Het artikel ‘Stel vlucht na 14 jaar klagen uit appartement Amstelveen: "We waren gewoon proefkonijnen"’ |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek van NH Nieuws over jarenlange storingen bij warmte-koudeopslagsystemen (WKO) in Haarlem en Amstelveen? Beschouwt u deze casussen als incidenten, of erkent u dat zij symptomatisch zijn voor structurele fouten in de wijze waarop de warmtevoorziening in Nederland is georganiseerd?1
Daar ben ik mee bekend. Hoewel de aard van de klachten in deze casussen natuurlijk erg vervelend is, is er op dit moment geen aanwijzing dat er sprake is van structurele fouten in de wijze waarop de warmtevoorziening in Nederland is georganiseerd of in WKO-systemen in het algemeen. Dat neemt niet weg dat er lering kan worden getrokken uit deze incidenten. De ACM heeft in 2022 een steekproef uitgevoerd onder WKO-systemen.2 Er is toen geconstateerd dat van de 230 onderzochte WKO-systemen, de meeste WKO-systemen functioneren zonder problemen. Er waren tien systemen, waarvan de meeste vóór 2013 aangelegd, met grotere problemen waar storingen steeds terugkeren.
Wat vindt u ervan dat een bewoner die sinds 2012 klachten meldt, zich na 14 jaar een «proefkonijn» van de energietransitie noemt en uiteindelijk noodgedwongen is verhuisd? Deelt u de mening dat dit onacceptabel is?
Ik kan niet oordelen over wat er precies heeft plaatsgevonden, omdat ik – net als de Autoriteit Consument & Markt (ACM) – niet kan controleren welke storing heeft plaatsgevonden en hoe lang deze heeft geduurd. Dit is de verantwoordelijkheid van het bedrijf. In algemene zin is onacceptabel dat een bewoner 14 jaar lang klachten moet melden zonder oplossing en zich uiteindelijk genoodzaakt ziet te verhuizen. In de Warmteregeling is vastgelegd dat een storing die langer duurt dan acht uur kwalificeert als ernstig. In dat geval heeft de consument recht op een compensatie. In de Wet collectieve warmte (Wcw), die naar verwachting in werking zal treden op 1 januari 2027, is nieuw dat opeenvolgende storingen die gezamenlijk langer duren dan acht uur ook kwalificeren als ernstig. Daarmee wordt meer recht gedaan aan de overlast die bewoners ervaren wanneer zij te maken krijgen met meerdere kortere onderbrekingen achter elkaar.
Hoe oordeelt u over de situatie in Haarlem, waar bewoners afgelopen januari 2,5e dag in de kou zaten bij temperaturen tot – 10 graden, terwijl het verantwoordelijke bedrijf BAM Energy Systems spreekt van slechts «twee korte onderbrekingen»?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe verklaart u dat Nederland huishoudens verplicht van het gas afkoppelt en aansluit op collectieve warmtesystemen, terwijl er geen sluitend stelsel bestaat van verantwoordelijkheidsverdeling, onafhankelijke storingsregistratie en effectief toezicht? Deelt u de mening dat de energietransitie hiermee wordt afgewenteld op bewoners die nergens heen kunnen?
De Wcw brengt consumentenbescherming voor gebruikers van warmte meer in lijn met de bescherming van gebruikers van elektriciteit en aardgas. De werking van de storingsregistratie is wel anders dan bij elektriciteit en gas, omdat warmte geen onafhankelijke netbeheerder heeft. De aanwezigheid van een storing kan dan ook alleen bevestigd worden door het warmtebedrijf zelf. Er is in de Wcw voorzien in een actueel en toegankelijk storingsoverzicht. Daarbij is inspiratie gehaald uit storingsoverzichten zoals gebruikelijk zijn bij telecom, dus waarbij zowel storingen als meldingen worden geregistreerd en waar een consument ook kan inzien of er al eerdere meldingen bekend zijn van storingen op het warmtenet.
In de voorgenomen lagere regelgeving is een aantal verbeteringen voorgesteld. In het Besluit collectieve warmte (Bcw) is opgenomen dat behalve storingen, de storingsregistratie die het warmtebedrijf moet bijhouden ook meldingen van een storing moet bevatten. Dit geeft de consument maar ook de toezichthouder waardevolle en actuele informatie over het functioneren van het systeem en is ook iets waar de ACM in het onderzoek naar storingen onder WKO’s in 2022 om heeft gevraagd. In de onlangs geconsulteerde voorgenomen Regeling collectieve warmte (Rcw) is opgenomen dat voor de bepaling of een storing ernstig is, de storing aanvangt op het moment dat het warmtebedrijf de storing constateert óf op het moment dat de consument een storing meldt en het ook een storing blijkt te zijn. Dit werkte al zo onder de huidige Warmtewet en geeft warmtebedrijven een prikkel om meldingen te onderzoeken en storingen zo snel mogelijk op te lossen.
Erkent u dat er sprake is van een fundamenteel probleem wanneer een warmteleverancier zowel monopolist is, als zelf de storingsdata registreert, als financieel belang heeft bij het minimaliseren van die storingen in verband met compensatieplicht? Hoe verhoudt deze constructie zich tot de basisprincipes van behoorlijke marktordening?
Het is belangrijk dat er een prikkel is voor het warmtebedrijf om storingssignalen snel te onderzoeken en te verhelpen. In de Wcw is hier goed naar gekeken en op een aantal punten zijn verbeteringen doorgevoerd ten opzichte van de Warmtewet:
Op onder andere deze manieren is de consumentenbescherming verbeterd waarbij lering is getrokken uit casussen zoals deze. Het onderzoek wat ACM heeft laten uitvoeren naar WKO systemen benoemt dat bewoners vaak klagen over te lage temperaturen voor tapwater. Nieuw in de Wcw is dat er ook sprake is van een storing als de warmte geleverd wordt op een lagere temperatuur dan afgesproken in de leveringsovereenkomst.
Waarom is bij het ontwerp van de Warmtewet gekozen voor een model waarin het toezicht van de Autoriteit Consument en Markt (ACM) volledig afhankelijk is van gegevens die de onder toezicht staande partij zelf aanlevert? Erkent u dat toezicht op basis van zelfrapportage van monopolisten geen toezicht is?
In principe zijn storingen en meldingen van storingen objectieve gegevens die op basis van zelfrapportage kunnen worden aangeleverd bij de toezichthouder. Wanneer de beleving van het warmtebedrijf afwijkt van de beleving van de bewoners, zoals in deze casus het geval was, kan de ACM hierover met het warmtebedrijf in gesprek. Dat doet ACM niet voor individuele incidenten, maar wel als er meerdere meldingen over het warmtebedrijf worden ontvangen en het lijkt te gaan om een structureel probleem. Bewoners kunnen meldingen doen bij ACM ConsuWijzer.
Helaas kunnen er situaties blijven bestaan waarbij het warmtebedrijf en de bewoner het met elkaar oneens blijven. Warmtebedrijven zijn onder de Wcw verplicht om bij een onafhankelijke geschillencommissie aangesloten te zijn, waaraan deze incidenten kunnen worden voorgelegd.
Welke wetswijzigingen bereidt u voor in reactie op het adviesrapport in opdracht van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei uit december 2025 dat constateert dat de Warmtewet niet duidelijk omschrijft wie verantwoordelijk is voor onderzoek naar en oplossing van storingen?2
Dit is opgepakt in de Wcw. Daarin zijn voor zeer lage temperaturen (ZLT) de verantwoordelijkheden duidelijker omdat strakker is gedefinieerd wat bij het warmtebedrijf hoort en wat bij de gebouweigenaar. Daardoor is het duidelijker voor de consument tot wie hij zich moet wenden bij problemen en wie verantwoordelijk is voor de storing en het onderzoek daarnaar.
Waar kunnen huurders volgens u op dit moment terecht wanneer zij langdurig zonder verwarming of warm water zitten en door warmtebedrijf, verhuurder en corporatie naar elkaar worden doorverwezen?
Zoals in het antwoord op vraag 6 genoemd, kunnen bewoners meldingen maken bij ACM via de ConsuWijzer. Ook kunnen zij terecht bij een onafhankelijke geschillencommissie. Hierbij geldt ook dat de ACM acteert indien het vermoeden bestaat dat er sprake is van structurele problemen (bijvoorbeeld door gebrekkig onderhoud of onbetrouwbare levering). Ook is het belangrijk om te vermelden dat de ACM niet altijd de bevoegdheid heeft om te handhaven omdat in sommige gevallen het huurrecht voorrang heeft op de Warmtewet bij huurovereenkomsten waarbij sprake is van doorlevering van warmte door de gebouweigenaar. In die gevallen kunnen huurders dus terecht bij de Huurcommissie of de civiele rechter.
Deelt u de mening dat het onaanvaardbaar is dat huurders die «meldingsmoe» zijn geworden en storingen niet eens meer melden, daarmee ook buiten beeld raken bij toezichthouder en verhuurder? Hoe gaat u ervoor zorgen dat er voor huurders één duidelijk, laagdrempelig aanspreekpunt komt met een verplichting om binnen een vastgestelde termijn te handelen?
Zoals aangegeven bij vraag 4 is in de Wcw voorzien in een actueel en toegankelijk storingsoverzicht die voor de consument ook toegankelijker en informatiever is. Behalve meldingen, moet een warmtebedrijf ook storingen registreren die zij zelf constateren. In het jaarlijkse storingenoverzicht komen alle storingen en het aantal getroffen verbruikers terecht. Die informatie is belangrijk voor het toezicht door ACM en ook voor consumenten die misschien zelf niet een storing hebben gemeld maar er wel last van hebben gehad. Ook voor deze consumenten is een storingscompensatie verplicht als de storing langer dan acht uur heeft geduurd.
Kunnen huurders met een haperende WKO-installatie naar uw oordeel gebruikmaken van bestaande instrumenten in het huurrecht? Zo ja, waarom werkt dit in de praktijk kennelijk niet? Zo nee, welke lacune in de huurbescherming gaat u dichten?
Een langdurig koud huis is een zeer onwenselijke situatie, waar bewoners veel last van hebben. Huurders met een sociaal huurcontract en met een middenhuurcontract kunnen bij de Huurcommissie om tijdelijke huurverlaging vragen, wanneer een warmteinstallatie onvoldoende verwarming van vertrekken levert en/of wanneer een (gemeenschappelijke) warmwaterinstallatie onvoldoende warm water levert. Deze tekortkomingen zijn door de Huurcommissie aangemerkt als een ernstig gebrek waarvoor een tijdelijke huurverlaging van (maximaal) 60% gegeven kan worden (de zogenoemde C-lijst van ernstige gebreken4). De Huurcommissie kan de verhuurder niet verplichten het gebrek te verhelpen en kan dus niet herstel afdwingen, maar de tijdelijke huurverlaging is mogelijk een prikkel voor de verhuurder om het gebrek (blijvend) te verhelpen.
Huurders met een geliberaliseerd huurcontract kunnen aan de rechter tijdelijke evenredige huurverlaging vragen wanneer de verhuurder gemelde ernstige onderhoudsgebreken niet verhelpt en het woongenot daardoor is verminderd. Voor het afdwingen van het verhelpen door de verhuurder van ernstige gebreken kan de huurder terecht bij de rechter; de huurder kan nakoming van de onderhoudsverplichting eisen, eventueel versterkt met een dwangsom. De verhuurder heeft een verplichting tot het verhelpen van gebreken, tenzij dit onmogelijk is of uitgaven vereist die niet van de verhuurder gevergd kunnen worden. Bij warmtenet-installaties is de verhuurder niet altijd in staat zelf het gebrek te verhelpen, maar is hij daarvoor afhankelijk van de warmtenetbeheerder.
Het huurrecht biedt huurders dus al opties bij gebreken. Het kabinet ziet nu geen aanleiding om de huurbescherming op dit punt aan te vullen. Zodra de Wcw in werking treedt gaan consumenten en dus ook huurders van woningen meer rechten krijgen ten aanzien van collectieve warmte- en warmwaterinstallaties, waaronder de vergoeding warmtestoring. Dit zal naar verwachting zorgen voor een toenemende motivatie om storingen te melden.
Herinnert u zich de aangenomen motie-Beckerman waarin de regering wordt verzocht onderzoek te doen naar de invoering van een Nederlandse variant van Awaab's Law, waarbij verhuurders wettelijk verplicht worden om ernstige gebreken binnen vaste termijnen te onderzoeken en te herstellen? Hoe staat het met de uitvoering van deze motie en neemt u de lessen uit dit artikel mee hierin?3
Tijdens de behandeling van de Wet toekomstbestendige huurcommissie in de Tweede Kamer op 9 april jl. heeft de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) toegezegd de Britse Awaab’s Law te onderzoeken. Deze wet verplicht sociale verhuurders in het Verenigd Koninkrijk om snel actie te nemen bij ernstige gezondheidsrisico’s in woningen, voornamelijk gerelateerd aan vocht en schimmel. Het Ministerie van BZK zal contact opnemen met de partners in het Verenigd Koninkrijk en zal de Kamer uiterlijk eind 2026 informeren. Daarbij merkt de Minister van VRO op dat de desbetreffende wetgeving ongeveer zes maanden geleden in werking is getreden in het Verenigd Koninkrijk, er is dus nog beperkt de tijd geweest om ervaring op te doen met de nieuwe wetgeving.
Deelt u de mening dat de casussen in Haarlem en Amstelveen, waar bewoners tot wel veertien jaar lang klagen zonder oplossing, precies laten zien waarom zo'n wettelijke hersteltermijn met sancties nodig is als stok achter de deur? Bent u bereid het langdurig uitvallen van verwarming en warm water expliciet aan te merken als ernstig gebrek dat onder een dergelijke wettelijke regeling zou vallen?
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 10 is het uitvallen van verwarming en warm water al aangemerkt als een ernstig gebrek dat een tijdelijke huurverlaging rechtvaardigt. Verhuurders hebben dus de verplichting om deze gebreken te (laten) verhelpen.
Hoe beoordeelt u het feit dat de rijksoverheid grootschalige uitrol van WKO stimuleert zonder zicht te hebben op de prestaties van de bestaande 3000 installaties? Bent u bereid een landelijke, openbare monitoring van alle collectieve warmtesystemen wettelijk te verankeren?
Zoals in het antwoord op de eerste vraag is genoemd, gaat het hier gelukkig niet om een structureel probleem onder WKO-installaties. Wel is het in een groeimarkt belangrijk om vinger aan de pols te houden, om problemen voor bewoners te voorkomen. Met de komst van de Wcw zullen diverse verbeteringen worden doorgevoerd, zoals aangegeven het antwoord op vraag 5. Daarom treft het kabinet nu geen aanvullende wettelijke maatregelen.
Deelt u de mening dat de compensatieregeling bij storingen structureel faalt zolang bewoners de storing moeten aantonen op basis van data die alleen de leverancier bezit? Bent u bereid de bewijslast om te keren, dan wel compensatie automatisch te laten uitkeren op basis van onafhankelijk gemeten data?
Ik deel deze mening niet. Een storing is te herkennen aan een verlaging in temperatuur of de stromingssnelheid van water. Die gegevens kunnen weliswaar worden gemeten, maar geven slechts een indicatie van een leveringsonderbreking in het systeem. Het warmtebedrijf moet vervolgens onderzoeken waar in het systeem de storing zit. De storing kan ook zitten in leidingdelen of installaties die niet tot het warmtenet of de bron behoren. Deze eigenschappen van een warmtesysteem maakt dat het op dit moment niet wenselijk is om een compensatie automatisch uit te laten keren. Wel is het zo, en dat was al het geval onder de Warmtewet, dat de teller van een storing en dus ook de berekening van de compensatie gaat lopen vanaf het moment dat een bewoner een storing meldt. Daarmee is het dus al zo dat het warmtebedrijf bewijslast moet leveren dat er geen sprake is van een storing in een onderdeel waar zij invloed op heeft.
Hoe reageert u op waarschuwingen van de Woonbond waarin zij aangeven dat het draagvlak voor de energietransitie afbrokkelt door het soort systeemfalen zoals beschreven in dit artikel?
Ik erken dat draagvlak voor de energietransitie van belang is voor het succes daarvan. Ik herken echter niet dat er sprake is van een systeemfalen zoals beschreven in het artikel. Ik verwijs naar mijn antwoorden op vraag 10 en vraag 12; daarin geef ik aan waar huurders terecht kunnen in het geval van gebreken aan collectieve warmte- en warmwaterinstallaties.
Hoe staat het met de uitvoering van het voor 50 procent in publieke handen brengen van warmtebedrijven, en waarom zijn bestaande systemen zoals die van BAM Energy Systems daar kennelijk nog niet onder gebracht? Deelt u de mening dat deze casussen aantonen dat warmte een nutsvoorziening is die volledig in publieke handen thuishoort, en niet als bijproduct bij commerciële bouwbedrijven?
Omdat warmtenetten een monopolistisch karakter kennen is gekozen voor publiek meerderheidsbelang voor alle grote warmtesystemen, oftewel warmtenetten boven de 1500 aansluitingen. Veel WKO’s blijven onder dit aantal aansluitingen. Omdat er binnen dit deel van de sector voldoende concurrentie is mogen deze warmtebedrijven wel privaat zijn. Het is wel zo dat de wetsartikelen over leveringsonderbrekingen en storingscompensatie ook van toepassing zijn verklaard op deze kleine collectieve warmtesystemen.
Welke garanties kunt u geven dat de 35.000 nieuwbouwwoningen die naar verwachting jaarlijks op een WKO worden aangesloten, niet in dezelfde situatie belanden? Bent u bereid de verdere verplichte uitrol te koppelen aan wettelijke kwaliteits- en prestatie-eisen, met sancties bij niet-naleving?
Het kabinet streeft ernaar om de Wcw zo snel mogelijk in werking te laten treden, waarbij uitgegaan wordt van 1 januari 2027. Daarmee worden de verbeteringen, zoals genoemd in het antwoord op vraag 5, van kracht.
Bent u bereid de ACM de bevoegdheid en de middelen te geven om zelfstandig, op basis van eigen metingen en een openbaar storingsregister, toezicht te houden op warmteleveranciers? Zo nee, hoe rechtvaardigt u dan dat honderdduizenden huishoudens zonder keuzevrijheid zijn overgeleverd aan een toezichtsysteem dat naar het oordeel van de toezichthouder zelf lastig is?
Er is voorzien in een toegankelijk en actueel storingsoverzicht van het warmtebedrijf. De ACM kan het jaarlijkse storingsoverzicht gebruiken voor toezicht op leveringszekerheid. Dit is ook waar de ACM om verzocht heeft in het onderzoek naar technische problemen in WKO systemen in 2022.
Het bericht dat het kabinet wel bouwstenen, maar nog geen plan heeft voor de huisvesting van mensen in de knel |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Bart van den Brink (CDA), Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Wel de «bouwstenen», nog geen plan voor huisvesting mensen in de knel»?1
Ja, ik ben daarvan op de hoogte.
Klopt het dat het kabinet bij de huisvesting van aandachtsgroepen, waaronder statushouders, ook nadrukkelijk kijkt naar woningdeling binnen de sociale woningvoorraad?
Het kabinet werkt aan het realiseren van aanvullende huisvesting buiten de sociale voorraad. Gezien de urgentie van het vraagstuk, zet het kabinet daarnaast in op woningdelen binnen de sociale woningvoorraad. Dit is vaak sneller realiseerbaar. Hierdoor zijn minder woningen nodig voor huisvesting van statushouders, wat de wachttijd voor sociale huurwoningen vermindert.
Klopt het dat er gemeenten en woningcorporaties zijn die sociale huurwoningen beschikbaar stellen als «doorstroomlocatie»?
Via de regeling Doorstroomlocaties (DSL) is het niet mogelijk om statushouders te huisvesten in reguliere sociale huurwoningen. Woningdelen in bestaande sociale huurwoningen is wel mogelijk via de Doelgroepflexibele regeling (DFR), die per 1 juli jongstleden in werking is getreden. Deze regeling biedt gemeenten en woningcorporaties de mogelijkheid en financiële kaders om onzelfstandige woonruimte in te zetten en te realiseren, waardoor meerdere alleenstaande statushouders efficiënter gebruik kunnen maken van een bestaande woning. Op deze manier zijn er minder afzonderlijke woningen nodig voor deze doelgroep en blijven er meer woningen beschikbaar voor andere woningzoekenden.
Waarom kiest het kabinet er niet voor om, conform het coalitieakkoord, als uitgangspunt te hanteren dat alternatieve huisvestingsvormen voor statushouders zoveel mogelijk buiten de bestaande sociale woningvoorraad worden gerealiseerd?
Het kabinet zet, conform het coalitieakkoord, in op aanvullende huisvesting buiten de sociale woningvoorraad. De opgave is echter groot: er moeten jaarlijks circa 30.000 statushouders gehuisvest worden, met een achterstand van ongeveer 10.000 statushouders. Om de druk op de asielopvang, kosten en vertraging in inburgering te beperken, is snelle uitstroom noodzakelijk. Nieuwe woonvormen alleen bieden op korte termijn onvoldoende oplossing. Daarom zet het kabinet aanvullend in op het beter benutten van de bestaande voorraad, bijvoorbeeld via woningdelen.
Welke alternatieven buiten de sociale woningvoorraad onderzoekt u om invulling te geven aan de taakstelling voor de huisvesting van statushouders, zonder de druk op de reguliere sociale huurmarkt verder te vergroten?
In de Kamerbrief van 3 juli heb ik de bouwstenen voor een bestuurlijk akkoord met gemeenten en woningcorporaties geschetst. Daarbij zet het kabinet nadrukkelijk in op aanvullende vormen van huisvesting buiten de bestaande sociale woningvoorraad.
Het gaat hierbij onder andere om onzelfstandige flexwoningen, transformatie van bestaand vastgoed en vormen van woningdelen buiten de reguliere sociale huurvoorraad. Met deze inzet beoogt het kabinet zowel de druk op de asielopvang te verlagen, als de druk op de sociale huurmarkt niet verder te vergroten.
In hoeverre deelt u de opvatting dat het oneerlijk is dat woningzoekenden soms pas na 10 jaar in aanmerking komen voor een sociale huurwoning terwijl statushouders voorrang krijgen op sociale huurwoningen? Zo niet, waarom niet?
Voorrang voor statushouders bij sociale huur knelt steeds meer, omdat andere woningzoekenden te lang op een wachtlijst staan. Het kabinet doet hier wat aan doen langs drie routes: minder instroom, meer nieuwbouw en aanvullende vormen van huisvesting. Daarmee kunnen we de druk op de sociale woningvoorraad verminderen, met alternatieven voor statushouders en voldoende uitstroom uit de asielopvang.
In hoeverre deelt u de opvatting dat statushouders daarom zoveel mogelijk in sobere alternatieve huisvesting buiten de sociale woningvoorraad moeten worden gehuisvest?
Het kabinet zet in op het realiseren van aanvullende vormen van huisvesting buiten de sociale woningvoorraad. Deze vormen van huisvesting dienen te voldoen aan de geldende kwaliteitseisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Aanvullende huisvesting kan tijdelijk en eenvoudiger van aard zijn, maar moet veilig en passend zijn en met oog voor leefbaarheid. Het moet bewoners een basis bieden om mee te doen in de samenleving en voorspoedig in te burgeren.
Welke maatregelen bent u bereid te nemen om te voorkomen dat gemeenten en woningcorporaties reguliere sociale huurwoningen inzetten als doorstroomlocatie voor statushouders?
Gemeenten en woningcorporaties hebben binnen de bestaande kaders ruimte om de voorraad tijdelijk flexibel in te zetten, bijvoorbeeld om acute druk op de opvang te verlichten. Het inzetten van een sociale huurwoning voor woningdelen, kan op dit moment een oplossing bieden om minder druk op de sociale woningvoorraad te leggen. Er zijn hierdoor namelijk minder afzonderlijke woningen nodig. Ik ben daarom niet voornemens dergelijke maatregelen te nemen.
Welke mogelijkheden tot inspraak hebben omwonenden wanneer een sociale huurwoning wordt aangewezen als doorstroomlocatie?
De mogelijkheden voor inspraak van omwonenden bij een doorstroomlocatie hangen af van de concrete situatie. Als voor een locatie een ruimtelijke procedure nodig is, bijvoorbeeld bij functiewijziging of verbouwing, gelden de gebruikelijke regels voor participatie en inspraak. Zorgvuldige communicatie met omwonenden is altijd belangrijk.
Hoeveel statushouders zijn de afgelopen drie jaar gehuisvest in een zelfstandige sociale huurwoning? Welk aandeel van de jaarlijkse toewijzingen aan corporatiewoningen betreft dit? Welk effect verwacht u dat de beschreven plannen zullen hebben op dit aandeel?
Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) ging in 2023 bijna 8 procent van alle vrijgekomen corporatiewoningen naar huishoudens met één of meerdere statushouders. Dat zijn ruim 13 duizend woningen, iets meer dan een jaar eerder (7 procent). Huishoudens met een of meer statushouders waren vaker starters op de woningmarkt, dan huishoudens zonder statushouders. 20 procent van alle starters die in corporatiewoning ging wonen was een huishouden met een statushouder. Dit komt neer op ongeveer 8.200 huishoudens. Dit zijn de meest recente cijfers van het CBS.
Het effect dat de plannen zullen hebben op deze toewijzingspercentage is moeilijk te voorspellen. Met name omdat andere factoren zoals de totale asielinstroom en huishoudsamenstelling van statushouders hier ook een effect op hebben.
Bent u het eens dat woningdelen voor statushouders binnen de bestaande voorraad strijdig is met het voornemen om te komen tot een wetsvoorstel waarmee de voorrang voor statushouders op sociale huurwoningen wettelijk niet meer mogelijk is? Zo niet, waarom niet?
Zoals beschreven in de Kamerbrief van 20 maart werkt het kabinet momenteel aan een nieuw, uitvoerbaar wetsvoorstel, waarbij tegemoet wordt gekomen aan de reacties van de Raad van State, gemeenten en andere betrokken partijen over de uitvoerbaarheid van het eerdere wetsvoorstel voor verbod op voorrang statushouders. In dezelfde brief staat dat het kabinet conform coalitieakkoord met gemeenten en andere maatschappelijke partners afspraken maakt over het snel ontwikkelen van aanvullende huisvesting waar statushouders, Oekraïners en Nederlanders die tijdelijke huisvesting nodig hebben samen terechtkunnen, als alternatief voor het gebruik van sociale huurwoningen. Ook woningdelen wordt hierbij als oplossing genoemd. Vanwege de snelheid waarmee aanvullende huisvesting kan worden gerealiseerd.
In antwoord op eerdere schriftelijke vragen gaf u aan dat er slechts 48 doorstroomlocaties met 1.853 plekken zijn gerealiseerd. De verwachting was dat er nog voor het zomerreces 263 extra plekken gerealiseerd zouden worden. Zijn deze plekken ook daadwerkelijk voor het zomerreces gerealiseerd?
Deze plekken zijn niet volledig voor het zomerreces gerealiseerd. Momenteel zijn er 51 doorstroomlocaties operationeel, waarmee het aantal gerealiseerde plekken is gestegen naar 1.925 voor statushouders. Dit is minder dan eerder aangegeven. De vertraging wordt onder andere veroorzaakt door langere doorlooptijden bij bouw, vergunningverlening en bezwaarprocedures. De verwachting is dat het aantal operationele locaties tot 1 januari 2027 verder stijgt naar circa 61 locaties, waarmee de capaciteit oploopt naar ongeveer 2.436 plekken voor statushouders.
Deze cijfers betreffen specifiek doorstroomlocaties die zijn gerealiseerd met de regeling doorstroomlocaties (Bekostigingsregeling huisvesting vergunninghouders in doorstroomlocaties) of de doelgroepflexibele regeling (Regeling tijdelijke bekostiging opvang en huisvesting gemeenten). Andere typen voorzieningen die worden ingezet voor de doorstroom van statushouders zijn hier geen onderdeel van, omdat hier geen exacte cijfers van bekend zijn.
Hoeveel plekken moeten volgens u nog worden gerealiseerd voordat u een wetsvoorstel naar de Kamer kunt sturen waarmee de wettelijke voorrang voor statushouders op sociale huurwoningen wordt beëindigd? Wanneer verwacht u dit wetsvoorstel naar de Kamer te sturen?
Momenteel wordt gewerkt aan de verdere uitwerking van het wetsvoorstel. Het is de verwachting dat dit wetsvoorstel voor het kerstreces in internetconsultatie wordt gebracht. Uw Kamer zal hierover voorafgaand worden geïnformeerd.
In uw brief «Bouwstenen: versnelde realisatie aanvullende vormen van huisvesting» heeft mijn fractie niet kunnen opmaken op welke wijze u invulling heeft gegeven aan de motie Nobel/Flach (Kamerstuk 36 881, nr. 9) over onderzoeken hoe gemeenten die voortvarend aan de slag zijn gegaan met de realisatie van alternatieve huisvesting zodat de voorrang statushouders kan worden afgeschaft, kunnen worden beloond. Kunt u hier alsnog antwoord op geven?
Het belonen van gemeenten die voortvarend aan de slag zijn gegaan met de realisatie van aanvullende vormen van huisvesting, neem ik mee in de bestuurlijke afspraken die ik maak met gemeenten, provincies en woningcorporaties. In de ondersteuning die ik daarvoor inricht (zoals locatiescans, begeleiding en expertise), zullen gemeenten die voortvarend aan de slag gaan beloond worden. Bijvoorbeeld door middel van prioritaire of extra toegang tot deze ondersteuning.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Het bericht: ‘Met speciale hypotheekregels voor ouderen komen er ook meer huizen vrij voor starters’ |
|
Hanneke Steen (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Met speciale hypotheekregels voor ouderen komen er ook meer huizen vrij voor starters»1 en deelt u de conclusie dat financiële belemmeringen voor senioren om te verhuizen moeten worden weggenomen?
Ja. Ik ben bekend met het artikel. Ik deel de opvatting dat onnodige financiële belemmeringen voor ouderen die naar een passende woning willen verhuizen, zoveel mogelijk moeten worden weggenomen. Een beslissing om te verhuizen hangt echter niet alleen samen met de financiering. Ook de beschikbaarheid van een geschikte woning, de toekomstige woonlasten, de wens om in de eigen omgeving te blijven en de praktische gevolgen van een verhuizing spelen een rol. Het kabinet zet daarom zowel in op het vergroten van het aanbod van passende woningen voor ouderen en het verbeteren van hun financieringsmogelijkheden, als op goede informatievoorziening over de mogelijkheden om passend te wonen en te verhuizen. Uitgangspunt blijft dat een hypotheek voor de consument verantwoord en betaalbaar moet zijn.
Welke potentie ziet u, in absolute aantallen woningen en verhuisbewegingen, in het bevorderen van de doorstroming van senioren? Hoeveel woningen kunnen hierdoor beschikbaar komen voor jonge gezinnen en starters?
Het is niet mogelijk om in absolute aantallen aan te geven hoeveel woningen of verhuisbewegingen kunnen worden gerealiseerd door het bevorderen van de doorstroming van senioren. De beschikbare CBS-gegevens over de gemiddelde lengte van verhuisketens zijn niet uitgesplitst naar leeftijdsgroep.
Wel is bekend dat oudere huishoudens bij een verhuizing relatief vaak een ruime koopwoning achterlaten. Een dergelijke verhuizing kan een verhuisketen op gang brengen, doordat de vrijgekomen woning bijvoorbeeld wordt betrokken door een gezin dat vervolgens zelf een andere woning achterlaat. Langs deze weg kunnen uiteindelijk ook woningen beschikbaar komen voor starters. De precieze omvang van dit effect kan op basis van de beschikbare gegevens echter niet worden gekwantificeerd.
Het kabinet zet daarom in op het vergroten van het aanbod van passende woningen voor senioren en op het wegnemen van belemmeringen voor verhuizing, zodat de doorstroming op de woningmarkt verder wordt bevorderd.
Deelt u de opvatting dat bij huishoudens met substantiële overwaarde en een relatief lage hypotheekschuld meer rekening moet worden gehouden met vermogen en onderpand, in plaats van primair met inkomen?
Ik deel deze opvatting voor zover het gaat om tijdelijke doorstroomfinanciering, zoals een overbruggingshypotheek. Bij een reguliere, langlopende hypotheek is het inkomen leidend. Om de hypotheeklasten langdurig te kunnen dragen, moeten er voldoende bestendige inkomsten zijn. Vermogen of overwaarde kan die maandelijkse lasten immers niet vervangen.
Bij een kortlopende financiering die uit de verkoopopbrengst van de huidige woning wordt afgelost, kan aan het vermogen en het onderpand wél meer gewicht worden toegekend. De omvang van het vermogen, de overwaarde, de waarde van de woning en de hoogte van de bestaande hypotheekschuld bepalen dan in belangrijke mate of de lening kan worden terugbetaald. De huidige regels bieden hiervoor al ruimte. Kredietaanbieders kunnen daarnaast in individuele gevallen gemotiveerd maatwerk toepassen wanneer zij kunnen onderbouwen dat de financiering verantwoord is. Ik ga met de sector na of senioren die een woning hebben met substantiële overwaarde in de praktijk knelpunten aan de financieringskant ervaren als zij willen verhuizen en of er verbeteringen mogelijk zijn.
Kunt u een indicatie geven van de gemiddelde en totale overwaarde van woningeigenaren, uitgesplitst naar verschillende leeftijdsgroepen?
Gegevens uit de CBS Woonbase laten zien dat de gemiddelde en de totale overwaarde van woningeigenaren verschillen per leeftijdsgroep. Zo bedroeg op peilmoment 1 januari 2024 voor de leeftijdsgroep van 65 jaar of ouder de gemiddelde overwaarde ongeveer € 374.000 en de totale som aan overwaarde ongeveer € 540 miljard. Onderstaande tabel geeft dit beeld voor de onderscheiden leeftijdsgroepen.
Tot 35 jaar
127
65
511
35 tot 65 jaar
260
690
2.650
65 jaar of ouder
374
540
1.440
Bron: CBS Woonbase, bewerking Ministerie van BZK.
Welke concrete stappen zet u de komende drie maanden om overbruggingshypotheken en doorstroomhypotheken voor senioren beter beschikbaar en toegankelijk te maken?
De komende drie maanden richt ik mij, samen met de Minister van Financiën, vooral op het beter beschikbaar en toegankelijk maken van overbruggingsfinanciering binnen het bestaande kader. Via de uitvoering van de motie-Steen c.s. wordt daarnaast de doorstroomhypotheek uitgewerkt.
Allereerst rond ik de evaluatie van het convenant Ouderen en Toekomstbestendig Wonen af. Uit de gesprekken met kredietaanbieders, adviseurs en belangenorganisaties blijkt dat voor een groot deel van de doelgroep al een oplossing mogelijk is met een combinatie van een beperkte reguliere hypotheek en een overbruggingshypotheek. Tevens biedt een beperkt aantal kredietaanbieders onder voorwaarden een losse overbruggingshypotheek aan. Deze mogelijkheden zijn echter niet altijd bij consumenten bekend en de voorwaarden verschillen per kredietaanbieder.
Ik zet daarom in op betere informatievoorziening aan senioren en adviseurs en op meer eenduidigheid in de aanvraag- en adviespraktijk. Daarnaast bespreek ik met de sector of de eenmalige kosten omlaag kunnen: bij een lening met een korte looptijd drukken de kosten voor onder meer advies, taxatie en notaris relatief zwaar. Bezien wordt welke onderdelen van het proces eenvoudiger en goedkoper kunnen, zonder afbreuk te doen aan een zorgvuldig advies en een verantwoorde kredietverlening. Op het Platform Hypotheken in het najaar van 2026 zal dit onderwerp met de sector worden besproken. De Kamer zal zoals gebruikelijk over de uitkomsten van het Platform worden geïnformeerd, naar verwachting in het voorjaar van 2027.
Bent u bereid de hypotheektoetsing zo aan te passen dat bij senioren met substantiële overwaarde meer rekening kan worden gehouden met vermogen en onderpand?
Binnen het huidige kader bestaan al mogelijkheden om bij de kredietwaardigheidstoets rekening te houden met de individuele situatie van senioren. Kredietaanbieders kunnen via maatwerk gemotiveerd afwijken van de leennormen wanneer een huishouden op basis van de leennormen niet de gewenste financiering kan krijgen. Daarnaast mogen kredietaanbieders de lopende verplichtingen onder de hypotheek voor de financiering van de nog niet verkochte woning, inclusief de kosten van een overbruggingslening, buiten beschouwing laten bij het bepalen van de maximale hypotheek voor de nieuwe woning.
Ter uitvoering van de motie-Steen c.s.2 bezie ik samen met de Minister van Financiën, toezichthouders, financiële instellingen of de huidige regelgeving en de toepassing daarvan voldoende ruimte bieden om bij tijdelijke doorstroomfinanciering rekening te houden met vermogen en eventuele overwaarde. Blijkt daaruit dat een concrete belemmering bestaat in de leennormen of de toepassing daarvan, dan zal worden bezien of een aanpassing nodig en verantwoord is. Uitgangspunt blijft dat de financiering voor de consument verantwoord moet zijn.
Bent u bereid binnen verantwoorde prudentiële kaders rentebijschrijving mogelijk te maken bij tijdelijke doorstroomfinanciering, zodat de maandlasten tijdens de overgangsperiode beperkt blijven?
Ik ben bereid de mogelijkheid van rentebijschrijving nader te verkennen in de verdere uitwerking van de doorstroomhypotheek (zie ook antwoord op vraag 8). Rentebijschrijving kan voorkomen dat de rente gedurende de overgangsperiode direct uit het lopende inkomen moet worden betaald en kan daarmee de tijdelijke maandlasten beperken. Daar staat tegenover dat de totale lening daardoor toeneemt. De daarbij behorende financiële verplichtingen moeten wel door de consument kunnen worden nagekomen. Een dergelijke constructie kan de financiering bovendien complexer maken en zal waarschijnlijk voor de consument uiteindelijk duurder zijn. Bij de nadere verkenning als onderdeel van de verdere uitwerking moet daarom worden bezien of de voordelen voor de consument opwegen tegen de extra kosten, risico’s en uitvoeringscomplexiteit.
Ik bezie dit samen met de Minister van Financiën, financiële instellingen en toezichthouders. De uitkomsten hiervan betrek ik bij de verdere uitwerking van de doorstroomhypotheek. Uw Kamer wordt hierover, conform de motie-Steen c.s., uiterlijk in het voorjaar van 2027 geïnformeerd.
Welke concrete stappen heeft u gezet en gaat u nog zetten ter uitvoering van de op 2 juni 2026 aangenomen motie-Steen c.s.2 om een doorstroomhypotheek mogelijk te maken? Welke belemmeringen staan introductie nog in de weg en binnen welke termijn verwacht u een daadwerkelijk beschikbaar product voor senioren?
De motie-Steen c.s. verzoekt de regering om, in overleg met financiële instellingen en toezichthouders, de introductie van een doorstroomhypotheek mogelijk te maken, de benodigde aanpassingen in regelgeving en toezicht uit te werken en uw Kamer hierover binnen een jaar te informeren, inclusief een implementatieplan.
De uitvoering van de motie bouwt voort op de gesprekken die in het kader van het convenant Ouderen en Toekomstbestendig Wonen al met kredietaanbieders, adviseurs en ouderen- en consumentenorganisaties zijn gevoerd. Zoals eerder aan uw Kamer gemeld, wordt in de praktijk voor bestaande klanten gebruikgemaakt van een combinatie van een beperkte reguliere hypotheek met een overbruggingsfinanciering. Tevens biedt een beperkt aantal kredietaanbieders bestaande klanten een losse overbruggingshypotheek aan. Deze mogelijkheden bieden voor een groot deel van de senioren een oplossing, maar niet voor de gehele doelgroep.
De komende periode breng ik nader in kaart in welke situaties het bestaande hypotheekaanbod onvoldoende aansluit bij de financieringsbehoefte van senioren en welke toegevoegde waarde een doorstroomhypotheek daarin kan hebben. Aandachtspunten daarbij zijn dat een losse overbruggingshypotheek vanwege de korte looptijd relatief kostbaar is en zich niet altijd goed laat inpassen in de bestaande systemen en keteninfrastructuur. Daarnaast moet duidelijk worden of de groep waarvoor een afzonderlijk product meerwaarde heeft, voldoende groot is. Tevens speelt daarbij de vraag of kredietaanbieders bereid zijn dit product aan te bieden. Daarnaast worden de kenmerken en randvoorwaarden nader uitgewerkt, waaronder de looptijd, de wijze waarop de overwaarde en het onderpand kunnen worden betrokken bij de beoordeling, de betaalbaarheid en de aflossing.
Ik ga hierover samen met de Minister van Financiën verder in gesprek met de toezichthouders, financiële instellingen, adviseurs, de Nationale Hypotheek Garantie en betrek de uitwerking bij het Platform Hypotheken in het najaar van 2026.
Zoals verzocht ontvangt uw Kamer uiterlijk in het voorjaar van 2027 een implementatieplan. Daarin ga ik nader in op de uitkomsten van de gesprekken, het vervolg en het bijbehorende tijdpad.
U heeft eerder erkend dat verdere beperkingen van aflossingsvrije hypotheken gevolgen kunnen hebben voor maandlasten en doorstroming en aangegeven hierover met DNB in gesprek te zijn3. Wat hebben deze gesprekken concreet opgeleverd en welke maatregelen neemt u om onnodige belemmeringen voor senioren met substantiële overwaarde en een lage loan-to-value te voorkomen?
Banken zijn op grond van de Wet op het financieel toezicht verplicht om de risico’s die zijn verbonden aan hun dienstverlening op adequate wijze te beheersen. De Europese Centrale Bank (ECB) en De Nederlandsche Bank (DNB) houden hier onafhankelijk toezicht op. Op 16 januari jl. heeft DNB gecommuniceerd over nadere aandacht in het prudentiële toezicht voor aflossingsvrije hypotheken. DNB geeft aan dat, ten opzichte van volledig aflossende hypotheken, (gedeeltelijk) aflossingsvrije hypotheken extra risico’s voor financiële instellingen hebben en het daarom essentieel is dat financiële instellingen deze risico’s adequaat beheersen. DNB noemt daarbij een aantal elementen, die tezamen naar verwachting leiden tot een afname van het volume aflossingsvrije hypotheekschuld in Nederland. De AFM heeft op 16 januari jl. aangegeven dat zij van aanbieders verwacht dat hun klanten, voor wie de aflossingsvrije hypotheek nu en in de toekomst betaalbaar is (bijvoorbeeld op moment van herfinanciering), zorgeloos kunnen blijven wonen. De AFM heeft aan hypotheekverstrekkers duidelijk gemaakt dat het belangrijk is dat zij hun bestaande hypotheekklanten met aflossingsvrije hypotheken zorgvuldig blijven behandelen en dat bestaande klanten door eventuele maatregelen om prudentiële risico’s te beheersen niet onevenredig worden getroffen.
Wij onderschrijven het belang van adequate risicobeheersing en het is goed dat er vanuit aandacht is voor de risico’s voor banken die uitgaan van (aflossingsvrije) hypotheekverstrekking. Dit is ook in het belang van consumenten. Tegelijkertijd verwachten wij van de prudentiële toezichthouders dat zij rekening houden met de bredere effecten van toezichtsmaatregelen. Verschillende banken hebben na de DNB-publicatie aanscherpingen in hun beleid ten aanzien van aflossingsvrije hypotheken aangekondigd. Deze aanscherpingen kunnen gevolgen hebben, onder meer wanneer consumenten hun hypotheeksituatie willen wijzigen, bijvoorbeeld bij funderingsherstel, isolatiemaatregelen of bij verhuizing. Ook verwachten de ECB en DNB dat banken bij het verstrekken van hypotheken vanuit prudentieel oogpunt mede rekening houden met pensioeninkomen op het moment dat de looptijd van de hypotheek de pensioenleeftijd overschrijdt, en met de levensverwachting van de consument. Deze verwachtingen kunnen van invloed zijn op de hypotheekverstrekking. De Minister van Financiën heeft in gesprekken met de toezichthouders aandacht gevraagd voor deze bredere effecten van hun toezichtmaatregelen.
Op 13 mei jl. heeft DNB een aanvullend bericht gepubliceerd waarin wordt verduidelijkt hoe banken vanuit prudentieel perspectief rekening dienen te houden met het pensioeninkomen en de levensverwachting van kredietnemers. Dit bericht specificeert onder andere dat banken bij het beoordelen van het (toekomstig) inkomen in de pensioenperiode, indien de contractuele looptijd van de hypothecaire financiering de wettelijke pensioenleeftijd van de kredietnemer(s) overschrijdt, relevante factoren zoals inflatie mogen meewegen. Onze indruk is dat dit de banken meer duidelijkheid biedt bij de toepassing van het prudentiële kader en eraan kan bijdragen dat een deel van de mogelijke negatieve gevolgen voor doorstroming worden weggenomen.
Voor wat betreft belemmeringen in de doorstroming in brede zin verwijs ik naar het antwoord op vraag 8.
U heeft eerder aangegeven dat aflossingsvrije hypotheken vaak gepaard gaan met aanzienlijke overwaarde en dat slechts circa 7% een loan-to-value boven 75% heeft. Deelt u daarom de opvatting dat generieke beperkingen onvoldoende recht kunnen doen aan individuele risico’s? Welke ruimte ziet u voor meer maatwerk bij huishoudens met substantiële overwaarde en een lage loan-to-value om zo doorstroming te stimuleren?
Het prudentiële toezicht van de ECB en DNB is gericht op de naleving door banken van de verplichting om de risico’s die verbonden zijn aan de bancaire dienstverlening adequaat te beheersen. Het gaat hierbij om (het beheersen van) de risico’s die individuele financiële instellingen lopen door hun hypotheekverstrekking. Er is geen sprake van generieke beperkingen die aan alle onder toezicht staande instellingen zijn opgelegd. Het is aan de instellingen zelf om te beoordelen op welke wijze zij de aan hypotheekverstrekking verbonden risico’s beheersen. De ECB en DNB beoordelen in de uitoefening van hun toezicht of dit op adequate wijze gebeurt. Het is dus ook aan banken om te bezien wanneer zij maatwerk toepassen. Het wettelijk kader voor hypotheekverstrekking, specifiek de leennormen, biedt hier ook ruimte voor.
U heeft eerder aangegeven met banken en de AFM in gesprek te zijn over de gevolgen van de aangescherpte regels rond aflossingsvrije hypotheken. Welke concrete stappen zijn sindsdien gezet en bent u bereid met banken en de AFM tot aanvullende afspraken te komen over actieve informatievoorziening en tijdig handelingsperspectief voor huishoudens die hierdoor geraakt kunnen worden?
Het is belangrijk dat aanbieders en adviseurs klanten met een aflossingsvrije hypotheek actief blijven benaderen en, waar nodig, stimuleren om tijdig inzicht te krijgen in hun financiële situatie en passende maatregelen te treffen. Aanbieders en adviseurs zien dit belang zelf ook. De AFM ziet erop toe dat kredietaanbieders daarbij het klantbelang centraal stellen en blijven hierover met aanbieders in gesprek. Zoals ook hierboven genoemd, heeft de AFM aan banken duidelijk gemaakt dat het belangrijk is dat zij hun bestaande hypotheekklanten met aflossingsvrije hypotheken zorgvuldig blijven behandelen en dat klanten door eventuele maatregelen om risico’s te beheersen niet onevenredig worden getroffen. Hier heeft de AFM ook publiekelijk aandacht voor gevraagd. In het licht van al het voornoemde zien wij nu geen aanleiding om tot aanvullende afspraken te komen.
Het bericht 'Gemeente vergeet arbeidsmigrant bij bouw distributiecentra' |
|
Stephan Neijenhuis (D66) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van «gemeente vergeet arbeidsmigrant bij bouw distributiecentra»?1
Ja.
Herkent u het beeld dat bij de ontwikkeling van nieuwe distributiecentra onvoldoende aandacht is voor de benodigde huisvesting van arbeidsmigranten die daar gaan werken?
Ja, op dit moment is het beeld dat er in veel gevallen geen of onvoldoende rekening wordt gehouden met de benodigde huisvesting voor arbeidsmigranten bij het aantrekken van nieuwe bedrijvigheid, zoals distributiecentra.
Welk deel van de extra werkgelegenheid vanuit nieuwe distributiecentra wordt op dit moment opgevuld met arbeidsmigratie?
Het is niet precies bekend welk deel van de extra werkgelegenheid die voortkomt uit nieuwe distributiecentra wordt ingevuld door arbeidsmigranten. CBS-data laten wel zien dat ongeveer een kwart van de arbeidsmigranten uit de EU in de sector handel, vervoer en horeca werkzaam is2, en dat ruim een derde van de arbeidsmigranten die in de uitzendsector werken te werk gesteld wordt in de logistieke sector.3
Kunt u inzicht geven in de mate waarin gemeenten bij de vergunningverlening of planvorming voor distributiecentra afspraken maken over de huisvesting van werknemers? Bent u bereid dit in kaart te brengen?
Ik heb geen inzicht in de mate waarin gemeenten bij de vergunningverlening of planvorming voor distributiecentra afspraken maken over de huisvesting van werknemers. Uit gesprekken die onder andere de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) voert met gemeenten ontstaat het beeld dat sommige gemeenten de handreiking effectrapportage toepassen om inzicht te krijgen in de effecten op de huisvestingsbehoefte, maar dat dit nog niet structureel in de werkwijze van alle gemeenten is verankerd. Ik heb doorlopend contact met de VNG om de ontwikkelingen op dit gebied bij gemeenten te monitoren.
Deelt u de opvatting dat de maatschappelijke kosten van onvoldoende huisvesting van arbeidsmigranten onderdeel zouden moeten zijn van de afweging bij de ontwikkeling van nieuwe distributiecentra? Zo ja, hoe wordt hier momenteel mee omgegaan?
Gemeenten maken afwegingen rondom distributiecentra op basis van de lokale situatie. Ik vind het belangrijk dat zij hierbij structureel aandacht besteden aan de huisvesting van arbeidsmigranten. Gemeenten en ondernemers zouden hierover samen het gesprek moeten voeren en tot oplossingen moeten komen. In het coalitieakkoord is afgesproken dat het kabinet met ruimtelijke ordeningsinstrumenten en gemeentelijke bedrijfseffectrapportages wil zorgen dat huisvesting, voorzieningen en leefbaarheid op orde zijn, voordat extra werknemers worden aangetrokken. Dit beleidsvoornemen wordt op dit moment uitgewerkt. Het kabinet zal uw Kamer hierover in het najaar informeren.
Ook hulpmiddelen van de VNG kunnen ondersteunen bij dit gesprek, bijvoorbeeld de handreiking «Effectrapportage bij nieuwe bedrijvigheid». Deze handreiking is in mei 2024 ontwikkeld door de VNG in samenwerking met verschillende ministeries in navolging van een van de aanbevelingen van het Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten. De handreiking kan gemeenten helpen om zo vroeg mogelijk zicht te hebben op de gebruiker van een locatie, de werkgelegenheidseffecten en daaraan gekoppelde effecten op huisvesting. De VNG stimuleert gemeenten om deze handreiking te gebruiken, maar heeft geen zicht op welke gemeenten deze handreiking daadwerkelijk toepassen. Het is voorstelbaar dat de implementatie van een dergelijke nieuwe werkwijze tijd kost. De VNG werkt op dit moment aan de doorontwikkeling van deze handreiking naar een bredere werkwijze voor wonen en werken voor gemeenten. Ook ondersteunen zij de komende periode een aantal gemeenten intensiever bij het tot stand komen van integraal beleid en uitvoering omtrent arbeidsmigratie, waar de implementatie van de handreiking effectrapportage onderdeel van is.
Welke mogelijkheden ziet u om gemeenten meer handvatten te geven om bij de vestiging of uitbreiding van distributiecentra eisen te stellen aan de beschikbaarheid van huisvesting voor arbeidsmigranten en wat is de voortgang op aangenomen moties en toezeggingen op dit vlak?
Zoals in het antwoord op vraag 5 aangegeven zal het kabinet uw Kamer in het najaar informeren over het beleidsvoornemen uit het coalitieakkoord dat ervoor moet zorgen dat met ruimtelijke ordeningsinstrumenten en gemeentelijke bedrijfseffectrapportages de huisvesting, voorzieningen en leefbaarheid beter op orde zijn voordat extra werknemers worden aangetrokken. Hierbij zal ook worden gereageerd op de aangenomen moties en toezeggingen op dit vlak.
Hoe wordt de afspraak uit het coalitieakkoord dat de huisvesting van arbeidsmigranten op orde moet zijn voordat extra werknemers worden aangetrokken in de praktijk geborgd bij de ontwikkeling van nieuwe distributiecentra?
Zie antwoord vraag 6.
Wat is de stand van zaken rond het afwegingskader huisvesting arbeidsmigranten bij nieuwe bedrijvigheid?
Zie antwoord vraag 6.
Welke gevolgen verwacht u van het voornemen om shortstay te beperken tot maximaal 30 nachten en daarna huurbescherming te laten gelden voor arbeidsmigranten die in dergelijke accommodaties verblijven en wat is de voortgang op dit wetsvoorstel?
Het wetsvoorstel passende huurcontracten is op 2 juli jl. in internetconsultatie gebracht. Partijen hebben tot en met 28 augustus de tijd om op het voorstel te reageren. Voorgesteld wordt de uitzondering voor korte-duur-verhuur (short-stay) te begrenzen tot maximaal 30 nachten. Doel van het wetsvoorstel is om ervoor te zorgen dat arbeidsmigranten (en andere huurders) een passende huurovereenkomst met huur(prijs)bescherming krijgen als zij ergens langer dan 30 nachten verblijven. Onderdeel van het wetsvoorstel is dat het mogelijk wordt dat arbeidsmigranten een tijdelijk huurcontract kunnen krijgen en dat er bij huisvesting op het eigen terrein van de werkgever een doelgroepencontract kan worden afgegeven. In beide gevallen is er sprake van huur(prijs)bescherming, maar geldt er een einddatum of mogelijkheid tot beëindiging, aansluitend bij de vaak tijdelijke situatie van arbeidsmigranten.
In een toekomstige situatie waarin de Wet passende huurcontracten van kracht is, betekent dit dat arbeidsmigranten die in genoemde accommodaties voor een periode langer dan 30 nachten verblijven, huur(prijs)bescherming hebben. Gemeenten zien op basis van de Wet goed verhuurderschap toe op het naleven van de huur(prijs)bescherming. De publiekrechtelijke functie van een gebouw of locatie heeft geen invloed op de huurbescherming. Het wetsvoorstel verandert dan ook niets aan de publiekrechtelijke functie van een locatie; het is aan de gemeente om in het omgevingsplan te bepalen of op een locatie huisvesting is toegestaan.
Het bericht 'Migratie is de dominante factor op de woningmarkt' op WNL op 12 oktober 2026 |
|
Jan Struijs (50PLUS) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht: «migratie is de dominante factor op de woningmarkt»?1
Het rapport van het Economisch Instituut voor de Bouw (EIB), Migratie en de woningmarkt (oktober 2026), kwalificeert de veelgeciteerde stelling dat statushouders slechts circa zeven procent van de toewijzingen in de sociale huursector krijgen als een «hardnekkig misverstand», omdat dit percentage totale toewijzingen (inclusief doorstromers die een woning achterlaten) vermengt met netto extra vraag; wat is uw reactie op dit rapport?
Kunt u aangeven wanneer u voor het eerst op de hoogte was van dit onderscheid tussen bruto toewijzingen en netto extra woningvraag door statushouders, en waarom dit onderscheid jarenlang niet expliciet is gemaakt?
Het EIB concludeert dat migratie verantwoordelijk was voor circa 60 procent van de extra woningvraag in 2015–2024 en dat asielmigratie structureel een belangrijke factor is in de sociale huursector; kunt u aangeven of de regering voornemens is het EIB-rapport te gebruiken in toekomstige communicatie en beleid rond de woningmarkt?
Bent u van mening dat het niet maken van het onderscheid tussen bruto toewijzingspercentages en netto extra vraag door statushouders heeft bijgedragen aan een vertekend publiek beeld van de oorzaken van de woningnood?
Klopt het dat de verdunning van de grootte van huishoudens een andere belangrijke oorzaak is voor de huidige woningnood?
Kunt u bevestigen dat tal van overheidsregelingen samenwonen financieel bestraffen en het daarmee het samenwonen en samenleven actief ontmoedigen?
De woningvraag als gevolg van migratie |
|
Jurgen Nobel (VVD) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nieuw te bouwen woningen massaal nodig voor asielzoekers: In tien jaar tijd 340.000 extra huizen voor migranten» en het onderliggende onderzoek van het Economisch Instituut voor de Bouw (EIB)?1
Kunt u zich in de conclusie van het EIB herkennen dat er bij een gelijkblijvende instroom het komende decennium circa 340.000 nieuwbouwwoningen nodig zijn voor migranten, waarbij asielmigratie volgens het EIB structureel de grootste component is?
Het EIB stelt dat het cijfer dat slechts zeven procent van de sociale huurwoningen naar statushouders gaat, een vertekend beeld geeft, omdat daarin ook verhuizingen van huurders binnen de sector zijn meegeteld. Bent u bereid de toewijzing aan statushouders voortaan ook te rapporteren als aandeel van de starters?
Volgens het EIB komt 90 procent van de statushouders in een sociale huurwoning terecht. Van de 80.000 mensen in de opvang moeten er volgens het EIB naar verwachting nog 60.000 doorstromen naar een reguliere woning. Hoeveel sociale huurwoningen zijn hiervoor nodig en wat betekent dit voor de wachttijd voor de rest van de woningzoekenden?
Deelt u de opvatting dat het, gezien de lange wachttijden en de druk van asielmigratie op de sociale huur, niet houdbaar is om statushouders voorrang te geven bij sociale huurwoningen?
Loopt u op schema om dit jaar nog met wetgeving te komen om de voorrang voor statushouders af te schaffen?
Verder stelt het EIB in het artikel dat het aantal woningen in de vrije sector recent sterk is gedaald door de Wet betaalbare huur, waardoor woningzoekenden het moeilijker krijgen op de woningmarkt. Bent u het eens met deze constatering?
Deelt u de opvatting dat de Wet betaalbare huur de druk op de huurmarkt vergroot, zeker nu er door migratie extra woningvraag bijkomt? Welke maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat het aanbod op de huurmarkt verder krimpt?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Extra huizen voor migranten |
|
Femke Wiersma (BBB) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het interview met de Telegraaf van 13 oktober 2026 waarin u spreekt over de huisvesting van statushouders en de positie van starters op de woningmarkt?1
Klopt het dat u in dit interview, in reactie op de situatie van jonge starters die geen woning kunnen vinden, heeft gezegd dat starters «gelukkig bij hun ouders kunnen wonen»? Zo ja, wat bedoelde u precies met deze uitspraak?
Begrijpt u dat deze uitspraak hard aankomt bij jonge Nederlanders die soms noodgedwongen jarenlang thuis wonen omdat zij geen betaalbare woning kunnen vinden?
Waarom geldt de door u genoemde «pauzestand» voor statushouders zonder woning volgens u niet voor een 28-jarige starter die noodgedwongen op zijn oude slaapkamer bij zijn ouders woont en daardoor geen zelfstandig bestaan kan opbouwen?
Deelt u de mening dat van Nederlandse jongeren niet kan worden verwacht dat zij het woningtekort oplossen door maar langer bij hun ouders te blijven wonen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u uitleggen waarom het ontbreken van zelfstandige woonruimte bij een statushouder volgens u om een snelle oplossing vraagt, terwijl thuis wonen bij de ouders bij een jonge woningzoekende kennelijk als een mogelijke uitkomst wordt genoemd?
Waarom spreekt u over de positie van statushouders in termen van urgentie en noodzakelijke oplossingen, terwijl u bij starters verwijst naar de mogelijkheid om bij hun ouders te blijven wonen? Welke boodschap geeft u daarmee volgens u aan de honderdduizenden jonge woningzoekenden?
Bent u Minister van Volkshuisvesting voor alle woningzoekenden of vindt u dat de huisvestingsopgave voor statushouders urgenter is dan die voor Nederlandse starters? Hoe blijkt dit uit de prioriteiten die u stelt en uitspraken die u doet?
Vindt u het rechtvaardig dat een starter jarenlang op een wachtlijst kan staan, terwijl een statushouder op grond van zijn of haar status eerder voor een woning in aanmerking kan komen? Waarom wel of niet?
Waarom heeft u, ondanks uw constatering dat de voorrang voor statushouders steeds meer knelt voor andere woningzoekenden, het eerdere wetsvoorstel ingetrokken in plaats van deze voorrang zo snel mogelijk te beëindigen?
Waarom stelt u als voorwaarde dat eerst voldoende alternatieve huisvesting voor statushouders beschikbaar moet zijn voordat hun voorrang verdwijnt? Waarom geldt andersom niet dat eerst voldoende woningen voor Nederlandse starters beschikbaar moeten zijn voordat schaarse sociale huurwoningen met voorrang aan andere groepen worden toegewezen?
Wat verstaat u precies onder «voldoende» alternatieve huisvesting? Aan welke concrete voorwaarden moet zijn voldaan voordat gemeenten statushouders niet meer op grond van hun status voorrang kunnen geven?
Kunt u garanderen dat het koppelen van het verbod aan voldoende alternatieve huisvesting niet betekent dat de huidige mogelijkheid tot voorrang in de praktijk nog jaren blijft bestaan?
Waarom stelt u voor jonge starters niet dezelfde extra inzet en financiële ondersteuning beschikbaar als voor de huisvesting van statushouders?
Bent u bereid om als uitgangspunt te hanteren dat verblijfsstatus op zichzelf nooit mag betekenen dat iemand eerder toegang krijgt tot een schaarse sociale huurwoning dan iemand die al jarenlang op een woning wacht? Zo nee, waarom niet?
Geldt de door u uitgesproken urgentie dat iedereen een dak boven het hoofd moet hebben ook voor Nederlandse jongeren die noodgedwongen bij hun ouders wonen, en welke concrete maatregelen neemt u voor hen?
Deelt u de mening dat het enkele feit dat iemand statushouder is nooit voldoende reden mag zijn om die persoon voorrang te geven op een sociale huurwoning boven iemand die al jarenlang op een woning wacht? Zo nee, waarom acht u dat verschil in behandeling gerechtvaardigd?
U zegt dat iedereen die hier wil wonen een dak boven het hoofd moet hebben; waarom leidt dat uitgangspunt bij statushouders tot de noodzaak van een woonoplossing, terwijl een starter die noodgedwongen bij zijn ouders woont volgens u «gelukkig» daar terecht kan?
Bent u het ermee eens dat het draagvlak voor de huisvesting van statushouders onder druk kan komen te staan wanneer woningzoekenden het gevoel krijgen dat zij zelf achteraan moeten aansluiten? Zo ja, hoe weegt u dat mee in uw beleid?
Begrijpt u dat jonge woningzoekenden uit uw uitspraken de boodschap kunnen halen: voor de statushouder zoekt de overheid een woning, maar de Nederlandse starter kan voorlopig bij zijn ouders blijven wonen? Vindt u dat een aanvaardbare boodschap van een Minister van Volkshuisvesting?
De uitspraak 'Starters kunnen gelukkig bij hun ouders wonen' |
|
Mona Keijzer |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
Klopt het dat u op 13 oktober als reactie op het onderzoek waaruit blijkt dat nieuw te bouwen woningen massaal nodig zijn voor asielzoekers de uitspraak «we zien dat heel veel starters gelukkig, niet ideaal, maar gelukkig nog bij hun ouders mogen wonen of kunnen blijven wonen» heeft gedaan?
Welke doelgroep heeft bij u prioriteit? Jongeren die al jaren op zoek zijn naar een eigen dak boven hun hoofd of asielzoekers die hier kort zijn?
Deelt u de mening dat het onverteerbaar is voor honderdduizenden jonge Nederlanders, die vaak jarenlang op een wachtlijst staan, geen gezin kunnen stichten of zelfstandig kunnen wonen, dat een Minister van Volkshuisvesting hun woonprobleem wegwuift met de opmerking dat zij «gelukkig bij hun ouders kunnen wonen»?
Bent u zich er bewust van wat de maatschappelijke effecten zijn van het feit dat een groot deel van de jongeren niet of pas veel later aan hun leven kunnen beginnen? Zo ja, kunt u dit toelichten? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid uit te spreken dat bij schaarste op de woningmarkt de belangen van Nederlandse starters prioriteit hebben aangezien zij hier geworteld zijn, Nederlands staatsburger zijn en hun ouders hier vaak ook al decennia wonen en al jaren belasting betalen?
Hoe reflecteert u op het feit dat statushouders voor negentig procent terecht komen in sociale huurwoningen en de asielmigratie hiermee druk zet op een sociale sector waar de wachttijden al lang zijn en verder zijn opgelopen in recente jaren? Wie hoort volgens u voorrang te krijgen: jongeren die al jarenlang op een wachtlijst staan of statushouders?
Klopt het dat ruim twintig procent van de beschikbare woningen voor starters in 2023 ging naar statushouders, wat meer is dan woningcorporaties toevoegden in dat jaar? Hoe reflecteert u hierop?
Hoeveel van de totale beschikbare sociale huurwoningen gingen in 2025 naar statushouders? Waar baseert u dit cijfer op?
Bent u, gezien het feit dat asielmigratie wel degelijk een belangrijke factor is geweest, bereid het initiatiefwetsvoorstel Keijzer, Claassen en Clemminck over nieuwe regels inzake huisvesting vergunninghouders (Kamerstuk 36 935) direct over te nemen? Zo niet, waarom niet? Welke maatregelen gaat u dan op korte termijn nemen?
Hoe ziet u voldoende alternatieve huisvesting voor zich? Welke invulling krijgen zogenaamde «doorstroomlocaties» die een soort nieuwe asielzoekerscentra (azc’s) zijn voor mensen met een verblijfsvergunning?
Worden gemeenten ook gedwongen deze doorstroomlocaties te realiseren in het kader van de spreidingswet? Indien het antwoord nee is: gaat u daar dan een nieuwe spreidingswet of andere wettelijke verplichting voor maken?
Hoe reflecteert u op het feit dat er lange tijd ontkend is dat migratie een grote impact zou hebben op de volkshuisvesting? Wat gaat u, nu het feiten zijn, concreet doen om mensen die hier van jongs af aan wonen een toekomst te bieden door middel van een woning?
Bent u bekend met de financieringsproblemen rond de aanleg van een spoortunnel in Oss en de gevolgen daarvan voor de voorgenomen bouw van circa 3.000 woningen?1
Klopt het dat voor de aanleg van deze tunnel nog 11,8 miljoen euro aan financiering ontbreekt? Kunt u aangeven wat de totale geraamde kosten zijn, welke bijdragen het Rijk, de provincie en de gemeente hebben toegezegd en hoe groot het resterende tekort is?
Deelt u de opvatting dat de inzet van het Rijk op woningbouw onvoldoende resultaat oplevert wanneer noodzakelijke infrastructuur niet wordt gefinancierd? Welke verantwoordelijkheid neemt u om te voorkomen dat de woningbouw hierdoor vastloopt?
Deelt u de opvatting dat over veiligheid van rijksinfrastructuur niet onderhandeld kan worden? Deelt u de mening dat met het uitblijven van de financiering en de bouw van extra woningen voor de inwoners de spoorweg dwars door de stad met tien gelijkvloerse spoorkruisingen onveiliger wordt en de gemeente daar niet alleen de verantwoordelijkheid kan en mag dragen?
Bent u bereid om met de gemeente Oss en de provincie Noord-Brabant afspraken te maken over het dichten van het financieringstekort? Zo ja, welke bijdrage en welke termijn stelt u daarbij voor? Zo nee, op welke gronden wijst u ondersteuning af en welk uitvoerbaar alternatief biedt u om de woningen alsnog tijdig te realiseren?
Kunt u een actueel overzicht geven van de besteding van de 7,5 miljard euro die het Rijk begin 2026 heeft uitgetrokken voor de bereikbaarheid van nieuwe woningen? Welk deel is daadwerkelijk uitgegeven, welk deel is juridisch verplicht en welk deel is nog vrij beschikbaar? Zijn middelen verschoven naar andere doelen en, zo ja, hoeveel en met welke gevolgen voor de woningbouw?
Welke concrete maatregelen uit het Actieplan Versnelling Woningbouw bieden een oplossing voor projecten die vastlopen op de financiering van noodzakelijke infrastructuur? Kunt u per maatregel aangeven welk budget beschikbaar is, wie verantwoordelijk is voor de uitvoering en wanneer gemeenten daarvan gebruik kunnen maken?
Hoe verhoudt het uitblijven van een oplossing voor Oss zich tot uw ambitie om jaarlijks 100.000 woningen te realiseren? Hoeveel woningen lopen landelijk vertraging op door ontbrekende infrastructuurfinanciering en welke concrete besluiten neemt u, samen met de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, om deze projecten alsnog mogelijk te maken?
Kunt u een overzicht opstellen van woningbouwprojecten met meer dan 300 woningen die dreigen niet door te gaan vanwege een financieringstekort voor noodzakelijke infrastructuur? Kunt u daarbij per project aangeven om hoeveel woningen het gaat, hoe groot het financieringstekort is en welke maatregelen u neemt om het project alsnog mogelijk te maken?
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk en vóór het commissiedebat Staat van de Volkshuisvesting op 28 oktober aanstaande te beantwoorden, zodat de antwoorden bij dat debat kunnen worden betrokken?
De maandenlange vertraging van woningbouwproject Beekweide II in Renswoude |
|
Hanneke Steen (CDA) |
|
van Essen , Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Konijnen en hazen dwarsbomen nieuwbouwwijk Renswoude: «Dit is tenenkrommend en bureaucratie ten top»» over woningbouwproject Beekweide II in Renswoude, waar sinds 1 oktober de werkzaamheden weer mogen worden hervat, nadat de bouw van circa 40 woningen bijna een half jaar vertraging had opgelopen?1
Deelt u de mening dat vermijdbare vertraging van woningbouwprojecten moet worden voorkomen, omdat woningzoekenden daardoor langer op een woning wachten, kopers langer in onzekerheid verkeren en de haalbaarheid van woningbouwprojecten onder druk kan komen te staan? Zo nee, waarom niet?
Welke lessen trekt u uit Beekweide II voor de voorspelbaarheid van ecologisch onderzoek, werkprotocollen en de beoordeling daarvan, nu uiteindelijk binnen de geldende soortenbescherming een werkwijze is gevonden waarmee de werkzaamheden konden worden hervat?
Wat vindt u ervan dat Utrecht de vrijstelling voor de haas bij ruimtelijke ontwikkelingen heeft geschrapt, terwijl in 2022 ook in Limburg een dalende provinciale trend van de hazenpopulatie was vastgesteld en Limburg deze vrijstelling wel heeft behouden?
Wat vindt u ervan dat Utrecht en Zeeland als enige twee provincies de vrijstelling voor het konijn bij ruimtelijke ontwikkelingen niet kennen, terwijl de populatie van het konijn landelijk sterk is afgenomen en de andere tien provincies bij datzelfde landelijke beeld de vrijstelling wel hebben behouden?
Klopt het dat een ongunstige staat van instandhouding op zichzelf niet automatisch betekent dat een vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen juridisch onmogelijk is, maar dat zo’n vrijstelling onder meer geen afbreuk mag doen aan het streven de populaties in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan? Zo nee, hoe luidt de juridische toets dan wel precies?
Deelt u de mening dat provincies een vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen niet onnodig moeten schrappen wanneer juridisch en ecologisch kan worden onderbouwd dat deze geen afbreuk doet aan het streven de populaties in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan, juist omdat het schrappen van zo’n vrijstelling woningbouw met extra onderzoek en vergunningprocedures kan belasten? Zo nee, waarom niet?
Hoe gaat u werk maken van de afspraak in het regeerakkoord om provinciale natuurregels te uniformeren zodat ze de bouw niet bemoeilijken?
Welke verschillen tussen provincies in vrijstellingen, beoordelingscriteria en eisen aan mitigatie en compensatie wilt u bij deze uniformering concreet wegnemen?
Welke knelpunten in flora- en faunaregels neemt u mee bij de uitvoering van de aangenomen motie-Mooiman c.s. (Kamerstuk 28 325, nr. 325), die vraagt om bestaande knelpunten en de samenhang tussen bouwregels mee te nemen in de jaarlijkse Vereenvoudigingswet en tegenstrijdigheden en stapelingen van eisen voor de bouw te voorkomen?
Hoe staat het met de uitvoering van de aangenomen motie-Nobel (Kamerstuk 28 325, nr. 322) om alle gemeenten die nog niet met een soortenmanagementplan zijn begonnen ertoe te bewegen daar in 2026 mee te starten en bij gemeenten die al zijn gestart aan te dringen op versnelling? Welke aanvullende actie neemt u om deze motie nog dit jaar uit te voeren?
Hoe gaat u uitvoering geven aan het advies van STOER om een landelijke standaard voor beoordelingsprocessen met uniforme criteria te ontwikkelen, zodat verschillen in de beoordeling van flora- en fauna-activiteiten tussen provincies en omgevingsdiensten worden verminderd?
Hoe gaat u uitvoering geven aan de aanbeveling in dat rapport om mitigatie- en compensatiemaatregelen landelijk verder te standaardiseren, zodat vooraf duidelijker is welke maatregelen in beginsel toereikend zijn, met ruimte voor noodzakelijk ecologisch maatwerk?
Gaat u de in dat rapport voorgestelde landelijke compensatiecatalogus uitwerken, zodat vooraf duidelijker is welke compenserende maatregelen kunnen worden geaccepteerd en hierover niet per woningbouwproject opnieuw langdurige discussie ontstaat?
Hoe gaat u uitvoering geven aan de aanbeveling uit dat rapport om mogelijk te maken dat een groter gebied van lagere ecologische kwaliteit wordt gecompenseerd door een kleiner gebied van aantoonbaar hogere ecologische kwaliteit?
Hoe gaat u uitvoering geven aan de in dat rapport voorgestelde worst-casebenadering, waarbij voor geschikte soorten en werkzaamheden wordt uitgegaan van mogelijke aanwezigheid en direct passende mitigerende maatregelen worden getroffen, zodat soortgericht onderzoek waar dat ecologisch verantwoord is kan worden beperkt?
Hoe gaat u uitvoering geven aan de aanbeveling uit dat rapport om het maatschappelijke belang van woningbouw in het Besluit kwaliteit leefomgeving explicieter als dwingende reden van groot openbaar belang vast te leggen voor Habitatrichtlijnsoorten en nationaal beschermde soorten
Welke maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat de gevolgen van reeds bekende beschermde soorten, zoals de kerkuil en steenuil die bij Beekweide II al in ecologische onderzoeken uit 2024 en 2025 waren aangetroffen, tijdig worden beoordeeld en benodigde maatregelen en vergunningen vóór de start van werkzaamheden duidelijk zijn, zodat woningbouwprojecten niet tijdens de uitvoering alsnog vertraging oplopen?
Klopt het dat een dwingende reden van groot openbaar belang bij vogelrichtlijnsoorten, zoals de kerkuil en steenuil, geen zelfstandige afwijkingsgrond is en dat het maatschappelijke belang van woningbouw daardoor niet via deze route kan worden meegewogen?
Gaat u in het verdere verloop van de lopende Europese stresstest van de Vogel- en Habitatrichtlijn actief bepleiten dat een dwingende reden van groot openbaar belang ook voor Vogelrichtlijnsoorten als afwijkingsgrond mogelijk wordt, zodat het maatschappelijke belang van woningbouw in deze afweging kan worden betrokken? Hoe gaat u deze inzet concreet vormgeven?
Bent u bekend met de berichten «Minister blij met enorme woontorens bij Arena: «Uitstekend bereikbare plek»»1 en «Pensioenfondsen steken honderden miljoenen in 933 huurwoningen bij ArenA: «Maar bodem kas voor woningbouw komt in zicht»»?2
Klopt het dat u gisteren bij het startsein van het Eleven Square project heeft gezegd «dat er vanwege de woningnood plannen nodig zijn «die daadwerkelijk van de tekentafel komen»»?
Bent u bekend met het feit dat de vergunning voor dit project dateert uit een tijd waarin ontwikkelaars nog maximaal 30 procent sociale huur hoefden te bouwen en de resterende 70 procent mochten aanvullen met vrijesectorwoningen?
Bent u bekend met het feit dat Amsterdam sindsdien eisen heeft ingevoerd die ontwikkelaars verplichten 40 procent sociale huur en 40 procent middenhuur en/of betaalbare koop te bouwen, waardoor maar 20 procent overblijft voor vrijesectorwoningen? Een verplichting die nog strenger is dan uw eigen 30 procent sociaal en twee derde betaalbaar verplichting? Wat vindt u hiervan? Vindt u het onwenselijk dat zij strengere eisen stellen aan betaalbaarheid dan het landelijk kader? Zo niet, hoe strookt dat dan met uw mededelingen aan de Kamer om lokale koppen zoveel mogelijk tegen te gaan?
Hoe beoordeelt u de opvatting uit het Telegraaf-artikel dat «veel bouwprojecten [door het Amsterdamse 40-40-20 beleid] financieel niet of nauwelijks haalbaar zijn, ook voor pensioenfondsen»? Erkent u deze gevolgen ook? Zo niet, hoe strookt uw ontkenning van deze gevolgen dan met het in opdracht van uw ministerie uitgevoerde onderzoek «Betaalbaar bouwen» van het Instituut voor Publieke Economie (IPE)?
Hoe rijmt u de door u uitgesproken noodzaak voor plannen «die daadwerkelijk van de tekentafel komen» met uw voornemen om vergelijkbare betaalbaarheidverplichtingen op landelijk niveau in te voeren, die juist als gevolg hebben dat woningbouwplannen minder snel van de tekentafel komen?
Hoe beoordeelt u de opvatting van sommigen dat het een beetje hypocriet kan lijken om dit bouwplan te vieren als een oplossing voor het probleem, terwijl dit bouwplan onder uw nieuwe regels nooit van de grond zou komen? Is uw beleid dan nog wel onderdeel van de oplossing voor het woningtekort? En zou u dan niet beter een koerscorrectie kunnen doen?
In het verleden (zoals in uw appreciatie op Kamerstuk 28 325, nr. 320) heeft u aangegeven dat het schrappen van betaalbaarheidsverplichtingen zou betekenen dat er te weinig nieuwe woningen op de markt komen voor lagere en middeninkomens; heeft u uw visie op dit thema bijgesteld naar aanleiding van het IPE-onderzoek «Betaalbaar bouwen»? Zo niet, op basis van welke argumentatie wijst u dan de opvatting af dat er alsnog nieuwe woningen beschikbaar kunnen komen voor lagere en middeninkomens door doorstroming, waarbij mensen met hoge inkomens hun oude huis achterlaten, welke weer bewoond zou kunnen worden door mensen met een middeninkomen (en zo verder)? Gelooft u niet in doorstroom?
Het artikel 'De wonderbaarlijke waardestijging van 23 boswoningen: hoe een zorginstelling miljoenen aan inkomsten misliep' |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Wat vindt u ervan dat 23 sociale huurwoningen voor ouderen, ooit gefinancierd met gemeenschapsgeld, voor 3,8 miljoen euro zijn verkocht aan private beleggers en binnen een jaar voor tweeënhalf keer de aankoopprijs zijn doorverkocht?1
Deelt u de mening dat hier feitelijk miljoenen euro's aan zorggeld zijn weggelekt naar particuliere vastgoedbeleggers? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u het feit dat de verkoopprijs een miljoen euro onder de door de gemeente vastgestelde WOZ-waarde lag?
Hoe beoordeelt u het optreden van het College Sanering Zorginstellingen (CSZ) in deze zaak?
Heeft u de bevoegdheid om het CSZ opdracht te geven? Zo ja, bent u van plan deze bevoegdheid te gebruiken in deze zaak?
Bent u van mening dat de waarde van een goed functionerend CSZ zich heeft bewezen door deze zaak?
Hoe verhoudt deze casus zich tot uw voornemen om het CSZ op te heffen? Deelt u de waarschuwing van de bestuursvoorzitter van het CSZ dat er na opheffing «nauwelijks extern toezicht» op vastgoedtransacties in de zorg zal bestaan?
Deelt u de mening dat deze zaak juist aantoont dat het toezicht op de verkoop van zorgvastgoed niet moet worden afgeschaft maar moet worden versterkt?
Klopt het dat de taxatie en de goedkeuring door het CSZ berustten op de aanname dat er een «uitpondverbod» gold, terwijl dit verbod in werkelijkheid niet bleek te bestaan? Hoe kan een dergelijke fundamentele fout in het toezicht ontstaan?
Vindt u het aanvaardbaar dat externe gemachtigden die voor het CSZ transacties beoordelen zelf actief zijn als vastgoedondernemer? Komt dit vaker voor?
Hoe beoordeelt u de handelwijze van het CSZ in de Woo-procedure, waarbij het bestaan van een cruciaal document werd verzwegen?
Bent u bereid het CSZ opdracht te geven de goedkeuring van de Valckenhof-transactie te evalueren en de Kamer over de uitkomsten te informeren?
Hoeveel vastgoedtransacties van zorginstellingen zijn de afgelopen vijf jaar goedgekeurd door het CSZ? Bent u bereid te laten onderzoeken in hoeveel gevallen het verkochte vastgoed kort na de transactie met forse winst is doorverkocht?
Wat betekent deze casus voor bewoners van vergelijkbare complexen die op de nominatie staan om verkocht te worden, zoals het wooncomplex van Warande in Driebergen? Welke bescherming hebben deze veelal oudere huurders tegen de uitverkoop van hun woongemeenschap?
Deelt u de mening dat sociale huurwoningen voor ouderen die met publiek geld zijn gefinancierd, in beginsel in publieke of maatschappelijke handen zouden moeten blijven, bijvoorbeeld door een eerste aanbiedingsplicht aan woningcorporaties? Zo nee, waarom niet?
De uitzending van RADAR van 21 september 2026 met het onderwerp liftproblematiek. |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van bovengenoemde uitzending?1
Hoe oordeelt u over de berichtgeving dat 48 procent van de mensen uit het onderzoek van Radar weleens te maken heeft met een kapotte lift in hun woongebouw, en dat ruim de helft van hen afhankelijk is van de lift?
Hoe oordeelt u over het feit dat uit het onderzoek het beeld ontstaat van regelmatige verstoringen, die soms ook nog eens lang duren?
In de uitzending bleek dat dit ook in seniorencomplexen voorkomt; hoe oordeelt u over deze berichtgeving?
Bent u het eens met de stelling dat dit zeker in seniorencomplexen tot grote problemen kan leiden voor bewoners, aangezien zijn vaker slecht ter been zijn, en juist om die reden in een dergelijk complex (mét lift) zijn gaan wonen?
Welke wet- en regelgeving bestaat er inzake storingen bij liften in woongebouwen?
Bestaat er aparte regelgeving voor seniorencomplexen?
Zou dit wenselijk zijn?
Op dit moment is het niet concreet meetbaar vastgelegd hoeveel verstoringen er in liften mogen zijn; bent u bereid dit in regelgeving te laten vastleggen, zodat bewoners iets hebben om op terug te vallen en eigenaars van gebouwen hierop afspraken kunnen maken met leveranciers en kunnen bijsturen?
Bent u het eens dat de regelgeving rondom het functioneren van liften in seniorencomplexen extra strikt moet zijn, omdat deze groep daar extra van afhankelijk is?
De toenemende dakloosheid in Nederlandse steden |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Daklozen zijn niet sexy: de pijnlijke reden waarom de politiek dit probleem niet oplost»?1
Hoe verklaart u dat de problemen rond dakloosheid verder toenemen, terwijl juist met het Nationaal Actieplan Dakloosheid de ambitie is uitgesproken dat in 2030 niemand meer op straat hoeft te slapen?
Deelt u de analyse dat de verdeling van de verantwoordelijkheid voor dakloosheid over meerdere ministeries de daadkracht van de aanpak belemmert? Zo nee, hoe verklaart u dan dat de problemen ondanks jarenlange beleidsinzet blijven toenemen?
Waarom gaat een groot deel van het beschikbare geld naar noodopvang, in plaats van structurele oplossingen?
Welke verantwoordelijkheid hebben werkgevers volgens u voor EU-arbeidsmigranten die na afloop van hun contract of na ontslag zonder huisvesting in Nederland achterblijven, en hoe moet worden voorkomen dat deze groep vervolgens op straat belandt?
Welke lessen trekt u uit de in het artikel beschreven situatie in Utrecht, waar het schrappen van het verbod op buiten slapen ertoe heeft geleid dat politiecontact afneemt, hulp later op gang komt en de overlast toeneemt?
Het bericht 'Hoogleraar pleit voor flexibele hypotheek: 'We zijn 65 jaar lang hetzelfde product aan het doorduwen'' |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat het tijd is om te onderzoeken of de al lang bestaande hypotheekvoorwaarden nog voldoende aansluiten bij de levensfasen van mensen?1
Welke wettelijke of fiscale belemmeringen zijn er op dit moment voor hypotheekaanbieders om meer flexibiliteit te bieden in looptijd en aflossingsschema?
Welke mogelijkheden hebben hypotheekgevers nu al wel om consumenten tijdelijk minder of niet te laten aflossen of de looptijd van een hypotheek te verlengen?
Ziet u zelf kansen voor een hypotheek waarbij gedurende de looptijd een beperkte en vooraf bepaalde flexibiliteit bestaat om aflossingen tijdelijk te verlagen of uit te stellen, waarna deze later worden ingehaald?
Hoe kijkt u naar het idee van hypotheken met een looptijd van 35 of 40 jaar? Wat zijn daarbij de gevolgen voor maandlasten, totale rentelasten, vermogensopbouw en financiële risico's voor huishoudens?
Deelt u de zorg dat het oprekken van de looptijd van een hypotheek met als gevolg een hogere leencapaciteit op een krappe woningmarkt uiteindelijk ook kan leiden tot hogere huizenprijzen, waardoor het beoogde voordeel voor starters (lagere maandlasten) gedeeltelijk verdwijnt? Wat zijn mogelijkheden om dit te voorkomen?
Wat zijn de mogelijkheden om te zorgen dat een langere contractuele looptijd, niet ook een langere periode van hypotheekrenteaftrek betekent? Kan dit worden losgekoppeld?
Bent u bereid met banken, pensioenfondsen, consumentenorganisaties en toezichthouders te onderzoeken welke ruimte er is voor een flexibeler hypotheekproduct, waarbij niet het vergroten van de maximale schuld, maar het beter aansluiten bij de levensfasen van mensen centraal staat?
De groei van de sociale huurvoorraad in kwetsbare regio's |
|
Habtamu de Hoop (GroenLinks-PvdA) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met de situatie in Hollands Kroon, waar de gemeente inzet op netto groei van de sociale huurvoorraad, maar de woningcorporatie aangeeft die groei tot en met 2030 niet te kunnen realiseren door beperkte investeringscapaciteit?1
Ziet u dit ook als een breder probleem dat beoogde groei van sociale huur, die voortkomt uit een vastgestelde woningbehoefte, niet gerealiseerd kan worden in kwetsbare regio’s door gebrek aan investeringsruimte?
Klopt het dat de Nationale Prestatieafspraken uitgaan van netto groei van de sociale huurvoorraad? Hoe verhoudt het uitblijven van groei in deze situatie zich tot die afspraken en tot de terughoudendheid bij verkoop?
Hoe zal de aankomende Wet Versterking regie volkshuisvesting uitwerken op gemeenten met een relatief laag aandeel sociale huur, zoals de gemeente Hollands Kroon, binnen een regio waar anderen gemeenten juist een relatief hoog aandeel sociale huur kennen? Wat zijn de gevolgen voor de opgave sociale woningbouw in dergelijke gemeenten?
Hoe weegt u de positie van gemeenten in kwetsbare gebieden, met een relatief laag aandeel sociale huur en een aanvullende uitbreidingsopgave op grond van landelijke regelgeving?
Deelt u de opvatting dat het uitblijven van groei van de sociale huurvoorraad – terwijl de behoefte aan sociale huurwoningen in deze regio's aantoonbaar aanwezig en groeiende is, onder andere blijkend uit wachttijden voor sociale huur, woningbehoefteonderzoek en de eigen, vastgestelde groeidoelstellingen van gemeenten – nadelig is voor gemeenten en regio's als Hollands Kroon en de Kop van Noord-Holland, omdat dit kan leiden tot vertrek van jongeren en starters, krapte in vitale beroepen en verdere druk op voorzieningen?
Klopt het dat de Kop van Noord-Holland deel uitmaakt van het Nationaal Programma Vitale Regio's? Deelt u de opvatting dat in zulke regio's voldoende en groeiende beschikbaarheid van betaalbare woningen essentieel is voor leefbaarheid en sociaaleconomische vitaliteit?
Hoe garandeert u dat woningcorporaties over voldoende investeringscapaciteit beschikken om ook in kwetsbare en perifere regio's te blijven investeren?
Acht u het wenselijk dat woningcorporaties in zulke gemeenten volstaan met behoud van de bestaande voorraad, terwijl zij elders wel uitbreiden?
Hoe beoordeelt u de spanning tussen enerzijds verkoop van sociale huurwoningen door corporaties in de ene regio ten behoeve van investeringen in een andere regio, en anderzijds de lokale verantwoordelijkheid van gemeenten voor woonresultaten en leefbaarheid?
Welke instrumenten ziet u om te bevorderen dat opbrengsten uit verkoop van sociale huurwoningen door een corporatie zoveel mogelijk opnieuw worden ingezet in dezelfde gemeente?
In hoeverre acht u het huidige investerings- en toezichtskader voor woningcorporaties toereikend om ook in perifere regio's bij te dragen aan volkshuisvestelijke en maatschappelijke doelen?
Bent u bereid om in de Nationale Prestatieafspraken expliciet aandacht te geven aan sociale woningbouw in kwetsbare en achtergestelde regio's, zoals bedoeld binnen het Nationaal Programma Vitale Regio's?
Het bericht dat over vier jaar dertig procent van de huizen gebouwd moet worden van natuurlijke materialen zoals hout en vlas |
|
Jurgen Nobel (VVD) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bouwregels stapelen op: over vier jaar moet 30 procent van de huizen gebouwd worden van natuurlijke materialen zoals hout en vlas»?1
Klopt het dat de kosten en eisen voor biobased bouwen op dit moment hoger liggen dan die voor reguliere bouw, en zo ja, hoeveel?
In hoeverre leidt een eventuele verplichting tot biobased bouwen ertoe dat de bouwkosten nog verder stijgen?
Bent u het eens dat de focus moet liggen op het snel bouwen van meer woningen, in plaats van extra regels over biobased bouwen?
Bent u het eens dat de markt gestimuleerd kan worden om biobased te bouwen, maar dat een verplichting niet bijdraagt aan de bouw van meer woningen?
Kunt u aangeven welk deel van de nieuwbouwwoningen op dit moment voldoet aan de norm van minimaal 30 procent biobased of circulair materiaal?
Bent u voornemens de doelstelling van 30 procent als bindende eis in de bouwregelgeving op te nemen, of ziet u dit als een streefwaarde?
Mogen woningen met minder dan 30 procent circulair of biologisch materiaal over vier jaar nog gebouwd worden?
Hoe bent u überhaupt van plan dit doel te behalen als de helft van de woningfabrieken volgens het bericht niet gebruikt wordt omdat de vergunningen om de capaciteit op te schalen ontbreken?
Welke maatregelen gaat u komende tijd nemen om industriële bouw te stimuleren?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Het artikel ‘Giftige stof gebruikt bij veel huizen, woningcorporaties doen massaal onderzoek’ |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Kan de Minister aangeven hoeveel huurwoningen in Nederland met UF-schuim zijn geïsoleerd, en zo nee, is zij bereid dit landelijk in kaart te brengen?1
Is de Minister bereid de locaties te noemen waar UF-schuim is gebruikt? Deelt de Minister de mening dat bewoners het recht hebben te weten of hun eigen woning ermee is geïsoleerd, en is zij bereid corporaties te verplichten hierover actief en transparant te communiceren?
Is de Minister bekend met regio’s buiten die van het artikel waar UF-schuim door woningcorporaties werd toegepast? Zo ja, welke?
Hoe verklaart de Minister dat de overheid tot april van dit jaar nog subsidie verstrekte voor isolatie met UF-schuim, terwijl de GGD in februari al met advies kwam om te stoppen?
Wie draait er straks op voor de kosten van onderzoek, sanering en eventuele verwijdering van het schuim? Kan de Minister garanderen dat deze kosten niet via de huur worden afgewenteld op huurders?
Welke stappen gaat de Minister zetten voor bewoners die nu al gezondheidsklachten hebben of zich zorgen maken?
Is de Minister bereid om, in afwachting van de nieuwe RIVM-adviesnormen, een landelijk verbod op het gebruik van UF-schuim in te stellen?
Het bericht ‘Mogelijk 1300 bouwprojecten stilgelegd door schorsing van belangrijke controleur’ |
|
Hanneke Steen (CDA) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Mogelijk 1300 bouwprojecten stilgelegd door schorsing van belangrijke controleur» en van de waarschuwing van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten over de gevolgen van de schorsing van kwaliteitsborgers door de Toelatingsorganisatie Kwaliteitsborging Bouw (TloKB)?1
Hoeveel lopende bouwprojecten worden momenteel geraakt door deze schorsing, bij hoeveel van deze projecten zijn de bouwwerkzaamheden daadwerkelijk stilgelegd of vertraagd en hoeveel woningen betreft dit?
Zou u willen ingaan op de vraag of de bouw bij een dergelijke schorsing moet worden stilgelegd, gezien het feit dat de VNG stelt dat de bouw bij een geschorste kwaliteitsborger moet worden stilgelegd, terwijl de TloKB vermeldt dat een kwaliteitsborger bij schorsing geen nieuwe projecten mag aannemen maar lopende projecten mogen doorgaan?2
Bent u bereid gemeenten, omgevingsdiensten, opdrachtgevers en bouwbedrijven op zeer korte termijn duidelijkheid te geven over de juridische gevolgen van een schorsing, zodat wordt voorkomen dat bouwprojecten onnodig worden stilgelegd?
Welke mogelijkheden zijn er, indien een lopend project door een schorsing niet kan worden voortgezet, om de kwaliteitsborging snel door een andere bevoegde kwaliteitsborger te laten overnemen en vertraging van de bouw zo veel mogelijk te voorkomen?
Hoe beoordeelt u dat vertraging en extra kosten als gevolg van een schorsing afhankelijk van de gemaakte contractuele afspraken terecht kunnen komen bij opdrachtgevers of aannemers die zelf geen aanleiding hebben gegeven voor de schorsing?3
Welke gevolgen hebben deze stilleggingen en vertragingen voor kopers van woningen binnen de getroffen projecten en heeft u zicht op de financiële schade die zij hierdoor kunnen lijden?4
Welke betekenis kent u aan deze schorsingen in het licht van de recente constatering van de TloKB dat de werkwijze van kwaliteitsborgers en het toezicht door instrumentaanbieders verbetering behoeven?
Zijn er bij u of de TloKB signalen dat ook andere kwaliteitsborgers het risico lopen te worden geschorst of hun werkzaamheden te moeten staken, en wat zou dit betekenen voor de continuïteit en capaciteit van het stelsel van kwaliteitsborging?
Welke concrete maatregelen gaat u naar aanleiding van deze schorsingen nemen, mede in het licht van uw uitspraak in het commissiedebat Bouwregelgeving van 1 juli 2026 dat u eerder in actie komt wanneer tussentijdse bevindingen daartoe aanleiding geven?
Bent u bereid de evaluatie van de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) te versnellen en daarbij de gevolgen van schorsingen, de kosten, de administratieve lasten en de duidelijkheid van verantwoordelijkheden binnen het stelsel te betrekken, nu de huidige planning pas eind 2027 voorziet in een totaalbeeld van het Wkb-stelsel?
Welke actie onderneemt u om de afspraak uit het coalitieakkoord om onnodige en kostbare bouwregels te schrappen en het Besluit bouwwerken leefomgeving te vereenvoudigen ook te vertalen naar een eenvoudigere en minder kostbare manier van kwaliteitsborging?
Bent u bereid, gezien de aanhoudende problemen met kosten, bureaucratie en onduidelijkheid en de nu gebleken kwetsbaarheid bij de schorsing van kwaliteitsborgers, op korte termijn een scenario uit te werken voor het stoppen met de huidige Wkb?
Het bericht ‘Vereniging Eigen Huis: te veel klachten over makelaars en oneerlijke huizenverkoop’ |
|
Hanneke Steen (CDA) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Deelt u de opvatting dat het grote aantal meldingen bij het Meldpunt Makelaardij van Vereniging Eigen Huis de vraag oproept of woningzoekenden bij het bieden op een woning wel een eerlijke en gelijke kans krijgen?1
Hoe beoordeelt u de signalen uit het Meldpunt Makelaardij in het licht van uw eerdere antwoorden dat de handhaving van de afspraken rond het biedlogboek tekortschiet en dat brancheorganisaties niet proactief controleren of het biedlogboek daadwerkelijk wordt verstrekt?2
Hoe kunnen woningzoekenden erop vertrouwen dat vooraf gecommuniceerde spelregels tijdens het biedproces worden nageleefd, nu bij het Meldpunt Makelaardij meldingen zijn binnengekomen over het tussentijds veranderen van deze spelregels?
Hoe wordt voorkomen dat woningzoekenden op basis van onjuiste of niet-controleerbare mededelingen over andere biedingen onder druk worden gezet om hun bod te verhogen?
Welke maatregelen overweegt u naar aanleiding van deze signalen, nu u heeft aangegeven mogelijke maatregelen tegen wanpraktijken op de woningmarkt met de Kamer te willen bespreken?3
Deelt u de opvatting dat deze nieuwe signalen, in samenhang met de eerder vastgestelde tekortkomingen in naleving en handhaving, laten zien dat strakkere regels voor het biedproces nodig zijn en dat daarbij ook wettelijke regels moeten worden overwogen?
Wat is de actuele stand van het onderzoek naar de mogelijkheden voor wet- en regelgeving dat volgens uw eerdere antwoorden inmiddels loopt, en heeft u inmiddels een voorkeursoptie?
Hoe weegt u het argument van de Nederlandse Vereniging van Makelaars (NVM) dat aangesloten makelaars door zelfregulering aan verplichtingen zijn gebonden die niet gelden voor ongebonden makelaars?4
Hoe weegt u daarbij de bevinding van RIGO dat bij NVM en Vastgoed Nederland aangesloten makelaars gezamenlijk naar schatting 90 tot 96 procent van de woningverkopen begeleiden?5
Hoe weegt u daarbij de conclusie van RIGO dat betere naleving van het Verbeterplan het keurmerk van brancheorganisaties kan versterken?6
Hoe weegt u het risico dat strakkere regels en handhaving tot ledenverlies leiden, gelet op de door RIGO genoemde bedrijfseconomische voordelen van branchelidmaatschap en de constatering dat een gestelde toename van opzeggingen niet zichtbaar is in de beschikbare ledengegevens?
Het artikel 'Verkoopgolf huurwoningen gaat nog harder: ’Zwartste scenario Hugo de Jonge komt nu al dichtbij'' |
|
Femke Wiersma (BBB) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel uit de Telegraaf van 26 augustus 2026, waarin uit recente cijfers van het Kadaster blijkt dat investeerders en particuliere verhuurders in het afgelopen kwartaal opnieuw per saldo duizenden huurwoningen hebben verkocht aan eigenaar-bewoners?1 2
Hoe beoordeelt u het feit dat er volgens het Kadaster per saldo weer 6.400 woningen door investeerders en 1.970 woningen door kleine particuliere verhuurders zijn afgestoten, waardoor inmiddels 76.471 huurwoningen in twee jaar tijd van de private huurmarkt zijn verdwenen?
Deelt u de schokkende conclusie van verhuurdersorganisatie Vastgoed Belang dat het absolute worstcasescenario van het ministerie (160.000 verdwenen huurwoningen over tien jaar) na slechts twee jaar al voor 48 procent is bereikt, en dat de effecten van de «uitpondgolf» door uw voorganger ernstig zijn onderschat?
Erkent u dat de stapeling van de Wet betaalbare huur, het verbod op tijdelijke huurcontracten en de hoge belastingdruk in box 3 direct leidt tot een verdere verschraling van het aanbod, waarbij het aandeel van investeerders in de totale woningvoorraad in één jaar tijd is gedaald van 9,2 procent naar 8,9 procent?
Hoe kijkt u naar de situatie in studentensteden, waar inmiddels één op de vijf verkochte koopwoningen een voormalige huurwoning is, en bent u er niet van geschrokken dat middeninkomens (die de wet juist moest beschermen) nu op de private huurmarkt vrijwel nergens meer terecht kunnen doordat het aanbod middenhuur vrijwel non-existent is geworden?
Deelt u de mening dat het beleid averechts uitpakt en dat snelle herziening of versoepeling van de regulering noodzakelijk is om verdere uitverkoop van de huursector te stoppen? Zo ja, welke concrete maatregelen gaat u op korte termijn nemen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om, gelet op deze alarmerende cijfers en de constatering dat het worstcasescenario al jaren eerder in beeld komt, de wettelijke evaluatie van de Wet betaalbare huur per omschakeling per direct naar voren te halen en de Kamer binnen drie maanden te informeren over mogelijke noodgrepen?
Erkent u dat indien het streefdoel van een wet (het beschermen van huurders met middeninkomens) aantoonbaar leidt tot het verdwijnen van juist díé huurwoningen en er sprake is van een gefaald instrument?
Bij welk exact aantal verdwenen huurwoningen of bij welk gedaald percentage van de vrije huursector trekt u formeel de conclusie dat de grens bereikt is en dat de Wet betaalbare huur per direct buiten werking moet worden gesteld of moet worden herzien?
Bent u bereid om af te zien van verdere «monitortrajecten» of «onderzoeksfases» en in plaats daarvan vóór het einde van dit jaar een concreet noodplan aan de Kamer voor te leggen dat de uitponding van de private huurmarkt stopt? Zo nee, hoe legt u dit uit aan de duizenden woningzoekenden die met lede ogen toezien hoe de huurmarkt leegstroomt?
Hoe beoordeelt u het recente onderzoek van Argos, waaruit blijkt dat veel gemeenten nauwelijks optreden tegen verhuurders die meer huur vragen dan wettelijk is toegestaan?
Kunt u per gemeente aangeven hoeveel meldingen over te hoge huren sinds de invoering van de gemeentelijke handhaving zijn ontvangen, hoeveel controles zijn uitgevoerd, hoeveel waarschuwingen en lasten onder dwangsom zijn opgelegd, hoeveel boetes zijn uitgedeeld en in hoeveel gevallen daadwerkelijk een lagere huurprijs is gerealiseerd? Zo nee, waarom beschikt het Rijk niet over deze gegevens?
Hoeveel middelen heeft het Rijk sinds de invoering van de Wet betaalbare huur beschikbaar gesteld aan gemeenten voor toezicht en handhaving, hoeveel daarvan is daadwerkelijk besteed en welk concreet handhavingsresultaat is daarmee bereikt?
Deelt u de mening dat wanneer gemeenten de maximale huurprijzen nauwelijks handhaven, een belangrijk uitgangspunt onder de Wet betaalbare huur – namelijk dat huurders daadwerkelijk worden beschermd tegen te hoge huren – in de praktijk onvoldoende wordt waargemaakt? Zo nee, waarom niet?
De aanhoudende uitpondgolf van huurwoningen. |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Verkoopgolf huurwoningen gaat nog harder: «Zwartste scenario Hugo de Jonge komt nu al dichtbij»»?1
Kunt u bevestigen dat er in het tweede kwartaal van 2026 met 9.930 woningen méér is uitgepond dan in hetzelfde kwartaal een jaar eerder (9.870 woningen)?2
Kunt u bevestigen dat sinds de inwerkingtreding van de Wet betaalbare huur op 1 juli 2024 per saldo 76.471 woningen uit de private huurmarkt zijn verdwenen?3
Indien de antwoorden op vraag twee en drie bevestigend luiden, wat zegt dit over de wenselijkheid van de Wet betaalbare huur?
Hoeveel middenhuurwoningen worden er op dit moment landelijk te huur aangeboden en hoe verhoudt dit aanbod zich tot het aanbod in de periode direct vóór de inwerkingtreding van de Wet betaalbare huur op 1 juli 2024?
Hoe verklaart u dat het aanbod aan middenhuurwoningen twee jaar na de invoering van een wet die dit aanbod juist moest vergroten door verhuurdersorganisatie Vastgoed Belang als praktisch non-existent wordt omschreven, waardoor juist woningzoekenden met een middeninkomen – de beoogde doelgroep van de Wet betaalbare huur – nergens meer terechtkunnen?
Erkent u dat de Wet betaalbare huur zelf de prikkel creëert om woningen aan het middensegment te onttrekken, nu vrijkomende middenhuurwoningen doorgaans worden verkocht of via kwaliteitsverbeteringen naar het ongereguleerde segment worden getild, waarvoor geen maximumhuur geldt?
Acht u een gezond en ruim aanbod op zowel de huur- als de koopmarkt wenselijk, en zo ja, hoe rijmt u dit met het in stand houden van een wet die het huuraanbod aantoonbaar doet krimpen zonder dat daar per saldo nieuwe woningen tegenover staan?
Beschouwt u de Wet betaalbare huur als een verstorende factor op de huurmarkt, en kunt u ditzelfde oordeel afzonderlijk geven over de Wet vaste huurcontracten, het verhoogde box 3-tarief en de verhoogde overdrachtsbelasting voor verhuurders, mede in het licht van hun cumulatieve effect op het rendement van woningverhuur?
Erkent u dat de in april 2026 aangekondigde versoepelingen van de Wet betaalbare huur kennelijk onvoldoende zijn om de uitpondgolf te keren, nu het uitpondtempo ook ná die aankondiging verder is toegenomen, en zo ja, welke conclusie verbindt u daaraan?4
Wat zeggen de nieuwste cijfers van het Kadaster volgens u over de houdbaarheid van de Wet betaalbare huur en bent u, nu zelfs het somberste scenario van uw eigen ministerie al binnen enkele jaren gerealiseerd dreigt te worden, bereid de wet in zijn geheel in te trekken?
Indien u niet bereid bent de Wet betaalbare huur in te trekken, kunt u dan aangeven bij welk percentage van uw eigen somberste uitpondscenario u de wet wél als mislukt beschouwt, nu 48 procent binnen twee jaar daartoe kennelijk onvoldoende is?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en zo snel mogelijk beantwoorden?
Nieuwbouwwoningen en Nederlandse en buitenlandse pensioenfondsen |
|
Robin van Leijen (D66), Henk-Jan Oosterhuis (D66) |
|
Eerenberg , Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Voor welk aandeel van de nieuwbouwwoningen zijn Nederlandse en buitenlandse pensioenfondsen verantwoordelijk de afgelopen jaren?
Wat is de financiële ruimte bij Nederlandse pensioenfondsen voor investeringen in woningbouw gezien hun bestaande vastgoedallocatie?
Hoe verklaart u de daling van het investeringsvolume van buitenlandse beleggers in nieuwbouw in Nederland?1
Herkent u de signalen dat buitenlandse pensioenfondsen momenteel tegen fiscale onzekerheid en lange doorlooptijden aanlopen bij investeringen in Nederlandse woningbouw?
Deelt u de mening dat deze belemmeringen voor buitenlandse pensioenfondsen tegen de ambities van een Europese kapitaalmarktunie ingaan, waarbij investeringen vrij kunnen bewegen over Europese grenzen?
Deelt u de mening dat buitenlandse pensioenfondsen een belangrijke rol kunnen spelen in het financieren van de bouw van woningen in Nederland?
Hoeveel extra woningen zouden per jaar kunnen worden gerealiseerd bij een hoger investeringsvolume van buitenlandse pensioenfondsen?
Wat is de gemiddelde doorlooptijd van een vpb-ruling voor buitenlandse pensioenfondsen, waarmee de fiscale vergelijkbaarheid van deze fondsen met Nederlandse pensioenfondsen kan leiden tot een gelijk fiscaal speelveld, en daarmee tot een groei van investeringen?
Hoe beoordeelt u de gevolgen van de nieuwe pensioenwetgeving zoals de Wet toekomst pensioenen (Wtp) de vergelijkbaarheid van buitenlandse pensioenfondsen, in het bijzonder voor het criterium van het afkoopverbod?
Is het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen, wat als basis dient voor de vergelijking van buitenlandse pensioenfondsen, nog volledig in overeenstemming met de pensioenrealiteit na invoering van de Wtp of zijn er kansen om meer investeringen van buitenlandse pensioenfondsen aan te trekken?
Bent u bereid het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen te evalueren?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Volkshuisvesting en fiscaliteit van donderdag 24 september a.s.?
Het artikel ‘Stel vlucht na 14 jaar klagen uit appartement Amstelveen: "We waren gewoon proefkonijnen"’ |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek van NH Nieuws over jarenlange storingen bij warmte-koudeopslagsystemen (WKO) in Haarlem en Amstelveen? Beschouwt u deze casussen als incidenten, of erkent u dat zij symptomatisch zijn voor structurele fouten in de wijze waarop de warmtevoorziening in Nederland is georganiseerd?1
Daar ben ik mee bekend. Hoewel de aard van de klachten in deze casussen natuurlijk erg vervelend is, is er op dit moment geen aanwijzing dat er sprake is van structurele fouten in de wijze waarop de warmtevoorziening in Nederland is georganiseerd of in WKO-systemen in het algemeen. Dat neemt niet weg dat er lering kan worden getrokken uit deze incidenten. De ACM heeft in 2022 een steekproef uitgevoerd onder WKO-systemen.2 Er is toen geconstateerd dat van de 230 onderzochte WKO-systemen, de meeste WKO-systemen functioneren zonder problemen. Er waren tien systemen, waarvan de meeste vóór 2013 aangelegd, met grotere problemen waar storingen steeds terugkeren.
Wat vindt u ervan dat een bewoner die sinds 2012 klachten meldt, zich na 14 jaar een «proefkonijn» van de energietransitie noemt en uiteindelijk noodgedwongen is verhuisd? Deelt u de mening dat dit onacceptabel is?
Ik kan niet oordelen over wat er precies heeft plaatsgevonden, omdat ik – net als de Autoriteit Consument & Markt (ACM) – niet kan controleren welke storing heeft plaatsgevonden en hoe lang deze heeft geduurd. Dit is de verantwoordelijkheid van het bedrijf. In algemene zin is onacceptabel dat een bewoner 14 jaar lang klachten moet melden zonder oplossing en zich uiteindelijk genoodzaakt ziet te verhuizen. In de Warmteregeling is vastgelegd dat een storing die langer duurt dan acht uur kwalificeert als ernstig. In dat geval heeft de consument recht op een compensatie. In de Wet collectieve warmte (Wcw), die naar verwachting in werking zal treden op 1 januari 2027, is nieuw dat opeenvolgende storingen die gezamenlijk langer duren dan acht uur ook kwalificeren als ernstig. Daarmee wordt meer recht gedaan aan de overlast die bewoners ervaren wanneer zij te maken krijgen met meerdere kortere onderbrekingen achter elkaar.
Hoe oordeelt u over de situatie in Haarlem, waar bewoners afgelopen januari 2,5e dag in de kou zaten bij temperaturen tot – 10 graden, terwijl het verantwoordelijke bedrijf BAM Energy Systems spreekt van slechts «twee korte onderbrekingen»?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe verklaart u dat Nederland huishoudens verplicht van het gas afkoppelt en aansluit op collectieve warmtesystemen, terwijl er geen sluitend stelsel bestaat van verantwoordelijkheidsverdeling, onafhankelijke storingsregistratie en effectief toezicht? Deelt u de mening dat de energietransitie hiermee wordt afgewenteld op bewoners die nergens heen kunnen?
De Wcw brengt consumentenbescherming voor gebruikers van warmte meer in lijn met de bescherming van gebruikers van elektriciteit en aardgas. De werking van de storingsregistratie is wel anders dan bij elektriciteit en gas, omdat warmte geen onafhankelijke netbeheerder heeft. De aanwezigheid van een storing kan dan ook alleen bevestigd worden door het warmtebedrijf zelf. Er is in de Wcw voorzien in een actueel en toegankelijk storingsoverzicht. Daarbij is inspiratie gehaald uit storingsoverzichten zoals gebruikelijk zijn bij telecom, dus waarbij zowel storingen als meldingen worden geregistreerd en waar een consument ook kan inzien of er al eerdere meldingen bekend zijn van storingen op het warmtenet.
In de voorgenomen lagere regelgeving is een aantal verbeteringen voorgesteld. In het Besluit collectieve warmte (Bcw) is opgenomen dat behalve storingen, de storingsregistratie die het warmtebedrijf moet bijhouden ook meldingen van een storing moet bevatten. Dit geeft de consument maar ook de toezichthouder waardevolle en actuele informatie over het functioneren van het systeem en is ook iets waar de ACM in het onderzoek naar storingen onder WKO’s in 2022 om heeft gevraagd. In de onlangs geconsulteerde voorgenomen Regeling collectieve warmte (Rcw) is opgenomen dat voor de bepaling of een storing ernstig is, de storing aanvangt op het moment dat het warmtebedrijf de storing constateert óf op het moment dat de consument een storing meldt en het ook een storing blijkt te zijn. Dit werkte al zo onder de huidige Warmtewet en geeft warmtebedrijven een prikkel om meldingen te onderzoeken en storingen zo snel mogelijk op te lossen.
Erkent u dat er sprake is van een fundamenteel probleem wanneer een warmteleverancier zowel monopolist is, als zelf de storingsdata registreert, als financieel belang heeft bij het minimaliseren van die storingen in verband met compensatieplicht? Hoe verhoudt deze constructie zich tot de basisprincipes van behoorlijke marktordening?
Het is belangrijk dat er een prikkel is voor het warmtebedrijf om storingssignalen snel te onderzoeken en te verhelpen. In de Wcw is hier goed naar gekeken en op een aantal punten zijn verbeteringen doorgevoerd ten opzichte van de Warmtewet:
Op onder andere deze manieren is de consumentenbescherming verbeterd waarbij lering is getrokken uit casussen zoals deze. Het onderzoek wat ACM heeft laten uitvoeren naar WKO systemen benoemt dat bewoners vaak klagen over te lage temperaturen voor tapwater. Nieuw in de Wcw is dat er ook sprake is van een storing als de warmte geleverd wordt op een lagere temperatuur dan afgesproken in de leveringsovereenkomst.
Waarom is bij het ontwerp van de Warmtewet gekozen voor een model waarin het toezicht van de Autoriteit Consument en Markt (ACM) volledig afhankelijk is van gegevens die de onder toezicht staande partij zelf aanlevert? Erkent u dat toezicht op basis van zelfrapportage van monopolisten geen toezicht is?
In principe zijn storingen en meldingen van storingen objectieve gegevens die op basis van zelfrapportage kunnen worden aangeleverd bij de toezichthouder. Wanneer de beleving van het warmtebedrijf afwijkt van de beleving van de bewoners, zoals in deze casus het geval was, kan de ACM hierover met het warmtebedrijf in gesprek. Dat doet ACM niet voor individuele incidenten, maar wel als er meerdere meldingen over het warmtebedrijf worden ontvangen en het lijkt te gaan om een structureel probleem. Bewoners kunnen meldingen doen bij ACM ConsuWijzer.
Helaas kunnen er situaties blijven bestaan waarbij het warmtebedrijf en de bewoner het met elkaar oneens blijven. Warmtebedrijven zijn onder de Wcw verplicht om bij een onafhankelijke geschillencommissie aangesloten te zijn, waaraan deze incidenten kunnen worden voorgelegd.
Welke wetswijzigingen bereidt u voor in reactie op het adviesrapport in opdracht van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei uit december 2025 dat constateert dat de Warmtewet niet duidelijk omschrijft wie verantwoordelijk is voor onderzoek naar en oplossing van storingen?2
Dit is opgepakt in de Wcw. Daarin zijn voor zeer lage temperaturen (ZLT) de verantwoordelijkheden duidelijker omdat strakker is gedefinieerd wat bij het warmtebedrijf hoort en wat bij de gebouweigenaar. Daardoor is het duidelijker voor de consument tot wie hij zich moet wenden bij problemen en wie verantwoordelijk is voor de storing en het onderzoek daarnaar.
Waar kunnen huurders volgens u op dit moment terecht wanneer zij langdurig zonder verwarming of warm water zitten en door warmtebedrijf, verhuurder en corporatie naar elkaar worden doorverwezen?
Zoals in het antwoord op vraag 6 genoemd, kunnen bewoners meldingen maken bij ACM via de ConsuWijzer. Ook kunnen zij terecht bij een onafhankelijke geschillencommissie. Hierbij geldt ook dat de ACM acteert indien het vermoeden bestaat dat er sprake is van structurele problemen (bijvoorbeeld door gebrekkig onderhoud of onbetrouwbare levering). Ook is het belangrijk om te vermelden dat de ACM niet altijd de bevoegdheid heeft om te handhaven omdat in sommige gevallen het huurrecht voorrang heeft op de Warmtewet bij huurovereenkomsten waarbij sprake is van doorlevering van warmte door de gebouweigenaar. In die gevallen kunnen huurders dus terecht bij de Huurcommissie of de civiele rechter.
Deelt u de mening dat het onaanvaardbaar is dat huurders die «meldingsmoe» zijn geworden en storingen niet eens meer melden, daarmee ook buiten beeld raken bij toezichthouder en verhuurder? Hoe gaat u ervoor zorgen dat er voor huurders één duidelijk, laagdrempelig aanspreekpunt komt met een verplichting om binnen een vastgestelde termijn te handelen?
Zoals aangegeven bij vraag 4 is in de Wcw voorzien in een actueel en toegankelijk storingsoverzicht die voor de consument ook toegankelijker en informatiever is. Behalve meldingen, moet een warmtebedrijf ook storingen registreren die zij zelf constateren. In het jaarlijkse storingenoverzicht komen alle storingen en het aantal getroffen verbruikers terecht. Die informatie is belangrijk voor het toezicht door ACM en ook voor consumenten die misschien zelf niet een storing hebben gemeld maar er wel last van hebben gehad. Ook voor deze consumenten is een storingscompensatie verplicht als de storing langer dan acht uur heeft geduurd.
Kunnen huurders met een haperende WKO-installatie naar uw oordeel gebruikmaken van bestaande instrumenten in het huurrecht? Zo ja, waarom werkt dit in de praktijk kennelijk niet? Zo nee, welke lacune in de huurbescherming gaat u dichten?
Een langdurig koud huis is een zeer onwenselijke situatie, waar bewoners veel last van hebben. Huurders met een sociaal huurcontract en met een middenhuurcontract kunnen bij de Huurcommissie om tijdelijke huurverlaging vragen, wanneer een warmteinstallatie onvoldoende verwarming van vertrekken levert en/of wanneer een (gemeenschappelijke) warmwaterinstallatie onvoldoende warm water levert. Deze tekortkomingen zijn door de Huurcommissie aangemerkt als een ernstig gebrek waarvoor een tijdelijke huurverlaging van (maximaal) 60% gegeven kan worden (de zogenoemde C-lijst van ernstige gebreken4). De Huurcommissie kan de verhuurder niet verplichten het gebrek te verhelpen en kan dus niet herstel afdwingen, maar de tijdelijke huurverlaging is mogelijk een prikkel voor de verhuurder om het gebrek (blijvend) te verhelpen.
Huurders met een geliberaliseerd huurcontract kunnen aan de rechter tijdelijke evenredige huurverlaging vragen wanneer de verhuurder gemelde ernstige onderhoudsgebreken niet verhelpt en het woongenot daardoor is verminderd. Voor het afdwingen van het verhelpen door de verhuurder van ernstige gebreken kan de huurder terecht bij de rechter; de huurder kan nakoming van de onderhoudsverplichting eisen, eventueel versterkt met een dwangsom. De verhuurder heeft een verplichting tot het verhelpen van gebreken, tenzij dit onmogelijk is of uitgaven vereist die niet van de verhuurder gevergd kunnen worden. Bij warmtenet-installaties is de verhuurder niet altijd in staat zelf het gebrek te verhelpen, maar is hij daarvoor afhankelijk van de warmtenetbeheerder.
Het huurrecht biedt huurders dus al opties bij gebreken. Het kabinet ziet nu geen aanleiding om de huurbescherming op dit punt aan te vullen. Zodra de Wcw in werking treedt gaan consumenten en dus ook huurders van woningen meer rechten krijgen ten aanzien van collectieve warmte- en warmwaterinstallaties, waaronder de vergoeding warmtestoring. Dit zal naar verwachting zorgen voor een toenemende motivatie om storingen te melden.
Herinnert u zich de aangenomen motie-Beckerman waarin de regering wordt verzocht onderzoek te doen naar de invoering van een Nederlandse variant van Awaab's Law, waarbij verhuurders wettelijk verplicht worden om ernstige gebreken binnen vaste termijnen te onderzoeken en te herstellen? Hoe staat het met de uitvoering van deze motie en neemt u de lessen uit dit artikel mee hierin?3
Tijdens de behandeling van de Wet toekomstbestendige huurcommissie in de Tweede Kamer op 9 april jl. heeft de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) toegezegd de Britse Awaab’s Law te onderzoeken. Deze wet verplicht sociale verhuurders in het Verenigd Koninkrijk om snel actie te nemen bij ernstige gezondheidsrisico’s in woningen, voornamelijk gerelateerd aan vocht en schimmel. Het Ministerie van BZK zal contact opnemen met de partners in het Verenigd Koninkrijk en zal de Kamer uiterlijk eind 2026 informeren. Daarbij merkt de Minister van VRO op dat de desbetreffende wetgeving ongeveer zes maanden geleden in werking is getreden in het Verenigd Koninkrijk, er is dus nog beperkt de tijd geweest om ervaring op te doen met de nieuwe wetgeving.
Deelt u de mening dat de casussen in Haarlem en Amstelveen, waar bewoners tot wel veertien jaar lang klagen zonder oplossing, precies laten zien waarom zo'n wettelijke hersteltermijn met sancties nodig is als stok achter de deur? Bent u bereid het langdurig uitvallen van verwarming en warm water expliciet aan te merken als ernstig gebrek dat onder een dergelijke wettelijke regeling zou vallen?
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 10 is het uitvallen van verwarming en warm water al aangemerkt als een ernstig gebrek dat een tijdelijke huurverlaging rechtvaardigt. Verhuurders hebben dus de verplichting om deze gebreken te (laten) verhelpen.
Hoe beoordeelt u het feit dat de rijksoverheid grootschalige uitrol van WKO stimuleert zonder zicht te hebben op de prestaties van de bestaande 3000 installaties? Bent u bereid een landelijke, openbare monitoring van alle collectieve warmtesystemen wettelijk te verankeren?
Zoals in het antwoord op de eerste vraag is genoemd, gaat het hier gelukkig niet om een structureel probleem onder WKO-installaties. Wel is het in een groeimarkt belangrijk om vinger aan de pols te houden, om problemen voor bewoners te voorkomen. Met de komst van de Wcw zullen diverse verbeteringen worden doorgevoerd, zoals aangegeven het antwoord op vraag 5. Daarom treft het kabinet nu geen aanvullende wettelijke maatregelen.
Deelt u de mening dat de compensatieregeling bij storingen structureel faalt zolang bewoners de storing moeten aantonen op basis van data die alleen de leverancier bezit? Bent u bereid de bewijslast om te keren, dan wel compensatie automatisch te laten uitkeren op basis van onafhankelijk gemeten data?
Ik deel deze mening niet. Een storing is te herkennen aan een verlaging in temperatuur of de stromingssnelheid van water. Die gegevens kunnen weliswaar worden gemeten, maar geven slechts een indicatie van een leveringsonderbreking in het systeem. Het warmtebedrijf moet vervolgens onderzoeken waar in het systeem de storing zit. De storing kan ook zitten in leidingdelen of installaties die niet tot het warmtenet of de bron behoren. Deze eigenschappen van een warmtesysteem maakt dat het op dit moment niet wenselijk is om een compensatie automatisch uit te laten keren. Wel is het zo, en dat was al het geval onder de Warmtewet, dat de teller van een storing en dus ook de berekening van de compensatie gaat lopen vanaf het moment dat een bewoner een storing meldt. Daarmee is het dus al zo dat het warmtebedrijf bewijslast moet leveren dat er geen sprake is van een storing in een onderdeel waar zij invloed op heeft.
Hoe reageert u op waarschuwingen van de Woonbond waarin zij aangeven dat het draagvlak voor de energietransitie afbrokkelt door het soort systeemfalen zoals beschreven in dit artikel?
Ik erken dat draagvlak voor de energietransitie van belang is voor het succes daarvan. Ik herken echter niet dat er sprake is van een systeemfalen zoals beschreven in het artikel. Ik verwijs naar mijn antwoorden op vraag 10 en vraag 12; daarin geef ik aan waar huurders terecht kunnen in het geval van gebreken aan collectieve warmte- en warmwaterinstallaties.
Hoe staat het met de uitvoering van het voor 50 procent in publieke handen brengen van warmtebedrijven, en waarom zijn bestaande systemen zoals die van BAM Energy Systems daar kennelijk nog niet onder gebracht? Deelt u de mening dat deze casussen aantonen dat warmte een nutsvoorziening is die volledig in publieke handen thuishoort, en niet als bijproduct bij commerciële bouwbedrijven?
Omdat warmtenetten een monopolistisch karakter kennen is gekozen voor publiek meerderheidsbelang voor alle grote warmtesystemen, oftewel warmtenetten boven de 1500 aansluitingen. Veel WKO’s blijven onder dit aantal aansluitingen. Omdat er binnen dit deel van de sector voldoende concurrentie is mogen deze warmtebedrijven wel privaat zijn. Het is wel zo dat de wetsartikelen over leveringsonderbrekingen en storingscompensatie ook van toepassing zijn verklaard op deze kleine collectieve warmtesystemen.
Welke garanties kunt u geven dat de 35.000 nieuwbouwwoningen die naar verwachting jaarlijks op een WKO worden aangesloten, niet in dezelfde situatie belanden? Bent u bereid de verdere verplichte uitrol te koppelen aan wettelijke kwaliteits- en prestatie-eisen, met sancties bij niet-naleving?
Het kabinet streeft ernaar om de Wcw zo snel mogelijk in werking te laten treden, waarbij uitgegaan wordt van 1 januari 2027. Daarmee worden de verbeteringen, zoals genoemd in het antwoord op vraag 5, van kracht.
Bent u bereid de ACM de bevoegdheid en de middelen te geven om zelfstandig, op basis van eigen metingen en een openbaar storingsregister, toezicht te houden op warmteleveranciers? Zo nee, hoe rechtvaardigt u dan dat honderdduizenden huishoudens zonder keuzevrijheid zijn overgeleverd aan een toezichtsysteem dat naar het oordeel van de toezichthouder zelf lastig is?
Er is voorzien in een toegankelijk en actueel storingsoverzicht van het warmtebedrijf. De ACM kan het jaarlijkse storingsoverzicht gebruiken voor toezicht op leveringszekerheid. Dit is ook waar de ACM om verzocht heeft in het onderzoek naar technische problemen in WKO systemen in 2022.