De overnames van vakantieparken en de stand van zaken van de nieuwe Kampeerwet |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Herbert , Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Markt voor vakantiehuizen koelt in hoog tempo af»?1 Wat is u reactie op het feit dat er op makelaarssite Funda nu 4.979 recreatiewoningen te koop staan, 32% meer dan in maart 2025?
Ja, het artikel is bekend. Het totaalaanbod van recreatiewoningen groeit en de vraag groeit niet of nauwelijks. De prijzen stagneren. Er is sprake van een stabiliserende markt.
Herkent u de door makelaarsvereniging NVM geconstateerde trend dat steeds meer eigenaren van vakantiewoningen deze willen verkopen?
Ja, het aantal te koop staande vakantiewoningen groeit. Deze trend zet zich voort in 2026. Kopers hebben meer keuze en bieden vaker en ruimer onder de vraagprijs. De afgelopen vijf jaar zijn de prijzen van recreatiewoningen met 40% gestegen. Deze groei is nu voorbij. De gemiddelde verkoopprijs van in 2025 verkochte recreatiewoningen komt uit op 247 duizend euro. Dat is vrijwel even hoog als het jaar ervoor, de stijging bedraagt slechts 0,1%, zo blijkt uit cijfers van de NVM2, vraag en aanbod komen meer in balans.
Onderschrijft u de woorden van recreatieadviseur Hans van Leeuwen dat straks 75% van de vakantiehuizen in Nederland geen rendement meer oplevert? Voorziet u net als hij een grote verkoopgolf?
Er is sprake van een normalisatie van de markt voor vakantiewoningen. Het aantal transacties groeit nog licht, maar niet spectaculair. In 2025 werden 4.273 vakantiewoningen verkocht, een stijging van 2,9% ten opzichte van 2024. Dat is volgens het eerdergenoemde NVM-rapport een gematigde stijging. Daarmee beweegt de markt zich van een krappe verkopersmarkt naar een meer evenwichtige marktsituatie. Daar past een duiding als «grote verkoopgolf» niet bij.
De rendementen staan vaker onder druk door hogere belastingen, btw-verhogingen en stijgende lasten. Dat 75% van de vakantiehuizen geen rendement meer zouden opleveren lijkt mij een hele hoge inschatting, die ook nergens bevestigd wordt door data. De vraag naar de huur van vakantiewoningen blijft relatief sterk. Ondernemers en particuliere beleggers zullen wel steeds kritischer en professioneler moeten kijken naar hun investeringen.
Daarnaast zijn de verschillen per regio groot. Het is daarom lastig alles te vervatten in een landelijk rendementsbeeld. In bijvoorbeeld Zeeland, in Limburg of op de Veluwe bestaan veel verschillen. Het aantal vakantiehuizen dat in de verkoop gaat zal sterk verschillen per regio. Met name particuliere beleggers zullen waarschijnlijk eerder uit deze markt stappen vanwege lagere rendementen en fiscale druk.
De SP heeft jarenlang gewaarschuwd dat de overname van campings en de bouw van veel nieuwe vakantiewoningen ertoe zou leiden dat deze markt ook op een moment weer zou afkoelen, met grote gevolgen voor alle betrokkenen, erkent u dat dit nu gebeurt?
De koopmarkt koelt af, maar de huurvraag naar vakantiewoningen houdt aan, mede door de groei van buitenlands en binnenlands toerisme. Degene die kortgeleden hebben gekocht zullen wel scherper moeten zijn op hun rendementen. Daarnaast zien we in Nederland geen opvallende prijsbewegingen in deze markt.
Ondanks de snel afkoelende markt voor vakantiehuizen, worden er nog steeds campings opgekocht en geherstructureerd voor de bouw van (luxe) vakantiewoningen, deelt u onze mening dat dit zeer onverstandig is?
Hoewel de verkoopmarkt voor vakantiehuizen momenteel stabiliseert, blijft de vraag onverminderd aanwezig. Het opkopen en herstructureren van campings kan bijdragen aan een toekomstbestendig recreatieaanbod. Het geeft vernieuwing in het aanbod, het versterkt de toeristische aantrekkingskracht van een regio, draagt bij aan de lokale economie en werkgelegenheid.
Nog steeds verliezen recreanten hun vaste kampeerplek omdat ze moeten wijken voor de komst van duurdere vakantiewoningen, ondanks dat er een groter tekort is aan betaalbare vakantieplekken dan aan luxere vakantiewoningen, wat gaat u doen om deze trend te keren?
Het is mij bekend dat er gevallen zijn waarbij recreanten hun vaste kampeerplek verliezen doordat het huurcontract wordt opgezegd. Ik beschik op dit moment niet over signalen waaruit blijkt dat sprake is van een landelijke ontwikkeling. Dit is een ontwikkeling die ik zeer spijtig vind voor de betrokken recreanten. Echter, ik erken ook het belang van ondernemers om hun bedrijfsvoering rendabel en concurrerend te houden in een markt die voortdurend in beweging is.
Kent u de oproep van Veluwse gemeenten «Overnamegolf vakantieparken baart gemeenten op Veluwe zorgen: «Voor veel mensen onbetaalbaar»»?2
Ja.
Begrijpt u de zorgen van de Veluwse gemeenten dat steeds meer vakantieparken in handen komen van grote ketens?
Ik trek me de zorgen aan van de Veluwse gemeenten over de overnames van vakantieparken door grote ketens. Op landelijk niveau zijn er geen duidelijke aanwijzingen dat overnames structureel leiden tot hogere prijzen, tot marktdominantie of tot een uniforme inrichting van vakantieparken die recreatie ontoegankelijk maakt voor brede groepen. De Autoriteit Consumenten & Markt (ACM) houdt hierop toezicht en bewaakt de markt hierop. Er zijn op dit moment geen aanwijzingen voor marktdominante posities.
Overnames door grotere partijen zie ik niet allereerst als problematisch. Ik kan me ook niet vinden in de vrees voor een uniforme inrichting. Integendeel, het versterkt vaak juist professionalisering, modernisering en veranderingen gericht op nieuwe doelgroepen. Daarmee blijft een vakantiepark ook dynamisch en in staat om met nieuwe impulsen te blijven concurreren en te blijven bestaan. Gemeenten hebben daarbij de mogelijkheid om te sturen op de gewenste lokale invulling. Lokaal doen zich wel prijsstijgingen voor en wisselingen in het aanbod, maar dit hangt vaak nauw samen met het aansluiten op veranderende doelgroepen en de regionale marktcontext.
Begrijpt u de zorgen van de Veluwse gemeenten dat vakanties daardoor te duur worden?
Zie antwoord vraag 8.
De Veluwse gemeenten spreken nu de, ook door de SP vaak geuite zorg uit, dat vakantieparken eenheidsworst worden en vakantie straks alleen nog te betalen is voor mensen met veel geld, deelt u deze zorg nu eveneens?
Zie antwoord vraag 8.
Erkent u dat het voor gemeentes nu vaak lastig is om de komst van vakantieketens te voorkomen? Kunt u in uw antwoord meenemen welke mogelijkheden gemeenten volgens u hebben om deze trend te keren?
Het staat eigenaren van parken vrij om privaatrechtelijk hun park te verkopen aan andere partijen. Dat kan natuurlijk ook een overheid zijn. De gemeente kan in het omgevingsplan publiekrechtelijk regels stellen over de toegelaten kampeermiddelen, een maximaal aantal recreatiewoningen of een maximaal bebouwd oppervlakte. Op deze manier kan door de gemeente actief gestuurd worden op de ontwikkeling van een park.
Erkent u dat wanneer het voor gemeenten al lastig is om hier iets aan te doen, het voor recreanten die hun vaste plek dreigen te verliezen nog veel lastiger is?
Ik kan mij goed voorstellen dat recreanten die hun vaste plek dreigen te verliezen dit als zeer ingrijpend ervaren en dat hierbij ook persoonlijke en emotionele belangen meespelen. De verhalen over het verliezen van een plaats waar sommige families soms tientallen jaren hebben gestaan, en die voelen als een tweede thuis, heb ik gezien en gehoord. Afhankelijk van de situatie zal hun juridische positie ten aanzien van de nieuwe eigenaar verschillen. Huurders van een vaste standplaats kunnen zich bijvoorbeeld beroepen op het algemeen huurrecht waarin de plichten van zowel de verhuurder als de huurder zijn geregeld.
Erkent u dat gemeenten bestaande instrumenten om recreatiebestemmingen te beschermen in de praktijk lang niet altijd benutten of handhaven?
Ik kan daar in algemeenheid geen antwoord op geven. Gemeenten en provincie maken beleid en regels over recreatie. Dat kan ook gaan over de vitalisering van vakantieparken of recreatieparken. Gemeenten kunnen uiteindelijk concreet op de ontwikkeling van een recreatiefunctie op een bepaalde locatie sturen via het omgevingsplan of de verlening van een vergunning om daarvan af te wijken.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat gemeenten recreatief gebruik laten verdwijnen zonder duidelijke ruimtelijke afweging over de gevolgen voor betaalbare recreatie, leefbaarheid en toerisme?
Het is in beginsel aan de gemeenten en daarna aan de provincie om ruimtelijk beleid te maken over recreatie. In dat kader kunnen zij ook beoordelen of het recreatief gebruik van gronden binnen hun grondgebied afneemt en een afweging te maken over de gevolgen daarvan voor de beschikbaarheid van betaalbare recreatie, leefbaarheid en toerisme. De gemeente en daarna de provincie kunnen de lokale en regionale situatie het beste beoordelen en in dat kader ook de ruimtelijke afweging het beste maken. Als het gaat om concrete lokale of regionale ontwikkelingen heb ik daar in beginsel vanuit het Rijk geen rol in.
Erkent u dat recreanten nu niet of nauwelijks beschermd zijn bij overnames en herstructureringen?
Ik herken me niet in de stelling dat recreanten momenteel niet of nauwelijks beschermd zijn. Recreanten kunnen met een vaste standplaats zich beroepen op het algemeen huurrecht, waarin de rechten en plichten van verhuurder en huurder zijn geregeld.4 Daarnaast zijn herstructureringen die buiten het geldende omgevingsplan vallen onderworpen aan planologische toetsing op grond van de Omgevingswet, waarbij de effecten op de fysieke leefomgeving moeten worden onderzocht. Bovendien bieden de HISWA-RECRON-voorwaarden recreanten op aangesloten parken aanvullende bescherming boven op de wettelijke kaders. Deze voorwaarden zijn recent aangescherpt in samenwerking met de ANWB en zijn consumentvriendelijker geworden. Zo geldt bij herstructurering zonder vervangende plaats een minimale opzegtermijn van 18 maanden en zijn de verplaatsingsvergoedingen verhoogd. Geschillen kunnen worden voorgelegd aan de Geschillencommissie Recreatie en Watersport, waarbij HISWA-RECRON de nakoming van bindende uitspraken garandeert.
Wat vindt u ervan dat sommige recreanten niet eens precies weten wie de nieuwe eigenaar is omdat deze verscholen zit in een reeks bv’s? Zo is Metanoia, de nieuwe eigenaar van camping de Fontein, met 25 bv’s ingeschreven op één adres en staan er 60 bv’s op één adres in Zandvoort waaronder de nieuwe eigenaar van camping Sandevoerde, ziet u dit als onwenselijk?
Wat vindt u ervan dat sommige recreanten niet eens precies weten wie de nieuwe eigenaar is omdat deze verscholen zit in een reeks bv’s? Zo is Metanoia, de nieuwe eigenaar van camping de Fontein, met 25 bv’s ingeschreven op één adres en staan er 60 bv’s op één adres in Zandvoort waaronder de nieuwe eigenaar van camping Sandevoerde, ziet u dit als onwenselijk?
Hoeveel campings en vakantieparken zijn sinds 2020 overgenomen door investeringsmaatschappijen, grote recreatieketens of vastgoedpartijen?
Er is geen officiële telling van alle overnames in Nederland. Er is wel sprake van een beweging van de markt van een situatie met veel individuele eigenaren naar een situatie waarin een groeiend deel van de vakantieparken wordt beheerd door professionele partijen. Dit draagt bij aan kwaliteitsverbetering, meer comfort, meer veiligheid en goed beheer.
Heeft het kabinet zicht op hoeveel vaste kampeerplaatsen de afgelopen vijf jaar zijn verdwenen?
Onder vaste kampeerplaats wordt doorgaans verstaan een plek waar een kampeermiddel het gehele jaar mag blijven staan doordat de huurder de grond huurt voor een jaar met stilzwijgende verlenging. Het gaat dan veelal om specifieke huurafspraken tussen de eigenaar van de grond en de huurder. Vanuit het kabinet is hier geen zicht op.
Hoeveel nieuwe recreatiewoningen, waaronder luxe recreatiewoningen, zijn de afgelopen vijf jaar vergund, en hoeveel betaalbare kampeerplaatsen zijn in dezelfde periode verdwenen?
Ik heb geen gegevens over het aantal vergunde luxe recreatiewoningen die de afgelopen vijf jaar vergund zijn en het aantal betaalbare kampeerplaatsen. In dit kader is ook van belang dat er geen vastomlijnde definitie is van betaalbare kampeerplaatsen. Dat maakt dat het aantal verdwenen betaalbare kampeerplaatsen überhaupt niet concreet te bepalen is. Hetzelfde geldt voor luxe recreatiewoningen.
Heeft u inzicht in het aantal overnames van campings en vakantieparken dat gepaard gaat met opzegging van vaste standplaatsen, herstructurering of omzetting naar recreatiewoningen?
Ik heb geen specifiek inzicht in de eigendomssituatie van campings en vakantieparken. Hierdoor heb ik ook geen inzicht in hoeverre de overnames gepaard gaan met opzegging van vaste standplaatsen, herstructurering of omzetting naar recreatiewoningen. Ik wil toch graag nog het volgende toelichten over de marktsituatie. Het beeld dat overnames vooral door grote concerns worden gedreven, is te eenzijdig. De markt bestaat voor een belangrijk deel uit mkb’ers, familiebedrijven en kleinere investeerders. Bovendien investeren sommige buitenlandse concerns juist gericht in het behoud en de verbetering van vaste standplaatsen.
Bent u bereid landelijk inzichtelijk te maken hoeveel vaste kampeerplaatsen de afgelopen jaren zijn verdwenen door overnames, herstructurering en transformatie van vakantieparken?
Een onderzoek naar het enkel verdwijnen van vaste kampeerplaatsen en de reden daarvan acht ik niet noodzakelijk. Vanuit het Rijk zet ik in op een vitale recreatiesector waarbij het aanbod aansluit op de vraag. Dit vergt een breder perspectief dan alleen de ontwikkeling in het aantal vaste kampeerplaatsen.
Erkent u dat recreatiewoningen en vakantieparken in toenemende mate worden gebruikt door bedrijven die vakantiewoningen opkopen voor de huisvesting van arbeidsmigranten, waardoor recreatiebestemmingen feitelijk verdwijnen?
Ik heb geen specifiek inzicht in de eigendomssituatie van recreatiewoningen en vakantieparken. Het is aan de gemeente om te beoordelen in hoeverre activiteiten zoals de huisvesting van arbeidsmigranten op een vakantiepark of in een recreatiewoning past binnen de regels voor die locatie het omgevingsplan en of afwijking hiervan mogelijk is.
Heeft u inzicht in hoeveel recreatieparken momenteel geheel of gedeeltelijk worden gebruikt voor de huisvesting van arbeidsmigranten?
Zie het antwoord op vraag 22.
Deelt u de mening dat recreatieparken primair bedoeld moeten blijven voor recreatie en betaalbare vakanties, en niet sluipenderwijs moeten veranderen in grootschalige huisvestingslocaties?
Dat kan ik in algemeenheid zo niet zeggen. Zoals eerder aangegeven zet ik mij vanuit het Rijk in op een vitale recreatiesector waarbij het aanbod aansluit op de vraag.
Erkent u dat de combinatie van grootschalige opkoop van vakantieparken, herstructurering en huisvesting van arbeidsmigranten leidt tot verdere afname van betaalbare recreatiemogelijkheden voor Nederlandse gezinnen?
Zoals eerder aangegeven heb ik geen inzicht in de eigendomssituatie van vakantieparken en de mate waarin deze parken gebruikt worden voor de huisvesting van arbeidsmigranten. Ik kan dan ook niet aangeven of de combinatie van grootschalige opkoop van vakantieparken, herstructurering en huisvesting van arbeidsmigranten leidt tot verdere afname van betaalbare recreatiemogelijkheden voor Nederlandse gezinnen.
Hoe verklaart u dat woningbouwprojecten in heel Nederland geregeld stilvallen vanwege stikstofregels, terwijl de uitbreiding of herstructurering van vakantieparken en de bouw van recreatiewoningen vaak wel doorgaan, óók nabij kwetsbare natuurgebieden?
De kaders zijn voor alle projecten gelijk, woningbouw noch recreatie krijgt een voorkeursbehandeling in wet- en regelgeving. De toetsing en vergunningverlening blijft altijd liggen bij gemeenten en provincies als bevoegde gezagen. Zij beschikken over voldoende instrumentarium om hier zorgvuldig op te sturen. Wanneer een project significante effecten heeft op een Natura 2000-gebied, is een natuurvergunning verplicht.
Deelt u de mening dat het wringt dat betaalbare woningbouw regelmatig wordt tegengehouden vanwege stikstof, terwijl recreatieve vastgoedontwikkeling veelal wel mogelijk blijkt?
Het Kabinet begrijpt die spanning, maar deelt de conclusie niet dat er sprake is van een ongelijk speelveld. Zie eerder toelichting bij het antwoord van vraag 26.
Erkent u dat stikstofberekeningen bij de herstructurering van vakantieparken doorgaans gebaseerd zijn op door initiatiefnemers zelf aangeleverde gegevens en berekeningen?
Ja. Het is gebruikelijk dat initiatiefnemers zelf de benodigde berekeningen en onderzoeksgegevens aanleveren. Overigens geldt dat voor alle sectoren, niet alleen voor recreatie.
Hoe wordt gecontroleerd of de aangeleverde stikstofberekeningen, verkeersprognoses en natuuronderzoeken bij recreatieve herstructureringsprojecten daadwerkelijk volledig en realistisch zijn?
Zoals eerder omschreven ligt de toetsing van aangeleverde berekeningen en onderzoeken bij de bevoegde gezagen (gemeenten en provincie). Zij beoordelen of de onderbouwing volledig en realistisch is voordat een vergunning wordt verleend.
Heeft u signalen dat herstructureringen van vakantieparken gefaseerd worden uitgevoerd om stikstofeffecten of vergunningplichten te beperken of te omzeilen?
Hiervan ben ik niet op de hoogte. Dit is vooral een juridisch en planologisch vraagstuk. Gefaseerde ontwikkelingen zijn meestal zichtbaar. De discussie gaat daarom doorgaans niet over de zichtbaarheid van een project, maar over de manier waarop het juridisch wordt beoordeeld. Dit speelt met name bij provincies en gemeenten.
Wordt bij gefaseerde herstructurering van campings en vakantieparken altijd gekeken naar de totale cumulatieve stikstof- en natuureffecten van het volledige project?
Het is aan de initiatiefnemer en het bevoegd gezag om te bepalen of een project een geheel vormt of juridisch sprake is van losse projecten. Op basis van deze beoordeling moet ook bepaald worden welke stikstofberekening nodig is.
Deelt u de mening dat voorkomen moet worden dat grootschalige recreatieve vastgoedontwikkeling via deelprojecten of gefaseerde aanvragen onder natuur- en stikstofregels uitkomt?
Zie het antwoord op vraag 31.
Voorjaar 2025 werd ons voorstel aangenomen om te komen tot een nieuwe Kampeerwet om recreanten, natuur en omgeving beter te beschermen (motie Kamerstuk 36 452, nr. 4), hoe staat het met de uitvoering van deze motie?
Ik erken dat de reactie op de motie langer op zich heeft laat wachten dan ik had voorzien. De motie vroeg om een zorgvuldige afweging en dat vergde de nodige tijd.
Ik realiseer mij dat het verlies van een jaarplaats op een kampeerterrein voor recreanten ingrijpend kan zijn en dat hierbij ook persoonlijke en emotionele belangen meespelen. De verhalen over het verliezen van een plaats waar sommige families soms tientallen jaren hebben gestaan, en die voelen als een tweede thuis, heb ik gezien en gehoord. Die zorgen neem ik serieus en heb ik meegewogen in mijn overwegingen.
Om verschillende redenen ben ik echter tot de conclusie gekomen dat een nieuwe Kampeerwet niet leidt tot een betere situatie voor recreanten en ondernemers. Ik zie dan ook geen aanleiding voor aanvullende landelijke wetgeving. Hierin heb ik een zorgvuldige afweging gemaakt waaruit blijkt dat meer wettelijke bescherming niet leidt tot meer beschikbare plaatsen, maar wel tot meer regeldruk en hogere kosten voor zowel ondernemers als voor recreanten.
In de Kamerbrief Toerisme, die ik vandaag naar de Kamer heb gestuurd, ga ik uitgebreider in op de verschillende redenen die hieraan ten grondslag liggen.
Op 21 januari 2026, bij de behandeling van de begroting van Economische Zaken, schreef u aan de Kamer «de uitvoering van de motie heeft mijn aandacht» en «naar verwachting wordt de reactie de binnenkort aan de Kamer gestuurd», wat is uw definitie van binnenkort?
Zie antwoord vraag 33.
Wanneer kunnen we de reactie op de aangenomen motie verwachten? Kunt u al zeggen welke maatregelen u gaat nemen om recreanten, natuur en omgeving beter te beschermen?
Zie antwoord vraag 33.
Welke maatregelen gaat u opnemen in de nota Ruimte om te borgen dat Nederland een divers recreatieaanbod heeft met mogelijkheden voor elk budget?
Ruimte voor recreatie is belangrijk voor complete en prettige leefomgevingen. Voor de Nota Ruimte bezie ik hoe er meer dan in de Ontwerp-Nota Ruimte aandacht kan zijn voor reactie, welke vaak goed samengaat bij ontwikkelingen van bijvoorbeeld woningbouw of natuurontwikkeling. Dit betreft dan de ruimtelijke aspecten daar waar het Rijk een rol heeft. Vaak liggen verantwoordelijkheden rondom recreatie bij de medeoverheden en het bedrijfsleven, zo ook waar dat de mogelijkheden voor elk budget betreft.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de «eerste verjaardag» van onze aangenomen motie om te komen tot een nieuwe Kampeerwet (binnen de termijn van drie weken)?
Door de zorgvuldige afweging die ik gemaakt heb over deze motie, is het helaas niet gelukt de vragen tijdig te beantwoorden.
De aardbeving in Eleveld op 14 oktober 2026 en de belofte voor een nieuwe regeling |
|
Henk Jumelet (CDA), Ulaş Köse (D66) |
|
de Bat |
|
|
|
|
Gelet op het feit dat de Commissie Mijnbouwschade in eerdere gevallen 440.000 euro aan onderzoeks- en proceskosten heeft gemaakt tegenover slechts € 80.000 aan uitgekeerde herstelgelden en zij het hier zelf ook niet mee eens is, hoe wordt bij de uitwerking van een nieuwe regeling geborgd dat een proportioneel en maatschappelijk uitlegbaar deel van de middelen daadwerkelijk terechtkomt bij herstel en compensatie voor bewoners?
In 2025 is er een evaluatie geweest van de schadeafhandeling in Ekehaar door de Commissie Mijnbouwschade (verder: CM).1 Hier kwam inderdaad uit naar voren dat er bij de afhandeling van de schademeldingen naar verhouding veel kosten werden gemaakt voor causaliteitsonderzoek door deskundigen ten opzichte van de bedragen die uiteindelijk zijn uitgekeerd om schade te vergoeden. Daarom heeft de voormalige Minister van Klimaat en Groene Groei aangegeven samen met de mijnbouwbedrijven (gas, olie, zout en opslag) te willen kijken naar een verbetering van de reguliere procedure van de CM. Dit vergt tijd, mede ook omdat met alle mijnbouwondernemingen overeenstemming moet worden bereikt.
Voor de afhandeling van schademeldingen als gevolg van de aardbeving bij Geelbroek heeft het kabinet hier niet op willen wachten. We stellen een aanpak voor waarin schademeldingen door de aardbeving bij Geelbroek sneller worden afgehandeld en er minder geld gaat naar onderzoek2. In deze aanpak worden vier ringen onderscheiden binnen het door de CM vastgestelde beoordelingsgebied. De CM en NAM willen in de twee ringen dichtbij het epicentrum een versnelde procedure toepassen op grond van het Instellingsbesluit van de CM (artikel 7 van Protocol A in Bijlage 1). Dit houdt in dat een causaal verband wordt aangenomen en inwoners hun schade tot bepaalde maximale bedragen vergoed kunnen krijgen. Voor ring 1 gaat het om een maximaal bedrag van € 10.000 euro en voor ring 2 om een maximaal bedrag van € 7.000 euro. Als de schademelder hier geen gebruik van wil maken wordt de schademelding door de CM afgehandeld met behulp van de reguliere procedure, waarbij wel onderzoek naar causaliteit wordt gedaan. Dit vergt een langere doorlooptijd en de schademelder loopt het risico dat hij uiteindelijk geen of een lagere vergoeding krijgt dan hij zou hebben gekregen onder de versnelde procedure. Dit aangezien schade in woningen in Nederland vele verschillende en soms gecombineerde oorzaken heeft. In de buitenste twee ringen wil NAM geen causaal verband aannemen, omdat NAM van mening is dat slechts in uitzonderlijke gevallen en dan in beperkte mate sprake zal zijn van schade die veroorzaakt of verergerd is door de beving bij Geelbroek. Dit zou betekenen dat deze schades volgens de reguliere procedure moeten worden afgehandeld. Dit vindt het kabinet, vanwege het grote aantal schademeldingen niet wenselijk. Wel is NAM bereid om een bedrag beschikbaar te stellen om de afhandeling van schademeldingen in dit gebied te bespoedigen en de uitvoeringskosten te mitigeren. Daarom werkt het kabinet aan een beleidsregel, op grond waarvan schademelders voor de buitenste twee ringen voor een onverplichte tegemoetkoming in aanmerking kunnen komen. Voor ring 3 en voor ring 4 wordt er met een vast bedrag gewerkt als onverplichte tegemoetkoming van overheidswege. Voor ring 3 gaat het om € 3.000 euro en voor ring 4 om 1.000 euro. Met deze aanpak is geen causaliteitsonderzoek vereist. Daardoor is de verwachting dat er een betere verhouding is tussen uitgekeerde tegemoetkomingen en onderzoekskosten. In ringen 3 en 4 kunnen schademelders ook voor de reguliere procedure kiezen.
Welke uitgangspunten hanteert u om te waarborgen dat de nieuwe regeling uitgaat van vertrouwen in bewoners, in plaats van wantrouwen en bewijsdruk?
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag één, kunnen schademelders, afhankelijk van in welke ring hun woning staat, aanspraak maken op een vergoeding tot een maximaal bedrag (ringen 1 en 2) of een vast bedrag als onverplichte tegemoetkoming van overheidswege (ring 3 en 4). Er is geen causaliteitsonderzoek naar de oorzaak van de schade vereist. De schademelder kan ook nog steeds kiezen voor de reguliere procedure van de CM.
Welke waarborgen komen er voor een eenvoudige, laagdrempelige en snelle afhandeling van kleine en evidente schadegevallen?
Zoals beschreven in het antwoord op vraag één kunnen schademelders, afhankelijk van in welke ring hun woning staat, aanspraak maken op een schadevergoeding of onverplichte tegemoetkoming. De voorgestelde aanpak draagt bij aan een snellere afhandeling. De versnelde procedure (ring 1 en 2) is vastgelegd in een overeenkomst tussen de CM en NAM. Voor ring 3 en 4 wordt onder andere een beleidsregel opgesteld. Indien de schademelder geen gebruik wil maken van deze aanpak, wordt de schademelding door de CM afgehandeld met behulp van de reguliere procedure, zoals vastgelegd in het Instellingsbesluit van de CM en het bijbehorende protocol (Protocol A in Bijlage 1).
Op welke wijze wordt in de uitwerking expliciet rekening gehouden met de impact van schade en procedures op het welzijn en vertrouwen van bewoners, en welke ondersteuning wordt daarbij geboden?
De CM ondersteunt bewoners (en micro-ondernemingen) die een schademelding hebben ingediend bij de CM met onafhankelijk en deskundig advies over de afhandeling van de mijnbouwschade. Hierbij wordt voorzien in persoonlijke begeleiding gedurende het gehele proces van schadeafhandeling met behulp van een vaste zaakbegeleider die het proces en de schaderegeling uitlegt, aanwezig is bij de schadeopname en fungeert als persoonlijk aanspreekpunt voor de schademelder. Bewoners worden door de zaakbegeleider in het gehele traject ontzorgd en kunnen met al hun inhoudelijke en persoonlijke vragen bij hun zaakbegeleider terecht. Daarnaast wordt door de CM ingezet op het op een laagdrempelige manier verstrekken van informatie over de schadebeoordeling, het beantwoorden van vragen en het bieden van een «luisterend oor» voor inwoners in de regio die daaraan behoefte hebben. Naast het benutten van online communicatiekanalen en lokale media wordt daarbij bijvoorbeeld gebruik gemaakt van het Informatiepunt Digitale Overheid in lokale bibliotheken en worden er in samenwerking met de betrokken Drentse gemeenten bijeenkomsten georganiseerd in dorpshuizen en wijkcentra. Ook is de CM telefonisch bereikbaar om vragen te beantwoorden.
Hoe wordt voorkomen dat bewoners met vergelijkbare schade uitsluitend op basis van het moment van melding of afhandeling verschillend worden behandeld?
De beving is inmiddels bijna drie maanden geleden. Naar verwachting hebben de meeste mensen met schade zich bij de CM gemeld. Schademeldingen die zijn gedaan voor het tijdstip van publicatie van de overeenkomst tussen CM en NAM voor versnelde procedure en de betaalovereenkomst tussen NAM en de Staat, worden op grond van de versnelde procedure (eerste en tweede ring) dan wel de beleidsregel voor de onverplichte tegemoetkoming van overheidswege (derde en vierde ring) afgehandeld. De regionale bestuurders hebben gevraagd om enige coulance omdat soms mensen door omstandigheden zich niet hebben kunnen melden. Aangezien dit om slechts enkele gevallen zal gaan, geldt er bij de versnelde procedure en de beleidsregel een hardheidsclausule voor uitzonderlijke situaties, waarin een schademelder kan aantonen dat eerdere indiening niet mogelijk was om redenen die hem of haar niet zijn aan te rekenen.
Bent u bekend met het feit dat dat na de aardbeving bij Eleveld een situatie is ontstaan waarbij de straat of postcode van inwoners bepalend is voor de hoogte en toegankelijkheid van schadevergoeding, doordat er verschillende regelingen gelden van Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) en de Commissie Mijnbouwschade? Hoe beoordeelt u deze ontstane tweedeling, waarbij inwoners in vergelijkbare situaties ongelijk worden behandeld?
Ja, ik ben hiermee bekend en snap ook dat dit om uitleg vraagt. In het effectgebied van het Groningenveld en de gasopslagen Grijpskerk en Norg geldt een bijzondere aanpak voor de afhandeling van schade. Deze aanpak is gerechtvaardigd, omdat er in dat effectgebied in korte tijd tienduizenden gelijksoortige gevallen van fysieke schade gemeld werden, waarvan het grootste deel te herleiden was tot bodembeweging door gaswinning uit het Groningenveld. In de rest van Nederland is het aantal, de ernst en omvang van schadegevallen door bodembeweging als gevolg van de gaswinning geringer (ook in het geval van Geelbroek), waardoor een aanpak zoals in het effectgebied van het IMG onvoldoende gerechtvaardigd is. Dat neemt niet weg dat de schade buiten het IMG-effectgebied ook op een zorgvuldige en adequate wijze moet worden afgehandeld.
Deelt u de opvatting dat de huidige situatie, met meerdere loketten en regelingen voor schadeafhandeling in hetzelfde gebied, leidt tot onduidelijkheid en ongelijkheid voor gedupeerden? In hoeverre ziet u een oplossing in het organiseren van één centraal loket voor mijnbouwschade (één loket voor alle gedupeerden) om in dit gebied te zorgen voor een eerlijkere, transparantere en toegankelijkere afhandeling?
In het kader van de «een-loket aanpak» werken de CM en IMG al intensief samen, waardoor één centraal loket niet nodig is. Gezien het aantal, de ernst en omvang van de schadegevallen in het effectgebied van het Groningenveld en de gasopslagen bij Norg en Grijpskerk, is een bijzondere aanpak daar gerechtvaardigd. In de brief van 20 maart is geconstateerd dat er zowel bij de CM als bij het IMG meldingen van schade als gevolg van de bevingen bij Geelbroek zijn binnengekomen.3 Daar waar nodig wordt doorverwezen of samengewerkt tussen het IMG en de CM.
Welke andere mogelijkheden ziet u om de onwenselijke situatie te repareren waarin bewoners die dichter bij het epicentrum wonen soms juist onder een ongunstiger regime vallen, waarbij zij moeten aantonen dat schade door de aardbeving is veroorzaakt, terwijl in andere gebieden die met schade door dezelfde aardbeving kampen het bewijsvermoeden geldt?
Hier is rekening mee gehouden door te werken met vier ringen. Het maximale bedrag voor inwoners in de eerste ring rond het epicentrum is het hoogst, daarna volgt het plafondbedrag in de tweede ring enzovoorts. Daarbij is geen causaliteitsonderzoek vereist.
Wordt ook bezien of voor eerder afgehandelde gevallen een vorm van herbeoordeling, nabetaling of aanvullende compensatie mogelijk is om de gehanteerde regeling gelijk te trekken?
Nee, de versnelde procedure en beleidsregel geldt alleen voor schades die gemeld zijn naar aanleiding van de bevingen op 14 maart 2026 bij Geelbroek. De aanpak geldt niet voor schades door eerdere bevingen die zijn afgehandeld, omdat schades in beginsel maar één keer worden vergoed. Wel zal ik – op basis van de evaluatie van de CM die begin dit jaar naar uw Kamer is verzonden4 – samen met de mijnbouwondernemingen (waaronder NAM, maar ook andere mijnbouwondernemingen die actief zijn op land) in gesprek gaan om te komen tot verbeteringen binnen de reguliere systematiek van de CM. In dat traject streef ik er ook naar om – in lijn met de motie van de leden Jumelet en Peter de Groot5 -aandacht te besteden aan mensen die eerder schade hebben gemeld naar aanleiding van de aardbeving in Ekehaar van 2023 en die slechts een deel van schade aan de woning vergoed hebben gekregen. Het gaat daarbij om schadegevallen, waarbij is vastgesteld dat deze voor een deel door bodembeweging als gevolg van de beving in Ekehaar is ontstaan en voor een deel door andere oorzaken. Ik besteed hierbij expliciet aandacht aan de mogelijkheid van een «terugwerkende kracht» bepaling.
Zou u willen reflecteren op de belangrijkste bevindingen in het artikel over de situatie in Carnisse en de signalen dat woonfraude, uitbuiting en illegale huisvesting van arbeidsmigranten structureel voortduren ondanks nieuwe wetgeving?1
Het artikel beschrijft een schrijnende situatie, waarin duidelijk wordt dat de situatie van sommige arbeidsmigranten in Nederland bijzonder kwetsbaar kan zijn vanwege onzekerheid over huisvesting en inkomen. Arbeidsmigranten verdienen een veilige woonplek, net als iedereen die in Nederland woont.
Het kabinetsbeleid is erop gericht om misstanden aan te pakken en de positie van arbeidsmigranten te versterken. Daarvoor wordt werk gemaakt van de aanbevelingen van het Aanjaagteam bescherming arbeidsmigranten en de maatregelen van het SER-advies «arbeidsmigratie naar waarde». Het artikel laat zien hoe belangrijk het is om verder te gaan met de uitvoering van deze maatregelen, waaronder het verbeteren van de huurbescherming van arbeidsmigranten en de uitvoering van de Wet terbeschikkingstelling van arbeidskrachten.
Het artikel laat zien dat een goede lokale uitvoering en handhaving essentieel zijn, maar ook dat de praktijk complex is. Dit benadrukt het belang van maatregelen in de hele keten, van beleid tot handhaving, om de positie van arbeidsmigranten te verbeteren. Uw Kamer is over de voortgang van de maatregelen in november jl. geïnformeerd.2 Aan het eind van dit jaar wordt uw Kamer opnieuw over de voortgang geïnformeerd.
Hoe beoordeelt u het feit dat, ondanks de invoering van de Wet goed verhuurderschap en andere maatregelen, misstanden in wijken zoals Carnisse onverminderd doorgaan?
In het artikel van de NRC worden ernstige misstanden beschreven rondom de woonsituatie van arbeidsmigranten in de Rotterdamse wijk Carnisse. Vooropgesteld: deze situaties zijn onacceptabel. De inzet van het kabinet is om meer grip te krijgen op arbeidsmigratie en daarnaast van de positie van arbeidsmigranten te verbeteren.
De afgelopen jaren hebben gemeenten meer instrumentarium in handen gekregen om op overtredingen gerelateerd aan de woonsituatie te handhaven, waaronder via de Wet goed verhuurderschap. Als gevolg hiervan kunnen gemeenten beter optreden tegen misstanden als bijvoorbeeld intimidatie en hoge huren, is de informatiepositie van arbeidsmigranten versterkt en moet elke gemeente een meldpunt hebben, waar klachten over ongewenst verhuurgedrag – zo nodig anoniem – kunnen worden gemeld. Een en ander in aanvulling op wettelijke instrumenten die al voor die tijd bestonden, en waarmee bijvoorbeeld al kon worden opgetreden tegen overbewoning. Zoals ook toegelicht in het antwoord op vraag 14 en 16, werkt het kabinet daarom aan aanvullende maatregelen om misstanden, zoals in Carnisse, tegen te gaan.
Effectief beleid valt of staat echter met een goede uitvoering op lokaal niveau. Gemeenten hebben bij de invulling van toezicht en handhaving een mate van vrijheid. Hoewel zij in beginsel behoren op te treden tegen overtredingen, is het aan de gemeente om de prioriteit en aanpak te bepalen op basis van ernst, maatschappelijke impact, beschikbare capaciteit en beleidsdoelen. Dit signaal uit het NRC artikel laat de knelpunten zien in de uitvoering en handhaving lokaal. Naar aanleiding hiervan wordt het gesprek met de betreffende gemeente en andere betrokken partijen gevoerd.
Kunt u aangeven in hoeverre de doelen van de Wet goed verhuurderschap tot op heden zijn gerealiseerd, specifiek voor de bescherming van arbeidsmigranten?
Het is belangrijk om te zien hoe de Wet goed verhuurderschap (Wgv) in de praktijk functioneert. De doeltreffendheid en praktijkwerking van de Wgv worden momenteel geëvalueerd. Na de zomer, als het onderzoek is afgerond, informeert de Minister van VRO uw Kamer over de uitkomsten hiervan.
Hoe verklaart u dat gemeenten, ondanks uitgebreid dossiermateriaal en herhaalde constateringen van overtredingen, in de praktijk beperkt overgaan tot handhaving?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, hebben gemeenten bij de invulling van toezicht en handhaving een mate van vrijheid.
De VNG bevestigt dat de beschikbare bevoegdheden om te handhaven bestaan, maar dat daarmee de feitelijke handhaafbaarheid en effectiviteit niet is gegarandeerd. De VNG signaleert dat bij complexe casussen handhaving niet altijd goed verloopt. Ook geeft de VNG ten aanzien van de integrale aanpak van misstanden aan dat in veel gevallen regionale samenwerking tussen gemeenten nodig is, maar dat die samenwerking niet in alle gevallen goed verloopt. Het artikel en de signalen van VNG geven, zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 2, aanleiding om hierover in gesprek te gaan met de betrokken partijen.
In hoeverre is het huidige instrumentarium tot handhaving toereikend, maar in de praktijk onvoldoende effectief? Zo ja, waar zit volgens u de kern van dit probleem?
Zie het antwoord op vraag 3 en 4.
Zou u, gegeven het feit dat de problematiek samenhangt met de verdeling van verantwoordelijkheden en eventuele gaten hierin, helder in kaart willen brengen welk bestuursniveau (Rijk, gemeente, inspectiediensten) verantwoordelijk is voor:
Gemeenten houden in beginsel toezicht op a) verhuurders, voor zover het handelingen betreft die vallen onder andere de Wet goed verhuurderschap (Wgv) en de Wet betaalbare huur (Wbh) en het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) met betrekking tot kwaliteit en gevaarlijke bouwkundige situaties, b) handhaving bij illegale bewoning (op basis van de Huisvestingswet 2014 en Omgevingswet) en d) inschrijving in de Basisregistratie Personen (Wet basisregistratie personen). Hiermee worden de verantwoordelijkheden op elkaar afgestemd op een manier die past bij de lokale situatie.
Als het gaat om de aanpak tegen mensenhandel is de Minister van Justitie en Veiligheid verantwoordelijk voor de rijksbrede coördinatie van de aanpak van mensenhandel en de Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor de aanpak van arbeidsuitbuiting. Hierin wordt gezamenlijk opgetrokken in onder meer het Actieplan Programma «Samen tegen Mensenhandel» met o.a. de Nederlandse Arbeidsinspectie, politie, Koninklijke Marechaussee, VNG en maatschappelijke organisaties zoals Comensha. In het Actieplan wordt in verschillende actielijnen ingezet op onder meer het creëren van brede bewustwording, vergroten van meldingsbereidheid en het verbeteren van de bescherming van slachtoffers.
De Nederlandse Arbeidsinspectie is onder andere verantwoordelijk voor de opsporing van c) arbeidsuitbuiting als vorm van mensenhandel en, zodra de Wet modernisering en uitbreiding strafbaarstelling mensenhandel in werking treedt, ook voor de opsporing van het delict ernstige benadeling. Ondermaatse huisvesting kan een indicatie zijn van ernstige benadeling of arbeidsuitbuiting.
Ook gemeenten spelen een belangrijke rol bij de aanpak van mensenhandel in de vorm van arbeidsuitbuiting en ernstige benadeling, door in te zetten op preventie, signalering en handhaving – in het kader van toezichthoudende taken – en hulpverlening, waarbij de gemeente integraal samenwerkt met onder andere de politie en bestuurlijk handhaaft op de naleving van huisvestingsnormen.
Zoals in het antwoord op vraag 2 is aangegeven, worden vanuit het Rijk de kaders geschept om arbeidsmigratie in goede banen te leiden en om arbeidsmigranten beter te beschermen. Bestaand en voorgenomen beleid op rijksniveau gerelateerd aan de genoemde gebieden wordt toegelicht in het antwoord op vraag 14. Effectief beleid valt of staat echter met een goede uitvoering op lokaal niveau. Gemeenten zijn, zoals hierboven beschreven, in veel gevallen verantwoordelijk voor het toezicht en de handhaving. Er bestaat een integrale samenwerking tussen gemeente(n), de Nederlandse Arbeidsinspectie en politie. Dit is nader toegelicht in het antwoord op vraag 19. De VNG geeft ten aanzien van de integrale aanpak van misstanden aan dat in veel gevallen regionale samenwerking tussen gemeenten nodig is. Dat verloopt niet in alle gevallen goed. Het artikel en de signalen van VNG geven, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, aanleiding om hierover in gesprek te gaan met de betrokken partijen.
Zou u willen reflecteren op de vraag of deze verantwoordelijkheden in de praktijk voldoende op elkaar zijn afgestemd?
Zie antwoord vraag 6.
Welke bevoegdheden of instrumenten hebben gemeenten in uw ogen nodig om effectief te kunnen optreden wanneer bewoners de deur niet openen, sprake is van intimidatie, of sprake is van snel wisselende bewoners, de zogenaamde carrouselconstructies?
Gemeenten beschikken reeds over diverse mogelijkheden om op te treden wanneer bewoners de deur niet openen, er sprake is van intimidatie en/of snel wisselende bewoners.
Indien de bewoners de deur niet openen geldt dat toezichthouders de bevoegdheid hebben3 om in bepaalde gevallen een woning binnen te treden zonder toestemming van de bewoner. In die gevallen is de Algemene wet op het binnentreden van toepassing. Kort gezegd volgt uit deze wet dat bij binnentreden voor andere doeleinden dan strafvordering een machtiging tot binnentreden moet worden afgegeven. Een uitzondering op deze situatie is het bestaan van een noodsituatie (zoals bijvoorbeeld een brand).
Ook wanneer er sprake is van intimidatie geldt dat toezichthouders van de gemeente reeds actie kunnen ondernemen. In de Wet goed verhuurderschap (Wgv) is namelijk bepaald dat een verhuurder niet mag intimideren. Doet de verhuurder dit wel, dan dient de gemeente hierop te handhaven. Dat kan door een waarschuwing te geven, een last onder dwangsom op te leggen, of een bestuurlijke boete. Handhaving kan bijvoorbeeld naar aanleiding van een (anonieme) melding bij het gemeentelijke meldpunt voor ongewenst verhuurgedrag, maar de gemeente kan daarnaast ook zonder voorafgaande melding optreden tegen intimidatie als dit wordt vastgesteld.
Ten aanzien van de zogenaamde «carrouselconstructies» geldt dat het voor de handhaving op overtredingen van zowel de Wgv of de Wet betaalbare huur (Wbh) niet uitmaakt of er inmiddels een andere huurder in de woning woont. Voor wat betreft handhaving van de Wgv en de Wbh geldt namelijk dat het gaat om de overtreding die is begaan. Daarbij is niet relevant jegens welke huurder(s) dat is geweest. Gemeenten kunnen op grond van deze wetten bovendien zwaardere sancties opleggen in het geval van recidive.
Welke mogelijkheden zijn er tot binnentreden of bestuursrechtelijk ingrijpen bij ernstige signalen van uitbuiting en overbewoning?
Voor binnentreding bij handhaving op overbewoning geldt het algemene wettelijke kader beschreven in de antwoorden op vraag 7 en 8. Specifiek voor de Arbeidsinspectie geldt dat de Wet arbeid vreemdelingen en het Wetboek van Strafvordering mogelijkheden bieden voor binnentreden zonder toestemming van de bewoner(s).
Zou u samen met de VNG in kaart willen brengen hoeveel capaciteit gemeenten nodig hebben om een stevige aanpak van deze problematiek neer te zetten, gezien het voorbeeld dat een grote stad als Rotterdam slechts enkele inspecteurs beschikbaar heeft voor toezicht op naleving?
Zoals opgemerkt in eerdere antwoorden wordt in gesprek gegaan met gemeenten en de VNG over de beschikbare bevoegdheden om te handhaven en te bezien wat mogelijke knelpunten zijn.
In het geval van de Wet goed verhuurderschap (Wgv), Wet betaalbare huur (Wbh) en Wet maximering huurprijsverhogingen geliberaliseerde huurovereenkomsten geldt overigens dat in 2025, op verzoek van de VNG, een evaluatie heeft plaatsgevonden van de financiële middelen die gemeenten van het Rijk ontvangen voor de implementatie en uitvoering van de genoemde wetten. Uit dit onderzoek, waarin ook individuele gemeenten zijn geïnterviewd, blijkt dat de financiële middelen voor gemeenten voor het uitvoeren van de wettelijke taken die voortvloeien uit deze drie wetten en het handhaven daarop vooralsnog afdoende zijn. Tegelijk laat dit signaal zien dat het wettelijk instrumentarium alleen niet voldoende is, en dat capaciteit nodig is om lokaal toezicht en handhaving uit te oefenen. Daarom is het gesprek hierover met gemeenten van belang om te horen waar het nu knelt.
Herkent u het beeld dat dossiers blijven liggen, handhaving uitblijft en overtreders feitelijk wegkomen met illegale praktijken?
Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 4, 5, 6 en 7 zijn gemeenten verantwoordelijk voor de handhaving op misstanden in hun gemeente en de wijze waarop zij dat binnen de kaders van de wet vormgeven. Ook heeft de Minister van VRO in 2025 de opstart van een opleiding voor bouw- en woningtoezicht gesteund. Deze opleiding moet bijdragen aan professionalisering en kwaliteitsverbetering van woontoezichthouders en bouwtoezichthouders. Zoals eerder aangegeven wordt met gemeenten in gesprek gegaan over signalen dat de handhaving in de praktijk niet altijd goed verloopt.
Welke concrete maatregelen neemt u om te zorgen dat constateringen van overtredingen sneller en daadwerkelijk leiden tot sancties?
Zie antwoord vraag 11.
Hoe beoordeelt u de kwetsbare positie van arbeidsmigranten die geen huurcontract hebben, afhankelijk zijn van hun werkgever voor huisvesting en uit angst voor verlies van werk of woning geen melding durven doen?
Situaties waarin arbeidsmigranten geen schriftelijk huurcontract hebben, een te grote afhankelijkheid van hun werkgever voor huisvesting hebben, of waarbij zij uit angst voor verlies van werk of woning geen melding durven te doen van misstanden, keurt het kabinet af.
Daarbij moet opgemerkt worden dat, voor het verkrijgen van de huurbescherming of huurprijsbescherming, het juridisch gezien niet uitmaakt of mensen een schriftelijk huurcontract hebben. Een huurovereenkomst kan ook een (impliciete) mondelinge afspraak zijn. Om discussies over het bestaan van een huurrelatie te voorkomen, is in de Wet goed verhuurderschap (Wgv) bovendien een verplichting aan verhuurders opgelegd om een (mondelinge) huurovereenkomst schriftelijk vast te leggen. Daarnaast geldt dat verhuurders – in het geval van verhuur aan arbeidsmigranten – op grond van de Wgv verplicht zijn om de huurovereenkomst los van de arbeidsovereenkomst vast te leggen om «baan en bed» van elkaar te scheiden.
De huur(prijs)bescherming van arbeidsmigranten is vaak echter nog onvoldoende, omdat gebruik wordt gemaakt van «aard naar korte duur»-contracten. Om de huur(prijs)bescherming te verbeteren is een wetsvoorstel in voorbereiding, zie hiervoor het antwoord op vraag 14.
Zou u in kaart willen brengen welke mogelijkheden er zijn om deze groep beter te beschermen, op het gebied van fatsoenlijke huisvesting, het tegengaan van misstanden en afbouwen van onwenselijke afhankelijkheidsrelaties?
Voor wat betreft de maatregelen aangaande huisvesting verloopt dit onder andere via het instrumentarium dat is beschreven in het antwoord op de vragen 6 en 7.
Naast het reeds beschikbare instrumentarium (zie antwoord vraag 6 en 7) is er een wetsvoorstel in voorbereiding om de huurbescherming van arbeidsmigranten te verbeteren.4 Op dit moment worden verschillende groepen huurders, waaronder arbeidsmigranten, gehuisvest op basis van zogenaamde «short stay»- of logiescontracten. Het huurrecht kent het begrip «short stay»-contracten echter niet. Waar in de sector wordt gesproken over huisvesting op basis van «short stay» wordt binnen het huurrecht een beroep gedaan op de uitzondering in artikel 7:232, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek. Deze uitzondering betekent kort gezegd dat de huur(prijs)bescherming niet van toepassing is op deze vorm van huur. De uitzondering in het huurrecht voor huur «naar aard van korte duur» is bedoeld om kenbaar te maken dat er bijvoorbeeld bij het huren van een vakantiehuisje geen huurbescherming is. Het substantiële gebruik van de uitzondering is oneigenlijk. Beleidsinzet is er dan ook opgericht om de wet aan te passen en huur «naar aard van korte duur» wettelijk te begrenzen tot een maximale duur van 30 nachten. Op het moment dat dezelfde woonruimte langer dan 30 nachten aan dezelfde huurder wordt verhuurd, is er dan per definitie sprake van huur(prijs)bescherming.
Ten tweede werkt de Minister van VRO aan een huurregister5. Een huurregister heeft als inzet dat alle verhuurders die woonruimte langer dan 30 nachten verhuren of willen verhuren, zich moeten registreren in een landelijk register. Dat geldt dus dan ook voor alle huisvesting die aan arbeidsmigranten wordt verhuurd. Hiermee wordt het houden van toezicht op de verhuurder gefaciliteerd.
Zoals bij vraag 1 benoemd voert het kabinet de aanbevelingen van het Aanjaagteam bescherming arbeidsmigranten uit. Dit gebeurt in interdepartementaal verband met de Ministeries van SZW, BZK, VWS, EZ, LVVN, JenV en de Nederlandse Arbeidsinspectie. Daarbij werkt het kabinet samen met uitvoerings- en handhavingsorganisaties, sociale partners, medeoverheden en andere stakeholders.
Omdat veel arbeidsmigranten in Nederland werken via een uitzendbureau is een belangrijke aanbeveling van het Aanjaagteam het opzetten van een toelatingsstelsel voor uitleners. De Wet terbeschikkingstelling van arbeidskrachten (Wtta) is op 15 april 2025 aangenomen in de Tweede Kamer en op 11 november 2025 aangenomen in de Eerste Kamer. Een belangrijke mijlpaal. De voorbereidingen voor de invoering van het toelatingsstelsel zijn in volle gang, met in het bijzonder de oprichting van een nieuwe uitvoeringsorganisatie: de Nederlandse Autoriteit Uitleenmarkt (NAU). De invoeringsdatum voor het toelatingsstelsel is 1 januari 2027. Vanaf 1 januari 2028 gaat de Arbeidsinspectie handhaven op de toelatingsplicht. Daar heeft de Arbeidsinspectie ook extra capaciteit voor gekregen. Door de Wtta kunnen we uitleners die zich niet aan de regels houden van de uitleenmarkt weren. Hiermee beschermen we kwetsbare arbeidskrachten, onder wie arbeidsmigranten. Ook stimuleren we goed werkgeverschap in de uitzendbranche.
Naast goede wet- en regelgeving moeten arbeidsmigranten beter op de hoogte zijn van hun rechten en moet hen meer (juridische) hulp worden geboden. Dat kan ook hulp zijn bij problemen met huisvesting. Daarom heeft dit kabinet met het project Work in NL (WIN) fysieke en mobiele informatiepunten door heel het land geopend. Dit jaar wordt de website workinnl.nl vernieuwd en geeft het de mogelijkheid om ook regionale informatie te plaatsen. Daarnaast wordt verder gewerkt aan concrete actie binnen de Alliantie Work in NL, waarin werkgevers en huisvesters ondersteuning bieden aan arbeidsmigranten en zetten we verdere stappen om informatie in landen van thuiskomst te versterken.
Daarnaast ligt op dit moment de Wet modernisering en uitbreiding strafbaarstelling mensenhandel ter behandeling in de Eerste Kamer.6 De modernisering heeft als centrale doelstelling het effectiever maken van de strafrechtelijke aanpak van mensenhandel, waardoor de vervolging van daders en de bescherming van slachtoffers wordt verbeterd.
Kortom, het kabinet zet tal van maatregelen door om de situatie van arbeidsmigranten te verbeteren.
Bent u bekend met signalen dat uitzendbureaus en huisvesters arbeidsmigranten ontmoedigen of zelfs intimideren om zich in te schrijven bij gemeenten? Deelt u de opvatting dat dit volstrekt onnacceptabel is?
Het is ontoelaatbaar dat sommige uitzendbureaus of huisvesters de inschrijving van arbeidsmigranten in de BRP dwarsbomen. Dit kabinet zet in op een breed pakket aan maatregelen om de registratie van arbeidsmigranten in de BRP te verbeteren. Een van de belangrijkste maatregelen is om uitzenders een verantwoordelijkheid te geven in de correcte registratie van arbeidsmigranten. Daarom streven we naar inwerkingtreding van de zorgplicht voor uitleners per 1 januari 2027.
Op verzoek van uw Kamer is met de Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten (Wtta) een wettelijke basis geïntroduceerd voor de zorgplicht van uitzenders in de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi). Dit betekent dat uitzenders een rol krijgen in de correcte registratie van hun werknemers. Dit zal in beginsel gaan om een bevorderings- en vergewisplicht. De uitzender moet bevorderen dat zijn werknemer goed is ingeschreven en vergewissen dat deze werknemer na 6 maanden ook ingeschreven staat bij de gemeente. Momenteel werkt de Minister van SZW de bevordering-, vergewis in lagere regelgeving uit. Optioneel is het in de toekomst ook mogelijk dat er een meldplicht komt, waarmee uitzenders verplicht worden om melding te doen als een werknemer niet goed ingeschreven staat bij de gemeente. De uitwerking van lagere regelgeving gebeurt onder meer in nauwe samenwerking met uitleners, vakbonden en uitvoeringsorganisaties.
Op termijn zullen in het normenkader van de Wtta eisen worden opgenomen ten aanzien van de naleving van de zorgplicht. Deze norm zal worden toegevoegd nadat het toelatingsstelsel volledig is ingericht en de capaciteit van inspectie-instellingen voldoende is.
Daarnaast wordt er gewerkt aan andere maatregelen om in de breedte zicht op arbeidsmigranten te verbeteren. Zo gaat de Rijksdienst voor Identiteitsgegevens deze zomer e-mails sturen naar arbeidsmigranten die zich hebben ingeschreven in de registratie niet-ingezetenen om hen uitleg te geven over inschrijving in de BRP. Ook ziet het kabinet goede voorbeelden, zoals in de gemeente Meijerijstad, waar het WorkinNL-punt actief op pad gaat naar werk- en woonlocaties om daar mensen in te schrijven in de BRP.
Welke acties onderneemt u tegen uitzendbureaus of huisvesters die arbeidsmigranten ontmoedigen of intimideren om zich in te schrijven in de BRP?
Zie antwoord vraag 15.
Welke sancties staan momenteel op het belemmeren van inschrijving, en in hoeverre en hoeveel worden deze in de praktijk toegepast?
In de situatie zoals beschreven in het artikel vindt er een combinatie van misstanden plaats waarop in gezamenlijkheid gehandhaafd moeten worden. We verwijzen daarom naar het antwoord op vraag 8 waarin beschreven wordt welke handvatten er voor gemeenten zijn om dit aan te pakken. Als het gaat om inschrijving is ervoor gekozen om nu sancties in te stellen voor de uitleners die hun zaken niet goed op orde hebben als het gaat om de registratie van werknemers. Zoals in de vorige vraag beschreven komt er per 1 januari 2027 een zorgplicht voor uitleners waarmee zij een verantwoordelijkheid krijgen in de correcte registratie van arbeidsmigranten. Op termijn wordt handhaving hiervoor ook ingeregeld via het toelatingsstelsel.
Zou u inzicht willen geven in welke maatregelen er nog meer mogelijk zijn, zoals een meldplicht voor huisvesting van arbeidsmigranten, strengere vergunningseisen voor uitzendbureaus, of koppeling van huisvesting en registratiecontrole?
Zoals in het antwoord op vraag 14 en 16 reeds is toegelicht zijn er verschillende bestaande en in ontwikkeling zijnde maatregelen om misstanden tegen te gaan die zien op de in de vraag genoemde terreinen.
Hoe wordt de samenwerking tussen gemeenten, de Arbeidsinspectie, politie en andere instanties momenteel vormgegeven, en waar schiet deze tekort?
Het algemene beeld is dat de samenwerking in de meeste gevallen goed verloopt. Wel zijn er signalen dat in situaties van meervoudige problematiek, waarbij handhaving nodig is op verschillende overtredingen die aan elkaar gerelateerd zijn en afstemming tussen meerdere instanties vereist, het nodige wordt gevraagd van de betrokken organisaties. Het kabinet gaat daarover in gesprek met onder andere gemeenten en de VNG.
Om een aantal voorbeelden te geven van waar de samenwerking goed gaat: gemeenten en de Arbeidsinspectie werken samen bij het uitwisselen van meldingen, gezamenlijke controles en via meer structurele samenwerkingsverbanden (zoals via het Haags Economisch Interventie Team). Ook heeft de VNG in afstemming met onder meer de Arbeidsinspectie de handreiking opgesteld voor beter toezicht op huisvesting en registratie van EU-arbeidsmigranten.
Politie en de Arbeidsinspectie werken onder meer samen tijdens controles, waar de politie geregeld meegaat ter bescherming van de arbeidsinspecteurs. Daarnaast haalt de politie waar nodig voertuigen van de openbare weg naar controlelocaties zodat arbeidsinspecteurs kunnen controleren op de naleving van arbeidswetten ten behoeve van onder andere vrachtwagenchauffeurs en maaltijdbezorgers.
Bent u bereid te komen tot een landelijke, integrale aanpak waarbij huisvesting, arbeid en migratiebeleid nadrukkelijker met elkaar worden verbonden?
Het kabinet werkt onder coördinatie van de Minister van SZW aan een landelijke, integrale aanpak, zoals ook genoemd in het antwoord op vraag 14.
Welke concrete aanvullende maatregelen gaat u op korte termijn nemen om situaties zoals in Carnisse daadwerkelijk te beëindigen?
Zoals in het antwoord op vraag 4 tot en met 8 aangegeven is het doorgaans de gemeente die verantwoordelijk is voor het directe toezicht en de handhaving op de misstanden die in het artikel staan beschreven. Zoals terug te lezen is in het antwoord op vraag 14 en 16 zet het kabinet verschillende maatregelen door om misstanden tegen te gaan. Ook bij evaluaties van bestaande wetten, zoals de Wet goed verhuurderschap en de Wet betaalbare huur, zal er aandacht zijn voor de effectiviteit van de geëvalueerde wetten, en de praktijkwerking daarvan.
Dit neemt niet weg dat de in het artikel beschreven situatie schrijnend is en dat de handhaving in sommige gemeenten te kort kan schieten. Het kabinet gaat hierover het gesprek met gemeenten, VNG, de Arbeidsinspectie en andere betrokken partijen graag aan.
Het bericht 'Drugs, vechtpartijen en gebrek aan controle, zo ontspoort de markt voor begeleid wonen' |
|
Shanna Schilder (PVV), Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek van Follow The Money over ernstige misstanden binnen de sector begeleid wonen voor kwetsbare jongeren?1
Ja, daarmee ben ik bekend. De situaties die in het artikel worden beschreven zijn ernstig. Met name omdat jeugdigen hier de dupe van zijn en als gevolg hiervan vaak niet de zorg krijgen die nodig is. Voor het kabinet staat voorop dat de kwaliteit, veiligheid en rechtmatigheid van de (jeugd)zorg centraal staan.
Hoeveel meldingen, signalen of aangiften zijn de afgelopen vijf jaar gedaan over geweld, drugsgebruik, seksuele uitbuiting, mensenhandel, intimidatie, criminele uitbuiting of ondermijning binnen instellingen voor begeleid wonen en hoelang zijn deze signalen al bekend bij gemeenten, inspecties, politie en het Rijk?
Begeleid wonen is een sector die qua toezicht verdeeld is over meerdere toezichthouders en financieringsstromen, waardoor een totaalcijfer niet beschikbaar is.
Klopt het dat jongeren binnen sommige woonvoorzieningen in aanraking komen met drugscriminelen, geweld en criminele ronselaars en deelt u de mening dat het onacceptabel is dat jongeren die bescherming nodig hebben juist in zulke omgevingen terechtkomen?
Ik ben helaas bekend met deze signalen en deel de mening dat dit onacceptabel is. De afgelopen periode heb ik meerdere maatregelen ingezet om screening en toezicht op zorg- en jeugdhulpaanbieders in het algemeen te versterken en verder aan te scherpen. Via de Kamerbrief van 15 april jl. heb ik u geïnformeerd dat ik besloten heb aan de slag te gaan met een wetsvoorstel waarmee ook een vergunningplicht voor jeugdhulpaanbieders wordt ingevoerd2. Ik ben ook van plan de vergunningplicht voor Wmo-aanbieders in te voeren.
Hoeveel aanbieders van begeleid wonen zijn de afgelopen vijf jaar onderzocht, gesloten, geschorst of strafrechtelijk aangepakt wegens fraude, witwassen, misbruik van zorggeld, ondeugdelijke zorg of banden met georganiseerde criminaliteit?
Begeleid wonen is een sector die qua toezicht verdeeld is over meerdere toezichthouders en financieringsstromen, waardoor een totaalcijfer niet beschikbaar is.
Hoe verklaart u dat het blijkbaar relatief eenvoudig is om een zorginstelling of woonvoorziening voor kwetsbare jongeren te starten terwijl toezicht, screening en controle volgens het onderzoek ernstig tekortschieten?
Door de decentralisatie en inkoop van jeugdhulp op gemeenteniveau ligt de contractering bij verschillende gemeenten en hanteren zij verschillende eisen. Ik erken dat de huidige toelating van nieuwe jeugdhulpaanbieders in sommige gevallen te eenvoudig is en te weinig randvoorwaarden biedt om malafide aanbieders te weren. Daarom heb ik besloten ook een vergunningplicht voor jeugdhulpaanbieders en Wmo-aanbieders te introduceren. De verwachting is dat het wetsvoorstel waarin dat wordt geregeld in 2028 kan worden aangeboden aan de Tweede Kamer.
Klopt het dat gemeenten in sommige gevallen tienduizenden euro’s per maand betalen voor één jongere in begeleid wonen en hoe wordt gecontroleerd dat dit geld daadwerkelijk aan zorg, begeleiding en veiligheid wordt besteed?
Hoewel het Ministerie van VWS daar geen centrale administratie over bijhoudt, blijkt dat uit de tarieven dat dit voor kan komen. De gemeente is verantwoordelijk voor de rechtmatigheid van gedeclareerde zorg en ondersteuning op grond van de jeugdwet en Wmo en de prijzen die zij hanteren bij inkoop daarvan.
Deelt u de opvatting dat bestaande toelatingseisen, screening en toezicht kennelijk onvoldoende effectief zijn wanneer aanbieders met dubieuze praktijken of banden met criminaliteit actief kunnen blijven? Zo nee, waarom niet?
Het toezicht op de uitvoering van de Jeugdwet is belegd bij verschillende partijen die hierin vanuit hun eigen expertise een verantwoordelijkheid hebben. Er zijn recentelijk maatregelen genomen om het toezicht verder aan te scherpen en het Kabinet heeft aanvullende maatregelen aangekondigd, zoals in het antwoord op vraag 5 en 8 te lezen is.
Toezicht kan incidenten helaas nooit helemaal voorkomen. Toezichthouders kunnen ook niet overal tegelijk zijn. Daarom maken toezichthouders op grond van risicoanalyse keuzes over waar de risico’s het grootst zijn en toezicht het meest effectief is. Hierbij is het belangrijk dat toezichthouders waar mogelijk informatie met elkaar uitwisselen en goed en multidisciplinair met elkaar samenwerken, zodat zij elkaar ook kunnen aanvullen en versterken.
Ziet u aanleiding bestaande screening, integriteitstoetsen en financiële controles voor aanbieders van begeleid wonen verder aan te scherpen en met een landelijke aanpak tegen malafide zorgaanbieders te komen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet komt met een stevig pakket maatregelen om zorgfraude en ondermijnende criminaliteit in de zorg harder aan te pakken. Het kabinet wil voorkomen dat malafide zorgaanbieders zich eenvoudig kunnen vestigen of na eerdere overtredingen opnieuw kunnen starten in de zorg. Daarom werkt het kabinet aan een wetsvoorstel om de toetredingseisen te versterken. Uitgangspunt is een duidelijk norm en voor alle nieuwe en herstartende aanbieders van zorg. Nieuwe en herstartende zorgaanbieders worden ook strenger gecontroleerd, de inzet van de Wet Bibob wordt uitgebreid en toezicht- en opsporingsdiensten krijgen extra capaciteit om fraudeurs sneller op te sporen en aan te pakken. Daarmee wil het kabinet voorkomen dat publiek zorggeld verdwijnt naar criminelen in plaats van naar mensen die zorg nodig hebben. Voor de aanpak is oplopend tot 50 miljoen euro per jaar beschikbaar. Dit heb ik op 8 juni jl. in een brief aan uw Kamer gecommuniceerd3.
Ook zijn in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) afspraken gemaakt om het gemeentelijk toezicht binnen de Jeugdhulp en WMO2015 te verstevigen en te professionaliseren. Ik ben momenteel met de VNG in gesprek over wat nodig is om het gemeentelijk toezicht te verstevigen. Daarnaast is sinds 1 januari 2026 de Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg (Wvbj) van kracht. De wet stelt strengere eisen aan de financiële bedrijfsvoering en verantwoording van jeugdhulpaanbieders.
Acht u de huidige bevoegdheden en capaciteit van gemeenten, de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en opsporingsdiensten voldoende om misstanden snel aan te pakken en bent u bereid met spoed te komen met een landelijke aanpak tegen fraude, criminaliteit, geweld en falend toezicht binnen begeleid wonen en de jeugdzorgsector en de Kamer hierover vóór het zomerreces te informeren?
Zie het antwoord op vraag 7 en 8. Op 15 april en op 8 juni jl. heb ik aangekondigd welke maatregelen het Kabinet neemt om fraude binnen de (jeugd)zorgsector aan te pakken en het toezicht te verstevigen. Ik ga de komende tijd aan de slag om deze maatregelen uit te werken.
Het bericht dat het kabinet wel bouwstenen, maar nog geen plan heeft voor de huisvesting van mensen in de knel |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Wel de «bouwstenen», nog geen plan voor huisvesting mensen in de knel»?1
Klopt het dat het kabinet bij de huisvesting van aandachtsgroepen, waaronder statushouders, ook nadrukkelijk kijkt naar woningdeling binnen de sociale woningvoorraad?
Klopt het dat er gemeenten en woningcorporaties zijn die sociale huurwoningen beschikbaar stellen als «doorstroomlocatie»?
Waarom kiest het kabinet er niet voor om, conform het coalitieakkoord, als uitgangspunt te hanteren dat alternatieve huisvestingsvormen voor statushouders zoveel mogelijk buiten de bestaande sociale woningvoorraad worden gerealiseerd?
Welke alternatieven buiten de sociale woningvoorraad onderzoekt u om invulling te geven aan de taakstelling voor de huisvesting van statushouders, zonder de druk op de reguliere sociale huurmarkt verder te vergroten?
In hoeverre deelt u de opvatting dat het oneerlijk is dat woningzoekenden soms pas na 10 jaar in aanmerking komen voor een sociale huurwoning terwijl statushouders voorrang krijgen op sociale huurwoningen? Zo niet, waarom niet?
In hoeverre deelt u de opvatting dat statushouders daarom zoveel mogelijk in sobere alternatieve huisvesting buiten de sociale woningvoorraad moeten worden gehuisvest?
Welke maatregelen bent u bereid te nemen om te voorkomen dat gemeenten en woningcorporaties reguliere sociale huurwoningen inzetten als doorstroomlocatie voor statushouders?
Welke mogelijkheden tot inspraak hebben omwonenden wanneer een sociale huurwoning wordt aangewezen als doorstroomlocatie?
Hoeveel statushouders zijn de afgelopen drie jaar gehuisvest in een zelfstandige sociale huurwoning? Welk aandeel van de jaarlijkse toewijzingen aan corporatiewoningen betreft dit? Welk effect verwacht u dat de beschreven plannen zullen hebben op dit aandeel?
Bent u het eens dat woningdelen voor statushouders binnen de bestaande voorraad strijdig is met het voornemen om te komen tot een wetsvoorstel waarmee de voorrang voor statushouders op sociale huurwoningen wettelijk niet meer mogelijk is? Zo niet, waarom niet?
In antwoord op eerdere schriftelijke vragen gaf u aan dat er slechts 48 doorstroomlocaties met 1.853 plekken zijn gerealiseerd. De verwachting was dat er nog voor het zomerreces 263 extra plekken gerealiseerd zouden worden. Zijn deze plekken ook daadwerkelijk voor het zomerreces gerealiseerd?
Hoeveel plekken moeten volgens u nog worden gerealiseerd voordat u een wetsvoorstel naar de Kamer kunt sturen waarmee de wettelijke voorrang voor statushouders op sociale huurwoningen wordt beëindigd? Wanneer verwacht u dit wetsvoorstel naar de Kamer te sturen?
In uw brief «Bouwstenen: versnelde realisatie aanvullende vormen van huisvesting» heeft mijn fractie niet kunnen opmaken op welke wijze u invulling heeft gegeven aan de motie Nobel/Flach (Kamerstuk 36 881, nr. 9) over onderzoeken hoe gemeenten die voortvarend aan de slag zijn gegaan met de realisatie van alternatieve huisvesting zodat de voorrang statushouders kan worden afgeschaft, kunnen worden beloond. Kunt u hier alsnog antwoord op geven?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Het bericht dat een huurder met twee koopappartementen in een sociale huurwoning mag blijven |
|
Jurgen Nobel (VVD) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Rechter zet streep door ontruiming: man met twee koopappartementen mag in sociale huurwoning blijven»?1
Hoe beoordeelt u deze situatie waarin een huurder die eigenaar is van twee koopappartementen toch in zijn sociale huurwoning kan blijven wonen, terwijl honderdduizenden woningzoekenden jarenlang niet aanmerking komen voor een (sociale huur-) woning?
In hoeverre deelt u de opvatting dat sociale huurwoningen in de eerste plaats bedoeld zijn voor huishoudens die (financieel) niet in staat zijn zelfstandig in hun huisvesting te voorzien en dat het onwenselijk is dat personen met een substantieel vermogen een sociale huurwoning bezet houden? Zo nee, waarom niet?
Weet u hoeveel sociale huurwoningen worden bewoond door mensen die daarnaast eigenaar zijn van één of meerdere woningen of beschikken over vermogen dat ruim boven de nog in te voeren vermogensgrens ligt? Zo ja, hoe veel woningen zijn dit? Zo niet, bent u bereid dit in kaart te brengen?
Klopt het dat woningcorporaties in dergelijke gevallen op dit moment slechts beperkt mogelijkheden hebben om een huurovereenkomst te beëindigen? Hoe beoordeelt u deze situatie?
Wat is de stand van zaken van de in het coalitieakkoord aangekondigde invoering van de eenmalige vermogenstoets en de jaarlijkse inkomenstoets bij sociale huurwoningen? Indien sprake is van vertraging, wat is daarvan de oorzaak?
Bent u bereid in de toekomst een herhaaldelijke vermogenstoets te verkennen voor sociale huurders die na intrekking in de woning aanzienlijk vermogen opbouwen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid te bezien of woningcorporaties een expliciete wettelijke grondslag kunnen krijgen om de huur te beëindigen indien een huurder beschikt over voldoende vermogen en daarmee redelijkerwijs zelf in zijn huisvesting kan voorzien?
Welke andere maatregelen acht u noodzakelijk om ervoor te zorgen dat sociale huurwoningen daadwerkelijk beschikbaar blijven voor huishoudens die daarop zijn aangewezen en niet worden bezet door mensen die over aanzienlijke vermogens beschikken?
Bent u bereid de Kamer vóór de begrotingsbehandeling Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening te informeren over de voortgang van de invoering van de vermogenstoets en andere maatregelen om scheefwonen effectiever tegen te gaan?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Het bericht: ‘Met speciale hypotheekregels voor ouderen komen er ook meer huizen vrij voor starters’ |
|
Hanneke Steen (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Met speciale hypotheekregels voor ouderen komen er ook meer huizen vrij voor starters»1 en deelt u de conclusie dat financiële belemmeringen voor senioren om te verhuizen moeten worden weggenomen?
Welke potentie ziet u, in absolute aantallen woningen en verhuisbewegingen, in het bevorderen van de doorstroming van senioren? Hoeveel woningen kunnen hierdoor beschikbaar komen voor jonge gezinnen en starters?
Deelt u de opvatting dat bij huishoudens met substantiële overwaarde en een relatief lage hypotheekschuld meer rekening moet worden gehouden met vermogen en onderpand, in plaats van primair met inkomen?
Kunt u een indicatie geven van de gemiddelde en totale overwaarde van woningeigenaren, uitgesplitst naar verschillende leeftijdsgroepen?
Welke concrete stappen zet u de komende drie maanden om overbruggingshypotheken en doorstroomhypotheken voor senioren beter beschikbaar en toegankelijk te maken?
Bent u bereid de hypotheektoetsing zo aan te passen dat bij senioren met substantiële overwaarde meer rekening kan worden gehouden met vermogen en onderpand?
Bent u bereid binnen verantwoorde prudentiële kaders rentebijschrijving mogelijk te maken bij tijdelijke doorstroomfinanciering, zodat de maandlasten tijdens de overgangsperiode beperkt blijven?
Welke concrete stappen heeft u gezet en gaat u nog zetten ter uitvoering van de op 2 juni 2026 aangenomen motie-Steen c.s.2 om een doorstroomhypotheek mogelijk te maken? Welke belemmeringen staan introductie nog in de weg en binnen welke termijn verwacht u een daadwerkelijk beschikbaar product voor senioren?
U heeft eerder erkend dat verdere beperkingen van aflossingsvrije hypotheken gevolgen kunnen hebben voor maandlasten en doorstroming en aangegeven hierover met DNB in gesprek te zijn3. Wat hebben deze gesprekken concreet opgeleverd en welke maatregelen neemt u om onnodige belemmeringen voor senioren met substantiële overwaarde en een lage loan-to-value te voorkomen?
U heeft eerder aangegeven dat aflossingsvrije hypotheken vaak gepaard gaan met aanzienlijke overwaarde en dat slechts circa 7% een loan-to-value boven 75% heeft. Deelt u daarom de opvatting dat generieke beperkingen onvoldoende recht kunnen doen aan individuele risico’s? Welke ruimte ziet u voor meer maatwerk bij huishoudens met substantiële overwaarde en een lage loan-to-value om zo doorstroming te stimuleren?
U heeft eerder aangegeven met banken en de AFM in gesprek te zijn over de gevolgen van de aangescherpte regels rond aflossingsvrije hypotheken. Welke concrete stappen zijn sindsdien gezet en bent u bereid met banken en de AFM tot aanvullende afspraken te komen over actieve informatievoorziening en tijdig handelingsperspectief voor huishoudens die hierdoor geraakt kunnen worden?
Het behoud van bestaande studentenhuizen |
|
Robin van Leijen (D66) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Groningse studenten luiden noodklok bij gemeenteraad: «Laat studentenhuizen bestaan»»?1
Deelt u de zorg dat in een tijd van grote kamernood niet alleen nieuwe studentenwoningen moeten worden gebouwd, maar ook bestaande studentenkamers en studentenhuizen behouden moeten blijven?
Herkent u dat bestaande studentenhuizen kunnen verdwijnen door de combinatie van gemeentelijk verkameringsbeleid, vergunningplichten voor kamerverhuur en een strikte uitleg van het begrip «één huishouden»?
Hoe beoordeelt u dat een studentenhuis waar bewoners al meerdere jaren via een gezamenlijke woonvorm samenleven, verantwoordelijkheid nemen voor beheer en leefbaarheid en volgens hen geen overlast veroorzaken, toch kan worden aangemerkt als onvergunde kamerverhuur?
Vindt u het wenselijk dat regels die bedoeld zijn om overlast, druk op wijken en slecht verhuurderschap tegen te gaan, in de praktijk ook goed functionerende studentenhuizen kunnen raken?
Welke ruimte hebben gemeenten om onderscheid te maken tussen problematische kamerverhuur enerzijds en bestaande studentenhuizen, waar aantoonaar geen of weinig sprake is van overlast, onveiligheid of slecht verhuurderschap?
Bent u bereid te onderzoeken of gemeenten aanvullende ruimte nodig hebben om bestaande studentenhuizen vaker te kunnen behouden of legaliseren, bijvoorbeeld via maatwerk?
Welke mogelijkheden zijn er om gemeenten te stimuleren om bij bestaande studentenhuizen eerst te kijken naar legalisatie en maatwerk, voordat wordt overgegaan tot beëindiging van bewoning?
Bent u bereid samen met studentensteden, studentenorganisaties, corporaties en particuliere verhuurders te werken aan een «ja, mits»-benadering, waarbij goede studentenhuizen behouden blijven en nieuwe initiatieven worden aangejaagd, terwijl gericht wordt opgetreden tegen overlast, onveiligheid en slecht verhuurderschap?
Het bericht 'Gemeente vergeet arbeidsmigrant bij bouw distributiecentra' |
|
Stephan Neijenhuis (D66) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van «gemeente vergeet arbeidsmigrant bij bouw distributiecentra»?1
Herkent u het beeld dat bij de ontwikkeling van nieuwe distributiecentra onvoldoende aandacht is voor de benodigde huisvesting van arbeidsmigranten die daar gaan werken?
Welk deel van de extra werkgelegenheid vanuit nieuwe distributiecentra wordt op dit moment opgevuld met arbeidsmigratie?
Kunt u inzicht geven in de mate waarin gemeenten bij de vergunningverlening of planvorming voor distributiecentra afspraken maken over de huisvesting van werknemers? Bent u bereid dit in kaart te brengen?
Deelt u de opvatting dat de maatschappelijke kosten van onvoldoende huisvesting van arbeidsmigranten onderdeel zouden moeten zijn van de afweging bij de ontwikkeling van nieuwe distributiecentra? Zo ja, hoe wordt hier momenteel mee omgegaan?
Welke mogelijkheden ziet u om gemeenten meer handvatten te geven om bij de vestiging of uitbreiding van distributiecentra eisen te stellen aan de beschikbaarheid van huisvesting voor arbeidsmigranten en wat is de voortgang op aangenomen moties en toezeggingen op dit vlak?
Hoe wordt de afspraak uit het coalitieakkoord dat de huisvesting van arbeidsmigranten op orde moet zijn voordat extra werknemers worden aangetrokken in de praktijk geborgd bij de ontwikkeling van nieuwe distributiecentra?
Wat is de stand van zaken rond het afwegingskader huisvesting arbeidsmigranten bij nieuwe bedrijvigheid?
Welke gevolgen verwacht u van het voornemen om shortstay te beperken tot maximaal 30 nachten en daarna huurbescherming te laten gelden voor arbeidsmigranten die in dergelijke accommodaties verblijven en wat is de voortgang op dit wetsvoorstel?
Het bericht 'Vrouw valt van trap in gebouw waar liften maanden stuk zijn en moet via raam naar buiten, bewoners klagen over onveilige situaties' |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vrouw valt van trap in gebouw waar liften maanden stuk zijn en moet via raam naar buiten, bewoners klagen over onveilige situaties»?1
Is het u bekend dat Holland2Stay landelijk op grote schaal woningen verhuurt en beheert, en dat in meerdere steden vergelijkbare klachten bestaan over kapotte liften, defecte toegangssystemen, gebrekkig onderhoud en veiligheidsproblemen?
Acht u het aanvaardbaar dat bewoners maandenlang in een aantoonbaar onveilige situatie verkeren voordat een verhuurder tot een structurele oplossing overgaat, en welke termijn acht u bij een veiligheidsgebrek van deze aard nog acceptabel?
Hoe beoordeelt u het dat de huren worden verhoogd terwijl een basisvoorziening als een werkende lift al maanden niet toegankelijk is, en acht u de mogelijkheden voor huurders om hier iets aan te doen toereikend en toegankelijk?
Herkent u het bredere signaal dat juist kwetsbare of minder mondige huurdersgroepen, zoals expats, extra risico lopen op uitbuiting door grote verhuurders, en welke stappen zet u om ook deze groep effectief te beschermen?
Hoe beoordeelt u het dat de oprichter en een directeur van Holland2Stay in 2021 ieder een taakstraf hebben aanvaard wegens het manipuleren van tijdelijke huurcontracten, en welke consequenties verbindt de overheid aan zo'n veroordeling voor een partij die vervolgens op grote schaal actief blijft op de gereguleerde woningmarkt?
Hoe verhoudt het door Sikkom bevestigde feit dat Holland2Stay meer dan 280 huurders in Groningen tussen € 150 en € 200 aan verboden bemiddelingskosten heeft gerekend en weigerde proactief terug te betalen, zich tot het wettelijke verbod op bemiddelingskosten, en welke mogelijkheden hebben gedupeerde huurders om hun geld terug te krijgen?2
Deelt u, gelet op signalen dat Holland2Stay gebruikmaakt van een vennootschapsstructuur waarbij het bedrijf zich in juridische procedures op het standpunt stelt slechts «beheerder» en niet «verhuurder» te zijn met als gevolg dat huurders bij de rechter bot vangen, de zorg dat ondoorzichtige vennootschapsstructuren huurders het effectief uitoefenen van hun rechten kunnen ontnemen, en welke mogelijkheden ziet u om de werkelijke verhuurder voor huurders kenbaar en aanspreekbaar te maken?
Hoe beoordeelt u het dat Holland2Stay een voormalig student van de Technische Universiteit Eindhoven na een bedwantsenplaag aanvankelijk ruim € 12.000 in rekening bracht, een bedrag dat na protest stapsgewijs werd verlaagd tot € 5.083,21, terwijl een onafhankelijk kenniscentrum aangeeft dat de kosten van een dergelijke bestrijding doorgaans veel lager liggen? Deelt u de zorg dat grote verhuurders onderhouds- en bestrijdingskosten op ondoorzichtige wijze en mogelijk bovenmatig op individuele huurders afwentelen?3
Acht u, mede gelet op de oproep van meerdere partijen in de Groningse gemeenteraad in februari 2025 om de verhuurdersvergunning van Holland2Stay te heroverwegen wegens veiligheidsovertredingen en aanhoudend wangedrag, de instrumenten die gemeenten met de Wet goed verhuurderschap hebben gekregen toereikend om landelijk opererende verhuurders met een aantoonbaar patroon van misstanden aan te pakken, en op welke wijze faciliteert het Rijk de uitwisseling van handhavingsinformatie over zulke verhuurders tussen gemeenten?4
Deelt u de opvatting dat een verhuurder die in de ene stad misstanden begaat of een vergunning verliest, niet ongehinderd in een andere stad zou moeten kunnen doorgaan, en bent u bereid te onderzoeken of een landelijk register van verhuurders met herhaalde overtredingen wenselijk en mogelijk is?
Bent u, gelet op dit incident en het bredere patroon van fraude, illegale kosten, gebrekkig onderhoud en het ontwijken van aansprakelijkheid, bereid de handelwijze van Holland2Stay te onderzoeken en de Kamer over de uitkomsten te informeren?
Welke concrete stappen bent u bereid te zetten om huurders beter te beschermen tegen grote, landelijk opererende verhuurders die een structureel patroon van misstanden laten zien?
Het artikel '17.000 euro subsidie, maar isoleren mag niet: Marieke, Marcel en buren anderhalf jaar in de wacht door vleermuis' |
|
Jurgen Nobel (VVD) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «17.000 euro subsidie, maar isoleren mag niet: Marieke, Marcel en buren anderhalf jaar in de wacht door vleermuis»?1
Bent u bekend met de situatie van bewoners in Doesburg die al geruime tijd wachten op toestemming om hun spouwmuren te isoleren in het kader van verduurzaming?
Deelt u de zorg dat bewoners die te goeder trouw willen verduurzamen, nu worden geconfronteerd met een onduidelijk en traag proces dat het draagvlak voor klimaatbeleid kan ondermijnen?
Hoe beoordeelt u het feit dat verduurzamingsmaatregelen zoals woningisolatie in de praktijk worden vertraagd of geblokkeerd door de vereisten rondom ecologisch onderzoek naar beschermde diersoorten, alsook door extra eisen van provincies?
In hoeverre acht u het wenselijk dat individuele bewoners en VvE’s geconfronteerd worden met hoge kosten en lange wachttijden, terwijl er reeds subsidies zijn toegekend voor verduurzaming? Heeft u inzage hoeveel subsidies zijn toegekend, maar niet door kunnen gaan door eerdergenoemde knelpunten?
Kunt u toelichten hoeveel gemeenten in Nederland momenteel nog geen goedgekeurd soortenmanagementplan (SMP) hebben en wat de gemiddelde doorlooptijd is van goedkeuring door provincies? Bent u van plan om met de provincie Gelderland hierover te spreken aangezien daar nog geen enkele SMP is goedgekeurd?
Bent u het eens dat de huidige interpretatie van soortenbescherming in de praktijk leidt tot een aanzienlijke vertraging van de nationale isolatie- en energiebesparingsdoelen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid in overleg met provincies te komen tot een landelijke versnellingsaanpak voor SMP’s, zodat gemeenten niet onnodig lang in onzekerheid blijven over vergunningverlening? En bent u bereid provincies aan te spreken op het stellen van aanvullende eisen en het vertragen van vergunningstraject? Welke instrumenten heeft u om hierop in te grijpen?
Hoe wordt geborgd dat de bescherming van beschermde diersoorten proportioneel blijft, zonder dat dit leidt tot feitelijke stilstand van verduurzamingsmaatregelen in bestaande woningen?
In hoeverre acht u het onacceptabel dat woningeigenaren in gemeenten zonder soortenmanagementplan na een positieve eDNA-uitslag zijn aangewezen op een langdurig individueel provinciaal vergunningstraject?
Het artikel ‘Inwoners grensdorp kunnen voordeur naar België verplaatsen: ’Ziektekosten, wegenbelasting en huur zijn lager’’ |
|
Mona Keijzer |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
Bent u op de hoogte van berichtgeving over situaties in grensgemeenten, zoals in Baarle, waar een appartementencomplex zowel een Nederlandse als een Belgische voordeur heeft vanwege verschillen in regelgeving?1
Bent u op de hoogte van het feit dat aan de Nederlandse zijde van een dergelijk perceel geen extra woningen mochten worden gerealiseerd vanwege gemeentelijke regels, terwijl dit aan de Belgische zijde wél mogelijk bleek?
Deelt u de opvatting dat dergelijke casussen illustreren dat regelgeving in Nederland knellender kan uitpakken dan in buurlanden en daarmee ongewenste prikkels creëert? Is het mogelijk dat dergelijke regels ontstaan zijn in de jaren dat Nederland nog dacht te krimpen?
Wat vindt u van het feit dat beperkingen worden gesteld, zoals maximale bouwhoogtes, bebouwingspercentages en functiebestemmingen, die het realiseren van extra woningen kunnen beperken of uitsluiten?
Hoe beoordeelt u het dat gemeenten via deze planregels feitelijk kunnen voorkomen dat extra woningen worden toegevoegd, ook in gebieden met een groot woningtekort?
Deelt u de opvatting dat procedures, die in de praktijk maanden tot jaren kunnen duren, een rem zetten op het tempo waarin nieuwe woningen worden gerealiseerd?
Hoe beoordeelt u de stapeling van regels uit omgevingsplannen, huisvestingsverordeningen en Algemene Plaatselijke Verordeningen in relatie tot de nationale woningbouwopgave?
Hoe beoordeelt u het risico dat vergelijkbare woninginitiatieven in de ene gemeente wel en in de andere gemeente niet mogelijk zijn vanwege lokaal beleid?
Kunt u aangeven hoe vergunningplichten voor het splitsen, samenvoegen of verkameren van woningen ertoe leiden dat het aantal feitelijk beschikbare woonruimten wordt beperkt? Hoe komen we daarvan af?
Kunt u een integraal overzicht geven van de relevante hervormingen, beleidswijzigingen en regelgeving van de afgelopen decennia (waaronder veranderingen in de invullingsvrijheid van bestemmings- en omgevingsplannen, huisvestingsverordeningen, vergunningplichten en bepalingen in Algemene Plaatselijke Verordeningen) die direct of indirect hebben bijgedragen aan het beperken van woningbouw en woningvorming, en daarmee aan het vastlopen van de woningmarkt?
Klopt het dat de regels die het aantal woningen in het bestemmings- of omgevingsplan niet laten toenemen, het splitsen van bestaande woningen beperken, wonen in bijgebouwen verbieden of wonen in aanbouwen verbieden het toevoegen van woningen bemoeilijken? Zijn er mogelijkheden om deze landelijk en generiek te schrappen? Zo ja, hoe? Bent u bereid dat te doen?
Welke maatregelen bent u verder bereid te treffen om te voorkomen dat lokale regelgeving het realiseren van extra woningen onnodig belemmert? En op welke termijn zijn deze maatregelen te verwachten? En neemt u in uw overwegingen het opleggen van een instructiebesluit mee? Zo nee waarom niet? Zo ja, hoe en binnen welke termijn?
Het artikel ‘Huurmarkt voor 'happy few': vierkantemeterprijzen verdubbeld en aanbod drastisch gedaald’ |
|
Jurgen Nobel (VVD) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Huurmarkt voor «happy few»: vierkantemeterprijzen verdubbeld en aanbod drastisch gedaald»?1
Hoe kijkt u naar de constatering dat de vierkantemeterprijzen zijn verdubbeld terwijl het aanbod is gedaald en er in het lage segment van de vrije huursector nauwelijks aanbod is?
Is er volgens u een verband tussen de 65.000 woningen die zijn uitgepond afgelopen jaar en de stijging van de vierkantemeterprijs?
Hoe verklaart u dat het aanbod verschuift naar het hogere segment en in het lagere segment nauwelijks woningen beschikbaar zijn?
Bent u het eens dat met name door het aanbod te vergroten, de huurprijzen afnemen? Hoe beoordeelt u dit in lijn met de recente regulering waardoor huurprijzen juist zijn toegenomen?
Hoe bent u van plan regulering aan te passen zodat het weer aantrekkelijk wordt om een pand te verhuren? Welke prikkels wilt u op korte termijn toe passen bij verhuurders om te stimuleren dat men niet verkoopt, maar verhuurt?
Welke maatregelen bent u van plan te treffen op korte termijn om het investeringsklimaat op de huurmarkt te herstellen?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
De woonquote van starters |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Herbert , Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Huurders veel groter deel inkomen kwijt aan woonlasten» van de Volkskrant en de onderliggende CBS-cijfers?1
Hoe ziet u de relatie tussen het schaarse aanbod in de koopsector en de private huursector en de oplopende woonlasten?
Hoe ziet u de relatie tussen de hoge inkomstenbelastingen en de woonquote?
Volgens het onderzoek zijn de absolute woonlasten met ruim 22% gestegen tussen 2018 en 2023, wat gaat u doen om de absolute lasten terug te dringen?
In hoeverre heeft de invoering van de Wet betaalbare huur bijgedragen aan het verder verkrappen van het aanbod en in hoeverre heeft dit geleid tot een netto uitstroom van huurwoningen uit de private sector?
In hoeverre zorgen fiscale prikkels als de overdrachtsbelasting voor een stagnerende doorstroom?
Bent u bereid dit fiscale instrument te heroverwegen?
In hoeverre heeft de toegenomen regulering van de huurmarkt particuliere beleggers ontmoedigd te investeren in nieuwe huurwoningen?
Hoeveel private huurwoningen zijn er de afgelopen drie jaar uit de markt gehaald als gevolg van de gewijzigde regelgeving rondom huurprijsregulering en de box 3-belasting?
Kunt u onderzoeken of een verlaging van de inkomstenbelasting, specifiek op werkenden, kan bijdragen aan het vergroten van de financiële ruimte?
Overweegt u een verhoging van de arbeidskorting of algemene heffingskorting als instrument om het netto besteedbaar inkomen van huurders reëel te vergroten?
Indien het antwoord op vraag 11 ontkennend luidt, welke alternatieven ziet u dan?
Het bericht ‘Isolatiebedrijven in nood’ |
|
Robin van Leijen (D66), Felix Klos (D66) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Isolatiebedrijven in nood» van de Telegraaf1 en «Isolatiebedrijven in zwaar weer» van de Nederlandse Vereniging Duurzame Energie (NVDE)?2
Herkent u de signalen uit de isolatiesector over de gevolgen van versnipperd lokaal, regionaal en nationaal beleid?
Herkent u tevens signalen over de gevolgen van de uit 2 augustus 2023 stammende uitspraak van de Raad van State inzake toepassing van de Wet natuurbescherming, en de zorgplicht?
Wat zijn volgens u de gevolgen van de delegatie van de voor het Nationaal Isolatieprogramma beschikbare subsidies naar gemeentelijk niveau op de voortgang van het Nationaal Isolatieoffensief?
Welke impact heeft de maximering van prijzen, zoals vastgelegd in de maatregelencatalogus binnen het programma Nij Begun op de mogelijkheid om maatwerk te leveren dat nodig is in verschillende situaties?
Wat is de huidige stand van zaken in de uitvoering van de doelstelling om tot 2030 2,5 miljoen woningen te verduurzamen?
Acht u aanvullende maatregelen noodzakelijk om deze doelstelling te halen?
Zo ja, welke maatregelen overweegt u?
Ziet u daarbij kansen voor het uniformeren van voorwaarden voor subsidieverstrekking binnen het Nationaal Isolatieprogramma?
Woningbouwplannen in Hardinxveld-Giessendam die dreigen vast te lopen door provinciale regels |
|
Robert van Asten (D66) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Hardinxveld-Giessendam in de knel door provinciale regels»?1
Hoe beoordeelt u de situatie waarin de gemeente Hardinxveld-Giessendam aangeeft ruimte te zien voor circa 2.500 extra woningen, terwijl volgens de gemeente provinciale regelgeving verdere ontwikkeling van woningbouwlocatie ’t Oog na de eerste fase van 170 woningen belemmert?
Deelt u de opvatting dat locaties die aantoonbaar bijdragen aan het terugdringen van de woningnood en waarvoor lokaal bestuurlijk draagvlak bestaat, niet onnodig door provinciale regels zouden moeten worden geblokkeerd? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u om dit te bevorderen?
Hoe verhoudt de bescherming van open ruimte en landschap zich volgens u tot de nationale woningbouwopgave, in het bijzonder in situaties waarin gemeenten onderbouwen dat een gebied feitelijk al mede wordt gebruikt door bestaande infrastructuur, bedrijvigheid en bebouwing?
Welke ruimte biedt de huidige wet- en regelgeving aan provincies om woningbouwlocaties te beperken die door gemeenten als logisch en noodzakelijk voor de woningbouwopgave worden beschouwd?
Kunt u aangeven hoeveel woningbouwlocaties in Nederland momenteel worden vertraagd of beperkt als gevolg van provinciale ruimtelijke regels of beleidskeuzes? Zo nee, bent u bereid dit in kaart te brengen?
Bent u bereid in overleg te treden met de provincie Zuid-Holland over de gevolgen van het herziene omgevingsbeleid voor woningbouwlocaties zoals ’t Oog, en daarbij te bezien of maatwerk mogelijk is? Zo nee, waarom niet?
In uw recente brief aan provinciale staten van Zuid-Holland heeft u aangegeven dat woningbouwlocaties die bijdragen aan de nationale woningbouwopgave niet onnodig moeten worden geblokkeerd door provinciale regels. Welke concrete resultaten verwacht u naar aanleiding van deze oproep?
Deelt u de zorg dat gemeenten die bereid en in staat zijn om extra woningen te realiseren, ontmoedigd kunnen raken wanneer planologisch voorbereide locaties alsnog vastlopen in bestuurlijke procedures en beleidsmatige beperkingen? Zo ja, welke consequenties verbindt u daaraan?
Welke aanvullende maatregelen overweegt u om ervoor te zorgen dat provinciaal beleid beter aansluit bij de ambitie om landelijk ten minste 100.000 woningen per jaar te realiseren, met name in provincies waar de woningdruk het hoogst is?
Bent u bereid te onderzoeken of de Omgevingswet en de provinciale instructieregels voldoende ruimte bieden voor lokaal maatwerk bij woningbouwlocaties die aansluiten op bestaande infrastructuur en voorzieningen? Zo ja, wanneer kan de Kamer hierover worden geïnformeerd?
Herkent u het beeld dat provinciale beleidskeuzes in sommige gevallen leiden tot het schrappen of beperken van woningbouwlocaties die door gemeenten als kansrijk, uitvoerbaar en maatschappelijk gewenst worden beschouwd? Zo ja, welke mogelijkheden heeft het Rijk om ervoor te zorgen dat provinciaal beleid de nationale woningbouwopgave ondersteunt in plaats van belemmert?
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Na zestig jaar moet mevrouw Rodijnen-Brands (96) tot haar verdriet noodgedwongen verhuizen: «Ik wil mijn laatste tijd het liefst hier doorbrengen»»?1
Wat vindt u ervan dat een vrouw van 96 jaar, die afhankelijk is van mantelzorg en al zestig jaar in dezelfde woning woont, op zeer hoge leeftijd nog gedwongen wordt te verhuizen?
Deelt u de opvatting dat gedwongen verhuizingen op zeer hoge leeftijd grote gevolgen kunnen hebben voor het welzijn, de gezondheid en de zelfredzaamheid van ouderen?
Beschikt u over cijfers hoeveel ouderen van 90 jaar en ouder de afgelopen vijf jaar vanwege sloop, herstructurering of renovatie van hun woning hebben moeten verhuizen? Zo ja, kunt u die met de Kamer delen?
Hoe verhoudt het gebrek aan passende woningen voor Nederlandse ouderen zich tot de prioriteit die in veel gemeenten wordt gegeven aan andere woningzoekenden, waaronder statushouders?
Welke mogelijkheden hebben woningcorporaties momenteel om maatwerk te bieden aan zeer kwetsbare ouderen die door sloop of herstructurering hun woning moeten verlaten?
Bent u van mening dat bij ouderen op zeer hoge leeftijd het uitgangspunt zou moeten zijn dat een verhuizing zoveel mogelijk wordt voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Herkent u signalen dat ouderen of hun familie afzien van het aanvragen van een zorgindicatie uit angst dat zij verder van hun sociale netwerk of mantelzorgers worden geplaatst?
Welke mogelijkheden ziet u om te bevorderen dat zeer kwetsbare ouderen die moeten verhuizen, voorrang krijgen op een passende woning in hun eigen woonomgeving?
Bent u bereid in overleg te treden met woningcorporaties, gemeenten en ouderenorganisaties om te bezien of aanvullende afspraken nodig zijn om gedwongen verhuizingen van zeer kwetsbare ouderen zoveel mogelijk te voorkomen?
Bent u bereid om in overleg met de betrokken woningcorporatie, gemeente en andere betrokken partijen te kijken of voor mevrouw Rodijnen-Brands alsnog een passende oplossing kan worden gevonden, zodat zij haar laatste levensfase zoveel mogelijk in haar vertrouwde omgeving kan doorbrengen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Bent u bekend met het bericht «Angelo (34) verliest onverwacht zijn moeder en moet nu hun sociale huurwoning uit: «Dit is het enige dat aan haar herinnert»»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de situatie dat kinderen die hun ouder(s) verliezen, maar ouder zijn dan 27 jaar, gedwongen worden hun woning te verlaten of maar heel kort in de (sociale) huurwoning mogen blijven wonen waar zij op dat moment wonen of zelfs zijn opgegroeid en een sociaal netwerk hebben?
Het is ontzettend verdrietig om een ouder te verliezen. Ik begrijp dat het in een dergelijke situatie nodig is om enige tijd en rust voor rouwverwerking te hebben, waarbij het niet wenselijk is om tegelijkertijd ook per direct op zoek te moeten gaan naar een andere woning.
In de wet zijn voor dergelijke situaties enkele zaken geregeld. Sinds 1 januari 2024 geldt Wet huurbescherming weeskinderen, naar aanleiding van het initiatiefwetsvoorstel van de Kamerleden Koerhuis (VVD), Van der Plas (BBB), Grinwis (ChristenUnie) en Westerveld (GroenLinks)2. Dit initiatiefwetsvoorstel is ingediend om de huurbescherming van jongvolwassen wezen in huurwoningen van woningcorporaties wettelijk te verankeren. Deze wet biedt huurbescherming aan bij hun hurende overleden ouder(s) inwonende wezen tussen de 16 en 28 jaar in huurwoningen van woningcorporaties (toegelaten instellingen).
Tijdens de behandeling van dit initiatiefwetsvoorstel in de Tweede Kamer is een motie van het lid Ceder c.s.3 aangenomen. Deze motie verzoekt de regering om te zorgen dat alle weeskinderen van 18 jaar en ouder het recht krijgen om een bepaalde tijd, bijvoorbeeld twee jaar, in de ouderlijke huurwoning te blijven wonen en niet uitgezet kunnen worden, ook wanneer de overleden ouder(s) bij een particuliere verhuurder huurde(n). Daarom werk ik in samenwerking met de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan een wetsvoorstel, dat aan alle bij hun overleden hurende ouder(s) inwonende wezen huurbescherming voor een bepaalde periode biedt, ongeacht hun leeftijd en ongeacht wie de verhuurder is. Het voornemen voor dit ontwerpwetsvoorstel is door een eerder kabinet reeds aangekondigd4.
Zolang dat wetsvoorstel nog niet als wet in werking is getreden, kunnen verhuurders bij hun overleden hurende ouder(s) inwonende wezen die geen duurzame gemeenschappelijke huishouding met die ouder(s) voerden helpen door een tijdelijk huurcontract van maximaal twee jaar aan te bieden. Bij hun overleden hurende ouder(s) inwonende wezen behoren tot de specifieke groepen tijdelijke huurovereenkomst5.
Hoe vaak komt deze situatie voor, zowel de situatie dat een kind onder de 27 jaar is als de situatie dat een kind 27 jaar of ouder is?
Ik beschik niet over precieze gegevens van wezen die de leeftijd «onder de 27 jaar» hadden toen zij wees werden, wel over wezen in de leeftijd van 16 tot en met 30 jaar en over wezen van 28 jaar en ouder.
Over wezen die de leeftijd van 16–30 jaar hadden op het moment dat zij wees werden en in een huurwoning woonden, beschik ik over gegevens tot en met 20216. In de jaren 2015 tot en met 2019 ging het om ca. 80–90 personen per jaar, waarvan ca. 70–80 personen (ca. 60–70 huishoudens) in een huurwoning van een woningcorporatie en ca. 5–20 personen (ca. 5–15 huishoudens) in een andere huurwoning. In 2021 was dat opgelopen naar ca. 130 personen (ca. 105 huishoudens) in een huurwoning, waarvan 115 personen (96 huishoudens) in een huurwoning van een woningcorporatie en 14 personen (11 huishoudens) in een andere huurwoning.
Over wezen die de leeftijd van 28 jaar of ouder hadden op het moment dat zij wees werden en in een huurwoning woonden, beschik ik over gegevens tot en met 20237. In de jaren 2015 tot en met 2019 ging het om ca. 850–950 personen per jaar, waarvan ca. 650–750 personen (ca. 600–840 huishoudens) in een huurwoning van een woningcorporatie en ca. 135–250 personen (ca. 125–230 huishoudens) in een andere huurwoning. In 2021 was dat opgelopen naar ruim 1.000 personen (ca. 960 huishoudens) in een huurwoning, waarvan 903 personen (837 huishoudens) in een huurwoning van een woningcorporatie en 127 personen (124 huishoudens) in een andere huurwoning. In 2023 was dat iets gedaald naar bijna 1.000 personen (ca. 930 huishoudens) in een huurwoning, waarvan 865 personen (800 huishoudens) in een huurwoning van een woningcorporatie en 131 personen (128 huishoudens) in een andere huurwoning.
In hoeverre is het handelen van de verhuurder in lijn met de gedragscode voor verhuurders, waar in ieder geval in staat dat de verhuurder altijd een persoonlijke aanpak moet hanteren?
Ik kan niet oordelen over individuele gevallen. In de gedragscode is afgesproken dat verhuurders (in gevallen die buiten de geldende Wet huurbescherming weeskinderen vallen) individueel maatwerk zullen toepassen. Dat maatwerk is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Een verhuurder kan zulk maatwerk toepassen door een andere passende woning aan te bieden, maar ook door een tijdelijk huurcontract van maximaal twee jaar aan te bieden waarmee de wees tijd en rust krijgt voor rouwverwerking en voor het zoeken naar een andere woning.
Maar wanneer de (inwonende) wees kan aantonen dat hij met de overleden hurende ouder(s) een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde – niet een gebruikelijke ouder-kindrelatie in de huurwoning van de ouder(s) – kan de verhuurder de wees de positie van medehuurder geven waarna de wees de huurovereenkomst van de overleden ouder(s) van rechtswege voor onbepaalde tijd als huurder voortzet. Indien de verhuurder de wees desgevraagd niet de positie van medehuurder verschaft, kan de wees de rechter vragen hem die positie te verschaffen. De rechter zal bij het oordeel of de (inwonende) wees de positie van medehuurder krijgt, alle omstandigheden in het geval in die beoordeling betrekken.
Wat vindt u ervan dat ouder-kindrelaties in rechterlijke uitspraken meestal niet aangemerkt worden als een duurzame gemeenschappelijke huishouding, omdat er bij inwonende kinderen vanuit wordt gegaan dat zij ongeacht hun leeftijd altijd op een gegeven moment op zichzelf gaan wonen? Acht u deze uitleg nog passend bij de huidige woningmarkt? En deelt u de mening dat in dergelijke situaties wel degelijk sprake kan zijn van een duurzaam gemeenschappelijk huishouden gebaseerd op de relatie wanneer het kind na het 27ste levensjaar nog niet op zichzelf is gaan wonen of teruggekeerd is zonder intentie tot vertrek?
Ouder-kindrelaties worden niet per definitie aangemerkt als duurzame gemeenschappelijke huishouding, doordat van inwonende kinderen verwacht wordt dat zij op enig moment een eigen huishouden gaan vormen. Er kan in individuele gevallen wel sprake zijn van een duurzame gemeenschappelijke huishouding van de ouder(s) met een inwonend volwassen, bijvoorbeeld wanneer een volwassene (weer) bij zijn of haar ouder(s) is ingetrokken om mantelzorg aan die ouder(s) te verlenen en zij gezamenlijk activiteiten ondernemen en gezamenlijk de huishoudkosten, inclusief de huur, betalen. Ook wanneer een volwassen kind van de (overleden) huurder nog bij de huurder inwoont – en dus niet het spreekwoordelijke nest heeft verlaten – kan er sprake zijn van een duurzame gemeenschappelijke huishouding, bijvoorbeeld als zij veel gezamenlijke activiteiten ondernemen en gezamenlijk de huishoudkosten, inclusief de huur, betalen.
Bij een geschil over de vraag of het inwonende kind van de overleden huurder(s) aangemerkt wordt als medehuurder (en die dan na het overlijden van de huurder van rechtswege de huur voortzet), kan de inwonende wees de rechter vragen om als medehuurder aangemerkt te worden. De rechter zal bij de beoordeling alle omstandigheden van het geval betrekken.
Wanneer ouder-kindrelaties wel per definitie zouden worden aangemerkt als duurzame gemeenschappelijke huishouding, en inwonende volwassen kinderen van huurders per definitie aangemerkt zouden worden als medehuurder, zou het huurrecht in de praktijk een overerfbaar recht worden: de huur zou dan van generatie op generatie overgaan. Bij DAEB-woningen van woningcorporaties zou dat bijvoorbeeld tot gevolg hebben dat een eenmaal verhuurde DAEB-woning in feite niet meer vrij zou komen voor de doelgroep. Voor commerciële en particuliere verhuurders zou het betekenen dat een eenmaal (voor onbepaalde tijd) verhuurde woning mogelijk niet meer vrijkomt om tegen leegwaarde te kunnen verkopen of tegen een meer marktconforme huurprijs opnieuw te kunnen verhuren; dat zou een nadelig effect hebben op het rendement voor verhuurders, waardoor beleggers mogelijk uit de verhuur van woningen stappen of alleen tijdelijke huurcontracten van maximaal twee jaar (aan de daarvoor aangewezen specifieke groepen) aanbieden.
Om een evenwicht te vinden tussen de belangen van volwassenen die bij hun overleden hurende ouder(s) inwonen/inwoonden en van verhuurders die ervan op aan willen kunnen gaan dat de huurwoning op termijn weer vrijkomt voor nieuwe verhuring of voor verkoop tegen leegwaarde, werk ik zoals gezegd in het antwoord op vraag 2 met de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan een wetsvoorstel dat dergelijke inwonende wezen huurbescherming biedt voor een bepaalde periode. Op dit moment kunnen verhuurders aan inwonende kinderen van overleden huurders een tijdelijk huurcontract van maximaal twee jaar aanbieden om hen tijd en rust te bieden voor rouwverwerking en het zoeken naar een andere woning (zie ook het antwoord op vraag 2).
Dat laat onverlet dat een volwassen kind dat inwoont/inwoonde bij zijn of haar (overleden) hurende ouder(s), kan vragen om aangemerkt te worden als medehuurder omdat hij/zij meent een duurzame gemeenschappelijke huishouding met de hurende ouder(s) te voeren of met de overleden hurende ouder(s) te hebben gevoerd. Bij een geschil daarover tussen inwonende en de verhuurder is het oordeel aan de rechter.
Deelt u de mening dat het wenselijk is dat kinderen die hun ouder(s) verliezen tenminste voor een voldoende lange periode in de woning moeten kunnen blijven wonen, vanuit sociaal oogpunt maar ook om verlies van sociaal vangnet en dakloosheid met alle gevolgen van dien te voorkomen?
Ja, die mening deel ik. Daarom werk ik zoals gezegd in het antwoord op de vragen 2 en 5 met de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan een wetsvoorstel dat aan inwonende (volwassen) kinderen van overleden huurders huurbescherming biedt voor een bepaalde periode, ongeacht de leeftijd van de inwonende wees en ongeacht wie de woning verhuurt.
Klopt het dat verhuurders momenteel de vrijheid hebben om te kiezen of zij wezen die inwoonden bij hun overleden hurende ouders een tijdelijk huurcontract van maximaal twee jaar aanbieden? Zo ja, zou u inzichtelijk willen maken hoe vaak hier wel of niet voor wordt gekozen door verhuurders?
Ja, dat klopt. Zie ook het antwoord op vragen 2 en 5. Ik beschik niet over gegevens over hoe vaak verhuurders van die mogelijkheid gebruik maken.
Deelt u de opvatting dat het beter zou zijn als verhuurders in deze gevallen voortzetting van het huurcontract voor een afgebakende periode, bijvoorbeeld twee jaar, moeten accepteren? Zo ja, bent u bereid wet- en regelgeving hierop aan te passen?
Ja, ik deel die opvatting. En zoals aangegeven in de antwoorden op vragen 2, 5 en 6 werk ik met de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan een wetsvoorstel dat aan inwonende (volwassen) kinderen van overleden huurders huurbescherming biedt voor een bepaalde periode, ongeacht de leeftijd van de wees en ongeacht wie de woning verhuurt.
Bent u bereid te onderzoeken of het begrip «duurzame gemeenschappelijke huishouding» in het Burgerlijk Wetboek verduidelijkt moet worden, zodat langdurig inwonende kinderen beter beschermd worden tegen gedwongen dakloosheid na overlijden van hun ouder(s)?
Wanneer het hierboven genoemde nog uit te werken ontwerpwetsvoorstel door de Kamers wordt aangenomen en als wet in werking treedt, krijgen (langdurig) bij hun hurende ouder(s) inwonende kinderen bij het overlijden van die hurende ouder(s) per definitie het recht om een bepaalde periode in de woning te blijven wonen. Zij hoeven dan niet aan te tonen dat zij met de overleden hurende ouder(s) een duurzame gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd.
En (langdurig) bij hun hurende ouder(s) inwonende volwassenen die langer dan die bepaalde periode na het overlijden van de hurende ouder(s) in de woning willen blijven wonen, kunnen de verhuurder – en bij een geschil hierover de rechter – binnen die periode vragen om aangemerkt te worden als medehuurder om de huur voor onbepaalde tijd te kunnen voortzetten; in dat geval zullen zij moeten aantonen dat zij met de overleden hurende ouder(s) een duurzame gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd, dus verdergaand dan de gebruikelijke ouder-kindrelatie. De bestaande jurisprudentie hierover blijft dan ook relevant. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 5 zie ik geen verdere aanleiding om te onderzoeken of een ouder-kindrelatie per definitie aangemerkt moet worden als duurzame gemeenschappelijke huishouding, omdat daarmee in feite een overerfbaar huurrecht gecreëerd zou worden.
Het bericht 'Drugs, vechtpartijen en gebrek aan controle, zo ontspoort de markt voor begeleid wonen' |
|
Shanna Schilder (PVV), Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek van Follow The Money over ernstige misstanden binnen de sector begeleid wonen voor kwetsbare jongeren?1
Ja, daarmee ben ik bekend. De situaties die in het artikel worden beschreven zijn ernstig. Met name omdat jeugdigen hier de dupe van zijn en als gevolg hiervan vaak niet de zorg krijgen die nodig is. Voor het kabinet staat voorop dat de kwaliteit, veiligheid en rechtmatigheid van de (jeugd)zorg centraal staan.
Hoeveel meldingen, signalen of aangiften zijn de afgelopen vijf jaar gedaan over geweld, drugsgebruik, seksuele uitbuiting, mensenhandel, intimidatie, criminele uitbuiting of ondermijning binnen instellingen voor begeleid wonen en hoelang zijn deze signalen al bekend bij gemeenten, inspecties, politie en het Rijk?
Begeleid wonen is een sector die qua toezicht verdeeld is over meerdere toezichthouders en financieringsstromen, waardoor een totaalcijfer niet beschikbaar is.
Klopt het dat jongeren binnen sommige woonvoorzieningen in aanraking komen met drugscriminelen, geweld en criminele ronselaars en deelt u de mening dat het onacceptabel is dat jongeren die bescherming nodig hebben juist in zulke omgevingen terechtkomen?
Ik ben helaas bekend met deze signalen en deel de mening dat dit onacceptabel is. De afgelopen periode heb ik meerdere maatregelen ingezet om screening en toezicht op zorg- en jeugdhulpaanbieders in het algemeen te versterken en verder aan te scherpen. Via de Kamerbrief van 15 april jl. heb ik u geïnformeerd dat ik besloten heb aan de slag te gaan met een wetsvoorstel waarmee ook een vergunningplicht voor jeugdhulpaanbieders wordt ingevoerd2. Ik ben ook van plan de vergunningplicht voor Wmo-aanbieders in te voeren.
Hoeveel aanbieders van begeleid wonen zijn de afgelopen vijf jaar onderzocht, gesloten, geschorst of strafrechtelijk aangepakt wegens fraude, witwassen, misbruik van zorggeld, ondeugdelijke zorg of banden met georganiseerde criminaliteit?
Begeleid wonen is een sector die qua toezicht verdeeld is over meerdere toezichthouders en financieringsstromen, waardoor een totaalcijfer niet beschikbaar is.
Hoe verklaart u dat het blijkbaar relatief eenvoudig is om een zorginstelling of woonvoorziening voor kwetsbare jongeren te starten terwijl toezicht, screening en controle volgens het onderzoek ernstig tekortschieten?
Door de decentralisatie en inkoop van jeugdhulp op gemeenteniveau ligt de contractering bij verschillende gemeenten en hanteren zij verschillende eisen. Ik erken dat de huidige toelating van nieuwe jeugdhulpaanbieders in sommige gevallen te eenvoudig is en te weinig randvoorwaarden biedt om malafide aanbieders te weren. Daarom heb ik besloten ook een vergunningplicht voor jeugdhulpaanbieders en Wmo-aanbieders te introduceren. De verwachting is dat het wetsvoorstel waarin dat wordt geregeld in 2028 kan worden aangeboden aan de Tweede Kamer.
Klopt het dat gemeenten in sommige gevallen tienduizenden euro’s per maand betalen voor één jongere in begeleid wonen en hoe wordt gecontroleerd dat dit geld daadwerkelijk aan zorg, begeleiding en veiligheid wordt besteed?
Hoewel het Ministerie van VWS daar geen centrale administratie over bijhoudt, blijkt dat uit de tarieven dat dit voor kan komen. De gemeente is verantwoordelijk voor de rechtmatigheid van gedeclareerde zorg en ondersteuning op grond van de jeugdwet en Wmo en de prijzen die zij hanteren bij inkoop daarvan.
Deelt u de opvatting dat bestaande toelatingseisen, screening en toezicht kennelijk onvoldoende effectief zijn wanneer aanbieders met dubieuze praktijken of banden met criminaliteit actief kunnen blijven? Zo nee, waarom niet?
Het toezicht op de uitvoering van de Jeugdwet is belegd bij verschillende partijen die hierin vanuit hun eigen expertise een verantwoordelijkheid hebben. Er zijn recentelijk maatregelen genomen om het toezicht verder aan te scherpen en het Kabinet heeft aanvullende maatregelen aangekondigd, zoals in het antwoord op vraag 5 en 8 te lezen is.
Toezicht kan incidenten helaas nooit helemaal voorkomen. Toezichthouders kunnen ook niet overal tegelijk zijn. Daarom maken toezichthouders op grond van risicoanalyse keuzes over waar de risico’s het grootst zijn en toezicht het meest effectief is. Hierbij is het belangrijk dat toezichthouders waar mogelijk informatie met elkaar uitwisselen en goed en multidisciplinair met elkaar samenwerken, zodat zij elkaar ook kunnen aanvullen en versterken.
Ziet u aanleiding bestaande screening, integriteitstoetsen en financiële controles voor aanbieders van begeleid wonen verder aan te scherpen en met een landelijke aanpak tegen malafide zorgaanbieders te komen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet komt met een stevig pakket maatregelen om zorgfraude en ondermijnende criminaliteit in de zorg harder aan te pakken. Het kabinet wil voorkomen dat malafide zorgaanbieders zich eenvoudig kunnen vestigen of na eerdere overtredingen opnieuw kunnen starten in de zorg. Daarom werkt het kabinet aan een wetsvoorstel om de toetredingseisen te versterken. Uitgangspunt is een duidelijk norm en voor alle nieuwe en herstartende aanbieders van zorg. Nieuwe en herstartende zorgaanbieders worden ook strenger gecontroleerd, de inzet van de Wet Bibob wordt uitgebreid en toezicht- en opsporingsdiensten krijgen extra capaciteit om fraudeurs sneller op te sporen en aan te pakken. Daarmee wil het kabinet voorkomen dat publiek zorggeld verdwijnt naar criminelen in plaats van naar mensen die zorg nodig hebben. Voor de aanpak is oplopend tot 50 miljoen euro per jaar beschikbaar. Dit heb ik op 8 juni jl. in een brief aan uw Kamer gecommuniceerd3.
Ook zijn in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) afspraken gemaakt om het gemeentelijk toezicht binnen de Jeugdhulp en WMO2015 te verstevigen en te professionaliseren. Ik ben momenteel met de VNG in gesprek over wat nodig is om het gemeentelijk toezicht te verstevigen. Daarnaast is sinds 1 januari 2026 de Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg (Wvbj) van kracht. De wet stelt strengere eisen aan de financiële bedrijfsvoering en verantwoording van jeugdhulpaanbieders.
Acht u de huidige bevoegdheden en capaciteit van gemeenten, de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en opsporingsdiensten voldoende om misstanden snel aan te pakken en bent u bereid met spoed te komen met een landelijke aanpak tegen fraude, criminaliteit, geweld en falend toezicht binnen begeleid wonen en de jeugdzorgsector en de Kamer hierover vóór het zomerreces te informeren?
Zie het antwoord op vraag 7 en 8. Op 15 april en op 8 juni jl. heb ik aangekondigd welke maatregelen het Kabinet neemt om fraude binnen de (jeugd)zorgsector aan te pakken en het toezicht te verstevigen. Ik ga de komende tijd aan de slag om deze maatregelen uit te werken.
Bent u bekend met de berichten over Naomi Janssen (26) uit Rotterdam, die na afloop van haar jongerenhuurcontract dreigt dakloos te worden omdat zij ondanks jarenlange inschrijving en actieve zoektocht geen vervangende woning kan vinden?1, 2
Ja, ik ben met dat bericht bekend. Het raakt me dat jongeren in Nederland in onzekerheid verkeren over hun huurwoonruimte. Ook ben ik mij bewust van de motie van het lid-Beckerman (Kamerstukken II, 2025–2026, 32 847, nr. 1484) die de regering verzoekt onderzoek te doen naar de omvang van het probleem van dakloosheid onder jongeren met aflopende flexibele huurcontracten.
Deelt u de mening dat het jongerenhuurcontract, dat oorspronkelijk bedoeld was als oplossing voor jongeren op de woningmarkt, door de vastgelopen woningmarkt is veranderd in een instrument dat jongeren na vijf jaar feitelijk op straat kan zetten? Zo nee, waarom niet?
Ik maak mij zorgen over de onzekere woonsituatie van jongeren en het feit dat de krappe woning- en huurmarkt van invloed is op de wijze waarop zijn hun leven kunnen inrichten. De mening dat het jongerenhuurcontract is verworden tot een instrument dat jongeren op straat zet, deel ik echter niet. Het huurrecht kent verschillende van dit soort «doelgroepcontracten». Uitgangspunt bij deze contractvorm is dat de huur kan worden beëindigd als de huurder niet meer tot de doelgroep behoort waarvoor de woning bedoeld is. Voor jongeren die een woning huren die speciaal voor jongeren is bedoeld, kan de verhuurder ervoor kiezen om een speciaal jongerenhuurcontract aan te bieden.
Het doelgroepcontract voor jongeren is opgenomen in het Burgerlijk Wetboek. In de kern gaat het om een vast huurcontract, met huurbescherming voor onbepaalde tijd, waaraan bijzondere opzeggingsgronden zijn verbonden. Voor een jongerencontract geldt dat dit contract door de verhuurder kan worden opgezegd als:
Een door de verhuurder opgezegde huurovereenkomst blijft, tenzij de huurder schriftelijk met de huurbeëindiging heeft toegestemd, van kracht. Wanneer de huurder niet binnen zes weken schriftelijk met de huurbeëindiging instemt, kan alleen de rechter de huur beëindigen. Het is dan aan de verhuurder om de rechter om beëindiging van de huurovereenkomst te vragen. De rechter weegt bij het oordeel of de huur moet eindigen alle omstandigheden mee.
Voorts is ook specifiek wettelijk bepaald dat de huurder diens inschrijfduur als woningzoekende behoudt als hij een jongerencontract aangaat, waardoor de huurder niet opnieuw inschrijfduur hoeft op te bouwen.
Tot slot merk ik op dat aan de opzeggingsgrond «dringend eigen gebruik» in het Burgerlijk Wetboek expliciet de voorwaarde is verbonden dat voor de huurder andere passende woonruimte beschikbaar is. Maar aan het kunnen opzeggen van een jongerencontract, met het weer aan de doelgroep (jongere/student/ promovendus) kunnen verhuren als dringend eigen gebruik, is deze wettelijke voorwaarde niet verbonden. Deze keuze is door de wetgever in 2015 gemaakt vanuit de overtuiging dat jongeren weten dat hun huurcontract na 5 jaar (of na verlenging maximaal 7 jaar) eindigt en daarmee voldoende tijd hebben om op zoek te gaan naar een volgende woning.
Doelgroepencontracten waaronder het jongerencontract zijn bij de Wet doorstroming huurmarkt 2015 geïntroduceerd. De wet is in 2021 geëvalueerd.3 Ik heb niet eerder signalen ontvangen over dat deze specifieke contractvorm problemen oplevert. Daarmee wil ik zeker niet voorbij gaan aan de moeite die vele jongeren hebben om passende en betaalbare huisvesting te vinden en de onzekere situatie waarin zij zitten.
Hoeveel jongeren in Nederland hebben op dit moment een aflopend of reeds verlopen jongerenhuurcontract en lopen daarmee het risico op dakloosheid? Is dit bij uw ministerie in beeld?
Een huurcontract, waaronder een doelgroepcontract voor jongeren, is een privaatrechtelijke overeenkomst tussen de huurder en de verhuurder. De overheid beschikt niet over cijfers over het gebruik van de verschillende vormen van huurcontracten zoals opgenomen in het Burgerlijk wetboek.
Bent u het eens met advocaat Jennifer Alspeer dat je mensen niet zomaar de dakloosheid of illegaliteit kunt induwen omdat een contracttermijn is verstreken, zeker gezien de huidige staat van de woningmarkt? Zo nee, wat is uw rechtvaardiging voor het handhaven van deze contractvorm onder de huidige omstandigheden?
Ja, ik deel uiteraard het uitgangspunt dat dakloosheid en illegaliteit voorkomen moeten worden. De belangrijkste manier om dit te voorkomen is om te zorgen dat we snel meer woningen toevoegen, zowel met nieuwbouw als in de bestaande voorraad. Dan is er voor meer mensen een plek en dus ook een plek om naar door te stromen.
Welke concrete verplichtingen hebben woningcorporaties naar uw mening richting jongeren van wie het jongerenhuurcontract afloopt, mede gelet op de zorgplicht die corporaties hebben ten aanzien van hun huurders? Acht u de huidige verplichtingen afdoende?
In het antwoord op vraag 2 ben ik ingegaan op wettelijke bepalingen waaraan de verhuurder gehouden is. Deze acht ik afdoende. Bovendien mag een verhuurder een jongerencontract met maximaal twee jaar verlengen. En wanneer de verhuurder de huurovereenkomst niet na vijf jaar (of na de verlengde termijn van maximaal 7 jaar) opzegt om de woning weer aan een jongere (of student/promovendus) te kunnen verhuren, loopt het huurcontract voor onbepaalde tijd door («vast huurcontract»). Daarnaast verwacht ik van verhuurders, en corporaties in het bijzonder, dat zij zich verantwoordelijk voelen voor de woonsituatie van hun huurder, in het bijzonder in gevallen van dreigende dakloosheid. Op basis van de genoemde krantenartikelen heb ik geen aanleiding te concluderen dat de betrokken verhuurder in deze te kort schiet.
Is het u bekend dat jongeren in wanhoop honderden euro's betalen aan dubieuze tussenpersonen die woonruimte aanbieden via sociale media zoals TikTok, en dat dit leidt tot oplichting? Welke maatregelen neemt u om deze praktijken te bestrijden en kwetsbare woningzoekenden te beschermen?
De problematiek van dubieuze tussenpersonen en woonfraude is niet een direct gevolg van een jongerencontract, maar speelt breder. Ik ben in het antwoord op Kamervragen over woonfraude ingegaan op deze problematiek.4 Ik roep huurders of woningzoekenden die slachtoffer zijn geworden van criminaliteit, bijvoorbeeld van huurbemiddelaars, op om aangifte te doen bij de politie en om dit te melden bij de Fraudehelpdesk. Voorts heb ik op een voorstel voor een huurregister in internetconsultatie gebracht.5 Een huurregister kan uiteenlopende maatschappelijke doelen dienen. Het uit de anonimiteit halen van de huur-verhuurrelatie is er daar één van. Met een huurregister kan de huurder bijvoorbeeld nagaan of de verhurende partij bij het register bekend is. Dat zou voor situaties zoals beschreven een extra waarborg kunnen geven.
Bent u bereid om woningcorporaties via wet- of regelgeving te verplichten dat zij jongeren van wie het jongerenhuurcontract afloopt niet uit hun woning mogen zetten zolang er geen passend alternatief beschikbaar is? Zo nee, welke andere maatregelen overweegt u?
Zoals in het antwoord op vraag 4 uiteen is gezet is de aanvullende voorwaarde dat voor de huurder andere passende woonruimte beschikbaar is, in het Burgerlijk wetboek niet verbonden aan het kunnen opzeggen van een specifiek doelgroepcontract. Ik heb geen voornemen de wet op dit punt aan te passen. Ik wijs er nogmaals op dat de verhuurder een jongerencontract met maximaal twee jaar kan verlengen. En de inschrijfduur als woningzoekende loopt voor de huurder gedurende de looptijd van het (verlengde) jongerencontract door. Bovendien zet ik in op het vergroten van het aanbod, zodat er meer mogelijkheden zijn voor jongeren om door te stromen en plek te maken voor anderen die tot de doelgroep behoren.
Bent u bereid in overleg te treden met woningcorporaties, gemeenten en jongerenorganisaties om een landelijke noodprocedure in te stellen voor jongeren die bij het aflopen van hun jongerenhuurcontract geen vervangende woning kunnen vinden? Zo nee, waarom niet?
De aangehaalde krantenartikelen betreffen het geval van één specifieke huurder, die in de voor haar persoonlijk in de zeer vervelende onzekerheid verkeert over haar woonruimte. Uit de berichtgeving komt ook naar voren dat de betreffende woningcorporatie in gesprek is met de betreffende huurder. Ik zie daarom geen aanleiding om een landelijke noodprocedure in het leven te roepen.
Welke lessen trekt u uit de situatie van Naomi Janssen en andere jongeren in vergelijkbare omstandigheden voor het toekomstige beleid rondom tijdelijke huurcontracten in het algemeen?
Ik ben blij dat deze casus onder mijn aandacht wordt gebracht. Deze casus, net als de vele andere verhalen van woningzoekenden, raken mij. Het motiveert mij om mij iedere dag weer vol in te zetten, samen met alle partners in de volkshuisvesting, om snel meer betaalbare woningen te realiseren.
Ziet u, gezien deze berichtgeving, aanleiding om het voorstel tot uitbreiding van flexibele huurcontracten uit het pakket voor de versoepeling van de Wet betaalbare huur te halen? Zo nee, waarom wilt u de woonsituatie van meer jongeren onzekerder maken?
Het voorstel waar in deze vraag op gedoeld wordt, beoogt een omissie te herstellen waarbij aan studenten die buiten de eigen woonplaats gaan studeren wel een tijdelijk huurcontract aangeboden mag worden en aan studenten die binnen de eigen woonplaats gaan studeren niet. Dit creëert een gelijk speelveld onder studenten en moet ervoor zorgen dat er voor deze groep meer woningen beschikbaar komen, waardoor het dus ook voor méér studenten mogelijk moet worden om in de eigen woonplaats een woonruimte te vinden.
Zou u willen reflecteren op de belangrijkste bevindingen in het artikel over de situatie in Carnisse en de signalen dat woonfraude, uitbuiting en illegale huisvesting van arbeidsmigranten structureel voortduren ondanks nieuwe wetgeving?1
Het artikel beschrijft een schrijnende situatie, waarin duidelijk wordt dat de situatie van sommige arbeidsmigranten in Nederland bijzonder kwetsbaar kan zijn vanwege onzekerheid over huisvesting en inkomen. Arbeidsmigranten verdienen een veilige woonplek, net als iedereen die in Nederland woont.
Het kabinetsbeleid is erop gericht om misstanden aan te pakken en de positie van arbeidsmigranten te versterken. Daarvoor wordt werk gemaakt van de aanbevelingen van het Aanjaagteam bescherming arbeidsmigranten en de maatregelen van het SER-advies «arbeidsmigratie naar waarde». Het artikel laat zien hoe belangrijk het is om verder te gaan met de uitvoering van deze maatregelen, waaronder het verbeteren van de huurbescherming van arbeidsmigranten en de uitvoering van de Wet terbeschikkingstelling van arbeidskrachten.
Het artikel laat zien dat een goede lokale uitvoering en handhaving essentieel zijn, maar ook dat de praktijk complex is. Dit benadrukt het belang van maatregelen in de hele keten, van beleid tot handhaving, om de positie van arbeidsmigranten te verbeteren. Uw Kamer is over de voortgang van de maatregelen in november jl. geïnformeerd.2 Aan het eind van dit jaar wordt uw Kamer opnieuw over de voortgang geïnformeerd.
Hoe beoordeelt u het feit dat, ondanks de invoering van de Wet goed verhuurderschap en andere maatregelen, misstanden in wijken zoals Carnisse onverminderd doorgaan?
In het artikel van de NRC worden ernstige misstanden beschreven rondom de woonsituatie van arbeidsmigranten in de Rotterdamse wijk Carnisse. Vooropgesteld: deze situaties zijn onacceptabel. De inzet van het kabinet is om meer grip te krijgen op arbeidsmigratie en daarnaast van de positie van arbeidsmigranten te verbeteren.
De afgelopen jaren hebben gemeenten meer instrumentarium in handen gekregen om op overtredingen gerelateerd aan de woonsituatie te handhaven, waaronder via de Wet goed verhuurderschap. Als gevolg hiervan kunnen gemeenten beter optreden tegen misstanden als bijvoorbeeld intimidatie en hoge huren, is de informatiepositie van arbeidsmigranten versterkt en moet elke gemeente een meldpunt hebben, waar klachten over ongewenst verhuurgedrag – zo nodig anoniem – kunnen worden gemeld. Een en ander in aanvulling op wettelijke instrumenten die al voor die tijd bestonden, en waarmee bijvoorbeeld al kon worden opgetreden tegen overbewoning. Zoals ook toegelicht in het antwoord op vraag 14 en 16, werkt het kabinet daarom aan aanvullende maatregelen om misstanden, zoals in Carnisse, tegen te gaan.
Effectief beleid valt of staat echter met een goede uitvoering op lokaal niveau. Gemeenten hebben bij de invulling van toezicht en handhaving een mate van vrijheid. Hoewel zij in beginsel behoren op te treden tegen overtredingen, is het aan de gemeente om de prioriteit en aanpak te bepalen op basis van ernst, maatschappelijke impact, beschikbare capaciteit en beleidsdoelen. Dit signaal uit het NRC artikel laat de knelpunten zien in de uitvoering en handhaving lokaal. Naar aanleiding hiervan wordt het gesprek met de betreffende gemeente en andere betrokken partijen gevoerd.
Kunt u aangeven in hoeverre de doelen van de Wet goed verhuurderschap tot op heden zijn gerealiseerd, specifiek voor de bescherming van arbeidsmigranten?
Het is belangrijk om te zien hoe de Wet goed verhuurderschap (Wgv) in de praktijk functioneert. De doeltreffendheid en praktijkwerking van de Wgv worden momenteel geëvalueerd. Na de zomer, als het onderzoek is afgerond, informeert de Minister van VRO uw Kamer over de uitkomsten hiervan.
Hoe verklaart u dat gemeenten, ondanks uitgebreid dossiermateriaal en herhaalde constateringen van overtredingen, in de praktijk beperkt overgaan tot handhaving?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, hebben gemeenten bij de invulling van toezicht en handhaving een mate van vrijheid.
De VNG bevestigt dat de beschikbare bevoegdheden om te handhaven bestaan, maar dat daarmee de feitelijke handhaafbaarheid en effectiviteit niet is gegarandeerd. De VNG signaleert dat bij complexe casussen handhaving niet altijd goed verloopt. Ook geeft de VNG ten aanzien van de integrale aanpak van misstanden aan dat in veel gevallen regionale samenwerking tussen gemeenten nodig is, maar dat die samenwerking niet in alle gevallen goed verloopt. Het artikel en de signalen van VNG geven, zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 2, aanleiding om hierover in gesprek te gaan met de betrokken partijen.
In hoeverre is het huidige instrumentarium tot handhaving toereikend, maar in de praktijk onvoldoende effectief? Zo ja, waar zit volgens u de kern van dit probleem?
Zie het antwoord op vraag 3 en 4.
Zou u, gegeven het feit dat de problematiek samenhangt met de verdeling van verantwoordelijkheden en eventuele gaten hierin, helder in kaart willen brengen welk bestuursniveau (Rijk, gemeente, inspectiediensten) verantwoordelijk is voor:
Gemeenten houden in beginsel toezicht op a) verhuurders, voor zover het handelingen betreft die vallen onder andere de Wet goed verhuurderschap (Wgv) en de Wet betaalbare huur (Wbh) en het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) met betrekking tot kwaliteit en gevaarlijke bouwkundige situaties, b) handhaving bij illegale bewoning (op basis van de Huisvestingswet 2014 en Omgevingswet) en d) inschrijving in de Basisregistratie Personen (Wet basisregistratie personen). Hiermee worden de verantwoordelijkheden op elkaar afgestemd op een manier die past bij de lokale situatie.
Als het gaat om de aanpak tegen mensenhandel is de Minister van Justitie en Veiligheid verantwoordelijk voor de rijksbrede coördinatie van de aanpak van mensenhandel en de Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor de aanpak van arbeidsuitbuiting. Hierin wordt gezamenlijk opgetrokken in onder meer het Actieplan Programma «Samen tegen Mensenhandel» met o.a. de Nederlandse Arbeidsinspectie, politie, Koninklijke Marechaussee, VNG en maatschappelijke organisaties zoals Comensha. In het Actieplan wordt in verschillende actielijnen ingezet op onder meer het creëren van brede bewustwording, vergroten van meldingsbereidheid en het verbeteren van de bescherming van slachtoffers.
De Nederlandse Arbeidsinspectie is onder andere verantwoordelijk voor de opsporing van c) arbeidsuitbuiting als vorm van mensenhandel en, zodra de Wet modernisering en uitbreiding strafbaarstelling mensenhandel in werking treedt, ook voor de opsporing van het delict ernstige benadeling. Ondermaatse huisvesting kan een indicatie zijn van ernstige benadeling of arbeidsuitbuiting.
Ook gemeenten spelen een belangrijke rol bij de aanpak van mensenhandel in de vorm van arbeidsuitbuiting en ernstige benadeling, door in te zetten op preventie, signalering en handhaving – in het kader van toezichthoudende taken – en hulpverlening, waarbij de gemeente integraal samenwerkt met onder andere de politie en bestuurlijk handhaaft op de naleving van huisvestingsnormen.
Zoals in het antwoord op vraag 2 is aangegeven, worden vanuit het Rijk de kaders geschept om arbeidsmigratie in goede banen te leiden en om arbeidsmigranten beter te beschermen. Bestaand en voorgenomen beleid op rijksniveau gerelateerd aan de genoemde gebieden wordt toegelicht in het antwoord op vraag 14. Effectief beleid valt of staat echter met een goede uitvoering op lokaal niveau. Gemeenten zijn, zoals hierboven beschreven, in veel gevallen verantwoordelijk voor het toezicht en de handhaving. Er bestaat een integrale samenwerking tussen gemeente(n), de Nederlandse Arbeidsinspectie en politie. Dit is nader toegelicht in het antwoord op vraag 19. De VNG geeft ten aanzien van de integrale aanpak van misstanden aan dat in veel gevallen regionale samenwerking tussen gemeenten nodig is. Dat verloopt niet in alle gevallen goed. Het artikel en de signalen van VNG geven, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, aanleiding om hierover in gesprek te gaan met de betrokken partijen.
Zou u willen reflecteren op de vraag of deze verantwoordelijkheden in de praktijk voldoende op elkaar zijn afgestemd?
Zie antwoord vraag 6.
Welke bevoegdheden of instrumenten hebben gemeenten in uw ogen nodig om effectief te kunnen optreden wanneer bewoners de deur niet openen, sprake is van intimidatie, of sprake is van snel wisselende bewoners, de zogenaamde carrouselconstructies?
Gemeenten beschikken reeds over diverse mogelijkheden om op te treden wanneer bewoners de deur niet openen, er sprake is van intimidatie en/of snel wisselende bewoners.
Indien de bewoners de deur niet openen geldt dat toezichthouders de bevoegdheid hebben3 om in bepaalde gevallen een woning binnen te treden zonder toestemming van de bewoner. In die gevallen is de Algemene wet op het binnentreden van toepassing. Kort gezegd volgt uit deze wet dat bij binnentreden voor andere doeleinden dan strafvordering een machtiging tot binnentreden moet worden afgegeven. Een uitzondering op deze situatie is het bestaan van een noodsituatie (zoals bijvoorbeeld een brand).
Ook wanneer er sprake is van intimidatie geldt dat toezichthouders van de gemeente reeds actie kunnen ondernemen. In de Wet goed verhuurderschap (Wgv) is namelijk bepaald dat een verhuurder niet mag intimideren. Doet de verhuurder dit wel, dan dient de gemeente hierop te handhaven. Dat kan door een waarschuwing te geven, een last onder dwangsom op te leggen, of een bestuurlijke boete. Handhaving kan bijvoorbeeld naar aanleiding van een (anonieme) melding bij het gemeentelijke meldpunt voor ongewenst verhuurgedrag, maar de gemeente kan daarnaast ook zonder voorafgaande melding optreden tegen intimidatie als dit wordt vastgesteld.
Ten aanzien van de zogenaamde «carrouselconstructies» geldt dat het voor de handhaving op overtredingen van zowel de Wgv of de Wet betaalbare huur (Wbh) niet uitmaakt of er inmiddels een andere huurder in de woning woont. Voor wat betreft handhaving van de Wgv en de Wbh geldt namelijk dat het gaat om de overtreding die is begaan. Daarbij is niet relevant jegens welke huurder(s) dat is geweest. Gemeenten kunnen op grond van deze wetten bovendien zwaardere sancties opleggen in het geval van recidive.
Welke mogelijkheden zijn er tot binnentreden of bestuursrechtelijk ingrijpen bij ernstige signalen van uitbuiting en overbewoning?
Voor binnentreding bij handhaving op overbewoning geldt het algemene wettelijke kader beschreven in de antwoorden op vraag 7 en 8. Specifiek voor de Arbeidsinspectie geldt dat de Wet arbeid vreemdelingen en het Wetboek van Strafvordering mogelijkheden bieden voor binnentreden zonder toestemming van de bewoner(s).
Zou u samen met de VNG in kaart willen brengen hoeveel capaciteit gemeenten nodig hebben om een stevige aanpak van deze problematiek neer te zetten, gezien het voorbeeld dat een grote stad als Rotterdam slechts enkele inspecteurs beschikbaar heeft voor toezicht op naleving?
Zoals opgemerkt in eerdere antwoorden wordt in gesprek gegaan met gemeenten en de VNG over de beschikbare bevoegdheden om te handhaven en te bezien wat mogelijke knelpunten zijn.
In het geval van de Wet goed verhuurderschap (Wgv), Wet betaalbare huur (Wbh) en Wet maximering huurprijsverhogingen geliberaliseerde huurovereenkomsten geldt overigens dat in 2025, op verzoek van de VNG, een evaluatie heeft plaatsgevonden van de financiële middelen die gemeenten van het Rijk ontvangen voor de implementatie en uitvoering van de genoemde wetten. Uit dit onderzoek, waarin ook individuele gemeenten zijn geïnterviewd, blijkt dat de financiële middelen voor gemeenten voor het uitvoeren van de wettelijke taken die voortvloeien uit deze drie wetten en het handhaven daarop vooralsnog afdoende zijn. Tegelijk laat dit signaal zien dat het wettelijk instrumentarium alleen niet voldoende is, en dat capaciteit nodig is om lokaal toezicht en handhaving uit te oefenen. Daarom is het gesprek hierover met gemeenten van belang om te horen waar het nu knelt.
Herkent u het beeld dat dossiers blijven liggen, handhaving uitblijft en overtreders feitelijk wegkomen met illegale praktijken?
Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 4, 5, 6 en 7 zijn gemeenten verantwoordelijk voor de handhaving op misstanden in hun gemeente en de wijze waarop zij dat binnen de kaders van de wet vormgeven. Ook heeft de Minister van VRO in 2025 de opstart van een opleiding voor bouw- en woningtoezicht gesteund. Deze opleiding moet bijdragen aan professionalisering en kwaliteitsverbetering van woontoezichthouders en bouwtoezichthouders. Zoals eerder aangegeven wordt met gemeenten in gesprek gegaan over signalen dat de handhaving in de praktijk niet altijd goed verloopt.
Welke concrete maatregelen neemt u om te zorgen dat constateringen van overtredingen sneller en daadwerkelijk leiden tot sancties?
Zie antwoord vraag 11.
Hoe beoordeelt u de kwetsbare positie van arbeidsmigranten die geen huurcontract hebben, afhankelijk zijn van hun werkgever voor huisvesting en uit angst voor verlies van werk of woning geen melding durven doen?
Situaties waarin arbeidsmigranten geen schriftelijk huurcontract hebben, een te grote afhankelijkheid van hun werkgever voor huisvesting hebben, of waarbij zij uit angst voor verlies van werk of woning geen melding durven te doen van misstanden, keurt het kabinet af.
Daarbij moet opgemerkt worden dat, voor het verkrijgen van de huurbescherming of huurprijsbescherming, het juridisch gezien niet uitmaakt of mensen een schriftelijk huurcontract hebben. Een huurovereenkomst kan ook een (impliciete) mondelinge afspraak zijn. Om discussies over het bestaan van een huurrelatie te voorkomen, is in de Wet goed verhuurderschap (Wgv) bovendien een verplichting aan verhuurders opgelegd om een (mondelinge) huurovereenkomst schriftelijk vast te leggen. Daarnaast geldt dat verhuurders – in het geval van verhuur aan arbeidsmigranten – op grond van de Wgv verplicht zijn om de huurovereenkomst los van de arbeidsovereenkomst vast te leggen om «baan en bed» van elkaar te scheiden.
De huur(prijs)bescherming van arbeidsmigranten is vaak echter nog onvoldoende, omdat gebruik wordt gemaakt van «aard naar korte duur»-contracten. Om de huur(prijs)bescherming te verbeteren is een wetsvoorstel in voorbereiding, zie hiervoor het antwoord op vraag 14.
Zou u in kaart willen brengen welke mogelijkheden er zijn om deze groep beter te beschermen, op het gebied van fatsoenlijke huisvesting, het tegengaan van misstanden en afbouwen van onwenselijke afhankelijkheidsrelaties?
Voor wat betreft de maatregelen aangaande huisvesting verloopt dit onder andere via het instrumentarium dat is beschreven in het antwoord op de vragen 6 en 7.
Naast het reeds beschikbare instrumentarium (zie antwoord vraag 6 en 7) is er een wetsvoorstel in voorbereiding om de huurbescherming van arbeidsmigranten te verbeteren.4 Op dit moment worden verschillende groepen huurders, waaronder arbeidsmigranten, gehuisvest op basis van zogenaamde «short stay»- of logiescontracten. Het huurrecht kent het begrip «short stay»-contracten echter niet. Waar in de sector wordt gesproken over huisvesting op basis van «short stay» wordt binnen het huurrecht een beroep gedaan op de uitzondering in artikel 7:232, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek. Deze uitzondering betekent kort gezegd dat de huur(prijs)bescherming niet van toepassing is op deze vorm van huur. De uitzondering in het huurrecht voor huur «naar aard van korte duur» is bedoeld om kenbaar te maken dat er bijvoorbeeld bij het huren van een vakantiehuisje geen huurbescherming is. Het substantiële gebruik van de uitzondering is oneigenlijk. Beleidsinzet is er dan ook opgericht om de wet aan te passen en huur «naar aard van korte duur» wettelijk te begrenzen tot een maximale duur van 30 nachten. Op het moment dat dezelfde woonruimte langer dan 30 nachten aan dezelfde huurder wordt verhuurd, is er dan per definitie sprake van huur(prijs)bescherming.
Ten tweede werkt de Minister van VRO aan een huurregister5. Een huurregister heeft als inzet dat alle verhuurders die woonruimte langer dan 30 nachten verhuren of willen verhuren, zich moeten registreren in een landelijk register. Dat geldt dus dan ook voor alle huisvesting die aan arbeidsmigranten wordt verhuurd. Hiermee wordt het houden van toezicht op de verhuurder gefaciliteerd.
Zoals bij vraag 1 benoemd voert het kabinet de aanbevelingen van het Aanjaagteam bescherming arbeidsmigranten uit. Dit gebeurt in interdepartementaal verband met de Ministeries van SZW, BZK, VWS, EZ, LVVN, JenV en de Nederlandse Arbeidsinspectie. Daarbij werkt het kabinet samen met uitvoerings- en handhavingsorganisaties, sociale partners, medeoverheden en andere stakeholders.
Omdat veel arbeidsmigranten in Nederland werken via een uitzendbureau is een belangrijke aanbeveling van het Aanjaagteam het opzetten van een toelatingsstelsel voor uitleners. De Wet terbeschikkingstelling van arbeidskrachten (Wtta) is op 15 april 2025 aangenomen in de Tweede Kamer en op 11 november 2025 aangenomen in de Eerste Kamer. Een belangrijke mijlpaal. De voorbereidingen voor de invoering van het toelatingsstelsel zijn in volle gang, met in het bijzonder de oprichting van een nieuwe uitvoeringsorganisatie: de Nederlandse Autoriteit Uitleenmarkt (NAU). De invoeringsdatum voor het toelatingsstelsel is 1 januari 2027. Vanaf 1 januari 2028 gaat de Arbeidsinspectie handhaven op de toelatingsplicht. Daar heeft de Arbeidsinspectie ook extra capaciteit voor gekregen. Door de Wtta kunnen we uitleners die zich niet aan de regels houden van de uitleenmarkt weren. Hiermee beschermen we kwetsbare arbeidskrachten, onder wie arbeidsmigranten. Ook stimuleren we goed werkgeverschap in de uitzendbranche.
Naast goede wet- en regelgeving moeten arbeidsmigranten beter op de hoogte zijn van hun rechten en moet hen meer (juridische) hulp worden geboden. Dat kan ook hulp zijn bij problemen met huisvesting. Daarom heeft dit kabinet met het project Work in NL (WIN) fysieke en mobiele informatiepunten door heel het land geopend. Dit jaar wordt de website workinnl.nl vernieuwd en geeft het de mogelijkheid om ook regionale informatie te plaatsen. Daarnaast wordt verder gewerkt aan concrete actie binnen de Alliantie Work in NL, waarin werkgevers en huisvesters ondersteuning bieden aan arbeidsmigranten en zetten we verdere stappen om informatie in landen van thuiskomst te versterken.
Daarnaast ligt op dit moment de Wet modernisering en uitbreiding strafbaarstelling mensenhandel ter behandeling in de Eerste Kamer.6 De modernisering heeft als centrale doelstelling het effectiever maken van de strafrechtelijke aanpak van mensenhandel, waardoor de vervolging van daders en de bescherming van slachtoffers wordt verbeterd.
Kortom, het kabinet zet tal van maatregelen door om de situatie van arbeidsmigranten te verbeteren.
Bent u bekend met signalen dat uitzendbureaus en huisvesters arbeidsmigranten ontmoedigen of zelfs intimideren om zich in te schrijven bij gemeenten? Deelt u de opvatting dat dit volstrekt onnacceptabel is?
Het is ontoelaatbaar dat sommige uitzendbureaus of huisvesters de inschrijving van arbeidsmigranten in de BRP dwarsbomen. Dit kabinet zet in op een breed pakket aan maatregelen om de registratie van arbeidsmigranten in de BRP te verbeteren. Een van de belangrijkste maatregelen is om uitzenders een verantwoordelijkheid te geven in de correcte registratie van arbeidsmigranten. Daarom streven we naar inwerkingtreding van de zorgplicht voor uitleners per 1 januari 2027.
Op verzoek van uw Kamer is met de Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten (Wtta) een wettelijke basis geïntroduceerd voor de zorgplicht van uitzenders in de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi). Dit betekent dat uitzenders een rol krijgen in de correcte registratie van hun werknemers. Dit zal in beginsel gaan om een bevorderings- en vergewisplicht. De uitzender moet bevorderen dat zijn werknemer goed is ingeschreven en vergewissen dat deze werknemer na 6 maanden ook ingeschreven staat bij de gemeente. Momenteel werkt de Minister van SZW de bevordering-, vergewis in lagere regelgeving uit. Optioneel is het in de toekomst ook mogelijk dat er een meldplicht komt, waarmee uitzenders verplicht worden om melding te doen als een werknemer niet goed ingeschreven staat bij de gemeente. De uitwerking van lagere regelgeving gebeurt onder meer in nauwe samenwerking met uitleners, vakbonden en uitvoeringsorganisaties.
Op termijn zullen in het normenkader van de Wtta eisen worden opgenomen ten aanzien van de naleving van de zorgplicht. Deze norm zal worden toegevoegd nadat het toelatingsstelsel volledig is ingericht en de capaciteit van inspectie-instellingen voldoende is.
Daarnaast wordt er gewerkt aan andere maatregelen om in de breedte zicht op arbeidsmigranten te verbeteren. Zo gaat de Rijksdienst voor Identiteitsgegevens deze zomer e-mails sturen naar arbeidsmigranten die zich hebben ingeschreven in de registratie niet-ingezetenen om hen uitleg te geven over inschrijving in de BRP. Ook ziet het kabinet goede voorbeelden, zoals in de gemeente Meijerijstad, waar het WorkinNL-punt actief op pad gaat naar werk- en woonlocaties om daar mensen in te schrijven in de BRP.
Welke acties onderneemt u tegen uitzendbureaus of huisvesters die arbeidsmigranten ontmoedigen of intimideren om zich in te schrijven in de BRP?
Zie antwoord vraag 15.
Welke sancties staan momenteel op het belemmeren van inschrijving, en in hoeverre en hoeveel worden deze in de praktijk toegepast?
In de situatie zoals beschreven in het artikel vindt er een combinatie van misstanden plaats waarop in gezamenlijkheid gehandhaafd moeten worden. We verwijzen daarom naar het antwoord op vraag 8 waarin beschreven wordt welke handvatten er voor gemeenten zijn om dit aan te pakken. Als het gaat om inschrijving is ervoor gekozen om nu sancties in te stellen voor de uitleners die hun zaken niet goed op orde hebben als het gaat om de registratie van werknemers. Zoals in de vorige vraag beschreven komt er per 1 januari 2027 een zorgplicht voor uitleners waarmee zij een verantwoordelijkheid krijgen in de correcte registratie van arbeidsmigranten. Op termijn wordt handhaving hiervoor ook ingeregeld via het toelatingsstelsel.
Zou u inzicht willen geven in welke maatregelen er nog meer mogelijk zijn, zoals een meldplicht voor huisvesting van arbeidsmigranten, strengere vergunningseisen voor uitzendbureaus, of koppeling van huisvesting en registratiecontrole?
Zoals in het antwoord op vraag 14 en 16 reeds is toegelicht zijn er verschillende bestaande en in ontwikkeling zijnde maatregelen om misstanden tegen te gaan die zien op de in de vraag genoemde terreinen.
Hoe wordt de samenwerking tussen gemeenten, de Arbeidsinspectie, politie en andere instanties momenteel vormgegeven, en waar schiet deze tekort?
Het algemene beeld is dat de samenwerking in de meeste gevallen goed verloopt. Wel zijn er signalen dat in situaties van meervoudige problematiek, waarbij handhaving nodig is op verschillende overtredingen die aan elkaar gerelateerd zijn en afstemming tussen meerdere instanties vereist, het nodige wordt gevraagd van de betrokken organisaties. Het kabinet gaat daarover in gesprek met onder andere gemeenten en de VNG.
Om een aantal voorbeelden te geven van waar de samenwerking goed gaat: gemeenten en de Arbeidsinspectie werken samen bij het uitwisselen van meldingen, gezamenlijke controles en via meer structurele samenwerkingsverbanden (zoals via het Haags Economisch Interventie Team). Ook heeft de VNG in afstemming met onder meer de Arbeidsinspectie de handreiking opgesteld voor beter toezicht op huisvesting en registratie van EU-arbeidsmigranten.
Politie en de Arbeidsinspectie werken onder meer samen tijdens controles, waar de politie geregeld meegaat ter bescherming van de arbeidsinspecteurs. Daarnaast haalt de politie waar nodig voertuigen van de openbare weg naar controlelocaties zodat arbeidsinspecteurs kunnen controleren op de naleving van arbeidswetten ten behoeve van onder andere vrachtwagenchauffeurs en maaltijdbezorgers.
Bent u bereid te komen tot een landelijke, integrale aanpak waarbij huisvesting, arbeid en migratiebeleid nadrukkelijker met elkaar worden verbonden?
Het kabinet werkt onder coördinatie van de Minister van SZW aan een landelijke, integrale aanpak, zoals ook genoemd in het antwoord op vraag 14.
Welke concrete aanvullende maatregelen gaat u op korte termijn nemen om situaties zoals in Carnisse daadwerkelijk te beëindigen?
Zoals in het antwoord op vraag 4 tot en met 8 aangegeven is het doorgaans de gemeente die verantwoordelijk is voor het directe toezicht en de handhaving op de misstanden die in het artikel staan beschreven. Zoals terug te lezen is in het antwoord op vraag 14 en 16 zet het kabinet verschillende maatregelen door om misstanden tegen te gaan. Ook bij evaluaties van bestaande wetten, zoals de Wet goed verhuurderschap en de Wet betaalbare huur, zal er aandacht zijn voor de effectiviteit van de geëvalueerde wetten, en de praktijkwerking daarvan.
Dit neemt niet weg dat de in het artikel beschreven situatie schrijnend is en dat de handhaving in sommige gemeenten te kort kan schieten. Het kabinet gaat hierover het gesprek met gemeenten, VNG, de Arbeidsinspectie en andere betrokken partijen graag aan.
Het biedlogboek en een fatsoenlijk koopproces |
|
Hanneke Steen (CDA) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht over de oplopende discussie rond het biedlogboek en de oproep van Vereniging Eigen Huis (VEH)?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Hoe beoordeelt u de signalen dat het huidige systeem van biedlogboeken onvoldoende transparantie en controle biedt voor woningzoekenden?
Naar aanleiding van de signalen over onvoldoende transparantie rondom het (ver)koopproces van woningen, zijn de afgelopen jaren verschillende stappen gezet om dit proces transparanter te maken. Daarbij is er vanuit het Verbeterplan ingezet op meer transparantie en duidelijkere regels.2 Het biedlogboek is hier een voorbeeld van. Ik neem de signalen dat de invoering van het biedlogboek het koopproces nog niet voldoende transparant heeft gemaakt serieus. Ik ga daarom binnenkort met de ondertekenaars van het Verbeterplan in gesprek.
Deelt u de opvatting dat transparantie bij biedprocessen essentieel is voor een eerlijke woningmarkt, mede gezien het uitgangspunt dat de woningzoekende centraal moet staan?
Het Verbeterplan is met de sector opgesteld omdat er een gebrek was aan vertrouwen en integriteit in het koopproces. Transparantie bij biedprocessen is belangrijk voor een eerlijke woningmarkt. Als het biedlogboek correct wordt gebruikt, is het koopproces inzichtelijk en achteraf controleerbaar.
Welke concrete stappen heeft u tot op heden gezet om de werking en naleving van het biedlogboek te verbeteren?
Branchepartijen hebben zelf gezamenlijke afspraken gemaakt over het gebruik van het biedlogboek door hun leden. Om verschillen in de uitvoering van het biedlogboek te voorkomen, is de ontwikkeling van een Nederlands Technische Afspraak (NTA) geïnitieerd bij de NEN. De afgelopen maanden zijn er verschillende gesprekken gevoerd met de betrokken partijen over de naleving van deze afspraken. Daarnaast is er onderzoek uitgevoerd naar de branchesamenstelling van de makelaardij. De zelfopgelegde verplichting voor het biedlogboek geldt namelijk enkel voor makelaars die zijn aangesloten bij een beroepsorganisatie. De resultaten van dit onderzoek heb ik recent met uw Kamer gedeeld.3 Ten slotte ga ik binnenkort met de ondertekenaars van het Verbeterplan in gesprek om de handhaving van de zelfopgelegde regels te bespreken.
In hoeverre en op welke manier wordt momenteel gecontroleerd of makelaars zich houden aan de regels rond biedlogboeken? Acht u deze controle toereikend?
De verantwoordelijkheid voor de handhaving van de zelfopgelegde regels over het biedlogboek ligt op dit moment bij de brancheorganisaties zelf omdat er sprake is van zelfregulering. RIGO heeft in de evaluatie van het Verbeterplan aangegeven dat de handhaving op regels zoals biedlogboeken tekortschiet. Een consument moet zelf een klacht indienen over het ontbreken van een biedlogboek, maar dit wordt niet proactief gecontroleerd door de brancheorganisaties. RIGO stelt in hun evaluatie van het Verbeterplan dat actievere handhaving door de sector had bijgedragen aan een betere praktische uitvoering van het Verbeterplan waaronder het biedlogboek.
Bent u bereid te onderzoeken welke meerwaarde onafhankelijk toezicht en strengere handhaving op biedprocessen zou kunnen hebben?
Onderzoek wijst uit dat op dit moment circa 80% van de makelaarskantoren al is gereguleerd via de brancheorganisaties. Uit de evaluatie door RIGO blijkt dat er door de brancheorganisaties geen proactieve handhaving plaatsvindt onder leden. Zoals eerder genoemd, ga ik daarom binnenkort in gesprek met de sectorpartijen over mogelijke opties voor strengere handhaving. Hierover informeer ik uw Kamer na de zomer.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat biedprocedures bij koopwoningen transparant en controleerbaar zijn, zodat woningzoekenden erop kunnen vertrouwen dat biedingen eerlijk worden behandeld?
Zoals aangegeven in mijn eerdere antwoord zijn er verschillende stappen gezet om het biedproces transparant en controleerbaar te maken zoals het Verbeterplan en de ontwikkeling van een NTA. Om opvolging hieraan te geven, ga ik binnenkort met de ondertekenaars van het Verbeterplan in gesprek over de handhaving. Tussentijds onderzoek ik de mogelijkheden voor wet- en regelgeving. De resultaten hiervan deel ik na de zomer met de uw Kamer.
Zou u in kaart willen brengen welke aanvullende maatregelen er mogelijk zijn om de positie van kopers, in het bijzonder starters, te versterken bij het aankoopproces van woningen?
Het biedlogboek is een instrument voor consumenten om het biedproces transparanter te maken, maar er kunnen meer stappen gezet worden in het koopproces ter bevordering van transparantie. Op dit moment lopen er verschillende gesprekken met de branche om de mogelijkheden hiervoor in kaart te brengen. Hier informeer ik uw Kamer na de zomer over.
Hoe verhouden de huidige ontwikkelingen rondom biedlogboeken zich tot de bredere doelstelling om de woningmarkt eerlijker, toegankelijker en beter functionerend te maken?
Het biedlogboek is een belangrijk middel voor consumenten om inzicht te krijgen in het verloop van het biedproces. Ik acht het van belang dat het koopproces transparant en eerlijk verloopt, waarbij iedereen een eerlijke kans verdient op het kopen van een woning. Ik ben er van overtuigd dat dat weer bijdraagt aan een eerlijker, toegankelijker en beter functionerende woningmarkt. Het feit dat het biedlogboek nog onvoldoende wordt toegepast is dan ook geen positieve ontwikkeling.
Zou in kaart willen brengen of er signalen zijn dat makelaars structureel regels omzeilen of verschillend interpreteren? Indien dit het geval is, welke maatregelen gaat u treffen?
Op dit moment wordt er onderzoek uitgevoerd door het Verwey-Jonker instituut naar de ervaringen van consumenten met makelaars. Door dit onderzoek wordt duidelijk waar woningzoekers en verkopers tegenaan lopen in het koopproces. De resultaten van het onderzoek verwacht ik na de zomer met uw Kamer te kunnen delen. Daarnaast kunnen consumenten met klachten momenteel laagdrempelig terecht bij de Geschillencommissie Makelaardij. In haar openbare jaarverslag publiceert de Geschillencommissie cijfers over het aantal ingediende klachten en behandelde geschillen met betrekking tot makelaars die zijn aangesloten bij een beroepsorganisatie.
Op welke manier gaat u samenwerken met brancheorganisaties en consumentenorganisaties om te komen tot een aangescherpt en beter handhaafbaar systeem van biedtransparantie?
Zoals aangegeven in een eerder antwoord ga ik binnenkort met de ondertekenaars van het Verbeterplan: de Nederlandse Vereniging van Makelaars (NVM), Vereniging Eigen Huis (VEH) en Vastgoed Nederland (VN) in gesprek om te onderzoeken op welke manier de afspraken vanuit het Verbeterplan beter gehandhaafd kunnen worden dan nu het geval is.
Hoe beoordeelt u de naleving van het Verbeterplan «Vertrouwen in het koopproces», nu blijkt dat kandidaat-kopers het biedlogboek in de praktijk nog vaak niet ontvangen?
Uit de eerdergenoemde evaluatie van RIGO over het Verbeterplan «Vertrouwen in het Koopproces» bleek dat kandidaat-kopers inderdaad vaak het biedlogboek niet ontvangen. Het RIGO-rapport geeft duidelijk aan dat de naleving van het Verbeterplan beter kan.
Zou u op korte termijn in gesprek willen gaan over naleving en aanscherping van het Verbeterplan met de Nederlandse Vereniging van Makelaars (NVM), Vastgoed Nederland en VEH, en de uitkomsten van deze gesprekken met de Kamer willen delen? Zo ja, wat wordt u inzet bij deze gesprekken?
Dit gesprek staat op korte termijn gepland. Mijn inzet hierbij is onder meer om te kijken of en op welke manier de brancheorganisaties mogelijkheden zien om verdere concrete stappen te zetten richting een transparanter en eerlijker koopproces. Dat zou onder meer kunnen door een betere naleving van het Verbeterplan. Ik informeer uw Kamer hier na de zomer over.
Klopt het dat de door het kabinet in april 2025 toegezegde poging om NVM alsnog mee te laten doen, gestrand is? Zo ja, zou u willen toelichten waarom? Zo ja, zou u willen toelichten welke inspanningen er worden verricht om NVM alsnog hierbij te betrekken?
Ter aanvulling op het Verbeterplan zijn er onderhandelingen geweest over de NTA 8061:2025. Deze NTA heeft als doel om minimale eisen vast te leggen over het biedproces ten behoeve van het biedlogboek. De NTA is uiteindelijk door alle werkgroepleden uit de sector ondertekend, behalve de NVM. De NVM wilde in de NTA een vierde verkoopmethode opnemen genaamd de «Inschrijving met biedtermijn». Bij deze verkoopmethode brengen kandidaten blind een bod uitbrengen voor een deadline, maar hebben de makelaar en verkopende partij wel tussentijds inzicht. De overige leden van de werkgroep hebben de toevoeging van de verkoopmethode aan de NTA niet geaccepteerd. Uiteindelijk heeft de NVM ervoor gekozen om de NTA niet te ondertekenen. Verschillen in de minimale eisen die gelden aan het biedlogboek zijn onwenselijk voor de consument. Er zijn al verschillende gesprekken gevoerd om te bezien of er toch nog een oplossing mogelijk is. Binnenkort ga ik met de ondertekenaars van het Verbeterplan nog een keer om tafel om te onderzoeken of en hoe we tot één norm kunnen komen.
Zou u willen toelichten van de stand van zaken is van de implementatie van de NTA? In hoeverre is eerdere evaluatie hiervan opportuun?
De NTA 8061 is een sectorproduct waarbij de ontwikkeling, uitvoering en handhaving is belegd bij de sector. Sinds de publicatie hebben de uitvoerende partijen die zich committeren aan de NTA zich ingezet om de IT-systemen aan te passen op de nieuwe werkwijze zodat het biedlogboek gebruikt kan worden door aangesloten makelaars. De NTA is gepubliceerd in maart 2025, en geldt daarom tot begin 2028. Voor die tijd zal aan de betrokken partijen worden gevraagd of zij de NTA willen blijven handhaven, intrekken of wijzigen.
Zou u willen reflecteren op de vraag waar voor u de grens ligt om zelf te gaan reguleren, onafhankelijk toezicht in te stellen op het biedlogboek?
De beantwoording van deze vraag is afhankelijk van de uitkomsten van de gesprekken die ik zal voeren met de ondertekenaars van het Verbeterplan. Vooralsnog ga ik ervan uit dat de sector, gelet op de hoge organisatiegraad, zelf verantwoordelijkheid neemt voor het toezicht en de borging van de kwaliteit binnen de makelaardij. De ondertekenaars van het Verbeterplan hebben eerder laten zien gezamenlijk stappen te kunnen zetten ter bevordering van een transparant en eerlijk koopproces. Indien de sector hierin onvoldoende verantwoordelijkheid neemt, kan regelgeving worden overwogen. Daarbij geldt wel dat beroepsregulering wordt begrensd door Europese regelgeving, wetgeving doorgaans een langdurig en kostbaar traject is en de kosten van toezicht en handhaving uiteindelijk kunnen neerslaan bij consumenten. Om die reden ben ik terughoudend met aanvullende regelgeving wanneer dit niet noodzakelijk is. Ik zal de Kamer na de zomer informeren over de mogelijkheden van eventuele vervolgstappen.
In hoeverre en op welke manier heeft u grip op het naleven van het eigen protocol van NVM door hun leden? Op welke manier bent u in gesprek met NVM dat dit protocol ook zorgt voor transparantie bij biedingsprocessen?
De uitvoering en handhaving van het biedlogboek is belegd bij de sectorpartijen. Ik ben van mening dat het voor de consument verwarrend is als er meerdere minimale eisen aan het biedlogboek worden gesteld. Om dit op te lossen ga ik binnenkort met de ondertekenaars van het Verbeterplan in overleg om te onderzoeken of we alsnog tot één gezamenlijke norm kunnen komen.
De overnames van vakantieparken en de stand van zaken van de nieuwe Kampeerwet |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Herbert , Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Markt voor vakantiehuizen koelt in hoog tempo af»?1 Wat is u reactie op het feit dat er op makelaarssite Funda nu 4.979 recreatiewoningen te koop staan, 32% meer dan in maart 2025?
Ja, het artikel is bekend. Het totaalaanbod van recreatiewoningen groeit en de vraag groeit niet of nauwelijks. De prijzen stagneren. Er is sprake van een stabiliserende markt.
Herkent u de door makelaarsvereniging NVM geconstateerde trend dat steeds meer eigenaren van vakantiewoningen deze willen verkopen?
Ja, het aantal te koop staande vakantiewoningen groeit. Deze trend zet zich voort in 2026. Kopers hebben meer keuze en bieden vaker en ruimer onder de vraagprijs. De afgelopen vijf jaar zijn de prijzen van recreatiewoningen met 40% gestegen. Deze groei is nu voorbij. De gemiddelde verkoopprijs van in 2025 verkochte recreatiewoningen komt uit op 247 duizend euro. Dat is vrijwel even hoog als het jaar ervoor, de stijging bedraagt slechts 0,1%, zo blijkt uit cijfers van de NVM2, vraag en aanbod komen meer in balans.
Onderschrijft u de woorden van recreatieadviseur Hans van Leeuwen dat straks 75% van de vakantiehuizen in Nederland geen rendement meer oplevert? Voorziet u net als hij een grote verkoopgolf?
Er is sprake van een normalisatie van de markt voor vakantiewoningen. Het aantal transacties groeit nog licht, maar niet spectaculair. In 2025 werden 4.273 vakantiewoningen verkocht, een stijging van 2,9% ten opzichte van 2024. Dat is volgens het eerdergenoemde NVM-rapport een gematigde stijging. Daarmee beweegt de markt zich van een krappe verkopersmarkt naar een meer evenwichtige marktsituatie. Daar past een duiding als «grote verkoopgolf» niet bij.
De rendementen staan vaker onder druk door hogere belastingen, btw-verhogingen en stijgende lasten. Dat 75% van de vakantiehuizen geen rendement meer zouden opleveren lijkt mij een hele hoge inschatting, die ook nergens bevestigd wordt door data. De vraag naar de huur van vakantiewoningen blijft relatief sterk. Ondernemers en particuliere beleggers zullen wel steeds kritischer en professioneler moeten kijken naar hun investeringen.
Daarnaast zijn de verschillen per regio groot. Het is daarom lastig alles te vervatten in een landelijk rendementsbeeld. In bijvoorbeeld Zeeland, in Limburg of op de Veluwe bestaan veel verschillen. Het aantal vakantiehuizen dat in de verkoop gaat zal sterk verschillen per regio. Met name particuliere beleggers zullen waarschijnlijk eerder uit deze markt stappen vanwege lagere rendementen en fiscale druk.
De SP heeft jarenlang gewaarschuwd dat de overname van campings en de bouw van veel nieuwe vakantiewoningen ertoe zou leiden dat deze markt ook op een moment weer zou afkoelen, met grote gevolgen voor alle betrokkenen, erkent u dat dit nu gebeurt?
De koopmarkt koelt af, maar de huurvraag naar vakantiewoningen houdt aan, mede door de groei van buitenlands en binnenlands toerisme. Degene die kortgeleden hebben gekocht zullen wel scherper moeten zijn op hun rendementen. Daarnaast zien we in Nederland geen opvallende prijsbewegingen in deze markt.
Ondanks de snel afkoelende markt voor vakantiehuizen, worden er nog steeds campings opgekocht en geherstructureerd voor de bouw van (luxe) vakantiewoningen, deelt u onze mening dat dit zeer onverstandig is?
Hoewel de verkoopmarkt voor vakantiehuizen momenteel stabiliseert, blijft de vraag onverminderd aanwezig. Het opkopen en herstructureren van campings kan bijdragen aan een toekomstbestendig recreatieaanbod. Het geeft vernieuwing in het aanbod, het versterkt de toeristische aantrekkingskracht van een regio, draagt bij aan de lokale economie en werkgelegenheid.
Nog steeds verliezen recreanten hun vaste kampeerplek omdat ze moeten wijken voor de komst van duurdere vakantiewoningen, ondanks dat er een groter tekort is aan betaalbare vakantieplekken dan aan luxere vakantiewoningen, wat gaat u doen om deze trend te keren?
Het is mij bekend dat er gevallen zijn waarbij recreanten hun vaste kampeerplek verliezen doordat het huurcontract wordt opgezegd. Ik beschik op dit moment niet over signalen waaruit blijkt dat sprake is van een landelijke ontwikkeling. Dit is een ontwikkeling die ik zeer spijtig vind voor de betrokken recreanten. Echter, ik erken ook het belang van ondernemers om hun bedrijfsvoering rendabel en concurrerend te houden in een markt die voortdurend in beweging is.
Kent u de oproep van Veluwse gemeenten «Overnamegolf vakantieparken baart gemeenten op Veluwe zorgen: «Voor veel mensen onbetaalbaar»»?2
Ja.
Begrijpt u de zorgen van de Veluwse gemeenten dat steeds meer vakantieparken in handen komen van grote ketens?
Ik trek me de zorgen aan van de Veluwse gemeenten over de overnames van vakantieparken door grote ketens. Op landelijk niveau zijn er geen duidelijke aanwijzingen dat overnames structureel leiden tot hogere prijzen, tot marktdominantie of tot een uniforme inrichting van vakantieparken die recreatie ontoegankelijk maakt voor brede groepen. De Autoriteit Consumenten & Markt (ACM) houdt hierop toezicht en bewaakt de markt hierop. Er zijn op dit moment geen aanwijzingen voor marktdominante posities.
Overnames door grotere partijen zie ik niet allereerst als problematisch. Ik kan me ook niet vinden in de vrees voor een uniforme inrichting. Integendeel, het versterkt vaak juist professionalisering, modernisering en veranderingen gericht op nieuwe doelgroepen. Daarmee blijft een vakantiepark ook dynamisch en in staat om met nieuwe impulsen te blijven concurreren en te blijven bestaan. Gemeenten hebben daarbij de mogelijkheid om te sturen op de gewenste lokale invulling. Lokaal doen zich wel prijsstijgingen voor en wisselingen in het aanbod, maar dit hangt vaak nauw samen met het aansluiten op veranderende doelgroepen en de regionale marktcontext.
Begrijpt u de zorgen van de Veluwse gemeenten dat vakanties daardoor te duur worden?
Zie antwoord vraag 8.
De Veluwse gemeenten spreken nu de, ook door de SP vaak geuite zorg uit, dat vakantieparken eenheidsworst worden en vakantie straks alleen nog te betalen is voor mensen met veel geld, deelt u deze zorg nu eveneens?
Zie antwoord vraag 8.
Erkent u dat het voor gemeentes nu vaak lastig is om de komst van vakantieketens te voorkomen? Kunt u in uw antwoord meenemen welke mogelijkheden gemeenten volgens u hebben om deze trend te keren?
Het staat eigenaren van parken vrij om privaatrechtelijk hun park te verkopen aan andere partijen. Dat kan natuurlijk ook een overheid zijn. De gemeente kan in het omgevingsplan publiekrechtelijk regels stellen over de toegelaten kampeermiddelen, een maximaal aantal recreatiewoningen of een maximaal bebouwd oppervlakte. Op deze manier kan door de gemeente actief gestuurd worden op de ontwikkeling van een park.
Erkent u dat wanneer het voor gemeenten al lastig is om hier iets aan te doen, het voor recreanten die hun vaste plek dreigen te verliezen nog veel lastiger is?
Ik kan mij goed voorstellen dat recreanten die hun vaste plek dreigen te verliezen dit als zeer ingrijpend ervaren en dat hierbij ook persoonlijke en emotionele belangen meespelen. De verhalen over het verliezen van een plaats waar sommige families soms tientallen jaren hebben gestaan, en die voelen als een tweede thuis, heb ik gezien en gehoord. Afhankelijk van de situatie zal hun juridische positie ten aanzien van de nieuwe eigenaar verschillen. Huurders van een vaste standplaats kunnen zich bijvoorbeeld beroepen op het algemeen huurrecht waarin de plichten van zowel de verhuurder als de huurder zijn geregeld.
Erkent u dat gemeenten bestaande instrumenten om recreatiebestemmingen te beschermen in de praktijk lang niet altijd benutten of handhaven?
Ik kan daar in algemeenheid geen antwoord op geven. Gemeenten en provincie maken beleid en regels over recreatie. Dat kan ook gaan over de vitalisering van vakantieparken of recreatieparken. Gemeenten kunnen uiteindelijk concreet op de ontwikkeling van een recreatiefunctie op een bepaalde locatie sturen via het omgevingsplan of de verlening van een vergunning om daarvan af te wijken.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat gemeenten recreatief gebruik laten verdwijnen zonder duidelijke ruimtelijke afweging over de gevolgen voor betaalbare recreatie, leefbaarheid en toerisme?
Het is in beginsel aan de gemeenten en daarna aan de provincie om ruimtelijk beleid te maken over recreatie. In dat kader kunnen zij ook beoordelen of het recreatief gebruik van gronden binnen hun grondgebied afneemt en een afweging te maken over de gevolgen daarvan voor de beschikbaarheid van betaalbare recreatie, leefbaarheid en toerisme. De gemeente en daarna de provincie kunnen de lokale en regionale situatie het beste beoordelen en in dat kader ook de ruimtelijke afweging het beste maken. Als het gaat om concrete lokale of regionale ontwikkelingen heb ik daar in beginsel vanuit het Rijk geen rol in.
Erkent u dat recreanten nu niet of nauwelijks beschermd zijn bij overnames en herstructureringen?
Ik herken me niet in de stelling dat recreanten momenteel niet of nauwelijks beschermd zijn. Recreanten kunnen met een vaste standplaats zich beroepen op het algemeen huurrecht, waarin de rechten en plichten van verhuurder en huurder zijn geregeld.4 Daarnaast zijn herstructureringen die buiten het geldende omgevingsplan vallen onderworpen aan planologische toetsing op grond van de Omgevingswet, waarbij de effecten op de fysieke leefomgeving moeten worden onderzocht. Bovendien bieden de HISWA-RECRON-voorwaarden recreanten op aangesloten parken aanvullende bescherming boven op de wettelijke kaders. Deze voorwaarden zijn recent aangescherpt in samenwerking met de ANWB en zijn consumentvriendelijker geworden. Zo geldt bij herstructurering zonder vervangende plaats een minimale opzegtermijn van 18 maanden en zijn de verplaatsingsvergoedingen verhoogd. Geschillen kunnen worden voorgelegd aan de Geschillencommissie Recreatie en Watersport, waarbij HISWA-RECRON de nakoming van bindende uitspraken garandeert.
Wat vindt u ervan dat sommige recreanten niet eens precies weten wie de nieuwe eigenaar is omdat deze verscholen zit in een reeks bv’s? Zo is Metanoia, de nieuwe eigenaar van camping de Fontein, met 25 bv’s ingeschreven op één adres en staan er 60 bv’s op één adres in Zandvoort waaronder de nieuwe eigenaar van camping Sandevoerde, ziet u dit als onwenselijk?
Wat vindt u ervan dat sommige recreanten niet eens precies weten wie de nieuwe eigenaar is omdat deze verscholen zit in een reeks bv’s? Zo is Metanoia, de nieuwe eigenaar van camping de Fontein, met 25 bv’s ingeschreven op één adres en staan er 60 bv’s op één adres in Zandvoort waaronder de nieuwe eigenaar van camping Sandevoerde, ziet u dit als onwenselijk?
Hoeveel campings en vakantieparken zijn sinds 2020 overgenomen door investeringsmaatschappijen, grote recreatieketens of vastgoedpartijen?
Er is geen officiële telling van alle overnames in Nederland. Er is wel sprake van een beweging van de markt van een situatie met veel individuele eigenaren naar een situatie waarin een groeiend deel van de vakantieparken wordt beheerd door professionele partijen. Dit draagt bij aan kwaliteitsverbetering, meer comfort, meer veiligheid en goed beheer.
Heeft het kabinet zicht op hoeveel vaste kampeerplaatsen de afgelopen vijf jaar zijn verdwenen?
Onder vaste kampeerplaats wordt doorgaans verstaan een plek waar een kampeermiddel het gehele jaar mag blijven staan doordat de huurder de grond huurt voor een jaar met stilzwijgende verlenging. Het gaat dan veelal om specifieke huurafspraken tussen de eigenaar van de grond en de huurder. Vanuit het kabinet is hier geen zicht op.
Hoeveel nieuwe recreatiewoningen, waaronder luxe recreatiewoningen, zijn de afgelopen vijf jaar vergund, en hoeveel betaalbare kampeerplaatsen zijn in dezelfde periode verdwenen?
Ik heb geen gegevens over het aantal vergunde luxe recreatiewoningen die de afgelopen vijf jaar vergund zijn en het aantal betaalbare kampeerplaatsen. In dit kader is ook van belang dat er geen vastomlijnde definitie is van betaalbare kampeerplaatsen. Dat maakt dat het aantal verdwenen betaalbare kampeerplaatsen überhaupt niet concreet te bepalen is. Hetzelfde geldt voor luxe recreatiewoningen.
Heeft u inzicht in het aantal overnames van campings en vakantieparken dat gepaard gaat met opzegging van vaste standplaatsen, herstructurering of omzetting naar recreatiewoningen?
Ik heb geen specifiek inzicht in de eigendomssituatie van campings en vakantieparken. Hierdoor heb ik ook geen inzicht in hoeverre de overnames gepaard gaan met opzegging van vaste standplaatsen, herstructurering of omzetting naar recreatiewoningen. Ik wil toch graag nog het volgende toelichten over de marktsituatie. Het beeld dat overnames vooral door grote concerns worden gedreven, is te eenzijdig. De markt bestaat voor een belangrijk deel uit mkb’ers, familiebedrijven en kleinere investeerders. Bovendien investeren sommige buitenlandse concerns juist gericht in het behoud en de verbetering van vaste standplaatsen.
Bent u bereid landelijk inzichtelijk te maken hoeveel vaste kampeerplaatsen de afgelopen jaren zijn verdwenen door overnames, herstructurering en transformatie van vakantieparken?
Een onderzoek naar het enkel verdwijnen van vaste kampeerplaatsen en de reden daarvan acht ik niet noodzakelijk. Vanuit het Rijk zet ik in op een vitale recreatiesector waarbij het aanbod aansluit op de vraag. Dit vergt een breder perspectief dan alleen de ontwikkeling in het aantal vaste kampeerplaatsen.
Erkent u dat recreatiewoningen en vakantieparken in toenemende mate worden gebruikt door bedrijven die vakantiewoningen opkopen voor de huisvesting van arbeidsmigranten, waardoor recreatiebestemmingen feitelijk verdwijnen?
Ik heb geen specifiek inzicht in de eigendomssituatie van recreatiewoningen en vakantieparken. Het is aan de gemeente om te beoordelen in hoeverre activiteiten zoals de huisvesting van arbeidsmigranten op een vakantiepark of in een recreatiewoning past binnen de regels voor die locatie het omgevingsplan en of afwijking hiervan mogelijk is.
Heeft u inzicht in hoeveel recreatieparken momenteel geheel of gedeeltelijk worden gebruikt voor de huisvesting van arbeidsmigranten?
Zie het antwoord op vraag 22.
Deelt u de mening dat recreatieparken primair bedoeld moeten blijven voor recreatie en betaalbare vakanties, en niet sluipenderwijs moeten veranderen in grootschalige huisvestingslocaties?
Dat kan ik in algemeenheid zo niet zeggen. Zoals eerder aangegeven zet ik mij vanuit het Rijk in op een vitale recreatiesector waarbij het aanbod aansluit op de vraag.
Erkent u dat de combinatie van grootschalige opkoop van vakantieparken, herstructurering en huisvesting van arbeidsmigranten leidt tot verdere afname van betaalbare recreatiemogelijkheden voor Nederlandse gezinnen?
Zoals eerder aangegeven heb ik geen inzicht in de eigendomssituatie van vakantieparken en de mate waarin deze parken gebruikt worden voor de huisvesting van arbeidsmigranten. Ik kan dan ook niet aangeven of de combinatie van grootschalige opkoop van vakantieparken, herstructurering en huisvesting van arbeidsmigranten leidt tot verdere afname van betaalbare recreatiemogelijkheden voor Nederlandse gezinnen.
Hoe verklaart u dat woningbouwprojecten in heel Nederland geregeld stilvallen vanwege stikstofregels, terwijl de uitbreiding of herstructurering van vakantieparken en de bouw van recreatiewoningen vaak wel doorgaan, óók nabij kwetsbare natuurgebieden?
De kaders zijn voor alle projecten gelijk, woningbouw noch recreatie krijgt een voorkeursbehandeling in wet- en regelgeving. De toetsing en vergunningverlening blijft altijd liggen bij gemeenten en provincies als bevoegde gezagen. Zij beschikken over voldoende instrumentarium om hier zorgvuldig op te sturen. Wanneer een project significante effecten heeft op een Natura 2000-gebied, is een natuurvergunning verplicht.
Deelt u de mening dat het wringt dat betaalbare woningbouw regelmatig wordt tegengehouden vanwege stikstof, terwijl recreatieve vastgoedontwikkeling veelal wel mogelijk blijkt?
Het Kabinet begrijpt die spanning, maar deelt de conclusie niet dat er sprake is van een ongelijk speelveld. Zie eerder toelichting bij het antwoord van vraag 26.
Erkent u dat stikstofberekeningen bij de herstructurering van vakantieparken doorgaans gebaseerd zijn op door initiatiefnemers zelf aangeleverde gegevens en berekeningen?
Ja. Het is gebruikelijk dat initiatiefnemers zelf de benodigde berekeningen en onderzoeksgegevens aanleveren. Overigens geldt dat voor alle sectoren, niet alleen voor recreatie.
Hoe wordt gecontroleerd of de aangeleverde stikstofberekeningen, verkeersprognoses en natuuronderzoeken bij recreatieve herstructureringsprojecten daadwerkelijk volledig en realistisch zijn?
Zoals eerder omschreven ligt de toetsing van aangeleverde berekeningen en onderzoeken bij de bevoegde gezagen (gemeenten en provincie). Zij beoordelen of de onderbouwing volledig en realistisch is voordat een vergunning wordt verleend.
Heeft u signalen dat herstructureringen van vakantieparken gefaseerd worden uitgevoerd om stikstofeffecten of vergunningplichten te beperken of te omzeilen?
Hiervan ben ik niet op de hoogte. Dit is vooral een juridisch en planologisch vraagstuk. Gefaseerde ontwikkelingen zijn meestal zichtbaar. De discussie gaat daarom doorgaans niet over de zichtbaarheid van een project, maar over de manier waarop het juridisch wordt beoordeeld. Dit speelt met name bij provincies en gemeenten.
Wordt bij gefaseerde herstructurering van campings en vakantieparken altijd gekeken naar de totale cumulatieve stikstof- en natuureffecten van het volledige project?
Het is aan de initiatiefnemer en het bevoegd gezag om te bepalen of een project een geheel vormt of juridisch sprake is van losse projecten. Op basis van deze beoordeling moet ook bepaald worden welke stikstofberekening nodig is.
Deelt u de mening dat voorkomen moet worden dat grootschalige recreatieve vastgoedontwikkeling via deelprojecten of gefaseerde aanvragen onder natuur- en stikstofregels uitkomt?
Zie het antwoord op vraag 31.
Voorjaar 2025 werd ons voorstel aangenomen om te komen tot een nieuwe Kampeerwet om recreanten, natuur en omgeving beter te beschermen (motie Kamerstuk 36 452, nr. 4), hoe staat het met de uitvoering van deze motie?
Ik erken dat de reactie op de motie langer op zich heeft laat wachten dan ik had voorzien. De motie vroeg om een zorgvuldige afweging en dat vergde de nodige tijd.
Ik realiseer mij dat het verlies van een jaarplaats op een kampeerterrein voor recreanten ingrijpend kan zijn en dat hierbij ook persoonlijke en emotionele belangen meespelen. De verhalen over het verliezen van een plaats waar sommige families soms tientallen jaren hebben gestaan, en die voelen als een tweede thuis, heb ik gezien en gehoord. Die zorgen neem ik serieus en heb ik meegewogen in mijn overwegingen.
Om verschillende redenen ben ik echter tot de conclusie gekomen dat een nieuwe Kampeerwet niet leidt tot een betere situatie voor recreanten en ondernemers. Ik zie dan ook geen aanleiding voor aanvullende landelijke wetgeving. Hierin heb ik een zorgvuldige afweging gemaakt waaruit blijkt dat meer wettelijke bescherming niet leidt tot meer beschikbare plaatsen, maar wel tot meer regeldruk en hogere kosten voor zowel ondernemers als voor recreanten.
In de Kamerbrief Toerisme, die ik vandaag naar de Kamer heb gestuurd, ga ik uitgebreider in op de verschillende redenen die hieraan ten grondslag liggen.
Op 21 januari 2026, bij de behandeling van de begroting van Economische Zaken, schreef u aan de Kamer «de uitvoering van de motie heeft mijn aandacht» en «naar verwachting wordt de reactie de binnenkort aan de Kamer gestuurd», wat is uw definitie van binnenkort?
Zie antwoord vraag 33.
Wanneer kunnen we de reactie op de aangenomen motie verwachten? Kunt u al zeggen welke maatregelen u gaat nemen om recreanten, natuur en omgeving beter te beschermen?
Zie antwoord vraag 33.
Welke maatregelen gaat u opnemen in de nota Ruimte om te borgen dat Nederland een divers recreatieaanbod heeft met mogelijkheden voor elk budget?
Ruimte voor recreatie is belangrijk voor complete en prettige leefomgevingen. Voor de Nota Ruimte bezie ik hoe er meer dan in de Ontwerp-Nota Ruimte aandacht kan zijn voor reactie, welke vaak goed samengaat bij ontwikkelingen van bijvoorbeeld woningbouw of natuurontwikkeling. Dit betreft dan de ruimtelijke aspecten daar waar het Rijk een rol heeft. Vaak liggen verantwoordelijkheden rondom recreatie bij de medeoverheden en het bedrijfsleven, zo ook waar dat de mogelijkheden voor elk budget betreft.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de «eerste verjaardag» van onze aangenomen motie om te komen tot een nieuwe Kampeerwet (binnen de termijn van drie weken)?
Door de zorgvuldige afweging die ik gemaakt heb over deze motie, is het helaas niet gelukt de vragen tijdig te beantwoorden.
Het bericht 'Na Vesteda krijgt ook woningbelegger Bouwinvest te maken met een uitstroom van kapitaal' |
|
Ranjith Clemminck (JA21) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Na Vesteda krijgt ook woningbelegger Bouwinvest te maken met een uitstroom van kapitaal»1 en wat betekent dit voor het aanbod aan middenhuurwoningen in Nederland?
Ik ben bekend met het artikel. Wanneer aandeelhouders kapitaal terugtrekken en de uitstroom niet gecompenseerd wordt door instroom van nieuwe investeerders, moet een fonds zijn beschikbare middelen anders aanwenden. Dit heeft impact op de investeringsruimte van een fonds en kan leiden tot liquiditeitsdruk. Afhankelijk van de omvang van de verzoeken en de wijze van afwikkeling kan dit leiden tot uitponding van bestaande (midden)huurwoningen en/of tot de bouw van minder nieuwbouw huurwoningen. Dit heeft uiteindelijk tot gevolg dat het tekort aan (betaalbare) huurwoningen oploopt. De omvang van dit effect is niet generiek vast te stellen en hangt af van marktomstandigheden en fondskeuzes.
In welke mate veroorzaakt deze uitstroom liquiditeitsdruk bij Bouwinvest, en hoe verhoudt dit zich tot de situatie bij Vesteda, waar eerder eveneens kapitaaluitstroom heeft plaatsgevonden?
De redemptieverzoeken bij Vesteda zijn zowel relatief als absoluut aanzienlijk groter dan bij Bouwinvest. Bij Bouwinvest bedraagt de aangevraagde uitstroom per Q1 2026 circa 8% van het eigen vermogen van het fonds, terwijl bij Vesteda voor meer dan 50% van het eigen vermogen aan redemptieverzoeken is ingediend. Desondanks veroorzaakt deze redemptie bij Bouwinvest ook liquiditeitsdruk. Dit heeft een negatieve impact op de investeringsruimte van Bouwinvest.
Hoe groot acht u de kans dat Bouwinvest, net als Vesteda, woningen zal moeten verkopen om aan uitstapverzoeken te kunnen voldoen? Zo ja, in welke omvang?
De redemptieverzoeken kunnen worden ingevuld via verkoop van woningen, herfinanciering middels schuld of instroom van nieuw aandeelhouderskapitaal. Bouwinvest geeft aan dat het in de huidige markt lastig is om voldoende nieuwe investeerders aan te trekken. Daarom wordt in de praktijk regelmatig gewerkt met rotatie van kapitaal, waarbij verkoop van bestaande woningen wordt ingezet om nieuwe investeringen te financieren. Uiteindelijk gaat dit ten koste van de voorraad aan middenhuurwoningen. De uiteindelijke omvang waarin aanvullende woningverkoop noodzakelijk is, verschilt per situatie en is afhankelijk van de wijze waarop uittredingsverzoeken worden afgewikkeld.
Kunt u aangeven wat de mogelijke gevolgen zijn voor de beschikbaarheid van middenhuurwoningen en voor de ontwikkeling van de huurprijzen?
Indien de redemptieverzoeken leiden tot minder nieuwbouw huurwoningen heeft dat negatieve gevolgen van de beschikbaarheid middenhuurwoningen, omdat Bouwinvest voornamelijk in middenhuur investeert. Aangezien de middenhuur gereguleerd is, heeft dit in principe geen invloed op de ontwikkeling van de huurprijzen in dit segment. Wel kan een tekort aan middenhuurwoningen leiden tot meer vraag naar vrije sector huurwoningen. Aangezien in de vrije sector de huren niet gereguleerd zijn kan een groeiende vraag hier wel leiden tot hogere prijzen.
Deelt u de zorg dat gelijktijdige uitstroom bij meerdere woningfondsen kan leiden tot bredere effecten op de woningmarkt, zoals prijsdruk of een toename van uitponden?
Zoals toegelicht bij vraag 4 heeft de uitstroom geen effect op prijzen in het middensegment, maar kan het wel effect hebben op de prijsdruk in het vrije sector segment. Daarnaast kan uitstroom van kapitaal leiden tot uitponding van huurwoningen en afstel van nieuwbouw. Dit baart het kabinet zorgen omdat een gezonde voorraad aan (midden)huurwoningen bijdraagt aan een goed functionerende woningmarkt.
In welke mate dragen nationale beleidsmaatregelen, zoals huurregulering en fiscale wijzigingen, volgens u bij aan het terugtrekken van investeerders uit Nederlandse woningfondsen?
Het is van belang onderscheid te maken tussen Nederlandse en buitenlandse investeerders. Hoewel Nederlandse institutionele beleggers aangeven moeite te hebben met het vinden van voldoende projecten die aan de minimale rendementseisen voldoen, is de belangrijkste reden voor hen om uit te stappen dat zij tegen de grenzen aanlopen van hoeveel zij kunnen investeren in de Nederlandse woningmarkt. Vanwege risico- en spreidingsoverwegingen is dat gelimiteerd.
Uit cijfers van Capital Value blijkt dat het aandeel buitenlandse investeerders in nieuwbouw sinds een aantal jaren is afgenomen.2 Tegen deze achtergrond heeft het kabinet SEO Economisch Onderzoek onderzoek laten doen naar het investeringsklimaat voor middenhuur. SEO concludeert dat het investeringsklimaat sinds 2022 voornamelijk is verslechterd door een stijging van de rente, de regulering van de middenhuur en minder voorspelbaar overheidsbeleid door de hoge frequentie van beleidswijzigingen.
Kunt u per relevante maatregel toelichten wat het effect is op de investeringsbereidheid van institutionele beleggers?
De aantrekkelijkheid van het investeringsklimaat is een complex samenspel van factoren, zoals huur- en fiscaal beleid en macro-economische omstandigheden. Het kabinet beschikt dan ook niet over een doorrekening van de impact van deze individuele maatregelen op de investeringen in woningbouw voor institutionele beleggers.
In hoeverre verlagen Nederlandse pensioenfondsen momenteel hun allocatie naar vastgoed, en specifiek naar woningbeleggingen? Indien dit het geval is, wat zijn daarvoor de belangrijkste oorzaken?
Nederlandse pensioenfondsen verlagen hun allocatie naar vastgoed en woningbeleggingen niet in algemene zin. Veel fondsen bevinden zich rond hun strategische doelallocatie voor wonen, waardoor de ruimte voor verdere groei beperkt is. Wel geeft een deel van de Nederlandse institutionele investeerders aan moeite te hebben met het vinden van projecten die aan de rendementseisen voldoen.
Wat zijn de gevolgen van deze ontwikkeling voor fondsen als Bouwinvest, die in belangrijke mate afhankelijk zijn van Nederlands pensioenkapitaal?
Fondsen die in belangrijke mate afhankelijk zijn van Nederlands pensioenkapitaal kunnen hierdoor terughoudender worden in nieuwe investeringen. Wanneer pensioenfondsen hun allocatie aanpassen of belangen afbouwen, kan dit de investeringscapaciteit van vastgoedfondsen beïnvloeden. Het probleem ligt mijns inziens echter vooral bij de afwezigheid van buitenlandse investeerders, aangezien binnenlandse pensioenfondsen veelal al investeren in de Nederlandse huurwoningen rond hun strategische doelallocatie voor wonen. Dit is echter niet genoeg om de nieuwbouwdoelstellingen te halen. Hier is zowel binnenlands- als buitenlandskapitaal voor nodig.
Welke impact heeft dit op de financiering en realisatie van nieuwbouwprojecten, in het bijzonder binnen het middenhuursegment?
Indien minder kapitaal beschikbaar is voor nieuwbouw van middenhuurwoningen, heeft dit effect op de realisatie van projecten. Institutionele beleggers vervullen een belangrijke rol in de financiering en ontwikkeling van dit segment. Wanneer investeerders terughoudender worden of minder kapitaal beschikbaar hebben, kan dit de haalbaarheid van projecten beïnvloeden. Dit kan leiden tot uitstel, aanpassing of in sommige gevallen het niet doorgaan van projecten. De mate van impact verschilt per project en is afhankelijk van marktomstandigheden en financieringsstructuren.
Kunt u toelichten of en in welke mate projecten worden uitgesteld of afgeblazen als gevolg van teruglopende investeringen?
Het teruglopen van investeringen in private huurwoningen kan zorgen voor uitstel of uitval van woningbouwprojecten. Met name de projecten waar een groot aandeel private huurwoningen is voorzien kunnen zonder private investeerder (nog) geen doorgang vinden. Ik beschik echter niet over cijfers die aantonen of dit effect zich ook al in toenemende mate voordoet.
Deelt u de analyse dat Nederland minder aantrekkelijk wordt voor institutionele woningbeleggers ten opzichte van andere Europese landen?
In 2022 kwam 32% van alle investeringen in nieuwbouw door private investeerders – dus exclusief de investeringen van woningbouwcorporaties – nog uit het buitenland. Dit is in 2025 gedaald naar 1%.3
Acht u het risico aanwezig dat kapitaal structureel verschuift naar andere markten, en welke gevolgen heeft dit voor de woningbouwopgave in Nederland?
De verwachting is dat als het Nederlandse investeringsklimaat verbetert, buitenlandse investeerders weer zullen terugkeren. De investeringsopgave in de Nederlandse woningbouw is dusdanig groot dat ook buitenlandse investeerders belangrijk zijn om voldoende huurwoningen te bouwen.
In welke mate acht u de huidige structuur van open-end vastgoedfondsen met uitstapmogelijkheden kwetsbaar onder veranderende marktomstandigheden?
Voldoende investeringen in de bouw van (midden) huurwoningen door private partijen zijn essentieel om de investeringsopgave te halen. Tegelijkertijd heb ik geen voorkeur voor de wijze waarop deze investeringen worden gedaan. Het is aan individuele investeerders om te bepalen hoe zij willen investeren en aan fondsen om hun eigen voorwaarden te bepalen.
Acht u aanvullende maatregelen of aanpassingen in de regelgeving noodzakelijk om deze kwetsbaarheden te mitigeren?
Zie het antwoord op vraag 14.
In uw Kamerbrief van 20 april jl. (Kamerstuk 27 926, nr. 409) neemt u enkele maatregelen om voornamelijk het uitponden van middenhuur woningen tegen te gaan; welke andere maatregelen heeft u overwegen, waarom zijn deze afgevallen?
In het Regeerakkoord is afgesproken dat de Wet betaalbare huur vóór de evaluatie wordt geoptimaliseerd om het aantal huurwoningen op peil te houden. Bij de keuze voor de optimalisatie is gekeken naar waar verhuurders vooral knelpunten ervaren, en hoe deze kunnen worden opgelost waarbij de betaalbaarheid in acht is genomen. Dit betekent dat de maatregelen snel kunnen worden ingevoerd en gericht verlichting bieden. De al door mijn voorganger in gang gezette maatregelen sluiten hier passend op aan. Daarnaast heb ik ervoor gekozen om de nieuwbouwopslag te verlengen om ontwikkelaars zo snel mogelijk meerjarige duidelijkheid te geven. In 2027 wordt aan de hand van de evaluatie van de Wet betaalbare huur gekeken in hoeverre verdere aanpassingen noodzakelijk en wenselijk worden geacht.
Uit de enquête van Vastgoed Belang blijkt dat investeerders de aangekondigde maatregelen onvoldoende achten om het uitponden tegen te gaan; herkent de Minister deze signalen, waarom acht de Minister aanvullende maatregelen nu niet nodig?
Het optimaliseren van de Wet betaalbare huur is slechts een deel van de oplossing hiervoor en zal dus niet direct al het uitponden tegengaan. Daarom kijk ik tegelijkertijd breder hoe het investeringsklimaat kan worden verbeterd, onder andere in de Taskforce Versnellen Woningbouw.
Welke concrete maatregelen neemt het kabinet om het investeringsklimaat voor woningbouw op peil te houden, mede gezien de signalen van partijen als Bouwinvest?
Het kabinet werkt hard aan het verbeteren van het investeringsklimaat. De inzet is dat er in de toekomst meer investeerders in de Nederlandse woningmarkt willen investeren. Dit is essentieel om voldoende betaalbare huurwoningen te realiseren. Om het investeringsklimaat voor private verhuurders te verbeteren is in het coalitieakkoord reeds afgesproken dat de overdrachtsbelasting voor verhuurders wordt verlaagd naar 7%. Ook heb ik uw Kamer recent geïnformeerd over de invulling van de optimalisatie van de Wet betaalbare huur en de tijdelijke contracten voor alle studenten. Naast deze maatregelen zal ik de tijdelijke nieuwbouwopslag voor middenhuurwoningen voor vier jaar verlengen, waardoor investeerders voor een langere periode extra ruimte krijgen voor de bouw van nieuwe middenhuurwoningen.
Tegelijk wordt gekeken naar andere maatregelen om het investeringsklimaat te verbeteren. Die handschoen pak ik op in het kader van de Taskforce Versnelling Woningbouw en zal onderdeel zijn van het Actieplan. In het Actieplan van deze Taskforce zal het kabinet met een integraal plan komen ter verbetering van het investeringsklimaat voor het creëren van nieuwe, betaalbare huurwoningen
Bent u bereid in overleg te treden met institutionele beleggers en pensioenfondsen om te verkennen hoe investeringen in de Nederlandse woningbouw kunnen worden behouden dan wel vergroot?
Het Ministerie van BZK/VRO is regelmatig in gesprek met investeerders over het investeringsklimaat en ook specifiek met verschillende investeerders en pensioenfondsen over het aantrekken van (buitenlandse) investeringen, bijvoorbeeld in het structureel overleg investeringsklimaat (SOI).
Welke maatregelen neemt de Ministeriële Taskforce Versnelling Woningbouw om te waarborgen dat investeren in middenhuurwoningen aantrekkelijk blijft voor institutionele beleggers, zodat woningzoekenden niet de negatieve gevolgen ondervinden van fiscale beleidsmaatregelen?
Één van de opdrachten van de Taskforce is het verbeteren van het investeringsklimaat via stabiele fiscale kaders en stimulerende regelgeving.
Het kabinet is direct aan de slag gegaan met de Taskforce en de eerste resultaten zijn geboekt. Het kabinet zet een stap in de optimalisatie van de Wet betaalbare huur en de tijdelijke contracten voor alle studenten, zoals bedoeld in het coalitieakkoord. Concreet betekent dit: 1) het invoeren van een WOZ-opslag, 2) het afschaffen van minpunten bij het geheel ontbreken van buitenruimte, 3) een betere locatiewaardering kleine rijksmonumenten en 4) het mogelijk maken van een tijdelijk contract voor alle studenten. Naast deze maatregelen zal ik de tijdelijke nieuwbouwopslag voor middenhuurwoningen voor vier jaar verlengen, waardoor investeerders voor een langere periode extra ruimte krijgen voor de bouw van nieuwe middenhuurwoningen. En om het investeringsklimaat voor private verhuurders te verbeteren is in het Regeerakkoord reeds afgesproken dat de overdrachtsbelasting voor verhuurders wordt verlaagd naar 7%. In het integrale programma dat in september gepresenteerd wordt, zal er nader worden ingegaan op hoe het kabinet aan deze opdracht invulling geeft.