Wereldwijde handel in donorzaad |
|
Lisa Vliegenthart (GroenLinks-PvdA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de recente uitzending van Zembla «Sperma op bestelling: de impact van de wereldwijde handel in donorzaad»?1
Ja.
Kunt u concreet benoemen op welke wijze de rechten van kinderen momenteel via wetten en regelgeving geborgd zijn in de context van (internationale) donorconceptie? Hoe verhoudt zich dit bijvoorbeeld tot het VN-verdrag inzake de rechten van het kind, in het bijzonder art. 7, lid 1? Hoe verhoudt dit zich tot de uitspraak van rechtbank Den Haag (d.d. 28-04-2023) waarin de voorzieningenrechter oordeelde dat de belangen van donorkinderen en hun ouders bij een verbod om nog langer sperma te doneren aan nieuwe wensouders zwaarder wegen dan het belang van de donor om daarmee door te gaan?2
Het recht van donorkinderen op toegang tot hun afstammingsgegevens is in Nederland geborgd in de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting (Wdkb). In deze wet is geregeld dat de gegevens van de donor worden geregistreerd en dat donorkinderen vanaf 16 jaar recht hebben op de persoonsidentificerende gegevens van hun donor.3 Op deze manier voldoet Nederland aan de internationale verplichting om te waarborgen dat een kind, voor zover mogelijk, het recht heeft diens ouders te kennen en diens identiteit te behouden. Deze verplichting is vastgelegd in artikel 7 en 8 van het VN-Verdrag inzake de Rechten van het Kind.
In de rechtszaak waarnaar wordt verwezen heeft de rechter destijds geoordeeld dat de donor in kwestie per direct moest stoppen met het donoren van sperma, zowel in Nederland als in het buitenland. De rechter achtte dit nodig, omdat de donor wensouders doelbewust voorloog over het aantal nakomelingen dat hij als donor had verwekt en nog voornemens was te verwekken. De donor doneerde bij fertiliteitsklinieken, in Nederland en daarbuiten, én in de privésfeer. In de uitspraak heeft de rechter het kinderrechtenperspectief nadrukkelijk meegewogen. De rechter oordeelde dat de belangen van donorkinderen en hun ouders zwaarder wegen dan het belang van een donor om te blijven doneren.
De Wdkb ziet op behandelingen die zijn uitgevoerd in Nederlandse fertiliteitsklinieken. Als bij deze behandelingen donorsperma uit het buitenland wordt gebruikt, gelden dezelfde regels als voor sperma dat in Nederland wordt gedoneerd. Als wensouders kiezen voor een eigen donor in plaats van een donor via een spermabank, wordt hen in het belang van het toekomstige kind geadviseerd om goede afspraken met de donor te maken. Die afspraken kunnen worden vastgelegd in een donorcontract, met hulp van een gespecialiseerde notaris of familierechtadvocaat. Hierover is informatie te vinden op het Landelijk Informatiepunt Donorconceptie.4
Hoewel in de Wdkb het recht op afstammingsgegevens is vastgelegd, bestaat er geen wettelijk recht op contact tussen donor en donorkind. De praktijk leert dat veel donorkinderen daar wel (een sterke) behoefte aan hebben. Daarom verkent het kabinet momenteel welke aanvullende donorgegevens geregistreerd kunnen worden door fertiliteitsklinieken. Door een persoonsnummer, een e-mailadres, het adres ten tijde van donatie en de spermabank waar de donor heeft gedoneerd vast te leggen kan de vindbaarheid van donoren in het buitenland worden vergroot.
Kunt u nader toelichten op welke wijze er momenteel vanuit de huidige wettelijke kaders, in het bijzonder de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting (Wkdb), handvaten bestaan om te handhaven op het recht van een kind, welke is verwerkt met buitenlands donorzaad, om te weten van wie zij afstammen?
Het recht van kinderen om hun afstammingsgegevens te weten is geborgd in de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting (Wdkb), die regelt dat de gegevens van de donor worden geregistreerd en dat donorkinderen vanaf 16 jaar recht hebben op de persoonsidentificerende gegevens van de donor. Dit geldt voor alle behandelingen met donorsperma in Nederlandse fertiliteitsklinieken, ook als deze zijn uitgevoerd met sperma van een buitenlandse spermabank of -donor. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) is verantwoordelijk voor het toezicht op de fertiliteitsklinieken.
Herkent u het beeld welke wordt geschetst in de uitzending van Zembla dat de huidige praktijk, waarbij regels vaak niet gelden als er gebruik wordt gemaakt van buitenlands donorzaad, tekortschiet wat betreft het beschermen van kinderen en hun rechten?
Het beeld dat wordt geschetst in de Zembla-aflevering is deels herkenbaar. Als buitenlands donorsperma wordt ingezet voor een behandeling in Nederland, moet worden voldaan aan de Nederlandse wet- en regelgeving. Zo kan er bijvoorbeeld geen gebruik worden gemaakt van een donor die anoniem wenst te blijven, aangezien kinderen op grond van de Wdkb recht hebben op toegang tot hun afstammingsgegevens. Tegelijkertijd geldt dat nationale wetgeving niet van toepassing is in andere landen. Veel landen hanteren een limiet voor het aantal nakomelingen van één donor binnen dat land, maar het totaal aantal nakomelingen van die donor kan flink oplopen als zijn sperma in meerdere landen wordt gebruikt. Hierdoor kunnen er grote internationale verwantschapsnetwerken van donorkinderen ontstaan. Het ontstaan van grote verwantschapsnetwerken van donorkinderen vindt het kabinet zorgwekkend.
Welke concrete maatregelen wilt u nemen om massadonatie met buitenlands donorsperma in het bijzonder tegen te gaan?
De afgelopen jaren vindt donorconceptie steeds meer plaats in een internationale context, mede vanwege het tekort aan spermadonoren in Nederland. Zoals is aangegeven in het antwoord op vraag 4, kan dit leiden tot het ontstaan van grote verwantschapsnetwerken. Dat is zorgwekkend. Het afstammen van «massadonoren» en het hebben van soms wel tientallen tot honderden halfzussen en -broers wordt door een deel van de donorkinderen ervaren als een pijnlijke last. Ook klinkt vanuit medisch-ethisch, juridisch en politiek perspectief een steeds luidere roep om dergelijke praktijken rond donorconceptie beter te reguleren. In de brief die de voormalig Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport op 12 februari 2026 naar uw Kamer heeft gestuurd, zijn verschillende maatregelen aangekondigd.5 Het Wetsvoorstel zeggenschap lichaamsmateriaal (Wzl)6, dat momenteel voor behandeling in de Tweede Kamer ligt, biedt wellicht een goede mogelijkheid om grensoverschrijdend gebruik van donorsperma te reguleren. Via de Wzl kan mogelijk vastgelegd worden dat het ontvangen of verstrekken van donorsperma door een fertiliteitskliniek of spermabank verboden is, behalve als in bindende afspraken met de andere partij is vastgelegd dat het donorzaad wereldwijd bij niet meer dan een X-aantal vrouwen ingezet wordt. Ook blijft het kabinet op Europees niveau pleiten voor een Europees maximum voor het gebruik van het sperma van één donor en wordt er een breed samenwerkingstraject gefaciliteerd om te komen tot aanvullende afspraken tussen alle betrokken partijen over grensoverschrijdende donorconceptie.
Herkent u de zorgen over gezinnen in kwetsbare posities, zoals regenboogstellen en alleenstaande moeders, die in de huidige praktijk eerder uitwijken naar buitenlandse fertiliteitsklinieken omdat zij vastlopen in het Nederlandse systeem en een gebrek aan een centrum voor wensouders zonder specifiek medisch oogmerk? Zo ja, welke concrete maatregelen neemt u om hen te ondersteunen?
Het kabinet herkent de zorgen over gezinnen in kwetsbare posities, zoals regenboogstellen en alleenstaande moeders. Het recht van wensouders op reproductieve vrijheid en het recht op privé en familieleven (artikel 8 EVRM) wordt zoveel mogelijk geëerbiedigd, maar dit mag niet ten koste gaan van het belang van het kind. Het ontstaan van grote verwantschapsnetwerken door gebruik van buitenlands donorsperma is niet in het belang van het kind. Daarom worden maatregelen voorbereid om massadonatie en de ongewenste effecten van het gebruik van buitenlands donorsperma tegen te gaan. De inperking van het gebruik van buitenlands donorsperma zal vermoedelijk gevolgen hebben voor de wachttijd en kosten van donorsperma voor wensouders. Wat die gevolgen precies zullen zijn, hangt af van de uitwerking in landelijke en Europese wetgeving en van de afspraken die partijen onderling maken. Bij het maken van wet- en regelgeving is uiteraard oog voor de behoeftes van wensouders, maar de belangen van het kind staan voorop. Er bestaat inderdaad een risico dat wensouders buiten Nederland of buiten de kaders van de Wdkb op zoek gaan naar manieren om hun kinderwens te vervullen. De mogelijkheden om dit te voorkomen zijn beperkt. Het is daarom van belang dat wensouders goed worden geïnformeerd over de mogelijke gevolgen voor hun toekomstige kind, en voor henzelf. Informatie over donorconceptie (in internationaal verband) is onder andere te vinden op het Landelijk Informatiepunt Donorconceptie (LIDC) en op de website van Fiom. Diverse belangenorganisaties, zoals Stichting Meer dan Gewenst, Stichting BamMam en Freya (vereniging voor mensen met vruchtbaarheidsproblemen), bieden eveneens informatie en steun aan wensouders.
Het kabinet erkent de zorgen van sommige wensouders over het vervullen van hun kinderwens. Het kabinet vindt echter dat zij niet vastlopen in het «Nederlandse systeem». Wel ondervinden ze de gevolgen van een tekort aan Nederlands donorsperma. Dat probleem wordt echter niet opgelost met een centrum voor wensouders zonder medisch oogmerk. Het kabinet ziet daarom reden noch noodzaak om een dergelijk centrum vanuit de overheid te faciliteren.
Hoe reflecteert u op de oproep van de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) dat nationale werving voor donoren essentieel is om het aanbod aan te laten sluiten op de behoefte, bijvoorbeeld door het opzetten van een nationale donorbank?
Zoals in het antwoord op vraag 5 is aangegeven, neemt het gebruik van buitenlandse donorsperma toe, mede vanwege een tekort aan Nederlandse donoren en de groeiende vraag naar donorsperma. Het kabinet ziet ook dat het gebruik van buitenlands donorsperma ongewenste effecten kan hebben, zoals het ontstaan van grote verwantschapsnetwerken van donorkinderen. Daarom gaat het kabinet zich inspannen om het gebruik van buitenlandse spermadonoren in een internationale context en het aantal nakomelingen per donor te beperken.
Het kabinet zet niet in op een totaalverbod op het gebruik van buitenlandse spermadonoren. Een dergelijk verbod moet noodzakelijk, proportioneel en geschikt zijn om het belang van het kind te beschermen. Bovendien moet rekening worden gehouden met Europese wet- en regelgeving, waaronder regels voor het vrij verkeer van goederen en diensten.
Fertiliteitsklinieken kunnen er op dit moment al voor kiezen om geen buitenlands donorsperma te gebruiken. Sommige fertiliteitsklinieken hebben dit ook al gedaan. Het kabinet vindt het goed dat de NVOG nadenkt over manieren om het ontstaan van grote verwantschapsnetwerken te voorkomen. Het werven van meer
Nederlandse donoren is één van de oplossingsrichtingen. Het werven van donoren en de opslag van donorgameten7 in een gametenbank (het kan zowel om ei- als spermacellen gaan) vindt dit Kabinet een verantwoordelijkheid van de fertiliteitsklinieken. En het kabinet juicht toe dat zij hierover onderlinge afspraken maken.
Hoe reflecteert u op de oproep van onder andere de NVOG en FIOM om te stoppen met buitenlandse spermadonoren? Welke rol ziet u voor uzelf weggelegd in het realiseren van de opzet van een nationale donorbank en het invoeren van een stop op buitenlandse spermadonoren, indien het nationale aanbod voldoende is?
Zie antwoord vraag 7.
Hoe reflecteert u op het feit dat Stichting Donorkind te kennen heeft gegeven de overheid aansprakelijk te willen stellen voor de misstanden omtrent massadonatie?
Stichting Donorkind heeft het recht om de overheid aansprakelijk te stellen voor misstanden rondom massadonatie, en dat recht respecteert het kabinet. Uiteindelijk is het aan de rechter om hierover een oordeel te vellen. Tegelijkertijd dient te worden benadrukt dat de verantwoordelijkheid voor donorconceptie niet volledig bij de overheid ligt. Ook wensouders, fertiliteitsklinieken, spermabanken en behandelaren dragen een verantwoordelijkheid. Zoals de voormalig Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport ook heeft aangegeven in de brief van 12 februari jl., valt er, zeker op korte termijn, meer te verwachten van zelfregulering, afspraken tussen partijen en gezamenlijke initiatieven om massadonatie en de ongewenste effecten van het gebruik van buitenlands donorsperma tegen te gaan. Ontwikkeling van wet- en regelgeving kan niet alle problemen oplossen en vergt hoe dan ook een lange adem.
De uitzending ‘Zaad zonder grenzen’ van Zembla |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van de Zembla-uitzending «Zaad zonder grenzen» (29 januari 2026)?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat er op grote schaal gebruik wordt gemaakt van spermadonoren uit het buitenland, voor wie niet de Nederlandse wet- en regelgeving geldt van een maximum aantal gezinnen en verplichte bekendmaking als het donorkind dat wil? Wat betekent dit voor het recht van een kind om diens familie te kennen?
Het recht van donorkinderen op toegang tot hun afstammingsgegevens (artikel 7 en 8 van het VN-Verdrag inzake de Rechten van het Kind) is in Nederland geborgd in de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting (Wdkb). In deze wet is geregeld dat de gegevens van de donor worden geregistreerd en dat donorkinderen vanaf 16 jaar recht hebben op de persoonsidentificerende gegevens van hun donor.2 Dat er op grote schaal gebruik wordt gemaakt van spermadonoren uit het buitenland vindt het kabinet, zoals ook benoemd in de Kamerbrief van 12 februari jl. 3, zorgwekkend, omdat er hierdoor grote internationale verwantschapsnetwerken van donorkinderen ontstaan. Dit is niet in het belang van het kind. Daarom bereidt het kabinet momenteel maatregelen voor om massadonatie en de ongewenste effecten van het gebruik van buitenlands donorsperma tegen te gaan (zie het antwoord op vraag 3).
Het kabinet wil onderstrepen dat, als buitenlands donorsperma wordt ingezet voor een behandeling in Nederland, er moet worden voldaan aan de Nederlandse wet- en regelgeving. Zo kan bijvoorbeeld geen gebruik worden gemaakt van een donor die anoniem wenst te blijven, aangezien kinderen op grond van de Wdkb recht hebben op toegang tot hun afstammingsgegevens. Desalniettemin blijkt het daadwerkelijk tot stand brengen van contact met een buitenlandse donor in de praktijk lastig. Daarom verkent het kabinet momenteel welke aanvullende donorgegevens geregistreerd kunnen worden door fertiliteitsklinieken. Door een persoonsnummer, een e-mailadres, het adres ten tijde van donatie en de spermabank waar de donor heeft gedoneerd vast te leggen kan de vindbaarheid van donoren in het buitenland worden vergroot. Bovendien heeft de voormalig Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport fertiliteitsklinieken opgeroepen om aanvullende afspraken te maken met buitenlandse spermabanken, over onder andere het actualiseren van contactgegevens van donoren.
Tot welke reflecties leidt deze documentarie bij u, met de wetenschap dat de ChristenUnie eerder voor een verbod op het gebruik maken van sperma- of eiceldonoren uit buitenland heeft gepleit?
In de recente brief over het tegengaan van massadonatie en de regulering van het gebruik van buitenlands donorsperma»4 heeft de voormalig Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport haar zorgen uitgesproken over het toenemend gebruik van buitenlands donorsperma en de beperkingen van de huidige nationale regels. De Zembla-uitzending benadrukt voor het kabinet deze zorgen. Het kabinet noemt hierbij het beperkte zicht op het aantal donorkinderen per donor in internationale context, de beperkte mogelijkheden van donorkinderen om meer over de donor te weten te komen en de gevolgen hiervan voor een deel van de donorkinderen en ouders. De uitspraken van de directeur van de Deense bank Cryos vond het kabinet niet getuigen van inzicht in deze gevolgen voor donorkinderen. De vergelijking die de directeur trok tussen grensoverschrijdende spermadonatie vanuit Denemarken en praktijken van de «Vikingen» waren ronduit stuitend.
Het belang van het kind is voor dit kabinet leidend bij donorconceptie. Het kabinet zet niet in op een totaalverbod op het gebruik van buitenlandse spermadonoren. Een dergelijk verbod moet noodzakelijk, proportioneel en geschikt zijn om het belang van het kind te beschermen. Bovendien moet rekening worden gehouden met Europese wet- en regelgeving, waaronder regels voor vrij verkeer van goederen en diensten. Wel zet het kabinet in op maatregelen om massadonatie en de ongewenste effecten van het gebruik van buitenlands donorsperma tegen te gaan. Het Wetsvoorstel zeggenschap lichaamsmateriaal (Wzl)5, dat momenteel voor behandeling in de Tweede Kamer ligt, biedt een goede mogelijkheid om grensoverschrijdend gebruik van donorsperma te reguleren. Via de Wzl kan vastgelegd worden dat het ontvangen of verstrekken van donorsperma door een fertiliteitskliniek of spermabank verboden is, behalve als in bindende afspraken met de andere partij is vastgelegd dat het donorzaad wereldwijd bij niet meer dan een X-aantal vrouwen ingezet wordt. Ook blijft dit kabinet op Europees niveau pleiten voor een Europees maximum voor het gebruik van het sperma van één donor en wordt een breed samenwerkingstraject gefaciliteerd om te komen tot aanvullende afspraken tussen alle betrokken partijen over grensoverschrijdende donorconceptie.
Hoe is er in het verleden omgegaan met het informeren van wensouders over de waarschijnlijkheid dat buitenlandse donoren op te sporen zijn en het voor donorkinderen mogelijk is om hun donor te leren kennen? Welke informatie krijgen wensouders nu over deze mogelijkheden? En over het feit dat de Nederlandse regels niet gelden voor donaties van deze donoren in het buitenland?
Fertiliteitsklinieken bespreken in de counseling met wensouders wat de mogelijke gevolgen zijn van de keuze voor een donor uit het buitenland. In het standpunt van de beroepsgroep ligt de nadruk daarbij vooral op het aantal nakomelingen per donor in internationaal verband en de mogelijke gevolgen voor het kind.6 In de counseling wordt ook aan de orde gesteld dat het kind recht heeft op zijn/haar afstammingsgegevens en vanaf 16 jaar de persoonsidentificerende gegevens van de donor kan opvragen. Fertiliteitsklinieken verwijzen tot slot naar de informatie van Fiom en het Landelijk Informatiepunt Donorconceptie (LIDC)7, waar aandacht wordt besteed aan de risico’s en mogelijke gevolgen voor het donorkind bij het gebruik van buitenlandse donoren.
Bent u bereid op Europees niveau te pleiten voor uniforme en bindende regels over spermadonatie? Hoe gaat u dat doen?
Het Ministerie van VWS pleit op Europees niveau al geruime tijd voor uniforme regels over donorconceptie. Binnen een recent opgerichte werkgroep van de SoHO coordination board (SCB), onder leiding van België, is er draagvlak voor het instellen van een Europees maximum voor het gebruik van sperma van één donor. Het kabinet zal in deze en andere relevante gremia de Nederlandse positie actief blijven uitdragen.
Wat vindt u van de oproep van de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) in juli 2025 om het gebruik van buitenlandse spermadonoren te stoppen? Welke wet- of regelgeving moet daarvoor volgens u gewijzigd? Kunnen vruchtbaarheidsklinieken er nu al voor kiezen om geen buitenlandse spermadonoren te gebruiken?
Het kabinet vindt het goed dat de NVOG nadenkt over manieren om het ontstaan van grote verwantschapsnetwerken te voorkomen. Aanpassing van wet- of regelgeving is hiervoor niet nodig. Fertiliteitsklinieken kunnen er op dit moment al voor kiezen om geen buitenlands donorsperma te gebruiken. Sommige fertiliteitsklinieken hebben dit ook al gedaan.
Het kabinet zet nu niet in op een stop op het gebruik van buitenlandse spermadonoren. Een dergelijk totaalverbod dient noodzakelijk en geschikt te zijn om het belang van het kind te beschermen en mag niet verder gaan dan daarvoor vereist is. Ook moet hierbij rekening worden gehouden met de geldende Europese kaders, waaronder het vrij verkeer van goederen en diensten.
Hoe kijkt u, in het licht van de onmogelijkheid om de rechten van kinderen te waarborgen bij buitenlandse spermadonatie, aan tegen een (tijdelijk) verbod op buitenlandse spermadonatie totdat er zekerheid bestaat dat internationale spermadonatie de rechten van donorkinderen waarborgt?
Het recht van kinderen op hun afstammingsgegevens geldt ook voor kinderen die zijn verwekt met behulp van een donor uit het buitenland, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2.
Het kabinet zet, zoals in antwoord op vraag 6 aangegeven, niet in op een totaalverbod op het gebruik van buitenlands donorsperma. Het kabinet vindt evenwel het ontstaan van grote verwantschapsnetwerken als gevolg van het gebruik van buitenlands donorsperma niet in het belang van het kind. Daarom treft het kabinet voorbereidingen voor maatregelen om massadonatie en de ongewenste effecten van het gebruik van buitenlands donorsperma tegen te gaan.
Hoe kijkt u aan tegen de diverse misstanden ten aanzien van donorconceptie, of het nu gaat om massadonoren, artsen die zonder toestemming en medeweten van wensouders hun eigen zaad inzetten of kinderen die niet weten dat ze van een donor afkomstig zijn? Ziet u dit als incidenten of als structurele problemen? Als u dit als structureel probleem ziet, vindt u het dan tijd voor een landelijk onderzoek naar de misstanden rondom donorconceptie? Zo nee, waarom niet?
De verschillende misstanden die de afgelopen jaren aan het licht zijn gekomen zijn zonder meer zorgwekkend. De genoemde voorbeelden kennen echter uiteenlopende ontstaansgeschiedenissen, achtergronden en juridische implicaties. Deze kwesties kunnen daarom naar de mening van het kabinet niet als één samenhangend, structureel probleem gezien worden. Wel constateert het kabinet dat zich binnen de sector herhaaldelijk onwenselijke situaties hebben voorgedaan. Daarom werkt het kabinet aan de verbetering van een zorgvuldige praktijk van donorconceptie. Onder andere met de maatregelen die in de genoemde brief van 12 februari jl. zijn aangekondigd.
Hoeveel wensouders zoeken buiten de gereguleerde kaders naar mogelijkheden om hun wens te vervullen?
Er is geen zicht op het aantal wensouders dat buiten de gereguleerde kaders zoekt naar mogelijkheden om hun kinderwens te vervullen. Wat mensen in hun privésfeer doen kan niet worden gemonitord of gereguleerd.
Herkent u dat wensouders alleen medische voorlichting krijgen, in fertiliteitsklinieken, maar geen voorlichting over alle Nederlandse wettige mogelijkheden en welke consequenties er zijn voor kinderen op de lange termijn, en of het niet laten vervullen van een kinderwens ook een optie is? Vindt u dit ook een omissie in de voorlichting? Zo ja, hoe wilt u dit gat vullen? Zo nee, wat ziet u dan als taak van de overheid hierin?
De voorlichting aan wensouders in fertiliteitsklinieken is niet uitsluitend medisch van aard. In deze voorlichting komen ook juridische en psychosociale aspecten van donorconceptie aan bod. Dit staat uitgebreid beschreven in het standpunt «Geassisteerde voortplanting met gedoneerde gameten en gedoneerde embryo’s en draagmoederschap»8 en het «Landelijk standpunt sperma donatie»9 van de NVOG en de Vereniging voor Klinische Embryologie (KLEM). Het is belangrijk dat deze voorlichting goed en toegankelijk blijft, waarbij ook de overheid een rol heeft in het bieden van heldere en betrouwbare informatie over de verschillende wettelijke mogelijkheden en de mogelijke gevolgen voor donorkinderen op de lange termijn. In dat kader bieden onder meer het Landelijk Informatiepunt Donorconceptie en Fiom (expertisecentrum op het gebied van afstammingsvraagstukken) uitgebreide informatie.10 Tevens biedt ook het College Donorgegevens Kunstmatige Bevruchting (Cdkb) informatie op zijn website over het registratiesysteem voor sperma-, eicel- en embryodonoren en welke gegevens van de donor er geregistreerd worden en worden verstrekt.11 Daarnaast ziet het kabinet nadrukkelijk ook een eigen verantwoordelijkheid voor wensouders om zich breed te laten informeren en weloverwogen keuzes te maken.
De Veiligheid van procespartijen en rechtsgelijkheid bij jeugdbeschermingsprocedures |
|
Faith Bruyning (NSC) |
|
Judith Tielen (VVD), Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van 15 juli 2025 (ECLI:NL:RBROT:2025:10004)1, waarin de meervoudige kamer expliciet stelt dat de rechtbank geen taak of wettelijke bevoegdheid heeft om tijdens of na een zitting de veiligheid van procespartijen te waarborgen?
Ja.
Komt het standpunt van de meervoudige kamer overeen met formeel beleid van de gerechten of de raad voor de rechtspraak?
Het past mij niet om rechterlijke uitspraken te duiden. De organisatie van de algemene veiligheid in gerechtsgebouwen en het optreden bij concrete bedreiging is belegd bij de daartoe aangewezen instanties. De veiligheid tijdens en rondom zittingen is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van rechtbanken, het Openbaar Ministerie, de politie en andere betrokken ketenpartners. De politie is verantwoordelijk voor de openbare orde, maar niet binnen het gerechtsgebouw. Binnen het gerechtsgebouw ligt deze verantwoordelijkheid bij het lokale gerechtsbestuur. De rechter is verantwoordelijk voor de behandeling van zaken en voor orde in de zittingszaal tijdens de zitting.
Het lokale gerechtsbestuur is verantwoordelijk voor de veiligheid van medewerkers, bezoekers en procespartijen zoals vastgelegd in artikel 23, lid 1, sub c van de Wet op de rechterlijke organisatie. Vanuit de werkgeversverantwoordelijkheid van de Rechtspraak en de bestuurlijke verantwoordelijkheid voor de veiligheid binnen het gerechtsgebouw wordt permanent toegezien op het welzijn van de medewerkers en procespartijen. Daarbij kunnen, indien nodig, passende maatregelen worden getroffen om de veiligheid van zowel procespartijen als medewerkers te waarborgen. Wanneer er concrete veiligheidsrisico’s zijn, bijvoorbeeld door signalen voorafgaand aan de zitting of uitspraken, dienen deze risico’s gemeld te worden bij de rechtbank en de politie zodat een gedegen veiligheidsinschatting kan worden gemaakt en indien nodig de noodzakelijke maatregelen kunnen worden getroffen.
Deelt u de mening dat deze uitspraak feitelijk betekent dat procespartijen – waaronder ouders, kinderen, advocaten, medewerkers van de gecertificeerde instelling (GI), de Raad voor de Kinderbescherming en zelfs rechters – tijdens de zitting en na afloop van de zitting zonder enige bescherming het gerechtsgebouw verlaten, ook als er sprake is van expliciete bedreigingen?
Nee, die mening deel ik niet. Zie het antwoord op vraag 2.
Acht u het wenselijk dat een rechterlijke instantie die op de hoogte is van een concrete bedreiging, zeker als die in de zitting wordt uitgesproken, zich beperkt tot de constatering dat er «geen wettelijke bevoegdheid» bestaat om maatregelen te treffen?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 2. Ter nadere duiding wil ik hierover opmerken dat in de zittingszaal de rechter – bij een meervoudige zitting de voorzitter – verantwoordelijk is voor de orde in de zittingszaal. Het gerechtsbestuur is verantwoordelijk voor de veiligheid van medewerkers, bezoekers en procespartijen binnen de rechtbank of het hof. Als in een rechterlijke uitspraak gebruik wordt gemaakt van de term «de rechtbank» of «het hof» wordt hiermee verwezen naar de rechtspraak zelf en diens verantwoordelijkheid voor de orde in de zittingszaal; niet naar het gerechtsbestuur.
Worden deze bedreigingen ook geregistreerd waardoor het zichtbaar is hoe vaak dit voor komt? Is er bijvoorbeeld bekend hoe vaak rechters of griffiers bedreigt worden? Of andere procesdeelnemers? Zo ja, kunt u deze cijfers met de Kamer delen? Zo nee, overweegt u om dit vast te laten leggen waardoor er niet alleen een preventieve werking van uit gaat, maar ook dat er onderzoek kan worden gedaan naar de herkomst en omstandigheden waar dit vandaan komt?
De Rechtspraak registreert alle ontvangen meldingen van bedreigingen richting rechters, griffiers of andere procesdeelnemers. Echter, niet alle incidenten en bedreigingen worden gemeld. De Raad voor de rechtspraak geeft aan dat er soms sprake is van een lagere meldbereidheid. Hierdoor beschikt de rechtspraak niet over betrouwbare, landelijke, vergelijkbare cijfers die ik met uw Kamer kan delen. Ook sommige procesdeelnemers registreren bedreigingen tijdens of naar aanleiding van een zitting binnen de eigen organisatie. Zo registreert de Raad voor de Kinderbescherming alle intern gemelde agressie richting medewerkers, waaronder meldingen door zittingsvertegenwoordigers over bedreiging, intimidatie en belediging; het merendeel van deze incidenten is bij de politie gemeld onder vermelding van de projectcode Veilige Publieke Taak (VPT).
Binnen JenV wordt in het programma Voorbereid op agressie en geweld gewerkt aan een meldapplicatie voor uitvoeringsorganisaties onder JenV- en AenM-verantwoordelijkheid, die in de toekomst kan bijdragen aan het bijhouden van geaggregeerde cijfers. Op dit moment zijn er geen landelijke, vergelijkbare cijfers beschikbaar om met uw Kamer te delen. Zoals aangegeven zijn de lokale gerechtsbesturen verantwoordelijk voor de veiligheid in de gerechtsgebouwen.
Wordt er ook geregistreerd wat de bedreigingen zijn, waar ze vandaan komen zodat niet alleen inzichtelijk is hoe vaak het voorkomt maar ook wat de achtergronden en of er mogelijk een patroon of recidive is van bepaalde ouders?
Gemelde incidenten van bedreiging en andere vormen van agressie worden geregistreerd door betrokken organisaties; binnen de rechtspraak gebeurt dit geanonimiseerd in lijn met de AVG, waardoor namen niet uit het systeem zijn te herleiden. Ook is er geen sprake van een persoonsgerichte registratie naar herkomst, achtergronden of recidive van specifieke procesdeelnemers (zoals bepaalde ouders). De beschikbare registraties zijn casuïstisch en primair bedoeld voor veiligheidsbeheer op zaak- of locatieniveau, niet voor structurele statistische analyse naar patronen en motieven. De veiligheidsregisseur van de Raad voor de Kinderbescherming volgt landelijk trends in aard en oorzaak van agressie en geeft preventieadvies, maar beschikt vooralsnog niet over statistisch onderbouwde patronen of recidive van specifieke oudergroepen.
Hoe wordt in de praktijk bepaald of een dergelijke dreiging wordt beschouwd als een strafrechtelijke of veiligheidskwestie en wie neemt daartoe het initiatief – de rechtbank, de griffier, de Raad, de GI of de politie?
Of een dreiging als strafrechtelijke kwestie of als veiligheidskwestie wordt aangemerkt, hangt in de praktijk af van aard en ernst van het incident; vaak lopen beide sporen naast elkaar. Bij een strafbaar feit (zoals intimidatie of bedreiging) tijdens of naar aanleiding van een zitting, maar ook daarbuiten, doet het slachtoffer aangifte bij de politie en beoordeelt het Openbaar Ministerie een eventuele vervolging. Tegelijkertijd treden ook veiligheidsmaatregelen in werking. Zo is in iedere rechtszaal een noodknop waarmee de rechter bij acuut risico de parketpolitie kan alarmeren. Gerechten, Raad voor de Kinderbescherming (RvdK), gecertificeerde instellingen (GI’s) en andere ketenpartners volgen eigen interne procedures om risico’s te signaleren en te beperken. In het kader van een meer uniforme ketenaanpak verkent het programma Voorbereid op agressie en geweld best practices en behoeften rond risico-inventarisatie, inclusief een vooraf uit te voeren veiligheidsscan voor JenV-medewerkers (niet voor alle procespartijen). Zowel de gerechten als iedere procespartij hebben een agressie- en veiligheidsprotocol opgesteld dat voor alle werkprocessen geldt ter bescherming van medewerkers en bezoekers. Zie ook vraag 9.
Bestaat er een protocol voor de veiligheid van procespartijen bij familierechtelijke of jeugdbeschermingszittingen waarbij sprake is van (potentieel) gevaar of agressie? Zo ja, kunt u de kamer dit protocol toezenden?
Er bestaat niet één protocol voor de veiligheid van procespartijen bij familierechtelijke of jeugdbeschermingszittingen waarbij sprake is van (potentieel) gevaar of agressie. Diverse procespartijen hebben een eigen agressie- en veiligheidsprotocol opgesteld.
Bij de Rechtspraak is binnen ieder gerecht het lokaal bestuur verantwoordelijk voor de veiligheid van medewerkers, bezoekers en procespartijen (artikel 23 lid 1 sub c wet RO). Binnen ieder gerecht is wekelijks veiligheidsoverleg waarbij de zittingen worden besproken die op basis van aanwijzingen worden ingeschat als zittingen met een verhoogd risico. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de Checklist Risicovolle zittingen in het eigen gerechtsgebouw. Verder is in dit kader relevant de minimumnorm Handelen bij agressie en geweld, die ziet op gewelds- en agressie incidenten die binnen een gerechtsgebouw kunnen plaatsvinden. Deze werkwijze is opgesteld voor alle werkprocessen en ter bescherming van medewerkers en bezoekers. Er is geen protocol dat specifiek is toegesneden op familierechtelijke of jeugdbeschermingszittingen.
Het protocol van de RvdK geldt in iedere situatie waar onveiligheid is.
Indien het antwoord op vraag 8 nee is, kunt u aangeven welk protocol er wél geldt, wie dit handhaaft en hoe vaak dit wordt toegepast?
Zie antwoord vraag 8.
Hoe wordt de veiligheid van de betrokken rechters, advocaten en hulpverleners gewaarborgd bij vertrek uit de zittingszaal of het gerechtsgebouw, zeker wanneer er sprake is van een emotioneel beladen jeugdzorgzaak waar dergelijk bedreigingen zijn geuit?
Zie voor antwoord vraag 4 en 16.
Hoe vaak komt het voor dat rechters bedreigd worden in zittingen of daarbuiten via bijvoorbeeld mail of sociale media? Hoe gaat de rechtspraak ermee om als rechters bedreigd worden? Hoe wordt dan de veiligheid van de rechters gewaarborgd? Welke maatregelen neemt de rechtbank dan in het belang van de veiligheid van de rechters? Waar kunnen rechters terecht als zij bedreigd worden en hoe verhoudt zich dat weer ten aanzien van de geheimhoudingsplicht die rechters hebben in het kader van de beslotenheid van jeugd- en familierechtszaken?
Het komt voor dat rechters bedreigd worden. Van het totaal aantal bedreigingen worden geen cijfers bijgehouden. Wel zijn cijfers bekend van het aantal (veelal straf-)rechters dat persoonlijke beveiligd wordt. Rechters die worden bedreigd in zitting of daarbuiten kunnen dit melden bij hun teamvoorzitter, gerechtsbestuur of de beveiligingsmedewerker. Bij de Rechtspraak is binnen ieder gerecht het lokaal bestuur verantwoordelijk voor de veiligheid van medewerkers, bezoekers en procespartijen (artikel 23 lid 1 sub c wet RO). Als een rechter wordt bedreigd is maatwerk het uitgangspunt. Ook met betrekking tot eventuele te zetten vervolgstappen zoals het inschakelen van politie of OM.
Over de wijze van beveiligen van rechters doe ik geen uitspraken.
Wordt er in dergelijke situaties overleg gevoerd tussen rechtbanken en lokale politie of het Openbaar Ministerie om acute dreiging te beoordelen en maatregelen te treffen? Zo ja, hoe vaak gebeurt dat en hoe is die samenwerking geborgd?
Als een rechter wordt bedreigd is maatwerk het uitgangspunt. Ook met betrekking tot eventuele te zetten vervolgstappen zoals het inschakelen van politie of OM. Dit hangt in de praktijk af van de aard en ernst van het incident. Afhankelijk daarvan verloopt eventuele samenwerking met de politie en het OM via de gebruikelijke kanalen.
Acht u het wenselijk dat de verantwoordelijkheid voor de veiligheid van procespartijen in dit soort zaken niet bij één instantie is belegd, waardoor iedereen op elkaar wacht en feitelijk niemand handelt?
De bij vraag 8 en 9 beschreven werkwijze binnen rechtbanken is opgesteld voor alle werkprocessen en ter bescherming van medewerkers en bezoekers. Er is geen werkwijze specifiek toegesneden op familierechtelijke of jeugdbeschermingszittingen. Door het maken van afspraken en overleg binnen de keten kan de samenwerking tussen de instanties in de keten worden bevorderd. Door te werken volgens de vraag 8 en 9 beschreven werkwijze, beoogt de rechtspraak steeds de veiligheid voor alle rechtsgebieden te bevorderen.
Op dit moment worden door het programmateam Voorbereid op agressie en geweld van JenV diverse modellen voor de veiligheid en de beveiliging van procespartijen bekeken. Dit betreft complexe problematiek die vraagt om een zorgvuldige gezamenlijke aanpak en voldoende tijd daarvoor. Ik wil het programmateam daarbij niet voor de voeten lopen. Ik zal uw Kamer hier te zijner tijd nader over informeren.
Bent u bereid te onderzoeken of de huidige taakafbakening tussen rechtbank, GI, Raad en politie leidt tot rechtsongelijkheid en veiligheidsrisico’s voor partijen die deelnemen aan jeugdbeschermingsprocedures?
De taakafbakening ten aanzien van de veiligheid van procesdeelnemers tijdens en rondom een rechtszitting is wettelijk verankerd en elke instantie heeft een eigen verantwoordelijkheid. In de praktijk is het wenselijk dat veiligheidsrisico’s in ketenverband worden besproken en ingeschat, waarbij maatregelen op maat genomen kunnen worden. Ik heb geen aanwijzingen dat de huidige wettelijke taakafbakening leidt tot rechtsongelijkheid of veiligheidsrisico’s voor de procespartijen. Ik zie dan ook geen aanleiding een onderzoek zoals voorgesteld in te stellen.
Hoe beoordeelt u het risico dat slachtoffers van bedreiging (zoals de moeder in deze zaak, maar ook de advocaat van moeder en de bijzonder curator) zich niet vrij voelen om hun standpunt te uiten en dat dit de kern van een eerlijk proces ondermijnt (artikel 6 EVRM)? Deelt u de mening dat hiermee ook de belangen van de minderjarige in het geding komen? En daarmee het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind niet kan worden nageleefd?
Het is niet aan mij als bewindspersoon om te oordelen over een individuele casus. Ik sta voor een eerlijk proces. De mogelijkheid van iedere procesdeelnemer om zich hierin vrijelijk te kunnen uiten acht ik voor het recht op een eerlijk proces van essentieel belang.
Kunt u toelichten hoe dit zich verhoudt tot de zorgplicht van de overheid om veiligheid te waarborgen binnen door de overheid georganiseerde procedures, waaronder kinderbeschermingszaken?
De zorgplicht van de overheid om de veiligheid te waarborgen binnen door de overheid georganiseerde procedures, zoals kinderbeschermingszaken, wordt in de praktijk ingevuld via een gedeelde verantwoordelijkheid en een gelaagde aanpak. Zoals al eerder aangegeven draagt binnen het gerechtsgebouw het lokale gerechtsbestuur de primaire verantwoordelijkheid voor de veiligheid van medewerkers, bezoekers en procespartijen, conform artikel 23, lid 1, sub c, van de Wet RO. Die verantwoordelijkheid krijgt concreet vorm in wekelijks veiligheidsoverleg binnen ieder gerecht, waarin zittingen met een verhoogd risicoprofiel worden doorgenomen aan de hand van de Checklist Risicovolle zittingen, en in de toepassing van de minimumnorm Handelen bij agressie en geweld, wanneer zich een incident voordoet. Bij acuut gevaar kan de rechter bovendien via de noodknop direct de parketpolitie alarmeren, zodat onmiddellijk wordt opgetreden.
Buiten het gerechtsgebouw ligt de zorgplicht bij de werkgevers van de betrokken professionals, zoals de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) en de gecertificeerde instellingen (GI’s).
Bent u bereid in overleg met de Raad voor de rechtspraak, de Nederlandse orde van advocaten, de Raad voor de Kinderbescherming, de gecertificeerde instellingen en alle andere belanghebbenden om te komen tot een goede borgingsafspraken en indien nodig landelijk veiligheidsprotocol voor jeugdbeschermingszittingen en regiezittingen?
De Raad voor de rechtspraak heeft mij laten weten dat binnen ieder gerechtsgebouw permanent wordt toegezien op de veiligheid en het welzijn van medewerkers en procespartijen. Daartoe is bij ieder gerecht een veiligheidsorganisatie ingericht. Het bij vraag 9 genoemde wekelijks veiligheidsoverleg in ieder gerecht is slechts een exponent van een breed raamwerk aan beheersmaatregelen voor tal van veiligheidsrisico’s. Als er op voorhand geen aanwijzingen zijn dat een zitting een verhoogd risico kent geldt het standaard veiligheidsregime. Bij calamiteiten (na alarmering/signalering) wordt zo snel als mogelijk adequaat opgetreden door bodes, beveiliging en parketpolitie en/of andere hulpdiensten. De Rvdr ziet geen aanleiding voor een landelijk veiligheidsprotocol voor jeugdbeschermingszittingen en regiezittingen. De Rvdr geeft aan open te staan voor een nog nauwere samenwerken met betrokken partijen in het kader van veiligheid en informatie-uitwisseling. Gelet op de onafhankelijke positie van de Rechtspraak is het niet aan mij om de Rechtspraak aan te sturen. Gelet op de getoonde bereidheid van de betrokken partijen om de samenwerking te intensiveren, wacht ik graag de uitkomsten van deze initiatieven af. Het programmateam Voorbereid op agressie en geweld van JenV kan een faciliterende rol spelen bij het nog verder intensiveren van de samenwerking in de keten.
Kunt u garanderen dat los van het eventuele beleid concrete stappen worden gezet om de veiligheid van rechters en andere professionals binnen de rechtsgebouwen, wanneer er concrete aanwijzingen zijn voor hun onveiligheid, worden beschermd?
Zie het antwoord op vraag 17.
Zo ja, op welke termijn verwacht u dit te kunnen realiseren en bent u bereid de Kamer hierover voor het einde van het eerste kwartaal van 2026 te informeren?
Beveiligingsbeleid wordt door de gerechtsbesturen bijgesteld als daartoe aanleiding is. De veiligheid van rechters en andere professionals binnen de gerechtsgebouwen is, zoals eerder toegelicht, aan de gerechten zelf. Het Programma voorbereid op agressie en geweld verkent in het belang van een effectieve ketenaanpak op dit moment de best practices evenals de openstaande behoeftes van de organisaties. Het Programma kan de ketenpartners faciliteren bij het formuleren van oplossingen. Het waarborgen van de veiligheid is complexe problematiek die vraagt om een zorgvuldige gezamenlijke aanpak en voldoende tijd daarvoor. Ik zal uw Kamer hier te zijner tijd nader over informeren.
Het bericht ‘Coffeeshops maken volop reclame voor ‘space donuts’ ondanks streng verbod: ‘Online kan blijkbaar alles’' |
|
Tijs van den Brink (CDA) |
|
Judith Tielen (VVD), Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Coffeeshops maken volop reclame voor «space donuts» ondanks streng verbod:«Online kan blijkbaar alles»»?1
Ja.
Klopt het dat het reclameverbod voor coffeeshops uit de AHOJGI-criteria niet alleen ziet op fysieke uitingen, maar ook op online reclame via sociale media, zoals Instagram? En hoe zit het met websites? Mogen coffeeshops hun producten presenteren via (publiek toegankelijke) websites?
Het gedoogbeleid stelt strikte criteria aan de verkoop van softdrugs. In de Aanwijzing Opiumwet van het Openbaar Ministerie zijn de landelijke gedoogvoorwaarden voor coffeeshops vastgelegd op grond waarvan de verkoop van softdrugs in coffeeshops wordt gedoogd. Dit zijn de zogenaamde AHOJGI-criteria (affichering, harddrugs, overlast, jeugd, grote hoeveelheden, ingezetenen, zie hieronder).
Bij de beoordeling van de vraag of kan worden afgezien van strafrechtelijk optreden tegen een coffeeshop gelden de volgende criteria:
Het afficheringsverbod (criterium A) betekent dat het voor coffeeshops niet is toegestaan om reclame te maken, in die zin dat een coffeeshop geen reclame maakt anders dan een summiere aanduiding op de betreffende lokaliteit. Dit verbod op affichering geldt voor elk medium (televisie, radio, kranten, internet, reclameborden, posters, folders, etc.). Dit betekent dus ook dat geen enkele vorm van online reclame is toegestaan, niet op sociale media en ook niet op websites. Indien dit wel het geval is, dan kan het Openbaar Ministerie besluiten tot vervolging over te gaan. De gemeente stelt binnen de kaders van de Opiumwet en de Aanwijzing Opiumwet ook lokaal coffeeshopbeleid op waarin de AHOJGI-criteria en aanvullende voorwaarden kunnen worden opgenomen. Nagenoeg alle gemeenten hebben de handhaving op het afficheringsverbod opgenomen in hun lokale beleid.2 Dat houdt in dat de burgemeesters van deze gemeenten ook bestuursrechtelijk kunnen handhaven bij een overtreding van het afficheringsverbod.
Herkent u het beeld uit het artikel in De Telegraaf dat coffeeshops online structureel reclame maken voor softdrugs en cannabisproducten, terwijl fysieke reclame streng wordt gehandhaafd?
Navraag bij zowel de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) als verschillende gemeenten wijst uit dat coffeeshops niet structureel online reclame maken voor softdrugs en cannabisproducten. De consequenties van het overtreden van de AHOJGI-criteria kunnen ernstig zijn en leiden tot het schorsen of definitief intrekken van de exploitatievergunning en de gedoogverklaring. Mede door deze ernstige consequenties houden coffeeshops zich in het algemeen strikt aan de voorwaarden.
Deelt u de opvatting dat online reclame voor softdrugs door coffeeshops, al dan niet via eigen websites, in strijd is met het geldende gedoogbeleid, ook als deze reclame niet expliciet gericht is op minderjarigen?
Zoals in het antwoord onder vraag 2 opgenomen, stelt het gedoogbeleid strikte criteria aan de verkoop van softdrugs. In de Aanwijzing Opiumwet van het Openbaar Ministerie is vastgelegd onder welke voorwaarden de verkoop van softdrugs wordt gedoogd door het openbaar ministerie (de AHOJGI-criteria). De gemeente kan vervolgens binnen de kaders van de Opiumwet en de Aanwijzing Opiumwet lokaal coffeeshopbeleid opstellen waarin de AHOJGI-criteria zijn opgenomen en aanvullende voorwaarden kunnen worden gesteld.
Het verbod op affichering geldt in zijn algemeenheid en dus niet alleen als de reclame expliciet gericht is op minderjarigen. Overtreding van dit criterium betekent dan ook dat zowel de burgemeester bestuursrechtelijk kan handhaven op basis van het gemeentelijke coffeeshopbeleid als het openbaar ministerie kan vervolgen op basis van artikel 3b Opiumwet.
Hoe beoordeelt u het risico dat minderjarigen via sociale media worden geconfronteerd met online reclame voor softdrugs, zoals beschreven in het Telegraaf-artikel?
Zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 3 herkennen wij het beeld niet dat coffeeshops structureel online reclame maken voor softdrugs en cannabisproducten. Daarom beoordelen wij het risico op dit moment als laag. Mochten wij in de toekomst signalen ontvangen van de VNG of individuele gemeentes dat de situatie verandert dan zullen wij het risico opnieuw beoordelen en, indien nodig, passende maatregelen verkennen.
Bent u bekend met signalen dat gemeenten moeite hebben met de handhaving van het online reclameverbod voor coffeeshops, ondanks dat dit verbod juridisch duidelijk is?
Zoals onder vraag 3 weergegeven, zijn ons geen signalen bekend dat coffeeshops structureel online reclame maken voor softdrugs en cannabisproducten. Wel zien we dat het handhaven op online uitingen uitdagend kan zijn voor gemeenten, bijvoorbeeld omdat het lastig is te achterhalen wie er achter de online reclame zit en dat de reclame snel verwijderd kan worden en op een andere plek geplaatst kan worden. Indien een coffeeshop online reclame maakt, kan de gemeente op basis van het lokale beleid bestuursrechtelijk handhaven. Hierbij kan de gemeente in het uiterste geval de exploitatievergunning en de gedoogverklaring schorsen of definitief intrekken.
Deelt u de zorg dat het uitblijven van effectieve handhaving van online reclame de geloofwaardigheid van het gedoogbeleid ondermijnt en daarmee de gezondheid van tieners (en volwassenen) in gevaar brengt?
Zie het antwoord op vraag 3. Wij herkennen niet dat coffeeshops op grote schaal online reclame maken voor hun producten en dat hiermee de geloofwaardigheid van het gedoogbeleid wordt ondermijnd. Bij afwezigheid van online reclame door coffeeshops op grote schaal is er ook geen extra gevaar voor de gezondheid van tieners en volwassenen.
Welke instrumenten hebben gemeenten momenteel tot hun beschikking om op te treden tegen online reclame door coffeeshops, en acht u deze instrumenten voldoende effectief?
Zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 2 stelt een gemeente binnen de landelijke kaders eigen coffeeshopbeleid vast waarin de AHOJGI-criteria en eventueel aanvullende criteria worden opgenomen. De AHOJGI- criteria vormen daarmee een onderdeel van het lokale coffeeshopbeleid en kunnen worden opgenomen als voorwaarden bij een exploitatievergunning of een gedoogverklaring voor een coffeeshop. Dit betekent dat bij niet-naleving van deze criteria de burgemeester bestuursrechtelijk kan handhaven omdat niet aan de voorwaarden voor de vergunning wordt voldaan. Gemeenten leggen in het gemeentelijke handhavingsbeleid vast welke maatregelen zij kunnen nemen indien coffeeshops zich niet houden aan de voorwaarden. In het uiterste geval kan de burgemeester de exploitatievergunning en gedoogverklaring van een coffeeshop schorsen of intrekken. Daarnaast kan het openbaar ministerie tot vervolging overgaan op basis van artikel 3b Opiumwet. Hierover vindt afstemming plaats in de lokale driehoek.
Inmiddels zijn er handhavingsverzoeken ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam. Het is aan de burgemeester om op deze handhavingsverzoeken te reageren.
Kunt u gemeenten landelijk ondersteunen of faciliteren bij de handhaving van het online reclameverbod voor coffeeshops? Bijvoorbeeld door landelijke richtlijnen, expertise of samenwerking met andere instanties?
Navraag bij VNG en individuele gemeenten leert dat er geen behoefte is aan landelijke richtlijnen of ondersteuning op dit gebied. Zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 3 is het afficheringsverbod voor gemeenten voldoende helder en houden coffeeshops zich in het algemeen aan de voorwaarden. Indien een coffeeshop zich niet aan de voorwaarden houdt, kan de burgemeester overgaan tot bestuursrechtelijke handhaving.
Ziet u een rol voor landelijke toezichthouders bij het tegengaan van online reclame voor softdrugs door coffeeshops? Bent u bereid met sociale-mediaplatforms het gesprek aan te gaan om te voorkomen dat coffeeshops reclame maken voor drugs via de sociale media?
Waar het gaat om online reclame voor softdrugs door coffeeshops is het aan de gemeente om bestuursrechtelijke sancties op te leggen aan een coffeeshop, dan wel aan het openbaar ministerie om een coffeeshop te vervolgen.
Daarnaast moeten onlineplatforms op grond van de Europese Digital Services Act maatregelen nemen om illegale content tegen te gaan. In het algemeen geldt dat alle reclame voor drugs illegale content is en ik ben actief bezig met de aanpak hiervan. In deze aanpak zoeken wij samen met andere ministeries geregeld de dialoog met sociale-media platformen op. Afgelopen jaren is een publiek-private samenwerking onder neutraal voorzitterschap van het Platform van de InformatieSamenleving (ECP) opgezet, waarin publieke en private partijen bijeenkomen om uitdagingen, zorgen en ontwikkelingen op het gebied van online content met elkaar te bespreken.3 Deze dialoog ondersteunt de aanpak van diverse vormen van schadelijke en illegale online content.
Verder houdt de Autoriteit Consument en Markt (ACM) toezicht op de naleving van de Digital Services Act voor tussenhandeldiensten met een hoofdvestiging in Nederland. Een platform moet volgens de DSA passende en evenredige maatregelen nemen om de bescherming van minderjarigen voldoende te waarborgen. De ACM heeft in dat kader een onderzoek geopend naar Snapchat in verband met de handel van vapes aan minderjarigen. De ACM onderhoudt hierbij nauw contact met de Europese Commissie, omdat Snapchat is aangemerkt als Very Large Online Platform (VLOP) en daardoor onder rechtstreeks toezicht van de Europese Commissie valt. Ik volg de uitkomsten van het onderzoek van de ACM met interesse.
Ook wordt de internationale samenwerking opgezocht met andere landen om problemen met jurisdictie te ondervangen en elkaars ervaringen te delen. Hierbij wordt ook gekeken naar de mogelijkheid tot publiek-private samenwerking, onder andere op Europees niveau met internetproviders om zo de uitdagingen – van de online verkoop van verboden middelen – gezamenlijk te adresseren.
Tot slot is het goed om te benadrukken dat het kabinet investeert in de opsporing van gedigitaliseerde criminaliteit. Deze investering zal ook de handhaving van de online verkoop van drugs ten goede komen.
Op welke wijze wordt binnen het kabinet samengewerkt tussen de Ministeries van Justitie en Veiligheid en Volksgezondheid, Welzijn en Sport op dit dossier, gezien de raakvlakken met zowel handhaving als jeugd- en preventiebeleid?
De Ministeries van Justitie en Veiligheid en Volksgezondheid, Welzijn en Sport werken intensief samen op het gebied van drugsbeleid in het algemeen en op het coffeeshopbeleid in het bijzonder. Dit gaat om zowel het reguliere coffeeshopbeleid als het Experiment gesloten coffeeshopketen. In de Kamerbrief inzake het drugsbeleid, die 22 mei vorig jaar aan uw Kamer is gestuurd, wordt verder ingegaan op de samenwerking op het gebied van preventie en handhaving van drugs in het algemeen.4
Bent u bereid te bezien of aanvullende landelijke maatregelen of verduidelijkingen nodig zijn om te voorkomen dat het reclameverbod voor coffeeshops online een dode letter blijft, zoals geschetst in het Telegraaf-artikel?
Wij achten aanvullende landelijke maatregelen of verduidelijkingen niet nodig aangezien het afficheringsverbod voor coffeeshops voldoende helder is en gemeenten dan wel het OM kunnen optreden indien een coffeeshop zich hier niet aan houdt.
De impact van de kabinetsplannen op zwangere vrouwen en ouders |
|
Marjolein Moorman (PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «CNV: jaarlijks zeker 25.000 zwangeren geraakt door kabinetsplan»?1
Deelt u de mening dat zestien weken 100% betaald zwangerschapsverlof een belangrijk verworven recht is? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot het besluit om het maximumdagloon te verlagen, waardoor zwangere vrouwen er honderden euro’s per maand op achteruitgaan?
Welke gevolgen heeft het verlagen van het maximumdagloon met 20% voor de hoogte van het loon tijdens zwangerschapsverlof? Kunt u per inkomenscategorie in beeld brengen hoeveel euro per maand vrouwen hierdoor mislopen?
Welke gevolgen heeft het verlagen van het maximumdagloon met 20% voor vrouwen die ziek worden als gevolg van hun zwangerschap? Kunt u per inkomenscategorie in beeld brengen hoeveel euro per maand vrouwen hierdoor mislopen?
Hoeveel vrouwen die met zwangerschapsverlof zijn gegaan in 2024 en 2025 vielen in de categorie 80–100% maximumdagloon? Welk percentage bedroeg dit van het totale aantal Wet arbeid en Zorg-uitkeringen (WAZO-uitkeringen)?
Hoeveel werkenden vallen onder een cao waarin is geregeld dat de werkgever het maximumdagloon tijdens zwangerschapsverlof aanvult tot 100%? Hoeveel werkenden werken niet onder een cao waarin dit is geregeld?
Hoeveel extra kosten brengt het lagere maximumdagloon met zich mee voor werkgevers die het loon aanvullen? In hoeverre verwacht u dat dit zwangerschapsdiscriminatie in de hand werkt?
Welke impact heeft de verlaging van het maximumdagloon op de hoogte van het ouderschapsverlof? Kunt u dit uitsplitsen naar inkomenscategorie?
Hoeveel werkenden vallen onder een cao waarin is geregeld dat de werkgever het maximumdagloon tijdens ouderschapsverlof aanvult tot 100%? Hoeveel werkenden werken niet onder een cao waarin dit is geregeld?
Welk gevolg verwacht u dat de verlaging van het maximumdagloon heeft op de hoeveelheid ouders die ouderschapsverlof opnemen? Welke impact heeft dit op de beschikbaarheid in de kinderopvang?
Deelt u de opvatting dat ouderschapsverlof eraan bijdraagt dat ouders de zorg voor hun kinderen op een gelijkwaardige manier kunnen verdelen? In hoeverre deelt u de zorg dat zorgtaken ongelijker verdeeld worden doordat ouders minder vaak verlof zullen opnemen omdat zij teveel loon moeten inleveren?
Bent u bereid af te zien van de verlaging van het maximumdagloon voor alle 260.000 mensen die erdoor geraakt worden, waaronder 25.000 zwangeren? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Het bericht ‘Nederland moet meer doen voor rechten van vrouwen, zeggen VN’ |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de kritiek van het VN-comité dat Nederland op dit moment onvoldoende doet om de rechten van vrouwen te beschermen?1
Welke aansporingen uit het rapport ziet u als belangrijke prioriteiten voor de emancipatie-agenda van de komende tijd?
Ziet u mogelijkheden om wetgeving te moderniseren door de structurele aard van geweld tegen vrouwen expliciet te erkennen en past dit binnen de uitvoering van het Nationaal Actieplan nu concreet wordt ingezet op de aanpak van femicide en vrouwenhaat?
Vindt u dat financiële zelfstandigheid van vrouwen een belangrijke prioriteit zou moeten zijn binnen het emancipatiebeleid en zou het wettelijk verankeren van de aanpak van «economisch geweld» of dit op een andere wijze opnemen in het emancipatiebeleid hierbij kunnen helpen?
Welke stappen kan het kabinet samen met werkgevers zetten om, naast alle stappen die de komende tijd worden gezet om werken meer lonend te maken en kinderopvang bijna gratis te maken, te zorgen voor een moderne werkcultuur waarin ouderschapsverlof voor mannen de norm is?
Zijn er maatregelen denkbaar, naast de voorgenomen voortzetting van de aanpak «Samen Tegen Mensenhandel», om kwetsbare groepen beter uit handen te houden van uitbuiters en zo de zorgen in het rapport beter te adresseren?
Wat is de stand van zaken van de implementatie van de herziening van artikel 273f van het wetboek van strafrecht en in hoeverre kan deze hierbij helpen?
Welke stappen kunnen worden gezet in samenwerking met de regeringen van het Caribisch deel van het Koninkrijk om te zorgen dat vrouwenrechten daar overal op hetzelfde niveau worden beschermd, zodat de inzet voor gelijkwaardigheid overal in het Koninkrijk voelbaar is?
Hoe kunnen we de waardevolle en vaak onzichtbare rol van vrouwen op boerenbedrijven de erkenning geven die zij verdienen en op welke wijze past dit in de samenwerking met boerenorganisaties en de verduurzaming van de landbouwsector die het kabinet voorstaat?
Hoe gaat u borgen dat wetenschappelijke kennis over gender en intersectionaliteit een standaard onderdeel wordt van elk nieuw beleidstraject?
Ziet u mogelijkheden om de veiligheid van vrouwelijke politici te verhogen en hoe sluit dit aan bij de ambities waarbij wordt gewerkt aan de ondersteuning van vrouwelijke rolmodellen en initiatieven als «Vrouwen naar de top»?
Politieke beïnvloeding en eenzijdige ideologische sturing in het voortgezet onderwijs |
|
René Claassen (PVV) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de via LinkedIn verspreide oproep «Docenten: Vertel Palestijnse Verhalen!», waarin wordt gesteld dat sprake zou zijn van een «koloniale politiek van vernietiging en plundering» door Israël en waarin docenten in het voortgezet onderwijs worden opgeroepen hun curriculum aan te passen op basis van het boek «Teaching Palestine: Lessons, Stories, Voices»(2025)?1
Deelt u de opvatting dat het gebruik van expliciet normatieve en politiek geladen kwalificaties in onderwijsbijeenkomsten, georganiseerd voor docenten in het voortgezet onderwijs, spanning kan opleveren met eisen aan pluriformiteit, academische zorgvuldigheid en politieke neutraliteit in het funderend onderwijs?
Kunt u aangeven in hoeverre dergelijke bijeenkomsten, georganiseerd aan de Universiteit Leiden, passen binnen de wettelijke kaders voor burgerschapsonderwijs?
Hoe beoordeelt u het feit dat een betrokkene bij deze activiteiten tevens functies vervult binnen de lerarenopleiding (ICLON/Universiteit Leiden), binnen ProDemos en binnen de sectie maatschappijkunde en maatschappijwetenschappen bij SLO?
Acht u het wenselijk dat één persoon vanuit meerdere institutionele posities invloed kan uitoefenen op curriculumontwikkeling, docentprofessionalisering en burgerschapsvorming, in het bijzonder rond een gevoelig thema, dat forse invloed heeft op de lespraktijk?
Welke waarborgen bestaan er om belangenverstrengeling, netwerkcorruptie of eenzijdige ideologische beïnvloeding bij curriculumontwikkeling en docentprofessionalisering te voorkomen, met name wanneer het gaat om gevoelige internationale conflicten?
In hoeverre worden binnen door OCW gefinancierde of erkende instellingen richtlijnen gehanteerd om te voorkomen dat eenzijdige politieke framing van internationale conflicten structureel wordt geïntegreerd in lesmateriaal en/of docententrainingen? Bent u bereid richtlijnen waar nodig te ontwikkelen of te verscherpen?
Acht u het risico reëel dat door systematische inbedding van één conflictframe met betrekking tot «Palestina» en Israël in curricula en nascholingstrajecten een klimaat ontstaat waarin antisemitisme of vijanddenken jegens Joden (indirect) wordt genormaliseerd en op welke wijze monitort u dit risico?
Bent u bereid te onderzoeken in hoeverre binnen lerarenopleidingen, curriculumcommissies en gesubsidieerde instellingen sprake is van eenzijdige ideologische sturing rond het Israëlisch-Palestijns conflict en de Kamer hierover te informeren?
Kunt u toezeggen dat bij de ontwikkeling van burgerschaps- en maatschappijleerprogramma’s expliciet wordt gewaarborgd dat geopolitieke thema’s feitelijk en historisch worden onderbouwd én binnen het kader van de democratische rechtsstaat worden behandeld?
Het onderzoek “Van Inzicht naar uitvoering van het Verwey-Jonker Instituut in Opdracht van Het Vergeten Kind. |
|
Marijke Synhaeve (D66), Lisa Westerveld (GL) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Herkent u de conclusies van de onderzoekers dat er in Nederland geen gebrek is aan kennis over effectieve interventies, maar het niet lukt dit consequent en landelijk toe te passen? Zo ja, wat zijn hier volgens u de belangrijkste redenen voor?
Deelt u de analyse dat uithuisplaatsingen alleen ingezet zouden moeten worden wanneer dit echt noodzakelijk is, gezien de ernstige korte- en langetermijngevolgen voor kinderen? Herkent u ook de analyse van de onderzoekers dat de systeembarrieres, zoals versnippering, risicomijding, hoge werkdruk, volle caseloads en perverse financiele prikkels, ertoe leiden dat het huidige systeem vooral crisisinterventies en korte termijnkostenbeheersing beloont en preventieve inzet te weinig? Welke rol ziet u om hierin bij te sturen?
Erkent u het belang van focus op terugkeer vanaf dag één wanneer uithuisplaatsing onvermijdelijk is, en het beperken van doorplaatsingen? Hoe monitort u dit en welke prikkels/hulpmiddelen zet u in om doorplaatsingen te minimaliseren?
Hoe verklaart u het dat al jaren in communicatie van zowel de rijksoverheid als gemeenten wordt gesteld dat gezinsgericht werken het uitgangspunt is, maar jongeren ouders en ook hulpverleners zelf aangeven dat er nog steeds teveel hulpverleners en instanties over de vloer komen, dit ineffectief is en teveel overlegtijd kost in plaats van daadwerkelijke hulp?
Begrijpt u ook dat kinderen en ouders er soms wanhopig van worden, of in de weerstand staan als ze aan de zoveelste persoon opnieuw hun verhaal moeten vertellen?
Zijn er concrete plannen om domeinoverstijgend werken de norm te maken door het budget flexibeler te maken waardoor gemeenten en utvoerende organisaties daadwerkelijk kunnen samenwerken over de grenzen van jeugdzorg, onderwijs en zorg heen? Welke ruimte ziet u om dit mogelijk te maken?
Hoe maakt u van onderwijs een vaste partner in vroegsignalering en ondersteuning (gezamenlijke plannen, continuïteit rond schoolgang, alternatieve leertrajecten), gezien de bewezen betekenis van school als stabiele factor?
Deelt u de meninig van de onderzoekers dat pilots en projecten enkel zin hebben als de leerpunten daarna structureel verankerd worden? Welke rol heeft uw ministerie daarin?
Op welke manier gaat u zorgen dat overal en structureel vroegtijdig samen met gezin en netwerk een gedeelde verklarende analyse wordt gemaakt als basis voor passende hulp? Erkent u dat dit een randvoorwaarde is vóór uithuisplaatsing?
Deelt u dat goed toegeruste professionals cruciaal zijn voor zorgvuldige besluitvorming rond uithuisplaatsingen, dat het huidige systeem dit onvoldoende beloont, en welke rol neemt uw ministerie in het delen en opschalen van effectieve interventies?
Bent u bereid om met uw collega’s op Onderwijs en Sociale Zaken in gesprek te gaan met onderzoekers, hulpverleners, kinderen en ouders om de knelpunten in regelgeving en beleid te inventariseren? Op welke andere manier kunt u «schotten doorbreken», zoals het advies luidt?
Het artikel ‘Beperkte vaccinatie gordelroos vergroot ongelijkheid’ |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de reactie van Senioren Netwerk Nederland?1
Ja.
Hoe oordeelt u over de stelling dat wanneer er om budgettaire redenen keuzes worden gemaakt over wie wel en niet toegang krijgen tot bewezen effectieve preventie er ongelijkheid ontstaat, in dit geval zowel tussen jongere en oudere generaties, maar ook tussen mensen die vaccinatie zelf kunnen betalen en mensen die dat niet kunnen? Kunt u uw antwoord toelichten?
De wens om iedereen van 60 jaar en ouder in aanmerking te laten komen voor vaccinatie tegen gordelroos is begrijpelijk. Helaas is dit niet haalbaar. Het gordelroosvaccin is namelijk heel kostbaar en de groep 60-plussers in Nederland omvat meer dan 5 miljoen mensen. De beschikbare financiële middelen zijn niet toereikend om al deze mensen gordelroosvaccinatie aan te bieden. Daarom is het RIVM om advies gevraagd over op welke manier, gegeven het beschikbare budget, de maximale gezondheidswinst kan worden behaald. Uit het RIVM-advies blijkt dat met vaccinatie op een leeftijd van 60 jaar, op de lange termijn de meeste gevallen van gordelroos kunnen worden voorkomen. Dat vindt het kabinet dan ook de beste manier om het beschikbare geld te besteden.
Dit kan door mensen die ouder zijn dan 60 jaar als teleurstellend worden ervaren. Dat is begrijpelijk. Zij die dat willen, kunnen ervoor kiezen om de vaccinatie zelf te betalen. Zij kunnen hiervoor terecht bij hun huisarts of GGD. Het kabinet is zich ervan bewust dat de mogelijkheid hiertoe mede afhangt van ieders persoonlijke financiële omstandigheden.
Deelt u de mening van Senioren Netwerk Nederland om bij de verdere uitwerking van het vaccinatiebeleid expliciet rekening te houden met het hogere risico bij oudere senioren, transparant te communiceren over de werkingsduur van het vaccin en te onderzoeken of aanvullende maatregelen nodig zijn om de gezondheidswinst bij de oudste groepen te maximaliseren? Zo, nee, wat zijn de overwegingen?
Bij het uitwerken van het vaccinatiebeleid voor gordelroos zal altijd transparant gecommuniceerd worden, ook over de werkingsduur van het vaccin. Het RIVM monitort en evalueert de vaccinatieprogramma’s. Het kabinet baseert zich voor het vaccinatiebeleid op adviezen van de Gezondheidsraad en het RIVM. Hierbij is het realiseren van zoveel mogelijk gezondheidswinst een belangrijk uitgangspunt. Het RIVM heeft zeer recent advies hierover uitgebracht, zoals toegelicht in het antwoord op vraag 2. Het is begrijpelijk dat dit als teleurstellend kan worden ervaren door mensen die ouder zijn dan 60, maar aanvullend onderzoek heeft nu geen meerwaarde.
Is u bekend dat met deze keuze de oudste, kwetsbaarste groep, met het risico op de grootste en pijnlijkste complicaties bij gordelroos, met bovendien hoge zorgkosten tengevolg, buiten beeld blijft? Welke alternatieve maatregelen kunnen voor hen worden genomen?
Het is waar dat mensen die last krijgen van gordelroos vaak ouder zijn dan 60 jaar. De ziektelast van gordelroos stijgt immers met de leeftijd. Daarom zou het kabinet het liefst ook aan hen een vaccinatie aanbieden. Helaas is dat op basis van de beschikbare financiële middelen niet mogelijk. Door mensen op 60-jarige leeftijd een vaccinatie aan te bieden, kunnen we voorkomen dat deze mensen later gordelroos krijgen. Het is begrijpelijk dat dit door mensen die ouder zijn dan 60 als teleurstellend kan worden ervaren. Zij die dat willen, kunnen ervoor kiezen om de vaccinatie zelf te betalen. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat ook de oudsten en kwetsbaarsten in de samenleving niet buiten schot mogen blijven bij preventie, en zeker niet om budgettaire redenen?
Vanzelfsprekend is het kabinet het ermee eens dat preventie ook van belang is voor de oudsten en kwetsbaarsten. Het is niet voor niets dat mensen van 60 jaar en ouder in aanmerking komen voor verschillende vaccinaties, namelijk de jaarlijkse griepvaccinatie en de pneumokokkenvaccinatie. In de ideale situatie komt iedereen boven de 60 jaar ook in aanmerking voor een gordelroosvaccinatie. Helaas is dit niet mogelijk. Tegelijk is het goed nieuws dat we nu wel kunnen gaan beginnen met vaccineren tegen gordelroos en dat we de toekomstige ouderen kunnen beschermen tegen de gevolgen van gordelroos.
Is het mogelijk deze vragen te beantwoorden voor de plenaire begrotingsbehandeling VWS?
Ja.
Het bericht dat jongeren in de jeugdzorg niet durven te klagen over misstanden. |
|
Hilde Wendel (VVD) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Kinderombudsman: jongeren in de jeugdzorg durven niet te klagen over misstanden» in de Trouw d.d. 11 februari 2026?
Deelt u de mening dat het van cruciaal belang is dat kinderen in de jeugdzorg zich veilig genoeg voelen om een klacht in te dienen bij misstanden?
Wat vindt u ervan dat uit onderzoek van de Kinderombudsman blijkt dat kinderen problemen in de jeugdzorg niet informeel durven aan te kaarten?
Herkent u de signalen uit het onderzoek van de Kinderombudsman, waaruit blijkt dat kinderen in de jeugdzorg vrijwel nooit een formele klacht durven in te dienen uit angst voor repercussies? Wat vindt u hiervan?
Bent u op de hoogte van de wijze waarop jeugdzorgorganisaties hun klachtenprocedures inrichten?
Het onderzoek stelt dat de klachtenprocedures te ingewikkeld zijn en het voor jongeren vaak niet duidelijk is hoe de klachtenprocedure werkt, herkent u de conclusies uit het onderzoek van de Kinderombudsman over de gebreken in de klachtenprocedures van de jeugdzorg?
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat de klachtenprocedures in de jeugdzorg verbeterd worden en kinderen zich veilig voelen om informeel, dan wel formeel te melden?
Klopt het dat in sommige gevallen een officiële klacht ingediend moet worden via een begeleider?
Het onderzoek van de Kinderombudsman stelt ook dat de afhandeling van klachten onvoldoende verloopt, herkent u dit beeld en zo ja hoe gaat u ervoor zorgen dat dit wordt verbeterd?
Deelt u de mening dat een gebrek aan lerend vermogen bij de organisatie naar aanleiding van een klacht de drempels hiertoe voor een jongere nog hoger maakt? Hoe kunt u ervoor zorgen dat dit lerend vermogen toeneemt?
Kunt u aangeven op welke manier klachtenprocedures binnen de residentiële jeugdhulp beter kunnen aansluiten bij de aanbevelingen die de Kinderombudsman in 2016 hierover heeft gedaan?
Hoe ziet u uw rol als stelselverantwoordelijke ten aanzien van de jeugdzorg in het verbeteren van de klachtenprocedures?
Kunt u deze vragen individueel beantwoorden?
Hoe reageert u op de recente bevindingen van het laboratorium SGS Search, waaruit blijkt dat meer speelgoed asbest bevat dan uit het oorspronkelijke onderzoek bleek?
Bent u bereid, gezien de problemen steeds groter blijken, het zekere voor het onzekere te nemen en direct te komen tot een verkoopverbod? Zo nee, waarom niet?
Aangezien meerdere laboratoria inmiddels onderzoek hebben gedaan en hebben geconstateerd dat meerdere producten met speelzand asbest bevat, bent u bereid samen te werken met deze laboratoria en experts om onderzoek te doen en veiligheidsmaatregelen op te stellen?
Kunt u inschatten hoeveel kinderen, ouders en medewerkers van scholen en kinderdagverblijven door dit speelgoed zijn blootgesteld aan asbestvezels?
Aangezien het speelzand is aangetroffen op basisscholen en kinderdagverblijven, bent u bereid de Nederlandse Arbeidsinspectie opdracht te geven onderzoek te doen naar de aanwezigheid van asbest op scholen waar dit speelzand is gebruikt?
Bent u bereid grootschalig onderzoek te doen naar alle vormen van consumentenartikelen die mineralen bevatten die gemijnd worden in gebieden waar van nature asbest vormt, zoals make-up dat talk bevat?
Wanneer was de NVWA op de hoogte van de problemen in Australië en Nieuw-Zeeland? Wanneer zijn ze begonnen met onderzoeken? Welk laboratorium voert het onderzoek uit en is dit laboratorium geaccrediteerd voor asbest analyse? Kunt u een tijdlijn geven van alle gezette stappen en acties die zijn ondernomen?
Bent u bereid de conclusies van het onderzoek van de NVWA naar de asbestvezels in het speelveld met de Kamer te delen? Zo ja, wanneer kan de Kamer deze brief verwachten?
Waar kunnen ouders die zich zorgen maken over mogelijke asbestvervuiling van hun woning door het speelzand terecht om hier onderzoek naar te doen?
Welke verantwoordelijkheden hebben verkopers om dit asbest-vervuild speelzand te saneren of veilig te storten?
Welke consequenties zijn er voor de verkopers, leveranciers en producenten van het asbestvervuilde speelzand voor het verspreiden van het speelzand en het blootstellen van kinderen aan asbest? Bent u bereid terugroepacties te verplichten?
Bent u bereid samen met andere landen in Europees verband te pleiten voor een importverbod voor dit soort speelzand zolang het onduidelijk is of deze producten asbest bevatten?
De terugroepactie van babyvoeding door Danone |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Danone roept al deze baby- en kindervoeding terug in Nederland»?1
Is er een indicatie dat in Nederland baby’s overleden zijn door de aanwezigheid van de giftige stof cereulide in melk? Bent u bereid de Kamer te informeren als hiervan sprake blijkt te zijn?
Kunt u, na afronding van het lopende NVWA-onderzoek, aangeven of Danone tijdig de publiekswaarschuwing heeft geplaatst?2
In hoeverre zijn verkooppunten van baby- en opvolgmelk wettelijk verplicht om klanten te compenseren bij een terugroepactie, bijvoorbeeld door vervanging met een veilig product of terugbetaling van het aankoopbedrag?
Klopt de suggestie dat Nederland later in actie is gekomen dan autoriteiten in andere landen? Hanteert de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) andere criteria voor het terugroepen van babyvoeding dan toezichthoudende agentschappen elders in de EU?
Het bericht ‘Abortusarts kliniek in Enschede mist hartslag bij embryo, baby uiteindelijk alsnog geboren’ |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Abortusarts kliniek in Enschede mist hartslag bij embryo, baby uiteindelijk alsnog geboren»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Is het gebruikelijk dat een abortusarts alleen een uitwendige echo doet voordat een abortus wordt uitgevoerd? Welke richtlijnen zijn er bij een zwangerschap van minder dan twaalf weken?
Ja. Abortusartsen maken meestal eerst een uitwendige (abdominale) echo. Als dit geen goed beeld geeft, bijvoorbeeld omdat het om een zeer vroege zwangerschap gaat, kan het nodig zijn om een inwendige (transvaginale) echo te maken.2
Wat is de wetenschappelijke consensus over de kans op aangeboren afwijkingen als een kindje na een mislukte abortus alsnog wordt geboren? Zijn alle abortusartsen van de meest recente inzichten op de hoogte?
Bij een mislukte medicamenteuze zwangerschapsafbreking is er een aantoonbaar verhoogd risico op aangeboren afwijkingen. Blootstelling aan misoprostol tijdens het eerste trimester vermeerdert namelijk de kans op het syndroom van Möbius, amnionstrengsyndroom, cerebrale en craniale afwijkingen en artrogrypose.3
Het is niet duidelijk welk effect een mislukte curettage (zonder voorbehandeling met misoprostol) heeft op de foetus. Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg heeft in deze casus geconcludeerd dat er geen degelijke wetenschappelijke onderbouwing was voor het ernstig afraden van het uitdragen van de zwangerschap.4
Abortusartsen zijn op de hoogte van de (beperkte) risico’s van abortusbehandelingen en blijven op verschillende manieren geïnformeerd over de meest recente inzichten, bijvoorbeeld via congressen en vakliteratuur. Het verhoogde risico op aangeboren afwijkingen na blootstelling aan misoprostol is in meerdere wetenschappelijke studies, zowel oudere als recentere, beschreven.5
Welke ruimte wordt er aan de vrouw gelaten om anders dan het medisch advies toch te kiezen voor een zeer vroege abortus die het risico heeft om niet te slagen, en daarna het risico dat de nog levende foetus zich ontwikkelt met aangeboren afwijkingen?
De vrouw beslist altijd samen met haar arts welke behandeling het meest geschikt is, nadat zij is geïnformeerd over de voor- en nadelen en risico’s. De kans op een doorgaande zwangerschap na een abortus is klein. Bij ongeveer 1% van de vrouwen leidt een abortusbehandeling niet tot een beëindiging van de zwangerschap.6 Na een abortus wordt aanbevolen om een zwangerschapstest te doen. Wanneer een doorgaande zwangerschap wordt geconstateerd, bestaat in vrijwel alle gevallen nog steeds de wens om deze af te breken. Er wordt dan een (extra) curettage verricht.
Welke richtlijnen over advisering en informatie aan de vrouw zijn er voor de abortusarts als een vrouw in de kliniek aangeeft toch niet te willen kiezen voor een abortus? Op welke manier moet de arts zich ervan verzekeren dat de vrouw «in vrijwilligheid, na zorgvuldige overweging en in het besef van haar verantwoordelijkheid voor het ongeboren leven en van de gevolgen voor haarzelf en de haren» haar keuze maakt, zoals in artikel 5 Wet afbreking zwangerschap (Waz) staat?
De beroepsrichtlijn voor abortusartsen over keuzebegeleiding bevat uitgebreide instructies voor zorgvuldige besluitvorming.7 De richtlijn bevat bijvoorbeeld aanbevelingen over hoe artsen twijfel kunnen herkennen en welke vragen zij het beste kunnen stellen bij (een vermoeden van) twijfel. Ook bevat de richtlijn adviezen over het bespreken van alternatieven voor abortus, zoals adoptie, pleegzorg of zelf opvoeden. De richtlijn bevat tevens aanbevelingen voor het toetsen van de vrijwilligheid, bijvoorbeeld de aanbeveling om elke vrouw minimaal één keer alleen te spreken zonder (ex)partner, familie of naasten. Abortusartsen en verpleegkundigen zijn getraind, deskundig en ervaren in het voeren van besluitvormingsgesprekken. Mocht er enige twijfel of aarzeling bemerkt worden, verbaal of non-verbaal, dan wordt dit benoemd en besproken.
Voor vrouwen die twijfels of vragen hebben, is er ook goede informatie en ondersteuning beschikbaar via het Landelijk Informatiepunt Onbedoelde Zwangerschap en het landelijk dekkend netwerk keuzehulp bij onbedoelde zwangerschap.8
Welke richtlijnen zijn er over het delen van informatie aan derden voor een abortuskliniek?
Artsen mogen geen informatie over een patiënt aan derden verstrekken, tenzij het gaat om informatieverstrekking aan personen die rechtstreeks betrokken zijn bij de uitvoering van dezelfde behandelingsovereenkomst met een patiënt.9 Aan die personen mag de arts wel zonder toestemming informatie verstrekken als dit noodzakelijk is voor de werkzaamheden binnen de behandelingsovereenkomst. Zo mag een arts informatie over de patiënt delen met personen in het behandelteam, bijvoorbeeld verpleegkundigen. Ook mogen artsen advies vragen aan collega’s en in dit kader informatie over patiënten met elkaar delen.
Klopt het dat artikel 296 Wetboek van Strafrecht (Sr) en artikel 5 Waz geen bepaling bevatten die een onzorgvuldig uitgevoerde abortus strafbaar stelt, zoals wel het geval is bij euthanasie, namelijk in artikel 1f van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (Wtl)? Waarom niet?
Euthanasie is strafbaar op grond van artikel 293 Sr (levensbeëindiging op verzoek) en 294 Sr (hulp bij zelfdoding). Alleen voor artsen is een uitzondering gemaakt. In artikel 293 Sr staat dat een arts niet strafbaar is als die zich houdt aan de zes zorgvuldigheidseisen uit de Wtl en diens handelen meldt aan de gemeentelijke lijkschouwer. De medisch zorgvuldige uitvoering van euthanasie is één van die zes zorgvuldigheidseisen (artikel 2 lid 1 onder f Wtl).
Op grond van artikel 296 Sr is het strafbaar om iemands zwangerschap af te breken. Net als bij euthanasie is een uitzondering gemaakt voor artsen.10 Anders dan artikel 293 Sr kent artikel 296 Sr echter géén directe verwijzing naar zorgvuldigheidseisen. De strafbaarstelling van abortus verschilt in die zin dus van die van euthanasie.
Zorgvuldige uitvoering van abortuszorg wordt (juridisch) op andere manieren geborgd. Op abortuszorg is, in tegenstelling tot op euthanasie, de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) van toepassing. Daarin is de algemene plicht opgenomen om goede zorg te verlenen. De Wafz en het Besluit afbreking zwangerschap (Bafz) bevatten daarnaast specifieke waarborgen voor zorgvuldige abortuszorg. Bijvoorbeeld zorgvuldigheidseisen die ertoe strekken dat vrouwen verantwoorde voorlichting krijgen en dat er voldoende nazorg is. Artikel 16 van het Bafz schrijft voor dat een abortuskliniek ervoor moet zorgen dat «medische en verpleegkundige hulpverlening aan de vrouw gewaarborgd is voor de duur van haar verblijf in de kliniek». De beroepsgroep van abortusartsen is verantwoordelijk voor medisch-inhoudelijke richtlijnen en voor visitaties aan klinieken, de IGJ ziet toe op de kwaliteit van abortuszorg, en het medisch tuchtrecht biedt mogelijkheden om artsen aan te spreken op onzorgvuldig medisch handelen.
Op bovengenoemde manieren wordt (medisch) zorgvuldige abortuszorg gewaarborgd. Het juridisch kader functioneert goed, zo blijkt ook uit de laatste evaluatie van de Wafz. Ik zie daarom geen aanleiding om te onderzoeken wat de meerwaarde is van een aanvullende zorgvuldigheidseis in de Wafz.
Vanzelfsprekend blijf ik het functioneren van de Wafz en het Bafz nauwlettend volgen, bijvoorbeeld middels de volgende wetsevaluatie die in 2027 start.
Bent u bereid te onderzoeken wat de meerwaarde kan zijn om een dergelijke zorgvuldigheidseis aan de Waz toe te voegen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Ziet u reden naar aanleiding van de uitspraak van het medisch tuchtcollege om bestaande medische richtlijnen aan te scherpen? Zo nee, waarom niet?
Het is aan beroepsgroepen van artsen om hun professionele richtlijnen vorm te geven. Bij het opstellen en herzien van richtlijnen kunnen zij naar eigen inzicht gebruikmaken van actuele wetenschappelijke kennis, ontwikkelingen in de medische praktijk en eventuele signalen uit tuchtrechtelijke procedures. Het is van groot belang dat artsen hierin onafhankelijk te werk kunnen gaan. Als bewindspersoon past het mij niet om me te mengen in de inhoudelijke invulling van medische richtlijnen, daarom zal ik geen stappen zetten om de medische richtlijn aan te scherpen.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de begrotingsbehandeling van het Ministerie van VWS?
Ja.
Wereldwijde handel in donorzaad |
|
Lisa Vliegenthart (GroenLinks-PvdA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de recente uitzending van Zembla «Sperma op bestelling: de impact van de wereldwijde handel in donorzaad»?1
Ja.
Kunt u concreet benoemen op welke wijze de rechten van kinderen momenteel via wetten en regelgeving geborgd zijn in de context van (internationale) donorconceptie? Hoe verhoudt zich dit bijvoorbeeld tot het VN-verdrag inzake de rechten van het kind, in het bijzonder art. 7, lid 1? Hoe verhoudt dit zich tot de uitspraak van rechtbank Den Haag (d.d. 28-04-2023) waarin de voorzieningenrechter oordeelde dat de belangen van donorkinderen en hun ouders bij een verbod om nog langer sperma te doneren aan nieuwe wensouders zwaarder wegen dan het belang van de donor om daarmee door te gaan?2
Het recht van donorkinderen op toegang tot hun afstammingsgegevens is in Nederland geborgd in de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting (Wdkb). In deze wet is geregeld dat de gegevens van de donor worden geregistreerd en dat donorkinderen vanaf 16 jaar recht hebben op de persoonsidentificerende gegevens van hun donor.3 Op deze manier voldoet Nederland aan de internationale verplichting om te waarborgen dat een kind, voor zover mogelijk, het recht heeft diens ouders te kennen en diens identiteit te behouden. Deze verplichting is vastgelegd in artikel 7 en 8 van het VN-Verdrag inzake de Rechten van het Kind.
In de rechtszaak waarnaar wordt verwezen heeft de rechter destijds geoordeeld dat de donor in kwestie per direct moest stoppen met het donoren van sperma, zowel in Nederland als in het buitenland. De rechter achtte dit nodig, omdat de donor wensouders doelbewust voorloog over het aantal nakomelingen dat hij als donor had verwekt en nog voornemens was te verwekken. De donor doneerde bij fertiliteitsklinieken, in Nederland en daarbuiten, én in de privésfeer. In de uitspraak heeft de rechter het kinderrechtenperspectief nadrukkelijk meegewogen. De rechter oordeelde dat de belangen van donorkinderen en hun ouders zwaarder wegen dan het belang van een donor om te blijven doneren.
De Wdkb ziet op behandelingen die zijn uitgevoerd in Nederlandse fertiliteitsklinieken. Als bij deze behandelingen donorsperma uit het buitenland wordt gebruikt, gelden dezelfde regels als voor sperma dat in Nederland wordt gedoneerd. Als wensouders kiezen voor een eigen donor in plaats van een donor via een spermabank, wordt hen in het belang van het toekomstige kind geadviseerd om goede afspraken met de donor te maken. Die afspraken kunnen worden vastgelegd in een donorcontract, met hulp van een gespecialiseerde notaris of familierechtadvocaat. Hierover is informatie te vinden op het Landelijk Informatiepunt Donorconceptie.4
Hoewel in de Wdkb het recht op afstammingsgegevens is vastgelegd, bestaat er geen wettelijk recht op contact tussen donor en donorkind. De praktijk leert dat veel donorkinderen daar wel (een sterke) behoefte aan hebben. Daarom verkent het kabinet momenteel welke aanvullende donorgegevens geregistreerd kunnen worden door fertiliteitsklinieken. Door een persoonsnummer, een e-mailadres, het adres ten tijde van donatie en de spermabank waar de donor heeft gedoneerd vast te leggen kan de vindbaarheid van donoren in het buitenland worden vergroot.
Kunt u nader toelichten op welke wijze er momenteel vanuit de huidige wettelijke kaders, in het bijzonder de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting (Wkdb), handvaten bestaan om te handhaven op het recht van een kind, welke is verwerkt met buitenlands donorzaad, om te weten van wie zij afstammen?
Het recht van kinderen om hun afstammingsgegevens te weten is geborgd in de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting (Wdkb), die regelt dat de gegevens van de donor worden geregistreerd en dat donorkinderen vanaf 16 jaar recht hebben op de persoonsidentificerende gegevens van de donor. Dit geldt voor alle behandelingen met donorsperma in Nederlandse fertiliteitsklinieken, ook als deze zijn uitgevoerd met sperma van een buitenlandse spermabank of -donor. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) is verantwoordelijk voor het toezicht op de fertiliteitsklinieken.
Herkent u het beeld welke wordt geschetst in de uitzending van Zembla dat de huidige praktijk, waarbij regels vaak niet gelden als er gebruik wordt gemaakt van buitenlands donorzaad, tekortschiet wat betreft het beschermen van kinderen en hun rechten?
Het beeld dat wordt geschetst in de Zembla-aflevering is deels herkenbaar. Als buitenlands donorsperma wordt ingezet voor een behandeling in Nederland, moet worden voldaan aan de Nederlandse wet- en regelgeving. Zo kan er bijvoorbeeld geen gebruik worden gemaakt van een donor die anoniem wenst te blijven, aangezien kinderen op grond van de Wdkb recht hebben op toegang tot hun afstammingsgegevens. Tegelijkertijd geldt dat nationale wetgeving niet van toepassing is in andere landen. Veel landen hanteren een limiet voor het aantal nakomelingen van één donor binnen dat land, maar het totaal aantal nakomelingen van die donor kan flink oplopen als zijn sperma in meerdere landen wordt gebruikt. Hierdoor kunnen er grote internationale verwantschapsnetwerken van donorkinderen ontstaan. Het ontstaan van grote verwantschapsnetwerken van donorkinderen vindt het kabinet zorgwekkend.
Welke concrete maatregelen wilt u nemen om massadonatie met buitenlands donorsperma in het bijzonder tegen te gaan?
De afgelopen jaren vindt donorconceptie steeds meer plaats in een internationale context, mede vanwege het tekort aan spermadonoren in Nederland. Zoals is aangegeven in het antwoord op vraag 4, kan dit leiden tot het ontstaan van grote verwantschapsnetwerken. Dat is zorgwekkend. Het afstammen van «massadonoren» en het hebben van soms wel tientallen tot honderden halfzussen en -broers wordt door een deel van de donorkinderen ervaren als een pijnlijke last. Ook klinkt vanuit medisch-ethisch, juridisch en politiek perspectief een steeds luidere roep om dergelijke praktijken rond donorconceptie beter te reguleren. In de brief die de voormalig Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport op 12 februari 2026 naar uw Kamer heeft gestuurd, zijn verschillende maatregelen aangekondigd.5 Het Wetsvoorstel zeggenschap lichaamsmateriaal (Wzl)6, dat momenteel voor behandeling in de Tweede Kamer ligt, biedt wellicht een goede mogelijkheid om grensoverschrijdend gebruik van donorsperma te reguleren. Via de Wzl kan mogelijk vastgelegd worden dat het ontvangen of verstrekken van donorsperma door een fertiliteitskliniek of spermabank verboden is, behalve als in bindende afspraken met de andere partij is vastgelegd dat het donorzaad wereldwijd bij niet meer dan een X-aantal vrouwen ingezet wordt. Ook blijft het kabinet op Europees niveau pleiten voor een Europees maximum voor het gebruik van het sperma van één donor en wordt er een breed samenwerkingstraject gefaciliteerd om te komen tot aanvullende afspraken tussen alle betrokken partijen over grensoverschrijdende donorconceptie.
Herkent u de zorgen over gezinnen in kwetsbare posities, zoals regenboogstellen en alleenstaande moeders, die in de huidige praktijk eerder uitwijken naar buitenlandse fertiliteitsklinieken omdat zij vastlopen in het Nederlandse systeem en een gebrek aan een centrum voor wensouders zonder specifiek medisch oogmerk? Zo ja, welke concrete maatregelen neemt u om hen te ondersteunen?
Het kabinet herkent de zorgen over gezinnen in kwetsbare posities, zoals regenboogstellen en alleenstaande moeders. Het recht van wensouders op reproductieve vrijheid en het recht op privé en familieleven (artikel 8 EVRM) wordt zoveel mogelijk geëerbiedigd, maar dit mag niet ten koste gaan van het belang van het kind. Het ontstaan van grote verwantschapsnetwerken door gebruik van buitenlands donorsperma is niet in het belang van het kind. Daarom worden maatregelen voorbereid om massadonatie en de ongewenste effecten van het gebruik van buitenlands donorsperma tegen te gaan. De inperking van het gebruik van buitenlands donorsperma zal vermoedelijk gevolgen hebben voor de wachttijd en kosten van donorsperma voor wensouders. Wat die gevolgen precies zullen zijn, hangt af van de uitwerking in landelijke en Europese wetgeving en van de afspraken die partijen onderling maken. Bij het maken van wet- en regelgeving is uiteraard oog voor de behoeftes van wensouders, maar de belangen van het kind staan voorop. Er bestaat inderdaad een risico dat wensouders buiten Nederland of buiten de kaders van de Wdkb op zoek gaan naar manieren om hun kinderwens te vervullen. De mogelijkheden om dit te voorkomen zijn beperkt. Het is daarom van belang dat wensouders goed worden geïnformeerd over de mogelijke gevolgen voor hun toekomstige kind, en voor henzelf. Informatie over donorconceptie (in internationaal verband) is onder andere te vinden op het Landelijk Informatiepunt Donorconceptie (LIDC) en op de website van Fiom. Diverse belangenorganisaties, zoals Stichting Meer dan Gewenst, Stichting BamMam en Freya (vereniging voor mensen met vruchtbaarheidsproblemen), bieden eveneens informatie en steun aan wensouders.
Het kabinet erkent de zorgen van sommige wensouders over het vervullen van hun kinderwens. Het kabinet vindt echter dat zij niet vastlopen in het «Nederlandse systeem». Wel ondervinden ze de gevolgen van een tekort aan Nederlands donorsperma. Dat probleem wordt echter niet opgelost met een centrum voor wensouders zonder medisch oogmerk. Het kabinet ziet daarom reden noch noodzaak om een dergelijk centrum vanuit de overheid te faciliteren.
Hoe reflecteert u op de oproep van de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) dat nationale werving voor donoren essentieel is om het aanbod aan te laten sluiten op de behoefte, bijvoorbeeld door het opzetten van een nationale donorbank?
Zoals in het antwoord op vraag 5 is aangegeven, neemt het gebruik van buitenlandse donorsperma toe, mede vanwege een tekort aan Nederlandse donoren en de groeiende vraag naar donorsperma. Het kabinet ziet ook dat het gebruik van buitenlands donorsperma ongewenste effecten kan hebben, zoals het ontstaan van grote verwantschapsnetwerken van donorkinderen. Daarom gaat het kabinet zich inspannen om het gebruik van buitenlandse spermadonoren in een internationale context en het aantal nakomelingen per donor te beperken.
Het kabinet zet niet in op een totaalverbod op het gebruik van buitenlandse spermadonoren. Een dergelijk verbod moet noodzakelijk, proportioneel en geschikt zijn om het belang van het kind te beschermen. Bovendien moet rekening worden gehouden met Europese wet- en regelgeving, waaronder regels voor het vrij verkeer van goederen en diensten.
Fertiliteitsklinieken kunnen er op dit moment al voor kiezen om geen buitenlands donorsperma te gebruiken. Sommige fertiliteitsklinieken hebben dit ook al gedaan. Het kabinet vindt het goed dat de NVOG nadenkt over manieren om het ontstaan van grote verwantschapsnetwerken te voorkomen. Het werven van meer
Nederlandse donoren is één van de oplossingsrichtingen. Het werven van donoren en de opslag van donorgameten7 in een gametenbank (het kan zowel om ei- als spermacellen gaan) vindt dit Kabinet een verantwoordelijkheid van de fertiliteitsklinieken. En het kabinet juicht toe dat zij hierover onderlinge afspraken maken.
Hoe reflecteert u op de oproep van onder andere de NVOG en FIOM om te stoppen met buitenlandse spermadonoren? Welke rol ziet u voor uzelf weggelegd in het realiseren van de opzet van een nationale donorbank en het invoeren van een stop op buitenlandse spermadonoren, indien het nationale aanbod voldoende is?
Zie antwoord vraag 7.
Hoe reflecteert u op het feit dat Stichting Donorkind te kennen heeft gegeven de overheid aansprakelijk te willen stellen voor de misstanden omtrent massadonatie?
Stichting Donorkind heeft het recht om de overheid aansprakelijk te stellen voor misstanden rondom massadonatie, en dat recht respecteert het kabinet. Uiteindelijk is het aan de rechter om hierover een oordeel te vellen. Tegelijkertijd dient te worden benadrukt dat de verantwoordelijkheid voor donorconceptie niet volledig bij de overheid ligt. Ook wensouders, fertiliteitsklinieken, spermabanken en behandelaren dragen een verantwoordelijkheid. Zoals de voormalig Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport ook heeft aangegeven in de brief van 12 februari jl., valt er, zeker op korte termijn, meer te verwachten van zelfregulering, afspraken tussen partijen en gezamenlijke initiatieven om massadonatie en de ongewenste effecten van het gebruik van buitenlands donorsperma tegen te gaan. Ontwikkeling van wet- en regelgeving kan niet alle problemen oplossen en vergt hoe dan ook een lange adem.
Het bericht ‘Vrouw besluit in paniek tot abortus en klaagt nu kliniek aan: 'Ze hadden me moeten tegenhouden'’ |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vrouw besluit in paniek tot abortus en klaagt nu kliniek aan: «Ze hadden me moeten tegenhouden»»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Vindt u het ook zorgelijk dat het blijkbaar kan dat een vrouw niet overtuigd is dat zij voor een abortus wil kiezen en toch een abortus krijgt?
Het gaat hier om een tuchtrechtelijke procedure waarin het regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg nog geen uitspraak heeft gedaan. Ik vind het niet passend om conclusies te trekken over deze casus op basis van een nieuwsbericht. Wel erken ik dat de beschreven situatie zeer aangrijpend moet zijn voor betreffende vrouw.
Begrijpt u de zorgen van de indiener van deze vraag over de inmiddels vervallen minimale beraadtermijn in de abortuswetgeving?
Sinds 2023 is de verplichte minimale beraadtermijn van vijf dagen vervangen door een flexibele beraadtermijn: de vrouw bepaalt in overleg met haar arts hoeveel tijd zij nodig heeft voor haar besluit. Uit de laatste evaluatie van de Wet afbreking zwangerschap (Wafz) blijkt dat de besluitvorming rondom abortus in Nederland zorgvuldig verloopt en dat een verplichte minimale beraadtermijn hiervoor niet noodzakelijk is. Het nieuwsbericht dat aanleiding vormde voor de vragen van de indiener verandert dat niet. Het gaat hier om een tuchtrechtelijke procedure waarin het regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg nog geen uitspraak heeft gedaan. Er kunnen op basis van het nieuwsbericht geen conclusies worden getrokken over deze casus over de beraadtermijn of over het functioneren van de Wafz in brede zin.
Vindt u dat de zorgvuldigheid voldoende is geborgd nu de verplichte minimale beraadtermijn is afgeschaft en het mogelijk is om bij de huisarts de abortuspil te krijgen?
Ja, die zorgvuldigheid wordt op verschillende manieren gewaarborgd. Artsen zijn op grond van de Wafz verplicht zich ervan te vergewissen dat de vrouw haar besluit weloverwogen heeft genomen. De beroepsrichtlijnen van zowel abortusartsen als huisartsen bevatten uitgebreide instructies voor zorgvuldige besluitvorming. In deze richtlijnen staat dat artsen alert moeten zijn op twijfel. De richtlijnen bevatten concrete aanbevelingen over hoe twijfel herkend kan worden, ook wanneer die niet wordt uitgesproken.2 Voor vrouwen die twijfels of vragen hebben is er ook goede informatie en ondersteuning beschikbaar via het Landelijk Informatiepunt Onbedoelde Zwangerschap en het landelijk dekkend netwerk keuzehulp bij onbedoelde zwangerschap.3
Uit de laatste wetsevaluatie blijkt dat de besluitvorming rondom abortus in Nederland zorgvuldig verloopt en dat een verplichte minimale beraadtermijn hiervoor niet noodzakelijk is. In 2027 zal de Wafz opnieuw worden geëvalueerd. Dan zal ook gekeken worden naar de effecten van de wetswijzigingen en of er eventueel aanleiding is om wet- en regelgeving aan te passen.
Geeft deze casus u aanleiding tot het aanpassen van regelgeving?
Nee. De casus is nu onderdeel van een tuchtrechtelijke procedure waarin het regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg nog geen uitspraak heeft gedaan. Ik vind het niet passend conclusies te trekken over deze casus op basis van een nieuwsbericht. Bovendien biedt de huidige wetgeving voldoende waarborgen voor zorgvuldige besluitvorming, zoals ik heb toegelicht in mijn antwoord op vraag 4.
Waar vinden «de goede gesprekken», zoals de huisarts in het artikel beschrijft, doorgaans plaats? Bij de huisarts, in de abortuskliniek, bij de onafhankelijke keuzehulpverleners?
Gesprekken over een onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap kunnen plaatsvinden bij de huisarts, in een abortuskliniek, in het ziekenhuis en bij keuzehulpverleners. Waar en met wie dit gesprek plaatsvindt, hangt af van de behoeftes van de vrouw. Zowel huisartsen, abortusartsen als keuzehulpverleners zijn deskundig op dit gebied en kunnen indien nodig of gewenst naar elkaar doorverwijzen.
Is het gebruikelijk dat een vrouw in de kliniek de echo te zien krijgt of niet? Zo nee, waarom niet?
De abortusprofessional bespreekt vooraf met de vrouw of zij de echo wel of liever niet wil bekijken. Sommige vrouwen willen de echo graag zien, andere vrouwen juist niet. Het is niet verplicht de echo te tonen. Zo’n verplichting zou de autonomie van de vrouw ernstig ondermijnen. Het doel van de echo is om de zwangerschapsduur vast te stellen en te bepalen welke behandelmethode medisch gezien het meest geschikt is.
Zijn er extra waarborgen in het traject van een vrouw met een onbedoelde zwangerschap in te bouwen dat een abortus die later toch tegen de wens van de vrouw in gaat – en alle verdrietige gevolgen die dat heeft – voorkomen kan worden?
Zoals ik heb toegelicht in mijn antwoord op vraag 4 zijn er voldoende waarborgen voor zorgvuldige besluitvorming. Er is op dit moment geen aanleiding om aanvullende waarborgen te overwegen.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de plenaire begrotingsbehandeling van het Ministerie van VWS?
Ja.
Het bericht 'Extra geld voor de holocausteducatie via de CJP Cultuurkaart' |
|
Etkin Armut (CDA), Tijs van den Brink (CDA), Eveline Tijmstra (CDA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Hoeveel middelbare scholen maken er gebruik van de educatieprogramma’s die de verschillende herinneringscentra aanbieden?1
Kunt u aangeven hoeveel middelbare scholen op een andere manier aandacht besteden aan de holocaust, bijvoorbeeld via een gastles?
Is er een verschil tussen het aantal educatieprogramma’s dat door middelbare scholen is afgenomen in 2025 en 2024? Is dit aantal gedaald of gestegen? Hoe kan deze ontwikkeling verklaard worden?
Kunt u aangeven hoe u het Herinneringscentrum Apeldoornsche Bosch de komende jaren wilt ondersteunen?
Kunt u naar aanleiding van uw brief d.d. 13 mei 2025 aangeven wat de stand van zaken is naar aanleiding van de vernieuwing van Kamp Westerbork?
Hoever staat het met de financiering van deze vernieuwing, naast de middelen die VWS in de voorjaarsnota 2025 beschikbaar heeft gesteld?
Bent u bij andere departementen en mogelijke financiers nagegaan hoe in gezamenlijkheid de vernieuwing van Kamp Westerbork gerealiseerd kan worden? Zo ja, wat is de huidige stand van zaken?
Betrekt u bij de vernieuwing van Kamp Westerbork ook de provincie en gemeenten? Zo ja, kunt u aangeven hoe dat concreet vorm krijgt?
Welke rol ziet u, naar aanleiding van de intensiveringen zoals beschreven in de brief van 13 mei 2025, voor provincies?
Welke rol ziet u voor de gemeenten en welke ondersteuning kunt u gemeenten bieden bij het ontwikkelen van het herdenken en herinneren van het verhaal van de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust?
De uitzending ‘Zaad zonder grenzen’ van Zembla |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van de Zembla-uitzending «Zaad zonder grenzen» (29 januari 2026)?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat er op grote schaal gebruik wordt gemaakt van spermadonoren uit het buitenland, voor wie niet de Nederlandse wet- en regelgeving geldt van een maximum aantal gezinnen en verplichte bekendmaking als het donorkind dat wil? Wat betekent dit voor het recht van een kind om diens familie te kennen?
Het recht van donorkinderen op toegang tot hun afstammingsgegevens (artikel 7 en 8 van het VN-Verdrag inzake de Rechten van het Kind) is in Nederland geborgd in de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting (Wdkb). In deze wet is geregeld dat de gegevens van de donor worden geregistreerd en dat donorkinderen vanaf 16 jaar recht hebben op de persoonsidentificerende gegevens van hun donor.2 Dat er op grote schaal gebruik wordt gemaakt van spermadonoren uit het buitenland vindt het kabinet, zoals ook benoemd in de Kamerbrief van 12 februari jl. 3, zorgwekkend, omdat er hierdoor grote internationale verwantschapsnetwerken van donorkinderen ontstaan. Dit is niet in het belang van het kind. Daarom bereidt het kabinet momenteel maatregelen voor om massadonatie en de ongewenste effecten van het gebruik van buitenlands donorsperma tegen te gaan (zie het antwoord op vraag 3).
Het kabinet wil onderstrepen dat, als buitenlands donorsperma wordt ingezet voor een behandeling in Nederland, er moet worden voldaan aan de Nederlandse wet- en regelgeving. Zo kan bijvoorbeeld geen gebruik worden gemaakt van een donor die anoniem wenst te blijven, aangezien kinderen op grond van de Wdkb recht hebben op toegang tot hun afstammingsgegevens. Desalniettemin blijkt het daadwerkelijk tot stand brengen van contact met een buitenlandse donor in de praktijk lastig. Daarom verkent het kabinet momenteel welke aanvullende donorgegevens geregistreerd kunnen worden door fertiliteitsklinieken. Door een persoonsnummer, een e-mailadres, het adres ten tijde van donatie en de spermabank waar de donor heeft gedoneerd vast te leggen kan de vindbaarheid van donoren in het buitenland worden vergroot. Bovendien heeft de voormalig Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport fertiliteitsklinieken opgeroepen om aanvullende afspraken te maken met buitenlandse spermabanken, over onder andere het actualiseren van contactgegevens van donoren.
Tot welke reflecties leidt deze documentarie bij u, met de wetenschap dat de ChristenUnie eerder voor een verbod op het gebruik maken van sperma- of eiceldonoren uit buitenland heeft gepleit?
In de recente brief over het tegengaan van massadonatie en de regulering van het gebruik van buitenlands donorsperma»4 heeft de voormalig Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport haar zorgen uitgesproken over het toenemend gebruik van buitenlands donorsperma en de beperkingen van de huidige nationale regels. De Zembla-uitzending benadrukt voor het kabinet deze zorgen. Het kabinet noemt hierbij het beperkte zicht op het aantal donorkinderen per donor in internationale context, de beperkte mogelijkheden van donorkinderen om meer over de donor te weten te komen en de gevolgen hiervan voor een deel van de donorkinderen en ouders. De uitspraken van de directeur van de Deense bank Cryos vond het kabinet niet getuigen van inzicht in deze gevolgen voor donorkinderen. De vergelijking die de directeur trok tussen grensoverschrijdende spermadonatie vanuit Denemarken en praktijken van de «Vikingen» waren ronduit stuitend.
Het belang van het kind is voor dit kabinet leidend bij donorconceptie. Het kabinet zet niet in op een totaalverbod op het gebruik van buitenlandse spermadonoren. Een dergelijk verbod moet noodzakelijk, proportioneel en geschikt zijn om het belang van het kind te beschermen. Bovendien moet rekening worden gehouden met Europese wet- en regelgeving, waaronder regels voor vrij verkeer van goederen en diensten. Wel zet het kabinet in op maatregelen om massadonatie en de ongewenste effecten van het gebruik van buitenlands donorsperma tegen te gaan. Het Wetsvoorstel zeggenschap lichaamsmateriaal (Wzl)5, dat momenteel voor behandeling in de Tweede Kamer ligt, biedt een goede mogelijkheid om grensoverschrijdend gebruik van donorsperma te reguleren. Via de Wzl kan vastgelegd worden dat het ontvangen of verstrekken van donorsperma door een fertiliteitskliniek of spermabank verboden is, behalve als in bindende afspraken met de andere partij is vastgelegd dat het donorzaad wereldwijd bij niet meer dan een X-aantal vrouwen ingezet wordt. Ook blijft dit kabinet op Europees niveau pleiten voor een Europees maximum voor het gebruik van het sperma van één donor en wordt een breed samenwerkingstraject gefaciliteerd om te komen tot aanvullende afspraken tussen alle betrokken partijen over grensoverschrijdende donorconceptie.
Hoe is er in het verleden omgegaan met het informeren van wensouders over de waarschijnlijkheid dat buitenlandse donoren op te sporen zijn en het voor donorkinderen mogelijk is om hun donor te leren kennen? Welke informatie krijgen wensouders nu over deze mogelijkheden? En over het feit dat de Nederlandse regels niet gelden voor donaties van deze donoren in het buitenland?
Fertiliteitsklinieken bespreken in de counseling met wensouders wat de mogelijke gevolgen zijn van de keuze voor een donor uit het buitenland. In het standpunt van de beroepsgroep ligt de nadruk daarbij vooral op het aantal nakomelingen per donor in internationaal verband en de mogelijke gevolgen voor het kind.6 In de counseling wordt ook aan de orde gesteld dat het kind recht heeft op zijn/haar afstammingsgegevens en vanaf 16 jaar de persoonsidentificerende gegevens van de donor kan opvragen. Fertiliteitsklinieken verwijzen tot slot naar de informatie van Fiom en het Landelijk Informatiepunt Donorconceptie (LIDC)7, waar aandacht wordt besteed aan de risico’s en mogelijke gevolgen voor het donorkind bij het gebruik van buitenlandse donoren.
Bent u bereid op Europees niveau te pleiten voor uniforme en bindende regels over spermadonatie? Hoe gaat u dat doen?
Het Ministerie van VWS pleit op Europees niveau al geruime tijd voor uniforme regels over donorconceptie. Binnen een recent opgerichte werkgroep van de SoHO coordination board (SCB), onder leiding van België, is er draagvlak voor het instellen van een Europees maximum voor het gebruik van sperma van één donor. Het kabinet zal in deze en andere relevante gremia de Nederlandse positie actief blijven uitdragen.
Wat vindt u van de oproep van de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) in juli 2025 om het gebruik van buitenlandse spermadonoren te stoppen? Welke wet- of regelgeving moet daarvoor volgens u gewijzigd? Kunnen vruchtbaarheidsklinieken er nu al voor kiezen om geen buitenlandse spermadonoren te gebruiken?
Het kabinet vindt het goed dat de NVOG nadenkt over manieren om het ontstaan van grote verwantschapsnetwerken te voorkomen. Aanpassing van wet- of regelgeving is hiervoor niet nodig. Fertiliteitsklinieken kunnen er op dit moment al voor kiezen om geen buitenlands donorsperma te gebruiken. Sommige fertiliteitsklinieken hebben dit ook al gedaan.
Het kabinet zet nu niet in op een stop op het gebruik van buitenlandse spermadonoren. Een dergelijk totaalverbod dient noodzakelijk en geschikt te zijn om het belang van het kind te beschermen en mag niet verder gaan dan daarvoor vereist is. Ook moet hierbij rekening worden gehouden met de geldende Europese kaders, waaronder het vrij verkeer van goederen en diensten.
Hoe kijkt u, in het licht van de onmogelijkheid om de rechten van kinderen te waarborgen bij buitenlandse spermadonatie, aan tegen een (tijdelijk) verbod op buitenlandse spermadonatie totdat er zekerheid bestaat dat internationale spermadonatie de rechten van donorkinderen waarborgt?
Het recht van kinderen op hun afstammingsgegevens geldt ook voor kinderen die zijn verwekt met behulp van een donor uit het buitenland, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2.
Het kabinet zet, zoals in antwoord op vraag 6 aangegeven, niet in op een totaalverbod op het gebruik van buitenlands donorsperma. Het kabinet vindt evenwel het ontstaan van grote verwantschapsnetwerken als gevolg van het gebruik van buitenlands donorsperma niet in het belang van het kind. Daarom treft het kabinet voorbereidingen voor maatregelen om massadonatie en de ongewenste effecten van het gebruik van buitenlands donorsperma tegen te gaan.
Hoe kijkt u aan tegen de diverse misstanden ten aanzien van donorconceptie, of het nu gaat om massadonoren, artsen die zonder toestemming en medeweten van wensouders hun eigen zaad inzetten of kinderen die niet weten dat ze van een donor afkomstig zijn? Ziet u dit als incidenten of als structurele problemen? Als u dit als structureel probleem ziet, vindt u het dan tijd voor een landelijk onderzoek naar de misstanden rondom donorconceptie? Zo nee, waarom niet?
De verschillende misstanden die de afgelopen jaren aan het licht zijn gekomen zijn zonder meer zorgwekkend. De genoemde voorbeelden kennen echter uiteenlopende ontstaansgeschiedenissen, achtergronden en juridische implicaties. Deze kwesties kunnen daarom naar de mening van het kabinet niet als één samenhangend, structureel probleem gezien worden. Wel constateert het kabinet dat zich binnen de sector herhaaldelijk onwenselijke situaties hebben voorgedaan. Daarom werkt het kabinet aan de verbetering van een zorgvuldige praktijk van donorconceptie. Onder andere met de maatregelen die in de genoemde brief van 12 februari jl. zijn aangekondigd.
Hoeveel wensouders zoeken buiten de gereguleerde kaders naar mogelijkheden om hun wens te vervullen?
Er is geen zicht op het aantal wensouders dat buiten de gereguleerde kaders zoekt naar mogelijkheden om hun kinderwens te vervullen. Wat mensen in hun privésfeer doen kan niet worden gemonitord of gereguleerd.
Herkent u dat wensouders alleen medische voorlichting krijgen, in fertiliteitsklinieken, maar geen voorlichting over alle Nederlandse wettige mogelijkheden en welke consequenties er zijn voor kinderen op de lange termijn, en of het niet laten vervullen van een kinderwens ook een optie is? Vindt u dit ook een omissie in de voorlichting? Zo ja, hoe wilt u dit gat vullen? Zo nee, wat ziet u dan als taak van de overheid hierin?
De voorlichting aan wensouders in fertiliteitsklinieken is niet uitsluitend medisch van aard. In deze voorlichting komen ook juridische en psychosociale aspecten van donorconceptie aan bod. Dit staat uitgebreid beschreven in het standpunt «Geassisteerde voortplanting met gedoneerde gameten en gedoneerde embryo’s en draagmoederschap»8 en het «Landelijk standpunt sperma donatie»9 van de NVOG en de Vereniging voor Klinische Embryologie (KLEM). Het is belangrijk dat deze voorlichting goed en toegankelijk blijft, waarbij ook de overheid een rol heeft in het bieden van heldere en betrouwbare informatie over de verschillende wettelijke mogelijkheden en de mogelijke gevolgen voor donorkinderen op de lange termijn. In dat kader bieden onder meer het Landelijk Informatiepunt Donorconceptie en Fiom (expertisecentrum op het gebied van afstammingsvraagstukken) uitgebreide informatie.10 Tevens biedt ook het College Donorgegevens Kunstmatige Bevruchting (Cdkb) informatie op zijn website over het registratiesysteem voor sperma-, eicel- en embryodonoren en welke gegevens van de donor er geregistreerd worden en worden verstrekt.11 Daarnaast ziet het kabinet nadrukkelijk ook een eigen verantwoordelijkheid voor wensouders om zich breed te laten informeren en weloverwogen keuzes te maken.
De misstanden en uitbuiting van Nederlandse jongeren in Franse gastgezinnen |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met artikelen in de Telegraaf en Dagblad van het Noorden over de misstanden bij Franse gastgezinnen waar Nederlandse jongeren via jeugdzorgbedrijf Tjeenz en onderaannemer Force en Soi werden geplaatst? Wat is uw reactie op dit artikel waaruit blijkt dat Nederlandse jongeren feitelijk werden uitgebuit in plaats van dat zij hulp kregen voor hun problemen?1, 2
Is bekend hoeveel jongeren momenteel in het buitenland zitten via soortgelijke trajecten? Kunt u garanderen dat al deze jongeren nu veilig zijn?
Wie is er volgens u verantwoordelijk voor het toezicht op leefomstandigheden en kwaliteit van hulp, op het moment dat een jongere in het buitenland wordt geplaatst? Hoe wordt het toezicht vormgegeven en hoe wordt de kwaliteit van de geboden hulp getoetst? Wie is er bevoegd om in te grijpen bij misstanden? Wat is de rol van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) bij jeugdhulp in het buitenland?
Hebt u ook gelezen dat dat deze jongeren stiekem eten aten dat voor dieren was bedoeld, geen wc tot hun beschikking hadden in de nacht, werden opgesloten, rotklussen moesten doen en werden vernederd? Hoe kan het dat deze ernstige misstanden niet eerder ergens zijn opgepakt door de verantwoordelijke organisaties of anderen?
Kunt u verklaren waarom er niet eerder is ingegrepen bij Force en Soi? Waar is dit misgegaan? Zijn er de afgelopen jaren signalen binnen gekomen bij gemeenten, hulporganisaties en de Franse of Nederlandse Inspectie? Zo ja, wat is er gedaan met deze signalen?
Klopt het dat de IGJ formeel geen rol heeft bij jeugdhulp in het buitenland, maar de toezichthouder in het betreffende land? Welke afspraken zijn hierover gemaakt?
Wat is precies de status van het Afsprakenkader Buitenlands Zorgaanbod dat door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), het Platform aanbieders in het buitenland en de IGJ is opgesteld? Klopt het dat er ook aanbieders die geen lid zijn van dit platform kinderen in het buitenland mogen plaatsen?
Deelt u de mening dat het afsprakenkader op geen enkele wijze aandacht heeft voor de rechtspositie en rechtsbescherming van jongeren? Hoe verklaart u het dat hier zo weinig aandacht voor is, en er zo weinig geleerd lijkt te zijn van de vele rapporten die de schadelijke gevolgen van repressie en afzondering duidelijk maken?
Wordt aan jongeren die in het buitenland worden geplaatst expliciet kenbaar gemaakt dat ze recht hebben op een vertrouwenspersoon? Zo nee, hoe rijmt dit met de Jeugdwet en Kinderrechten?
Deelt u de mening dat deze misstanden vragen om aanpassing van het afsprakenkader om de positie van kinderen te beschermen? Maar ook om beter toezicht? Zo ja, gaat u dit oppakken met de VNG en de IGJ?
Het bericht 'Jongeren vatbaar voor ‘snel geld’' |
|
Shanna Schilder (PVV), Nicole Moinat (PVV) |
|
Foort van Oosten (VVD), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Jongeren vatbaar voor «snel geld»», waarin wordt beschreven hoe jongeren via sociale media worden geronseld voor criminele activiteiten?1
Deelt u de zorg dat met name kwetsbare jongeren, waaronder jongeren die al in beeld zijn of zouden moeten zijn bij jeugdzorg of wijkteams, extra vatbaar zijn voor deze vorm van online ronseling?
In hoeverre heeft u gezamenlijk zicht op de omvang van online ronseling van minderjarigen voor criminele activiteiten?
Klopt het dat jongeren vaak beginnen met ogenschijnlijk kleine en laagdrempelige klusjes, maar vervolgens via druk, chantage en intimidatie worden vastgezet in zwaardere criminaliteit?
In hoeverre is het huidige jeugdzorgstelsel zó ingericht dat signalen van criminele verleiding, online ronseling en normvervaging bij jongeren structureel en tijdig worden opgepikt en welke randvoorwaarden (zoals informatie-uitwisseling, capaciteit en expertise) spelen daarbij een rol?
In hoeverre worden jeugdzorgprofessionals en andere betrokken hulpverleners structureel geschoold in het herkennen van signalen van criminele uitbuiting en online ronseling van jongeren en in hoeverre wordt daarbij aangesloten bij bestaande expertise en werkwijzen, zoals die zijn ontwikkeld in de aanpak van loverboys en mensenhandel?
Hoe is de samenwerking en informatie-uitwisseling georganiseerd tussen politie, jeugdzorg, scholen en jongerenwerk wanneer signalen bestaan dat jongeren online worden benaderd voor criminele activiteiten en waar worden in de praktijk knelpunten ervaren?
Acht u de huidige strafrechtelijke mogelijkheden en handhavingsinstrumenten voldoende effectief om ronselaars en opdrachtgevers die minderjarigen inzetten voor criminele activiteiten op te sporen en hard aan te pakken? Zo nee, waar schieten deze volgens u tekort?
Hoe wordt voorkomen dat geronselde minderjarigen primair repressief worden benaderd, terwijl onderliggende problematiek zoals armoede, schulden, gezinsproblematiek of perspectiefloosheid onbehandeld blijft?
Acht u het wenselijk om preventieve campagnes en opsporingsmethoden, zoals het inzetten van (digitale) lokmiddelen door politie en gemeenten, landelijk te versterken en structureel te maken?
Bent u bereid te onderzoeken of de huidige wet- en regelgeving binnen zowel het strafrecht als de jeugdzorg voldoende ruimte biedt voor vroegtijdig ingrijpen en de Kamer hierover te informeren?
Het bericht dat Nederland de Britse methode om zwangere vrouwen te laten stoppen met roken test |
|
Hilde Wendel (VVD) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Stoppen met roken voor honderden euro’s aan shopbonnen: Nederland test Britse succesmethode»?1
Vindt u het wenselijk dat zwangere vrouwen in Nederland cadeaubonnen krijgen zodat ze gemotiveerd worden om te stoppen met roken?
Deelt u de mening dat het de verantwoordelijkheid is van een zwangere vrouw om te stoppen met roken?
Deelt u de mening dat een gezond kind op de wereld zetten het allergrootste cadeau is waarvoor vrouwen zouden moeten stoppen met roken?
Wat vindt u ervan dat belastinggeld, dat onder andere is bedoeld om goede zorg te leveren, wordt gebruikt om via cadeaubonnen zwangere vrouwen die roken te overtuigen om te stoppen?
Het bericht ‘Zorgen in gemeente Zutphen over toegankelijkheid bevolkingsonderzoek’ |
|
Sarah Dobbe |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het bericht «Zorgen in gemeente Zutphen over toegankelijkheid bevolkingsonderzoek»?1
De toegankelijkheid en deelname aan de bevolkingsonderzoeken zijn belangrijke uitgangspunten in het medische preventiebeleid. Ik begrijp de oproep tot een screeningslocatie in de nabije omgeving en de zorgen van inwoners uit Zutphen. Tegelijkertijd, is het simpelweg niet mogelijk in alle gemeenten in Nederland een unit te plaatsen voor het bevolkingsonderzoek borstkanker.
Bevolkingsonderzoek Nederland (BVO NL) maakt voor het bevolkingsonderzoek gebruik van vaste en mobiele units («bussen»). Zoals ik in mijn beantwoording2 van de vragen van de leden Vliegenthart en Bushoff (beiden GL-PvdA) van 11 december 2025 heb toegelicht, zijn de bussen bedoeld om het bevolkingsonderzoek zo goed mogelijk bereikbaar te maken, vooral in regio’s waar geen vaste screeningsunit beschikbaar is. Er worden niet minder bussen ingezet, maar BVO NL zoekt continu naar de meest efficiënte inzet en routes van de bussen, waarbij ook rekening wordt gehouden met het beschikbare personeel. Voor sommige deelnemers komt het onderzoekscentrum daardoor misschien dichter bij huis te staan dan in vorige screeningsrondes, terwijl voor anderen de locatie iets verder weg kan zijn. Dat doet niet af aan het feit dat het voor genodigden zeker vervelend is als een onderzoekslocatie verder weg komt te staan, of vervangen wordt door een vaste locatie verderop, zoals nu in Deventer. Vanwege de aanhoudende personeelstekorten is het inzetten van meer mobiele units op dit moment geen optie.
Deelt u de mening dat het zeer zorgwekkend is dat het aantal deelnemende vrouwen aan het bevolkingsonderzoek borstkanker aanzienlijk is afgenomen sinds vrouwen uit Zutphen hiervoor naar Deventer moeten?
Ik begrijp van BVO NL dat sprake lijkt van een daling in de gemeente Zutphen. Volgens het RIVM zijn de cijfers hierover echter niet eenduidig te interpreteren. Deelname verschilt sterk tussen wijken en fluctueert gedurende een kalenderjaar, ook in de maanden dat een mobiele unit daar staat. Het is daarom moeilijk te concluderen wat de invloed van de wijziging van een onderzoekslocatie is op de deelname. Temeer omdat de keuze tot deelname aan het bevolkingsonderzoek afhankelijk is van meerdere factoren dan alleen nabijheid.
Zoals in de meest recente monitorbrief3 is toegelicht, is de algehele deelnamegraad van het bevolkingsonderzoek borstkanker in 2024 licht gedaald ten opzichte van 2022, van 66,7% in 2022 naar 65,3% in 2024. Deze dalende landelijke trend baart mij zorgen.
Het is bekend dat (grote) verschillen bestaan tussen wijken en gebieden, waarbij de deelname lager is in wijken waar meer mensen wonen met een lager inkomen. Deze verschillen wil ik zoveel mogelijk terugdringen, door deelname in deze wijken te verbeteren. Daarom is het Project Toegankelijkheid van het RIVM opgezet. Dit bestaat uit een wijkgerichte aanpak waarbij voorlichting wordt gegeven in wijken waar de opkomst bij de bevolkingsonderzoeken laag is, zodat voorlichting laagdrempeliger en beter begrijpelijk is. Ook is begin 2026 een campagne van het RIVM in samenwerking met KWF en BVO NL gestart specifiek gericht op het bereiken van mensen met lage gezondheidsvaardigheden in postcodegebieden met structureel lage deelname.
Deelt u de mening dat bevolkingsonderzoek ontzettend belangrijk is voor vrouwen om borstkanker en het daardoor veroorzaakte leed te voorkomen, levens te redden en dat nabijheid van dat onderzoek daarin een belangrijke rol speelt?
Vanzelfsprekend deel ik de mening dat het bevolkingsonderzoek borstkanker ontzettend belangrijk is voor vrouwen. Dankzij dit onderzoek worden jaarlijks duizenden vrouwen met borstkanker opgespoord, en kunnen veel borstkanker-gerelateerde stergevallen voorkomen worden. Uit de jaarlijkse monitor2 blijkt dat in 2024 bij 6.303 vrouwen borstkanker is gedetecteerd. Daarnaast laten modelleringen zien dat met het bevolkingsonderzoek borstkanker ongeveer 1300 sterfgevallen per jaar worden voorkomen.4 Ik zie daarbij ook het belang van de toegankelijkheid en bereikbaarheid van het screeningsaanbod. Daarom wordt ernaar gestreefd om de bevolkingsonderzoeken zo laagdrempelig en toegankelijk mogelijk aan te bieden. Dit betekent ook dat het bevolkingsonderzoek met de mobiele units zoveel mogelijk in de nabijheid van deelnemers wordt aangeboden. Tegelijkertijd is het onvermijdelijk dat sommige deelnemers verder moeten reizen, omdat de schaarse personeelscapaciteit zo efficiënt mogelijk moet worden ingezet om de gehele doelgroep goed te kunnen bedienen.
Bent u bereid om de petitie vanuit Zutphen persoonlijk te ontvangen?
Ik ben altijd bereid te luisteren naar signalen en zorgen over het screeningsaanbod, en daar waar mogelijk iets aan te doen. Tegelijkertijd roept deze petitie op tot het terugplaatsen van een mobiele unit in Zutphen, en dat is niet aan mij als Staatssecretaris maar aan BVO NL, die als uitvoerende partij primair verantwoordelijk is voor de inzet van de mobiele units. Ik heb begrepen dat op 29 januari jl. de petitie is aangeboden aan BVO NL en dat een gesprek heeft plaatsgevonden met de aanbieders van de petitie. Ik ga ervan uit dat BVO NL dit signaal serieus meeneemt in de afwegingen om het bevolkingsonderzoek zo goed mogelijk te organiseren voor de gehele doelgroep.
Bent u bereid om ervoor te zorgen dat het weer mogelijk wordt om deel te nemen aan het bevolkingsonderzoek borstkanker in Zutphen zelf? Zo ja, hoe gaat u dit regelen? Zo nee, hoe bent u dan van plan om de dalende trend aan deelname te keren?
BVO NL weegt de inzet van de mobiele units continu en zorgvuldig af op basis van onder andere het uitnodigingsinterval, de reisafstand voor deelnemers en personele beschikbaarheid. Het doel hiervan is om steeds zo effectief mogelijk de schaarse capaciteit te benutten en de gehele doelgroep zo goed mogelijk te bedienen. Het is aan BVO NL om te beslissen waar de mobiele units precies ingezet worden.
Om ook in de toekomst een toegankelijk aanbod van bevolkingsonderzoeken te kunnen blijven bieden, is in samenwerking met het RIVM de ontwikkelagenda bevolkingsonderzoek opgesteld.5 In deze agenda zijn ambities en prioriteiten richting 2035 vastgelegd, waaronder het verlagen van drempels tot deelname. Toegankelijkheid vormt een centraal uitgangspunt van deze agenda. Daarnaast lopen er verschillende initiatieven om de informatievoorziening beter te laten aansluiten in postcodegebieden met een lage deelname, zoals genoemd in het antwoord op vraag 2. Het is belangrijk dat mensen een goedgeïnformeerde keuze kunnen maken over wel of geen deelname aan de bevolkingsonderzoeken, het blijft immers altijd een eigen keuze om al dan niet deel te nemen.
Het artikel 'Grote gemeentes bezorgd over huisvesting vrijgekomen gevangenen' |
|
Fatihya Abdi (PvdA), Habtamu de Hoop (PvdA), Lisa Westerveld (GL) |
|
Arno Rutte (VVD), Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de brief van 58 wethouders uit 47 gemeenten over de concept-ministeriële regeling van de Wet versterking regie volkshuisvesting? Herkent u hun zorg dat huisvesting voor mensen die uitstromen uit gevangenissen, opvanglocaties en jeugdzorginstellingen, straks geregeld moet worden door de gemeente waar die instelling staat?1
Herkent u het beeld dat het voor het herstel van mensen die uitstromen uit deze voorzieningen doorgaans goed is dat zij dit kunnen doen in de regio waar zij vandaan komen, omdat daar vaak het eigen sociale netwerk zit?
Hoe rijmt u het beleidsvoornemen om de huisvesting van uitstromers te laten uitvoeren door de regio waar de instelling staat, in plaats van waar de uitstromers vandaan komen, met het woonplaatsbeginsel uit de Jeugdwet en het Bestuurlijk akkoord Re-integratie van (ex-) gedetineerde burgers (paragraaf 5, lid 1)?2
Herinnert u zich dat het woonplaatsbeginsel er enkele jaren geleden juist is gekomen om duidelijkheid te geven over de verantwoordelijkheid van gemeenten, en problemen op te lossen? Hoe voorkomt u dat dit weer zorgt voor nieuwe problemen?
Kent u de fair shareafspraken die veel regio’s hebben gemaakt over de huisvesting van uitstromers op basis van het aantal uitstromers en het uitgangspunt «terugkeer naar herkomst binnen de regio»? Hoe kijkt u in dit verband naar het voorgenomen beleid, waardoor regio's opnieuw afspraken moeten maken? Hoe rijmt u dit met het feit dat huisvesting in de regio van herkomst het beste is, en ook altijd uitgangspunt van beleid is geweest?
Hoort u het signaal dat gemeenten afgeven ten aanzien van de druk die met dit beleidsvoornemen wordt gelegd op de toekomstige totstandkomingen van bovenregionale voorzieningen? Hoe voorkomt u dat er een nog grotere druk komt op regio's met veel voorzieningen met betrekking tot de uitstroom en huisvesting van bijzondere doelgroepen?
Klopt het dat van alle gedetineerden (circa 1.100 mensen) in de penitentiaire inrichting (PI) in regio Noordoost-Brabant (NOB) meer dan 90% bovenregionaal is? En dat dit zou betekenen dat deze regio komende jaren bijna 1.000 mensen extra zal moeten huisvesten? Hoe kijkt u naar het feit dat regio's met grotere bovenregionale voorzieningen extra hard worden geraakt door dit beleidsvoornemen, omdat zij nu een grote groep extra mensen zal moeten huisvesten?
Herkent u het beeld dat veel regio's met grote instellingen juist koploper zijn in het huisvesten van kwetsbare groepen? En dat juist deze regio’s een hoger percentage hanteren dan het Rijk vraagt (15%) ten aanzien van het toewijzen van sociale huurwoningen aan bijzondere doelgroepen, zoals de regio Noordoost-Brabant die 30% hanteert? Deelt u de verwachting dat, door een extra bovenregionale opgave voor deze regio’s, alle bijzondere doelgroepen langer moeten wachten op een woning? Deelt u onze mening dat het onwenselijk is dat juist regio's die vooroplopen in het aanpakken van dakloosheid en het helpen van mensen in kwetsbare posities, extra hard worden geraakt door dit voornemen? En dat er bovendien een prikkel verdwijnt voor andere regio's om ook een hoger toewijzingspercentage te hanteren?
Hoe voorkomt u dat door dit voornemen mensen uit kwetsbare groepen nog sneller dakloos raken?
Bent u bereid om dit artikel te herzien, zodat ook de uitvoering van het wetsvoorstel in lijn is met het woonplaatsbeginsel dat o.a. in de Jeugdwet is geformuleerd? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid om bestuurlijk met de schrijvende gemeenten in gesprek te gaan? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden, voor de verdere behandeling van de Wet versterking regie volkshuisvesting?
Doucheverplichtingen voor minderjarigen bij sportverenigingen |
|
Ismail El Abassi (DENK) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Ruzie tussen ouders en PSV Handbal escaleert: drie meisjes (11) uit club gezet», waarin drie minderjarige meisjes na een conflict over douchen bij de sportvereniging zijn geroyeerd?1
Ja, ik heb kennis genomen van dit bericht.
Bent u bekend met de betrokkenheid van Muslim Rights Watch Nederland (MRWN), die namens de ouders heeft aangegeven dat binnen de betreffende sportvereniging sprake was van een doucheplicht voor minderjarige meisjes?
Ja, ik heb in het bericht gelezen over de betrokkenheid van Muslim Rights Watch Nederland.
Hoe beoordeelt u het feit dat in het huisreglement van de betreffende vereniging expliciet staat dat douchen na trainingen en wedstrijden verplicht is, terwijl de vereniging publiekelijk stelt dat van een doucheplicht geen sprake is?
Het is niet aan mij om een standpunt in te nemen over individuele zaken van sportverenigingen of beslissingen binnen een vereniging. Dat is aan verenigingen zelf. Daarbij is het aanbevelingswaardig dat sportverenigingen helder en consistent communiceren over hun reglement richting hun leden. Het is aan het bestuur van de vereniging om te bezien of de vastgelegde regels en de communicatie daarover voldoende op elkaar zijn afgestemd.
Kunt u aangeven of en onder welke voorwaarden sportverenigingen minderjarigen mogen verplichten zich uit te kleden en gezamenlijk te douchen, en hoe dit zich verhoudt tot het beleid rondom sociale veiligheid in de sport en het recht op lichamelijke integriteit van kinderen?
Sportverenigingen hebben de vrijheid om hier afspraken over te maken en dit vast te leggen in hun reglementen. Dat betekent dat zij leden in beginsel kunnen verplichten om na het sporten te douchen of zich op te frissen. NOC*NSF geeft aan dat douchen na trainingen en wedstrijden wordt gestimuleerd, onder meer vanuit hygiënisch oogpunt en ter bevordering van herstel en blessurepreventie.
Het is belangrijk dat sportverenigingen het beleid rondom sociale veiligheid zorgvuldig vormgeven, rekening houdend met persoonlijke grenzen, privacy en de ontwikkelingsfase van minderjarigen. In de praktijk gaan verenigingen in gesprek met leden, sporters en ouders, bieden ruimte voor maatwerk en maken alternatieven mogelijk. Diverse sportbonden adviseren en ondersteunen hun verenigingen daarbij, onder andere aan de hand van handreikingen en adviezen op hun websites.
Deelt u de opvatting dat het royeren van minderjarige sporters een zeer ingrijpende maatregel is?
Het is niet aan mij om een standpunt in te nemen over individuele zaken van sportverenigingen of beslissingen binnen een vereniging.
Bent u bereid te bezien of bestaande landelijke richtlijnen rondom Veilig Sporten voldoende duidelijk zijn over vrijwilligheid, maatwerk en ouderbetrokkenheid bij gevoelige kwesties zoals douchen door minderjarigen?
Het is aan verenigingen zelf om hun beleid te ontwikkelen en hierover reglementen te laten vaststellen door hun ledenvergadering. NOC*NSF voegt daaraan toe dat er geen landelijke, richtlijnen zijn die specifiek voorschrijven of en hoe sportverenigingen omgaan met het douchen door minderjarigen. Zie ook mijn antwoord op vraag 4.
Bent u bekend met het bericht ««Ik was net een spaghettisliert»: verslaafde inbreker ontdekt in de gevangenis crystal meth, crack en viagra»?1
Wat is uw reactie op de constatering dat drugs in de gevangenis zelfs meer verkrijgbaar zou zijn dan buiten de gevangenis?
Hoe is het volgens u mogelijk dat op grote schaal drugs in gevangenissen terecht komen, ondanks strenge controles?
Deelt u de mening dat het problematisch is dat zelfs in gevangenissen drugsgebruik veelvuldig voorkomt en deelt u ook de mening dat hiervoor een passende straf zou moeten gelden?
Wat zijn de consequenties als een gedetineerde wordt betrapt op het binnensmokkelen of gebruiken van drugs?
Worden volgens u voldoende maatregelen genomen om verslavingszorg aan te bieden aan gedetineerden die dat nodig hebben en in hoeverre is hierover voldoende kennis aanwezig bij het gevangenispersoneel?
In hoeverre wordt (jaarlijks) onderzoek gedaan naar drugsgebruik en drugsinvoer in Nederlandse gevangenissen?
Hoe staat het met het experiment van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) om met nieuwe technologie synthetische drugs te kunnen opsporen?
Hoeveel beschikkingen in het gevangeniswezen zijn in 2024 en 2025 opgemaakt naar aanleiding van het bezit of gebruik van drugs in de gevangenis?
Zijn er signalen bekend dat er nog steeds veel nieuwe psychoactieve stoffen in gevangenissen in Nederland worden gebruikt, zoals Spice en andere preparaten waarin synthetische cannabinoïden zijn verwerkt? Heeft u daar een beeld van? Zo nee, bent u bereid daar onderzoek naar te doen?
Kan de aanpak van gevangenissen in andere landen leerzaam zijn voor Nederland als het gaat om het aanpakken van drugsgebruik? Zo ja, welke specifieke ervaringen of ontwikkelingen zijn dat?
Kunt u deze vragen beantwoorden ruim voor het commissiedebat over drugsbeleid en het commissiedebat over gevangeniswezen, beiden gepland op 26 februari 2026?