Bent u bekend met de berichtgeving van NOS, Trouw en Stichting School & Veiligheid over de toenemende invloed van de zogenoemde manosphere op jongens en jonge mannen, waaronder jongens en jongvolwassenen met problematisch of grensoverschrijdend gedrag, en over signalen van dit gedrag in het onderwijs?1, 2, 3
Ja.
Deelt u de zorgen dat content, waarin vrouwen en meisjes als ondergeschikt en minderwaardig worden neergezet, kan bijdragen aan een klimaat waarin grensoverschrijdend gedrag en geweld tegen vrouwen en meisjes worden genormaliseerd?
Ja, die zorgen deel ik. Ik sta pal voor de gelijkwaardigheid tussen mannen en vrouwen in onze samenleving en maak mij samen met anderen hard voor de veiligheid en vrijheid van vrouwen.
In hoeverre is bij politie, Openbaar Ministerie en andere betrokken professionals bekend of de manosphere een rol speelt bij seksueel grensoverschrijdend gedrag, stalking, huiselijk geweld of ander geweld tegen vrouwen en meisjes?
Ja, professionals zien dat de manosfeer hierbij een rol kan spelen.
Uit een uitvraag onder betrokken organisaties blijkt dat professionals van Politie, Openbaar Ministerie, reclassering en forensische zorg die werken met personen die grensoverschrijdend gedrag vertonen, bekend zijn met online beïnvloeding vanuit onder meer de manosfeer. Zij geven aan dat dit in sommige gevallen een van de risicofactoren kan zijn voor seksueel grensoverschrijdend gedrag, stalking, huiselijk geweld, en ander geweld tegen vrouwen en meisjes. Tegelijkertijd benadrukken zij dat een direct causaal verband moeilijk is vast te stellen en dat online beïnvloeding moet worden bezien in samenhang met andere persoonlijke, sociale en contextuele factoren.
Bij Slachtofferhulp Nederland, Veilig Thuis, Centrum Seksueel Geweld en de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) zijn op dit moment geen structurele signalen bekend. Dat betekent echter niet dat dergelijke online invloeden geen rol kunnen spelen in individuele zaken. Zo betrekt de RvdK het online gedrag van jongeren bij jeugdcriminaliteitszaken in de risicotaxatie, waardoor ook mogelijke invloeden vanuit online omgevingen, waaronder de manosfeer, kunnen worden meegewogen. Ook onderwijsprofessionals geven volgens het onderzoek van Stichting School & Veiligheid aan dat ze de invloed van de manosfeer op school merken. Bijvoorbeeld als het gaat om ideeën over genderverhoudingen, zoals kwaliteiten of rolverdeling van mannen en vrouwen of negatieve uitspraken over en gedragingen richting mensen die transgender, non-binair of homo zijn.
Het kabinet blijft hierover in gesprek met betrokken organisaties en houdt de ontwikkelingen nauwlettend in de gaten.
Wordt binnen de aanpak van geweld tegen vrouwen, huiselijk geweld, seksueel geweld en femicide op dit moment expliciet gekeken naar online vrouwenhaat, manosphere-content en digitale beïnvloeding van vrouwonvriendelijke denkbeelden? Zo ja, op welke manier? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?
Ja. De aanpak van (seksueel) geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld bevat onder andere specifieke inzet op het bevorderen van gendergelijkheid, het tegengaan van schadelijke genderstereotypen en opvattingen, zowel in de fysieke als in de online leefomgeving. Hierbij is ook specifieke aandacht voor jongens en mannen, bijvoorbeeld via het ondersteunen van de stichting Emancipator4, de publiekscampagne in het kader van het Nationaal Actieprogramma seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld («Man, zeg er wat van») en de ontwikkeling van de Mannenalliantie tegen gendergerelateerd geweld en femicide. Deze inzet draagt bij aan het tegengaan van de invloed van, en weerbaarheid tegen, de manosfeer. Tegelijkertijd zijn er meer en specifiekere maatregelen mogelijk, zowel offline als online.
Bij de ontwikkeling van het nieuwe nationaal actieplan geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld en het versterkingsplan lhbtiq+ wordt de invloed van de manosfeer meegenomen. We ontwikkelen dit in coördinatie met andere betrokken departementen. In de Emancipatienota die de Tweede Kamer in september 2026 ontvangt wordt u hier nader over geïnformeerd.
Ziet u aanleiding om, naar aanleiding van deze berichtgeving, te onderzoeken of en hoe manosphere-content een rol speelt in de aanloop naar geweld tegen vrouwen, intieme terreur, controlerend gedrag en seksueel grensoverschrijdend gedrag? Zo nee, waarom niet?
Na de zomer start de Nationaal Coördinator met de ontwikkeling van een nieuw nationaal actieplan geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld. Hierin wordt meegenomen welke behoeften er zijn aan onderzoek bij de aanpak van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, en op welke wijze dit geprioriteerd kan worden binnen de beschikbare middelen. Dit geldt ook voor het versterkingsplan lhbtiq+. Een onderzoek naar de rol van de manosfeer in het ontstaan en voortduren van grensoverschrijdend gedrag en geweld tegen vrouwen behoort hierbij tot de mogelijkheden.
Beschikken professionals die werken met jongeren en jongvolwassenen met problematisch of grensoverschrijdend gedrag volgens u over voldoende kennis en handvatten om beïnvloeding door de manosphere te herkennen, bespreekbaar te maken en mee te wegen in de risicotaxatie en begeleiding?
Op dit moment loopt, in opdracht van de Ministeries van VWS en JenV, een traject waarin door Regioplan samen met de VNG en verschillende zorg- en strafpartners wordt gewerkt aan een plan van aanpak voor het verbeteren van deskundigheid ten aanzien van gendergerelateerd geweld. Hierbij is aandacht voor (onbewuste) gendernormen en stereotypen. Het plan van aanpak wordt voor de zomer met uw Kamer gedeeld via de voortgangsbrief aanpak geweld tegen vrouwen, huiselijk geweld en kindermishandeling.
Binnen verschillende sectoren die werken met jongeren en jongvolwassenen met problematisch of grensoverschrijdend gedrag is aandacht voor het herkennen en bespreekbaar maken van risicofactoren, waaronder online beïnvloeding. Professionals van onder andere Halt en de Raad voor de Kinderbescherming worden bijvoorbeeld ondersteund met signalerings- en risicotaxatie instrumenten5, handreikingen, factsheets en andere hulpmiddelen. De kennis over de specifieke invloed van de manosfeer is echter nog in ontwikkeling en verdere deskundigheidsbevordering blijft van belang.
Bent u van plan maatregelen te nemen naar aanleiding van het signaal dat beïnvloeding vanuit de manosphere soms leidt tot wantrouwen jegens vrouwelijke hulpverleners?
Het is al langer bekend dat negatieve opvattingen over vrouwen of vrouwelijke autoriteitsfiguren, die ook al vóór de opkomst van de manosfeer voorkwamen, in sommige gevallen een rol kunnen spelen in de hulpverleningsrelatie. Online beïnvloeding, waaronder vanuit de manosfeer, kan dergelijke opvattingen versterken. Tegelijkertijd geven de betrokken organisaties aan geen aanwijzingen te hebben voor een toename van wantrouwen jegens vrouwelijke hulpverleners als gevolg van deze beïnvloeding. Dat neemt niet weg dat dergelijke situaties kunnen voorkomen en dat alertheid op signalen hiervan van belang blijft.
Welke conclusies trekt u uit het onderzoek van Stichting School & Veiligheid, uitgevoerd door Ipsos I&O, dat laat zien dat 78% van de onderwijsprofessionals in het voortgezet onderwijs denkt dat jongens op school in enige mate worden beïnvloed door content over mannelijkheid en omgang met vrouwen?
Uit het onderzoek blijkt dat bijna 80% van de professionals in het voortgezet onderwijs denkt dat jongens op school in enige mate worden beïnvloed door online content over mannelijkheid, genderidentiteit en omgang met vrouwen. Dit benadrukt de mogelijke impact van de manosfeer op het gedrag en de dynamiek in de klas. Dat onderstreept dat de samenleving, de sector en de overheid de taak hebben om te werken aan gelijkwaardigheid en veiligheid voor iedereen.
Ik ben in gesprek met onderwijsprofessionals over dit onderwerp, hun behoefte aan ondersteuning en handvatten om hiermee om te gaan, en manieren om het gesprek in de klas hierover te stimuleren.
Wat vindt u ervan dat bijna driekwart van de professionals in het voortgezet onderwijs de afgelopen vier jaar een toename ziet van gedrag dat mogelijk samenhangt met de manosphere? Wat is volgens u daarvoor een verklaring?
Ik vind het zorgwekkend dat bijna driekwart van de professionals een toename ziet van gedrag dat mogelijk samenhangt met de manosfeer. Het is complex om op basis van dit onderzoek één specifieke oorzaak aan te wijzen, maar de toenemende online blootstelling aan polariserende en antifeministische denkbeelden, zoals uit het onderzoek van Stichting School & Veiligheid blijkt, draagt mogelijk bij aan de toename van dit gedrag.
Erkent u dat deze signalen raken aan de sociale veiligheid van meisjes, lhbtiq+-leerlingen en vrouwelijke onderwijsprofessionals op school?
Ja. Uit het onderzoek blijkt dat 52% van de meiden en 58% van de lhbtiq+ leerlingen zich minder veilig voelen door uitlatingen en gedragingen die voortkomen uit de manosfeer. Dat geldt in mindere mate, maar nog steeds ook, voor jongens (39%). Ook ervaart 29% van de ondervraagde vrouwelijke onderwijsprofessionals dat hun autoriteit wordt ondermijnd vanwege hun vrouw-zijn. Uit gesprekken met leerkrachten worden deze signalen bevestigd.
Welke verantwoordelijkheid ziet u hier voor scholen, overheid en ouders, gezien het feit dat onderwijsprofessionals volgens Stichting School & Veiligheid zorgen hebben over de invloed van deze denkbeelden op het schoolklimaat, waaronder agressie, pestgedrag, spanningen tussen jongens en meisjes en de kwaliteit van gesprekken in de klas?
Scholen, overheden en ouders hebben een verantwoordelijkheid en rol in het creëren van gelijkwaardigheid en ondersteunen van veiligheid voor meisjes en vrouwen, jongens en mannen. Scholen hebben een zorgplicht voor de veiligheid op school, en de opdracht om leerlingen de basiswaarden van de democratische rechtsstaat bij te brengen. Gelijkwaardigheid is daar onderdeel van. Ook mediawijsheid en digitale geletterdheid dragen bij aan het herkennen van online beïnvloeding.
Het is nodig om te begrenzen én aandacht te hebben voor gedrag en uitlatingen van jongeren, om hen zo beter te begrijpen, gerichter te kunnen ondersteunen en waar nodig tijdig te kunnen bijsturen. Vanuit het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ondersteunen we scholen hierbij. Dat gebeurt via Stichting School & Veiligheid, het Expertisepunt Burgerschap en het Netwerk Mediawijsheid.
Ook ouders hebben een belangrijke rol. Zij hebben, hoe moeilijk dat soms ook kan zijn, een taak om thuis het gesprek aan te gaan over waarden als gelijkwaardigheid en respect, en om zicht te hebben op de online invloeden waaraan hun kinderen blootgesteld worden. Het is van belang dat zowel vaders als moeders hier verantwoordelijkheid in nemen. Daarnaast is een goede samenwerking tussen ouders en de school nodig waarbinnen heldere en duidelijke afspraken gelden die ook consequent worden gehandhaafd. Daarmee wordt een positief pedagogisch klimaat gecreëerd waarin iedere leerling en onderwijsprofessional zich veilig kan voelen.
Wat betekent het volgens u dat vrouwelijke onderwijsprofessionals vaker vrouwonvriendelijke, homofobe of seksistische opmerkingen signaleren en relatief vaak ervaren dat hun autoriteit door leerlingen wordt ondermijnd?
Het betekent dat de manosfeer bij kan dragen aan een onveilig schoolklimaat, waarbij vrouwelijke onderwijsprofessionals vaker te maken krijgen met onacceptabel gedrag. Dit ondermijnt hun autoriteit en de kwaliteit van het onderwijs. Het benadrukt de noodzaak om grenzen te stellen en normen te handhaven, zowel op school als in de samenleving.
Welke rol ziet u voor ouders bij het herkennen en bespreken van manosphere-content en bredere online beïnvloeding, en hoe kunnen scholen en ouders hierin beter samenwerken zonder dat de volledige verantwoordelijkheid bij leraren komt te liggen?
Zie het antwoord op vraag 11.
Welke ondersteuning is er op dit moment beschikbaar voor scholen en leraren om adequaat te reageren op vrouwonvriendelijke, seksistische of intimiderende uitspraken?
Op dit moment kunnen scholen en leraren gebruikmaken van ondersteuning via het Expertisepunt Burgerschap, waar subsidie aangevraagd kan worden voor trainingen om schurende gesprekken te voeren. Daarnaast biedt Stichting School & Veiligheid (SSV) ondersteuning bij het bevorderen van een veilig schoolklimaat. Daarnaast vraagt dit van schoolleiders en bestuurders dat zij voor hun medewerkers gaan staan en hen adequate ondersteuning bieden. Ik ben in gesprek met leerkrachten of dit voldoende handvatten biedt.
Vindt u deze ondersteuning voldoende, nu onderwijsprofessionals aangeven behoefte te hebben aan meer kennis, praktische tools en vaardigheden om met deze thematiek om te gaan in de klas? Zo nee, bent u bereid tegemoet te komen aan deze behoefte?
Uit het onderzoek en de gesprekken die ik met leerkrachten voer blijkt dat er behoefte is aan ondersteuning. Die is onder andere beschikbaar via het Expertisepunt Burgerschap en Stichting School & Veiligheid. Samen met Stichting School & Veiligheid zijn we voortdurend in contact met leraren om te vernemen wat werkt en of meer nodig is. Dit contact hebben we ook met scholieren.
Het bericht ‘Ministerie houdt dagelijks bewegen op school' |
|
Mohammed Mohandis (GroenLinks-PvdA), Marjolein Moorman (PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ministerie houdt dagelijks bewegen op school tegen» en wat is daarop uw reactie?1
Ja, ik ben bekend met het genoemde artikel.
In het artikel staat dat twee dagen voor de definitieve vaststelling van de kerndoelen een streep is gezet door het potentiële kerndoel over dagelijks bewegen. Dit is onjuist. Zie voor een nadere toelichting het antwoord op vraag 2.
Kunt u nader toelichten waarom de verplichting om dagelijks bewegen in het curriculum op te nemen van tafel is?
De verantwoordelijkheid voor het wettelijk verplicht curriculum ligt bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW). Wat wettelijk verplicht is, ligt vast in kerndoelen. In opdracht van OCW heeft Stichting Leerplan Ontwikkeling (SLO) in samenwerking met leraren, vakexperts en curriculumexperts de kerndoelen geactualiseerd.
In een vroege fase van de ontwikkeling van de kerndoelen voor Bewegen en Sport heeft SLO nagedacht over een aanboddoel2. Dit doel had als opdracht voor de school als geheel om leerlingen te stimuleren te bewegen met het oog op hun welbevinden en gezondheid. Na overleg met de advieskring, de klankbordgroep specifieke onderwijsbehoeften, het monitorteam en de expertpoule, is geconstateerd dat dit doel van Bewegen en Sport buiten de juridische kaders van de werkopdracht en de wet viel. Dit doel ging namelijk niet over wat kinderen moesten leren, maar om een verplichting voor de school als geheel om bewegen te stimuleren. Dat kan scholen niet via de kerndoelen worden verplicht. Dit is besproken met het kerndoelenteam en heeft ertoe geleid dat dit doel uiteindelijk niet is opgenomen in de conceptkerndoelen.
De opdracht aan het onderwijs is groot: kwalificatie, ontwikkeling, socialisatie en persoonsvorming. Primair verwacht de samenleving van scholen dat leerlingen leren lezen, schrijven, rekenen, digitale vaardigheden opdoen en leren over burgerschap. In de vernieuwde kerndoelen Bewegen en Sport komt terug dat leerlingen zich ontwikkelen in het bewegen, samen met andere leren bewegen en betekenis kunnen geven aan bewegen.
Het is aan scholen zelf om een onderwijsprogramma in te vullen waarin ze aan de kerndoelen werken. Dat kan bijvoorbeeld door beweegmomenten in te plannen gedurende de dag, maar dat is geen verplichting.
Wat was de doorslaggevende factor om dit niet op te nemen in het curriculum en waarom is het op het laatste moment geschrapt?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 2.
Hoe verhoudt deze keuze zich tot de berekeningen van het RIVM dat de doelen met betrekking tot het aantal kinderen met overgewicht in 2040 niet worden gehaald en maar liefst op 14 procent blijft steken?2
Overgewicht en obesitas ontstaan door een mix van verschillende persoonsgebonden- en omgevingsfactoren. Onder andere gezonde voeding, voldoende bewegen en mentaal welzijn dragen bij aan een gezond gewicht en een gezonde leefstijl. Daarnaast zijn ook bredere sociaalmaatschappelijk aspecten van belang zoals een gezonde leefomgeving, bestaanszekerheid en kansengelijkheid in het onderwijs. We zetten hier op in via onder andere de Gezonde School-aanpak en het programma Jongeren Op Gezond Gewicht (JOGG). Ook werkt het kabinet momenteel de ambitie uit om kinderen in het primair- en voortgezet onderwijs schoolfruit aan te bieden. Het kabinet werkt bovendien aan een omzetting van de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken naar een gedifferentieerde verbruiksbelasting op suikergehalte als aan een suikerbelasting op eetwaren. Het doel is om de suikerconsumptie via dranken en eetwaren terug te dringen. Voor beide fiscale maatregelen werkt het kabinet toe naar een wetgevingspakket dat naar verwachting in 2027 naar de Tweede Kamer zal worden.4
Het stimuleren tot bewegen is en blijft onderdeel van het pakket aan maatregelen in de aanpak van overgewicht en obesitas. Zo kunnen scholen bijvoorbeeld via het programma Gezonde School er zelf voor kiezen om naast de bestaande aandacht voor sport en bewegen in het lesprogramma extra aan de slag te gaan met de thema’s bewegen en voeding.
Hoe verhoudt deze keuze zich tot het gegeven dat voldoende bewegen leerlingen helpt om beter te kunnen leren?
Voldoende bewegen draagt eraan bij om beter te leren. Wij delen dan ook het belang van bewegen. De kerndoelen zijn echter niet de plek om scholen te verplichten meer beweegmomenten door de dag heen aan te bieden. Scholen hebben zelf de vrijheid om te bepalen hoe en met welke roosters ze het onderwijsprogramma vormgeven.
Scholen richten hun onderwijs in met kennis, uit wetenschap en praktijk, en goed afgestemd op hun leerlingen. Veel scholen zijn hier ook al mee aan de slag. Bijvoorbeeld met bewegen door de dag heen, om kinderen beter te laten leren. Ze doen dit in de vorm van de dynamische schooldag, maar ook via het programma Gezonde school of een initiatief als de Koningsspelen.
Hoe verwacht uw het preventiedoel dat maximaal 5 procent van de kinderen overgewicht heeft in 2040 te gaan halen?
Het kabinet zet in op de gezondste generatie ooit. Met de Samenhangende preventiestrategie zetten we met gerichte, samenhangende maatregelen in op het gezonder maken van leefomgevingen van kinderen en jongeren zoals thuis, op school en in de wijk, zodat de gezonde keuze vanzelfsprekender wordt. Bij vraag 4 benoemde ik al de voorgenomen plannen voor een suikerbelasting op eten en drinken en het aanbieden van schoolfruit. Maar we doen meer. Zo wordt bijvoorbeeld ingezet op de Gezonde Kinderopvang en Gezonde School om een groot bereik van deze programma’s te realiseren en kinderopvangcentra en scholen te ondersteunen bij de implementatie. Ook kunnen scholen in het voorgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs met de toolbox voor een gezonde leeromgeving van het Voedingscentrum aan de slag om eten en drinken in kantines gezonder en duurzamer te maken. De Samenhangende preventiestrategie staat niet op zichzelf. Wij werken met diverse programma’s en akkoorden, zoals het Sportakkoord II, Gezond en Actief Leven Akkoord (GALA) en het Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord (AZWA) om tot de gezondste generatie ooit te komen in 2040.
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om het aantal kinderen met overgewicht te laten doen afnemen?
Het kabinet zet in op een mix van universele en geïndiceerde preventie om overgewicht en obesitas bij kinderen te voorkomen en terug te dringen. Hierbij gebruiken wij diverse instrumenten van informatievoorziening en voorlichting, tot het financieren van preventieprogramma’s (denk aan de Gezonde School en Gezonde Kinderopvang), beleidsmonitoring en -evaluatie en waar nodig wetgeving.
Ook in het coalitieakkoord zijn afspraken opgenomen om overgewicht bij kinderen aan te pakken. Zo krijgen kinderen in het primair en voortgezet onderwijs gratis schoolfruit en voeren we een wet in die kindermarketing reguleert. Het kabinet wil afspraken maken over de introductie van een suikerbelasting en werkt aan wetgeving om gemeenten aanvullende bevoegdheden te geven om op grond van gezondheid maatregelen te nemen om met name voor kinderen en jongeren de gezonde voedselkeuze makkelijker te maken. Met supermarkten worden aanvullend afspraken gemaakt over het vergroten van het verkoopaandeel gezonde producten.
Bent u van mening dat kinderen voldoende bewegen, zowel buiten school als binnen school? Hoe beziet u in dit licht de bevinding dat bijna de helft van de kinderen niet op een actieve manier naar school gaat (te voet of te fiets)?3
Het kabinet zet zich ervoor in dat bewegen in het dagelijks leven en sport voor mensen met en zonder beperking gestimuleerd wordt. Buitenspelen is voor alle kinderen, met en zonder beperking, de belangrijkste vorm van bewegen. Helaas speelt maar 44 procent van de kinderen 4–11 jaar (bijna) elke dag buiten. Daarom stimuleert het kabinet de inzet op meer buitenspelen, (inclusief) buitenspeelbeleid, en de realisatie van inclusieve speeltuinen en groenblauwe schoolpleinen. Dit gebeurt via gemeenten, scholen en maatschappelijke organisaties. Zie ook antwoorden 6 en 7. Eigenlijk zou ieder kind buiten moeten kunnen spelen, ongeacht de omstandigheden waarin een kind opgroeit.
Het grootste deel van het leven van een kind speelt zich af buiten de school. Kinderen gaan ongeveer 25 uur per week naar school. Het aantal uur dat kinderen wakker zijn per week ligt rond de 95 uur. Dit betekent dat zij ongeveer 75 procent van de tijd niet op school zijn. Daarom is er een belangrijke rol voor de ouders en andere opvoeders weggelegd om kinderen gezond te laten opgroeien en voldoende te laten bewegen. Hieronder valt ook op actieve wijze naar school te gaan. Met de City deal Fietsen voor iedereen en de City deal Ruimte voor lopen heeft het kabinet onder andere als doel om meer kinderen op een actieve manier naar school te laten gaan.
Het is belangrijk dat kinderen sporten. We zien uiteraard dat niet elk gezin de financiële middelen hiervoor heeft of de tijd en ruimte om hier verantwoordelijkheid voor te dragen. Daarom bestaan er verschillende regelingen om kinderen en ouders financieel en praktisch te ondersteunen om bewegen te stimuleren. Bijvoorbeeld de financiering van de pilots met de Sportpas vanuit het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Daarnaast zijn er veel gemeentelijke initiatieven om kinderen en gezinnen financieel te ondersteunen zoals het Jeugdfonds Sport & Cultuur en Stichting Leergeld. Gemeenten bieden vaak ook eigen regelingen aan. Binnen de eerdergenoemde Brede Regeling Combinatiefuncties zijn in 99 procent van de gemeenten combinatiefunctionarissen actief in het onderwijs om het sport- en beweegaanbod te vergroten en te versterken.
Bent u van mening dat de Nederlandse Staat voldoende doet om de gezondheid van kinderen te beschermen? Zo nee, waarom niet?
Dit kabinet zet zich in voor de gezondste generatie ooit en dat is een verantwoordelijkheid die bij ons allemaal ligt: ouders en andere verzorgers, scholen, sportverenigingen, gemeenten en maatschappelijke organisaties. Ieder kind verdient het om op te groeien in een liefdevolle, veilige en stimulerende omgeving waarin gezond opgroeien vanzelfsprekend is. Bewegen speelt daarbij een belangrijke rol.
Voldoende beweging draagt niet alleen bij aan een gezonde fysieke ontwikkeling, maar helpt kinderen en jongeren ook om sociale vaardigheden te ontwikkelen, zelfvertrouwen op te bouwen en beter om te gaan met uitdagingen en tegenslagen. Daarmee levert sport en bewegen een belangrijke bijdrage aan hun weerbaarheid en mentale gezondheid. Ook leefstijlpreventie is hierbij essentieel, zoals beschreven in antwoord 6 en 7.
Investeren in een actieve leefstijl op jonge leeftijd betekent daarom investeren in de gezondheid en het welzijn van toekomstige generaties. In het coalitieakkoord zet het kabinet nadrukkelijk in op preventie en welzijn, met als doel te komen tot de gezondste generatie ooit. Dit probeert zij te realiseren door in verschillende akkoorden van de Samenhangende preventiestrategie tot het AZWA hierover afspraken te maken, maar ook via de verschillende regelingen en initiatieven gericht op bewegen en sporten op scholen en in de leefomgeving zoals hiervoor beschreven in antwoord 8.
Dit kabinet doet er alles aan om de gezondheid van kinderen te stimuleren, maar er is ook een belangrijke rol voor de ouders en andere opvoeders weggelegd. Indien nodig met steun van hun naaste omgeving en beschikbare hulp en ondersteuning.
Hoe kijkt u tegen de eventuele rechtszaak aan van Erik Scherder en Defence for Children?
We hechten waarde aan een constructieve dialoog. Een juridische procedure is niet altijd de geëigende route daartoe, maar het staat in Nederland iedereen vrij om naar de rechter te stappen.
Kunt u deze vragen ieder afzonderlijk beantwoorden?
Vraag 2 en 3 zijn in samenhang beantwoord.
Bent u bekend met het bericht «Leerlingen komen met desinformatie over Holocaust de klas in: «Zien ze op TikTok»»?1.
Ja, daar ben ik mee bekend.
Deelt u de zorgen van docenten en onderzoekers over de toename van desinformatie over de Holocaust onder leerlingen, mede als gevolg van AI gegenereerde beelden op sociale media?
Ja, deze zorgen deel ik. Desinformatie over de Holocaust kan zich via sociale media snel verspreiden en het onderwijs hierover bemoeilijken. Daarom zet het Ministerie van OCW in op het versterken van mediawijsheid en digitale geletterdheid, zodat leerlingen beter leren omgaan met (des)informatie en de betrouwbaarheid van bronnen kunnen beoordelen.
Meer dan de helft van de leerlingen kon in een experiment een AI-gegenereerde foto van Auschwitz niet van een echte foto onderscheiden, deelt u de zorg dat een gebrek aan historische basiskennis leerlingen kwetsbaarder maakt voor desinformatie?
Het niet kunnen onderscheiden van een AI-gegenereerde afbeelding van een echte afbeelding hoeft niet direct samen te hangen met een gebrek aan historische basiskennis. Historische basiskennis is wel degelijk zeer belangrijk. Dezedie helpt leerlingen in weerbaarheid tegen desinformatie over de Holocaust. Daarom wordt vanuit het Nationaal Plan Versterking Holocausteducatie ingezet op het versterken van kennis over de Holocaust en het ondersteunen van docenten hierbij.
Herkent u het beeld dat vier op de tien docenten aangeeft dat sommige leerlingen de ernst van de Holocaust bagatelliseren? Hoe beoordeelt u deze ontwikkeling?
Dit beeld herken ik voor een deel. Het Ministerie van OCW heeft in 2025 een docentenpeiling laten uitvoeren naar bevorderende en belemmerende factoren bij het geven van holocausteducatie.2 Een deel van de docenten (14%) geeft wel aan dat zij te maken hebben gehad met Holocaustontkenning; voor Holocaustbagatellisering of -verdraaiing is dit 38 procent van de docenten (waarbinnen de helft aangeeft dat dit «heel soms» gebeurt). Ook komt het geregeld voor dat docenten merken dat een leerling des- of misinformatie tot zich heeft genomen: een kwart van de docenten geeft aan dat dit «soms» of vaker gebeurde.
Ons oordeel op basis van deze cijfers is dat des- en misinformatie over de Holocaust een reëel en zorgelijk probleem is, ook al manifesteert het zich niet in alle klassen even sterk en speelt het breder dan alleen op dit onderwerp. De meeste docenten geven aan dat ze dit in hun lessen gebruiken en geen behoefte hebben aan extra ondersteuning.
Dertien procent van de docenten heeft wel behoefte aan ondersteuning bij het omgaan met Holocaustontkenning of -verstoring en 12% bij het omgaan met heftige discussies in de klas. Daarom zet het kabinet via het Nationaal Plan Holocausteducatie in op versterking van holocausteducatie. In september 2025 is vanuit amendement Ceder c.s. II3 een project van start gegaan dat zich richt op gastlessen over antisemitisme, racisme en discriminatie, waarbij persoonlijke verhalen centraal staan. Daarbij wordt specifiek aandacht besteed aan antisemitische stereotypen en aan complottheorieën. Ik ben zelf met leraren in gesprek over wat nodig is om dergelijke thema’s en schurende onderwerpen goed te kunnen bespreken in de klas. Ook dragen de kerndoelen burgerschap en digitale geletterdheid bij aan de toerusting van leerlingen om om des- en misinformatie te herkennen en kritisch te beoordelen. Daarbij worden docenten onder meer ondersteund via de subsidie Schurende Gesprekken van het Expertisepunt Burgerschap, die scholingsaanbod biedt in het voeren van gesprekken over gevoelige en maatschappelijk beladen onderwerpen in de klas.
Hoe beoordeelt u de huidige staat van mediawijsheid en digitale geletterdheid op scholen en acht u de huidige inspanningen voldoende?
Uit de Monitor Digitalisering Onderwijs 2025 blijkt dat de helft van de docenten bekend is met de conceptkerndoelen digitale geletterdheid en een kwart hier al mee werkt. De huidige curriculumherziening en -implementatie brengt dit nieuwe leergebied alleen maar nog meer onder de aandacht onder docenten.
Om docenten te ondersteunen is het Expertisepunt Digitale Geletterdheid opgericht. Dit expertisepunt verzamelt en ontsluit bestaande materialen en kan helpen om thema’s zoals online des- en misinformatie beter onder de aandacht te brengen. Daarnaast wordt er via het Expertisepunt Burgerschap scholingsaanbod ontsloten voor docenten voor het voeren van moeilijke gesprekken in de klas, dit kan gaan over polarisatie, maatschappelijke spanningen, maar ook over (online) desinformatie: Scholingsaanbod - Scholingsaanbod Schurende gesprekken. Dit onderwerp vraagt echter blijvende aandacht gezien de snelheid waarmee digitale ontwikkelingen en vormen van des- en misinformatie zich ontwikkelen.
Bent u bereid om additionele maatregelen te nemen om de mediawijsheid en digitale geletterdheid op scholen te verbeteren?
Met de ontwikkeling van nieuwe kerndoelen voor digitale geletterdheid wordt gewerkt aan een stevigere verankering van digitale geletterdheid binnen het onderwijs. Deze kerndoelen bieden scholen en docenten meer handvatten om structureel aandacht te besteden aan mediawijsheid, online informatievaardigheden en het herkennen van des- en misinformatie. Scholen worden daarnaast ondersteund bij de implementatie van de kerndoelen, zodat scholen het leergebied digitale geletterdheid op een passende manier in hun onderwijs kunnen integreren. Op dit moment vind ik nog meer additionele maatregelen daarom niet nodig. Het kabinet blijft de voortgang op dit gebied monitoren en blijft, zoals genoemd bij het antwoord op vraag 5, in gesprek met leraren over de implementatie van de kerndoelen.
Hoe beoordeelt u het feit dat het momenteel voor eenieder mogelijk is om met AI-platforms als ChatGPT nepbeelden te genereren van de Holocaust, met als gevolg het ernstige risico op bagatellisering van dit verleden? Zo nee, bent u bereid maatregelen te treffen?
De mogelijkheid om met AI-toepassingen realistisch ogende beelden te genereren brengt risico’s met zich mee, zeker wanneer het gaat om gevoelige historische gebeurtenissen zoals de Holocaust. AI-gegenereerde beelden kunnen bijdragen aan verwarring, misleiding en bagatellisering van historische feiten. Dat is zorgelijk. Tegelijkertijd raakt dit aan een bredere maatschappelijke ontwikkeling rondom generatieve AI en online desinformatie. Daarom zet het kabinet in op meerdere sporen: het versterken van digitale burgerschap en mediawijsheid via het onderwijs (o.a. met het Regieplan Digitalisering onderwijs), het stimuleren van verantwoord gebruik van AI en effectieve regulering van platforms via de DSA en nieuwe Europese regels rondom AI, en het toewerken naar een digitale publieke ruimte waarin publieke waarden, gebruikersbelangen, keuzevrijheid en democratische weerbaarheid centraal staan.
Tegelijkertijd geldt dat generatieve AI op zichzelf een technologie is met zowel positieve als negatieve toepassingen. Het kabinet acht het daarom van belang om gericht op te treden tegen onrechtmatig gebruik en verspreiding van dergelijke beelden, zonder afbreuk te doen aan fundamentele rechten zoals de vrijheid van meningsuiting en informatievrijheid.
Indien sprake is van uitingen die kwalificeren als groepsbelediging, aanzetten tot haat of discriminatie, of het opzettelijk bagatelliseren, ontkennen of goedkeuren van de Holocaust op een wijze die strafbaar is onder het Wetboek van Strafrecht, kan strafrechtelijk worden opgetreden. Daarnaast wordt op Europees niveau gewerkt aan verdere normering van verantwoord AI-gebruik via onder meer de AI-verordening, die onder meer transparantieverplichtingen bevat voor aanbieders van AI-systemen die synthetische audio-, beeld-, video- of tekstinhoud genereren. Zij moeten er op grond van de verordening voor zorgen dat de outputs van het AI-systeem worden gemarkeerd als kunstmatig gegenereerd of gemanipuleerd. Met andere woorden: AI-gegenereerde nepbeelden moeten als zodanig herkenbaar zijn.
Over welke instrumenten beschikt u om op te treden tegen het genereren en verspreiden van AI-gegenereerde nepbeelden van de Holocaust op sociale media, mede gezien het feit dat het bagatelliseren van de Holocaust in Nederland strafbaar is?
Indien AI-gegenereerde Holocaustbeelden worden gebruikt op een wijze die strafbaar is, bestaan verschillende instrumenten om daartegen op te treden. Afhankelijk van de concrete inhoud en context kan sprake zijn van strafbare feiten zoals groepsbelediging (artikel 137c, tweede lid Sr), het aanzetten tot haat, discriminatie of geweld (artikel 137d Sr) of andere strafbare vormen van Holocaustontkenning of -bagatellisering.
Het Openbaar Ministerie kan strafrechtelijk onderzoek verrichten en vervolging instellen. Het OM en de politie kunnen bij aangiften of meldingen van strafbare online content een vrijwillig verwijderverzoek richten aan de betreffende hostingdienst of het online platform om content offline te krijgen. Als dat niet het gewenste effect heeft, kan de officier van justitie, bij een verdenking van een misdrijf als bedoeld in artikel 67, eerste lid, Wetboek van Strafvordering (Sv), met machtiging van de rechter-commissaris, op grond van artikel 125p Sv een bevel uitvaardigen om de content ontoegankelijk te (laten) maken voor zover een aanbieder in Nederland gevestigd is. Geeft een aanbieder geen gehoor aan zo’n bevel, dan vervalt de bescherming tegen strafrechtelijke vervolging uit artikel 54a Wetboek van Strafrecht. Werkt een aanbieder wél mee, dan biedt artikel 54a Sr bescherming tegen strafrechtelijke vervolging. In die gevallen waarin de content niet in Nederland staat, maar in het buitenland, dan is het Openbaar Ministerie afhankelijkheid van samenwerking en medewerking van de daartoe bevoegde buitenlandse autoriteiten via een internationaal rechtshulpverzoek.
Op grond van de DSA gelden zorgvuldigheidsverplichtingen voor aanbieders van tussenhandeldiensten, onder meer gericht op het tegengaan van de verspreiding van illegale content. Hostingdiensten, waaronder online platforms en sociale mediadiensten, moeten onder meer voorzien in mechanismen om personen of entiteiten de mogelijkheid te bieden illegale inhoud bij hen te melden en zij moeten deze meldingen tijdig en adequaat beoordelen en daarover beslissen. Meldingen van zogeheten betrouwbare flaggers dienen met voorrang te worden behandeld. Zo is Meld Online Discriminatie (MOD) onder de DSA als betrouwbare flagger aangewezen. Daarnaast moeten aangewezen zeer grote online platforms (VLOP’s) de zogeheten systeemrisico’s van hun dienst in kaart brengen en mitigeren, waaronder het risico op de verspreiding van desinformatie.
Indien sprake is van niet-naleving van deze verplichtingen, kunnen de bevoegde toezichthouders handhavend optreden. Ten aanzien van de aangewezen zeer grote onlineplatforms en zeer grote onlinezoekmachines geldt dat de Europese Commissie de primaire bevoegde toezichthouder is op de naleving van de DSA. Voor de overige aanbieders van tussenhandeldiensten is in Nederland de Autoriteit Consument en Markt (ACM) de primaire toezichthouder op de naleving van de DSA door in Nederland gevestigde aanbieders van tussenhandeldiensten. De toezichthouders beoordelen niet of specifieke content illegaal is en leggen geen verwijderverzoeken of bevelen op aan platforms, maar controleren of tussenhandeldiensten voldoen aan de verplichtingen uit de DSA.
Welke mogelijkheden ziet u om op te treden tegen sociale media-accounts en -platformen die AI-gegenereerde Holocaustbeelden verspreiden waardoor grote groepen gebruikers met deze desinformatie in aanraking komen?
Wanneer sociale media-platforms strafbare content verspreiden, kunnen opsporingsinstanties en het OM optreden binnen de bestaande wettelijke kaders. Dat kan in specifieke gevallen leiden tot strafrechtelijke vervolging of verzoeken tot verwijdering van content. Daarnaast zet het kabinet in op een goede toepassing en de effectieve handhaving van de DSA, als belangrijk Europees wettelijk kader voor een veiligere online omgeving, waaronder de daaruit voortvloeiende zorgvuldigheidsverplichtingen om illegale content en misbruik tegen te gaan en, voor zeer grote onlineplatforms, het beheersen van systeemrisico’s. De verspreiding van desinformatie of AI-gegenereerde nepbeelden, kan zo’n systeemrisico vormen.
Het kabinet blijft in gesprek met platforms over hun verantwoordelijkheid bij de bestrijding van illegale content en desinformatie. Ook heeft het kabinet samen met het onderwijs richtlijnen over het gebruik van sociale media op verschillende leeftijden en in relatie tot school gepubliceerd.
Bent u bereid in gesprek te gaan met sociale mediaplatforms zoals TikTok over het actief verwijderen van desinformatie en AI-gegenereerde nepbeelden over de Holocaust, en bent u bereid dit ook Europees te agenderen in het kader van de Digital Services Act?
Het kabinet zoekt op het terrein van online content moderatie de dialoog met online platforms. In dit verband is relevant dat in 2023 een publiek-private samenwerking (PPS) is ingericht, onder neutraal voorzitterschap van het Platform voor de InformatieSamenleving (ECP), die het gesprek tussen overheid en internetsector faciliteert over onder meer trends in contentproblematiek, uitdagingen in de moderatiepraktijk, best practices en relevante wet- en regelgeving. Mijn ministerie verkent, samen met andere departementen, hoe de aanpak van online desinformatie, online discriminatie en antisemitisme hierin kan worden betrokken. Voor wat betreft de DSA, is het aan de bevoegde toezichthouders om toe te zien op de naleving daarvan. Het onderwerp desinformatie staat daarbij, ook op Europees niveau, op de agenda. Signalen over desinformatie en AI-geregenereerde nepbeelden over de Holocaust zijn doorgeven aan de ACM en de Europese Commissie.
Kunt alle vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat op middelbare scholen commerciële advertenties worden vertoond op schermen in de school |
|
Marjolein Moorman (PvdA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat op middelbare scholen, zoals bij het Mondial College in Nijmegen, commerciële advertenties worden vertoond op schermen in de school?1
Ja.
Klopt het dat commerciële partijen via schermen en posters in scholen op deze manier onder de aandacht worden gebracht bij leerlingen tijdens schooltijd?
Ja.
Deelt u de opvatting dat scholen een veilige leeromgeving horen te zijn en geen plek waar kinderen worden verleid met commerciële advertenties? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de opvatting dat scholen een veilige leeromgeving moeten bieden waarin de ontwikkeling, het belang en het welzijn van leerlingen centraal staan. Binnen de wettelijke kaders hebben scholen de ruimte om hun eigen afwegingen te maken omtrent sponsoring en reclame-uitingen op school, maar deze ruimte is niet vrijblijvend. In het Sponsorconvenant2 zijn heldere normen en criteria afgesproken om leerlingen te beschermen tegen schadelijke reclame-uitingen. Met het sponsorconvenant helpen we scholen bij zorgvuldige en transparante besluitvorming over het aangaan van sponsorovereenkomsten. Zo mag sponsoring de ontwikkeling van leerlingen niet schaden en moet dit passen bij de pedagogische en onderwijskundige taak van de school. Daarnaast mag de onderwijsinhoud niet worden beïnvloed en de kernactiviteiten van de school dienen niet afhankelijk te worden van sponsorinkomsten. Ik verwacht van scholen dat zij hun verantwoordelijkheid nemen en dialoog voeren met hun medezeggenschapsraad bij het overwegen van een sponsorovereenkomst.
Mocht een school in de praktijk toch de grenzen van het convenant of de wet overschrijden, dan is het de verantwoordelijkheid van het bestuur om hierop aanspreekbaar te zijn. Belanghebbenden kunnen eventuele misstanden formeel aanhangig maken via de interne klachtenprocedure van de school. Daarnaast biedt de Reclame Code Commissie een laagdrempelige route om de inhoud van specifieke sponsor- of reclame-uitingen te laten toetsen aan de Nederlandse Reclamecode.
Kunt u inzichtelijk maken hoe vaak het voorkomt dat scholen commerciële advertenties via schermen of posters tonen? Kun u aangeven over wat voor soort producten dit gaat en waar in de scholen deze worden tentoongesteld?
Dit wordt niet door het Ministerie van OCW bijgehouden.
Deelt u de opvatting dat wanneer een externe partij geld verdient aan de aandacht van leerlingen, dit niet op thuishoort?
Zie het antwoord op vraag 3.
Deelt u de opvatting dat scholen minderjarigen horen te beschermen tegen ongewenste commerciële reclames, juist ook vanwege het groeiende aantal jongeren met schuldenproblematiek, de impulsaankoopgevoeligheid en de grote mentale druk onder jongeren om erbij te horen?
Zie het antwoord op vraag 3.
Hoe voorkomt u dat commerciële partijen via scholen ongewenst invloed krijgen op het consumptiegedrag van kinderen, waarbij kinderen een extra kwetsbare doelgroep zijn, zowel vanwege hun leeftijd als het feit dat zij de plek van adverteren (de school) niet kunnen mijden?
Het uitgangspunt is dat de school een veilige, neutrale omgeving moet zijn waar leerlingen op een goede manier onderwijs kunnen volgen. De overheid voorkomt schadelijke beïnvloeding door wettelijke randvoorwaarden te stellen aan de besluitvorming omtrent reclame-uitingen en via sectorafspraken zoals opgenomen in het Sponsorconvenant.
Scholen zijn wettelijk verplicht om hun sponsorbeleid vooraf helder op te nemen in het schoolplan en de schoolgids. Hierdoor zijn de keuzes transparant voor inspectie, ouders en leerlingen. Ook is in de wet vastgelegd dat de school de medezeggenschapsraad moet betrekken bij besluiten over sponsoring. Een school kan dus niet zomaar besluiten over sponsoring of reclame. Mocht een school de wettelijke voorschriften niet naleven, dan voorziet de wet in een formele klachtenregeling.
Bestaan er op dit wetgeving of afspraken over commerciële reclames binnen schoolgebouwen in onderwijs? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u inzicht geven in de afspraken die scholen hebben met deze commerciële partijen en hierbij ook inzicht geven in wat er gebeurt met de opbrengsten van het beschikbaar stellen van reclameplekken door scholen?
Scholen zijn zelf verantwoordelijk voor het opstellen en ondertekenen van een sponsorovereenkomst. In het Sponsorconvenant is opgenomen dat scholen sponsorinkomsten apart zichtbaar moeten maken in de jaarrekening van de school. Over de periode van 2020–2024 ging het om 0,006%3 van de totale baten van de scholen in het primair- en voortgezet onderwijs. Wat een school vervolgens doet met de opbrengsten, wordt niet bijgehouden.
Is het mogelijk om reclameuitingen op scholen te verbieden? Waarom wel of niet en welke subsidiaire mogelijkheden zijn er?
Op dit moment bieden de huidige wetgeving en het Sponsorconvenant scholen al voldoende handvatten om bewuste, autonome keuzes te maken. De regie ligt hiermee bij de school en de medezeggenschapsraad.
Om de naleving scherp te houden, is met de convenantpartijen afgesproken om het Sponsorconvenant ieder schooljaar onder de aandacht te brengen van het onderwijsveld. Het Sponsorconvenant wordt daarnaast elke vijf jaar geëvalueerd, de eerstvolgende evaluatie wordt in 2029 gedaan. Op dit moment zie ik dan ook geen aanleiding voor aanvullende wet- en regelgeving.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden voor de behandeling van de Slotwet OCW 2025?2
De uitzending van Argos "Kleuter zonder klas" |
|
Etkin Armut (CDA), Sarath Hamstra (CDA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van Argos «Kleuter zonder klas»?1 Zo ja, hoe beoordeelt u de daarin geschetste problematiek?
Klopt het dat het aantal kinderen dat aangewezen is op het speciaal onderwijs en dat thuiszit, de afgelopen jaren is toegenomen? Zo ja, welke oorzaken liggen hieraan ten grondslag?
Kunt u voor de jaren 2024 en 2025 aangeven hoeveel kinderen onderwijs volgden in het speciaal onderwijs en hoeveel kinderen gedurende die jaren thuiszaten?
Hoeveel kleuters staan momenteel op een wachtlijst voor plaatsing in het speciaal onderwijs?
Klopt het dat een toenemend aantal kleuters niet start in het regulier basisonderwijs, omdat zij worden geweigerd of direct worden doorverwezen naar het speciaal onderwijs?
Is het basisscholen toegestaan om uitsluitingsgronden te hanteren voordat zij hebben onderzocht of een passende onderwijsplek kan worden geboden? Zo nee, welke mogelijkheden hebben ouders wanneer hiervan toch sprake is?
Is bekend hoe groot de groep kinderen is die zich aanmeldt bij een basisschool, maar al vóór aanvang van het onderzoek naar een passende plaatsing wordt afgewezen?
Kunt u toelichten hoe de zorgplicht, mede in het licht van de in de uitzending geschetste situaties, dient te worden ingevuld?
Bent u van oordeel dat de zorgplicht in het door Argos aangehaalde voorbeeld op juiste wijze is nageleefd? Kunt u uw antwoord toelichten?
Wordt in het onderzoek naar de groei van het gespecialiseerd onderwijs ook gekeken naar het bestaan van een mogelijke onderliggende ontwikkeling of zogenoemde «onderstroom» en de oorzaken daarvan?
Wanneer verwacht u de resultaten van dit onderzoek met de Kamer te kunnen delen?
Meer aandacht in het onderwijs voor (het voorkomen van) geweld tegen vrouwen en meisjes |
|
Bente Becker (VVD) |
|
Letschert , Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de petitie «Van achter de voordeur naar het klaslokaal» van de Federatie Nabestaanden Geweldsslachtoffers, Valente en de Blijf Groep?
Wat vindt u van de oproep om aan gendergelijkwaardigheid, relationele veiligheid en geweldpreventie expliciet aandacht te besteden in de klas als onderdeel van het burgerschapsonderwijs en/of seksuele vorming en ziet u mogelijkheden om deze elementen expliciet op te nemen in de SLO-documenten of in de wijze waarop de Inspectie toeziet op de naleving ervan? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Wat vindt u ervan dat professionals en organisaties in het veld belangrijke hiaten zien in de wijze waarop scholen binnen de kerndoelen en eindtermen aandacht besteden aan gendergerelateerd geweld en het voorkomen daarvan en bent u het met de indieners van de petitie eens dat dit nog onvoldoende gebeurt?
Heeft u cijfers van de mate waarin op scholen expliciet aandacht wordt besteed aan gendergelijkwaardigheid, relationele veiligheid en geweldpreventie? Zo nee, bent u bereid de Inspectie hiernaar te vragen?
Op welke manier is het herkennen van signalen en het veilig en zorgvuldig handelen wanneer een kind mogelijk met geweld (zelf of in het gezin) te maken heeft, op dit moment onderdeel van de opleidingen in het onderwijs en bent u bereid te werken aan een verbetering voor meer structurele aandacht hiervoor en zo ja, op welke wijze?
Op welke wijze is het lesgeven over gendergelijkwaardigheid, relationele veiligheid en geweldpreventie momenteel onderdeel van de opleidingen in het onderwijs en bent u bereid te werken aan een verbetering voor meer structurele aandacht hiervoor en zo ja, op welke wijze?
Zijn er op dit moment voldoende lesmethodes waar scholen gebruik van kunnen maken als zij aandacht willen besteden aan gendergelijkwaardigheid, relationele veiligheid en geweldpreventie en zo ja, waar kunnen scholen deze vinden? Zo nee, wat kunt u vanuit uw rol doen om meer laagdrempelige lesmethodes hiervoor beschikbaar te krijgen?
Bent u bereid het gesprek aan te gaan met de indieners van de petitie om gezamenlijk tot een aanpak te komen waarmee het onderwijs beter in staat wordt gesteld een rol te spelen in het voorkomen en het herkennen van gendergerelateerd geweld en relationele onveiligheid?
In hoeverre acht u, vanuit uw zicht op de praktijk van scholen, de huidige mogelijkheden voor het tijdig delen van informatie over signalen en meldingen over gendergerelateerd geweld tussen scholen, politie en Veilig Thuis voldoende en bent u bereid hier navraag over te doen bij scholen?
Bent u bereid in overleg te treden met de Minister van J&V en de Minister van VWS om het onderwijs op te nemen als één van de pijlers in het Actieplan Stop geweld tegen vrouwen?
Het bericht ‘Renaissanceschool van Forum voor Democratie gaat weer open in Almere’ |
|
Arend Kisteman (VVD) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Renaissanceschool van Forum voor Democratie gaat weer open in Almere»?1
Hoe verhoudt de oprichting van scholen die zich nadrukkelijk richten op een specifieke levensbeschouwelijke of politieke gemeenschap zich volgens u tot de ambitie uit uw beleidsbrief om onderwijs te laten bijdragen aan verbinding in de samenleving, het tegengaan van segregatie en een sterke democratische rechtsstaat?
Deelt u de mening dat scholen niet alleen een onderwijsfunctie hebben, maar ook een belangrijke maatschappelijke functie vervullen doordat kinderen met verschillende achtergronden elkaar daar ontmoeten?
Hoe beoordeelt u in dat licht de ontwikkeling dat steeds meer nieuwe scholen zich richten op specifieke levensbeschouwelijke, religieuze en zelfs ideologische doelgroepen?
Klopt het dat uit de evaluatie van de Wet Meer Ruimte voor Nieuwe Scholen blijkt dat nieuwe scholen gemiddeld een homogenere leerlingenpopulatie hebben dan scholen in hun omgeving en dat effecten op onderwijssegregatie zichtbaar zijn op lokaal niveau?
Hoe beoordeelt u deze uitkomsten in het licht van de ambitie van het kabinet om burgerschap en integratie te versterken?
Klopt het dat uit dezelfde evaluatie blijkt dat het aantal nieuwe basisscholen sinds de invoering van de wet aanzienlijk is gestegen en dat islamitische scholen inmiddels de grootste categorie nieuw gestichte basisscholen vormen?
Welke lessen heeft u uit deze ontwikkeling getrokken voor de verdere uitvoering van de Wet Meer Ruimte voor Nieuwe Scholen?
Op welke wijze wordt bij aanvragen voor nieuwe scholen momenteel beoordeeld wat de gevolgen zijn voor segregatie en de ontmoeting tussen verschillende groepen leerlingen?
Acht u het wenselijk dat publiek bekostigd onderwijs zich steeds verder organiseert langs ideologische of zelfs politieke scheidslijnen?
Klopt het dat in het regeerakkoord is aangekondigd dat het kabinet de uitkomsten van de evaluatie van de Wet Meer Ruimte voor Nieuwe Scholen zal betrekken bij een herziening van de wet? Wat is de actuele stand van zaken van deze herziening?
Deelt u de opvatting dat de huidige wet sterk uitgaat van aangetoonde ouderbelangstelling maar onvoldoende rekening houdt met bredere belangen zoals huisvesting, arbeidsmarkt, segregatie en een evenwichtig onderwijsaanbod?
Welke mogelijkheden ziet u om in de wet een explicietere afweging op te nemen tussen oudervoorkeuren enerzijds en deze belangen, zoals segregatie, anderzijds?
Deelt u de mening dat gemeenten momenteel onvoldoende instrumenten hebben om ongewenste versnippering van het onderwijsaanbod tegen te gaan?
Bent u bereid te verkennen of gemeenten een zwaardere rol moeten krijgen bij nieuwe schoolstichtingen, bijvoorbeeld door hun oordeel over segregatie-effecten of de gevolgen voor het lokale onderwijsaanbod zwaarder te laten meewegen?
Het artikel 'Vmbo- en praktijkscholen in de knel door optimistische schooladviezen groep 8' |
|
René Claassen (PVV) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Vmbo- en praktijkscholen in de knel door optimistische schooladviezen groep 8»?1
Hoe beoordeelt u de signalen van vmbo- en praktijkscholen dat het beleid van zogenoemd kansrijk adviseren leidt tot grote aantallen afstromende leerlingen, extra werkdruk, stijgend ziekteverzuim en organisatorische problemen binnen scholen?
Deelt u de opvatting dat een beleid dat bedoeld is om kansen te vergroten, maar in de praktijk leidt tot teleurstelling, faalervaringen en gedwongen schoolwisselingen voor duizenden kinderen, zijn doel voorbijschiet? Zo nee, waarom niet?
Hoeveel leerlingen zijn sinds de invoering van het beleid rond kansrijk adviseren alsnog afgestroomd naar een lager onderwijsniveau en bent u bereid inzichtelijk te maken welke gevolgen dit heeft gehad voor de personele inzet, de ondersteuningsbehoefte en de kosten binnen het vmbo en praktijkonderwijs?
Beschikt u over gegevens waaruit blijkt hoeveel leerlingen die op basis van een kansrijk advies instromen uiteindelijk binnen één, twee of drie jaar alsnog afstromen naar een lager onderwijsniveau? Zo ja, kunt u deze gegevens, uitgesplitst naar schoolsoort en schooljaar sinds de invoering van dit beleid, met de Kamer delen? Zo nee, waarom wordt de effectiviteit van dit beleid niet systematisch gemonitord?
Erkent u dat het streven naar kansengelijkheid nooit ten koste mag gaan van realistische schooladviezen, onderwijskwaliteit en het welzijn van leerlingen? Zo ja, bent u bereid het beleid rond kansrijk adviseren te heroverwegen en te onderzoeken hoe het professionele oordeel van leraren weer zwaarder kan gaan wegen?
Het bericht ‘OM gaat toch ouders die kinderen thuishouden van school vervolgen’ |
|
Don Ceder (CU), Chris Stoffer (SGP) |
|
van Bruggen , Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «OM gaat toch ouders die kinderen thuishouden van school vervolgen»?1
Kunt u aangeven hoeveel vrijstellingen voor thuisonderwijs er in de afgelopen jaren zijn geweest en waar deze cijfers op berusten?
Klopt het dat de specifieke categorie van de vrijstelling in verband met de bescherming van persoonsgegevens niet mag worden geregistreerd en wat betekent dit in de praktijk voor het verzamelen van gegevens door gemeenten en DUO?2
Klopt het dat de wettelijk voorgeschreven evaluatie van de Wet register onderwijsdeelnemers nog niet heeft plaatsgevonden? Zo ja, wanneer wordt deze opgeleverd en wordt daarin ook aandacht besteed aan de vrijstellingen van de inschrijvingsplicht?
Onderkent u dat volgens de oorspronkelijke bedoeling van de huidige wet voldaan wordt aan de vereiste kennisgeving op grond van de artikelen 5, aanhef en onder b, 6 en 8, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969 indien ouders bij de kennisgeving de feitelijke verklaring voegen dat zij overwegende bezwaren hebben tegen de richting van het onderwijs op alle scholen in de nabijheid van hun woning, onder andere duidelijk blijkend uit het door het Ministerie van OCW uitgegeven modelformulier van 12 juli 1995 dat nog opnieuw door u onder de aandacht is gebracht bij de VNG op 2 juni 2016? Constateert u dat de huidige jurisprudentie feitelijk gezien bijzonder ver verwijderd is geraakt van dit oorspronkelijke uitgangspunt?
Bent u bekend met het feit dat volgens de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de vrijstelling van de inschrijvingsplicht rechtstreeks voortvloeit uit de wet indien de kennisgeving de verklaring bevat als bedoeld in artikel 8, eerste lid, Leerplichtwet en dat het college van de gemeente daarom niet bevoegd is een inhoudelijke beslissing te nemen?3
Hoe gaat u om met de situatie dat twee hoogste nationale rechterlijke instanties een verschillende lijn hanteren ten aanzien van deze vrijstelling op grond van de Leerplichtwet en vraagt de zorgvuldigheid in zulke uitzonderlijke situaties niet dat bij uitstek de wetgever eerst duidelijkheid schept om de impasse in de praktijk te doorbreken?
Kunt u aangeven in hoeverre er volgens u sinds het standaardarrest van de Hoge Raad van 2019 nieuwe ontwikkelingen in de Europese en internationale jurisprudentie zijn geweest als het gaat om de positie van het kind met betrekking tot thuisonderwijs en welk arrest van het EHRM dat nadien gewezen is, zou grond vormen voor een striktere lijn ten aanzien van thuisonderwijs? Klopt het dat de Hoge Raad enkel verwijst naar jurisprudentie die zelfs voor het arrest van 2019 al lang bekend was?4
Onderkent u dat staten volgens de jurisprudentie van het EHRM de beoordelingsvrijheid hebben om een regeling voor thuisonderwijs te treffen die recht doet aan het belang van ouders en kinderen en dat het uitsluiten van thuisonderwijs in andere landen, zoals bijvoorbeeld aan de orde is in de zaak Konrad/Duitsland, dus niet betekent dat Nederland die lijn zou moeten volgen?5
Hoe beoordeelt u dat de Hoge Raad een fundamentele verschuiving in de verhouding tussen grondrechten doorvoert zonder enige aandacht te besteden aan de status die deze vorm van onderwijs volgens onze Grondwet toekomt en hoe deze ontwikkeling past binnen de Grondwet en hoe geeft u zich rekenschap van het feit dat het thuisonderwijs en de vrijstelling volgens de literatuur onder de Grondwet een zodanig vanzelfsprekende status hebben dat dit niet expliciet tot uitdrukking hoefde te komen?6
Hoe beoordeelt u in rechtsstatelijke zin dat een strafrechtelijk oordeel in hoogste nationale instantie wordt gegeven waarin kennelijk relevante normen uit de Grondwet buiten beschouwing worden gelaten en welke mogelijkheden tot herstel zijn er in situaties waarin de Hoge Raad een misslag heeft begaan en men daardoor in de praktijk direct voor grote moeilijkheden komt te staan?
Vindt u ook dat gezien de duidelijke bedoeling van de wetgever met de systematiek van de Leerplichtwet het huidige artikel 5, aanhef en onder b, eerder als een rechtvaardigingsgrond dan als een strafuitsluitingsgrond gezien zou moeten worden, gelet op het feit dat het handelen van ouders bij het juiste, wettelijke gebruik van de kennisgeving door de wetgever volledig gelegitimeerd wordt? Bent u ook van mening dat hoe dan ook grote zorgvuldigheid en voorspelbaarheid vereist zijn bij de formulering en interpretatie van een dergelijke bepaling, gelet op de grote consequenties die deze heeft voor ouders en kinderen?
Wat betekent het recente arrest van de Hoge Raad voor rechtszaken die op dat moment reeds aanhangig waren en hoe worden de rechtsgelijkheid en rechtszekerheid van burgers gewaarborgd?
Hoe is de opvatting van de Hoge Raad te verenigen met de bestendige uitleg van artikel 23 van de Grondwet dat burgers niet gedwongen kunnen worden onderwijs te volgen dat niet in overeenstemming is met een specifieke, positieve eigen overtuiging?
Vindt u het pedagogisch gezien acceptabel dat de Hoge Raad het onderwijs op de openbare school dat godsdienstig, levensbeschouwelijk of maatschappelijk van aard is enkel benadert vanuit de maatstaf van kennis- en informatieoverdracht en op welke wijze komt hierin de brede vorming tot uitdrukking die in het kader van burgerschapsonderwijs juist van alle scholen verwacht wordt?
In hoeverre noopt het criterium van de Hoge Raad dat het onderwijs op de openbare school dat godsdienstig, levensbeschouwelijk of maatschappelijk van aard is op een objectieve, kritische en pluralistische manier dient te gebeuren tot een verkenning of en hoe dat daadwerkelijk gebeurt en bent u bereid om, in lijn met het arrest, te verkennen of specifieke uitzonderingen en vrijstellingen in de huidige regelgeving toereikend zijn?
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden en voordat de aangekondigde brief over dit onderwerp naar de Kamer wordt verstuurd?
Het bericht dat op middelbare scholen commerciële advertenties worden vertoond op schermen in de school |
|
Marjolein Moorman (PvdA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat op middelbare scholen, zoals bij het Mondial College in Nijmegen, commerciële advertenties worden vertoond op schermen in de school?1
Ja.
Klopt het dat commerciële partijen via schermen en posters in scholen op deze manier onder de aandacht worden gebracht bij leerlingen tijdens schooltijd?
Ja.
Deelt u de opvatting dat scholen een veilige leeromgeving horen te zijn en geen plek waar kinderen worden verleid met commerciële advertenties? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de opvatting dat scholen een veilige leeromgeving moeten bieden waarin de ontwikkeling, het belang en het welzijn van leerlingen centraal staan. Binnen de wettelijke kaders hebben scholen de ruimte om hun eigen afwegingen te maken omtrent sponsoring en reclame-uitingen op school, maar deze ruimte is niet vrijblijvend. In het Sponsorconvenant2 zijn heldere normen en criteria afgesproken om leerlingen te beschermen tegen schadelijke reclame-uitingen. Met het sponsorconvenant helpen we scholen bij zorgvuldige en transparante besluitvorming over het aangaan van sponsorovereenkomsten. Zo mag sponsoring de ontwikkeling van leerlingen niet schaden en moet dit passen bij de pedagogische en onderwijskundige taak van de school. Daarnaast mag de onderwijsinhoud niet worden beïnvloed en de kernactiviteiten van de school dienen niet afhankelijk te worden van sponsorinkomsten. Ik verwacht van scholen dat zij hun verantwoordelijkheid nemen en dialoog voeren met hun medezeggenschapsraad bij het overwegen van een sponsorovereenkomst.
Mocht een school in de praktijk toch de grenzen van het convenant of de wet overschrijden, dan is het de verantwoordelijkheid van het bestuur om hierop aanspreekbaar te zijn. Belanghebbenden kunnen eventuele misstanden formeel aanhangig maken via de interne klachtenprocedure van de school. Daarnaast biedt de Reclame Code Commissie een laagdrempelige route om de inhoud van specifieke sponsor- of reclame-uitingen te laten toetsen aan de Nederlandse Reclamecode.
Kunt u inzichtelijk maken hoe vaak het voorkomt dat scholen commerciële advertenties via schermen of posters tonen? Kun u aangeven over wat voor soort producten dit gaat en waar in de scholen deze worden tentoongesteld?
Dit wordt niet door het Ministerie van OCW bijgehouden.
Deelt u de opvatting dat wanneer een externe partij geld verdient aan de aandacht van leerlingen, dit niet op thuishoort?
Zie het antwoord op vraag 3.
Deelt u de opvatting dat scholen minderjarigen horen te beschermen tegen ongewenste commerciële reclames, juist ook vanwege het groeiende aantal jongeren met schuldenproblematiek, de impulsaankoopgevoeligheid en de grote mentale druk onder jongeren om erbij te horen?
Zie het antwoord op vraag 3.
Hoe voorkomt u dat commerciële partijen via scholen ongewenst invloed krijgen op het consumptiegedrag van kinderen, waarbij kinderen een extra kwetsbare doelgroep zijn, zowel vanwege hun leeftijd als het feit dat zij de plek van adverteren (de school) niet kunnen mijden?
Het uitgangspunt is dat de school een veilige, neutrale omgeving moet zijn waar leerlingen op een goede manier onderwijs kunnen volgen. De overheid voorkomt schadelijke beïnvloeding door wettelijke randvoorwaarden te stellen aan de besluitvorming omtrent reclame-uitingen en via sectorafspraken zoals opgenomen in het Sponsorconvenant.
Scholen zijn wettelijk verplicht om hun sponsorbeleid vooraf helder op te nemen in het schoolplan en de schoolgids. Hierdoor zijn de keuzes transparant voor inspectie, ouders en leerlingen. Ook is in de wet vastgelegd dat de school de medezeggenschapsraad moet betrekken bij besluiten over sponsoring. Een school kan dus niet zomaar besluiten over sponsoring of reclame. Mocht een school de wettelijke voorschriften niet naleven, dan voorziet de wet in een formele klachtenregeling.
Bestaan er op dit wetgeving of afspraken over commerciële reclames binnen schoolgebouwen in onderwijs? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u inzicht geven in de afspraken die scholen hebben met deze commerciële partijen en hierbij ook inzicht geven in wat er gebeurt met de opbrengsten van het beschikbaar stellen van reclameplekken door scholen?
Scholen zijn zelf verantwoordelijk voor het opstellen en ondertekenen van een sponsorovereenkomst. In het Sponsorconvenant is opgenomen dat scholen sponsorinkomsten apart zichtbaar moeten maken in de jaarrekening van de school. Over de periode van 2020–2024 ging het om 0,006%3 van de totale baten van de scholen in het primair- en voortgezet onderwijs. Wat een school vervolgens doet met de opbrengsten, wordt niet bijgehouden.
Is het mogelijk om reclameuitingen op scholen te verbieden? Waarom wel of niet en welke subsidiaire mogelijkheden zijn er?
Op dit moment bieden de huidige wetgeving en het Sponsorconvenant scholen al voldoende handvatten om bewuste, autonome keuzes te maken. De regie ligt hiermee bij de school en de medezeggenschapsraad.
Om de naleving scherp te houden, is met de convenantpartijen afgesproken om het Sponsorconvenant ieder schooljaar onder de aandacht te brengen van het onderwijsveld. Het Sponsorconvenant wordt daarnaast elke vijf jaar geëvalueerd, de eerstvolgende evaluatie wordt in 2029 gedaan. Op dit moment zie ik dan ook geen aanleiding voor aanvullende wet- en regelgeving.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden voor de behandeling van de Slotwet OCW 2025?2
De zorgelijke AI-beelden die worden gemaakt van jonge vrouwen |
|
Lisa Westerveld (GL), Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Aerdts , Judith Tielen (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «AI-pornovideo’s met downsyndroom op Instagram, X en Telegram»?1
Hoe reageert u op dit bericht?
Kunt u meer vertellen over de aard en de omvang van de AI-beelden die zijn gemaakt en verspreid van jonge vrouwen?
Waar kunnen slachtoffers van de gemaakte AI-beelden terecht voor mentale of juridische ondersteuning? Hoe worden zij gewezen op deze mogelijkheden?
Hoe wordt bij het informeren van de slachtoffers rekening gehouden met (digitale) toegankelijkheid zodat melden en hulp zoeken altijd laagdrempelig is?
Kunt u uitleggen hoe het Europese verbod op uitkleed-apps deze vorm van deepfakes bestrijdt of voorkomt? Hoe gaat het verbod er praktisch uitzien en hoe wordt het gehandhaafd?2
Waarom hebben Meta en X pas na vragen van De Telegraaf de AI-beelden verwijderd? Wat kunt u doen om deze beelden zo snel mogelijk verwijderd te krijgen?
Is er sprake van een gecoördineerd netwerk dat AI-beelden maakt van jonge vrouwen en ze afbeeldt met amputaties, letsel, of een zichtbare beperking?
Vindt u het voldoende dat Meta en X hun eigen onderzoek voeren naar wie deze AI-beelden maken en verspreiden? Weet u meer over de omvang en de aard van deze onderzoeken?
Kunt u ook onafhankelijk onderzoek laten uitvoeren, waarbij wetenschappers toegang krijgen tot de algoritmes van deze techbedrijven om te controleren hoe deze AI-beelden zich verspreiden?
Welke instanties hebben de taak om toe te zien dat beelden van willekeurige mensen niet worden gebruikt om AI-beelden te maken van verminking en seksueel geweld? Kunt u uiteenzetten hoe deze instanties daartegen optreden?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en vóór het commissiedebat over digitale inclusie van 24 juni 2026 beantwoorden?
Het bericht ‘Ministerie houdt dagelijks bewegen op school' |
|
Mohammed Mohandis (GroenLinks-PvdA), Marjolein Moorman (PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ministerie houdt dagelijks bewegen op school tegen» en wat is daarop uw reactie?1
Ja, ik ben bekend met het genoemde artikel.
In het artikel staat dat twee dagen voor de definitieve vaststelling van de kerndoelen een streep is gezet door het potentiële kerndoel over dagelijks bewegen. Dit is onjuist. Zie voor een nadere toelichting het antwoord op vraag 2.
Kunt u nader toelichten waarom de verplichting om dagelijks bewegen in het curriculum op te nemen van tafel is?
De verantwoordelijkheid voor het wettelijk verplicht curriculum ligt bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW). Wat wettelijk verplicht is, ligt vast in kerndoelen. In opdracht van OCW heeft Stichting Leerplan Ontwikkeling (SLO) in samenwerking met leraren, vakexperts en curriculumexperts de kerndoelen geactualiseerd.
In een vroege fase van de ontwikkeling van de kerndoelen voor Bewegen en Sport heeft SLO nagedacht over een aanboddoel2. Dit doel had als opdracht voor de school als geheel om leerlingen te stimuleren te bewegen met het oog op hun welbevinden en gezondheid. Na overleg met de advieskring, de klankbordgroep specifieke onderwijsbehoeften, het monitorteam en de expertpoule, is geconstateerd dat dit doel van Bewegen en Sport buiten de juridische kaders van de werkopdracht en de wet viel. Dit doel ging namelijk niet over wat kinderen moesten leren, maar om een verplichting voor de school als geheel om bewegen te stimuleren. Dat kan scholen niet via de kerndoelen worden verplicht. Dit is besproken met het kerndoelenteam en heeft ertoe geleid dat dit doel uiteindelijk niet is opgenomen in de conceptkerndoelen.
De opdracht aan het onderwijs is groot: kwalificatie, ontwikkeling, socialisatie en persoonsvorming. Primair verwacht de samenleving van scholen dat leerlingen leren lezen, schrijven, rekenen, digitale vaardigheden opdoen en leren over burgerschap. In de vernieuwde kerndoelen Bewegen en Sport komt terug dat leerlingen zich ontwikkelen in het bewegen, samen met andere leren bewegen en betekenis kunnen geven aan bewegen.
Het is aan scholen zelf om een onderwijsprogramma in te vullen waarin ze aan de kerndoelen werken. Dat kan bijvoorbeeld door beweegmomenten in te plannen gedurende de dag, maar dat is geen verplichting.
Wat was de doorslaggevende factor om dit niet op te nemen in het curriculum en waarom is het op het laatste moment geschrapt?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 2.
Hoe verhoudt deze keuze zich tot de berekeningen van het RIVM dat de doelen met betrekking tot het aantal kinderen met overgewicht in 2040 niet worden gehaald en maar liefst op 14 procent blijft steken?2
Overgewicht en obesitas ontstaan door een mix van verschillende persoonsgebonden- en omgevingsfactoren. Onder andere gezonde voeding, voldoende bewegen en mentaal welzijn dragen bij aan een gezond gewicht en een gezonde leefstijl. Daarnaast zijn ook bredere sociaalmaatschappelijk aspecten van belang zoals een gezonde leefomgeving, bestaanszekerheid en kansengelijkheid in het onderwijs. We zetten hier op in via onder andere de Gezonde School-aanpak en het programma Jongeren Op Gezond Gewicht (JOGG). Ook werkt het kabinet momenteel de ambitie uit om kinderen in het primair- en voortgezet onderwijs schoolfruit aan te bieden. Het kabinet werkt bovendien aan een omzetting van de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken naar een gedifferentieerde verbruiksbelasting op suikergehalte als aan een suikerbelasting op eetwaren. Het doel is om de suikerconsumptie via dranken en eetwaren terug te dringen. Voor beide fiscale maatregelen werkt het kabinet toe naar een wetgevingspakket dat naar verwachting in 2027 naar de Tweede Kamer zal worden.4
Het stimuleren tot bewegen is en blijft onderdeel van het pakket aan maatregelen in de aanpak van overgewicht en obesitas. Zo kunnen scholen bijvoorbeeld via het programma Gezonde School er zelf voor kiezen om naast de bestaande aandacht voor sport en bewegen in het lesprogramma extra aan de slag te gaan met de thema’s bewegen en voeding.
Hoe verhoudt deze keuze zich tot het gegeven dat voldoende bewegen leerlingen helpt om beter te kunnen leren?
Voldoende bewegen draagt eraan bij om beter te leren. Wij delen dan ook het belang van bewegen. De kerndoelen zijn echter niet de plek om scholen te verplichten meer beweegmomenten door de dag heen aan te bieden. Scholen hebben zelf de vrijheid om te bepalen hoe en met welke roosters ze het onderwijsprogramma vormgeven.
Scholen richten hun onderwijs in met kennis, uit wetenschap en praktijk, en goed afgestemd op hun leerlingen. Veel scholen zijn hier ook al mee aan de slag. Bijvoorbeeld met bewegen door de dag heen, om kinderen beter te laten leren. Ze doen dit in de vorm van de dynamische schooldag, maar ook via het programma Gezonde school of een initiatief als de Koningsspelen.
Hoe verwacht uw het preventiedoel dat maximaal 5 procent van de kinderen overgewicht heeft in 2040 te gaan halen?
Het kabinet zet in op de gezondste generatie ooit. Met de Samenhangende preventiestrategie zetten we met gerichte, samenhangende maatregelen in op het gezonder maken van leefomgevingen van kinderen en jongeren zoals thuis, op school en in de wijk, zodat de gezonde keuze vanzelfsprekender wordt. Bij vraag 4 benoemde ik al de voorgenomen plannen voor een suikerbelasting op eten en drinken en het aanbieden van schoolfruit. Maar we doen meer. Zo wordt bijvoorbeeld ingezet op de Gezonde Kinderopvang en Gezonde School om een groot bereik van deze programma’s te realiseren en kinderopvangcentra en scholen te ondersteunen bij de implementatie. Ook kunnen scholen in het voorgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs met de toolbox voor een gezonde leeromgeving van het Voedingscentrum aan de slag om eten en drinken in kantines gezonder en duurzamer te maken. De Samenhangende preventiestrategie staat niet op zichzelf. Wij werken met diverse programma’s en akkoorden, zoals het Sportakkoord II, Gezond en Actief Leven Akkoord (GALA) en het Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord (AZWA) om tot de gezondste generatie ooit te komen in 2040.
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om het aantal kinderen met overgewicht te laten doen afnemen?
Het kabinet zet in op een mix van universele en geïndiceerde preventie om overgewicht en obesitas bij kinderen te voorkomen en terug te dringen. Hierbij gebruiken wij diverse instrumenten van informatievoorziening en voorlichting, tot het financieren van preventieprogramma’s (denk aan de Gezonde School en Gezonde Kinderopvang), beleidsmonitoring en -evaluatie en waar nodig wetgeving.
Ook in het coalitieakkoord zijn afspraken opgenomen om overgewicht bij kinderen aan te pakken. Zo krijgen kinderen in het primair en voortgezet onderwijs gratis schoolfruit en voeren we een wet in die kindermarketing reguleert. Het kabinet wil afspraken maken over de introductie van een suikerbelasting en werkt aan wetgeving om gemeenten aanvullende bevoegdheden te geven om op grond van gezondheid maatregelen te nemen om met name voor kinderen en jongeren de gezonde voedselkeuze makkelijker te maken. Met supermarkten worden aanvullend afspraken gemaakt over het vergroten van het verkoopaandeel gezonde producten.
Bent u van mening dat kinderen voldoende bewegen, zowel buiten school als binnen school? Hoe beziet u in dit licht de bevinding dat bijna de helft van de kinderen niet op een actieve manier naar school gaat (te voet of te fiets)?3
Het kabinet zet zich ervoor in dat bewegen in het dagelijks leven en sport voor mensen met en zonder beperking gestimuleerd wordt. Buitenspelen is voor alle kinderen, met en zonder beperking, de belangrijkste vorm van bewegen. Helaas speelt maar 44 procent van de kinderen 4–11 jaar (bijna) elke dag buiten. Daarom stimuleert het kabinet de inzet op meer buitenspelen, (inclusief) buitenspeelbeleid, en de realisatie van inclusieve speeltuinen en groenblauwe schoolpleinen. Dit gebeurt via gemeenten, scholen en maatschappelijke organisaties. Zie ook antwoorden 6 en 7. Eigenlijk zou ieder kind buiten moeten kunnen spelen, ongeacht de omstandigheden waarin een kind opgroeit.
Het grootste deel van het leven van een kind speelt zich af buiten de school. Kinderen gaan ongeveer 25 uur per week naar school. Het aantal uur dat kinderen wakker zijn per week ligt rond de 95 uur. Dit betekent dat zij ongeveer 75 procent van de tijd niet op school zijn. Daarom is er een belangrijke rol voor de ouders en andere opvoeders weggelegd om kinderen gezond te laten opgroeien en voldoende te laten bewegen. Hieronder valt ook op actieve wijze naar school te gaan. Met de City deal Fietsen voor iedereen en de City deal Ruimte voor lopen heeft het kabinet onder andere als doel om meer kinderen op een actieve manier naar school te laten gaan.
Het is belangrijk dat kinderen sporten. We zien uiteraard dat niet elk gezin de financiële middelen hiervoor heeft of de tijd en ruimte om hier verantwoordelijkheid voor te dragen. Daarom bestaan er verschillende regelingen om kinderen en ouders financieel en praktisch te ondersteunen om bewegen te stimuleren. Bijvoorbeeld de financiering van de pilots met de Sportpas vanuit het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Daarnaast zijn er veel gemeentelijke initiatieven om kinderen en gezinnen financieel te ondersteunen zoals het Jeugdfonds Sport & Cultuur en Stichting Leergeld. Gemeenten bieden vaak ook eigen regelingen aan. Binnen de eerdergenoemde Brede Regeling Combinatiefuncties zijn in 99 procent van de gemeenten combinatiefunctionarissen actief in het onderwijs om het sport- en beweegaanbod te vergroten en te versterken.
Bent u van mening dat de Nederlandse Staat voldoende doet om de gezondheid van kinderen te beschermen? Zo nee, waarom niet?
Dit kabinet zet zich in voor de gezondste generatie ooit en dat is een verantwoordelijkheid die bij ons allemaal ligt: ouders en andere verzorgers, scholen, sportverenigingen, gemeenten en maatschappelijke organisaties. Ieder kind verdient het om op te groeien in een liefdevolle, veilige en stimulerende omgeving waarin gezond opgroeien vanzelfsprekend is. Bewegen speelt daarbij een belangrijke rol.
Voldoende beweging draagt niet alleen bij aan een gezonde fysieke ontwikkeling, maar helpt kinderen en jongeren ook om sociale vaardigheden te ontwikkelen, zelfvertrouwen op te bouwen en beter om te gaan met uitdagingen en tegenslagen. Daarmee levert sport en bewegen een belangrijke bijdrage aan hun weerbaarheid en mentale gezondheid. Ook leefstijlpreventie is hierbij essentieel, zoals beschreven in antwoord 6 en 7.
Investeren in een actieve leefstijl op jonge leeftijd betekent daarom investeren in de gezondheid en het welzijn van toekomstige generaties. In het coalitieakkoord zet het kabinet nadrukkelijk in op preventie en welzijn, met als doel te komen tot de gezondste generatie ooit. Dit probeert zij te realiseren door in verschillende akkoorden van de Samenhangende preventiestrategie tot het AZWA hierover afspraken te maken, maar ook via de verschillende regelingen en initiatieven gericht op bewegen en sporten op scholen en in de leefomgeving zoals hiervoor beschreven in antwoord 8.
Dit kabinet doet er alles aan om de gezondheid van kinderen te stimuleren, maar er is ook een belangrijke rol voor de ouders en andere opvoeders weggelegd. Indien nodig met steun van hun naaste omgeving en beschikbare hulp en ondersteuning.
Hoe kijkt u tegen de eventuele rechtszaak aan van Erik Scherder en Defence for Children?
We hechten waarde aan een constructieve dialoog. Een juridische procedure is niet altijd de geëigende route daartoe, maar het staat in Nederland iedereen vrij om naar de rechter te stappen.
Kunt u deze vragen ieder afzonderlijk beantwoorden?
Vraag 2 en 3 zijn in samenhang beantwoord.
Bent u bekend met de berichtgeving van NOS, Trouw en Stichting School & Veiligheid over de toenemende invloed van de zogenoemde manosphere op jongens en jonge mannen, waaronder jongens en jongvolwassenen met problematisch of grensoverschrijdend gedrag, en over signalen van dit gedrag in het onderwijs?1, 2, 3
Ja.
Deelt u de zorgen dat content, waarin vrouwen en meisjes als ondergeschikt en minderwaardig worden neergezet, kan bijdragen aan een klimaat waarin grensoverschrijdend gedrag en geweld tegen vrouwen en meisjes worden genormaliseerd?
Ja, die zorgen deel ik. Ik sta pal voor de gelijkwaardigheid tussen mannen en vrouwen in onze samenleving en maak mij samen met anderen hard voor de veiligheid en vrijheid van vrouwen.
In hoeverre is bij politie, Openbaar Ministerie en andere betrokken professionals bekend of de manosphere een rol speelt bij seksueel grensoverschrijdend gedrag, stalking, huiselijk geweld of ander geweld tegen vrouwen en meisjes?
Ja, professionals zien dat de manosfeer hierbij een rol kan spelen.
Uit een uitvraag onder betrokken organisaties blijkt dat professionals van Politie, Openbaar Ministerie, reclassering en forensische zorg die werken met personen die grensoverschrijdend gedrag vertonen, bekend zijn met online beïnvloeding vanuit onder meer de manosfeer. Zij geven aan dat dit in sommige gevallen een van de risicofactoren kan zijn voor seksueel grensoverschrijdend gedrag, stalking, huiselijk geweld, en ander geweld tegen vrouwen en meisjes. Tegelijkertijd benadrukken zij dat een direct causaal verband moeilijk is vast te stellen en dat online beïnvloeding moet worden bezien in samenhang met andere persoonlijke, sociale en contextuele factoren.
Bij Slachtofferhulp Nederland, Veilig Thuis, Centrum Seksueel Geweld en de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) zijn op dit moment geen structurele signalen bekend. Dat betekent echter niet dat dergelijke online invloeden geen rol kunnen spelen in individuele zaken. Zo betrekt de RvdK het online gedrag van jongeren bij jeugdcriminaliteitszaken in de risicotaxatie, waardoor ook mogelijke invloeden vanuit online omgevingen, waaronder de manosfeer, kunnen worden meegewogen. Ook onderwijsprofessionals geven volgens het onderzoek van Stichting School & Veiligheid aan dat ze de invloed van de manosfeer op school merken. Bijvoorbeeld als het gaat om ideeën over genderverhoudingen, zoals kwaliteiten of rolverdeling van mannen en vrouwen of negatieve uitspraken over en gedragingen richting mensen die transgender, non-binair of homo zijn.
Het kabinet blijft hierover in gesprek met betrokken organisaties en houdt de ontwikkelingen nauwlettend in de gaten.
Wordt binnen de aanpak van geweld tegen vrouwen, huiselijk geweld, seksueel geweld en femicide op dit moment expliciet gekeken naar online vrouwenhaat, manosphere-content en digitale beïnvloeding van vrouwonvriendelijke denkbeelden? Zo ja, op welke manier? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?
Ja. De aanpak van (seksueel) geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld bevat onder andere specifieke inzet op het bevorderen van gendergelijkheid, het tegengaan van schadelijke genderstereotypen en opvattingen, zowel in de fysieke als in de online leefomgeving. Hierbij is ook specifieke aandacht voor jongens en mannen, bijvoorbeeld via het ondersteunen van de stichting Emancipator4, de publiekscampagne in het kader van het Nationaal Actieprogramma seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld («Man, zeg er wat van») en de ontwikkeling van de Mannenalliantie tegen gendergerelateerd geweld en femicide. Deze inzet draagt bij aan het tegengaan van de invloed van, en weerbaarheid tegen, de manosfeer. Tegelijkertijd zijn er meer en specifiekere maatregelen mogelijk, zowel offline als online.
Bij de ontwikkeling van het nieuwe nationaal actieplan geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld en het versterkingsplan lhbtiq+ wordt de invloed van de manosfeer meegenomen. We ontwikkelen dit in coördinatie met andere betrokken departementen. In de Emancipatienota die de Tweede Kamer in september 2026 ontvangt wordt u hier nader over geïnformeerd.
Ziet u aanleiding om, naar aanleiding van deze berichtgeving, te onderzoeken of en hoe manosphere-content een rol speelt in de aanloop naar geweld tegen vrouwen, intieme terreur, controlerend gedrag en seksueel grensoverschrijdend gedrag? Zo nee, waarom niet?
Na de zomer start de Nationaal Coördinator met de ontwikkeling van een nieuw nationaal actieplan geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld. Hierin wordt meegenomen welke behoeften er zijn aan onderzoek bij de aanpak van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, en op welke wijze dit geprioriteerd kan worden binnen de beschikbare middelen. Dit geldt ook voor het versterkingsplan lhbtiq+. Een onderzoek naar de rol van de manosfeer in het ontstaan en voortduren van grensoverschrijdend gedrag en geweld tegen vrouwen behoort hierbij tot de mogelijkheden.
Beschikken professionals die werken met jongeren en jongvolwassenen met problematisch of grensoverschrijdend gedrag volgens u over voldoende kennis en handvatten om beïnvloeding door de manosphere te herkennen, bespreekbaar te maken en mee te wegen in de risicotaxatie en begeleiding?
Op dit moment loopt, in opdracht van de Ministeries van VWS en JenV, een traject waarin door Regioplan samen met de VNG en verschillende zorg- en strafpartners wordt gewerkt aan een plan van aanpak voor het verbeteren van deskundigheid ten aanzien van gendergerelateerd geweld. Hierbij is aandacht voor (onbewuste) gendernormen en stereotypen. Het plan van aanpak wordt voor de zomer met uw Kamer gedeeld via de voortgangsbrief aanpak geweld tegen vrouwen, huiselijk geweld en kindermishandeling.
Binnen verschillende sectoren die werken met jongeren en jongvolwassenen met problematisch of grensoverschrijdend gedrag is aandacht voor het herkennen en bespreekbaar maken van risicofactoren, waaronder online beïnvloeding. Professionals van onder andere Halt en de Raad voor de Kinderbescherming worden bijvoorbeeld ondersteund met signalerings- en risicotaxatie instrumenten5, handreikingen, factsheets en andere hulpmiddelen. De kennis over de specifieke invloed van de manosfeer is echter nog in ontwikkeling en verdere deskundigheidsbevordering blijft van belang.
Bent u van plan maatregelen te nemen naar aanleiding van het signaal dat beïnvloeding vanuit de manosphere soms leidt tot wantrouwen jegens vrouwelijke hulpverleners?
Het is al langer bekend dat negatieve opvattingen over vrouwen of vrouwelijke autoriteitsfiguren, die ook al vóór de opkomst van de manosfeer voorkwamen, in sommige gevallen een rol kunnen spelen in de hulpverleningsrelatie. Online beïnvloeding, waaronder vanuit de manosfeer, kan dergelijke opvattingen versterken. Tegelijkertijd geven de betrokken organisaties aan geen aanwijzingen te hebben voor een toename van wantrouwen jegens vrouwelijke hulpverleners als gevolg van deze beïnvloeding. Dat neemt niet weg dat dergelijke situaties kunnen voorkomen en dat alertheid op signalen hiervan van belang blijft.
Welke conclusies trekt u uit het onderzoek van Stichting School & Veiligheid, uitgevoerd door Ipsos I&O, dat laat zien dat 78% van de onderwijsprofessionals in het voortgezet onderwijs denkt dat jongens op school in enige mate worden beïnvloed door content over mannelijkheid en omgang met vrouwen?
Uit het onderzoek blijkt dat bijna 80% van de professionals in het voortgezet onderwijs denkt dat jongens op school in enige mate worden beïnvloed door online content over mannelijkheid, genderidentiteit en omgang met vrouwen. Dit benadrukt de mogelijke impact van de manosfeer op het gedrag en de dynamiek in de klas. Dat onderstreept dat de samenleving, de sector en de overheid de taak hebben om te werken aan gelijkwaardigheid en veiligheid voor iedereen.
Ik ben in gesprek met onderwijsprofessionals over dit onderwerp, hun behoefte aan ondersteuning en handvatten om hiermee om te gaan, en manieren om het gesprek in de klas hierover te stimuleren.
Wat vindt u ervan dat bijna driekwart van de professionals in het voortgezet onderwijs de afgelopen vier jaar een toename ziet van gedrag dat mogelijk samenhangt met de manosphere? Wat is volgens u daarvoor een verklaring?
Ik vind het zorgwekkend dat bijna driekwart van de professionals een toename ziet van gedrag dat mogelijk samenhangt met de manosfeer. Het is complex om op basis van dit onderzoek één specifieke oorzaak aan te wijzen, maar de toenemende online blootstelling aan polariserende en antifeministische denkbeelden, zoals uit het onderzoek van Stichting School & Veiligheid blijkt, draagt mogelijk bij aan de toename van dit gedrag.
Erkent u dat deze signalen raken aan de sociale veiligheid van meisjes, lhbtiq+-leerlingen en vrouwelijke onderwijsprofessionals op school?
Ja. Uit het onderzoek blijkt dat 52% van de meiden en 58% van de lhbtiq+ leerlingen zich minder veilig voelen door uitlatingen en gedragingen die voortkomen uit de manosfeer. Dat geldt in mindere mate, maar nog steeds ook, voor jongens (39%). Ook ervaart 29% van de ondervraagde vrouwelijke onderwijsprofessionals dat hun autoriteit wordt ondermijnd vanwege hun vrouw-zijn. Uit gesprekken met leerkrachten worden deze signalen bevestigd.
Welke verantwoordelijkheid ziet u hier voor scholen, overheid en ouders, gezien het feit dat onderwijsprofessionals volgens Stichting School & Veiligheid zorgen hebben over de invloed van deze denkbeelden op het schoolklimaat, waaronder agressie, pestgedrag, spanningen tussen jongens en meisjes en de kwaliteit van gesprekken in de klas?
Scholen, overheden en ouders hebben een verantwoordelijkheid en rol in het creëren van gelijkwaardigheid en ondersteunen van veiligheid voor meisjes en vrouwen, jongens en mannen. Scholen hebben een zorgplicht voor de veiligheid op school, en de opdracht om leerlingen de basiswaarden van de democratische rechtsstaat bij te brengen. Gelijkwaardigheid is daar onderdeel van. Ook mediawijsheid en digitale geletterdheid dragen bij aan het herkennen van online beïnvloeding.
Het is nodig om te begrenzen én aandacht te hebben voor gedrag en uitlatingen van jongeren, om hen zo beter te begrijpen, gerichter te kunnen ondersteunen en waar nodig tijdig te kunnen bijsturen. Vanuit het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ondersteunen we scholen hierbij. Dat gebeurt via Stichting School & Veiligheid, het Expertisepunt Burgerschap en het Netwerk Mediawijsheid.
Ook ouders hebben een belangrijke rol. Zij hebben, hoe moeilijk dat soms ook kan zijn, een taak om thuis het gesprek aan te gaan over waarden als gelijkwaardigheid en respect, en om zicht te hebben op de online invloeden waaraan hun kinderen blootgesteld worden. Het is van belang dat zowel vaders als moeders hier verantwoordelijkheid in nemen. Daarnaast is een goede samenwerking tussen ouders en de school nodig waarbinnen heldere en duidelijke afspraken gelden die ook consequent worden gehandhaafd. Daarmee wordt een positief pedagogisch klimaat gecreëerd waarin iedere leerling en onderwijsprofessional zich veilig kan voelen.
Wat betekent het volgens u dat vrouwelijke onderwijsprofessionals vaker vrouwonvriendelijke, homofobe of seksistische opmerkingen signaleren en relatief vaak ervaren dat hun autoriteit door leerlingen wordt ondermijnd?
Het betekent dat de manosfeer bij kan dragen aan een onveilig schoolklimaat, waarbij vrouwelijke onderwijsprofessionals vaker te maken krijgen met onacceptabel gedrag. Dit ondermijnt hun autoriteit en de kwaliteit van het onderwijs. Het benadrukt de noodzaak om grenzen te stellen en normen te handhaven, zowel op school als in de samenleving.
Welke rol ziet u voor ouders bij het herkennen en bespreken van manosphere-content en bredere online beïnvloeding, en hoe kunnen scholen en ouders hierin beter samenwerken zonder dat de volledige verantwoordelijkheid bij leraren komt te liggen?
Zie het antwoord op vraag 11.
Welke ondersteuning is er op dit moment beschikbaar voor scholen en leraren om adequaat te reageren op vrouwonvriendelijke, seksistische of intimiderende uitspraken?
Op dit moment kunnen scholen en leraren gebruikmaken van ondersteuning via het Expertisepunt Burgerschap, waar subsidie aangevraagd kan worden voor trainingen om schurende gesprekken te voeren. Daarnaast biedt Stichting School & Veiligheid (SSV) ondersteuning bij het bevorderen van een veilig schoolklimaat. Daarnaast vraagt dit van schoolleiders en bestuurders dat zij voor hun medewerkers gaan staan en hen adequate ondersteuning bieden. Ik ben in gesprek met leerkrachten of dit voldoende handvatten biedt.
Vindt u deze ondersteuning voldoende, nu onderwijsprofessionals aangeven behoefte te hebben aan meer kennis, praktische tools en vaardigheden om met deze thematiek om te gaan in de klas? Zo nee, bent u bereid tegemoet te komen aan deze behoefte?
Uit het onderzoek en de gesprekken die ik met leerkrachten voer blijkt dat er behoefte is aan ondersteuning. Die is onder andere beschikbaar via het Expertisepunt Burgerschap en Stichting School & Veiligheid. Samen met Stichting School & Veiligheid zijn we voortdurend in contact met leraren om te vernemen wat werkt en of meer nodig is. Dit contact hebben we ook met scholieren.
Bent u bekend met het bericht «Leerlingen komen met desinformatie over Holocaust de klas in: «Zien ze op TikTok»»?1.
Ja, daar ben ik mee bekend.
Deelt u de zorgen van docenten en onderzoekers over de toename van desinformatie over de Holocaust onder leerlingen, mede als gevolg van AI gegenereerde beelden op sociale media?
Ja, deze zorgen deel ik. Desinformatie over de Holocaust kan zich via sociale media snel verspreiden en het onderwijs hierover bemoeilijken. Daarom zet het Ministerie van OCW in op het versterken van mediawijsheid en digitale geletterdheid, zodat leerlingen beter leren omgaan met (des)informatie en de betrouwbaarheid van bronnen kunnen beoordelen.
Meer dan de helft van de leerlingen kon in een experiment een AI-gegenereerde foto van Auschwitz niet van een echte foto onderscheiden, deelt u de zorg dat een gebrek aan historische basiskennis leerlingen kwetsbaarder maakt voor desinformatie?
Het niet kunnen onderscheiden van een AI-gegenereerde afbeelding van een echte afbeelding hoeft niet direct samen te hangen met een gebrek aan historische basiskennis. Historische basiskennis is wel degelijk zeer belangrijk. Dezedie helpt leerlingen in weerbaarheid tegen desinformatie over de Holocaust. Daarom wordt vanuit het Nationaal Plan Versterking Holocausteducatie ingezet op het versterken van kennis over de Holocaust en het ondersteunen van docenten hierbij.
Herkent u het beeld dat vier op de tien docenten aangeeft dat sommige leerlingen de ernst van de Holocaust bagatelliseren? Hoe beoordeelt u deze ontwikkeling?
Dit beeld herken ik voor een deel. Het Ministerie van OCW heeft in 2025 een docentenpeiling laten uitvoeren naar bevorderende en belemmerende factoren bij het geven van holocausteducatie.2 Een deel van de docenten (14%) geeft wel aan dat zij te maken hebben gehad met Holocaustontkenning; voor Holocaustbagatellisering of -verdraaiing is dit 38 procent van de docenten (waarbinnen de helft aangeeft dat dit «heel soms» gebeurt). Ook komt het geregeld voor dat docenten merken dat een leerling des- of misinformatie tot zich heeft genomen: een kwart van de docenten geeft aan dat dit «soms» of vaker gebeurde.
Ons oordeel op basis van deze cijfers is dat des- en misinformatie over de Holocaust een reëel en zorgelijk probleem is, ook al manifesteert het zich niet in alle klassen even sterk en speelt het breder dan alleen op dit onderwerp. De meeste docenten geven aan dat ze dit in hun lessen gebruiken en geen behoefte hebben aan extra ondersteuning.
Dertien procent van de docenten heeft wel behoefte aan ondersteuning bij het omgaan met Holocaustontkenning of -verstoring en 12% bij het omgaan met heftige discussies in de klas. Daarom zet het kabinet via het Nationaal Plan Holocausteducatie in op versterking van holocausteducatie. In september 2025 is vanuit amendement Ceder c.s. II3 een project van start gegaan dat zich richt op gastlessen over antisemitisme, racisme en discriminatie, waarbij persoonlijke verhalen centraal staan. Daarbij wordt specifiek aandacht besteed aan antisemitische stereotypen en aan complottheorieën. Ik ben zelf met leraren in gesprek over wat nodig is om dergelijke thema’s en schurende onderwerpen goed te kunnen bespreken in de klas. Ook dragen de kerndoelen burgerschap en digitale geletterdheid bij aan de toerusting van leerlingen om om des- en misinformatie te herkennen en kritisch te beoordelen. Daarbij worden docenten onder meer ondersteund via de subsidie Schurende Gesprekken van het Expertisepunt Burgerschap, die scholingsaanbod biedt in het voeren van gesprekken over gevoelige en maatschappelijk beladen onderwerpen in de klas.
Hoe beoordeelt u de huidige staat van mediawijsheid en digitale geletterdheid op scholen en acht u de huidige inspanningen voldoende?
Uit de Monitor Digitalisering Onderwijs 2025 blijkt dat de helft van de docenten bekend is met de conceptkerndoelen digitale geletterdheid en een kwart hier al mee werkt. De huidige curriculumherziening en -implementatie brengt dit nieuwe leergebied alleen maar nog meer onder de aandacht onder docenten.
Om docenten te ondersteunen is het Expertisepunt Digitale Geletterdheid opgericht. Dit expertisepunt verzamelt en ontsluit bestaande materialen en kan helpen om thema’s zoals online des- en misinformatie beter onder de aandacht te brengen. Daarnaast wordt er via het Expertisepunt Burgerschap scholingsaanbod ontsloten voor docenten voor het voeren van moeilijke gesprekken in de klas, dit kan gaan over polarisatie, maatschappelijke spanningen, maar ook over (online) desinformatie: Scholingsaanbod - Scholingsaanbod Schurende gesprekken. Dit onderwerp vraagt echter blijvende aandacht gezien de snelheid waarmee digitale ontwikkelingen en vormen van des- en misinformatie zich ontwikkelen.
Bent u bereid om additionele maatregelen te nemen om de mediawijsheid en digitale geletterdheid op scholen te verbeteren?
Met de ontwikkeling van nieuwe kerndoelen voor digitale geletterdheid wordt gewerkt aan een stevigere verankering van digitale geletterdheid binnen het onderwijs. Deze kerndoelen bieden scholen en docenten meer handvatten om structureel aandacht te besteden aan mediawijsheid, online informatievaardigheden en het herkennen van des- en misinformatie. Scholen worden daarnaast ondersteund bij de implementatie van de kerndoelen, zodat scholen het leergebied digitale geletterdheid op een passende manier in hun onderwijs kunnen integreren. Op dit moment vind ik nog meer additionele maatregelen daarom niet nodig. Het kabinet blijft de voortgang op dit gebied monitoren en blijft, zoals genoemd bij het antwoord op vraag 5, in gesprek met leraren over de implementatie van de kerndoelen.
Hoe beoordeelt u het feit dat het momenteel voor eenieder mogelijk is om met AI-platforms als ChatGPT nepbeelden te genereren van de Holocaust, met als gevolg het ernstige risico op bagatellisering van dit verleden? Zo nee, bent u bereid maatregelen te treffen?
De mogelijkheid om met AI-toepassingen realistisch ogende beelden te genereren brengt risico’s met zich mee, zeker wanneer het gaat om gevoelige historische gebeurtenissen zoals de Holocaust. AI-gegenereerde beelden kunnen bijdragen aan verwarring, misleiding en bagatellisering van historische feiten. Dat is zorgelijk. Tegelijkertijd raakt dit aan een bredere maatschappelijke ontwikkeling rondom generatieve AI en online desinformatie. Daarom zet het kabinet in op meerdere sporen: het versterken van digitale burgerschap en mediawijsheid via het onderwijs (o.a. met het Regieplan Digitalisering onderwijs), het stimuleren van verantwoord gebruik van AI en effectieve regulering van platforms via de DSA en nieuwe Europese regels rondom AI, en het toewerken naar een digitale publieke ruimte waarin publieke waarden, gebruikersbelangen, keuzevrijheid en democratische weerbaarheid centraal staan.
Tegelijkertijd geldt dat generatieve AI op zichzelf een technologie is met zowel positieve als negatieve toepassingen. Het kabinet acht het daarom van belang om gericht op te treden tegen onrechtmatig gebruik en verspreiding van dergelijke beelden, zonder afbreuk te doen aan fundamentele rechten zoals de vrijheid van meningsuiting en informatievrijheid.
Indien sprake is van uitingen die kwalificeren als groepsbelediging, aanzetten tot haat of discriminatie, of het opzettelijk bagatelliseren, ontkennen of goedkeuren van de Holocaust op een wijze die strafbaar is onder het Wetboek van Strafrecht, kan strafrechtelijk worden opgetreden. Daarnaast wordt op Europees niveau gewerkt aan verdere normering van verantwoord AI-gebruik via onder meer de AI-verordening, die onder meer transparantieverplichtingen bevat voor aanbieders van AI-systemen die synthetische audio-, beeld-, video- of tekstinhoud genereren. Zij moeten er op grond van de verordening voor zorgen dat de outputs van het AI-systeem worden gemarkeerd als kunstmatig gegenereerd of gemanipuleerd. Met andere woorden: AI-gegenereerde nepbeelden moeten als zodanig herkenbaar zijn.
Over welke instrumenten beschikt u om op te treden tegen het genereren en verspreiden van AI-gegenereerde nepbeelden van de Holocaust op sociale media, mede gezien het feit dat het bagatelliseren van de Holocaust in Nederland strafbaar is?
Indien AI-gegenereerde Holocaustbeelden worden gebruikt op een wijze die strafbaar is, bestaan verschillende instrumenten om daartegen op te treden. Afhankelijk van de concrete inhoud en context kan sprake zijn van strafbare feiten zoals groepsbelediging (artikel 137c, tweede lid Sr), het aanzetten tot haat, discriminatie of geweld (artikel 137d Sr) of andere strafbare vormen van Holocaustontkenning of -bagatellisering.
Het Openbaar Ministerie kan strafrechtelijk onderzoek verrichten en vervolging instellen. Het OM en de politie kunnen bij aangiften of meldingen van strafbare online content een vrijwillig verwijderverzoek richten aan de betreffende hostingdienst of het online platform om content offline te krijgen. Als dat niet het gewenste effect heeft, kan de officier van justitie, bij een verdenking van een misdrijf als bedoeld in artikel 67, eerste lid, Wetboek van Strafvordering (Sv), met machtiging van de rechter-commissaris, op grond van artikel 125p Sv een bevel uitvaardigen om de content ontoegankelijk te (laten) maken voor zover een aanbieder in Nederland gevestigd is. Geeft een aanbieder geen gehoor aan zo’n bevel, dan vervalt de bescherming tegen strafrechtelijke vervolging uit artikel 54a Wetboek van Strafrecht. Werkt een aanbieder wél mee, dan biedt artikel 54a Sr bescherming tegen strafrechtelijke vervolging. In die gevallen waarin de content niet in Nederland staat, maar in het buitenland, dan is het Openbaar Ministerie afhankelijkheid van samenwerking en medewerking van de daartoe bevoegde buitenlandse autoriteiten via een internationaal rechtshulpverzoek.
Op grond van de DSA gelden zorgvuldigheidsverplichtingen voor aanbieders van tussenhandeldiensten, onder meer gericht op het tegengaan van de verspreiding van illegale content. Hostingdiensten, waaronder online platforms en sociale mediadiensten, moeten onder meer voorzien in mechanismen om personen of entiteiten de mogelijkheid te bieden illegale inhoud bij hen te melden en zij moeten deze meldingen tijdig en adequaat beoordelen en daarover beslissen. Meldingen van zogeheten betrouwbare flaggers dienen met voorrang te worden behandeld. Zo is Meld Online Discriminatie (MOD) onder de DSA als betrouwbare flagger aangewezen. Daarnaast moeten aangewezen zeer grote online platforms (VLOP’s) de zogeheten systeemrisico’s van hun dienst in kaart brengen en mitigeren, waaronder het risico op de verspreiding van desinformatie.
Indien sprake is van niet-naleving van deze verplichtingen, kunnen de bevoegde toezichthouders handhavend optreden. Ten aanzien van de aangewezen zeer grote onlineplatforms en zeer grote onlinezoekmachines geldt dat de Europese Commissie de primaire bevoegde toezichthouder is op de naleving van de DSA. Voor de overige aanbieders van tussenhandeldiensten is in Nederland de Autoriteit Consument en Markt (ACM) de primaire toezichthouder op de naleving van de DSA door in Nederland gevestigde aanbieders van tussenhandeldiensten. De toezichthouders beoordelen niet of specifieke content illegaal is en leggen geen verwijderverzoeken of bevelen op aan platforms, maar controleren of tussenhandeldiensten voldoen aan de verplichtingen uit de DSA.
Welke mogelijkheden ziet u om op te treden tegen sociale media-accounts en -platformen die AI-gegenereerde Holocaustbeelden verspreiden waardoor grote groepen gebruikers met deze desinformatie in aanraking komen?
Wanneer sociale media-platforms strafbare content verspreiden, kunnen opsporingsinstanties en het OM optreden binnen de bestaande wettelijke kaders. Dat kan in specifieke gevallen leiden tot strafrechtelijke vervolging of verzoeken tot verwijdering van content. Daarnaast zet het kabinet in op een goede toepassing en de effectieve handhaving van de DSA, als belangrijk Europees wettelijk kader voor een veiligere online omgeving, waaronder de daaruit voortvloeiende zorgvuldigheidsverplichtingen om illegale content en misbruik tegen te gaan en, voor zeer grote onlineplatforms, het beheersen van systeemrisico’s. De verspreiding van desinformatie of AI-gegenereerde nepbeelden, kan zo’n systeemrisico vormen.
Het kabinet blijft in gesprek met platforms over hun verantwoordelijkheid bij de bestrijding van illegale content en desinformatie. Ook heeft het kabinet samen met het onderwijs richtlijnen over het gebruik van sociale media op verschillende leeftijden en in relatie tot school gepubliceerd.
Bent u bereid in gesprek te gaan met sociale mediaplatforms zoals TikTok over het actief verwijderen van desinformatie en AI-gegenereerde nepbeelden over de Holocaust, en bent u bereid dit ook Europees te agenderen in het kader van de Digital Services Act?
Het kabinet zoekt op het terrein van online content moderatie de dialoog met online platforms. In dit verband is relevant dat in 2023 een publiek-private samenwerking (PPS) is ingericht, onder neutraal voorzitterschap van het Platform voor de InformatieSamenleving (ECP), die het gesprek tussen overheid en internetsector faciliteert over onder meer trends in contentproblematiek, uitdagingen in de moderatiepraktijk, best practices en relevante wet- en regelgeving. Mijn ministerie verkent, samen met andere departementen, hoe de aanpak van online desinformatie, online discriminatie en antisemitisme hierin kan worden betrokken. Voor wat betreft de DSA, is het aan de bevoegde toezichthouders om toe te zien op de naleving daarvan. Het onderwerp desinformatie staat daarbij, ook op Europees niveau, op de agenda. Signalen over desinformatie en AI-geregenereerde nepbeelden over de Holocaust zijn doorgeven aan de ACM en de Europese Commissie.
Kunt alle vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Dagelijks bewegen als kerndoel in het basisonderwijs |
|
Marijke Synhaeve (D66), Renilde Huizenga (D66), Ilana Rooderkerk (D66) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Kinderen dupe van besluit Ministerie Onderwijs? Scherder wil rechtszaak om dagelijks bewegen te verplichten»?1
Ja, ik ben bekend met het genoemde artikel.
Is het juist dat het Landelijk Expertisecentrum voor het curriculum (SLO) dagelijks bewegen had opgenomen in de kerndoelen voor het basisonderwijs maar dat het Ministerie van OCW daar twee dagen voor de definitieve vaststelling van de kerndoelen, na anderhalf jaar vergaderen, plotseling een streep doorheen heeft gezet?2 Zo ja, wat was de exacte reden voor dit besluit en wie heeft dit besluit genomen?
Nee, dit is onjuist. Het Ministerie van OCW en SLO herkennen deze beschrijving van het proces niet. In een vroege fase van de ontwikkeling van de kerndoelen heeft het kerndoelenteam een aanboddoel bedacht met als opdracht voor de school als geheel om leerlingen te stimuleren te bewegen met het oog op hun welbevinden en gezondheid. SLO heeft na overleg met de advieskring, de klankbordgroep specifieke onderwijsbehoeften, het monitorteam en de expertpoule geconstateerd dat dit achtste conceptkerndoel van Bewegen en Sport buiten de juridische kaders van de werkopdracht en de wet viel3. Dit kerndoel ging namelijk niet over wat kinderen moesten leren, maar om een verplichting voor de school als geheel om bewegen te stimuleren. Dat kan scholen niet via de kerndoelen worden verplicht. Dit is besproken met het kerndoelenteam en heeft ertoe geleid dat dit doel uiteindelijk niet is opgenomen in de conceptkerndoelen. Dit steun ik op basis van de genoemde argumenten.
Wat is de onderbouwing van om dagelijks bewegen niet als verplicht kerndoel op te nemen terwijl er in Nederland 400.000 kinderen met overgewicht zijn en dat aantal de laatste jaren sterk is toegenomen?
Kerndoelen gaan over onderwijsinhoud en dus over wát leerlingen moeten leren. Zij gaan niet over hoe, wanneer of hoe vaak scholen iets moeten organiseren. Deze kerndoelen zijn opgesteld door SLO, samen met experts en leraren. Hierbij is uiteraard ook gekeken naar wat je wettelijk van scholen kunt en mag eisen.
De opdracht aan het onderwijs is groot: kwalificatie, ontwikkeling, socialisatie en persoonsvorming. Primair verwacht de samenleving van scholen dat leerlingen leren lezen, schrijven, rekenen, digitale vaardigheden opdoen en leren over burgerschap. In de vernieuwde kerndoelen Bewegen en Sport komt terug dat kinderen leren waarom bewegen belangrijk is voor de mentale en fysieke gezondheid. Om ervoor te zorgen dat leerlingen voldoende tijd krijgen om te leren bewegen heeft lichamelijke opvoeding als énige vak een wettelijke urennorm.
In het primair onderwijs zijn scholen verplicht om minimaal twee lesuren per week aan lichamelijke opvoeding in te roosteren. In het voortgezet onderwijs is voor iedere schoolsoort een minimale totale urennorm opgenomen in de Wet voortgezet onderwijs 2020. Verder is het aan scholen zelf om een onderwijsprogramma in te vullen waarin ze aan de kerndoelen werken. Dat kan bijvoorbeeld door beweegmomenten in te plannen gedurende de dag, maar dat is geen verplichting.
Het grootste deel van het leven van een kind speelt zich af buiten de school. Kinderen gaan ongeveer 25 uur per week naar school. Het aantal uur dat kinderen wakker zijn per week ligt rond de 95 uur. Dit betekent dat zij ongeveer 75% van de tijd niet op school zijn. De verantwoordelijkheid voor gezond opgroeien ligt dan ook primair bij de opvoeders.
De Nederlandse Sportraad, de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving en de Onderwijsraad riepen in 2018 gezamenlijk al op om het lange zitten te onderbreken door middel van beweegbreaks, maar geen van de aanbevelingen uit dat advies zijn overgenomen door de afgelopen twee kabinetten.3 Bent u wel van plan gehoor te geven aan deze herhaaldelijke adviezen, en zo ja, op welke manier?
Bewegen past uiteraard bij een gezonde en actieve leefstijl. Leren hoe je beweegt gebeurt voor een deel op school, via de lessen lichamelijke opvoeding. Om ervoor te zorgen dat leerlingen voldoende tijd krijgen om te leren bewegen heeft lichamelijke opvoeding als enige vak een wettelijke urennorm. In het primair onderwijs zijn scholen verplicht om minimaal twee lesuren per week aan lichamelijke opvoeding in te roosteren. In het voortgezet onderwijs is voor iedere schoolsoort een minimale totale urennorm opgenomen in de Wet voortgezet onderwijs 2020. Het verplichten van extra beweging gedurende de dag of tijdens andere lessen dan lichamelijke opvoeding past niet binnen de kaders van de kerndoelen.
Ik juich het toe als scholen, naast de gymles, bewegen tijdens de rest van de schooldag stimuleren. Bijvoorbeeld door begeleid buitenspelen, het stimuleren van fietsen of lopen van en naar school, naschoolse activiteiten of bewegend leren. Het Ministerie van OCW ondersteunt scholen hierbij, samen met andere ministeries, onder andere via het programma Gezonde School. Ook gebruiken sommige scholen de School & Omgeving middelen om leerlingen te laten sporten en bewegen. Veel scholen zijn al aan de slag met dagelijkse beweegmomenten. In 2024/2025 boden vier op de tien scholen (40%) dit aan.6 Zo werken in de gemeente Westland inmiddels 17 basisscholen aan een meer beweeglijke schooldag en zijn «Gezonde School» geworden. Het gaat daarbij bijv. om beweegtussendoortjes en bewegen tijdens en om te leren, een dynamische schooldag en schoolpleinen die uitnodigen tot bewegen.7
De Gezondheidsraad adviseert dat kinderen en jongeren tot 18 jaar dagelijks minstens 60 minuten matig intensief bewegen.4 Hoe verhoudt het besluit om dagelijks bewegen niet te verplichten zich tot dit advies?
Zie antwoord vraag 4.
Neuropsycholoog Erik Scherder en belangenorganisatie Defence for Children verkennen juridische stappen tegen de staat, omdat zij vinden dat de gezondheid van kinderen onvoldoende wordt beschermd. Bent u bereid in gesprek te gaan met Scherder en Defence for Children over hun zorgen?
Ik ben altijd bereid om in gesprek te gaan. Het ministerie hecht waarde aan een constructieve dialoog en wil in gesprek blijven met deskundigen en maatschappelijke organisaties over hoe kinderen meer kunnen bewegen binnen de schoolcontext, rekening houdend met praktische uitvoerbaarheid, wetgeving en het bestaande curriculum. Hierover heeft overigens al eerder een gesprek plaatsgevonden met o.a. Prof. dr. Scherder.
Recente studies tonen een relatie aan tussen fitheid van kinderen en hun prestaties op rekenen en taal.5 Deelt u de opvatting dat bewegen en cognitieve ontwikkeling onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden, en zo ja, hoe weegt u dit mee in het curriculumbeleid?
Ja, er komt steeds meer bewijs dat lichamelijke activiteit en cognitieve ontwikkeling met elkaar verbonden zijn. Daarom deel ik ook het belang van bewegen. Zoals eerder genoemd zijn de kerndoelen niet de plek om scholen te verplichten meer beweegmomenten door de dag heen aan te bieden. Scholen hebben zelf de vrijheid om te bepalen hoe ze het onderwijsprogramma vormgeven.
Het is van belang dat scholen hun onderwijs inrichten met kennis uit wetenschap en praktijk en goed afgestemd op hun leerlingen. Het actief onderbreken van zitgedrag om kinderen beter te laten leren is één van de zaken waar scholen kennis van kunnen nemen. Veel scholen zijn hier ook al mee aan de slag, in de vorm van de dynamische schooldag, maar zeker ook anderszins.
Bent u bereid het besluit te herzien en dagelijks bewegen alsnog als kerndoel op te nemen in het curriculum voor het basisonderwijs? Zo nee, welke alternatieve maatregelen neemt u om de beweegachterstand van kinderen structureel aan te pakken?
Het verplichten van scholen om bewegen als geheel te stimuleren past niet binnen de wettelijke kaders van de kerndoelen. Ik deel met uw Kamer de mening dat leraren al een flinke verantwoordelijkheid hebben in hun dagelijkse onderwijspraktijk. Dagelijks bewegen vraagt om een gezamenlijke inzet van verschillende partijen. In de eerste plaats zijn ouders/ verzorgers verantwoordelijk voor het gezond opgroeien van hun kinderen. De gemeenten, maatschappelijke organisaties en verenigingen komen met verschillende initiatieven om daaraan bij te dragen.
Scholen kunnen een rol spelen in meer bewegen gedurende de dag. Als zij dat willen worden, zijn er handvatten om hiermee aan de slag te gaan.
Het Ministerie van OCW helpt scholen met méér bewegen naast de gymles (ook in samenwerking met andere departementen) onder andere via de Koningsspelen en het programma de Gezonde School. Ook gebruiken sommige scholen de School & Omgeving-middelen om leerlingen te laten sporten en bewegen. Daarnaast draagt het Ministerie van OCW bij aan een regeling van VWS (Brede Regeling Combinatiefuncties) waarbij gemeenten buurtsportcoaches met cofinanciering van het Rijk kunnen inzetten op hun scholen voor bijvoorbeeld het organiseren van sportaanbod op school of het faciliteren van een actieve pauze.
(Dagelijks) bewegen vraagt om inbedding in de schooldag, maar leraren staan al onder grote werkdruk. Hoe voorkomt u dat de verantwoordelijkheid voor het beweegbeleid volledig op het bord van de individuele leraar terechtkomt en welke structurele ondersteuning, zoals gymdocenten, beweegcoaches of schoolbrede programma’s, stelt u hiervoor beschikbaar?
Zie antwoord vraag 8.
Het blokkeren van queer accounts door Meta |
|
Marjolein Moorman (PvdA), Sandra Beckerman (SP), Barbara Kathmann (PvdA), Christine Teunissen (PvdD), Laurens Dassen (Volt) |
|
Aerdts , Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Meta blokkeert opnieuw tientallen queer accounts op Instagram» en «Meta heft de blokkade van queer-Instagramaccounts deels op, maar de angst voor herhaling blijft: «Het duwt je terug de kast in»»?1, 2
Ja, daar zijn we mee bekend.
Vindt u het acceptabel dat Meta wederom eenzijdig de accounts van tientallen queerorganisaties en queer personen heeft geblokkeerd of zelfs permanent heeft verwijderd?
De online publieke ruimte moet veilig, toegankelijk en inclusief zijn. Het is onacceptabel als de toegang tot de online publieke ruimte, waar het maatschappelijk debat en commercie plaatsvindt, ongelijk zou zijn op grond van identiteitskenmerken. Discriminatie is in strijd met wet- en regelgeving.
Heeft u sinds de beantwoording op de vragen van de leden Dassen en Kathmann over een soortgelijke situatie in december 2025, meer informatie gekregen over de moderatiekeuzes door Meta?3
Nee, over de moderatiekeuzes van Meta en soortgelijke situaties hebben wij niet meer informatie gekregen sinds december 2025.
Bent u sinds de beantwoording op de bovengenoemde vragen nog verder in contact geweest met Meta over het eenzijdig blokkeren van queer accounts? Zo ja, wat was uw inzet bij deze gesprekken?
Ja, de Staatssecretaris van Digitale Economie en Soevereiniteit heeft deze signalen in een recent gesprek met Meta aan de orde gebracht. Daarbij is het belang van een sociaal veilige omgeving voor iedereen benadrukt. Er is ook op ambtelijk niveau contact geweest met Meta om meer informatie te ontvangen.
Herkent u de signalen van de getroffen accounts dat het vaak niet lukt om in contact te komen met een echt persoon bij Meta om bezwaar te kunnen maken? Wat kan u hiertegen doen?
De signalen van de getroffen accounts dat het niet altijd lukt om in contact te komen met een echt persoon bij Meta zijn bij ons bekend. Op grond van artikel 12 van de digitaledienstenverordening (Digital Services Act, «DSA») is Meta er echter toe verplicht om afnemers van de dienst de mogelijkheid te bieden om rechtstreekse en efficiënte communicatiemiddelen te kiezen die niet uitsluitend op geautomatiseerde instrumenten berusten. Ook moet zij op grond van artikel 20 DSA een gemakkelijk toegankelijk en gebruikersvriendelijk klachtenafhandelingssysteem hebben. Hierin moeten gebruikers voldoende nauwkeurige en naar behoren gemotiveerde klachten in kunnen dienen. Besluiten over die klachten moeten worden genomen onder toezicht van gekwalificeerd personeel en niet alleen op basis van geautomatiseerde middelen. Niet-naleving van deze verplichting kan resulteren in handhavend optreden door de bevoegde toezichthouder. In oktober 2025 heeft de Commissie voorlopige bevindingen gepubliceerd in het onderzoek naar Meta. Daarin concludeert zij dat Meta de DSA overtreedt, onder meer door gebruikers niet voldoende in staat te stellen om inhoudsmoderatiebeslissingen aan te vechten. Meta wordt nu in staat gesteld hierop te reageren, waarna de Commissie een definitief oordeel velt.4
Zijn er signalen dat online accounts worden getroffen door gecoördineerde massameldingen van gebruikers of groepen die het oneens zijn met de inhoud van de accounts? Wat doet Meta om zulke gecoördineerde massameldingen tegen te gaan, met name als deze zich richten tegen minderheidsgroepen?
Nee, informatie over eventuele gecoördineerde massameldingen is bij ons niet bekend. Platforms, waaronder Meta, zijn zelf het best in staat om uit te leggen wat zij doen om dergelijke activiteiten tegen te gaan.
Kunt u ingaan op de onevenredig grote gevolgen die zulke blokkades hebben voor queerorganisaties en personen die voor hun zichtbaarheid en bereik afhankelijk zijn van grote online platforms?
Wanneer accounts van personen en organisaties op zeer grote online platforms worden geschorst of verwijderd, kan dit aanzienlijke gevolgen hebben voor hun zichtbaarheid, community-opbouw en hun inkomsten. Het zonder geldige reden blokkeren van lhbtiq+ personen en lhbtiq+-organisaties kan ervoor zorgen dat deze organisaties en personen, uit angst voor repercussies, niet meer het gevoel hebben dat ze zich vrij kunnen uiten en deel kunnen nemen aan het publieke debat. Dat druist in tegen het recht op vrijheid van meningsuiting. Dit is niet alleen pijnlijk en schadelijk voor de getroffenen, maar ook voor de gemeenschappen waartoe zij behoren of voor wie zij opkomen. De effecten beperken zich niet slechts tot de getroffenen, maar iedereen die zich met die persoon of organisatie identificeert. En daarmee treft het onze hele vrije democratische samenleving.
Hoe ziet u het blokkeren van queer accounts in het licht van artikel 35 van de Digital Services Act (DSA) die stelt dat platforms structurele risico’s op haat en discriminatie moet bestrijden?
Op grond van artikel 34 en 35 van de DSA moeten aangewezen zeer grote online platforms, waaronder Instagram en Facebook, de zogenaamde systeemrisico’s die voortvloeien uit het ontwerp of uit de werking van hun dienst en de daaraan verbonden systemen, identificeren en beperken. Tot deze risico’s behoren ook eventuele werkelijke of voorzienbare negatieve effecten op de uitoefening van de grondrechten. Voorbeelden hiervan zijn het recht op non-discriminatie, negatieve effecten met betrekking tot gendergerelateerd geweld en negatieve gevolgen voor het lichamelijke en geestelijke welzijn. Als zeer grote online platforms structureel lhbtiq+-accounts blokkeren of anders behandelen, voldoen zij niet aan deze verplichting. In dat geval kan de Europese Commissie, als primaire toezichthouder van de DSA ten aanzien van zeer grote online platforms, handhavend optreden.
Vindt u dat Meta een verantwoordelijkheid heeft om een veilige en vrije omgeving te bieden voor queer content? Hoe spant u zich vanuit het perspectief van emancipatie in om dit te waarborgen?
Ja, iedereen heeft een verantwoordelijkheid voor het creëren van een sociaal veilige omgeving voor iedereen. Dat geldt zeker voor grote socialemediaplatforms zoals Meta, maar ook voor bedrijven, maatschappelijke organisaties, burgers en de overheid zelf. Dit uitgangspunt heeft de Staatssecretaris van Digitale Economie en Soevereiniteit recentelijk aan de orde gebracht in een gesprek met Meta. Het uitgangspunt staat ook centraal in ons interdepartementaal Plan van aanpak tegen online discriminatie.5 Binnen dit plan werken we nauw samen met de Ministeries van Justitie en Veiligheid en Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
In het plan is aandacht voor de veiligheid van lhbtiq+ personen evenals in de Versterkte aanpak lhbtiq+-veiligheid.6 Een van de doelstellingen uit de Versterkte aanpak is dat verschillende organisaties op dit thema elkaar versterken.
We zullen de Kamer informeren over de voortgang van beide plannen voor het einde van 2026. Ook kan de Kamer in september de Emancipatienota van dit kabinet verwachten, met daarin de inzet van het kabinet voor het bevorderen van gelijkwaardigheid voor iedereen.
Aanvullend gaan we naar aanleiding van deze berichtgeving samen verkennen of, en zo ja, welke aanvullende maatregelen mogelijk zijn om de positie van lhbtiq+ personen online te versterken.
Bent u bereid om te onderzoeken of de aanname klopt dat minderheidsgroepen onevenredig vaak en hard worden geraakt door de niet-transparante moderatie van Meta?
Het is aan de bevoegde toezichthouder om na te gaan of (zeer grote online) platforms zich houden aan de DSA. Relevant in dit verband is ook dat de DSA voorziet in een mechanisme voor erkende onderzoekers om toegang te krijgen tot gegevens van zeer grote online platforms voor onderzoek dat bijdraagt aan het analyseren van systeemrisico’s en de doeltreffendheid van risicobeperkende maatregelen daartegen.
Bent u bereid zich in te zetten om de geblokkeerde of verwijderde accounts Nederlandse personen en organisaties te herstellen? Welke mogelijkheden heeft u hiertoe?
Op het moment van beantwoording van deze vragen is een aantal geblokkeerde en/of verwijderde accounts van Nederlandse personen en organisaties hersteld. Niet alle problemen zijn echter verholpen. Het is niet een taak van de overheid om in individuele geschillen te treden. Inmiddels is bekend geworden dat een aantal organisaties Meta heeft gesommeerd om aan de verplichtingen op grond van de DSA te voldoen.7 Het kabinet staat voor strikte naleving van de DSA en (bestuursrechtelijke en civielrechtelijke) handhaving daarvan. Daarnaast zet het kabinet, vanuit het plan van aanpak tegen online discriminatie, in op het makkelijker maken voor gebruikers om hun rechten ten opzichte van de platforms uit te oefenen.
Is het blokkeren van accounts, zonder waarschuwing of motivering, in strijd met de DSA?
Ja. Op grond van artikel 17 van de DSA moeten hostingdiensten, waaronder online platforms, een duidelijke en specifieke motivering geven wanneer zij bepaalde beperkingen opleggen aan afnemer van de dienst. Hieronder valt ook het beperken van de zichtbaarheid van door de afnemer verstrekte informatie of gehele of gedeeltelijke schorsing of beëindiging van diens account. Ook moeten zij de gebruiker in staat stellen gratis en elektronisch een klacht in te dienen tegen dat besluit. Afnemers kunnen op grond van de DSA geschillen met een online platform over inhoudsmoderatie voorleggen aan gecertificeerde buitengerechtelijke geschillenbeslechtingsorganen. Dit kan onverminderd hun recht om hetzelfde geschil aan de rechter voor te leggen.8 Wanneer online platforms zich niet aan deze verplichtingen houden, dan is sprake van een overtreding van de DSA en kan de bevoegde toezichthouder daartegen optreden.
Welke gevolgen zijn er voor grote online platforms die zich herhaaldelijk niet aan de DSA houden? Wat hebben toezichthouders nodig om harder en sneller op te kunnen treden?
Wanneer zeer grote online platforms zich (herhaaldelijk) niet aan de DSA houden, kan de Europese Commissie handhavend optreden. De DSA geeft de Europese Commissie verschillende bevoegdheden, zoals het vaststellen van een niet-nalevingsbesluit en het opleggen van een boete ter hoogte van 6% van de wereldwijde omzet. De eerste boete onder de DSA is eerder dit jaar uitgedeeld aan X. Er lopen diverse andere onderzoeken en procedures tegen andere online platforms, waaronder Facebook en Instagram. De Europese Commissie heeft vooralsnog niet aangegeven dat zij meer of andere bevoegdheden, instrumenten of andere middelen nodig heeft.
Bent u het ermee eens dat grote online platforms, die dusdanig veel invloed hebben op het publieke debat en het bereik van organisaties, volledige openheid moeten geven over hun moderatiecriteria en werkwijze? Voorziet de DSA voldoende in deze transparantieverplichting volgens u?
Ja. De DSA voorziet in een dergelijke verplichting. Op grond van artikel 14 DSA moeten aanbieders van tussenhandeldiensten, waaronder (zeer grote) online platforms, in hun algemene voorwaarden informatie opnemen over eventuele beperkingen die zij aan het gebruik van hun dienst opleggen met betrekking tot door de afnemers van de dienst verstrekte informatie. Die informatie moet gegevens omvatten over eventuele beleidsmaatregelen, procedures, maatregelen en instrumenten die worden ingezet voor inhoudsmoderatie inclusief algoritmische besluitvorming en menselijke controle, alsook de procedurevoorschriften van hun interne klachtenafhandelingssysteem. De informatie moet in duidelijke, eenvoudige, begrijpelijke, gebruiksvriendelijke en ondubbelzinnige taal worden beschreven. De informatie moet openbaar beschikbaar zijn in een gemakkelijk toegankelijk en machineleesbaar formaat.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en tijdig vóór het commissiedebat sociale media en inmenging van 4 juni 2026 beantwoorden?
Ja.
Deelt u de mening dat het actief verwijderen of weren van boeken uit bibliotheken en schoolbibliotheken een bedreiging vormt voor de vrijheid van meningsuiting?1, 2
Deelt u de opvatting dat juist voor jongeren die thuis of in hun omgeving weinig toegang hebben tot informatie of herkenning rondom bijvoorbeeld seksuele diversiteit of genderidentiteit, een laagdrempelige en diverse bibliotheekcollectie van groot belang is?
Hoe beoordeelt u de ontwikkeling die wordt geschetst door de Schrijverscentrale en bibliotheken, waarbij bepaalde titels op sommige scholen niet meer welkom zijn, en ouders actief collecties «opschonen»?
Heeft u zicht op hoe vaak en welke typen titels in Nederland ter discussie worden gesteld of verwijderd uit (school)bibliotheken?
Herkent u het beeld uit de Verenigde Staten dat met name boeken over seksualiteit, seksuele diversiteit, LHBTI-personen, vrouwen en minderhedenrechten relatief vaak onderwerp zijn van verwijdering of discussie? In hoeverre speelt dit in Nederland?
Heeft u zicht op in hoeverre georganiseerde belangengroepen druk uitoefenen op bibliotheken en scholen om bepaalde titels te weren of te verwijderen?
Welke waarborgen bestaan er in Nederland om te voorkomen dat politieke of maatschappelijke druk leidt tot beperking van het aanbod in bibliotheken en het onderwijs?
Welke mogelijkheden ziet u om scholen en bibliotheken beter toe te rusten omstreden boeken te behouden, ook bij bezwaren van ouders of belangengroepen?
Bent u bereid om, samen met relevante belangenorganisaties op het gebied van onder andere LHBTI-emancipatie, gendergelijkheid en seksuele educatie, te verkennen hoe bibliotheekcollecties op deze thema’s beschermd kunnen worden?
Het bericht ‘Nog veel meer Instagramaccounts van LHBTI’ers op zwart, veel meldingen uit Nederland’ |
|
Mpanzu Bamenga (D66), Anne-Marijke Podt (D66), Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Judith Tielen (VVD), Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nog veel meer Instagramaccounts van LHBTIQ+’ers op zwart, veel meldingen uit Nederland» waaruit blijkt dat opnieuw meerdere Instagramaccounts van LHBTIQ+-organisaties, activisten en gemeenschappen, waaronder accounts uit Nederland, offline zijn gehaald of ontoegankelijk zijn gemaakt?1
Ja, daar zijn we bekend mee.
Bent u eens met de stelling dat het blokkeren van specifieke LHBTIQ+ accounts en content onrechtmatig, discriminerend en onacceptabel is? Bent u het ook eens met de stelling dat het optreden hiervan, meermaals en herhaald in vrij korte tijd, niet steeds door Meta afgedaan kan worden als een incident maar dat het onderdeel lijkt te zijn van hun beleid?
Het zonder motivering blokkeren van lhbtiq+-accounts lijkt in strijd met de verplichtingen die voortvloeien uit de digitaledienstenverordening (Digital Services Act, DSA), zeker als dit herhaaldelijk gebeurt. Wanneer een platform besluit een account te schorsen of te beëindigen, moet dat gebeuren binnen de kaders van de DSA. De DSA verplicht online platforms om, bij het toepassen van inhoudsmoderatie (zoals het schorsen of verwijderen van een account), op zorgvuldige, objectieve en evenredige wijze te handelen met gepaste aandacht voor de rechten, belangen en grondrechten van alle betrokkenen. Het is aan de bevoegde toezichthouder of rechter om daar uiteindelijk een oordeel over te vellen.
Deelt u de ernstige zorgen dat het blokkeren van LHBTIQ+ personen en LHBTIQ+ organisaties, zonder geldige reden, discriminerend is, de vrijheid van meningsuiting aantast en de acceptatie en het veiligheidsgevoel van LHBTIQ+-gemeenschap onder druk zet? Zo ja, waarom en welke acties onderneemt u om deze ernstige zorgen te adresseren?
Die zorgen delen we. Het zonder geldige reden blokkeren van lhbtiq+ personen en lhbtiq+-organisaties kan ervoor zorgen dat deze organisaties en personen, uit angst voor repercussies, niet meer het gevoel hebben dat ze zich vrij kunnen uiten en deel kunnen nemen aan het publieke debat. Dat druist in tegen het recht op vrijheid van meningsuiting. Dit is niet alleen pijnlijk en schadelijk voor de organisaties en personen die dit overkomt, maar ook voor de gemeenschappen waartoe zij behoren of voor wie zij opkomen. De effecten beperken zich niet slechts tot de getroffenen, maar iedereen die zich met die persoon of organisatie identificeert. En daarmee treft het onze hele vrije democratische samenleving.
Het kabinet is van oordeel dat iedereen een verantwoordelijkheid heeft voor het creëren van een sociaal veilige omgeving voor iedereen. Dat geldt zeker voor grote socialemediaplatforms zoals Meta, maar ook voor bedrijven, maatschappelijke organisaties, burgers en de overheid zelf. Dit uitgangspunt heeft de Staatssecretaris van Digitale Economie en Soevereiniteit recentelijk aan de orde gebracht in een gesprek met Meta. Het uitgangspunt staat ook centraal in ons interdepartementale Plan van aanpak tegen online discriminatie.2 Binnen dit plan werken we nauw samen met de Ministeries van Justitie en Veiligheid, en Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Ook is er aandacht voor de veiligheid van lhbtiq+ personen online in de Versterkte aanpak lhbtiq+-veiligheid.3 Een van de doelstellingen is dat verschillende organisaties op dit thema elkaar versterken.
We zullen de Kamer informeren over de voortgang van beide plannen voor het einde van 2026. Ook kan de Kamer in september de Emancipatienota van dit kabinet verwachten, met daarin de inzet van het kabinet voor het bevorderen gelijkwaardigheid voor iedereen.
Aanvullend gaan we naar aanleiding van deze berichtgeving samen verkennen of, en zo ja, welke aanvullende maatregelen mogelijk zijn om de positie van lhbtiq+ personen online te versterken.
Is het bij u bekend in hoeverre andere minderheidsgroepen dan LHBTIQ+ ook te maken hebben met structurele discriminatie en aantasting van hun vrijheid van meningsuiting door sociale media platforms?
Voor zover eventuele aantasting van de vrijheid van meningsuiting door socialemediaplatforms zelf plaatsvindt, zijn hierover geen cijfers bij ons bekend. Het recente rapport «Discriminatiecijfers in 2025» laat zien dat veel mensen regelmatig online discriminerende uitingen tegenkomen of zelf ervaren.4 Daarbij gaat het ook om andere minderheidsgroepen dan lhbtiq+ personen. De European Observatory of Online Hate laat eveneens zien dat er sprake is van online haat op socialemediaplatforms.5 Tegelijk weten we dat slechts een klein deel van deze ervaringen uiteindelijk wordt gemeld bij de bevoegde instanties. Online discriminatie is complex en wordt niet eenduidig geregistreerd. De aanwezigheid van online haat en discriminatie op platforms kan negatieve effecten hebben op de mate waarin minderheidsgroepen gebruik (kunnen) maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting.
Kunt u toelichten in hoeverre het blokkeren van deze LHBTIQ+ accounts en content zonder duidelijke uitleg in lijn is met de verplichtingen uit de Digital Services Act, met name ten aanzien van transparantie, motivering en effectieve bezwaarprocedures en welke stappen het kabinet en de Europese Commissie zetten om hier actief op te handhaven?
Het blokkeren van accounts en content zonder duidelijke uitleg is in strijd met de verplichtingen uit de DSA. Op grond van de DSA moeten aanbieders van tussenhandeldiensten, waaronder (zeer grote) online platforms, in hun algemene voorwaarden informatie opnemen over eventuele beperkingen die zij aan het gebruik van hun dienst opleggen met betrekking tot door de afnemers van de dienst verstrekte informatie. Zij zijn verplicht om, bij het toepassen van dergelijke beperkingen, op zorgvuldige, objectieve en evenredige wijze te handelen met gepaste aandacht voor de rechten, belangen en grondrechten van alle betrokkenen. Ook moeten zij een duidelijke en specifieke motivering geven wanneer zij een dergelijk besluit nemen. In dat geval moeten zij ook de gebruiker in staat stellen gratis en elektronisch een klacht in te dienen tegen dat besluit. Wanneer online platforms zich niet aan deze verplichtingen houden, dan is sprake van een overtreding van de DSA en kan de bevoegde toezichthouder daartegen optreden.
Afnemers kunnen op grond van de DSA ook geschillen met een online platform over inhoudsmoderatie voorleggen aan gecertificeerde buitengerechtelijke geschillenbeslechtingsorganen. Dit kan onverminderd hun recht om hetzelfde geschil aan de rechter voor te leggen.6
Welke acties zijn sinds de vorige blokkades (in december 2025) ondernomen door het kabinet of bevoegde toezichthouders naar aanleiding van deze signalen?
De Staatssecretaris van Digitale Economie en Soevereiniteit heeft de signalen aan de orde gebracht in een gesprek met Meta. In aanvulling daarop is ook op ambtelijk niveau navraag gedaan bij Meta over de blokkades om meer informatie te krijgen. Daarnaast is het signaal met de Europese Commissie gedeeld. De Europese Commissie kan naar aanleiding van deze signalen besluiten om nader onderzoek in te stellen naar de naleving van de DSA door Meta en, indien nodig, handhavend optreden.
Is er tevens contact geweest met belangenorganisaties van LHBTIQ+ personen om te vragen welke signalen er nog meer zijn en waar behoefte aan is?
De Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie staat in goed contact met strategische samenwerkingspartners die de belangen van de lhbtiq+-gemeenschap behartigen. De strategische partners zijn zelf niet getroffen door ongemotiveerde schorsingen of verwijderingen. Zij staan wel in contact met de getroffen organisaties. Met hen bespreken we wat de getroffen organisaties hebben ervaren en ook gaan we in gesprek met een aantal van de getroffen organisaties om te horen wat hun ervaringen zijn en waar behoefte aan is.
Welke mogelijkheden ziet u voor zich om bij sociale media platformen de transparantie over het blokkeren van accounts af te dwingen zodat voor gebruikers duidelijk is op welke gronden een blokkade is ingesteld en waar ze terecht kunnen met klachten of vragen?
Zie het antwoord op vraag 5.
Welke mogelijkheden heeft u om platforms ertoe te bewegen geblokkeerde accounts te herstellen en/of gedupeerden te ondersteunen bij het herstellen van hun account?
Op het moment van beantwoording van deze vragen is een aantal geblokkeerde en/of verwijderde accounts van Nederlandse personen en organisaties hersteld. Niet alle problemen zijn echter verholpen. Het is niet een taak van de overheid om in individuele geschillen te treden. Inmiddels is bekend geworden dat een aantal organisaties Meta heeft gesommeerd om aan de verplichtingen op grond van de DSA te voldoen.7 Het kabinet staat voor strikte naleving van de DSA en (bestuursrechtelijke en civielrechtelijke) handhaving daarvan. Daarnaast zet het kabinet, vanuit het plan van aanpak tegen online discriminatie, in op het makkelijker maken voor gebruikers om hun rechten ten opzichte van de platforms uit te oefenen.
Welke maatregelen gaat u nemen tegen sociale media platforms die LHBTIQ+ personen en organisaties discrimineren? En welke aanvullende maatregelen overweegt u om het digitaal targetten van LHBTIQ+ gemeenschappen via sociale media platforms tegen te gaan en de LHBITQ+ gemeenschap beter te beschermen?
Discriminatie is in Nederland en de EU verboden. Platforms als Meta moeten bij het toepassen van hun inhoudsmoderatie rekening houden met grondrechten in het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, waaronder het recht op non-discriminatie. In het algemeen moeten zij de toepasselijke Europese wetgeving, waaronder de DSA, naleven. Het is aan de bevoegde toezichthouder, in dit geval de Europese Commissie, om deze regelgeving te handhaven. De lopende onderzoeken en procedures naar Meta tonen aan dat de Commissie dit doet. Voor de aanvullende kabinetsinzet op het gebied van het tegengaan van online discriminatie en het bevorderen van gender- en lhbtiq+-gelijkheid verwijzen we u naar antwoorden 3 en 7.
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat steeds meer dak- en thuisloze kinderen in de klas zitten als gevolg van woningnood |
|
Nicole Moinat (PVV), René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat leraren steeds vaker dak- en thuisloze kinderen in de klas zien en dat scholen hiervoor steeds vaker hulp moeten inschakelen?1
Ja.
Deelt u de constatering dat woningnood directe en ernstige gevolgen heeft voor de ontwikkeling en onderwijskansen van kinderen? Zo ja, hoe beoordeelt u deze ontwikkeling?
Ja, woningnood kan directe en ernstige gevolgen hebben voor de ontwikkeling en onderwijskansen van kinderen. Ieder kind verdient (passend) onderwijs. Het moet vanzelfsprekend zijn dat alle kinderen deel kunnen nemen aan het onderwijs, zich optimaal kunnen ontwikkelen en zich kunnen voorbereiden op vervolgonderwijs en deelname aan de maatschappij. De schrijnende situaties die worden beschreven in het artikel, waarbij kinderen geen stabiele en veilige thuisbasis hebben, belemmeren de mogelijkheden voor de kinderen. Ik deel de zorgen rondom deze signalen.
Door de schaarste op de woningmarkt is het voor veel gezinnen moeilijk om een passende woning te vinden. Soms lukt het helemaal niet om een eigen woonplek te vinden en komen zij noodgedwongen terecht bij vrienden of familie, in vakantieparken of in de maatschappelijke opvang. Geen enkel kind zou een verwoestende en vaak traumatische periode van dakloosheid in hun leven mee moeten maken. Juist in gevallen van dakloosheid waar kinderen bij betrokken zijn, moet een gemeente er alles aan doen om het gezin te helpen.
Hoeveel minderjarige kinderen in Nederland verkeren momenteel in een situatie van dak- of thuisloosheid? Kunt u deze cijfers uitsplitsen naar leeftijd, regio en type onderwijsdeelname?
Er zijn geen landelijke cijfers bekend hoeveel minderjarige kinderen verkeren in een situatie van dakloosheid. De regionale Ethos-tellingen waarnaar verwezen wordt in het bericht, geven voor een aantal regio’s een duidelijk beeld. De aantallen uit het bericht zijn een weergave van het aantal dakloze kinderen (totaal 4.062) dat op 8 april 2025 in 9 regio’s (totaal 57 gemeenten) geteld is. Deze Ethos-telingen zijn de afgelopen jaren in 124 gemeenten uitgevoerd en in 2026 volgen nog eens 96 gemeenten. Zodoende hebben deze regio’s goed zicht op het aantal dakloze, minderjarige kinderen en hun verblijfsituatie. Het is onbekend welk type onderwijs deze kinderen volgen.
In hoeverre is er zicht op «verborgen dakloosheid», zoals kinderen die tijdelijk bij familie of kennissen verblijven? Acht u de huidige registratie toereikend?
Zie ook het antwoord op vraag 3. De Ethos-tellingen zijn gebaseerd op een brede definitie, waar verborgen dakloosheid (verblijven bij vrienden/familie, verblijf op een vakantiepark, etc.) onderdeel van is. Met een telling krijgt een regio goed zicht op het aantal dakloze kinderen én de wijze van hun verblijf. Op basis van deze informatie kan een regio zorgen dat beleid en uitvoering beter aansluit op de behoefte van dakloze mensen. VWS wil de aankomende jaren faciliteren dat in alle regio’s periodiek tellingen worden uitgevoerd. Zodoende krijgen gemeenten en regio’s goed zicht op verborgen dakloosheid én dakloosheid onder minderjarigen.
Welke ondersteuning ontvangen scholen momenteel om deze kwetsbare groep leerlingen te begeleiden, zowel op sociaal als medisch vlak?
Scholen zijn er in de eerste plaats om goed onderwijs te verzorgen voor alle leerlingen, ook voor kwetsbare leerlingen. School moet daarvoor een veilige omgeving zijn waarin alle kinderen zich kunnen ontwikkelen. Zo’n schoolklimaat leidt behalve tot betere leerprestaties en een hogere motivatie, ook tot een sterker welbevinden van kinderen. Scholen met veel kwetsbare leerlingen ontvangen extra bekostiging om hierin te voorzien. School speelt verder een centrale rol in de pedagogische basis als plek voor ontwikkeling en ontmoeting. School kan samen met partners bijdragen aan het versterken van sociale netwerken, de zelfredzaamheid en de veerkracht van gezinnen, bijvoorbeeld door ouders met elkaar in contact te brengen of door hen te betrekken bij schoolactiviteiten. Waar nodig kan de school ondersteuning bieden om te kunnen leren, zoals een gevulde maag met een schoolmaaltijd, een plek om huiswerk te maken of naschoolse activiteiten. Het kabinet werkt aan het verstevigen van het schoolklimaat en de pedagogische basis op iedere school. Ook verbeteren we de samenwerking tussen de school en de partners rondom de school zoals kinderopvang, jeugdgezondheidszorg, welzijn en jeugdhulp. Vanaf 2027 investeert het Ministerie van OCW 650 miljoen euro per jaar in de verduurzaming van programma’s School & Omgeving, Brugfunctionaris en Schoolmaaltijden.
Deelt u de opvatting dat het niet de kerntaak van het onderwijs is om structurele maatschappelijke problemen zoals dakloosheid op te vangen? Zo ja, hoe voorkomt u dat deze verantwoordelijkheid alsnog bij scholen terechtkomt?
De problemen die gepaard gaan bij een situatie van dakloosheid, worden door veel partijen gevoeld, maar iedere partij heeft een andere verantwoordelijkheid. De gemeente heeft een regierol als het gaat om het voorkomen van dakloosheid. Ik deel de opvatting dat het niet de kerntaak is van het onderwijs om het probleem van dakloosheid op te vangen. Het onderwijs is immers bedoeld om kinderen te ontwikkelen, zodat ze kunnen meedoen in de maatschappij. School is wel een plaats waar zorgelijke situaties aan het licht kunnen komen, zoals ook in het artikel wordt geïllustreerd. Vanuit school kan daarna contact gelegd worden met de bredere ondersteuningsstructuur rondom de school. Hierbij kan gedacht worden aan jeugdgezondheidszorg, maatschappelijk werk of lokale teams.
Welke rol spelen jeugdzorg, gemeenten en de publieke gezondheidszorg bij de ondersteuning van deze kinderen, en is deze inzet naar uw oordeel voldoende?
Gemeenten zijn op basis van de Jeugdwet en de Wmo 2015 verantwoordelijk voor het organiseren van passende ondersteuning en zorg aan volwassenen en kinderen die kampen met sociale en/of psychische problematiek. Zij kopen verschillende vormen van ondersteuning en (maatschappelijke) opvang in waar inwoners gebruik van kunnen maken. Slechts een deel van de dakloze gezinnen heeft te maken met sociale of psychische problemen. Vaak is het gezin in de eerste plaats geholpen met het vinden van passende woonplek. Hoe langer de periode van dakloosheid duurt, hoe groter de kans dat sociale en/of psychische problemenontstaan of verergeren. Daarom werkt het kabinet samen met provincies, gemeenten, corporaties en ontwikkelaars aan het tegengaan van de wooncrisis door het versnellen van de woningbouw en het beter benutten van bestaande woonruimte. Gemeenten doen er alles aan om dakloze gezinnen zo goed mogelijk te helpen. De schaarste op de woningmarkt en in de opvang, maakt dat er niet altijd op korte termijn een passende plek beschikbaar is.
Hoe wordt voorkomen dat deze kinderen onderwijsachterstanden oplopen als gevolg van instabiele woonomstandigheden, stress en verzuim?
De basis om goed onderwijs te kunnen volgen, is een veilige leeromgeving waar een leerling zich gezien weet. Toch is het niet volledig te voorkomen dat leerlingen met stress, door bijvoorbeeld dakloosheid, het risico op achterstanden lopen. Door programma’s als Schoolmaaltijden, Brugfunctionaris en School en Omgeving en het onderwijsachterstandenbeleid wordt ingezet op het verminderen van de effecten van stress en het vergroten van de leer- en ontwikkelmogelijkheden van de meest kwetsbare leerlingen. Scholen met een hoge populatie kwetsbare leerlingen kunnen aanvullende middelen ontvangen om het negatieve effect dat omgevingsfactoren kunnen hebben op de leerkansen te verminderen. Dit stelt scholen in staat om aanvullende ondersteuning te bieden die het risico op achterstanden verkleinen in de vorm van bijvoorbeeld een schoolmaaltijd of ontwikkelactiviteiten, zodat ook deze leerlingen beter kunnen deelnemen aan het onderwijs. Brugfunctionarissen kunnen daarbij een voor de leerkrachten ontlastende rol vervullen.
Hoeveel gezinnen met minderjarige kinderen vallen momenteel buiten de reguliere opvang of hulpverlening, en wat zijn daarvan de oorzaken?
Het is niet bekend hoeveel dakloze gezinnen met minderjarige kinderen buiten de opvang of hulpverlening vallen. Om te bepalen of een gezin überhaupt in aanmerking komt voor gemeentelijke jeugdhulp of Wmo-ondersteuning (waaronder maatschappelijke opvang), voert de gemeente een onderzoek uit. Het niet beschikken over passende woonruimte is op zichzelf geen reden om in aanmerking te komen voor opvang. Op het moment dat het gezin zelfredzaam wordt bevonden, is een gemeente niet verplicht een voorziening te verstrekken. De gemeente mag een zelfredzaam gezin wel toegang geven tot de opvang, al zijn de gezinnen vooral gebaat bij passende huisvesting. Ik begrijp de complexiteit daarvan vanwege de schaarse woningmarkt, maar ik roep lokale partijen wel op om passende oplossingen te vinden.
Welke concrete maatregelen neemt u om dakloosheid onder minderjarigen terug te dringen en verdere toename te voorkomen?
Sinds de start van de ETHOS-tellingen zijn dakloze vrouwen en kinderen beter in beeld, waarbij opvalt dat de groep groter is dan eerder werd gedacht. Steeds meer regio’s nemen deze groepen daardoor beter mee in besluiten rondom woningbouw, tijdelijke huisvesting / flexwonen en het organiseren van kleinschalige opvang. Daarnaast werkt de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening aan het wetsvoorstel Versterking regie op de volkshuisvesting. Met het aangenomen amendement Grinwis2 worden (dreigend) dakloze mensen met minderjarige kinderen aangemerkt als een urgentiecategorie. Dit betekent dat deze gezinnen onder bepaalde voorwaarden met voorrang recht krijgen op een woning. Aanvullend hierop zetten we in op de uitvoering van de «Actie-agenda Voorkomen van jongerendakloosheid (16–27 jaar)»3, waarmee we het aantal dakloze jongeren willen reduceren en een verdere toename willen voorkomen.
Het voornemen van diverse schoolbesturen in het land om op korte termijn een kleine school te gaan sluiten |
|
André Flach (SGP), Chris Stoffer (SGP) |
|
Enneüs Heerma (CDA), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het voornemen van diverse schoolbesturen in het land om op korte termijn een kleine school te gaan sluiten?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Kunt u aangeven hoeveel situaties bij u bekend zijn van kleine scholen die per schooljaar 2026–2027 gaan sluiten?
Voor kleine scholen die drie aaneengesloten jaren een leerlingenaantal hebben dat onder de gemeentelijke opheffingsnorm zit en die geen beroep kunnen doen op een van de uitzonderingsgronden, stopt de bekostiging. De meeste van deze scholen moeten dan fuseren of sluiten. Er zijn ook schoolbesturen die kleine scholen uit eigen beweging fuseren of sluiten. Bijvoorbeeld omdat de kwaliteit van het onderwijs op deze scholen onder druk staat, of omdat de scholen kampen met personeelstekorten.
Het totaal aantal scholen dat per schooljaar 2026–2027 gaat sluiten, is pas na het einde van het schooljaar 2025–2026 bekend. Ieder jaar peilt DUO op 1 oktober hoeveel scholen er het afgelopen schooljaar gesloten zijn. In december wordt het overzicht openbaar gemaakt. In de overzichten is te zien dat in de afgelopen vijf jaar telkens tussen de 45 en 65 basisscholen per schooljaar gesloten zijn.2
Deelt u de constatering dat de aanwezigheid van de school van groot belang is voor de vitaliteit van de lokale gemeenschap en dat met het al dan niet voortbestaan vaak ook andere kernfuncties in de gemeenschap gemoeid zijn?
Zie antwoord op vraag 4.
Welke inspanning levert u in het kader van de inzet voor vitale regio’s en de leefbaarheid van het platteland om zoveel mogelijk te voorkomen dat scholen sluiten? Bent u bereid om met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de PO-Raad te overleggen hoe het voortbestaan van kleine scholen door beleid en wetgeving extra ondersteund kan worden?
Ik deel de constatering dat de aanwezigheid van een school in de omgeving van belang is voor de leefbaarheid van de lokale gemeenschap. Het sturen op een bereikbaar scholenaanbod is dan ook een van de uitgangspunten van de voorgenomen stelselherziening in het primair onderwijs. Hierover is uw Kamer vorig jaar zomer voor het laatst per brief geïnformeerd en hierover zal ik uw Kamer deze zomer nader over informeren.
Dit kabinet wil het stelsel herzien omdat het grote aantal te kleine scholen extra druk legt op de tekorten in onderwijspersoneel en onderwijshuisvesting, zeker in de stedelijke context. Één doel van de stelselherziening is om het zogenoemde scholenlandschap toekomstbestendig te maken. Met het oog op het belang van leefbaarheid en bereikbaarheid, stelt dit kabinet een uitzonderingsgrond voor waarmee de laatste school in de omgeving kan worden behouden. Onderdeel van de voorgenomen stelselwijziging is het omvormen van de huidige kleinescholentoeslag naar een dunbevolktheidstoeslag, waarmee kleine scholen in de regio extra ondersteund worden.
Bij het uitwerken van de genoemde voornemens betrekt mijn ministerie alle relevante partners, waaronder ook de VNG en de PO-raad.
Vindt u het acceptabel dat besturen een voornemen tot sluiting slechts enkele maanden voor de zomervakantie bekendmaken? Welke wettelijke waarborgen zijn er om te waarborgen dat sprake is van een redelijke termijn en in hoeverre zijn extra waarborgen nodig, bijvoorbeeld in de regeling van termijnen voor de medezeggenschap?
Ieder schoolbestuur heeft de plicht om de kwaliteit van het onderwijs aan haar leerlingen te waarborgen. Dit geeft een schoolbestuur bepaalde verantwoordelijkheden in geval van een schoolsluiting. Het schoolbestuur moet ervoor zorgen dat leerlingen hun onderwijs zonder onderbreking kunnen voortzetten en dat de overgang naar een nieuwe school dus goed moet worden begeleid. Dat vraagt van het bevoegd gezag dat ze het voornemen tot sluiting tijdig bekend maken. In de wet bestaat hiervoor geen vaste termijn. De acute noodzaak en reden kan immers ook van geval tot geval verschillen.
Behalve de zorgplicht die schoolbesturen hebben ten aanzien van hun leerlingen, staan in de Wet medezeggenschap op scholen (hierna: WMS) de rechten van de medezeggenschapsraad (hierna: MR) bij een voorgenomen sluiting. Zo heeft een MR adviesbevoegdheid bij een (voorgenomen) sluiting van een school (artikel 11 lid 1 WMS). Het bevoegd gezag moet de MR tijdig voorzien van informatie over de voorgenomen sluiting zodat de MR voldoende tijd heeft advies uit te brengen.
Wat vindt u ervan dat de berekening van de verwachte leerlingengroei zodanig ingewikkeld is dat deze zelfs voor de rechter moeilijk vast te stellen valt?2 Welke mogelijkheden tot verduidelijking ziet u ten dienste van de praktijk in gemeenten?
De berekening van de verwachte leerlingengroei is van veel verschillende factoren afhankelijk. Alleen bij het stichten van een school speelt de verwachte leerlingengroei een formele rol. Bij de stichtingsaanvraag moet een schoolbestuur namelijk aantonen dat de nieuwe school in het 11e jaar na aanvraag op voldoende leerlingen kan rekenen. Hiervoor wordt door het schoolbestuur een belangstellingsmeting uitgevoerd waar ook de prognose van het aantal leerlingen in het voedingsgebied in het 11e jaar na aanvraag mee wordt genomen.
Op de website van DUO staat meer informatie over deze belangstellingsmeting. Voor de prognose wordt gekeken naar data die in de eerste plaats door de betrokken gemeente zelf zijn aangeleverd bij het CBS. Mij is niet bekend dat gemeenten bij het verzamelen van deze data tegen onduidelijkheden aanlopen, daarom zie ik onvoldoende reden om gemeenten nader te ondersteunen.
In de artikelen waarnaar de vraagstellers verwijzen, staat een voorgenomen schoolsluiting centraal. Schoolbesturen kunnen er in zo’n geval voor kiezen om de verwachte leerlingengroei in kaart te brengen om op basis daarvan te bepalen of zij hun school voldoende toekomstbestendig vinden.
Onderkent u dat de bouw van nieuwe woningen een wezenlijke factor kan zijn die het voortbestaan van een school mogelijk zou kunnen maken indien een of enkele jaren extra respijt zou bestaan in de berekening? Bent u bereid te verkennen hoe hiermee, mogelijk op vergelijkbare wijze als bij de discretionaire bevoegdheid voor scholen onder de 23 leerlingen, beter rekening gehouden kan worden gelet op de woningbouwopgave die op veel plaatsen in het land aan de orde is?
Voor een school stopt de bekostiging pas als het leerlingenaantal zich drie jaar op rij onder de gemeentelijke opheffingsnorm bevindt. Dit belangrijke uitgangspunt wil ik graag behouden, ook in een toekomstig stelsel. Deze drie jaar zijn namelijk bedoeld om schommeling van leerlingenaantal op te vangen en te voorkomen dat scholen onnodig moeten sluiten. Het is niet ondenkbaar dat zo’n school na nog een aantal extra jaren toch weer boven de gemeentelijke opheffingsnorm zou kunnen komen, bijvoorbeeld door de bouw van nieuwe woningen. Dit is echter te onzeker. Zowel het sturen op een bereikbaar scholenaanbod als het sturen op kwalitatief goed onderwijs in relatie tot een doelmatige verdeling van mensen en middelen zijn belangrijke uitgangspunten bij het vormen van beleid.
Bent u bereid om te onderzoeken hoe beleid en wetgeving nieuwe rechtspersonen die een kleine school willen overnemen beter kunnen ondersteunen indien dat initiatief voldoende kansrijk is? Op welke wijze kan hierbij gebruik gemaakt worden van eerdere ervaringen, zoals de overname van de basisschool in Griendtsveen?
De rechtspersoon waaronder een school valt, mag de school overdragen naar een nieuwe rechtspersoon. Deze zal vanaf dat moment het bevoegd gezag zijn over de school. De meest voor de hand liggende route is een bestuursoverdracht. Er is een aantal wettelijke eisen waaraan rechtspersonen in het geval van een bestuursoverdracht moeten voldoen, die als doel hebben om de kwaliteit en wenselijkheid van de overdracht te waarborgen. Ik heb op dit moment onvoldoende reden om aan te nemen dat deze wettelijke eisen een kansrijke overdracht in de weg staan. Wel ben ik bereid om in de vorm van een handreiking lokale initiatieven die een school willen oprichten of behouden te ondersteunen. Hiermee geef ik uitvoering aan de motie Oostenbrink naar aanleiding van de heropening van de Driessenschool in Grootschermer4. Deze handreiking zal ik in de loop van dit kalenderjaar met uw Kamer delen. Ook onderzoek ik hoe de samenwerking tussen schoolbesturen in algemene zin kan worden ondersteund.
Bent u bekend met het bericht «Opinie: Bescherm de lichamelijke integriteit van vrouwen, ook in de digitale wereld»?1
Ja, het kabinet is hiermee bekend.
Kunt u het onderzoek van Investico, waaruit is gebleken dat alle grote Nederlandse drogisten, zoals Kruidvat, Etos en Trekpleister, (gevoelige) informatie over de vruchtbaarheid en seksuele gezondheid van klanten delen met Amerikaanse en Chinese techbedrijven, voorzien van een kabinetsreactie?2
Het kabinet vindt het zorgelijk en neemt de signalen over het mogelijk delen van (gevoelige) informatie dan ook serieus. Alleen het beoordelen van specifieke situaties is aan de toezichthoudende autoriteiten, in Nederland is dat de Autoriteit Persoonsgegevens (AP). Het kabinet kan hierover geen uitspraken doen. Een kabinetsreactie hierover ligt dan ook niet in de rede.
Kunt u specifiek maken welke persoonsgegevens door de onderzochte apps en drogisten worden doorverkocht? Is hier sprake van medische gegevens, die enkel met een wettelijke grondslag of na uitdrukkelijke toestemming verwerkt mogen worden?
Zoals in het antwoord op vraag 2 is aangegeven, is een dergelijke beoordeling niet aan het kabinet, maar aan de toezichthoudende autoriteit.
Voldoet de gegevensverwerking door de gezondheidsapps en de drogisten aan de nationale privacywetgeving? Zo ja of nee? Kunt u dit op basis van onderzoek onderbouwen?
In zijn algemeenheid merkt het kabinet op dat de verwerking van bijzondere categorieën van persoonsgegevens, waartoe gezondheidsgegevens behoren, verboden is tenzij er een uitzonderingsgrond van toepassing is, bijvoorbeeld wanneer uitdrukkelijke toestemming is gegeven. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) heeft geoordeeld dat het begrip «bijzondere persoonsgegevens» in dit soort gevallen ruim dient te worden uitgelegd. Daaronder vallen ook persoonlijke gegevens die bij het online bestellen van geneesmiddelen worden ingevoerd, zoals namen en adressen. Of hier gehandeld wordt in strijd met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) is, zoals eerder al in het antwoord op vraag 2 is aangegeven, aan de toezichthoudende autoriteiten, de AP.
Zijn de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) en de Autoriteit Consument & Markt (ACM) op de hoogte van de mogelijk illegale handel in gezondheidsgegevens? Zo ja, wordt hier naar uw weten nader onderzoek naar gedaan? Zo nee, bent u bereid dit in samenwerking met de toezichthouders wel te doen?
De AP heeft desgevraagd laten weten zich bewust te zijn van de grootschalige dataverzameling en datahandel op het internet. Datahandel (in brede zin) is van 2020 tot 2023 een van de strategische aandachtsgebieden geweest van de AP. Ook nu besteedt de AP nog de nodige aandacht aan datahandel. Zo controleert de AP sinds 2024, en nu nog steeds, strenger op cookiebanners. De AP controleert of websites op de juiste manier toestemming vragen voor cookies en andere volgsoftware en pakt misleidende cookiebanners aan.
De AP en de ACM doen geen mededelingen over individuele zaken en eventuele lopende onderzoeken.
Wat is uw oordeel over het gebruik van tracking cookies bij online webshops, waardoor mogelijk gevoelige informatie over het koopgedrag van klanten aan derden wordt doorverkocht? Is dit mogelijk in strijd met de privacywetgeving?
Het kabinet deelt de opvatting dat het gebruik van tracking cookies in bepaalde gevallen problematisch kan zijn, bijvoorbeeld waar gebruikers als gevolg van dark patterns, informatie-overload en consentmoeheid toestemming geven terwijl deze mogelijk afwijkt van hun werkelijke voorkeuren. Voor de volledigheid wordt hierbij ook verwezen naar de kabinetsreactie op het rapport De prijs van gratis internet van het Rathenau Instituut, die op 19 december 2025 met de Kamer is gedeeld.
Het gebruik van tracking cookies bij online webshops is onderworpen aan voorwaarden uit de toepasselijke privacyregelgeving, met name AVG en de e-privacyrichtlijn, die in Nederland is geïmplementeerd in de Telecommunicatiewet. Voor het plaatsen van dergelijke cookies is daarom geïnformeerde en ondubbelzinnige toestemming van de gebruiker vereist. Wanneer het gaat om gevoelige persoonsgegevens geldt een versterkt, expliciet toestemmingsvereiste. De beoordeling of sprake is van strijdigheid met de geldende privacyregelgeving is aan de toezichthouder.
Kunt u expliciet benoemen welke acties u nationaal en in Europees verband neemt om tracking cookies zo veel mogelijk te beperken en het informatie- en toestemmingsrecht van burgers over wat er met hun gegevens gebeurt te versterken?
Het kabinet zet zich nationaal en Europees in om op het gebied van tracking cookies onder meer de informatie- en toestemmingsrechten van burgers te versterken. Zo staat het kabinet positief tegenover de in de Digitale Omnibus voorgestelde automatische gecentraliseerde consentopties, waarmee gebruikers meer controle over hun gegevens krijgen. De onderhandelingen over dit voorstel lopen nog. Voor een weergave van de overige door het kabinet te nemen acties wordt verwezen naar de kabinetsreactie op het rapport De prijs van gratis internet van het Rathenau Instituut, die op 19 december 2025 met de Kamer is gedeeld.
Indien blijkt dat gezondheidsapps en drogisten in strijd met de wet medische gegevens van personen hebben verwerkt, welke gevolgen heeft dit voor deze bedrijven?
Onder de AVG is het verwerken van medische gegevens, die gelden als bijzondere categorieën van persoonsgegevens, verboden tenzij op dat verbod een uitzondering van toepassing is. Het houden van toezicht op en het handhaven van de rechtmatigheid van gegevensverwerkingen in de private sector is, als gezegd, een taak van de onafhankelijke toezichthouder, de AP. Zij beschikt over een eigen repertoire aan bevoegdheden en handhavingsinstrumenten. Zo kan de AP onderzoek instellen naar de naleving van de gegevensbeschermingswetgeving, boetes en dwangsommen opleggen, alsook stopzetting van gegevensverwerkingen gelasten. Het is aan de AP om te bepalen welke manier van handhaving onder de omstandigheden het meest geëigend is.
Deelt u de analyse van de indieners dat de lichamelijke integriteit van personen in een digitale wereld ook vraagt om toereikende privacybescherming? Is dit momenteel juridisch goed genoeg beschermd?
Het kabinet onderschrijft dit belang volledig. Alleen beschikt het kabinet niet over aanknopingspunten dat de gegevensbeschermingswetgeving lacunes vertoont.
Bent u bereid om aanvullende stappen te nemen om de medische gegevens van personen die gezondheidsapps gebruiken of gezondheidsproducten kopen bij drogisten beter te beschermen? Zo ja, hoe gaat u dit doen?
Bij de verwerking van persoonsgegevens is de AVG van toepassing. Het is aan de verwerkingsverantwoordelijke om te voldoen aan de kaders die in de AVG worden gesteld aan de verwerking van persoonsgegevens en aan de strengere eisen die worden gesteld aan de verwerking van bijzondere persoonsgegevens, zoals medische gegevens. Het is aan de AP om toezicht te houden op de naleving van de AVG.
Hoeveel vrouwen in Nederland maken gebruik van zogeheten «cyclusapps», in het bijzonder van Flo en Clue? Kunt u aangeven of de wijze waarop zij geïnformeerd worden bij het gebruik van deze apps en het delen van hun gegevens, conform de huidige wet- en regelgeving is?
Uit het onderzoek van Rutgers over het gebruik van natuurlijke methoden om een zwangerschap te voorkomen onder de vrouwen van 18 tot en met 29 jaar is gebleken dat 37% van de groep gebruikmaakt van een cyclusapp om hun menstruatie bij te houden, waarvan Flo het vaakst werd benoemd3. Cyclusapps moeten zich bij de verwerking van (bijzonder) persoonsgegevens houden aan de kaders die worden gesteld in de AVG, indien zij zijn gevestigd in de EU. Cyclusapps die buiten de EU zijn gevestigd, dienen ook aan de AVG te voldoen, indien zij diensten of goederen aanbieden in de EU. Zowel Clue, die is gevestigd in Duitsland, als Flo, die is gevestigd in het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten, moeten daarmee voldoen aan de AVG.
Welke mogelijke hiaten ziet u in de bestaande wet- en regelgeving in het effectief optreden tegen het onrechtmatig bewaren en/of delen van gevoelige informatie over bijvoorbeeld miskramen, seksuele activiteit, etcetera met derde partijen, mogelijk voor commerciële doeleinden?
Zoals volgt uit de antwoorden op vragen 10 en 11, is er geen blijk van hiaten in de wet- en regelgeving. Het komt eerder aan op de naleving daarvan. Het doen van onderzoek daarnaar, is als gezegd, een taak van de onafhankelijke toezichthouder.
Deelt u de zorgen dat het doorverkopen van medische gegevens van vrouwen kan zorgen tot ongewenste profilering, agressieve gerichte advertenties, of zelfs het opstellen van dataprofielen van de medische geschiedenis van vrouwen?
Het kabinet vindt het uiterst belangrijk dat de gegevens van vrouwen niet ten onrechte gebruikt worden voor zaken als ongewenste profilering, agressieve gerichte advertenties of het opstellen van dataprofielen. Het kabinet vindt het dan ook van belang dat de onafhankelijke toezichthouder hier scherp op is. In elk geval, zoals eerder al genoemd is, is het houden van toezicht op en het handhaven van de rechtmatigheid van gegevensverwerkingen in de private sector een taak van de onafhankelijke toezichthouder, namelijk de AP. Het is aan de AP om te bepalen welke manier van handhaving onder de omstandigheden het meest geëigend is.
Heeft u indicaties voor welke doeleinden de doorverkochte medische gegevens van vrouwen, die zien op hun gezondheid en seksualiteit, worden gebruikt? Is dit in overeenstemming met het doel waarmee de data in eerste instantie met bedrijven is gedeeld?
Desgevraagd heeft het Centrale Bureau Drogisterijbedrijven aan het kabinet laten weten dat er geen persoonlijke gegevens doorverkocht worden. De online drogisterijen hebben privacyverklaringen op hun websites waarin is opgenomen welke gegevens worden verwerkt. Aangezien dit per drogisterij kan verschillen, wordt voor nadere informatie verwezen naar de betreffende websites. Wanneer een gebruiker niet noodzakelijke cookies weigert, worden alleen functionele cookies geplaatst die nodig zijn om de website goed te laten werken. Zonder toestemming worden bovendien geen persoonsgegevens van individuele klanten gedeeld met externe partijen zoals Google of Facebook.
Als gezegd is het beoordelen of specifieke situaties in overeenstemming zijn met de AVG aan de bevoegde toezichthoudende autoriteiten; in Nederland is dat de AP.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en zo snel mogelijk beantwoorden?
De vragen zijn zo snel als mogelijk afzonderlijk beantwoord.
Wat is het doel van deze taalgids en is het doel van de gids bereikt?1
Naar aanleiding van maatschappelijke ontwikkelingen, zoals de Black Lives Matter demonstraties en het Toeslagenschandaal hebben zowel de toenmalig Minister-President als de toenmalige Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap besloten tot een rijksbrede inzet tegen discriminatie en racisme. Binnen OCW heeft dit geleid tot een tijdelijke programmatische aanpak, met de OCW Agenda tegen Discriminatie en Racisme die door mijn voorgangers met uw Kamer is gedeeld in 2022.2 In deze Agenda werd het belang van «inclusief taalgebruik» benoemd. De taalgids is daarna ambtelijk tot stand gekomen als beoogd hulpmiddel, slechts voor medewerkers van het ministerie.
Wanneer is het Programma tegen Discriminatie en Racisme (PDR) ontstaan en waar is besloten een taalgids te maken? Wanneer bent u of uw voorganger akkoord gegaan met de taalgids?
Zie het antwoord op vraag 1.
Wat zijn de kosten verbonden aan dit programma?
Voor de tijdelijke programmatische aanpak is tussen 2022–2028 incidenteel € 12,4 miljoen extra vrijgemaakt.3 Dit geld is begroot voor projecten, samenwerking en subsidies o.a. op het gebied van lesmateriaal, onderadvisering, kennis over koloniaal- en slavernijverleden en het tegengaan van discriminatie en racisme op de werkvloer.
Tijdens het Vragenuurtje liet de Staatssecretaris de Kamer weten deze Taalgids min of meer overbodig te vinden en deze «in de kast te leggen». Bent u ervan op de hoogte dat in de Taalgids staat dat deze elk jaar zal worden herzien? Wat vindt u daarvan?
Zoals ik heb aangegeven is de taalgids niet langer in gebruik op het ministerie. De digitale versie van de gids is niet meer te raadplegen via het OCW-Rijksportaal voor (OCW-)ambtenaren, en fysieke exemplaren zijn voor zover mogelijk teruggenomen. Geplande herzieningen van de taalgids vinden dus niet plaats. De motie Van Houwelingen c.s.4 beschouw ik met deze acties als uitgevoerd. Uiteraard blijft het ministerie vanuit ambtelijk vakmanschap streven naar zorgvuldige, gelijkwaardige, duidelijke en begrijpelijke communicatie in woord en geschrift.
Bent u voornemens om de makers van deze Taalgids de opdracht te geven geen jaarlijkse herziening te maken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer heeft u dat gedaan of gaat u dat doen?
Ja. Zie het antwoord op vraag 4.
Hoeveel fte c.q. personen werken bij de afdeling die deze taalgids hebben gemaakt?
Eén medewerker van het ministerie heeft de ontwikkeling van de taalgids in de periode tussen de zomer van 2023 en de zomer van 2025 begeleid, naast andere werkzaamheden. Daarnaast waren zo’n 30 tot 35 medewerkers voor enkele uren in die periode betrokken, door mee te denken of mee te lezen.
Hoeveel fte c.q. personen van andere afdelingen hebben geholpen bij het tot stand brengen van deze taalgids? Van welke afdelingen waren deze fte c.q. personen?
Zie antwoord vraag 6.
Hoeveel uur is er in totaal aan deze taalgids besteed?
Zie antwoord vraag 6.
Wat zijn de werkzaamheden van het PDR? Vanuit welke behoefte bestaat dit programma en welk probleem lost het op?
De programmatische aanpak ziet onder meer op: de OCW-brede coördinatie op de uitvoering van de Strategie Bestrijding Antisemitisme, de samenwerking met de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme, de OCW-brede coördinatie op het «proces na de komma» met beleidsintensiveringen op het koloniaal- en slavernijverleden en de samenwerking met de Nationaal Coördinator Antisemitisme Bestrijding. Zie het antwoord op vraag 1 voor het ontstaan van de tijdelijke programmatische aanpak van discriminatie en racisme en de OCW Agenda tegen Discriminatie en Racisme.5
Hoeveel en welke organisaties c.q. organisatieonderdelen c.q. mensen zijn om advies gevraagd bij het vormgeven van het PDR in het algemeen en de Taalgids in het bijzonder?
De taalgids is ambtelijk ontwikkeld op basis van wat het ministerie al had samengebracht binnen het OCW-domein aan maatschappelijke en sectorale bronnen op het gebied van inclusieve taal. Uit het bestaande netwerk van externe adviseurs is nadere expertise gebruikt, waaronder van ECHO Expertisecentrum Diversiteitsbeleid en IZI Solutions.
Welke en hoeveel ministeries maken nog meer gebruik van dit soort taalgidsen of vergelijkbare regels dan wel adviezen?
Het Ministerie van Algemene Zaken heeft het rijksbrede Taalkompas ontwikkeld, een praktische schrijfhulp voor alle rijksambtenaren, met kennis over transparant, begrijpelijk en toegankelijk communiceren vanuit de rijksoverheid. Daarnaast ben ik niet bekend met rijks- of departementale taalgidsen.
Omdat het zorgvuldig, gelijkwaardig, duidelijk en begrijpelijk communiceren onderdeel is van het ambtelijk vakmanschap, ga ik er vanuit dat ambtenaren zich per onderwerp zullen bekwamen, specifiek op het eigen dossier, voor eigen gebruik. Bijvoorbeeld zoals het Programma Maritiem Erfgoed van de Rijksdienst Cultureel Erfgoed heeft gedaan voor het eigen team en de directie Emancipatie van OCW heeft gedaan op het gebied van gender en lhbtiq+.
Wordt deze Taalgids meegestuurd aan contacten van het ministerie? Zo ja, wanneer en aan wie?
De taalgids is nadrukkelijk ontwikkeld als naslagwerk alleen voor medewerkers van het ministerie. De gids is daarnaast op een enkel specifiek verzoek gedeeld met collega’s van andere rijksorganisaties.
Zijn dergelijke taalgidsen dan wel taaladviezen onderdeel van subsidievoorwaarden? Zo ja, welke?
Nee.
Kan de Minister toezeggen om bij haar collega’s aan te dringen om elke taalgids van andere ministeries te delen met de Kamer? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik laat het aan de andere bewindspersonen om hier de afweging over te maken.
Heeft u aan de landen c.q. de inwoners in het Midden-Oosten gevraagd of zij voortaan «Zuidwest-Azië» genoemd willen worden? Zo ja, welke waren het eens en welke niet? Zo nee, getuigt het niet van een neokoloniale benadering van deze landen door te bepalen hoe ze genoemd moeten worden?
Nee. Het uitgangspunt van de taalgids was gelijkwaardige communicatie te bevorderen zonder drempels.
Heeft u representatief onderzoek gedaan onder Generatie X of zij die benaming vervelend vinden? Zo nee, waar baseert u dan de overtuiging op dat zij zich gekwetst voelen om zo genoemd te worden?
Nee. Zie het antwoord op vraag 15.
Heeft u bij de afweging om Generatie X een kwetsende naam te vinden afgewogen dat het voorstelbaar is dat de Generatie X dermate veel levenservaring heeft dat zij een kwalificatie als «Generatie X» ook nog wel overleven?
Nee. Zie het antwoord op vraag 15.
Waar komt volgens de bewindspersonen de behoefte vandaan om taal te «dekoloniseren»?
De suggesties in de taalgids waren in lijn met de inspanningen van het kabinet in het vervolgtraject excuses Slavernijverleden.6
Hoe is er in de Taalgids gekomen tot het «doorbreek van machtsverhoudingen»? Hoe bepaal je hoeveel macht iemand heeft? En wie gaat dan de macht verdelen? Is het aan de overheid om die veronderstelde macht te verdelen? Zo ja, waar baseert u dat dan op?
De taalgids had als doel om bewustwording te vergroten van hoe taal in bepaalde situaties als ongelijk of afstandelijk kan worden ervaren. De gids beoogde handvatten te geven om in communicatie onnodige drempels te verlagen en toegankelijker en gelijkwaardiger te formuleren.
Tijdens het Vragenuurtje van 7 april jl. leek de Staatssecretaris aan te geven dat de Taalgids op eigen ambtelijk initiatief tot stand is gekomen. Klopt dat? Zo nee, waarom zei de Staatssecretaris dat dan? Zo ja, is het aan ambtenaren om het bij uitstek politieke vraagstuk van verdeling van macht te adresseren met een Taalgids?
De tijdelijke programmatische aanpak van discriminatie en racisme is een formeel besluit geweest. De taalgids is ambtelijk tot stand gekomen als beoogd hulpmiddel, slechts voor medewerkers van het ministerie.
Heeft u aan inheemse volkeren gevraagd of zij het vervelend vinden om «inheems» genoemd te worden en of zij voortaan liever «oorspronkelijke bewoners» willen worden genoemd? Zo nee, is dit dan niet bij uitstek een neokoloniale benaderingswijze van deze volkeren?
Nee. Zie het antwoord op vraag 15.
Vanuit waar komt de behoefte bij u om illegale vluchtelingen voortaan «mensen die op de vlucht zijn» te noemen? Welk probleem lost dit volgens u op?
Zie het antwoord op vraag 15.
Hoe denkt u dat het schrappen van de woorden «Moederdag» en «Vaderdag» overkomt op mensen die de afgelopen maanden hun vader of moeder hebben verloren en dit jaar Moederdag of Vaderdag met groot gemis vieren? Heeft u deze groep gevraagd of zij het eens zijn met het schrappen van het woord «Moederdag» en «Vaderdag»? Telt het gekwetst zijn van deze groep als aanleiding om een taalgids aan te passen c.q. af te schaffen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zie het antwoord op vraag 15.
Hoe reflecteert u op het feit dat zelfs «Beste dames en heren» moet worden vervangen voor «Beste collega, Beste geadresseerde, Beste mensen»? Bent u het eens dat het Ministerie van OCW volledig is doorgeslagen?
Nee. Zie het antwoord op vraag 15.
Waar is volgens u het dedain vandaan gekomen op het Ministerie van OCW om voor een brede groep te bepalen wat die wel en niet mogen zeggen?
Zie het antwoord op vraag 15.
Bent u het eens met de stelling dat de Taalgids vol staat met tegenstrijdigheden? Bent u het eens dat uitgangspunt 1 wordt ondermijnd door uitgangspunt 5; als je mensen als groep behandelt, kun je ze niet meer als individu behandelen. Wie mag er eigenlijk nog spreken namens de groep?
Laat me vooral zeggen dat het belangrijk is dat mensen niet gereduceerd worden tot een eigenschap of kenmerk. Het uitgangspunt van de taalgids was gelijkwaardige communicatie te bevorderen zonder drempels.
Aangezien deze taalgids tot stand kwam met kennis en advies van verschillende deskundigen en organisaties die zich inzetten voor antidiscriminatie, welke deskundigen en organisaties zijn dat? Worden deze geheel of gedeeltelijk betaald uit de door de Staatssecretaris genoemde € 40.000? Zo nee, waar dan uit? Wat is dan het totaalbedrag?
De taalgids is ambtelijk ontwikkeld op basis van wat het ministerie al had samengebracht binnen het OCW-domein aan maatschappelijke en sectorale bronnen op het gebied van inclusieve taal. Uit het bestaande netwerk van externe adviseurs is expertise gebruikt (€ 3.388). Deze kosten vallen onder het eerder genoemde budget van de tijdelijke programmatische aanpak.
Hoe kijkt u aan tegen de zin in de Taalgids: "Om gelijkwaardigheid te bevorderen, is soms een onconventionele aanpak nodig»? Bent u het eens dat die onconventionele aanpak verdacht veel lijkt op dat ambtenaren gaan bepalen wat gelijkwaardigheid is en daar «onconventionele» taal voor ontwikkelen?
Nee. Zie het antwoord op vraag 15.
Hoe werkt deze Taalgids volgens u door in delen van het onderwijs? Is daar actief beleid op? Zo ja, waarom wordt dat wenselijk geacht?
Nee, het uitgangspunt van de taalgids was om gelijkwaardige communicatie te bevorderen zonder drempels. Zie verder het antwoord op vraag 20.
Bent u bekend met de wetenschappelijke theorieën die stellen dat de taal die je spreekt invloed heeft op hoe je denkt, waarneemt en de wereld begrijpt? Bent u het eens met de stelling dat deze taalgids invloed heeft op de manier van denken van ambtenaren en daarbuiten? Is dat wenselijk?
Taal doet er toe in alle aspecten van onze samenleving. Het uitgangspunt van de taalgids was gelijkwaardige communicatie te bevorderen zonder drempels.
In het boek van George Orwell, 1984 staat het volgende citaat: «Don’t you see that the whole aim of Newspeak is to narrow the range of thought?»; ziet u hoe met deze Taalgids en de daarin opgenomen «newspeak» uiteindelijk het denken beperkt wordt? Zo nee, waarom niet?2
Nee, zie het antwoord op vraag 15.
De onbevredigende antwoorden op de mondelinge vragen over de taalgids op het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap |
|
Martin Bosma (PVV) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u uitleggen hoe het bedrag van 40.000 euro voor het maken van de taalgids is opgebouwd?1
Het bedrag van € 40.000 voor de ontwikkeling van de taalgids bestaat uit de samenwerking met een expert inclusieve communicatie (€ 30.281) en een vormgever uit één van de raamcontracten van de Rijksoverheid (€ 8.161) en drukkosten (ongeveer € 1.000). Bij de vormgeving is rekening gehouden met de digitale toegankelijkheid van het document.
In aanvulling hierop is de gids meegelezen door externe adviseurs met expertise op deze thema’s (€ 3.388). Er werd rekening gehouden met een jaarlijkse herziening van de gids (€ 11.265; initieel voor de jaren 2025, 2026 en 2027). Deze factuur is reeds vooruit betaald. Het resterende bedrag voor de jaren 2026 en 2027 dat niet langer voor de herziening wordt ingezet, wordt aangewend voor andere projecten.
Wat zijn de totale kosten die gemaakt zijn voor de productie en verspreiding van de taalgids, inclusief personeelskosten?
Zie het antwoord op vraag 1. Personeelskosten kunnen niet gespecificeerd worden, omdat medewerkers geen uren per dossier of project bijhouden.
Hoeveel ambtenaren waren betrokken bij het produceren en verspreiden van de taalgids?
Eén medewerker van het ministerie heeft de ontwikkeling van de taalgids in de periode tussen de zomer van 2023 en de zomer van 2025 begeleid, naast andere werkzaamheden. Daarnaast waren zo’n 30 tot 35 medewerkers voor enkele uren in die periode betrokken, door mee te denken of mee te lezen.
Wie heeft de opdracht gegeven tot het vervaardigen van de taalgids?
Naar aanleiding van maatschappelijke ontwikkelingen, zoals de Black Lives Matter demonstraties en het Toeslagenschandaal, hebben zowel de toenmalig Minister-President als de toenmalige Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap besloten tot een rijksbrede inzet tegen discriminatie en racisme. Binnen OCW heeft dit geleid tot een tijdelijke programmatische aanpak, met de OCW Agenda tegen Discriminatie en Racisme die door mijn voorgangers met uw Kamer is gedeeld in 2022.2 In deze Agenda is het belang van «inclusief taalgebruik» benoemd. De taalgids is daarna ambtelijk tot stand gekomen als beoogd hulpmiddel, slechts voor medewerkers van het ministerie.
Is het maken van de taalgids onderwerp geweest van besluitvorming binnen het ministerie?
Nee. Zie het antwoord op vraag 4.
Is de taalgids reeds verspreid op het Ministerie van OCW of op andere ministeries?
De taalgids was enkel voor medewerkers van het ministerie te vinden, als naslag, via het OCW-Rijksportaal, het interne netwerk van (OCW-)ambtenaren. In het licht van de ontwikkeling van het rijksbrede Taalkompas (een praktische schrijfhulp voor alle rijksambtenaren, met kennis over transparant, begrijpelijk en toegankelijk communiceren vanuit de Rijksoverheid) is de inhoud van de gids gedeeld met de collega’s van het Ministerie van Algemene Zaken. De gids is daarnaast op een enkel specifiek verzoek gedeeld met collega’s van andere ministeries.
Is de taalgids door een externe partij geschreven? Zo ja, welke?
Nee. De taalgids is geschreven door medewerkers van het ministerie, in samenwerking (via een opdracht) met een expert op het gebied van communicatie. Zie het antwoord bij vraag 1.
Welke mensen of organisaties zijn geraadpleegd bij het schrijven van de taalgids?
De taalgids is ambtelijk ontwikkeld op basis van wat het ministerie al had samengebracht binnen het OCW-domein aan maatschappelijke en sectorale bronnen op het gebied van inclusieve taal. Uit het bestaande netwerk van externe adviseurs is nadere expertise gebruikt, waaronder van ECHO Expertisecentrum Diversiteitsbeleid en IZI Solutions.
Bestaat er een relatie tussen de taalgids en de Amerikaanse WOKE-ideologie?
Nee.
Is de wens om zwart met een hoofdletter Z te schrijven ingegeven door het Amerikaanse WOKE-verlangen black met een hoofdletter B te schrijven?
Nee.
Wat is de huidige status van de taalgids? Is de taalgids inmiddels ingetrokken of wordt het nog steeds gebruikt op het ministerie?
Zoals ik heb aangegeven is de taalgids niet langer in gebruik op het ministerie. De digitale versie van de gids is niet meer te raadplegen via het OCW-Rijksportaal voor (OCW-)ambtenaren en fysieke exemplaren zijn voor zover mogelijk teruggenomen. De motie Van Houwelingen c.s.3 beschouw ik met deze acties als uitgevoerd. Uiteraard blijft het ministerie vanuit ambtelijk vakmanschap streven naar zorgvuldige, gelijkwaardige, duidelijke en begrijpelijke communicatie in woord en geschrift.
Welke initiatieven worden er op het gebied van discriminatie en racisme de komende periode nog meer uitgerold?
De programmatische aanpak ziet onder meer op: de OCW-brede coördinatie op de uitvoering van de Strategie Bestrijding Antisemitisme, de samenwerking met de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme, de OCW-brede coördinatie op het «proces na de komma» met beleidsintensiveringen op het koloniaal- en slavernijverleden en de samenwerking met de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding.
De overgang van de tijdelijk programmatische aanpak van discriminatie en racisme naar structurele inbedding is in uitvoering, omdat dit structureel onderdeel is van het werk van de overheid (conform artikel 1 van de Grondwet).
Zijn de portretten van de blanke Ministers op het ministerie nu inderdaad verwijderd?
Nee, zie de beantwoording van de Kamervragen over de verwijdering van portretten van oud-ministers uit het Ministerie van OCW, door de voormalig Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.4
Het artikel ‘Raad van State: ministerie moet schoolbesturen 250 miljoen aan achterstallige personeelskosten betalen’ |
|
Marjolein Moorman (PvdA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Raad van State: ministerie moet schoolbesturen 250 miljoen aan achterstallige personeelskosten betalen»?1
Ja, ik ben bekend met het artikel en met de uitspraak zelf.
Kunt u nader toelichten welke overwegingen ten grondslag lagen aan het besluit van de toenmalige Staatssecretaris om in hoger beroep te gaan tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland in 2024, die toen al oordeelde dat het ministerie schoolbesturen te weinig had betaald?
Er is in 2024 hoger beroep ingesteld omdat het beeld was dat er in de overgangsperiode wel voldoende bekostiging was uitbetaald aan de schoolbesturen.2
Kunt u bevestigen of de gevolgen van deze uitspraak onverkort zullen worden toegepast op alle schoolbesturen die door de systematiek zijn benadeeld, of blijft dit beperkt tot de 222 schoolbesturen die de rechtszaak hebben aangespannen?
We bestuderen de uitspraak en bekijken hoe we hier uitvoering aan gaan geven. Uw Kamer wordt hier uiterlijk in juni van dit jaar verder over geïnformeerd.
Wanneer kunt u uitsluitsel geven over de concrete uitvoering van de uitspraak van de Raad van State? Op welk moment gaat u hiervoor dekking zoeken?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u toezeggen dat de dekking voor deze kosten (250 oplopend tot 600 miljoen euro) buiten de OCW-begroting zal worden gevonden, zodat dit niet ten koste gaat van andere onderwijsprioriteiten?
Zie antwoord vraag 3.
Krijgen scholen een schadevergoeding voor het feit dat zij genoodzaakt waren personeel te ontslaan of investeringen uit te stellen? Bent u bereid om in gesprek te gaan met (vertegenwoordiging van) schoolbesturen?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u uitleggen hoe deze fout in bekostigingssystematiek heeft kunnen ontstaan? In hoeverre is er interne reflectie of evaluatie geweest om vergelijkbare rekenfouten in de toekomst te voorkomen?
Het gaat niet om een rekenfout in de bekostigingssystematiek. In 2006 is de bekostigingssystematiek gewijzigd van een declaratiesysteem naar lumpsumbekostiging. De overlopende kosten hadden toegekend moeten worden aan de periode van de declaratiesystematiek (de oude systematiek) volgens de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State. Volgens deze redenering was eind 2006 een tekort ontstaan voor de schoolbesturen. In 2023 is overgegaan van schooljaar- naar kalenderjaarbekostiging. Er is sprake van een andere beoordeling door de Afdeling ten opzichte van het ministerie als het gaat om de al dan niet ontstane tekorten door deze aanpassingen. Het ministerie was van mening dat er geen ontstane tekorten waren, omdat schoolbesturen altijd 100% van de bekostiging hebben ontvangen.