingsvisies en verordeningen te bezien en daar waar nodig het gesprek over aan te gaan. Daarbij let ik erop dat de regelgeving en de uitvoering van regelgeving en beleid in lijn zijn met het Rijksbeleid en -regelgeving. Als dat niet het geval is, gebruik ik mijn instrumentarium om te interveniëren. Ik voer daarover dan allereerst een bestuurlijk gesprek.
Daarnaast maak ik in de actualisering van de Woondeals gericht afspraken om de ambitie van 100.000 woningen per jaar te realiseren.
Zoals het tweede reflectierapport «Werk aan de winkel» van de Evaluatiecommissie Omgevingswet laat zien, geeft de Omgevingswet voldoende ruimte.
Ik heb u het rapport van de Evaluatiecommissie Omgevingswet op 10 maart 2026 gezonden en op 19 juni 2026 heb ik u de kabinetsreactie hierop gezonden3. Hierbij heb ik aangegeven dat de Omgevingswet alle bevoegde gezagen een wenkend perspectief biedt om te komen tot een balans tussen het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Ik zie geen aanleiding voor aanvullend onderzoek.
Ik werk samen met provincies en gemeenten aan het realiseren van voldoende woningen in Nederland. Daarbij ligt de focus op het realiseren van de locaties die al in beeld zijn. Als belemmeringen voor de woningbouw voortvloeien uit provinciale keuzes, dan ga ik eerst bestuurlijk in gesprek. Wanneer bestuurlijk overleg niet tot het gewenste resultaat leidt, kan ik waar nodig mijn bevoegdheden inzetten om te interveniëren. Voor al die woningzoekenden die dringend behoefte hebben aan een thuis.