Het investeringsklimaat voor middenhuur |
|
Merlien Welzijn (NSC) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) |
|
|
|
|
Deelt u de conclusie van SEO dat huurprijsverhoging weliswaar het investeringsklimaat voor particuliere verhuurders kan verbeteren, maar ten koste gaat van betaalbaarheid voor middeninkomens? Zo ja, waarom kiest u desondanks voor verhoging van de puntprijs?1
Bij het aanpassen van huurprijsregulering is er inderdaad een afruil tussen de betaalbaarheid van huurwoningen en de investeringsbereidheid van investeerders zoals particuliere verhuurders. In het coalitieakkoord is het voornemen opgenomen om de wet- en regelgeving alsmede het fiscale klimaat op de huurmarkt zodanig vorm te geven dat het investeringsklimaat verbetert en het aanbod van huurwoningen weer kan toenemen. Daarnaast is afgesproken dat voorafgaand aan de evaluatie van de Wet betaalbare huur wordt bezien op welke punten de wet kan worden geoptimaliseerd om het aanbod van huurwoningen op peil te houden. Ik ben voornemens u in april nader te informeren over de ontwikkelingen op de huurmarkt en de uitwerking van deze afspraak in het coalitieakkoord.
Heeft u kennisgenomen van de aanbeveling van SEO om de betaalbaarheid voor huurders te waarborgen via subsidies of borgstellingen, in plaats van via hogere huren of afschaffing van huurregulering?
Ja.
Waarom acht u het gerechtvaardigd dat huurders met een middeninkomen meer moeten betalen om particuliere verhuurders «betere businesscases» te gunnen?
Een betere businesscase voor particuliere verhuurders is op zichzelf geen beleidsdoel, maar een middel om verhuur rendabel te houden en het aanbod van huurwoningen te bevorderen. Indien ik aanpassingen aan de huurprijsregulering zal voorstellen, is dit met het doel om het aanbod van betaalbare huurwoningen op peil te houden.
Hoe verhoudt deze benadering zich tot uw eigen beleidsdoelstelling dat werken moet lonen en dat ook middeninkomens betaalbaar moeten kunnen wonen?
Zoals hiervoor toegelicht zal het doel van eventuele aanpassingen aan de wet betaalbare huur zijn om het aanbod van betaalbare huurwoningen voor middeninkomens op peil te houden.
Waarop baseert u de veronderstelling dat hogere huren noodzakelijk zijn om nieuwbouw van middenhuur te realiseren, terwijl het SEO-model aangeeft dat slechts een klein deel van het segment rendabel kan worden bij die huurverhoging?
De berekeningen van SEO Economisch onderzoek laten zien dat vooral kleinere meergezinswoningen met een hogere huur binnen het middenhuursegment rendabel gebouwd kunnen worden. Of dit mogelijk blijft is sterk afhankelijk van macro-economische variabelen. Voorbeelden van redenen om het investeringsklimaat te verbeteren zijn het mogelijk maken van de bouw van meer woningen met groot oppervlak en het behouden van meer middenhuurwoningen in de bestaande voorraad. SEO Economisch Onderzoek schetst dat er verschillende mogelijkheden zijn om het uitponden tegen te gaan en de bouw van nieuwe huurwoningen te stimuleren, maar dit heeft altijd een prijs. Volgens SEO Economisch Onderzoek kan een beter investeringsklimaat door drie groepen worden betaald: huurders in een gereguleerde middenhuurwoning, de overheid of eigenaar-bewoners. In het onderzoek licht SEO Economisch Onderzoek toe dat een betere aansluiting van gereguleerde huren op de marktwaardering van woningen op de huurmarkt het investeringsklimaat verbetert en daarmee de beschikbaarheid van huurwoningen bevordert, maar ten koste gaat van de betaalbaarheid voor huurders in een gereguleerde middenhuurwoning.
Hoe verhoudt uw opstelling tegenover particuliere verhuurders zich tot de kabinetsbrede inzet op bestaanszekerheid en betaalbaarheid?
Zoals hiervoor toegelicht zal het doel van eventuele aanpassingen aan de wet betaalbare huur zijn om het aanbod van betaalbare huurwoningen voor middeninkomens op peil te houden wat ik niet in strijd acht met inzet op bestaanszekerheid en betaalbaarheid.
Wilt u erkennen dat het hier niet gaat om «kleine beleggers met één woning», maar om partijen die vaak opereren met hoog vreemd vermogen en forse rendementseisen, zoals SEO en DNB aangeven?
De verhuurders die actief zijn in het middenhuursegment lopen sterk uiteen.
Het rapport van SEO Economisch Onderzoek is deels gebaseerd op inzichten die men heeft verkregen met het uitzetten van een enquête onder investeerders. 21 investeerders hebben daarop gereageerd. 17 investeerders hebben in hun reactie aangegeven in hoeverre zij hun investeringen financieren met vreemd vermogen; dit loopt uiteen van 0% van de totale waarde van de investeringen tot 70%, met een gemiddelde van 30%. Het gemiddelde vereist rendement voor belastingen is onder deze investeerders 6,4%; het gemiddelde vereist rendement voor investeerders die zich wel deels financieren met vreemd vermogen is dit 9,2%.
Hoe vaak spreekt u met de Minister van Financiën over fiscale prikkels die van invloed zijn op het investeringsklimaat in de middenhuur?
Het kabinet heeft een Ministeriële Taskforce Versnelling Woningbouw ingesteld met als doel binnen zes maanden een integraal programma op te stellen dat de koers uitzet voor de realisatie van de gewenste 100.000 woningen per jaar. Het investeringsklimaat komt in deze Taskforce terug. De Minister van Financiën is lid van deze Taskforce. Daarnaast is er veelvuldig contact tussen mijn ministerie en het Ministerie van Financiën en is het Ministerie van Financiën vertegenwoordigd in het Structureel Overleg Investeringsklimaat.
Waarom zijn de SEO-aanbevelingen over verruiming van de pensioenfondsvrijstelling, achterborgstellingen en fiscale gelijkheid tussen huur en koop niet overgenomen in uw beleid?
Zoals toegelicht in antwoord 1 ben ik voornemens u in april nader te informeren over de ontwikkelingen op de huurmarkt en de uitwerking van deze afspraak in het coalitieakkoord. Ik wil u dan tevens informeren over de aanbevelingen van het onderzoek van SEO Economisch Onderzoek.
Kunt u toezeggen dat u, bij de aangekondigde vervolgbrief met de Staatssecretaris van Fiscaliteit, expliciet zult reflecteren op de lijn dat fiscale stimulansen en borgstelling beter zijn dan huurverhoging?
Zie antwoord vraag 9.
Deelt u de opvatting dat wie bewust met een hoge schuldratio belegt, zelf verantwoordelijk is voor dat risico en niet met hogere huren gecompenseerd hoeft te worden?
Bedrijfsmatige verhuurders en hun kredietverstrekkers dragen zelf het risico van de keuze om te financieren met vreemd vermogen. Van hen wordt geacht dat zij voldoende kennis hebben over de risico’s. Wel gelden voor kredietaanbieders die zogenaamde buy-to-let hypotheken verstrekken aan particuliere verhuurders die één of enkele woningen voor de verhuur kopen, bijvoorbeeld als (aanvullende) pensioenvoorziening, aanvullende regels. Particuliere verhuurders zijn doorgaans namelijk minder bekend met de risico’s en sluiten een hypotheek niet vaak af. Daarom is de Wet op het financieel toezicht van toepassing op kredietaanbieders die buy-to-let hypotheken verstrekken aan dergelijke consument-beleggers. Kredietaanbieders die dergelijke hypotheken aanbieden zijn daarmee gebonden aan dezelfde eisen die ook gelden voor reguliere woninghypotheken, zoals een maximale Loan-to-Value (LTV) van 100 procent en inkomenseisen.
Hoeveel particuliere verhuurders in Nederland beleggen met meer dan 70% vreemd vermogen, en hoeveel woningen hebben zij gezamenlijk?
Hoeveel woningen in de bestaande voorraad precies in het bezit zijn van particuliere verhuurders met meer dan 70% vreemd vermogen is niet bekend. Wel blijkt uit een analyse uit 2024 van transactiegegevens van het Kadaster dat sinds 2019 bij ongeveer 30% van de woningen aangekocht door investeerders een hypotheek is afgesloten (Grafiek 1). Particuliere investeerders sloten voor hun woningaankopen vaker een hypotheek af dan bedrijfsmatige verhuurders.
De gemiddelde loan-to-value (LTV) van door particuliere investeerders afgesloten hypotheken lag in de periode 2019–2022 tussen de 80% en 84% (Grafiek 2). In 2023 nam de LTV toe tot 92%. De onderstaande figuur toont de ontwikkeling van het aantal woningen dat door particuliere verhuurders is aangekocht met een LTV-ratio onder de 70%, tussen de 70% en 100% en tussen de 100% en 150%2.
Grafiek 1: Aandeel aankopen investeerders met hypotheek
Grafiek 2: Verhuurhypotheken: Loan-to-Value (LTV)
De vastgoedlobby predikt het beeld dat het vooral gaat om «kleine beleggers die voor hun pensioen sparen», maar is hier een kwantitatieve onderbouwing voor?
Uit de transactiedata van het Kadaster blijkt dat op 1 januari 2026 5,67% van de totale woningvoorraad in bezit is van een bedrijfsmatige belegger. Daarnaast is 3,34% van de woningen in bezit van een particuliere belegger. Tot slot is 2,1% in bezit van een particulier als tweede woning. Van die laatste categorie is een deel in bezit voor eigen gebruik en wordt een deel verhuurd. Op basis van de data van het Kadaster is niet te zeggen welk deel dit betreft. Wel blijkt uit onderzoek van het CBS dat zo’n 70% van de tweede woningen wordt verhuurd. Dit impliceert dat ca. 1,5% van de totale woningvoorraad een particuliere belegger met maximaal twee woningen betreft.
De afgelopen jaren neemt het aandeel woningen in bezit van particuliere beleggers steeds verder af. Zo was in januari 2025 nog 3,64% van de woningen in bezit van particuliere beleggers, tegenover 3,34% in januari 2026. Het aandeel woningen in bezit van bedrijfsmatige investeerders is in lichte mate toegenomen, van 5,60% in januari 2025 naar 5,67% in januari 2026. Een reden hiervoor zou kunnen zijn dat particuliere beleggers hun verkopen niet kunnen compenseren door middel van aankopen of het bijbouwen van woningen, terwijl de bedrijfsmatige investeerders hier beter toe in staat zijn.
Zou het niet logischer zijn om deze problematiek (een goed pensioen regelen) te adresseren binnen het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, in plaats van binnen Volkshuisvesting, aangezien dit primair gaat over individuele vermogensvorming en niet over volkshuisvesting?
Zoals toegelicht in de beantwoording van vraag 4 en vraag 6 zullen eventuele aanpassingen in de huurprijsregulering gericht zijn op het bevorderen van het aanbod van betaalbare huurwoningen, niet om individuele vermogensvorming te bevorderen.
Wilt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Bewoners Westerdraai in Appingedam blokkeren straat voor bouwverkeer’ |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
Pieter Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Bewoners Westerdraai in Appingedam blokkeren straat voor bouwverkeer» en wat is daarop uw reactie?1
Ja, ik ken het bericht. Ik begrijp de frustratie van bewoners heel goed. De situatie laat goed zien dat de versterking een complex, langdurig en ingrijpend proces is voor bewoners en omwonenden. Ook zie ik dat de verschillen in deze buurt leiden tot sociale onrust. Het is belangrijk om deze bewoners duidelijkheid te geven over de vervolgstappen.
Hoe kijkt u aan tegen het feit dat in één wijk, Westerdraai in Appingedam, 98 woningen worden gesloopt voor sloop/nieuwbouw, terwijl 52 woningen (nog) niet worden gesloopt?
Erkent u dat dit beleid leidt tot verschillen tussen bewoners binnen dezelfde wijk en daarmee bijdraagt aan de groeiende ongelijkheid onder gedupeerden?
Wanneer kunnen de 52 huishoudens die (nog) niet in aanmerking komen voor sloop/nieuwbouw duidelijkheid verwachten?
Hoe kijkt u aan tegen de onzekerheid die dit beleid oplevert voor bewoners van wie de woning (nog) niet wordt gesloopt?
Is het tegengaan van de steeds groeiende ongelijkheid ook prioriteit voor u?
Ja, het zoveel mogelijk verkleinen van verschillen heeft voor mij hoge prioriteit. Daarom zet ik de aanpak voort die door mijn ambtsvoorgangers is ingezet.
Zet u de ambitie van uw ambtsvoorganger voort om verschillen zoveel mogelijk te verkleinen?2
Zie antwoord vraag 6.
Hoe verhoudt de gecreëerde ongelijkheid in de wijk Westerdraai in Appingedam zich tot maatregel 12, «Meer maatwerk om verschillen tegen te gaan», uit Nij Begun?3
Voor de aanpak van verschillen richt het kabinet zich op het creëren van een gelijkwaardige uitkomst voor alle bewoners in het gebied. Dit zoals ook geadviseerd door de commissie van Geel. Dat betekent voor deze bewoners dat ze een volledige vergoeding krijgen voor het isoleren en ventileren van de woning tot aan de isolatiestandaard.
Tegelijkertijd constateert de commissie dat in buurten waar veel sloop-nieuwbouw plaatsvindt het kan zijn dat deze gelijkwaardige uitkomst onvoldoende tegemoet komt aan de verschillen in die buurt. Om vast te stellen of dit aan de orde is hebben de gemeenten en NCG de eerder genoemde routekaart ontwikkeld. Met het doorlopen van deze routekaart wordt, zoals aangegeven in maatregel 12 van Nij Begun, daar waar nodig maatwerk geboden om verschillen te verkleinen.
Bent u bereid extra budget beschikbaar te stellen zodat de hele wijk sloop/nieuwbouw krijgt conform maatregel 12 van Nij Begun, «Het kabinet stelt extra budget beschikbaar zodat de NCG bijvoorbeeld sloop/nieuwbouw kan aanbieden op plekken waar verschillen tussen bewoners tot onbegrip en sociale spanningen hebben geleid»? Zo nee, waarom niet?
Voor het verkleinen van de onaanvaardbare verschillen in de versterking heeft het kabinet € 240 miljoen vrijgemaakt. Dit is bovenop de middelen voor het dempen van verschillen die als onderdeel van het bestuurlijke afspraken 2020 aan gemeenten beschikbaar is gesteld met hetzelfde doel, namelijk het verkleinen van verschillen in de regio. Met deze middelen kunnen we betekenisvolle stappen zetten in het verkleinen van verschillen. Indien er tekorten hierbij ontstaan dan gaat het Kabinet op zoek naar oplossingen.
Kunt u toelichten in hoeverre de regeringscommissaris ruimte heeft om zelfstandig keuzes te maken, en in welke mate is hij daarbij gebonden aan de coalitieafspraken die in Den Haag zijn gemaakt?
Op 13 maart is uw Kamer geïnformeerd over de profielschets voor de regeringscommissaris4. Daarin staat dat een duidelijke opdracht en mandaatverlening aan de regeringscommissaris essentieel is. Na aanstelling van de regeringscommissaris zal de opdracht worden opgesteld, zodat duidelijk is wat er van de regeringscommissaris wordt verwacht en binnen welke kaders hij of zij handelt. Daarom is het op dit moment te vroeg om al een uitspraak te doen over het mandaat van de regeringscommissaris. Wel kan ik zeggen dat de regeringscommissaris handelt onder mijn volledige ministeriële verantwoordelijkheid. Dat betekent dat de regeringscommissaris zich net als ik aan het regeerakkoord moet houden. Wel kan de regeringscommissaris gevraagd of ongevraagd advies uitbrengen. Dit advies kan mij aanleiding geven om binnen het Kabinet het gesprek aan te gaan, over wat er nodig is om dit advies uit te voeren.
Heeft de regeringscommissaris bijvoorbeeld het mandaat om te besluiten om de hele wijk Westerdraai sloop/nieuwbouw aan te bieden?
Zie antwoord vraag 10.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het plenaire debat over de wijziging van de Tijdelijke wet Groningen en de Mijnbouwwet in verband met de uitvoering van diverse maatregelen uit de kabinetsreactie op het rapport van de parlementaire enquêtecommissie aardgaswinning Groningen?
Ja.
Het bericht 'Zorgen over nieuwe hyperscale Amsterdam' en de bijbehorende oproep van maatschappelijke organisaties. |
|
Ines Kostić (PvdD), Christine Teunissen (PvdD) |
|
van Marum , Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) , Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Zorgen over nieuwe hyperscale Amsterdam»1 en de bijbehorende oproep van maatschappelijke organisaties?2
Ja.
Kunt u op elk van de geuite zorgen door de advocaat van de maatschappelijke organisaties Leitmotiv, Advocates for the Future, Bits of Freedom, critical infrastructure lab en DeGoedeZaak reageren met een gedegen onderbouwing?3
In de brief van de stichting PiLP van 10 december 2025 uiten maatschappelijke organisaties hun zorgen over de verleende omgevingsvergunningen voor de activiteit milieu ten aanzien van de bouw van drie datacentrumtorens aan de Plimsollweg in Amsterdam. Zij geven aan dat de ontwikkeling in Amsterdam een groot beslag legt op het elektriciteitsnet, waardoor andere bedrijven en woningbouw niet kunnen aansluiten. Het project loopt sinds 2019 en daardoor wordt Amsterdam, volgens de organisaties, geconfronteerd met een speculatieve ontwikkeling, terwijl er landelijk beperkingen gelden voor hyperscale datacentra en lokaal al jaren een moratorium bestaat op alle datacentra. Naar mening van de organisaties zou het in een goed functionerende democratie mogelijk moeten zijn om eerder genomen besluiten te heroverwegen.
Het kabinet deelt net als de gemeente de zorgen van de maatschappelijke organisaties over de belasting van het stroomnet. Netcongestie speelt helaas op veel plaatsen in Nederland. Het is van belang om te benoemen dat de gemeenteraad van Amsterdam in beginsel verantwoordelijk is voor de ruimtelijke keuzes voor de inrichting van haar grondgebied, binnen de kaders die door het Rijk zijn gesteld. Als het gaat om de ruimtelijke keuzes door de gemeente Amsterdam past het Rijk terughoudendheid bij de beoordeling van de besluitvorming door de gemeente. Dat geldt ook voor vergunningverlening door de provincie. De verantwoording over de decentrale besluitvorming gebeurt immers primair door de colleges van burgemeester en wethouders en gedeputeerde staten aan respectievelijk de gemeenteraad en provinciale staten. In dat kader kan ook de heroverweging van dit type besluiten aan de orde komen, waarbij dan ook aspecten als rechtszekerheid en nadeelcompensatie aan de orde kunnen komen.
In het geval van het datacentrum aan de Plimsolweg heeft de Omgevingsdienst Noorzeekanaalgebied, namens de gemeente, op basis van een toets aan het toenmalige bestemmingsplan op basis van een aanvraag in 2019 een omgevingsvergunning voor de bouw en ingebruikname verleend. De verlening van deze vergunning heeft plaatsgevonden voordat de regels van het Rijk ten aanzien van hyperscale datacentra van toepassing waren. Later heeft de provincie, op basis van aanvragen in 2021 en 2022, in 2025 vergunningen voor onder meer milieuactiviteiten verleend.
Het is verder relevant om te melden dat er bij deze ontwikkeling geen sprake is van een hyperscale datacentrum, volgens de definitie in de regels van het Rijk. De omvang van dit datacentrum bedraagt immers minder dan 10 hectare bebouwd vloeroppervlak, terwijl de regels van het Rijk van toepassing zijn op datacentra met een bebouwd vloeroppervlak van meer dan 10 hectare en een aansluitvermogen van 70 megawatt of meer.
Kunt u aangeven welke vergunningen precies wanneer zijn verleend en aan wie, welke onderdelen nog wijzigbaar waren in 2024–2025, en kunt u de volledige tijdlijn inclusief voorbereidings- en wijzigingsbesluiten delen met de Kamer?
De omgevingsvergunningen zijn door de omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied verleend namens burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam en gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland. Op basis van informatie van de Provincie Noord-Holland en de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied kan ik aangeven dat de volgende vergunningen, inclusief voorbereidings- en wijzigingsbesluiten, verleend zijn:
Op 6 november 2020 heeft de omgevingsdienst namens burgemeester en wethouders van Amsterdam een bouwvergunning verleend (aangevraagd op 3 december 2019) voor het bouwen van drie torens in afwijking van de toegestane bouwhoogte in het bestemmingsplan.
Op 15 juli 2025 heeft de Omgevingsdienst, namens gedeputeerde staten van Noord-Holland, een omgevingsvergunning vanwege een wijziging in de gevel voor een beoordeling vanuit welstand voor zonnepanelen en twee waterbuffertanks (aangevraagd op 1 december 2021). Deze verginning is definitief, maar nog niet onherroepelijk
De provincie Noord-Holland heeft op 15 juli 2025 drie milieuvergunningen (voor elke toren één) verleend en toestemming gegeven voor afwijking van het geluidverdeelplan (aangevraagd op 11 april 2022). Tegen de vergunning loopt nog een beroepsprocedure.
De gemeenteraad van Amsterdam heeft in zijn vergadering van 12 juli 2019 een voorbereidingsbesluit genomen voor het gehele grondgebied van Amsterdam met betrekking tot datacentra. Het voorbereidingsbesluit gold voor de (wettelijke) periode van één jaar en heeft tot doel om vooruitlopend op een gemeentelijk beleid voor datacenters de bestaande situatie met betrekking tot datacenters «on hold» te zetten4.
De Minister van VRO heeft op 16 februari 2022 voor heel Nederland (uitgezonderd twee locaties) een voorbereidingsbesluit onder de Wro genomen waarmee verboden werd om gronden en bouwwerken zodanig te wijzigen dat een hyperscale datacentrum met een bebouwd vloeroppervlakte van meer dan 10 ha en een elektrisch aansluitvermogen van 70 MW of meer gebouwd of in gebruik genomen kon worden5. Dit voorbereidingsbesluit gold voor de (wettelijke) periode van negen maanden.
Op 16 november 2022 heeft de Minister een tweede voorbereidingsbesluit voor de duur van negen maanden genomen6 en op 16 augustus 2023 een derde voorbereidingsbesluit7.
Op 1 januari 2024 is ook het Besluit van 20 december houdende wijziging van het Besluit kwaliteit leefomgeving in verband met een instructieregel voor hyperscale datacentra in werking getreden8.
Klopt het dat de regering het ontwerpbesluit waarin het mogelijk werd gemaakt om hyperscale datacenters landelijk te verbieden in 2022 is gepresenteerd en dat al op 16 februari 2022 een voorlopig besluit werd genomen om de vestiging van hyperscale datacenters tijdelijk te blokkeren totdat nieuwe nationale criteria en regels zouden worden vastgesteld? Zo nee, hoe zit het dan precies?
Ja, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3, heeft het Rijk op 16 februari 2022 een voorbereidingsbesluit genomen waarna gestart is met een wetgevingstraject voor instructieregels voor hyperscale datacentra (AmvB). Het ontwerpbesluit is gedurende het wetgevingstraject op verschillende momenten gepubliceerd en op 1 januari 2024 in werking getreden. Met het voorbereidingsbesluit is beoogd de bouw en ingebruikname van nieuwe hyperscale datacentra (meer dan 10 ha bebouwd vloeroppervlak en een aansluitvermogen van 70 MW of meer) tegen te houden (buiten de twee eerder genoemde uitzonderingsgebieden).
Kunt u bevestigen dat het gebruikelijk is om bij ruimtelijke besluiten ook «voorzienbare ontwikkelingen» en dus verwachte toekomstige wetgeving en beleid mee te wegen in de besluitvorming?
Ja, in voorkomende gevallen is het gebruikelijk dat het bevoegd gezag (in dit geval B en W van Amsterdam en GS van Noord Holland) bij besluitvorming rekening houden met voorgenomen eigen beleid of verwacht beleid- en wetgeving van andere bestuursorganen.
Was het juridisch ook mogelijk geweest om bij de vergunningsverlening rondom de hyperscale datacenter in Amsterdam de «voorzienbare ontwikkeling» van een komend landelijk verbod mee te wegen in de besluitvorming rondom (een van de) vergunningen? Welke mogelijke juridische ruimte zit daar in theorie?
Nee, zoals in de eerdere antwoorden aangegeven is de eerste vergunning voor het bouwen en in gebruik nemen van dit datacentrum aangevraagd op 3 december 2019 en verleend op 6 november 2020, waarbij onder meer getoetst is aan het vigerende bestemmingsplan. Het Rijk heeft op 16 februari 2022 via een voorbereidingsbesluit een landelijk verbod bekend gemaakt en aangegeven dat er landelijk beleid en regelgeving werd opgesteld om de bouw van nieuwe hyperscale datacentra tegen te gaan. Daarbij heeft het Rijk ook aangegeven wat onder een hyperscale datacentra in de zin van het Rijksbeleid en de regelgeving werd verstaan.
Het was voor de Omgevingsdienst, namens het bevoegd gezag, niet mogelijk om bij de vergunningverlening het landelijke verbod mee te wegen, omdat de vergunning aangevraagd en verleend is ruim voordat het verbod op de vestiging van nieuwe hyperscale datacentra van kracht werd. Daarbij is, wegens een bebouwd vloeroppervlak van minder dan 10 hectare, het landelijke verbod überhaupt niet van toepassing is op het initiatief aan de Plimsolweg.
Wat zijn de verwachte kosten in termen van energieverbruik (bijvoorbeeld equivalent aan het stroomverbruik van alle huishoudens in Haarlem), ruimtebeslag (inclusief hoogbouw van 85 meter in het havengebied), watergebruik, CO2-uitstoot en netcapaciteit voor dit project? Ten koste van welke andere belangrijke zaken gaat dit, bijvoorbeeld duurzame energieopwekking, natuur, woningbouw of klimaatadaptatie, (of iets anders)?
De maatschappelijke en politieke afweging voor de vestiging van dit datacenter ligt bij de gemeente Amsterdam en de provincie Noord-Holland. Zij zijn bevoegd gezag geweest voor de plannen en de vergunningverlening. Uit informatie van de provincie Noord-Holland blijkt dat het gaat om een aansluitvermogen van 33 MW per toren, dus 99 MW in totaal. Bij het beoordelen van de aanvragen voor de drie torens is door de provincie gekeken naar de vestigingsvoorwaarden van de provincie. Zo is na overleg met de aanvrager afgezien van het gebruik van grondwater en is er voor gezorgd dat het datacentrum zijn warmte af kan staan aan een te bouwen warmtegebouw aan de overkant van de straat. Omdat het Rijk hierbij verder niet betrokken is geweest, ben ik niet op de hoogte van verdere inhoudelijke specificaties. Zie verder het antwoord op vraag 2.
Hoeveel windturbines zouden in theorie nodig zijn om zo’n hyperscale datacenter te laten draaien?
Het datacenter heeft een vermogen van 99 Megawatt. Stel dit datacenter vraagt volcontinu elektriciteit, dan leidt dat tot een elektriciteitsvraag van circa 0,87 TWh per jaar. In de nieuwste windparken op zee staan windturbines van 11 MW per stuk. Een 11 MW turbine levert met 3.700 vollasturen circa 0,041 TWh per jaar. Om de jaarvraag te dekken zijn in theorie dan 21,2 (dus 22) turbines nodig.
Gaat dit project zorgen voor minder beschikbare ruimte en energiecapaciteit voor fundamentele zaken als woningen, zorgvoorzieningen, scholen, etc? Zo nee, hoe onderbouwt u dat? Zo ja, hoe verantwoordt u dan de keuze voor de hyperscale datacenter boven de andere zaken die gelden als van groot maatschappelijk belang?
Ja. Het datacenter heeft een ruimtelijke impact en vraagt beschikbare transportcapaciteit, dus het zal altijd impact hebben op andere ontwikkelingen. Het is daarbij relevant om aan te geven dat het hier gaat om een historisch project met een energiecontract dat al veel eerder is vastgesteld. In dit geval heeft het datacenter al transportcapaciteit gecontracteerd voordat congestie werd afgekondigd en een wachtrij is ingesteld. Daarmee kan het dus geen afstand doen van de rechten voor andere doeleinden. Zie verder het antwoord op vraag 2.
Hoe rijmt het toelaten van zo’n energieslurpend hyperscale datacenter met al bestaande grote problemen rondom woningnood, netcongestie, hoge energieprijzen en de energietransitie?
Ik begrijp de zorgen die er bestaan over deze ontwikkeling. Het betreft echter een ontwikkeling die al lang speelt en die bovendien niet valt onder de regels van het Rijk over hyperscale datacentra. Om die reden heeft de maatschappelijke en politieke afweging voor de vestiging van dit datacenter gelegen bij de gemeente Amsterdam en de provincie Noord-Holland. Zie verder het antwoord op vraag 2.
Zijn deze problemen ooit ergens in de besluitvorming bewust meegewogen? Zo ja, hoe precies en wanneer? Zo nee, waarom niet en vindt u ook dat dat wel zou moeten gebeuren?
Zoals eerder aangegeven heeft de besluitvorming over dit datacentrum gelegen bij de provincie Noord-Holland en de gemeente Amsterdam. Het Rijk is hierbij niet betrokken geweest. Uit informatie van de provincie Noord-Holland heb ik begrepen dat het project is getoetst aan de vestigingsvoorwaarden voor datacenters van de provincie9.
Is de impact op ruimte en energie voor woningen, zorgvoorzieningen, scholen, verzorgingshuizen, en andere zaken van groot maatschappelijk belang ergens in de besluitvorming rondom de hyperscale datacenter meegewogen? Zo ja, kunt u de uitgebreid schetsen wat precies is afgewogen en wanneer? Zo nee, waarom niet? Bent u het met ons eens dat zo’n expliciete weging wel zou moeten worden gemaakt en verankerd in beleid?
Die impact is inderdaad meegewogen in de besluitvorming rondom de instructieregel «hyperscale datacentra». Sterker nog: de impact op ruimte en energie is de reden geweest om de instructieregel op te stellen (vanwege nationale belangen).
Zoals in de toelichting op de AMvB staat opgenomen is de ruimte in Nederland is schaars en wordt Nederland geconfronteerd met grote opgaven die allemaal gepaard gaan met ruimtelijke claims. Hierbij valt te denken aan de energietransitie, landbouw en de woningbouwopgave. In Nederland is, vanwege het ruimtebeslag, de landschappelijke impact, het hoge energiegebruik en de belasting van de landelijke energie-infrastructuur, maar beperkt ruimte voor de bouw en ingebruikname van hyperscale datacentra en daarom is destijds de instructieregel opgesteld.
Waar en wanneer is precies het besluit genomen dat in de situatie van netcongestie een Amerikaanse hyperscale voorrang zou mogen krijgen boven bijvoorbeeld woningen?
Hierover is geen expliciet besluit genomen. Het is niet openbaar wanneer het energiecontract is afgesloten met dit project. Het afsluiten van overeenkomsten tussen netbeheerders en afnemers vindt plaats tussen deze partijen onderling, op basis van de energiewet, zonder dat daar een overheidsbesluit aan te pas komt.
Gezien de bouwvergunning in 2019 is aangevraagd gaan wij ervan uit dat de contracten voor energie en transportcapaciteit toen ook zijn afgesloten. In die periode golden nog geen voorrangsregels voortransportcapaciteit: pas in april 2024 is er door de ACM een maatschappelijk prioriteringskader opgenomen in de Netcode elektriciteit, voor het verdelen van transportcapaciteit in tijden van netcongestie10. In de huidige situatie krijgt een transportverzoek voor woningbouw prioriteit, en aansluitingen voor commerciële datacenters niet.
In hoeverre acht u dit project verenigbaar met strategische energie- en grondstoffenonafhankelijkheid, gelet op de verspilling van schaarse energie en ruimte die ten koste gaat van nationale prioriteiten zoals de energietransitie, klimaataanpak en circulariteit?
Investeren in robuuste en duurzame datacenters en digitale infrastructuur is essentieel om Nederland én Europa ook in de toekomst concurrerend te houden en onze digitale open strategische autonomie te waarborgen. Het kabinet herkent daarom niet dat datacenters «verspilling van schaarse energie en ruimte» zijn. Daarbij erkent het kabinet wel dat er een discrepantie bestaat tussen de vraag uit de sector en dat wat in termen van ruimte en energieverbruik realiseerbaar is. Daarom is er regulering vanuit het Rijk op dit thema, onder andere via de eerder genoemde instructieregel hyperscale datacentra.
Voor het rechtvaardig verdelen van capaciteit op het stroomnet is er het prioriteringskader van de ACM, dat bepaalt welke sectoren voorrang krijgen bij het verkrijgen van nieuwe transportcapaciteit. Datacenters zijn niet opgenomen in dit kader en nieuwe aanvragen van datacenters krijgen dus ook geen voorrang, tenzij dat nodig is voor een vitale voorziening zoals een ziekenhuis. Hiermee wordt voorkomen dat de elektriciteitsvraag van nieuwe datacenters ten koste gaat van woningbouw en andere maatschappelijke prioritaire sectoren.
Voor welke specifieke doeleinden wordt het datacenter door Microsoft gebruikt, welke soorten data worden er verwerkt en opgeslagen, en in hoeverre draagt dit bij aan de strategische digitale autonomie van Nederland en de EU, of juist aan verdere afhankelijkheid van Amerikaanse techgiganten? Kunt u dat met verwijzing naar expertbronnen onderbouwen?
Er bestaat geen verplichting voor afnemers van datacentrumdiensten om bij de Nederlandse autoriteiten melding te maken over de doeleinden waarvoor ze gebruik (zullen) maken van servercapaciteit die ze afnemen in een datacentrum, of over het type data dat ze in dit datacentrum van plan zijn te verwerken of op te slaan. Er is geen informatie bij het kabinet beschikbaar over de doeleinden waarvoor Microsoft de servercapaciteit in dit te ontwikkelen datacentrum zal gaan gebruiken. In Nederland gevestigde datacentra zijn verplicht de op hen toepasselijke wet- en regelgeving na te leven. Indien het vermoeden bestaat dat zij dat niet of onvoldoende doen, is het aan de bevoegde (gerechtelijke) autoriteiten om daar een onderzoek naar in te stellen en eventueel sancties op te leggen.
In algemene zin kan gesteld worden dat de aanwezigheid van voldoende datacentrumcapaciteit cruciaal is voor het functioneren van de digitale infrastructuur en belangrijk is voor de positie van Nederland als digitaal knooppunt.11 De mate van digitale afhankelijkheden die Nederland c.q. de EU ervaart, wordt in essentie bepaald door de overweging die individuele afnemers maken bij hun keuze voor (ICT-)dienstverleners. De aanwezigheid van een datacentrum waarvan de servercapaciteit in zijn volledigheid door Microsoft gebruikt wordt doet daar niet aan af. Het is van belang dat (overheids-)organisaties op basis van hun eigen risicoprofiel en kritieke data en processen een weloverwogen keuze maken voor (ICT-)dienstverleners, en daarin overwegingen ten aanzien van digitale autonomie meenemen. Met de Nederlandse Digitaliseringsstrategie krijgt deze overweging een centralere rol in het overheidsgebruik van clouddiensten.
Eerder bleek dat Microsoft datacenters in Nederland worden gebruikt door het Israëlische leger dat daar tientallen miljoenen uren aan opnamen van telefoongesprekken van Palestijnen opslaat, dus zou het kunnen dat de nieuwe hyperscale daarvoor ook wordt gebruikt?4 Kunt u dat met zekerheid uitsluiten? Zo nee, wat vindt u dan van die situatie ook in het kader van de Nederlandse verantwoordelijkheid voor bescherming van mensenrechten? Bent u bereid om hierover iets op te nemen in uw beleid rondom datacenters?
Allereerst kan gesteld worden dat het betreffende datacentrum nog niet is ontwikkeld, en dus ook nog niet in gebruik is genomen. Daarnaast is er op dit moment geen informatie bekend over de data die Microsoft van plan is in dit datacentrum op te slaan. Zoals in het antwoord op vraag 15 is vermeld, bestaat er geen verplichting voor afnemers van datacentrumdiensten om bij Nederlandse autoriteiten melding te maken van de doeleinden waarvoor zij gebruik maken van een datacentrum of het type data dat ze in een datacentrum verwerken of opslaan.
Wat betreft de casus die u aanhaalt uit september 2025; hierin heeft Microsoft kenbaar gemaakt dat de betreffende dienstverlening aan het Israëlische Ministerie van Defensie is gestopt en uitgeschakeld omdat dergelijk gebruik in strijd zou zijn met de algemene voorwaarden van Microsoft.13 Daarmee is het op dit moment niet aannemelijk dat het te ontwikkelen datacentrum voor die doeleinden zal worden ingezet.
In Nederland gevestigde datacentra zijn verplicht de op hen toepasselijke wet- en regelgeving na te leven. Indien het vermoeden bestaat dat zij dat niet of onvoldoende doen, is het aan de bevoegde (gerechtelijke) autoriteiten om daar een onderzoek naar in te stellen en eventueel sancties op te leggen. Deze autoriteiten zijn onafhankelijk en maken daarbij hun eigen afwegingen.
In hoeverre acht de regering dit project verenigbaar met strategische digitale autonomie en digitale veiligheid, mede gezien de afhankelijkheid van een Amerikaans techbedrijf voor kritieke infrastructuur en overheidsdata?
Zoals in antwoord op de vorige vraag is aangegeven, kan in algemene zin gesteld worden dat de aanwezigheid van voldoende datacentrumcapaciteit cruciaal is voor de positie van Nederland als digitaal knooppunt.
De mate van digitale afhankelijkheden die Nederland c.q. de EU ervaart, wordt in essentie bepaald door de overweging die individuele afnemers maken bij hun keuze voor (ICT-)dienstverleners. De aanwezigheid van een datacentrum waarvan de servercapaciteit in zijn volledigheid door Microsoft gebruikt wordt doet daar niet aan af. Het is van belang dat (overheids-)organisaties op basis van hun eigen risicoprofiel en kritieke data en processen een weloverwogen keuze maken voor (ICT-) dienstverleners, en daarin overwegingen ten aanzien van digitale autonomie meenemen. Met de Nederlandse Digitaliseringsstrategie krijgt deze overweging een centralere rol in het overheidsgebruik van onder meer clouddiensten.
De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening gaf tijdens het vragenuur van dinsdag 27 januari 2026 aan dat ze niet ziet hoe deze casus raakt aan strategische autonomie. Staat de regering hier nog steeds zo in, en zo ja, kunt u de stelling dat de casus niets te maken heeft met strategische autonomie dan onderbouwen met verwijzingen naar onafhankelijk onderzoeken en experts?
In het vragenuur van 27 januari 2026 heeft de vorige Minister van VRO aangegeven dat het onderwerp «strategische autonomie» op het vlak van digitalisering onderdeel is van de portefeuille van de toenmalige Staatssecretaris van BZK. Om die reden is zij hier in het vragenuur niet verder op ingegaan.
Een nadere reflectie op de verwachte impact van de ontwikkeling van het datacentrum op strategische autonomie is reeds gegeven in de beantwoording van vragen 15 en 17.
Erkent u dat dit project, gecombineerd met het hosten van overheidsdata zoals van de Belastingdienst bij Microsoft, de strategische autonomie en digitale veiligheid ondermijnt door o.a. de VS-data-toegang via de Amerikaanse CLOUD Act?
De ontwikkeling van een nieuw datacentrum door een Britse datacentrumontwikkelaar is op zichzelf geen project dat onze strategische autonomie en digitale veiligheid ondermijnt. De aankondiging dat Microsoft de beschikbare capaciteit in het datacentrum in z’n geheel afneemt, maakt dat in dit datacentrum – net als in diverse andere datacentra in Nederland waar Microsoft servercapaciteit afneemt – mogelijk data uit clouddiensten van Microsoft wordt opgeslagen en verwerkt.
Indien een organisatie gebruik maakt van een Amerikaanse clouddienstverlener, zoals Microsoft, bestaat het risico dat Amerikaanse autoriteiten onder de CLOUD Act een verzoek indienen voor het delen van gegevens. Dit risico dient door (overheids)organisaties meegenomen te worden in de risicoanalyse. Conform het Rijksbreed cloudbeleid 2022 dienen organisaties die onder het Rijksbreed cloudbeleid 2022 vallen bij het risico op dreiging van statelijke actoren, voortijdig dreigings- en beveiligingsadvies in te winnen bij de AIVD c.q. de MIVD.
Onverminderd het bovenstaande is het van groot belang dat er meer mogelijkheden komen voor soevereine c.q. digitaal autonome cloudoplossingen. In dat verband wordt onder de Nederlandse Digitaliseringsstrategie (NDS) onder meer gewerkt aan (een verkenning naar) een soevereine overheidscloud. Ook het versterken van de Nederlandse en Europese concurrentiepositie van de cloudmarkt is een belangrijke inzet. Over deze inzet is uw Kamer middels een Kamerbrief geïnformeerd.14
Kunt u de juridische adviezen delen over welke mogelijkheden er waren (en zijn) voor herroeping of aanpassing van de vergunning(en), gezien bijvoorbeeld de problemen rond netcongestie en het groot maatschappelijk belang van onze digitale veiligheid en wonen?
Nee, zoals eerder aangegeven hebben de afwegingen en de besluitvorming over deze ontwikkeling gelegen bij de provincie Noord-Holland en de gemeente Amsterdam en is het Rijk daarbij niet betrokken geweest. Uit informatie van de provincie Noord-Holland heb ik vernomen dat de vergunning reeds is gepubliceerd en daarmee voldoet het aan de wet- en regelgeving. Er zijn naar mijn weten geen mogelijkheden om de vergunning aan te passen of te herroepen, tenzij er nieuwe (milieu)wetgeving van toepassing is.
Als die juridische adviezen nog nergens zijn opgevraagd, bent u bereid om alsnog om extra juridisch advies te vragen, met het doel te verkennen of ergens nog ruimte is om de komst van de hyperscale datacenter tegen te houden, gezien de langdurige negatieve impact op andere zaken van groot maatschappelijk belang, zoals onze strategische autonomie en wonen?
Nee, vanuit ruimtelijk perspectief wordt in de regelgeving van het Rijk onder een hyperscale datacentrum verstaan: het exploiteren van een rekencentrum of datacentrum met een bebouwd vloeroppervlakte van meer dan 10 ha en een elektrisch aansluitvermogen van 70 MW of meer. Zoals ook in de toelichting bij de regels in het Besluit kwaliteit leefomgeving is aangegeven is het een bewuste keuze van de wetgever geweest om alleen regels te stellen voor de vestiging van een datacentrum dat aan de criteria van meer dan 10 ha bebouwd vloeroppervlak en 70 MW of meer voldoet. Kleinere datacentra (met een oppervlakte van minder dan 10 hectare) of datacentra die slechts aan één criterium voldoen vallen niet onder de regels van het Rijk. Wel kunnen gemeenten, provincies en waterschappen in hun verordening of omgevingsplan regels stellen door dit type datacentra. Vanuit andere invalshoeken die relevant zijn vanuit het oogpunt van digitale autonomie, zoals het effect op de nationale veiligheid en verdienvermogen, is er op dit moment geen reden voor overheidsingrijpen.
Bent u bereid om met de advocaten van Advocates for the Future en maatschappelijke organisaties Leitmotiv, Bits of Freedom, critical infrastructure lab en DeGoedeZaak in gesprek te gaan over de casus en over de lessen die we hieruit moeten trekken en om hierover op korte termijn aan de Tweede Kamer per brief terug te koppelen?5 Zo nee, waarom niet?
Uit contact met de provincie Noord-Holland en de gemeente Amsterdam heb ik vernomen dat zij in gesprek gaan met deze maatschappelijke organisaties. Ik zie geen reden om zelf met hen in gesprek te gaan.
Klopt het dat als de vergunningsaanvraag voor deze drie torens vandaag gedaan zou worden, deze buiten het landelijk verbod zou vallen gezien de huidige regels over bijvoorbeeld hoeveelheid hectare, en zo ja, hoe beoordeelt u dit feit?
Dat klopt op basis van de informatie die ik over deze zaak heb gekregen. De regels van het Rijk verbieden alleen de bouw en ingebruikname van nieuwe datacentra met een bebouwd vloeroppervlak van meer dan 10 hectare en met een aansluitvermogen van 70 megawatt of meer. Omdat het betreffende datacentrum in Amsterdam een bebouwd vloeroppervlak heeft van 2,2 hectare, valt deze niet onder de Rijksregels. Ik begrijp de zorgen die er lokaal bestaan over het ruimtebeslag en het energieverbruik dan dit datacentrum. Conform de aangenomen motie van het lid Grinwis cs16 gaat het kabinet de komende periode onderzoeken of en welk aanvullend beleid nodig is om op toekomstige gevallen te sturen.
Erkent u dat het opsplitsen van één datacenter in meerdere gebouwen met elk een afzonderlijk aansluitvermogen ertoe leidt dat de bedoeling van het hyperscale-verbod wordt ondergraven, terwijl de feitelijke maatschappelijke impact gelijk blijft? Zo nee, waar baseert u dat op?
Nee, zoals de vorige Minister van VRO heeft aangegeven in het vragenuur is het opsplitsen van het datacentrum in drie gebouwen niet relevant voor de vraag of deze ontwikkeling past binnen de Rijksregels. Het totale bebouwde vloeroppervlak van de drie torens samen bedraagt 2,2 hectare. Dat is dus minder dan de 10 hectare die als grenswaarde is gebruikt bij de Rijksregels ten aanzien van hyperscale datacentra.
Bent u bereid om opnieuw te kijken naar de regelgeving rondom het verbod, en te verkennen of er aanscherpingen nodig zijn gezien de maatschappelijke onrust en andere grote maatschappelijke belangen die om ruimte en energie vragen?
Conform de aangenomen motie van het lid Grinwis cs gaat het kabinet de komende periode onderzoeken of en welk aanvullend beleid nodig is om op toekomstige gevallen te sturen. Hierover zal uw Kamer op een later moment worden geïnformeerd.
Welke andere lessen trekt u uit deze gang van zaken voor de toekomst?
Zoals ik heb aangegeven in het antwoord op vraag 2 deelt het kabinet de zorgen over de belasting van het stroomnet. Om die reden is ook in het coalitieakkoord opgenomen dat het aanpakken van de netcongestieproblemen onze hoogste prioriteit heeft. Zoals verder aangegeven in het antwoord op vraag 2 is de realisatie van dit datacentrum verder passend binnen de regels zoals het Rijk die heeft gesteld. Ik zie om die reden geen aanvullende lessen om te trekken uit de gang van zaken.
Kunt u de vragen één voor één beantwoorden en binnen twee weken, gezien de urgentie van de situatie?
Ja, de vragen zijn één voor één beantwoord. Wegens de hoeveelheid vragen en de benodigde afstemming tussen de verschillende bewindspersonen en met de provincie Noord-Holland en de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied, is het niet gelukt om de vragen binnen twee weken te beantwoorden.
Onderhoud en verduurzaming van VvE’s |
|
Pieter Grinwis (CU) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) , Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het onderzoek van Vereniging Eigen Huis (VEH), waaruit blijkt dat bijna één op de vijf VvE’s over onvoldoende reserves beschikken om de komende jaren noodzakelijk onderhoud te kunnen betalen?1 Kunt u dit duiden, mede in het licht van het feit dat er al sprake is van achterstallig onderhoud bij VvE’s, zoals u al in een recente Kamerbrief stelt (Kamerstuk 30 196, nr. 855)?
Het is goed dat VEH aandacht vraagt voor de positie van VvE’s. Uw Kamer ontving begin 2025 de evaluatie van de Wet verbetering functioneren VvE’s. Eén van de conclusies luidde dat een deel van de VvE’s niet genoeg reserveert om het benodigde onderhoud uit te kunnen voeren en dat een substantieel deel van de onderhoudsplannen niet voldoet aan de huidige eisen.2 Ik heb hierover geen precieze cijfers. De cijfers van VEH zijn afkomstig van een niet willekeurige steekproef, waardoor de cijfers niet geplakt kunnen worden op alle VvE’s in Nederland. Als appartementseigenaren willen beoordelen of de maandelijkse vve-bijdrage en het reservefonds voldoende zijn voor het benodigde onderhoud en verduurzaming, dan biedt een meerjarenonderhoudsplan uitkomst mits dat actueel en van goede kwaliteit is (meer hierover bij vraag 7).
Bent u het eens dat verduurzaming vaak niet haalbaar is voor VvE’s als het uitvoeren van groot onderhoud niet mogelijk is, terwijl groot onderhoud en verduurzaming juist ook vaak goed samen kunnen gaan?
Ja, als het uitvoeren van groot onderhoud financieel niet haalbaar is, dan is verduurzaming doorgaans ook niet haalbaar. VvE’s sparen doorgaans niet voor verduurzaming, maar slechts voor instandhouding van het gebouw. Tegelijkertijd is voor verduurzaming subsidie beschikbaar. Als een VvE onderhoud laat uitvoeren zijn er kosten die sowieso gemaakt worden (begeleidingskosten, steigerwerk, kraan, arbeidskosten). Het is dus slim om het geplande onderhoud uit het meerjarenonderhoudsplan te combineren met verduurzaming. Vergeleken met een aantal jaar geleden zijn er in iedere stad nu succesverhalen, zoals bijvoorbeeld verwoord in het boek «De Lange Hordenloop».3 Desalniettemin erken ik dat het voor veel VvE’s niet eenvoudig is. Steeds minder mensen zijn actief lid van een vereniging, dat speelt ook bij VvE’s. Terwijl VvE-leden juist gezamenlijk tot een plan moeten komen en vervolgens van alles moeten regelen. Daarom zijn verschillende vormen van ondersteuning beschikbaar voor VvE’s. Zo kunnen VvE’s gebruikmaken van financiering via Nationaal Warmtefonds, via het Toekomstbestendig Onderhoudsfonds VvE’s en via gemeentelijke regelingen bij Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse gemeenten (SVn). Daarnaast zijn er subsidieregelingen, zowel voor de voorbereiding van de verduurzaming als voor de energiebesparende maatregelen. Stichting Milieu Centraal heeft een landelijk kenniscentrum waar appartementseigenaren sinds deze maand telefonisch terecht kunnen.4
Bent u het eens met 56% van de appartementseigenaren die een oplossing zien in betere financieringsmogelijkheden? Erkent u dat goede leenmogelijkheden voor VvE’s belangrijk zijn, zodat ook de appartementen die onderdeel van de VvE’s zijn, goed onderhouden en verduurzaamd kunnen worden?
Bij vraag 1 heb ik mijn reactie gegeven op de cijfers van VEH. Ik erken dat goede leenmogelijkheden een uitkomst, vaak zelfs noodzaak, zijn voor veel VvE’s die aan de slag willen met onderhoud en verduurzaming. Via het Toekomstbestendig Onderhoudsfonds VvE’s, gemeentelijke regelingen bij SVn en Nationaal Warmtefonds hebben VvE’s de mogelijkheid om te lenen. Hoe aantrekkelijker de voorwaarden, hoe sneller VvE’s aan de slag gaan. Lenen is in bijna alle gevallen veel aantrekkelijker dan sparen. Een belangrijk voordeel van lenen is de zekerheid. Hiermee bedoel ik de zekerheid dat de uitvoering op relatief korte termijn kan starten, waarna de baten volgen zoals energiebesparing en meer wooncomfort. Bovendien betekent lenen dat de kosten worden gespreid, bijvoorbeeld over een looptijd van twintig jaar.
Klopt het dat één van de leenmogelijkheden waar u in de eerder genoemde brief naar verwijst, namelijk bij het Nationaal Warmtefonds, primair gericht is op energiebesparende maatregelen en dat onderhoud hooguit beperkt kan worden meegenomen? Zo ja, erkent u dat dit veel VvE’s met (achterstallig) onderhoud nog onvoldoende helpt? Zo nee, hoe beoordeelt u dan de reikwijdte van deze regeling voor onderhoudsvraagstukken? Bent u bereid het Nationaal Warmtefonds aantrekkelijker te maken voor VvE's, zowel qua leenmogelijkheden als qua rentekorting?
Ja, het klopt dat het Warmtefonds primair gericht is op energiebesparende maatregelen, zoals isolatie, warmtepomp en zonnepanelen. Ik ben het met u eens wat betreft onderhoud. Mijn departement heeft daarom vorig jaar groen licht gegeven om te verkennen hoe het financieren van onderhoud past binnen de juridische kaders en budget. Ik verwacht dat het Nationaal Warmtefonds dit najaar onderhoud kan financieren bij VvE’s. Eind 2024 startte het Toekomstbestendig Onderhoudsfonds VvE’s en er zijn diverse gemeentelijke regelingen bij SVn voor het financieren van onderhoud. Zie verder bij vraag 5 over de aantrekkelijkheid van de leenvoorwaarden.
Klopt het dat u in de brief ook verwijst naar het Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse gemeenten (SVn), maar dat het Toekomstbestendig onderhoudsfonds VvE’s van SVn alleen toegankelijk is voor VvE’s vanaf acht appartementen, terwijl het grootste deel van de VvE’s in Nederland kleiner is? Hoe verhoudt dit zich tot de doelstelling om juist ook kleinere VvE’s in beweging te krijgen? Kunt u daarnaast reflecteren op de vraag of de rentecondities, die marktconform zijn en indicatief tegen de 6% liggen (afhankelijk van de looptijd) wel voldoende drempelverlagend zijn voor VvE’s met beperkte reservefondsen?
Het is belangrijk dat het Toekomstbestendig Onderhoudsfonds VvE’s is gestart waarmee VvE’s onderhoud kunnen financieren. Dit is inderdaad voor VvE’s vanaf acht appartementen. In 2025 zijn aan 23 VvE’s leningen verstrekt met 639 appartementen voor in totaal 5,6 miljoen euro. Dit fonds is relatief nieuw en gaat naar verwachting groeien. Het fonds biedt een oplossing voor VvE’s waarin sprake is van gemengd bezit. Daarnaast zijn er via SVn gemeentelijke regelingen beschikbaar voor grote VvE’s. In bepaalde gemeenten is voor kleine VvE’s een financiering mogelijk via Svn met borg van Nationale Hypotheekgarantie; dit betreft een pilot. Nationaal Warmtefonds financiert verduurzaming bij zowel grote als kleine VvE’s, en zal dat straks ook doen voor onderhoud.
U vraagt mij om te reflecteren op de leenvoorwaarden. Ik denk dat het heel terecht is dat we afgelopen jaren met overheidsmiddelen een lagere rente mogelijk hebben gemaakt bij Nationaal Warmtefonds. Met de huidige voorziene rijksbijdrage is dat nog mogelijk tot ongeveer eind 2027. Voor een vervolg hierop bij Nationaal Warmtefonds en eventuele uitbreiding naar het Toekomstbestendig Onderhoudsfonds en Svn, moet naar andere voorwaarden en/of aanvullende middelen worden gekeken.
Deelt u de conclusie dat de thans beschikbare leningen niet toereikend zijn om het achterstallige onderhoud bij VvE’s op grote schaal weg te werken en dat daarmee ook de verduurzaming in gevaar komt? Zo ja, bent u bereid middelen in te zetten om – naast bestaande verduurzamingsleningen – te komen tot een landelijk dekkend en goed toegankelijk VvE-onderhoudsfonds (dus ook voor kleine VvE’s) met redelijke rentecondities in de orde van grootte van de huidige verduurzamingsleningen (rond de 3,5%)? Zo nee, welke alternatieven ziet u dan om de onderhoudsproblemen weg te werken?
Ik snap uw zorgen over de beschikbare leenmogelijkheden en ga hierover graag in gesprek met uw Kamer. U vraagt mij te komen tot een landelijk dekkend onderhoudsfonds, of naar alternatieven te kijken om onderhoudsproblemen weg te werken. Of dit nodig is, hangt onder andere af van de verdere verkenning bij Nationaal Warmtefonds. Naast financiering is het belangrijk om VvE’s te ondersteunen met advies. Zodra een VvE deskundige en onafhankelijke procesbegeleiding inschakelt, groeit het draagvlak onder de appartementseigenaren voor het uitvoeren van onderhoud en verduurzaming. Om deze eerste drempel weg te nemen, subsidiëren we procesbegeleiding vanuit de «Subsidieregeling Verduurzaming voor VvE’s» (SVVE) vanuit de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Vanuit de SVVE is nog 89 miljoen euro beschikbaar. We zien een stijging van de aanvragen en verwachten dat deze regeling ruim voor 2030 is benut. Daarnaast kunnen appartementseigenaren naast de landelijke helpdesk van het kenniscentrum voor verduurzaming ook terecht bij gemeentelijke VvE-loketten, zoals in Tilburg, Groningen, Zoetermeer en Rotterdam.
U vraagt mij of de huidige instrumenten toereikend zijn. Voor appartementseigenaren is het een enorme uitdaging om een onderhouds- en verduurzamingsproject te organiseren, maar er is dus ondersteuning beschikbaar en er zijn subsidie- en leenmogelijkheden. Mijn zorg gaat uit naar VvE’s waar niet alleen achterstallig onderhoud een belemmering is, maar waar bredere problematiek speelt, zoals op gebied van leefbaarheid en veiligheid. Dit vraagt om ondersteuning vanuit alle betrokken partijen.
Hoe luidt uw reactie op de bevindingen uit het onderzoek dat 28% van de eigenaren zich zorgen maakt over de betaalbaarheid van de VvE-bijdrage op de lange termijn en voor 3% van de bewoners de huidige bijdrage al nauwelijks betaalbaar is? Erkent u dat het belangrijk is dat een betaalbare VvE-bijdrage van belang is, zeker voor huishoudens met de laagste inkomens? Hoe zet u zich daarvoor in?
Bij vraag 1 heb ik mijn reactie gegeven op de vragenlijst. Ik herken de zorg over betaalbaarheid, dat is ook de reden dat Nationaal Warmtefonds afgelopen zomer is gestart met een vangnetregeling voor stijgende VvE-bijdragen; de VvE-Ledenlening. Echter, ik denk dat het vooral belangrijk is dat de hoogte van de VvE-bijdrage voorspelbaar is. Daarom is het belangrijk dat VvE’s een actueel en realistisch meerjarenonderhoudsplan bijhouden en uitvoeren. Bij voorkeur kijken ze daarbij dertig jaar vooruit en houdt het plan rekening met verduurzaming. Ik ben daarom voornemens om wettelijk meer te regelen met het onderhoudsplan. Dit zorgt voor meer bewustwording bij VvE’s.
Erkent u dat de VvE-ledenlening voor appartementseigenaren met een laag inkomen, waar u in de genoemde brief naar verwijst, alleen toegankelijk is wanneer de VvE een Energiebespaarlening bij het Warmtefonds heeft afgesloten (dus niet wanneer een andere manier van financieren tot een bijdrageverhoging leidt) en dat er meer beperkingen gelden, waaronder een inkomensgrens van € 2.250 voor alleenstaanden en € 39.500 voor meerpersoonshuishoudens? Meent u dat deze ledenlening desondanks voldoende toegankelijk is voor appartementseigenaren die moeite hebben om de stijging van de maandelijkse bijdrage te kunnen betalen? Zo ja, waarom?
Nationaal Warmtefonds is vorig jaar de VvE-ledenlening gestart voor appartementseigenaren met een laag inkomen in een VvE die leent bij Nationaal Warmtefonds. De ledenlening dempt de stijgende VvE-bijdrage. Dit is mogelijk dankzij subsidie van het Rijk. De overheidsbijdrage per ledenlening is veel hoger dan de overheidsbijdrage aan renteloze leningen aan particulieren. Ik vind dat verdedigbaar, omdat we hiermee onzekerheid wegnemen bij alle leden van een VvE. Door de huidige inkomensgrenzen te hanteren gaat de overheidsbijdrage naar de doelgroep waar de behoefte het grootst is en daarmee ook het effect. Daarom is de ledenlening niet een oplossing voor alle appartementseigenaren die moeite hebben met een stijgende bijdrage.
Bent u bereid om te zorgen voor een toegankelijkere ledenlening en hier bijbehorende middelen voor uit te trekken? Zo ja, wanneer kunt u de Kamer informeren over de vormgeving hiervan? Zo nee, waarom niet?
De overheidsbijdrage aan de ledenlening dekt het Rijk vanuit het Sociaal Klimaatfonds van de Europese Commissie. Dit fonds is alleen bedoeld voor de mensen die dat het hardst nodig hebben, daarom is gekozen voor deze inkomensgrens. Als we de inkomensgrens verhogen, dan kan de ledenlening niet gedekt worden met Europese middelen.
Bent u bereid om, in het kader van de verbeteren van (de ondersteunings- en versnellingsmogelijkheden voor) onderhoud en verduurzaming en de hierboven aan de orde gestelde problematiek en gelet op uw VvE-Versnellingsagenda verduurzaming, regelmatig te overleggen met organisaties als VvE Belang en Vereniging Eigen Huis? Wanneer heeft u deze organisaties voor het laatst gesproken, wat kwam daaruit en welke opvolging heeft u daaraan gegeven?
Om goed te begrijpen wat VvE’s nodig hebben, ben ik doorlopend in gesprek met gemeenten, bouwbedrijven, intermediairs en uiteraard met appartementseigenaren. Dat soort gesprekken zijn de basis voor de VvE-Versnellingsagenda verduurzaming. Er is dan ook doorlopend contact met vertegenwoordigers van appartementseigenaren en VvE’s, waaronder VvE Belang en Vereniging Eigen Huis. Ik ben op bezoek gegaan bij een VvE in Zoetermeer en ben zeer onder de indruk dat appartementseigenaren een ambitieus onderhouds- en verduurzamingsproject voor elkaar hebben gekregen. Met begeleiding van de gemeente leren de VvE’s van elkaar en dat is van grote meerwaarde. Het landelijk kenniscentrum helpt ook met het delen van best practices en bevordert kennisoverdracht van reeds ervaren VvE’s aan VvE’s die nog moeten beginnen met verduurzaming.
Het bericht 'Nieuwe huizen nodig, maar geen timmerman of metselaar te vinden: ‘Onvoldoende jongeren voor vacatures’' |
|
Martin de Beer (VVD) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nieuwe huizen nodig, maar geen timmerman of metselaar te vinden: «Onvoldoende jongeren voor vacatures»»?1
Hoe beoordeelt u het feit dat 71% van de bouwbedrijven kampt met personeelstekorten, wat aanzienlijk hoger is dan het landelijk gemiddelde (45%)?
In hoeverre vormen deze personeelstekorten volgens u een risico voor het realiseren van de doelstelling om 100.000 woningen te bouwen?
Kunt u aangeven hoeveel vertraging direct toe te schrijven is aan deze personeelstekorten in de bouw?
Hoe verklaart u het dat vacatures in de bouwsector vaak moeilijk te vervullen zijn? Hoe verklaart u het dat sollicitanten vaak niet aan gevraagde eisen voldoen?
Welke concrete doelen stelt het kabinet voor het terugdringen van het aantal openstaande vacatures in de bouwsector richting 2027?
Welke concrete stappen gaat u zetten om de instroom in bouw- en techniekopleidingen te vergroten?
Hoe beoordeelt u initiatieven zoals BBL-opleidingen en financiële prikkels zoals diplomabonussen en doorleerbonussen? Wat zijn de resultaten van deze initiatieven?
Welke rol ziet u voor zij-instroom vanuit andere sectoren, en welke belemmeringen ervaren potentiële zij-instromers momenteel? Hoe bent u van plan deze belemmeringen te voorkomen?
Hoe kan technologische innovatie, zoals de inzet van robots, bijdragen aan het verlichten van personeelstekorten, en welke rol ziet u hierin voor de overheid? Hoe bent u van plan dit te stimuleren?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Het bericht ‘Vertrek van beleggers uit woningbedrijf Vesteda leidt mogelijk tot verkoopgolf van huurwoningen’ |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat grote beleggers, waaronder pensioenfonds ABP en verzekeraar Allianz, voor in totaal 4,1 miljard euro hun belangen willen afbouwen in woningverhuurder Vesteda? Wat is uw reactie hierop?1
Hoeveel huurwoningen zijn er in Nederland de afgelopen vijf jaar verdwenen als gevolg van uitponden door zowel particuliere als institutionele beleggers?
In hoeveel gemeenten bezit Vesteda woningen, en in welke gemeenten is de concentratie het grootst?
Kunt u uitsplitsen hoeveel woningen van Vesteda in ieder van de categorieën sociale huur, middenhuur, en vrije huur vallen?
Heeft u contact gehad met Vesteda of de betrokken beleggers over de mogelijke gevolgen van hun vertrek voor de huurmarkt?
Deelt u de mening dat dit aantoont dat het overlaten van volkshuisvesting aan de markt een fundamentele vergissing is geweest?
Acht u het aanvaardbaar dat het woonrecht van tienduizenden huurders volledig afhankelijk is van de interne beleggingsregels en rendementsoverwegingen van private fondsen als Vesteda?
Hoe rijmt u het feit dat Vesteda’s 2.000 woningen primair fungeren als rendementsartikel voor pensioenfondsen en verzekeraars, met de grondwettelijke plicht van de overheid om voldoende woongelegenheid te bevorderen zoals vastgelegd in artikel 22 van de Grondwet?
Deelt u de mening dat het een teken van fundamenteel falen is wanneer een overheid haar volkshuisvestingstaak alleen nog kan uitvoeren door commerciële beleggers gunstige voorwaarden te bieden? Deelt u de mening dat het precies deze mentaliteit is dat de wooncrisis veroorzaakt heeft?
Welke wettelijke instrumenten heeft u op dit moment om te voorkomen dat huurwoningen van Vesteda na verkoop worden omgezet naar koopwoningen?
Bent u bereid maatregelen te treffen om te voorkomen dat huurwoningen van Vesteda massaal worden omgezet naar koopwoningen? Zo ja, welke instrumenten overweegt u in te zetten?
Is het juridisch mogelijk om Vesteda te verplichten eventueel te verkopen woningen als eerste aan woningcorporaties of gemeenten aan te bieden, en bent u bereid dit te onderzoeken?
Welke maatregelen bent u voornemens te treffen om te zorgen dat dergelijke situaties waarin beleggers tegelijkertijd uit stappen voorkomen kunnen worden en huurwoningen behouden worden?
Bent u bereid een concreet plan te presenteren waarbij woningcorporaties en gemeenten structureel meer middelen krijgen om de rol van commerciële beleggers op de huurmarkt over te nemen?
Studentenhuisvesting |
|
Hanneke Steen (CDA) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Waarom bouwen we voor studenten alleen nog maar studio’s, terwijl we dat eigenlijk niet willen?»?1
Herkent u het beeld dat de bouw van studentenhuisvesting in toenemende mate bestaat uit zelfstandige studio’s, terwijl de vraag van studenten juist vaak uitgaat naar onzelfstandige woonruimten met gedeelde voorzieningen?
Kunt u inzicht geven in de verhouding tussen het aantal gerealiseerde zelfstandige studentenwoningen (studio’s) en onzelfstandige studentenkamers in de afgelopen vijf jaar?
Kunt u aangeven naar welke verhouding tussen zelfstandige studio’s en onzelfstandige studentenkamers u streeft, mede in het licht van de woonwensen van studenten en de maatschappelijke effecten van verschillende woonvormen?
Kunt u aangeven hoeveel onzelfstandige studentenkamers in de afgelopen vijf jaar aan de markt zijn onttrokken en hoeveel onzelfstandige kamers zijn omgezet naar zelfstandige studio’s of andere woonvormen?
Wat zijn volgens u de belangrijkste oorzaken dat ontwikkelaars en investeerders vaker kiezen voor de bouw van studio’s in plaats van onzelfstandige studentenhuisvesting?
Welke financiële en fiscale prikkels dragen bij aan een scheve verhouding tussen het aantal gerealiseerde studio’s en onzelfstandige studentenkamers?
In hoeverre spelen gemeentelijke regels rond verkamering, splitsing en grondbeleid een rol bij deze ontwikkeling?
Deelt u de opvatting dat «op kamers gaan» bijdraagt aan gemeenschapsvorming en het tegengaan van eenzaamheid en mentale problematiek onder studenten?
Op welke wijze wordt in het huidige beleid rekening gehouden met maatschappelijke baten, zoals het verminderen van eenzaamheid en mentale problemen bij studenten/jongeren bij de afweging tussen verschillende typen studentenhuisvesting?
Kunt u aangeven hoeveel vierkante meter woonruimte gemiddeld nodig is voor een zelfstandige studio ten opzichte van een onzelfstandige studentenkamer met gedeelde voorzieningen?
Welke stappen en met welk tijdpad bent u van plan te zetten om te komen tot een ondersteuningsprogramma studentenhuisvesting gericht op gemeenten buiten de G4, conform de aangenomen motie?2
Op welke wijze wordt binnen dit programma specifiek ingezet op het stimuleren van de bouw van onzelfstandige studentenhuisvesting?
Hoe gaat u uitvoering geven aan de aangenomen motie die oproept tot het ontwikkelen van een methodiek en instrumentarium om maatschappelijke baten, zoals sociale cohesie en ontmoeting, structureel mee te nemen in woningbouwprojecten.3
Hoe wordt in deze methodiek concreet geborgd dat investeringen in gemeenschappelijke ruimten zoals gedeelde woonkamers, studieruimten en groenvoorzieningen worden meegewogen in de businesscases van de bouw van studentenhuisvesting?
Zou u inzicht willen geven in wat er nodig is om op een vergelijkbare manier de maatschappelijke baten van onzelfstandige woonruimten ten opzichte van studio’s mee te rekenen in businesscases?
Zou u in kaart willen brengen welke maatregelen er mogelijk zijn om gemeenten en projectontwikkelaars te stimuleren om vaker te kiezen voor onzelfstandige studentenhuisvesting en te investeren in gemeenschappelijke ruimten, mede met het oog op de maatschappelijke voordelen voor studenten en wijken?
De aardbeving in Eleveld op 14 oktober 2026 en de belofte voor een nieuwe regeling |
|
Henk Jumelet (CDA), Ulaş Köse (D66) |
|
de Bat |
|
|
|
|
Gelet op het feit dat de Commissie Mijnbouwschade in eerdere gevallen 440.000 euro aan onderzoeks- en proceskosten heeft gemaakt tegenover slechts € 80.000 aan uitgekeerde herstelgelden en zij het hier zelf ook niet mee eens is, hoe wordt bij de uitwerking van een nieuwe regeling geborgd dat een proportioneel en maatschappelijk uitlegbaar deel van de middelen daadwerkelijk terechtkomt bij herstel en compensatie voor bewoners?
Welke uitgangspunten hanteert u om te waarborgen dat de nieuwe regeling uitgaat van vertrouwen in bewoners, in plaats van wantrouwen en bewijsdruk?
Welke waarborgen komen er voor een eenvoudige, laagdrempelige en snelle afhandeling van kleine en evidente schadegevallen?
Op welke wijze wordt in de uitwerking expliciet rekening gehouden met de impact van schade en procedures op het welzijn en vertrouwen van bewoners, en welke ondersteuning wordt daarbij geboden?
Hoe wordt voorkomen dat bewoners met vergelijkbare schade uitsluitend op basis van het moment van melding of afhandeling verschillend worden behandeld?
Bent u bekend met het feit dat dat na de aardbeving bij Eleveld een situatie is ontstaan waarbij de straat of postcode van inwoners bepalend is voor de hoogte en toegankelijkheid van schadevergoeding, doordat er verschillende regelingen gelden van Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) en de Commissie Mijnbouwschade? Hoe beoordeelt u deze ontstane tweedeling, waarbij inwoners in vergelijkbare situaties ongelijk worden behandeld?
Deelt u de opvatting dat de huidige situatie, met meerdere loketten en regelingen voor schadeafhandeling in hetzelfde gebied, leidt tot onduidelijkheid en ongelijkheid voor gedupeerden? In hoeverre ziet u een oplossing in het organiseren van één centraal loket voor mijnbouwschade (één loket voor alle gedupeerden) om in dit gebied te zorgen voor een eerlijkere, transparantere en toegankelijkere afhandeling?
Welke andere mogelijkheden ziet u om de onwenselijke situatie te repareren waarin bewoners die dichter bij het epicentrum wonen soms juist onder een ongunstiger regime vallen, waarbij zij moeten aantonen dat schade door de aardbeving is veroorzaakt, terwijl in andere gebieden die met schade door dezelfde aardbeving kampen het bewijsvermoeden geldt?
Wordt ook bezien of voor eerder afgehandelde gevallen een vorm van herbeoordeling, nabetaling of aanvullende compensatie mogelijk is om de gehanteerde regeling gelijk te trekken?
Uitstroom van beleggers uit woningfondsen |
|
Hanneke Steen (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
Eerenberg , Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vesteda poogt massale uitstroom beleggers uit woningfonds te beperken»?1
Hoe beoordeelt u de signalen dat (internationale) beleggers op grote schaal kapitaal terugtrekken uit Nederlandse woningfondsen?
Kunt u in kaart brengen wat de omvang is van de (verwachte) uitstroom van kapitaal uit Nederlandse woningfondsen in de afgelopen jaren en op dit moment met daarbij een onderscheidt tussen nationaal en internationaal kapitaal?
Welke gevolgen heeft deze uitstroom voor investeringen in de Nederlandse woningmarkt, in het bijzonder voor de bouw van (midden)huurwoningen en het aantal beschikbare huurwoningen?
Kunt u daarnaast in kaart brengen wat het effect is van de uitstroom van institutioneel kapitaal op het behalen van de 70% voorverkoopeis bij gemengde woningbouwprojecten en hoeveel woningen hierdoor geraakt worden?
Kunt u in kaart brengen hoe breed de problematiek van redemptieverzoeken speelt onder (internationale) pensioenfondsen en andere institutionele beleggers, en wat dit betekent voor de investeringscapaciteit in de Nederlandse woningmarkt?
Welke rol speelt de fiscale behandeling van buitenlandse pensioenfondsen bij hun bereidheid om in Nederland te investeren in woningbouw?
Deelt u de opvatting dat ongunstige fiscale behandeling van buitenlandse pensioenfondsen ertoe kan leiden dat Nederland investeringen in de woningmarkt misloopt? Zo ja, hoe groot acht u dit effect?
Bent u bereid in kaart te brengen welke fiscale knelpunten buitenlandse pensioenfondsen ervaren bij investeringen in de Nederlandse woningmarkt en welke mogelijkheden er zijn om deze knelpunten weg te nemen?
Zou u in de hiervoor genoemde verkenning naar fiscale knelpunten de in het nieuwsartikel genoemde afschaffing van de fiscale beleggingsinstelling (FBI)-status en de renteaftrekbeperking en de pensioenfondsvrijstelling willen meenemen?
Bent u hierover in gesprek met (internationale) beleggers en pensioenfondsen, en zo ja, wat zijn de belangrijkste signalen die u uit deze gesprekken ontvangt?
Waarom is er nog geen kabinetsreactie op het onderzoek naar het Investeringsklimaat middenhuur dat SEO Economisch Onderzoek heeft verricht in opdracht van het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en het Ministerie van Financiën, terwijl dit samenhangt met belangrijke trajecten rondom middenhuur, investeringsklimaat en versnellen van de woningbouwproductie, en een belangrijke basis moet vormen voor realisatie van de afspraken uit de Woontop en concrete afspraken met investeerders?
Zou u in kaart willen brengen welke impact deze vertraging van de kabinetsreactie heeft op trajecten rondom middenhuur, investeringsklimaat en versnellen van de woningbouwproductie, maar ook voor realisatie van de afspraken uit de Woontop en concrete afspraken met investeerders?
Wat is de stand van zaken van het plan van aanpak om de verruimde staatssteunruimte voor middenhuur te benutten, zoals verzocht in de motie-Vedder c.s. (Kamerstuk 36 600-XXII, nr. 35)?
Welke kansen ziet u om via publiek-private samenwerking (PPE-constructies), garantstellingen of andere instrumenten de investeringsbereidheid van (institutionele) beleggers in de middenhuur te vergroten, en hoe gaat u deze kansen concreet benutten?
Signalen van gemeenteraden over hospiteren in studentenhuizen en het tekort aan studentenwoningen |
|
Robin van Leijen (D66) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met de moties die de gemeenteraden van Delft, Leiden en Utrecht hebben aangenomen over hospiteren in studentenhuizen, waarin zij de wens uitspreken dat studenten de vrijheid moeten houden om zelf een nieuwe huisgenoot te kiezen? Hoe kijkt u naar de signalen uit deze steden?
Klopt het dat de Wet goed verhuurderschap voorschrijft dat verhuurders bij het aanbieden van woonruimte een transparante selectieprocedure moeten gebruiken, met gebruik van objectieve criteria en een uitleg over de gemaakte keuze voor een huurder?
Kunt u toelichten hoe deze verplichtingen zich verhouden tot hospiteerprocedures in studentenhuizen, waarbij bewoners gezamenlijk een nieuwe huisgenoot kiezen binnen een bestaande woongemeenschap?
Deelt u de opvatting dat bij hospiteren vaak factoren een rol spelen zoals leefstijl, huishoudelijke gewoonten, de sociale dynamiek binnen een huis? En dat dergelijke factoren moeilijk te kwalificeren zijn als objectieve selectiecriteria?
Wat zouden volgens u de gevolgen zijn voor de sociale samenhang binnen bestaande studentenwoongemeenschappen wanneer bewoners niet langer of in mindere mate zelf een nieuwe huisgenoot kunnen kiezen?
Deelt u de opvatting dat de grootste opgave binnen de studentenhuisvesting het snel terugdringen van het tekort aan studentenwoningen is? En deelt u de opvatting dat de huidige discussies over selectieprocedures en de verdeling van studentenwoningen in belangrijke mate voortkomen uit het grote tekort aan studentenwoningen?
Welke stappen gaat u de komende periode zetten om dit tekort aan studentenwoningen zo snel mogelijk terug te dringen, zodat iedere student een passende woning kan vinden?
Het bericht ‘Bewoners Westerdraai in Appingedam blokkeren straat voor bouwverkeer’ |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
Pieter Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Bewoners Westerdraai in Appingedam blokkeren straat voor bouwverkeer» en wat is daarop uw reactie?1
Ja, ik ken het bericht. Ik begrijp de frustratie van bewoners heel goed. De situatie laat goed zien dat de versterking een complex, langdurig en ingrijpend proces is voor bewoners en omwonenden. Ook zie ik dat de verschillen in deze buurt leiden tot sociale onrust. Het is belangrijk om deze bewoners duidelijkheid te geven over de vervolgstappen.
Hoe kijkt u aan tegen het feit dat in één wijk, Westerdraai in Appingedam, 98 woningen worden gesloopt voor sloop/nieuwbouw, terwijl 52 woningen (nog) niet worden gesloopt?
Erkent u dat dit beleid leidt tot verschillen tussen bewoners binnen dezelfde wijk en daarmee bijdraagt aan de groeiende ongelijkheid onder gedupeerden?
Wanneer kunnen de 52 huishoudens die (nog) niet in aanmerking komen voor sloop/nieuwbouw duidelijkheid verwachten?
Hoe kijkt u aan tegen de onzekerheid die dit beleid oplevert voor bewoners van wie de woning (nog) niet wordt gesloopt?
Is het tegengaan van de steeds groeiende ongelijkheid ook prioriteit voor u?
Ja, het zoveel mogelijk verkleinen van verschillen heeft voor mij hoge prioriteit. Daarom zet ik de aanpak voort die door mijn ambtsvoorgangers is ingezet.
Zet u de ambitie van uw ambtsvoorganger voort om verschillen zoveel mogelijk te verkleinen?2
Zie antwoord vraag 6.
Hoe verhoudt de gecreëerde ongelijkheid in de wijk Westerdraai in Appingedam zich tot maatregel 12, «Meer maatwerk om verschillen tegen te gaan», uit Nij Begun?3
Voor de aanpak van verschillen richt het kabinet zich op het creëren van een gelijkwaardige uitkomst voor alle bewoners in het gebied. Dit zoals ook geadviseerd door de commissie van Geel. Dat betekent voor deze bewoners dat ze een volledige vergoeding krijgen voor het isoleren en ventileren van de woning tot aan de isolatiestandaard.
Tegelijkertijd constateert de commissie dat in buurten waar veel sloop-nieuwbouw plaatsvindt het kan zijn dat deze gelijkwaardige uitkomst onvoldoende tegemoet komt aan de verschillen in die buurt. Om vast te stellen of dit aan de orde is hebben de gemeenten en NCG de eerder genoemde routekaart ontwikkeld. Met het doorlopen van deze routekaart wordt, zoals aangegeven in maatregel 12 van Nij Begun, daar waar nodig maatwerk geboden om verschillen te verkleinen.
Bent u bereid extra budget beschikbaar te stellen zodat de hele wijk sloop/nieuwbouw krijgt conform maatregel 12 van Nij Begun, «Het kabinet stelt extra budget beschikbaar zodat de NCG bijvoorbeeld sloop/nieuwbouw kan aanbieden op plekken waar verschillen tussen bewoners tot onbegrip en sociale spanningen hebben geleid»? Zo nee, waarom niet?
Voor het verkleinen van de onaanvaardbare verschillen in de versterking heeft het kabinet € 240 miljoen vrijgemaakt. Dit is bovenop de middelen voor het dempen van verschillen die als onderdeel van het bestuurlijke afspraken 2020 aan gemeenten beschikbaar is gesteld met hetzelfde doel, namelijk het verkleinen van verschillen in de regio. Met deze middelen kunnen we betekenisvolle stappen zetten in het verkleinen van verschillen. Indien er tekorten hierbij ontstaan dan gaat het Kabinet op zoek naar oplossingen.
Kunt u toelichten in hoeverre de regeringscommissaris ruimte heeft om zelfstandig keuzes te maken, en in welke mate is hij daarbij gebonden aan de coalitieafspraken die in Den Haag zijn gemaakt?
Op 13 maart is uw Kamer geïnformeerd over de profielschets voor de regeringscommissaris4. Daarin staat dat een duidelijke opdracht en mandaatverlening aan de regeringscommissaris essentieel is. Na aanstelling van de regeringscommissaris zal de opdracht worden opgesteld, zodat duidelijk is wat er van de regeringscommissaris wordt verwacht en binnen welke kaders hij of zij handelt. Daarom is het op dit moment te vroeg om al een uitspraak te doen over het mandaat van de regeringscommissaris. Wel kan ik zeggen dat de regeringscommissaris handelt onder mijn volledige ministeriële verantwoordelijkheid. Dat betekent dat de regeringscommissaris zich net als ik aan het regeerakkoord moet houden. Wel kan de regeringscommissaris gevraagd of ongevraagd advies uitbrengen. Dit advies kan mij aanleiding geven om binnen het Kabinet het gesprek aan te gaan, over wat er nodig is om dit advies uit te voeren.
Heeft de regeringscommissaris bijvoorbeeld het mandaat om te besluiten om de hele wijk Westerdraai sloop/nieuwbouw aan te bieden?
Zie antwoord vraag 10.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het plenaire debat over de wijziging van de Tijdelijke wet Groningen en de Mijnbouwwet in verband met de uitvoering van diverse maatregelen uit de kabinetsreactie op het rapport van de parlementaire enquêtecommissie aardgaswinning Groningen?
Ja.
Schimmelwoningen |
|
Hanneke Steen (CDA) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Schimmel, scheuren en schaamte: huurders jarenlang in ongezonde woningen»?1
Zou u de omvang van het aantal meldingen van vocht- en schimmelproblematiek in huurwoningen in kaart willen brengen, in samenwerking met corporaties en gemeenten?
Wat is de stand van zaken van de uitvoering van de motie-Beckerman (Kamerstuk 28 847, nr. 1325), waarin de regering wordt verzocht met spoed met een landelijk actieplan tegen schimmelwoningen te komen en dit uiterlijk in het najaar van 2025 aan de Kamer te presenteren?
Welke concrete stappen zijn sinds de aanneming van deze motie gezet om tot een landelijk actieplan tegen schimmelwoningen te komen?
Welke organisaties – zoals woningcorporaties, gemeenten, huurdersorganisaties en gezondheidsinstanties – zijn tot nu toe betrokken bij de uitwerking van dit actieplan?
Wanneer verwacht u het actieplan tegen schimmelwoningen daadwerkelijk aan de Kamer te kunnen presenteren?
Zou u inzicht willen geven in de manier waarop het Rijk momenteel regie neemt op de aanpak van schimmelproblematiek in woningen?
Welke concrete doelstellingen en resultaten wilt u met dit actieplan bereiken, bijvoorbeeld ten aanzien van het aantal woningen waarin schimmelproblematiek structureel wordt aangepakt?
Hoe reflecteert u op signalen dat huurders zich in dergelijke situaties soms niet serieus genomen voelen door verhuurders en instanties?
Hoe verhoudt de aanpak van schimmelproblematiek zich tot het Nationaal Isolatieprogramma, en op welke wijze wordt geborgd dat isolatiemaatregelen altijd gepaard gaan met adequate ventilatievoorzieningen?
Hoe gaat u borgen dat de aanpak van schimmelwoningen daadwerkelijk prioriteit krijgt bij woningcorporaties en gemeenten?
Hoe wordt er op toegezien of corporaties en gemeenten lokaal afspraken maken over de aanpak van vocht- en schimmelproblematiek, zoals afgesproken in de Nationale Prestatieafspraken?
Hoe wordt geborgd dat dergelijke afspraken daadwerkelijk zorgen voor voldoende voortgang op het gebied van schimmelaanpak?
Hoe gaat u bevorderen dat woningcorporaties beschikken over voldoende expertise om schimmelproblematiek snel en effectief aan te pakken, bijvoorbeeld door inzet van specialistische kennis of onafhankelijke experts?
Hoe gaat u ervoor zorgen dat huurders goed geïnformeerd worden over hun rechten en mogelijkheden om schimmelproblematiek aan te kaarten, bijvoorbeeld via de Huurcommissie?
Hoe gaat u bevorderen dat huurders snel geholpen worden wanneer zij schimmelproblematiek melden bij hun verhuurder?
Het artikel ‘Vesteda moet woningen verkopen omdat investeerders uitstappen’ |
|
Wendy van Eijk-Nagel (VVD) |
|
Eerenberg , Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat woningbelegger Vesteda mogelijk woningen moet verkopen, omdat een groot deel van de investeerders uit het fonds wil stappen?1
Klopt het dat institutionele beleggers voor een aanzienlijk deel van het fondsvermogen uitstapverzoeken hebben ingediend en dat dit kan leiden tot de verkoop van duizenden huurwoningen?
Deelt u de zorg dat dergelijke uitstroom van institutioneel kapitaal kan leiden tot:
Hoe beoordeelt u de ontwikkeling dat buitenlandse institutionele beleggers in Nederland nog slechts circa twee procent van de woninginvesteringen vertegenwoordigen, terwijl dit aandeel in andere Europese landen vaak tussen de 20 en 50 procent ligt?
Deelt u de analyse dat Nederland zich daarmee internationaal uit de markt prijst voor institutioneel woningkapitaal?
In hoeverre spelen volgens u fiscale factoren een rol bij deze ontwikkeling?
Kunt u per maatregel aangeven in hoeverre deze effect heeft op investeringen in woningbouw door institutionele beleggers:
Heeft het kabinet een integrale analyse gemaakt van het cumulatieve effect van deze maatregelen op het investeringsklimaat voor woningbouw?
Klopt het dat de Wet op de vennootschapsbelasting geen onderscheid maakt tussen binnenlandse en buitenlandse pensioenfondsen, maar dat het verschil in behandeling voornamelijk voortkomt uit de uitvoeringspraktijk van het besluit uit 2017?
Klopt het dat buitenlandse pensioenfondsen in de praktijk moeten aantonen dat zij aan circa twaalf criteria voldoen voordat zij als vergelijkbaar met Nederlandse pensioenfondsen worden aangemerkt?
Hoeveel verzoeken tot toepassing van deze vrijstelling zijn de afgelopen tien jaar ingediend en hoeveel daarvan zijn toegewezen?
Hoe verhoudt deze uitvoeringspraktijk zich tot het Europese beginsel van vrij verkeer van kapitaal?
Tijdens de parlementaire behandeling van de wijziging van het FBI-regime zijn alternatieven besproken, zoals een semi-transparant vastgoedbeleggingsregime: waarom is destijds niet gekozen voor een dergelijk alternatief?
Wordt momenteel onderzocht of een REIT-achtig regime voor Nederlandse woningen kan bijdragen aan het aantrekken van internationaal institutioneel kapitaal?
Klopt het dat aanpassing van het besluit uit 2017 mogelijk zou zijn zonder wetswijziging
Ziet het kabinet ruimte om de vergelijkbaarheidstoets voor buitenlandse pensioenfondsen meer functioneel toe te passen, bijvoorbeeld op basis van:
Bent u bereid te onderzoeken of een eenmalige kwalificatie voor buitenlandse pensioenfondsen mogelijk is om meer rechtszekerheid te creëren?
Deelt u, gezien de jaarlijkse investeringsbehoefte van circa 40 miljard euro voor woningbouw, de analyse dat het aantrekken van internationaal langetermijnkapitaal noodzakelijk is om deze opgave te realiseren?
Welke concrete stappen onderneemt het kabinet om Nederland weer aantrekkelijker te maken voor institutionele beleggers in woningbouw?
Natuurvriendelijk isoleren |
|
André Flach (SGP) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Erkent u dat er in de sector veel onduidelijkheid heerst over de geldende regelgeving rond natuurvriendelijk isoleren?
Toezicht en handhaving rondom natuurwetgeving en soortenbescherming zijn grotendeels gedecentraliseerd. Dat betekent dat provincies ruimte hebben om zelf uitvoeringsbeleid te maken binnen de wettelijke kaders en jurisprudentie. Vanuit het bedrijfsleven en gemeenten krijg ik signalen dat de diversiteit van provinciaal beleid lastig wordt gevonden. Daarom ben ik met provincies, gemeenten, soortenorganisaties en de sector in gesprek over oplossingen.
Klopt het dat de Ministeries van LVVN en VRO, het IPO, de provincies, de VNG en de soortenorganisaties aan een gedragscode werken, zodat er voor bepaalde activiteiten geen vergunningplicht meer geldt?
Het klopt dat momenteel aan een gedragscode wordt gewerkt. Dat doe ik samen met de Minister van LVVN, provincies, het IPO, de VNG, soortenorganisaties en de isolatiebranche. Op basis van een gedragscode is vrijstelling van de vergunningplicht voor flora- en fauna-activiteiten in verband met isolatiewerkzaamheden mogelijk, mits aan de eisen van de gedragscode wordt voldaan.
Wanneer is deze gedragscode afgerond en kan ermee worden gewerkt?
Het streven is om de gedragscode uiterlijk 1 januari 2027 in werking te laten treden.
Hoe wordt ervoor gezorgd dat er zo snel mogelijk meer ruimte komt voor innovatieve onderzoeksmethoden, zoals eDNA?
Innovatie wordt door verschillende trajecten vanuit de overheid gestimuleerd, bijvoorbeeld via de Challenge Startup in Residence Intergov. Daarnaast komt de markt zelf ook met innovatieve oplossingen. Ten aanzien van de eDNA-methode heeft het Rijk verschillende onderzoeken laten doen om de betrouwbaarheid van de methode te borgen. Inmiddels is een nieuw onderzoek gepubliceerd naar de betrouwbaarheid van de eDNA methode: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2025/11/24/edna-als-methode-voor-detectie-van-vleermuisverblijven-in-woningen
Op welke manier wordt bewerkstelligd dat er meer uniformiteit komt in de regelgeving rond natuurvriendelijk isoleren?
Het beleid rondom soortenbescherming is zoals gezegd grotendeels gedecentraliseerd. Dat betekent dat de provincies het bevoegd gezag voor onder andere vergunningverlening, toezicht en handhaving in relatie tot soortenbescherming, voor zover deze taken niet expliciet aan het Rijk zijn voorbehouden. Als bevoegd gezag bepalen zij zelf hun beleid in deze binnen de wettelijke kaders en jurisprudentie.
Om landelijke tot meer uniformiteit en duidelijkheid te komen wordt gewerkt aan een gedragscode. Dit doen we samen met de belangrijkste stakeholders op dit onderwerp. De gedragscode zal via een ministeriële regeling worden aangewezen. De gedragscode zal dan dus, net als de eDNA-regeling, landelijk gelden.
Erkent u dat de onduidelijkheden rond het natuurvriendelijk isoleren negatieve effecten hebben op de bereidheid van particuliere huiseigenaren om hun woningen te isoleren?
Dat erken ik en daarom werken we met grote urgentie aan oplossingen zoals de gedragscode. Ondertussen kunnen isolatiewerkzaamheden gewoon doorgaan, op basis van de huidige eDNA regeling en provinciaal beleid. Dat betekent dat als uit onderzoek (bijvoorbeeld een negatieve test afkomstig uit eDNA-onderzoek) blijkt er geen sprake is van het verstoren of doden van beschermde soorten en het vernielen van nesten of verblijfplaatsen, er direct geïsoleerd mag worden, omdat er geen verbodsbepalingen worden overtreden. Als er sprake is van een positieve test, dan moet op dit moment een initiatiefnemer contact opnemen met de provincie en checken of een vergunning nodig is.
In de gedragscode willen we het handelingsperspectief na een positieve test verbeteren.
Hoe kunnen particuliere woningeigenaren meer gestimuleerd worden om hun woningen natuurvriendelijk te isoleren?
Hiervoor is vooral eenduidige en heldere communicatie nodig. Zowel vanuit het Rijk, vanuit de medeoverheden, als vanuit de isolatiebedrijven. Ook dit neem ik mee in de lopende gesprekken.
Het bericht 'Explosief gestegen onderhoudskosten zijn raadsel voor corporaties' |
|
Habtamu de Hoop (PvdA) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Explosief gestegen onderhoudskosten zijn raadsel voor corporaties» van 30 januari jongstleden?1
Hoe kijkt u naar het feit dat woningcorporaties te kampen hebben met een snel oplopend financieel tekort dat de nieuwbouw- en verduurzamingsplannen bedreigt, opgelopen van 5 miljard tot ruim 19 miljard euro?
Bent u bekend met de waarschuwing van de Autoriteit Woningcorporaties dat «de opgaven en middelen van corporaties niet meer in evenwicht» zijn? En dat deze toezichthouder aanbeveelt om «robuuste, structurele maatregelen» te nemen? Welke maatregelen bent u van plan om te nemen om te zorgen dat corporaties genoeg middelen hebben voor hun opgave om voor betaalbare huisvesting te zorgen?
Klopt het dat de Autoriteit Woningcorporaties ook heeft geconstateerd dat corporaties in zeven jaar tijd zo’n 60 procent meer kwijt zijn aan onderhoud, en dit een belangrijke oorzaak is voor het financiële tekort? Hoe verklaart u de stijgende onderhoudskosten?
Bent u bereid de aanbeveling van de Autoriteit Woningcorporaties over te nemen en een breed onderzoek te starten naar wat achter de sterk stijgende onderhoudskosten zit?
Deelt u de analyse van de Autoriteit Woningcorporaties dat private-equityfirma’s hier een rol spelen, omdat deze in toenemende mate de onderhoudsbedrijven overnemen die werken in de corporatiesector? Bent u bereid om prijsvorming, winstuitkeringen en contractafspraken bij onderhoudsbedrijven, en specifiek de invloed van private equity op tarieven en contracten, mee te nemen in het onderzoek?
Wat zijn volgens u alternatieven of oplossingen voor corporaties om meer grip op onderhoudskosten te krijgen, of de kosten te verlagen?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en voor het commissiedebat over de Staat van de Volkshuisvesting beantwoorden?
De bekendheid en vindbaarheid van isolatiesubsidies en vertraging bij de isolatie van woningen. |
|
Henk Jumelet (CDA) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) , Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het opiniestuk «Overheden, wijs weg naar isolatiesubsidies»?1
Ja.
Klopt het dat gemeenten in totaal 1,5 miljard euro aan specifieke uitkeringen kunnen ontvangen voor de isolatie van 750.000 koopwoningen? Hoeveel van dit bedrag is tot op heden daadwerkelijk bij de gemeenten terechtgekomen en welk deel daarvan is al daadwerkelijk uitgegeven aan uitgevoerde isolatiemaatregelen? Klopt het tevens dat het deel van deze 1,5 miljard euro dat eind 2030 nog niet is besteed aan isolatie terug zal vloeien naar het Rijk?
Er is in totaal ruim 1,6 miljard euro beschikbaar gesteld aan gemeenten voor het isoleren van 750.000 koopwoningen en woningen in gemengde vereniging van eigenaars (VvE’s). Dit is onderdeel van de lokale aanpak van het Nationaal isolatieprogramma (NIP). Deze middelen zijn in drie tranches (in 2023, 2024 en 2025) al volledig uitgekeerd aan gemeenten, met de Specifieke Uitkering Lokale aanpak isolatie. Ook is een klein deel als onderdeel van de Energiearmoede middelen in 2022 (68,5 miljoen) al uitgekeerd.
Uit de meest recente verantwoording van de besteding van de Specifieke Uitkering Lokale aanpak isolatie, uit maart 2025, is op te maken dat er tot en met 2024 ongeveer 40 miljoen euro door gemeenten is uitgegeven. Meer recente cijfers over de bestedingen in 2025 zullen in juli 2026 door gemeenten worden aangeleverd. De uitvoeringstermijn voor de Specifieke uitkering loopt tot en met eind 2028, met twee keer een mogelijkheid voor een jaar verlenging. Middelen die niet tijdig of onrechtmatig zijn uitgegeven kunnen worden teruggevorderd en vloeien dan terug naar het Rijk.
Hoe verklaart u dat, ondanks aanvragen van gemeenten voor de isolatie van circa 500.000 woningen, tot nu toe slechts 21.823 woningen daadwerkelijk zijn geïsoleerd? Welke concrete oorzaken liggen ten grondslag aan deze achterblijvende realisatie?
Met de 1,6 miljard euro die aan gemeenten is toegekend zullen ongeveer 750.000 woningen worden geïsoleerd tot en met 2030. Tot maart 2025 waren er 20.191 woningen geïsoleerd. Ik verwacht uiterlijk eind maart meer recente cijfers en de verwachting is dat deze cijfers flink hoger zullen liggen.
In 2024 en 2025 zagen we dat gemeentes een aanloopperiode kenden om te komen tot aanbestedingen, samenwerkingen opbouwen en vertrouwen winnen van bewoners. Ik zie steeds meer goede voorbeelden in het gehele land. Belangrijke aandachtspunten blijven capaciteit, en daarnaast praktische vraagstukken rond het bereiken van de doelgroep, natuurvriendelijk isoleren, de complexiteit bij VvE’s, monitoring en het gebruik van persoonsgegevens.
Om gemeenten te helpen deze knelpunten op te lossen en de nodige versnelling op gang te brengen is vorig jaar 9 miljoen euro via de Specifieke uitkering isolatieopgave Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie
(SpUk isolatieopgave NPLW) uitgekeerd voor extra regionale ondersteuning. Hiermee kunnen regio’s gemeenten snel en praktisch ondersteunen die in hun isolatieaanpak tegen knelpunten aanlopen en waarbij de uitvoering nog niet goed loopt.
Wat doen gemeenten nu om kwetsbare bewoners zoveel mogelijk te ontzorgen tijdens het hele proces van verduurzamen van advies, financiering tot uitvoering?
Uit de rapportage Lokale Warmtetransitie in Beeld 20252 en gesprekken met gemeenten blijkt dat er advies en ondersteuning geboden wordt via fixteams, energiecoaches, energieadviseurs, lokale initiatieven, VvE-cursussen en collectieve inkoop acties. Ook wordt er financiële hulp geboden in de vorm van aanvullende subsidies, goedkope leningen, vouchers voor doe-het-zelvers en gratis isolatiemaatregelen voor bewoners in energiearmoede.
Voor veel huishoudens in energiearmoede is het van belang dat gemeenten in de isolatieaanpak ook samenwerken met het sociaal domein. Op deze manier lukt het om ook achter de voordeur te komen bij mensen, en zo uit te kunnen leggen wat deze aanpak voor hen kan opleveren. Gebruik maken van de netwerken in de wijk is ook van belang om de mensen te bereiken die hulp het hardste nodig hebben.
Aan het begin van het jaar is een aantal praktijkverhalen gepubliceerd op de website van de RVO waarin gemeenten die vorig jaar het verst waren met de lokale opgave hun aanpak delen.3 Zo zet de gemeente Nieuwkoop, die al een derde van de lokale opgave had afgerond, in op een energiebesparingsfonds, energiecoaches, wijkacties en persoonlijke begeleiding bij het isolatieproces.
In hoeverre deelt u de analyse uit het artikel dat het huidige stelsel van landelijke en lokale isolatiesubsidies versnipperd is, waardoor veel huiseigenaren niet weten welke regelingen er bestaan of dat zij landelijke en gemeentelijke subsidies kunnen stapelen?
Ik deel de analyse in zoverre dat het niet vanzelfsprekend is dat alle huishoudens op de hoogte zijn van de ondersteuning die voor hen beschikbaar is. Om verduurzaming te stimuleren is het van belang dat mensen de beschikbare subsidies weten te vinden en benutten. Vooral de doelgroep die extra ondersteuning het hardste nodig heeft.
Hier wordt zowel landelijk als lokaal op ingezet. Allereerst staan op verbeterjehuis.nl naast de landelijke ook lokale subsidies vermeld. Op lokaal niveau gebeurt er veel, via bijvoorbeeld lokale campagnes, adviseurs, coaches en energieloketten. Hierbij worden de mensen voor wie de aanvullende lokale subsidies bedoeld zijn, ook proactief benaderd. Naast advies en ondersteuning bij het verduurzamingsproces zelf, bieden veel gemeenten uitgebreide ondersteuning ook bij het aanvragen van de subsidies en financiering. Zo creëren gemeenten voor deze mensen één aanspreekpunt en worden landelijke en lokale subsidies bij elkaar gebracht.
Welke acties onderneemt u om de bekendheid, begrijpelijkheid en vindbaarheid van deze regelingen te vergroten, in het bijzonder voor minder zelfredzame en kwetsbare huiseigenaren?
Gemeenten communiceren in eerste instantie zelf rechtstreeks met de doelgroep die in aanmerking komt voor de lokale isolatieacties. Vaak gebeurt dit via lokale campagnes, brieven, huis aan huis bezoeken en keukentafelgesprekken. Samen met Milieu Centraal zijn hiervoor ter ondersteuning toolkits ontwikkeld.4
Daarnaast is op verbeterjehuis.nl informatie over zowel landelijke als lokale beschikbare subsidies te vinden via de energiesubsidiewijzer. Ook is er bij het laatste deel van de publiekscampagne «Wie isoleert profiteert» in 2025 aandacht besteed aan de lokale ondersteuning via energieloketten. Gemeenten konden bij deze campagne gebruik maken van de whitelabel communicatiematerialen. Dit zal in campagne van 2026 in de zomervakantie herhaald worden.
Milieu Centraal heeft tevens het energiehulpnetwerk opgericht met subsidie van de Minister van VRO om mensen te ondersteunen die de overheid doorgaans moeilijk weet te bereiken.5 Het energiehulpnetwerk biedt gemeenten en energiehulporganisaties een cultuur sensitieve en inclusieve aanpak voor bewoners met en zonder migratieachtergrond. Hierbij speelt de vertrouwde kring een belangrijke rol. Dit zijn mensen uit de directe omgeving van de huurder of huiseigenaar. Met deze aanpak worden ook moeilijk te bereiken doelgroepen geholpen. Het energiehulpnetwerk is een samenwerking tussen Milieu Centraal, de Nederlandse Schuldhulproute en de Alliantie Inclusieve Energietransitie. Het netwerk bereikt momenteel ruim 200 aangesloten gemeenten en meer dan 230 energiehulporganisaties.
Daarnaast biedt Milieu Centraal gemeenten ondersteuning bij het opzetten van een VvE-aanpak. Door middel van een-op-een adviestrajecten, via een kennisbank voor VvE Professionals en via opleidingsdagen.6 Bij de ondersteuning is in het bijzonder oog voor het in kaart brengen, bereiken en helpen van kwetsbare doelgroepen die in een VvE wonen.
Hoe beoordeelt u het signaal dat bestaande informatievoorziening, zoals de Energiesubsidiewijzer, geen volledig en actueel overzicht biedt van alle beschikbare landelijke en lokale subsidies? Welke stappen worden gezet om te komen tot één integraal en betrouwbaar overzicht van subsidiemogelijkheden?
Uitgebreide informatie over alle landelijke subsidies en financieringsmogelijkheden is beschikbaar via verbeterjehuis.nl en in de energiesubsidiewijzer. Ook lokale subsidies zijn te vinden in deze energiesubsidiewijzer. Doordat gemeenten regelmatig lokale subsidies openstellen of wijzigen kan het zijn dat dit overzicht niet altijd volledig is. Milieu Centraal voert daarom regelmatig verbeteringen door in de energiesubsidiewijzer om te zorgen dat de informatie zo accuraat mogelijk blijft. Sinds kort wordt daarbij gebruik gemaakt van een geautomatiseerd systeem welke alle relevante overheids- en gemeentewebsites controleert voor nieuwe of gewijzigde subsidies, zodat deze kunnen worden toegevoegd.
Daarnaast zijn ook de lokale energieloketten terug te vinden op verbeterjehuis.nl en kunnen zowel huurders als woningeigenaren gebruik maken van de energiehulp tool om hulp en advies in hun buurt te vinden.7 Halverwege maart lanceert Milieu Centraal de helpdesk voor VvE's, waar mensen met specifieke subsidievragen terecht kunnen, zowel telefonisch als per mail.
Op welke wijze wilt u bevorderen dat er meer uniformiteit komt in uitvoering en dat ondersteuning niet afhankelijk is van één commerciële partij per gemeente?
De lokale aanpak biedt gemeenten vrijheid om hun eigen isolatieaanpak te ontwikkelen, zodat de ondersteuning aansluit bij de uiteenlopende behoeften van hun inwoners in hun wijken en dorpen. Bijvoorbeeld door hun plannen af te stemmen op bestaande lokale initiatieven en specifieke doelgroepen en de warmteprogramma’s. Ik zal gemeenten daarom niet beperken in de manier waarop ze hun rol bij de lokale isolatieopgave invullen of in de afspraken die ze maken met private partijen. Wel weet ik dat veel gemeenten voor verschillende onderdelen van hun aanpak al met diverse partijen samenwerken waaronder lokale initiatieven. Bij het wegvallen van één partij valt hierdoor meestal niet de gehele ondersteuningsaanpak weg.
Om deze risico’s verder te verkleinen en daarnaast versnelling mogelijk te maken, bied ik gemeenten ondersteuning en advies over de uitvoering via programma’s als Verbouwstromen, Actienetwerk Energiehulp en het NPLW. Zij richten zich op standaardisatie vertaald naar aanpakken en formats waar gemeenten en ook intermediairs gebruik van kunnen maken. Ook op het gebied van risico’s bij het opstellen van contracten en afspraken over de continuïteit van dienstverlening bij faillissement bestaat ondersteuning. Zo worden geleerde lessen benut en hoeven gemeenten niet het wiel zelf uit te vinden.
Welke mogelijkheden ziet u om de aanvraagprocedures en uitvoeringsvoorwaarden van de Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE) en gemeentelijke regelingen te harmoniseren en te vereenvoudigen, zodat versnippering tussen gemeenten wordt tegengegaan en kwetsbare huiseigenaren beter worden ontzorgd? Hoe gaat u dit bewerkstelligen voordat de gelden na 2030 weer terugvloeien naar het Rijk?
De voorwaarden die gesteld worden aan de maatregelen zelf die kunnen worden gesubsidieerd in de Specifieke Uitkering Lokale Aanpak Isolatie (SpUk LAI) komen al geheel overeen met de ISDE en SVVE voorwaarden. Wel hebben gemeenten met de SpUk LAI ruimte om ook doe-het-zelf maatregelen te subsidiëren en om bij een beperkt aantal woningen maatregelen te treffen die niet voldoen aan de oppervlakte-eis. Hiermee kan een bredere groep geholpen worden in gevallen waar zelfs relatief lage investeringskosten een barrière kunnen vormen voor de verduurzaming.
Verder is het al enige tijd mogelijk om als gemeenten de ISDE-subsidie namens woningeigenaren aan te vragen en te ontvangen om zo volledige ontzorging te bieden aan huiseigenaren die extra ondersteuning nodig hebben. Daarnaast worden de landelijke regelingen en het aanvraagproces regelmatig geëvalueerd en aangepast om deze zo gebruiksvriendelijk mogelijk te maken.
Het bericht 'Harde conclusies over Wet betaalbare huur van Hugo de Jonge: ’Benadeelt huishoudens die geen huis kunnen kopen’' |
|
Peter de Groot (VVD) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Harde conclusies over Wet betaalbare huur van Hugo de Jonge: «Benadeelt huishoudens die geen huis kunnen kopen»»?1
Kan u reflecteren op de conclusie van het Centraal Planbureau dat zonder aanpassingen van de Wet betaalbare huur de overheid de knip moet trekken omdat private investeringen in huurwoningen onaantrekkelijk zijn geworden?
Deelt u de conclusie dat de invoering van de Wet betaalbare huur heeft gezorgd voor massale verkoop van huurwoningen door private verhuurders? Zo ja, kan u een overzicht geven van deze cijfers? Zo niet, kan u deze conclusie weerleggen met cijfers?
Wat vindt u van de conclusie dat lagere huurprijzen op korte termijn weinig betekenis hebben als er op lange termijn simpelweg geen huurwoningen meer beschikbaar zijn?
Welke ontwikkeling ziet u in het aanbod huurwoningen in de middenhuursector, met name in binnenstedelijk gebied? Kan zij dit toelichten?
Heeft u een voorkeur voor een goed werkend investeringsklimaat of subsidies om woningbouw mogelijk te maken, met name in binnenstedelijke gebieden? Kan u de keuze motiveren?
Hoe gaat u de conclusies van het Centraal Planbureau meenemen in de optimalisatie en evaluatie van de Wet betaalbare huur?
Wanneer kan de Kamer de evaluatie van de Wet betaalbare huur verwachten?
Deelt u de conclusie dat huishoudens met een middeninkomen – die niet in aanmerking komen voor sociale huur en geen koopwoning kunnen financieren – door de Wet betaalbare huur klem worden gezet? Waarom wel, waarom niet?
Klopt het dat de wachttijden en de concurrentie in het middenhuursegment zijn toegenomen sinds invoering van de wet? Zo ja, heeft u daar cijfers van? Zo niet, kan u dat antwoord met cijfers motiveren?
Deelt u de mening dat deze wet vooral zittende huurders beschermt, maar woningzoekenden benadeelt?
Welke concrete aanpassingen aan de Wet betaalbare huur zouden volgens u het verstoorde investeringsklimaat op de huurmarkt kunnen herstellen?
Kan u deze vragen één voor één beantwoorden?
Het bericht 'Woonbond: Draagvlak onder huurders voor verduurzaming neemt af' |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de signalen dat het draagvlak onder huurders voor de energietransitie ernstig onder druk staat door problemen rond betaalbaarheid en zeggenschap?1
Ik acht het zorgelijk als het draagvlak onder huurders voor de energietransitie ernstig onder druk zou staan door problemen rond betaalbaarheid en zeggenschap. Ik deel de analyse dat een afnemend draagvlak tot risico’s zou leiden voor het behalen van de klimaatdoelen in de gebouwde omgeving. Daarom acht ik het een goede zaak dat bij verduurzaming op verschillende manieren rekening wordt gehouden met de betaalbaarheid en de zeggenschap van huurders.
In de Nationale prestatieafspraken is afgesproken dat woningcorporaties serieuze stappen zetten in het isoleren van huurwoningen. Ze zijn daarmee goed op weg. Met deze doelstellingen verwachten we in 2034 het energieverbruik van ongeveer een miljoen huishoudens te verlagen met 330 m3 gas per jaar. Dit gaat in 2030 om ruim 800.000 huishoudens. Voor woningen die een significante sprong maken in isolatie levert dat een besparing op van € 350 tot € 550 per jaar. Dat betekent dat huurders van een verduurzaamde woning een minder sterke stijging van de energiekosten kunnen verwachten. De energiebehoefte van deze woningen is namelijk blijvend lager. Daarbij geldt dat corporaties woningen isoleren zonder daarvoor een huurverhoging te vragen. Ook zijn met de Wet betaalbare huur aftrekpunten toegekend voor de energielabels E, F en G. Dit heeft geleid tot lagere maximale huurprijzen voor woningen met die energielabels.
De huurder heeft voorts met verschillende instrumenten de nodige zeggenschap waardoor bij de verduurzaming goed aandacht kan zijn voor de betaalbaarheid.
Zo is met de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie en de Omgevingswet goede participatie van bewoners, waaronder huurders, geborgd bij de wijkgerichte aanpak van een gemeente. Zo moeten gemeenten in de toelichting bij een warmteprogramma en omgevingsplan motiveren hoe onder andere burgers worden betrokken bij de voorbereiding en wat de resultaten daarvan zijn. Ook zal een verhuurder op grond van de huurregelgeving niet zonder meer een woning kunnen verduurzamen zonder overleg met de huurder en zonder diens instemming.
Deelt u de analyse dat dit risico’s oplevert voor het behalen van de klimaatdoelen in de gebouwde omgeving?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de analyse van de Woonbond dat het risico bestaat dat de energietransitie in de gebouwde omgeving stagneert als 3,6 miljoen hurende huishoudens het financiële voordeel van verduurzaming niet meer ervaren? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de analyse niet dat er sprake is van een groot risico. Zie mijn antwoord op vraag 1 en 2 waarin ik aangeef, dat op verschillende manieren rekening wordt gehouden met het financiële voordeel dat huurders ervaren bij verduurzaming.
Klopt het dat huurders met zonnepanelen op hun huurwoning via huur of servicekosten een vergoeding betalen voor deze installatie, terwijl zij door de afbouw van de salderingsregeling en oplopende terugleverkosten deze investering niet langer kunnen terugverdienen?
Het klopt dat huurders met zonnepanelen op hun huurwoning via huur of servicekosten een vergoeding betalen voor deze installatie. Voor het effect van de afbouw van de salderingsregeling wijs ik u op het rapport dat is toegezonden bij brief van 30 mei 20252. Daarin is onder meer aangegeven dat de huurder met zonnepanelen door de afschaffing van de salderingsregeling per saldo € 4 tot € 8 meer betaalt dan de huurder zonder zonnepanelen. De huurder betaalt namelijk voor de zonnepanelen via de servicekosten. Dit weegt niet op tegen het voordeel van de terugleververgoeding en de opwek voor eigen verbruik. Het is van belang te vermelden dat de resultaten gemiddelden zijn: de effecten kunnen per huishouden behoorlijk verschillen. Afhankelijk van onder andere gezinsgrootte, verbruik en hoeveelheid panelen, kan het voorkomen dat huurders voordeel behouden met hun zonnepanelen. Het verhogen van het eigen gebruik beperkt de negatieve financiële effecten bij huurders, maar zal het niet volledig wegnemen.
Deelt u de opvatting dat dit in feite kan neerkomen op een verkapte huurverhoging? Acht u dit wenselijk in een periode waarin veel huurders al kampen met hoge woonlasten?
Ik erken dat huurders de gevolgen van de afschaffing van de salderingsregeling zullen gaan voelen. Tegelijkertijd zijn er diverse maatregelen genomen die leiden tot afnemende woonlasten bij huurders. Ik wijs daarbij op Nationale prestatieafspraken waardoor corporaties huurwoningen isoleren met een besparing van € 350 tot € 550 per jaar zonder daarvoor een huurverhoging te vragen, en de aftrekpunten voor de energielabels E, F en G. Dit heb ik toegelicht in mijn antwoorden op vragen 1 en 2.
Daarnaast geldt dat de netto huurquote, de verhouding tussen de netto huur en het netto besteedbaar inkomen, tussen 2021 en 2024 afnam: van 25,4% naar 24,7%3. Voor de jaren daarna wijs ik onder meer op de Wet betaalbare huur en het pakket aan maatregelen inzake de huurtoeslag. De Wet betaalbare huur heeft geleid tot uitbreiding van huurprijsbescherming naar de woningen in het middensegment en tot aftrekpunten en daardoor lagere maximale huurprijzen voor huurwoningen met een energielabel E, F of G. Het pakket aan maatregelen inzake de huurtoeslag heeft geleid tot een verhoging van € 215 miljoen extra huurtoeslag in 2025 en structureel € 650 miljoen per jaar vanaf 2026.
Bent u bereid te onderzoeken of en hoe de rijksoverheid de resterende investeringskosten van zonnepanelen bij woningcorporaties kan overnemen, zodat huurders niet geconfronteerd worden met hogere woonlasten en corporaties hun investeringsruimte behouden voor nieuwbouw en renovatie? Zo nee, waarom niet?
Bij de eerdergenoemde brief van 30 mei 2025 was een onderzoek gevoegd. In de brief was ook aangegeven dat er geen ruimte is tot financiële compensatie voor huurders in verband met de afschaffing van de salderingsregeling. De brief van 9 januari 20264 verwijst naar de brief van 30 mei 2025. Ook deze brief van 9 januari 2026 meldt dat financiële dekking ontbreekt voor compensatie van de salderingsregeling. Ik wijs voorts op mijn antwoord op vraag 5 waarin ik wijs op de verschillende maatregelen die bijdragen aan de betaalbaarheid voor huurders.
Ik zie dan ook geen aanleiding voor een onderzoek zoals wordt gevraagd.
Klopt het dat huurders die worden aangesloten op een warmtenet op grond van de huidige wetgeving vaak de maximale vaste kosten betalen, terwijl hun huurprijs niet wordt aangepast omdat het woningwaarderingsstelsel uitgaat van een gasaansluiting? Hoe beoordeelt u dit?
Het klopt dat de huidige tariefregulering bij warmte op basis van gasreferentie de kosten van een cv-ketel zijn meegenomen. Dit geldt voor alle warmteverbruikers, dus ook voor huurders. Warmtebedrijven hanteren vaak het maximale gereguleerde tarief. Het klopt ook, dat het met woningwaarderingsstelsel mogelijk is dat een cv-ketel of een warmtenet ertoe leidt dat huurders een hogere huurprijs betalen. Er kunnen namelijk met het woningwaarderingsstelsel punten worden toegekend voor vertrekken die verwarmd zijn door middel van een onroerende voorziening zoals een cv-ketel of een warmtenet, en voor een goed energielabel bij een energiezuinige cv-ketel. Het woningwaarderingsstelsel maakt hierbij geen onderscheid tussen een cv-ketel of een warmtenet.
Mijn oordeel is dat de betaalbaarheid van warmte voor huurders een belangrijk aandachtspunt is. Er is ook al actie op ondernomen: sinds 2025 worden de stijgingen van energiebelasting op aardgas niet meegenomen in de warmtetarieven en de berekening van de vaste tarieven is aangepast, waardoor de tarieven lager zijn geworden en beter aansluiten op de praktijk. Daardoor is ook voor huurders de betaalbaarheid ten opzichte van aardgas verbeterd. Dit blijft zo in fase 1 tariefregulering onder de wet collectieve warmtevoorziening.
Ook bij de verdere uitwerking van wet- en regelgeving blijft de betaalbaarheid voor huurders een belangrijk aandachtspunt. Zo is met het ontwerpbesluit Besluit gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Bgiw) het amendement Erkens c.s.5 verder uitgewerkt en zijn er instructieregels opgenomen om de betaalbaarheid voor eigenaar-bewoners en huurders in een warmtetransitiegebied te waarborgen. Gemeenten moeten 1) waarborgen dat de verwachte kosten voor ten minste 70% van de woningen binnen het warmtetransitiegebied niet mogen uitstijgen boven
de verwachte baten en 2) rekening houden met de financiële haalbaarheid, waaronder de gevolgen voor de maandlasten, juist ook bij de groep kwetsbare afnemers. Anders kunnen gemeenten de aanwijsbevoegdheid niet inzetten. De wijkaanpak is bij uitstek een manier om ook kwetsbare groepen, en bijvoorbeeld huishoudens met een lager inkomen, mee te laten doen aan de verduurzaming.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat aansluiting op een warmtenet huurders gemiddeld circa € 370 per jaar extra kan kosten?
Het kabinet herkent de observatie dat huurders soms duurder uit zijn na overstap op een warmtenet. Woonlastenneutraliteit is een belangrijke ambitie, maar kan niet in elke individuele situatie gerealiseerd worden. De betaalbaarheid van warmte voor huurders ten opzichte van aardgas is een belangrijk aandachtspunt.
In veel gevallen beschermt huurregelgeving huurders tegen kostenstijging na overstap op een warmtenet. Zo vergt overstap dat de huurder daarmee instemt; bij een complex gaat het om instemming van minimaal 70% van de huurders. Om deze instemming te verkrijgen, zal de verhuurder in de praktijk oog moeten hebben voor woonlastenneutraliteit. Om woonlastenneutraliteit te bereiken, maken verhuurders vaak afspraken met warmtebedrijven waarbij zij een deel van het vastrecht afkopen, waardoor de rekening voor de huurders constant blijft. Deze werkwijze is ook afgesproken in het Startmotorkader, waarin woningcorporaties en warmtebedrijven afspraken maken over verduurzaming van huurwoningen.
Deelt u de mening dat deze stapeling van kosten leidt tot afnemend draagvlak voor verduurzaming onder huurders?
Zoals aangegeven in mijn antwoorden op de eerdere vragen, zijn er diverse maatregelen die eraan bijdragen dat verduurzaming bij een huurder niet leidt tot hogere woonlasten. Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoorden op vraag 1, 2 en vraag 8.
Bent u bereid het woningwaarderingsstelsel zodanig aan te passen dat huurders niet financieel worden benadeeld bij aansluiting op een warmtenet? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in de beantwoording op vraag 7 is mijn mening, dat de betaalbaarheid voor huurders van belang is bij de verdere uitwerking van wet- en regelgeving. Het kabinet wil binnen vier jaar bij warmtenetten overstappen naar kostengebaseerde tarieven. Vanaf fase 2 van de wet collectieve warmtevoorziening worden warmtetarieven namelijk gebaseerd op kosten van warmtebedrijven. In deze wet is opgenomen dat de overgang naar fase 2 van de tariefregulering pas plaatsvindt wanneer de relatieve betaalbaarheid van collectieve warmte ten opzichte van het gangbare alternatief voldoende is geborgd. Dit geldt voor alle warmteverbruikers, dus ook voor huurders. Bij de voorbereiding van die overstap zal ook worden bezien of een aanpassing van het woningwaarderingsstelsel noodzakelijk is.
Hoe beoordeelt u het feit dat het merendeel van de verduurzamingssubsidies de afgelopen jaren terecht is gekomen bij eigenaar-bewoners, terwijl huurders minder directe financiële voordelen hebben ontvangen?
Ook huurders hebben de afgelopen jaren bij verduurzaming financiële voordelen genoten, ook bij subsidieverstrekking voor verduurzaming aan uitsluitend de verhuurder. In de eerste plaats geldt, dat met de Nationale prestatieafspraken is overeengekomen dat corporaties geen huurverhoging verbinden aan het isoleren van de woning. In de Nationale prestatieafspraken is aangegeven, dat woningen die een significante sprong maken in isolatie een besparing opleveren van € 350 tot € 550 per jaar. Voor een private verhuurder die met instemming van de huurder verduurzaamt en wel een huurverhoging vraagt, geldt dat de verhuurder daarvoor de ontvangen subsidies buiten beschouwing dient te laten. Een huurder heeft daardoor indirect voordeel van een subsidie die de verhuurder heeft ontvangen. In de tweede plaats zijn met de Wet betaalbare huur aftrekpunten geïntroduceerd voor huurwoningen met energielabels E, F en G. Deze huurwoningen kregen daardoor een lagere maximale huur hetgeen leidde tot voordeel voor de huurder. Tenslotte geldt, dat een hogere huur na verduurzaming leidt tot meer recht op huurtoeslag. Ook dit is een financieel voordeel voor de huurder.
Bent u bereid te bezien hoe publieke middelen eerlijker kunnen worden verdeeld, zodat huurders evenredig profiteren van subsidies en fiscale regelingen voor verduurzaming?
De verdeling van publieke middelen is aan de orde bij de vaststelling van de Rijksbegroting. Op dat moment kan worden bezien hoe deze publieke middelen eerlijk kunnen worden verdeeld gezien de verschillende beleidsdoelen van de regering.
Hoe waarborgt u dat bij grootschalige renovaties waarvoor instemming van 70% van de huurders vereist is, daadwerkelijk sprake is van vrijwillige en geïnformeerde instemming, en niet van druk of financiële dwang?
Vrijwillige en geïnformeerde instemming, zonder druk of financiële dwang bij grootschalige renovaties van huurders is geborgd door een reeks aan maatregelen. In de eerste plaats is de gemeente op grond van de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie verplicht de nodige participatie te laten plaatsvinden bij de wijkgerichte aanpak. In de tweede plaats is een verhuurder bij grootschalige renovaties op grond van de Wet overleg huurders verhuurder verplicht de huurdersorganisatie te betrekken. In de derde plaats betekent een grootschalige renovatie met instemming van 70% van de huurders niet, dat een individuele huurder van betrokken complex, zonder meer een renovatie moet accepteren. Die individuele huurder kan zich wenden tot de kantonrechter. Tenslotte wijs ik u op een aantal maatregelen die hebben geleid tot een voordeel bij de huurders, en dus niet tot financiële dwang. Dit betreft de Nationale prestatieafspraken waarin is afgesproken, dat corporaties geen huurverhoging zullen verbinden aan isolatie. Ook wijs ik op de aftrekpunten die met de Wet betaalbare huur zijn geïntroduceerd voor huurwoningen met energielabels E, F en G.
Deelt u de opvatting dat verlaging van het instemmingspercentage geen structurele oplossing is voor afnemend draagvlak, maar dat het uitgangspunt moet zijn dat verduurzaming per saldo leidt tot lagere woonlasten voor huurders? Zo nee, waarom niet?
Ik ben van oordeel dat huurders in beginsel zelf het beste kunnen afwegen of en welke vorm van verduurzaming het beste past bij hun situatie. Daarbij kunnen zij niet alleen lagere woonlasten voor ogen hebben, maar ook een aspect als meer wooncomfort. Daarbij wordt ook met andere wet- en regelgeving ingezet op betaalbare verduurzaming voor huurders. Zoals in het antwoord op vraag 7 aangegeven, moeten gemeenten bij de inzet van de aanwijsbevoegdheid de betaalbaarheid voor bewoners in de wijk, waaronder de huurders, waarborgen. Gemeenten moeten in de wijkaanpak rekening houden met de financierbaarheid van de maatregelen en de maandelijkse lasten, voor en na de overstap naar de duurzame energievoorziening, in het bijzonder voor de meest kwetsbare huishoudens. Gemeente kunnen via de wijkaanpak huishoudens met een lager inkomen ondersteunen. Daarmee kan voor deze huishoudens een comfortabeler huis worden gerealiseerd tegen acceptabele energielasten. Of het vereiste instemmingspercentage van 70% moet worden gehandhaafd, acht ik afhankelijk van de vraag of bij een ander percentage voldoende draagvlak aanwezig blijft.
Welke concrete maatregelen bent u bereid te nemen om te voorkomen dat de energietransitie in de huursector onbetaalbaar wordt en het draagvlak onder huurders verder afneemt?
Zoals aangegeven in mijn antwoorden op de eerdere vragen, zijn er diverse maatregelen die eraan bijdragen dat verduurzaming bij een huurder niet leidt tot hogere woonlasten. Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoorden op vraag 1, 2 en vraag 8. Daarnaast wil ik wijzen op een ontwerpwetsvoorstel ter aanpassing van het instemmingsrecht en initiatiefrecht. In dit ontwerp blijft draagvlak onder de huurders van belang, door de huurdersvertegenwoordiging een belangrijkere positie te geven. Ook wijs ik op het ontwerpbesluit ter aanpassing van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Dit ontwerpbesluit is gericht op uitfasering van de energielabels E, F en G in de huursector. De verhuurder wordt daarmee verplicht tot verduurzaming van huurwoningen met een energielabel E, F of G. Dit ontwerpwetsvoorstel en dit ontwerpbesluit zijn ter internetconsultatie beschikbaar gesteld. Ik verwacht u rond de zomer te melden of deze internetconsultaties zullen leiden tot aanvullende maatregelen.
Wat is de stand van zaken van de uitvoering van de aangenomen motie Beckerman over compensatie voor huurders die worden getroffen door de afschaffing van de salderingsregeling (Kamerstuk 36 725 XXII, nr. 14)?
De genoemde motie verzocht te onderzoeken hoe deze huurders gecompenseerd kunnen worden, en met Prinsjesdag een voorstel hiertoe te doen. Bij de eerdergenoemde brief van 30 mei 2025 was een onderzoekrapport toegezonden waarin de omvang van de compensatie was aangegeven die aan de orde zou kunnen zijn. In die brief was tevens aangegeven dat er geen ruimte is tot financiële compensatie voor huurders in verband met de afschaffing van de salderingsregeling. De brief van 9 januari 20266 verwijst naar de brief van 30 mei 2025. Ook deze brief meldt dat financiële dekking ontbreekt voor compensatie van de salderingsregeling. Ik acht de genoemde motie hiermee afgehandeld.
Wat is de stand van zaken van de uitvoering van de aangenomen motie Beckerman over onderzoek doen naar hoe huurders met bestaande zonnepanelen beschermd kunnen worden tegen hogere prijzen dan ze zouden hebben zonder zonnepanelen (Kamerstuk 36 378, nr. 79)?
Het bericht 'Grote onwetendheid en zorgen over risico’s aflopende aflossingsvrije hypotheek' |
|
Hanneke Steen (CDA), Inge van Dijk (CDA), Jan Struijs (50PLUS) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD), Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het in het artikel aangehaalde onderzoek van Van Bruggen Adviesgroep, waaruit blijkt dat er bij huishoudens met een aflossingsvrije hypotheek sprake is van een groot kennisgebrek over hun financiële situatie en de gevolgen van het aflopen van deze hypotheekvorm?1
Ja, ik ben bekend met het artikel en het onderzoek.
Deelt u de zorgen over dit gebrek aan kennis en de potentiële impact daarvan, met name voor mensen in de leeftijd vanaf 57 jaar, omdat het aflopen van de aflossingsvrije hypotheek kan betekenen dat de maandlast stijgt doordat er moet worden afgelost, of zelfs geen nieuwe financiering verkregen kan worden op basis van een lager toetsinkomen in het zicht van pensioen?
Ja, ik deel uw zorgen. Ruim 2,5 miljoen mensen in Nederland hebben een (deels) aflossingsvrije hypotheek. Het is belangrijk dat klanten kennis hebben van de kenmerken en risico’s van de (deels) aflossingsvrije hypotheek. Voor een meerderheid van de klanten zal gelden dat er nu of in de toekomst geen problemen ontstaan met het voldoen aan de financiële verplichtingen. Echter, een aflossingsvrije hypotheek kan voor individuele huishoudens verhoogde financiële risico’s met zich meebrengen. Aan het einde van de looptijd van de hypotheek kan de situatie ontstaan dat een klant de hypotheek niet uit inkomen of ander vermogen dan de eigen woning kan herfinancieren of aflossen, wat ertoe kan leiden dat de woning verkocht moet worden, al dan niet met een restschuld. Terugval van inkomen na pensionering kan deze risico’s vergroten. De Autoriteit Financiële Markten (AFM) heeft in 2021 onderzoek gedaan naar deze risico’s. Hieruit bleek dat ongeveer 78.000 huishoudens het risico lopen dat ze hun aflossingsvrije hypotheek niet kunnen herfinancieren op het moment dat deze afloopt, en een deel hiervan met een restschuld achterblijft.2 Het is mogelijk dat de omvang van deze groepen inmiddels is gewijzigd vanwege ontwikkelingen in onder andere lonen, woningprijzen en rentes.
De daadwerkelijke risico’s per individueel huishouden verschillen. Het is daarom belangrijk dat de kredietaanbieder hier zicht op heeft. De AFM ziet erop toe dat aanbieders van hypothecair krediet het klantbelang centraal stellen. De AFM verwacht daarbij van aanbieders dat ze zich inspannen om klanten met een aflossingsvrije hypotheek te benaderen om meer inzicht te krijgen in hun financiële situatie om zo eventuele betaalbaarheidsrisico’s vroegtijdig te kunnen signaleren. De AFM verwacht van aanbieders dat hun klanten, voor zover de aflossingsvrije hypotheek nu en in de toekomst betaalbaar is, zorgeloos kunnen blijven wonen. Na het startschot met de campagne «Word ook aflossingsblij» in 2018 hebben kredietaanbieders tot eind 2024 1,76 miljoen klanten benaderd over mogelijke risico’s van hun aflossingsvrije hypotheek. 744.000 klanten ondernamen in die periode acties om hun financiële situatie te verbeteren.
Kredietaanbieders moeten klanten met een aflossingsvrije hypotheek blijven benaderen om potentiële betaalbaarheidsrisico’s aan het einde van de aflossingsvrije looptijd in beeld te brengen en klanten een handelingsperspectief te bieden. Ook hypotheekadviseurs kunnen hier een rol in spelen. Daarnaast is het verstandig als consumenten zelf het gesprek aangaan met hun aanbieder of adviseur. Ik constateer dat het genoemde onderzoek erop wijst dat er nog steeds onwetendheid en zorgen bestaan onder mensen over de risico’s van een aflopende aflossingsvrije hypotheek. Zoals aangegeven deel ik uw zorg hierover en ik vind het daarom belangrijk dat aanbieders en adviseurs klanten blijven benaderen en activeren, en dat de AFM hier aandacht aan blijft besteden in haar toezicht.
Deelt u de mening dat er meer bewustwording nodig is rondom de risico’s van aflossingsvrije hypotheken, zeker nu de druk vanuit toezichthouders toeneemt om de omvang van deze hypotheekvorm verder te beperken?
Het is belangrijk dat aanbieders en adviseurs klanten met een aflossingsvrije hypotheek blijven benaderen en waar nodig activeren, en dat de AFM hier aandacht aan blijft besteden in haar toezicht. Uit het eerder aangehaalde onderzoek van de AFM blijkt dat een deel van de klanten betaalbaarheidsrisico’s loopt, maar dat de meeste mensen met een aflossingsvrije hypotheek niet in betaalbaarheidsproblemen komen. Op het moment dat de aflossingsvrije hypotheek afloopt, zal de aanbieder moeten bepalen of een nieuwe financiering mogelijk is. Ik vind het belangrijk dat klanten waarvan de hypotheeklasten betaalbaar zijn – ook wanneer de aflossingsvrije hypotheek afloopt – zorgeloos kunnen blijven wonen.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met hypotheekverstrekkers en andere betrokken partijen om proactieve informatievoorziening richting huishoudens met een aflossingsvrije hypotheek te verbeteren, bijvoorbeeld door het starten van een nieuwe publiekscampagne, naar analogie van de in 2017 gelanceerde campagne «Wordt ook aflossingsvrij»?
Het is aan aanbieders en adviseurs om klanten te benaderen en waar nodig te activeren en aan de AFM om hier toezicht op te houden. Ik vind het belangrijk dat deze partijen hiermee doorgaan en blijf daarover met hen in gesprek.
Herkent u het beeld dat met name bij oudere huishoudens sprake is van een stapeling van effecten (beperking aflossingsvrije hypotheek, inkomensnorm op basis van een lager pensioeninkomen, het deels wegvallen van hypotheekrenteaftrek na 30 jaar), waardoor het lastiger wordt om een hypotheek aan te vragen, over te sluiten of aan te passen?
Een hypotheek is een langlopende financiële verplichting, die voor veel mensen doorloopt nadat zij met pensioen gaan. Omdat veel mensen te maken krijgen met een lager inkomen na pensionering moeten kredietaanbieders niet alleen beoordelen of de hypotheek nu financieel verantwoord is, maar ook na pensionering. Daarnaast geldt dat in 2031 en de jaren daarna mensen met een aflossingsvrije hypotheek het recht op hypotheekrenteaftrek verliezen. Deze zaken kunnen doorwerken in een nieuwe kredietbeoordeling: mensen kunnen mogelijk minder lenen door een lager pensioeninkomen terwijl de netto hypotheeklasten in de toekomst juist toenemen. Mede tegen deze achtergrond besteden de Europese Centrale Bank (ECB) en De Nederlandsche Bank (DNB) nadere aandacht aan aflossingsvrije hypotheken in hun toezicht. DNB geeft aan dat het aannemelijk is dat dit zal leiden tot een verdere afname van de aflossingsvrije hypotheekschuld in Nederland.3
Door de combinatie van deze factoren kan het voor sommige huishoudens, bijvoorbeeld bij huishoudens met een laag pensioeninkomen, lastiger worden om een hypotheek te verkrijgen, over te sluiten of aan te passen. Het moet voorkomen worden dat mensen bij het aangaan van een hypotheek onverantwoorde financiële risico’s aangaan. Ik vind het tegelijkertijd belangrijk dat mensen de stap naar een nieuwe woning kunnen maken als ze dat willen en dit voor hen financieel verantwoord is. Hiertoe zijn de afgelopen jaren ook verschillende goede stappen gezet, bijvoorbeeld met de werkelijkelastentoets voor senioren bij doorstroming naar een goedkopere woning.
Ziet u ook het risico dat mensen, om de hogere woonlasten te voorkomen, zo lang mogelijk in de huidige woning blijven wonen wat de de doorstroming op de woningmarkt kan belemmeren en wat ervoor zorgt dat ouderen niet in de woning terecht kunnen komen die het meest geschikt voor ze is?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bekend met signalen dat de Europese Centrale Bank het toezicht op aflossingsvrije hypotheken verder wil aanscherpen waardoor ouderen nog meer beperkingen opgelegd krijgen met betrekking tot het mogen aanhouden van aflossingsvrije hypotheken?
Ja, ik ben daarmee bekend en volg de ontwikkelingen nauwgezet. Banken zijn op grond van de Wet op het financieel toezicht verplicht om de risico’s die zijn verbonden aan hun dienstverlening op adequate wijze te beheersen. De ECB en DNB houden daar prudentieel toezicht op. DNB besteedt, voor banken samen met de ECB, in haar toezicht nadere aandacht aan de risico’s van aflossingsvrije hypotheken voor financiële instellingen. Ik sta met DNB in contact over de maatregelen en de gevolgen en volg de ontwikkelingen zoals aangegeven nauwgezet. De AFM ziet erop toe dat kredietaanbieders het klantbelang centraal blijven stellen. Ook met hen sta ik in contact over de gevolgen van de maatregelen.
Zo ja, bent u bereid de mogelijke impact hiervan te laten onderzoeken, waarbij onder meer wordt gekeken naar de gevolgen voor individuele huishoudens, de doorstroming op de woningmarkt en het systeemrisico voor de bankensector in Nederland?
De ECB en DNB zijn onafhankelijk in hun toezicht en in de maatregelen die zij opleggen aan banken. Ik vind het belangrijk dat de prudentiële toezichthouders daarbij zicht hebben op de bredere gevolgen van hun maatregelen en deze in ogenschouw nemen. Het gaat in dit geval om de gevolgen van maatregelen voor de maandlasten van groepen huishoudens en de doorstroming op de woningmarkt. Ik ben hierover met DNB in gesprek.
De AFM heeft aangegeven dat zij van aanbieders verwacht dat klanten voor wie de aflossingsvrije hypotheek nu en in de toekomst betaalbaar is (bijvoorbeeld op moment van herfinanciering), zorgeloos kunnen blijven wonen. De AFM heeft daarbij aangegeven dat het belangrijk is dat hypotheekaanbieders hun bestaande hypotheekklanten met aflossingsvrije hypotheken zorgvuldig blijven behandelen en dat klanten niet onevenredig worden getroffen door eventuele maatregelen om risico’s te beheersen. Omdat de AFM erop toeziet dat aanbieders het klantbelang centraal blijven stellen, bijvoorbeeld in de context van het terugbrengen van het volume van aflossingsvrije hypotheken, vind ik het belangrijk dat er nauw contact is tussen de ECB, DNB en de AFM over de maatregelen en de bredere gevolgen hiervan.
Hoe weegt u het risico van aflossingsvrije hypotheken in Nederland in relatie tot deze risico’s in andere Europese landen onder meer gezien ons pensioenstelsel en de daarmee samenhangende financiële buffers?
Het is van belang om in de beoordeling van financiële stabiliteitsrisico’s in brede zin te kijken naar het vermogen dat tegenover de (aflossingsvrije) hypotheekschuld staat, omdat bij aflossingsvrije hypotheken de opbrengst bij verkoop de primaire bron is van afbetaling van de lening.
Door de jaren heen zijn er verschillende maatregelen genomen die de risico’s voor huishoudens en de bredere prudentiële risico’s van aflossingsvrije hypotheken beperken. Daarbij doel ik naast de doorlopende toezichtinspanningen onder andere op de introductie van de fiscale en niet-fiscale aflossingseisen en de verlaging van de loan-to-value-limiet.4 Mede hierdoor heeft er een relatieve groei plaatsgevonden van aflossende hypotheken, zoals annuïtaire, en is er de afgelopen jaren een dalende trend waarneembaar in het aandeel aflossingsvrije schuld van de totale hypotheekschuld.
Er kan een hoger risico verbonden zijn aan aflossingsvrije hypotheken, omdat er gedurende de looptijd niet wordt afgelost. Ook hebben aanbieders beperkt inzicht in de capaciteit van huishoudens om ook na pensionering aan de financiële verplichtingen te voldoen. Tegelijkertijd constateer ik dat er relatief veel vermogen tegenover de nog uitstaande aflossingsvrije hypotheekschuld staat en dat er bij relatief veel (deels) aflossingsvrije hypotheken aanzienlijke overwaarde is. Zo hebben (deels) aflossingsvrije hypotheken in Nederland doorgaans een lage loan-to-value-ratio (wat betekent dat de hoogte van de hypotheek ten opzichte van de waarde van de woning relatief laag is): twintig procent van de hypotheken op de Nederlandse markt heeft een loan-to-value-ratio van hoger dan 75 procent, terwijl dit bij aflossingsvrije leningen maar zo’n zeven procent van het totale aantal is.
Welke actie wilt u gaan ondernemen om aantrekkelijke hypotheekproducten, zoals doorstroomhypotheken, voor ouderen verder te gaan brengen zoals opgenomen in het regeerakkoord? Momenteel zijn zulke producten in de markt nog te beperkt aanwezig en doorstroming wordt hierdoor belemmerd.
In het Coalitieakkoord 2026–2030 is aangegeven dat met een doorstroombank of aantrekkelijk hypotheekproduct voor ouderen (doorstroomhypotheek) stenen makkelijker in geld worden omgezet. De aandacht vanuit het Coalitieakkoord voor doorstroming en hypotheken voor ouderen sluit aan bij al ondernomen acties, zoals via het Convenant Ouderen en toekomstbestendig wonen.5 De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening zal de Kamer rond de zomer informeren over de status van het verbeteren van de doorstroommogelijkheden voor ouderen.6
Het invoeren van een leegstandsheffing |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat een Kamermeerderheid op 23 september 2025 heeft ingestemd met het invoeren van een leegstandsheffing via het amendement 36 735-18 op de Fiscale Verzamelwet 2026?
Ja, dit is mij bekend.
Klopt het dat u op 22 januari jongstleden een koninklijk besluit heeft uitgevaardigd dat betrekking heeft op de inwerkingtreding van onderdelen van de Fiscale verzamelwet 2026, maar dat de leegstandsheffing daarin niet is meegenomen?
Het koninklijk besluit van 22 januari jl. heeft betrekking op de inwerkingtreding van artikelen van de wetsvoorstellen Overige fiscale maatregelen 2018 en de Fiscale verzamelwet 2026 die zien op de motorrijtuigenbelastingen. Dit valt onder mijn beleidsverantwoordelijkheid en staat los van het amendement over de leegstandsheffing. Het amendement voor de leegstandheffing is ingediend op de Fiscale verzamelwet 2026. Daarin zijn technische wijzigingen opgenomen van fiscale wetgeving, waarvan het wenselijk was dat deze per 1 januari 2026 in werking zouden treden. Het amendement wijzigt de Gemeentewet en staat daardoor los van de reguliere fiscale wetgeving. Voor dit amendement geldt dat de inwerkingtreding van het amendement op koninklijk besluit (KB) is gezet. De maatregel gaat in als de verantwoordelijke Minister deze heeft geslagen. Het koninklijk besluit tot inwerkingtreding van het amendement is tot op heden om procedurele redenen nog niet genomen, wat de uitvoering van een leegstandbelasting door gemeenten overigens niet in de weg hoeft te staan aangezien er door gemeenten eerst nog een verordening moet worden opgesteld voordat het jaar leegstand gaat lopen. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten werkt ter ondersteuning hiervoor aan een modelverordening waarvan gemeenten gebruik kunnen maken.
Waarom heeft u hiervoor gekozen?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat dit aangenomen amendement zo snel mogelijk wél wordt uitgevoerd, waardoor gemeenten aan de slag kunnen met het invoeren van een leegstandsheffing?
Het Ministerie van Financiën is hierover in gesprek geweest met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties als verantwoordelijke van de Gemeentewet en het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (beleidsverantwoordelijk). Het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening werkt nu aan het koninklijk besluit dat de inwerkingtreding van het amendement regelt. Daarna zal het koninklijk besluit worden geslagen waarmee het amendement zo snel mogelijk inwerking treedt.
Kunt u deze vragen met spoed beantwoorden, uiterlijk vrijdag 13 februari 2026 om 12:00?
Ja.
Het verwijderen van schilderijen uit een zorgcentrum vanwege brandveiligheid |
|
Vicky Maeijer (PVV), Jeremy Mooiman (PVV) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) , Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van het Algemeen Dagblad waarin valt te lezen dat zorgorganisatie Zorgwaard vanwege brandveiligheid heeft opgedragen schilderijen te verwijderen uit de gangen van zorgcentrum Immanuël in ’s-Gravendeel en daarbij dreigde met een boete van 25.000 euro?1
Ja.
Deelt u de mening dat, alhoewel brandveiligheid van groot belang is, het ook mogelijk moet zijn om een gebouw (zoals in dit geval een zorgcentrum) van inrichting te voorzien dat niet enkel op functioneel gebruik is gericht?
Het is nog steeds mogelijk om een zorgcentrum te voorzien van inrichting die niet enkel op functioneel gebruik is gericht. In de kamers van de bewoners en in de bijeenkomstruimten is nog allerlei inrichting mogelijk, zoals het ophangen van schilderijen. Dit is alleen anders voor een gemeenschappelijke verkeersruimte (gangen) waardoor bij brand moet worden gevlucht. In deze gangen mogen geen brandgevaarlijke objecten aanwezig zijn of objecten die het vluchten belemmeren. Met de wijziging van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) in 2024 is dit verduidelijkt in opvolging van de aanbevelingen van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OvV) in zijn rapport van 14 juli 2021 over de flatbrand in Arnhem in 20202.
Is bij de wijziging van het Bouwbesluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) uit 2024 rekening gehouden met mogelijke gevolgen voor inrichting van bijvoorbeeld zorgcentra, door te kijken naar alternatieve zaken om brandveiligheid te waarborgen? Zo ja, graag een toelichting & zo nee, waarom niet?
Zoals gemeld in mijn vorige antwoord was het rapport van de OvV over de flatbrand in Arnhem de aanleiding voor de wijziging van het Bbl. De OvV heeft hierin aanbevolen om te zorgen voor verbetering van het toezicht op de brandveiligheid in de gebruiksfase van woongebouwen en te bezien of een aanpassing van de geldende wet- en regelgeving nodig is. Aansluitend zijn door het voormalig Ministerie van VRO gesprekken gevoerd met gemeenten, Brandweer NL en organisaties van gebouweigenaren3 waaruit bleek dat de regelgeving op het gebied van het vrijhouden van vluchtwegen in woongebouwen onvoldoende duidelijk was. Duidelijkere regelgeving zou gemeenten en ook woningeigenaren helpen bij het uitvoeren van toezicht op het gebied van brandveiligheid en communicatie hierover met bewoners. Hierop is in samenspraak met genoemde partijen besloten om in het Bbl concreter te beschrijven wat wel en niet aanwezig mag zijn in de gemeenschappelijke verkeersruimtes, waar dit voorheen alleen algemeen geformuleerde regelgeving betrof. De wijziging van het Bbl is op 23 november 2023 gepubliceerd4 en op 1 juli 2024 in werking getreden.
Hoewel het al vóór 1 juli 2024 kon, is het voor gemeenten met de verduidelijkte regelgeving eenvoudiger om handhavend op te treden als in een gemeenschappelijke verkeersruimte sprake is van brandgevaarlijke objecten of objecten die het vluchten belemmeren. Dit was ook voorzien en beoogd met de wijziging van het Bbl.
Bent u bereid te onderzoeken op welke manier het gewijzigde Bbl uit 2024 kan worden aangepast óf ruimte voor interpretatie geeft die mogelijk onbekend is voor zorgcentra, zodat niet alleen de brandveiligheid kan worden gewaarborgd, maar ook zodat regelgeving niet «doorslaat» zoals in zorgcentrum Immanuël in ’s-Gravendeel?
Door het Nederlands Instituut Publieke Veiligheid (NIPV) wordt in samenspraak met het Ministerie van BZK al informatie gegeven aan eigenaren over het brandveilig gebruik van woongebouwen.5 In het kader daarvan zijn door het NIPV het afgelopen jaar al veel vragen beantwoord over de toepassing van de betreffende Bbl-eisen voor vluchtroutes. Aansluitend daarop is het NIPV recent opdracht gegeven om een handreiking op te stellen over de toepassing (interpretatie) van deze Bbl-eisen. In deze handreiking zal door het NIPV ook worden ingegaan op de ruimte die er is om met een gelijkwaardige oplossing te voldoen aan de eisen, als dit beter past bij een specifiek gebouw en het gebruik daarvan.
Onderhoud en verduurzaming van VvE’s |
|
Pieter Grinwis (CU) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) , Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het onderzoek van Vereniging Eigen Huis (VEH), waaruit blijkt dat bijna één op de vijf VvE’s over onvoldoende reserves beschikken om de komende jaren noodzakelijk onderhoud te kunnen betalen?1 Kunt u dit duiden, mede in het licht van het feit dat er al sprake is van achterstallig onderhoud bij VvE’s, zoals u al in een recente Kamerbrief stelt (Kamerstuk 30 196, nr. 855)?
Het is goed dat VEH aandacht vraagt voor de positie van VvE’s. Uw Kamer ontving begin 2025 de evaluatie van de Wet verbetering functioneren VvE’s. Eén van de conclusies luidde dat een deel van de VvE’s niet genoeg reserveert om het benodigde onderhoud uit te kunnen voeren en dat een substantieel deel van de onderhoudsplannen niet voldoet aan de huidige eisen.2 Ik heb hierover geen precieze cijfers. De cijfers van VEH zijn afkomstig van een niet willekeurige steekproef, waardoor de cijfers niet geplakt kunnen worden op alle VvE’s in Nederland. Als appartementseigenaren willen beoordelen of de maandelijkse vve-bijdrage en het reservefonds voldoende zijn voor het benodigde onderhoud en verduurzaming, dan biedt een meerjarenonderhoudsplan uitkomst mits dat actueel en van goede kwaliteit is (meer hierover bij vraag 7).
Bent u het eens dat verduurzaming vaak niet haalbaar is voor VvE’s als het uitvoeren van groot onderhoud niet mogelijk is, terwijl groot onderhoud en verduurzaming juist ook vaak goed samen kunnen gaan?
Ja, als het uitvoeren van groot onderhoud financieel niet haalbaar is, dan is verduurzaming doorgaans ook niet haalbaar. VvE’s sparen doorgaans niet voor verduurzaming, maar slechts voor instandhouding van het gebouw. Tegelijkertijd is voor verduurzaming subsidie beschikbaar. Als een VvE onderhoud laat uitvoeren zijn er kosten die sowieso gemaakt worden (begeleidingskosten, steigerwerk, kraan, arbeidskosten). Het is dus slim om het geplande onderhoud uit het meerjarenonderhoudsplan te combineren met verduurzaming. Vergeleken met een aantal jaar geleden zijn er in iedere stad nu succesverhalen, zoals bijvoorbeeld verwoord in het boek «De Lange Hordenloop».3 Desalniettemin erken ik dat het voor veel VvE’s niet eenvoudig is. Steeds minder mensen zijn actief lid van een vereniging, dat speelt ook bij VvE’s. Terwijl VvE-leden juist gezamenlijk tot een plan moeten komen en vervolgens van alles moeten regelen. Daarom zijn verschillende vormen van ondersteuning beschikbaar voor VvE’s. Zo kunnen VvE’s gebruikmaken van financiering via Nationaal Warmtefonds, via het Toekomstbestendig Onderhoudsfonds VvE’s en via gemeentelijke regelingen bij Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse gemeenten (SVn). Daarnaast zijn er subsidieregelingen, zowel voor de voorbereiding van de verduurzaming als voor de energiebesparende maatregelen. Stichting Milieu Centraal heeft een landelijk kenniscentrum waar appartementseigenaren sinds deze maand telefonisch terecht kunnen.4
Bent u het eens met 56% van de appartementseigenaren die een oplossing zien in betere financieringsmogelijkheden? Erkent u dat goede leenmogelijkheden voor VvE’s belangrijk zijn, zodat ook de appartementen die onderdeel van de VvE’s zijn, goed onderhouden en verduurzaamd kunnen worden?
Bij vraag 1 heb ik mijn reactie gegeven op de cijfers van VEH. Ik erken dat goede leenmogelijkheden een uitkomst, vaak zelfs noodzaak, zijn voor veel VvE’s die aan de slag willen met onderhoud en verduurzaming. Via het Toekomstbestendig Onderhoudsfonds VvE’s, gemeentelijke regelingen bij SVn en Nationaal Warmtefonds hebben VvE’s de mogelijkheid om te lenen. Hoe aantrekkelijker de voorwaarden, hoe sneller VvE’s aan de slag gaan. Lenen is in bijna alle gevallen veel aantrekkelijker dan sparen. Een belangrijk voordeel van lenen is de zekerheid. Hiermee bedoel ik de zekerheid dat de uitvoering op relatief korte termijn kan starten, waarna de baten volgen zoals energiebesparing en meer wooncomfort. Bovendien betekent lenen dat de kosten worden gespreid, bijvoorbeeld over een looptijd van twintig jaar.
Klopt het dat één van de leenmogelijkheden waar u in de eerder genoemde brief naar verwijst, namelijk bij het Nationaal Warmtefonds, primair gericht is op energiebesparende maatregelen en dat onderhoud hooguit beperkt kan worden meegenomen? Zo ja, erkent u dat dit veel VvE’s met (achterstallig) onderhoud nog onvoldoende helpt? Zo nee, hoe beoordeelt u dan de reikwijdte van deze regeling voor onderhoudsvraagstukken? Bent u bereid het Nationaal Warmtefonds aantrekkelijker te maken voor VvE's, zowel qua leenmogelijkheden als qua rentekorting?
Ja, het klopt dat het Warmtefonds primair gericht is op energiebesparende maatregelen, zoals isolatie, warmtepomp en zonnepanelen. Ik ben het met u eens wat betreft onderhoud. Mijn departement heeft daarom vorig jaar groen licht gegeven om te verkennen hoe het financieren van onderhoud past binnen de juridische kaders en budget. Ik verwacht dat het Nationaal Warmtefonds dit najaar onderhoud kan financieren bij VvE’s. Eind 2024 startte het Toekomstbestendig Onderhoudsfonds VvE’s en er zijn diverse gemeentelijke regelingen bij SVn voor het financieren van onderhoud. Zie verder bij vraag 5 over de aantrekkelijkheid van de leenvoorwaarden.
Klopt het dat u in de brief ook verwijst naar het Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse gemeenten (SVn), maar dat het Toekomstbestendig onderhoudsfonds VvE’s van SVn alleen toegankelijk is voor VvE’s vanaf acht appartementen, terwijl het grootste deel van de VvE’s in Nederland kleiner is? Hoe verhoudt dit zich tot de doelstelling om juist ook kleinere VvE’s in beweging te krijgen? Kunt u daarnaast reflecteren op de vraag of de rentecondities, die marktconform zijn en indicatief tegen de 6% liggen (afhankelijk van de looptijd) wel voldoende drempelverlagend zijn voor VvE’s met beperkte reservefondsen?
Het is belangrijk dat het Toekomstbestendig Onderhoudsfonds VvE’s is gestart waarmee VvE’s onderhoud kunnen financieren. Dit is inderdaad voor VvE’s vanaf acht appartementen. In 2025 zijn aan 23 VvE’s leningen verstrekt met 639 appartementen voor in totaal 5,6 miljoen euro. Dit fonds is relatief nieuw en gaat naar verwachting groeien. Het fonds biedt een oplossing voor VvE’s waarin sprake is van gemengd bezit. Daarnaast zijn er via SVn gemeentelijke regelingen beschikbaar voor grote VvE’s. In bepaalde gemeenten is voor kleine VvE’s een financiering mogelijk via Svn met borg van Nationale Hypotheekgarantie; dit betreft een pilot. Nationaal Warmtefonds financiert verduurzaming bij zowel grote als kleine VvE’s, en zal dat straks ook doen voor onderhoud.
U vraagt mij om te reflecteren op de leenvoorwaarden. Ik denk dat het heel terecht is dat we afgelopen jaren met overheidsmiddelen een lagere rente mogelijk hebben gemaakt bij Nationaal Warmtefonds. Met de huidige voorziene rijksbijdrage is dat nog mogelijk tot ongeveer eind 2027. Voor een vervolg hierop bij Nationaal Warmtefonds en eventuele uitbreiding naar het Toekomstbestendig Onderhoudsfonds en Svn, moet naar andere voorwaarden en/of aanvullende middelen worden gekeken.
Deelt u de conclusie dat de thans beschikbare leningen niet toereikend zijn om het achterstallige onderhoud bij VvE’s op grote schaal weg te werken en dat daarmee ook de verduurzaming in gevaar komt? Zo ja, bent u bereid middelen in te zetten om – naast bestaande verduurzamingsleningen – te komen tot een landelijk dekkend en goed toegankelijk VvE-onderhoudsfonds (dus ook voor kleine VvE’s) met redelijke rentecondities in de orde van grootte van de huidige verduurzamingsleningen (rond de 3,5%)? Zo nee, welke alternatieven ziet u dan om de onderhoudsproblemen weg te werken?
Ik snap uw zorgen over de beschikbare leenmogelijkheden en ga hierover graag in gesprek met uw Kamer. U vraagt mij te komen tot een landelijk dekkend onderhoudsfonds, of naar alternatieven te kijken om onderhoudsproblemen weg te werken. Of dit nodig is, hangt onder andere af van de verdere verkenning bij Nationaal Warmtefonds. Naast financiering is het belangrijk om VvE’s te ondersteunen met advies. Zodra een VvE deskundige en onafhankelijke procesbegeleiding inschakelt, groeit het draagvlak onder de appartementseigenaren voor het uitvoeren van onderhoud en verduurzaming. Om deze eerste drempel weg te nemen, subsidiëren we procesbegeleiding vanuit de «Subsidieregeling Verduurzaming voor VvE’s» (SVVE) vanuit de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Vanuit de SVVE is nog 89 miljoen euro beschikbaar. We zien een stijging van de aanvragen en verwachten dat deze regeling ruim voor 2030 is benut. Daarnaast kunnen appartementseigenaren naast de landelijke helpdesk van het kenniscentrum voor verduurzaming ook terecht bij gemeentelijke VvE-loketten, zoals in Tilburg, Groningen, Zoetermeer en Rotterdam.
U vraagt mij of de huidige instrumenten toereikend zijn. Voor appartementseigenaren is het een enorme uitdaging om een onderhouds- en verduurzamingsproject te organiseren, maar er is dus ondersteuning beschikbaar en er zijn subsidie- en leenmogelijkheden. Mijn zorg gaat uit naar VvE’s waar niet alleen achterstallig onderhoud een belemmering is, maar waar bredere problematiek speelt, zoals op gebied van leefbaarheid en veiligheid. Dit vraagt om ondersteuning vanuit alle betrokken partijen.
Hoe luidt uw reactie op de bevindingen uit het onderzoek dat 28% van de eigenaren zich zorgen maakt over de betaalbaarheid van de VvE-bijdrage op de lange termijn en voor 3% van de bewoners de huidige bijdrage al nauwelijks betaalbaar is? Erkent u dat het belangrijk is dat een betaalbare VvE-bijdrage van belang is, zeker voor huishoudens met de laagste inkomens? Hoe zet u zich daarvoor in?
Bij vraag 1 heb ik mijn reactie gegeven op de vragenlijst. Ik herken de zorg over betaalbaarheid, dat is ook de reden dat Nationaal Warmtefonds afgelopen zomer is gestart met een vangnetregeling voor stijgende VvE-bijdragen; de VvE-Ledenlening. Echter, ik denk dat het vooral belangrijk is dat de hoogte van de VvE-bijdrage voorspelbaar is. Daarom is het belangrijk dat VvE’s een actueel en realistisch meerjarenonderhoudsplan bijhouden en uitvoeren. Bij voorkeur kijken ze daarbij dertig jaar vooruit en houdt het plan rekening met verduurzaming. Ik ben daarom voornemens om wettelijk meer te regelen met het onderhoudsplan. Dit zorgt voor meer bewustwording bij VvE’s.
Erkent u dat de VvE-ledenlening voor appartementseigenaren met een laag inkomen, waar u in de genoemde brief naar verwijst, alleen toegankelijk is wanneer de VvE een Energiebespaarlening bij het Warmtefonds heeft afgesloten (dus niet wanneer een andere manier van financieren tot een bijdrageverhoging leidt) en dat er meer beperkingen gelden, waaronder een inkomensgrens van € 2.250 voor alleenstaanden en € 39.500 voor meerpersoonshuishoudens? Meent u dat deze ledenlening desondanks voldoende toegankelijk is voor appartementseigenaren die moeite hebben om de stijging van de maandelijkse bijdrage te kunnen betalen? Zo ja, waarom?
Nationaal Warmtefonds is vorig jaar de VvE-ledenlening gestart voor appartementseigenaren met een laag inkomen in een VvE die leent bij Nationaal Warmtefonds. De ledenlening dempt de stijgende VvE-bijdrage. Dit is mogelijk dankzij subsidie van het Rijk. De overheidsbijdrage per ledenlening is veel hoger dan de overheidsbijdrage aan renteloze leningen aan particulieren. Ik vind dat verdedigbaar, omdat we hiermee onzekerheid wegnemen bij alle leden van een VvE. Door de huidige inkomensgrenzen te hanteren gaat de overheidsbijdrage naar de doelgroep waar de behoefte het grootst is en daarmee ook het effect. Daarom is de ledenlening niet een oplossing voor alle appartementseigenaren die moeite hebben met een stijgende bijdrage.
Bent u bereid om te zorgen voor een toegankelijkere ledenlening en hier bijbehorende middelen voor uit te trekken? Zo ja, wanneer kunt u de Kamer informeren over de vormgeving hiervan? Zo nee, waarom niet?
De overheidsbijdrage aan de ledenlening dekt het Rijk vanuit het Sociaal Klimaatfonds van de Europese Commissie. Dit fonds is alleen bedoeld voor de mensen die dat het hardst nodig hebben, daarom is gekozen voor deze inkomensgrens. Als we de inkomensgrens verhogen, dan kan de ledenlening niet gedekt worden met Europese middelen.
Bent u bereid om, in het kader van de verbeteren van (de ondersteunings- en versnellingsmogelijkheden voor) onderhoud en verduurzaming en de hierboven aan de orde gestelde problematiek en gelet op uw VvE-Versnellingsagenda verduurzaming, regelmatig te overleggen met organisaties als VvE Belang en Vereniging Eigen Huis? Wanneer heeft u deze organisaties voor het laatst gesproken, wat kwam daaruit en welke opvolging heeft u daaraan gegeven?
Om goed te begrijpen wat VvE’s nodig hebben, ben ik doorlopend in gesprek met gemeenten, bouwbedrijven, intermediairs en uiteraard met appartementseigenaren. Dat soort gesprekken zijn de basis voor de VvE-Versnellingsagenda verduurzaming. Er is dan ook doorlopend contact met vertegenwoordigers van appartementseigenaren en VvE’s, waaronder VvE Belang en Vereniging Eigen Huis. Ik ben op bezoek gegaan bij een VvE in Zoetermeer en ben zeer onder de indruk dat appartementseigenaren een ambitieus onderhouds- en verduurzamingsproject voor elkaar hebben gekregen. Met begeleiding van de gemeente leren de VvE’s van elkaar en dat is van grote meerwaarde. Het landelijk kenniscentrum helpt ook met het delen van best practices en bevordert kennisoverdracht van reeds ervaren VvE’s aan VvE’s die nog moeten beginnen met verduurzaming.
Het bericht 'Jetten verruimt de hypotheekrenteaftrek' |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Kunt u de budgettaire gevolgen in kaart brengen van het niet kunnen handhaven van de 30-jaarstermijn in de hypotheekrenteaftrek per 2031 en verder, als dit betekent dat huishoudens met een oude hypotheek ook na 30 jaar nog gebruik blijven maken van de hypotheekrenteaftrek?1
Kunt u uiteenzetten bij wat voor soort hypotheken hier een probleem ontstaat en wat de omvang hiervan is?
Waarom is nooit een goed administratiesysteem opgezet om te kunnen voldoen aan deze wettelijke verplichting en ter voorkoming van financiële derving?
Als er inderdaad sprake is van financiële derving, hoe dient deze dan begrotingstechnisch te worden gedekt?
Klopt het dat de overheid van mensen verwacht dat zij het verlopen van de 30-jaarstermijn zelf verwerken in de aangifte en ligt de bewijslast bij de burger. Hoe gaat de Belastingdienst dit vervolgens controleren?
Is het verschil wat dan ontstaat tussen mensen bij het niet kunnen handhaven juridisch houdbaar of kan dit leiden tot procedures van mensen die ook langer aftrek willen in het kader van gelijke behandeling?
Werkt de Belastingdienst aan oplossingsrichtingen over hoe om te gaan met het aflopen van de 30-jaarstermijn? Zo ja, wat zijn mogelijke oplossingsrichtingen en wat betekenen deze voor de uitvoering. Zo niet, waarom niet?
Negatieve gevolgen van extra provinciale regels inzake netcongestie voor woningbouw. |
|
Jeremy Mooiman (PVV), Alexander Kops (PVV) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van de Telegraaf waarin staat dat nieuwe woningen in Utrecht, Flevoland en Gelderland opnieuw 10.000 tot 15.000 euro duurder dreigen te worden, omdat provincies eisen dat ontwikkelaars en bouwers «netbewust bouwen»?1
Klopt het dat onbekend is hoeveel bouwplannen nooit verder komen dan papier vanwege netcongestie? Zo ja, bent u bereid dit met relevante partners elk half jaar in kaart te brengen?
Kunt u nader toelichten waarom na 1 juli 2026 netbeheerders geen ruimte meer mogen reserveren voor woningbouw en de prioriteit naar congestieverzachters verschuift?
Deelt u de mening dat het, gelet op de huidige woningnood, een slechte zaak is dat circa 10.000 gebouwde woningen in Nederland niet bewoond kunnen worden, omdat er geen stroomaansluitingen beschikbaar zijn?
Deelt u de mening dat het niet bevorderlijk is voor het behalen van de eisen van betaalbare nieuwbouw, als ontwikkelaars moeten investeren door aanvullende provinciale eisen wat de realisatie van nieuwbouwwoningen duurder maakt, terwijl er bovendien geen garantie is dat er een aansluiting volgt? Graag uw visie.
Deelt u de mening dat het tegengaan van netcongestie belangrijk is, maar niet zou moeten betekenen dat broodnodige woningbouw wordt gehinderd? Graag uw visie.
Wat bent u bereid op korte termijn te ondernemen om provincies en gemeenten te stimuleren dat zij niet zomaar aanvullende eisen boven op het Besluit bouwwerken leefomgeving kunnen instellen en gebruiken om vergunningen te weigeren?
Kunt u aangeven, in het kader van tegengaan van bovenwettelijke eisen, wat u tot nu toe heeft ondernomen én van plan bent te gaan ondernemen om gemeenten op te roepen geen bovenwettelijke eisen op te leggen aan nieuwbouwwoningen en toezicht te houden op de naleving hiervan (bijvoorbeeld via bestuurlijk overleg, versnellingstafels of woonafspraken), zoals de aangenomen motie Mooiman (Kamerstuk 36 600 XXII, nr. 25) heeft verzocht.
Wat heeft u ondernomen en wat gaat u ondernemen om het belang van woningbouw zo zwaar mogelijk te laten meewegen bij de vormgeving van beleid om netcongestie tegen te gaan?