Het bericht ‘Basisscholen onder vuur wegens beschuldiging discriminatie: 'Willen witte scholen wit houden'’ |
|
Ilana Rooderkerk (D66), Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Pieter Heerma (CDA), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Basisscholen onder vuur wegens beschuldiging discriminatie: «Willen witte scholen wit houden»»?1
Ja, daar heb ik kennis van genomen.
Hoe duidt u de onacceptabele situatie die geschetst wordt in het bericht, waarin kinderen mogelijk wegens hun migratieachtergrond worden geweigerd of ontmoedigd bij toelating tot basisscholen?
Naar aanleiding van uw vragen is vanuit het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) contact opgenomen met het verantwoordelijke bestuur, stichting Prohles. Het bestuur geeft aan dat het, na het besluit over de voorgenomen sluiting van de Sjaloomschool, samen met de directeuren van de andere Prohles-scholen een plek heeft gezocht voor de leerlingen die een nieuwe plaatsing nodig hebben. Daarbij is afgesproken dat niemand op voorhand zou worden geweigerd. Ouders kregen een advies over welke school (of scholen) voor hun kind(eren) plek heeft volgend schooljaar en de ouders zijn uitgenodigd om daar te gaan kijken. Ouders zijn soms bij een andere school langsgegaan dan de school die hen was aangeraden en kregen daar te horen dat er geen plek was voor hun kind(eren).
In het eerdergenoemde contact met Prohles, heeft Prohles aangegeven dat dit enkel te maken had met de capaciteit van de betreffende klas of klassen. Toch hebben sommige ouders dat anders gehoord of ervaren. Prohles heeft de scholen daarop aangesproken dat geen enkele leerling op voorhand zou worden geweigerd. Daarna heeft Prohles een ouderavond georganiseerd. Prohles garandeert dat alle kinderen een plek krijgen, rekening houdend met de voorkeur van de ouders.
Naar aanleiding van de voorgenomen sluiting van de Sjaloomschool en het signaal uit de media is er veelvuldig contact geweest vanuit de Inspectie van het Onderwijs met de school en het bestuur. De Inspectie is tevreden over de stappen die het bestuur sindsdien richting de school en ouders heeft gezet en ziet geen reden om handhavend op te treden.
Deelt u de mening dat discriminatie en racisme geen rol mogen spelen in het toelatingsproces van basisscholen?
Ja. Discriminatie op basis van afkomst is in Nederland verboden. Afkomst mag nooit reden zijn om een kind de toegang tot een school te weigeren. Wat de intenties of afspraken ook waren in de geschetste situatie, het is hoe dan ook pijnlijk dat deze Katwijkse ouders en kinderen het zo hebben beleefd.
Een school mag alleen bij uitzondering om bepaalde redenen toelating weigeren. Het gaat dan bijvoorbeeld om gebrek aan capaciteit.
Bijzondere scholen mogen onder strikte voorwaarden bij toelating tot of deelname aan het onderwijs onderscheid maken op basis van religie of levensovertuiging, voor zover een dergelijk onderscheid een relatie heeft met de grondslag van de school. Deze voorwaarden zijn neergelegd in met name artikel 7, tweede lid, van de Algemene wet gelijke behandeling.2
Worden signalen van discriminatie wegens een migratieachtergrond bij toelating tot het onderwijs actief gemonitord?
Meldingen van discriminatie en racisme worden door verschillende bevoegde instanties bijgehouden. Het College voor de Rechten van de Mens (CvdRM) en de antidiscriminatievoorzieningen, zoals bedoeld in de Wet gemeentelijke antidiscriminatievoorzieningen, maken in rapportages van ontvangen meldingen een uitsplitsing naar discriminatiegrond en het domein waarop dit zich afspeelt. Het College voor de Rechten van de Mens laat weten dat deze cijfers vanwege het zeer geringe aantal verzoeken om een oordeel over discriminatie in het onderwijs niet verder worden uitsplitst naar subcategorieën, zoals de toelating tot het onderwijs. De antidiscriminatievoorzieningen ontvingen in 2025 in totaal negen meldingen over discriminatie bij toelating tot onderwijs wegens een migratieachtergrond. De Inspectie van het Onderwijs blijkt vorig jaar 55 meldingen te hebben ontvangen over toelatingen in het primair onderwijs. Signalen over discriminatie ontvangt zij zelden.
Zo ja, heeft u concrete cijfers van meldingen van (vermoedens van) discriminatie bij toelatingen tot onderwijs, bijvoorbeeld via de inspectie, de ouders, het onderwijs of het College van de Rechten van de Mens?
Zie antwoord vraag 4.
Zo niet, bent u van plan om meldingen van discriminatie bij toelatingen tot onderwijs actief te monitoren?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u voornemens maatregelen te treffen om discriminatie van leerlingen bij toelating tot het onderwijs tegen te gaan? Zo ja, welke?
Er is voorzien in verschillende instrumenten om discriminatie, ook bij de toelating tot scholen, tegen te gaan. De betreffende wetgeving hierover is duidelijk. Daarnaast blijken de huidige instrumenten toereikend om vermoedens van discriminatie bij toelating tot het onderwijs aan te pakken.
Hoe beoordeelt u de mogelijkheid om scholen te verplichten om in een openbaar register of op hun website actueel inzicht te geven in de beschikbare capaciteit per school of leerjaar, zodat voor ouders transparant is wanneer een school daadwerkelijk vol is en wordt voorkomen dat het argument van «geen beschikbare plaatsen» selectief wordt gebruikt?
Naar aanleiding van de motie Krul3 verkent het Ministerie van OCW of scholen verplicht kunnen worden het aantal beschikbare plaatsen openbaar te maken. Uw Kamer wordt hierover geïnformeerd in de jaarlijkse Kamerbrief over passend en inclusief onderwijs.
Hoe weegt u de leerplicht en het recht op onderwijs tegenover het weigeren van leerlingen op basis van hun afkomst?
Het weigeren van leerlingen op grond van afkomst is discriminatie en niet toegestaan op grond van de Algemene wet gelijke behandeling.
Welke mogelijkheden hebben ouders wanneer zij vermoeden dat hun kind ongelijk wordt behandeld bij toelating tot een school?
Ouders hebben bij een dergelijk vermoeden veel mogelijkheden.
Met het wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs, dat momenteel aanhangig is bij uw Kamer, doet de regering voorstellen om de klachtenprocedure te herzien.
Hoe wordt toezicht gehouden op toelatingsbeleid van scholen, en welke rol speelt de Inspectie van het Onderwijs hierbij?
De Inspectie van het Onderwijs ziet toe op de naleving van de onderwijswetten. Het toezicht van de Inspectie op het toelatingsbeleid is signaalgericht. Als de Inspectie een melding krijgt van mogelijke discriminatie bij toelating, neemt zij contact op met het bestuur. Doorgaans merkt de Inspectie dat besturen de wettelijke vereisten respecteren bij het vormgeven van hun toelatingsbeleid. De Inspectie kan de melding nader onderzoeken en indien het bestuur de onderwijswetgeving niet heeft nageleefd ook handhaven. De inspectie stelt hierbij een wettelijke tekortkoming vast en geeft het bestuur de opdracht om dit te herstellen.
De berichten 'Scholen Bonaire vol: tientallen kinderen de dupe' en 'Basisscholen zitten vol' |
|
Ilana Rooderkerk (D66), Heera Dijk (D66) |
|
Judith Tielen (VVD), Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Scholen Bonaire vol: tientallen kinderen de dupe» en «Basisscholen zitten vol» van Dossier Koninkrijksrelaties en het Antilliaans Dagblad?1, 2
Ja, zowel het ministerie als het Openbaar Lichaam Bonaire (hierna: OLB), zijn bekend met deze berichtgeving.
Klopt het dat er op dit moment in Bonaire onvoldoende plekken zijn in het basisonderwijs voor alle leerplichtige kinderen?
Ja, er is op dit moment sprake van druk op de beschikbare capaciteit in het basisonderwijs op Bonaire. In de praktijk betekent dit helaas dat niet ieder leerplichtig kind direct geplaatst kan worden op het moment dat een aanmelding plaatsvindt. In de beantwoording van vragen 6, 7 en 8 wordt toegelicht hoe we samen met het OLB en de andere betrokken verantwoordelijke partijen zo snel mogelijk extra plekken proberen te realiseren.
Hoe groot is op dit moment het tekort aan plaatsen in Bonaire in het basisonderwijs en hoeveel kinderen wachten momenteel op plaatsing?
Er zijn momenteel tenminste 30 kinderen voor wie geen capaciteit is op basisscholen. Dit aantal fluctueert steeds omdat het soms lukt een leerling te plaatsen, maar er tegelijkertijd ook nieuwe kinderen bij komen die wachten op een plek. Het OLB en de schoolbesturen houden samen een continu en actueel overzicht bij.
Hoe beoordeelt u de situatie dat leerplichtige kinderen mogelijk langere tijd geen toegang hebben tot onderwijs omdat er geen beschikbare plekken zijn?
Ik beoordeel deze situatie natuurlijk als zeer zorgelijk. Wanneer kinderen buiten het onderwijsproces raken, brengt dat risico’s mee voor hun ontwikkeling, basisvaardigheden, taalverwerving, sociale participatie en verdere schoolloopbaan.
Wat is volgens u de oorzaak van het gebrek aan voldoende plaatsen in het basisonderwijs op Bonaire?
De zeer sterke bevolkingsgroei op Bonaire, grotendeels veroorzaakt door immigratie vanuit zowel de regio als Europees Nederland, legt druk op allerlei voorzieningen, waaronder het onderwijs. Ten eerste kan de aanleg van nieuwe scholen en noodvoorzieningen deze groei niet in voldoende mate bijbenen. Daarnaast zorgen de stijgende bouwprijzen dat de geplande bouw van locaties ook moeilijker gerealiseerd kan worden. Het vinden van extra onderwijspersoneel is bovendien complex en kost tijd.
De groei van het aantal leerlingen betreft niet alleen de vierjarigen, maar bestaat uit leerlingen van alle leeftijden. Met name scholen voor primair onderwijs hebben geen plek voor nieuwe leerlingen, zelfs na de reeds uitgebreide groepsgrootte. Een complicerende factor daarbij is dat een deel van de thuiszittende leerlingen Spaanstalig is en in sommige gevallen ook een zorgbehoefte heeft. Daardoor is gespecialiseerd personeel nodig dat in staat is om onderwijs te geven aan anderstaligen en/of leerlingen met een zorgbehoefte.
Kunt u uiteenzetten welke verantwoordelijkheden het Openbaar Lichaam Bonaire (OLB) en het Rijk ieder hebben bij het realiseren van voldoende onderwijsplekken op Bonaire, en tegen welke belemmeringen zij daarbij aanlopen?
Het Ministerie van OCW en het OLB zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de voorziening in de huisvesting van scholen op Bonaire. In het kader van het tekort aan onderwijsplekken kijken zij samen naar korte – en langetermijnoplossingen. Daarbij gaat het bijvoorbeeld over het huren van nieuwe huisvesting, het aanleggen van noodvoorzieningen en het gereed krijgen van klaslokalen met voldoende en passend schoolmeubilair. Zo wordt onder andere het schoolterrein bij een basisschool veilig gemaakt waardoor op die school twee nieuwe lokalen in gebruik kunnen worden genomen.
Werving naar personeel is de verantwoordelijkheid van de school. Het OLB houdt daarnaast conform de Leerplichtwet BES toezicht op naleving van de leerplicht en heeft een coördinerende rol wanneer leerlingen langdurig geen toegang hebben tot onderwijs. In dit geval coördineert het OLB, in samenwerking met de betrokken partijen, het vinden van een oplossing. Het Rijk is verantwoordelijk voor de bekostiging van de scholen en is stelselverantwoordelijk. Indien voor het realiseren van lesplaatsen en onderwijs voor de thuiszittende leerlingen aanvullende bekostiging nodig is, kunnen schoolbesturen dit aanvragen bij het Ministerie van OCW. Er zijn nog geen aanvragen ingediend, omdat de aanvraag afhankelijk is van de daadwerkelijke hoeveelheid leerlingen die de school of scholen gaan opvangen. Een dergelijke aanvraag behandelt het Ministerie van OCW met spoed.
Heeft het kabinet contact gehad met het OLB over het tekort aan onderwijsplekken? Zo ja, welke afspraken zijn met het OLB gemaakt om ervoor te zorgen dat alle leerplichtige kinderen op Bonaire zo snel mogelijk onderwijs kunnen volgen?
Ja, het Ministerie van OCW, het OLB en de schoolbesturen hebben doorlopend contact over het tekort aan onderwijsplekken en eventuele oplossingen. Een belangrijk onderdeel van de kortetermijnoplossing is het gereedmaken van lokalen in een gehuurd pand met zes tot tien leslokalen. Na een gesprek tussen het OLB en de schoolbesturen, heeft een schoolbestuur aangeboden het onderwijs in dit pand op zich te nemen. Het OLB en OCW ondersteunen deze school met de benodigde aanvullende bekostiging.
Welke mogelijkheden ziet u om te zorgen er ook voldoende leraren beschikbaar zijn wanneer nieuwe klaslokalen op Bonaire worden gerealiseerd?
Zoals hierboven toegelicht, werken het OLB en OCW samen met schoolbesturen, omdat zij verantwoordelijk zijn voor de werving en inzet van personeel. Hierbij wordt gewerkt aan bredere en snellere werving, het beter benutten van kandidaten die al op het eiland of in de regio beschikbaar zijn, en het verminderen van praktische belemmeringen voor de inzet van leerkrachten van buiten het Koninkrijk.
Bent u bekend met het bericht «Extinction Rebellion lijmt deuren van meer dan dertig scholen in Amsterdam dicht: «Dit heeft niets meer met demonstratievrijheid te maken»»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat dit soort misstanden blijft voortduren en zich uitbreidt naar nieuwe maatschappelijke sectoren en dat overheden er kennelijk niet in slagen om zulke misstanden te verijdelen of zo snel mogelijk te beëindigen voordat maatschappelijke overlast ontstaat?
Ik vind het onacceptabel dat door deze actie niet alle scholen een volledige lesdag hebben kunnen draaien. De burgemeester van Amsterdam heeft de actie ook nadrukkelijk afgekeurd en aangegeven dat dit niets met demonstratievrijheid te maken heeft. Demonstreren is een groot goed in onze democratische rechtsstaat. Het biedt veel ruimte voor diverse soorten acties, mits dit vreedzaam en binnen de grenzen van de wet gebeurt. Het plegen van geweld, intimidatie of, zoals in dit geval vernielingen hoort daar niet bij.
In hoeverre was de gemeente vooraf op de hoogte van de plannen om scholen te blokkeren en wat is verricht om deze misstanden te voorkomen of zo snel mogelijk te beëindigen?
De gemeente Amsterdam was niet van tevoren op de hoogte van de actie van Extinction Rebellion om de deuren van scholen dicht te lijmen. Om die reden waren er geen mogelijkheden om de actie te voorkomen. Op het moment dat de scholen erachter kwamen dat hun deuren dichtgelijmd of geblokkeerd waren hebben zij de politie gebeld en zelf maatregelen genomen om de deuren weer toegankelijk te maken. Wat er precies is gedaan verschilt per school(locatie), maar het algemene beeld is dat de scholen vrij snel weer in staat waren om de lessen te vervolgen.
Hoe reageert u op de aankondiging van Extinction Rebellion (XR) dat er noodzaak zou zijn de strijd te intensiveren? Welke inspanningen verricht u om te voorkomen dat meer scholen met deze overlast te maken krijgen?
Onderwijs moet zonder hinder kunnen plaatsvinden. Het is aan scholen om samen met gemeente en politie te beoordelen of maatregelen nodig zijn. Iedereen, dus ook Extinction Rebellion, heeft het recht om te demonstreren, mits zij zich aan de wet houdt.
Hebben alle scholen inmiddels aangifte gedaan tegen XR? Stimuleert u scholen dit te doen en hoe bevordert u dat de kosten zoveel mogelijk verhaald worden op XR?
Het is aan de scholen zelf om te besluiten om over te gaan tot aangifte, evenals het verhalen van eventuele materiële schade op de vermeende daders. Het kabinet vindt het belangrijk dat daders die schade veroorzaken, deze zoveel mogelijk vergoeden en stimuleert dan ook het doen van aangifte bij vermoedens van strafbare feiten. Om schade te kunnen verhalen, moet wel duidelijk zijn wie voor de schade verantwoordelijk is. Schadeverhaal op de daders zonder dat hun identiteit bekend is, is niet mogelijk.
Onderkent u dat gezien de aanhoudende, intensieve en brede inzet van XR om de maatschappij te ontwrichten door belangrijke locaties zoals snelwegen, stations en scholen te bezetten en te blokkeren, specifieke landelijke regie en ondersteuning van gemeenten nodig is om deze organisatie de kop in te drukken en misstanden vaker te kunnen voorkomen? Wil u hierbij uitdrukkelijk aandacht besteden aan scholen?
Demonstreren mag, maar wel binnen de kaders van de wet. Het zoveel mogelijk faciliteren van een demonstratie en de beoordeling wat wel en niet nodig en mogelijk is aan (preventieve) maatregelen is aan de burgemeester. Hierover vindt afstemming plaats in de lokale driehoek. Het is een lokale aangelegenheid en de burgemeester legt daarover verantwoording af aan de gemeenteraad.
Kunt u aangeven of het Openbaar Ministerie een onderzoek in voorbereiding heeft om de rechter te verzoeken XR te verbieden, gezien het feit dat XR daadwerkelijk op allerlei terreinen uitwerking geeft aan de uitdrukkelijke doelstelling om de maatschappij te ontwrichten?
De bevoegdheid die het Openbaar Ministerie op grond van artikel 2:20 Burgerlijk Wetboek toekomt, ziet op het door de rechter laten verbieden en ontbinden van een rechtspersoon. Opgemerkt zij dat Extinction Rebellion geen rechtspersoon is en als zodanig niet kan worden ontbonden. Van een procedure ex artikel 2:20 Burgerlijk Wetboek is dan ook geen sprake.
Hoe verhoudt de kennelijke doelstelling van XR om te maatschappij te ontwrichten zich tot de fiscale ondersteuning van de ANBI-regeling die gericht is op het bevorderen van maatschappelijk nut? Vindt u ook dat organisaties die blijkens eigen uitingen een doelstelling nastreven die in strijd is met het algemeen nut niet voor de ANBI-status in aanmerking mogen komen?
Extinction Rebellion is geen rechtspersoon. In het ANBI-register op de website van de Belastingdienst staan momenteel wel twee instellingen vermeld die als doel hebben de beweging «Extinction Rebellion» te ondersteunen (Stichting vrienden van XR). Omdat de Belastingdienst gehouden is aan de geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen kan geen nadere informatie worden verstrekt over individuele instellingen.
Vanzelfsprekend dient eenieder zich aan de wet- en regelgeving te houden. Een ANBI-status maakt daarin geen verschil. In zijn algemeenheid kan daarnaast worden opgemerkt dat een instelling (onder meer) uitsluitend of nagenoeg uitsluitend (ten minste 90%) het algemeen nut moet beogen om als ANBI aangemerkt te worden. Het begrip algemeen nut is in de wet neutraal vormgegeven en wordt, zoals ook uit de jurisprudentie blijkt, neutraal getoetst. De inspecteur van de Belastingdienst zal een ANBI-status bij beschikking intrekken of een aanvraag weigeren indien niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor de ANBI-status, waaronder de hiervoor genoemde voorwaarde van het beogen van algemeen nut en de zogenoemde «integriteitstoets». Kortgezegd houdt deze integriteitstoets in dat de ANBI-status door de inspecteur wordt ingetrokken als het hem kenbaar is dat de instelling of een bestuurder, feitelijk leidinggevende of gezichtsbepalend persoon van die instelling onherroepelijk is veroordeeld wegens het opzettelijk plegen van een in de ANBI-regelgeving genoemd misdrijf. Weliswaar verbindt de fiscale wetgeving gevolgen aan bepaalde veroordelingen, maar het uitgangspunt hierbij is dat strafbare feiten strafrechtelijk moeten zijn afgedaan. De inspecteur kan en mag immers niet op de stoel van de strafrechter gaan zitten. Ook wordt de ANBI-status ingetrokken als de inspecteur gerede twijfel heeft over de integriteit van de instelling of van bovengenoemde betrokken personen én de instelling of persoon ondanks een verzoek daartoe van de inspecteur niet binnen zestien weken een verklaring omtrent gedrag (VOG) kan overleggen. Gerede twijfel veronderstelt dat de inspecteur niet te lichtvaardig kan overgaan tot het opvragen van een VOG.2 Verdenkingen, niet-vervolgbare activiteiten of gedrag waarvan niet iedereen het algemeen nut kan inzien zijn geen redenen om de ANBI-status van een instelling in te trekken. Dit is ook in de Kamerbrief van 19 maart 2025 naar aanleiding van de motie van het lid Eerdmans die het kabinet verzocht om de ANBI-status van Extinction Rebellion in te trekken aangegeven.3
De bevinding dat ruim 40 procent van de middelbare scholieren lhbtiq+’ers niet als gelijkwaardig beschouwt |
|
Marjolein Moorman (PvdA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het onderzoek van OCW waaruit blijkt dat ruim 40 procent van de middelbare scholieren lhbtiq+’ers niet als gelijkwaardig aan heteroseksuelen beschouwt?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat deze cijfers zorgelijk zijn en op gespannen voet staan met fundamentele waarden van gelijkwaardigheid, vrijheid en non-discriminatie, verankerd in onze Grondwet?
Ja.
Welke conclusies verbindt u aan de constatering van de onderzoekers dat grote groepen jongeren deze basisvrijheden niet onderschrijven?
In Nederland mag je zijn wie je bent, houden van wie je wilt en uiting geven aan je seksuele gerichtheid. Een gelijkwaardig Nederland, daar staat dit kabinet voor. Ik vind het zorgwekkend dat een groot deel van de jongeren zegt te vinden dat heteroseksuele en homoseksuele personen niet gelijkwaardig zijn. Ik stuur uw Kamer voor de zomer een kabinetsreactie met mijn reactie op het onderzoek De lhbtiq+-opvattingen van jongeren en de beleidsmaatregelen die ik wil nemen.
Deelt u de mening dat het onderzoek het belang onderstreept van het Regenboog Stembusakkoord, dat ondertekend is door alle coalitiepartijen? Kunt u per afspraak uit het Regenboog Stembusakkoord aangeven op welke manier u hier invulling aangeeft? Kunt u bij de maatregelen waar u geen invulling aan geeft aangeven waarom u dit niet doet?
In het coalitieakkoord 2026–2030 «Aan de slag» heeft het kabinet afgesproken dat het Regenboog Stembusakkoord (RSA) de basis is om te blijven werken aan acceptatie, veiligheid en emancipatie van de lhbtiq+ gemeenschap. Het kabinet is voornemens dit akkoord zorgvuldig uit te voeren met (initiatief)wetgeving en beleid. In de Emancipatienota, die ik na de zomer van 2026 aan uw Kamer stuur, geeft het kabinet nadere invulling aan de uitwerking van het RSA.
Op dit moment zijn we al aan de slag via de Versterkte aanpak lhbtiq+-veiligheid om de veiligheid van lhbtiq+ personen in verschillende leefdomeinen te verbeteren met interventies op het gebied van preventie, herstel en erkenning. Daarnaast steunt het kabinet initiatieven in het onderwijs die bijdragen aan een veilige leeromgeving voor alle leerlingen, waaronder Paarse Vrijdag en Gender and Sexuality alliances (GSA’s). In het onderwijs worden de kerndoelen, waaronder burgerschap, wettelijk verankerd met daarin aandacht voor onder andere gelijkwaardigheid, non-discriminatie en autonomie. De inspectie gaat hierop toezien.
In het Regenboog Stembusakkoord is specifiek afgesproken dat het kabinet ervoor gaat zorgen dat de Onderwijsinspectie scherper gaat toezien op de uitvoering van wetten en regels die bepalen dat scholen veiligheid, respect en acceptatie van lhbtiq+’ers dienen te bevorderen en dat er een einde komt aan afwijzing van lhbtiq+’ers door scholen; op welke wijze gaat de regering deze afspraak uitvoeren?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u reflecteren op de in het onderzoek genoemde mogelijkheden ter bevordering van acceptatie van lhbtiq+’ers en per betrokken actor uiteenzetten welke rol u voor de overheid en de betreffende partijen ziet bij het realiseren van deze oplossingen?
Ik stuur uw Kamer voor de zomer de kabinetsreactie met daarin de opvolging van de mogelijkheden ter bevordering van de acceptatie van lhbtiq+ personen die in het onderzoek genoemd worden en de rol die ik hierbij zie voor de overheid. In de Emancipatienota zal ik waar mogelijk aanvullende maatregelen opnemen die bijdragen aan het bevorderen van gelijkwaardigheid.
Welke concrete maatregelen neemt u op dit moment om de acceptatie van lhbtiq+’ers binnen het basis- en voortgezet onderwijs te vergroten?
Scholen in het funderend onderwijs zijn wettelijk verplicht zorg te dragen voor een veilig schoolklimaat voor alle leerlingen. Met het wetsvoorstel Vrij en veilig onderwijs2, dat reeds bij uw Kamer is ingediend, versterken we de zorgplicht voor de veiligheid op school middels beter zicht op de veiligheid, goede ondersteuning en begeleiding bij onveiligheid en een jaarlijkse evaluatie van het veiligheidsbeleid. Daarnaast vereist de wettelijke burgerschapsopdracht dat scholen leerlingen kennis en respect bijbrengen van en voor de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en voor verschillen tussen mensen, bijvoorbeeld in seksuele gerichtheid. De nieuwe kerndoelen voor de leergebieden burgerschap en mens en maatschappij verplichten scholen diversiteit bespreekbaar te maken.
Ook verleen ik een instellingssubsidie aan Stichting School & Veiligheid (SSV), de landelijke expertiseorganisatie met informatie en advies voor sociale veiligheid op school. SSV heeft aanbod voor docenten voor het veilig bespreekbaar maken van «gevoelige» thema’s in de klas, waaronder gender en seksuele diversiteit. Voorbeelden zijn de website www.gendi.nl en de leidraad die in samenwerking met het Landelijke Aktie Komitee Scholieren (LAKS) is ontwikkeld. Ook ondersteun ik initiatieven van COC Nederland die scholen helpen bij het bespreekbaar maken van diversiteit. Voorbeelden hiervan zijn Paarse Vrijdag, GSA’s en een docentennetwerk.
In hoeverre ziet u regionale verschillen in de acceptatie van lhbtiq+’ers onder scholieren, en bent u bereid in regio’s waar de acceptatie aantoonbaar lager ligt extra ondersteuning voor scholen en docenten te geven?
Het onderzoek De lhbtiq+-opvattingen van jongeren laat geen regionale verschillen zien in de acceptatie van lhbtiq+ personen onder scholieren. In de Gezondheidsmonitor Jeugd 2026 wordt het onderwerp lhbtiq+-acceptatie in alle regio’s uitgevraagd. De publicatie van deze cijfers wordt verwacht in het voorjaar van 2027.
Hoe beoordeelt u de conclusie van de onderzoekers dat acceptatie met name laag is onder leerlingen die religieus en conservatief zijn? Hoe beoordeelt u de conclusie dat dit onderzoek het idee weerlegt dat vooral jongeren met een migratieachtergrond conservatieve opvattingen zouden hebben over lhbtiq+’ers? Welke stappen zet u concreet om te voorkomen dat specifieke groepen jongeren onterecht worden gestigmatiseerd in het publieke en politieke debat?
De resultaten van het onderzoek laten zien dat de verschillen in lhbtiq+-opvattingen van jongeren vooral samenhangen met gender en de mate van conservatisme, en ook religie en leerweg spelen een rol. Ik stuur uw Kamer voor de zomer een uitgebreidere kabinetsreactie op het onderzoek.
Het onderwijs moet voor alle jongeren een fijne en veilige plek zijn waarin zij zichzelf kunnen ontwikkelen en ontplooien. In de kabinetsreactie ga ik dieper in op de rollen in het publieke en politieke debat.
Bent u bereid, mede op basis van de bevindingen uit zowel het UvA-onderzoek als eerder onderzoek van het COC en Columbia University te kijken naar hoe Paarse Vrijdag en GSA’s en inclusieve lesprogramma’s landelijk structureel kunnen worden versterkt en gefinancierd, aangezien deze als effectieve interventies uit het onderzoek komen?2 Hoe geeft u in dat kader vorm aan de volgende afspraak uit het Regenboog Stembusakkoord dat volgens het coalitieakkoord wordt uitgevoerd: «Het kabinet blijft initiatieven voor respect en acceptatie op de basis en middelbare school, zoals de GSA’s en Paarse Vrijdag, financieel ondersteunen»?
Het kabinet steunt initiatieven in het onderwijs die bijdragen aan een veilige leeromgeving voor alle leerlingen, waaronder Paarse Vrijdag en GSA’s. De alliantie Kleurrijk en Vrij draagt financieel meerjarig bij aan de initiatieven GSA’s en Paarse Vrijdag in het voortgezet onderwijs en mbo. Aangezien Paarse Vrijdag later is gestart in het primair onderwijs, wordt dit momenteel financieel ondersteund middels een projectsubsidie tot 31 juli 2026. In de Emancipatienota, die ik na de zomer van 2026 aan uw Kamer zal sturen, informeer ik uw Kamer over een vervolg in het primair onderwijs.
Is het juist dat bevorderen van een veilig klimaat voor lhbtiq+’ers en respect voor seksuele diversiteit nog niet op alle docenten- en leerkrachtenopleidingen een verplicht onderdeel is van het curriculum, terwijl dit onderwerp wel onderdeel uitmaakt van de kerndoelen voor het basis- en voortgezet onderwijs en de wettelijke burgerschapsopdracht van scholen? Bent u bereid om in gesprek te gaan met docenten- en leerkrachtenopleidingen om te bevorderen dat dit wel een onderdeel wordt van hun curriculum?
Het bevorderen van een veilig klimaat voor lhbtiq+ personen en respect voor seksuele diversiteit is op dit moment geen verplicht onderdeel van het curriculum van lerarenopleidingen. De aandacht voor diversiteit, gelijkwaardigheid en respect verschilt per lerarenopleiding en hangt samen met de kerndoelen en examenprogramma’s van het vakgebied.
De landelijke kennisbases van de hbo-lerarenopleidingen worden op dit moment herijkt en opnieuw geformuleerd, waarbij de hogescholen nauw aansluiten bij de nieuwe kerndoelen en bekwaamheidseisen. Om de aansluiting op die kerndoelen te borgen is Stichting Leerplan Ontwikkeling (SLO) betrokken bij dat proces. Ik vertrouw erop dat de inhoud van de nieuwe kerndoelen daarmee ook voldoende terug zal komen in de kennisbases en de daarop gebaseerde individuele curricula van opleidingen. Ik zie op dit moment geen reden om hierover in gesprek te gaan met de opleidingen in het Opleidingsberaad Leraren.
Het bericht ‘Ministerie houdt dagelijks bewegen op school' |
|
Mohammed Mohandis (PvdA), Marjolein Moorman (PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ministerie houdt dagelijks bewegen op school tegen» en wat is daarop uw reactie?1
Kunt u nader toelichten waarom de verplichting om dagelijks bewegen in het curriculum op te nemen van tafel is?
Wat was de doorslaggevende factor om dit niet op te nemen in het curriculum en waarom is het op het laatste moment geschrapt?
Hoe verhoudt deze keuze zich tot de berekeningen van het RIVM dat de doelen met betrekking tot het aantal kinderen met overgewicht in 2040 niet worden gehaald en maar liefst op 14 procent blijft steken?2
Hoe verhoudt deze keuze zich tot het gegeven dat voldoende bewegen leerlingen helpt om beter te kunnen leren?
Hoe verwacht uw het preventiedoel dat maximaal 5 procent van de kinderen overgewicht heeft in 2040 te gaan halen?
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om het aantal kinderen met overgewicht te laten doen afnemen?
Bent u van mening dat kinderen voldoende bewegen, zowel buiten school als binnen school? Hoe beziet u in dit licht de bevinding dat bijna de helft van de kinderen niet op een actieve manier naar school gaat (te voet of te fiets)?3
Bent u van mening dat de Nederlandse Staat voldoende doet om de gezondheid van kinderen te beschermen? Zo nee, waarom niet?
Hoe kijkt u tegen de eventuele rechtszaak aan van Erik Scherder en Defence for Children?
Kunt u deze vragen ieder afzonderlijk beantwoorden?
Bent u bekend met de berichtgeving van NOS, Trouw en Stichting School & Veiligheid over de toenemende invloed van de zogenoemde manosphere op jongens en jonge mannen, waaronder jongens en jongvolwassenen met problematisch of grensoverschrijdend gedrag, en over signalen van dit gedrag in het onderwijs?1, 2, 3
Deelt u de zorgen dat content, waarin vrouwen en meisjes als ondergeschikt en minderwaardig worden neergezet, kan bijdragen aan een klimaat waarin grensoverschrijdend gedrag en geweld tegen vrouwen en meisjes worden genormaliseerd?
In hoeverre is bij politie, Openbaar Ministerie en andere betrokken professionals bekend of de manosphere een rol speelt bij seksueel grensoverschrijdend gedrag, stalking, huiselijk geweld of ander geweld tegen vrouwen en meisjes?
Wordt binnen de aanpak van geweld tegen vrouwen, huiselijk geweld, seksueel geweld en femicide op dit moment expliciet gekeken naar online vrouwenhaat, manosphere-content en digitale beïnvloeding van vrouwonvriendelijke denkbeelden? Zo ja, op welke manier? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?
Ziet u aanleiding om, naar aanleiding van deze berichtgeving, te onderzoeken of en hoe manosphere-content een rol speelt in de aanloop naar geweld tegen vrouwen, intieme terreur, controlerend gedrag en seksueel grensoverschrijdend gedrag? Zo nee, waarom niet?
Beschikken professionals die werken met jongeren en jongvolwassenen met problematisch of grensoverschrijdend gedrag volgens u over voldoende kennis en handvatten om beïnvloeding door de manosphere te herkennen, bespreekbaar te maken en mee te wegen in de risicotaxatie en begeleiding?
Bent u van plan maatregelen te nemen naar aanleiding van het signaal dat beïnvloeding vanuit de manosphere soms leidt tot wantrouwen jegens vrouwelijke hulpverleners?
Welke conclusies trekt u uit het onderzoek van Stichting School & Veiligheid, uitgevoerd door Ipsos I&O, dat laat zien dat 78% van de onderwijsprofessionals in het voortgezet onderwijs denkt dat jongens op school in enige mate worden beïnvloed door content over mannelijkheid en omgang met vrouwen?
Wat vindt u ervan dat bijna driekwart van de professionals in het voortgezet onderwijs de afgelopen vier jaar een toename ziet van gedrag dat mogelijk samenhangt met de manosphere? Wat is volgens u daarvoor een verklaring?
Erkent u dat deze signalen raken aan de sociale veiligheid van meisjes, lhbtiq+-leerlingen en vrouwelijke onderwijsprofessionals op school?
Welke verantwoordelijkheid ziet u hier voor scholen, overheid en ouders, gezien het feit dat onderwijsprofessionals volgens Stichting School & Veiligheid zorgen hebben over de invloed van deze denkbeelden op het schoolklimaat, waaronder agressie, pestgedrag, spanningen tussen jongens en meisjes en de kwaliteit van gesprekken in de klas?
Wat betekent het volgens u dat vrouwelijke onderwijsprofessionals vaker vrouwonvriendelijke, homofobe of seksistische opmerkingen signaleren en relatief vaak ervaren dat hun autoriteit door leerlingen wordt ondermijnd?
Welke rol ziet u voor ouders bij het herkennen en bespreken van manosphere-content en bredere online beïnvloeding, en hoe kunnen scholen en ouders hierin beter samenwerken zonder dat de volledige verantwoordelijkheid bij leraren komt te liggen?
Welke ondersteuning is er op dit moment beschikbaar voor scholen en leraren om adequaat te reageren op vrouwonvriendelijke, seksistische of intimiderende uitspraken?
Vindt u deze ondersteuning voldoende, nu onderwijsprofessionals aangeven behoefte te hebben aan meer kennis, praktische tools en vaardigheden om met deze thematiek om te gaan in de klas? Zo nee, bent u bereid tegemoet te komen aan deze behoefte?
Bent u bekend met het bericht «Leerlingen komen met desinformatie over Holocaust de klas in: «Zien ze op TikTok»»?1.
Deelt u de zorgen van docenten en onderzoekers over de toename van desinformatie over de Holocaust onder leerlingen, mede als gevolg van AI gegenereerde beelden op sociale media?
Meer dan de helft van de leerlingen kon in een experiment een AI-gegenereerde foto van Auschwitz niet van een echte foto onderscheiden, deelt u de zorg dat een gebrek aan historische basiskennis leerlingen kwetsbaarder maakt voor desinformatie?
Herkent u het beeld dat vier op de tien docenten aangeeft dat sommige leerlingen de ernst van de Holocaust bagatelliseren? Hoe beoordeelt u deze ontwikkeling?
Hoe beoordeelt u de huidige staat van mediawijsheid en digitale geletterdheid op scholen en acht u de huidige inspanningen voldoende?
Bent u bereid om additionele maatregelen te nemen om de mediawijsheid en digitale geletterdheid op scholen te verbeteren?
Hoe beoordeelt u het feit dat het momenteel voor eenieder mogelijk is om met AI-platforms als ChatGPT nepbeelden te genereren van de Holocaust, met als gevolg het ernstige risico op bagatellisering van dit verleden? Zo nee, bent u bereid maatregelen te treffen?
Over welke instrumenten beschikt u om op te treden tegen het genereren en verspreiden van AI-gegenereerde nepbeelden van de Holocaust op sociale media, mede gezien het feit dat het bagatelliseren van de Holocaust in Nederland strafbaar is?
Welke mogelijkheden ziet u om op te treden tegen sociale media-accounts en -platformen die AI-gegenereerde Holocaustbeelden verspreiden waardoor grote groepen gebruikers met deze desinformatie in aanraking komen?
Bent u bereid in gesprek te gaan met sociale mediaplatforms zoals TikTok over het actief verwijderen van desinformatie en AI-gegenereerde nepbeelden over de Holocaust, en bent u bereid dit ook Europees te agenderen in het kader van de Digital Services Act?
Kunt alle vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Dagelijks bewegen als kerndoel in het basisonderwijs |
|
Ilana Rooderkerk (D66), Renilde Huizenga (D66), Marijke Synhaeve (D66) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Kinderen dupe van besluit Ministerie Onderwijs? Scherder wil rechtszaak om dagelijks bewegen te verplichten»?1
Is het juist dat het Landelijk Expertisecentrum voor het curriculum (SLO) dagelijks bewegen had opgenomen in de kerndoelen voor het basisonderwijs maar dat het Ministerie van OCW daar twee dagen voor de definitieve vaststelling van de kerndoelen, na anderhalf jaar vergaderen, plotseling een streep doorheen heeft gezet?2 Zo ja, wat was de exacte reden voor dit besluit en wie heeft dit besluit genomen?
Wat is de onderbouwing van om dagelijks bewegen niet als verplicht kerndoel op te nemen terwijl er in Nederland 400.000 kinderen met overgewicht zijn en dat aantal de laatste jaren sterk is toegenomen?
De Nederlandse Sportraad, de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving en de Onderwijsraad riepen in 2018 gezamenlijk al op om het lange zitten te onderbreken door middel van beweegbreaks, maar geen van de aanbevelingen uit dat advies zijn overgenomen door de afgelopen twee kabinetten.3 Bent u wel van plan gehoor te geven aan deze herhaaldelijke adviezen, en zo ja, op welke manier?
De Gezondheidsraad adviseert dat kinderen en jongeren tot 18 jaar dagelijks minstens 60 minuten matig intensief bewegen.4 Hoe verhoudt het besluit om dagelijks bewegen niet te verplichten zich tot dit advies?
Neuropsycholoog Erik Scherder en belangenorganisatie Defence for Children verkennen juridische stappen tegen de staat, omdat zij vinden dat de gezondheid van kinderen onvoldoende wordt beschermd. Bent u bereid in gesprek te gaan met Scherder en Defence for Children over hun zorgen?
Recente studies tonen een relatie aan tussen fitheid van kinderen en hun prestaties op rekenen en taal.5 Deelt u de opvatting dat bewegen en cognitieve ontwikkeling onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden, en zo ja, hoe weegt u dit mee in het curriculumbeleid?
Bent u bereid het besluit te herzien en dagelijks bewegen alsnog als kerndoel op te nemen in het curriculum voor het basisonderwijs? Zo nee, welke alternatieve maatregelen neemt u om de beweegachterstand van kinderen structureel aan te pakken?
(Dagelijks) bewegen vraagt om inbedding in de schooldag, maar leraren staan al onder grote werkdruk. Hoe voorkomt u dat de verantwoordelijkheid voor het beweegbeleid volledig op het bord van de individuele leraar terechtkomt en welke structurele ondersteuning, zoals gymdocenten, beweegcoaches of schoolbrede programma’s, stelt u hiervoor beschikbaar?
Het blokkeren van queer accounts door Meta |
|
Marjolein Moorman (PvdA), Sandra Beckerman (SP), Barbara Kathmann (PvdA), Christine Teunissen (PvdD), Laurens Dassen (Volt) |
|
Aerdts , Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Meta blokkeert opnieuw tientallen queer accounts op Instagram» en «Meta heft de blokkade van queer-Instagramaccounts deels op, maar de angst voor herhaling blijft: «Het duwt je terug de kast in»»?1, 2
Vindt u het acceptabel dat Meta wederom eenzijdig de accounts van tientallen queerorganisaties en queer personen heeft geblokkeerd of zelfs permanent heeft verwijderd?
Heeft u sinds de beantwoording op de vragen van de leden Dassen en Kathmann over een soortgelijke situatie in december 2025, meer informatie gekregen over de moderatiekeuzes door Meta?3
Bent u sinds de beantwoording op de bovengenoemde vragen nog verder in contact geweest met Meta over het eenzijdig blokkeren van queer accounts? Zo ja, wat was uw inzet bij deze gesprekken?
Herkent u de signalen van de getroffen accounts dat het vaak niet lukt om in contact te komen met een echt persoon bij Meta om bezwaar te kunnen maken? Wat kan u hiertegen doen?
Zijn er signalen dat online accounts worden getroffen door gecoördineerde massameldingen van gebruikers of groepen die het oneens zijn met de inhoud van de accounts? Wat doet Meta om zulke gecoördineerde massameldingen tegen te gaan, met name als deze zich richten tegen minderheidsgroepen?
Kunt u ingaan op de onevenredig grote gevolgen die zulke blokkades hebben voor queerorganisaties en personen die voor hun zichtbaarheid en bereik afhankelijk zijn van grote online platforms?
Hoe ziet u het blokkeren van queer accounts in het licht van artikel 35 van de Digital Services Act (DSA) die stelt dat platforms structurele risico’s op haat en discriminatie moet bestrijden?
Vindt u dat Meta een verantwoordelijkheid heeft om een veilige en vrije omgeving te bieden voor queer content? Hoe spant u zich vanuit het perspectief van emancipatie in om dit te waarborgen?
Bent u bereid om te onderzoeken of de aanname klopt dat minderheidsgroepen onevenredig vaak en hard worden geraakt door de niet-transparante moderatie van Meta?
Bent u bereid zich in te zetten om de geblokkeerde of verwijderde accounts Nederlandse personen en organisaties te herstellen? Welke mogelijkheden heeft u hiertoe?
Is het blokkeren van accounts, zonder waarschuwing of motivering, in strijd met de DSA?
Welke gevolgen zijn er voor grote online platforms die zich herhaaldelijk niet aan de DSA houden? Wat hebben toezichthouders nodig om harder en sneller op te kunnen treden?
Bent u het ermee eens dat grote online platforms, die dusdanig veel invloed hebben op het publieke debat en het bereik van organisaties, volledige openheid moeten geven over hun moderatiecriteria en werkwijze? Voorziet de DSA voldoende in deze transparantieverplichting volgens u?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en tijdig vóór het commissiedebat sociale media en inmenging van 4 juni 2026 beantwoorden?
Deelt u de mening dat het actief verwijderen of weren van boeken uit bibliotheken en schoolbibliotheken een bedreiging vormt voor de vrijheid van meningsuiting?1, 2
Deelt u de opvatting dat juist voor jongeren die thuis of in hun omgeving weinig toegang hebben tot informatie of herkenning rondom bijvoorbeeld seksuele diversiteit of genderidentiteit, een laagdrempelige en diverse bibliotheekcollectie van groot belang is?
Hoe beoordeelt u de ontwikkeling die wordt geschetst door de Schrijverscentrale en bibliotheken, waarbij bepaalde titels op sommige scholen niet meer welkom zijn, en ouders actief collecties «opschonen»?
Heeft u zicht op hoe vaak en welke typen titels in Nederland ter discussie worden gesteld of verwijderd uit (school)bibliotheken?
Herkent u het beeld uit de Verenigde Staten dat met name boeken over seksualiteit, seksuele diversiteit, LHBTI-personen, vrouwen en minderhedenrechten relatief vaak onderwerp zijn van verwijdering of discussie? In hoeverre speelt dit in Nederland?
Heeft u zicht op in hoeverre georganiseerde belangengroepen druk uitoefenen op bibliotheken en scholen om bepaalde titels te weren of te verwijderen?
Welke waarborgen bestaan er in Nederland om te voorkomen dat politieke of maatschappelijke druk leidt tot beperking van het aanbod in bibliotheken en het onderwijs?
Welke mogelijkheden ziet u om scholen en bibliotheken beter toe te rusten omstreden boeken te behouden, ook bij bezwaren van ouders of belangengroepen?
Bent u bereid om, samen met relevante belangenorganisaties op het gebied van onder andere LHBTI-emancipatie, gendergelijkheid en seksuele educatie, te verkennen hoe bibliotheekcollecties op deze thema’s beschermd kunnen worden?
Het bericht ‘Nog veel meer Instagramaccounts van LHBTI’ers op zwart, veel meldingen uit Nederland’ |
|
Mpanzu Bamenga (D66), Anne-Marijke Podt (D66), Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Aerdts , Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nog veel meer Instagramaccounts van LHBTIQ+’ers op zwart, veel meldingen uit Nederland» waaruit blijkt dat opnieuw meerdere Instagramaccounts van LHBTIQ+-organisaties, activisten en gemeenschappen, waaronder accounts uit Nederland, offline zijn gehaald of ontoegankelijk zijn gemaakt?1
Bent u eens met de stelling dat het blokkeren van specifieke LHBTIQ+ accounts en content onrechtmatig, discriminerend en onacceptabel is? Bent u het ook eens met de stelling dat het optreden hiervan, meermaals en herhaald in vrij korte tijd, niet steeds door Meta afgedaan kan worden als een incident maar dat het onderdeel lijkt te zijn van hun beleid?
Deelt u de ernstige zorgen dat het blokkeren van LHBTIQ+ personen en LHBTIQ+ organisaties, zonder geldige reden, discriminerend is, de vrijheid van meningsuiting aantast en de acceptatie en het veiligheidsgevoel van LHBTIQ+-gemeenschap onder druk zet? Zo ja, waarom en welke acties onderneemt u om deze ernstige zorgen te adresseren?
Is het bij u bekend in hoeverre andere minderheidsgroepen dan LHBTIQ+ ook te maken hebben met structurele discriminatie en aantasting van hun vrijheid van meningsuiting door sociale media platforms?
Kunt u toelichten in hoeverre het blokkeren van deze LHBTIQ+ accounts en content zonder duidelijke uitleg in lijn is met de verplichtingen uit de Digital Services Act, met name ten aanzien van transparantie, motivering en effectieve bezwaarprocedures en welke stappen het kabinet en de Europese Commissie zetten om hier actief op te handhaven?
Welke acties zijn sinds de vorige blokkades (in december 2025) ondernomen door het kabinet of bevoegde toezichthouders naar aanleiding van deze signalen?
Is er tevens contact geweest met belangenorganisaties van LHBTIQ+ personen om te vragen welke signalen er nog meer zijn en waar behoefte aan is?
Welke mogelijkheden ziet u voor zich om bij sociale media platformen de transparantie over het blokkeren van accounts af te dwingen zodat voor gebruikers duidelijk is op welke gronden een blokkade is ingesteld en waar ze terecht kunnen met klachten of vragen?
Welke mogelijkheden heeft u om platforms ertoe te bewegen geblokkeerde accounts te herstellen en/of gedupeerden te ondersteunen bij het herstellen van hun account?
Welke maatregelen gaat u nemen tegen sociale media platforms die LHBTIQ+ personen en organisaties discrimineren? En welke aanvullende maatregelen overweegt u om het digitaal targetten van LHBTIQ+ gemeenschappen via sociale media platforms tegen te gaan en de LHBITQ+ gemeenschap beter te beschermen?
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden?
Het bericht dat steeds meer dak- en thuisloze kinderen in de klas zitten als gevolg van woningnood |
|
Nicole Moinat (PVV), René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat leraren steeds vaker dak- en thuisloze kinderen in de klas zien en dat scholen hiervoor steeds vaker hulp moeten inschakelen?1
Deelt u de constatering dat woningnood directe en ernstige gevolgen heeft voor de ontwikkeling en onderwijskansen van kinderen? Zo ja, hoe beoordeelt u deze ontwikkeling?
Hoeveel minderjarige kinderen in Nederland verkeren momenteel in een situatie van dak- of thuisloosheid? Kunt u deze cijfers uitsplitsen naar leeftijd, regio en type onderwijsdeelname?
In hoeverre is er zicht op «verborgen dakloosheid», zoals kinderen die tijdelijk bij familie of kennissen verblijven? Acht u de huidige registratie toereikend?
Welke ondersteuning ontvangen scholen momenteel om deze kwetsbare groep leerlingen te begeleiden, zowel op sociaal als medisch vlak?
Deelt u de opvatting dat het niet de kerntaak van het onderwijs is om structurele maatschappelijke problemen zoals dakloosheid op te vangen? Zo ja, hoe voorkomt u dat deze verantwoordelijkheid alsnog bij scholen terechtkomt?
Welke rol spelen jeugdzorg, gemeenten en de publieke gezondheidszorg bij de ondersteuning van deze kinderen, en is deze inzet naar uw oordeel voldoende?
Hoe wordt voorkomen dat deze kinderen onderwijsachterstanden oplopen als gevolg van instabiele woonomstandigheden, stress en verzuim?
Hoeveel gezinnen met minderjarige kinderen vallen momenteel buiten de reguliere opvang of hulpverlening, en wat zijn daarvan de oorzaken?
Welke concrete maatregelen neemt u om dakloosheid onder minderjarigen terug te dringen en verdere toename te voorkomen?
Het voornemen van diverse schoolbesturen in het land om op korte termijn een kleine school te gaan sluiten |
|
Chris Stoffer (SGP), André Flach (SGP) |
|
Pieter Heerma (CDA), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het voornemen van diverse schoolbesturen in het land om op korte termijn een kleine school te gaan sluiten?1
Kunt u aangeven hoeveel situaties bij u bekend zijn van kleine scholen die per schooljaar 2026–2027 gaan sluiten?
Deelt u de constatering dat de aanwezigheid van de school van groot belang is voor de vitaliteit van de lokale gemeenschap en dat met het al dan niet voortbestaan vaak ook andere kernfuncties in de gemeenschap gemoeid zijn?
Welke inspanning levert u in het kader van de inzet voor vitale regio’s en de leefbaarheid van het platteland om zoveel mogelijk te voorkomen dat scholen sluiten? Bent u bereid om met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de PO-Raad te overleggen hoe het voortbestaan van kleine scholen door beleid en wetgeving extra ondersteund kan worden?
Vindt u het acceptabel dat besturen een voornemen tot sluiting slechts enkele maanden voor de zomervakantie bekendmaken? Welke wettelijke waarborgen zijn er om te waarborgen dat sprake is van een redelijke termijn en in hoeverre zijn extra waarborgen nodig, bijvoorbeeld in de regeling van termijnen voor de medezeggenschap?
Wat vindt u ervan dat de berekening van de verwachte leerlingengroei zodanig ingewikkeld is dat deze zelfs voor de rechter moeilijk vast te stellen valt?2 Welke mogelijkheden tot verduidelijking ziet u ten dienste van de praktijk in gemeenten?
Onderkent u dat de bouw van nieuwe woningen een wezenlijke factor kan zijn die het voortbestaan van een school mogelijk zou kunnen maken indien een of enkele jaren extra respijt zou bestaan in de berekening? Bent u bereid te verkennen hoe hiermee, mogelijk op vergelijkbare wijze als bij de discretionaire bevoegdheid voor scholen onder de 23 leerlingen, beter rekening gehouden kan worden gelet op de woningbouwopgave die op veel plaatsen in het land aan de orde is?
Bent u bereid om te onderzoeken hoe beleid en wetgeving nieuwe rechtspersonen die een kleine school willen overnemen beter kunnen ondersteunen indien dat initiatief voldoende kansrijk is? Op welke wijze kan hierbij gebruik gemaakt worden van eerdere ervaringen, zoals de overname van de basisschool in Griendtsveen?
Bent u bekend met het bericht «Opinie: Bescherm de lichamelijke integriteit van vrouwen, ook in de digitale wereld»?1
Kunt u het onderzoek van Investico, waaruit is gebleken dat alle grote Nederlandse drogisten, zoals Kruidvat, Etos en Trekpleister, (gevoelige) informatie over de vruchtbaarheid en seksuele gezondheid van klanten delen met Amerikaanse en Chinese techbedrijven, voorzien van een kabinetsreactie?2
Kunt u specifiek maken welke persoonsgegevens door de onderzochte apps en drogisten worden doorverkocht? Is hier sprake van medische gegevens, die enkel met een wettelijke grondslag of na uitdrukkelijke toestemming verwerkt mogen worden?
Voldoet de gegevensverwerking door de gezondheidsapps en de drogisten aan de nationale privacywetgeving? Zo ja of nee? Kunt u dit op basis van onderzoek onderbouwen?
Zijn de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) en de Autoriteit Consument & Markt (ACM) op de hoogte van de mogelijk illegale handel in gezondheidsgegevens? Zo ja, wordt hier naar uw weten nader onderzoek naar gedaan? Zo nee, bent u bereid dit in samenwerking met de toezichthouders wel te doen?
Wat is uw oordeel over het gebruik van tracking cookies bij online webshops, waardoor mogelijk gevoelige informatie over het koopgedrag van klanten aan derden wordt doorverkocht? Is dit mogelijk in strijd met de privacywetgeving?
Kunt u expliciet benoemen welke acties u nationaal en in Europees verband neemt om tracking cookies zo veel mogelijk te beperken en het informatie- en toestemmingsrecht van burgers over wat er met hun gegevens gebeurt te versterken?
Indien blijkt dat gezondheidsapps en drogisten in strijd met de wet medische gegevens van personen hebben verwerkt, welke gevolgen heeft dit voor deze bedrijven?
Deelt u de analyse van de indieners dat de lichamelijke integriteit van personen in een digitale wereld ook vraagt om toereikende privacybescherming? Is dit momenteel juridisch goed genoeg beschermd?
Bent u bereid om aanvullende stappen te nemen om de medische gegevens van personen die gezondheidsapps gebruiken of gezondheidsproducten kopen bij drogisten beter te beschermen? Zo ja, hoe gaat u dit doen?
Hoeveel vrouwen in Nederland maken gebruik van zogeheten «cyclusapps», in het bijzonder van Flo en Clue? Kunt u aangeven of de wijze waarop zij geïnformeerd worden bij het gebruik van deze apps en het delen van hun gegevens, conform de huidige wet- en regelgeving is?
Welke mogelijke hiaten ziet u in de bestaande wet- en regelgeving in het effectief optreden tegen het onrechtmatig bewaren en/of delen van gevoelige informatie over bijvoorbeeld miskramen, seksuele activiteit, etcetera met derde partijen, mogelijk voor commerciële doeleinden?
Deelt u de zorgen dat het doorverkopen van medische gegevens van vrouwen kan zorgen tot ongewenste profilering, agressieve gerichte advertenties, of zelfs het opstellen van dataprofielen van de medische geschiedenis van vrouwen?
Heeft u indicaties voor welke doeleinden de doorverkochte medische gegevens van vrouwen, die zien op hun gezondheid en seksualiteit, worden gebruikt? Is dit in overeenstemming met het doel waarmee de data in eerste instantie met bedrijven is gedeeld?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en zo snel mogelijk beantwoorden?
Wat is het doel van deze taalgids en is het doel van de gids bereikt?1
Wanneer is het Programma tegen Discriminatie en Racisme (PDR) ontstaan en waar is besloten een taalgids te maken? Wanneer bent u of uw voorganger akkoord gegaan met de taalgids?
Wat zijn de kosten verbonden aan dit programma?
Tijdens het Vragenuurtje liet de Staatssecretaris de Kamer weten deze Taalgids min of meer overbodig te vinden en deze «in de kast te leggen». Bent u ervan op de hoogte dat in de Taalgids staat dat deze elk jaar zal worden herzien? Wat vindt u daarvan?
Bent u voornemens om de makers van deze Taalgids de opdracht te geven geen jaarlijkse herziening te maken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer heeft u dat gedaan of gaat u dat doen?
Hoeveel fte c.q. personen werken bij de afdeling die deze taalgids hebben gemaakt?
Hoeveel fte c.q. personen van andere afdelingen hebben geholpen bij het tot stand brengen van deze taalgids? Van welke afdelingen waren deze fte c.q. personen?
Hoeveel uur is er in totaal aan deze taalgids besteed?
Wat zijn de werkzaamheden van het PDR? Vanuit welke behoefte bestaat dit programma en welk probleem lost het op?
Hoeveel en welke organisaties c.q. organisatieonderdelen c.q. mensen zijn om advies gevraagd bij het vormgeven van het PDR in het algemeen en de Taalgids in het bijzonder?
Welke en hoeveel ministeries maken nog meer gebruik van dit soort taalgidsen of vergelijkbare regels dan wel adviezen?
Wordt deze Taalgids meegestuurd aan contacten van het ministerie? Zo ja, wanneer en aan wie?
Zijn dergelijke taalgidsen dan wel taaladviezen onderdeel van subsidievoorwaarden? Zo ja, welke?
Kan de Minister toezeggen om bij haar collega’s aan te dringen om elke taalgids van andere ministeries te delen met de Kamer? Zo nee, waarom niet?
Heeft u aan de landen c.q. de inwoners in het Midden-Oosten gevraagd of zij voortaan «Zuidwest-Azië» genoemd willen worden? Zo ja, welke waren het eens en welke niet? Zo nee, getuigt het niet van een neokoloniale benadering van deze landen door te bepalen hoe ze genoemd moeten worden?
Heeft u representatief onderzoek gedaan onder Generatie X of zij die benaming vervelend vinden? Zo nee, waar baseert u dan de overtuiging op dat zij zich gekwetst voelen om zo genoemd te worden?
Heeft u bij de afweging om Generatie X een kwetsende naam te vinden afgewogen dat het voorstelbaar is dat de Generatie X dermate veel levenservaring heeft dat zij een kwalificatie als «Generatie X» ook nog wel overleven?
Waar komt volgens de bewindspersonen de behoefte vandaan om taal te «dekoloniseren»?
Hoe is er in de Taalgids gekomen tot het «doorbreek van machtsverhoudingen»? Hoe bepaal je hoeveel macht iemand heeft? En wie gaat dan de macht verdelen? Is het aan de overheid om die veronderstelde macht te verdelen? Zo ja, waar baseert u dat dan op?
Tijdens het Vragenuurtje van 7 april jl. leek de Staatssecretaris aan te geven dat de Taalgids op eigen ambtelijk initiatief tot stand is gekomen. Klopt dat? Zo nee, waarom zei de Staatssecretaris dat dan? Zo ja, is het aan ambtenaren om het bij uitstek politieke vraagstuk van verdeling van macht te adresseren met een Taalgids?
Heeft u aan inheemse volkeren gevraagd of zij het vervelend vinden om «inheems» genoemd te worden en of zij voortaan liever «oorspronkelijke bewoners» willen worden genoemd? Zo nee, is dit dan niet bij uitstek een neokoloniale benaderingswijze van deze volkeren?
Vanuit waar komt de behoefte bij u om illegale vluchtelingen voortaan «mensen die op de vlucht zijn» te noemen? Welk probleem lost dit volgens u op?
Hoe denkt u dat het schrappen van de woorden «Moederdag» en «Vaderdag» overkomt op mensen die de afgelopen maanden hun vader of moeder hebben verloren en dit jaar Moederdag of Vaderdag met groot gemis vieren? Heeft u deze groep gevraagd of zij het eens zijn met het schrappen van het woord «Moederdag» en «Vaderdag»? Telt het gekwetst zijn van deze groep als aanleiding om een taalgids aan te passen c.q. af te schaffen? Zo nee, waarom niet?
Hoe reflecteert u op het feit dat zelfs «Beste dames en heren» moet worden vervangen voor «Beste collega, Beste geadresseerde, Beste mensen»? Bent u het eens dat het Ministerie van OCW volledig is doorgeslagen?
Waar is volgens u het dedain vandaan gekomen op het Ministerie van OCW om voor een brede groep te bepalen wat die wel en niet mogen zeggen?
Bent u het eens met de stelling dat de Taalgids vol staat met tegenstrijdigheden? Bent u het eens dat uitgangspunt 1 wordt ondermijnd door uitgangspunt 5; als je mensen als groep behandelt, kun je ze niet meer als individu behandelen. Wie mag er eigenlijk nog spreken namens de groep?
Aangezien deze taalgids tot stand kwam met kennis en advies van verschillende deskundigen en organisaties die zich inzetten voor antidiscriminatie, welke deskundigen en organisaties zijn dat? Worden deze geheel of gedeeltelijk betaald uit de door de Staatssecretaris genoemde € 40.000? Zo nee, waar dan uit? Wat is dan het totaalbedrag?
Hoe kijkt u aan tegen de zin in de Taalgids: "Om gelijkwaardigheid te bevorderen, is soms een onconventionele aanpak nodig»? Bent u het eens dat die onconventionele aanpak verdacht veel lijkt op dat ambtenaren gaan bepalen wat gelijkwaardigheid is en daar «onconventionele» taal voor ontwikkelen?
Hoe werkt deze Taalgids volgens u door in delen van het onderwijs? Is daar actief beleid op? Zo ja, waarom wordt dat wenselijk geacht?
Bent u bekend met de wetenschappelijke theorieën die stellen dat de taal die je spreekt invloed heeft op hoe je denkt, waarneemt en de wereld begrijpt? Bent u het eens met de stelling dat deze taalgids invloed heeft op de manier van denken van ambtenaren en daarbuiten? Is dat wenselijk?
In het boek van George Orwell, 1984 staat het volgende citaat: «Don’t you see that the whole aim of Newspeak is to narrow the range of thought?»; ziet u hoe met deze Taalgids en de daarin opgenomen «newspeak» uiteindelijk het denken beperkt wordt? Zo nee, waarom niet?2
De onbevredigende antwoorden op de mondelinge vragen over de taalgids op het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap |
|
Martin Bosma (PVV) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u uitleggen hoe het bedrag van 40.000 euro voor het maken van de taalgids is opgebouwd?1
Wat zijn de totale kosten die gemaakt zijn voor de productie en verspreiding van de taalgids, inclusief personeelskosten?
Hoeveel ambtenaren waren betrokken bij het produceren en verspreiden van de taalgids?
Wie heeft de opdracht gegeven tot het vervaardigen van de taalgids?
Is het maken van de taalgids onderwerp geweest van besluitvorming binnen het ministerie?
Is de taalgids reeds verspreid op het Ministerie van OCW of op andere ministeries?
Is de taalgids door een externe partij geschreven? Zo ja, welke?
Welke mensen of organisaties zijn geraadpleegd bij het schrijven van de taalgids?
Bestaat er een relatie tussen de taalgids en de Amerikaanse WOKE-ideologie?
Is de wens om zwart met een hoofdletter Z te schrijven ingegeven door het Amerikaanse WOKE-verlangen black met een hoofdletter B te schrijven?
Wat is de huidige status van de taalgids? Is de taalgids inmiddels ingetrokken of wordt het nog steeds gebruikt op het ministerie?
Welke initiatieven worden er op het gebied van discriminatie en racisme de komende periode nog meer uitgerold?
Zijn de portretten van de blanke Ministers op het ministerie nu inderdaad verwijderd?
Het artikel ‘Raad van State: ministerie moet schoolbesturen 250 miljoen aan achterstallige personeelskosten betalen’ |
|
Marjolein Moorman (PvdA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Raad van State: ministerie moet schoolbesturen 250 miljoen aan achterstallige personeelskosten betalen»?1
Ja, ik ben bekend met het artikel en met de uitspraak zelf.
Kunt u nader toelichten welke overwegingen ten grondslag lagen aan het besluit van de toenmalige Staatssecretaris om in hoger beroep te gaan tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland in 2024, die toen al oordeelde dat het ministerie schoolbesturen te weinig had betaald?
Er is in 2024 hoger beroep ingesteld omdat het beeld was dat er in de overgangsperiode wel voldoende bekostiging was uitbetaald aan de schoolbesturen.2
Kunt u bevestigen of de gevolgen van deze uitspraak onverkort zullen worden toegepast op alle schoolbesturen die door de systematiek zijn benadeeld, of blijft dit beperkt tot de 222 schoolbesturen die de rechtszaak hebben aangespannen?
We bestuderen de uitspraak en bekijken hoe we hier uitvoering aan gaan geven. Uw Kamer wordt hier uiterlijk in juni van dit jaar verder over geïnformeerd.
Wanneer kunt u uitsluitsel geven over de concrete uitvoering van de uitspraak van de Raad van State? Op welk moment gaat u hiervoor dekking zoeken?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u toezeggen dat de dekking voor deze kosten (250 oplopend tot 600 miljoen euro) buiten de OCW-begroting zal worden gevonden, zodat dit niet ten koste gaat van andere onderwijsprioriteiten?
Zie antwoord vraag 3.
Krijgen scholen een schadevergoeding voor het feit dat zij genoodzaakt waren personeel te ontslaan of investeringen uit te stellen? Bent u bereid om in gesprek te gaan met (vertegenwoordiging van) schoolbesturen?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u uitleggen hoe deze fout in bekostigingssystematiek heeft kunnen ontstaan? In hoeverre is er interne reflectie of evaluatie geweest om vergelijkbare rekenfouten in de toekomst te voorkomen?
Het gaat niet om een rekenfout in de bekostigingssystematiek. In 2006 is de bekostigingssystematiek gewijzigd van een declaratiesysteem naar lumpsumbekostiging. De overlopende kosten hadden toegekend moeten worden aan de periode van de declaratiesystematiek (de oude systematiek) volgens de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State. Volgens deze redenering was eind 2006 een tekort ontstaan voor de schoolbesturen. In 2023 is overgegaan van schooljaar- naar kalenderjaarbekostiging. Er is sprake van een andere beoordeling door de Afdeling ten opzichte van het ministerie als het gaat om de al dan niet ontstane tekorten door deze aanpassingen. Het ministerie was van mening dat er geen ontstane tekorten waren, omdat schoolbesturen altijd 100% van de bekostiging hebben ontvangen.
De bevinding dat ruim 40 procent van de middelbare scholieren lhbtiq+’ers niet als gelijkwaardig beschouwt |
|
Marjolein Moorman (PvdA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het onderzoek van OCW waaruit blijkt dat ruim 40 procent van de middelbare scholieren lhbtiq+’ers niet als gelijkwaardig aan heteroseksuelen beschouwt?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat deze cijfers zorgelijk zijn en op gespannen voet staan met fundamentele waarden van gelijkwaardigheid, vrijheid en non-discriminatie, verankerd in onze Grondwet?
Ja.
Welke conclusies verbindt u aan de constatering van de onderzoekers dat grote groepen jongeren deze basisvrijheden niet onderschrijven?
In Nederland mag je zijn wie je bent, houden van wie je wilt en uiting geven aan je seksuele gerichtheid. Een gelijkwaardig Nederland, daar staat dit kabinet voor. Ik vind het zorgwekkend dat een groot deel van de jongeren zegt te vinden dat heteroseksuele en homoseksuele personen niet gelijkwaardig zijn. Ik stuur uw Kamer voor de zomer een kabinetsreactie met mijn reactie op het onderzoek De lhbtiq+-opvattingen van jongeren en de beleidsmaatregelen die ik wil nemen.
Deelt u de mening dat het onderzoek het belang onderstreept van het Regenboog Stembusakkoord, dat ondertekend is door alle coalitiepartijen? Kunt u per afspraak uit het Regenboog Stembusakkoord aangeven op welke manier u hier invulling aangeeft? Kunt u bij de maatregelen waar u geen invulling aan geeft aangeven waarom u dit niet doet?
In het coalitieakkoord 2026–2030 «Aan de slag» heeft het kabinet afgesproken dat het Regenboog Stembusakkoord (RSA) de basis is om te blijven werken aan acceptatie, veiligheid en emancipatie van de lhbtiq+ gemeenschap. Het kabinet is voornemens dit akkoord zorgvuldig uit te voeren met (initiatief)wetgeving en beleid. In de Emancipatienota, die ik na de zomer van 2026 aan uw Kamer stuur, geeft het kabinet nadere invulling aan de uitwerking van het RSA.
Op dit moment zijn we al aan de slag via de Versterkte aanpak lhbtiq+-veiligheid om de veiligheid van lhbtiq+ personen in verschillende leefdomeinen te verbeteren met interventies op het gebied van preventie, herstel en erkenning. Daarnaast steunt het kabinet initiatieven in het onderwijs die bijdragen aan een veilige leeromgeving voor alle leerlingen, waaronder Paarse Vrijdag en Gender and Sexuality alliances (GSA’s). In het onderwijs worden de kerndoelen, waaronder burgerschap, wettelijk verankerd met daarin aandacht voor onder andere gelijkwaardigheid, non-discriminatie en autonomie. De inspectie gaat hierop toezien.
In het Regenboog Stembusakkoord is specifiek afgesproken dat het kabinet ervoor gaat zorgen dat de Onderwijsinspectie scherper gaat toezien op de uitvoering van wetten en regels die bepalen dat scholen veiligheid, respect en acceptatie van lhbtiq+’ers dienen te bevorderen en dat er een einde komt aan afwijzing van lhbtiq+’ers door scholen; op welke wijze gaat de regering deze afspraak uitvoeren?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u reflecteren op de in het onderzoek genoemde mogelijkheden ter bevordering van acceptatie van lhbtiq+’ers en per betrokken actor uiteenzetten welke rol u voor de overheid en de betreffende partijen ziet bij het realiseren van deze oplossingen?
Ik stuur uw Kamer voor de zomer de kabinetsreactie met daarin de opvolging van de mogelijkheden ter bevordering van de acceptatie van lhbtiq+ personen die in het onderzoek genoemd worden en de rol die ik hierbij zie voor de overheid. In de Emancipatienota zal ik waar mogelijk aanvullende maatregelen opnemen die bijdragen aan het bevorderen van gelijkwaardigheid.
Welke concrete maatregelen neemt u op dit moment om de acceptatie van lhbtiq+’ers binnen het basis- en voortgezet onderwijs te vergroten?
Scholen in het funderend onderwijs zijn wettelijk verplicht zorg te dragen voor een veilig schoolklimaat voor alle leerlingen. Met het wetsvoorstel Vrij en veilig onderwijs2, dat reeds bij uw Kamer is ingediend, versterken we de zorgplicht voor de veiligheid op school middels beter zicht op de veiligheid, goede ondersteuning en begeleiding bij onveiligheid en een jaarlijkse evaluatie van het veiligheidsbeleid. Daarnaast vereist de wettelijke burgerschapsopdracht dat scholen leerlingen kennis en respect bijbrengen van en voor de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en voor verschillen tussen mensen, bijvoorbeeld in seksuele gerichtheid. De nieuwe kerndoelen voor de leergebieden burgerschap en mens en maatschappij verplichten scholen diversiteit bespreekbaar te maken.
Ook verleen ik een instellingssubsidie aan Stichting School & Veiligheid (SSV), de landelijke expertiseorganisatie met informatie en advies voor sociale veiligheid op school. SSV heeft aanbod voor docenten voor het veilig bespreekbaar maken van «gevoelige» thema’s in de klas, waaronder gender en seksuele diversiteit. Voorbeelden zijn de website www.gendi.nl en de leidraad die in samenwerking met het Landelijke Aktie Komitee Scholieren (LAKS) is ontwikkeld. Ook ondersteun ik initiatieven van COC Nederland die scholen helpen bij het bespreekbaar maken van diversiteit. Voorbeelden hiervan zijn Paarse Vrijdag, GSA’s en een docentennetwerk.
In hoeverre ziet u regionale verschillen in de acceptatie van lhbtiq+’ers onder scholieren, en bent u bereid in regio’s waar de acceptatie aantoonbaar lager ligt extra ondersteuning voor scholen en docenten te geven?
Het onderzoek De lhbtiq+-opvattingen van jongeren laat geen regionale verschillen zien in de acceptatie van lhbtiq+ personen onder scholieren. In de Gezondheidsmonitor Jeugd 2026 wordt het onderwerp lhbtiq+-acceptatie in alle regio’s uitgevraagd. De publicatie van deze cijfers wordt verwacht in het voorjaar van 2027.
Hoe beoordeelt u de conclusie van de onderzoekers dat acceptatie met name laag is onder leerlingen die religieus en conservatief zijn? Hoe beoordeelt u de conclusie dat dit onderzoek het idee weerlegt dat vooral jongeren met een migratieachtergrond conservatieve opvattingen zouden hebben over lhbtiq+’ers? Welke stappen zet u concreet om te voorkomen dat specifieke groepen jongeren onterecht worden gestigmatiseerd in het publieke en politieke debat?
De resultaten van het onderzoek laten zien dat de verschillen in lhbtiq+-opvattingen van jongeren vooral samenhangen met gender en de mate van conservatisme, en ook religie en leerweg spelen een rol. Ik stuur uw Kamer voor de zomer een uitgebreidere kabinetsreactie op het onderzoek.
Het onderwijs moet voor alle jongeren een fijne en veilige plek zijn waarin zij zichzelf kunnen ontwikkelen en ontplooien. In de kabinetsreactie ga ik dieper in op de rollen in het publieke en politieke debat.
Bent u bereid, mede op basis van de bevindingen uit zowel het UvA-onderzoek als eerder onderzoek van het COC en Columbia University te kijken naar hoe Paarse Vrijdag en GSA’s en inclusieve lesprogramma’s landelijk structureel kunnen worden versterkt en gefinancierd, aangezien deze als effectieve interventies uit het onderzoek komen?2 Hoe geeft u in dat kader vorm aan de volgende afspraak uit het Regenboog Stembusakkoord dat volgens het coalitieakkoord wordt uitgevoerd: «Het kabinet blijft initiatieven voor respect en acceptatie op de basis en middelbare school, zoals de GSA’s en Paarse Vrijdag, financieel ondersteunen»?
Het kabinet steunt initiatieven in het onderwijs die bijdragen aan een veilige leeromgeving voor alle leerlingen, waaronder Paarse Vrijdag en GSA’s. De alliantie Kleurrijk en Vrij draagt financieel meerjarig bij aan de initiatieven GSA’s en Paarse Vrijdag in het voortgezet onderwijs en mbo. Aangezien Paarse Vrijdag later is gestart in het primair onderwijs, wordt dit momenteel financieel ondersteund middels een projectsubsidie tot 31 juli 2026. In de Emancipatienota, die ik na de zomer van 2026 aan uw Kamer zal sturen, informeer ik uw Kamer over een vervolg in het primair onderwijs.
Is het juist dat bevorderen van een veilig klimaat voor lhbtiq+’ers en respect voor seksuele diversiteit nog niet op alle docenten- en leerkrachtenopleidingen een verplicht onderdeel is van het curriculum, terwijl dit onderwerp wel onderdeel uitmaakt van de kerndoelen voor het basis- en voortgezet onderwijs en de wettelijke burgerschapsopdracht van scholen? Bent u bereid om in gesprek te gaan met docenten- en leerkrachtenopleidingen om te bevorderen dat dit wel een onderdeel wordt van hun curriculum?
Het bevorderen van een veilig klimaat voor lhbtiq+ personen en respect voor seksuele diversiteit is op dit moment geen verplicht onderdeel van het curriculum van lerarenopleidingen. De aandacht voor diversiteit, gelijkwaardigheid en respect verschilt per lerarenopleiding en hangt samen met de kerndoelen en examenprogramma’s van het vakgebied.
De landelijke kennisbases van de hbo-lerarenopleidingen worden op dit moment herijkt en opnieuw geformuleerd, waarbij de hogescholen nauw aansluiten bij de nieuwe kerndoelen en bekwaamheidseisen. Om de aansluiting op die kerndoelen te borgen is Stichting Leerplan Ontwikkeling (SLO) betrokken bij dat proces. Ik vertrouw erop dat de inhoud van de nieuwe kerndoelen daarmee ook voldoende terug zal komen in de kennisbases en de daarop gebaseerde individuele curricula van opleidingen. Ik zie op dit moment geen reden om hierover in gesprek te gaan met de opleidingen in het Opleidingsberaad Leraren.
De veiligheid van schrijvers en boekhandels |
|
Mohammed Mohandis (PvdA) |
|
Letschert , Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat het Thorbecke-adagium ten aanzien van cultuur niet alleen moet betekenen «dat de regering geen oordeel, noch enig gezag heeft op het gebied der kunst» maar ook een waarborg van de veiligheid van kunstenaars door de regering, omwille van een bloeiend cultureel leven?1
Het Thorbecke-adagium houdt in dat de regering zich niet inhoudelijk uitlaat over artistieke uitingen. Dit is van belang voor de vrijheid van cultuur. Een belangrijke randvoorwaarde voor dit adagium is dat kunstenaars in vrijheid kunnen werken, zonder bedreiging of intimidatie.
Bent u evenals uw ambtsvoorganger «doorlopend in gesprek met de sector over veiligheid» en over externe bedreigingen, met bijvoorbeeld PersVeilig en SchrijversVeilig, maar ook met het Koninklijke Boekverkopersbond?2
Ja. In mijn gesprekken met culturele organisaties sta ik geregeld stil bij veiligheid. Het ministerie heeft contact met partijen als de Groep Algemene Uitgevers, de Koninklijke Boekverkopersbond en de Auteursbond.
SchrijversVeilig heeft als doel om de positie van geïntimideerde en bedreigde auteurs te versterken en is opgezet naar voorbeeld van PersVeilig. Het ministerie steunt SchrijversVeilig sinds mei 2024, samen met de Auteursbond en de Groep Algemene Uitgevers, en zet deze steun voort. PersVeilig vervult haar functie sinds 2019 voor journalisten. In 2025 is de stichting PersVeilig opgericht; zij ontvangt structurele financiering.
Hoe beoordeelt u in dit verband dat één op de zeven schrijvers in Nederland agressie of intimidatie ervaart vanwege zijn werk, met een remmend effect op nieuwe publicaties en boekwinkeliers die al langer subtiele vormen van druk ervaren?3
Zie vraag 1 en 2.
Bent u bereid om gehoor te geven aan de oproep van de auteurs van het artikel om de collectievrijheid van culturele instellingen te verdedigen en in te grijpen wanneer die vrijheid onder druk komt te staan? Zo ja, welke mogelijkheden staan u ter beschikking om deze bereidheid gestalte te geven? Zo nee, waarom niet?
Als Minister sta ik pal voor de vrijheid van makers. Boekhandels zijn van groot belang voor de vrijheid van ideeën en de vrije toegang tot informatie. Hetzelfde geldt voor bibliotheken en andere culturele voorzieningen. Dit komt ook tot uitdrukking in de steun voor onder meer PersVeilig en SchrijversVeilig. Het is onacceptabel dat de vrijheid van cultuur door bedreiging of intimidatie wordt ingeperkt.
Deelt u de mening dat het Thorbecke-adagium verankert dient te worden in onze wetgeving? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn kan de Kamer dan voorstellen daartoe tegemoet zien?
De Raad voor Cultuur heeft recent een waardevol advies uitgebracht over artistieke vrijheid. Of het Thorbecke-adagium verankerd dient te worden in wetgeving, is een vraag die nadere bestudering verdient. Daarbij speelt de juridische haalbaarheid een rol. Mijn voornemen is de Tweede Kamer in de loop van dit jaar mijn visie hierop te sturen.
Het bericht 'Ouders in verzet tegen sluiting van enige school in nieuwbouwwijk: ‘Waar moeten onze kinderen heen?’' |
|
Etkin Armut (CDA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Kent u dit bericht? Zo ja, wat vindt u hiervan?1
Ja, ik ken dit bericht. Het is jammer dat onrust is ontstaan over de school. In de beantwoording op de vragen van de leden Van Asten en Rooderkerk (beiden D66) over hetzelfde onderwerp is aangegeven dat het schoolbestuur het besluit om de school te sluiten heeft teruggedraaid.
Klopt het dat er momenteel 65 kinderen op deze school zijn ingeschreven en dat er eigenlijk nu 160 kinderen op deze school moeten zijn ingeschreven om structurele financiering te ontvangen?
Volgens de laatste cijfers van DUO staan op deze school 62 leerlingen ingeschreven. Er hadden 167 leerlingen ingeschreven moeten staan om te voldoen aan de vereiste leerlingenaantallen van de stichtingsnorm voor scholen. Deze norm verschilt per gemeente en wordt vastgesteld op basis van de leerlingdichtheid in de gemeente.
In hoeverre wordt er bij de beslissing om een school wel of niet te financieren rekening gehouden met de verwachte groei van het aantal leerlingen in de komende jaren doordat er huizen gebouwd gaan worden? Waarom wel of waarom niet?
Bij de stichtingsaanvraag moet een schoolbestuur aantonen, met een belangstellingsmeting, dat de nieuwe school in het 11e jaar na de aanvraag op voldoende leerlingen kan rekenen. Deze belangstellingsmeting gebeurt 1) aan de hand van verklaringen van ouders in het voedingsgebied met kinderen in de juiste leeftijdscategorie en 2) het aantal leerlingen op het moment van de stichtingsaanvraag en 3) het geprognostiseerde aantal leerlingen in het 11e jaar na de stichtingsaanvraag. De verwachte groei van het aantal leerlingen in een gebied is dus onderdeel van de aanvraagprocedure voor een nieuwe school.
Wat zijn de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de kleine schooltoeslag of dunbevolktheidstoeslag?
Basisscholen die op de teldatum van het aantal leerlingen minder dan 150 leerlingen hebben, ontvangen momenteel kleinescholentoeslag. De school De Binck ontvangt daarom kleinescholentoeslag. Op dit moment wordt gewerkt aan het omvormen van de kleinescholentoeslag naar dunbevolktheidstoeslag. Uw Kamer is door mijn voorganger geïnformeerd over deze wijziging.2
Komt deze school in aanmerking voor deze toeslag? Waarom wel of waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u het ermee eens dat kleine scholen een belangrijke functie hebben voor de leefbaarheid van een wijk en of iemand wel of niet wil gaan wonen in deze wijk?
Ja, scholen kunnen een belangrijke functie hebben voor de leefbaarheid van een wijk. Tegelijkertijd moet ook de afweging worden gemaakt waar kleine scholen hun rol het beste kunnen vervullen. Het huidige scholenlandschap is erg divers en fijnmazig. Dit is waardevol, maar het grote aantal (te kleine) scholen drukt sterk op de oplopende tekorten in het onderwijsveld. Dat is zeker het geval in stedelijke gebieden. De aangekondigde stelselwijziging zal op dit vraagstuk ingaan. Uw Kamer ontvang voor het zomerreces nog een brief met een update over de beoogde stelselwijziging.
In hoeverre wordt er bij de beslissing om een school wel of niet te financieren rekening gehouden met het aantal beschikbare plaatsen bij basisscholen in de directe omgeving?
Het aantal beschikbare plaatsen bij basisscholen in de directe omgeving is geen criterium bij het al dan niet bekostigen van een nieuwe school.
Zijn er alternatieven overwogen, zoals vergaande samenwerking met andere basisscholen, om sluiting te voorkomen?
Vergaande samenwerking met andere basisscholen, bijvoorbeeld in de vorm van een fusie, kan een mooie manier zijn om het onderwijs en de identiteit van een te kleine school te behouden. Met het oog op de stelselwijziging moedig ik schoolbesturen van te kleine scholen aan om mogelijkheden voor samenwerking of fusies in hun omgeving te onderzoeken. Het zoeken naar samenwerking blijft immers een verantwoordelijkheid van een schoolbestuur.
De keuze om leerlingen op een basisschool in te schrijven is verder aan de ouders, die vrij zijn om daar zelf een afweging in te maken.
Zou dit ertoe kunnen leiden dat leerlingen naar een andere gemeente moeten om onderwijs te krijgen?
Zie antwoord vraag 8.
Het bericht ‘Enige school in Haagse Binckhorst stopt aan het einde van schooljaar’ |
|
Ilana Rooderkerk (D66), Robert van Asten (D66) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Enige school in Haagse Binckhorst stopt aan het einde van schooljaar»1?
Ja.
Deelt u de opvatting dat bij grootschalige woningbouwlocaties voorzieningen zoals onderwijs en zorg vanaf de start onderdeel moeten zijn van de gebiedsontwikkeling, juist met het oog op de verwachte groei van het aantal inwoners?
Ja. Het is aan gemeenten en schoolbesturen om te zorgen dat basisvoorzieningen zoals onderwijs vanaf de start onderdeel zijn van gebiedsontwikkelingen.
Binnen nationaal grootschalige gebiedsontwikkelingen wordt middels financieel instrumentarium (het gebiedsbudget) de ontwikkeling van de openbare ruimte (denk aan parken en pleinen) nu al mogelijk gemaakt. Daarnaast ziet het Rijk vanuit zijn regierol toe op de ontwikkeling van voldoende (maatschappelijke) voorzieningen in de breedte conform totaalaanpak.
Kunt u in kaart brengen in hoeveel grootschalige woningbouwgebieden voorzieningen zoals basisscholen onder druk staan of dreigen te verdwijnen, doordat zij in de opstartfase nog niet voldoen aan geldende normen voor leerlingaantallen?
Het is niet mogelijk om aan te geven hoeveel basisscholen zijn opgeheven omdat ze te klein waren en specifiek in grootschalige woningbouwgebieden stonden. De reden voor een schoolsluiting kan verschillen. Soms heeft dit te maken met het stoppen van bekostiging door de rijksoverheid vanwege een te laag leerlingenaantal, maar een schoolbestuur kan ook zelf besluiten een school te sluiten. Dit kan ook als de school niet onder de opheffingsnorm zit. Schoolsluitingen worden, vanaf 1997, door DUO in een openbaar toegankelijk bestand geregistreerd.2
Hoe beoordeelt u het feit dat gebiedsontwikkeling niet (altijd) een lineair bouwproces kent en dat de verwachte groei van inwoners waaronder kinderen dus ook met sprongen gaat en dat dit dus nadelig kan uitwerken voor de bezettingsgraad van een school?
Het klopt dat de ontwikkeling van een nieuwe wijk niet altijd lineair verloopt. Op de site van DUO staat dat schoolbesturen en gemeenten rekening moeten houden met vertraging in de oplevering en dat schoolbesturen hun stichtingsaanvraag dus goed moeten plannen.3 De start van een school kan met één jaar worden uitgesteld. Uit de evaluatie blijkt dat gemeenten en schoolbesturen in sommige gevallen, zoals een nieuwe school in een nieuwbouwwijk, behoefte hebben aan meer flexibiliteit. Daarom verkent de Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie of de mogelijkheid voor een tweede jaar uitstel kan worden gecreëerd.
Een nieuwe school wordt in het vierde jaar en in het achtste jaar getoetst op de groei van het aantal leerlingen. De groei van een school kan, om verschillende redenen, achterblijven. Een schoolbestuur kan de Minister verzoeken om de bekostiging niet te stoppen door een beroep te doen op een uitzonderingsgrond. Door middel van een uitzonderingsgrond kan bekostiging worden behouden.
Hoe beoordeelt u het spanningsveld dat ontstaat wanneer enerzijds wordt ingezet op versnelde woningbouw en gebiedsontwikkeling, terwijl anderzijds de bekostigingssystematiek voor voorzieningen zoals scholen onvoldoende ruimte biedt om de aanloopfase van zulke gebieden te overbruggen?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u toelichten waarom in de Binckhorst de bestaande basisschool moet sluiten vanwege leerlingenaantallen, terwijl op basis van verwachte inwonersgroei binnen enkele jaren juist weer een nieuwe school nodig is?
Deze bassischool had in haar vierde jaar niet voldoende leerlingen om de tussentijdse toets te halen (62 leerlingen, terwijl 167 leerlingen nodig zijn). Het schoolbestuur had tegelijkertijd gecommuniceerd dat de school zou worden gesloten en bij DUO een beroep gedaan op een uitzonderingsgrond om bekostiging te blijven ontvangen. Het is uiteindelijk aan het schoolbestuur om te besluiten of een school wordt gesloten. Het schoolbestuur heeft ondertussen laten weten hun besluit terug te draaien.4 De basisschool op de Binckhorst hoeft dus niet te sluiten.
Ziet u mogelijkheden om binnen de huidige regelgeving meer ruimte te bieden voor maatwerk in groeigebieden, bijvoorbeeld via tijdelijke ontheffingen, aangepaste leerlingennormen of andere vormen van overbruggingsbekostiging?
Zoals in antwoord op vraag 4 en 5 is beschreven wordt de mogelijkheid verkend voor een extra jaar uitstel voor de start van een school, naast de huidige mogelijkheid van één jaar uitstel. Ook kan een schoolbestuur een beroep doen op een uitzonderingsgrond als een van hun scholen niet snel genoeg groeit. In uitzonderlijke gevallen kan de Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie de discretionaire bevoegdheid inzetten om de bekostiging voort te zetten.
Welke instrumenten heeft het Rijk verder om, samen met gemeenten en andere betrokken partijen, te borgen dat voorzieningen zoals onderwijs en zorg gelijktijdig met woningbouw worden gerealiseerd?
Gemeenten zijn primair verantwoordelijk en aan zet voor het borgen en inplannen van voldoende voorzieningen in grootschalige woningbouwontwikkelingen. Het Rijk neemt vanuit zijn regierol actief deel aan de ontwikkeling van nationaal grootschalige woningbouw. Conform coalitieakkoord werkt de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening momenteel aan de uitwerking van een totaalaanpak waardoor meer geborgd wordt dat door middel van koppelkansen functies als wonen, werken, bereikbaarheid, groen en maatschappelijke voorzieningen samen worden ontwikkeld. In de Taskforce Versnellen Woningbouw ziet de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening toe op het actief benutten van deze koppelkansen binnen grootschalige woningbouwontwikkelingen.
Acht u de huidige instrumenten toereikend om te voorkomen dat nieuwe woonwijken in de eerste jaren onvoldoende toegang hebben tot essentiële voorzieningen?
Nee. Het ministerie financiert middels de huidige stimuleringsregelingen geen voorzieningen, m.u.v. de eerder genoemde regeling gebiedsbudget. Middels deze regeling wordt openbare ruimte (parken en pleinen) binnen nationaal grootschalige woningbouwlocaties gesubsidieerd. Als onderdeel van de uitwerking van de totaalaanpak heeft dit verder mijn aandacht.
In de uitwerking van de totaalaanpak onderzoek ik de noodzaak en mogelijkheden voor aanvullende maatregelen.
Zo nee, welke aanvullende maatregelen overweegt u?
Zie antwoord vraag 9.
Bent u bekend met het bericht «Gescheiden ingang jongens en meisjes bij middelbare school Heemstede in verband met iftar, leerlingen verzocht schouders en knieën te bedekken»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Hoe beoordeeld u de situatie als geschetst in het nieuwsbicht?
Dit bericht doet verslag over een iftar die op initiatief van een aantal leerlingen georganiseerd zou worden op het HBM, een christelijke school voor voortgezet onderwijs. De school heeft ruimte willen bieden aan dit initiatief. Dat kan passen bij de wettelijke burgerschapsopdracht, die van scholen vraagt dat ze kennis en respect bevorderen van en voor verschillen, bijvoorbeeld in godsdienst en levensovertuiging. Zo’n initiatief moet dan echter niet ten koste gaan van de plicht die scholen op grond van de wettelijke burgerschapsopdracht hebben om zorg te dragen voor een veilige schoolcultuur die in overeenstemming is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. Scholen kunnen er ook voor kiezen om op andere manieren invulling te geven aan de wettelijke burgerschapsopdracht.
Kunt u bevestigen wat er feitelijk is gebeurd en zijn er u andere voorbeelden bekend, bijvoorbeeld op openbare scholen, waar dit op deze manier gebeurd is?
Naar aanleiding van de berichtgeving heeft de Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) contact opgenomen met het HBM. Het schoolbestuur van het HBM geeft aan niet op de hoogte te zijn geweest van de inhoud van de uitnodiging en niet achter de inhoud van de uitnodiging te staan. Hierover is ook door verschillende media gerapporteerd. Voor dit jaar is de iftarviering komen te vervallen, volgend jaar wil de school de iftarviering wel weer organiseren. De school wil de iftarviering dan laten plaatsvinden zonder gescheiden ingangen of kledingvoorschriften.
De inspectie geeft aan dat iftarvieringen geregeld voorkomen in het voortgezet onderwijs, zowel bij openbare scholen als bij christelijke scholen. Het is voor de inspectie onbekend of daarbij scholen vragen om bepaalde voorschriften te respecteren.
Deelt u de mening dat juist het onderwijs en daarmee scholen verschillen tussen kinderen moeten verkleinen en segregatie niet moeten faciliteren?
Ja die mening deel ik. Daarom hecht ik ook veel waarde aan de wettelijke burgerschapsopdracht, die van scholen vraagt dat ze aan leerlingen kennis en respect bijbrengen van en voor de basiswaarden van de democratische rechtsstaat, waaronder in ieder geval vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit. De wettelijke burgerschapsopdracht vraagt specifiek van scholen dat ze onder leerlingen kennis en respect bijbrengen voor verschillen, alsmede de waarde dat gelijke gevallen gelijk behandeld worden. Daarbij past het sowieso dat kinderen leren om elkaars opvattingen te respecteren, ook als deze afwijken van de eigen opvatting of van die van de ouders. Zo wordt ingezet op het bevorderen van sociale cohesie.
Hoe beoordeelt u het feit dat deze school er voor kiest jongens en meisjes niet gelijkwaardig te behandelen, maar via aparte ingangen het gebouw binnen te laten komen?
Zoals in antwoord 3 aangegeven, heeft deze school aangegeven niet achter de inhoud van de uitnodiging te staan en heeft de school zelf niet de keuze gemaakt om jongens en meisjes gescheiden het gebouw binnen te laten komen. Voor dit jaar is de iftarviering komen te vervallen. De school wil de iftarviering volgend jaar laten plaatsvinden zonder gescheiden ingangen of kledingvoorschriften
Hoe verhoudt het gescheiden binnen laten komen van jongens en meisjes zich tot de wettelijke zorgplicht voor een veilig en inclusief leerklimaat?
De school mag bij het aanbieden van het onderwijs geen onderscheid maken op grond van geslacht. Een uitzondering geldt, op grond van artikel 7, lid 2, van de Algemene wet gelijke behandeling, voor bijzondere scholen die jongens en meisjes scheiden als onderdeel van consistent en consequent gevoerd beleid dat, vanwege de aard van het onderwijs, wezenlijk, legitiem en gerechtvaardigd is gegeven de grondslag van de school.
In dit geval ging het om een christelijke school die de iftar heeft willen faciliteren. Daar ziet de uitzondering in de Algemene wet gelijke behandeling niet op. Tegelijkertijd maakt het enkele feit dat de school deze activiteit – op initiatief van leerlingen – faciliteert, niet dat de school daarmee in strijd handelt met de wettelijke zorgplicht en de verantwoordelijkheden van de school ten aanzien van gelijke behandeling. Daarbij hecht ik er wel aan nogmaals te benadrukken dat op de school altijd de verplichting rust om te zorgen voor een veilige schoolcultuur.
Hoe verhoudt het organiseren van gescheiden activiteiten zich tot de wettelijke verplichte burgerschapsvorming in het onderwijs en ziet u het risico dat dit leidt tot segregatie op school?
Gescheiden activiteiten mogen niet ten koste gaan van de plicht die scholen op grond van de wettelijke burgerschapsopdracht hebben om zorg te dragen voor een schoolcultuur die in overeenstemming is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en waarin leerlingen en personeel zich veilig en geaccepteerd weten. Dat betekent dat gescheiden activiteiten ook niet mogen leiden tot segregatie in de school, noch tot ongelijkwaardigheid.
Dit risico zie ik wel, zelfs als de activiteiten buiten schooltijd plaatsvinden en dus optioneel zijn. Dat betekent dat scholen heel bewust moeten nadenken over welke en hoe dergelijke activiteiten aansluiten op de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en burgerschapsvorming vanuit de verantwoordelijkheid als school. De inspectie ziet erop toe dat de cultuur op de school in lijn is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat.
Het bericht ‘Basisscholen onder vuur wegens beschuldiging discriminatie: 'Willen witte scholen wit houden'’ |
|
Ilana Rooderkerk (D66), Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Pieter Heerma (CDA), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Basisscholen onder vuur wegens beschuldiging discriminatie: «Willen witte scholen wit houden»»?1
Ja, daar heb ik kennis van genomen.
Hoe duidt u de onacceptabele situatie die geschetst wordt in het bericht, waarin kinderen mogelijk wegens hun migratieachtergrond worden geweigerd of ontmoedigd bij toelating tot basisscholen?
Naar aanleiding van uw vragen is vanuit het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) contact opgenomen met het verantwoordelijke bestuur, stichting Prohles. Het bestuur geeft aan dat het, na het besluit over de voorgenomen sluiting van de Sjaloomschool, samen met de directeuren van de andere Prohles-scholen een plek heeft gezocht voor de leerlingen die een nieuwe plaatsing nodig hebben. Daarbij is afgesproken dat niemand op voorhand zou worden geweigerd. Ouders kregen een advies over welke school (of scholen) voor hun kind(eren) plek heeft volgend schooljaar en de ouders zijn uitgenodigd om daar te gaan kijken. Ouders zijn soms bij een andere school langsgegaan dan de school die hen was aangeraden en kregen daar te horen dat er geen plek was voor hun kind(eren).
In het eerdergenoemde contact met Prohles, heeft Prohles aangegeven dat dit enkel te maken had met de capaciteit van de betreffende klas of klassen. Toch hebben sommige ouders dat anders gehoord of ervaren. Prohles heeft de scholen daarop aangesproken dat geen enkele leerling op voorhand zou worden geweigerd. Daarna heeft Prohles een ouderavond georganiseerd. Prohles garandeert dat alle kinderen een plek krijgen, rekening houdend met de voorkeur van de ouders.
Naar aanleiding van de voorgenomen sluiting van de Sjaloomschool en het signaal uit de media is er veelvuldig contact geweest vanuit de Inspectie van het Onderwijs met de school en het bestuur. De Inspectie is tevreden over de stappen die het bestuur sindsdien richting de school en ouders heeft gezet en ziet geen reden om handhavend op te treden.
Deelt u de mening dat discriminatie en racisme geen rol mogen spelen in het toelatingsproces van basisscholen?
Ja. Discriminatie op basis van afkomst is in Nederland verboden. Afkomst mag nooit reden zijn om een kind de toegang tot een school te weigeren. Wat de intenties of afspraken ook waren in de geschetste situatie, het is hoe dan ook pijnlijk dat deze Katwijkse ouders en kinderen het zo hebben beleefd.
Een school mag alleen bij uitzondering om bepaalde redenen toelating weigeren. Het gaat dan bijvoorbeeld om gebrek aan capaciteit.
Bijzondere scholen mogen onder strikte voorwaarden bij toelating tot of deelname aan het onderwijs onderscheid maken op basis van religie of levensovertuiging, voor zover een dergelijk onderscheid een relatie heeft met de grondslag van de school. Deze voorwaarden zijn neergelegd in met name artikel 7, tweede lid, van de Algemene wet gelijke behandeling.2
Worden signalen van discriminatie wegens een migratieachtergrond bij toelating tot het onderwijs actief gemonitord?
Meldingen van discriminatie en racisme worden door verschillende bevoegde instanties bijgehouden. Het College voor de Rechten van de Mens (CvdRM) en de antidiscriminatievoorzieningen, zoals bedoeld in de Wet gemeentelijke antidiscriminatievoorzieningen, maken in rapportages van ontvangen meldingen een uitsplitsing naar discriminatiegrond en het domein waarop dit zich afspeelt. Het College voor de Rechten van de Mens laat weten dat deze cijfers vanwege het zeer geringe aantal verzoeken om een oordeel over discriminatie in het onderwijs niet verder worden uitsplitst naar subcategorieën, zoals de toelating tot het onderwijs. De antidiscriminatievoorzieningen ontvingen in 2025 in totaal negen meldingen over discriminatie bij toelating tot onderwijs wegens een migratieachtergrond. De Inspectie van het Onderwijs blijkt vorig jaar 55 meldingen te hebben ontvangen over toelatingen in het primair onderwijs. Signalen over discriminatie ontvangt zij zelden.
Zo ja, heeft u concrete cijfers van meldingen van (vermoedens van) discriminatie bij toelatingen tot onderwijs, bijvoorbeeld via de inspectie, de ouders, het onderwijs of het College van de Rechten van de Mens?
Zie antwoord vraag 4.
Zo niet, bent u van plan om meldingen van discriminatie bij toelatingen tot onderwijs actief te monitoren?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u voornemens maatregelen te treffen om discriminatie van leerlingen bij toelating tot het onderwijs tegen te gaan? Zo ja, welke?
Er is voorzien in verschillende instrumenten om discriminatie, ook bij de toelating tot scholen, tegen te gaan. De betreffende wetgeving hierover is duidelijk. Daarnaast blijken de huidige instrumenten toereikend om vermoedens van discriminatie bij toelating tot het onderwijs aan te pakken.
Hoe beoordeelt u de mogelijkheid om scholen te verplichten om in een openbaar register of op hun website actueel inzicht te geven in de beschikbare capaciteit per school of leerjaar, zodat voor ouders transparant is wanneer een school daadwerkelijk vol is en wordt voorkomen dat het argument van «geen beschikbare plaatsen» selectief wordt gebruikt?
Naar aanleiding van de motie Krul3 verkent het Ministerie van OCW of scholen verplicht kunnen worden het aantal beschikbare plaatsen openbaar te maken. Uw Kamer wordt hierover geïnformeerd in de jaarlijkse Kamerbrief over passend en inclusief onderwijs.
Hoe weegt u de leerplicht en het recht op onderwijs tegenover het weigeren van leerlingen op basis van hun afkomst?
Het weigeren van leerlingen op grond van afkomst is discriminatie en niet toegestaan op grond van de Algemene wet gelijke behandeling.
Welke mogelijkheden hebben ouders wanneer zij vermoeden dat hun kind ongelijk wordt behandeld bij toelating tot een school?
Ouders hebben bij een dergelijk vermoeden veel mogelijkheden.
Met het wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs, dat momenteel aanhangig is bij uw Kamer, doet de regering voorstellen om de klachtenprocedure te herzien.
Hoe wordt toezicht gehouden op toelatingsbeleid van scholen, en welke rol speelt de Inspectie van het Onderwijs hierbij?
De Inspectie van het Onderwijs ziet toe op de naleving van de onderwijswetten. Het toezicht van de Inspectie op het toelatingsbeleid is signaalgericht. Als de Inspectie een melding krijgt van mogelijke discriminatie bij toelating, neemt zij contact op met het bestuur. Doorgaans merkt de Inspectie dat besturen de wettelijke vereisten respecteren bij het vormgeven van hun toelatingsbeleid. De Inspectie kan de melding nader onderzoeken en indien het bestuur de onderwijswetgeving niet heeft nageleefd ook handhaven. De inspectie stelt hierbij een wettelijke tekortkoming vast en geeft het bestuur de opdracht om dit te herstellen.
Verouderde schoolgebouwen en het binnenklimaat op scholen |
|
Ilana Rooderkerk (D66) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat meer dan de helft van de Nederlandse schoolgebouwen ouder is dan 45 jaar en dat veel gemeenten moeite hebben om nieuwbouw en renovatie van schoolgebouwen te financieren?
De meeste schoolgebouwen binnen het funderend onderwijs zijn gebouwd in de wederopbouwperiode 1946 tot 1978 (32,2%). Daarnaast zijn 12,8% van de schoolgebouwen gebouwd voor 1946. Nog 20,4% is gebouwd tussen 1978 tot 1992.1 Er zijn geen concrete aanwijzingen dat gemeenten moeite hebben met het aantrekken van financiering voor nieuwbouw en renovatie van schoolgebouwen. Wel is, zoals eerder met uw Kamer gedeeld, in het IBO onderwijshuisvesting geconcludeerd dat er tot 2050 een grote opgave ligt om aan de klimaatdoelen te voldoen, waarvoor aanvullende middelen nodig zijn.2
Hoeveel scholen voldoen momenteel niet aan de geldende ventilatie- en binnenklimaatnormen, mede in het licht van steeds warmere zomers en de gevolgen van klimaatverandering?
Verschillende onderdelen samen vormen het binnenklimaat van een gebouw, zoals bijvoorbeeld ventilatie en CO2-waarden, temperatuur en luchtvochtigheid. Er zijn meerdere onderzoeken gedaan naar onderdelen van het binnenklimaat op scholen. Het beeld (2021) is dat in het primair onderwijs gebouwen uit de wederopbouwvoorraad het slechtst presteren. Bij 34% voldoet de ventilatie niet aan de door het RIVM gehanteerde eisen. In het voortgezet onderwijs presteren gebouwen gebouwd in de periode 1978–1992 het slechtst. Bij 42% voldoet de ventilatie niet aan de door het RIVM gehanteerde eisen.3
Om het binnenklimaat in scholen te verbeteren, zijn meerdere acties ondernomen vanuit de rijksoverheid. Het kabinet heeft sinds Covid in totaal € 360,– miljoen beschikbaar gesteld voor verbetering van het binnenklimaat. Onder andere via Specifieke Uitkering Ventilatie in Scholen (2021), Maatwerkregeling Ventilatie op Scholen (2022–2023) en het beschikbaar stellen van middelen voor de aanschaf van CO2-meters voor ieder klaslokaal (2022). Sinds 1 juli 2025 zijn alle scholen in het hele funderend onderwijs verplicht om een CO2-meter te hebben in iedere ruimte met een onderwijsfunctie.
Deelt u de zorg dat een slecht binnenklimaat en gebrekkige ventilatie kunnen leiden tot concentratieproblemen en verminderde leerprestaties bij leerlingen en een ongezonde werkomgeving voor leraren en onderwijspersoneel?
Het kabinet onderschrijft het belang van een gezond binnenklimaat voor leerlingen en onderwijspersoneel. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat de fysieke kwaliteit van schoolgebouwen bepalend is voor concentratie, gezondheid, en leerresultaten.4 Ook de Inspectie van het Onderwijs bevestigt de relatie tussen temperatuur en schoolprestaties.5
Deelt u de zorg dat de huidige verdeling van verantwoordelijkheden tussen Rijk en gemeenten ertoe kan leiden dat noodzakelijke renovatie of vervanging van schoolgebouwen wordt uitgesteld?
Het huidige systeem voor onderwijshuisvesting gaat uit van een gedeelde verantwoordelijkheid van gemeenten en schoolbesturen. Het wetsvoorstel planmatige aanpak onderwijshuisvesting verduidelijkt de verantwoordelijkheidsverdeling tussen gemeente en schoolbestuur op het gebied van renovatie. De verantwoordelijkheidsverdeling tussen Rijk en gemeenten staat niet in de weg van renovatie of vervanging. Gemeenten ontvangen middelen via de algemene uitkering uit het gemeentefonds en geven deze uit op basis van hun eigen prioritering.
Bent u bekend met de aanpak in Vlaanderen waarbij via publiek-private samenwerking schoolgebouwen worden gerealiseerd met investeringen van institutionele beleggers en investeringsfondsen?
Ja, hiermee ben ik bekend.
Ziet u mogelijkheden om ook in Nederland te onderzoeken of investeringen van institutionele beleggers, pensioenfondsen en investeringsfondsen kunnen bijdragen aan de versnelling van de bouw en renovatie van schoolgebouwen?
Eerder heeft de Taskforce Financiering Onderwijshuisvesting de institutionele financiering van onderwijshuisvesting onderzocht.6 De taskforce concludeerde dat dit een keuze kan zijn om een investeringspiek of kapitaalbehoefte mee te overbruggen, maar dat de aflossing uiteindelijk uit de bekostiging komt. Het is alleen een oplossing als er een probleem is met het aantrekken van financiering. Anders dan in Vlaanderen zijn er in Nederland al voldoende mogelijkheden voor gemeenten om financiering aan te trekken. Gemeenten kunnen goedkoop geld lenen bij de Bank Nederlandse Gemeenten. Geld lenen bij institutionele beleggers, pensioenfondsen en investeringsfondsen is duurder. Vanwege het feit dat er momenteel al goedkoper geld geleend kan worden, is het niet de verwachting dat er extra middelen vrij zullen komen door samenwerking met beleggers en fondsen.
Bent u bereid om samen met gemeenten, onderwijsorganisaties en mogelijke investeerders te verkennen hoe dergelijke publiek-private investeringsconstructies kunnen bijdragen aan de vernieuwing van schoolgebouwen en de Kamer hierover te informeren?
Zoals in het Coalitieakkoord aangekondigd, zal ik de mogelijkheden van publiek-private samenwerking naar Vlaams voorbeeld nader verkennen. Zoals hun aanpak in standaardisatie van met name bouw- en onderhoudscontracten. Na de zomer informeer ik uw Kamer hierover nader.
Ziet u daarnaast mogelijkheden voor meer standaardisatie van schoolontwerpen en vermindering van regels om de bouw en renovatie van scholen te versnellen en goedkoper te maken?
Ja, die zie ik. Het programma onderwijshuisvesting (POHV) en het innovatieprogramma onderwijshuisvesting (IPOHV) richten zich op standaardisatie en innovatie op bouwprocessen en procedures. Beide programma’s hebben een eigen aanpak en versterken elkaar daarin. Binnen het POHV wordt een integrale aanpak voor scholenbouw ontwikkeld. Het is gericht op standaardisatie, professionalisering en kennisdeling. Binnen het IPOHV, gefinancierd door het Nationaal Groeifonds, wordt innovatie onderzocht binnen scholenbouwprojecten. Deze innovaties worden vervolgens vanuit het POHV landelijk beschikbaar gesteld. Beide programma’s hebben de doelstelling om renovatie en nieuwbouw te versnellen, kostenefficiënter en toekomstbestendiger te maken.
Bent u bereid om, aangezien op 19 maart in gemeenten de collegeonderhandelingen starten waarin ook besluiten worden voorbereid over investeringen in onder meer onderwijshuisvesting, op korte termijn een brief en concreet actieplan naar gemeenten te sturen over de uitvoering van de afspraken uit het coalitieakkoord met betrekking tot schoolgebouwen, zodat zij dit kunnen betrekken bij hun lokale plannen en investeringsbesluiten?
In het coalitieakkoord wordt gewezen op de aanpak van het programma onderwijshuisvesting en het innovatieprogramma onderwijshuisvesting, die samen met de Vereniging Nederlandse Gemeenten en de PO- en VO-Raad worden uitgevoerd. Gemeenten en scholen worden hierover regelmatig geïnformeerd. Een separate brief aan gemeenten is daarom niet nodig. Het verkennen van de publiek-private mogelijkheden wordt ook in gezamenlijkheid met de VNG opgepakt.