Overdracht school in Altforst |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Het besluit om basisschool De Tweestroom in Altforst te sluiten wordt één jaar geschorst» en de aanvulling op het arrest door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Kent u een precedent waarin de rechter op zo korte termijn voor aanvang van het schooljaar het voortbestaan van een school heeft afgedwongen? Bent u bereid om in deze uitzonderlijke situatie actief inhoudelijke ondersteuning te geven aan de school ten einde recht te doen aan het arrest van het gerechtshof in het belang van goed onderwijs?
Bij mij is één ander recent voorbeeld bekend van een civielrechtelijke uitspraak naar aanleiding van een vrijwillige opheffing van een school waarin de rechter een besluit heeft geschorst. De schorsing was bedoeld om een uitspraak van de Landelijke Commissie voor Geschillen Wet medezeggenschap op scholen (WMS) af te kunnen wachten.2 In die zaak heeft de Landelijke Commissie voor Geschillen WMS geoordeeld dat het schoolbestuur het besluit mocht nemen om de school in kwestie te sluiten.3
Het komt daarnaast vaker voor dat een schoolbestuur pas kort van tevoren zeker weet dat een school niet datzelfde jaar nog zal worden gesloten, bijvoorbeeld wanneer een instandhoudingsverzoek wordt ingewilligd. Ook komt het voor dat schoolbesturen uit eigen beweging een voorgenomen besluit tot sluiting weer intrekken. Het is in zo’n geval aan het schoolbestuur om het belang van goed onderwijs te (blijven) waarborgen.
Op 10 augustus heb ik een brief ontvangen van de advocaat van de medezeggenschapsraad van De Tweestroom en een ouder van een leerling van De Tweestroom. Naar aanleiding daarvan hebben een van de regio-adviseurs en de inspectie contact opgenomen met het schoolbestuur en is een gesprek gevoerd. Hieruit zijn geen signalen naar voren gekomen die erop wijzen dat de goede voortgang van het onderwijs onder druk zou staan. De regio-adviseur en de inspectie zullen de situatie in de gaten blijven houden en hierover, indien nodig, in gesprek gaan met het schoolbestuur.
Welke les trekt u uit het feit dat het gerechtshof bij de schorsing van het besluit tot sluiting van de laatste basisschool in het dorpje Altforst zwaar gewicht heeft toegekend aan de zorgplicht van het bevoegd gezag jegens de ouders en hoge prioriteit heeft gegeven aan de belangen van kinderen?
Bij wet geldt dat schoolbesturen een zorgplicht hebben richting leerlingen en hun ouders of verzorgers. Ik trek hier de les uit dat de wettelijke zorgplicht zijn doel dient als middel om besluiten van schoolbesturen te laten toetsen en daarmee de rechtszekerheid van betrokkenen te waarborgen. In geval van een schoolsluiting, betekent dat bijvoorbeeld dat leerlingen hun onderwijs zonder onderbreking moeten kunnen voortzetten en dat de overgang naar een nieuwe school dus goed wordt begeleid.
Deze civielrechtelijke zaak laat concreet zien dat de rechter bij sluitingsbesluiten streng aan deze zorgplicht toetst. Blijft een schoolbestuur daarin in gebreke, dan heeft dat reële gevolgen voor wat het wel en niet kan doen. Mocht het bestuur – wat het in principe vrij staat – opnieuw een sluitingsbesluit willen nemen, dan is het cruciaal dat het aantoont wél aan de zorgplicht te hebben voldaan, zodat de belangen van leerlingen en ouders of verzorgers zijn geborgd. Dit kan achteraf door de rechter worden getoetst.4 Dit laat zien dat het stelsel, waarin bewust een wettelijke zorgplicht is opgenomen dat door de rechter kan worden getoetst, werkt.
Schept de norm van Artikel 3 van het Kinderrechtenverdrag ook een zekere verantwoordelijkheid voor u om waar mogelijk ondersteuning te leveren aan de gemeenschap van ouders rond de school in Altforst, ten einde een goede uitvoering van het arrest in het belang van ouders en kinderen te bevorderen? Welke rol kan de onderwijsinspectie spelen om te waarborgen dat het bevoegd gezag tijdig maatregelen treft voor de goede voortgang van het onderwijs in het komende schooljaar?
Uit artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind volgt, zoals het hof aangeeft, dat de belangen van een kind een hoge prioriteit hebben bij het nemen van maatregelen waar kinderen bij zijn betrokken. De zorgplicht die onder meer voortvloeit uit de Wet op het primair onderwijs is een voorbeeld van de nationale uitwerking van de bepalingen uit het Verdrag inzake de rechten van het kind. Het hof heeft in deze casus de belangen afgewogen en geoordeeld dat de belangen van de kinderen die nu en in de nabije toekomst worden geraakt zwaarder wegen dan de belangen van het schoolbestuur om de school per 1 augustus 2026 te sluiten.5
De inspectie heeft in april 2026 een bestuursbezoek uitgevoerd bij het schoolbestuur en daarbij onder andere aandacht besteed aan de bestuurlijke kwaliteitszorg. Uit het rapport (dat te raadplegen is op de website van de inspectie) blijkt dat de inspectie geen reden ziet om over te gaan tot nader onderzoek.
Naar aanleiding van de onder antwoord 2 genoemde brief van de advocaat heeft de inspectie contact opgenomen met het schoolbestuur. Op basis van de door de inspectie verzamelde informatie concludeert zij dat alle inspanningen van het schoolbestuur er, in lijn met de rechterlijke uitspraken, op gericht zijn om vanaf de eerste schooldag van schooljaar 2026–2027 onderwijs te verzorgen aan De Tweestroom. De inspectie ziet geen aanleiding voor aanvullend onderzoek en/of verscherpt toezicht. Wel neemt de inspectie deze informatie mee in het reguliere toezicht op de school en het schoolbestuur.
Zoals eerder in de beantwoording aangegeven, houden de regio-adviseur en de inspectie de situatie in de gaten en gaan zij hierover, indien nodig, in gesprek met het schoolbestuur. Zo wordt waar nodig ondersteuning geboden aan het schoolbestuur, zodat de goede voortgang van het onderwijs niet onder druk komt te staan. Het is uiteindelijk de verantwoordelijkheid van het schoolbestuur om de goede voortgang van het onderwijs te waarborgen en daarvoor tijdig maatregelen te treffen. Mocht blijken dat de goede voortgang van het onderwijs alsnog onder druk komt te staan, dan is het aan de inspectie om via de gebruikelijke route hier toezicht op te houden.
Wat vindt u ervan dat het door het handelen van het bevoegd gezag van de school zo lang heeft geduurd voordat recht werd gedaan aan de wens van de lokale gemeenschap en vrijwel alle ouders van de school? Vindt u ook dat de belangen van de lokale gemeenschap en de schoolgemeenschap in het vervolg zwaar moeten wegen nu het voortbestaan van de school door het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ten minste gedurende het aankomende schooljaar is verzekerd? Bent u ook van mening dat het belang van de kinderen bij goed onderwijs het meest gediend is met een bevoegd gezag dat voluit wil gaan voor de kwaliteit van het onderwijs op deze kleine school? Onderkent u dat het huidige bevoegd gezag daarvoor geen geschikte partij meer lijkt nu het enerzijds duidelijk heeft laten merken kleine scholen onder of zelfs boven de vijftig leerlingen niet wenselijk te vinden en anderzijds tot op heden geen zichtbare, voortvarende actie onderneemt om uitvoering te geven aan het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden?2
Voor het sluiten van een school kan een schoolbestuur goede redenen hebben, zoals het niet meer kunnen waarborgen van goed onderwijs, financiële problemen of personeelstekorten. Of die keuze wordt gemaakt is gelet op de vrijheid van stichting in eerste instantie aan het schoolbestuur. Zoals in de beantwoording van vraag 3 is te lezen, staat het besturen vrij om besluiten te nemen. Ze moeten begrijpelijkerwijs dan wel aan alle wettelijke voorwaarden, waaronder de zorgplicht, voldoen.
Zoals in de beantwoording van de vragen 2 en 4 is te lezen zijn geen signalen naar voren gekomen die erop wijzen dat de goede voortgang van het onderwijs onder druk zou staan. Ik vind het mede om die reden niet gepast om te oordelen over het handelen en de positie van het schoolbestuur. Het besluit van het schoolbestuur is door de rechter getoetst, waarbij is geoordeeld dat niet voldoende aan de zorgplicht is voldaan. In deze civielrechtelijke procedure is het uiteindelijk aan de rechter om, via de invulling van de wettelijke zorgplicht, te oordelen of het schoolbestuur juist heeft gehandeld en of daarbij de belangen van de leerlingen en hun ouders of verzorgers voldoende zijn meegewogen.
Bent u bereid om, gezien de korte termijn tot de start van het nieuwe schooljaar en het belang van goed onderwijs, te bemiddelen tussen het huidige bevoegd gezag en een nieuwe rechtspersoon om een goede en snelle overdracht van de school te bevorderen? Bent u bovendien bereid over deze situatie contact te zoeken met de gemeente West Maas en Waal?
De keuze om een school wel of niet over te dragen is uiteindelijk aan het schoolbestuur. Zoals gemeld in antwoord 2, kan het schoolbestuur zich laten adviseren door een van de regio-adviseurs. Mocht daarbij blijken dat contact met de gemeente West Maas en Waal wenselijk is, dan zal dat contact uiteraard tot stand gebracht worden.
Om een beeld te krijgen waar ouders in de praktijk tegenaan kunnen lopen wanneer zij een school willen overnemen, hebben ambtenaren van het ministerie in april van dit jaar een algemeen gesprek gehad met bestuursleden en adviseurs van Stichting PO De Sprong. Het gesprek neem ik mee in de ontwikkeling van een handreiking om lokale initiatieven die een school willen oprichten of behouden te ondersteunen.
Bent u bekend met dit bericht, en met het feit dat uw secretaris-generaal sinds 1 januari 2022 voorzitter is van de Raad van Toezicht van TivoliVredenburg, de instelling die hier een institutionele boycot voert tegen Israëlische staatsinstellingen?1 2 3 4 5 6
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat TivoliVredenburg zijn boycot mede rechtvaardigt met de kwalificatie «genocidaal geweld» voor het optreden van Israël in Gaza? Kunt u aangeven of, en zo ja hoe, de Raad van Toezicht, onder voorzitterschap van uw secretaris-generaal, dit standpunt van de instelling heeft goedgekeurd of getoetst? Is deze kwalificatie ook het standpunt van het kabinet? Zo ja, op welke rechterlijke uitspraak is dat standpunt gebaseerd? Zo nee, hoe beoordeelt u dat uw eigen secretaris-generaal als voorzitter toezicht houdt op een instelling die deze kwalificatie wél publiekelijk hanteert?
Ja. Het betreft een besluit dat is genomen door de directie van TivoliVredenburg.
Was u ervan op de hoogte dat deze nevenfunctie werd voortgezet en zelfs bestendigd (herbenoeming tot 1 januari 2030) nadat TivoliVredenburg zijn culturele boycot van Israël publiekelijk had ingesteld? Zo ja, sinds wanneer? Zo nee, hoe verklaart u dat dit niet eerder bij u bekend was?
Ja. De nevenwerkzaamheden van de secretaris-generaal zijn mij bekend. De Minister van Defensie is in 2023 akkoord gegaan met deze nevenfunctie. Alle nevenwerkzaamheden van de Topmanagementgroep (TMG) van de Algemene Bestuursdienst (ABD) zijn te raadplegen op de website van de ABD. De lijst met nevenwerkzaamheden wordt periodiek geactualiseerd.
Is deze nevenfunctie destijds gemeld en getoetst conform de Gedragscode Integriteit Rijk en de regels voor nevenfuncties van topambtenaren? Kunt u de uitkomst van die toetsing met de Kamer delen?
Ja. De nevenwerkzaamheden van de secretaris-generaal zijn getoetst en hebben geleid tot een goedkeuring van de nevenfunctie. De nevenfunctie is tijdig en volledig openbaar gemaakt conform de daarvoor geldende procedures van de CAO Rijk.
Deelt u de opvatting dat het onwenselijk is dat de hoogste ambtenaar van het Ministerie van Defensie, gebonden aan ambtelijke onpartijdigheid en loyaliteit aan het kabinetsbeleid, als voorzitter van de Raad van Toezicht toezichthoudende eindverantwoordelijkheid draagt voor een instelling die eigenstandig en publiekelijk een institutionele boycot voert tegen de staatsinstellingen van een land? Zo nee, waarom niet?
De secretaris-generaal is voorzitter van de Raad van Toezicht van TivoliVredenburg. De Raad van Toezicht is belast met het toezicht op het algemeen functioneren van de directie, de benoemingen van bestuurders en het toezicht op financieel gebied. De directie heeft dit besluit genomen.
Uw ambtsvoorganger, Minister Brekelmans, heeft in de Tweede Kamer gesteld dat de F-35 essentieel is voor de veiligheid van Nederland en zijn internationale partners, waaronder Israël, en dat eenzijdig loslaten van deze samenwerking Nederland tot een onbetrouwbare partner zou maken en een risico zou vormen voor onze eigen luchtmacht. Onderschrijft u deze analyse van uw ambtsvoorganger? Zo nee, waarom niet?7
Ja, deze analyse onderschrijf ik.
Zo ja op vraag 6: hoe verhoudt de door uw ambtsvoorganger benoemde afhankelijkheid van Israëlische (defensie)technologie zich tot het feit dat uw eigen secretaris-generaal een instelling voorzit die datzelfde land institutioneel boycot?
De secretaris-generaal van het Ministerie van Defensie is de voorzitter van de Raad van Toezicht van TivoliVredenburg, niet de voorzitter van de directie van TivoliVredenburg. De directie van TivoliVredenburg heeft het besluit genomen.
Acht u het verenigbaar met de positie en geloofwaardigheid van het Ministerie van Defensie dat de hoogste ambtenaar van dat ministerie in een nevenfunctie een boycot mede faciliteert tegen een land waarmee Nederland op defensiegebied nauw samenwerkt? Zo ja, waarom? Zo nee, welke stappen gaat u zetten?
Zie het antwoord op vraag 7.
Bent u bereid uw secretaris-generaal te vragen zijn nevenfunctie als voorzitter van de Raad van Toezicht van TivoliVredenburg neer te leggen, dan wel hem te vragen zich binnen die Raad publiekelijk te distantiëren van de boycot? Zo nee, waarom niet?
Ik acht de nevenwerkzaamheden van de secretaris-generaal van het Ministerie van Defensie verenigbaar met zijn functie als secretaris-generaal. De secretaris-generaal heeft aangegeven nadere afspraken met de Raad van Toezicht te hebben gemaakt, waardoor hij zich bij eventuele toekomstige besprekingen van dergelijke onderwerpen in de Raad van Toezicht zal onthouden van deelname.
Bent u bereid de Kamer te informeren over alle overige nevenfuncties van de secretaris-generaal van het Ministerie van Defensie en de wijze waarop deze zijn getoetst op verenigbaarheid met zijn ambtelijke positie? Zo nee, waarom niet?
De nevenwerkzaamheden van de secretaris-generaal van het Ministerie van Defensie zijn volgens de geldende procedures voor de TMG publiekelijk kenbaar gemaakt. De lijst met werkzaamheden is te raadplegen via de website van de ABD.
Bent u bekend met het feit dat de voorzitter van de Raad van Toezicht van TivoliVredenburg tevens de hoogste ambtenaar van het Ministerie van Defensie is, en dat deze Raad van Toezicht toeziet op een instelling die een institutionele boycot van Israël voert?
Ja.
Deelt u de opvatting dat een dergelijke dubbelrol, rijksambtenaar aan de top van een ministerie én toezichthouder-voorzitter bij een gesubsidieerde instelling met een eigen institutioneel boycotbeleid tegen Israëlische instellingen, op gespannen voet staat met de schijn van onafhankelijkheid en onpartijdigheid die van de rijksoverheid mag worden verwacht? Zo nee, waarom niet?
Voor leden van de TMG gelden de rijksbrede integriteitsregels, aangevuld met openbaarmakings- en meldingsplichten om belangenverstrengeling te voorkomen. Om integriteit te waarborgen, zijn alle leden van de TMG verplicht hun nevenactiviteiten te melden aan hun werkgever. Voorafgaand aan de aanstelling worden nevenwerkzaamheden getoetst aan verenigbaarheid in relatie tot de te vervullen functie. Het overzicht van de nevenwerkzaamheden van de TMG is online openbaar te raadplegen.
Onder welke subsidieregeling(en) en voor welk bedrag ontvangt TivoliVredenburg jaarlijks direct of indirect rijkssubsidie, bijvoorbeeld via de Basisinfrastructuur Cultuur (BIS) of via de gemeente Utrecht?
Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) heeft geen rechtstreekse subsidierelatie met TivoliVredenburg. Het podium ontvangt een jaarlijkse bijdrage van € 13,4 miljoen van de gemeente Utrecht in het kader van de Utrechtse Cultuurnota 2025–2028. Van het Fonds Podiumkunsten ontvangt TivoliVredenburg € 58.450 per jaar uit de Podiumregeling. Vanuit het Fonds Cultuurparticipatie krijgt het podium € 32.360 uit de regeling Co-creatie instellingen.
Bent u bereid in gesprek te gaan met TivoliVredenburg over de voorwaarden waaronder subsidie wordt verstrekt, mede in het licht van deze dubbele rol als topambtenaar en toezichthouder, en de selectieve boycot van Israëlische deelnemers? Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) heeft geen rechtstreekse subsidierelatie met TivoliVredenburg.
Deelt u de opvatting dat het weren van Israëlische studenten een vijandiger klimaat kan creëren voor Joodse en Israëlische bezoekers, artiesten en studenten in Nederland, zeker wanneer een zittend topambtenaar dit beleid als toezichthouder mede draagt? Zo nee, waarom niet?
Culturele instellingen moeten ruimte hebben om artistieke en inhoudelijke keuzes te maken. Die artistieke vrijheid is echter nooit een vrijbrief voor racisme, discriminatie en/of antisemitisme. Instellingen mogen mensen niet uitsluiten op grond van kenmerken die wettelijk beschermd zijn.
Het bericht ‘Renaissanceschool van Forum voor Democratie gaat weer open in Almere’ |
|
Arend Kisteman (VVD) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Renaissanceschool van Forum voor Democratie gaat weer open in Almere»?1
Ja
Hoe verhoudt de oprichting van scholen die zich nadrukkelijk richten op een specifieke levensbeschouwelijke of politieke gemeenschap zich volgens u tot de ambitie uit uw beleidsbrief om onderwijs te laten bijdragen aan verbinding in de samenleving, het tegengaan van segregatie en een sterke democratische rechtsstaat?
Alle scholen hebben hun onderwijs in te richten in overeenstemming met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat, waaronder vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit. Dat volgt uit de wettelijke burgerschapsopdracht. Binnen, onder meer, die kaders creëert de vrijheid van onderwijs (Artikel 23 van de Grondwet) het recht om scholen te stichten, met (onder voorwaarden) volledige overheidsbekostiging, en om hun onderwijs verder vorm te geven. Dat kunnen scholen op openbare of bijzondere grondslag zijn. De vrijheid van onderwijs zorgt voor meer keuzevrijheid voor ouders en leerlingen om een school te kiezen die bij hen past. Dat leidt tot een zekere mate van onderwijssegregatie. De overheid formuleert, vanuit doelmatigheidsoverwegingen, de lat waaraan elke nieuwe school moet voldoen.
Elke bekostigingsaanvraag voor een nieuwe school wordt getoetst aan een set uniforme bekostigingscriteria. Een belangrijk onderdeel hiervan is het advies van de Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) over de te verwachten onderwijskwaliteit. Initiatieven voor nieuwe scholen moeten bijvoorbeeld aannemelijk maken dat zij het burgerschapsonderwijs op deugdelijke wijze gaan inrichten. Zo moet het onderwijs zich onder andere herkenbaar richten op de bevordering van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. Alleen als aan de in de wet genoemde criteria om in aanmerking te komen voor bekostiging wordt voldaan, kan de nieuwe school haar deuren openen.
Deelt u de mening dat scholen niet alleen een onderwijsfunctie hebben, maar ook een belangrijke maatschappelijke functie vervullen doordat kinderen met verschillende achtergronden elkaar daar ontmoeten?
Ja, die mening deel ik. Mede daarom geldt voor scholen de wettelijke burgerschapsopdracht, die van scholen vraagt dat ze leerlingen in staat stellen deel uit te maken van en bij te dragen aan de pluriforme, democratische Nederlandse samenleving en dat ze leerlingen kennis en respect bijbrengen van en voor verschillen in bijvoorbeeld levensovertuiging en politieke gezindheid.
Hoe beoordeelt u in dat licht de ontwikkeling dat steeds meer nieuwe scholen zich richten op specifieke levensbeschouwelijke, religieuze en zelfs ideologische doelgroepen?
Alle scholen hebben zich met hun onderwijs te houden aan de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. Uit Artikel 23 van de Grondwet volgt het recht om scholen te stichten die aansluiten op de wensen van ouders en leerlingen. De ruimte voor scholen om hun onderwijs in te richten op grond van een specifieke levensbeschouwelijke of religieuze grondslag en de toetsing of er wel voldoende belangstelling is voor scholen, sluit daarbij aan. Maar die ruimte is niet onbegrensd, en hoeft daardoor niet in de weg te staan van de maatschappelijke functie die scholen hebben: ongeacht hun grondslag hebben scholen zich te houden aan de wettelijke burgerschapsopdracht. In de stichtingsaanvraag moeten scholen al aantoonbaar maken dat ze zich hieraan gaan houden.
Klopt het dat uit de evaluatie van de Wet Meer Ruimte voor Nieuwe Scholen blijkt dat nieuwe scholen gemiddeld een homogenere leerlingenpopulatie hebben dan scholen in hun omgeving en dat effecten op onderwijssegregatie zichtbaar zijn op lokaal niveau?
Omdat de zogenoemde segregatie-analyses slechts zijn gebaseerd op de periode augustus 2023 tot oktober 2024, geven de onderzoekers aan dat ze alleen rapporteren over eerste indicaties van effecten. Voor het basisonderwijs wijzen die in sommige gevallen op een homogenere leerlingpopulatie op scholen die onder de wet MRvNS zijn gesticht. De onderzoekers geven tegelijkertijd aan dat de stijging van onderwijssegregatie in het basisonderwijs, die samenhangt met de komst van nieuwe scholen, zeer beperkt is en enkel op een lokaal schaalniveau zichtbaar is. De volgende evaluatie (2026–2030) zal meer informatie opleveren over het effect van nieuwe scholen op onderwijssegregatie. De resultaten van de evaluatie zullen begin 2031 openbaar worden gemaakt en met uw Kamer worden gedeeld.
Hoe beoordeelt u deze uitkomsten in het licht van de ambitie van het kabinet om burgerschap en integratie te versterken?
In het licht van de ambitie van het kabinet om burgerschap en integratie te versterken hoeft een homogene leerlingenpopulatie niet automatisch een probleem te zijn, mits scholen ervoor zorgen dat leerlingen ondanks de homogene populatie in aanraking komen met verschillende achtergronden en denkbeelden. Dit is een plicht die alle scholen op grond van de wettelijke burgerschapsopdracht hebben.
Klopt het dat uit dezelfde evaluatie blijkt dat het aantal nieuwe basisscholen sinds de invoering van de wet aanzienlijk is gestegen en dat islamitische scholen inmiddels de grootste categorie nieuw gestichte basisscholen vormen?
Het klopt dat er jaarlijks meer scholen worden gesticht dan voor invoering van de wet Meer Ruimte voor Nieuwe Scholen. Gemiddeld tussen de 30 en 35 per jaar (op een totaal van circa 7.500 scholen in Nederland), inclusief verzelfstandigingen en splitsingen van bestaande dislocaties, tegenover gemiddeld 18 per jaar onder de oude procedure. Het aantal nieuwe scholen per jaar blijft daarmee binnen de verwachte bandbreedte van 20 tot 50 per jaar. Islamitische scholen vormen met circa 30 tot 35% de grootste categorie binnen de nieuw gestichte basisscholen.
Uit belangstellingsmetingen blijkt behoefte aan islamitisch onderwijs, zeker in de grote steden. Onder de oude stichtingsprocedure was het moeilijker een islamitische school te stichten, omdat de wensen van ouders toen geen directe rol speelden.
Welke lessen heeft u uit deze ontwikkeling getrokken voor de verdere uitvoering van de Wet Meer Ruimte voor Nieuwe Scholen?
De belangstellingsmeting stelt ouders in staat zich uit te spreken over hun onderwijswensen. Voor alle scholen geldt dat kwaliteit van groot belang is. In hoeverre nieuwe scholen daaraan bijdragen, is nog niet duidelijk. Nieuwe scholen drukken daarnaast extra op tekorten in onderwijshuisvesting en personeel, met name in (grote) steden. Meer grip op het aantal nieuwe scholen binnen bepaalde regio’s is daarom steeds meer van belang. Ik verken welke mogelijkheden daartoe zijn.
Op welke wijze wordt bij aanvragen voor nieuwe scholen momenteel beoordeeld wat de gevolgen zijn voor segregatie en de ontmoeting tussen verschillende groepen leerlingen?
Het eventuele segregerende effect van een nieuwe school is geen onderdeel waar in de stichtingsprocedure op wordt getoetst. Wel is burgerschap een toetsingscriterium. Er is aanvullend inzicht nodig op het effect. Zie verder het antwoord op vraag 5.
Acht u het wenselijk dat publiek bekostigd onderwijs zich steeds verder organiseert langs ideologische of zelfs politieke scheidslijnen?
Voor mij staat voorop dat elk kind goed onderwijs krijgt, ongeacht de grondslag van de school. Daarbij is naast taal en rekenen ook burgerschap van groot belang, dat leerlingen kennis en respect bijbrengt van en voor de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en hen de sociale en maatschappelijke competenties bijbrengt die hen in staat stellen deel uit te maken van en bij te dragen aan de pluriforme, Nederlandse samenleving.
Klopt het dat in het regeerakkoord is aangekondigd dat het kabinet de uitkomsten van de evaluatie van de Wet Meer Ruimte voor Nieuwe Scholen zal betrekken bij een herziening van de wet? Wat is de actuele stand van zaken van deze herziening?
Ja, dat klopt. In mijn brief van 2 juli 2026 is uw Kamer geïnformeerd over actuele stand van zaken van de herziening van de stichtingsprocedure. Ik wil in eerste instantie inzetten op het Wetsvoorstel praktische verbeteringen stichtingsprocedure en het beter positioneren van het gesprek in de regio met gemeenten en schoolbesturen. Aan uw Kamer is toegezegd dat het wetsvoorstel voor het einde van dit kalenderjaar naar de Raad van State wordt gestuurd.
Deelt u de opvatting dat de huidige wet sterk uitgaat van aangetoonde ouderbelangstelling maar onvoldoende rekening houdt met bredere belangen zoals huisvesting, arbeidsmarkt, segregatie en een evenwichtig onderwijsaanbod?
Het oprichten van nieuwe scholen met overheidsbekostiging een grondrecht. Zie ook het antwoord op vraag 2. Dit grondrecht kan door de overheid alleen met uniforme bekostigingscriteria (zoals een belangstellingsmeting of stichtingsnormen) op rijksniveau (niet decentraal) worden begrensd. Dat kan betekenen dat een nieuwe school een meer gesegregeerde populatie aantrekt en dat sommigen zullen vinden dat het onderwijsaanbod minder evenwichtig wordt. Daarnaast zien we dat de stichtingsvrijheid in sommige gevallen schuurt met de beschikbare huisvesting en het beschikbare onderwijspersoneel binnen een gemeente. Meer grip op het aantal nieuwe scholen binnen bepaalde regio’s is daarom steeds meer van belang. Ik ga breed verkennen welke mogelijkheden daartoe zijn.
Welke mogelijkheden ziet u om in de wet een explicietere afweging op te nemen tussen oudervoorkeuren enerzijds en deze belangen, zoals segregatie, anderzijds?
Zie antwoord vraag 12.
Deelt u de mening dat gemeenten momenteel onvoldoende instrumenten hebben om ongewenste versnippering van het onderwijsaanbod tegen te gaan?
Zie antwoord vraag 12.
Bent u bereid te verkennen of gemeenten een zwaardere rol moeten krijgen bij nieuwe schoolstichtingen, bijvoorbeeld door hun oordeel over segregatie-effecten of de gevolgen voor het lokale onderwijsaanbod zwaarder te laten meewegen?
In mijn brief van 2 juli 2026 ben ik ingegaan op het toekennen van een (mede)beslissende rol aan gemeenten en op uw motie hierover. De hoofdlijn is dat een (mede)beslissende rol toekennen aan gemeenten in strijd lijkt te zijn met Artikel 23 van de Grondwet.
De opening van de Renaissanceschool in Almere |
|
Ilana Rooderkerk (D66) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat de Renaissanceschool in Almere rijksbekostiging ontvangt? Per welke datum is deze bekostiging toegekend en kan het advies van de Inspectie van het Onderwijs (onderwijsinspectie) als bijlage worden meegestuurd?
Ja, de Renaissanceschool in Almere ontvangt vanaf augustus 2026 bekostiging. Het besluit hierover is genomen op 3 juni 2025 en ook gepubliceerd in de Staatscourant.1 Het inspectieadvies is opgevraagd via een WOO-verzoek en zal op korte termijn openbaar worden gemaakt.
Welke rechtspersoon is het bevoegd gezag van de Renaissanceschool? Wie zijn de bestuurders en toezichthouders, en welke andere organisaties zijn formeel of feitelijk bij deze school betrokken?
Het bevoegd gezag is de Tocqueville stichting. De namen van de bestuurders van de stichting zijn geregistreerd in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. De stichting heeft een one-tier model waar het toezicht onderdeel uitmaakt van het bestuur. In het uittreksel van de KvK worden geen andere organisaties genoemd die formeel of feitelijk betrokken zijn bij deze stichting.
Het bestuur is verantwoordelijk voor wat er op de school gebeurt.
Deelt u de opvatting dat het onacceptabel is dat een school aparte leertrajecten aanbiedt voor jongens en meisjes op basis van «de biologische verschillen tussen de seksen» en daarbij stelt dat individuele verschillen in aanleg en geslacht «fundamenteel en onveranderlijk» zijn?
In beginsel mag een school bij het aanbieden van onderwijs geen onderscheid maken op grond van geslacht.2 De Algemene wet gelijke behandeling (Awgb) staat voor bijzondere scholen een beperkte uitzondering toe op deze hoofdregel.3 Hiervoor gelden strikte voorwaarden. Een school mag alleen onderscheid naar geslacht maken voor zover dat onderscheid een wezenlijk, legitiem en gerechtvaardigd vereiste vormt, gelet op de religieuze of levensbeschouwelijke
grondslag van de school. Onderscheid naar geslacht is alleen toegestaan indien er sprake is van gelijkwaardige voorzieningen en het gemaakte onderscheid mag niet verder gaan dan passend is op basis van genoemde grondslag.
In alle gevallen moet de school aan de wettelijke burgerschapsopdracht blijven voldoen, die onder andere is vastgelegd in artikel 8, lid 3a, van de Wet op het Primair Onderwijs. De wettelijke burgerschapsopdracht vraagt van scholen dat ze leerlingen kennis en respect bijbrengen van en voor de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en dat ze zorgdragen voor een schoolcultuur die daar van uitgaat. Daarop ziet de inspectie toe. De wettelijke burgerschapsopdracht vraagt ook nadrukkelijk van scholen dat ze haar leerlingen kennis en respect bijbrengen van en voor verschillen, bijvoorbeeld in geslacht, alsmede de waarde dat gelijke gevallen gelijk behandeld worden. Voor een school die onderscheid maakt op grond van geslacht, brengt dat een bijzondere verantwoordelijkheid met zich mee.
Hoe verhoudt het aanbieden van aparte leertrajecten zich tot de Algemene wet gelijke behandeling en sociale veiligheidsverplichting uit artikel 8, lid 3a, Wet op het primair onderwijs?
Zie antwoord vraag 3.
Is het huidige toezichtkader voldoende toegerust om in te grijpen wanneer scholen leerlingen op basis van geslacht structureel verschillend behandelen of verschillende leertrajecten aanbieden?
In het antwoord op vraag 3 is beschreven wat wel en niet mag bij onderscheid naar geslacht; dat volgt uit de Awgb en uit de wettelijke burgerschapsopdracht. Wanneer een school zich niet aan de wettelijke burgerschapsopdracht houdt, kan de inspectie een herstelopdracht geven en, bij uitblijven van herstel, een financiële sanctie opleggen. Leven er bij leerlingen, ouders of onderwijspersoneel twijfels over of de Awgb wordt nageleefd, dan kunnen ze daarover een oordeel vragen bij het College voor de Rechten van de Mens.
Deelt u de opvatting dat een school leerlingen moet leren kritisch te denken op basis van feiten en wetenschap, en dat het wegzetten van wetenschappelijke consensus als «falsifieerbare hypothesen» in de levensovertuiging van de school hiermee op gespannen voet staat?
Met de kerndoelen wordt gereguleerd welke kennis, inzicht en vaardigheden leerlingen moeten verwerven en welke ervaringen zij binnen het onderwijs moeten opdoen. Een school moet waarborgen dat haar onderwijsprogramma gericht is op het realiseren van de kerndoelen. Onderdeel daarvan is ook het leren gebruiken van natuurwetenschappelijke werkwijzen, daarbij behoort het toepassen van onderzoekstappen.4 Daarnaast staat het een bijzondere school vrij om ook een eigen mens- en maatschappijvisie over te brengen in het onderwijs. Dat mag echter slechts voor zover de kerndoelen en de vereisten van de burgerschapsopdracht in acht worden genomen.
Hoe verhoudt de publieke bekostiging van een school die door een politieke partij expliciet als «onze eigen school» en als onderdeel van de eigen «zuil» wordt gepresenteerd, zich tot de vereiste van algemeen maatschappelijk nut die ten grondslag ligt aan de bekostigingssystematiek?
Elke bekostigingsaanvraag voor een nieuwe publiek bekostigde school wordt getoetst aan een set uniforme bekostigingscriteria (zoals de belangstellingsmeting of de kwaliteitstoets). De lat voor nieuwe scholen is democratisch bepaald en voor iedereen gelijk. Ook in de praktijk moet elke school voldoen aan dezelfde wettelijke voorschriften, daar ziet de inspectie op toe.
Hoe wenselijk acht u het dat een politieke partij of politieke beweging een eigen school opricht?
Alle scholen hebben zich met hun onderwijs te houden aan de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. Uit artikel 23 van de Grondwet volgt het recht om scholen te stichten die aansluiten op de wensen van ouders en leerlingen. De ruimte voor scholen om hun onderwijs in te richten op grond van een specifieke levensbeschouwelijke of religieuze grondslag en de toetsing of er wel voldoende belangstelling is voor scholen, sluit daarbij aan.
Deze vrijheid is echter niet onbegrensd. Op grond van de wettelijke burgerschapsopdracht rust op scholen ook de verantwoordelijkheid om leerlingen kennis en respect bij te brengen van en voor de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en om hen voor te bereiden op deelname aan onze pluriforme samenleving. Dat vraagt onder meer van scholen dat ze ruimte bieden voor uitwisseling van ideeën, ook als die ideeën schuren met de eigen grondslag, zodat leerlingen zelfstandig leren denken en eigen keuzes kunnen maken.
Deelt u de mening dat het gebruik van rijksbekostiging voor het opbouwen van de politieke infrastructuur van een partij een ongeoorloofd doel is dat haaks staat op de publieke functie van onderwijs?
De bekostiging die nieuwe scholen ontvangen mag enkel worden uitgegeven aan de kosten voor personeel en exploitatie van de school. De inspectie controleert hierop. Verder verwijs ik naar het antwoord op vraag 8.
Hoe waarborgt u dat leerlingen leren omgaan met verschillende opvattingen en niet worden opgevoed binnen de ideologische wereld van één politieke partij?
Op grond van de wettelijke burgerschapsopdracht hebben scholen de plicht om leerlingen kennis en respect bij te brengen van en voor verschillen in bijvoorbeeld levensovertuiging en politieke gezindheid. De inspectie beoordeelt of scholen voldoen aan deze plicht, en kan hier tevens op handhaven als dat nodig is.
Welke wettelijke waarborgen bestaan er op dit moment om te voorkomen dat een bekostigde school feitelijk functioneert als verlengstuk van een politieke partij of politieke beweging?
De wettelijke burgerschapsopdracht borgt op alle scholen, ook scholen die uitgaan van een specifieke richting, dat het onderwijs zich herkenbaar richt op het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat, zoals verankerd in de Grondwet. Daarnaast dienen scholen leerlingen kennis over en respect voor verschillen bij te brengen, onder ander op het gebied van godsdienst, levensovertuiging en politieke gezindheid. Dit volgt uit de wettelijke burgerschapsopdracht en heeft ook een plaats in de nieuwe kerndoelen burgerschap, die in 2027 worden opgenomen in de wet.
Deelt u de opvatting dat artikel 23 van de Grondwet ruimte biedt voor scholen met een eigen richting, maar geen vrijbrief is voor discriminatie, uitsluiting, antidemocratische vorming of partijpolitieke indoctrinatie?
Ja, die mening deel ik. Niet voor niets is in het coalitieakkoord opgenomen dat de vrijheid van onderwijs niet mag worden misbruikt om de kernwaarden van onze democratische rechtsstaat te ondermijnen. De vrijheid van onderwijs stopt daar waar discriminatie, uitsluiting of de vorming van antidemocratisch gedachtegoed begint. Voor scholen geldt nadrukkelijk de plicht om de basiswaarden van de democratische rechtsstaat te bevorderen en om zorg te dragen voor een schoolcultuur die in lijn is met deze basiswaarden.
Hoe beoordeelt u de opening van de school in het kader van de burgerschapsopdracht? Acht u de het huidige toetsingskader van de onderwijsinspectie voldoende toereikend?
Het toetsingskader van de onderwijsinspectie sluit voldoende aan bij de huidige burgerschapsopdracht en wetgeving. Op basis van de inhoud van de bekostigingsaanvraag bestaat nu geen aanleiding om aan te nemen dat de school niet aan de burgerschapsopdracht zal voldoen. De inspectie toets hier nog eens op in het eerste jaar.
Bent u bereid, indien blijkt dat deze praktijk binnen het huidige toezichtkader onvoldoende kan worden aangepakt, te onderzoeken of het toezichtkader of de wet ten aanzien van de oprichting van nieuwe scholen moet worden aangescherpt?
Het inspectietoezicht en de wet Meer Ruimte voor Nieuwe Scholen zijn bedoeld om ongewenste praktijken tegen te gaan. De inspectie controleert in het eerste jaar na de start van iedere school of de school voldoet aan de wettelijke eisen ten aanzien van onder andere de kwaliteit en veiligheid, waaronder de eisen rondom burgerschap.
Klopt het dat dit de eerste school is die via een marktonderzoek is opgericht en welk bureau heeft dit onderzoek uitgevoerd? Kan het marktonderzoek meegestuurd worden?
Het klopt dat dit de eerste nieuwe school is die de belangstelling heeft aangetoond via een marktonderzoek. Het betreffende marktonderzoek is ook opgevraagd via een WOO-verzoek en wordt parallel aan de beantwoording van deze schriftelijke vragen openbaar gemaakt.
Hoe beoordeelt u dat via een marktonderzoek de oprichting van de school wordt mogelijk gemaakt, terwijl het eerder niet gelukt is ondanks flinke campagnes de benodigde verklaringen te verzamelen en gezien het geringe aantal aanmeldingen?
Het is binnen de stichtingsprocedure mogelijk om voldoende belangstelling aan te tonen via ouderverklaringen of (in uitzonderingssituaties5) een marktonderzoek. Beide methoden zijn bedoeld om een goede voorspelling te geven van de daadwerkelijke belangstelling voor een school. Het marktonderzoek moet zijn afgenomen op een wetenschappelijk verantwoorde manier door een onafhankelijk onderzoeksbureau dat aantoonbaar werkt volgens een door een brancheorganisatie opgestelde gedragscode met betrekking tot de uitvoering van marktonderzoek.
In 2022 heeft de Tocqueville stichting ook een belangstellingsmeting gedaan, maar vervolgens geen bekostigingsaanvraag ingediend. Daarna heeft dit bestuur besloten een particuliere school op te richten en deze later weer te sluiten. De praktijk zal moeten uitwijzen in hoeverre het marktonderzoek een goede voorspeller is van de daadwerkelijke belangstelling voor de nieuwe school. Omdat de cijfers uit het marktonderzoek en de huidige leerlingenpopulatie verschillen, nemen we deze vorm van belangstellingsmeting mee bij de evaluatie van de wet. Elke nieuwe school moet aan het begin van het vierde jaar minimaal de helft van de stichtingsnorm behalen. In het geval van de Renaissanceschool bedraagt dit aantal 139. Zo niet, dan stopt de bekostiging aan het einde van dat schooljaar.
Het lesmateriaal dat het COC aanbiedt aan basisscholen in het kader van Paarse Vrijdag. |
|
Ranjith Clemminck (JA21), Diederik Boomsma (CDA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het lesmateriaal dat het COC verspreidt op scholen in het kader van Paarse Vrijdag, een evenement dat vrijdag 9 oktober 2026 plaatsvond?1
In de Handleiding voor leerkrachten «Voorbereiding op Paarse Vrijdag» staat dat geslacht of sekse «beter gezien kan worden als een spectrum waarop ieder mens zich ergens bevindt»; dit wordt aangeboden als achtergrondkennis, terwijl de biologische realiteit is dat er niet meer dan twee geslachten bestaan, bent u het eens met de vraagstellers dat de bewering «geslacht is een spectrum» een onwetenschappelijke stellingname is? Zo nee, waarom niet?2
De handleiding onderbouwt het idee dat geslacht een spectrum is met het feit dat sommige mensen ontwikkelingsproblemen hebben, waardoor zij bij geboorte niet direct herkenbaar zijn als meisje of jongen, hetgeen vroeger bekend stond als intersekse-condities, waarbij personen met intersekse-condities een onderdeel vormen van de veel grotere groep van personen met DSD’s (Differences in Sex Development): ontwikkelingsproblemen van geslachtsdelen en vruchtbaarheid die meestal pas in de puberteit of bij een kinderwens worden gediagnosticeerd bij vrouwen en mannen; wat vindt u ervan dat -gezien het feit dat iedereen biologisch gezien óf man óf vrouw is- het COC leerkrachten op basisscholen voorhoudt dat er «meer lichamen zijn dan mensen denken en dat de wereld niet op te delen valt in jongens en meisjes en mannen en vrouwen»?3, 4
Bent u het eens met de vraagstellers dat mensen behorend tot de categorie intersekse of DSD het als discriminatie kunnen ervaren als zij te horen krijgen dat sekse een spectrum is en dat zij dus eigenlijk geen echte man of echte vrouw zijn? Zo nee, waarom niet?
De handleiding omschrijft «genderidentiteit» als hoe iemand zich voelt: de innerlijke beleving bepaalt hoe iemand wordt benoemd, maar hoewel een gevoel echt en belangrijk kan zijn, zegt het niet wat iemand lichamelijk feitelijk is. Bestaat er volgens u een risico dat een voetballend meisje of een jongen die graag borduurt, door de lessen van het COC wordt aangemoedigd in de gedachte dat hij of zij in een «verkeerd lichaam» is geboren? Zo nee, waarom niet?
De les «Daarom heet ik zo!» uit de zogenoemde kennisbieb van het COC behandelt «het belang van namen en erbij horen» en laat kinderen elkaar vragen stellen als «wat betekent je naam?», «misschien past je naam niet bij je?» en «misschien past een andere naam beter bij je?» omdat je misschien van het andere geslacht bent en in transitie gaat; wat vindt u ervan dat kinderen van tien jaar oud op deze manier worden aangemoedigd om na te denken over de vraag of zij misschien van het andere geslacht zijn?6
Meent u dat kinderen die nog weinig feitelijke kennis hebben en die net uit de fase van magisch denken komen en deels nog in Sinterklaas geloven in staat zijn om de claims over «geen jongen en geen meisje zijn» of «zowel een jongen als een meisje zijn» rationeel te bezien?
Is het volgens u nodig om over «genderidentiteit» te spreken om de acceptatie te bevorderen van lhbti en gedrag dat afwijkt van stereotypen over mannelijkheid en vrouwelijkheid? Zo ja, waarom en zo nee, waarom niet?
De vraagstellers vinden het zorgelijk dat de boodschap van Paarse Vrijdag in de loop der jaren is verschoven van «je bent oké zoals je bent en je mag houden van wie je wil», naar «misschien is er een probleem met je lichaam» waarbij bijvoorbeeld vrouwelijk gedrag van een jongen wordt geproblematiseerd omdat dit een teken zou kunnen zijn dat hij in een «verkeerd lichaam» zit; het COC leert kinderen op deze manier niet zozeer homoseksualiteit te accepteren en jongens en meisjes vrij te laten in hun kleding, interesses en gedrag, maar bevestigt juist genderstereotypen, deelt u deze visie? Zo ja, waarom en zo nee, waarom niet?
Kunt u een overzicht geven hoeveel rijkssubsidie het COC heeft ontvangen voor alle activiteiten rond Paarse Vrijdag en de lespakketten die gratis aan scholen worden aangeboden en hoeveel dit precies in de afgelopen jaren was?
De lespakketten voor Paarse Vrijdag willen kinderen op de basisschool niet alleen informeren over seksuele diversiteit, een doel dat vraagstellers steunen, Paarse Vrijdag wil leerkrachten en leerlingen ook overtuigen van het idee dat er een innerlijke «genderidentiteit» bestaat die losstaat van het objectieve, biologische geslacht, kan dit idee volgens u wetenschappelijk worden onderbouwd?
De handleiding stelt dat de nieuwe kerndoelen voor het primair, voorgezet en speciaal onderwijs scholen een mooie kans bieden om de inhoud van het Paarse Vrijdag-pakket steviger te verankeren in hun onderwijs omdat seksuele diversiteit en «genderdiversiteit» samenhangen met democratische basiswaarden, maatschappelijke diversiteit, relationele en seksuele ontwikkeling en sociale en emotionele ontwikkeling; is dit wat u betreft een juiste voorstelling van zaken en moeten scholen, omdat zij volgens de kerndoelen aandacht moeten besteden aan seksuele diversiteit, ook het seksespectrummodel en het begrip genderidentiteit als vaststaand feit onderwijzen? Zo ja, waarom, zo nee waarom niet?7
Erkent u dat het idee dat genderidentiteit kan afwijken van het biologische geslacht een onderwerp is waar vanuit wetenschappelijk, filosofisch en maatschappelijk oogpunt zeer verschillend over wordt gedacht?
Mogen scholen wat u betreft ook bepalen dat zij niet willen meegaan in de gedachte dat de mens een genderidentiteit heeft die losstaat van de biologische realiteit, en dat zij conform die opvatting onderwijzen?
Deelt u de opvatting dat kinderen kunnen leren homoseksualiteit te respecteren en jongens en meisjes vrij te laten in hun kleding, interesses en gedrag, zonder hen te leren dat hun gevoel bepaalt of zij een jongen, meisje, beide of geen van beide zijn en welke pedagogische meerwaarde heeft die laatste boodschap voor basisschoolleerlingen en waarop is die meerwaarde gebaseerd?
Welke onafhankelijke effectevaluaties zijn beschikbaar van Paarse Vrijdag en de daarbij aangeboden lespakketten voor het basisonderwijs en kunt u per onderzoek aangeven welke materialen en leeftijdsgroepen zijn onderzocht, of een vergelijkingsgroep is gebruikt en welke effecten zijn gevonden op pestgedrag, acceptatie en sociale veiligheid? Zo nee, waarop berust dan het oordeel dat de aanpak van het COC geschikt is voor de basisschool?
Het artikel ‘Leraren en scholieren massaal aan de schandpaal: honderden TikTok-accounts verspreiden vernederende AI-filmpjes’ |
|
Jantine Zwinkels (CDA), Etkin Armut (CDA) |
|
Judith Tielen (VVD), Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Leraren en scholieren massaal aan de schandpaal: honderden TikTok-accounts verspreiden vernederende AI-filmpjes»?1 Zo ja, wat vindt u hiervan?
Herkent u het beeld dat vrijwel iedere middelbare school inmiddels te maken heeft met zogeheten «shipping-accounts» en «raad de leerling»-accounts? Beschikt u over cijfers over de omvang van dit probleem?
Hoe kunnen scholen erachter komen wie op hun school zo’n kanaal «runt»? Welke maatregelen kunnen schoolbesturen vervolgens nemen?
Worden ouders betrokken als de kinderen die een kanaal «runnen» minderjarig zijn of als slachtoffers zich bij de docent melden? Zijn scholen voldoende toegerust om in dergelijke situaties zorgvuldig op te treden en slachtoffers te ondersteunen?
In hoeverre maakt «cyberpesten», waaronder het verspreiden van AI-gegenereerde beelden van medeleerlingen en docenten, onderdeel uit van de Week tegen Pesten die dit jaar van 21 tot en met 25 september is gehouden?
Zijn er voor het middelbaar onderwijs speciale lespakketten om cyberpesten en online pesten en de gevolgen hiervan bespreekbaar te maken in de klas? Zo ja, kunnen scholen makkelijk aan dit materiaal komen?
Bent u bekend met de nieuwe campagne «Er zijn grenzen» van stichting Offlimits, die aandacht vraagt voor online grensoverschrijdend gedrag? Hoe beoordeelt u dit initiatief en welke mogelijkheden ziet u om deze campagne en het bijbehorende voorlichtingsmateriaal onder de aandacht te brengen van scholen, leerlingen en ouders?
Welke mogelijkheden hebben slachtoffers, ouders en scholen, bijvoorbeeld op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG), om vernederende of gemanipuleerde beelden snel van platforms als TikTok te laten verwijderen?
Welke maatregelen nemen platforms, zoals TikTok, om cyberpesten via «shipping-accounts» tegen te gaan? En is dit volgens u voldoende, mede gelet op het hoge aantal accounts dat volgens de berichtgeving actief is?
In hoeverre moeten zeer grote onlineplatforms (VLOP’s) op grond van de Digital Services Act (DSA) bij hun risicoanalyses en risicobeperkende maatregelen rekening houden met cyberpesten en de verspreiding van AI-gegenereerde beelden van minderjarigen?
Welke mogelijkheden biedt de DSA om platforms te verplichten belastende AI-gegenereerde beelden te verwijderen en op te treden tegen accounts die structureel worden gebruikt om minderjarigen te vernederen? En wat is er mogelijk als platforms dit onvoldoende inrichten?
Welke mogelijkheden hebben toezichthouders om handhavend op te treden wanneer platforms onvoldoende maatregelen treffen?
Acht u de bestaande mogelijkheden voldoende effectief om dergelijke praktijken effectief tegen te gaan of is aanvullend Europees of nationaal beleid noodzakelijk?
De transitie naar passend en inclusief onderwijs |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Aan welke voorwaarden moeten (reguliere) scholen voldoen voordat zij meer leerlingen met specialistische ondersteuningsbehoeften kunnen opvangen, en wie controleert dit?
Welke criteria voor toegang tot het speciaal onderwijs worden richting 2035 voorzien? Hoe worden ouders en kinderen hierbij betrokken en hoe wordt voorkomen dat budget of beschikbare capaciteit bepalend is voor de toegang tot het speciaal onderwijs?
Hoe wordt voldoende capaciteit in het speciaal onderwijs behouden, inclusief gebouwen en deskundig personeel? Welke mogelijkheid heeft een kind om terug te keren als regulier onderwijs onvoldoende passend blijkt?
Zijn de kosten voor aanpassing van schoolgebouwen (in het kader van de transitie naar passend en inclusief onderwijs) onderzocht? Hoe worden die kosten verdeeld en gefinancierd?
Hoe worden ervaringen van schooldirecteuren, leerkrachten, ouders en kinderen betrokken bij de verdere uitwerking? Wat gebeurt er als scholen aangeven dat de plannen met de beschikbare mensen en middelen niet uitvoerbaar zijn?
Het oprichten van scholen voor speciaal onderwijs |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Kan de Kamer een overzicht ontvangen van alle wettelijke belemmeringen en beperkingen voor het oprichten van scholen voor speciaal onderwijs die zijn weggenomen naar aanleiding van de (unaniem aangenomen) motie van het lid Kwint van 12 november 2019 waarin de regering door de Kamer werd opgedragen dit te doen?1
De wachttijden in de genderzorg |
|
Lisa Vliegenthart (GroenLinks-PvdA), Marjolein Moorman (GroenLinks-PvdA), Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Genderzorg kan vraag niet aan, transmensen beginnen soms zelf al met hormonen»?1
Wat zijn momenteel de gemiddelde wachttijden voor genderzorg? Kunt u dit uitsplitsen per zorgaanbieder?
Welke concrete maatregelen zijn er genomen sinds uw ambtsvoorganger in 2020 erkende dat mensen hun toevlucht tot zelfmedicatie nemen?2
Hoe reflecteert u op het feit dat al jarenlang aan de bel wordt getrokken over de druk op de genderzorg en de wachttijden, maar de wachttijden alleen maar verder op lijken te lopen?
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om te voldoen aan de afspraken uit het Regenboogakkoord, in het bijzonder op de afspraken over transrechten en transzorg?
Deelt u de mening dat het onvoldoende is om mensen te waarschuwen voor de risico’s van zelfmedicatie wanneer zij vervolgens jarenlang op passende zorg moeten wachten? Welke concrete mogelijkheden zijn er voor mensen die nu hulp nodig hebben en voor wie de wachttijd niet overbrugbaar is?
Bent u bereid om met zorgverleners, patiëntenorganisaties en zorgverzekeraars afspraken te maken over laagdrempelige medische begeleiding voor mensen die al zelfstandig hormonen gebruiken, waaronder beoordeling van gezondheidsrisico’s, noodzakelijke controles en toegang tot specialistisch advies?
Hoe reflecteert u op de uitspraak in het artikel dat de huisarts niet is toegerust op het voortraject van hormoonbehandeling, zeker gelet op de aangenomen motie-Ellemeet c.s.3 over een grotere rol van huisartsen bij hormoontherapie en nazorg? Kunt u daarbij onderscheid maken tussen onbegeleid gebruik, begeleiding door een geschoolde huisarts in samenwerking met specialisten en zorg waarvoor een gespecialiseerd multidisciplinair team noodzakelijk is?
Welke concrete maatregelen zijn er genomen om uitvoering te geven aan de aangenomen-motie Ellemeet c.s. over een grotere rol van huisartsen?4 Hoeveel huisartsen zijn inmiddels geschoold? Welke belemmeringen ervaren huisartsen in de praktijk?
Welke concrete maatregelen zijn er genomen naar aanleiding van de aangenomen motie-Simons c.s.5 over het verplaatsen van transzorg van de derde naar de tweedelijnszorg? Welke diagnostiek en behandelingen zijn inmiddels buiten de universitaire centra beschikbaar, hoeveel extra mensen worden daardoor geholpen en welke knelpunten zijn er voor eventuele verdere uitbreiding?
Welke concrete maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat alternatieve zorgroutes bekend zijn bij mensen en daadwerkelijk toegankelijk zijn? Worden mensen actief geïnformeerd over passende mogelijkheden bij andere aanbieders en over ondersteuning tijdens het wachten? Deelt u de mening dat zulke ondersteuning noodzakelijk kan zijn, maar wachttijden van vier à vijf jaar het niet overbrugbaar of aanvaardbaar maakt?
Wat hebben zorgverzekeraars en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) concreet gedaan om tijdige toegang tot transzorg te waarborgen? Kunt u inzicht geven in de resultaten van zorgbemiddeling, eventuele onvoldoende inkoop van beschikbare capaciteit en maatregelen bij tekortschietende naleving van de zorgplicht?
Eerder gaf uw ambtsvoorganger aan dat er geen landelijke cijfers zijn over wachttijden in de gemeentelijk gefinancierde genderzorg, zijn deze cijfers inmiddels wel beschikbaar? Zo nee, hoe kunt u zonder dit inzicht beoordelen of de huidige aanpak werkt? Bent u bereid dit alsnog in kaart te laten brengen?6
Wat is de huidige stand van zaken wat betreft de werkagenda van het Landelijk Platform Transgenderzorg? Over welke (financiële) middelen beschikt het platform?
Hoe reageert u op de vaststelling van de Gezondheidsraad dat de wachtlijstproblematiek in strijd is met het recht op gezondheid en ook het recht van kinderen op gezondheid en ontwikkeling kan schaden? Welke verantwoordelijkheid ziet u voor uzelf hierin?
Hoe voorkomt u dat jongeren tijdens het wachten de mogelijkheid op tijdige behandeling verliezen of bij hun achttiende verjaardag opnieuw achteraan moeten aansluiten? Bent u bereid met gemeenten, verzekeraars en aanbieders afspraken te maken over behoud van wachttijd, overdracht en continuïteit van begeleiding en behandeling?
Welke ondersteuning is tijdens het wachten beschikbaar voor mensen bij wie de psychische gezondheid verslechtert? Hoe wordt geborgd dat noodzakelijke psychologische hulp en crisiszorg toegankelijk zijn, ook wanneer iemand nog geen diagnostisch traject heeft doorlopen?
Hoe wordt tijdens het wachten op genderzorg actief gesignaleerd of iemand suïcidale gedachten ontwikkelt of dat bestaande klachten verergeren? Wie draagt verantwoordelijkheid voor het onderhouden van contact en het organiseren van passende hulp, ook wanneer iemand nog geen intake bij een gendercentrum heeft gehad? Bent u bereid hierover landelijke afspraken te maken, inclusief een duidelijk aanspreekpunt voor wachtenden en hun naasten?
Hoe voorkomt u dat mensen met suïcidale gedachten tussen de reguliere ggz en de genderzorg worden verwezen zonder dat een van beide daadwerkelijk hulp biedt? Welke afspraken bestaan over gelijktijdige behandeling van psychische klachten en gendergerelateerde zorgvragen, zodat suïcidaliteit niet automatisch leidt tot verdere vertraging van passende genderzorg? Hoe wordt daarbij een individuele beoordeling van veiligheid en zorgbehoefte gewaarborgd?
Welke concrete acties binnen de Landelijke Agenda Suïcidepreventie 2026–2030 zijn gericht op transgender en non-binaire personen, waaronder mensen die wachten op zorg? Welke middelen, verantwoordelijke partijen en meetbare doelen zijn hieraan verbonden? Hoe worden 113 Zelfmoordpreventie, zorgverleners en ervaringsdeskundigen bij de uitvoering betrokken?
Hoe waarborgt u bij de uitvoering van de Wet integrale suïcidepreventie dat gemeenten aandacht besteden aan transgender en non-binaire inwoners? Welke ondersteuning krijgen gemeenten en scholen om discriminatie, pesten en sociale uitsluiting tegen te gaan, signalen van suïcidaliteit te herkennen en mensen naar passende hulp te begeleiden? Hoe zorgt u voor samenhang tussen zorg, onderwijs en emancipatiebeleid?
Welke wachttijd voor genderzorg acht u maximaal aanvaardbaar? Op welk moment concludeert u dat de inspanningen van zorgverzekeraars, het Landelijk Platform Transgenderzorg en gemeenten onvoldoende resultaat opleveren en dat u zelf moet ingrijpen? Welke concrete maatregelen bent u bereid op dat moment te nemen?
De Renaissanceschool in Almere |
|
Ilana Rooderkerk (D66) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Acht u het wenselijk dat de Renaissanceschool in Almere met slechts vier leerlingen heeft kunnen starten en daarvoor reguliere bekostiging en een kleinescholentoeslag ontvangt van ruim 507.000 euro per volledig kalenderjaar?
Hoe beoordeelt u dat het blijkbaar wettelijk mogelijk is om toestemming te verlenen voor het openen van de school, terwijl de belangstellingsmeting gebaseerd is op een voorgenomen locatie die kilometers buiten het gebied ligt van de uiteindelijke vestigingsplaats van de school?
Deelt u de opvatting dat de belangstellingsmeting hiermee geen goede basis is voor het te verwachten leerlingenaantal, mede gezien het aantal van vier leerlingen dat gestart is in het eerste leerjaar ver verwijderd is van het volgens het marktonderzoek te verwachten aantal leerlingen van 364 leerlingen in het 11e kalenderjaar?
Bent u het ermee eens dat de school onder valse voorwendselen is gestart, aangezien de school in de belangstellingsmeting richting ouders omschreven werd als «degelijk onderwijs op basis van klassieke en moderne onderwijstechnieken» met «vele excursies», maar niet werd vermeld dat de school gelieerd is aan een politieke partij?
Klopt het dat uit de interne stukken van de Inspectie van het Onderwijs blijkt dat in de aanvraag uit 2024 nergens sprake was van gescheiden lessen of afzonderlijke leertrajecten wegens biologische verschillen tussen jongens en meisjes?
Kwamen de begrippen «jongens», «meisjes», «biologische verschillen» en «levensovertuiging» ook niet voor in het bij de Inspectie van het Onderwijs ontvangen schoolplan van de Renaissanceschool? Kunt u dit schoolplan met de Kamer delen?
Heeft de aankondiging van Baudet op 24 juni 2026 over dat jongens en meisjes aparte leertrajecten krijgen geleid tot een ander oordeel bij de Inspectie van het Onderwijs danwel het ministerie over de onderwijskwaliteit van de Renaissanceschool? Zo nee, waarom niet?
Heeft de Inspectie van het Onderwijs, zoals aangekondigd in het ambtsbericht van 26 juni 2026, inmiddels contact opgenomen met het bestuur van de Renaissanceschool naar aanleiding van de uitspraak van Baudet over aparte leertrajecten en wat waren de bevindingen van dit contact en welke vervolgstappen heeft de Inspectie van het Onderwijs hierop genomen?
Bent u, mede gezien de passage in het coalitieakkoord dat de Wet meer ruimte voor nieuwe scholen «zo snel mogelijk wordt herzien», voornemens de wetsevaluatie naar voren te halen, zodat deze op korte termijn kan worden behandeld?
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk beantwoorden, voorafgaand aan het debat Stichting, sturing en toezicht in het funderend onderwijs op 14 oktober 2026?
Geslacht versus gender in het primair onderwijs |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Is het correct, zoals in dit gesprek wordt beweerd1, dat in de kerndoelen voor het primair onderwijs het woord «geslacht» in de omschrijving is vervangen door het woord «gender»2? Indien dit het geval is, waarom is dit gebeurd en is deze wijziging met de Kamer besproken?
Staat het docenten in het primair onderwijs vrij kinderen (de biologische realiteit) te onderwijzen dat er vanzelfsprekend slechts twee geslachten zijn: man en vrouw?
Vindt u het acceptabel dat, zoals in het gesprek wordt beweerd3, docenten die constateren dat geslacht een binair concept is (met andere woorden, er zijn alleen mannen en vrouwen) blijkbaar soms door hun school met ontslag bedreigd worden? Zo nee, wat gaat u doen om dit soort uitwassen te voorkomen?
Het bericht ‘Nieuwe islamitische school vindt opmerkelijke manier om leerlingen te werven: ze krijgen een fatbike of laptop’ |
|
Arend Kisteman (VVD) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nieuwe islamitische school vindt opmerkelijke manier om leerlingen te werven: ze krijgen een fatbike of laptop»?1
Klopt het dat het Novum Saeculum Lyceum in Gouda leerlingen die overstappen van een andere middelbare school een gratis fatbike of laptop in het vooruitzicht stelt?
Deelt u de mening dat leerlingen voor een school moeten kiezen vanwege de kwaliteit en visie van het onderwijs en niet met dure cadeaus bij andere scholen moeten worden weggelokt?
Deelt u voorts dat dit meer neigt naar het omkopen van leerlingen dan naar het aanbieden van goed onderwijs?
Is het voor een publiek bekostigde school wettelijk toegestaan om de inschrijving of overstap van een leerling te belonen met een persoonlijk cadeau ter waarde van honderden euro’s? Welke wettelijke regels gelden hier op dit moment voor?
Is u bekend hoe de fatbikes en laptops worden gefinancierd? Worden hiervoor reguliere onderwijsbekostiging, startbekostiging of andere publieke middelen gebruikt? Worden eventuele onrechtmatig bestede middelen teruggevorderd?
Als dit soort cadeaus door een externe partij worden betaald, is er dan sprake van sponsoring? Is dat hier het geval? Zo ja, bent u bekend met wie die sponsoren zijn en of het geld uit het buitenland afkomstig is?
Bent u bereid de Inspectie van het Onderwijs hier onderzoek naar te laten doen? Zo nee, waarom is dat volgens u niet nodig?
Klopt het dat Stichting De Ozonlaag inmiddels ongeveer een kwart van het islamitisch voortgezet onderwijs bestuurt en in korte tijd scholen heeft geopend in diverse steden? Hoe is beoordeeld of het bestuur voldoende capaciteit en deskundigheid heeft om deze snelle uitbreiding verantwoord te begeleiden?
Wat is de actuele stand van zaken van de Wet bevordering bestuurlijke kwaliteit en integriteit in het funderend onderwijs? Wanneer ontvangt de Kamer dit wetsvoorstel?
Kunt u zich voorstellen dat een school die na een belangstellingsmeting slechts enkele tientallen daadwerkelijke inschrijvingen heeft en vervolgens dure cadeaus nodig heeft om leerlingen te werven, vragen oproept over de betrouwbaarheid van de huidige belangstellingsmeting? Zo ja, hoe neemt u dat mee in de aangekondigde wetsherziening?
Lesmethoden op islamitische scholen waarin homoseksualiteit wordt afgewezen |
|
Ranjith Clemminck (JA21) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van Nieuwsuur over de rol van de islam bij geweld en vijandigheid tegen homoseksuelen en met het opinieonderzoek van EenVandaag naar de ervaringen van lhbti’ers in Nederland?1 2
Ja, daar ben ik mee bekend.
Heeft u kennisgenomen van de in de uitzending getoonde islamitische lesmaterialen waarin kinderen onder meer leren dat Allah een volk vernietigde vanwege homoseksuele relaties, dieren een lhbti-vlag in het vuur gooien en het homohuwelijk in verband wordt gebracht met de «ontwrichting van de samenleving» en «ernstige ziektes»? Zo ja, wat is uw reactie op deze lesmaterialen?
Ja, ik heb kennisgenomen van de in de uitzending getoonde lesmaterialen. Deze lesmaterialen zijn ook getoond in een uitzending van Nieuwsuur in september vorig jaar. De suggesties die in de lesmaterialen worden gedaan, keur ik volstrekt af. Deze suggesties kunnen ertoe leiden dat kinderen een afkeer krijgen van homoseksualiteit en homoseksuele personen. Dat zijn denkbeelden waar het onderwijs nooit aan mag bijdragen.
Om dat te voorkomen, geldt in Nederland de wettelijke burgerschapsopdracht die van scholen eist dat ze de basiswaarden van de democratische rechtsstaat, zoals vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit, bevorderen en daarnaar handelen. De Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) ziet erop toe dat scholen aan deze eisen voldoen.
Acht u het aanvaardbaar dat dergelijke lesmaterialen worden gebruikt op scholen die door de Nederlandse overheid worden bekostigd? Zo ja, waarom? Zo nee, welke consequenties verbindt u hieraan?
Alle scholen in Nederland moeten zich houden aan de wettelijke burgerschapsopdracht. De inspectie houdt daar toezicht op. De inspectie houdt geen toezicht op afzonderlijke lesmaterialen, maar kijkt wel naar de manieren waarop lesmaterialen worden gebruikt. Als de inspectie lesmateriaal tegenkomt dat kan leiden tot homofobie of tot andere vormen van onverdraagzaamheid, zal de inspectie constateren dat bij het gebruik ervan strijdigheid met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat kan optreden. Een onderzoek op een school die zulk lesmateriaal gebruikt, wordt dan mede gericht op het precieze gebruik.
Ook breder controleert de inspectie hoe de school kennis en respect van en voor de basiswaarden van de democratische rechtsstaat bevordert. Doen scholen dit onvoldoende, dan handelen ze in strijd met de wettelijke burgerschapsopdracht en kan de inspectie een herstelopdracht geven.
Klopt het dat de Inspectie van het Onderwijs deze specifieke lesmaterialen heeft beoordeeld en heeft geconcludeerd dat het gebruik hiervan binnen de geldende wettelijke kaders is toegestaan? Zo ja, op welke wettelijke bepalingen en inhoudelijke afwegingen is deze conclusie gebaseerd?
De inspectie houdt geen toezicht op lesmateriaal zelf, maar houdt toezicht op het gebruik ervan.
Naar aanleiding van de publicatie van Nieuwsuur vorig jaar heeft de inspectie gesproken met besturen, schoolleiders, leraren en leerlingen van de betrokken scholen. In de gesprekken met besturen en schoolleiders is gesproken over de bevordering van basiswaarden binnen de religieuze context van de scholen. De inspectie heeft gesprekspartners bevraagd op hun gebruik van de leermiddelen die in de publicatie van Nieuwsuur aan bod kwamen. Onder leraren en leerlingen is vervolgens getoetst of wat besturen aangaven ook is wat in de praktijk wordt ervaren. Dat is conform de gangbare werkwijze van de inspectie.
De inspectie constateert op basis hiervan dat de betreffende scholen doordachte curricula hebben waarin zowel ruimte is voor het actief bevorderen van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat als voor de eigen levensbeschouwelijke identiteit van de school. Eén school vormt een uitzondering. Deze school heeft van de inspectie een herstelopdracht gekregen omdat het burgerschapsonderwijs op de school niet voldeed aan de wettelijke eisen. De school heeft na een hersteltermijn de geconstateerde tekortkomingen nog niet hersteld. De inspectie beraadt zich op maatregelen.
Heeft de Inspectie van het Onderwijs volledig zicht op de lesmethoden, leesboekjes en aanvullende religieuze leermiddelen die op islamitische scholen worden gebruikt? Zo nee, hoe kan de Inspectie dan vaststellen of het onderwijs voldoet aan de burgerschapsopdracht en of sprake is van een sociaal veilige leeromgeving?
De inspectie houdt geen overzicht bij van alle lesmethoden die op scholen worden gebruikt, hiermee handelt zij conform de huidige wetgeving. De inspectie betrekt in haar toezicht de manier waarop lesmateriaal in de lessen wordt gebruikt om te beoordelen of de school handelt conform de wettelijke burgerschapsopdracht en de zorgplicht voor de veiligheid.
Op welke wijze controleert de Inspectie of religieuze lesmaterialen niet alleen afzonderlijk, maar ook in hun onderlinge samenhang bijdragen aan een schoolcultuur die in overeenstemming is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat?
De inspectie houdt toezicht op het gebruik van lesmaterialen, afzonderlijk of samen, en hoe dat zich verhoudt tot bijvoorbeeld de schoolcultuur. Uit de wettelijke burgerschapsopdracht volgt dat een schoolcultuur in overeenstemming moet zijn met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat, waaronder vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit.
Is bij u en de Inspectie bekend door welke personen, organisaties, uitgeverijen of religieuze instellingen de in de uitzending getoonde lesmethoden zijn ontwikkeld en verspreid? Zo ja, kunt u uiteenzetten welke partijen hierbij betrokken zijn?
De inspectie heeft kennisgenomen van het lesmateriaal dat in de genoemde uitzending wordt getoond, maar houdt geen toezicht de specifieke herkomst van de methoden.
Is bekend hoe de ontwikkeling, productie, aanschaf en verspreiding van deze lesmaterialen zijn gefinancierd, waaronder eventuele financiering door Nederlandse overheden, schoolbesturen, religieuze organisaties of buitenlandse personen, organisaties of overheden? Zo nee, bent u bereid dit te onderzoeken?
Dit is niet bekend. Voor de aanschaf van lesmaterialen ontvangen scholen centrale bekostiging in de vorm van een lumpsum, waarbinnen zij zelf bestedingsvrijheid hebben. De inspectie houdt geen toezicht op de aanschaf van lesmaterialen door scholen. Evenmin controleert de inspectie de financiële stromen van afzonderlijke uitgeverijen, ontwikkelaars of lesmaterialen. Indien signalen aanhouden over dergelijk lesmateriaal, bezie ik of nader toezicht op de herkomst van lesmateriaal van waarde kan zijn en wat daar wettelijk voor nodig is. brengen.
Worden deze lesmethoden centraal ingekocht of aanbevolen door samenwerkingsverbanden, koepelorganisaties of andere organisaties binnen het islamitisch onderwijs? Zo ja, welke organisaties betreft dit en op hoeveel scholen worden deze materialen gebruikt?
Scholen bepalen zelf hoe zij de inkoop van lesmateriaal organiseren. Dit kunnen zij doen als individuele school, maar ook op bestuursniveau of binnen een koepelorganisatie. Hier zijn geen overzichten of tellingen van.
Welke wettelijke taken, bevoegdheden en mogelijkheden hebben gemeenten om toezicht te houden of in te grijpen wanneer binnen hun gemeente islamitische scholen worden opgericht of uitgebreid en er zorgen bestaan over de gebruikte lesmaterialen, de invulling van de burgerschapsopdracht of de sociale veiligheid van leerlingen? Acht u de huidige positie en het instrumentarium van gemeenten hierbij toereikend? Zo nee, bent u bereid gemeenten meer mogelijkheden te geven om dergelijke zorgen bij de Inspectie en het ministerie af te dwingen en opvolging daarvan te verlangen?
In de Grondwet is het onderwijs bestempeld als een verantwoordelijkheid van de regering. De inspectie houdt toezicht op het onderwijs en controleert of scholen aan de wettelijke eisen voldoen. Leven er binnen een gemeente zorgen over een school, dan kunnen zij die overbrengen aan de inspectie.
Met het oog op de stichting van scholen specifiek heeft de gemeente de mogelijkheid om bij iedere stichtingsaanvraag hun zienswijze in te brengen. De grondslag van een school is op zichzelf echter nooit een legitieme grond voor bezwaar.
De beschreven rolverdeling tussen gemeente en Rijk acht ik passend bij de grondwettelijke uitgangspunten en daarmee ook toereikend.
Hoe verhoudt het gebruik van de genoemde lesmaterialen zich volgens u tot de wettelijke burgerschapsopdracht, waaronder het bevorderen van respect voor de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en het creëren van een schoolcultuur die daarmee in overeenstemming is?
Vanuit de wettelijke burgerschapsopdracht heeft een school de plicht om leerlingen kennis over en respect voor de basiswaarden van de democratische rechtsstaat bij te brengen. Dat houdt ook in dat respect voor verschillen de norm is, bijvoorbeeld in seksuele gerichtheid. De genoemde lesmaterialen passen daar niet bij en leiden ertoe dat de inspectie in haar toezicht extra aandacht heeft voor de invulling van de burgerschapsopdracht en het burgerschapsonderwijs op de betreffende school.
Deelt u de opvatting dat de vrijheid van onderwijs geen vrijbrief kan zijn om kinderen met publiek geld les te geven uit materialen die homoseksuele relaties stigmatiseren of in verband brengen met ziekte, vernietiging en maatschappelijke ontwrichting?
Ja, die opvatting deel ik. Het onderwijs moet voor iedereen veilig en vrij zijn, en geen voedingsbodem voor denkbeelden die indruisen tegen de basiswaarden van onze democratische rechtsstaat. Dat geldt overigens niet alleen voor het bekostigd onderwijs, maar bijvoorbeeld voor al het onderwijs, ook particulier.
Welke mogelijkheden hebben de Inspectie en de Staatssecretaris op dit moment om in te grijpen wanneer een school dergelijke lesmethoden gebruikt, maar volgens de huidige uitleg nog niet aantoonbaar de wettelijke ondergrens overschrijdt? Acht u dit instrumentarium toereikend?
De inspectie ziet toe op de naleving van de wet en beoordeelt in dat kader of scholen voldoen aan de wettelijke eisen die de burgerschapsopdracht aan hen stelt. Zo niet, dan krijgen scholen een herstelopdracht. Zie verder het antwoord op vraag 14 voor een uitgebreidere beschrijving van het instrumentarium dat de inspectie en de Minister hebben bij het niet naleven van wettelijke eisen.
Kunt u de zogenoemde escalatieladder uiteenzetten waarnaar u in de uitzending van Goedenavond Nederland van 28 juli 2026 verwees, inclusief de verschillende interventies, de voorwaarden voor toepassing daarvan en de gemiddelde tijd die verstrijkt voordat tot een bekostigingssanctie of sluiting kan worden overgegaan?3
Wanneer de inspectie constateert dat een school in strijd handelt met de wettelijke burgerschapsopdracht, of met een andere wettelijke eis, geeft de inspectie in principe eerst een herstelopdracht. Dat is de opdracht aan een school om een vastgestelde tekortkoming te herstellen binnen een bepaalde termijn, maximaal een jaar. Na de hersteltermijn doet de inspectie opnieuw een onderzoek. Is de tekortkoming dan nog niet hersteld, dan kan de inspectie een bekostigingssanctie opleggen. Bij de eerste sanctie wordt maximaal 15% van de maandelijkse bekostiging ingehouden. Daarna loopt de sanctie gefaseerd op tot een uiteindelijke inhouding van 100% van de maandelijkse bekostiging.
Het proces verloopt iets anders wanneer de inspectie constateert dat een school structureel of flagrant in strijd handelt met de wettelijke burgerschapsopdracht en dat dit leidt of dreigt te leiden tot een ernstige aantasting van een of meer van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. De inspectie kan dan wanbeheer vaststellen en draagt de zaak over aan de Minister, die vervolgens een aanwijzing kan opleggen. Dat is een set maatregelen die het schoolbestuur moet nemen om het wanbeheer te beëindigen. Dat moet het schoolbestuur op korte termijn doen, vaak binnen enkele weken. Bij zeer hoge urgentie en de constatering van een redelijk vermoeden van wanbeheer door de inspectie kan de Minister ook een spoedaanwijzing opleggen en is het aan het schoolbestuur om meteen het wanbeheer te beëindigen, binnen enkele dagen.
Als een school de (spoed)aanwijzing niet naleeft en het wanbeheer niet herstelt, kan de Minister direct een bekostigingssanctie opleggen en tot 100% inhouden van de maandelijkse bekostiging. Als een school een aanwijzing specifiek gericht op burgerschap of veiligheid niet naleeft en er sprake blijft van wanbeheer, kan de Minister de bekostiging van een school geheel beëindigen (bij bijzondere scholen) of de school sluiten (bij openbare scholen). Deze bevoegdheid kan alleen in uitzonderlijke gevallen worden ingezet als ultimum remedium.
Deelt u de opvatting dat de huidige escalatieladder mogelijk onvoldoende mogelijkheden biedt om snel en effectief in te grijpen wanneer scholen structureel gebruikmaken van lesmateriaal dat homoseksuelen en homoseksuele relaties stigmatiseert?
Waar het de wettelijke burgerschapsopdracht betreft, hebben de inspectie en de Minister diverse instrumenten tot hun beschikking om in te grijpen wanneer scholen de wet niet naleven. Sinds de inwerkingtreding van de Wet uitbreiding bestuurlijk instrumentarium in 2023 heeft de Minister de mogelijkheid om sneller in te grijpen. Het opleggen van een spoedaanwijziging, zoals gebeurde bij scholen die niet voornemens waren de doorstroomtoets af te nemen, is hiervan een voorbeeld. In sommige gevallen kan de Minister echter alsnog minder snel ingrijpen dan gewenst. Dit najaar wordt gestart met de evaluatie van de Wet. Via de evaluatie, die in het voorjaar van 2028 gereedkomt, zal inzicht worden verkregen in de doeltreffendheid, doelmatigheid en de effecten van deze wet in de praktijk. De evaluatie moet vaststellen of de wet heeft geleid tot de gewenste kwaliteitsverbeteringen en (eventuele) aanbevelingen benoemen voor verbetering. Ik zal bezien of die aanbevelingen en de ervaringen die worden opgedaan naast de evaluatie moeten leiden tot aanpassingen van de wet om waar gewenst sneller te kunnen optreden.
Bent u bereid de escalatieladder en de onderliggende wet- en regelgeving te herzien, zodat scholen die structureel dergelijke lesmethoden gebruiken sneller een aanwijzing, bekostigingssanctie of, als ultimum remedium, sluiting tegemoet kunnen zien?
Dit najaar start een evaluatie van de Wet uitbreiding bestuurlijk instrumentarium. In die evaluatie wordt ook bezien of verdere uitbreiding van het huidige instrumentarium wenselijk en noodzakelijk is. De evaluatie moet vaststellen of de wet heeft geleid tot de gewenste kwaliteitsverbeteringen en (eventuele) aanbevelingen benoemen voor verbetering.
Uit onderzoek van het EenVandaag Opiniepanel blijkt dat 70 procent van de ondervraagde lhbti’ers het als een probleem ervaart om de eigen seksuele oriëntatie of genderidentiteit in het openbaar te tonen en dat zij weerstand vooral ervaren vanuit religieuze en extreemrechtse hoek, waarbij met name de islam wordt genoemd.4 Hoe beoordeelt u deze uitkomsten?
Ik vind het vreselijk dat mensen zich niet geaccepteerd voelen vanwege hun seksuele gerichtheid of genderidentiteit. In Nederland moet iedereen in veiligheid en vrijheid zichzelf kunnen zijn en zich gelijkwaardig weten, ongeacht seksuele gerichtheid of genderidentiteit. Dat geldt overal: op school, tijdens het sporten, op de werkvloer en online. Helaas laten verschillende onderzoeken zien dat lhbtiq+ personen nog altijd een hogere mate van onveiligheid ervaren. De resultaten van dit onderzoek zijn niet verrassend, maar daarom niet minder zorgwekkend. Ik vind het schrijnend dat het voor een ruime meerderheid van de lhbtiq+-gemeenschap een probleem is om hun seksuele gerichtheid in het openbaar te laten zien. De signalen dat lhbtiq+ personen weerstand ervaren uit religieuze en extreemrechts hoek, zijn bekend. Op basis van nadere onderzoeksresultaten die we in 2027 verwachten, bekijken we of aanvullend onderzoek en inzichten nodig zijn met betrekking tot de oorzaken van dalende acceptatie in relatie tot onder andere de manosfeer en religieus conservatisme.
Deelt u de zorg dat onderwijs waarin homoseksualiteit expliciet negatief of bedreigend wordt voorgesteld, kan bijdragen aan het maatschappelijke klimaat waarin lhbti’ers aangeven hun gedrag, kleding en uitingen aan te passen uit angst voor negatieve reacties?
Ja, deze zorg deel ik. Ik kan mij goed voorstellen dat als de schoolcultuur homoseksualiteit negatief voorstelt, lhbtiq+ leerlingen zich onveilig voelen en dat zij dit de rest van hun leven met zich meedragen. Dat is onacceptabel. Daarom vraagt de wettelijke burgerschapsopdracht van scholen dat zij zorgdragen voor een schoolcultuur vanuitde basiswaarden van de democratische rechtsstaat en waarin iedereen zich veilig en geaccepteerd weet. Doen ze dit niet, dan handelen ze in strijd met de wet en zal de inspectie herstel afdwingen.
Onderwijs speelt een belangrijke rol in de socialisatie van leerlingen en in het vormen van een stevige en veilige pedagogische basis, waar vanuit iedere leerling zich in vrijheid kan ontwikkelen. Het bevorderen van een positief maatschappelijk klimaat voor lhbtiq+ personen reikt echter verder dan het onderwijs. Dat is een opdracht aan ons allemaal.
Bent u bereid de Inspectie van het Onderwijs opdracht te geven gericht onderzoek te doen naar de aard, omvang en inhoud van lesmaterialen over homoseksualiteit, relaties en het homohuwelijk binnen het islamitisch onderwijs, en de Kamer over de uitkomsten daarvan te informeren?
De inspectie doet verdiepend onderzoek naar de omgang van scholen met potentiële strijdigheid in basiswaarden, onder andere met het oog op seksuele diversiteit. Dit onderzoek richt zich op ervaringen van leerlingen en op dilemma’s en het handelingsrepertoire van leraren.
Kunt u vaststellen hoeveel scholen deze lesmethoden gebruiken of in het verleden hebben gebruikt, gedurende welke periode dit is gebeurd en hoeveel leerlingen naar schatting reeds met deze materialen in aanraking zijn gekomen?
Nee, de inspectie houdt geen overzicht of tellingen van lesmethoden bij.
Deelt u de opvatting dat leerlingen die onderwijs hebben ontvangen waarin homoseksuele relaties worden voorgesteld als ziekmakend, maatschappelijk ontwrichtend of aanleiding voor goddelijke bestraffing, mogelijk onvoldoende onderwijs hebben gekregen in overeenstemming met de wettelijke burgerschapsopdracht?
Ja, die opvatting deel ik. Dergelijk onderwijs kan leiden tot een schoolcultuur die niet in overeenstemming is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en waarin leerlingen en personeel zich onvoldoende veilig weten. Een school die onvoldoende doet aan een schoolcultuur vanuit de basiswaarden, handelt in strijd met de wettelijke burgerschapsopdracht.
Bent u bereid maatregelen te treffen om eventuele schade bij deze leerlingen te herstellen, bijvoorbeeld door de betrokken scholen te verplichten aanvullend burgerschapsonderwijs aan te bieden over gelijkwaardigheid, het discriminatieverbod, seksuele diversiteit en de grondrechten van lhbti’ers?
Scholen moeten zorgdragen voor een schoolcultuur vanuit de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en gericht op de veiligheid van leerlingen. Doen ze dat niet, dan handelen ze in strijd met de wettelijke burgerschapsopdracht en geeft de inspectie daarvoor een herstelopdracht. Blijft herstel uit, ondanks de herstelopdracht, dan kan de inspectie een financiële sanctie opleggen om de school op die manier te dwingen de tekortkomingen te herstellen en de wet na te leven.
Op grond van de wettelijke burgerschapsopdracht, zijn alle scholen verplicht om onderwijs aan te bieden over gelijkwaardigheid, het discriminatieverbod, seksuele diversiteit en de universele rechten van de mens.
Zo ja, hoe wordt gecontroleerd dat dit aanvullende onderwijs daadwerkelijk wordt aangeboden en inhoudelijk voldoet aan de basiswaarden van de democratische rechtsstaat? Zo nee, waarom acht u herstelmaatregelen niet noodzakelijk?
Als de inspectie een herstelopdracht geeft, wordt vervolgens opnieuw onderzoek gedaan op de school naar de voortgang en mate van herstel. De inspectie onderzoekt of de school inmiddels wél voldoet aan de wettelijke eisen.
Bent u tevens bereid om, in afwachting van dat onderzoek, met de betrokken schoolbesturen in gesprek te gaan over het onmiddellijk uitfaseren van lesmaterialen waarin homoseksuele relaties in verband worden gebracht met ziekte, goddelijke bestraffing of maatschappelijke ontwrichting?
Het verbieden van lesmateriaal als zodanig past niet bij artikel 23 van de Grondwet, waarin staat dat de keuze voor leermiddelen vrij is.
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden?
Ja.
Bent u bekend met dit bericht, en met het feit dat uw secretaris-generaal sinds 1 januari 2022 voorzitter is van de Raad van Toezicht van TivoliVredenburg, de instelling die hier een institutionele boycot voert tegen Israëlische staatsinstellingen?1 2 3 4 5 6
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat TivoliVredenburg zijn boycot mede rechtvaardigt met de kwalificatie «genocidaal geweld» voor het optreden van Israël in Gaza? Kunt u aangeven of, en zo ja hoe, de Raad van Toezicht, onder voorzitterschap van uw secretaris-generaal, dit standpunt van de instelling heeft goedgekeurd of getoetst? Is deze kwalificatie ook het standpunt van het kabinet? Zo ja, op welke rechterlijke uitspraak is dat standpunt gebaseerd? Zo nee, hoe beoordeelt u dat uw eigen secretaris-generaal als voorzitter toezicht houdt op een instelling die deze kwalificatie wél publiekelijk hanteert?
Ja. Het betreft een besluit dat is genomen door de directie van TivoliVredenburg.
Was u ervan op de hoogte dat deze nevenfunctie werd voortgezet en zelfs bestendigd (herbenoeming tot 1 januari 2030) nadat TivoliVredenburg zijn culturele boycot van Israël publiekelijk had ingesteld? Zo ja, sinds wanneer? Zo nee, hoe verklaart u dat dit niet eerder bij u bekend was?
Ja. De nevenwerkzaamheden van de secretaris-generaal zijn mij bekend. De Minister van Defensie is in 2023 akkoord gegaan met deze nevenfunctie. Alle nevenwerkzaamheden van de Topmanagementgroep (TMG) van de Algemene Bestuursdienst (ABD) zijn te raadplegen op de website van de ABD. De lijst met nevenwerkzaamheden wordt periodiek geactualiseerd.
Is deze nevenfunctie destijds gemeld en getoetst conform de Gedragscode Integriteit Rijk en de regels voor nevenfuncties van topambtenaren? Kunt u de uitkomst van die toetsing met de Kamer delen?
Ja. De nevenwerkzaamheden van de secretaris-generaal zijn getoetst en hebben geleid tot een goedkeuring van de nevenfunctie. De nevenfunctie is tijdig en volledig openbaar gemaakt conform de daarvoor geldende procedures van de CAO Rijk.
Deelt u de opvatting dat het onwenselijk is dat de hoogste ambtenaar van het Ministerie van Defensie, gebonden aan ambtelijke onpartijdigheid en loyaliteit aan het kabinetsbeleid, als voorzitter van de Raad van Toezicht toezichthoudende eindverantwoordelijkheid draagt voor een instelling die eigenstandig en publiekelijk een institutionele boycot voert tegen de staatsinstellingen van een land? Zo nee, waarom niet?
De secretaris-generaal is voorzitter van de Raad van Toezicht van TivoliVredenburg. De Raad van Toezicht is belast met het toezicht op het algemeen functioneren van de directie, de benoemingen van bestuurders en het toezicht op financieel gebied. De directie heeft dit besluit genomen.
Uw ambtsvoorganger, Minister Brekelmans, heeft in de Tweede Kamer gesteld dat de F-35 essentieel is voor de veiligheid van Nederland en zijn internationale partners, waaronder Israël, en dat eenzijdig loslaten van deze samenwerking Nederland tot een onbetrouwbare partner zou maken en een risico zou vormen voor onze eigen luchtmacht. Onderschrijft u deze analyse van uw ambtsvoorganger? Zo nee, waarom niet?7
Ja, deze analyse onderschrijf ik.
Zo ja op vraag 6: hoe verhoudt de door uw ambtsvoorganger benoemde afhankelijkheid van Israëlische (defensie)technologie zich tot het feit dat uw eigen secretaris-generaal een instelling voorzit die datzelfde land institutioneel boycot?
De secretaris-generaal van het Ministerie van Defensie is de voorzitter van de Raad van Toezicht van TivoliVredenburg, niet de voorzitter van de directie van TivoliVredenburg. De directie van TivoliVredenburg heeft het besluit genomen.
Acht u het verenigbaar met de positie en geloofwaardigheid van het Ministerie van Defensie dat de hoogste ambtenaar van dat ministerie in een nevenfunctie een boycot mede faciliteert tegen een land waarmee Nederland op defensiegebied nauw samenwerkt? Zo ja, waarom? Zo nee, welke stappen gaat u zetten?
Zie het antwoord op vraag 7.
Bent u bereid uw secretaris-generaal te vragen zijn nevenfunctie als voorzitter van de Raad van Toezicht van TivoliVredenburg neer te leggen, dan wel hem te vragen zich binnen die Raad publiekelijk te distantiëren van de boycot? Zo nee, waarom niet?
Ik acht de nevenwerkzaamheden van de secretaris-generaal van het Ministerie van Defensie verenigbaar met zijn functie als secretaris-generaal. De secretaris-generaal heeft aangegeven nadere afspraken met de Raad van Toezicht te hebben gemaakt, waardoor hij zich bij eventuele toekomstige besprekingen van dergelijke onderwerpen in de Raad van Toezicht zal onthouden van deelname.
Bent u bereid de Kamer te informeren over alle overige nevenfuncties van de secretaris-generaal van het Ministerie van Defensie en de wijze waarop deze zijn getoetst op verenigbaarheid met zijn ambtelijke positie? Zo nee, waarom niet?
De nevenwerkzaamheden van de secretaris-generaal van het Ministerie van Defensie zijn volgens de geldende procedures voor de TMG publiekelijk kenbaar gemaakt. De lijst met werkzaamheden is te raadplegen via de website van de ABD.
Bent u bekend met het feit dat de voorzitter van de Raad van Toezicht van TivoliVredenburg tevens de hoogste ambtenaar van het Ministerie van Defensie is, en dat deze Raad van Toezicht toeziet op een instelling die een institutionele boycot van Israël voert?
Ja.
Deelt u de opvatting dat een dergelijke dubbelrol, rijksambtenaar aan de top van een ministerie én toezichthouder-voorzitter bij een gesubsidieerde instelling met een eigen institutioneel boycotbeleid tegen Israëlische instellingen, op gespannen voet staat met de schijn van onafhankelijkheid en onpartijdigheid die van de rijksoverheid mag worden verwacht? Zo nee, waarom niet?
Voor leden van de TMG gelden de rijksbrede integriteitsregels, aangevuld met openbaarmakings- en meldingsplichten om belangenverstrengeling te voorkomen. Om integriteit te waarborgen, zijn alle leden van de TMG verplicht hun nevenactiviteiten te melden aan hun werkgever. Voorafgaand aan de aanstelling worden nevenwerkzaamheden getoetst aan verenigbaarheid in relatie tot de te vervullen functie. Het overzicht van de nevenwerkzaamheden van de TMG is online openbaar te raadplegen.
Onder welke subsidieregeling(en) en voor welk bedrag ontvangt TivoliVredenburg jaarlijks direct of indirect rijkssubsidie, bijvoorbeeld via de Basisinfrastructuur Cultuur (BIS) of via de gemeente Utrecht?
Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) heeft geen rechtstreekse subsidierelatie met TivoliVredenburg. Het podium ontvangt een jaarlijkse bijdrage van € 13,4 miljoen van de gemeente Utrecht in het kader van de Utrechtse Cultuurnota 2025–2028. Van het Fonds Podiumkunsten ontvangt TivoliVredenburg € 58.450 per jaar uit de Podiumregeling. Vanuit het Fonds Cultuurparticipatie krijgt het podium € 32.360 uit de regeling Co-creatie instellingen.
Bent u bereid in gesprek te gaan met TivoliVredenburg over de voorwaarden waaronder subsidie wordt verstrekt, mede in het licht van deze dubbele rol als topambtenaar en toezichthouder, en de selectieve boycot van Israëlische deelnemers? Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) heeft geen rechtstreekse subsidierelatie met TivoliVredenburg.
Deelt u de opvatting dat het weren van Israëlische studenten een vijandiger klimaat kan creëren voor Joodse en Israëlische bezoekers, artiesten en studenten in Nederland, zeker wanneer een zittend topambtenaar dit beleid als toezichthouder mede draagt? Zo nee, waarom niet?
Culturele instellingen moeten ruimte hebben om artistieke en inhoudelijke keuzes te maken. Die artistieke vrijheid is echter nooit een vrijbrief voor racisme, discriminatie en/of antisemitisme. Instellingen mogen mensen niet uitsluiten op grond van kenmerken die wettelijk beschermd zijn.
Het bericht “Veel jonge lhbti+'ers voelen zich onveilig thuis en op school” |
|
Alisha Müller (VVD) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Veel jonge lhbti+'ers voelen zich onveilig thuis en op school»1, waarin vier op de tien jonge lhbtiq+'ers aangeeft zich niet veilig te voelen op school en een kwart zich thuis onveilig voelt?
Ja, daar ben ik mee bekend.
Deelt u de mening dat vrijheid het recht is om jezelf te kunnen zijn en de plicht de ander te accepteren? En dat religieuze, culturele of andere opvattingen nooit een rechtvaardiging mogen vormen voor intimidatie van of geweld tegen lhbtiq+-jongeren?
Ja, deze mening deel ik. Gelijkwaardigheid en vrijheid zijn fundamentele waarden in onze democratische rechtsstaat. In Nederland moeten lhbtiq+ personen overal en altijd veilig en vrij zichzelf kunnen zijn. De vrijheid van de één mag nooit ten koste gaan van de vrijheid van de ander. Intimidatie van of geweld tegen lhbtiq+ personen is onacceptabel.
Herkent u het geschetste beeld en de gepresenteerde cijfers? Hoe beoordeelt u de bevinding dat de onveiligheid zich niet alleen op straat of op school voordoet, maar in aanzienlijke mate ook in de eigen thuissituatie?
Ja, ik herken het geschetste beeld. Verschillende onderzoeken laten zien dat lhbtiq+ personen nog altijd een hogere mate van onveiligheid ervaren. Dit blijkt ook uit de Landelijke Veiligheidsmonitor (hierna: LVM) in het funderend onderwijs, die inzicht biedt in de ervaren veiligheid op school van onder anderen lhbt leerlingen.2 Die signalen zijn dus helaas niet nieuw. Toch ben ik geschrokken van deze cijfers. Het is aangrijpend dat zoveel lhbtiq+ jongeren zich ook thuis onveilig voelen. Thuis zou juist een veilige omgeving moeten zijn.
Beschikt uw ministerie over historische data om te beoordelen of hier sprake is van een stijgende trend in het gevoel van onveiligheid onder lhbtiq+-jongeren, of dat er sprake is van een continue/structurele problematiek?
Ja, het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voert periodiek onderzoek uit naar de ervaren veiligheid van leerlingen in het primair en voortgezet onderwijs. Dit onderzoek gaat niet over de thuissituatie van lhbtiq+ jongeren. Lhbt leerlingen3 voelen zich minder veilig, worden vaker gepest en maken vaker geweld mee dan niet-lhbt leerlingen in het funderend onderwijs.
Dit geldt voor zowel het primair als voortgezet onderwijs.4 Tabel 1 geeft een overzicht van de veiligheidscijfers in het voortgezet onderwijs, uitgesplitst naar verschillende jaren.
2014
2016
2018
2021
2022
Veiligheidsgevoel
Lh(b)t
83,0%
86,8%
89,9%
95%
95%
Niet-lhbt
94,2%
95,6%
97,1%
98%
98%
Pesten
Lh(b)t
24,1%
18,0%
7,7%
13%
17%
Niet-lhbt
10,5%
7,4%
4,7%
4%
6%
Verbaal geweld
Lh(b)t
40,0%
39,5%
29,8%
N.b.
36%
Niet-lhbt
29,0%
26,3%
26,9%
N.b.
30%
De percentages in de jaren 2014, 2016 en 2018 laten het gemiddelde zien over lesbische, homoseksuele en transgender leerlingen. In deze monitors is geen uitsplitsing gemaakt naar biseksuele leerlingen. In 2018 was het aantal transgender respondenten laag, waardoor resultaten gevoelig zijn voor toevallige afwijkingen.
Heeft u inzicht in de redenen dan wel de achtergrond van deze stagnatie in het veiligheidsgevoel van jonge lhbtiq+'ers? Kunt u die inzichten delen?
Het onderzoek De lhbtiq+-opvattingen van jongeren van de Universiteit van Amsterdam (2025) geeft inzicht in de lhbtiq+-opvattingen van jongeren.5 De onderzoekers concluderen dat de lhbtiq+-opvattingen van jongeren een complex samenspel van factoren zijn, dat niet te reduceren valt tot één factor. De lhbtiq+-opvattingen van jongeren hangen samen met de mate van conservatisme, geslacht, godsdienst en leerweg. Daarnaast zijn er signalen dat de opkomst van de manosfeer en religieus conservatisme een rol spelen. Medio 2027 publiceert de Universiteit van Amsterdam aanvullend onderzoek met daarin aandacht voor de rol van sociale media en de manosfeer. Ook verschijnt de Gezondheidsmonitor Jeugd 2026 volgend jaar, met cijfers over de lhbtiq+-opvattingen van jongeren in alle GGD-regio’s in Nederland. Op basis van de resultaten hiervan weeg ik af welk aanvullend onderzoek nodig is.
Klopt het dat scholen wettelijk verplicht zijn om de sociale veiligheid van leerlingen te waarborgen? Hoe verklaart u tegen die achtergrond dat vier op de tien ondervraagde lhbtiq+-jongeren zich desondanks niet veilig voelen op school?
Scholen hebben een zorgplicht voor de veiligheid op school. Dat betekent dat scholen samen met leraren, leerlingen en medezeggenschap, veiligheidsbeleid maken om incidenten te voorkomen (preventie) en af te handelen, jaarlijks (of vaker) de veiligheid van leerlingen onderzoeken, een coördinator hebben om pestgedrag tegen te gaan, een contactpersoon hebben bij wie leerlingen terecht kunnen als zij worden gepest, handelen in lijn met de meld-, overleg- en aangifteplicht seksuele misdrijven en ervoor zorgen dat elk personeelslid een geldige Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) heeft.
Het onderzoek van de NOS is weliswaar niet representatief, maar schetst een zorgelijk beeld dat ik herken. Ook uit recent onderzoek in opdracht van Stichting School & Veiligheid blijkt dat lhbtiq+ leerlingen meer negatieve uitspraken richting zich krijgen dan niet-lhbtiq+ leerlingen6. In de Staat van het Onderwijs signaleert iets meer dan de helft van de schoolleiders in het voortgezet onderwijs negatieve uitingen over lhbtiq+ personen.7 Verklaringen hiervoor bevinden zich niet enkel binnen het domein van het onderwijs, maar in de hele samenleving.
Heeft u inzicht in het aantal scholen dat de afgelopen vijf schooljaren door de onderwijsinspectie is aangesproken omdat zij onvoldoende zorg droegen voor de sociale veiligheid van lhbtiq+-leerlingen? Welke consequenties werden daaraan verbonden?
De inspectie houdt toezicht op de naleving van de zorgplicht voor sociale veiligheid van alle leerlingen op een school op basis van de wettelijke vereisten. Onderdeel daarvan is dat de inspectie erop let of leerlingen uit minderheidsgroepen, zoals lhbtiq+ leerlingen, zich veilig voelen. Wanneer een school niet voldoet aan haar wettelijke zorgplicht, volgt een herstelopdracht en kan bij uitblijven van herstel een financiële sanctie volgen. Als de inspectie een herstelopdracht geeft op de standaard veiligheid, is dat voor de sociale veiligheid als geheel, bijvoorbeeld doordat er geen aanspreekpunt pesten of antipest-coördinator aanwezig is op school. Hierbij wordt niet geregistreerd in hoeverre de veiligheid van een specifieke groep de aanleiding is voor de herstelopdracht.
Op basis van steekproeven van de inspectie kreeg 8% van de scholen in het primair onderwijs een herstelopdracht voor de standaard veiligheid. In het speciaal onderwijs gold dat voor 16% van de scholen en in het voortgezet onderwijs betrof dat 28% van de scholen.
Hebben schoolleiders op dit moment volgens u voldoende mogelijkheden om direct en zo nodig disciplinair op te treden tegen het discrimineren van dan wel het gebruik van geweld tegen leerlingen? Zo nee, wat hebben zij nodig?
Discriminatie op grond van seksuele gerichtheid is verboden en strafbaar. Scholen en schoolleiders hebben de mogelijkheid om op te treden. Dat begint uiteraard met goed veiligheidsbeleid, het uitvoeren van de burgerschapsopdracht en een positief pedagogisch klimaat op school. Als het nodig is, kunnen scholen ook repressieve maatregelen treffen. Bijvoorbeeld schorsing, verwijdering en aangifte. Verder ondersteunt Stichting School & Veiligheid scholen bij het werken aan een veilige school. Ook de VO-raad en PO-Raad ontvangen subsidie om samen met scholen en ouders te werken aan een positieve pedagogische schoolcultuur.
Welke concrete maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat schoolbesturen signalen van onveiligheid voortaan direct onderzoeken en daar daadwerkelijk consequenties aan verbinden? Hoe ondersteunt u scholen daarin?
Scholen hebben een zorgplicht voor de veiligheid. Dat houdt ook in dat scholen optreden bij onveiligheid. De inspectie houdt toezicht op de naleving van wettelijke plichten en kan indien nodig handhavend optreden door middel van het opleggen van een herstelopdracht. Stichting School & Veiligheid ondersteunt scholen bij het werken aan een veilig schoolklimaat. Daarnaast ondersteunt het kabinet scholen bij het versterken van de sociale veiligheid door te investeren in praktische ondersteuning. Via COC Nederland wordt onder meer de Paarse Vrijdag-aanpak verder ontwikkeld, inclusief ondersteuningsmateriaal voor scholen, trainingen en handvatten voor schoolleiders en leraren.
Welke onderdelen van het inmiddels verworpen wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs acht u nog steeds noodzakelijk om deze problematiek aan te pakken en wanneer komt het kabinet met een nieuw voorstel om de ontstane lacunes te dichten?
Voor mij staat voorop dat alle leerlingen zich veilig moeten voelen op school. Om die reden beraad ik mij momenteel over een vervolg. Zodra daar meer duidelijk over is, informeer ik de Tweede Kamer hierover. De maatregelen die onderdeel waren van dit wetsvoorstel kunnen niet zonder meer opnieuw ingezet worden in beleid of wetgeving. Zaken als een evaluatie van het veiligheidsbeleid of het hebben van een vertrouwenspersoon zijn helaas nog niet gebruikelijk op alle scholen.
Hoe worden jongeren die zich in hun thuissituatie onveilig voelen vanwege hun geaardheid of genderidentiteit ondersteund en hoe wordt hierin samengewerkt met gemeenten, de jeugdzorg en maatschappelijke organisaties?
Leerlingen die zich onveilig voelen kunnen in het onderwijs terecht bij leraren, mentoren, vertrouwenspersonen of zorgcoördinatoren. Jongeren die een luisterend oor nodig hebben, kunnen contact opnemen met de Kindertelefoon, Switchboard en Genderpraatjes. Op www.injebol.nl kunnen jongeren terecht voor betrouwbare informatie over mentale gezondheid, laagdrempelige ondersteuning en doorverwijzingen naar meer specifieke vormen van ondersteuning. Op dit platform is ook informatie te vinden over seksualiteit en seksuele gerichtheid.
Deze jongeren kunnen ook terecht bij het lokale wijkteam of Veilig Thuis voor advies en ondersteuning. Gemeenten zijn op grond van de Jeugdwet verantwoordelijk voor het organiseren van passende jeugdhulp en de samenwerking met onder meer onderwijs en sociaal domein. Maatschappelijke organisaties, zoals COC Nederland, bieden laagdrempelige ondersteuning, informatie en contact met lotgenoten.
Het kabinet werkt ook aan preventie van onveiligheid bij lhbtiq+ personen en specifiek jongeren. Zo financiert het kabinet het programma Regenboogsteden die op lokaal niveau werken aan het verbeteren van de sociale acceptatie en sociale veiligheid van lhbtiq+ personen. Op school kunnen jongeren zich ook aansluiten bij Gender & Sexuality Alliances (GSA’s), een initiatief van COC Nederland. Dit zijn groepen die leerlingen zelf vormen om steun en herkenning te vinden bij elkaar.
Welke indicatoren en meetinstrumenten worden gebruikt om te bepalen of beleidsmaatregelen daadwerkelijk leiden tot een veiliger klimaat voor lhbtiq+-jongeren op scholen en in de samenleving?
In opdracht van het Ministerie van Justitie en Veiligheid publiceert het Centraal Bureau voor de Statistiek de tweejaarlijkse Veiligheidsmonitor. Deze monitor bevat cijfers over de ervaren leefbaarheid en veiligheidsbeleving in de woonbuurt, waaronder die van lhbtiq+ personen.8 Daarnaast geeft de tweejaarlijkse Lhbtiqa+-monitor inzicht in onder andere de veiligheid, discriminatie en gezondheid van lhbtiq+ personen in Nederland.9 Deze monitor wordt uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
Uw Kamer ontvangt de eerstvolgende monitor in Q4 van dit jaar.
Ik werk momenteel aan het Wetsvoorstel borging gegevensverwerkingen funderend onderwijs. Dit wetsvoorstel ligt momenteel in uw Kamer. Dit wetsvoorstel bevat een wettelijke taak en grondslag om tweejaarlijks de veiligheid van leerlingen en personeel in het funderend onderwijs te monitoren middels de LVM. Het wetsvoorstel en de onderliggende regeling regelen dat de LVM inzicht geeft in de veiligheid van lhbtiq+ leerlingen. Daarmee komt er actueel zicht op de trends en trendontwikkelingen in de veiligheid van lhbtiq+ leerlingen. Dit kan betrokken worden bij de beoordeling en evaluatie van het landelijke beleid.
Een van de beleidsmaatregelen ter bevordering van de veiligheid van lhbtiq+ leerlingen op school is het hebben van een GSA. Het Nederlands Jeugd Instituut heeft GSA’s erkend als goed onderbouwde interventie. Daarnaast laat veel onderzoek positieve effecten van GSA’s zien op de veiligheid en het welbevinden van lhbtiq+ jongeren. Ook weten we dat het bespreekbaar maken van diversiteit zorgt voor een veiliger schoolklimaat. Ik wil hier graag nader onderzoek naar laten doen binnen de Versterkte aanpak lhbtiq+ veiligheid.
Bent u bereid om de veiligheidsbeleving van jonge lhbtiq+'ers (zowel op school als in de thuissituatie) jaarlijks expliciet op te nemen als vast meetpunt in bijvoorbeeld voortgangsbrieven?
Met de LVM zoals beschreven in het antwoord op vraag 12 wordt tweejaarlijks inzicht gegeven in de veiligheidsbeleving van lhbtiq+’ers op school. Deze rapportage wordt ook met de Kamer gedeeld. Ook de tweejaarlijkse Veiligheidsmonitor en Lhbtiqa+-monitor worden met uw Kamer gedeeld.
Overdracht school in Altforst |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Het besluit om basisschool De Tweestroom in Altforst te sluiten wordt één jaar geschorst» en de aanvulling op het arrest door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Kent u een precedent waarin de rechter op zo korte termijn voor aanvang van het schooljaar het voortbestaan van een school heeft afgedwongen? Bent u bereid om in deze uitzonderlijke situatie actief inhoudelijke ondersteuning te geven aan de school ten einde recht te doen aan het arrest van het gerechtshof in het belang van goed onderwijs?
Bij mij is één ander recent voorbeeld bekend van een civielrechtelijke uitspraak naar aanleiding van een vrijwillige opheffing van een school waarin de rechter een besluit heeft geschorst. De schorsing was bedoeld om een uitspraak van de Landelijke Commissie voor Geschillen Wet medezeggenschap op scholen (WMS) af te kunnen wachten.2 In die zaak heeft de Landelijke Commissie voor Geschillen WMS geoordeeld dat het schoolbestuur het besluit mocht nemen om de school in kwestie te sluiten.3
Het komt daarnaast vaker voor dat een schoolbestuur pas kort van tevoren zeker weet dat een school niet datzelfde jaar nog zal worden gesloten, bijvoorbeeld wanneer een instandhoudingsverzoek wordt ingewilligd. Ook komt het voor dat schoolbesturen uit eigen beweging een voorgenomen besluit tot sluiting weer intrekken. Het is in zo’n geval aan het schoolbestuur om het belang van goed onderwijs te (blijven) waarborgen.
Op 10 augustus heb ik een brief ontvangen van de advocaat van de medezeggenschapsraad van De Tweestroom en een ouder van een leerling van De Tweestroom. Naar aanleiding daarvan hebben een van de regio-adviseurs en de inspectie contact opgenomen met het schoolbestuur en is een gesprek gevoerd. Hieruit zijn geen signalen naar voren gekomen die erop wijzen dat de goede voortgang van het onderwijs onder druk zou staan. De regio-adviseur en de inspectie zullen de situatie in de gaten blijven houden en hierover, indien nodig, in gesprek gaan met het schoolbestuur.
Welke les trekt u uit het feit dat het gerechtshof bij de schorsing van het besluit tot sluiting van de laatste basisschool in het dorpje Altforst zwaar gewicht heeft toegekend aan de zorgplicht van het bevoegd gezag jegens de ouders en hoge prioriteit heeft gegeven aan de belangen van kinderen?
Bij wet geldt dat schoolbesturen een zorgplicht hebben richting leerlingen en hun ouders of verzorgers. Ik trek hier de les uit dat de wettelijke zorgplicht zijn doel dient als middel om besluiten van schoolbesturen te laten toetsen en daarmee de rechtszekerheid van betrokkenen te waarborgen. In geval van een schoolsluiting, betekent dat bijvoorbeeld dat leerlingen hun onderwijs zonder onderbreking moeten kunnen voortzetten en dat de overgang naar een nieuwe school dus goed wordt begeleid.
Deze civielrechtelijke zaak laat concreet zien dat de rechter bij sluitingsbesluiten streng aan deze zorgplicht toetst. Blijft een schoolbestuur daarin in gebreke, dan heeft dat reële gevolgen voor wat het wel en niet kan doen. Mocht het bestuur – wat het in principe vrij staat – opnieuw een sluitingsbesluit willen nemen, dan is het cruciaal dat het aantoont wél aan de zorgplicht te hebben voldaan, zodat de belangen van leerlingen en ouders of verzorgers zijn geborgd. Dit kan achteraf door de rechter worden getoetst.4 Dit laat zien dat het stelsel, waarin bewust een wettelijke zorgplicht is opgenomen dat door de rechter kan worden getoetst, werkt.
Schept de norm van Artikel 3 van het Kinderrechtenverdrag ook een zekere verantwoordelijkheid voor u om waar mogelijk ondersteuning te leveren aan de gemeenschap van ouders rond de school in Altforst, ten einde een goede uitvoering van het arrest in het belang van ouders en kinderen te bevorderen? Welke rol kan de onderwijsinspectie spelen om te waarborgen dat het bevoegd gezag tijdig maatregelen treft voor de goede voortgang van het onderwijs in het komende schooljaar?
Uit artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind volgt, zoals het hof aangeeft, dat de belangen van een kind een hoge prioriteit hebben bij het nemen van maatregelen waar kinderen bij zijn betrokken. De zorgplicht die onder meer voortvloeit uit de Wet op het primair onderwijs is een voorbeeld van de nationale uitwerking van de bepalingen uit het Verdrag inzake de rechten van het kind. Het hof heeft in deze casus de belangen afgewogen en geoordeeld dat de belangen van de kinderen die nu en in de nabije toekomst worden geraakt zwaarder wegen dan de belangen van het schoolbestuur om de school per 1 augustus 2026 te sluiten.5
De inspectie heeft in april 2026 een bestuursbezoek uitgevoerd bij het schoolbestuur en daarbij onder andere aandacht besteed aan de bestuurlijke kwaliteitszorg. Uit het rapport (dat te raadplegen is op de website van de inspectie) blijkt dat de inspectie geen reden ziet om over te gaan tot nader onderzoek.
Naar aanleiding van de onder antwoord 2 genoemde brief van de advocaat heeft de inspectie contact opgenomen met het schoolbestuur. Op basis van de door de inspectie verzamelde informatie concludeert zij dat alle inspanningen van het schoolbestuur er, in lijn met de rechterlijke uitspraken, op gericht zijn om vanaf de eerste schooldag van schooljaar 2026–2027 onderwijs te verzorgen aan De Tweestroom. De inspectie ziet geen aanleiding voor aanvullend onderzoek en/of verscherpt toezicht. Wel neemt de inspectie deze informatie mee in het reguliere toezicht op de school en het schoolbestuur.
Zoals eerder in de beantwoording aangegeven, houden de regio-adviseur en de inspectie de situatie in de gaten en gaan zij hierover, indien nodig, in gesprek met het schoolbestuur. Zo wordt waar nodig ondersteuning geboden aan het schoolbestuur, zodat de goede voortgang van het onderwijs niet onder druk komt te staan. Het is uiteindelijk de verantwoordelijkheid van het schoolbestuur om de goede voortgang van het onderwijs te waarborgen en daarvoor tijdig maatregelen te treffen. Mocht blijken dat de goede voortgang van het onderwijs alsnog onder druk komt te staan, dan is het aan de inspectie om via de gebruikelijke route hier toezicht op te houden.
Wat vindt u ervan dat het door het handelen van het bevoegd gezag van de school zo lang heeft geduurd voordat recht werd gedaan aan de wens van de lokale gemeenschap en vrijwel alle ouders van de school? Vindt u ook dat de belangen van de lokale gemeenschap en de schoolgemeenschap in het vervolg zwaar moeten wegen nu het voortbestaan van de school door het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ten minste gedurende het aankomende schooljaar is verzekerd? Bent u ook van mening dat het belang van de kinderen bij goed onderwijs het meest gediend is met een bevoegd gezag dat voluit wil gaan voor de kwaliteit van het onderwijs op deze kleine school? Onderkent u dat het huidige bevoegd gezag daarvoor geen geschikte partij meer lijkt nu het enerzijds duidelijk heeft laten merken kleine scholen onder of zelfs boven de vijftig leerlingen niet wenselijk te vinden en anderzijds tot op heden geen zichtbare, voortvarende actie onderneemt om uitvoering te geven aan het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden?2
Voor het sluiten van een school kan een schoolbestuur goede redenen hebben, zoals het niet meer kunnen waarborgen van goed onderwijs, financiële problemen of personeelstekorten. Of die keuze wordt gemaakt is gelet op de vrijheid van stichting in eerste instantie aan het schoolbestuur. Zoals in de beantwoording van vraag 3 is te lezen, staat het besturen vrij om besluiten te nemen. Ze moeten begrijpelijkerwijs dan wel aan alle wettelijke voorwaarden, waaronder de zorgplicht, voldoen.
Zoals in de beantwoording van de vragen 2 en 4 is te lezen zijn geen signalen naar voren gekomen die erop wijzen dat de goede voortgang van het onderwijs onder druk zou staan. Ik vind het mede om die reden niet gepast om te oordelen over het handelen en de positie van het schoolbestuur. Het besluit van het schoolbestuur is door de rechter getoetst, waarbij is geoordeeld dat niet voldoende aan de zorgplicht is voldaan. In deze civielrechtelijke procedure is het uiteindelijk aan de rechter om, via de invulling van de wettelijke zorgplicht, te oordelen of het schoolbestuur juist heeft gehandeld en of daarbij de belangen van de leerlingen en hun ouders of verzorgers voldoende zijn meegewogen.
Bent u bereid om, gezien de korte termijn tot de start van het nieuwe schooljaar en het belang van goed onderwijs, te bemiddelen tussen het huidige bevoegd gezag en een nieuwe rechtspersoon om een goede en snelle overdracht van de school te bevorderen? Bent u bovendien bereid over deze situatie contact te zoeken met de gemeente West Maas en Waal?
De keuze om een school wel of niet over te dragen is uiteindelijk aan het schoolbestuur. Zoals gemeld in antwoord 2, kan het schoolbestuur zich laten adviseren door een van de regio-adviseurs. Mocht daarbij blijken dat contact met de gemeente West Maas en Waal wenselijk is, dan zal dat contact uiteraard tot stand gebracht worden.
Om een beeld te krijgen waar ouders in de praktijk tegenaan kunnen lopen wanneer zij een school willen overnemen, hebben ambtenaren van het ministerie in april van dit jaar een algemeen gesprek gehad met bestuursleden en adviseurs van Stichting PO De Sprong. Het gesprek neem ik mee in de ontwikkeling van een handreiking om lokale initiatieven die een school willen oprichten of behouden te ondersteunen.
‘Eerste islamitische basisschool in Groningen bereidt zich voor op opening: geen Sinterklaas, wel Suikerfeest’ |
|
Annette Raijer (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Judith Tielen (VVD), Letschert |
|
|
|
|
Wanneer wordt u eindelijk wakker en erkent u dat de opening van een islamitische basisschool in Groningen, waar de Koran en de Soenna uitdrukkelijk als grondslag en leidraad gelden, opnieuw bijdraagt aan de islamisering van het Nederlands onderwijs, gefinancierd met Nederlands belastinggeld?1
Op de website laat Stichting NOOR, het schoolbestuur van de nieuwe islamitische basisschool in Groningen, weten dat de Koran en Soenna de pilaren vormen van het doen en laten. Dit mag, zolang het schoolbestuur zich tegelijkertijd houdt aan alle relevante wettelijke eisen, bijvoorbeeld ten aanzien van het burgerschapsonderwijs. Dat betekent onder andere dat een school onder leerlingen kennis en respect bevordert van en voor de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en verschillen, bijvoorbeeld in godsdienst en levensovertuiging.
Wat vindt u ervan dat deze islamitische basisschool in Groningen openlijk verklaart dat de Koran en de Soenna richtinggevend zijn voor het onderwijs en bent u het ermee eens dat dit een pure haatideologie is, vol met geweld, vrouwenhaat en jodenhaat en een regelrechte oorlogsverklaring aan onze Nederlandse vrijheid en identiteit?
Nee, dat ben ik niet met uw leden eens. Zie verder mijn antwoord op vraag 1.
Kunt u garanderen dat leerlingen daar niet worden geconfronteerd met opvattingen over vrouwen, Joden, homoseksuelen, geloofsafvalligen en ongelovigen die haaks staan op de Nederlandse vrijheden en de democratische rechtsstaat? Zo nee, waarom niet?
In Nederland hebben we de wettelijke burgerschapsopdracht, die onder andere van scholen vraagt dat hun onderwijs in lijn is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat: vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit. Scholen mogen geen opvattingen uitdragen die haaks staan op onze democratische rechtsstaat. De Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) ziet erop toe dat scholen en besturen de wet naleven.
Deelt u de mening dat het krankzinnig is dat we met Nederlands belastinggeld een school financieren, waarin de barbaarse Koran en de leer van Mohammed de basis vormen, terwijl diezelfde teksten oproepen tot onderwerping, jihad en de vernietiging van onze Westerse beschaving? Zo nee, waarom niet?
Ik verwacht van islamitische basisscholen, zoals van alle scholen, dat ze leerlingen onderwijzen in lijn met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. Doen ze dit niet, dan handelen ze in strijd met de wettelijke burgerschapsopdracht. De inspectie ziet erop toe dat scholen en besturen de wet naleven. Bij iedere nieuwe school voert de inspectie al in het eerste jaar na de start van de school een volledig kwaliteitsonderzoek uit.
Waarom staat u toe dat de Koran en de Soenna als leidraad dienen op een basisschool bekostigd door de overheid en hoe voorkomt u dat kinderen worden geïndoctrineerd met de barbaarse totalitaire, middeleeuwse ideologie die haaks staat op alles waar Nederland voor staat?
Zie mijn antwoorden op vraag 3 en 4.
Wat vindt u ervan dat deze school geen Sinterklaas en Kerstmis viert, maar wel het Suikerfeest en hoe duidelijk moet het nog voor u worden voordat u erkent dat hier geen sprake is van integratie, maar het creëren en versterken van een islamitische parallelle samenleving?
Welke feestdagen op school worden gevierd, mogen scholen zelf bepalen. Voor alle scholen geldt de wettelijke burgerschapsopdracht, die van scholen vraagt dat ze leerlingen kennis en respect bijbrengen van en voor verschillen, onder meer in godsdienst en levensovertuiging. Leerlingen moeten in contact worden gebracht met gebruiken en perspectieven van buiten de eigen traditie om te voorkomen dat parallelle samenlevingen ontstaan. De inspectie ziet erop toe dat scholen en besturen de wettelijke burgerschapsopdracht naleven.
Bent u bereid alles in het werk te stellen om te voorkomen dat deze school aan het nieuwe schooljaar begint? Zo nee, waarom niet?
Nee, hiertoe ben ik niet bereid. Uit artikel 23 van de Grondwet volgt, onder meer, de vrijheid om scholen te stichten, ook met een eigen religieuze of levensbeschouwelijke grondslag. Deze vrijheid komt aan iedereen toe,
Elke bekostigingsaanvraag voor een nieuwe publiek bekostigde school wordt getoetst aan een set uniforme bekostigingscriteria, waaronder ook een kwaliteitstoets door de inspectie op de deugdelijkheidseisen. Daaronder valt bijvoorbeeld de eis dat school moet kunnen voldoen aan de wettelijke burgerschapsopdracht. Bij iedere nieuwe school voert de inspectie al in het eerste jaar na de start van de school een volledig kwaliteitsonderzoek uit. Daarin controleert de inspectie of de school, behalve op papier, ook in de praktijk aan alle wettelijke eisen voldoet.
Een gefilterd boekenpakket voor schoolbibliotheken |
|
Ilana Rooderkerk (D66) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het opiniestuk «Lezen is verplaatsingskunde, en dat verdwijnt nu langzaam van school» van Janneke Schotveld en met het bericht van NBD Biblion over een apart boekenpakket voor protestants-christelijke scholen?1 2
Ja.
Klopt het dat scholen vanaf komend schooljaar via een standing order een collectie kunnen afnemen waaruit boeken met onder meer magie, mythische wezens en de evolutietheorie zijn gefilterd?
Op 18 juni maakte NBD Biblion bekend christelijke scholen vanaf de zomer van 2026 een speciaal boekenpakket aan te bieden, zonder elementen als magie, horror of mythische wezens of thema’s zoals de evolutietheorie. Naar aanleiding van maatschappelijke discussie heeft de organisatie op 26 juli jl. een bericht gepubliceerd met de mededeling dat het aanbieden van het boekenpakket voorlopig gepauzeerd is en dat NBD Biblion het gesprek over het pakket wil aangaan met haar partners.3
Hoe beoordeelt u dat deze titels als «niet-passend» worden aangemerkt en aanvankelijk met een rood kruis werden gemarkeerd?
Uit de onderwijsvrijheid vloeit voort dat scholen inrichtingsvrijheid hebben. De school kiest voor de leermethode en leermiddelen. In zoverre hebben zij de ruimte om de eigen collectie van de schoolbibliotheken te bepalen. De vrijheid van richting kan met zich meebrengen dat bijzondere scholen daarbij keuzes baseren op de eigen religieuze of levensbeschouwelijke visie. Tegenover die vrijheid staat dat scholen de wettelijke plicht hebben om aan de landelijke kerndoelen te voldoen. Hieronder valt ook een breed en rijk aanbod van kinder- en jeugdliteratuur (kerndoel 1A) en de evolutietheorie (kerndoel 32B). Ook zijn scholen gehouden aan de wettelijke burgerschapsopdracht, die onder meer van scholen vraagt dat ze leerlingen kennis bijbrengen over verschillen in bijvoorbeeld godsdienst, levensovertuiging of seksuele gerichtheid. Scholen moeten deze thema's dus verplicht behandelen, ongeacht welke boeken er in de schoolbibliotheek staan.
Welke rol speelt NBD Biblion binnen het programma de Bibliotheek op school en welke publieke middelen zijn hiermee gemoeid?
NBD Biblion heeft geen formele rol binnen het programma de Bibliotheek op school. NBD Biblion fungeert als dienstverlener, voor bibliotheken en scholen, die centraal boeken inkoopt, uitleenklaar maakt en van metadata voorziet. NBD Biblion ontvangt hiervoor geen directe overheidssubsidies. Voor het programma de Bibliotheek op school subsidieert het Ministerie van OCW de stichting Lezen. Scholen en bibliotheken betalen NBD Biblion uit hun eigen budgetten.
Vindt u het wenselijk dat een organisatie met een publieke functie in het bibliotheekstelsel meewerkt aan het vooraf wegfilteren van boeken op ideologische gronden?
NBD Biblion heeft geen formele publieke functie. De stichting is opgericht door bibliotheken, boekverkopers en uitgevers om bibliotheken te ondersteunen.
De Koninklijke Bibliotheek (KB), de Samenwerkende provinciale ondersteuningsinstellingen Nederland (SPN) en de Vereniging Openbare Bibliotheken (VOB) hebben recent het Gezamenlijke Collectieplan 2026–2030 gepubliceerd. Het vaststellen van dit plan is een wettelijke taak van de KB. In dit plan staat: «Als bibliotheken erkennen we het recht van ieder individu of groep om bibliotheekmateriaal voor persoonlijk gebruik te weigeren, maar kennen we geen enkel individu of groep het recht toe om de vrijheid van anderen om van datzelfde materiaal gebruik te maken te beperken.» Daarnaast zijn er handreikingen van onder meer Stichting Lezen voor de Bibliotheek op school en provinciale ondersteuningsinstelling Pro Biblio over de vorming van en het gesprek over collecties. Daarmee stimuleren de bibliotheken juist een rijk en divers leesaanbod.
Hoe verhoudt dit pakket zich tot de doelen van het Masterplan basisvaardigheden, waarin een rijke, gevarieerde schoolbibliotheek centraal staat?
In het Masterplan basisvaardigheden staat het structureel verbeteren van de onderwijsprestaties van leerlingen op het gebied van taal, rekenen, burgerschap en digitale geletterdheid centraal. Om dit doel te bereiken ontvangen scholen extra financiële middelen, krijgen zij ondersteuning van onderwijscoördinatoren in begeleide leernetwerken en worden zij gestimuleerd om evidence informed te werken. Een schoolbibliotheek past binnen de aanpak van het Masterplan basisvaardigheden, maar behoort niet tot de centrale doelstelling. De collectie van een schoolbibliotheek moet volgens het programma de Bibliotheek op school actueel en gevarieerd zijn; het aanbod komt in samenwerking tussen scholen en bibliotheken tot stand.
Deelt u de opvatting dat lezen kinderen juist in aanraking moet brengen met perspectieven die zij van huis uit niet meekrijgen?
Ja, dit hangt samen met de kerndoelen en de burgerschapsopdracht. In kerndoel 1A van de kerndoelen Nederlands staat: «De school zorgt voor een rijke taal- en leesomgeving». Het gaat hierbij om het «aanbieden van een veelzijdig en actueel aanbod van jeugdliteratuur, binnen een vaste leesroutine». Kerndoel 32B van de kerndoelen voor het voortgezet onderwijs Mens en Natuur luidt: «de leerling toont inzicht in het voortbestaan van leven op aarde», het gaat hierbij om het «verklaren van het ontstaan van biodiversiteit door evolutie: mutaties, natuurlijke selectie en soortvorming». De wettelijke burgerschapsopdracht schrijft voor dat scholen zich herkenbaar richten op het bijbrengen van kennis over en respect voor verschillen in godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, afkomst, geslacht, handicap of seksuele gerichtheid en de waarde dat gelijke gevallen gelijk behandeld worden.4
Hoe weegt u het belang van het kind op brede ontwikkeling en informatievrijheid, zoals vastgelegd in het Kinderrechtenverdrag, tegenover de wens van schoolbesturen om aanbod te filteren?
Het Kinderrechtenverdrag en de wens van schoolbesturen voor een aangepast boekenaanbod hoeven elkaar niet uit te sluiten, zolang de school zich aan het wettelijk curriculum houdt. De kerndoelen en examenprogramma’s garanderen dat leerlingen een brede ontwikkeling krijgen. Daarbij betekent een gefilterd boekenaanbod in de schoolbibliotheek niet dat leerlingen verder geen toegang hebben tot informatie via bijvoorbeeld openbare bibliotheken, de boekhandel of internet.
Hoe verhoudt het wegfilteren van de evolutietheorie uit het boekenaanbod zich tot de wettelijke kerndoelen voor het primair onderwijs, waarin natuur en techniek inclusief evolutie zijn opgenomen, en tot de burgerschapsopdracht die scholen verplicht leerlingen kennis te laten maken met verschillende achtergronden en opvattingen?
Alle scholen moeten de kerndoelen volgen en zich aan de wettelijke burgerschapsopdracht houden. Als scholen hun leerlingen niet via literatuur in aanraking brengen met de evolutietheorie of met verschillende opvattingen, bijvoorbeeld ten aanzien van seksuele gerichtheid, dan moeten deze onderwerpen op een andere manier aan de orde komen in het lesprogramma. Zie ook het antwoord op vraag 7.
Welke gevolgen verwacht u voor de leesmotivatie en woordenschat van leerlingen op scholen die dit pakket afnemen?
Deze scholen dienen zich te houden aan de kerndoelen en burgerschapsopdracht en zullen op een andere manier in de les aandacht besteden aan wetenschappelijke theorieën en verschillende seksuele gerichtheden. Het is mijn verwachting dat de leerlingen zich vergelijkbaar zullen ontwikkelen als op openbare scholen.
Bent u bereid met NBD Biblion in gesprek te gaan over de wenselijkheid van dit pakket en de Kamer over de uitkomst te informeren?
Zoals gezegd is NBD Biblion geen publieke organisatie. Daarom is er voor mij geen aanleiding om het gesprek hierover met de stichting aan te gaan. NBD Biblion moet dit gesprek met haar partners voeren en heeft aangekondigd dit ook te zullen doen (zie het antwoord op vraag 2).
Kunt u in kaart brengen hoeveel scholen zich hebben aangemeld en of vergelijkbare gefilterde pakketten voor andere denominaties in voorbereiding zijn?
Nee, dat breng ik niet in kaart. NBD Biblion heeft geen formele publieke functie. Bij een eventuele aanschaf van een speciaal boekenpakket voor christelijke scholen gaat het om een privaatrechtelijke overeenkomst tussen NBD Biblion en scholen of bibliotheken.
Welke instrumenten heeft u om te waarborgen dat elke leerling, ongeacht de school, toegang houdt tot een breed en pluriform boekenaanbod?
Zie het antwoord op vraag 3 en 5.
Het bericht "Onbevoegde docenten en een extreem laag slagingspercentage: nieuw inspectierapport brengt Haga Lyceum verder in de problemen" |
|
Ilana Rooderkerk (D66) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Na ongeveer 25 inspectierapporten, vastgesteld wanbeheer, geen verbetering van de onderwijskwaliteit en drie schooljaren op rij waarin hooguit 37 procent van de mavoleerlingen slaagt: waarom is deze school nog open?1
Het uitgangspunt van het Nederlandse onderwijsstelsel is dat scholen die voldoen aan de eisen die wetgeving aan onderwijsinstellingen en hun besturen stelt, ruimte en bekostiging krijgen om onderwijs te verzorgen.
De Inspectie van het Onderwijs (hierna: de inspectie) ziet toe op de naleving van deze wettelijke eisen. Wanneer de inspectie tekortkomingen constateert, beschikt zij over interventiemogelijkheden die gericht zijn op duurzaam herstel van de onderwijskwaliteit. Als dit instrumentarium in een specifieke toezichtscasus niet toereikend blijkt, kan die casus onder regie van het ministerie geplaatst worden. De inspectie heeft bovenstaande casus vanwege de ernst van de bevindingen uit het rapport naar het bestuurlijk handelen van 18 juni 2026 opgeschaald naar fase E van de escalatieladder, de hoogste fase met regie bij het ministerie.
Het ministerie beschikt over aanvullende interventiemogelijkheden, die verder gaan dan enkel bewerkstelliging van herstel van de onderwijskwaliteit. Op grond van Artikel 2.95 WVO 2020 kan de Minister besluiten een schoolsoort of leerweg op te heffen (bij openbare scholen) of de bekostiging daarvan te beëindigen (bij bijzondere scholen). Dit is een uiterste maatregel, die enkel ingezet kan worden als aan strikte wettelijke voorwaarden wordt voldaan: de inspectie moet een herhaald eindoordeel Zeer zwak hebben vastgesteld, gebaseerd op onvoldoende leerresultaten; de inspectie moet geconstateerd hebben dat het bevoegd gezag niet bereid is afspraken te maken over verbeteringen dan wel onvoldoende verbeteringen heeft doorgevoerd; en het bevoegd gezag moet de mogelijkheid hebben gehad om hierop zijn zienswijze in te dienen. Aan deze wettelijke voorwaarden is in deze casus niet voldaan. Op dit moment zijn de in dit antwoord beschreven mogelijkheden wettelijk niet aan de orde.
De inspectie zal dit najaar een herstelonderzoek uitvoeren naar de onderwijskwaliteit op alle drie de afdelingen van het Cornelius Haga Lyceum. De uitkomst van dat herstelonderzoek wacht ik af.
Naar aanleiding van het inspectierapport naar het bestuurlijk handelen bereid ik op dit moment vervolgstappen voor. Daarbij staat voorop dat de leerlingen van het Cornelius Haga Lyceum zo snel mogelijk weer kunnen rekenen op onderwijs van goede kwaliteit. De inspectie en het ministerie houden de ontwikkelingen op basis van genoemd inspectierapport en de opvolging van de eerder opgelegde herstelopdrachten nauwlettend in de gaten. Zodra ik een definitief besluit heb genomen over de vervolgstappen informeer ik uw Kamer.
De uitzending van Argos "Kleuter zonder klas" |
|
Sarath Hamstra (CDA), Etkin Armut (CDA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van Argos «Kleuter zonder klas»?1 Zo ja, hoe beoordeelt u de daarin geschetste problematiek?
Ja, ik herken de daarin geschetste problematiek en laat hier daarom extra
onderzoek naar doen.
Klopt het dat het aantal kinderen dat aangewezen is op het speciaal onderwijs en dat thuiszit, de afgelopen jaren is toegenomen? Zo ja, welke oorzaken liggen hieraan ten grondslag?
Het aantal kinderen dat aangewezen is op het (voortgezet) speciaal onderwijs2 en (langdurig) niet naar school gaat3 is de afgelopen jaren toegenomen. In schooljaar 2017–2018 waren er 414 leerlingen met absoluut verzuim waarbij het laatst genoten onderwijs het (voortgezet) speciaal onderwijs was, in schooljaar 2024–2025 waren dit 790 leerlingen. Daarnaast waren in schooljaar 2017–2018 244 leerlingen langdurig ongeoorloofd afwezig en is dit aantal in schooljaar 2024–2025 gestegen naar 417 leerlingen. De stijging van het aantal kinderen die langdurig geen onderwijs volgen kent vaak complexe en uiteenlopende oorzaken. In de praktijk spelen vaak meerdere oorzaken een rol en is er sprake van een wisselwerking tussen factoren en multiproblematiek. In onderzoek worden de volgende factoren genoemd: i. individuele (kindgebonden) factoren, zoals faalangst of chronische vermoeidheid, ii. factoren in de directe omgeving van het kind, zoals een conflictueuze echtscheiding of financiële problemen, iii. factoren in het schoolsysteem, zoals pesten, uitsluiting en een onveilig schoolklimaat of iv. externe factoren, zoals nieuwkomers of administratieve ruis4.
Kunt u voor de jaren 2024 en 2025 aangeven hoeveel kinderen onderwijs volgden in het speciaal onderwijs en hoeveel kinderen gedurende die jaren thuiszaten?
Aantal ingeschreven leerlingen
2024
2025
SO
30.228
30.517
VSO
38.553
38.728
(V)SO
17–18
18–19
19–20
20–21
21–22
22–23
23–24
24–25
Aantal absoluut verzuim1
414
524
574
552
454
673
690
790
Aantal langdurig relatief verzuim2
244
503
253
293
272
311
375
417
Van absoluut verzuim is sprake als kinderen en jongeren die leer- of kwalificatieplichtig zijn geen schoolinschrijving hebben.
Van langdurig relatief verzuim is sprake als ingeschreven leerlingen meer dan vier weken ongeoorloofd afwezig zijn.
Hoeveel kleuters staan momenteel op een wachtlijst voor plaatsing in het speciaal onderwijs?
We hebben geen cijfers van het aantal kleuters dat op een wachtlijst staat om (direct) geplaatst te worden in het speciaal onderwijs (so).
Klopt het dat een toenemend aantal kleuters niet start in het regulier basisonderwijs, omdat zij worden geweigerd of direct worden doorverwezen naar het speciaal onderwijs?
Hier zijn geen duidelijke cijfers van. Eind 2026 wordt u geïnformeerd over de onderzoeksresultaten van het onderzoek dat nu wordt gedaan naar de directe instroom van kleuters in het speciaal onderwijs. Verder vind ik het belangrijk om te noemen dat het bij voorbaat weigeren van kleuters in het regulier onderwijs ongewenst is.
Is het basisscholen toegestaan om uitsluitingsgronden te hanteren voordat zij hebben onderzocht of een passende onderwijsplek kan worden geboden? Zo nee, welke mogelijkheden hebben ouders wanneer hiervan toch sprake is?
Een basisschool kan een kind weigeren wanneer de school vol is, de ouders aangeven niet achter de godsdienst of levensbeschouwing van de school staan, het kind nog niet zindelijk is of als er in de gemeente afspraken zijn over de verdeling van kinderen over scholen. Een basisschool mag een kind niet weigeren wanneer het kind extra ondersteuning of hulp nodig heeft. Als de school de ondersteuning zelf niet kan bieden moet de school het kind een zo passend mogelijke plek op een andere school aanbieden. Wanneer ouders het niet eens zijn met de beslissing van een school om een kind te weigeren kunnen zij binnen 6 weken nadat de school schriftelijk heeft laten weten dat er geen plek is voor het kind via brief of e-mail bezwaar maken. De school moet dan binnen vier weken op het bezwaar reageren. Als school en ouders het oneens blijven kunnen zij naar de rechter5.
Is bekend hoe groot de groep kinderen is die zich aanmeldt bij een basisschool, maar al vóór aanvang van het onderzoek naar een passende plaatsing wordt afgewezen?
Nee, het is niet bekend hoe groot deze groep kinderen is.
Kunt u toelichten hoe de zorgplicht, mede in het licht van de in de uitzending geschetste situaties, dient te worden ingevuld?
Met de zorgplicht passend onderwijs zijn schoolbesturen verplicht om kinderen en jongeren een passende plek in het onderwijs te bieden. Bij aanmelding van een leerling moet de school onderzoeken of zij de leerling de benodigde ondersteuning kan bieden. Als dit niet het geval is, dan is de school verplicht om een passende plek op een andere school te zoeken voor de leerling. Dit kan met hulp van het samenwerkingsverband passend onderwijs, dat een dekkend netwerk van ondersteuningsvoorzieningen moet realiseren. In de tussentijd moet de school zo passend mogelijk onderwijs bieden aan de leerling.
Bent u van oordeel dat de zorgplicht in het door Argos aangehaalde voorbeeld op juiste wijze is nageleefd? Kunt u uw antwoord toelichten?
Helaas komt het in de praktijk voor dat scholen de zorgplicht niet goed naleven, bijvoorbeeld door niet goed te onderzoeken of de school de benodigde ondersteuning aan de leerling kan bieden of door de aanmelding van een leerling niet in behandeling te nemen en leerlingen direct weg te sturen. Dergelijke voorbeelden zijn te zien in de uitzending van Argos. Dit is zeer onwenselijk. De zorgplicht is er niet voor niets, maar om bij te dragen aan goed onderwijs voor ieder kind moeten scholen de zorgplicht wel naleven. Daarom neem ik maatregelen om de zorgplicht aan te scherpen, zoals toegelicht in mijn brief van 20 mei 20266.
Wordt in het onderzoek naar de groei van het gespecialiseerd onderwijs ook gekeken naar het bestaan van een mogelijke onderliggende ontwikkeling of zogenoemde «onderstroom» en de oorzaken daarvan?
Ja, in het onderzoek wordt ook gekeken naar de directe instroom van kleuters in het speciaal onderwijs (so).
Wanneer verwacht u de resultaten van dit onderzoek met de Kamer te kunnen delen?
Ik verwacht deze resultaten in eind 2026 met uw Kamer te delen. zonder-school
Meer aandacht in het onderwijs voor (het voorkomen van) geweld tegen vrouwen en meisjes |
|
Bente Becker (VVD) |
|
Letschert , Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de petitie «Van achter de voordeur naar het klaslokaal» van de Federatie Nabestaanden Geweldsslachtoffers, Valente en de Blijf Groep?
Ja.
Wat vindt u van de oproep om aan gendergelijkwaardigheid, relationele veiligheid en geweldpreventie expliciet aandacht te besteden in de klas als onderdeel van het burgerschapsonderwijs en/of seksuele vorming en ziet u mogelijkheden om deze elementen expliciet op te nemen in de SLO-documenten of in de wijze waarop de Inspectie toeziet op de naleving ervan? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Ik onderschrijf ten zeerste het belang van maatschappelijke aandacht voor thema’s zoals gendergelijkwaardigheid, relationele veiligheid en geweldpreventie. De cijfers over de afgelopen tien jaar geven aanleiding tot grote zorg. In Nederland maken veel vrouwen geweld mee in hun leven en iedere vrouw die sterft aan femicide is er één te veel. Alle onderzoeken hieromtrent onderstrepen de noodzaak van blijvende aandacht voor dit onderwerp.
Het vernieuwde curriculum maakt dat de nieuwe generatie meer leert over deze thema’s en daarin kennis en vaardigheden opdoet die bijdragen aan meer weerbaarheid tegen grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld. In de nieuwe kerndoelen burgerschap voor zowel het primair als voortgezet onderwijs is aandacht voor de gevaren van stereotypering en voor het belang van de gelijkwaardige behandeling van mensen, ondanks verschillen in bijvoorbeeld geslacht of seksuele gerichtheid.1 Dit thema vormt ook een centraal onderdeel van de wettelijke burgerschapsopdracht, die al langer eisen stelt aan onder meer de inhoud van het onderwijs.2 Daarnaast besteden de vernieuwde kerndoelen aandacht aan de handelingsmogelijkheden bij grensoverschrijding, geweld en misbruik.3 Ook in het mbo bestaan kwalificatie-eisen voor het burgerschapsonderwijs die aanknopingspunten bieden om deze thema’s in het onderwijs te integreren, afgestemd op de studentenpopulatie.
De Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) ziet in den brede op de naleving van het (vernieuwde) curriculum én op de wettelijke burgerschapsopdracht. De inspectie houdt toezicht op het onderwijsaanbod en of dat voldoet aan de wettelijke vereisten.
Hierbij kijkt de inspectie onder anderen of de school leerdoelen heeft gesteld om respect voor gelijkwaardigheid onder leerlingen te bevorderen, deze leerdoelen in een samenhangende leerlijn aanbiedt en herkenbaar in de praktijk wordt gebracht. Wanneer de inspectie concrete risico’s ziet op één of meer onderdelen van deze gelijkwaardigheid, kan worden getoetst of het onderwijsaanbod op dit specifieke onderdeel volstaat.
Wat vindt u ervan dat professionals en organisaties in het veld belangrijke hiaten zien in de wijze waarop scholen binnen de kerndoelen en eindtermen aandacht besteden aan gendergerelateerd geweld en het voorkomen daarvan en bent u het met de indieners van de petitie eens dat dit nog onvoldoende gebeurt?
Deze belangrijke thema’s hebben een stevigere plek gekregen binnen de vernieuwde kerndoelen, waarmee er bovenop de al langer geldende wettelijke burgerschapsopdracht een brede basis wordt gelegd. Scholen worden daarnaast ook door organisaties ondersteund om onderwerpen zoals gendergerelateerd geweld in te bedden in hun curriculum. Dit biedt leraren meer handvatten om aan deze onderwerpen structureel aandacht te geven.
De vernieuwde kerndoelen treden naar verwachting per 1 augustus 2027 in werking. De inspectie zal vanaf 2031 handhavend toezien op het vernieuwde curriculum.
Heeft u cijfers van de mate waarin op scholen expliciet aandacht wordt besteed aan gendergelijkwaardigheid, relationele veiligheid en geweldpreventie? Zo nee, bent u bereid de Inspectie hiernaar te vragen?
Op dit moment zijn scholen in het funderend onderwijs verplicht om uitvoering te geven aan de wettelijke burgerschapsopdracht en de kerndoelen. De inspectie houdt hier toezicht op. Met de invoering van de vernieuwde kerndoelen moeten alle scholen meer aandacht besteden aan deze thema’s. Er wordt niet bijgehouden hoeveel uren scholen aandacht besteden aan deze thema’s.
Op welke manier is het herkennen van signalen en het veilig en zorgvuldig handelen wanneer een kind mogelijk met geweld (zelf of in het gezin) te maken heeft, op dit moment onderdeel van de opleidingen in het onderwijs en bent u bereid te werken aan een verbetering voor meer structurele aandacht hiervoor en zo ja, op welke wijze?
De huidige kennisbases voor de hbo-lerarenopleidingen (vastgesteld in 2017) hebben met name aandacht voor diversiteit en veiligheid in het onderwijs en de klas. In de nieuwe Generieke kennisbasis deel I is expliciet toegevoegd aan de eisen dat startende leraren kennis moeten hebben over de Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling en hieraan moeten kunnen voldoen. Deze meldcode omvat zowel het herkennen als het zorgvuldig handelen. Deze nieuwe generieke kennisbasis deel I wordt de komende jaren bij alle lerarenopleidingen van de hogescholen geïmplementeerd.
In het mbo is voor de opleiding onderwijsassistent in de kwalificatie vastgesteld dat de beginnend beroepsoefenaar kennis moet hebben van de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. Verder moet iedere mbo-, hbo- en wo-instelling een actuele meldcode en een wettelijke verplicht afwegingskader hebben. Hiermee wordt de aandacht zowel in het mbo, hbo als wo bij opleidingen voor dit thema structureel geborgd via een landelijk norm. Ik zie op dit moment daarom geen aanleiding voor het nemen van aanvullende stappen.
Op welke wijze is het lesgeven over gendergelijkwaardigheid, relationele veiligheid en geweldpreventie momenteel onderdeel van de opleidingen in het onderwijs en bent u bereid te werken aan een verbetering voor meer structurele aandacht hiervoor en zo ja, op welke wijze?
Deze thema’s komen op verschillende plekken terug in de landelijke eisen aan startbekwame leraren die de opleidingen gezamenlijk hebben vastgelegd in de kennisbases in het hbo. Aansluitend op de invoering van de vernieuwde kerndoelen worden ook de kennisbases van de lerarenopleidingen vernieuwd en geïmplementeerd. In het concept-leergebied burgerschap voor de pabo’s is opgenomen dat de startbekwame leraar betekenis moet kunnen geven aan het onderwijs over samenleven in een democratische rechtstaat vanuit basiswaarden. Het gaat hierbij onder andere om het verkennen van aspecten van diversiteit zoals gender en seksuele voorkeur. Relationele veiligheid krijgt meer invulling in de kennisbasis biologie voor het vo en mbo. Startbekwame tweedegraads leraren biologie moeten les kunnen geven in thema’s als relaties en seksualiteit, lichamelijke ontwikkeling en zelfbeeld, seksuele diversiteit en wensen en grenzen stellen (fysiek en online).
In het mbo is voor de opleiding onderwijsassistent in de kwalificatie vastgesteld dat de beginnend beroepsoefenaar snel en effectief moet kunnen handelen in geval van (signalen) van onveiligheid van de kinderen.
Ook wordt met het wetsvoorstel Vereisten mbo-docenten basisvaardigheden geregeld dat mbo-docenten burgerschap die niet over een passende lerarenopleiding beschikken, een aanvullend opleidingstraject op het gebied van de vakinhoud en vakdidactiek van burgerschap moeten volgen.4 Het wetsvoorstel wordt komend najaar naar de Kamer gestuurd. De beoogde inwerkingtreding is 1 augustus 2027.
De vernieuwde kerndoelen en aangescherpte kennisbases geven voldoende richting aan de inhoud van de opleidingen. Ik zie daarom geen reden om op dit moment aanvullende stappen te zetten. Mocht in de toekomst blijken dat er toch aanvullende aandacht nodig is, dan kan ik binnen het Opleidingsberaad Leraren onderzoeken of aanvullende stappen nodig zijn.
Zijn er op dit moment voldoende lesmethodes waar scholen gebruik van kunnen maken als zij aandacht willen besteden aan gendergelijkwaardigheid, relationele veiligheid en geweldpreventie en zo ja, waar kunnen scholen deze vinden? Zo nee, wat kunt u vanuit uw rol doen om meer laagdrempelige lesmethodes hiervoor beschikbaar te krijgen?
Er zijn geen signalen dat er onvoldoende lesmateriaal beschikbaar zou zijn dat scholen bij deze thema’s kan ondersteunen. Scholen die aan deze thema’s nadere aandacht willen besteden kunnen kiezen uit verschillende leermiddelen en lesmaterialen die passen bij hun specifieke onderwijscontext en leerlingen.
Bent u bereid het gesprek aan te gaan met de indieners van de petitie om gezamenlijk tot een aanpak te komen waarmee het onderwijs beter in staat wordt gesteld een rol te spelen in het voorkomen en het herkennen van gendergerelateerd geweld en relationele onveiligheid?
Leerkrachten hebben met het vernieuwde curriculum goede handvatten om thema’s zoals gendergelijkheid en het tegengaan van geweld steviger te verankeren in het onderwijs. Mocht blijken dat er aanscherping of aanvullende maatregelen nodig zijn zal ik op dat moment kijken wat passende vervolgstappen zijn.
In hoeverre acht u, vanuit uw zicht op de praktijk van scholen, de huidige mogelijkheden voor het tijdig delen van informatie over signalen en meldingen over gendergerelateerd geweld tussen scholen, politie en Veilig Thuis voldoende en bent u bereid hier navraag over te doen bij scholen?
Met de Wet verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling zijn scholen verplicht om te beschikken over een meldcode en hun medewerkers in staat te stellen deze toe te passen. Hiermee bestaat er een helder kader voor het delen van informatie en signalen wanneer mogelijk sprake is van kindermishandeling, waaronder gendergerelateerd geweld. De Landelijke Vereniging Aandachtsfunctionarissen Kindermishandeling (LVAK) heeft de afgelopen periode trainingen gegeven aan onderwijsprofessionals over goed gebruik van de meldcode en de rol van Veilig Thuis.
Bent u bereid in overleg te treden met de Minister van J&V en de Minister van VWS om het onderwijs op te nemen als één van de pijlers in het Actieplan Stop geweld tegen vrouwen?
Ik onderschrijf nogmaals het belang van maatschappelijke aandacht voor bovengenoemde thema’s. Het toevoegen van het onderwijs als één van de pijlers acht ik op dit moment niet gepast. Het vernieuwde curriculum maakt meer en gerichtere aandacht mogelijk voor bovengenoemde thema’s. Dit zie ik als een solide basis en een stap in de goede richting.
De Kamerbrief ‘Uitkomsten onderzoek bestuurlijk handelen Stichting Islamitisch Onderwijs (SIO)’ |
|
Arend Kisteman (VVD) |
|
Judith Tielen (VVD), Letschert |
|
|
|
|
Klopt het dat de Onderwijsinspectie opnieuw wanbeheer heeft geconstateerd bij Stichting Islamitisch Onderwijs (SIO), het bevoegd gezag van het Cornelius Haga Lyceum?
Ja. De inspectie heeft geconstateerd dat het bevoegd gezag langdurig en in ernstige mate het heeft nagelaten om maatregelen te treffen die noodzakelijk zijn voor het waarborgen van de kwaliteit en de goede voortgang van het onderwijs. De inspectie heeft in 2019 eveneens wanbeheer geconstateerd. De Raad van State heeft in 2022 de uitspraak gedaan dat er in 2019 weliswaar sprake was van onrechtmatige handelingen, maar niet van wanbeheer.
Kunt u aangeven op welke punten dit wanbeheer precies ziet?
Er is sprake van wanbeheer als bedoeld in Artikel 3.38, tweede lid onderdeel b van de Wet voortgezet onderwijs 2020 (hierna: WVO 2020). De inspectie constateert dat het bestuur langdurig en in ernstige mate nagelaten heeft om de noodzakelijke maatregelen te treffen die nodig zijn voor het waarborgen van de kwaliteit en de goede voortgang van het onderwijs. De geconstateerde tekortkomingen zien op structurele tekortkomingen. Op hoofdlijnen betreft het de bestuurlijke aansturing, kwaliteitszorg, governance en medezeggenschap. In het rapport van de inspectie naar het bestuurlijk handelen van 18 juni 2026 staan de details.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat leerlingen jarenlang onderwijs krijgen dat tekortschiet, terwijl het bevoegd gezag er niet in slaagt de noodzakelijke verbeteringen door te voeren?
Ja. Leerlingen en hun ouders moeten erop kunnen vertrouwen dat de school van hun keuze kwalitatief goed onderwijs biedt. Alle kinderen hebben recht op goed onderwijs.
Kunt u duiden hoe een school waarbij al jarenlang ernstige zorgen bestaan over bestuurs- en onderwijskwaliteit en naleving van wettelijke eisen nog steeds door hetzelfde gezag wordt bestuurd?
De wet biedt de Minister geen eigenstandige bevoegdheid om zelfstandig bestuurders te ontslaan of een nieuw bestuur te benoemen. Het is aan het bevoegd gezag om de samenstelling van het bestuur te wijzigen.
Scholen en besturen moeten de bekostiging aanwenden voor kwalitatief goed onderwijs. De inspectie constateert dat het bevoegd gezag van het Cornelius Haga Lyceum er herhaaldelijk niet in slaagt de onderwijskwaliteit te waarborgen. Dit is zorgelijk voor de leerlingen van de school. Het is van groot belang dat zij op korte termijn goed onderwijs krijgen.
Wanneer sprake is van wanbeheer, beschikt de Minister over verschillende mogelijkheden om in te grijpen. Op grond van de sectorwetten kan aan een bestuur een aanwijzing worden opgelegd. Dat is een bestuurlijk instrument waarmee besturen gedwongen kunnen worden maatregelen te nemen om het wanbeheer te beëindigen. Deze maatregelen kunnen ook gericht zijn op de samenstelling van het bestuur.
Bent u bereid om zo snel mogelijk gebruik te maken van uw bevoegdheden om in te grijpen bij dit wanbeheer? Zo ja, hoe?
Ik vind het van het grootste belang dat de leerlingen van het Cornelius Haga Lyceum zo spoedig mogelijk kwalitatief goed onderwijs kunnen volgen. Ik bereid gepaste vervolgstappen voor binnen mijn bevoegdheid. Zodra ik een definitief besluit heb genomen over de vervolgstappen informeer ik uw Kamer.
Welke mogelijkheden bestaan er om het huidige bestuur geheel of gedeeltelijk te vervangen wanneer sprake is van langdurig wanbeheer?
Zie het antwoord op vraag 4.
Is sluiting van de school mogelijk wanneer de kwaliteit en continuïteit van het onderwijs onvoldoende gewaarborgd is? Zo ja, onder welke voorwaarden?
Ja. Op grond van Artikel 2.95 WVO 2020 kan de Minister besluiten een schoolsoort of leerweg op te heffen (bij openbare scholen) of de bekostiging daarvan te beëindigen (bij bijzondere scholen). Dit is een uiterste maatregel, die enkel ingezet kan worden als aan strikte wettelijke voorwaarden wordt voldaan: de inspectie moet een herhaald eindoordeel Zeer zwak hebben vastgesteld, gebaseerd op onvoldoende leerresultaten; de inspectie moet geconstateerd hebben dat het bevoegd gezag niet bereid is afspraken te maken over verbeteringen dan wel onvoldoende verbeteringen heeft doorgevoerd; en het bevoegd gezag moet de mogelijkheid hebben gehad om hierop zijn zienswijze in te dienen. Aan deze wettelijke voorwaarden is in deze casus niet voldaan. Op dit moment zijn de in dit antwoord beschreven mogelijkheden wettelijk niet aan de orde. Ik bereid vervolgstappen voor op basis van het genoemde inspectierapport.
Hoe wordt op dit moment gewaarborgd dat de leerlingen goed onderwijs krijgen en geen verdere leerachterstanden oplopen?
De onderwijskwaliteit en de ontwikkeling van leerlingen zijn en blijven de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag van de school. De inspectie heeft geconcludeerd dat het bestuur nalaat om voldoende zorg te dragen voor verbetering van de onderwijskwaliteit. Op basis van de geconstateerde tekortkomingen zijn herstelopdrachten opgelegd. De inspectie ziet nu toe op de voortgang van deze herstelopdrachten. Ik bereid verdere maatregelen voor om te bewerkstelligen dat de leerlingen van het Cornelius Haga Lyceum op korte termijn weer onderwijs van goede kwaliteit krijgen.
Welke lessen vallen er volgens u uit deze casus te trekken voor het toezicht op nieuwe scholen en kleine schoolbesturen, in het bijzonder wanneer sprake is van gebrekkig intern toezicht?
De kwaliteit van nieuw opgerichte scholen moet goed gemonitord worden. Dat doet de inspectie: nieuwe scholen krijgen standaard een kwaliteitsonderzoek binnen een jaar na oprichting, en afhankelijk van de opbrengsten daarvan vindt vervolgtoezicht plaats. Op deze manier is ook het Cornelius Haga Lyceum vanaf het begin bij de inspectie in beeld geweest.
Een zorgwekkende situatie zoals die bij SIO is uitzonderlijk. Er zijn veel kleine schoolbesturen waar de bestuurlijke kwaliteit en de onderwijskwaliteit op orde zijn. Het intern toezicht is een belangrijk gremium in de waarborging van onderwijskwaliteit. Wanneer de bestuurlijke kwaliteit wordt onderzocht, is het intern toezicht hier altijd onderdeel van. Deze casus bevestigt het belang hiervan. Dit laat ook het belang zien van toezicht van de inspectie op besturen.
Bent u van mening dat het huidige instrumentarium van de Inspectie voldoende is om in te grijpen bij scholen waar langdurig sprake is van zeer zwak onderwijs of wanbeheer?
De interventiemogelijkheden van de inspectie zijn gericht op herstel van de onderwijskwaliteit. Gezien het zeer kleine aantal scholen of afdelingen in het funderend onderwijs waar sprake is van langdurig zeer zwak onderwijs, is het inspectie-instrumentarium effectief.
Welke gevolgen heeft deze conclusie van de Inspectie voor de aanvragen die zijn gedaan voor het stichten van nieuwe scholen in bijvoorbeeld Almere en Tilburg?
De stichtingsaanvragen die recent zijn gedaan in Almere en Tilburg zijn door de inspectie beoordeeld op kwaliteit van het ingediende plan voor de betreffende scholen. Daarbij wordt onder andere beoordeeld of de bestuursstructuur voldoet aan de wettelijke eisen, met de waarborg van een onafhankelijke rol van intern toezicht.
Tevens is gekeken of bestuurders in de afgelopen vijf jaar een school hebben moeten sluiten vanwege zeer zwakke onderwijskwaliteit. De inspectie gaat bij alle nieuwe scholen in het eerste jaar langs en beoordeelt de scholen en besturen dan op hun functioneren. Dat zal ook in Almere en Tilburg gebeuren.
Leerlingenvervoer als randvoorwaarde voor toegang tot onderwijs |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat leerlingenvervoer niet primair een logistiek vraagstuk is, maar in essentie een randvoorwaarde is voor toegang tot onderwijs? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid om de regie over het leerlingenvervoer naar u toe te trekken?
Leerlingenvervoer zorgt ervoor dat kinderen die niet zelfstandig naar school kunnen reizen, toch naar school kunnen. Iedere gemeente beslist welke leerlingen recht hebben op een vervoersvoorziening en hoe dat kan worden georganiseerd. Dat kan zijn (begeleid) reizen via het openbaar vervoer, per fiets, een voorziening in de kosten die ouders zelf maken of aangepast vervoer. We zijn van mening dat het passend is dat deze beslissingen op lokaal niveau genomen worden. Gemeenten zijn immers vertrouwd met de lokale situatie en hebben al contacten met plaatselijke samenwerkingsverbanden en scholen.
Het Ministerie van OCW ontvangt verschillende signalen over knelpunten in de uitvoering van het leerlingenvervoer – vanuit het werkveld – en heeft daarom regie genomen om, samen met onder andere Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), Ouders en Onderwijs, LBVSO en sectorraad Gespecialiseerd Onderwijs (GO), tot een werkagenda leerlingenvervoer te komen. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 2. OCW werkt daarnaast samen met VWS aan het verbeteren van het doelgroepenvervoer, waar leerlingenvervoer onder valt. Zo nam OCW deel aan de verbeteragenda doelgroepenvervoer en wordt er met VWS en I&W samengewerkt op het gebied van publieke mobiliteit.
Kunt u schetsen wat er de afgelopen jaren is gedaan om de aanhoudende problemen in het leerlingenvervoer aan te pakken? Is het aanpassen van de normbedragen voldoende om de problemen te lijf te gaan, zeker in relatie tot de stijgende kosten voor brandstof?
Op 19 november 2025 is overleg gevoerd met Ouders & Onderwijs, LBVSO, VGN en Sectorraad GO over het leerlingenvervoer. Het doel van dit gesprek was om samen te bezien wat er in het onderwijsdomein gedaan kan worden om de uitvoering van het leerlingenvervoer te verbeteren, in aanvulling op de verbeteraanpakken doelgroepenvervoer (onder regie van het Ministerie van VWS) en Publieke Mobiliteit (onder regie van I&W). In de komende maanden wordt de werkagenda verder uitgewerkt. Elk van de betrokken partijen zal een deel van de acties op zich nemen. Conform toezegging zal ik de Kamer voor het herfstreces informeren over de voortgang van de werkagenda en de thema’s waar deze zich op richt.1
Is uw verwachting dat bij de start van schooljaar 2026–2027 grote problemen zullen uitblijven? Zo nee, bent u hierover met gemeenten en scholen in gesprek?
Aan het begin van een nieuw schooljaar verandert er vaak veel voor leerlingen, de scholen en de vervoerders. Voor leerlingen en ouders kunnen de school, het vervoer en ook de route nieuw zijn. Ook vervoerders kunnen te maken krijgen met nieuwe contracten en/of nieuwe routes. Dat geeft soms opstartproblemen en dat willen we allemaal zo veel mogelijk voorkomen. Het is aan gemeenten, vervoerders en het onderwijs om daar samen goede afspraken over te maken.
Het Ministerie van OCW heeft korte lijnen met gemeenten – ook via de VNG – en vervoerders. Op dit moment zijn de gesprekken die we met hen voeren voornamelijk in het kader van de werkagenda. Met de werkagenda hopen we samen stappen te zetten in het duurzaam verbeteren van het leerlingenvervoer. Over de concrete invulling van de werkagenda wordt u voor het herfstreces geïnformeerd in de hierboven genoemde Kamerbrief.
Wat is er gedaan met de opmerkingen van uw ambtsvoorganger die in 2022 het «onacceptabel» noemde dat veel gemeenten de reistijd niet bijhouden? Gebeurt dat inmiddels wel? Zo ja, is de reistijd inmiddels gehalveerd zoals uw ambtsvoorganger wilde bewerkstelligen?
Het is zorgelijk dat er momenteel geen goed inzicht is in de staat van het leerlingenvervoer. Daarom willen we met de werkagenda ook de monitoring van het leerlingenvervoer verbeteren. Een van de doelstellingen van de werkagenda leerlingenvervoer is om meer inzicht te krijgen in de gemiddelde reistijd van leerlingen. We bereiken dit onder andere door een inventarisatie van de beschikbare cijfers rondom het leerlingenvervoer. Daarnaast heeft OCW Oberon verzocht om in Q3 2026 bij gemeenten een landelijke monitor leerlingenvervoer uit te vragen – deze meting is in 2022 en 2024 ook uitgevoerd. Uit de monitor van 2024 kwam naar voren dat 49% van de 210 gemeenten weet hoelang leerlingen gemiddeld onderweg zijn. Dit is gemiddeld 50 minuten.2
Klopt het dat voor leerlingenvervoer niet dezelfde regels gelden als voor bijvoorbeeld lijnbussen en taxi’s, waardoor leerlingen die naar school moeten in de file terecht kunnen komen terwijl een taxi wél door kan rijden?
Reizigers die gebruik maken van gemotoriseerd vervoer kunnen door files langer onderweg zijn naar werk, afspraken of dagbesteding. Leerlingen die met het aangepaste vervoer naar school reizen kunnen, net als andere reizigers, ook in deze files terecht komen.
Rijkswaterstaat geeft aan dat zowel taxi’s als vervoerders binnen het doelgroepenvervoer geen aparte wettelijke status voor de te gebruiken plek op de weg en te gebruiken wegdelen hebben. Wel hebben wegbeheerders mogelijkheden om breder gebruik van busbanen en busstroken toe te staan indien zij dat nodig en verantwoord achten in de specifieke situatie ter plekke, zie ook het antwoord op vraag 6.
Is het technisch en juridisch mogelijk om een vrijstelling te krijgen voor leerlingenvervoer, waardoor deze wel gebruik mogen maken van een lijnbusbaan, zodat zij zo kort mogelijk in het vervoersmiddel zitten? Zo ja, ligt de verantwoordelijkheid hiervoor dan bij de rijksoverheid, provincie of gemeenten? Zo nee, waarom niet?
Het is juridisch en technisch mogelijk om een vrijstelling te krijgen voor leerlingenvervoer, maar het is onwenselijk om een situatie te creëren waarin te veel doelgroepen een voorrangspositie krijgen. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 5. Wel geeft Rijkswaterstaat aan dat wegbeheerders bepaalde ge- of verbodsborden specifiek wel of niet kunnen laten gelden voor bepaalde soorten weggebruikers (door middel van een onderbord). Ook kunnen wegbeheerders op grond van artikel 87 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) ontheffing verlenen aan bepaalde soorten weggebruikers voor bepaalde verkeerstekens en verkeersregels, waaronder die met betrekking tot gebruik van busbanen en busstroken (RVV 1990, artikel 81). Hierdoor kunnen wegbeheerders maatwerk leveren, rekening houdend met de situatie ter plekke. De wegbeheerders kunnen hierbij verschillende belangen afwegen, zoals de verkeersveiligheid en doorstroming van zowel het leerlingenvoer als het overige verkeer.
Wat heeft de campagne «Sleur? Word chauffeur!» destijds opgeleverd? Zijn er momenteel campagnes of acties ingezet om meer chauffeurs te werven voor doelgroepenvervoer?
De campagne «Sleur? Word chauffeur!» is een initiatief dat in september 2022 gestart is door het Sociaal Fonds Mobiliteit. Vanwege het succes van de campagne in het bereiken van potentiële sollicitanten loopt deze nog door tot in ieder geval september 2027, onder de naam: «Stuur met je hart». Vanaf het begin van de campagne tot en met mei 2026 waren er ruim 11.000 contactmomenten.3
Het doel voor afgelopen schooljaar was 3000 sollicitanten. Dit werd ruim behaald. Voor dit nieuwe schooljaar (september 2026-september 2027) is het doel 3300 sollicitanten. Zover bij ons bekend lopen er daarnaast geen andere campagnes om meer chauffeurs te werven.
De opening van de Renaissanceschool in Almere |
|
Ilana Rooderkerk (D66) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat de Renaissanceschool in Almere rijksbekostiging ontvangt? Per welke datum is deze bekostiging toegekend en kan het advies van de Inspectie van het Onderwijs (onderwijsinspectie) als bijlage worden meegestuurd?
Ja, de Renaissanceschool in Almere ontvangt vanaf augustus 2026 bekostiging. Het besluit hierover is genomen op 3 juni 2025 en ook gepubliceerd in de Staatscourant.1 Het inspectieadvies is opgevraagd via een WOO-verzoek en zal op korte termijn openbaar worden gemaakt.
Welke rechtspersoon is het bevoegd gezag van de Renaissanceschool? Wie zijn de bestuurders en toezichthouders, en welke andere organisaties zijn formeel of feitelijk bij deze school betrokken?
Het bevoegd gezag is de Tocqueville stichting. De namen van de bestuurders van de stichting zijn geregistreerd in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. De stichting heeft een one-tier model waar het toezicht onderdeel uitmaakt van het bestuur. In het uittreksel van de KvK worden geen andere organisaties genoemd die formeel of feitelijk betrokken zijn bij deze stichting.
Het bestuur is verantwoordelijk voor wat er op de school gebeurt.
Deelt u de opvatting dat het onacceptabel is dat een school aparte leertrajecten aanbiedt voor jongens en meisjes op basis van «de biologische verschillen tussen de seksen» en daarbij stelt dat individuele verschillen in aanleg en geslacht «fundamenteel en onveranderlijk» zijn?
In beginsel mag een school bij het aanbieden van onderwijs geen onderscheid maken op grond van geslacht.2 De Algemene wet gelijke behandeling (Awgb) staat voor bijzondere scholen een beperkte uitzondering toe op deze hoofdregel.3 Hiervoor gelden strikte voorwaarden. Een school mag alleen onderscheid naar geslacht maken voor zover dat onderscheid een wezenlijk, legitiem en gerechtvaardigd vereiste vormt, gelet op de religieuze of levensbeschouwelijke
grondslag van de school. Onderscheid naar geslacht is alleen toegestaan indien er sprake is van gelijkwaardige voorzieningen en het gemaakte onderscheid mag niet verder gaan dan passend is op basis van genoemde grondslag.
In alle gevallen moet de school aan de wettelijke burgerschapsopdracht blijven voldoen, die onder andere is vastgelegd in artikel 8, lid 3a, van de Wet op het Primair Onderwijs. De wettelijke burgerschapsopdracht vraagt van scholen dat ze leerlingen kennis en respect bijbrengen van en voor de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en dat ze zorgdragen voor een schoolcultuur die daar van uitgaat. Daarop ziet de inspectie toe. De wettelijke burgerschapsopdracht vraagt ook nadrukkelijk van scholen dat ze haar leerlingen kennis en respect bijbrengen van en voor verschillen, bijvoorbeeld in geslacht, alsmede de waarde dat gelijke gevallen gelijk behandeld worden. Voor een school die onderscheid maakt op grond van geslacht, brengt dat een bijzondere verantwoordelijkheid met zich mee.
Hoe verhoudt het aanbieden van aparte leertrajecten zich tot de Algemene wet gelijke behandeling en sociale veiligheidsverplichting uit artikel 8, lid 3a, Wet op het primair onderwijs?
Zie antwoord vraag 3.
Is het huidige toezichtkader voldoende toegerust om in te grijpen wanneer scholen leerlingen op basis van geslacht structureel verschillend behandelen of verschillende leertrajecten aanbieden?
In het antwoord op vraag 3 is beschreven wat wel en niet mag bij onderscheid naar geslacht; dat volgt uit de Awgb en uit de wettelijke burgerschapsopdracht. Wanneer een school zich niet aan de wettelijke burgerschapsopdracht houdt, kan de inspectie een herstelopdracht geven en, bij uitblijven van herstel, een financiële sanctie opleggen. Leven er bij leerlingen, ouders of onderwijspersoneel twijfels over of de Awgb wordt nageleefd, dan kunnen ze daarover een oordeel vragen bij het College voor de Rechten van de Mens.
Deelt u de opvatting dat een school leerlingen moet leren kritisch te denken op basis van feiten en wetenschap, en dat het wegzetten van wetenschappelijke consensus als «falsifieerbare hypothesen» in de levensovertuiging van de school hiermee op gespannen voet staat?
Met de kerndoelen wordt gereguleerd welke kennis, inzicht en vaardigheden leerlingen moeten verwerven en welke ervaringen zij binnen het onderwijs moeten opdoen. Een school moet waarborgen dat haar onderwijsprogramma gericht is op het realiseren van de kerndoelen. Onderdeel daarvan is ook het leren gebruiken van natuurwetenschappelijke werkwijzen, daarbij behoort het toepassen van onderzoekstappen.4 Daarnaast staat het een bijzondere school vrij om ook een eigen mens- en maatschappijvisie over te brengen in het onderwijs. Dat mag echter slechts voor zover de kerndoelen en de vereisten van de burgerschapsopdracht in acht worden genomen.
Hoe verhoudt de publieke bekostiging van een school die door een politieke partij expliciet als «onze eigen school» en als onderdeel van de eigen «zuil» wordt gepresenteerd, zich tot de vereiste van algemeen maatschappelijk nut die ten grondslag ligt aan de bekostigingssystematiek?
Elke bekostigingsaanvraag voor een nieuwe publiek bekostigde school wordt getoetst aan een set uniforme bekostigingscriteria (zoals de belangstellingsmeting of de kwaliteitstoets). De lat voor nieuwe scholen is democratisch bepaald en voor iedereen gelijk. Ook in de praktijk moet elke school voldoen aan dezelfde wettelijke voorschriften, daar ziet de inspectie op toe.
Hoe wenselijk acht u het dat een politieke partij of politieke beweging een eigen school opricht?
Alle scholen hebben zich met hun onderwijs te houden aan de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. Uit artikel 23 van de Grondwet volgt het recht om scholen te stichten die aansluiten op de wensen van ouders en leerlingen. De ruimte voor scholen om hun onderwijs in te richten op grond van een specifieke levensbeschouwelijke of religieuze grondslag en de toetsing of er wel voldoende belangstelling is voor scholen, sluit daarbij aan.
Deze vrijheid is echter niet onbegrensd. Op grond van de wettelijke burgerschapsopdracht rust op scholen ook de verantwoordelijkheid om leerlingen kennis en respect bij te brengen van en voor de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en om hen voor te bereiden op deelname aan onze pluriforme samenleving. Dat vraagt onder meer van scholen dat ze ruimte bieden voor uitwisseling van ideeën, ook als die ideeën schuren met de eigen grondslag, zodat leerlingen zelfstandig leren denken en eigen keuzes kunnen maken.
Deelt u de mening dat het gebruik van rijksbekostiging voor het opbouwen van de politieke infrastructuur van een partij een ongeoorloofd doel is dat haaks staat op de publieke functie van onderwijs?
De bekostiging die nieuwe scholen ontvangen mag enkel worden uitgegeven aan de kosten voor personeel en exploitatie van de school. De inspectie controleert hierop. Verder verwijs ik naar het antwoord op vraag 8.
Hoe waarborgt u dat leerlingen leren omgaan met verschillende opvattingen en niet worden opgevoed binnen de ideologische wereld van één politieke partij?
Op grond van de wettelijke burgerschapsopdracht hebben scholen de plicht om leerlingen kennis en respect bij te brengen van en voor verschillen in bijvoorbeeld levensovertuiging en politieke gezindheid. De inspectie beoordeelt of scholen voldoen aan deze plicht, en kan hier tevens op handhaven als dat nodig is.
Welke wettelijke waarborgen bestaan er op dit moment om te voorkomen dat een bekostigde school feitelijk functioneert als verlengstuk van een politieke partij of politieke beweging?
De wettelijke burgerschapsopdracht borgt op alle scholen, ook scholen die uitgaan van een specifieke richting, dat het onderwijs zich herkenbaar richt op het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat, zoals verankerd in de Grondwet. Daarnaast dienen scholen leerlingen kennis over en respect voor verschillen bij te brengen, onder ander op het gebied van godsdienst, levensovertuiging en politieke gezindheid. Dit volgt uit de wettelijke burgerschapsopdracht en heeft ook een plaats in de nieuwe kerndoelen burgerschap, die in 2027 worden opgenomen in de wet.
Deelt u de opvatting dat artikel 23 van de Grondwet ruimte biedt voor scholen met een eigen richting, maar geen vrijbrief is voor discriminatie, uitsluiting, antidemocratische vorming of partijpolitieke indoctrinatie?
Ja, die mening deel ik. Niet voor niets is in het coalitieakkoord opgenomen dat de vrijheid van onderwijs niet mag worden misbruikt om de kernwaarden van onze democratische rechtsstaat te ondermijnen. De vrijheid van onderwijs stopt daar waar discriminatie, uitsluiting of de vorming van antidemocratisch gedachtegoed begint. Voor scholen geldt nadrukkelijk de plicht om de basiswaarden van de democratische rechtsstaat te bevorderen en om zorg te dragen voor een schoolcultuur die in lijn is met deze basiswaarden.
Hoe beoordeelt u de opening van de school in het kader van de burgerschapsopdracht? Acht u de het huidige toetsingskader van de onderwijsinspectie voldoende toereikend?
Het toetsingskader van de onderwijsinspectie sluit voldoende aan bij de huidige burgerschapsopdracht en wetgeving. Op basis van de inhoud van de bekostigingsaanvraag bestaat nu geen aanleiding om aan te nemen dat de school niet aan de burgerschapsopdracht zal voldoen. De inspectie toets hier nog eens op in het eerste jaar.
Bent u bereid, indien blijkt dat deze praktijk binnen het huidige toezichtkader onvoldoende kan worden aangepakt, te onderzoeken of het toezichtkader of de wet ten aanzien van de oprichting van nieuwe scholen moet worden aangescherpt?
Het inspectietoezicht en de wet Meer Ruimte voor Nieuwe Scholen zijn bedoeld om ongewenste praktijken tegen te gaan. De inspectie controleert in het eerste jaar na de start van iedere school of de school voldoet aan de wettelijke eisen ten aanzien van onder andere de kwaliteit en veiligheid, waaronder de eisen rondom burgerschap.
Klopt het dat dit de eerste school is die via een marktonderzoek is opgericht en welk bureau heeft dit onderzoek uitgevoerd? Kan het marktonderzoek meegestuurd worden?
Het klopt dat dit de eerste nieuwe school is die de belangstelling heeft aangetoond via een marktonderzoek. Het betreffende marktonderzoek is ook opgevraagd via een WOO-verzoek en wordt parallel aan de beantwoording van deze schriftelijke vragen openbaar gemaakt.
Hoe beoordeelt u dat via een marktonderzoek de oprichting van de school wordt mogelijk gemaakt, terwijl het eerder niet gelukt is ondanks flinke campagnes de benodigde verklaringen te verzamelen en gezien het geringe aantal aanmeldingen?
Het is binnen de stichtingsprocedure mogelijk om voldoende belangstelling aan te tonen via ouderverklaringen of (in uitzonderingssituaties5) een marktonderzoek. Beide methoden zijn bedoeld om een goede voorspelling te geven van de daadwerkelijke belangstelling voor een school. Het marktonderzoek moet zijn afgenomen op een wetenschappelijk verantwoorde manier door een onafhankelijk onderzoeksbureau dat aantoonbaar werkt volgens een door een brancheorganisatie opgestelde gedragscode met betrekking tot de uitvoering van marktonderzoek.
In 2022 heeft de Tocqueville stichting ook een belangstellingsmeting gedaan, maar vervolgens geen bekostigingsaanvraag ingediend. Daarna heeft dit bestuur besloten een particuliere school op te richten en deze later weer te sluiten. De praktijk zal moeten uitwijzen in hoeverre het marktonderzoek een goede voorspeller is van de daadwerkelijke belangstelling voor de nieuwe school. Omdat de cijfers uit het marktonderzoek en de huidige leerlingenpopulatie verschillen, nemen we deze vorm van belangstellingsmeting mee bij de evaluatie van de wet. Elke nieuwe school moet aan het begin van het vierde jaar minimaal de helft van de stichtingsnorm behalen. In het geval van de Renaissanceschool bedraagt dit aantal 139. Zo niet, dan stopt de bekostiging aan het einde van dat schooljaar.