Private equity bedrijven die geld verdienen met medische keuringen. |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Buitenlandse investeerder verdient aan medische keuringen: «Absurd en frustrerend»»?1
Ja.
Kunt u aangeven in hoeveel gemeenten de medische keuringen worden verzorgd door een private equity-partij?
Ik beschik niet over deze gegevens. Dit wordt landelijk ook niet bijgehouden. Bij verschillende gemeentelijke taken, zoals leerlingenvervoer, urgentieverklaringen en de gehandicaptenparkeerkaart, gaat het om besluiten in de publieke sfeer waarvoor gemeenten verantwoordelijk zijn. Gemeenten kunnen daarbij gebruikmaken van externe medische advisering, maar zijn zelf verantwoordelijk voor de besluitvorming. Bij verordening legt de gemeente vast hoe zij hier mee omgaat en wie zij daarvoor eventueel inschakelt. De eventuele inkoop van advies geschiedt volgens het reguliere inkoopproces. Daarbij gelden altijd de algemene beginselen van behoorlijk bestuur uit de Algemene wet bestuursrecht, waaronder de zorgvuldigheidsplicht, het motiveringsbeginsel en de eisen van rechtsbescherming.
Kunt u nader toelichten of er op dit moment richtlijnen bestaan voor de bedragen die gefactureerd worden voor (telefonische) consulten voor bijvoorbeeld het herkeuren voor een gehandicaptenparkeerkaart? Zo nee, waarom niet?
Er bestaan geen landelijke richtlijnen voor de bedragen die gefactureerd worden voor (telefonische) consulten voor bijvoorbeeld het herkeuren voor een gehandicaptenparkeerkaart. Er is wel een richtlijn – de Richtlijn Gehandicaptenparkeerkaart van de VAV – voor de inhoudelijke keuring voor een gehandicaptenparkeerkaart.
Vindt u het wenselijk dat voor deze diensten een private equity-partij, die primair gericht is op het maken van winst, wordt gecontracteerd? Deelt u de mening dat dit onwenselijke prikkels in de hand werkt?
Dat bedrijven geld verdienen aan het uitvoeren van gemeentelijke taken is niet per definitie problematisch. Het behoort tot de beleidsvrijheid van gemeenten om, wanneer zij ervoor kiezen om medisch advies onderdeel te maken van de besluitvorming, de juiste partij(en) te vinden voor het uitvoeren van deze keuringen. Het kabinet ziet dat private investeerders zowel kansen als risico’s bieden voor de zorg. Private equity kan uitkomst bieden voor zorgaanbieders die moeite hebben met het vinden van financiering of bedrijfsopvolging. Maar we moeten voorkomen dat partijen kwalitatief goede zorg ondergeschikt maken aan hun financiële positie. Bijvoorbeeld doordat partijen onnodige risico’s nemen bij bijvoorbeeld het aangaan van schulden waarbij de continuïteit in gevaar komt. Of doordat partijen bezuinigen op kwaliteit om zo kosten te besparen en zo de financiële positie te verbeteren. Gemeenten kunnen bij het contracteren van partijen aanvullende voorwaarden stellen, te denken valt bijvoorbeeld aan eisen aan de kwaliteit en bedrijfsvoering en het toepassen van een goede tariefdifferentiatie.
Deelt u de mening dat dergelijke essentiële diensten primair thuishoren in de publieke of semi-publieke sector en niet in handen zouden moeten zijn van een organisatie die primair winstgedreven is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u doen om te zorgen dat deze keuringen in publieke handen komt?
Het is niet verboden om als gecontracteerde partij winst te maken. Zorgaanbieders zijn van oudsher private organisaties. Winstgevendheid is daarbij noodzakelijk om te kunnen innoveren en investeren in de zorg, en noodzakelijk om onderhoud te kunnen uitvoeren. Dit komt de zorg ten goede. Wel vind ik het belangrijk dat gemeenten bij contractering duidelijke aanvullende voorwaarden stellen over de uitvoering van de opdracht, zoals bijvoorbeeld eisen aan de kwaliteit en de bedrijfsvoering en het toepassen van goede tariefdifferentiatie, maar ook over de onafhankelijkheid en deskundigheid van de keuring. Dat betekent dat financieel gewin niet de boventoon mag voeren, zoals dat wel het geval is bij partijen die gericht zijn op snel geld verdienen.
Kunt u ingaan op de wenselijkheid van hoge kosten voor dergelijke keuringen en hoe dit zich verhoudt tot de hogere kosten die mensen met een beperking of chronische ziekte al maken vanwege hun beperking of chronische ziekte?
Ik vind het onwenselijk als de kosten voor medische keuringen voor ondersteuning en voorzieningen hoog oplopen voor mensen. Daarom onderzoek ik de mogelijkheden voor de samenvoeging van verschillende landelijke indicatiestellingstrajecten. In 2026 wordt gekeken naar de mogelijkheden voor het samenvoegen van de trajecten die mensen moeten doorlopen voor het aanvragen van Valys Standaard, Valys Hoog PKB, sportvervoer en de OV begeleiderskaart. Met deze samenvoeging wordt een verbetering voor de aanvrager beoogd waarbij de aanvraag voor indicatiestelling(en) meer efficiënt en minder belastend wordt voor de aanvrager, omdat er dan geen separate medische keuring en administratieve taken voor elke indicatiestelling nodig is. Ook wordt het tijdens de aanvraag meer overzichtelijk wat de ondersteuningsbehoefte is, waardoor de relevante voorzieningen in één keer kunnen worden aangevraagd.
Ook herken ik de signalen dat de tarieven voor het aanvragen van bijvoorbeeld een gehandicaptenparkeerkaart sterk uiteenlopen. Dat is vooral onderwerp van gemeentelijk beleid. Uit onderzoek blijkt een bandbreedte van € 0 tot ruim € 300 per aanvraag. De verantwoordelijkheid voor het vaststellen van leges ligt bij de gemeenteraad. Op grond van de Gemeentewet geldt als harde norm dat leges niet hoger mogen zijn dan de werkelijke kosten; gemeenten zijn vrij om onder deze norm te blijven of de kaart gratis aan te bieden, en een aantal doet dat ook. Daarnaast biedt de Regeling gehandicaptenparkeerkaart al een instrument om onnodige keuringskosten te voorkomen: in bepaalde gevallen kan de keuring achterwege blijven. Als het gaat om een stapeling van kosten zouden gemeenten op grond van artikel van de Wmo 2015 een tegemoetkoming kunnen verstrekken in aannemelijke meerkosten als gevolg van een beperking. Waar ook dat niet toereikend is, biedt de bijzondere bijstand een aanvullend vangnet.
Hoe verhouden de extra kosten die mensen met een beperking maken, zoals bijvoorbeeld voor de Gehandicaptenparkeerkaart, zich tot het VN-Verdrag voor de Rechten van personen met een handicap? Kunt u inschatten hoeveel extra kosten gemaakt worden door mensen vanwege hun beperking?
Artikel 20 van het verdrag verplicht staten ertoe doeltreffende maatregelen te nemen om de persoonlijke mobiliteit van mensen met een handicap te bevorderen op de wijze en het tijdstip van hun keuze en tegen een betaalbare prijs. De combinatie van legesmaximering op grond van de Gemeentewet, de tegemoetkomingsmogelijkheid op grond van artikel 2.1.7 Wmo 2015 en de bijzondere bijstand als vangnet vormt de Nederlandse invulling van die verplichting.
Wat betreft de bredere meerkosten heeft het kabinet in 2024 onderzoek laten uitvoeren door het NIBUD.2 Daaruit blijkt dat mensen met een beperking tussen € 1.080 en € 4.100 per jaar aan extra kosten maken vanwege hun beperking, afhankelijk van de aard en ernst van de beperking, de huishoudsituatie en de inkomenspositie. Het NIBUD stelt daarbij dat de meerkosten voor vervoer specifiek niet eenvoudig zijn vast te stellen door de grote verschillen in beperking, zorgbehoefte en reisafstanden.
Ontvangt u ook signalen van mensen, met een duidelijk zichtbare beperking zoals bijvoorbeeld een amputatie van een been, die desondanks opnieuw gekeurd moeten worden? Bent u bereid de herkeuringen zo in te richten dat alleen mensen van wie het duidelijk en aannemelijk is dat hun fysieke gesteldheid beter kan worden, herkeurd hoeven te worden?
Ik ben het met u eens dat overbodige keuringen niet zouden moeten plaatsvinden. Bij een verlenging van bijvoorbeeld de gehandicaptenkaart kan een keuring achterwege blijven indien duidelijk is dat de aanvrager nog steeds aan de voorwaarden voldoet. De gemeente beoordeelt dit aan de hand van de verstrekte actuele informatie.
Kunt u nader toelichten op basis waarvan de afweging is gemaakt dat dergelijke keuringen ook uitgevoerd mogen worden door basisartsen, die niet specifiek zijn opgeleid voor het geven van sociaal-medisch advies?
Het is belangrijk dat het onderzoek zorgvuldig is en het besluit goed wordt gemotiveerd. Hierbij is niet alleen medische kennis noodzakelijk – op het niveau van minimaal een basisarts – maar ook kennis van de toegangscriteria voor een Gehandicaptenparkeerkaart en van de uitwerking van het beoordelingskader zoals dit door de beroepsgroep is vastgelegd in de VAV-Richtlijn Gehandicaptenparkeerkaart. Van een arts Medisch Advies (een basisarts met aanvullende scholing) mag deze kennis verwacht worden maar dat betekent niet dat een basisarts zonder deze formele scholing deze kennis niet kan verkrijgen door zich hierin te verdiepen.
Daarnaast is het belangrijk om grip te houden op de maatschappelijke kosten die keuringen met zich meebrengen. Een aanvraagproces bestaat uit vele onderdelen. En bij elke aanvrager is de medische situatie anders. Het kan echter zo zijn dat bepaalde (deel)aspecten door een basisarts kunnen worden beoordeeld. Daarom werken adviesbureaus veelal met teams. Zeker als de gemeentelijke opdracht aan het adviesbureau is het college van B&W van een sociaal medisch advies te voorzien.
Vanuit het Rijk zijn geen nadere inhoudelijke richtlijnen in de wet- en regelgeving vastgelegd, anders dan dat een arts de beoordeling moet uitvoeren. Het is aan de gemeenten om een zorgvuldig onderzoek uit te voeren en op basis daarvan een besluit te nemen.
Kunt u aangeven hoeveel personen op jaarbasis de opleiding volgen voor medisch adviseur?
Daarmee wordt neem ik aan gedoeld op de opleiding tot arts medisch advies KNMG. Dit is de profielopleiding binnen de eerste fase van de medische vervolgopleiding Maatschappij + Gezondheid (M+G). Uit het register van de Registratiecommissie Geneeskundig Specialisten (RGS) blijkt dat voor de periode 2015–2025 elk jaar minder dan 6 aios in opleiding tot arts medisch advies zijn geregistreerd. Met uitzondering van de periode 2020 tot 2024 – in die jaren zijn er geen aios geregistreerd.3
Klopt het dat de verantwoordelijkheid voor investeren in opleiding en professionalisering van artsen voor medisch advies nu bij werkgevers ligt? Zo ja, op welke wijze wordt dan gegarandeerd dat elk van de artsen hetzelfde «basisniveau van deskundigheid heeft?
Ja, dat klopt. Uiteraard is de opleiding een belangrijke voorwaarde om de zogenoemde interdoktervariatie te verkleinen en de rechtsgelijkheid van aanvragers te bevorderen. De opdrachtnemende partij (werkgever) moet voldoen aan de gestelde eisen van de gemeente in de inkoopuitvraag. Investeringen in het uitvoerend personeel is onderdeel van de aangeboden prijs. De opdrachtnemer is daarmee ook verantwoordelijk voor de uitvoering en het benodigde kennisniveau.
Het zorggat voor mensen met een hersenschudding en PCS-klachten |
|
Julian Bushoff (PvdA), Lisa Westerveld (GL), Lisa Vliegenthart (GroenLinks-PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Ik liep een hersenschudding op en belandde in een «zorggat» – en ik ben niet de enige»?1
Ja.
Herkent u de situatie welke geschetst wordt in het artikel, waarbij het bestaande protocol voor hersenschuddingen onvoldoende passend was bij de casus en de patiënt tussen wal en schap valt?
In Nederland zijn beroepsgroepen verantwoordelijk voor de inhoud van de zorg. Het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) ontwikkelt voor huisartsen de professionele standaarden en richtlijnen. Huisartsen gebruiken deze standaarden en richtlijnen ter ondersteuning van het medisch beleid in de huisartsenpraktijk. Het kabinet velt geen oordeel over deze inhoud.
Het NHG geeft aan dat huisartsen zich voor de zorg voor patiënten met een hersenschudding baseren op de NHG-Standaard Hoofdtrauma. Deze standaard beschrijft dat het merendeel van deze patiënten binnen enkele weken herstelt en dat afwachtend beleid met goede voorlichting en adviezen doorgaans passend is. Tegelijkertijd wordt erkend dat een deel van de patiënten langer aanhoudende klachten kan ontwikkelen. Dit kan gaan om lichamelijke, psychische (zoals angst- en stemmingsklachten) en/of cognitieve klachten (zoals overprikkelingsverschijnselen en concentratiestoornissen), vaak een combinatie. De standaard besteedt hier expliciet aandacht aan. De behandeling bestaat uit gerichte voorlichting en advies en op indicatie wordt de patiënt doorverwezen. Het NHG geeft aan dat onderzoek naar specifieke interventies onvoldoende duidelijkheid geeft over het effect op herstel. De standaard biedt ruimte om de zorg op te schalen wanneer het herstel niet volgens verwachting verloopt.
Hoeveel mensen in Nederland, uitgesplitst per geslacht hebben te maken met klachten van post-commotioneel syndroom (hierna: PCS)? Indien dit niet bekend is, zou u hiervan een schatting kunnen maken en bent u bereid dit nader te onderzoeken?
Het Ministerie van VWS beschikt niet over deze gegevens. PCS wordt niet als afzonderlijke diagnose geregistreerd in bestaande registraties, waardoor de omvang van deze patiëntengroep niet precies kan worden vastgesteld. In een prospectief cohortonderzoek2 verricht op Nederlandse SEH’s bleek dat 28% van de niet-opgenomen patiënten met een hoofdtrauma binnen drie maanden de huisarts bezocht vanwege klachten gerelateerd aan het doorgemaakte hoofdtrauma (onder andere vermoeidheid, duizeligheid, hoofdpijn, concentratieproblemen, prikkelbaarheid). Aangezien de incidentie van hoofdtrauma in de eerste lijn veel hoger en de ernst vaak milder is, is de verwachting volgens de onderzoekers dat de incidentie van aanhoudende posttraumatische klachten bij patiënten in de eerste lijn (veel) lager ligt. Bijna alle patiënten zullen, zonder restverschijnselen, genezen. Een klein deel houdt langdurig klachten. Er is op dit moment geen aanleiding om dit nader te onderzoeken.
Zijn er verschillen bekend in effectiviteit van behandelmethoden van PCS op basis van geslacht? Zo ja, om welke verschillen gaat dit? Zo nee, bent u bereid om dit in het kader van de Nationale Strategie Vrouwengezondheid mee te nemen?
Specifiek onderzoek naar sekseverschillen in de effectiviteit van behandelmethoden bij PCS ontbreekt vooralsnog. In het Kennisprogramma Gender en Gezondheid3 is eerder onderzoek gedaan naar man-vrouwverschillen bij traumatisch hersenletsel in bredere zin. Hieruit bleek dat vrouwen over het algemeen slechtere uitkomsten rapporteerden zes maanden na het letsel, met name ernstiger symptomen na een hersenschudding en op het gebied van mentale gezondheid. In de behandelmethoden zelf werden geen sekseverschillen gevonden, maar wel in het zorgtraject.
In de NHG-Standaard Hoofdtrauma is geen onderscheid gemaakt in effectiviteit van behandelingen naar geslacht, omdat de wetenschappelijke onderbouwing hiervoor ontbreekt. Het is aan de beroepsgroepen om hier meer onderzoek naar te doen.
Hoeveel mensen in Nederland zijn (deels) arbeidsongeschikt wegens PCS? Indien dit niet bekend is, bent u bereid dit nader te onderzoeken?
Het UWV geeft aan dat er circa 1600 WIA-uitkeringen geregistreerd zijn met als hoofddiagnose aandoeningen die gerelateerd zijn aan een hersenschudding. Niet bekend is welk deel daarvan PCS betreft omdat dit niet wordt geregistreerd. Het kabinet ziet geen aanleiding voor aanvullend onderzoek.
Hoeveel zorgaanbieders in Nederland bieden op dit momenteel specifiek gespecialiseerde hulp aan voor PCS-klachten?
Het kabinet heeft geen overzicht van hoeveel zorgaanbieders specifieke expertise hebben op het gebied van aanhoudende klachten na een hoofdtrauma.
Herkent u het beeld dat patiënten met een hersenschudding vaak geen intake krijgen bij een revalidatiecentrum, omdat hun klachten als «te licht» worden beschouwd? Zo ja, hoeveel procent van de patiënten met een hersenschudding wordt geweigerd door een revalidatiecentrum? Zo nee, kunt u aangeven waarom u dit beeld niet herkent?
Eventuele afwijzingen voor een intake worden niet geregistreerd. Daarmee is het onbekend of patiënten met een hersenschudding vaak geen intake krijgen bij een revalidatiecentrum omdat hun klachten als «te licht» worden beschouwd. Het kabinet vertrouwt op de deskundigheid van zorgprofessionals om te bepalen wat passende zorg is, in overeenstemming met geldende medische richtlijnen.
Herkent u het beeld dat bij PCS-klachten er nog onvoldoende een integrale aanpak wordt toegepast? Zo ja, welke concrete maatregelen wilt u nemen om een integrale aanpak te stimuleren? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet herkent het beeld niet. De NHG-standaard besteedt hier aandacht aan. De NHG-Standaard Hoofdtrauma beschrijft dat in de acute fase het accent ligt op voorlichting, uitleg van het te verwachten beloop en het alert blijven op complicaties. Bij aanhoudende klachten adviseert de standaard een meer integrale, klachtgerichte aanpak, waarbij wordt gekeken welke klachten (lichamelijk, cognitief of psychisch) op de voorgrond staan.
Op welke concrete wijze wordt er momenteel ingezet op bewustwording van PCS en risicofactoren bij huisartsen?
De NHG-Standaard Hoofdtrauma ondersteunt huisartsen bij de herkenning en begeleiding van patiënten met (aanhoudende) klachten na hoofdtrauma. De implementatie wordt versterkt door scholings- en ondersteuningsmaterialen, zoals de e-learning Hoofdtrauma.
Het uitsluiten van mensen met psychiatrische aandoeningen bij levens- en uitvaartverzekeringen |
|
Lisa Westerveld (GL), Julian Bushoff (PvdA) |
|
Eelco Heinen (VVD), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat mensen met psychische problemen bij een aantal levens- en uitvaartverzekeringen worden geweigerd omdat zij een «hoger gezondheidsrisico dan gemiddeld» hebben? Bent u ervan op de hoogte dat veel verzekeraars een uitsluitingsclausule hebben bij overlijden door suïcide?
Het is belangrijk dat ook mensen met psychische aandoeningen toegang hebben tot verzekeringen. Zij hebben in beginsel de mogelijkheid om een levens-en uitvaartverzekering af te sluiten en hebben daarmee toegang tot het verzekeringsstelsel. Wel kan het voorkomen dat verzekeraars aanvragen afwijzen wanneer het risico op eerder overlijden aanzienlijk hoger is dan dat van leeftijdsgenoten zonder de (psychische) diagnose, klachten of aandoeningen. Zie hiervoor verder het antwoord op vraag 2.
Overlijden door zelfdoding is ook bij verzekeraars gedekt, mits het overlijden plaatsvindt na een vooraf vastgestelde periode na afsluiting van de verzekering. Deze periode, meestal één jaar tot twee jaar, is veelal opgenomen in de polisvoorwaarden van het betreffende verzekeringsproduct. Gedurende deze periode bestaat nog geen recht op uitkering als de verzekerde overlijdt als gevolg van suïcide. De bepaling is onder meer bedoeld om te voorkomen dat zelfdoding, in combinatie met een verzekeringsuitkering, als oplossing voor financiële problemen wordt gezien.
Zijn dergelijke uitsluitingsclausules toegestaan? Is het verzekeringen toegestaan om het gezondheidsrisico van mensen te beoordelen en op basis daarvan te besluiten of zij zich kunnen verzekeren? Zo ja, wat zijn de criteria of besluiten verzekeraars dit zelf? Is het ook toegestaan als het gaat om lichamelijke gezondheidsproblemen of leeftijd?
Bij vrijwillig af te sluiten verzekeringen mag een verzekeraar een inschatting maken van het risico dat de klant vroegtijdig overlijdt. Op basis van het (gezondheids)risicoprofiel van de klant beoordeelt de medisch adviseur van de verzekeraar de aanvraag. Dit proces, de medische acceptatie, is nodig omdat de verzekeraar een risico overneemt van de klant: als die overlijdt, keert de verzekeraar een bedrag uit. Om de hoogte van de premie te kunnen bepalen, moet de medisch adviseur een inschatting maken van het risico. Daarbij is het van belang dat het inschatten van risico’s op een deskundige en objectieve manier gebeurt. Verzekeraars moeten zich houden aan wetgeving en gedragscodes zoals de Wet op de Medische Keuringen (WMK), het Protocol Verzekeringskeuringen en de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (hierna: Wgbh/cz).
Wanneer sprake is van een verhoogd risico ten opzichte van leeftijdsgenoten zonder de diagnose of klachten, kan de verzekeraar verschillende maatregelen nemen. Zo kan de verzekeraar bijvoorbeeld een hogere premie in rekening brengen of besluiten het verzoek tot verzekering af te wijzen. Binnen de kaders van de wet, zoals het verbod op discriminatie, beschikken verzekeraars over een ruime mate van contractsvrijheid; zij mogen zelf bepalen welke voorwaarden, premies, en acceptatiecriteria zij hanteren.
Is dit ook toegestaan als de psychische problemen beginnen na de eerste polisjaren?
Bij het afsluiten van een levensverzekering maakt de verzekeraar een inschatting van het risico op basis van de op dat moment beschikbare informatie over de gezondheid en leefstijl van de verzekerde, vaak via een gezondheidsverklaring. Mede op basis hiervan worden de polisvoorwaarden en de hoogte van de premie vastgesteld. Veranderingen in de gezondheidstoestand nadat een verzekering door de verzekeraar is geaccepteerd, zoals het ontstaan van psychische problemen, hebben geen invloed op reeds lopende verzekeringen. De verzekerde is bovendien niet verplicht om dergelijke wijzigingen in de gezondheidstoestand aan de verzekeraar te melden.
Deelt u de mening dat deze uitsluiting een vorm van indirecte discriminatie is op grond van handicap of chronische ziekte, zoals bedoeld in de Wet gelijke behandeling en haaks staat op het VN-verdrag Handicap?
Zowel op grond van de Wgbh/cz als het VN-Verdrag Handicap is discriminatie tegen mensen met een beperking niet toegestaan. Het aanbieden van levens- en uitvaartverzekeringen valt onder de reikwijdte van de Wgbh/cz. De Wgbh/cz verbiedt indirect onderscheid tenzij dit objectief gerechtvaardigd is door een legitiem doel en de middelen om dat doel te bereiken passend en noodzakelijk zijn. Als een verzekeraar iemand weigert vanwege een psychische aandoening moet hij kunnen uitleggen waarom dit objectief gerechtvaardigd is. Indien een persoon van mening is dat er sprake is van (indirecte) discriminatie door een verzekeraar, dan kan hierover een klacht worden ingediend bij het College voor de Rechten van de Mens.
Kunt u toelichten of verzekeraars voldoende onderbouwing leveren voor dit onderscheid, en hoe wordt getoetst of het onderscheid proportioneel en gerechtvaardigd is?
Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 2, zijn verzekeraars in beginsel vrij om hun eigen acceptatiebeleid te voeren en te bepalen welke criteria zij hanteren om een verzekeringsaanvraag af te wikkelen, mits zij niet in strijd handelen met wettelijke bepalingen. Het is daarbij belangrijk dat verzekeraars hun overwegingen kunnen uitleggen aan de aanvrager van de verzekering. Consumenten kunnen een klacht indienen bij het College voor de Rechten van de Mens of de rechter als zij menen dat ze onterecht zijn afgewezen.
Bent u bereid om met de Autoriteit Financiële Markten (AFM) en het College voor de Rechten van de Mens in gesprek te gaan over deze uitsluitingspraktijken?
Ik vind de toegankelijkheid en betaalbaarheid van financiële producten, zoals levens- en uitvaartverzekeringen, van groot belang. Daarnaast vind ik het belangrijk dat verzekeraars zich bewust zijn van hun maatschappelijke verantwoordelijkheid als het gaat om deze toegankelijkheid. Hierover spreken de betrokken ministeries doorlopend met onder meer met het Verbond van Verzekeraars en andere belanghebbenden. Omdat mensen met psychische aandoeningen binnen de hierboven genoemde kaders wel mogelijkheden hebben om een levens-en uitvaartverzekering af te sluiten, zie ik op dit moment onvoldoende aanleiding om aanvullende regels te stellen. Uiteraard blijf ik alert op signalen uit de samenleving hierover, en mocht zich relevante ontwikkelingen voordoen, dan zal ik alsnog het gesprek hierover met hen aangaan.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met verzekeraars en andere instanties om gelijke toegang tot financiële producten te garanderen voor mensen met een psychische kwetsbaarheid?
Zie antwoord vraag 6.
Het bericht dat de Dienst Identificatie en Screening Asiel (DISA) stopt |
|
Lisa Westerveld (GL), Julian Bushoff (PvdA) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Dienst Identificatie en Screening Asiel (DISA) stopt: 80 banen weg in Ter Apel» van RTV Noord?1
Ja.
Wat is uw reactie op het feit dat deze 80 mensen ineens ontslagen worden? Begrijpt u dat het voor hen voelt als een klap in het gezicht?
De DISA is opgericht als tijdelijke organisatie2. Onder invoering van het Migratiepact neemt de IND als aangewezen screeningsautoriteit per 12 juni aanstaande het screeningsproces van de DISA over. Omdat er sprake is van een andere procesgang vanaf 12 juni 2026 bij de IND die volgt uit de Europese Screeningsverordening, is gebleken dat het niet mogelijk is om alle medewerkers van de DISA over te laten gaan naar de IND. Er is sprake van een verzwaring van taken en verantwoordelijkheden binnen het nieuwe proces ten opzichte van het huidige door DISA uitgevoerde identificatie en registratie (I&R) proces. De verschillen tussen de functies zijn daarmee te groot. Een aantal functionarissen van DISA – waarvan de functietaken overeenkomsten vertonen met de functietaken bij de IND – zet de werkzaamheden voort bij de IND in het proces Ontvangst en Voorbereiding Asielaanvraag (OVA). Voor de overige functionarissen bij de DISA geldt het Van Werk Naar Werk-beleid waarmee zij actief worden begeleid naar passend werk binnen of buiten de Rijksoverheid. Dit betreft maatwerk en zal per persoon verschillen. Hoewel DISA vanaf de start een tijdelijke organisatie was, begrijp ik de teleurstelling van de medewerkers nu de einddatum in zicht is.
Waarom is er dan niet voor gekozen om de 80 banen van de DISA in Ter Apel te laten doorvloeien naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)?
Zie het antwoord op vraag 2.
Klopt het dat de foutmarge bij de screening onder de DISA is teruggebracht naar onder de 5 procent? Klopt het dan dat deze werknemers geschikt zijn voor dit werk en sneller aan de slag kunnen dan nieuw op te leiden werknemers?
De DISA heeft zijn (tijdelijke) taak op professionele wijze uitgevoerd, daar ben ik de dienst zeer erkentelijk voor. Omdat het OVA-proces andere elementen bevat, waaronder de voorbereiding en tijdigheid van de aanvraag, worden van de medewerker in het OVA-proces andere competenties verwacht dan van de DISA medewerkers. Om die reden is een vergelijking van geschiktheid niet te maken.
Wat is de impact op Oost-Groningen dat er 80 banen verdwijnen? Wat is het signaal dat hiermee wordt afgegeven aan Ter Apel?
Laat ik vooropstellen dat ik de regio Oost-Groningen en in het bijzonder Ter Apel zeer erkentelijk ben voor hun hulp en inspanningen aan en met de werkzaamheden in de migratieketen. Het is correct dat de DISA per 12 juni van zijn wettelijke taak wordt ontheven en de functie van I&R-medewerker bij de DISA vanaf dat moment niet langer bestaat. Daar staat tegenover dat vanaf die datum de IND in Ter Apel start met het OVA-proces waar ook bemensing voor noodzakelijk is.
Wat zijn de kosten van het zo snel optuigen en weer afschaffen van deze dienst?
De DISA kostte qua opzetten en inrichten in 2025 23,5 miljoen euro. Omdat de DISA tot 11 juni 2026 zijn wettelijke taken nog uitvoert, diverse (huur)contracten opgezegd worden maar ook de personeelslasten vanaf 12 juni 2026 nog steeds toegerekend worden aan de DISA is de prognose dat er in 2026 nog maximaal 15 miljoen euro benodigd is. Na de afbouw kunnen de personeelslasten van de DISA en bijbehorende personeelszorg nog doorlopen tot 2028. Daarnaast geldt dat een deel van de kosten van het I&R proces dienen te worden gemaakt, ongeacht welke dienst dit uitvoert. Dit betreft bijvoorbeeld operationele kosten die per definitie worden gemaakt.
Begrijpt u dat medewerkers spreken over weggegooid geld, omdat er 40 miljoen in een dienst is gestoken die na een jaar weer verdwijnt?
Ter uitvoering van het Hoofdlijnenakkoord van het voormalig kabinet, is de DISA, conform de door de Minister ondertekende startnotitie, als tijdelijke organisatie opgericht om de identificatie en registratie van asielzoekers uit te voeren voor de periode van 1 januari 2025 tot 12 juni 2026. Bij de inrichting van DISA is vanaf de start als uitgangspunt gehanteerd dat het ketenbrede I&R-proces zo ingericht en ontworpen is, dat de activiteiten «inpasbaar» zijn in een bestaande organisatie.
De destijds beschikbaar gestelde middelen van 16,8 miljoen euro waren het startbudget van de DISA en zijn aangevuld met extra begrotingsmiddelen. De kosten voor de uitvoering van I&R taken worden altijd gemaakt, ongeacht welke dienst dit uitvoert. Ik heb begrip voor het standpunt van de medewerkers omdat zij hun capaciteiten en deskundigheid aan de DISA beschikbaar hebben gesteld. Dat is veel waard.
Kunt u specifiek reageren op de uitspraak van een van hen, die aangeeft: «Je tuigt met belastinggeld iets op en dan gooi je het in de prullenmand. Inclusief personeel»?
Zie antwoord op vraag 7.
Hoeveel kosten had het gescheeld als de werknemers bij de dienst wel waren overgenomen door de IND?
De functies in het I&R proces zijn niet één op één te vergelijken met de functies in het OVA-proces. Dit heeft onder andere te maken met de te verrichten taken, opleidingsniveau en type medewerker dat nodig is voor een functie in het OVA-proces. Er is zoveel mogelijk gekeken naar overeenkomsten in de functies in het I&R proces en het OVA-proces. Een deel van de mensen gaat zoals gezegd over naar de IND. Een inschatting van fictieve omscholingskosten van DISA naar IND is niet te maken. Ook binnen de IND worden medewerkers omgeschoold om in het OVA-proces te kunnen werken.
De veiligheid bij Pluryn en andere grote zorginstellingen |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bewoners sterven, personeel loopt weg: grote zorgen over veiligheid bij zorgorganisatie Pluryn»?1
Kunt u reageren op de oorzaken die in het artikel worden geschetst van een grote zorgorganisatie waarin de afstand tussen directie en werkvloer steeds groter is en personeelstekorten en invalkrachten zorgen voor risico’s voor de veiligheid en kwaliteit van zorg?
Hoeveel calamiteiten en incidenten hebben zich voorgedaan bij locaties van Pluryn in de afgelopen vijf jaar en wat was de aard van elk van deze incidenten? Hoe verhoudt zich dit tot incidenten bij andere zorginstellingen van soortgelijke omvang?
Wordt bijgehouden hoeveel incidenten een dodelijk gevolg hebben? Wanneer moet er precies melding worden gemaakt bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)?
Hoe reflecteert u op de in het artikel beschreven signalen van (oud-)medewerkers en betrokkenen over de onveilige leef- en werkomgeving bij locaties van Pluryn? Zijn dergelijke signalen eerder gedeeld met de IGJ of met uw ministerie? Zo ja, wanneer en wat was de aard van deze meldingen?
Is het voor bewoners en naasten van zorginstellingen zoals Pluryn voldoende duidelijk dat zij onveilige situaties kunnen en melden en waar dit kan? Zo ja, op welke manier wordt dat aan hen gecommuniceerd? Is de manier waarop dit kan toegankelijk voor deze specifieke doelgroep? Aan wie kunnen zij melden en op welke manier?
Hoe is dit geregeld voor medewerkers? Waar kunnen zij onveilige situaties melden en hoe wordt hier opvolging aan gegeven?
In hoeverre zijn (oud-)cliënten en naasten betrokken bij de evaluaties van de kwaliteit en veiligheid van zorg, zowel bij Pluryn als in algemene zin bij zorginstellingen?
Kunt u schetsen welke verantwoordelijkheden er liggen bij gemeenten en welke bij het Rijk als het gaat om toezicht over de veiligheid?
Welke lessen zijn volgens u niet voldoende geleerd uit eerdere onderzoeken naar incidenten en misstanden binnen de jeugdzorg en gehandicaptenzorg, waarbij eveneens sprake was van personeelstekorten, hoog verloop en onvoldoende continuïteit van zorg?
Kunt u uitsluiten dat financiële druk, aanbestedingsprikkels of bezuinigingen hebben bijgedragen aan de ontstane situatie? Zo ja, waarop baseert u dat?
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat cliënten de dupe worden van personeelstekorten en bezuinigingen binnen residentiële zorginstellingen? Deelt u de mening dat veiligheid van jongeren en cliënten altijd zwaarder moet wegen dan productieafspraken, financiële doelstellingen of organisatorische belangen? Zo ja, hoe geeft u hier invulling aan?
Verspreide berichten van burgerwachten in verschillende gemeenten. |
|
Lisa Westerveld (GL), Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Aerdts , Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de burgerwachten die zijn opgezet in verschillende gemeenten in navolging van de protesten over de komst van noodopvang voor asielzoekers of statushouders, zoals bijvoorbeeld wordt beschreven in het artikel «Nagestaard, gefotografeerd en gewantrouwd»?1
In hoeveel gemeenten zijn er inmiddels soortgelijke burgerwachten opgericht?
Wanneer gaat dit gedrag van intimidatie over in bedreiging, stalking, laster of doxing en gaat het dus over strafbare feiten?
Is er al aangifte gedaan van dergelijke strafbare feiten door dit soort burgerwachten door vrijwilligers, buurtbewoners of opvangbewoners?
Bent u van mening dat opvangbewoners weten wanneer er sprake is van strafbare feiten? Zo nee, hoe gaat u ervoor zorgen dat zij weten wanneer er strafbare feiten tegen hen worden gepleegd? Zo ja, waarom denkt u dat?
Bent u van mening dat opvangbewoners de weg naar de politie kennen wanneer er sprake is van strafbare feiten? Zo nee, hoe gaat u ervoor zorgen dat zij weten dat zij en waar zij aangifte kunnen doen van strafbare feiten?
Bent u bekend met het incidentenbericht in Apeldoorn waarin werd gewaarschuwd voor een man die bij een basisschool stond en onterecht in verband werd gebracht met een noodopvanglocatie, die uiteindelijk een ouder bleek te zijn die zijn kind van school kwam halen?
Was hier mogelijk sprake van een strafbaar feit?
Wat vindt u ervan dat er op deze manier op mensen wordt «gejaagd»?
Zijn gemeenten voldoende op de hoogte wanneer zij kunnen ingrijpen en zijn zij voldoende in staat dit te toen?
Hebben er gesprekken plaatsgevonden tussen uw ministerie en de gemeenten waar dit voorkomt om hen te ondersteunen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat kwam er uit deze gesprekken?
Bent u op de hoogte van het feit dat ook vrijwilligers van asielzoekerscentra in sommige gemeenten geïntimideerd worden en zich niet veilig voelen om naar een opvanglocatie te gaan om te helpen? Hoe bent u van plan hen veilig te houden?
Wat is volgens u de rol van sociale media wanneer foutieve berichten over vermeende opvangbewoners online worden verspreid?
Vindt u dat sociale media ervoor zouden moeten zorgen dat foutieve lasterberichten over mensen gefilterd moeten worden?
Hoe zorgt u ervoor dat sociale media hier hun verantwoordelijkheid nemen?
Gesprekken die zijn gevoerd met de Taliban |
|
Lisa Westerveld (GL), Kati Piri (PvdA) |
|
Berendsen , Rob Jetten (D66), Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Gesprek Taliban en EU afgelopen, ook Nederland zat aan tafel»?1
Erkent u dat er ook Nederlandse ambtenaren bij de gesprekken zaten die zijn gevoerd met de Taliban in Brussel?
Zo ja, hoe kan het dat u tijdens het commissiedebat JBZ-Raad van 27 mei beweerde dat Nederlandse ambtenaren niet betrokken zijn bij de gesprekken?
Wanneer is het besluit genomen om ambtenaren van Nederland te laten deelnemen aan de gesprekken met de Taliban in Brussel? Wie waren er betrokken bij dit besluit?
Waarom is de Kamer hier niet over geïnformeerd?
Is er over de deelname van een ambtenaar van het Ministerie van Asiel en Migratie aan het overleg advies ingewonnen bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe luidde het advies?
Erkent u dat deze gesprekken een stap zijn richting de normalisering van het Taliban-regime en dat zij met deze gesprekken een podium hebben gekregen in het hart van onze Europese democratie? Zo nee, waarom niet?
Waarom zorgt u ervoor dat Nederland door Nederlandse ambtenaren te sturen bijdraagt aan het normaliseren van het wrede Taliban-regime?
Bent u het eens met Europarlementariër Raquel García Hermida-van der Walle, wiens instagrampost hierover een like van premier Jetten kreeg, dat het gesprek met de Taliban in Brussel «waanzin» is? Zo nee, waarom niet?
Bent u het eens met Europarlementariër Raquel García Hermida-van der Walle, wiens Instagrampost hierover een like van premier Jetten kreeg, dat we onze geloofwaardigheid over mensenrechten volledig verliezen als we de Taliban voor een kopje thee in Brussel uitnodigen? Zo nee, waarom niet?
Is er sprake van eenheid van kabinetsbeleid, als ambtenaren van één ministerie deelnemen aan het gesprek met de Taliban, terwijl de premier zich op Instagram in felle bewoordingen uitlaat tegen het gesprek met de Taliban?
Vertegenwoordigt de Taliban volgens u het Afghaanse volk? Zo nee, waarom kiest u ervoor om ambtenaren wel met hen in gesprek te laten gaan en hen samen met vertegenwoordigers van de Europese Commissie en 14 andere EU-landen te verwelkomen in Brussel?
Erkent u dat de gesprekken die zijn gevoerd met de delegatie van de Taliban een meerwaarde hadden voor het regime? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is deze precies en vindt u dat de mogelijkheid om Afghanen misschien terug te kunnen sturen waard?
Wat is er precies besproken tijdens de gesprekken? Kunt u op korte termijn een verslag aan de Kamer doen toekomen?
Sluit Nederland uit dat officiële vertegenwoordigers van het Taliban-regime in Nederland geaccrediteerd worden? Zo nee, waarom niet?
Wat zijn de eisen die de Taliban hebben neergelegd in ruil voor het terugsturen van uitgeprocedeerde Afghanen?
Is er gesproken over de veiligheid van deze mensen? Zo ja, wat is hierover besproken? Zo nee, waarom niet?
Is er gesproken over de mensenrechtensituatie in Afghanistan, en met name de situatie van vrouwen en meisjes die in Afghanistan onderdrukt worden? Zo ja, wat is er besproken, zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en voor de start van het zomerreces beantwoorden?
Misstanden bij You-Zorg Nederland en misbruik van mensen met een verstandelijke beperking |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Zorginstelling in Assen moet zorg deels staken. Eigenaar verdacht van verkrachting cliënt, zijn vrouw verzweeg geen diploma te hebben»?1
Deelt u de mening dat het feit dat opnieuw cliënten in een kwetsbare positie, mishandeld zijn door hun zorgaanbieder, laat zien dat het te makkelijk is om misbruik te maken van ons zorgsysteem?
Heeft de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) of uw ministerie eerder signalen ontvangen over onveiligheid en gebrekkige zorg bij You-Zorg Noord? Zo ja, wanneer zijn deze signalen binnengekomen, wat was de aard van deze signalen en welke vervolgacties zijn ondernomen? Zijn er elders signalen binnengekomen? Zo ja, waar, wanneer en hoe zijn die opgepakt?
Hoe wordt geborgd dat alle cliënten van You-Zorg Noord zo snel mogelijk bij een andere zorgaanbieder terecht kunnen en hier ook passende zorg ontvangen?
Is er direct passende nazorg en ondersteuning geregeld voor de cliënten en de familieleden van deze cliënten?
Is er ooit door de Inspectie, vertrouwenspersonen of een andere onafhankelijke instantie gesproken met de cliënten van You-Zorg in het kader van een reguliere kwaliteitscontrole of specifiek ter preventie van ongewenst en grensoverschrijdend gedrag?
Bent u van mening dat er momenteel voldoende waarborgen zijn om te voorkomen dat zorgverleners zonder voldoende deskundigheid of met verkeerde bedoelingen (langdurig) toegang hebben tot kwetsbare cliënten? Zo ja, kunt u dit onderbouwen aan de hand van concrete data en argumenten? Zo nee, welke concrete maatregelen gaat u op korte en lange termijn nemen om dit te verbeteren?
Welke concrete verbeteringen zijn er geweest na eerdere misstanden bij pgb-gefinancierde initiatieven, zoals bijvoorbeeld Aurora Borealis?
Kunt u aangeven wat de stand van zaken is van de beloften die zijn gedaan in antwoord op mijn vragen uit oktober 20242 om het risico op misbruik in bij pgb-gefinancierde wooninitiatieven te verminderen?
Hoe vaak voert de IGJ momenteel risicogericht toezicht uit bij kleinschalige wooninitiatieven en zorgaanbieders waarbij de zorg grotendeels vanuit pgb’s wordt gefinancierd?
Waarom wordt er niet voor gekozen om onze moties uit te voeren die vragen om meer inspecteurs voor specifiek deze doelgroep en gespecialiseerde vertrouwenspersonen die proactief instellingen en wooninitiatieven voor mensen met een (meervoudige) en/of psychische problematiek beperking te bezoeken?
Bent u van mening dat ons zorgstelsel voldoende waarborgen bevat om mensen met een (meervoudige) beperking die vaak niet zelf kunnen melden en afhankelijk zijn van hun zorgverleners, te beschermen? Zo nee, welke lessen trekt u uit deze afschuwelijke situatie?
Het recht op onderwijs voor kinderen in de opvang |
|
Lisa Westerveld (GL), Wimar Bolhuis (PvdA) |
|
Bart van den Brink (CDA), Letschert |
|
|
|
|
Wat vindt u van de constatering van de Inspectie van het Onderwijs dat er de afgelopen jaren geen verbetering is gekomen voor de eerder geïdentificeerde problemen rond het onderwijs voor kinderen in de noodopvang?1
Bent u ingegaan op het verzoek van de Inspectie van het Onderwijs om met hen in gesprek te gaan over de al jarenlang gesignaleerde problematiek in de noodopvang en hun aanbevelingen? Zo ja, wat is de uitkomst van dat gesprek? Zo nee, gaat u dit doen en op welke termijn?
Bent u het ermee eens dat continuïteit van de schoolloopbaan, ook als jongeren meerderjarig worden, van groot belang is voor een ononderbroken ontwikkeling en het voltooien van de schoolloopbaan – voor de jongere, de samenleving en de economie?
Hoe komt het dat de ononderbroken toegang tot onderwijs voor kinderen in noodopvang nog steeds niet goed is geregeld, ondanks dat de Inspectie al jaren aan de bel trekt?
Bent u het ermee eens dat hiermee de rechten van kinderen zoals onder meer beschreven in het Internationale Kinderrechtenverdrag, specifiek artikel 6 op ontwikkeling, worden geschonden en hoe verenigt u deze problematiek met de Leerplichtwet?
Is het door een onafhankelijke partij – niet zijnde de overheid –, zoals de Landsadvocaat, juridisch getoetst of Nederland wel of niet aan het Internationale Kinderrechtenverdrag voldoet inzake het onderwijs aan kinderen uit de noodopvang of de reguliere opvang? Zo nee, waarom niet?
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om de toegang te waarborgen voor alle kinderen?
Worden er nog andere artikelen uit het Kinderrechtenverdrag geschonden?
Hoeveel kinderen tussen de 5 en 18 jaar in de noodopvang en de reguliere opvang staan momenteel op de wachtlijst voor onderwijs, uitgesplitst naar onderwijssector?
Hoeveel kinderen in de noodopvang en in de reguliere opvang moesten in 2025 langer dan de de wettelijke termijn van 3 maanden wachten om naar onderwijs geleid te worden?
Klopt het dat het voorkomt dat deze termijn van 3 maanden bij iedere nieuwe verhuizing opnieuw als norm gehanteerd wordt, ondanks dat de termijn officieel slechts eenmalig geldt voor kinderen en jongeren die net in Nederland zijn aangekomen? Zo ja, bij hoeveel kinderen bleek dit in de afgelopen 3 jaar het geval?
Hoe groot is momenteel het capaciteitstekort over heel Nederland om kinderen in de noodopvang en in de reguliere opvang ononderbroken onderwijs te kunnen bieden?
In welke regio’s is er sprake van een capaciteitstekort om onderwijs te voorzien voor alle in die regio gevestigde kinderen in de noodopvang en in de reguliere opvang?
Heeft u zicht op hoe vaak kinderen in de noodopvang en in de reguliere opvang verhuizen en hoeveel onderwijstijd ze daardoor verliezen? Zo ja, kunt u deze cijfers delen? Zo nee, kunt u dit aantal verhuizingen en de daardoor verloren onderwijstijd in kaart brengen?
Wat gaat u doen om te voorkomen dat kinderen in de noodopvang en in de reguliere opvang door frequente verhuizingen onderwijstijd missen en steeds een nieuwe school en nieuwe leerlingen moeten leren kennen?
Hoe staat het met de uitvoering van de ambitie uit het regeerakkoord om ervoor te zorgen dat kinderen niet continu verhuisd worden en welke acties zijn er al ondernomen? Welke acties gaat u ondernemen om dat continu verhuizen te voorkomen?
Klopt het dat kinderen in de noodopvang die over enkele maanden 18 worden, niet meer toegelaten worden tot onderwijsvoorzieningen voor kinderen in de noodopvang en blijven de bewuste kinderen daardoor langer op de wachtlijst? Hoe zit dit voor kinderen in de reguliere opvang?
Welke oplossingen voorziet u om te garanderen dat ieder kind toegang tot onderwijs krijgt, ook als ze binnen enkele maanden 18 worden?
Overweegt u daarbij meer flexibiliteit te voorzien waardoor kinderen in de noodopvang of in de reguliere opvang in het jaar dat ze 18 worden het leerjaar kunnen afmaken, ook nadat ze meerderjarig zijn geworden? Zo niet, waarom niet?
Welke mogelijkheden ziet u om de capaciteit van onderwijs voor kinderen in de noodopvang of in de reguliere opvang op te schalen zodat er geen wachtlijsten meer zijn en welke van die mogelijkheden zult u benutten en welke niet? En waarom die keuze?
Welke acties gaat u ondernemen om tekorten aan gekwalificeerde docenten voor onderwijs voor kinderen in de noodopvang en in de reguliere opvang op te lossen?
Hoeveel bijkomende financiering zou er nodig zijn om alle wachtlijsten voor onderwijs voor kinderen in de noodopvang en in de reguliere opvang weg te werken?
Kunt u dat budget vrijmaken? Zo nee, waarom niet?
Aangezien de verantwoordelijkheden over het garanderen van toegang tot onderwijs voor kinderen in noodopvang over vele partijen versnipperd is, wat zal u doen om meer coördinatie te garanderen? Zal het Rijk hier meer regie op pakken?2
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Het interview van vicepremier Yesilgöz met NOS Stories over dakloze jongeren |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Wat verstaat u precies onder «alles op alles zetten» om het aantal dakloze mensen in 2030 naar nul te brengen?1
Hoe rijmt u deze uitspraken met het coalitieakkoord waarin geen enkel concreet plan staat voor dakloze mensen?
Waaruit blijkt precies dat het kabinet, in de woorden van de vicepremier «heel hoge prioriteit» geeft aan dakloze jongeren? Kunt u uiteenzetten wat er precies wordt gedaan voor deze groep of welke concrete maatregelen het kabinet op korte termijn neemt?
Kunt u uw bewering dat er «heel veel» in het coalitieakkoord staat over de geestelijke gezondheidszorg (ggz) en over preventie, onderbouwen?
Hoeveel extra budget gaat u vrijmaken om uw woorden na te komen, in de wetenschap dat het budget dat is gekoppeld aan het Nationaal Actieplan Dakloosheid, aantoonbaar onvoldoende is om de beloften waar te maken?
Bent u bereid gemeenten te ondersteunen, die concrete plannen hebben om dakloze jongeren, of jongeren die dreigen dakloos te raken, aan een woonplek te helpen? Zo ja, hoe precies?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
De aanpak van complexe omgangsproblemen |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
van Bruggen , Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Hoe een omstreden concept kinderen van hun ouders scheidt: «Zolang ik niet leuk doe met mijn moeder, mag ik mijn vader niet zien»»?1
Hoe reflecteert u op de in het artikel beschreven zaken waarin kinderen tegen hun uitdrukkelijke wens langdurig worden gescheiden van een ouder op basis van aannames over ouderverstoting? Hoe wordt toezicht gehouden op de (mogelijke) schade en effectiviteit van de maatregel?
In hoeverre sluiten de in het artikel beschreven maatregelen aan bij de uitgangspunten van het programma Scheiden zonder Schade en Een Goed Begin, met name de punten omtrent het beperken van schade aan kinderen en het voorkomen van escalatie centraal staan? Welke lessen uit het programma Scheiden zonder Schade en Een Goed Begin zijn inmiddels verwerkt in de werkwijze van de jeugdbescherming, de Raad voor de Kinderbescherming en de rechtspraak?
Welke mogelijkheden hebben kinderen zelf om bezwaar te maken tegen beslissingen die hun woonplaats of contact met ouders ingrijpend veranderen? Vindt u de bestaande mogelijkheden voldoende toegankelijk en effectief?
Hoe verhoudt de aanpak zoals beschreven in dit artikel zich tot artikel 12 van het VN-Kinderrechtenverdrag, waarin het recht van kinderen om gehoord te worden in procedures die hen raken vastgelegd staat? Hoe wordt geborgd dat kinderen daadwerkelijk worden gehoord en dat hun verklaringen niet op voorhand terzijde worden geschoven vanuit de veronderstelling dat zij gemanipuleerd zouden zijn?
Welke lessen trekt u bij de aanpak van complexe omgangsproblemen uit de ervaringen van organisaties zoals Villa Pinedo, die de belangen en ervaringen van kinderen van gescheiden ouders centraal stellen?
Hoe reflecteert u op de internationale ontwikkelingen op het gebied van complexe omgangsproblemen, zoals bijvoorbeeld de keuze van het hooggerechtshof in Italië om het gebruik van de theorie omtrent ouderverstoring als onwettelijk te bestempelen en de keuze van Spanje om een verbod in te stellen op het gebruik van het concept ouderverstoting in familierechtzaken? Hoe verhouden deze ontwikkelingen zich tot de Nederlandse praktijk?
Hoe reflecteert u op het feit dat een omstreden en wetenschappelijk betwiste theorie over ouderverstoting ten grondslag ligt aan methoden en interventies die diep ingrijpen in het gezinsleven en kinder- en mensenrechten? Welke eisen stelt u aan de wetenschappelijke onderbouwing van dergelijke interventies?
Wat is momenteel de stand van zaken van de uitvoering van elk van de aanbevelingen uit het Adviesrapport van het Expertteam Ouderverstoting? Kunt u per aanbeveling aangeven welke acties zijn ondernemen en of ze volledig, gedeeltelijk of nog niet zijn uitgevoerd? Wat zijn de concrete opbrengsten van de implementatie van elk van de aanbevelingen?
Zijn het aantal gevallen van contactverlies teruggedrongen sinds de start van Scheiden zonder Schade en Een Goed Begin, zoals uw ambtsvoorganger aangaf te verwachten?2 Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, hoe verklaart u dit?
Wat is momenteel de stand van zaken van de implementatie van Scheiden zonder Schade en Een Goed Begin? Kunt u per onderdeel aangeven welke maatregelen ingevoerd zijn en welke concrete opbrengsten deze programma’s hebben (gehad) voor kinderen en ouders?
Gemeenten die de Spreidingswet moeten uitvoeren |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Burgemeester van Maassluis steunt voornemen van eigen gemeente om «nul» asielzoekers op te nemen niet en pleit voor solidariteit» en de brief van de burgemeester van Maassluis «Reflectie coalitieakkoord»?1, 2
Deelt u de mening van de burgemeester dat ten aanzien van het asielbeleid «het van belang [is] om als gemeenten onderling solidair te zijn. Dat betekent dus gevolg geven aan de spreidingswet»? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat gemeenten uitvoering moeten geven aan de Spreidingswet en dat het voornemen om geen opvangplekken voor asielzoekers te zullen gaan aanbieden in strijd is met het doel van die wet? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Kent u meer signalen van gemeenten die in nieuwe coalitieakkoorden het voornemen hebben opgenomen om geen opvangplekken voor asielzoekers te zullen gaan aanbieden? Zo ja, hoeveel gemeenten zijn dit en om hoeveel potentieel niet te realiseren opvangplekken gaat het?
Deelt u de mening dat het voor het lokale draagvlak ten aanzien van het opnemen van asielzoekers uiteindelijk beter is als gemeenten het aan de provinciale regietafels onderling eens worden over de verdeling van provinciale opvangopgaven in plaats van dat u die moet vaststellen of aanvullen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Wat doet u om lokale bestuurders ten aanzien van het uitvoeren van de Spreidingswet te ondersteunen?
De zorgelijke AI-beelden die worden gemaakt van jonge vrouwen |
|
Lisa Westerveld (GL), Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «AI-pornovideo’s met downsyndroom op Instagram, X en Telegram»?1
Hoe reageert u op dit bericht?
Kunt u meer vertellen over de aard en de omvang van de AI-beelden die zijn gemaakt en verspreid van jonge vrouwen?
Waar kunnen slachtoffers van de gemaakte AI-beelden terecht voor mentale of juridische ondersteuning? Hoe worden zij gewezen op deze mogelijkheden?
Hoe wordt bij het informeren van de slachtoffers rekening gehouden met (digitale) toegankelijkheid zodat melden en hulp zoeken altijd laagdrempelig is?
Kunt u uitleggen hoe het Europese verbod op uitkleed-apps deze vorm van deepfakes bestrijdt of voorkomt? Hoe gaat het verbod er praktisch uitzien en hoe wordt het gehandhaafd?2
Waarom hebben Meta en X pas na vragen van De Telegraaf de AI-beelden verwijderd? Wat kunt u doen om deze beelden zo snel mogelijk verwijderd te krijgen?
Is er sprake van een gecoördineerd netwerk dat AI-beelden maakt van jonge vrouwen en ze afbeeldt met amputaties, letsel, of een zichtbare beperking?
Vindt u het voldoende dat Meta en X hun eigen onderzoek voeren naar wie deze AI-beelden maken en verspreiden? Weet u meer over de omvang en de aard van deze onderzoeken?
Kunt u ook onafhankelijk onderzoek laten uitvoeren, waarbij wetenschappers toegang krijgen tot de algoritmes van deze techbedrijven om te controleren hoe deze AI-beelden zich verspreiden?
Welke instanties hebben de taak om toe te zien dat beelden van willekeurige mensen niet worden gebruikt om AI-beelden te maken van verminking en seksueel geweld? Kunt u uiteenzetten hoe deze instanties daartegen optreden?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en vóór het commissiedebat over digitale inclusie van 24 juni 2026 beantwoorden?
Het te lang liggen van meldingen kindermishandeling |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
van Bruggen , Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Meldingen kindermishandeling blijven te lang liggen bij Veilig Thuis, nog steeds»?1
Deelt u de analyse van het Landelijk Expertise Centrum Kindermishandeling (LECK) dat het aantal kinderen dat als slachtoffer van kindermishandeling wordt herkend, aan het stijgen is? Over hoeveel kinderen gaat het volgens u? In hoeveel gevallen gaat het over ernstige mishandelingen? Hoe vaak gaat het om seksueel misbruik?
Kunt u in een overzicht aangeven hoeveel meldingen van kindermishandeling er zijn gedaan sinds 2019? In hoeveel situaties is de wettelijke termijn voor de beoordeling van vijf dagen overschreden?
Welke rol speelt volgens u het personeelstekort bij deze problematiek of zijn er andere oorzaken? Zo ja, welke zijn dat?
In hoeveel situaties sinds 2019 is na een veiligheidsbeoordeling besloten over te gaan tot onderzoek? Hoe vaak is de termijn van tien weken overschreden? Hoe vaak is de Raad voor de Kinderbescherming ingeschakeld?
Hoe lang moeten kinderen en gezinnen gemiddeld wachten op hulp van Veilig Thuis? Kunt u dit ook aangeven vanaf 2019? Hoeveel kinderen zitten er nu in een situatie die onveilig is?
Hoe reflecteert u op het feit dat regelmatig de termijnen voor enerzijds de veiligheidsbeoordeling en anderzijds het onderzoek erna worden overschreden?
Herkent u de constatering van de heer Feiner van de Vereniging Sociale Advocatuur Nederland die stelt dat Veilig Thuis moeite heeft «om het kaf van het koren te scheiden: wanneer is er echt sprake van ernstige vermoedens en wanneer niet»? Zo ja, welke concrete maatregelen gaat u nemen om verbetering te realiseren? Zo nee, waarom niet?
Wat kunnen ouders doen wanneer er ernstige vermoedens zijn van mishandeling van hun kind door hun (ex-)partner of onveiligheid en zij het gevoel hebben dat dit niet serieus wordt genomen door betrokken instanties, of zij wachten op een onderzoek?
Herkent u het beeld dat Veilig Thuis nog onvoldoende regelmatig de Raad voor de Kinderbescherming inschakelt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke gevolgen heeft dit volgens u en ziet u mogelijkheden om dit alsnog te stimuleren?
Welke concrete verbeterpunten zijn er gerealiseerd na het debat van 4 maart 2025 over «het onderzoek naar de pleegzorg van een mishandeld meisje in Vlaardingen» om de positie van kinderen zelf te verbeteren en naar hen te luisteren bij situaties van mogelijk misbruik? Bent u van mening dat Nederland momenteel voldoet aan het Internationale Verdrag inzake de Rechten van het Kind?
Welke concrete verbeterpunten zijn er gerealiseerd na het debat van 4 maart 2025 om het toezicht te verbeteren? Hoe reflecteert u op het feit dat er momenteel nog steeds geen onafhankelijk toezicht is op het handelen van Veilig Thuis?
Welke concrete verbeterpunten zijn er gerealiseerd na het debat van 4 maart 2025 om de werkwijze van organisaties te verbeteren en jeugdzorg en jeugdbescherming beter op elkaar aan te laten sluiten? Wordt er gewerkt aan wetsvoorstellen? Wat is de planning?
Welke concrete verbeterpunten zijn er gerealiseerd na het debat van 4 maart 2025 om scholen en andere betrokkenen een betere terugkoppeling te geven als zij melding doen bij Veilig Thuis van vermoedens over kindermishandeling?
Op welke manier is de screening van pleegouders verbeterd na het debat van 4 maart 2025? En op welke manier de ondersteuning van pleegouders?
Hoe kan het dat de aantallen kinderen die herkend worden als slachtoffer van kindermishandeling stijgt, maar de financiering van het LECK niet meegroeit? Wat heeft u concreet gedaan met de aangenomen motie Krul-Westerveld waarin wordt gevraagd de expertise van het LECK te borgen (Kamerstuk 31 015, nr. 299)?
Hoe reflecteert u, gezien de forse problemen in het stelsel, op het gebrek aan financiële middelen voor het Toekomstscenario Kind- en gezinsbescherming en het uitblijven van gerichte, structurele investeringen in de jeugdbescherming?
Het zorggat voor mensen met een hersenschudding en PCS-klachten |
|
Julian Bushoff (PvdA), Lisa Westerveld (GL), Lisa Vliegenthart (GroenLinks-PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Ik liep een hersenschudding op en belandde in een «zorggat» – en ik ben niet de enige»?1
Ja.
Herkent u de situatie welke geschetst wordt in het artikel, waarbij het bestaande protocol voor hersenschuddingen onvoldoende passend was bij de casus en de patiënt tussen wal en schap valt?
In Nederland zijn beroepsgroepen verantwoordelijk voor de inhoud van de zorg. Het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) ontwikkelt voor huisartsen de professionele standaarden en richtlijnen. Huisartsen gebruiken deze standaarden en richtlijnen ter ondersteuning van het medisch beleid in de huisartsenpraktijk. Het kabinet velt geen oordeel over deze inhoud.
Het NHG geeft aan dat huisartsen zich voor de zorg voor patiënten met een hersenschudding baseren op de NHG-Standaard Hoofdtrauma. Deze standaard beschrijft dat het merendeel van deze patiënten binnen enkele weken herstelt en dat afwachtend beleid met goede voorlichting en adviezen doorgaans passend is. Tegelijkertijd wordt erkend dat een deel van de patiënten langer aanhoudende klachten kan ontwikkelen. Dit kan gaan om lichamelijke, psychische (zoals angst- en stemmingsklachten) en/of cognitieve klachten (zoals overprikkelingsverschijnselen en concentratiestoornissen), vaak een combinatie. De standaard besteedt hier expliciet aandacht aan. De behandeling bestaat uit gerichte voorlichting en advies en op indicatie wordt de patiënt doorverwezen. Het NHG geeft aan dat onderzoek naar specifieke interventies onvoldoende duidelijkheid geeft over het effect op herstel. De standaard biedt ruimte om de zorg op te schalen wanneer het herstel niet volgens verwachting verloopt.
Hoeveel mensen in Nederland, uitgesplitst per geslacht hebben te maken met klachten van post-commotioneel syndroom (hierna: PCS)? Indien dit niet bekend is, zou u hiervan een schatting kunnen maken en bent u bereid dit nader te onderzoeken?
Het Ministerie van VWS beschikt niet over deze gegevens. PCS wordt niet als afzonderlijke diagnose geregistreerd in bestaande registraties, waardoor de omvang van deze patiëntengroep niet precies kan worden vastgesteld. In een prospectief cohortonderzoek2 verricht op Nederlandse SEH’s bleek dat 28% van de niet-opgenomen patiënten met een hoofdtrauma binnen drie maanden de huisarts bezocht vanwege klachten gerelateerd aan het doorgemaakte hoofdtrauma (onder andere vermoeidheid, duizeligheid, hoofdpijn, concentratieproblemen, prikkelbaarheid). Aangezien de incidentie van hoofdtrauma in de eerste lijn veel hoger en de ernst vaak milder is, is de verwachting volgens de onderzoekers dat de incidentie van aanhoudende posttraumatische klachten bij patiënten in de eerste lijn (veel) lager ligt. Bijna alle patiënten zullen, zonder restverschijnselen, genezen. Een klein deel houdt langdurig klachten. Er is op dit moment geen aanleiding om dit nader te onderzoeken.
Zijn er verschillen bekend in effectiviteit van behandelmethoden van PCS op basis van geslacht? Zo ja, om welke verschillen gaat dit? Zo nee, bent u bereid om dit in het kader van de Nationale Strategie Vrouwengezondheid mee te nemen?
Specifiek onderzoek naar sekseverschillen in de effectiviteit van behandelmethoden bij PCS ontbreekt vooralsnog. In het Kennisprogramma Gender en Gezondheid3 is eerder onderzoek gedaan naar man-vrouwverschillen bij traumatisch hersenletsel in bredere zin. Hieruit bleek dat vrouwen over het algemeen slechtere uitkomsten rapporteerden zes maanden na het letsel, met name ernstiger symptomen na een hersenschudding en op het gebied van mentale gezondheid. In de behandelmethoden zelf werden geen sekseverschillen gevonden, maar wel in het zorgtraject.
In de NHG-Standaard Hoofdtrauma is geen onderscheid gemaakt in effectiviteit van behandelingen naar geslacht, omdat de wetenschappelijke onderbouwing hiervoor ontbreekt. Het is aan de beroepsgroepen om hier meer onderzoek naar te doen.
Hoeveel mensen in Nederland zijn (deels) arbeidsongeschikt wegens PCS? Indien dit niet bekend is, bent u bereid dit nader te onderzoeken?
Het UWV geeft aan dat er circa 1600 WIA-uitkeringen geregistreerd zijn met als hoofddiagnose aandoeningen die gerelateerd zijn aan een hersenschudding. Niet bekend is welk deel daarvan PCS betreft omdat dit niet wordt geregistreerd. Het kabinet ziet geen aanleiding voor aanvullend onderzoek.
Hoeveel zorgaanbieders in Nederland bieden op dit momenteel specifiek gespecialiseerde hulp aan voor PCS-klachten?
Het kabinet heeft geen overzicht van hoeveel zorgaanbieders specifieke expertise hebben op het gebied van aanhoudende klachten na een hoofdtrauma.
Herkent u het beeld dat patiënten met een hersenschudding vaak geen intake krijgen bij een revalidatiecentrum, omdat hun klachten als «te licht» worden beschouwd? Zo ja, hoeveel procent van de patiënten met een hersenschudding wordt geweigerd door een revalidatiecentrum? Zo nee, kunt u aangeven waarom u dit beeld niet herkent?
Eventuele afwijzingen voor een intake worden niet geregistreerd. Daarmee is het onbekend of patiënten met een hersenschudding vaak geen intake krijgen bij een revalidatiecentrum omdat hun klachten als «te licht» worden beschouwd. Het kabinet vertrouwt op de deskundigheid van zorgprofessionals om te bepalen wat passende zorg is, in overeenstemming met geldende medische richtlijnen.
Herkent u het beeld dat bij PCS-klachten er nog onvoldoende een integrale aanpak wordt toegepast? Zo ja, welke concrete maatregelen wilt u nemen om een integrale aanpak te stimuleren? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet herkent het beeld niet. De NHG-standaard besteedt hier aandacht aan. De NHG-Standaard Hoofdtrauma beschrijft dat in de acute fase het accent ligt op voorlichting, uitleg van het te verwachten beloop en het alert blijven op complicaties. Bij aanhoudende klachten adviseert de standaard een meer integrale, klachtgerichte aanpak, waarbij wordt gekeken welke klachten (lichamelijk, cognitief of psychisch) op de voorgrond staan.
Op welke concrete wijze wordt er momenteel ingezet op bewustwording van PCS en risicofactoren bij huisartsen?
De NHG-Standaard Hoofdtrauma ondersteunt huisartsen bij de herkenning en begeleiding van patiënten met (aanhoudende) klachten na hoofdtrauma. De implementatie wordt versterkt door scholings- en ondersteuningsmaterialen, zoals de e-learning Hoofdtrauma.
Het uitsluiten van mensen met psychiatrische aandoeningen bij levens- en uitvaartverzekeringen |
|
Lisa Westerveld (GL), Julian Bushoff (PvdA) |
|
Eelco Heinen (VVD), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat mensen met psychische problemen bij een aantal levens- en uitvaartverzekeringen worden geweigerd omdat zij een «hoger gezondheidsrisico dan gemiddeld» hebben? Bent u ervan op de hoogte dat veel verzekeraars een uitsluitingsclausule hebben bij overlijden door suïcide?
Het is belangrijk dat ook mensen met psychische aandoeningen toegang hebben tot verzekeringen. Zij hebben in beginsel de mogelijkheid om een levens-en uitvaartverzekering af te sluiten en hebben daarmee toegang tot het verzekeringsstelsel. Wel kan het voorkomen dat verzekeraars aanvragen afwijzen wanneer het risico op eerder overlijden aanzienlijk hoger is dan dat van leeftijdsgenoten zonder de (psychische) diagnose, klachten of aandoeningen. Zie hiervoor verder het antwoord op vraag 2.
Overlijden door zelfdoding is ook bij verzekeraars gedekt, mits het overlijden plaatsvindt na een vooraf vastgestelde periode na afsluiting van de verzekering. Deze periode, meestal één jaar tot twee jaar, is veelal opgenomen in de polisvoorwaarden van het betreffende verzekeringsproduct. Gedurende deze periode bestaat nog geen recht op uitkering als de verzekerde overlijdt als gevolg van suïcide. De bepaling is onder meer bedoeld om te voorkomen dat zelfdoding, in combinatie met een verzekeringsuitkering, als oplossing voor financiële problemen wordt gezien.
Zijn dergelijke uitsluitingsclausules toegestaan? Is het verzekeringen toegestaan om het gezondheidsrisico van mensen te beoordelen en op basis daarvan te besluiten of zij zich kunnen verzekeren? Zo ja, wat zijn de criteria of besluiten verzekeraars dit zelf? Is het ook toegestaan als het gaat om lichamelijke gezondheidsproblemen of leeftijd?
Bij vrijwillig af te sluiten verzekeringen mag een verzekeraar een inschatting maken van het risico dat de klant vroegtijdig overlijdt. Op basis van het (gezondheids)risicoprofiel van de klant beoordeelt de medisch adviseur van de verzekeraar de aanvraag. Dit proces, de medische acceptatie, is nodig omdat de verzekeraar een risico overneemt van de klant: als die overlijdt, keert de verzekeraar een bedrag uit. Om de hoogte van de premie te kunnen bepalen, moet de medisch adviseur een inschatting maken van het risico. Daarbij is het van belang dat het inschatten van risico’s op een deskundige en objectieve manier gebeurt. Verzekeraars moeten zich houden aan wetgeving en gedragscodes zoals de Wet op de Medische Keuringen (WMK), het Protocol Verzekeringskeuringen en de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (hierna: Wgbh/cz).
Wanneer sprake is van een verhoogd risico ten opzichte van leeftijdsgenoten zonder de diagnose of klachten, kan de verzekeraar verschillende maatregelen nemen. Zo kan de verzekeraar bijvoorbeeld een hogere premie in rekening brengen of besluiten het verzoek tot verzekering af te wijzen. Binnen de kaders van de wet, zoals het verbod op discriminatie, beschikken verzekeraars over een ruime mate van contractsvrijheid; zij mogen zelf bepalen welke voorwaarden, premies, en acceptatiecriteria zij hanteren.
Is dit ook toegestaan als de psychische problemen beginnen na de eerste polisjaren?
Bij het afsluiten van een levensverzekering maakt de verzekeraar een inschatting van het risico op basis van de op dat moment beschikbare informatie over de gezondheid en leefstijl van de verzekerde, vaak via een gezondheidsverklaring. Mede op basis hiervan worden de polisvoorwaarden en de hoogte van de premie vastgesteld. Veranderingen in de gezondheidstoestand nadat een verzekering door de verzekeraar is geaccepteerd, zoals het ontstaan van psychische problemen, hebben geen invloed op reeds lopende verzekeringen. De verzekerde is bovendien niet verplicht om dergelijke wijzigingen in de gezondheidstoestand aan de verzekeraar te melden.
Deelt u de mening dat deze uitsluiting een vorm van indirecte discriminatie is op grond van handicap of chronische ziekte, zoals bedoeld in de Wet gelijke behandeling en haaks staat op het VN-verdrag Handicap?
Zowel op grond van de Wgbh/cz als het VN-Verdrag Handicap is discriminatie tegen mensen met een beperking niet toegestaan. Het aanbieden van levens- en uitvaartverzekeringen valt onder de reikwijdte van de Wgbh/cz. De Wgbh/cz verbiedt indirect onderscheid tenzij dit objectief gerechtvaardigd is door een legitiem doel en de middelen om dat doel te bereiken passend en noodzakelijk zijn. Als een verzekeraar iemand weigert vanwege een psychische aandoening moet hij kunnen uitleggen waarom dit objectief gerechtvaardigd is. Indien een persoon van mening is dat er sprake is van (indirecte) discriminatie door een verzekeraar, dan kan hierover een klacht worden ingediend bij het College voor de Rechten van de Mens.
Kunt u toelichten of verzekeraars voldoende onderbouwing leveren voor dit onderscheid, en hoe wordt getoetst of het onderscheid proportioneel en gerechtvaardigd is?
Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 2, zijn verzekeraars in beginsel vrij om hun eigen acceptatiebeleid te voeren en te bepalen welke criteria zij hanteren om een verzekeringsaanvraag af te wikkelen, mits zij niet in strijd handelen met wettelijke bepalingen. Het is daarbij belangrijk dat verzekeraars hun overwegingen kunnen uitleggen aan de aanvrager van de verzekering. Consumenten kunnen een klacht indienen bij het College voor de Rechten van de Mens of de rechter als zij menen dat ze onterecht zijn afgewezen.
Bent u bereid om met de Autoriteit Financiële Markten (AFM) en het College voor de Rechten van de Mens in gesprek te gaan over deze uitsluitingspraktijken?
Ik vind de toegankelijkheid en betaalbaarheid van financiële producten, zoals levens- en uitvaartverzekeringen, van groot belang. Daarnaast vind ik het belangrijk dat verzekeraars zich bewust zijn van hun maatschappelijke verantwoordelijkheid als het gaat om deze toegankelijkheid. Hierover spreken de betrokken ministeries doorlopend met onder meer met het Verbond van Verzekeraars en andere belanghebbenden. Omdat mensen met psychische aandoeningen binnen de hierboven genoemde kaders wel mogelijkheden hebben om een levens-en uitvaartverzekering af te sluiten, zie ik op dit moment onvoldoende aanleiding om aanvullende regels te stellen. Uiteraard blijf ik alert op signalen uit de samenleving hierover, en mocht zich relevante ontwikkelingen voordoen, dan zal ik alsnog het gesprek hierover met hen aangaan.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met verzekeraars en andere instanties om gelijke toegang tot financiële producten te garanderen voor mensen met een psychische kwetsbaarheid?
Zie antwoord vraag 6.
Gesprekken die op EU-niveau worden gevoerd met de Taliban |
|
Kati Piri (PvdA), Lisa Westerveld (GL) |
|
Bart van den Brink (CDA), Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Euractiv-artikel waarin vermeld staat dat er voor de zomer gesprekken gevoerd zullen worden tussen EU-ambtenaren en een Talibandelegatie met als doel om Afghanen mogelijk terug te sturen?1
Bent u door de Europese Commissie of andere betrokken landen op de hoogte gesteld van deze gesprekken?
Zullen er ook Nederlandse ambtenaren deelnemen aan deze gesprekken? Op welke manier is Nederland betrokken bij deze gesprekken?
Kunt u de Kamer informeren over wat er besproken zal worden met de Talibandelegatie?
Klopt het dat de gesprekken als doel hebben om mensen met de Afghaanse nationaliteit waaronder asielzoekers in Europa terug te sturen naar Afghanistan? Zo ja, over welke doelgroep gaat het?
Ziet u Afghanistan als een veilig en vrij land, specifiek voor bijvoorbeeld vrouwen en meisjes en mensen die in het verleden kritiek hebben geuit op de Taliban?
Als er Afghaanse asielzoekers terug zouden worden gestuurd naar Afghanistan, kunt u dan zeker weten dat zij daar geen gevaar zullen lopen zoals verplicht onder het non-refoulement principe? Zo ja, hoe?
Is het terugsturen van Afghaanse vrouwen en meisjes naar een land waar zij zeer onderdrukt leven niet überhaupt onethisch?
Ziet u de Taliban als een normale gesprekspartner?
Bent u van mening dat een dergelijke bijeenkomst een stap zet in de richting van het erkennen van het Talibanregime? Acht u dat wenselijk? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen voor het eerstvolgende commissiedebat op 27 mei a.s. over de JBZ-Raad beantwoorden?
De overname van jeugdgezondheidszorg aan kinderen van asielzoekers door een commerciële zorgaanbieder. |
|
Julian Bushoff (PvdA), Lisa Westerveld (GL) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht in Medisch Contact over het verlies van de jeugdgezondheidszorg voor asielzoekerskinderen door GGD’en aan een commerciële zorgpartij en herkent u de daarin geuite zorgen over de continuïteit van zorg?1
Hoe rechtvaardigt u dat via aanbestedingen publieke gezondheidszorgtaken bij marktpartijen worden belegd, terwijl het uitgangspunt van het Nederlandse publieke gezondheidsstelsel juist is dat deze taken publiek, samenhangend en preventief worden georganiseerd, en hoe voorkomt u dat dit in de praktijk leidt tot uitholling van het publieke gezondheidsstelsel?
Is de gunning van de aanbesteding voor de jeugdgezondheidszorg aan asielzoekerskinderen inmiddels definitief en, zo ja, welke concrete randvoorwaarden zijn gesteld om te waarborgen dat de overgang van de huidige naar de nieuwe situatie zorgvuldig verloopt, in het bijzonder in de periode tussen het einde van de huidige uitvoering en de start van het nieuwe contract?
Op welke wijze is voorafgaand aan de gunning geverifieerd dat de nieuwe aanbieder daadwerkelijk kan voldoen aan de gestelde eisen ten aanzien van kwaliteit, personele capaciteit, landelijke dekking en continuïteit van zorg, en kunt u toelichten hoe dit wordt beoordeeld? Hoe beoordeelt u de zorgen van de GGD en experts, mede gezien de eerdere ervaringen met dit bedrijf?2
Klopt het dat de Arts en Zorg Groep de aanbesteding vooral won vanwege het «forse prijsverschil»? Hoe kan het dat de prijs die het bedrijf op de zorg plakt, ongeveer een kwart lager zijn dan die van de GGD. Waarin zit precies dit prijsverschil?
Welke maatregelen worden genomen om het behoud van ervaren en deskundig personeel voor de jeugdgezondheidszorg aan asielzoekerskinderen te waarborgen, gelet op de krapte op de arbeidsmarkt in de (jeugdgezondheid)zorg, en hoe voorkomt u dat verlies van personeel leidt tot discontinuïteit en kwaliteitsverlies van zorg, zowel voor asielzoekerskinderen als in de jeugdgezondheidszorg in bredere zin, en dat dit doorwerkt in de continuïteit en kwaliteit van het publieke gezondheidsstelsel als geheel?
Hoe waarborgt u dat de kwaliteit, toegankelijkheid en continuïteit van zorg voor asielzoekerskinderen niet alleen gedurende de overgang, maar ook structureel na implementatie op peil blijven, mede gelet op het feit dat het gaat om kinderen met een vluchtachtergrond die te maken hebben gehad met oorlog, geweld, vervolging of ontwrichting en vaak kampen met trauma’s en complexe gezondheidsproblematiek? Hoe wordt gewaarborgd dat de zorg in de periode tussen 1 oktober 2026 (waarin het contract met de GGD stopt) en juni 2027 (waarin het contract met de Arts en Zorg Groep aanvangt) geleverd blijft worden en van kwalitatief goed niveau is?
Hoe wordt toezicht gehouden op de kwaliteit van de geleverde zorg en welke concrete interventiemogelijkheden heeft u indien blijkt dat de zorg niet aan de gestelde eisen voldoet, en hoe voorkomt u dat tekortkomingen in deze zorg doorwerken in de continuïteit en kwaliteit van het publieke gezondheidsstelsel als geheel?
Hoe reflecteert u op het feit dat de aanbesteding wordt gegund aan een partij, waarbij eerder op één van hun locaties is vastgesteld dat kinderen kampten met ondergewicht, angstklachten en gebrek aan privacy?
Hoe wordt er toezicht gehouden op (de kwaliteit van) de zorg die geleverd zal worden, zeker gelet op het feit dat de zorg verleend wordt aan kinderen die niet altijd de Nederlandse taal machtig zijn, evenals hun ouders? Kunt u beschrijven hoe het toezicht er in de praktijk uitziet? Wie is hiervoor verantwoordelijk? Wat wordt er gedaan als blijkt dat deze zorg (ernstig) tekortschiet?
Een verdienmodel voor het slecht huisvesten van kwetsbare jongeren |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hoe een Amsterdamse zorgondernemer verdient aan het beroerd huisvesten van de kwetsbaarste jongeren»?1
Hoeveel jongeren worden momenteel begeleid door Accuraat?
Hoeveel locaties heeft Accuraat en waar zitten deze locaties? Met hoeveel gemeenten werken zij samen? Hoe kan het dat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) onvoldoende toezicht heeft op het aantal locaties van Accuraat, zoals blijkt uit het feit dat zij in hun rapport van 2025 constateren dat aan het begin van het toezicht ervan uit werd gegaan dat Accuraat drie locaties had, waarna later bleek dat er nog een vierde locatie was maar tegenover Follow the Money werd er gesproken over maar liefst dertig locaties?2
Kan aangegeven worden hoeveel geld er vanuit de Rijksoverheid en gemeenten wordt besteed aan begeleid wonen, uitgesplitst per: Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), langdurige zorg, jeugdzorg en justitie? Hoeveel is er specifiek gegeven aan Accuraat, uitgesplitst per «potje»? Welke geldstromen kent Accuraat, naast de eerder genoemde publieksgelden?
Klopt het dat er voor 2025 geen jaarverslag beschikbaar is voor Stichting Accuraat Begeleid Wonen (KvK-nummer: 65968158)? Zo nee, zou deze alsnog toegezonden kunnen worden aan de Kamer bij de beantwoording van deze vragen?
Klopt het dat er voor 2024 geen WNT-verantwoording beschikbaar is voor Stichting Accuraat Begeleid Wonen? Zo nee, zou deze alsnog toegezonden kunnen worden aan de Kamer bij de beantwoording van deze vragen? Zo ja, hoezo is er voor 2024 geen WNT-verantwoording beschikbaar?3
Klopt het dat in de WNT-verantwoording van 2023 slechts één toezichthouder genoteerd staat en dat deze toezichthouder (aangetrouwde) familie is van de genoteerde directeur? Zo nee, hoe zit het dan wel en hoezo wijkt dat af van de verantwoording?
Is het wettelijk toegestaan dat er slechts één toezichthouder is bij een instelling van dergelijke omvang en is het wettelijk toegestaan dat de toezichthouder een familieband heeft met de directeur? Zo nee, hoe kan het dat dit wel het geval is bij Stichting Accuraat? Zo ja, deelt u de mening dat dat de schijn van mogelijke belangenverstrengeling wekt?
Kunt u uiteenzetten hoe het toezicht bij instellingen die soortgelijke zorg bieden precies is vormgegeven? Welke instanties zijn allemaal betrokken, welke handhavingsinstrumenten hebben zij en waar ligt de eindverantwoordelijkheid wanneer zorg niet op een adequate manier wordt geboden? Wie is verantwoordelijk voor het verantwoord omgaan met zorggeld en wanneer wordt er ingegrepen als dit niet gebeurt? Hoe wordt in het toezicht rekeninggehouden met het gegeven dat de mensen die zorg ontvangen in een kwetsbare positie zitten en niet altijd signalen kúnnen melden bij de Inspecties?
In hoeverre worden deze bewoners/cliënten proactief bezocht door onafhankelijke vertrouwenspersonen? Wanneer is dit voor het laatst gebeurd?
Hoe vaak en wanneer hebben toezichthouders aan de bel getrokken over Accuraat over bijvoorbeeld ondermaatse zorg, bedreigingen van verhuurders en overlast? Wanneer is het ministerie voor het eerst geïnformeerd over dergelijke signalen en welke acties zijn hier concreet uit voortgevloeid?
Hoeveel meldingen zijn er enerzijds bij de IGJ en anderzijds bij de Inspectie JenV gedaan over Accuraat? Wat was de aard van deze meldingen en hoe zijn deze meldingen opgevolgd? Op welke wijze werken de twee inspecties samen en kunnen zij meldingen delen met elkaar?
Hoeveel meldingen zijn er sinds 2025 gedaan over ondermaatse zorg binnen de tak van begeleid wonen? Wat was de aard van deze meldingen en welke opvolging wordt gegeven aan deze meldingen?
Wat is de huidige stand van zaken en de opbrengst van de uitvoering van de maatregelen, uitgesplitst per maatregel, die zijn genomen en in gang gezet na het rapport «Er is meer aan de hand»?
Hoeveel SKJ-geregistreerde medewerkers zijn er aan het werk bij Accuraat? Hoeveel SKJ-geregistreerde medewerkers werken per dienst en hoe staat dat in verhouding tot de norm? Klopt het dat slechts 9 van de 26 begeleiders bij de Amsterdamse locatie een zorgopleiding hadden afgerond? Hoe reflecteert u op de structurele inzet van ondergekwalificeerd personeel in het werken met kwetsbare jongeren?
Hoe reflecteert u op de toepassing van de kwaliteitscheck jeugdhulp die is uitgevoerd voorafgaande aan het toetreden van Accuraat binnen de sector? Zijn alle wettelijke eisen uit de Wet toetreding zorgaanbieders (Wtza) nageleefd?
Waren er voorafgaand aan het rapport van de Amsterdamse GGD uit 2022 signalen bij de gemeenten of de IGJ bekend over ondermaatse zorg en andere kwalijke toestanden bij Accuraat? Op welke wijze werd toezicht gehouden op het doorvoeren van de verbeteringen uit het rapport?
Deelt u de mening dat het zeer zorgwekkend is dat de overheid Accuraat blijft inhuren voor de zorg voor kwetsbare jongeren, ondanks alle misstanden en het gebrek aan transparantie over financiën?
Ziet u naar aanleiding van het onderzoek uitgevoerd door Follow the Money aanleiding om de samenwerking met Accuraat stop te zetten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke alternatieven zijn er?
Het bericht 'Problemen op asielboot Rotterdam houden aan, ook steeds meer kinderen in zorgelijke omstandigheden: ‘Lopen blijvende schade op’' |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van EenVandaag «Problemen op asielboot Rotterdam houden aan, ook steeds meer kinderen in zorgelijke omstandigheden: «lopen blijvende schade op»»?1
Ja, ik ben bekend met het bericht van EenVandaag.
Bent u het eens met de verpleegkundige en arts dat de schepen geen geschikte plek zijn voor kinderen?
Rotterdam heeft met het COA en het Rijk bestuurlijk afgesproken dat op de MS Silja uitsluitend statushouders worden opgevangen. De plaatsing van bewoners vindt plaats door het COA, die verantwoordelijk is voor de opvang en begeleiding.
Nederland kampt momenteel met een tekort aan (nood)opvangplekken. Tegelijkertijd is er sprake van een toenemende instroom van nareisgezinnen met een verblijfsstatus. Omdat de MS Silja is aangewezen voor statushouders, worden deze gezinnen in combinatie met het landelijke tekort aan opvangplekken veelal op deze locatie geplaatst.
Verblijf in noodopvang, waaronder scheepsaccommodaties, is niet wenselijk, in het bijzonder voor kinderen, en geen structurele oplossing. Daarbij moet wel opgemerkt worden dat er verschillen zijn in de diverse noodopvanglocaties op het gebied van geboden voorzieningen, en niet elke noodopvanglocatie onderdoet voor een reguliere locatie. Zolang er landelijk onvoldoende reguliere opvangplekken beschikbaar zijn, blijft het COA afhankelijk van noodopvang – ook voor kinderen. Ik zet mij, onder meer via uitvoering van de Spreidingswet, onverminderd in voor het realiseren van voldoende duurzame en reguliere opvangplekken, zodat kinderen in de toekomst niet langer in noodvoorzieningen hoeven te worden opgevangen.
Na eerdere signalen is door alle samenwerkingspartners extra inzet gepleegd op de Silja om de situatie voor kinderen, gezinnen en jonge vrouwen te verbeteren. Zo zijn er extra partijen ingezet voor begeleiding en welzijn, zijn specifieke ruimtes per leeftijdscategorie ingericht en is personeel met pedagogische expertise ingezet. Ook is het activiteitenaanbod uitgebreid, onder meer via een welzijnspartij. Daarnaast is een peutergroep gestart en is de aansluiting op voorschoolse educatie verbeterd.
De toeleiding naar onderwijs is versterkt, waardoor er inmiddels vrijwel geen wachttijden meer zijn voor plaatsing in het primair en voortgezet onderwijs. Voor kinderen die nog niet direct kunnen starten, zijn voorbereidende activiteiten ingericht. Verder worden er extra binnen- en buitenspeelvoorzieningen gerealiseerd.
Hoe is het überhaupt mogelijk geweest om kinderen op deze locaties te plaatsen waar zij verblijven in kamers zonder ramen en zij zonder hun ouders slapen? Is dit in het belang van het kind, zoals omschreven in artikel 3 van het Kinderrechtenverdrag?
Door het structurele tekort aan opvangplekken in het hele land is het COA afhankelijk van noodopvanglocaties waar helaas ook kinderen worden opvangen. Op de Silja verblijft de helft van de bewoners in inpandige hutten die geen ramen hebben. Doordat het tweepersoons hutten zijn, kunnen niet alle kinderen bij hun ouders slapen. De ouders slapen wel altijd in de directe nabijheid van hun kinderen.
Worden er nog andere artikelen uit het Kinderrechtenverdrag geschonden?
Het kabinet is gehouden aan internationale verplichtingen, waaronder het VN-Kinderrechtenverdrag. Mochten er signalen binnenkomen dat hier mogelijk niet (volledig) aan wordt voldaan, zal ik dit zeer serieus nemen en zal dit altijd worden onderzocht.
Is het uitlegbaar dat kinderen onnodige mentale problematiek oplopen en zelfs permanente schade kunnen oplopen door langere tijd opgevangen te worden op de boot?
Ik erken dat langdurig verblijf op noodopvanglocaties, zoals de Silja, niet bevorderlijk is voor het psychisch welzijn van kinderen. Het verblijf op dergelijke locaties betreft een tijdelijke noodmaatregel om te voorkomen dat mensen zonder opvang en onderdak komen te zitten. Daarbij is er op dit schip helaas sprake van situaties waarin verblijf langer duurt dan wenselijk is, in verband met de moeizame doorstroom van deze mensen met een verblijfsvergunning naar vervolghuisvesting.
Ik zet mij, in samenwerking met het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, de medeoverheden en corporaties, ervoor in dat statushouders zo snel mogelijk kunnen uitstromen naar huisvesting in de gemeente. Voor de uitstroom van statushouders zijn en worden maatregelen genomen, waaronder tijdelijke financiële ondersteuning voor gemeenten bij huisvesting van statushouders. Gemeenten kunnen gebruikmaken van verschillende stimuleringsregelingen van het Rijk die (al dan niet ten dele) zijn gericht op het beter benutten van de huidige woningvoorraad of het toevoegen van nieuwe woningvoorraad om zo huisvesting van statushouders te stimuleren. Daarnaast wordt ingezet op opschaling van verschillende vormen van alternatieve huisvesting zoals flexwoningen en woningdelen, op permanente of tijdelijke locaties. De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening wil hier voor de zomer afspraken maken met gemeenten en corporaties in een convenant.
Op welke manier werkt u eraan om kinderen zo snel mogelijk van deze boten te halen en in geschiktere locaties op te vangen waar zij de nodige zorg kunnen krijgen?
De situatie in de asielopvang is momenteel zeer gespannen. Er is sprake van een aanzienlijk tekort aan opvangplekken, dat naar verwachting de komende maanden verder zal toenemen. Tegen die achtergrond is het op korte termijn helaas niet mogelijk om plaatsingen van kinderen in noodopvang volledig te beëindigen. Dat blijft echter wel het doel waar naartoe wordt gewerkt.
Het kabinet zet zich, onder meer via uitvoering van de Spreidingswet, in om het aantal duurzame en reguliere opvangplekken uit te breiden. Zodra er binnen de opvangcapaciteit meer ruimte ontstaat en het COA meer flexibiliteit krijgt in het plaatsingsbeleid. Hierbij heeft het beëindigen van de plaatsing van kinderen en andere kwetsbare mensen in noodopvanglocaties hoge prioriteit.
Hoe strookt deze gang van zaken met aangenomen motie Westerveld (Kamerstuk 19 637, nr. 3515)? Hoe staat het met de uitvoering van deze motie?
Zie antwoord vraag 6.
Worden er extra maatregelen getroffen om infectieziekten tegen te gaan op de boot? Is de locatie geschikt voor kwetsbare groepen? Waarom verblijven zij nu wel op deze boot?
Het COA doet het maximale om de hygiëne op het schip zo goed mogelijk te houden, zo wordt het schip elke week helemaal gereinigd. Op het schip is verder een huisartsenpost aanwezig en de Jeugdgezondheidszorg ziet kinderen voor bijvoorbeeld inentingen. Bij constatering van infectieziekten worden maatregelen getroffen al dan niet in samenwerking met de GGD.
Helaas moet het COA binnen de huidige capaciteitsproblematiek soms kwetsbare groepen plaatsen op het schip. Voor een deel van de kwetsbare asielzoekers is opvang op het schip niet geschikt en daarvoor wordt een andere oplossing gevonden.
Waarom worden zwangere vrouwen op deze boten geplaatst tegen medisch advies in?
Ik herken niet dat zwangere vrouwen tegen medisch advies in geplaatst worden op opvanglocaties in de vorm van een boot. Zwangere vrouwen kunnen verblijven op de Silja, behalve als er een waterpokken-uitbraak is. Zij worden getest of ze immuun zijn. Zijn ze niet immuun, dan verhuizen ze naar een andere opvanglocatie.
Hoe kan het dat er na de brandbrief vanuit artsen die werkzaam zijn op het schip geen maatregelen zijn getroffen? Is er iets veranderd nadat zij deze brief schreven?
Zoals ook toegelicht in vraag 2, naar aanleiding van de signalen en zorgen die vorig jaar zijn geuit zijn deze uiterst serieus genomen en er is door alle samenwerkingspartners extra inzet gepleegd om de situatie voor kinderen, gezinnen en jonge vrouwen te verbeteren. Zo zijn er extra partijen ingezet voor begeleiding en welzijn, zijn specifieke ruimtes per leeftijdscategorie ingericht en is personeel met pedagogische expertise ingezet. Ook is het activiteitenaanbod uitgebreid, onder meer via een welzijnspartij. Daarnaast is een peutergroep gestart en is de aansluiting op voorschoolse educatie verbeterd.
De toeleiding naar onderwijs is versterkt, waardoor er inmiddels vrijwel geen wachttijden meer zijn voor plaatsing in het primair en voortgezet onderwijs. Voor kinderen die nog niet direct kunnen starten, zijn voorbereidende activiteiten ingericht. Verder worden er extra binnen- en buitenspeelvoorzieningen gerealiseerd.
Daarnaast is extra aandacht voor de fysieke en mentale gezondheid van bewoners, waaronder kinderen en zwangere vrouwen. Er wordt laagdrempelige toegang tot zorg geboden en waar nodig wordt specialistische zorg ingeschakeld. Signalering van medische en psychosociale problematiek vindt continu plaats en wordt meegenomen in de gezamenlijke overleggen.
Er vindt doorlopend intensief ambtelijk overleg plaats tussen de verschillende samenwerkingspartners. Ook is er frequent overleg op operationeel, tactisch en bestuurlijk niveau. De gemeente is daarnaast structureel aanwezig op de Silja. In deze overleggen worden de leefomstandigheden, zorg, veiligheid en de situatie van kinderen en gezinnen continu gemonitord. Verbeterpunten worden gezamenlijk besproken en waar nodig uitgevoerd.
Wat zijn de gevolgen voor de samenleving als potentiële burgers van ons land allerlei mentale problemen oplopen op deze asielboten?
Langdurig verblijf in noodopvanglocaties, waaronder boten, is onwenselijk en kan negatieve gevolgen hebben voor het welzijn en de ontwikkeling van bewoners.
Het kabinet zet zich daarom in om de opvangomstandigheden te verbeteren, de inzet van noodopvang terug te dringen een het aantal reguliere opvanglocaties te vergroten door inzet van de Spreidingswet. Tegelijkertijd wordt ingezet op toegang tot onderwijs, zorg en passende begeleiding om de nadelige effecten van het verblijf op noodopvanglocaties zoveel mogelijk te beperken.
De uitzending van BOOS over Yes We Can Clinics |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u de uitzending van BOOS van 7 april 2026 gezien, over de misstanden bij Yes We Can Clinics?1
Ja.
Wat vindt u van de in de uitzending getoonde bevindingen waaruit blijkt dat een flink aantal jongeren trauma’s hebben opgelopen na hun behandeling bij Yes We Can Clinics?
Ik ben geschrokken van de ervaringen die jongeren met BOOS hebben gedeeld. Een behandeling dient gericht te zijn op het verminderen en opheffen van problemen. Een behandeling mag nooit (gezondheids-)schade aanbrengen.
In hoeverre zijn signalen die binnenkwamen bij de redactie van BOOS ook bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (hierna: Inspectie) of het Ministerie van VWS bekend? Zijn er signalen binnengekomen bij de Inspectie? Zo ja, kunt u inzichtelijk maken hoeveel, in welke jaren en wat de aard is van de meldingen?
Als jongeren of ouders bellen met het Landelijk Meldpunt Zorg (onderdeel van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, hierna LMZ) registreert de IGJ dit als signaal. De IGJ geeft aan dat er sinds 2022 29 signalen zijn binnengekomen. Hieronder uitgesplitst per jaar:
2022: 2
2023: 1
2024: 2
2025: 2
2026: 22, waarvan tot uitzending BOOS (1-1-26 t/m 7-4-26): 2 signalen en na uitzending BOOS (8-4-26 t/m 29-4-26): 20 signalen.
Vanwege het recent gestarte toezichtstraject deelt de IGJ geen verdere informatie over de aard van de meldingen.
Als er signalen bekend waren, was dit reden voor de Inspectie om een nieuw onderzoek te doen of voor gemeenten om in te grijpen? Zo nee, waarom niet? Als er geen signalen binnenkwamen, wat zegt dat over de bekendheid van de Inspectie bij de doelgroep?
Iedereen kan met klachten of signalen bij het LMZ van de IGJ terecht. De IGJ heeft geen zicht in de overwegingen van jongeren of ouders in deze casus om wel of niet contact op te nemen met het LMZ. De IGJ heeft de afgelopen twee jaar gewerkt aan haar toegankelijkheid voor jongeren door het uitvoeren van een jongerencampagne via sociale media. Hierbij werden jongeren uitgenodigd om hun ervaringen met jeugdhulp anoniem te delen2.
De IGJ besluit op basis van de bij haar bekende informatie om wel of niet een onderzoek in te stellen. Hierbij betrekt de IGJ de informatie uit onder andere meldingen, signalen en uitkomsten van eerdere inspectiebezoeken. Dit vormde sinds 2018 geen aanleiding om een toezichtstraject te starten. De IGJ geeft aan dat zij gezien de aard en de ernst van de signalen die onlangs bekend zijn gemaakt, recent een toezichtstraject is gestart bij Yes We Can Clinics.
Het is mij niet bekend of individuele gemeenten signalen hebben ontvangen.
Zijn er elders signalen binnengekomen, bijvoorbeeld bij de vertrouwenspersonen van Jeugdstem?
Ja, Jeugdstem geeft aan dat er drie klachten zijn geuit over Yes We Can Clinics bij vertrouwenspersonen. De laatste klacht dateert van november 2025.
Is ooit onderzocht of de bewering op de website van Yes We Can Clinics dat 74% van de jongeren geen specialistische behandeling meer nodig had, klopt? Had dat moeten gebeuren en zo ja, door wie? Zo nee, waarom niet?
Yes We Can Clinics geeft op haar website aan dat de bewering in kwestie is gebaseerd op herhaaldelijk onafhankelijk onderzoek, waarbij het meest recente onderzoek is uitgevoerd in 2023. De IGJ heeft tot op heden geen onderzoek gedaan naar de bewering op de website van Yes We Can Clinics. De IGJ kijkt in haar toezicht naar de kwaliteit, veiligheid en betrouwbaarheid van de zorg en jeugdhulp en is recent een toezichtstraject gestart bij Yes We Can Clinics.
Hoe kan het dat een methode die oorspronkelijk werd gebruikt in de verslavingszorg, door Yes We Can Clinics ook wordt toegepast op tieners en adolescenten die kampen met (de gevolgen van) allerlei andere soorten problematiek, van depressie tot ADHD tot borderline? Wie heeft beoordeeld dat de methode van Yes We Can Clinics toegepast mag worden op jongeren met deze uiteenlopende zorgvraag? Aan welke criteria is dit getoetst en wanneer?
Het is aan een behandelaar om een behandelmethode te kiezen die aansluit bij een jongere, zodat de jongere daar baat bij heeft, en deze op de juiste wijze toe te passen. Behandeling vindt plaats conform professionele standaarden, richtlijnen en kwaliteitskaders. Daarnaast is het belangrijk dat jongeren en hun ouders worden betrokken bij de keuze voor de behandelmethode en inspraak hebben tijdens de behandeling. Er kunnen verschillende behandelmethoden in de zorg worden gebruikt.
De IGJ ziet toe op de kwaliteit van de geleverde zorg. De bekwaamheid van de jeugdzorgprofessionals is hier onderdeel van. Tijdens een onderzoek beoordeelt de IGJ onder andere of een behandelmethode conform professionele richtlijnen wordt uitgevoerd. Daarnaast beoordeelt de IGJ of de zorgaanbieder samen met de jongeren en ouders de hulpvraag, de doelen en de vorm van de geboden hulp bepalen.
Klopt het dat het laatste Inspectiebezoek aan Yes we Can Clinics plaatsvond op 10 december 2018? Zijn er sindsdien nog aangekondigde of onaangekondigde bezoeken geweest? Hoe kan het dat de Inspectie onderzoekt of de «zorgverlening aan de voorwaarden voor goede en veilige zorg voldoen,» terwijl niet met jongeren zelf wordt gesproken, maar enkel vijf dossiers zijn bekeken? Welke rol hebben gemeenten die jongeren plaatsen bij Yes We Can Clinics?
Het klopt dat het laatste onderzoek naar de kwaliteit door de IGJ aan Yes We Can Clinics plaatsvond op 10 december 2018. Het bezoek in 2018 vond plaats in het kader van een specifieke toezichtronde op middelgrote ggz- en verslavingszorginstellingen. Deze toezichtronde was gericht op het beter in beeld krijgen van dit type organisaties. Door het specifieke doel van dit toezicht, toetste de inspectie een beperkt aantal normen. Daarnaast is er op hoofdlijnen getoetst. De IGJ heeft in deze toezichtronde gesproken met de bestuurders en zorgverleners, individuele dossiers beoordeeld en beleid beoordeeld. Er is niet met cliënten gesproken. Welke bronnen de IGJ bij een toezichtbezoek gebruikt, hangt af van de onderzoeksvragen.
De drie thema’s die tijdens het bezoek centraal stonden waren persoonsgerichte zorg, deskundige zorgverlener, en sturen op kwaliteit en veiligheid. Op het thema persoonsgerichte zorg toetste de inspectie normen over het behandelplan en dossiervoering. Om deze normen te toetsen voerde de IGJ gesprekken met leden van het management/directie, regiebehandelaren en uitvoerende medewerkers, deed dossieronderzoek en kreeg inzage in kwaliteitsdocumenten. In het onderzoek dat de IGJ nu is gestart naar Yes We Can Clinics zullen gesprekken met jongeren onderdeel zijn.
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor organisatie en financiering van de jeugdhulp. Zij maken afspraken met aanbieders over de in te kopen zorg. Gemeenten kunnen daarbij, naast de kwaliteitseisen die gelden vanuit de Jeugdwet, specifieke kwaliteitseisen stellen aan de te leveren diensten. Dit betekent dat de gemeente niet altijd inhoudelijk betrokken is bij een casus.
Verwijzing naar specialistische zorg kan verlopen via de huisarts, jeugdarts, medisch specialist, lokaal team of gecertificeerde instelling (GI). De jeugdhulpaanbieder is verantwoordelijk voor het verlenen van verantwoorde hulp.
Is het overnemen van een jeugdzorginstelling door een private equity organisatie, zoals bij Yes We Can Clinics gebeurde in 2021 door Holland Capital en in september 2025 door Bencis Capital Partners, reden voor extra toezicht of een Inspectiebezoek? Zo nee, waarom niet?
Een overname door een private equity organisatie is geen reden voor extra toezicht. Iedere zorgaanbieder dient zich aan de geldende wet- en regelgeving te houden, ook als er een private equity investeerder betrokken is. Vanuit de toezichthouders wordt er bij betrokkenheid van een private equity organisatie daarom ook niet anders gehandeld dan bij elke andere zorgaanbieder.
Vindt u het verantwoord dat jeugdzorginstellingen zoals Yes We Can Clinics worden gekocht door private equityorganisaties die primair gericht zijn op het maken van winst en doorverkoop? Worden gecontracteerde gemeenten en zorgverzekeraars actief op de hoogte gesteld wanneer een private equity organisatie een instelling opkoopt? Zo ja, op welke wijze gebeurt dit? Zo nee, waarom niet?
Er is geen verbod op overname van jeugdhulpaanbieders door private equity partijen. Private equity kan uitkomst bieden voor zorgaanbieders die moeite hebben met het vinden van financiering of opvolging. Dit kan een positief effect hebben op de beschikbaarheid, continuïteit en kwaliteit van zorg. Tegelijkertijd ziet het kabinet ook dat er risico’s verbonden zijn aan private equity investeringen, waarbij de betaalbaarheid en kwaliteit van zorg onder druk kan komen te staan. Daarom is dit kabinet voornemens te zorgen voor duidelijke en aangescherpte normen voor verantwoord ondernemerschap, waaronder het inperken van de uitwassen van private equity.
Of gemeenten en zorgverzekeraars actief op de hoogte gesteld worden als een private equity organisatie investeert in een zorg- of jeugdhulpaanbieder, is afhankelijk van de contractafspraken die gemeenten/zorgverzekeraars en aanbieders met elkaar maken. Zorginkopers kunnen nu al in de contractvoorwaarden opnemen dat zij vroegtijdig meegenomen worden in voorgenomen fundamentele beslissingen in de bedrijfsvoering, zoals een fusie of overname.
Kan de overname van een jeugdzorginstelling door een private equity-partij reden vormen om een contract open te breken door bijvoorbeeld een gecontracteerde gemeente of zorgverzekeraar?
Gemeenten of zorgverzekeraars kunnen contractueel bedingen dat zij voorafgaand aan een overname of fusie geïnformeerd worden over een overname of fusie. Dit betekent echter niet automatisch dat een contract open gebroken kan worden. Of een contract open gebroken kan worden bij een overname door een private equity partij, hangt af van het geheel van contractuele afspraken die partijen onderling hebben gemaakt en de omstandigheden van het geval.
Wat vindt u ervan dat tussen 2021 en 2024 de omzet van 35 miljoen naar 56 miljoen euro is gestegen en er jaarlijks miljoenen winst wordt gemaakt? Zijn dergelijke overnames en winsten een reden voor nader onderzoek of toezicht? Zo nee, waarom niet? Wat vindt u ervan dat er miljoenen winst wordt gemaakt, terwijl de behandeling van publiek geld wordt betaald? Vinden er ook winstuitkeringen plaats en zo ja, aan wie?
Een stijgende omzet of winst zijn op zichzelf geen directe signalen voor misstanden en/of niet integer gedrag in de zorg. Winst maken, of een positief bedrijfsresultaat behalen, is noodzakelijk om als zorg- of jeugdhulpaanbieder gezond te blijven en is in het belang van de continuïteit van zorg voor cliënten en jeugdigen. Een winstuitkering mag echter nooit ten koste gaan van de kwaliteit, toegankelijkheid of betaalbaarheid van zorg en dient altijd verantwoord plaats te vinden. Dit wordt meegenomen in het wetsvoorstel integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders (Wibz). In dit wetsvoorstel worden voorwaarden gesteld aan het uitkeren van winst.
Overnames en winsten zijn geen directe redenen voor nader onderzoek of toezicht. Wel kan aanvullend onderzoek plaatsvinden door NZa of IGJ als zorg- en jeugdhulpaanbieders3 niet voldoen aan de eisen voor een transparante financiële bedrijfsvoering en/of als er signalen zijn dat door overname of winstuitkering sprake is van risico’s voor de kwaliteit, veiligheid of continuïteit van zorg.
Voor welk bedrag heeft Bencis Capital Partners in 2024 het oprichtersechtpaar Jan Willem en Petra Poot uitgekocht?
Deze informatie heeft het Ministerie van VWS niet.
Het Inspectierapport uit 2018 stelt al dat de klachtenfunctionaris «niet geheel onafhankelijk» is, hoe is dit momenteel geregeld? Is er inzicht in de hoeveelheid en de aard van de klachten en wat ermee is gedaan? Deelt u de mening dat een klachtenfunctionaris altijd onafhankelijk van de instelling zou moeten opereren?
De onafhankelijkheid van de klachtenfunctionaris is een wettelijke eis, zie artikel 15, lid 2 van de Wkkgz. In dit artikel staat het vereiste dat een klachtenfunctionaris zijn functie onafhankelijk kan uitvoeren.
In de klachtenregeling4 van Yes We Can Clinics, die te vinden is via de website van de organisatie, zegt Yes We Can Clinics te beschikken over een onafhankelijke klachtenfunctionaris. De IGJ zal in het lopende onderzoek nagaan of jeugdigen en hun ouders de mogelijkheid hebben om voor hun belangen op te komen conform de Wkkgz en de Jeugdwet.
De jeugdzorgaanbieder rapporteert jaarlijks via het Jaardocument Maatschappelijke verantwoording hoeveel klachten er zijn ingediend bij de klachtencommissie, het aantal klachten dat door de klachtencommissie in behandeling is genomen, en het aantal klachten waarover de klachtencommissie advies heeft uitgebracht. Deze informatie is ook voor Yes We Can Clinics openbaar toegankelijk.
Is u bekend dat het Inspectierapport uit 2018 beschrijft dat de personele bezetting bestaat uit «psychiaters, verpleegkundigen, GZ-psychologen, basispsychologen, jongerencoaches, groepswerkers ervaringsdeskundigen en groepscounselors,» terwijl uit de uitzending van BOOS het beeld naar voren komt dat met name ervaringsdeskundigen en counselors betrokken zijn bij de behandeling? Is het personeelsbestand veranderd of heeft de Inspectie hier iets over het hoofd gezien? Is de regiebehandelaar nog steeds altijd een psychiater?
Volgens het openbare kwaliteitsstatuut5 van Yes We Can Clinics is de regiebehandelaar, afhankelijk van de behandelvariant, een psychiater, psychotherapeut, GZ-psycholoog, verpleegkundige specialist, sociaal psychiatrisch verpleegkundige of klinisch psycholoog. De term regiebehandelaar is gekoppeld aan het Landelijk Kwaliteitsstatuut GGZ. Dit Kwaliteitsstatuut is alleen van toepassing op curatieve GGZ die valt onder de Zorgverzekeringswet (18+). In deze afspraken is aan het regiebehandelaarschap de voorwaarde van een registratie in het register voor Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (BIG) verbonden. Voor alle zorgmedewerkers in de jeugdhulp is de norm van de verantwoorde werktoedeling van toepassing, en het daaraan gekoppelde kwaliteitskader jeugd. Dit betekent dat voor werkzaamheden die een bepaalde mate van complexiteit of risico met zich meebrengen, de zorgmedewerker geregistreerd moet zijn in het BIG-register of bij Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ).
Het inspectierapport uit 2018 benoemt de inzet van ervaringsdeskundigen en counselors. In 2018 voldeed de zorgaanbieder aan de door de IGJ getoetste normen met betrekking tot de deskundigheid en inzet van de medewerkers. De IGJ zal in het lopende onderzoek nagaan of er voldoende deskundige hulpverleners beschikbaar zijn, afgestemd op wat de jeugdigen nodig hebben.
Wat vindt u van de geschetste methode waarbij jongeren worden geconfronteerd met hun aandoening of verslaving, en dit ook geldt voor jongeren die slachtoffer zijn van seksueel grensoverschrijdend gedrag en misbruik, eetstoornissen en depressies? Acht u dit verantwoord?
De methodiek die toegepast wordt moet passend zijn bij de problematiek van de jeugdigen. Voor de jeugdzorg zijn verschillende basisrichtlijnen beschreven. Het kan zijn dat er door de problematiek meerdere professionele richtlijnen van toepassing zijn, en op basis daarvan een maatwerktraject wordt vormgegeven. Zie verder vraag 7. De IGJ kijkt in het toezicht naar de manier waarop Yes We Can Clinics de (behandel)richtlijnen toepast.
Kunnen jongeren met de behandeling stoppen op ieder moment dat zij willen? Wat vindt u ervan dat uit de uitzending blijkt dat dit niet in alle gevallen mogelijk is?
Jongeren die in het zogenaamd vrijwillig kader jeugdhulp ontvangen kunnen er – met hun ouders – altijd en op elk moment voor kiezen om een behandeling te stoppen. Een zorgaanbieder kan dat niet verbieden. Ook moet een zorgaanbieder ervoor zorgen dat jongeren en hun ouders over voldoende informatie beschikken om een keuze te maken. Als er een andere plek gevonden is, moet een zorgaanbieder zorgdragen voor een duidelijke overdracht naar het vervolgverblijf.
Ik vind het zorgelijk dat er signalen zijn dat cliënten niet konden stoppen met de behandeling die zij ondergingen. Om de informatiepositie van ouders en jongeren te versterken wordt er op dit moment gewerkt aan voorlichtingsmateriaal over de rechten van ouders en jongeren, o.a. bij vrijwillige jeugdhulp. In dit materiaal wordt ook aangegeven wat je kunt doen als je het niet eens bent met de jeugdhulp, wilt stoppen met jeugdhulp en waar je als ouders of jongere ondersteuning kunt vinden. Het voorlichtingsmateriaal zal na de zomer gepubliceerd worden.
Kwetsbare jongeren die in Hoenderloo geconfronteerd worden met drugshandel en geweld |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Inspectie: criminelen actief op jeugdzorgterrein in Hoenderloo»?1
Ja
Herkent u het beeld dat geschetst wordt door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), die stelt dat zij een terrein ziet «met potentieel grote risico’s voor jongeren»? Hoeveel zorgaanbieders zijn er inmiddels gevestigd op het terrein?
De IGJ beschrijft hoe een optelsom van factoren maakt dat ze een terrein met potentiële grote risico’s voor jongeren zien. Dit herken ik en dit baart mij zorgen.
De gemeente Apeldoorn geeft aan dat er op dit moment 16 unieke zorgaanbieders gevestigd zijn op het terrein. Dit verschilt van de 20 zorgaanbieders die de IGJ voor het recente toezicht heeft kunnen herleiden. Het verschil laat zich verklaren door twee factoren: een aantal aanbieders heeft het terrein in de afgelopen periode verlaten en de gehanteerde telwijze verschilt, waarbij soms wordt uitgegaan van unieke aanbieders met meerdere vestigingen en soms van de afzonderlijke vestigingen of locaties zelf.
Hoe verklaart u het dat medio 2024 soortgelijke bevindingen werden gedaan door Follow the Money en Pointer, waarover destijds al Kamervragen zijn gesteld en dat twee jaar later de situatie nog steeds zorgelijk is?
De bevindingen van de IGJ zijn zorgelijk. Tegelijkertijd is het niet zo dat er sinds 2024 niets is gebeurd. De IGJ is al langere tijd actief bij een aantal aanbieders op het Hoenderloo-terrein. Er zijn sinds 2024 meermaals meldingen opgepakt, deze worden echter niet gepubliceerd.
In antwoord op 11 juni 20242 gestelde schriftelijke vragen wordt bericht dat er een platform zou worden opgericht voor zorgaanbieders, vertegenwoordigers van bewoners, de wijkagent, De Vos Groep, de regionale welzijnsorganisatie en een inhoudelijke jeugdzorg-expert van de gemeente Apeldoorn; en dit platform erop gericht is om de lijnen tussen de verschillende partijen in het gebied kort te houden om zodoende sneller in te kunnen grijpen bij eventuele incidenten. Bestaat dit platform nog steeds? Zo ja, hoe vaak komen genoemde partijen bij elkaar, aan wie leggen zij verantwoording af en wat heeft het precies opgeleverd?
De gemeente Apeldoorn geeft aan dat het platform nog steeds actief is en eens per 6 weken samenkomt. Een afvaardiging van de zorgaanbieders op het terrein, dorpsbelangenverenigingen, De Vos Groep, gemeente Apeldoorn en de wijkagent sluiten aan bij dit overleg. Binnen het platform worden signalen, bijzonderheden en actuele ontwikkelingen in Hoenderloo gedeeld en waar nodig afgestemd. Samenwerking wordt hier gestimuleerd en er worden afspraken over communicatie gemaakt. De korte lijnen hebben bijgedragen aan begrip en een adequate afhandeling bij meldingen. Het platform heeft daarmee vooral een signalerende en verbindende functie, gericht op het delen van informatie, afstemmen tussen partijen en tijdig agenderen van relevante ontwikkelingen.
Aanvullend vindt iedere vier weken overleg plaats met de gebiedswethouder en gebiedsdirecteur. In dit overleg worden de belangrijkste signalen en actualiteiten uit het dorp besproken en, indien nodig, vertaald naar bestuurlijke aandacht of vervolgacties. Concreet gaat het onder meer om een bemiddelende rol van een gebiedsbestuurder, communicatie naar inwoners en (nieuwe) samenwerkingsafspraken.
Weten inmiddels gemeenten allemaal waar hun jongeren verblijven? Wat is er gebeurd sinds juni 2024 om dit in kaart te brengen? Wat hebben de afspraken om het aantal plaatsingen buiten de regio waarin een jongere is opgegroeid terug te brengen en concreet opgeleverd?
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het treffen van een voorziening op het gebied van jeugdhulp als dat nodig is. De gemeente is niet altijd inhoudelijk betrokken bij een casus. Vanuit hun toezichthoudende rol is het nodig dat gemeenten weten van welke aanbieder de jongere de zorg ontvangt. Dit is informatie waarover zij beschikken vanuit de inkooprelatie met een betreffende aanbieder. Het is echter niet altijd bekend op welke locatie de cliënt verblijft, dat is voor dit type toezicht ook niet noodzakelijk. De jeugdhulpaanbieder is zelf verantwoordelijk voor het verlenen van verantwoorde hulp. En de IGJ houdt toezicht op de kwaliteit en veiligheid van de zorg.
In de zoektocht naar passende hulp wordt, bij gebrek aan passende zorg, soms gekozen voor plaatsingen op een zorglocatie ver buiten de regio die oorspronkelijk niet door de gemeente is gecontracteerd. Dergelijke plaatsingen zijn kwetsbaarder. Zo worden er bijvoorbeeld meestal minder eisen gesteld aan plaatsingen via maatwerkcontracten. Het is daarom belangrijk dat er beter zicht komt op deze plaatsingen. Samen met de VNG en de Branches Gespecialiseerde Zorg voor Jeugd (BGZJ) zet ik daarom stappen om één-op-één plaatsingen en buitencontractuele plaatsingen buiten de regio die niet in het belang zijn van de jeugdige, in beeld te krijgen en zo veel als mogelijk tegen te gaan. Gemeenten worden daarvoor op zeer korte termijn verzocht om deze zomer deze jongeren per jeugdregio in beeld te brengen, als zijnde een nulmeting. Daarna gaan jeugdregio’s stapsgewijs toe werken naar meer zicht op de jongere en diens zorgbehoefte met als doel dat zij zoveel mogelijk in eigen regio hulp ontvangen. Ook wordt gekeken of er een verklarende analyse is, of de huidige zorg passend is én hoe toegewerkt wordt naar passende zorg voor deze jeugdige. Gemeenten kunnen hier per direct ondersteuning bij krijgen vanuit een landelijk programma vanuit het Ondersteuningsteam Zorg voor de Jeugd (OZJ). Ik volg de inspanningen van de gemeenten en verwacht uw Kamer in het najaar te kunnen informeren over de eerste bevindingen.
Vanuit de Hervormingsagenda wordt daarnaast onverminderd ingezet op het verbeteren van het (landelijk) inzicht in het stelsel en het verbeteren van datagedreven werken. Het CBS werkt nu aan een data-infrastructuur voor een centrale monitor van het jeugdstelsel (met o.a. een dashboard en statistieken) en is voornemens na de zomer een eerste versie te lanceren. Deze bevat waar mogelijk cijfers op landelijk, regionaal en gemeentelijk niveau. Daarnaast zet de VNG in op het stimuleren en verbeteren van datagedreven werken bij gemeenten, waarbij de centrale monitor ook gebruikt kan worden.
Wat is de stand van zaken van de uitvoering van de toezegging dat vanuit de Hervomingsagenda ingezet zou worden op betere (landelijke) monitoring en het versterken van datagedreven werken bij gemeenten? Hoe rijmt dat met het feit dat wederom geconstateerd werd dat gemeenten wederom onvoldoende zicht hebben op waar hun inwoners worden ondergebracht?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de constatering uit het onderzoeksrapport dat de volgende factoren een rol spelen bij het ontbreken van passende hulp van voldoende kwaliteit voor jongeren in Hoenderloo: onvoldoende passende hulp in de eigen regio, het niet op orde zijn van bestuurlijke randvoorwaarden voor kwalitatief goede en veilige hulp, het onvoldoende planmatig en ontwikkelingsgericht werken door zorgverleners, het onrechtmatig inzetten van vrijheidsbeperkende maatregelen, het ontbreken van voldoende onderwijs en/of dagbesteding en het tekortschieten van de veiligheid van de leefomgeving? Zo ja, kunt u per factor aangeven welke concrete maatregelen u gaat nemen om op korte en lange termijn verbetering te realiseren? Zo nee, kunt u per factor aangeven waarom u deze mening niet deelt?
Ik herken de constateringen uit het onderzoeksrapport van de IGJ. Het organiseren en bieden van passende hulp is een gezamenlijke opgave van alle betrokken partijen (overheden/aanbieders/professionals).
Dat er voor jongeren met de meest zware problematiek nog te vaak onvoldoende passende jeugdhulp beschikbaar is, heeft verschillende oorzaken die uiteenlopen van onvoldoende goede (verklarende) analyse aan het begin van een traject tot aan het ontbreken van het benodigd aanbod. Zie daarvoor ook mijn recente brief over acties m.b.t. aanpak t.b.v. passende jeugdhulp voor jongeren met complexe problematiek.3 Het is niet eenvoudig om passende zorg te organiseren voor jongeren met complexe problematiek en onze inzet zal daarom niet in alle gevallen direct resultaat hebben.
Vrijheidsbeperking in de open residentiële jeugdhulp is volgens de Jeugdwet niet toegestaan. Er wordt volop ingezet op het voorkomen hiervan, onder meer middels het informeren van de sector met de handreiking «Omgaan met dilemma’s rond vrijheidsbeperking in de open jeugdhulp met verblijf». Deze is in opdracht van VWS opgesteld. Tegelijkertijd zullen er specifieke omstandigheden blijven bestaan waarin de inzet van vrijheidsbeperkende maatregelen nodig is om te zorgen dat een jongere passende hulp kan krijgen. Daarom werk ik, zoals mijn voorganger heeft aangekondigd, aan een wetswijziging om de toepassing van vrijheidsbeperking in specifieke omstandigheden in de open residentiële jeugdhulp mogelijk te maken.
Vanuit de transformatie van de gesloten jeugdhulp wordt gewerkt aan de realisatie van alternatieven voor gesloten jeugdhulp. Onderdeel daarvan is ook het voorkomen dat kinderen gesloten geplaatst worden. Om hier een impuls aan te geven gaan we de bestuurlijke afspraken over de transformatie gesloten jeugdhulp uit 2024 aanvullen en verder concretiseren. Tot slot treffen we vanuit de Hervormingsagenda verschillende maatregelen om de jeugdhulp te verbeteren. Zoals de Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg, de verbetering van kwaliteit in de sector en de ombouw van residentiële jeugdhulpinstellingen naar kleinschaligheid.
Hoeveel incidenten hebben er plaats gevonden op het terrein in Hoenderloo sinds 1 januari 2025 waarbij er sprake was van bijvoorbeeld middelengebruik, bedreiging, geweld, nachtelijke activiteiten of vernielingen? Hoeveel incidenten hebben er sinds 1 januari 2025 plaatsgevonden op het terrein waarbij jongeren zich onveilig voelden?
Voor de beantwoording van deze vraag heb ik navraag gedaan bij de gemeente Apeldoorn en de politie. De categorieën die in de vraag beschreven zijn, worden niet als dusdanig geregistreerd. Daarom is voor de beantwoording van deze vraag aangesloten bij meldingen zoals deze worden geregistreerd bij de politie.
Sinds 1 januari 2025 heeft de politie in totaal 1.160 meldingen gehad op het Hoenderloo-terrein. Deze waren van de volgende aard:
Daarnaast zijn er in totaal 13 incidenten geweest waarbij er sprake is geweest van middelengebruik. Er zijn 5 incidenten geweest waarbij sprake was van bedreiging.
Er zijn 19 incidenten geweest waarbij er sprake was van vernieling. Er wordt niet geregistreerd of een bepaald incident een gevoel van onveiligheid bij jongeren tot gevolg heeft. Een gesprek met een politieagent kan bovendien door de ene jongere als beschermend, maar door de ander als onveilig worden ervaren.
Ik heb deze vraag eveneens voorgelegd aan de IGJ. De IGJ beschikt niet over een totaaloverzicht van het aantal incidenten dat sinds 1 januari 2025 heeft plaatsgevonden op het Hoenderloo-terrein. De IGJ heeft in het toezicht op het Hoenderloo-terrein bij de 20, destijds bij de IGJ bekende zorgaanbieders, het aantal incidenten in de jeugdhulp uitgevraagd. In de periode 2024 tot mei 2025 hebben deze zorgaanbieders 319 incidenten gerapporteerd. Ook zijn zorgaanbieders gevraagd voorbeelden van incidenten te geven. De genoemde voorbeelden heeft IGJ gecategoriseerd in «middelengebruik, bedreiging, geweld, nachtelijke activiteiten of vernielingen». De IGJ beschikt echter niet over cijfers over het aantal incidenten per hiervoor genoemde categorie of het aantal incidenten waarbij jongeren zich onveilig voelden.
Hoeveel incidenten hebben er sinds 1 januari 2025 plaatsgevonden binnen de jeugdzorg waarbij er sprake was van bijvoorbeeld middelengebruik, bedreiging, geweld, nachtelijke activiteiten of vernielingen? Hoeveel incidenten hebben er sinds 1 januari 2025 plaatsgevonden waarbij jongeren zich onveilig voelden?
Jeugdhulpaanbieders moeten een calamiteit of geweld bij de verlening van jeugdhulp verplicht melden bij de IGJ. Aanbieders hoeven dus niet alle incidenten bij de inspectie te melden. Het is wel belangrijk dat aanbieders deze zelf registreren en analyseren. Tijdens het toezicht kan de inspectie deze incidentenregistratie inzien en meenemen in het toezicht.
In het jaarbeeld van de IGJ staat dat er in 2025 in totaal 1.240 meldingen binnen de jeugdzorg zijn gedaan, waarvan 160 meldingen over calamiteiten, 410 meldingen over geweld en 670 «andere meldingen». De IGJ registreert deze meldingen niet volgens de categorieën middelengebruik, bedreiging, geweld, nachtelijke activiteiten of vernielingen.
Kunt u aangeven hoeveel onderzoeksrapporten van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) er sinds 1 januari 2025 tot op heden zijn verschenen over misstanden bij de jeugdzorg en jeugdzorgaanbieders? Kunt u hierbij nader toelichten wat de aard is geweest van elk van deze rapporten en welke opvolging er heeft plaatsgevonden?
De IGJ publiceert rapporten over individuele aanbieders naar aanleiding van haar toezicht op een hiertoe bestemde website4. Daarbij kan gezocht worden op sector jeugdzorg, publicatiejaar en het soort toezichtdocument. In de rapporten is te lezen wat de aard van het toezicht was en welke opvolging de IGJ hieraan heeft gegeven. Daarnaast publiceert de IGJ overkoepelende rapporten op haar website. Sinds 1 januari 2025 zijn (thematische) rapporten verschenen over de uitvoering van jeugdbescherming, gesloten jeugdhulp, gezinshuizen, pleegzorg, eetstoornissenzorg en het Hoenderloo-terrein. Dergelijke rapporten worden vanuit de IGJ gepubliceerd op haar website. De aanbevelingen uit de rapporten richten zich op de jeugdhulpverleners en landelijke partijen die hier opvolging aan moeten geven.
Vind u dat het stelsel van toezicht en controle op misstanden effectief is en naar behoren werkt? Vind u dat de IGJ en gemeenten voldoende bestuurlijke instrumenten hebben om tijdig in te grijpen bij misstanden? Zo nee, kunt u toelichten wat u gaat doen om deze instanties meer bevoegdheden te geven?
Het toezicht op de uitvoering van de Jeugdwet is belegd bij verschillende partijen die hierin vanuit hun eigen expertise een verantwoordelijkheid hebben.
Het stelsel van toezicht en controle is in ontwikkeling en er zijn recentelijk maatregelen genomen om het toezicht verder aan te scherpen. Vanaf 1 januari 2026 moeten bijvoorbeeld (bepaalde) jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen, op grond van de wet Verbetering beschikbaarheid jeugdzorg, een interne toezichthouder hebben. Daarnaast heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) een wettelijke toezichtstaak gekregen op het terrein van de Jeugdwet voor het toezicht op de openbare jaarverantwoording en transparantie financiële bedrijfsvoering van jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen (inwerkingtredingsdatum 1 januari 2027).
Toezicht kan incidenten helaas nooit helemaal voorkomen. Toezichthouders kunnen ook niet overal tegelijk zijn. Daarom maken toezichthouders op grond van risicoanalyse keuzes over waar de risico’s het grootst zijn en toezicht het meest effectief is. Hierbij is het belangrijk dat toezichthouders waar mogelijk informatie met elkaar uitwisselen en goed en multidisciplinair met elkaar samenwerken, zodat zij elkaar ook kunnen aanvullen en versterken.
Inspecties en de NZa hebben diverse bestuurlijke, maar ook informele instrumenten om te zorgen dat jeugdzorgaanbieders zich aan de wet- en regelgeving houden. Ook gemeenten hebben bestuursrechtelijk instrumenten tot hun beschikking en kunnen vanuit hun rol als inkoper maatregelen nemen om te zorgen dat kwaliteitseisen worden nageleefd. Het is hierbij van belang dat bestaande bevoegdheden/instrumenten optimaal worden benut en dat multidisciplinaire samenwerking tussen partijen wordt bevorderd. Er zijn en worden nog stappen gezet om samenwerking tussen toezichthouders beter mogelijk te maken. Bijvoorbeeld door het ontwikkelen van regelgeving die toezichthoudende partijen beter in staat stelt gegevens met elkaar uit te wisselen. Voor meer informatie hierover verwijs ik u ook naar de Kamerbrief over zorgfraude die nog voor de zomer aan uw Kamer wordt toegestuurd. Daarin staat ook dat ik naast het versterken van het toezicht heb besloten een vergunningsplicht voor jeugdhulpaanbieders in te voeren. Door toelating, screening en toezicht beter met elkaar te verbinden, ontstaat een samenhangende aanpak waarbij risico’s en misstanden eerder worden gesignaleerd en aangepakt.
Ten slotte zijn er in het Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord afspraken gemaakt met betrokken partijen over de aanpak van zorgfraude. Deze maatregelen dragen in brede zin bij aan een effectief stelstel van toezicht en controle. Er wordt o.a. ingezet op het verder verstevigen en professionaliseren van het gemeentelijk toezicht. Ik ben voornemens om dit met een stimuleringsprogramma verder vorm te geven. Over de invulling hiervan ben ik met de VNG in overleg.
Het bericht dat de Dienst Identificatie en Screening Asiel (DISA) stopt |
|
Lisa Westerveld (GL), Julian Bushoff (PvdA) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Dienst Identificatie en Screening Asiel (DISA) stopt: 80 banen weg in Ter Apel» van RTV Noord?1
Ja.
Wat is uw reactie op het feit dat deze 80 mensen ineens ontslagen worden? Begrijpt u dat het voor hen voelt als een klap in het gezicht?
De DISA is opgericht als tijdelijke organisatie2. Onder invoering van het Migratiepact neemt de IND als aangewezen screeningsautoriteit per 12 juni aanstaande het screeningsproces van de DISA over. Omdat er sprake is van een andere procesgang vanaf 12 juni 2026 bij de IND die volgt uit de Europese Screeningsverordening, is gebleken dat het niet mogelijk is om alle medewerkers van de DISA over te laten gaan naar de IND. Er is sprake van een verzwaring van taken en verantwoordelijkheden binnen het nieuwe proces ten opzichte van het huidige door DISA uitgevoerde identificatie en registratie (I&R) proces. De verschillen tussen de functies zijn daarmee te groot. Een aantal functionarissen van DISA – waarvan de functietaken overeenkomsten vertonen met de functietaken bij de IND – zet de werkzaamheden voort bij de IND in het proces Ontvangst en Voorbereiding Asielaanvraag (OVA). Voor de overige functionarissen bij de DISA geldt het Van Werk Naar Werk-beleid waarmee zij actief worden begeleid naar passend werk binnen of buiten de Rijksoverheid. Dit betreft maatwerk en zal per persoon verschillen. Hoewel DISA vanaf de start een tijdelijke organisatie was, begrijp ik de teleurstelling van de medewerkers nu de einddatum in zicht is.
Waarom is er dan niet voor gekozen om de 80 banen van de DISA in Ter Apel te laten doorvloeien naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)?
Zie het antwoord op vraag 2.
Klopt het dat de foutmarge bij de screening onder de DISA is teruggebracht naar onder de 5 procent? Klopt het dan dat deze werknemers geschikt zijn voor dit werk en sneller aan de slag kunnen dan nieuw op te leiden werknemers?
De DISA heeft zijn (tijdelijke) taak op professionele wijze uitgevoerd, daar ben ik de dienst zeer erkentelijk voor. Omdat het OVA-proces andere elementen bevat, waaronder de voorbereiding en tijdigheid van de aanvraag, worden van de medewerker in het OVA-proces andere competenties verwacht dan van de DISA medewerkers. Om die reden is een vergelijking van geschiktheid niet te maken.
Wat is de impact op Oost-Groningen dat er 80 banen verdwijnen? Wat is het signaal dat hiermee wordt afgegeven aan Ter Apel?
Laat ik vooropstellen dat ik de regio Oost-Groningen en in het bijzonder Ter Apel zeer erkentelijk ben voor hun hulp en inspanningen aan en met de werkzaamheden in de migratieketen. Het is correct dat de DISA per 12 juni van zijn wettelijke taak wordt ontheven en de functie van I&R-medewerker bij de DISA vanaf dat moment niet langer bestaat. Daar staat tegenover dat vanaf die datum de IND in Ter Apel start met het OVA-proces waar ook bemensing voor noodzakelijk is.
Wat zijn de kosten van het zo snel optuigen en weer afschaffen van deze dienst?
De DISA kostte qua opzetten en inrichten in 2025 23,5 miljoen euro. Omdat de DISA tot 11 juni 2026 zijn wettelijke taken nog uitvoert, diverse (huur)contracten opgezegd worden maar ook de personeelslasten vanaf 12 juni 2026 nog steeds toegerekend worden aan de DISA is de prognose dat er in 2026 nog maximaal 15 miljoen euro benodigd is. Na de afbouw kunnen de personeelslasten van de DISA en bijbehorende personeelszorg nog doorlopen tot 2028. Daarnaast geldt dat een deel van de kosten van het I&R proces dienen te worden gemaakt, ongeacht welke dienst dit uitvoert. Dit betreft bijvoorbeeld operationele kosten die per definitie worden gemaakt.
Begrijpt u dat medewerkers spreken over weggegooid geld, omdat er 40 miljoen in een dienst is gestoken die na een jaar weer verdwijnt?
Ter uitvoering van het Hoofdlijnenakkoord van het voormalig kabinet, is de DISA, conform de door de Minister ondertekende startnotitie, als tijdelijke organisatie opgericht om de identificatie en registratie van asielzoekers uit te voeren voor de periode van 1 januari 2025 tot 12 juni 2026. Bij de inrichting van DISA is vanaf de start als uitgangspunt gehanteerd dat het ketenbrede I&R-proces zo ingericht en ontworpen is, dat de activiteiten «inpasbaar» zijn in een bestaande organisatie.
De destijds beschikbaar gestelde middelen van 16,8 miljoen euro waren het startbudget van de DISA en zijn aangevuld met extra begrotingsmiddelen. De kosten voor de uitvoering van I&R taken worden altijd gemaakt, ongeacht welke dienst dit uitvoert. Ik heb begrip voor het standpunt van de medewerkers omdat zij hun capaciteiten en deskundigheid aan de DISA beschikbaar hebben gesteld. Dat is veel waard.
Kunt u specifiek reageren op de uitspraak van een van hen, die aangeeft: «Je tuigt met belastinggeld iets op en dan gooi je het in de prullenmand. Inclusief personeel»?
Zie antwoord op vraag 7.
Hoeveel kosten had het gescheeld als de werknemers bij de dienst wel waren overgenomen door de IND?
De functies in het I&R proces zijn niet één op één te vergelijken met de functies in het OVA-proces. Dit heeft onder andere te maken met de te verrichten taken, opleidingsniveau en type medewerker dat nodig is voor een functie in het OVA-proces. Er is zoveel mogelijk gekeken naar overeenkomsten in de functies in het I&R proces en het OVA-proces. Een deel van de mensen gaat zoals gezegd over naar de IND. Een inschatting van fictieve omscholingskosten van DISA naar IND is niet te maken. Ook binnen de IND worden medewerkers omgeschoold om in het OVA-proces te kunnen werken.
Het bericht 'Jonge mensen met psychische problemen overlijden in hospice door stoppen met eten en drinken: 'Heel erg zorgelijk'' |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Jonge mensen met psychische problemen overlijden in hospice door stoppen met eten en drinken: «Heel erg zorgelijk»»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Herkent u het beeld dat in de uitzending wordt geschetst, namelijk een toename onder jonge mensen met psychische problemen die de keuze maken om te overlijden door te stoppen met eten en drinken?
Er is in Nederland niet een organisatie die cijfers bijhoudt hoe vaak jonge mensen met psychische klachten overlijden door te stoppen met eten en drinken. Hoewel ik bekend ben met de berichten in de media, kan ik niet op basis van cijfers staven of sprake is van een toename onder jonge mensen met psychische klachten die stoppen met eten en drinken.
Worden er cijfers bijgehouden over het aantal mensen in Nederland dat overlijdt door te stoppen met eten en drinken? Zo ja, kunt u dit uitsplitsen naar aantallen per jaar, leeftijd en ziektebeeld? Zo nee, waarom worden die cijfers niet bijgehouden?
In de KNMG-handreiking Zorg voor mensen die stoppen met eten en drinken om het levenseinde te bespoedigen (januari 2024)2 wordt verwezen naar twee onderzoeken uit 2007 en 2015. In deze onderzoeken komt naar voren dat het in 0,5–1,7% van alle sterfgevallen in Nederland mensen betreft die bewust stopten met eten en drinken. Het ging daarbij soms om mensen met een doodswens van wie het euthanasieverzoek was afgewezen, maar ook om mensen die principiële of emotionele bezwaren hadden tegen euthanasie, of de arts daarmee niet wilden belasten. Anderen vonden dat het hun eigen verantwoordelijkheid was om een zelfgekozen levenseinde te realiseren. In 19 tot 45% van de gevallen waarin mensen bewust stoppen met eten en drinken is sprake van een afgewezen of niet uitgevoerd euthanasieverzoek. Als een wilsbekwame patiënt bewust besluit om te stoppen met eten en drinken, moet de zorgverlener het besluit van de patiënt en daarmee de autonomie van de patiënt respecteren, ongeacht of daarbij sprake is van een eerder afgewezen of niet uitgevoerd euthanasieverzoek.
Uit recent onderzoek naar euthanasieverzoeken vanwege psychisch lijden onder jonge mensen (<24 jaar) blijkt dat bij twee van de in totaal 353 hulpvragers het euthanasietraject bij Expertisecentrum Euthanasie eindigde door te stoppen met eten en drinken, ofwel in ca. 0,5% van de gevallen3.
Uit een eerder dossieronderzoek van Expertisecentrum Euthanasie (EE) naar de achtergronden en het verloop van euthanasieverzoeken op grond van psychiatrisch lijden bij EE van 1.308 patiënten in de periode 2012–2018 is gebleken dat acht hulpvragers stopten met eten en drinken op een totaal aantal van 267 geregistreerde sterfgevallen4.
Bent u bekend met signalen dat hospices van jongvolwassenen met psychische problemen het verzoek krijgen om daar te mogen overlijden door middel van versterving? Klopt het dat het aantal verzoeken toeneemt?
De hospices waarover het in het bericht gaat wensen anoniem te blijven. Dat bemoeilijkt het geven van een reactie. Wel heb ik via de koepelorganisatie Vrijwilligers Palliatieve Terminale Zorg Nederland (VPTZ) meer vernomen over de achtergrond van deze situatie. Zij hebben contact gehad met het hospice waar drie van de vier jongvolwassenen zijn opgenomen die tot nu toe bekend zijn. Het hospice heeft aangegeven dat zij deze jongvolwassenen vanuit betrokkenheid heeft ondersteund. Tegelijkertijd ziet het hospice in dat jongvolwassenen met dergelijke problematiek eerder in het zorgtraject passende hulp en begeleiding zouden moeten kunnen krijgen, zodat zij niet bij een hospice hoeven aan te kloppen. Het hospice heeft toegezegd in de toekomst geen jongvolwassenen onder de 25 jaar met psychische problematiek en een Bewust Stoppen met Eten en Drinken-wens (BSTED-wens) meer op te nemen.
Ik acht het van belang dat hospices zich richten op hun kerntaak: het bieden van palliatieve terminale zorg aan mensen in de laatste levensfase (mensen met een levensverwachting van maximaal drie maanden). Daarbij past niet dat jongvolwassenen met psychische problematiek en een BSTED-wens worden opgenomen. Hospicezorg is niet passend voor deze jongvolwassenen. Ik ga er dan ook van uit dat hospices in dergelijke situaties geen opname zullen bieden en dat deze jongvolwassenen elders passende ondersteuning en zorg krijgen. In het antwoord op vraag 7 en 8 ga ik in op afspraken, in het kader van het IZA en AZWA, die ertoe moeten leiden dat de toegankelijkheid van de ggz verbetert, zeker voor (jonge) mensen met complexe problematiek.
Weet u ook wat de reden is? Kan het te maken hebben met de wachtlijsten bij de Levenseindekliniek?
Zoals in het betreffende bericht wordt aangegeven worden in besloten Facebook-groepen «tips» uitgewisseld over wat je kunt doen als een euthanasieverzoek is afgewezen of als je een euthanasietraject te lang vindt duren. In die groepen laten mensen elkaar weten dat stoppen met eten en drinken een alternatief is en ze zeggen daarbij dat je dat in een hospice vrijwillig kunt doen.
Bij EE is niet bekend of de reden dat jongvolwassenen voor deze optie kiezen te maken kan hebben met een afgewezen euthanasieverzoek of omdat zij een euthanasietraject te lang vinden duren. EE houdt hierover geen gegevens bij.
Welke regels en richtlijnen zijn er voor hospices bij verzoeken tot versterving? Kunnen deze regels per hospice verschillen?
Patiënten kunnen na verwijzing door een arts, waarbij sprake is van een levensverwachting van maximaal 3 maanden, worden opgenomen in een hospice. Voor opname wordt een zorgvuldig proces doorlopen, samen met de patiënt, naasten en de behandelend arts. Het beleid rond bewust stoppen met eten en drinken bij hospices is afhankelijk van de signatuur en het beleid van de individuele hospices maar beweegt zich strikt binnen de kaders van de Zorgverzekeringswet en de overeenkomsten met zorgverzekeraars. Ik verwijs hiervoor ook naar de reactie op het bericht van koepelorganisatie Associatie Hospicezorg Nederland (AHzN)5.
Deelt u de mening dat het schrijnend is dat jongvolwassenen uitkomen op de optie versterving omdat zij onvoldoende psychische hulp krijgen of kunnen vinden voor hun problematiek?
Ik vind het beeld uit de rapportage erg zorgelijk en pijnlijk. Helemaal omdat het over jongvolwassenen gaat. Niet meer willen leven zegt iets over hoe ernstig iemands lijdensdruk is. Het is daarom des te belangrijker dat (jonge) mensen tijdig passende zorg en ondersteuning krijgen, die echt aansluit bij hun problematiek en zorgvraag. Het kabinet zet zich er stevig voor in dat de toegankelijkheid van de ggz verbetert, zeker voor mensen die kampen met ernstige en/of complexe problematiek. Zo zijn in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) onder meer afspraken gemaakt over het vergroten van de behandelcapaciteit voor patiënten met een complexe zorgvraag en het schrappen van exclusiecriteria in de ggz. Ook gaat het kabinet aan de slag met het hervormen van de financiering en organisatie van de ggz, zodat er capaciteit in menskracht en budget komt voor complexe zorg. Bij de uitwerking hiervan zal het kabinet de probleemanalyse en beleidsopties uit het interdepartementaal beleidsonderzoek (IBO) Mentale gezondheid en ggz betrekken. Zoals door de Minister van VWS bij de begrotingsbehandeling toegezegd, volgt voor de begrotingsbehandeling 2027 een kabinetsreactie op het IBO.
Zo ja, erkent u ook dat dit het gevolg is van jarenlang onvoldoende prioriteit geven aan het verbeteren van de ggz?
Nee. Al jaren wordt er gewerkt aan het vergroten van de toegankelijkheid van de ggz. Zo is het terugdringen van de wachttijden in de ggz één van de doelen uit het Integraal Zorgakkoord (IZA). In het AZWA hebben partijen aanvullende afspraken gemaakt die ertoe moeten leiden dat de toegankelijkheid van de ggz verbetert, zeker voor patiënten met complexe zorgvraag. Het gaat onder meer om afspraken over het verbeteren van de samenwerking tussen zorg en sociaal domein, het vergroten van behandelcapaciteit voor patiënten met een complexe zorgvraag, het realiseren van proactieve zorgbemiddeling en het schrappen van exclusiecriteria.
Zoals ik aangaf bij het antwoord op vraag 7 gaat het kabinet aanvullend hierop aan de slag met het hervormen van de financiering en organisatie van de ggz, zodat er capaciteit in menskracht en budget komt voor complexe zorg.
Met welke concrete maatregelen gaat u ervoor zorgen dat specifiek deze groep jongvolwassenen wél de passende specialistische ggz hulp krijgen die zij verdienen?
Het is belangrijk dat (jonge) mensen met psychische problematiek tijdig passende ondersteuning en/of zorg krijgen. Zoals geschetst bij het antwoord op vraag 7 en 8 zijn in het IZA en AZWA afspraken gemaakt die ertoe moeten leiden dat de toegankelijkheid van de ggz verbetert, zeker voor mensen met complexe problematiek. Aanvullend hierop zal het kabinet aan de slag gaan met het hervormen van de financiering en organisatie van de ggz, zodat er capaciteit in menskracht en budget komt voor complexe zorg.
Het is belangrijk dat in de spreekkamer het lijden en de doodswens onderwerp van gesprek zijn, zodat hier door zorgprofessionals passend naar gehandeld kan worden. Behandelaren volgen hierbij richtlijnen en zorgstandaarden. Het is aan het veld om te oordelen over de effectiviteit van behandelingen en op basis daarvan richtlijnen eventueel aan te passen.