Bent u bekend met het artikel «In de TikTok Shop kunnen jongeren straks nóg makkelijker impulsaankopen doen. «Er is te weinig ruimte om zelf na te denken»»?1
Ja.
Welke risico’s ziet u bij de introductie van TikTok Shop voor consumenten, en in het bijzonder voor minderjarigen en jongvolwassenen, op het gebied van impulsaankopen, financiële weerbaarheid en problematische schulden?
Ik zie hier inderdaad risico’s. De introductie van TikTok Shop maakt het voor gebruikers mogelijk om de producten die op TikTok worden vertoond ook direct te kopen. Dit zou gebruikers er sneller en gemakkelijker toe kunnen aanzetten om een impulsaankoop te doen. TikTok heeft richting mij aangegeven dat de TikTok Shop alleen beschikbaar wordt voor kopers van 18 jaar en ouder. Daarmee zou er met name een risico voor jongvolwassenen zijn. Wanneer als gevolg hiervan meer wordt uitgegeven dan het beschikbare budget toelaat, kan dit in het ergste geval leiden tot het ontstaan van (problematische) schulden. Ik ga in het antwoord op vraag 8 nader in op de leeftijdsbegrenzing.
Welke maatregelen treft TikTok om risico’s te mitigeren, ook als het bijvoorbeeld gaat om online veiligheid, datahacks, fraude en oplichting van onbetrouwbare partijen die zich bijvoorbeeld straks voordoen als verkopende partij op TikTok?
Zowel bestaande als nieuwe online marktplaatsen moeten voldoen aan Europese regelgeving op het gebied van o.a. productveiligheid, consumentenbescherming, gegevensbescherming en digitale dienstverlening. De handhaving van deze regels is belegd bij verschillende toezichthouders, zoals de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (productveiligheid, hierna: NVWA), de Autoriteit Consument en Markt (o.a. consumentenbescherming, hierna: ACM), de Autoriteit Persoonsgegevens (bescherming van persoonsgegevens, hierna: AP) en bij de Europese Commissie in het geval van de Digital Services Act (hierna: DSA).2 Online veiligheid met betrekking tot de bescherming tegen datahacks wordt onder andere gewaarborgd door vereisten omtrent een passende beveiliging van de verwerking van persoonsgegevens in de Algemene Verordening Persoonsgegevens (hierna: AVG). Op grond van de DSA is TikTok aangewezen als een zeer groot online platform en hierdoor heeft het extra verantwoordelijkheden om de veiligheid van zijn dienst te waarborgen.
TikTok heeft richting mij aangegeven dat zij uitgebreide plannen, risk assessment en veiligheids- en compliancemaatregelen heeft uitgevoerd en hierover in gesprek is met zowel de Europese Commissie als de nationale toezichthouders.3
Deelt u de opvatting dat de combinatie van een sterk gepersonaliseerd algoritme, influencer marketing en directe aankoopmogelijkheden de kans op impulsaankopen kan vergroten?
Ja, die opvatting deel ik. De combinatie van gepersonaliseerde aanbevelingen, influencermarketing en directe aankoopmogelijkheden («one-click buying») kan de drempel tot een aankoop verlagen. Dit is op zichzelf niet in strijd met geldende wet- en regelgeving, maar brengt wel risico’s met zich mee. Consumenten dienen in ieder geval correct en volledig te worden geïnformeerd en er dient geen sprake te zijn van misleiding. Voor de verplichtingen en verantwoordelijkheden van TikTok onder de DSA verwijs ik naar het antwoord op vraag 8, 9 en 10.
Welke inzichten zijn beschikbaar uit landen waar TikTok Shop reeds actief is, zoals het Verenigd Koninkrijk en Duitsland, over de effecten op koopgedrag, betalingsachterstanden en schuldenproblematiek onder jongeren en welke lessen trekt u daaruit voor de Nederlandse situatie?
Ik beschik niet over specifieke inzichten over de effecten van TikTok Shop op koopgedrag, betalingsachterstanden en schuldenproblematiek onder jongeren in de genoemde landen. Relevant hierbij is dat TikTok richting mij heeft aangegeven dat de TikTok Shop in Nederland alleen beschikbaar wordt voor kopers van 18 jaar en ouder.
Deelt u de opvatting dat social commerce-platforms zoals TikTok Shop een fundamenteel ander karakter hebben dan traditionele webwinkels, doordat sociale media, aanbevelingsalgoritmen, influencer marketing en directe aankoopmogelijkheden in één omgeving worden gecombineerd? Zo ja, acht u aanvullende regelgeving of toezicht wenselijk?
Deze opvatting deel ik. Zogenaamde social commerce platforms combineren elementen die voorheen gescheiden waren – sociale interactie, content-aanbevelingsalgoritmen, influencer marketing en een directe transactiefunctie. Hierdoor kan de grens tussen content, reclame en het doen van een aankoop vervagen en dit levert risico’s op.
Het bestaande wettelijke kader, zoals de DSA en consumentenwetgeving4, is ook van toepassing op social commerce platforms. Bovendien biedt de AVG bescherming bij de verwerking van persoonsgegevens. Daarnaast zet het kabinet in Brussel in op gerichte maatregelen tegen onder meer dark patterns en verslavende ontwerpkeuzes in het kader van de aankomende Digital Fairness Act (hierna: DFA).5
Het is belangrijk dat de bestaande regels effectief gehandhaafd worden. De Europese Commissie heeft in februari 2026 het voorlopig oordeel gepubliceerd dat het verslavende ontwerp op TikTok in strijd is met de DSA. En de verschillende markttoezichthouders houden de ontwikkelingen in de e-commerce sector, waaronder de import van non-conforme producten uit derde landen, scherp in de gaten en versterken het toezicht hierop.
Ondanks dat ik de opvatting deel dat een social commerce platform als de TikTok Shop een ander karakter heeft dan een traditionele webwinkel, zie ik – gelet op het bovenstaande – op dit moment geen reden voor een aanvullende beleidsinzet.
In hoeverre vallen betaalmethoden die via TikTok Shop worden aangeboden, waaronder achteraf betalen en gespreid betalen, onder de herziene Consumer Credit Directive (CCDII), en welke verplichtingen vloeien daaruit voort voor aanbieders van deze betaalmethoden?
Indien TikTok Shop een betaalmethode aanbiedt waarbij de aankoop direct wordt betaald, is er geen sprake van krediet. Voor zover TikTok Shop consumenten echter de mogelijkheid biedt om aankopen achteraf (ineens of gespreid) te betalen, is in beginsel sprake van krediet in de zin van de herziene richtlijn consumentenkrediet (CCDII). In dat geval valt de dienstverlening onder de kredietregels, tenzij sprake is van een expliciete uitzondering binnen het toepassingsbereik van die richtlijn, zoals bij bepaalde vormen van uitgestelde betaling. In Nederland wordt de richtlijn geïmplementeerd door de implementatiewet herziene richtlijn consumentenkrediet (hierna: implementatiewet).6 Op dit moment biedt TikTok nog niet de mogelijkheid van achteraf betalen aan in Nederland.
Als TikTok deze dienst wel in Nederland aan zou bieden, geldt ook dat deze dienstverlening onder de nieuwe kredietregels komt te vallen van de implementatiewet. Voor de volledigheid leg ik uit wat de gevolgen hiervan zijn.
De kredietregels zien op verschillende aspecten. Zo dienen aanbieders van achteraf betalen voorafgaand aan kredietverlening een kredietwaardigheidsbeoordeling uit te voeren, consumenten te voorzien van duidelijke en gestandaardiseerde precontractuele informatie en te voldoen aan regels en verboden inzake reclame. Daarnaast voorziet het implementatiewetsvoorstel in een verbod op kredietverlening in de vorm van uitgestelde betaling aan minderjarigen en worden kredietaanbieders verplicht de leeftijd van de consument voorafgaand aan het aangaan van de kredietovereenkomst te verifiëren. Verder geldt voor deze kredietaanbieders een vergunningplicht en staan zij ten aanzien van kredietverlening aan Nederlandse consumenten onder toezicht van de Autoriteit Financiële Markten (AFM).
Welke leeftijdsgrenzen gelden voor het gebruik van TikTok Shop en de daarbij aangeboden betaalmethoden, welke vormen van leeftijdsverificatie worden toegepast en in hoeverre acht u deze effectief?
TikTok hanteert in algemene zin een minimumleeftijd van 13 jaar en geeft aan dat de TikTok Shop alleen beschikbaar wordt voor kopers van 18 jaar en ouder. Op basis van de DSA zijn zeer grote online platforms als TikTok verplicht om redelijke en doeltreffende maatregelen te treffen die de leeftijd van de gebruikers verifieert. TikTok heeft richting mij aangegeven gebruik te maken van een gelaagd toegangscontrolesysteem om de leeftijd van gebruikers vast te stellen. Dit omvat technologische checks, menselijke controles en extra veiligheidsmaatregelen zoals de mogelijkheid voor ouders om een melding te doen.7
Indien een minderjarige ondanks de leeftijdsbegrenzing door TikTok toch een aankoop doet via een eigen account in TikTok Shop, bijvoorbeeld omdat de leeftijd niet goed werd gecontroleerd, dan kan de wettelijke vertegenwoordiger de rechtshandeling (aankoop) achteraf vernietigen en het geld van de aankoop terugkrijgen. TikTok heeft richting mij bevestigd hiervoor een eenvoudig retourbeleid te zullen hanteren. Ouders dragen daarnaast zelf de verantwoordelijkheid om te voorkomen dat hun account door hun kinderen wordt gebruikt.
In het antwoord op vraag 7 wordt toegelicht dat TikTok op dit moment geen achterafbetaalmogelijkheden in Nederland aanbiedt.
Acht u het wenselijk dat platforms zoals TikTok zelf verantwoordelijkheid dragen voor het voorkomen van problematische schulden en impulsaankopen onder minderjarigen? Zo ja, welke verantwoordelijkheid ziet u daarbij?
TikTok heeft al een bepaalde mate van verantwoordelijkheid, nu zij de mogelijkheid biedt om via TikTok producten aan te kopen.
Zo heeft TikTok op grond van de DSA verschillende verantwoordelijkheden. Dit betreft onder meer de verplichting om tenminste jaarlijks onderzoek te doen naar mogelijke systemrisico’s van haar diensten, waaronder de negatieve effecten op minderjarigen (zie ook mijn antwoord op vraag 10). Ook dient TikTok onder de DSA passende en evenredige maatregelen te nemen waarmee een hoog niveau bescherming van minderjarigen binnen haar dienst wordt geborgd.
Indien TikTok uitstel van betaling voor de producten in TikTok Shop zou aanbieden, kwalificeert zij bovendien onder de implementatiewet CCDII als aanbieder van krediet. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 7, dient TikTok Shop in dat geval de verantwoordelijkheden uit de implementatiewet CCDII na te leven.
In hoeverre vallen TikTok en TikTok Shop onder de verplichtingen van de Digital Services Act (DSA), in het bijzonder waar het gaat om bescherming van minderjarigen, transparantie van aanbevelingssystemen en het tegengaan van manipulerende ontwerpkeuzes?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3, is TikTok aangewezen als «zeer groot online platform» onder de DSA. Als zodanig zal zij volledig moeten voldoen aan alle verplichtingen uit de DSA. Dit omvat dus ook de verplichtingen inzake de bescherming van minderjarigen, de transparantie van aanbevelingssystemen en het tegengaan van manipulerende ontwerpkeuzes (die, afhankelijk van het geval, kunnen kwalificeren als dark pattern en/of systeemrisico).
Zo is TikTok in dat kader verplicht om alle zogenaamde systeemrisico’s die voortvloeien uit het ontwerp of uit de werking van hun dienst en de daaraan verbonden systemen en uit het gebruik van hun diensten te analyseren en beperken. Deze risicobeoordelingen moeten ten minste één keer per jaar worden uitgevoerd. Ook moet een beoordeling plaatsvinden voorafgaand aan de uitrol van functionaliteiten die waarschijnlijk kritieke gevolgen zullen hebben voor de vastgestelde systeemrisico’s. Naar ik begrijp heeft TikTok voorafgaand aan de lancering van TikTok Shop contact gehad met de Europese Commissie, die primair toezicht houdt op de zeer grote online platforms. Ik begrijp dat TikTok in dat kader ook een risicobeoordeling met de Europese Commissie heeft gedeeld en inmiddels de eerste systeemrisicobeoordeling onder de DSA heeft uitgevoerd.
Hoe verhoudt TikTok Shop zich tot het verbod uit de DSA op het tonen van gepersonaliseerde advertenties aan minderjarigen op basis van profilering en hoe wordt vastgesteld of gebruikers minderjarig zijn?
Dit verbod is onverkort van toepassing. TikTok mag dus geen reclame tonen op basis van profilering van minderjarigen. Om de leeftijd van gebruikers vast te stellen, maakt TikTok gebruik van een gelaagd toegangscontrolesysteem (zie ook mijn antwoord op vraag 8).
Kunt u inzicht geven in welke persoonsgegevens en gedragsgegevens worden gebruikt om productaanbevelingen binnen TikTok Shop te personaliseren, en in hoeverre acht u deze vorm van profilering wenselijk wanneer minderjarigen hierdoor worden blootgesteld aan commerciële prikkels?
TikTok Shop zou volgens TikTok alleen toegankelijk moeten zijn voor meerderjarige gebruikers. Het kabinet heeft geen inzicht in de persoonsgegevens en gedragsgegevens die TikTok Shop gebruikt voor het personaliseren van productaanbevelingen. Het is belangrijk dat het gebruik van deze gegevens voldoet aan de hiervoor geldende privacyregels in de AVG en de hiervoor genoemde regels uit de DSA (zie antwoord op vraag 11). De onafhankelijke toezichthouders zien daarop toe.
Acht u het mogelijk dat aanbevelingsalgoritmen, livestreams en influencer-content binnen TikTok Shop feitelijk dezelfde functie vervullen als gepersonaliseerde reclame? Zo ja, in hoeverre vallen dergelijke praktijken onder het huidige toezicht- en handhavingskader?
Ik beschik niet over informatie om te beoordelen of en, zo ja, in hoeverre aanbevelingsalgoritmen, livestreams en influencer content dezelfde functie vervullen als gepersonaliseerde reclame. Het is aan de bevoegde toezichthouders om daar een oordeel over te vellen. Dergelijke praktijken vallen onder het bestaande juridische kader. Naast de DSA gaat het onder meer om de AVG, de e-privacy richtlijn, de regels voor audiovisuele mediadiensten, en consumentenwetgeving.
Hoe wordt geborgd dat producten die via TikTok Shop worden aangeboden voldoen aan Europese productveiligheids- en consumentenwetgeving, en welke mogelijkheden hebben toezichthouders om hierop toezicht te houden en handhavend op te treden? Klopt het dat TikTok verantwoordelijk is voor de productaansprakelijkheid, zoals opgenomen in de nieuwe EU implementatie-richtlijn?
Producten die via TikTok Shop worden verkocht, moeten voldoen aan de Europese regels voor productveiligheid en consumentenbescherming. Verkopers en online marktplaatsen hebben, onder meer op basis van de Europese Algemene Productveiligheidsverordening8, consumentenwetgeving, en de DSA, bepaalde verantwoordelijkheden.
Het is belangrijk dat deze regels effectief gehandhaafd worden door toezichthouders zoals de NVWA, de ACM en de Europese Commissie. Zij kunnen handhavend optreden als producten onveilig zijn, consumenten worden misleid of online platforms hun verantwoordelijkheden niet naleven. Zoals tevens aangegeven in het antwoord op vraag 6, houden de markttoezichthouders de ontwikkelingen in de e-commerce sector, waaronder de import van non-conforme producten uit derde landen, dan ook scherp in de gaten en versterken het toezicht hierop. Ook is sprake van coördinatie tussen toezichthouders. Zo werken de ACM, de Europese Commissie en toezichthouders uit andere lidstaten nauw samen in het kader van het toezicht op de DSA.
Op grond van de herziene EU-richtlijn productaansprakelijkheid (Richtlijn (EU) 2024/2853) kan TikTok alleen in bijzondere omstandigheden aansprakelijk worden gesteld. Of TikTok aansprakelijk is, hangt namelijk af van de specifieke omstandigheden en de rol die TikTok in de keten vervult. In beginsel is bij verkoop van een gebrekkig product via een onlineplatform de in de EU gevestigde fabrikant aansprakelijk. Als de fabrikant buiten de EU gevestigd is, geldt een getrapt stelsel. In dat geval zijn eerst de importeur van het gebrekkige product in de EU of de gemachtigde van de fabrikant aansprakelijk en bij het ontbreken daarvan de fulfilmentdienstverlener (een partij die logistieke diensten verricht, zoals opslag, verpakking, adressering en verzending van een product). De aanbieder van het onlineplatform is slechts aansprakelijk als deze het gebrekkige product presenteert op een wijze die een gemiddelde consument doet geloven dat het product door het platform zelf wordt verstrekt én wanneer geen andere aansprakelijke marktdeelnemer (zoals de fabrikant, importeur, gemachtigde of fulfilmentdienstverlener) kan worden aangewezen op grond van de Richtlijn.
TikTok heeft desgevraagd richting mij aangegeven verschillende maatregelen te hebben genomen om productveiligheid te waarborgen. Zo verplicht TikTok verkopers om hun identiteit te verifiëren (via overheidsdocumenten voor zelfstandigen of bedrijfsregistratiegegevens voor rechtspersonen) en vereist zij compliance-informatie te verstrekken voordat producten mogen worden aangeboden. Nieuwe verkopers krijgen een proefperiode met accountbeperkingen.
Welke kansen ziet u in de aangekondigde Digital Fairness Act om verslavende ontwerpkeuzes, manipulerende verkooptechnieken en andere vormen van digitale gedragssturing gericht op kwetsbare consumenten aan banden te leggen?
In een relatief korte periode zijn diverse Europese wetten in werking getreden in het digitale domein, zoals de DSA en de AI-act. De inzet van het kabinet ziet daarom in eerste instantie op een versterking van de handhaving van bestaande Europese regelgeving. Het is daarom goed dat de Europese Commissie actief bezig is met de handhaving van de DSA ten aanzien van zeer grote online platforms, waaronder TikTok (zie tevens het antwoord op vraag 6).
De DFA kan dienen als gerichte aanpak voor het reguleren van schadelijke online handelspraktijken, zoals verslavend ontwerp van digitale diensten. In dit kader pleit Nederland in Brussel voor het verbieden van ontwerptechnieken – waaronder algoritmes – die het welzijn van consumenten schaden, meer controlemogelijkheden voor gebruikers en overname van het verbod op «dark patterns» uit de DSA (artikel 25) in het consumentenrecht.
Bent u bereid zich in Europees verband actief in te zetten voor aanvullende bescherming van minderjarigen en financieel kwetsbare consumenten binnen social commerce-platforms zoals TikTok Shop? Zo nee, waarom niet?
Ik ben in Europees verband actief betrokken bij beraadslagingen over de DFA. De Europese Commissie beoogt met de DFA onder andere de commerciële uitbuiting van kwetsbaarheden van consumenten aan te pakken.9 In dat kader wil de Europese Commissie de DFA ook specifiek richten op de bescherming van minderjarigen. De Nederlandse inzet bij de DFA heb ik besproken in mijn antwoorden op vraag 6 en vraag 15.10
In hoeverre acht u het wenselijk dat digitale platforms via algoritmen en verkooptechnieken consumptie stimuleren, terwijl Nederland en de Europese Unie tegelijkertijd inzetten op een circulaire economie, consuminderen en het verminderen van grondstoffengebruik? Ziet u hierin een beleidsmatige spanning?
Ja, hierin kan een beleidsmatige spanning bestaan. In het Nationaal Programma Circulaire Economie zet het kabinet onder andere in op het efficiënter grondstoffengebruik en het bevorderen van circulair consumentengedrag. Het kabinet zoekt een balans tussen ondernemingsruimte op de vrije markt en de draagkracht van de aarde. Uit gedragswetenschappelijke inzichten blijkt dat de omgeving waarin mensen keuzes maken sterk van invloed is op hun gedrag. Daarom werkt het kabinet aan het makkelijker, logischer en eerlijker maken van circulaire keuzes voor consumenten.
Digitale platforms kunnen daarbij zowel een uitdaging als een kans vormen. Zij kunnen consumptie stimuleren, maar ook circulaire verdienmodellen zoals tweedehands handel, reparatie, delen en verhuur faciliteren. Het kabinet blijft zich, binnen bestaande nationale en Europese kaders, inzetten voor een keuzeomgeving waarin consumenten op basis van duidelijke en betrouwbare informatie een keuze kunnen maken, zonder misleidende of manipulatieve verkooptechnieken.
Hebben al meer bedrijven zich gemeld bij de Nederlandse overheid dat zij met een vergelijkbare online shop op de markt gaan komen? Zo ja, wat kunt u hierover met ons delen? En hoe zal er getoetst worden of zij voldoen aan alle wettelijke kaders en toegelaten worden?
Nederland kent een vrij ondernemingsklimaat. Dit betekent dat er geen plicht bestaat voor ondernemingen om zich te melden bij de Nederlandse overheid als zij met een online shop op de markt komen. De Nederlandse overheid toetst dan ook niet vooraf of een onderneming tot de markt wordt toegelaten. Uiteraard moeten ondernemers zich wel houden aan de toepasselijke wet- en regelgeving zodra zij de Nederlandse markt betreden en is het van belang deze regels effectief te handhaven.
Het recht op reparatie |
|
Jantine Zwinkels (CDA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Hoe reflecteert u op de huidige stand van zaken van Right to Repair en de concrete uitvoering van deze wetgeving?
Met de term «right to repair» wordt verwezen naar Richtlijn (EU) 2024/1799 betreffende gemeenschappelijke regels ter bevordering van de reparatie van goederen. Op dit moment wordt deze richtlijn in nationaal recht geïmplementeerd. Het implementatiewetsvoorstel is voor advies aangeboden aan de Raad van State. Het advies wordt deze zomer verwacht. Daarna wordt het wetsvoorstel naar de Staten-Generaal gestuurd. De implementatie van het wetsvoorstel wordt voltooid na instemming van de Tweede en Eerste Kamer met het wetsvoorstel.
Op grond van de wetgeving worden bedrijven verplicht om een groot aantal producten1 op verzoek van de consument te repareren wanneer deze defect zijn. Wat betreft de uitvoering van de richtlijn voorziet het kabinet geen hoge lasten voor bedrijven om aan de nieuwe bepalingen te voldoen. Het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR) oordeelde op 5 november 2025 geen aanleiding te zien een formeel adviespunt te geven over de berekening van de regeldruk voor bedrijven.
Bent u bekend met het TNO-onderzoek1 waaruit blijkt dat consumenten door reparatie en revisie van onder meer wasmachines, smartphones en e-bikeaccu’s tientallen tot honderden euro’s kunnen besparen en producten jarenlang langer kunnen gebruiken? Hoe beoordeelt u deze uitkomsten in het licht van de circulaire economie en het verminderen van grondstoffengebruik?
Ja, ik ben bekend met het onderzoek. De uitkomsten bevestigen dat de transitie naar een circulaire economie niet alleen in het belang is van het verminderen van (kritieke) grondstoffenverbruik (en daarmee onze afhankelijkheid daarvoor van derde landen) en CO2 uitstoot, maar ook besparingen op kan leveren voor ondernemers en consumenten. Daarom zet ik mij als coördinerend Minister ook vol in om de overgang naar een circulaire economie te versnellen. Voor meer informatie over de beleidsinzet in het kader van deze transitie verwijs ik graag naar het Nationaal Programma Circulaire Economie (NPCE) 2025.3
Welke nationale maatregelen kunnen er op korte termijn worden genomen om reparatie aantrekkelijker te maken en bent u bereid hiervoor concrete voorstellen uit te werken?
Om reparatie te bevorderen, zijn (tenminste) drie zaken nodig. Ten eerste moeten spullen zo ontworpen zijn dat ze (makkelijker) te repareren zijn. Ten tweede is een goede reparatie-infrastructuur nodig, met voldoende beschikbare vakmensen om de reparaties uit te voeren. Ten derde moet het voor consumenten makkelijk en aantrekkelijk zijn om spullen te laten repareren.
Dit zijn dan ook de drie sporen waarlangs de huidige beleidsinzet voor reparatie is ingericht: (1) beter productontwerp, met name via ontwerpeisen op EU niveau onder de Ecodesignregelgeving; (2) versterking van de reparatie-infrastructuur en -vakmanschap, bijvoorbeeld door aandacht voor reparatie in het onderwijs en het opzetten van een Nationaal Reparateursregister; en (3) consumenten stimuleren om hun producten te (laten) repareren, bijvoorbeeld door betere informatie voor consumenten en door reparatie goedkoper te maken.
Voor meer details over de beleidsinzet op de genoemde sporen verwijs ik graag naar de Kamerbrief «reparatie in de circulaire economie»4 en de Kamerbrief over uitvoering van de motie Stoffer over reparatie en hergebruik van elektrische en elektronische apparatuur.5
Verder wordt de Kamer binnenkort door de Staatssecretaris Fiscaliteit en Belastingdienst geïnformeerd over de bijdrage van de fiscaliteit aan meer reparatie van huishoudelijke apparaten en andere productgroepen, naar aanleiding van de motie Grinwis.6
Bent u bereid om in nationale aanbestedingen voorwaarden op te nemen die producenten stimuleren producten terug te nemen, te hergebruiken en repareerbaar te ontwerpen? Zo nee, waarom niet?
Aanbestedende diensten hebben binnen de aanbestedingskaders de autonomie om diverse belangen af te wegen en te vertalen naar voorwaarden in hun aanbestedingen. Ik ondersteun het opnemen van voorwaarden in overheidsaanbestedingen die levensduurverlenging en hoogwaardige recycling van producten bevorderen. Dit doe ik met de Agenda Maatschappelijk verantwoord opdrachtgeven en inkopen (MVOI) 2026–2030 die dit jaar naar de Kamer wordt gestuurd. Hiermee worden overheden gestimuleerd en ondersteund om circulair in te kopen. Dit gebeurt via Buyer Groups, de mvi-criteriatool en het Versnellingsnetwerk Circulair Inkopen voor productketens zoals bedrijfskleding, ICT en zonnepanelen. Terugname, hergebruik, repareerbaarheid en hoogwaardige recycling zijn daarbij belangrijke onderdelen.
Ten aanzien van de Rijksinkoop wordt dit jaar tevens de actualisatie van de Rijksinkoopstrategie, onder verantwoordelijkheid van de Staatssecretaris van Koninkrijksrelaties en Slagvaardige Overheid, naar de Kamer gestuurd. Hierin wordt in de hernieuwde beleidsstrategie MVOI ook ingezet op levensduurverlenging en hoogwaardige recycling. Overigens kan het per productketen verschillen hoe levensduurverlenging het beste geborgd kan worden. Zo is het soms beter om een product zo lang mogelijk in eigen beheer te behouden voor meerdere levens, en is het in andere gevallen gunstiger om een product-as-a-service-model op te zetten. Van beide zijn voorbeelden te vinden bij het Rijk, zoals kantoormeubilair dat in eigen beheer blijft en ICT, dienstauto’s of printers die worden ingekocht als product-as-a-service.
Hoe beoordeelt u de mogelijkheid om de bewijslast binnen de wettelijke garantieperiode verder richting producenten te verschuiven, zodat consumenten eenvoudiger aanspraak kunnen maken op kosteloze reparatie of vervanging bij defecten?
Het is belangrijk te benadrukken dat de consument een koopovereenkomst sluit met de verkoper en niet met de producent. De wettelijke garantierechten kunnen dan ook uitsluitend richting de verkoper worden ingeroepen. Met de implementatie van de EU-richtlijn verkoop goederen in het Nederlandse recht in 2022 geldt dat als er in het eerste jaar na aanschaf sprake is van een gebrekkig product de bewijslast bij de verkoper ligt om aan te tonen dat het product niet al gebrekkig was bij levering. Met deze implementatie werd de termijn van zes maanden, die voor de inwerkingtreding van de richtlijn werd gehanteerd, verdubbeld. Na twaalf maanden verschuift de bewijslast naar de consument. Dit betekent dat wanneer het gebrek zich na twaalf maanden voordoet, het aan de consument is om te bewijzen dat dit niet door zijn toedoen is gebeurd om aanspraak kunnen maken op kosteloze reparatie of vervanging.
Bij de implementatie van de EU-richtlijn verkoop goederen is geprobeerd een goede balans te waarborgen tussen de bescherming van de positie van de consument enerzijds en de verplichtingen van de verkoper anderzijds. Naarmate de termijn tussen de aanschaf van een product en de openbaring van een gebrek van het product langer is, zal het voor een verkoper lastiger zijn te bewijzen dat het gebrek geheel of gedeeltelijk is veroorzaakt door het gebruik door de consument. Het verlengen van deze termijn naar bijvoorbeeld twee jaar zou daarmee voor de verkoper een onevenredige last betekenen. Op dit moment ziet het kabinet dan ook geen aanleiding om de bewijslast verder richting verkopers te verschuiven.
Welke financiële middelen zijn momenteel beschikbaar om reparatiebedrijven, revisiebedrijven en ondernemingen die producten circulair en repareerbaar ontwerpen op te schalen? In hoeverre acht u deze middelen voldoende om reparatie in Nederland structureel de norm te maken?
Reparatie is een belangrijke activiteit binnen een circulaire economie en reparatiebedrijven en andere ondernemingen kunnen in aanmerking komen voor subsidies gericht op het bevorderen van de transitie naar een circulaire economie.
Het NPCE 2030 bevat een overzicht van de structurele en incidentele middelen die beschikbaar zijn voor circulaire economie in de jaren 2025–2030.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 zijn om reparatie te bevorderen niet alleen middelen nodig voor de genoemde ondernemingen, maar is een bredere beleidsinzet nodig. Het onderzoek van TNO en de NVCE laat zien dat reparatie nu in veel gevallen al loont. Toch kiezen veel consumenten nog voor vervanging, ook wanneer reparatie tot de mogelijkheden behoort en kosten zou besparen.
Ook het Burgerberaad Klimaat heeft in haar advies de betaalbaarheid van reparatie geadresseerd. Het kabinet heeft eveneens de ambitie om te zorgen dat spullen langer meegaan. Ik blijf dan ook prioriteit geven aan het bevorderen van reparatie als onderdeel van de beleidsinzet voor de transitie naar een circulaire economie.
Online beïnvloeding van jongeren en regelgeving rondom influencers |
|
Inge van Dijk (CDA), Joris Lohman (CDA), Jantine Zwinkels (CDA), Harmen Krul (CDA) |
|
Aerdts , Sophie Hermans (VVD), Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de onderzoeken van Wijzer in Geldzaken en de Universiteit Utrecht dat veel jongeren zich bij financiële beslissingen laten beïnvloeden voor finfluencers met loze beloften over snel geld verdienen en dat met name kwetsbare jongeren hierdoor in de problemen kunnen komen, terwijl finfluencers vooral hun eigenbelang dienen?1, 2
Ja.
Bent u bekend met het recente onderzoek van de Radboud Universiteit dat influencers zonder medische achtergrond mensen met hun gezondheidsadviezen medische misinformatie kunnen verstrekken, bijvoorbeeld met oproepen om geen zonnebrand meer te gebruiken of te stoppen met hormonale anticonceptie?3
Ja.
Bent u bekend met de recente waarschuwingen van de Nederlandse Voedsel- en Warenautorteit (NVWA) over de risico’s van supplementen, waar verboden of onveilige stoffen in kunnen zitten, bijvoorbeeld bij teveel inname of verkeerde combinaties waardoor schade aan de gezondheid kan ontstaan, en de publicatie van een Blocklist?4
Ja.
Deelt u de zorg dat jongeren in toenemende mate informatie over onder meer financiële zaken, gezondheid en maatschappelijke vraagstukken verkrijgen via sociale media en influencers, en dat dit risico’s kan meebrengen wanneer informatie onjuist, onvolledig of misleidend is?
Ja.
Bent u bekend met het artikel ««Geen diploma, geen video»: nieuwe Chinese wetgeving voor influencers leidt tot verhit online debat»? En het initiatief van de Chinese overheid om eisen te stellen aan influencers te beschikken over aantoonbare deskundigheid wanneer zij over bepaalde maatschappelijke thema’s, zoals gezondheid, voeding en financiën adviseren?5
Ja.
Vind u dat ook in Nederland strengere regels zouden moeten gelden voor influencers die over maatschappelijke thema’s, zoals gezondheid, voeding en financiën mogen adviseren, zoals het beschikken over aantoonbare deskundigheid of expliciete vermelding dat hiervan geen sprake is, omdat zulke adviezen niet zonder risico’s zijn?
Het is zorgelijk dat mensen, in het bijzonder jongeren, in toenemende mate worden blootgesteld aan onjuiste informatie van influencers, bijvoorbeeld over gezondheidsonderwerpen en geldzaken. Dit kan hen aanzetten tot keuzes die zij anders niet zouden maken, met negatieve gevolgen als resultaat. Tegelijkertijd is het belangrijk om de vrijheid van meningsuiting ook online te bewaken.
Het kabinet vindt het onwenselijk dat aanbevelingssystemen problematische inhoud versterken, en vindt het daarom belangrijk dat inhoud van kwaliteitsmedia zichtbaarder wordt gesteld. Het kabinet werkt dan ook, binnen het kader van de Audiovisuele Mediadienstenrichtlijn (AVMSD), aan het invoeren van prominentiemaatregelen om de zichtbaarheid en vindbaarheid van aanbod van algemeen belang te vergroten.
Kunt u onderzoeken of het mogelijk is om aanvullende eisen aan deskundigheid te stellen bij adviseren op terreinen waar desinformatie een verhoogd risico inhoudt, met name voor kwetsbare groepen, zoals over financiën, voedings- (en specifiek over Voedingssupplementen en kruidensupplementen) en gezondheidsadviezen?
Door de opkomst van influencers kan het onderscheid tussen reclame, sponsoring en productplaatsing vervagen. Op dit moment is het niet altijd duidelijk welke regels van toepassing zijn, met name in relatie tot consumentenwetgeving en de AVMSD. Het is vooraleerst belangrijk dat influencers duidelijkheid hebben over welke regels op hen van toepassing zijn, om de naleving te verbeteren. In zowel het non-paper over de Digital Fairness Act6, als in het non-paper over de herziening van de AVMSD7, is opgenomen dat het noodzakelijk is de toepasselijke regels goed af te stemmen, zodat de regels voor influencers duidelijk en handhaafbaar zijn.
Zou het bijvoorbeeld mogelijk zijn een disclaimer te verplichten bij posts van influencers waaruit voor een breed publiek eenvoudig te herleiden is dat het niet om deskundig advies gaat, bijvoorbeeld #NietDeskundig, #GeenDiploma of #GeenExpert
Zie het antwoord op vraag 6 en 7. Het kabinet heeft recent de Europese Commissie opgeroepen om regels voor influencers te verduidelijken. Het kabinet kijkt met interesse naar de voorstellen van de Europese Commissie op dit punt. Daarnaast wijst het kabinet op het belang van co- en zelfregulering, hiermee wordt de sector aangespoord om (binnen de wettelijke kaders) zelf normen te stellen en te handhaven. De ervaringen met de Nederlandse Reclame Code zijn positief. Deze vorm van co-regulering draagt bij aan verantwoorde en betrouwbare reclame-uitingen8.
Bent u bereid om ook in Europees verband in te zetten op betere consumentenbescherming bij online advisering over mogelijk risicovolle producten, en met name op aanvullende eisen aan (informatie over) deskundigheid? Bijvoorbeeld via Digital Services Act, richtlijnen voor consumentenbescherming of de Digital Fairness Act?
Zoals aangegeven in de antwoorden op vragen 7 en 8 zet het kabinet op Europees niveau in op betere regulering van influencers. In welk wetgevingsinitiatief dit het beste past, wordt nog onderzocht. De uiteindelijke keuze hierin ligt bij de Europese Commissie. Het kabinet heeft zijn standpunt over influencers wel reeds kenbaar gemaakt via een non-paper in het kader van de herziening van de AVMSD. Daarnaast pleitte het kabinet in een non-paper over de Digital Fairness Act (DFA) voor duidelijkere regels voor influencers door meer duidelijkheid te geven over de reikwijdte van de AVMSD en het consumentenrecht. Daarnaast stelde het kabinet voor om in de EU meer in te zetten op het certificeren van influencers9. Tot slot stelt het kabinet in hetzelfde non-paper risico’s te zien bij finfluencing, met name natuurlijk wanneer illegale financiële producten en diensten worden gepromoot. Het kabinet verzoekt de Europese Commissie daarom om dit soort handelspraktijken te verbieden via een aanpassing van het EU-consumentenrecht10.
Het bericht 'Verkrachtingsacademie’ waar mannen hun vrouwen drogeren en aanranden: CNN legt wereldwijd netwerk van misbruik bloot' |
|
Jantine Zwinkels (CDA), Etkin Armut (CDA) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht ««Verkrachtingsacademie» waar mannen hun vrouwen drogeren en aanranden: CNN legt wereldwijd netwerk van misbruik bloot»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Deelt u de mening dat het verwerpelijk en onacceptabel is dat er wereldwijde netwerken bestaan van mannen die elkaar aanmoedigen om vrouwen te misbruiken en drogeren, en hier veelvuldig tips over delen?
De online netwerken waarin seksueel misbruik wordt gefaciliteerd, aangemoedigd en verspreid zijn misselijkmakend. Het is volstrekt onacceptabel dat mensen elkaar zouden aanmoedigen om anderen, soms zelfs hun eigen partner, te drogeren en te misbruiken, en daar vervolgens beeldmateriaal van te maken en te verspreiden. Het kabinet tolereert dergelijk gedrag in Nederland niet. De politie en het OM doen onderzoek naar de website en daar kan ik niet op vooruitlopen.
Mijn gedachten gaan uit naar de slachtoffers. De impact van seksueel misbruik op slachtoffers en hun omgeving is enorm en kan langdurig doorwerken.
Welke strafrechtelijke mogelijkheden bestaan er om beheerders en Nederlandse gebruikers van dit soort platforms op te sporen en te vervolgen?
Opsporingsdiensten beschikken over verschillende bevoegdheden om beheerders en gebruikers van dergelijke platforms op te sporen, waaronder digitale opsporingsbevoegdheden op grond van het Wetboek van Strafvordering. Zo kunnen de politie en het OM in het kader van de opsporing zich via bevelen en vorderingen richten tot aanbieders van communicatiediensten. In het geval een aanbieder buiten Nederland is gevestigd, zal voor de inzet hiervan een internationaal rechtshulpverzoek uitgevaardigd moeten worden.
Voor zover de genoemde platforms kwalificeren als aanbieder van communicatiediensten en indien beheerders en gebruikers als verdachte in een strafrechtelijk onderzoek zijn aangemerkt, kunnen opsporingsdiensten onder voorwaarden verkeers- en gebruikersgegevens vorderen.2 Als de identiteit van betrokkenen kan worden vastgesteld, kan strafrechtelijke vervolging volgen.
Daders weten in de praktijk echter goed gebruik te maken van anonimiseringstechnieken, waardoor veel rechtshulp nodig is om gegevens op te vragen. Dit bemoeilijkt het onderzoek.
Indien er sprake is van een verdenking van een misdrijf als bedoeld in artikel 67, eerste lid, Wetboek van Strafvordering (Sv) (misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis mogelijk is), kan de officier van justitie aan een aanbieder het bevel richten om de content ontoegankelijk te (laten) maken op grond van artikel 125p Sv.
In aanvulling op bovenstaande strafrechtelijke mogelijkheden, gelden op grond van de Digitaledienstenverordening (DSA) diverse publiekrechtelijke zorgvuldigheidsverplichtingen voor aanbieders van tussenhandeldiensten. Deze verplichtingen beogen onder meer de verspreiding van illegale content tegen te gaan. Hostingdiensten en online platforms dienen meldingen van illegale content adequaat te behandelen en hierover tijdig een beslissing te nemen. Indien sprake is van systematische niet-naleving van deze verplichtingen, kunnen de bevoegde toezichthouders handhavend optreden. Ten aanzien van het toezicht op de naleving van de DSA geldt dat de Europese Commissie de bevoegde toezichthouder is voor zeer grote onlineplatforms en zeer grote onlinezoekmachines. Voor de overige aanbieders van tussenhandeldiensten is in Nederland de Autoriteit Consument en Markt (ACM) aangewezen als bevoegde nationale toezichthouder.
Kunt u in kaart brengen hoeveel van dit materiaal op Nederlandse servers staan en in hoeverre soortgelijke «verkrachtingsacademies» in Nederland aan de orde zijn?
De politie geeft in algemene zin aan bekend te zijn met het fenomeen van online «verkrachtingsacademies». Wanneer er bij de politie een melding wordt gedaan van een dergelijke situatie, kan dit op verschillende wijzen en onder verschillende strafbare feiten worden geregistreerd en vastgelegd in de politiesystemen. Hierdoor kunnen er geen eenduidige cijfers uit de systemen worden gehaald van het aantal meldingen dat de politie heeft ontvangen.
De politie zal onderzoek verrichten wanneer melding of aangifte wordt gedaan van een dergelijke situatie. De politie benadrukt dat als mensen vermoeden dat zij slachtoffer zijn van dergelijke zaken, zij zich te allen tijde kunnen melden bij de politie. De politie zal in gesprek gaan met deze (vermoedelijke) slachtoffers om te kijken wat zij in de betreffende situatie het beste kunnen doen en betekenen voor het slachtoffer.
Hoeveel Nederlandse vrouwen zijn naar verwachting slachtoffer van drogering en verkrachting door hun partner en waar kunnen deze slachtoffers zich melden?
De politie geeft aan meldingen te hebben ontvangen van slachtoffers die vermoeden dat zij zijn gedrogeerd en seksueel misbruikt door hun partner. Zoals in het antwoord op vraag 4 is toegelicht, worden deze meldingen op verschillende wijzen en onder verschillende strafbare feiten geregistreerd en vastgelegd in de politiesystemen en kunnen hierdoor geen eenduidige cijfers uit de systemen worden gehaald van het aantal meldingen dat de politie van dergelijke situaties heeft ontvangen.
Mocht iemand vermoeden slachtoffer te zijn van een soortgelijke situatie, dan kan diegene zich altijd melden bij de politie. De politie zal dan in gesprek met het slachtoffer beoordelen wat zij voor het slachtoffer kan betekenen.
Voor slachtoffers en hun naasten geldt dat zij voor hulp en ondersteuning terecht kunnen bij verschillende organisaties. De medewerkers van Slachtofferhulp Nederland geven kosteloos emotionele steun en juridisch advies. Voor aanvullende ondersteuning kan Slachtofferhulp Nederland doorverwijzen naar gespecialiseerde organisaties. Zo heeft het Centrum Seksueel Geweld een speciale pagina met informatie over seksueel misbruik en wat slachtoffers kunnen doen als het hen overkomt. Offlimits helpt met het laten verwijderen van online illegaal materiaal en biedt hulp, advies en preventie op het gebied van online grensoverschrijdend gedrag en online seksueel misbruik.
De hulplijn van Offlimits heeft geen meldingen ontvangen die specifiek betrekking hebben op deze netwerken. Offlimits merkt daarbij op dat het mogelijk is dat slachtoffers zich er niet altijd van bewust zijn dat zij slachtoffer zijn geworden, bijvoorbeeld wanneer zij buiten bewustzijn waren doordat zij waren gedrogeerd op het moment dat opnames werden gemaakt.
In hoeverre is het strafbaar om in groepchats tips te delen om vrouwen te drogeren met slaapmedicatie? Kan hier specifiek op gehandhaafd worden en zo nee, welke belemmeringen zijn er?
Het delen van tips in groepchats om vrouwen te drogeren met slaapmedicatie kan strafbaar zijn, maar dat hangt af van de concrete inhoud en context. Het verschaffen van generieke informatie over slaapmedicatie is op zichzelf niet strafbaar. Strafbaarheid ontstaat wanneer degene die de tips heeft gedeeld zowel opzet heeft gehad op het uiteindelijke misdrijf dat is gepleegd (het drogeren van iemand en eventueel daarna seksueel misbruiken) als op de hulpverlening of samenwerking daartoe door het geven van tips. Relevante strafrechtelijke grondslagen zijn onder meer deelneming aan en/of voorbereiding van (zware) mishandeling (artikel 300 en 304 Sr). Indien tips worden gegeven hoe je iemand kan drogeren met slaapmedicatie om die persoon vervolgens seksueel te misbruiken, kan sprake zijn van deelneming aan en/of voorbereiding van gekwalificeerde opzetaanranding (artikel 241 lid 2) of gekwalificeerde opzetverkrachting (artikel 243 lid 2). Uit artikel 244 Sr blijkt namelijk dat bij een persoon in ieder geval de wil tot seksuele handelingen ontbreekt indien diegene in een staat van bewusteloosheid verkeert (bijvoorbeeld door vaste slaap of door het gebruik van verdovende middelen).3
Gerichte handhaving is in de praktijk echter complex. Besloten groepchats op diensten als Signal of WhatsApp zijn end-to-end versleuteld; de politie en het OM hebben daartoe geen toegang, en een gerichte rechterlijke machtiging en medewerking van de aanbieder levert in de regel niets op. Hoewel in Nederland telecommunicatiediensten zoals KPN of Vodafone wettelijk verplicht zijn om toegang tot informatie in leesbare vorm te verstrekken op basis van een gerechtelijke vordering,4 geldt deze verplichting niet voor nummeronafhankelijke communicatiediensten zoals WhatsApp of Signal. Omdat deze diensten tevens aangeven dat zij geen toegang hebben tot de communicatie van hun gebruikers, kunnen zij ook niet meewerken aan een vordering om deze informatie alsnog te verstrekken. De DSA biedt in deze gevallen ook geen uitkomst; nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten vallen niet onder het toepassingsgebied van de DSA. De DSA legt hostingdiensten en online platforms wel de verplichting op om meldingen over illegale content op hun diensten tijdig te beoordelen en verwerken (zie ook het antwoord op vraag 3). Nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten zijn daarvan echter uitdrukkelijk uitgesloten.
Bent u van mening dat het wenselijk is om deelnemen aan of faciliteren van dergelijke online omgevingen explicieter strafbaar te stellen?
Naarmate instructies over hoe iemand kan worden gedrogeerd en vervolgens seksueel misbruikt concreter en specifieker worden gedeeld, kan sprake zijn van strafbare betrokkenheid bij seksuele misdrijven, bijvoorbeeld in de vorm van medeplichtigheid of uitlokking als bedoeld in het Wetboek van Strafrecht. Op grond van de Wet seksuele misdrijven (WSM), die op 1 juli 2024 in werking is getreden, zijn diverse seksuele gedragingen en vormen van facilitering daarvan strafbaar gesteld of aangescherpt. Afhankelijk van de concrete inhoud en context kan daarnaast sprake zijn van strafbare voorbereiding of deelname aan een crimineel samenwerkingsverband.
De normstelling die hiervan uitgaat, dient hand in hand te gaan met handhaving tegen strafbare feiten en illegale online content waarbij seksueel geweld centraal staat. In het antwoord op vraag 3 licht ik de strafrechtelijke opsporingsbevoegdheden toe ten aanzien van de beheerders en de gebruikers hiervan.
Hoe kunt u voorkomen dat anonimiteit op het internet ertoe leidt dat daders zich gemakkelijk kunnen verschuilen bij het plegen van seksueel geweld en delen van livestreams van seksueel misbruik, en welke ruimte biedt de Digital Services Act (DSA) om dit tegen te gaan?
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 3, kan bij verdenking van bepaalde strafbare feiten en onder specifieke voorwaarden informatie over gebruikers worden gevorderd bij aanbieders van communicatiediensten. Indien een communicatiedienst buiten Nederland is gevestigd, dient de officier van justitie een verzoek om rechtshulp te doen aan de bevoegde buitenlandse autoriteiten.
Voor zover de aanbieder van een communicatiedienst kwalificeert als tussenhandeldienst onder de DSA, schrijft artikel 10 DSA voor dat de ontvangende tussenhandeldienst van een vordering zo spoedig mogelijk terugkoppelt op welke wijze en binnen welke termijn daaraan gevolg wordt gegeven. Toch is de reikwijdte van de DSA voor deze diensten maar beperkt. Zo kwalificeert WhatsApp voor wat betreft de aangeboden functie «kanalen» als online platform onder de DSA, maar is deze dienst voor privéberichten – veruit het grootste en belangrijkste onderdeel van het platform – uitdrukkelijk uitgezonderd van de verplichtingen onder de DSA.
Er bestaat geen algemene identificatieplicht voor internetgebruikers waardoor het internet een zekere mate van anonimiteit biedt. De online privacy die daarmee samenhangt, vervult ook een belangrijke functie. Zij stelt bijvoorbeeld klokkenluiders in staat om misstanden aan het licht te brengen en biedt onderzoeksjournalisten de ruimte om veilig hun werk kunnen doen. De in het strafrecht geregelde bijzondere opsporingsbevoegdheden zijn bedoeld om, waar dat noodzakelijk is, anonimiteit op te heffen ten behoeve van opsporing en vervolging.
Daar waar het plegen van seksueel geweld en delen van livestreams van seksueel misbruik tegen specifiek kinderen betreft, wordt sinds 1 juli 2024 bestuursrechtelijk opgetreden middels de Wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal. Deze wet regelt onder meer de bevoegdheid voor de opgerichte Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM) om aanbieders van communicatiediensten gevestigd in Nederland te verplichten online kinderpornografisch materiaal ontoegankelijk te maken of te verwijderen en bestuursrechtelijk te handhaven wanneer zij dat niet doen.
Het strafrecht vormt het sluitstuk van de aanpak. De aanpak van online seksueel kindermisbruik is een van de prioriteiten in de huidige Veiligheidsagenda en zal ook in de volgende Veiligheidsagenda (2027–2030) een van de geprioriteerde thema’s zijn. In de Veiligheidsagenda zijn landelijke beleidsdoelstellingen voor de politie vastgesteld.
Voorts vindt op Europees niveau tweeledige inzet plaats door middel van de herziening van de CSA-Richtlijn (Richtlijn betreffende de aanpak van seksueel kindermisbruik, seksuele uitbuiting van kinderen en materiaal van seksueel misbruik van kinderen) en de CSAM-Verordening (Verordening betreffende voorschriften ter voorkoming en bestrijding van seksueel kindermisbruik).
Op welke manier werkt Nederland samen met andere Europese lidstaten bij de bestrijding van dit soort grensoverschrijdende online seksuele criminaliteit?
Nederland werkt bij de bestrijding van grensoverschrijdende online seksuele criminaliteit nauw samen met andere Europese lidstaten en Europese instellingen. Ook bij dit fenomeen staat de politie in nauwe verbinding met Europol, Interpol en andere internationale samenwerkingspartners. Omdat dit type criminaliteit zich vaak over landsgrenzen heen afspeelt, wordt in Europees verband samengewerkt op het gebied van opsporing, vervolging en het tegengaan van de verspreiding van strafbaar materiaal online.
Als individuele lidstaat kan Nederland inzetten op een sterke nationale aanpak, waaronder het versterken van de opsporingscapaciteit, het verbeteren van de samenwerking tussen publieke en private partijen en het stimuleren van meldingsbereidheid. Ook blijft Nederland investeren in preventie en het beschermen van slachtoffers.
Tegelijkertijd is een effectieve aanpak in belangrijke mate afhankelijk van samenwerking in Europees en internationaal verband. Er zijn verschillende Europese en internationale instrumenten waarin aandacht is voor de aanpak van online seksueel (kinder)misbruik met onder andere harmonisatie van wet- en regelgeving, verbetering van grensoverschrijdende gegevensuitwisseling en versterking van de rol van Europese agentschappen. Denk hierbij aan verdragen zoals het Verdrag inzake cybercriminaliteit (ook bekend als het Boedapestverdrag) en het Verdrag inzake de bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting en seksueel misbruik (verdrag van Lanzarote) van de Raad van Europa of de EU-richtlijn inzake de bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, waarin ook aandacht is voor cybergeweld. Daarnaast wordt op dit moment op EU-niveau specifiek voor de bescherming van kinderen tegen seksueel misbruik over twee instrumenten onderhandeld: een richtlijn inzake de bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie en een verordening inzake materiaal van seksueel misbruik van kinderen. Nederland blijft zich daarom inzetten voor een gezamenlijke Europese aanpak waarin opsporing, preventie en verantwoordelijkheid ook van online dienstverleners centraal staan.
Kunt u in kaart brengen wat Nederland als individuele lidstaat kan doen om dit aan te pakken, en wat nodig is in Europees verband?
Zie antwoord vraag 9.
Heeft u in beeld hoeveel meldingen worden gedaan bij de online platforms over dergelijke «verkrachtingsacademies» en op welke manier wordt hierop geacteerd door de platforms?
Artikel 15 van de DSA verplicht tussenhandeldiensten jaarlijks transparantierapporten te publiceren over hun activiteiten op het gebied van contentmoderatie. Hostingdiensten rapporteren daarin over categorieën illegale online content. Uit deze rapportages valt niet af te leiden hoeveel meldingen specifiek betrekking hebben op de problematiek rondom verkrachtingsacademies. Wel vermeldt bijvoorbeeld het meest recente transparantierapport van Telegram,5 voor zover het de onderdelen van de dienst betreft die als online platform onder de DSA kwalificeren, hoeveel verwijder- en informatieverzoeken zijn gedaan en in hoeveel gevallen Telegram tegen illegale pornografische content heeft opgetreden.
Vindt u dat Telegram de verantwoordelijkheid om slachtoffers te beschermen en schadelijke content te verwijderen naleeft, nu veelvuldig in groepchats concreet advies wordt gedeeld over het drogeren van vrouwen, middelen worden verkocht om vrouwen in slaap te houden en livestreams worden gemaakt van seksueel misbruik?
Het bestaan van deze groepen op Telegram vind ik uiteraard verschrikkelijk, temeer daar de ervaringen met Telegram wisselend en tot dusver veelal moeizaam zijn. Uit berichtgeving van CNN bleek wel dat tijdens het journalistieke onderzoek een uitgelichte groepschat door Telegram is verwijderd. In een verklaring na publicatie heeft Telegram aangegeven dat content die aanzet tot seksueel geweld in strijd is met de algemene voorwaarden en wordt verwijderd zodra dergelijke content wordt ontdekt.
Het kabinet wijst partijen als Telegram voortdurend op hun verantwoordelijkheid, mede met behulp van wetgevende instrumenten zoals de Verordening terroristische online-inhoud (hierna: TCO-verordening) en de DSA. Over de Verordening ter voorkoming en bestrijding van seksueel kindermisbruik wordt nog onderhandeld. Deze drie verordeningen leggen tussenhandeldiensten meer (zorgvuldigheids)verplichtingen op, onder meer met betrekking tot illegale online content.
Verder kijk ik met belangstelling naar bredere ontwikkelingen op het gebied van toezicht- en handhaving. Zo onderzoekt het OM of en in hoeverre Telegram meewerkt aan bevelen tot het ontoegankelijk maken van content op basis van rechterlijke machtigingen. Het onderzoek beslaat een breed scala aan verdenkingen van strafbare feiten, zoals de online handel in drugs en wapens, terreur en online materiaal van seksueel kindermisbruik. Afhankelijk van hoe het OM de uitkomsten van het onderzoek beoordeelt, worden vervolgacties overwogen.
Hiernaast volg ik de werkzaamheden van de Belgische toezichthouder voor zowel de TCO-verordening als de DSA, aangezien Telegram in België zijn wettelijke vertegenwoordiger heeft aangewezen. De Belgische toezichthouder heeft eerder bekendgemaakt dat in 2024,6 gelet op het grote aantal Telegram-gebruikers en het aantal tegen Telegram uitgevaardigde bevelen, een onderzoek is gestart naar de naleving door Telegram van de TCO-verordening. Dit onderzoek liep in 2025 nog door. De uitkomsten en eventuele vervolgstappen volg ik met interesse.
Bent u bereid om te onderzoeken of aanvullende wetgeving of bevoegdheden nodig zijn om sneller in te grijpen bij websites die seksueel geweld faciliteren?
In 2027 moeten zowel de nationale evaluatie van de Uitvoeringswet DSA als de Europese evaluatie van de DSA worden opgeleverd, daarbij wordt onder andere gekeken naar de werking, waaronder de doeltreffendheid, van deze instrumenten in de praktijk. Mijn ministerie zal een actieve bijdrage leveren aan deze evaluaties.
Daarnaast is de Kamer eerder over de aanpak van malafide hostingpartijen geïnformeerd.7 Binnen deze aanpak worden verschillende maatregelen tegen aanbieders genomen die geen of weinig maatregelen nemen tegen het faciliteren van malafide activiteiten in de online omgeving. Als onderdeel hiervan wordt er onder andere gekeken naar de mogelijkheid om een «Know your customer»-beleid (KYC-beleid) voor de hostingsector wettelijk te verankeren. Met een KYC-beleid kunnen opsporingsdiensten klanten van hostingpartijen sneller identificeren bij sprake van malafide activiteiten. De Kamer wordt hierover later dit jaar nader geïnformeerd.
Binnen de aanpak tegen bad hosting, worden de mogelijkheden voor een verplicht KYC-beleid voor de hostingsector momenteel nader onderzocht Door een verplicht KYC-beleid voor de hostingsector kunnen de verantwoordelijke (klanten van) dienstverleners sneller worden achterhaald, dan wel sneller aansprakelijk worden gesteld bij het niet voldoen aan een bevel of vordering. Het offline halen van platforms die vanuit het buitenland worden gehost blijft een uitdaging. De resellersproblematiek, een constructie waarbij hostingdiensten worden doorverhuurd of doorverkocht aan tussenpartijen, speelt hierbij een grote rol. Door de resellersconstructie is er minder zicht op malafide activiteiten van klanten van hostingdiensten en kan een klant of gebruiker makkelijker anoniem blijven. Het wettelijk verplichten van een KYC-beleid voor de hostingsector helpt ook bij het tegengaan van de resellersproblematiek.
Bent u bereid om, in samenwerking met Europese lidstaten, zich actief in te zetten voor het zo snel mogelijk offline halen van platforms zoals Motherless die seksueel geweld faciliteren of verheerlijken, en welke concrete stappen kunt u daartoe nemen?
Het tegengaan van malafide (klanten van) hostingaanbieders is van groot belang en samenwerking op Europees en internationaal niveau is daarvoor onmisbaar. Daar zal mijn ministerie zich voor inzetten. Vanuit de aanpak tegen bad hosting worden daarom gesprekken gevoerd om de urgentie voor een aanpak tegen bad hosting op Europees niveau te vergroten. Onlangs is bij de non-paper over de Europese Tech Sovereignty Package van EZK aandacht gevraagd voor regelgeving om misbruik van diensten op digitale infrastructuur tegen te gaan.8
Bovendien werken de politie, het OM en verschillende publieke en private partners al jaren samen om de netwerken van hosting providers op te schonen. Vanaf de tweede helft van 2025 is de aanpak tegen bad hosting ook een speerpunt geworden van het European Cybercrime Centre (EC3) van Europol. Steeds meer landen sluiten aan bij de zogeheten brede bestrijding van schadelijke hosting.
Ten aanzien van de DSA werkt de ACM vanuit haar rol als digitaledienstencoördinator (DSC) waar nodig samen met de Europese Commissie en de DSCs in andere lidstaten. Gezamenlijk vormen zij de Europese Raad voor digitale diensten.
De ACM heeft in dit kader contact opgenomen met andere Europese toezichthouders om te achterhalen of voor deze partij een andere toezichthouder momenteel bevoegd is. Indien dit niet het geval is, zal de ACM besluiten om een onderzoek in gang te zetten. Ook kan de onderliggende webhostingdienst mogelijk worden aangesproken op grond van de DSA. Dit hangt af van hoe beide partijen om zijn gegaan met pogingen om illegale inhoud offline te halen.
Het bericht 'Stoppen Green Deal Duurzame Zorg onverstandig' |
|
André Poortman (CDA), Jantine Zwinkels (CDA) |
|
Sophie Hermans (VVD), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Stoppen Green Deal Duurzame Zorg onverstandig»?1
Deelt u de mening dat voor een toekomstbestendige, toegankelijke en kwalitatief goede zorgsector het van belang is dat gezien de toenemende schaarste van grondstoffen ook deze sector, als een van de sectoren met een hoog grondstoffenverbruik, een verduurzamingsslag maakt?
Heeft u kennisgenomen van de brief inzake de Future Deal Zorg d.d. 2 juni 2026 van de heren Kees Vendrik, Ernst Kuijpers en Steven van Eijck die aan u en de Ministers van VWS en Staatssecretaris van IenW is toegestuurd?
Zo ja, kunt u zich vinden in de strekking van de oproep om samen met veldpartijen te komen tot een Zorgtafel waaraan betrokken ministeries deelnemen, ten behoeve van een programmatische aanpak?
Kunt u delen welke initiatieven er, ook gezien de afspraak uit het coalitieakkoord om in 2050 een volledig circulaire economie te hebben, op dit moment binnen de zorgsector lopen ten behoeve van de verduurzaming van het grondstof- en materiaalgebruik en die bijdragen aan een circulaire zorgsector?
Is u bekend welke circulaire potentie (grondstoffenbesparing) er in de zorg kan worden gerealiseerd en wat dit aan bespaarde zorgkosten en vermeden CO2-uitstoot oplevert? Zo nee, kunt dat laten onderzoeken?
En bent u bereid op basis van de uitkomsten te komen tot een plan om deze potentie met betrokken partijen te realiseren?
Kunt u reflecteren op de in het bericht gemaakte notie dat door in te zetten op circulaire zorg aantoonbaar miljarden bespaard kunnen worden? Beschikt u over gegevens die deze notie onderschrijven en zo ja, kunt u deze delen?
Klopt het dat de Green Deal Duurzame Zorg per 2027 afloopt, maar dat veldpartijen hier gezien alle succesvolle initiatieven van onderop wel mee door willen gaan middels een Future Deal Zorg? Wat is uw reactie op dit voorstel en welke rol ziet u hierin voor het Ministerie van VWS?
Het verzilveren van bidirectioneel laden voor het stroomnet en voor huishoudens |
|
Robin van Leijen (D66), Jantine Zwinkels (CDA), Felix Klos (D66) |
|
Bertram , Eerenberg |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het achtergrondartikel over de salderingsregeling en bidirectioneel laden in EW Magazine van juni 2026, waarin netbeheerders, energieleveranciers en autofabrikanten stellen dat elektrische auto's die stroom terugleveren zowel de netcongestie kunnen verlichten als huishoudens geld kunnen opleveren?1
Onderschrijft u de inschatting van netbeheerder Stedin in dit artikel dat in Utrecht ongeveer 50.000 van zulke auto's de lokale netcongestie kunnen oplossen en dat dit «een belangrijke korte route» is naar meer ruimte op het net?
Deelt u het beeld dat bidirectioneel laden tegelijk de energierekening van huishoudens verlaagt – volgens het artikel met zo'n € 600 tot € 1.000 per jaar – en volgens uw eigen routekaart met € 900 tot € 1.050?
Erkent u dat dit verdienvermogen voor gewone huishoudens op dit moment níet te verzilveren is, doordat over dezelfde stroom twee keer energiebelasting wordt betaald wanneer die eerst wordt opgeslagen en later teruggeleverd – knelpunten die u in uw eigen routekaart benoemt na een toezegging aan lid Zwinkels (CDA)?
Hoe weegt u de waarschuwing van Stedin dat de energiebelasting vanaf 2027 «die businesscase helemaal nekt», mede in het licht van het wegvallen van de salderingsregeling per 1 januari 2027 – het moment waarop huishoudens juist op zoek gaan naar een manier om hun eigen zonnestroom te benutten?
Welke gevolgen heeft het volgens u voor het huidige marktmomentum – waarbij de Renault 5 en 4 al terugleveren, meerdere merken volgen en in Utrecht dit jaar al meer dan duizend auto's stroom moeten kunnen terugleveren – en voor de investeringszekerheid bij fabrikanten én huishoudens, wanneer de dubbele energiebelasting in stand blijft?
Op welke wijze is in de rijksbegroting rekening gehouden met de belastinginkomsten uit de dubbele energiebelasting bij bidirectioneel laden, en welke budgettaire gevolgen verbindt u aan het wegnemen van deze dubbele heffing? Hoe weegt u die gevolgen tegen de maatschappelijke baten die in uw eigen routekaart worden geschetst?
Welke mogelijkheden ziet u om de «regulatory sandbox» voor bidirectioneel laden nu al te benutten voor een tijdelijke maatregel waarmee de dubbele energiebelasting voor bidirectioneel laden wordt weggenomen, zodat huishoudens en marktpartijen kunnen profiteren van het momentum dat er nu is?
Welke concrete stappen zet u, zodat de voordelen van bidirectioneel laden niet alleen terechtkomen bij mensen met een eigen oprit en laadpaal, maar ook bij bewoners van appartementen en mensen die op straat parkeren?
Het bericht ‘Tiktokshop komt naar Nederland, 'een giftige cocktail voor impulsaankopen’ |
|
Judith Buhler (CDA), Jantine Zwinkels (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
Aerdts , Herbert , Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Tiktokshop komt naar Nederland, «een giftige cocktail voor impulsaankopen»» van de NOS?1 Erkent u dat de combinatie van sociale media, verslavende aanbevelingsalgoritmen en directe aankoopmogelijkheden het risico op impulsieve en onverantwoorde aankopen vergroot?
Hoe beoordeelt u de verenigbaarheid van de Tiktokshop met Europese consumentenbeschermingsregels, nu gebruikers producten kunnen aanschaffen zonder de app te verlaten en daarmee voortdurend worden blootgesteld aan commerciële prikkels? Acht u het risico reëel dat hierbij sprake is van verboden manipulatieve ontwerpkeuzes (dark patterns)?
Heeft u inzicht in de wijze waarop de Tiktokshop gebruikmaakt van livestreamverkoop, aftellende aanbiedingen, schaarsteclaims en influencer marketing? Erkent u dat deze technieken specifiek zijn ontworpen om consumenten aan te zetten tot snelle en impulsieve aankopen en daarmee het risico op financiële problemen kunnen vergroten, met name onder jongeren?
Welke concrete stappen zetten de Autoriteit Consument & Markt (ACM) en andere bevoegde toezichthouders, waaronder de Autoriteit Persoonsgegevens en de Europese Commissie in het kader van de Europese digitaledienstenverordening (Digital Services Act), om de Tiktokshop vanaf de introductie actief te controleren op overtredingen van de toepasselijke regelgeving? Acht u deze toezichthouders voldoende toegerust qua bevoegdheden en capaciteit?
Bent u bereid de introductie van de Tiktokshop actief te monitoren, waaronder consumentenklachten, retourpercentages, signalen van misleiding en problematische impulsaankopen, en de Kamer hierover periodiek te informeren?
Welke ervaringen zijn bij u bekend uit landen waar de Tiktokshop reeds actief is, waaronder meldingen van consumentenmisleiding, agressieve verkooppraktijken en handhavingsmaatregelen door toezichthouders? Welke lessen trekt u hieruit voor de Nederlandse situatie?
Deelt u de opvatting dat de bestaande regelgeving onvoldoende is toegesneden op social-commerceplatforms die aanbevelingsalgoritmen, influencer marketing en directe aankoopfunctionaliteiten combineren? Zo nee, waarop baseert u die conclusie? Zo ja, welke aanvullende maatregelen zult u in Europees verband bepleiten?
Het bericht ‘Zo kochten we joints, cocaïne en een wapen via Snapchat’ |
|
Jantine Zwinkels (CDA), Tijs van den Brink (CDA) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek van KRO-NCRV’s Pointer, waaruit blijkt dat via Snapchat eenvoudig joints, cocaïne en een stroomstootwapen konden worden gekocht, ook met accounts die als minderjarig waren ingesteld?1
Deelt u de opvatting dat het onacceptabel is dat zelfs minderjarigen via platforms zoals Snapchat in aanraking kunnen komen met dealers en gemakkelijk drugs en wapens kunnen kopen?
Hoe beoordeelt u de verantwoordelijkheid van Snapchat om te voorkomen dat minderjarige gebruikers via zoekfuncties, aanbevelingssystemen en algoritmes richting illegale handel worden geleid?
Welke mogelijkheden hebben de politie en het Openbaar Ministerie op dit moment om snel en streng op te treden tegen drugs- en wapenhandel via Snapchat en vergelijkbare platforms? En welke mogelijkheden biedt de Digital Services Act (DSA) daarin?
Beschikt de politie over voldoende bevoegdheden om online handel in drugs en wapens via sociale media effectief op te sporen en aan te pakken?
Bent u van mening dat Snapchat voldoende maatregelen neemt om minderjarigen te beschermen tegen de verkoop van drugs, wapens en andere illegale producten?
De Europese Commissie onderzoekt of Snap Inc. minderjarige gebruikers voldoende beschermt tegen onder meer de verkoop van illegale goederen. Welke rol speelt Nederland in dit Europese onderzoek?
Snapchat stelt in reactie op het onderzoek dat illegale activiteiten verboden zijn en dat het in 2025 miljoenen drugsgerelateerde berichten heeft verwijderd en honderdduizenden accounts heeft geblokkeerd. Welke eisen worden op dit moment gesteld aan de controleerbaarheid van deze cijfers door toezichthouders?
Welke maatregelen gaat u nemen naar aanleiding van de bevindingen van Pointer?
Welke mogelijkheden ziet u om sociale mediaplatforms sneller te verplichten om accounts die betrokken zijn bij drugshandel of wapenhandel te verwijderen?
Bent u bereid de Kamer te informeren over de bredere aanpak van illegale handel via sociale media?
Bent u bekend met het artikel «In de TikTok Shop kunnen jongeren straks nóg makkelijker impulsaankopen doen. «Er is te weinig ruimte om zelf na te denken»»?1
Ja.
Welke risico’s ziet u bij de introductie van TikTok Shop voor consumenten, en in het bijzonder voor minderjarigen en jongvolwassenen, op het gebied van impulsaankopen, financiële weerbaarheid en problematische schulden?
Ik zie hier inderdaad risico’s. De introductie van TikTok Shop maakt het voor gebruikers mogelijk om de producten die op TikTok worden vertoond ook direct te kopen. Dit zou gebruikers er sneller en gemakkelijker toe kunnen aanzetten om een impulsaankoop te doen. TikTok heeft richting mij aangegeven dat de TikTok Shop alleen beschikbaar wordt voor kopers van 18 jaar en ouder. Daarmee zou er met name een risico voor jongvolwassenen zijn. Wanneer als gevolg hiervan meer wordt uitgegeven dan het beschikbare budget toelaat, kan dit in het ergste geval leiden tot het ontstaan van (problematische) schulden. Ik ga in het antwoord op vraag 8 nader in op de leeftijdsbegrenzing.
Welke maatregelen treft TikTok om risico’s te mitigeren, ook als het bijvoorbeeld gaat om online veiligheid, datahacks, fraude en oplichting van onbetrouwbare partijen die zich bijvoorbeeld straks voordoen als verkopende partij op TikTok?
Zowel bestaande als nieuwe online marktplaatsen moeten voldoen aan Europese regelgeving op het gebied van o.a. productveiligheid, consumentenbescherming, gegevensbescherming en digitale dienstverlening. De handhaving van deze regels is belegd bij verschillende toezichthouders, zoals de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (productveiligheid, hierna: NVWA), de Autoriteit Consument en Markt (o.a. consumentenbescherming, hierna: ACM), de Autoriteit Persoonsgegevens (bescherming van persoonsgegevens, hierna: AP) en bij de Europese Commissie in het geval van de Digital Services Act (hierna: DSA).2 Online veiligheid met betrekking tot de bescherming tegen datahacks wordt onder andere gewaarborgd door vereisten omtrent een passende beveiliging van de verwerking van persoonsgegevens in de Algemene Verordening Persoonsgegevens (hierna: AVG). Op grond van de DSA is TikTok aangewezen als een zeer groot online platform en hierdoor heeft het extra verantwoordelijkheden om de veiligheid van zijn dienst te waarborgen.
TikTok heeft richting mij aangegeven dat zij uitgebreide plannen, risk assessment en veiligheids- en compliancemaatregelen heeft uitgevoerd en hierover in gesprek is met zowel de Europese Commissie als de nationale toezichthouders.3
Deelt u de opvatting dat de combinatie van een sterk gepersonaliseerd algoritme, influencer marketing en directe aankoopmogelijkheden de kans op impulsaankopen kan vergroten?
Ja, die opvatting deel ik. De combinatie van gepersonaliseerde aanbevelingen, influencermarketing en directe aankoopmogelijkheden («one-click buying») kan de drempel tot een aankoop verlagen. Dit is op zichzelf niet in strijd met geldende wet- en regelgeving, maar brengt wel risico’s met zich mee. Consumenten dienen in ieder geval correct en volledig te worden geïnformeerd en er dient geen sprake te zijn van misleiding. Voor de verplichtingen en verantwoordelijkheden van TikTok onder de DSA verwijs ik naar het antwoord op vraag 8, 9 en 10.
Welke inzichten zijn beschikbaar uit landen waar TikTok Shop reeds actief is, zoals het Verenigd Koninkrijk en Duitsland, over de effecten op koopgedrag, betalingsachterstanden en schuldenproblematiek onder jongeren en welke lessen trekt u daaruit voor de Nederlandse situatie?
Ik beschik niet over specifieke inzichten over de effecten van TikTok Shop op koopgedrag, betalingsachterstanden en schuldenproblematiek onder jongeren in de genoemde landen. Relevant hierbij is dat TikTok richting mij heeft aangegeven dat de TikTok Shop in Nederland alleen beschikbaar wordt voor kopers van 18 jaar en ouder.
Deelt u de opvatting dat social commerce-platforms zoals TikTok Shop een fundamenteel ander karakter hebben dan traditionele webwinkels, doordat sociale media, aanbevelingsalgoritmen, influencer marketing en directe aankoopmogelijkheden in één omgeving worden gecombineerd? Zo ja, acht u aanvullende regelgeving of toezicht wenselijk?
Deze opvatting deel ik. Zogenaamde social commerce platforms combineren elementen die voorheen gescheiden waren – sociale interactie, content-aanbevelingsalgoritmen, influencer marketing en een directe transactiefunctie. Hierdoor kan de grens tussen content, reclame en het doen van een aankoop vervagen en dit levert risico’s op.
Het bestaande wettelijke kader, zoals de DSA en consumentenwetgeving4, is ook van toepassing op social commerce platforms. Bovendien biedt de AVG bescherming bij de verwerking van persoonsgegevens. Daarnaast zet het kabinet in Brussel in op gerichte maatregelen tegen onder meer dark patterns en verslavende ontwerpkeuzes in het kader van de aankomende Digital Fairness Act (hierna: DFA).5
Het is belangrijk dat de bestaande regels effectief gehandhaafd worden. De Europese Commissie heeft in februari 2026 het voorlopig oordeel gepubliceerd dat het verslavende ontwerp op TikTok in strijd is met de DSA. En de verschillende markttoezichthouders houden de ontwikkelingen in de e-commerce sector, waaronder de import van non-conforme producten uit derde landen, scherp in de gaten en versterken het toezicht hierop.
Ondanks dat ik de opvatting deel dat een social commerce platform als de TikTok Shop een ander karakter heeft dan een traditionele webwinkel, zie ik – gelet op het bovenstaande – op dit moment geen reden voor een aanvullende beleidsinzet.
In hoeverre vallen betaalmethoden die via TikTok Shop worden aangeboden, waaronder achteraf betalen en gespreid betalen, onder de herziene Consumer Credit Directive (CCDII), en welke verplichtingen vloeien daaruit voort voor aanbieders van deze betaalmethoden?
Indien TikTok Shop een betaalmethode aanbiedt waarbij de aankoop direct wordt betaald, is er geen sprake van krediet. Voor zover TikTok Shop consumenten echter de mogelijkheid biedt om aankopen achteraf (ineens of gespreid) te betalen, is in beginsel sprake van krediet in de zin van de herziene richtlijn consumentenkrediet (CCDII). In dat geval valt de dienstverlening onder de kredietregels, tenzij sprake is van een expliciete uitzondering binnen het toepassingsbereik van die richtlijn, zoals bij bepaalde vormen van uitgestelde betaling. In Nederland wordt de richtlijn geïmplementeerd door de implementatiewet herziene richtlijn consumentenkrediet (hierna: implementatiewet).6 Op dit moment biedt TikTok nog niet de mogelijkheid van achteraf betalen aan in Nederland.
Als TikTok deze dienst wel in Nederland aan zou bieden, geldt ook dat deze dienstverlening onder de nieuwe kredietregels komt te vallen van de implementatiewet. Voor de volledigheid leg ik uit wat de gevolgen hiervan zijn.
De kredietregels zien op verschillende aspecten. Zo dienen aanbieders van achteraf betalen voorafgaand aan kredietverlening een kredietwaardigheidsbeoordeling uit te voeren, consumenten te voorzien van duidelijke en gestandaardiseerde precontractuele informatie en te voldoen aan regels en verboden inzake reclame. Daarnaast voorziet het implementatiewetsvoorstel in een verbod op kredietverlening in de vorm van uitgestelde betaling aan minderjarigen en worden kredietaanbieders verplicht de leeftijd van de consument voorafgaand aan het aangaan van de kredietovereenkomst te verifiëren. Verder geldt voor deze kredietaanbieders een vergunningplicht en staan zij ten aanzien van kredietverlening aan Nederlandse consumenten onder toezicht van de Autoriteit Financiële Markten (AFM).
Welke leeftijdsgrenzen gelden voor het gebruik van TikTok Shop en de daarbij aangeboden betaalmethoden, welke vormen van leeftijdsverificatie worden toegepast en in hoeverre acht u deze effectief?
TikTok hanteert in algemene zin een minimumleeftijd van 13 jaar en geeft aan dat de TikTok Shop alleen beschikbaar wordt voor kopers van 18 jaar en ouder. Op basis van de DSA zijn zeer grote online platforms als TikTok verplicht om redelijke en doeltreffende maatregelen te treffen die de leeftijd van de gebruikers verifieert. TikTok heeft richting mij aangegeven gebruik te maken van een gelaagd toegangscontrolesysteem om de leeftijd van gebruikers vast te stellen. Dit omvat technologische checks, menselijke controles en extra veiligheidsmaatregelen zoals de mogelijkheid voor ouders om een melding te doen.7
Indien een minderjarige ondanks de leeftijdsbegrenzing door TikTok toch een aankoop doet via een eigen account in TikTok Shop, bijvoorbeeld omdat de leeftijd niet goed werd gecontroleerd, dan kan de wettelijke vertegenwoordiger de rechtshandeling (aankoop) achteraf vernietigen en het geld van de aankoop terugkrijgen. TikTok heeft richting mij bevestigd hiervoor een eenvoudig retourbeleid te zullen hanteren. Ouders dragen daarnaast zelf de verantwoordelijkheid om te voorkomen dat hun account door hun kinderen wordt gebruikt.
In het antwoord op vraag 7 wordt toegelicht dat TikTok op dit moment geen achterafbetaalmogelijkheden in Nederland aanbiedt.
Acht u het wenselijk dat platforms zoals TikTok zelf verantwoordelijkheid dragen voor het voorkomen van problematische schulden en impulsaankopen onder minderjarigen? Zo ja, welke verantwoordelijkheid ziet u daarbij?
TikTok heeft al een bepaalde mate van verantwoordelijkheid, nu zij de mogelijkheid biedt om via TikTok producten aan te kopen.
Zo heeft TikTok op grond van de DSA verschillende verantwoordelijkheden. Dit betreft onder meer de verplichting om tenminste jaarlijks onderzoek te doen naar mogelijke systemrisico’s van haar diensten, waaronder de negatieve effecten op minderjarigen (zie ook mijn antwoord op vraag 10). Ook dient TikTok onder de DSA passende en evenredige maatregelen te nemen waarmee een hoog niveau bescherming van minderjarigen binnen haar dienst wordt geborgd.
Indien TikTok uitstel van betaling voor de producten in TikTok Shop zou aanbieden, kwalificeert zij bovendien onder de implementatiewet CCDII als aanbieder van krediet. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 7, dient TikTok Shop in dat geval de verantwoordelijkheden uit de implementatiewet CCDII na te leven.
In hoeverre vallen TikTok en TikTok Shop onder de verplichtingen van de Digital Services Act (DSA), in het bijzonder waar het gaat om bescherming van minderjarigen, transparantie van aanbevelingssystemen en het tegengaan van manipulerende ontwerpkeuzes?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3, is TikTok aangewezen als «zeer groot online platform» onder de DSA. Als zodanig zal zij volledig moeten voldoen aan alle verplichtingen uit de DSA. Dit omvat dus ook de verplichtingen inzake de bescherming van minderjarigen, de transparantie van aanbevelingssystemen en het tegengaan van manipulerende ontwerpkeuzes (die, afhankelijk van het geval, kunnen kwalificeren als dark pattern en/of systeemrisico).
Zo is TikTok in dat kader verplicht om alle zogenaamde systeemrisico’s die voortvloeien uit het ontwerp of uit de werking van hun dienst en de daaraan verbonden systemen en uit het gebruik van hun diensten te analyseren en beperken. Deze risicobeoordelingen moeten ten minste één keer per jaar worden uitgevoerd. Ook moet een beoordeling plaatsvinden voorafgaand aan de uitrol van functionaliteiten die waarschijnlijk kritieke gevolgen zullen hebben voor de vastgestelde systeemrisico’s. Naar ik begrijp heeft TikTok voorafgaand aan de lancering van TikTok Shop contact gehad met de Europese Commissie, die primair toezicht houdt op de zeer grote online platforms. Ik begrijp dat TikTok in dat kader ook een risicobeoordeling met de Europese Commissie heeft gedeeld en inmiddels de eerste systeemrisicobeoordeling onder de DSA heeft uitgevoerd.
Hoe verhoudt TikTok Shop zich tot het verbod uit de DSA op het tonen van gepersonaliseerde advertenties aan minderjarigen op basis van profilering en hoe wordt vastgesteld of gebruikers minderjarig zijn?
Dit verbod is onverkort van toepassing. TikTok mag dus geen reclame tonen op basis van profilering van minderjarigen. Om de leeftijd van gebruikers vast te stellen, maakt TikTok gebruik van een gelaagd toegangscontrolesysteem (zie ook mijn antwoord op vraag 8).
Kunt u inzicht geven in welke persoonsgegevens en gedragsgegevens worden gebruikt om productaanbevelingen binnen TikTok Shop te personaliseren, en in hoeverre acht u deze vorm van profilering wenselijk wanneer minderjarigen hierdoor worden blootgesteld aan commerciële prikkels?
TikTok Shop zou volgens TikTok alleen toegankelijk moeten zijn voor meerderjarige gebruikers. Het kabinet heeft geen inzicht in de persoonsgegevens en gedragsgegevens die TikTok Shop gebruikt voor het personaliseren van productaanbevelingen. Het is belangrijk dat het gebruik van deze gegevens voldoet aan de hiervoor geldende privacyregels in de AVG en de hiervoor genoemde regels uit de DSA (zie antwoord op vraag 11). De onafhankelijke toezichthouders zien daarop toe.
Acht u het mogelijk dat aanbevelingsalgoritmen, livestreams en influencer-content binnen TikTok Shop feitelijk dezelfde functie vervullen als gepersonaliseerde reclame? Zo ja, in hoeverre vallen dergelijke praktijken onder het huidige toezicht- en handhavingskader?
Ik beschik niet over informatie om te beoordelen of en, zo ja, in hoeverre aanbevelingsalgoritmen, livestreams en influencer content dezelfde functie vervullen als gepersonaliseerde reclame. Het is aan de bevoegde toezichthouders om daar een oordeel over te vellen. Dergelijke praktijken vallen onder het bestaande juridische kader. Naast de DSA gaat het onder meer om de AVG, de e-privacy richtlijn, de regels voor audiovisuele mediadiensten, en consumentenwetgeving.
Hoe wordt geborgd dat producten die via TikTok Shop worden aangeboden voldoen aan Europese productveiligheids- en consumentenwetgeving, en welke mogelijkheden hebben toezichthouders om hierop toezicht te houden en handhavend op te treden? Klopt het dat TikTok verantwoordelijk is voor de productaansprakelijkheid, zoals opgenomen in de nieuwe EU implementatie-richtlijn?
Producten die via TikTok Shop worden verkocht, moeten voldoen aan de Europese regels voor productveiligheid en consumentenbescherming. Verkopers en online marktplaatsen hebben, onder meer op basis van de Europese Algemene Productveiligheidsverordening8, consumentenwetgeving, en de DSA, bepaalde verantwoordelijkheden.
Het is belangrijk dat deze regels effectief gehandhaafd worden door toezichthouders zoals de NVWA, de ACM en de Europese Commissie. Zij kunnen handhavend optreden als producten onveilig zijn, consumenten worden misleid of online platforms hun verantwoordelijkheden niet naleven. Zoals tevens aangegeven in het antwoord op vraag 6, houden de markttoezichthouders de ontwikkelingen in de e-commerce sector, waaronder de import van non-conforme producten uit derde landen, dan ook scherp in de gaten en versterken het toezicht hierop. Ook is sprake van coördinatie tussen toezichthouders. Zo werken de ACM, de Europese Commissie en toezichthouders uit andere lidstaten nauw samen in het kader van het toezicht op de DSA.
Op grond van de herziene EU-richtlijn productaansprakelijkheid (Richtlijn (EU) 2024/2853) kan TikTok alleen in bijzondere omstandigheden aansprakelijk worden gesteld. Of TikTok aansprakelijk is, hangt namelijk af van de specifieke omstandigheden en de rol die TikTok in de keten vervult. In beginsel is bij verkoop van een gebrekkig product via een onlineplatform de in de EU gevestigde fabrikant aansprakelijk. Als de fabrikant buiten de EU gevestigd is, geldt een getrapt stelsel. In dat geval zijn eerst de importeur van het gebrekkige product in de EU of de gemachtigde van de fabrikant aansprakelijk en bij het ontbreken daarvan de fulfilmentdienstverlener (een partij die logistieke diensten verricht, zoals opslag, verpakking, adressering en verzending van een product). De aanbieder van het onlineplatform is slechts aansprakelijk als deze het gebrekkige product presenteert op een wijze die een gemiddelde consument doet geloven dat het product door het platform zelf wordt verstrekt én wanneer geen andere aansprakelijke marktdeelnemer (zoals de fabrikant, importeur, gemachtigde of fulfilmentdienstverlener) kan worden aangewezen op grond van de Richtlijn.
TikTok heeft desgevraagd richting mij aangegeven verschillende maatregelen te hebben genomen om productveiligheid te waarborgen. Zo verplicht TikTok verkopers om hun identiteit te verifiëren (via overheidsdocumenten voor zelfstandigen of bedrijfsregistratiegegevens voor rechtspersonen) en vereist zij compliance-informatie te verstrekken voordat producten mogen worden aangeboden. Nieuwe verkopers krijgen een proefperiode met accountbeperkingen.
Welke kansen ziet u in de aangekondigde Digital Fairness Act om verslavende ontwerpkeuzes, manipulerende verkooptechnieken en andere vormen van digitale gedragssturing gericht op kwetsbare consumenten aan banden te leggen?
In een relatief korte periode zijn diverse Europese wetten in werking getreden in het digitale domein, zoals de DSA en de AI-act. De inzet van het kabinet ziet daarom in eerste instantie op een versterking van de handhaving van bestaande Europese regelgeving. Het is daarom goed dat de Europese Commissie actief bezig is met de handhaving van de DSA ten aanzien van zeer grote online platforms, waaronder TikTok (zie tevens het antwoord op vraag 6).
De DFA kan dienen als gerichte aanpak voor het reguleren van schadelijke online handelspraktijken, zoals verslavend ontwerp van digitale diensten. In dit kader pleit Nederland in Brussel voor het verbieden van ontwerptechnieken – waaronder algoritmes – die het welzijn van consumenten schaden, meer controlemogelijkheden voor gebruikers en overname van het verbod op «dark patterns» uit de DSA (artikel 25) in het consumentenrecht.
Bent u bereid zich in Europees verband actief in te zetten voor aanvullende bescherming van minderjarigen en financieel kwetsbare consumenten binnen social commerce-platforms zoals TikTok Shop? Zo nee, waarom niet?
Ik ben in Europees verband actief betrokken bij beraadslagingen over de DFA. De Europese Commissie beoogt met de DFA onder andere de commerciële uitbuiting van kwetsbaarheden van consumenten aan te pakken.9 In dat kader wil de Europese Commissie de DFA ook specifiek richten op de bescherming van minderjarigen. De Nederlandse inzet bij de DFA heb ik besproken in mijn antwoorden op vraag 6 en vraag 15.10
In hoeverre acht u het wenselijk dat digitale platforms via algoritmen en verkooptechnieken consumptie stimuleren, terwijl Nederland en de Europese Unie tegelijkertijd inzetten op een circulaire economie, consuminderen en het verminderen van grondstoffengebruik? Ziet u hierin een beleidsmatige spanning?
Ja, hierin kan een beleidsmatige spanning bestaan. In het Nationaal Programma Circulaire Economie zet het kabinet onder andere in op het efficiënter grondstoffengebruik en het bevorderen van circulair consumentengedrag. Het kabinet zoekt een balans tussen ondernemingsruimte op de vrije markt en de draagkracht van de aarde. Uit gedragswetenschappelijke inzichten blijkt dat de omgeving waarin mensen keuzes maken sterk van invloed is op hun gedrag. Daarom werkt het kabinet aan het makkelijker, logischer en eerlijker maken van circulaire keuzes voor consumenten.
Digitale platforms kunnen daarbij zowel een uitdaging als een kans vormen. Zij kunnen consumptie stimuleren, maar ook circulaire verdienmodellen zoals tweedehands handel, reparatie, delen en verhuur faciliteren. Het kabinet blijft zich, binnen bestaande nationale en Europese kaders, inzetten voor een keuzeomgeving waarin consumenten op basis van duidelijke en betrouwbare informatie een keuze kunnen maken, zonder misleidende of manipulatieve verkooptechnieken.
Hebben al meer bedrijven zich gemeld bij de Nederlandse overheid dat zij met een vergelijkbare online shop op de markt gaan komen? Zo ja, wat kunt u hierover met ons delen? En hoe zal er getoetst worden of zij voldoen aan alle wettelijke kaders en toegelaten worden?
Nederland kent een vrij ondernemingsklimaat. Dit betekent dat er geen plicht bestaat voor ondernemingen om zich te melden bij de Nederlandse overheid als zij met een online shop op de markt komen. De Nederlandse overheid toetst dan ook niet vooraf of een onderneming tot de markt wordt toegelaten. Uiteraard moeten ondernemers zich wel houden aan de toepasselijke wet- en regelgeving zodra zij de Nederlandse markt betreden en is het van belang deze regels effectief te handhaven.
Het recht op reparatie |
|
Jantine Zwinkels (CDA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Hoe reflecteert u op de huidige stand van zaken van Right to Repair en de concrete uitvoering van deze wetgeving?
Met de term «right to repair» wordt verwezen naar Richtlijn (EU) 2024/1799 betreffende gemeenschappelijke regels ter bevordering van de reparatie van goederen. Op dit moment wordt deze richtlijn in nationaal recht geïmplementeerd. Het implementatiewetsvoorstel is voor advies aangeboden aan de Raad van State. Het advies wordt deze zomer verwacht. Daarna wordt het wetsvoorstel naar de Staten-Generaal gestuurd. De implementatie van het wetsvoorstel wordt voltooid na instemming van de Tweede en Eerste Kamer met het wetsvoorstel.
Op grond van de wetgeving worden bedrijven verplicht om een groot aantal producten1 op verzoek van de consument te repareren wanneer deze defect zijn. Wat betreft de uitvoering van de richtlijn voorziet het kabinet geen hoge lasten voor bedrijven om aan de nieuwe bepalingen te voldoen. Het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR) oordeelde op 5 november 2025 geen aanleiding te zien een formeel adviespunt te geven over de berekening van de regeldruk voor bedrijven.
Bent u bekend met het TNO-onderzoek1 waaruit blijkt dat consumenten door reparatie en revisie van onder meer wasmachines, smartphones en e-bikeaccu’s tientallen tot honderden euro’s kunnen besparen en producten jarenlang langer kunnen gebruiken? Hoe beoordeelt u deze uitkomsten in het licht van de circulaire economie en het verminderen van grondstoffengebruik?
Ja, ik ben bekend met het onderzoek. De uitkomsten bevestigen dat de transitie naar een circulaire economie niet alleen in het belang is van het verminderen van (kritieke) grondstoffenverbruik (en daarmee onze afhankelijkheid daarvoor van derde landen) en CO2 uitstoot, maar ook besparingen op kan leveren voor ondernemers en consumenten. Daarom zet ik mij als coördinerend Minister ook vol in om de overgang naar een circulaire economie te versnellen. Voor meer informatie over de beleidsinzet in het kader van deze transitie verwijs ik graag naar het Nationaal Programma Circulaire Economie (NPCE) 2025.3
Welke nationale maatregelen kunnen er op korte termijn worden genomen om reparatie aantrekkelijker te maken en bent u bereid hiervoor concrete voorstellen uit te werken?
Om reparatie te bevorderen, zijn (tenminste) drie zaken nodig. Ten eerste moeten spullen zo ontworpen zijn dat ze (makkelijker) te repareren zijn. Ten tweede is een goede reparatie-infrastructuur nodig, met voldoende beschikbare vakmensen om de reparaties uit te voeren. Ten derde moet het voor consumenten makkelijk en aantrekkelijk zijn om spullen te laten repareren.
Dit zijn dan ook de drie sporen waarlangs de huidige beleidsinzet voor reparatie is ingericht: (1) beter productontwerp, met name via ontwerpeisen op EU niveau onder de Ecodesignregelgeving; (2) versterking van de reparatie-infrastructuur en -vakmanschap, bijvoorbeeld door aandacht voor reparatie in het onderwijs en het opzetten van een Nationaal Reparateursregister; en (3) consumenten stimuleren om hun producten te (laten) repareren, bijvoorbeeld door betere informatie voor consumenten en door reparatie goedkoper te maken.
Voor meer details over de beleidsinzet op de genoemde sporen verwijs ik graag naar de Kamerbrief «reparatie in de circulaire economie»4 en de Kamerbrief over uitvoering van de motie Stoffer over reparatie en hergebruik van elektrische en elektronische apparatuur.5
Verder wordt de Kamer binnenkort door de Staatssecretaris Fiscaliteit en Belastingdienst geïnformeerd over de bijdrage van de fiscaliteit aan meer reparatie van huishoudelijke apparaten en andere productgroepen, naar aanleiding van de motie Grinwis.6
Bent u bereid om in nationale aanbestedingen voorwaarden op te nemen die producenten stimuleren producten terug te nemen, te hergebruiken en repareerbaar te ontwerpen? Zo nee, waarom niet?
Aanbestedende diensten hebben binnen de aanbestedingskaders de autonomie om diverse belangen af te wegen en te vertalen naar voorwaarden in hun aanbestedingen. Ik ondersteun het opnemen van voorwaarden in overheidsaanbestedingen die levensduurverlenging en hoogwaardige recycling van producten bevorderen. Dit doe ik met de Agenda Maatschappelijk verantwoord opdrachtgeven en inkopen (MVOI) 2026–2030 die dit jaar naar de Kamer wordt gestuurd. Hiermee worden overheden gestimuleerd en ondersteund om circulair in te kopen. Dit gebeurt via Buyer Groups, de mvi-criteriatool en het Versnellingsnetwerk Circulair Inkopen voor productketens zoals bedrijfskleding, ICT en zonnepanelen. Terugname, hergebruik, repareerbaarheid en hoogwaardige recycling zijn daarbij belangrijke onderdelen.
Ten aanzien van de Rijksinkoop wordt dit jaar tevens de actualisatie van de Rijksinkoopstrategie, onder verantwoordelijkheid van de Staatssecretaris van Koninkrijksrelaties en Slagvaardige Overheid, naar de Kamer gestuurd. Hierin wordt in de hernieuwde beleidsstrategie MVOI ook ingezet op levensduurverlenging en hoogwaardige recycling. Overigens kan het per productketen verschillen hoe levensduurverlenging het beste geborgd kan worden. Zo is het soms beter om een product zo lang mogelijk in eigen beheer te behouden voor meerdere levens, en is het in andere gevallen gunstiger om een product-as-a-service-model op te zetten. Van beide zijn voorbeelden te vinden bij het Rijk, zoals kantoormeubilair dat in eigen beheer blijft en ICT, dienstauto’s of printers die worden ingekocht als product-as-a-service.
Hoe beoordeelt u de mogelijkheid om de bewijslast binnen de wettelijke garantieperiode verder richting producenten te verschuiven, zodat consumenten eenvoudiger aanspraak kunnen maken op kosteloze reparatie of vervanging bij defecten?
Het is belangrijk te benadrukken dat de consument een koopovereenkomst sluit met de verkoper en niet met de producent. De wettelijke garantierechten kunnen dan ook uitsluitend richting de verkoper worden ingeroepen. Met de implementatie van de EU-richtlijn verkoop goederen in het Nederlandse recht in 2022 geldt dat als er in het eerste jaar na aanschaf sprake is van een gebrekkig product de bewijslast bij de verkoper ligt om aan te tonen dat het product niet al gebrekkig was bij levering. Met deze implementatie werd de termijn van zes maanden, die voor de inwerkingtreding van de richtlijn werd gehanteerd, verdubbeld. Na twaalf maanden verschuift de bewijslast naar de consument. Dit betekent dat wanneer het gebrek zich na twaalf maanden voordoet, het aan de consument is om te bewijzen dat dit niet door zijn toedoen is gebeurd om aanspraak kunnen maken op kosteloze reparatie of vervanging.
Bij de implementatie van de EU-richtlijn verkoop goederen is geprobeerd een goede balans te waarborgen tussen de bescherming van de positie van de consument enerzijds en de verplichtingen van de verkoper anderzijds. Naarmate de termijn tussen de aanschaf van een product en de openbaring van een gebrek van het product langer is, zal het voor een verkoper lastiger zijn te bewijzen dat het gebrek geheel of gedeeltelijk is veroorzaakt door het gebruik door de consument. Het verlengen van deze termijn naar bijvoorbeeld twee jaar zou daarmee voor de verkoper een onevenredige last betekenen. Op dit moment ziet het kabinet dan ook geen aanleiding om de bewijslast verder richting verkopers te verschuiven.
Welke financiële middelen zijn momenteel beschikbaar om reparatiebedrijven, revisiebedrijven en ondernemingen die producten circulair en repareerbaar ontwerpen op te schalen? In hoeverre acht u deze middelen voldoende om reparatie in Nederland structureel de norm te maken?
Reparatie is een belangrijke activiteit binnen een circulaire economie en reparatiebedrijven en andere ondernemingen kunnen in aanmerking komen voor subsidies gericht op het bevorderen van de transitie naar een circulaire economie.
Het NPCE 2030 bevat een overzicht van de structurele en incidentele middelen die beschikbaar zijn voor circulaire economie in de jaren 2025–2030.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 zijn om reparatie te bevorderen niet alleen middelen nodig voor de genoemde ondernemingen, maar is een bredere beleidsinzet nodig. Het onderzoek van TNO en de NVCE laat zien dat reparatie nu in veel gevallen al loont. Toch kiezen veel consumenten nog voor vervanging, ook wanneer reparatie tot de mogelijkheden behoort en kosten zou besparen.
Ook het Burgerberaad Klimaat heeft in haar advies de betaalbaarheid van reparatie geadresseerd. Het kabinet heeft eveneens de ambitie om te zorgen dat spullen langer meegaan. Ik blijf dan ook prioriteit geven aan het bevorderen van reparatie als onderdeel van de beleidsinzet voor de transitie naar een circulaire economie.
Het bericht 'Verkrachtingsacademie’ waar mannen hun vrouwen drogeren en aanranden: CNN legt wereldwijd netwerk van misbruik bloot' |
|
Jantine Zwinkels (CDA), Etkin Armut (CDA) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht ««Verkrachtingsacademie» waar mannen hun vrouwen drogeren en aanranden: CNN legt wereldwijd netwerk van misbruik bloot»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Deelt u de mening dat het verwerpelijk en onacceptabel is dat er wereldwijde netwerken bestaan van mannen die elkaar aanmoedigen om vrouwen te misbruiken en drogeren, en hier veelvuldig tips over delen?
De online netwerken waarin seksueel misbruik wordt gefaciliteerd, aangemoedigd en verspreid zijn misselijkmakend. Het is volstrekt onacceptabel dat mensen elkaar zouden aanmoedigen om anderen, soms zelfs hun eigen partner, te drogeren en te misbruiken, en daar vervolgens beeldmateriaal van te maken en te verspreiden. Het kabinet tolereert dergelijk gedrag in Nederland niet. De politie en het OM doen onderzoek naar de website en daar kan ik niet op vooruitlopen.
Mijn gedachten gaan uit naar de slachtoffers. De impact van seksueel misbruik op slachtoffers en hun omgeving is enorm en kan langdurig doorwerken.
Welke strafrechtelijke mogelijkheden bestaan er om beheerders en Nederlandse gebruikers van dit soort platforms op te sporen en te vervolgen?
Opsporingsdiensten beschikken over verschillende bevoegdheden om beheerders en gebruikers van dergelijke platforms op te sporen, waaronder digitale opsporingsbevoegdheden op grond van het Wetboek van Strafvordering. Zo kunnen de politie en het OM in het kader van de opsporing zich via bevelen en vorderingen richten tot aanbieders van communicatiediensten. In het geval een aanbieder buiten Nederland is gevestigd, zal voor de inzet hiervan een internationaal rechtshulpverzoek uitgevaardigd moeten worden.
Voor zover de genoemde platforms kwalificeren als aanbieder van communicatiediensten en indien beheerders en gebruikers als verdachte in een strafrechtelijk onderzoek zijn aangemerkt, kunnen opsporingsdiensten onder voorwaarden verkeers- en gebruikersgegevens vorderen.2 Als de identiteit van betrokkenen kan worden vastgesteld, kan strafrechtelijke vervolging volgen.
Daders weten in de praktijk echter goed gebruik te maken van anonimiseringstechnieken, waardoor veel rechtshulp nodig is om gegevens op te vragen. Dit bemoeilijkt het onderzoek.
Indien er sprake is van een verdenking van een misdrijf als bedoeld in artikel 67, eerste lid, Wetboek van Strafvordering (Sv) (misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis mogelijk is), kan de officier van justitie aan een aanbieder het bevel richten om de content ontoegankelijk te (laten) maken op grond van artikel 125p Sv.
In aanvulling op bovenstaande strafrechtelijke mogelijkheden, gelden op grond van de Digitaledienstenverordening (DSA) diverse publiekrechtelijke zorgvuldigheidsverplichtingen voor aanbieders van tussenhandeldiensten. Deze verplichtingen beogen onder meer de verspreiding van illegale content tegen te gaan. Hostingdiensten en online platforms dienen meldingen van illegale content adequaat te behandelen en hierover tijdig een beslissing te nemen. Indien sprake is van systematische niet-naleving van deze verplichtingen, kunnen de bevoegde toezichthouders handhavend optreden. Ten aanzien van het toezicht op de naleving van de DSA geldt dat de Europese Commissie de bevoegde toezichthouder is voor zeer grote onlineplatforms en zeer grote onlinezoekmachines. Voor de overige aanbieders van tussenhandeldiensten is in Nederland de Autoriteit Consument en Markt (ACM) aangewezen als bevoegde nationale toezichthouder.
Kunt u in kaart brengen hoeveel van dit materiaal op Nederlandse servers staan en in hoeverre soortgelijke «verkrachtingsacademies» in Nederland aan de orde zijn?
De politie geeft in algemene zin aan bekend te zijn met het fenomeen van online «verkrachtingsacademies». Wanneer er bij de politie een melding wordt gedaan van een dergelijke situatie, kan dit op verschillende wijzen en onder verschillende strafbare feiten worden geregistreerd en vastgelegd in de politiesystemen. Hierdoor kunnen er geen eenduidige cijfers uit de systemen worden gehaald van het aantal meldingen dat de politie heeft ontvangen.
De politie zal onderzoek verrichten wanneer melding of aangifte wordt gedaan van een dergelijke situatie. De politie benadrukt dat als mensen vermoeden dat zij slachtoffer zijn van dergelijke zaken, zij zich te allen tijde kunnen melden bij de politie. De politie zal in gesprek gaan met deze (vermoedelijke) slachtoffers om te kijken wat zij in de betreffende situatie het beste kunnen doen en betekenen voor het slachtoffer.
Hoeveel Nederlandse vrouwen zijn naar verwachting slachtoffer van drogering en verkrachting door hun partner en waar kunnen deze slachtoffers zich melden?
De politie geeft aan meldingen te hebben ontvangen van slachtoffers die vermoeden dat zij zijn gedrogeerd en seksueel misbruikt door hun partner. Zoals in het antwoord op vraag 4 is toegelicht, worden deze meldingen op verschillende wijzen en onder verschillende strafbare feiten geregistreerd en vastgelegd in de politiesystemen en kunnen hierdoor geen eenduidige cijfers uit de systemen worden gehaald van het aantal meldingen dat de politie van dergelijke situaties heeft ontvangen.
Mocht iemand vermoeden slachtoffer te zijn van een soortgelijke situatie, dan kan diegene zich altijd melden bij de politie. De politie zal dan in gesprek met het slachtoffer beoordelen wat zij voor het slachtoffer kan betekenen.
Voor slachtoffers en hun naasten geldt dat zij voor hulp en ondersteuning terecht kunnen bij verschillende organisaties. De medewerkers van Slachtofferhulp Nederland geven kosteloos emotionele steun en juridisch advies. Voor aanvullende ondersteuning kan Slachtofferhulp Nederland doorverwijzen naar gespecialiseerde organisaties. Zo heeft het Centrum Seksueel Geweld een speciale pagina met informatie over seksueel misbruik en wat slachtoffers kunnen doen als het hen overkomt. Offlimits helpt met het laten verwijderen van online illegaal materiaal en biedt hulp, advies en preventie op het gebied van online grensoverschrijdend gedrag en online seksueel misbruik.
De hulplijn van Offlimits heeft geen meldingen ontvangen die specifiek betrekking hebben op deze netwerken. Offlimits merkt daarbij op dat het mogelijk is dat slachtoffers zich er niet altijd van bewust zijn dat zij slachtoffer zijn geworden, bijvoorbeeld wanneer zij buiten bewustzijn waren doordat zij waren gedrogeerd op het moment dat opnames werden gemaakt.
In hoeverre is het strafbaar om in groepchats tips te delen om vrouwen te drogeren met slaapmedicatie? Kan hier specifiek op gehandhaafd worden en zo nee, welke belemmeringen zijn er?
Het delen van tips in groepchats om vrouwen te drogeren met slaapmedicatie kan strafbaar zijn, maar dat hangt af van de concrete inhoud en context. Het verschaffen van generieke informatie over slaapmedicatie is op zichzelf niet strafbaar. Strafbaarheid ontstaat wanneer degene die de tips heeft gedeeld zowel opzet heeft gehad op het uiteindelijke misdrijf dat is gepleegd (het drogeren van iemand en eventueel daarna seksueel misbruiken) als op de hulpverlening of samenwerking daartoe door het geven van tips. Relevante strafrechtelijke grondslagen zijn onder meer deelneming aan en/of voorbereiding van (zware) mishandeling (artikel 300 en 304 Sr). Indien tips worden gegeven hoe je iemand kan drogeren met slaapmedicatie om die persoon vervolgens seksueel te misbruiken, kan sprake zijn van deelneming aan en/of voorbereiding van gekwalificeerde opzetaanranding (artikel 241 lid 2) of gekwalificeerde opzetverkrachting (artikel 243 lid 2). Uit artikel 244 Sr blijkt namelijk dat bij een persoon in ieder geval de wil tot seksuele handelingen ontbreekt indien diegene in een staat van bewusteloosheid verkeert (bijvoorbeeld door vaste slaap of door het gebruik van verdovende middelen).3
Gerichte handhaving is in de praktijk echter complex. Besloten groepchats op diensten als Signal of WhatsApp zijn end-to-end versleuteld; de politie en het OM hebben daartoe geen toegang, en een gerichte rechterlijke machtiging en medewerking van de aanbieder levert in de regel niets op. Hoewel in Nederland telecommunicatiediensten zoals KPN of Vodafone wettelijk verplicht zijn om toegang tot informatie in leesbare vorm te verstrekken op basis van een gerechtelijke vordering,4 geldt deze verplichting niet voor nummeronafhankelijke communicatiediensten zoals WhatsApp of Signal. Omdat deze diensten tevens aangeven dat zij geen toegang hebben tot de communicatie van hun gebruikers, kunnen zij ook niet meewerken aan een vordering om deze informatie alsnog te verstrekken. De DSA biedt in deze gevallen ook geen uitkomst; nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten vallen niet onder het toepassingsgebied van de DSA. De DSA legt hostingdiensten en online platforms wel de verplichting op om meldingen over illegale content op hun diensten tijdig te beoordelen en verwerken (zie ook het antwoord op vraag 3). Nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten zijn daarvan echter uitdrukkelijk uitgesloten.
Bent u van mening dat het wenselijk is om deelnemen aan of faciliteren van dergelijke online omgevingen explicieter strafbaar te stellen?
Naarmate instructies over hoe iemand kan worden gedrogeerd en vervolgens seksueel misbruikt concreter en specifieker worden gedeeld, kan sprake zijn van strafbare betrokkenheid bij seksuele misdrijven, bijvoorbeeld in de vorm van medeplichtigheid of uitlokking als bedoeld in het Wetboek van Strafrecht. Op grond van de Wet seksuele misdrijven (WSM), die op 1 juli 2024 in werking is getreden, zijn diverse seksuele gedragingen en vormen van facilitering daarvan strafbaar gesteld of aangescherpt. Afhankelijk van de concrete inhoud en context kan daarnaast sprake zijn van strafbare voorbereiding of deelname aan een crimineel samenwerkingsverband.
De normstelling die hiervan uitgaat, dient hand in hand te gaan met handhaving tegen strafbare feiten en illegale online content waarbij seksueel geweld centraal staat. In het antwoord op vraag 3 licht ik de strafrechtelijke opsporingsbevoegdheden toe ten aanzien van de beheerders en de gebruikers hiervan.
Hoe kunt u voorkomen dat anonimiteit op het internet ertoe leidt dat daders zich gemakkelijk kunnen verschuilen bij het plegen van seksueel geweld en delen van livestreams van seksueel misbruik, en welke ruimte biedt de Digital Services Act (DSA) om dit tegen te gaan?
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 3, kan bij verdenking van bepaalde strafbare feiten en onder specifieke voorwaarden informatie over gebruikers worden gevorderd bij aanbieders van communicatiediensten. Indien een communicatiedienst buiten Nederland is gevestigd, dient de officier van justitie een verzoek om rechtshulp te doen aan de bevoegde buitenlandse autoriteiten.
Voor zover de aanbieder van een communicatiedienst kwalificeert als tussenhandeldienst onder de DSA, schrijft artikel 10 DSA voor dat de ontvangende tussenhandeldienst van een vordering zo spoedig mogelijk terugkoppelt op welke wijze en binnen welke termijn daaraan gevolg wordt gegeven. Toch is de reikwijdte van de DSA voor deze diensten maar beperkt. Zo kwalificeert WhatsApp voor wat betreft de aangeboden functie «kanalen» als online platform onder de DSA, maar is deze dienst voor privéberichten – veruit het grootste en belangrijkste onderdeel van het platform – uitdrukkelijk uitgezonderd van de verplichtingen onder de DSA.
Er bestaat geen algemene identificatieplicht voor internetgebruikers waardoor het internet een zekere mate van anonimiteit biedt. De online privacy die daarmee samenhangt, vervult ook een belangrijke functie. Zij stelt bijvoorbeeld klokkenluiders in staat om misstanden aan het licht te brengen en biedt onderzoeksjournalisten de ruimte om veilig hun werk kunnen doen. De in het strafrecht geregelde bijzondere opsporingsbevoegdheden zijn bedoeld om, waar dat noodzakelijk is, anonimiteit op te heffen ten behoeve van opsporing en vervolging.
Daar waar het plegen van seksueel geweld en delen van livestreams van seksueel misbruik tegen specifiek kinderen betreft, wordt sinds 1 juli 2024 bestuursrechtelijk opgetreden middels de Wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal. Deze wet regelt onder meer de bevoegdheid voor de opgerichte Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM) om aanbieders van communicatiediensten gevestigd in Nederland te verplichten online kinderpornografisch materiaal ontoegankelijk te maken of te verwijderen en bestuursrechtelijk te handhaven wanneer zij dat niet doen.
Het strafrecht vormt het sluitstuk van de aanpak. De aanpak van online seksueel kindermisbruik is een van de prioriteiten in de huidige Veiligheidsagenda en zal ook in de volgende Veiligheidsagenda (2027–2030) een van de geprioriteerde thema’s zijn. In de Veiligheidsagenda zijn landelijke beleidsdoelstellingen voor de politie vastgesteld.
Voorts vindt op Europees niveau tweeledige inzet plaats door middel van de herziening van de CSA-Richtlijn (Richtlijn betreffende de aanpak van seksueel kindermisbruik, seksuele uitbuiting van kinderen en materiaal van seksueel misbruik van kinderen) en de CSAM-Verordening (Verordening betreffende voorschriften ter voorkoming en bestrijding van seksueel kindermisbruik).
Op welke manier werkt Nederland samen met andere Europese lidstaten bij de bestrijding van dit soort grensoverschrijdende online seksuele criminaliteit?
Nederland werkt bij de bestrijding van grensoverschrijdende online seksuele criminaliteit nauw samen met andere Europese lidstaten en Europese instellingen. Ook bij dit fenomeen staat de politie in nauwe verbinding met Europol, Interpol en andere internationale samenwerkingspartners. Omdat dit type criminaliteit zich vaak over landsgrenzen heen afspeelt, wordt in Europees verband samengewerkt op het gebied van opsporing, vervolging en het tegengaan van de verspreiding van strafbaar materiaal online.
Als individuele lidstaat kan Nederland inzetten op een sterke nationale aanpak, waaronder het versterken van de opsporingscapaciteit, het verbeteren van de samenwerking tussen publieke en private partijen en het stimuleren van meldingsbereidheid. Ook blijft Nederland investeren in preventie en het beschermen van slachtoffers.
Tegelijkertijd is een effectieve aanpak in belangrijke mate afhankelijk van samenwerking in Europees en internationaal verband. Er zijn verschillende Europese en internationale instrumenten waarin aandacht is voor de aanpak van online seksueel (kinder)misbruik met onder andere harmonisatie van wet- en regelgeving, verbetering van grensoverschrijdende gegevensuitwisseling en versterking van de rol van Europese agentschappen. Denk hierbij aan verdragen zoals het Verdrag inzake cybercriminaliteit (ook bekend als het Boedapestverdrag) en het Verdrag inzake de bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting en seksueel misbruik (verdrag van Lanzarote) van de Raad van Europa of de EU-richtlijn inzake de bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, waarin ook aandacht is voor cybergeweld. Daarnaast wordt op dit moment op EU-niveau specifiek voor de bescherming van kinderen tegen seksueel misbruik over twee instrumenten onderhandeld: een richtlijn inzake de bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie en een verordening inzake materiaal van seksueel misbruik van kinderen. Nederland blijft zich daarom inzetten voor een gezamenlijke Europese aanpak waarin opsporing, preventie en verantwoordelijkheid ook van online dienstverleners centraal staan.
Kunt u in kaart brengen wat Nederland als individuele lidstaat kan doen om dit aan te pakken, en wat nodig is in Europees verband?
Zie antwoord vraag 9.
Heeft u in beeld hoeveel meldingen worden gedaan bij de online platforms over dergelijke «verkrachtingsacademies» en op welke manier wordt hierop geacteerd door de platforms?
Artikel 15 van de DSA verplicht tussenhandeldiensten jaarlijks transparantierapporten te publiceren over hun activiteiten op het gebied van contentmoderatie. Hostingdiensten rapporteren daarin over categorieën illegale online content. Uit deze rapportages valt niet af te leiden hoeveel meldingen specifiek betrekking hebben op de problematiek rondom verkrachtingsacademies. Wel vermeldt bijvoorbeeld het meest recente transparantierapport van Telegram,5 voor zover het de onderdelen van de dienst betreft die als online platform onder de DSA kwalificeren, hoeveel verwijder- en informatieverzoeken zijn gedaan en in hoeveel gevallen Telegram tegen illegale pornografische content heeft opgetreden.
Vindt u dat Telegram de verantwoordelijkheid om slachtoffers te beschermen en schadelijke content te verwijderen naleeft, nu veelvuldig in groepchats concreet advies wordt gedeeld over het drogeren van vrouwen, middelen worden verkocht om vrouwen in slaap te houden en livestreams worden gemaakt van seksueel misbruik?
Het bestaan van deze groepen op Telegram vind ik uiteraard verschrikkelijk, temeer daar de ervaringen met Telegram wisselend en tot dusver veelal moeizaam zijn. Uit berichtgeving van CNN bleek wel dat tijdens het journalistieke onderzoek een uitgelichte groepschat door Telegram is verwijderd. In een verklaring na publicatie heeft Telegram aangegeven dat content die aanzet tot seksueel geweld in strijd is met de algemene voorwaarden en wordt verwijderd zodra dergelijke content wordt ontdekt.
Het kabinet wijst partijen als Telegram voortdurend op hun verantwoordelijkheid, mede met behulp van wetgevende instrumenten zoals de Verordening terroristische online-inhoud (hierna: TCO-verordening) en de DSA. Over de Verordening ter voorkoming en bestrijding van seksueel kindermisbruik wordt nog onderhandeld. Deze drie verordeningen leggen tussenhandeldiensten meer (zorgvuldigheids)verplichtingen op, onder meer met betrekking tot illegale online content.
Verder kijk ik met belangstelling naar bredere ontwikkelingen op het gebied van toezicht- en handhaving. Zo onderzoekt het OM of en in hoeverre Telegram meewerkt aan bevelen tot het ontoegankelijk maken van content op basis van rechterlijke machtigingen. Het onderzoek beslaat een breed scala aan verdenkingen van strafbare feiten, zoals de online handel in drugs en wapens, terreur en online materiaal van seksueel kindermisbruik. Afhankelijk van hoe het OM de uitkomsten van het onderzoek beoordeelt, worden vervolgacties overwogen.
Hiernaast volg ik de werkzaamheden van de Belgische toezichthouder voor zowel de TCO-verordening als de DSA, aangezien Telegram in België zijn wettelijke vertegenwoordiger heeft aangewezen. De Belgische toezichthouder heeft eerder bekendgemaakt dat in 2024,6 gelet op het grote aantal Telegram-gebruikers en het aantal tegen Telegram uitgevaardigde bevelen, een onderzoek is gestart naar de naleving door Telegram van de TCO-verordening. Dit onderzoek liep in 2025 nog door. De uitkomsten en eventuele vervolgstappen volg ik met interesse.
Bent u bereid om te onderzoeken of aanvullende wetgeving of bevoegdheden nodig zijn om sneller in te grijpen bij websites die seksueel geweld faciliteren?
In 2027 moeten zowel de nationale evaluatie van de Uitvoeringswet DSA als de Europese evaluatie van de DSA worden opgeleverd, daarbij wordt onder andere gekeken naar de werking, waaronder de doeltreffendheid, van deze instrumenten in de praktijk. Mijn ministerie zal een actieve bijdrage leveren aan deze evaluaties.
Daarnaast is de Kamer eerder over de aanpak van malafide hostingpartijen geïnformeerd.7 Binnen deze aanpak worden verschillende maatregelen tegen aanbieders genomen die geen of weinig maatregelen nemen tegen het faciliteren van malafide activiteiten in de online omgeving. Als onderdeel hiervan wordt er onder andere gekeken naar de mogelijkheid om een «Know your customer»-beleid (KYC-beleid) voor de hostingsector wettelijk te verankeren. Met een KYC-beleid kunnen opsporingsdiensten klanten van hostingpartijen sneller identificeren bij sprake van malafide activiteiten. De Kamer wordt hierover later dit jaar nader geïnformeerd.
Binnen de aanpak tegen bad hosting, worden de mogelijkheden voor een verplicht KYC-beleid voor de hostingsector momenteel nader onderzocht Door een verplicht KYC-beleid voor de hostingsector kunnen de verantwoordelijke (klanten van) dienstverleners sneller worden achterhaald, dan wel sneller aansprakelijk worden gesteld bij het niet voldoen aan een bevel of vordering. Het offline halen van platforms die vanuit het buitenland worden gehost blijft een uitdaging. De resellersproblematiek, een constructie waarbij hostingdiensten worden doorverhuurd of doorverkocht aan tussenpartijen, speelt hierbij een grote rol. Door de resellersconstructie is er minder zicht op malafide activiteiten van klanten van hostingdiensten en kan een klant of gebruiker makkelijker anoniem blijven. Het wettelijk verplichten van een KYC-beleid voor de hostingsector helpt ook bij het tegengaan van de resellersproblematiek.
Bent u bereid om, in samenwerking met Europese lidstaten, zich actief in te zetten voor het zo snel mogelijk offline halen van platforms zoals Motherless die seksueel geweld faciliteren of verheerlijken, en welke concrete stappen kunt u daartoe nemen?
Het tegengaan van malafide (klanten van) hostingaanbieders is van groot belang en samenwerking op Europees en internationaal niveau is daarvoor onmisbaar. Daar zal mijn ministerie zich voor inzetten. Vanuit de aanpak tegen bad hosting worden daarom gesprekken gevoerd om de urgentie voor een aanpak tegen bad hosting op Europees niveau te vergroten. Onlangs is bij de non-paper over de Europese Tech Sovereignty Package van EZK aandacht gevraagd voor regelgeving om misbruik van diensten op digitale infrastructuur tegen te gaan.8
Bovendien werken de politie, het OM en verschillende publieke en private partners al jaren samen om de netwerken van hosting providers op te schonen. Vanaf de tweede helft van 2025 is de aanpak tegen bad hosting ook een speerpunt geworden van het European Cybercrime Centre (EC3) van Europol. Steeds meer landen sluiten aan bij de zogeheten brede bestrijding van schadelijke hosting.
Ten aanzien van de DSA werkt de ACM vanuit haar rol als digitaledienstencoördinator (DSC) waar nodig samen met de Europese Commissie en de DSCs in andere lidstaten. Gezamenlijk vormen zij de Europese Raad voor digitale diensten.
De ACM heeft in dit kader contact opgenomen met andere Europese toezichthouders om te achterhalen of voor deze partij een andere toezichthouder momenteel bevoegd is. Indien dit niet het geval is, zal de ACM besluiten om een onderzoek in gang te zetten. Ook kan de onderliggende webhostingdienst mogelijk worden aangesproken op grond van de DSA. Dit hangt af van hoe beide partijen om zijn gegaan met pogingen om illegale inhoud offline te halen.
Online beïnvloeding van jongeren en regelgeving rondom influencers |
|
Inge van Dijk (CDA), Joris Lohman (CDA), Jantine Zwinkels (CDA), Harmen Krul (CDA) |
|
Aerdts , Sophie Hermans (VVD), Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de onderzoeken van Wijzer in Geldzaken en de Universiteit Utrecht dat veel jongeren zich bij financiële beslissingen laten beïnvloeden voor finfluencers met loze beloften over snel geld verdienen en dat met name kwetsbare jongeren hierdoor in de problemen kunnen komen, terwijl finfluencers vooral hun eigenbelang dienen?1, 2
Ja.
Bent u bekend met het recente onderzoek van de Radboud Universiteit dat influencers zonder medische achtergrond mensen met hun gezondheidsadviezen medische misinformatie kunnen verstrekken, bijvoorbeeld met oproepen om geen zonnebrand meer te gebruiken of te stoppen met hormonale anticonceptie?3
Ja.
Bent u bekend met de recente waarschuwingen van de Nederlandse Voedsel- en Warenautorteit (NVWA) over de risico’s van supplementen, waar verboden of onveilige stoffen in kunnen zitten, bijvoorbeeld bij teveel inname of verkeerde combinaties waardoor schade aan de gezondheid kan ontstaan, en de publicatie van een Blocklist?4
Ja.
Deelt u de zorg dat jongeren in toenemende mate informatie over onder meer financiële zaken, gezondheid en maatschappelijke vraagstukken verkrijgen via sociale media en influencers, en dat dit risico’s kan meebrengen wanneer informatie onjuist, onvolledig of misleidend is?
Ja.
Bent u bekend met het artikel ««Geen diploma, geen video»: nieuwe Chinese wetgeving voor influencers leidt tot verhit online debat»? En het initiatief van de Chinese overheid om eisen te stellen aan influencers te beschikken over aantoonbare deskundigheid wanneer zij over bepaalde maatschappelijke thema’s, zoals gezondheid, voeding en financiën adviseren?5
Ja.
Vind u dat ook in Nederland strengere regels zouden moeten gelden voor influencers die over maatschappelijke thema’s, zoals gezondheid, voeding en financiën mogen adviseren, zoals het beschikken over aantoonbare deskundigheid of expliciete vermelding dat hiervan geen sprake is, omdat zulke adviezen niet zonder risico’s zijn?
Het is zorgelijk dat mensen, in het bijzonder jongeren, in toenemende mate worden blootgesteld aan onjuiste informatie van influencers, bijvoorbeeld over gezondheidsonderwerpen en geldzaken. Dit kan hen aanzetten tot keuzes die zij anders niet zouden maken, met negatieve gevolgen als resultaat. Tegelijkertijd is het belangrijk om de vrijheid van meningsuiting ook online te bewaken.
Het kabinet vindt het onwenselijk dat aanbevelingssystemen problematische inhoud versterken, en vindt het daarom belangrijk dat inhoud van kwaliteitsmedia zichtbaarder wordt gesteld. Het kabinet werkt dan ook, binnen het kader van de Audiovisuele Mediadienstenrichtlijn (AVMSD), aan het invoeren van prominentiemaatregelen om de zichtbaarheid en vindbaarheid van aanbod van algemeen belang te vergroten.
Kunt u onderzoeken of het mogelijk is om aanvullende eisen aan deskundigheid te stellen bij adviseren op terreinen waar desinformatie een verhoogd risico inhoudt, met name voor kwetsbare groepen, zoals over financiën, voedings- (en specifiek over Voedingssupplementen en kruidensupplementen) en gezondheidsadviezen?
Door de opkomst van influencers kan het onderscheid tussen reclame, sponsoring en productplaatsing vervagen. Op dit moment is het niet altijd duidelijk welke regels van toepassing zijn, met name in relatie tot consumentenwetgeving en de AVMSD. Het is vooraleerst belangrijk dat influencers duidelijkheid hebben over welke regels op hen van toepassing zijn, om de naleving te verbeteren. In zowel het non-paper over de Digital Fairness Act6, als in het non-paper over de herziening van de AVMSD7, is opgenomen dat het noodzakelijk is de toepasselijke regels goed af te stemmen, zodat de regels voor influencers duidelijk en handhaafbaar zijn.
Zou het bijvoorbeeld mogelijk zijn een disclaimer te verplichten bij posts van influencers waaruit voor een breed publiek eenvoudig te herleiden is dat het niet om deskundig advies gaat, bijvoorbeeld #NietDeskundig, #GeenDiploma of #GeenExpert
Zie het antwoord op vraag 6 en 7. Het kabinet heeft recent de Europese Commissie opgeroepen om regels voor influencers te verduidelijken. Het kabinet kijkt met interesse naar de voorstellen van de Europese Commissie op dit punt. Daarnaast wijst het kabinet op het belang van co- en zelfregulering, hiermee wordt de sector aangespoord om (binnen de wettelijke kaders) zelf normen te stellen en te handhaven. De ervaringen met de Nederlandse Reclame Code zijn positief. Deze vorm van co-regulering draagt bij aan verantwoorde en betrouwbare reclame-uitingen8.
Bent u bereid om ook in Europees verband in te zetten op betere consumentenbescherming bij online advisering over mogelijk risicovolle producten, en met name op aanvullende eisen aan (informatie over) deskundigheid? Bijvoorbeeld via Digital Services Act, richtlijnen voor consumentenbescherming of de Digital Fairness Act?
Zoals aangegeven in de antwoorden op vragen 7 en 8 zet het kabinet op Europees niveau in op betere regulering van influencers. In welk wetgevingsinitiatief dit het beste past, wordt nog onderzocht. De uiteindelijke keuze hierin ligt bij de Europese Commissie. Het kabinet heeft zijn standpunt over influencers wel reeds kenbaar gemaakt via een non-paper in het kader van de herziening van de AVMSD. Daarnaast pleitte het kabinet in een non-paper over de Digital Fairness Act (DFA) voor duidelijkere regels voor influencers door meer duidelijkheid te geven over de reikwijdte van de AVMSD en het consumentenrecht. Daarnaast stelde het kabinet voor om in de EU meer in te zetten op het certificeren van influencers9. Tot slot stelt het kabinet in hetzelfde non-paper risico’s te zien bij finfluencing, met name natuurlijk wanneer illegale financiële producten en diensten worden gepromoot. Het kabinet verzoekt de Europese Commissie daarom om dit soort handelspraktijken te verbieden via een aanpassing van het EU-consumentenrecht10.
Het artikel 'Ook Grieken overstag, regering wil verbod op sociale media voor kinderen' |
|
Jantine Zwinkels (CDA) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ook Grieken overstag, regering wil verbod op sociale media voor kinderen»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het voornemen van Griekenland om kinderen tot 15 jaar de toegang tot sociale media te verbieden, mede in het licht van het coalitieakkoord waarin is opgenomen dat wordt gewerkt aan een handhaafbare Europese minimumleeftijd van 15 jaar voor sociale media met privacyvriendelijke leeftijdsverificatie?
Verschillende Europese lidstaten hebben wetsvoorstellen aangekondigd om een minimumleeftijd in te stellen voor sociale media. Lidstaten hebben de bevoegdheid om een minimumleeftijd voor te schrijven voor toegang tot bepaalde producten of online diensten, met inbegrip van sociale mediadiensten.
In het coalitieakkoord is het voornemen geuit voor een Europese minimumleeftijd van 15 jaar voor sociale media, zolang sociale media onvoldoende veilig zijn. Een minimumleeftijd op Europees niveau heeft mijn voorkeur, omdat sociale mediabedrijven grensoverschrijdend opereren. Het is daarom efficiënter om te kiezen voor een gezamenlijke oplossing en uniforme Europese regels, omdat dit versnippering tussen lidstaten voorkomt.
Welke concrete stappen zet het kabinet op dit moment in Europees verband om te komen tot die handhaafbare Europese minimumleeftijd van 15 jaar voor sociale media?
Nederland heeft tijdens de Informele Telecomraad van 29 en 30 april 2026 het belang uitgedragen van een Europese minimumleeftijd van 15 jaar voor sociale media met privacyvriendelijke leeftijdsverificatie, zolang sociale media onvoldoende veilig zijn. De Kamer zal hier op korte termijn via een verslag nader over worden geïnformeerd.
Daarnaast ga ik de komende periode mogelijkheden voor samenwerking verder verkennen door met verschillende lidstaten in gesprek te gaan. Ik heb onder meer een bijeenkomst op initiatief van Frankrijk bijgewoond, waar ik met andere Europese leiders en de Europese Commissie sprak over een Europese minimumleeftijd voor sociale media.
Tot slot voert de Universiteit van Amsterdam (UvA) momenteel een onderzoek uit naar de juridische inrichting van een Europese minimumleeftijd voor sociale media. Ik zal de resultaten van dit onderzoek uiterlijk voor het zomerreces publiceren.
Erkent het kabinet dat, in het licht van de ontwikkeling dat steeds meer landen overgaan tot een verbod, nu het moment is om tot een gezamenlijke aanpak te komen?
Het is belangrijk om tot een gezamenlijke Europese aanpak te komen, zoals ik heb aangegeven in de beantwoording van de vragen 2 en 3.
Trekt Nederland hierbij actief op met andere Europese lidstaten die eveneens willen komen tot strengere regels voor kinderen op sociale media, zoals Griekenland, Frankrijk, en Spanje? Zo ja, op welke wijze?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3, zal ik met verschillende lidstaten in gesprek gaan om te verkennen wat de mogelijkheden zijn voor samenwerking. Na deze gesprekken en de resultaten van het onderzoek van de UvA zal ik nagaan wat de meest geschikte vorm van samenwerking is.
Hoe wil het kabinet een Europese minimumleeftijd juridisch en technisch handhaafbaar vormgeven, in het bijzonder in relatie tot de Digital Services Act (DSA) en de door de Europese Commissie ontwikkelde leeftijdsverificatie-aanpak?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 voert de UvA momenteel een onderzoek uit naar de juridische inrichting van een Europese minimumleeftijd voor sociale media. Daarbij wordt uiteraard ook ingegaan op de relatie tot de DSA als hoeksteen van het Europese platformrecht. De uitkomsten van dit onderzoek worden meegenomen bij de uitvoering van het coalitieakkoord.
Voor wat betreft de technische handhaafbaarheid, geldt dat online leeftijdsverificatie een belangrijk instrument kan zijn, mits fundamentele rechten en grondrechten zoals privacy, gegevensbescherming, non-discriminatie en digitale toegankelijkheid worden gewaarborgd. De toepassing moet proportioneel zijn en steeds per context worden afgewogen; er is geen one size fits all-oplossing. Om de ontwikkeling van privacyvriendelijke leeftijdsverificatie te ondersteunen, heeft de Europese Commissie een blauwdruk voor een Europese white-label leeftijdsverificatie-app gepubliceerd. Het kabinet verkent momenteel of de EU-blauwdruk app in Nederland geïmplementeerd kan worden of dat er ook andere mogelijkheden zijn voor implementatie van leeftijdsverificatie.
Bent u bekend met het NRC-artikel «Van drugs tot pijnstillers: met hun uitgebreide menukaart slaan WhatsApp-dealers een pijler weg onder het drugsbeleid»?1
Ja.
Herkent u het beeld dat drugsdealers via WhatsApp en andere sociale media uitgebreide drugsmenu’s aanbieden waarin zowel softdrugs, harddrugs, designerdrugs als geneesmiddelen worden verkocht? Zo ja, hoe groot is voor zover bekend deze vorm van handel in Nederland?
Ik herken dit beeld. In Nederland verloopt de onlinehandel via sociale media platforms, het dark net en het openbare web. Onder jongvolwassen gebruikers blijken mobiele apps, zoals WhatsApp, Telegram of Snapchat een populair kanaal om contact te leggen met verkopers. De drugsmenu’s die op grote schaal verspreid worden via interpersoonlijke communicatiediensten door aanbieders, zijn al geruime tijd een bekende modus operandi.
Hoe groot deze vorm van handel is, is lastig te zeggen. Er is bij georganiseerde criminaliteit sprake van een «dark number» en daardoor is het sowieso lastig om een schatting van de totale omvang van de markt te maken. Daarnaast registreren OM en politie niet of een drugsdelict zich geheel in de fysieke wereld of (deels) online heeft afgespeeld, aangezien dit geen verschil maakt in de strafbaarheid van de handelingen.
In hoeverre deelt u de analyse dat de online verkoop via berichtendiensten het klassieke uitgangspunt van het Nederlandse drugsbeleid, de scheiding tussen soft- en harddrugsmarkten, in de praktijk ondermijnt?
Deze scheiding wordt onder andere gekenmerkt door het bestaan van coffeeshops waar mensen cannabis kunnen kopen zonder dat ze met Lijst I-producten in aanraking komen. Het Nederlandse beleid leidt tot een grotere scheiding van de markt van Lijst I- en Lijst II-middelen, maar uiteraard niet tot een volledige. Desondanks blijft er helaas sprake van een illegale (straat)markt die parallel aan de verkoop in coffeeshops plaatsvindt.
Volgens de Nationale Drug Monitor (NDM) koopt «het merendeel van de cannabisgebruikers die hun cannabis zelf kopen» in een coffeeshop. Aankoop via illegale verkooppunten, zoals thuisdealers en straatdealers komt onder de algemene bevolking minder voor. Het aantal coffeeshops is in Nederland sinds 2017 stabiel.2 Vooralsnog zijn er dus geen aanwijzingen dat er een (grootschalige) verschuiving plaatsvindt van mensen die hun cannabis bij coffeeshops kopen naar versleutelde berichtendiensten. Daarmee lijkt er op dit moment geen sprake van ondermijning van dit klassieke uitgangspunt van het Nederlandse beleid.
Welke mogelijkheden hebben politie en justitie momenteel om op te treden tegen dealers die via WhatsApp, Snapchat of andere berichtendiensten drugs aanbieden en bezorgen?
Indien er gegevensdragers, zoals telefoons of computers, in beslag zijn genomen, kan de politie deze, na toestemming van de officier van justitie en een machtiging van een rechter-commissaris, onderzoeken en de gevonden gegevens analyseren op dit soort strafbare gedragingen. In dergelijke gevallen kan – indien het lukt toegang te krijgen tot het apparaat – communicatie die verliep via een versleutelde berichtendienst (achteraf) worden uitgelezen.
Er zijn op dit moment geen effectieve, schaalbare oplossingen om drugshandel tegen te gaan die één op één verloopt via end-to-end versleutelde berichtendiensten zoals WhatsApp of Signal. In Nederland zijn telecommunicatiediensten zoals KPN of Vodafone wettelijk verplicht om toegang tot informatie in leesbare vorm te verstrekken op basis van een gerechtelijke vordering;3 voor nummeronafhankelijke communicatiediensten, zoals WhatsApp of Signal, geldt deze verplichting niet. Omdat deze diensten tevens aangeven dat zij geen toegang hebben tot de communicatie van hun gebruikers, kunnen zij ook niet meewerken aan een vordering om deze informatie alsnog te verstrekken. De Digital Services Act (DSA) biedt in deze gevallen ook geen uitkomst; nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten vallen niet onder het toepassingsgebied van de DSA. WhatsApp is een hybride dienst, omdat de aangeboden functie «kanalen» kwalificeert als online platform, waardoor WhatsApp voor dat specifieke gedeelte onder de DSA valt. Echter, de functie voor privéberichten is uitdrukkelijk uitgezonderd, omdat deze niet voldoet aan de definitie van een online platform.
De situatie waarbij niemand toegang heeft tot de inhoud van communicatie behalve de gebruiker zelf en de personen waarmee deze communiceert, heeft uiteraard veel voordelen. Zo biedt het privacy. De keerzijde hiervan is uiteraard dat dit het de bestrijding van criminaliteit bemoeilijkt. Communicatie over strafbare feiten komt immers meestal pas aan het licht wanneer een gebruiker daar zélf melding van maakt of wanneer een telefoon in beslag kan worden genomen én kan worden gekraakt.
In Europees verband wordt momenteel door een interdisciplinaire groep van experts gekeken naar technische mogelijkheden om, op een cyberveilige en privacy-vriendelijke manier, gericht toegang te verkrijgen tot end-to-end versleutelde communicatie van een verdachte in een strafrechtelijk onderzoek. Het kabinet heeft uw Kamer op 29 augustus 2025 hierover geïnformeerd.4 Het is op dit moment nog moeilijk te zeggen wat de uitkomsten daarvan zullen zijn en of dit een oplossing gaat bieden voor het geschetste probleem.
Klopt het dat het verbod op reclame voor drugs in de praktijk online nauwelijks handhaafbaar is? Zo ja, welke maatregelen overweegt u om online marketing van drugs effectiever te bestrijden?
Voor zover reclame voor drugs als illegale inhoud kwalificeert en is geplaatst op een tussenhandeldienst waarop de Digital Services Act (DSA) van toepassing is, kan daarvan melding worden gedaan bij de desbetreffende hostingdienst of het online platform. Een tussenhandeldienst is bijvoorbeeld een website of app waarop anderen op eigen initiatief content kunnen plaatsen. Denk aan websites of apps waarop gebruikers zelf video’s, afbeeldingen of reviews kunnen plaatsen of hun producten of diensten kunnen aanbieden. Hostingdiensten en online platforms zijn gehouden actie te ondernemen zodra zij op de hoogte zijn gebracht van de aanwezigheid van illegale inhoud op hun dienst.
Welke afspraken bestaan er momenteel met platforms en berichtendiensten zoals WhatsApp en Snapchat over het signaleren en verwijderen van accounts die drugs aanbieden?
Het is belangrijk om een onderscheid te maken tussen platforms en berichtendiensten. Voor de handhaving van illegale inhoud op platforms, zoals reclame voor drugs, is de DSA van toepassing.
De DSA biedt echter geen uitkomst bij het tegengaan van illegale inhoud die één op één wordt verstuurd via nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten (zoals WhatsApp of Signal); deze functie valt expliciet buiten de reikwijdte van de DSA. Voor het overige verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 4.
Bent u bereid te onderzoeken of platforms en berichtendiensten een grotere verantwoordelijkheid kunnen krijgen bij het opsporen en verwijderen van drugshandel via hun diensten?
Nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten zijn uitgezonderd van de reikwijdte van de DSA. Zoals aangegeven in mijn beantwoording van vraag 4 worden eventuele technische mogelijkheden in Europees verband onderzocht. Of dit traject werkbare oplossingen zal opleveren om het geschetste probleem aan te pakken, is nog onduidelijk.
In de DSA zijn de verantwoordelijkheden en aansprakelijkheid van tussenhandeldiensten, zoals hostingdiensten en online platforms, geregeld. Via deze diensten kunnen gebruikers online teksten, afbeeldingen, video’s of andere content doorgeven, opslaan of openbaar maken. De DSA is een EU-verordening met maximumharmonisatie. Binnen haar toepassingsgebied bestaat geen ruimte voor lidstaten om aanvullende nationale eisen te stellen of in stand te houden.5 Op nationaal niveau kunnen daarom geen aanvullende zorgvuldigheidsverplichtingen aan tussenhandeldiensten worden opgelegd. Het kabinet zet in op een effectieve en uniforme toepassing en handhaving van de DSA. In 2027 wordt de DSA geëvalueerd op het effect en doeltreffendheid. De regels omtrent verantwoordelijkheden van online platforms zullen dan ook worden geëvalueerd en verdere aanscherping kan zo nodig worden overwogen. Mijn ministerie zal aan deze evaluatie actief bijdragen en ervaringen, zoals op dit thema, inbrengen.
Hoe beoordeelt u de signalen dat dealers naast drugs ook geneesmiddelen of nagemaakte medicijnen verkopen, waaronder mogelijk zeer gevaarlijke stoffen zoals nitazenen?
Deze signalen zijn zeer verontrustend. De problematiek van het online aanbod van illegale (namaak) geneesmiddelen en (designer)drugs heeft de expliciete aandacht van het kabinet. Inmiddels is breed bekend dat het OM onderzoek doet naar het verband tussen het online bestellen van (namaak)geneesmiddelen en (designer)drugs en sterfgevallen met betrekking tot de websites Funcaps.nl en Slaappillen.net. Om te komen tot een effectieve aanpak van deze problematiek heeft mijn ministerie samen met het Ministerie van VWS intensief overleg gevoerd met alle betrokken instanties die belast zijn met de opsporing en handhaving. Uw Kamer zal voor de zomer een brief ontvangen over deze problematiek.
Het kabinet is zich zeer bewust van de risico’s van de nitazenen, zeer sterke synthetische opioïden. Er zijn inmiddels al meerdere nitazenen onder de Opiumwet gebracht na internationale risicobeoordelingen. Het gevaar is echter dat er steeds nieuwe nitazenen op de markt worden gebracht die nog niet onder de Opiumwet vallen. Om deze reden werkt het kabinet aan regelgeving waarbij de nitazenen als stofgroep worden toegevoegd aan lijst IA van de Opiumwet. Dat is mogelijk geworden met de wijziging van de Opiumwet van 1 juli 2025. Als een stofgroep wordt verboden zijn alle nieuwe varianten binnen die stofgroep automatisch verboden. Het kabinet streeft ernaar om de AMvB die de nitazenen als stofgroep toevoegt aan deze Opiumlijst IA toevoegt per 1 juli in werking te laten treden. Vanaf dat moment heeft de politie meer mogelijkheden om te handhaven op dit soort gevaarlijke synthetische opioïden.
Welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat jongeren via sociale media laagdrempelig in contact komen met dealers die naast softdrugs ook harddrugs en farmaceutische middelen aanbieden?
Onder de DSA bestaan verschillende verplichtingen en maatregelen die beogen de toegang van jongeren tot illegale of anderszins schadelijke online content tegen te gaan. Zo verplicht artikel 28 DSA online platforms om passende en evenredige maatregelen te nemen om een hoog niveau van privacy, veiligheid en bescherming van minderjarigen te waarborgen. De Europese Commissie heeft hierover recent richtsnoeren gepubliceerd. Uw Kamer is daar op 14 november 2025 over geïnformeerd.6 Aangewezen zeer grote online platforms (zogeheten Very Large Online Platforms – VLOPs) dienen de systeemrisico’s, waaronder de schadelijke effecten van hun dienst op minderjarigen en de verspreiding van illegale inhoud, te identificeren en beperken.
Het Ministerie van BZK heeft in het kader van het online kinderrechtenbeleid een kinderrechten impact assessment ontwikkeld die kan worden ingezet om risico’s van een digitale dienst in kaart te brengen.
Daarnaast is het van belang dat ouders en opvoeders al vroeg betrokken zijn bij de online activiteiten van hun kinderen, zodat kinderen mediawijs opgroeien en daarbij ondersteund kunnen worden. Daarom heeft het Ministerie van VWS in juni 2025 de richtlijn gezond schermgebruik voor ouders en opvoeders gelanceerd, met als doel ouders en opvoeders te ondersteunen bij het gezond opvoeden en opgroeien van kinderen online.
Het Ministerie van VWS financiert drugspreventieprogramma’s specifiek voor jongeren en sociale media. Deze richten zich vooral op voorlichting en schadebeperking. Dit is onderdeel van het preventiebeleid van het kabinet om middelengebruik bij jongeren te voorkomen, uit te stellen of te verminderen.
Acht u het huidige instrumentarium van politie, justitie en toezichthouders toereikend genoeg om de combinatie van online marketing en offline drugshandel effectief aan te pakken? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, welke aanvullende maatregelen acht u noodzakelijk?
Het huidige wettelijke instrumentarium van politie, justitie en toezichthouders is in mijn ogen toereikend genoeg als het gaat om illegale content op platforms en opsporing van offline drugshandel, maar als het gaat om handhaving van illegale content op de meest gebruikte berichtendiensten zie ik belemmeringen. De politie brengt altijd prioritering aan in de inzet van opsporingscapaciteit op basis van professionele inschattingen, dat geldt ook voor opsporing in het digitale domein. De politie doet in veel gevallen onderzoek naar criminele organisaties en niet naar online marketing van drugs. Door de verschuiving van offline criminaliteit naar online criminaliteit, verschuift ook de aandacht van de politie meer naar online criminaliteit. Zoals aangekondigd wordt extra geld geïnvesteerd in de opsporing van gedigitaliseerde criminaliteit. Met deze investering wordt de capaciteit in de digitale opsporing uitgebreid. De aanpak van online drugshandel is een van de diverse vormen van online criminaliteit die extra aandacht vragen. Daarnaast kan worden gedacht aan het delen van naaktbeelden van onwetende slachtoffers, het oplichten of afpersen van burgers en andere vormen van cyber- of gedigitaliseerde criminaliteit die aandacht vragen van de opsporingsinstanties.
Voor wat betreft de bestrijding van criminaliteit die verloopt via grote berichtendiensten zoals Whatsapp en Signal verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 4. Waar het gaat om de rol van platformen en het tegengaan van illegale online content, verwijs ik naar het antwoord op vraag 7 waarin ik aangeef actief te zullen bijdragen aan de evaluatie van de DSA.
Deelt u de zorg dat de combinatie van online bestellen en snelle bezorging de toegankelijkheid van drugs vergroot en daarmee mogelijk ook het gebruik en verslavingsproblematiek doet toenemen, met name onder jongeren die actief zijn op deze platforms?
Ik deel die zorg. Zoals bij het antwoord op vraag 10 is beschreven, maakt het kabinet extra middelen vrij voor de aanpak van online drugshandel. Daarnaast zet het kabinet in op het denormaliseren en voorkomen van drugsgebruik.
Kun u onderzoeken of de huidige aanpak van online drugshandel en digitale marketing van drugs moet worden aangescherpt en de Kamer hierover informeren?
Uit gesprekken met betrokken partijen blijkt dat de handhaving van de online verkoop van drugs niet los te zien is van de online handel in andere verboden middelen. De investering in de opsporing van gedigitaliseerde criminaliteit zal ook de handhaving van de online verkoop van drugs op platforms ten goede komen. De knelpunten in de online handhaving liggen over de hele linie onder andere in het gebruik van veelal versleutelde platforms of interpersoonlijke berichtendiensten, schaarste in capaciteit bij betrokken (opsporings)diensten en het bestaan van open grenzen. Voor het openbaar toegankelijke internet moet in de komende periode in de praktijk verder blijken hoe de Digital Services Act (DSA) uitwerkt, waarbij richting 2027 de werking wordt gemonitord en uiteindelijk geëvalueerd (zie ook het antwoord op vraag 7). Ik zal de Kamer nader informeren over de huidige aanpak van online drugshandel en de uitdagingen die daarmee samenhangen.
Voor de digitale marketing van drugs is het voor de handhaving van belang dat er meer waarborgen komen, waarmee er een zelfreinigend mechanisme vanuit de platforms zelf gecreëerd zou worden. Voor zover op Europees niveau wordt gezocht naar veilige en privacy-vriendelijke manieren om gericht toegang te verkrijgen tot versleutelde communicatie van een verdachte in een strafrechtelijk onderzoek, verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 4.
“Social leasing” als mogelijk instrument om huishoudens te beschermen tegen stijgende brandstofprijzen. |
|
Jantine Zwinkels (CDA) |
|
Herbert , Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met het zogenoemde «social leasing»-programma in Frankrijk,1 waarbij huishoudens met een lager inkomen tegen een sterk gereduceerd maandbedrag een elektrische auto kunnen leasen?
Ja.
In hoeverre zou dit type maatregel ook in Nederland kunnen bijdragen als instrument om huishoudens te beschermen tegen stijgende brandstofprijzen en tegelijkertijd de transitie naar emissievrije mobiliteit te versnellen?
De invoering van een dergelijke maatregel zou vooral kunnen helpen om huishoudens met een lager inkomen op een gerichte manier te beschermen tegen de stijgende brandstofprijzen en om de transitie naar emissievrije mobiliteit te versnellen.
Bij het «social leasing»-programma uit Frankrijk wordt het leasen van een volledig elektrische auto (EV) sterk goedkoper gemaakt. Alleen huishoudens die onder een bepaalde inkomensgrens vallen (lage inkomens) en die een minimale hoeveelheid kilometers naar hun werk moeten reizen met een auto kunnen aanspraak maken op de regeling. In Nederland zou een vergelijkbare regeling gericht kunnen worden op huishoudens met een inkomensgrens van 23.000 per jaar. Deze huishoudens worden momenteel het meest getroffen door de hoge brandstofprijzen. Met de introductie van een soortgelijke regeling zou voor deze inkomensgroep een gemiddeld voordeel van € 91,– per maand (€ 1.092,– per jaar) bereikt worden. Op het ogenblik wordt bezien of (en hoe) een dergelijke regeling uitvoerbaar is, omdat er een controle vereist is op zowel het inkomen als de reisafstand van huis naar werk.
Hoe zou een dergelijke regeling bij kunnen dragen aan de betaalbaarheid van mobiliteit voor lagere inkomens, de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen, de versnelling van de elektrificatie van het Nederlandse wagenpark en een rechtvaardige energietransitie?
Door een dergelijke maatregeling te richten op lagere inkomens wordt mobiliteit voor deze groep Nederlanders betaalbaarder en voorspelbaarder (door de onafhankelijkheid van fossiele brandstoffen) gemaakt. Wel moet een keuze gemaakt worden over de afbakening van de groep (inkomensgrens). Daarnaast is een inkomenscheck nodig en een check op reisafstand, waarvan op het ogenblik wordt bezien of een dergelijke check uitvoerbaar is en zo ja hoe.
De afhankelijkheid van fossiele brandstoffen wordt, bij gebruik maken van deze regeling, voor deze inkomensgroep minder. Het is afhankelijk van de totale budgettaire omvang van een dergelijke maatregel en de afbakening van de doelgroep wat uiteindelijk het totale effect is op de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen.
Versnelling van elektrificatie wordt bereikt doordat een groep die eerder fossiel zou rijden overstapt op elektrisch rijden. In het Franse voorbeeld gaat het om kleinere auto’s (a/b segment) die nu nog beperkt aanwezig zijn in het totale wagenpark. Als dit wordt overgenomen zou het aantal kleinere EV’s toenemen, wat na verloop van tijd ook een positieve uitwerking heeft op de beschikbaarheid van dit type auto’s op de tweedehands markt.
Een rechtvaardige energietransitie kan worden bereikt door in een dergelijke maatregel gericht lagere inkomens als doelgroep aan te merken. Deze groep kan dan, ondanks de normaliter hogere aanschafkosten van een EV, toch profiteren van de voordelen zoals de lagere gebruikerskosten.
Hoe zou een eventuele Nederlandse variant van sociale leasing organisatorisch kunnen worden vormgegeven, bijvoorbeeld in samenwerking met leasemaatschappijen, aanbieders van deelmobiliteit en andere mobiliteitsaanbieders, en hoe kan daarbij worden voortgebouwd op bestaande Nederlandse regelingen en initiatieven?
Onderzoek naar een Nederlandse variant op het social leasing programma vindt plaats binnen het Formule E-Team (FET). In samenwerking met het FET is destijds de Subsidieregeling Elektrische Personenauto’s Particulieren (SEPP) ontwikkeld die de mogelijkheid bood voor een subsidie op leasing. De regeling is in 2024 komen te vervallen. Onderzocht moet worden wat de mogelijkheden zijn om de regeling opnieuw te activeren en zodanig aan te passen dat een inkomensgrens en een minimale reisafstand meegenomen kan worden in het beoordelingsproces. Gerichte ondersteuning van lage inkomens voor de gestegen energiekosten vraagt in de uitvoering om een inkomenstoets, bezien moet worden of het mogelijk is om aansluiting te vinden bij een al bestaande toets.
Welke bestaande Nederlandse regelingen (zoals subsidies of fiscale maatregelen voor elektrische voertuigen) zouden eventueel kunnen worden aangepast of gecombineerd om een vergelijkbare vorm van sociale leasing mogelijk te maken?
Er zijn op dit moment geen stimuleringsmaatregelen voor elektrisch vervoer in de particuliere markt meer actief in Nederland.
Wel wordt op het ogenblik een (inkomensafhankelijke) sloopvervangingsregeling van een fossiele auto voor een tweedehands EV uitgewerkt. Deze regeling gaat begin 2027 van start. Verschillen tussen deze regeling en een mogelijke social lease regeling zijn de afbakening van de doelgroep en het benodigde budget. Social lease is vooral gericht op de laagste inkomens en bij social lease kunnen ook mensen meedoen die eerder geen auto in het bezit hadden (bijv. financieel autolozen2 De sloopvervangingsregeling is gericht op de lage middeninkomens die in bezit zijn van een oude auto. Als dit niet het geval is, kan niet worden meegedaan aan de regeling. Na inruil van de oude auto ontvangt de aanvrager een bedrag dat gebruikt moet worden voor de aanschaf van een tweedehands elektrische auto. Beide maatregelen richten zich op verschillende doelgroepen en kunnen naast elkaar worden uitgevoerd.
Bent u bereid te onderzoeken of, onder welke voorwaarden, en op welke wijze een vergelijkbaar systeem van sociale leasing voor elektrische auto’s, gericht op huishoudens met een lager inkomen die afhankelijk zijn van de auto voor woon-werkverkeer, ook in Nederland overwogen zou kunnen worden als onderdeel van eventuele maatregelen ter compensatie van stijgende brandstofprijzen?
Ja.
Het bericht dat een rapport over Amerikaanse clouddiensten is verwijderd |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Jantine Zwinkels (CDA), Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht: «Onderzoek naar Amerikaanse cloud-risico’s door Ministerie van overheidswebsite verwijderd» (De Volkskrant, 5 maart 2026)?
Ja.
Kunt u verklaren waarom het onderzoek naar de risico’s van de Amazon «European Sovereign Cloud» tijdelijk offline is gehaald?1
Vanwege onduidelijkheden in de interpretatie is de publicatie tijdelijk teruggenomen voor verduidelijking in het begeleidende bericht en daarna opnieuw geplaatst; de inhoud van het rapport is geheel ongewijzigd.
Wat is uw reactie op het rapport?
Het onderzoeksrapport dat SLM heeft laten opstellen door het advocatenkantoor Greenberg Traurig bevat een objectieve juridische beoordeling van de AWS ESC ten aanzien van de soevereiniteit op data en soevereiniteit op de beschikbaarheid van het systeem.
Het onderzoek heeft samengevat de volgende bevindingen opgeleverd:
De conclusie van Greenberg Traurig dat de AWS European Sovereign Cloud compatibel kan zijn met de visie digitale autonomie en soevereiniteit, heeft alleen betrekking op een deel van de eisen ten aanzien van Nederlandse of Europese jurisdictie, maar niet op de overige autonomie doelstellingen van de Visie.
Wat is het doel geweest van het onderzoek van GreenbergTraurig? Wat wordt er gedaan met de uitkomsten?
Binnen de scope en mandaat van SLM Microsoft, Google Cloud en AWS valt het onderzoeken van het aanbod van de genoemde partijen. Zo voert SLM onder meer Data Protection Impact Assessments (DPIA’s) uit op diensten van deze partijen.
Gezien het beschikbaar zijn van de AWS European Sovereign Cloud (AWS ESC) per 15–01 jl. is dit aanbod in opdracht van SLM onderzocht.
Het onderzoeksrapport dat SLM heeft laten opstellen door het advocatenkantoor Greenberg Traurig bevat een objectieve juridische beoordeling van de AWS ESC ten aanzien van de soevereiniteit op data en soevereiniteit op de beschikbaarheid van het systeem.
Een belangrijke disclaimer is dat dit geen technisch onderzoek is naar de doeltreffendheid van technische en/of organisatorische maatregelen van AWS. Ook betreft dit geen beleidsadvies of een compliance-beoordeling.
Hoe reageert u op de kritiek dat het rapport eenzijdig is geschreven? Ziet u aanleiding om de risico’s nader te onderzoeken?
Het rapport beoogt een objectieve juridische beoordeling te geven van de juridische onderzoeksvragen die in het rapport geformuleerd zijn.
Momenteel is er geen aanleiding om de risico’s nader te onderzoeken. Nu wordt prioriteit gegeven aan onderzoek en contractering van EU leveranciers (momenteel STACKITt, ESET en OVH).
Hoe leest u de conclusies van het rapport, waaruit blijkt dat de Amerikaanse overheid via de Amazon «European Sovereign Cloud» nog steeds toegang kan krijgen tot Nederlandse data?
Zie beantwoording vraag 3.
Kunt u bevestigen dat het afnemen van de Amazon «European Sovereign Cloud» en soortgelijke initiatieven van Amerikaanse techgiganten niet bijdraagt aan het digitaal autonoom maken van Nederland? Wordt het afbouwen van het gebruik hiervan onderdeel van het kabinetsbeleid?
Zie antwoord op vraag 3 (voor eerste deelvraag).
Het kabinetsbeleid is er, middels de Nederlandse Digitalisering Strategie (NDS), op gericht een soevereine overheidscloud te realiseren, waar mogelijk en passend in samenwerking met de Nederlandse of Europese IT industrie.
In algemene zin is de inzet van het kabinet erop gericht om eenzijdige afhankelijkheden van derde landen af te bouwen en zoveel mogelijk te diversifiëren, ook op digitaal vlak.
Hebben ministeries, uitvoeringsorganisaties, zbo’s of andere overheidsdiensten reeds plannen om gebruik te maken van de Amazon «European Sovereign Cloud» of soortgelijke initiatieven? Zo ja, kunt u een overzicht geven van organisaties die van plan zijn om de dienst af te nemen of dit al hebben gedaan?
Overheidsorganisaties zijn verantwoordelijk voor hun eigen gebruik van clouddiensten. Op dit moment is mij niet bekend of er overheidsorganisaties voornemens zijn deze clouddienst te gaan gebruiken.
Zijn er nog andere risicoanalyses of onderzoeken uitgevoerd naar de gevolgen voor de digitale autonomie bij het afnemen van de Amazon «Sovereign European Cloud» of soortgelijke initiatieven? Zo ja, kunt u deze aan de Kamer doen toekomen?
In samenwerking met een werkgroep van het CIO Platform Nederland, waaraan ook een aantal overheid CIO’s deelnemen, is er een inventarisatie gedaan naar een aantal cloud diensten die als «soevereine cloud» worden aangeboden.
Deze inventarisatie is nog niet afgerond en indien een rapport wordt opgesteld, kan het gedeeld worden met de Tweede Kamer.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo snel mogelijk beantwoorden?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Mogelijke plaatsing van Chinese laadpalen bij gebouwen van de Rijksoverheid |
|
Jantine Zwinkels (CDA), Jan Paternotte (D66), Derk Boswijk (CDA) |
|
Rijkaart , David van Weel (VVD), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat het Rijksvastgoedbedrijf mogelijk honderden laadpalen van een Chinees bedrijf wil laten plaatsen bij gebouwen van de rijksoverheid, ondanks groeiende zorgen over strategische afhankelijkheid en veiligheid?1
Ja, ik ben bekend met het bericht. Het bericht gaat over een raamovereenkomst die het Rijksvastgoedbedrijf op 7 oktober 2025 heeft gegund. Deze overeenkomst gaat over het beheer van bestaande laadinfrastructuur en, als dat nodig is, de levering en plaatsing van nieuwe laadpalen bij Rijksvastgoed.
Een raamovereenkomst heeft geen afnameverplichting. Dat betekent dat er niet automatisch een vast aantal laadpalen wordt geplaatst. Per locatie wordt beoordeeld of plaatsing nodig is en hoe dit past binnen de geldende technische en beveiligingskaders.
Het kabinet vindt het belangrijk om veiligheid goed mee te wegen. Daarom worden bij dit soort aanbestedingen vooraf eisen gesteld voor functie, techniek en beveiliging. Voor locaties met een hoger risico kunnen extra eisen gelden.
Klopt het dat bij aanbestedingen voor laadinfrastructuur voor overheidsgebouwen het uitgangspunt is dat waar mogelijk gebruik wordt gemaakt van Europese of Nederlandse bedrijven en technologieën? Zo ja, hoe verhoudt de mogelijke keuze voor Chinese leveranciers zich tot dit uitgangspunt?
Aanbestedingen moeten passen binnen de geldende regels op nationaal, Europees en internationaal niveau. Die regels gaan uit van gelijke behandeling en non-discriminatie. Daarnaast is er aandacht voor beveiligingseisen en het beperken van risico’s voor de nationale veiligheid.
Binnen die regels worden aanbestedingen ingericht met duidelijke, objectieve en wettelijke eisen. Het gaat dan om functionele eisen, technische eisen en beveiligingseisen. Inschrijvingen worden op basis van die eisen beoordeeld. Dat geldt ook voor deze raamovereenkomst.
Het kabinetsstandpunt over een Europees voorkeursprincipe in publieke aanbestedingen is met uw Kamer gedeeld.2
Op welke wijze zijn bij deze aanbesteding nationale veiligheidsrisico’s, waaronder cyberveiligheid, databeveiliging en mogelijke ongewenste toegang tot systemen van overheidsgebouwen, meegewogen?
Bij deze aanbesteding zijn vooraf eisen vastgesteld voor functie, techniek en beveiliging. Deze eisen gaan onder meer over informatiebeveiliging en gegevensbescherming. Ook gaan ze over een veilige aansluiting op bestaande energie- en netwerkinfrastructuur.
Daarbij wordt aangesloten op de Rijksbrede kaders voor informatiebeveiliging en op de geldende wet- en regelgeving. Het denken staat op dit punt niet stil: als het nodig is scherpen we geldende wet- en regelgeving aan.
In hoeverre acht u het risico reëel dat slimme laadpalen – die verbonden zijn met digitale netwerken en energie-infrastructuur – kunnen worden misbruikt voor spionage, sabotage of verstoring van vitale infrastructuur?
Slimme en verbonden apparatuur kan cyberrisico’s met zich meebrengen. Dit geldt ook voor slimme laadpalen. Het gaat daarbij niet alleen om de aansluiting op het energienet, maar ook om gegevensverwerking en de systemen waarmee laadpalen worden beheerd en gemonitord.
In de aanbesteding van het Rijksvastgoedbedrijf zijn daarom beveiligingseisen opgenomen voor digitale veiligheid en voor een veilige aansluiting op het energienetwerk. Deze eisen sluiten aan op de Rijksbrede beveiligingskaders. Per locatie wordt bekeken of aanvullende maatregelen nodig zijn, passend bij het risicoprofiel.
Wordt bij de beoordeling van dergelijke technologieën rekening gehouden met het feit dat Chinese bedrijven onder Chinese wetgeving verplicht kunnen worden om informatie te delen met de Chinese overheid? Zo ja, hoe is dit risico beoordeeld?
Bij de beoordeling van technologie en leveranciers wordt gekeken naar de manier waarop gegevens worden verwerkt en beschermd. Ook wordt gekeken naar afspraken in contracten en naar naleving van Nederlandse en Europese regelgeving. Verder wordt gekeken naar de inrichting van systemen, gegevensstromen en maatregelen om risico’s te beheersen.
Systemen die bij Rijksvastgoed worden toegepast moeten voldoen aan de nationale en Europese regels voor gegevensbescherming en informatiebeveiliging. De beoordeling richt zich daarom op concrete risico’s en maatregelen.
In hoeverre bestaat het risico dat door de inzet van Chinese technologie bij laadinfrastructuur een structurele economische afhankelijkheid ontstaat, bijvoorbeeld door onderhoud, software-updates of vervangingsonderdelen, en hoe wordt dit risico gewogen?
Bij de inrichting van laadinfrastructuur wordt ook gekeken naar uitwisselbaarheid en beheerbaarheid. Denk aan interoperabiliteit, onderhoud, ondersteuning en vervangbaarheid. Zo wordt de continuïteit geborgd. In de raamovereenkomst is als eis opgenomen dat de software moet zijn gebaseerd op open standaarden.
Hoe verhoudt deze mogelijke keuze zich tot het bredere kabinetsbeleid om strategische afhankelijkheden van China te verminderen en technologische en economische veiligheid te versterken?
Het kabinet voert actief beleid om de afhankelijkheid van derde landen te verminderen en zo onze veiligheid te vergroten3. Dit beleid wordt uitgevoerd binnen de geldende Europese en nationale wet- en regelgeving.
In dat kader gelden aanvullende beveiligingseisen voor overheidsopdrachten met veiligheidsrisico’s. Sinds 1 januari 2026 geldt Rijksbreed het kader Algemene Beveiligingseisen voor Rijksoverheidsopdrachten (ABRO) voor opdrachten met risico’s voor de nationale veiligheid.
Bij aanbestedingen wordt altijd een zorgvuldige afweging gemaakt tussen marktwerking, aanbestedingsregels en veiligheidsbelangen. Waar nodig worden extra eisen gesteld, passend bij het risicoprofiel van de opdracht.
Bent u bereid te onderzoeken of voor vitale of gevoelige overheidslocaties een «Europees, tenzij»-benadering kan worden toegepast bij de inkoop van energie- en laadinfrastructuur, en de Kamer hierover te informeren?
Het kabinet beziet voortdurend hoe open strategische autonomie en veiligheid kunnen worden versterkt binnen de geldende Europese en nationale kaders. Daarbij wordt ook gekeken naar de samenhang tussen aanbestedingsregels en bredere veiligheids- en afhankelijkheidsvraagstukken.
Eventuele beleidswijzigingen moeten passen binnen het Europese aanbestedingsrecht en internationale verplichtingen. Bij aanbestedingen kunnen partijen alleen worden uitgesloten op wettelijke gronden, bijvoorbeeld bij sancties. Daarnaast gelden internationale afspraken over toegang tot overheidsopdrachten, zoals de WTO-overeenkomst inzake overheidsopdrachten (GPA) en EU-handelsovereenkomsten. Daardoor kunnen partijen niet zomaar worden uitgesloten alleen vanwege herkomst.
De Europese aanbestedingsregels worden op dit moment herzien. Binnen het kabinet coördineert het Ministerie van Economische Zaken de Nederlandse inbreng. In dat verband wordt in Europees verband ook gesproken over een mogelijk EU-voorkeursprincipe. Het kabinetsstandpunt over een Europees voorkeursprincipe in publieke aanbestedingen is met uw Kamer gedeeld.4
Uw Kamer wordt over de voortgang en eventuele keuzes geïnformeerd via Kamerbrieven en voortgangsbrieven over economische veiligheid, open strategische autonomie en aanbestedingsbeleid.
Het artikel ‘Snelgroeiende autonome AI-assistent is een ‘disaster waiting to happen’’. |
|
Jantine Zwinkels (CDA) |
|
van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Snelgroeiende autonome AI-assistent is een «disaster waiting to happen»»?1
Ja, ik heb kennisgenomen van dit artikel.
Deelt u de zorgen van experts dat steeds autonomer opererende AI-assistenten risico’s vormen voor veiligheid, privacy, menselijke controle en mentale gezondheid? En kunt u daarbij aangeven welke risico’s u het meest urgent acht?
Ja, die zorgen deel ik. In de Verzamelbrief van 18 december 20252 heeft de voormalig Staatssecretaris Digitalisering en Koninkrijksrelaties uw Kamer geïnformeerd over de resultaten van de forecast «Zicht op de Digitale Toekomst», welke TNO heeft ontwikkeld op zijn verzoek. TNO heeft daarin ook gekeken naar de impact van autonomer opererende AI-assistenten («Agentic AI») op publieke waarden zoals privacy, autonomie en democratie. Een risico is bijvoorbeeld dat gebruikers de controle verliezen op wat AI-assistenten doen. Daarnaast verzamelt en verwerkt het veel persoonlijke gegevens van gebruikers. Omdat deze AI-assistenten zelfstandig werken is het voor gebruikers moeilijk te overzien welke data waar terechtkomt en wat er met die data gebeurt. Een ander risico is dat het niet meer scherp wordt wie verantwoordelijk is voor de handelingen van de AI-assistent. Ook op het gebied van privacy en (cyber)veiligheid zijn er risico’s. Dat geldt met name voor de meer experimentele vormen van AI-assistenten waar in het artikel naar verwezen wordt, en waar ook de Autoriteit Persoonsgegevens recent voor heeft gewaarschuwd.3 Op het moment dat autonome AI-assistenten breed toegang krijgen tot talrijke apps en informatiebronnen, dan kan het misgaan doordat bijvoorbeeld accounts worden overgenomen, hacks worden gezet, of toegang worden verkregen tot privacy gevoelige gegevens (datalekken).
Acht u het wenselijk dat AI-systemen zelfstandig handelingen, zoals het doen van aankopen en het aangaan van contracten, kunnen verrichten namens gebruikers?
De wenselijkheid van dit soort autonomere AI-toepassingen hangt samen met de wijze waarop en het domein waarin deze worden ingezet. Bij iedere toepassing is het daarbij in beginsel de vraag in hoeverre de inzet rechtmatig en proportioneel is en in lijn met bestaande wet- en regelgeving. Ook is van belang dat duidelijk is wie verantwoordelijk is voor de handelingen die een AI-systeem namens een gebruiker verricht en dat er voldoende waarborgen bestaan op het gebied van bijvoorbeeld transparantie, controleerbaarheid en de bescherming van (andere) publieke waarden. Uiteraard vind ik het daarbij van belang om de ontwikkelingen op het gebied van AI, zoals agentic AI en autonomere AI-systemen, nauwgezet te volgen en hierin ook in Europees verband op te trekken, bijvoorbeeld via de Europese AI Board en andere relevante EU-gremia.
Zo ja, kunt u aangeven welke toepassingen het kabinet maatschappelijk gezien wenselijk en/of acceptabel vindt, en welke niet?
Zie antwoord vraag 3.
In hoeverre is het huidige Nederlandse en Europese toezichtkader (waaronder de AI Act) toereikend om risico’s van autonome AI-systemen die zelfstandig taken uitvoeren te ondervangen?
De AI-verordening reguleert autonome AI-systemen zoals AI-assistenten op verschillende manieren. Ten eerste zullen alle AI-assistenten die in gevoelige hoog risico toepassingsgebieden of producten worden ingezet aan de strenge eisen uit de AI-verordening moeten voldoen. De AI-verordening noemt expliciet welke gebieden of producten dit zijn. Dit gaat bijvoorbeeld om een AI-assistent die leerlingen in het onderwijs beoordeelt of een AI-assistent die gebruikt wordt als een medisch hulpmiddel. Eén van de eisen aan deze hoog risico AI-systemen is dat risico’s beoordeeld en gemitigeerd moeten worden. Als dat niet kan, mag het AI-systeem niet voor die risicovolle toepassing ingezet worden. Hiermee worden de gezondheid, veiligheid en grondrechten van mensen beschermd.
Ten tweede worden er eisen gesteld aan autonome AI-systemen die worden ontworpen om directe interacties met mensen te hebben, bijvoorbeeld als ze zelfstandig e-mails uit kunnen sturen of reacties kunnen plaatsen op het internet. De aanbieder van een dergelijk AI-systeem moet ervoor zorgen dat het duidelijk is dat men contact met een AI-systeem heeft, en niet met een mens.
Ten slotte worden er onder de AI-verordening ook eisen gesteld aan de modellen voor algemene doeleinden die de basis vormen van deze autonome AI-systemen. Als deze modellen capaciteiten met een grote impact hebben, bijvoorbeeld door negatieve effecten op publieke gezondheid, veiligheid, fundamentele rechten of de maatschappij als geheel, dan moeten de aanbieders van deze modellen systeemrisico’s in kaart brengen en mitigeren. Capaciteiten zoals vergaande autonomie en het kunnen interacteren met andere hardware en software kunnen mogelijk voor systeemrisico’s zorgen.
Naast de AI-verordening, is ook de digitaledienstenverordening (DSA) mogelijk relevant. De digitaledienstenverordening verplicht zeer grote online platforms- en zoekmachines om de zogenaamde systeemrisico’s die voortvloeien uit het ontwerp of uit de werking van hun dienst en de daaraan verbonden systemen, te beoordelen en te beperken. Dergelijke risico’s omvatten onder meer de verspreiding van illegale inhoud en werkelijke of voorzienbare negatieve effecten op grondrechten, de burgerdialoog en verkiezingsprocessen, minderjarigen of het lichamelijke en geestelijke welzijn van personen. Zulke risico's kunnen bijvoorbeeld ontstaan door het niet-authentieke gebruik van de dienst, zoals het aanmaken van nepaccounts, het gebruik van bots en andere geautomatiseerde of gedeeltelijk geautomatiseerde gedragingen. Dit kan leiden tot een snelle en wijdverbreide verspreiding onder het publiek van informatie die illegale inhoud bevat of onverenigbaar is met de algemene voorwaarden van een onlineplatform of onlinezoekmachine, en die bijdraagt aan desinformatiecampagnes. Het is mogelijk dat de risico’s van de inzet van autonome AI-systemen binnen zeer grote onlineplatforms langs deze weg moeten worden aangepakt.
Welke definitie van verantwoorde AI (innovaties) hanteert het kabinet? En in hoeverre passen AI-assistenten daarin?
AI-innovaties zijn verantwoord als ze voldoen aan geldende wet- en regelgeving (zoals de AI-verordening, de digitaledienstenverordening en andere wettelijke kaders die van toepassing kunnen zijn) en zijn ontwikkeld op een manier waardoor ze geen voorzienbare negatieve gevolgen hebben voor de gezondheid, veiligheid en grondrechten van mensen.
AI-assistenten kunnen ook op een manier ontwikkeld en gebruikt worden dat ze betrouwbaar en mensgericht zijn. Het is van belang dat zowel ontwikkelaars als gebruikers van AI-assistenten zich bewust zijn van de mogelijke risico’s van de technologie in verschillende contexten en hier robuuste maatregelen voor nemen. Aan de ene kant gaat dit om maatregelen om voorzienbare risico’s bij de ontwikkeling van het AI-systeem zo veel mogelijk by design te ontwikkelen, maar ook om maatregelen om een systeem stop te zetten of aan te passen zodra onvoorziene risico’s zich voordoen. Wetgeving zoals de AI-verordening biedt hier kaders voor, onder andere door te bepalen welke toepassingen van AI-assistenten gevolgen kunnen hebben voor de gezondheid, veiligheid en grondrechten van mensen. Toezichthouders, zoals de AP4 en RDI, monitoren risico’s van ontwikkelingen op het gebied van AI en delen best practices voor de aanbieders van deze technologie om hun systemen op een verantwoorde manier te ontwikkelen.
Kunt u aangeven of het naar uw inzicht wenselijk is dat er vanuit de overheid gebruik gemaakt wordt van autonome AI-assistenten? En op welke vlakken gebeurt dit al? Onder welke voorwaarden wordt dit toegestaan en hoe wordt hierop toegezien in de praktijk?
De wenselijkheid van autonome AI-assistenten is afhankelijk van de context waarbinnen de AI-systemen worden ingezet. Het is vanzelfsprekend dat de inzet ervan gebeurt in lijn met bestaande regelgeving, zoals de AI-verordening, de AVG in het geval er persoonsgegevens worden verwerkt, en andere relevante (sectorale) wetgeving. Op al deze wettelijke kaders is of wordt toezicht ingericht. Voor overheden geldt daarbij sinds april 2025 het overheidsbrede standpunt generatieve AI, wat ook van toepassing is op autonomere vormen van AI, zoals AI-agenten.5 Vooraf dienen overheden daarbij altijd een impactassessment (zoals bijvoorbeeld een gegevensbeschermingseffectbeoordeling of een Impact Assessment Mensenrechten en Algoritmes (IAMA)) te hebben uitgevoerd en dient duidelijk te zijn welk maatschappelijk doel precies wordt gediend met de inzet. De in 2025 – in opdracht van BZK – uitgevoerde overheidsbrede monitor generatieve AI laat een duidelijke toename van het aantal generatieve AI-toepassingen zien, maar daarin zijn nog geen tekenen van (veelvuldig) gebruik van autonomere AI-assistenten.6 Als onderdeel van de AI-prioriteit binnen de Nederlandse Digitaliseringsstrategie (NDS) wordt er voor de Nederlandse overheid gewerkt aan een visie op taalmodellen en aan een herijking van het overheidsbrede standpunt generatieve AI en bijbehorende handreiking.7 Hierbij worden ook de ontwikkelingen op het gebied van autonome (of agentic) AI nadrukkelijk meegenomen. Deze zullen nog dit jaar met uw Kamer worden gedeeld.
Hoe wordt op dit moment geborgd dat er in kritieke infrastructuur, in sectoren als defensie, de zorg en de overheid zelf, altijd sprake blijft van «meaningful human control» (ofwel «human in the loop») bij het gebruik van autonome AI-assistenten?
In algemene zin hangt de mate van menselijke tussenkomst sterk af van het risico en de mogelijke impact van de toepassing van AI. Onder de AI-verordening worden er eisen gesteld aan onder andere hoog risico AI-systemen die als veiligheidscomponent in de kritieke infrastructuur worden gebruikt, hoog risico AI als medisch product of veiligheidscomponent daarvan en hoog risico AI in gevoelige overheidsgebieden, zoals het toekennen van toeslagen of in de rechtshandhaving. Voor alle hoog risico AI-systemen moet er menselijk toezicht («human in the loop») uitgeoefend kunnen worden. Dit houdt onder andere in dat men de capaciteiten van het systeem moet begrijpen en de werking ervan moet kunnen monitoren. Ook moet het systeem stopgezet kunnen worden. De mate van deze menselijke controle is contextafhankelijk: des te groter het risico, des te steviger het menselijk toezicht moet zijn.
Als het specifiek gaat om dergelijke AI-systemen in het Defensiedomein is menselijke controle noodzakelijk om het oordeelsvermogen van de mens voor AI-systemen te behouden, zodat deze conform het (internationaal) recht kunnen worden gebruikt. In Nederland worden nieuwe middelen en strijdmethoden door de Adviescommissie Internationaal Recht en Conventioneel Wapengebruik (AIRCW) getoetst aan het internationaal recht. De Minister van Defensie besluit op basis van het advies al dan niet goedkeuring te verlenen voor gebruik door de krijgsmacht.
Als het specifiek om de zorg gaat rust vanuit de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) de plicht op zorgaanbieders om medische hulpmiddelen, inclusief AI, te gebruiken die veilig en kwalitatief goed zijn. Individuele zorgverleners zijn vanuit de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO) verplicht om bij hun werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht te nemen. Dit betekent onder meer dat de zorgverlener altijd eindverantwoordelijk blijft voor medische beslissingen en niet blindelings op AI-systemen mag vertrouwen. Bij het gebruik van autonome AI-systemen zal het systeem dus ook ontworpen moeten worden met deze waarborgen als randvoorwaarden. De Minister van VWS is in de brief over innovatie in de beroepsuitoefening8 van 9 december jl. uitgebreid ingegaan op de acties die worden ondernomen bij het gebruik van AI in de beroepsuitoefening in de zorg.
Wanneer autonome AI-assistenten bijvoorbeeld door overheden worden ingezet in het kader van (algoritmische) besluitvorming, dient daarbij altijd sprake te zijn van betekenisvolle menselijke tussenkomst. Daarbij geldt voor de overheid in het geval van een besluit ook de Algemene Wet Bestuursrecht (Awb). Deze bevat de algemene regels waaraan de overheid moet voldoen bij het nemen van besluiten, onder meer met het oog op transparantie, kenbaarheid en uitlegbaarheid van besluiten. De regels zijn techniekonafhankelijk opgesteld en normeren ook algoritmische besluitvorming en daarmee ook de inzet van AI.
Daarnaast werkt de overheid aan de ontwikkeling van een integraal wegingskader voor de verantwoorde inzet van AI, waarin expliciet aandacht wordt besteed aan het waarborgen van autonomie van AI-systemen, het bevorderen van mensgerichte toepassingen, het inrichten van robuuste terugvalopties ten behoeve van continuïteit, en de zorgvuldige afweging of en in welke gevallen AI -bijvoorbeeld in de vorm van AI-assistenten – passend is. Daarbij geldt in het bijzonder dat binnen de publieke dienstverlening het behoud van betekenisvol menselijk contact met burgers en bedrijven leidend is, en dat steeds nauwgezet wordt beoordeeld welke (repetitieve) taken verantwoord door AI kunnen worden ondersteund of overgenomen. Dit integraal wegingskader wordt ontwikkeld in het kader van de NDS, en de conceptversie is voorzien voor dit jaar (na enkele pilots ermee).
Welke andere waarborgen (vangrails) zijn naar uw verwachting nog nodig om hier goed mee om te gaan, voor zowel overheid als samenleving, en is bijsturing mogelijk?
Het is bij nieuwe technologische ontwikkelingen, waaronder autonomie AI-assistenten, belangrijk om goed te kijken naar de waarborgen die nodig zijn om hier goed mee om te gaan. Bijvoorbeeld door het principe van ethics-by-design toe te passen zodat publieke waarden zoals privacy, transparantie, autonomie en non-discriminatie al vanaf het begin worden meegenomen. Ik zet mij ervoor in om te zorgen dat publieke waarden gewaarborgd worden, ook bij nieuwe technologische ontwikkelingen zoals quantum en autonome AI-assistenten. Verder merk ik graag op dat binnen de NDS overheden gezamenlijk aan verantwoord en succesvol ontwikkelen van AI-toepassingen werken. Bijkomend doel is om AI breder inzetbaar te maken waardoor de impact en succes van AI groter wordt. Gelet op die bredere inzetbaarheid en de verwachte impact wordt binnen de AI-opschalingsfaciliteit voor overheden een afwegingskader voor het opschalen van AI ontwikkeld, zodat zorgvuldig kan worden gekeken naar de inzet van AI in relatie tot wet- en regelgeving en ethisch verantwoord gebruik. Dit afwegingskader wordt later in 2026 gepubliceerd. Tot slot zou ik ook voorzichtigheid willen bepleiten. Bij experimentele vormen van autonome AI-assistenten zoals OpenClaw is het belangrijk om nu vooral zeer terughoudend te zijn en deze niet te gebruiken op systemen met privacygevoelige of vertrouwelijke gegevens, zoals ook de Autoriteit Persoonsgegevens heeft opgeroepen.9
Het bericht 'Wereldwijde druk op X groeit om bikini-deepfakes en AI-beelden minderjarigen' |
|
Tijs van den Brink (CDA), Jantine Zwinkels (CDA) |
|
van Marum , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Wereldwijde druk op X groeit om bikini-deepfakes en AI-beelden minderjarigen»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het volstrekt onacceptabel en aanstotelijk is dat X op grote schaal seksuele deepfakes van vrouwen en minderjarigen genereert met AI-chatbot Grok?
Ja, wij vinden het onacceptabel dat met behulp van de AI-chatbot Grok op grote schaal deepnudes (seksueel getinte nepafbeeldingen of -video’s) zijn gegenereerd. Het bericht dat zoveel mensen, slachtoffer zijn geworden vinden wij zeer zorgwekkend. De slachtoffers zijn met name vrouwen en minderjarigen, maar deepnudes kunnen in potentie van iedereen gemaakt worden. De impact en de gevolgen van deepnudes voor slachtoffers en hun omgeving zijn enorm, mede omdat het maken van deepnudes steeds geavanceerder wordt en daarmee deepnudes steeds realistischer worden. Daarnaast zijn deze beelden ook schadelijk voor de samenleving, omdat iedereen, specifiek jongeren, ze online tegen kunnen komen. Het vervaardigen van seksueel beeldmateriaal van minderjarigen of van personen zonder toestemming, is strafbaar, ook als het materiaal met AI is gegenereerd.
Bent u bereid om aan te sluiten bij landen zoals Frankrijk en Australië die een onderzoek zijn begonnen tegen X en eisen dat X in actie komt tegen de stroom aan deepfakes van vrouwen? Welke concrete stappen gaat u hiervoor zetten?
In de aanpak van dit soort platforms vinden wij de Europese benadering van belang, waarbij wij als Europese lidstaten één lijn trekken. GROK AI wordt – omdat het onderdeel van X is – via de Europese Digitale Dienstenverordening (DSA) gereguleerd. X is een zeer groot online platform (meer dan 45 miljoen maandelijkse gebruikers) waarop de Europese Commissie (EC) toezicht houdt. De EC is inmiddels een onderzoek gestart in het kader van de DSA.2 Onder de DSA zijn platforms verplicht om illegale content zo snel mogelijk te verwijderen.
In het Verenigd Koninkrijk (VK) is toezichthouder Ofcom een onderzoek gestart. Het toezicht in het VK is anders geregeld, omdat het VK geen lid is van de EU en de DSA daarom niet van toepassing is.
Vindt u het wenselijk dat X veel verder gaat dan concurrenten als het gaat om het toestaan van bikini-deepfakes, terwijl voor andere AI-chatbots strengere beperkingen gelden voor wat met kunstmatige intelligentie mag worden gemaakt?
Nee, wij vinden het handelen van X op dit punt hoe dan ook niet wenselijk.
Voor al dit soort praktijken bestaat hetzelfde juridische kader dat deze praktijken tegen moet gaan. Hierbij is het relevant onderscheid te maken tussen illegale content en niet-illegale content. Alle beelden die illegaal zijn – zoals afbeeldingen van seksueel misbruik van kinderen3 – zijn ook illegaal als deze door AI gegeneerd zijn. Op grond van de DSA moet deze illegale content zo snel mogelijk verwijderd worden, zodra het platform kennis heeft van illegale content (als het bijvoorbeeld is gemeld). Voor wat betreft mogelijk schadelijke, niet-illegale content, geldt dat de DSA voorschrijft dat platforms zoals X systeemrisico’s in kaart moeten brengen en moeten mitigeren (artikel 34 DSA). Zoals hierboven aangegeven, is de EC, die hierop toezicht houdt, inmiddels een onderzoek gestart in het kader van de DSA.
Relevant is verder artikel 14 van de DSA dat regelt dat online platforms in hun gebruiksvoorwaarden informatie moeten opnemen over eventuele beperkingen die zij aan het gebruik van hun dienst opleggen met betrekking tot door de afnemers van de dienst verstrekte informatie. Die informatie omvat gegevens over eventuele beleidsmaatregelen, procedures, maatregelen en instrumenten die worden ingezet voor inhoudsmoderatie, met inbegrip van algoritmische besluitvorming en menselijke controle, alsook de procedurevoorschriften van hun interne klachtenafhandelingssysteem.
Gaat u zich inzetten om gemanipuleerde seksuele afbeeldingen van vrouwen en minderjarigen zo snel mogelijk van het platform te laten verwijderen? Zo ja, op welke manier gaat u dat doen?
Jazeker en wij zien in het geval van Grok AI al een aantal ontwikkelingen in de goede richting. Zo heeft X naar aanleiding van de toenemende druk laten weten de regels voor AI-chatbot Grok aan te scherpen, waardoor het niet meer mogelijk moet zijn om mensen ermee «uit te kleden» of afbeeldingen te creëren van echte mensen in weinig verhullende kleding. Indien er onverhoopt toch nog gemanipuleerde illegale beelden van vrouwen en minderjarigen op het platform staan, kan een ieder op grond van artikel 16 van de DSA een verwijderverzoek indienen. Het platform dient een dergelijk verwijderverzoek op een tijdige, zorgvuldige, niet-willekeurige en objectieve wijze te verwerken.
Als het verwijderen van de illegale content niet lukt door middel van een melding aan het platform, kan een gespecialiseerde hulporganisatie worden ingeschakeld. Op basis van de DSA is Offlimits door de Autoriteit Consument en Markt (ACM), de coördinerende toezichthouder op de DSA in Nederland, aangewezen als betrouwbare flagger. Dit houdt in dat zij verwijderverzoeken van illegale content kan indienen bij online platforms zoals X. X dient vervolgens onverwijld en prioritair dit verwijderverzoek te behandelen, en indien sprake is van illegale content dient het platform deze te verwijderen.
Indien een platform nalaat om adequaat op een melding te reageren, biedt de DSA mogelijkheden tot handhaving waarbij in het geval van X de Europese Commissie in kan grijpen. De EC kan als bevoegd toezichthouder een onderzoek instellen en boetes opleggen tot 6% van de wereldwijde omzet. Zoals hierboven vermeld, is de EC een onderzoek gestart naar X, waarbij specifiek wordt gekeken naar AI-chatbot Grok, vanwege mogelijke overtredingen van de DSA. Daarnaast hebben gebruikers de mogelijkheid om, naast het doorlopen van de interne klachtenafhandelingsprocedure bij een aanbieder, een gerechtelijke procedure te starten.
Is het mogelijk om op basis van de Digital Services Act (DSA) een verwijderverzoek in te dienen als het gaat om dergelijke deepfake afbeeldingen?
Ja, een ieder kan op grond van artikel 16 van de DSA een verwijderverzoek indienen wanneer er gemanipuleerde illegale beelden van vrouwen en minderjarigen op een platform staan.
Daarnaast rust op grond van de DSA op zeer grote onlineplatforms en zeer grote onlinezoekmachines de verantwoordelijkheid om illegale inhoud op hun diensten tegen te gaan en systeemrisico’s te mitigeren. Tevens dienen zij hun gebruikers in staat te stellen om illegale inhoud of inhoud die in strijd is met de gebruiksvoorwaarden van een zeer groot onlineplatform op eenvoudige wijze te melden. Het platform X is door de EC aangewezen als zeer groot online platform, waardoor al het bovenstaande van toepassing is.4
Deze zorgvuldigheidsplicht geldt ook ten aanzien van deepnudes, zodra deze illegaal zijn.5 Zo is op grond van artikel 252 Wetboek van Strafrecht (Sr) (ziet specifiek op seksueel beeldmateriaal van minderjarigen) en artikel 254ba Sr het zonder instemming maken, voorhanden hebben of verspreiden van seksueel beeldmateriaal strafbaar, ongeacht of dit door een persoon of AI is vervaardigd. Ook andere strafrechtelijke bepalingen, zoals doxing (art. 285d Sr) en smaad/laster (respectievelijk art. 261 en 262 Sr), zijn in voorkomend geval mogelijk van toepassing, bijvoorbeeld als de AI-chatbot gegenereerde beelden/ bewerkingen van personen bevatten met het oogmerk die persoon vrees aan te (laten) jagen (doxing) of opzettelijk iemands eer of goede naam aanrandt (smaad/laster), en er aan de andere voorwaarden van die specifieke wetsartikelen wordt voldaan.
Zoals ook aangegeven bij het antwoord op vraag 5, is X op grond van artikel 16 van de DSA verplicht een toegankelijk en gebruiksvriendelijk digitaal meldsysteem in te richten waarmee iedereen illegale online inhoud, zoals materiaal van illegale deepnudes, kan melden. Het derde lid van artikel 16 DSA verduidelijkt dat een melding van illegale inhoud, conform de vereisten van dat artikel, leidt tot zogenaamde «daadwerkelijke kennis of bekendheid» van die illegale inhoud bij een hostingbedrijf of online platform. Zodra dat het geval is, moet zij prompt handelen om die illegale inhoud te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken. Doet een platform dat niet dan kan zij geen beroep doen op de vrijwaring van aansprakelijkheid uit artikel 6 van de DSA en zelfstandig aansprakelijk worden gesteld voor die illegale inhoud. Voor het indienen van een verwijderverzoek kan de hulp van Offlimits, een betrouwbare flagger, worden ingeschakeld.
Zijn er voor zover bekend ook Nederlands slachtoffers van deze AI-beelden en zo ja, is voor deze slachtoffers voldoende bekend waar zij terecht kunnen voor hulp?
Slachtoffers kunnen bij verschillende organisaties, zoals Slachtofferhulp Nederland (SHN), Centrum Seksueel Geweld (CSG) en Offlimits, terecht voor hulp. Deze organisaties werken voortdurend aan het onder de aandacht brengen van hun meldpunten en/of hulplijnen, bijvoorbeeld door middel van campagnes. Als het slachtoffer overweegt een melding te maken of aangifte te doen, kan deze terecht bij de politie. Genoemde hulporganisaties kunnen slachtoffers hierover informeren of hierbij ondersteunen.
Bij bovengenoemde hulporganisaties is niet bekend of er ook Nederlanders zijn, die slachtoffer zijn geworden van de AI-naaktbeelden, die specifiek met de AI-Chatbot Grok zijn gegenereerd. Dit komt omdat bij meldingen die door slachtoffers worden gedaan bij SHN en CSG, in de registratie geen onderscheid wordt gemaakt naar misbruik van echt dan wel AI-gegenereerd beeldmateriaal. Bij meldingen die door slachtoffers worden gedaan bij Offlimits, wordt in de registratie wel onderscheid gemaakt tussen echt en AI-gegenereerd beeldmateriaal, maar wordt niet geregistreerd met welke specifieke AI-applicatie, zoals bijvoorbeeld de AI-chatbot Grok, de afbeeldingen zijn gegenereerd.
De politie heeft in de afgelopen twee maanden wel een toename gezien in de hoeveelheid meldingen die vanuit platforms wordt gedaan over uploads naar AI-chatbot Grok. Mogelijk zijn er slachtoffers die zelf melding hebben gedaan bij de politie, maar dit is niet goed uit de registratie te halen, omdat de melding onder verschillende delictsoorten kan worden geregistreerd.
In hoeverre biedt Nederlandse wetgeving bescherming tegen het genereren en verspreiden van AI-deepfakes van vrouwen en minderjarigen en is dit volgens u voldoende?
De Nederlandse wetgeving biedt via de artikelen 252 en 254ba Sr voldoende mogelijkheden om strafrechtelijk op te treden tegen personen die met AI applicaties (zonder toestemming) deepnudes van personen, waaronder vrouwen en minderjarigen, genereren, voorhanden hebben en verspreiden.
De strafbaarstelling van artikel 254ba Sr omvat onder meer het, zonder toestemming van de afgebeelde, vervaardigen van (nep) seksueel beeldmateriaal. Ook het openbaar maken en het voorhanden hebben van dergelijke (nep) naaktbeelden valt onder het bereik van dit artikel. Wanneer het materiaal van minderjarigen betreft is het seksueel beeldmateriaal van kinderen en is het strafbaar op grond van artikel 252 Sr.
Naast de strafrechtelijke handhaving door het Openbaar Ministerie (OM) op bovenstaande strafrechtelijke bepalingen zijn er bestuursrechtelijke handhavers die werken aan de bestrijding van online illegale content. Een van de belangrijkste is de ACM, die als digitaledienstencoördinator voor Nederland handhaaft op de verplichtingen uit de DSA.
De Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM) geeft uitvoering aan maatregelen die Nederland op grond van EU- en nationale regelgeving moet nemen om online terroristisch en seksueel beeldmateriaal van kinderen te signaleren en snelle verwijdering ervan door aanbieders van hostingdiensten te garanderen.
De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) is een onafhankelijke toezichthouder die per geval – uit eigen beweging of op verzoek – beoordeelt of wordt voldaan aan de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Het is aan de AP om te beoordelen of een AI deepfake een schending is van de AVG. Wanneer de AP een overtreding constateert, kan de AP een boete of dwangsom opleggen, en bevelen tot het stopzeten van gegevensverwerkingen.6
Daarnaast kunnen slachtoffers van AI deepfakes mogelijk bescherming vinden in het civielrecht. Artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek biedt het kader voor wat onrechtmatig is in civielrechtelijke zin – al dan niet in combinatie met specifieke civielrechtelijke bepalingen. Hierbij gaat het in de kern om een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, een en ander behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond.
Op welke manier wordt in Nederland gecontroleerd of platforms voldoen aan verplichtingen rondom schadelijke AI-inhoud?
In Nederland controleren de bevoegde toezichthouders of platforms voldoen aan wettelijke verplichtingen. De DSA bevat verplichtingen op grond waarvan de ACM kan handhaven wanneer online platforms of hostingproviders onvoldoende optreden tegen illegale inhoud en hun processen met betrekking tot meldingen niet op orde hebben. Dit kan het geval zijn als blijkt dat de onlinedienst niet of onvoldoende gemotiveerd of traag reageert op meldingen over illegale inhoud van bijvoorbeeld gebruikers of trusted flaggers.
Het kan zijn dat niet de ACM maar een toezichthouder in een andere lidstaat bevoegd is ten aanzien van de online dienst in kwestie. In het geval van X/Grok is bijvoorbeeld de EC primair bevoegd. Zij kan als bevoegd toezichthouder een onderzoek instellen en boetes opleggen tot 6% van de wereldwijde omzet. Daarnaast hebben gebruikers de mogelijkheid om, naast het doorlopen van de interne klachtenafhandelingsprocedure bij een aanbieder, ook een gerechtelijke procedure te starten.
De ACM roept slachtoffers van dergelijke beelden op om melding te doen bij het platform/de hosting provider, bij de politie of bij een trusted flagger zoals Offlimits. Deze meldingen zijn waardevol om aan te tonen dat materiaal zonder toestemming is verspreid. Ook kan naar aanleiding van de meldingen blijken dat het platform/de hosting provider onvoldoende optreedt tegen illegale inhoud, waarna de ACM daarop kan handelen.
Daarnaast is de AP op grond van de DSA en de AVG een bevoegd toezichthouder op het gebied van illegale deepnudes. Als deepnudes zonder toestemming worden verspreid, kan er sprake zijn van onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens. De AP kan een onderzoek instellen naar personen of organisaties die verantwoordelijk zijn voor het (mogelijk) maken en verspreiden van dit soort materiaal. Dit kunnen in bepaalde gevallen online platforms zijn, maar ook hostingproviders die de content hosten. Voor de AP is het wel van belang dat de partij die verantwoordelijk is voor de content (afhankelijk van de omstandigheden van het geval; het individu en/of het platform) te achterhalen is, wat, anders dan bij X, niet altijd het geval is. Het kan zijn dat niet de AP, maar een gegevensbeschermingsautoriteit in een andere lidstaat bevoegd is wat betreft de onlinedienst in kwestie. Als uit het onderzoek blijkt dat er overtredingen zijn, kan de AP of andere autoriteit aanbieders van onlinediensten bijvoorbeeld een verwerkingsverbod opleggen wat betreft het onrechtmatige materiaal. Het proces van onderzoek en bestuursrechtelijk handhaven zal in de regel niet leiden tot het snel offline zijn van de beelden.
Vindt u dat de mogelijkheid om elk persoon of object door een AI-bot af te laten beelden in bikini geschrapt moet worden om te voorkomen dat vrouwen en minderjarigen slachtoffer worden van seksuele deepfakes? Zo ja, welke stappen gaat u ondernemen?
Binnen het Ministerie van Justitie en Veiligheid wordt gekeken naar de mogelijkheden om het gebruik van nudify applicaties verder tegen te gaan. Ondanks de mogelijkheid om gebruikers van de applicaties strafrechtelijk te vervolgen (via de artikelen 252 en 254ba Sr) en de mogelijkheid om elk illegaal beeld steeds te laten verwijderen, blijft het maatschappelijke probleem rondom deepnudes zich in grote mate voordoen. Om die reden wordt bezien of het wenselijk en haalbaar is het aanbieden van de applicaties zelf te verbieden, nationaal dan wel Europees. Inmiddels hebben met verschillende stakeholders en experts gesprekken plaatsgevonden. Voordat een inhoudelijke positie bepaald wordt, is verdere studie nodig.
Denkt u dat een algeheel verbod op het generen van seksuele content door AI-bots kan helpen om te voorkomen dat vrouwen en minderjarigen hiervan slachtoffer worden? Zo nee, waarom niet?
Zoals bij vraag 8 beantwoord, kan tegen het (zonder toestemming) genereren, voorhanden hebben en verspreiden van deepnudes nu al strafrechtelijk worden opgetreden via de artikelen 252 en 254ba Sr. Ondanks deze strafrechtelijke mogelijkheden en de mogelijkheid om elk illegaal beeld te laten verwijderen, blijft het maatschappelijke probleem rondom deepnudes zich in grote mate voordoen.
In hoeverre kan de in consultatie gebrachte Wet naburig recht deepfakes van personen bij vergelijkbare gevallen behulpzaam zijn? En wanneer kan de Tweede Kamer dit wetsvoorstel verwachten?
Het wetsvoorstel naburig recht deepfakes van personen, een initiatiefvoorstel dat in voorbereiding was bij het voormalig Kamerlid Dral (VVD), is (nog) niet ingediend bij de Tweede Kamer. Er heeft van 30 oktober tot en met 31 december 2025 een internetconsultatie plaatsgevonden over een voorontwerp van de wet van haar hand. Dit voorontwerp is voor advies voorgelegd bij de Commissie Auteursrecht. Het is aan de opvolger van het lid Dral om te besluiten of en hoe het traject wordt voortgezet. Gelet op de voorbereidende fase waarin het wetsvoorstel zich op dit moment bevindt, kan niet worden beoordeeld in hoeverre het Wetsvoorstel een meerwaarde zal hebben voor de aanpak. Zoals bij de vragen 8 en 11 beantwoord, kan tegen het (zonder toestemming) vervaardigen, voorhanden hebben en verspreiden van deepnudes al strafrechtelijk worden opgetreden via de artikelen 252 en 254ba van het Wetboek van Strafrecht.
Bent u bereid in gesprek te gaan met Europese lidstaten over het misbruik van AI-chatbots als het gaat om seksuele content op X en andere platforms?
Ja, daartoe zijn wij bereid. Zoals is geantwoord bij vraag 10, vindt bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid een verkenning plaats waarbij wordt gekeken naar de mogelijkheden om het gebruik van nudify-applicaties verder tegen te gaan. Binnen dit onderzoek vinden ook gesprekken plaats met andere Europese lidstaten, om te bezien hoe de aanpak daar is vormgegeven en of gezamenlijk kan worden opgetreden.
Het bericht 'Trollenlegers uit buitenland versterkten politieke en opruiende berichten rond verkiezingen' |
|
Tijs van den Brink (CDA), Derk Boswijk (CDA), Jantine Zwinkels (CDA) |
|
van Marum , Rijkaart |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Trollenlegers uit buitenland versterkten politieke en opruiende berichten rond verkiezingen»?1
Ja, hiervan ben ik op de hoogte.
Kunt u reageren op het onderzoek van RTL Nieuws, waaruit blijkt dat honderden nepaccounts uit Nigeria, Ghana en andere landen op sociale media rond de Nederlandse Tweede Kamerverkiezing het debat beïnvloed hebben?
Pogingen tot beïnvloeding van onze democratie door middel van nepaccounts op sociale mediazijn ernstig en zorgelijk. Gelukkig heeft Nederland een robuuste democratie met transparante en controleerbare verkiezingen, waardoor ik de impact van de nepaccounts als beperkt beschouw. De verkiezingen zijn eerlijk en vrij verlopen. Tegelijkertijd is elke gecoördineerde campagne die het publieke debat rondom het verkiezingsproces mogelijk beïnvloedt, ongeacht de omvang, volstrekt onwenselijk. Het publieke debat is van iedereen en dient daarom niet gemanipuleerd te worden, zeker in relatie tot cruciale democratische processen zoals nationale verkiezingen. Sociale media bedrijven kunnen hiervoor misbruikt worden. Zeer grote online platformen hebben daarom de verplichting om te onderzoeken of hun diensten op deze manier misbruikt kunnen worden, en zo nodig maatregelen te treffen om dat te adresseren.
Ik vind het belangrijk dat platformen verantwoordelijkheid nemen en maatregelen treffen tegen illegale content, desinformatie en gecoördineerd niet-authentiek gedrag. Daarom blijf ik in gesprek met de platformen over hun verantwoordelijkheden voor het beschermen van het publiek debat en het verkiezingsproces, zoals toegezegd in de Kamerbrief over het contact met de platformen.2 Dit gesprek zal ook voor de komende gemeenteraadsverkiezingen plaatsvinden.
We staan er als Nederland niet alleen voor. Samen met de Europese Commissie en andere EU-lidstaten spannen we ons gezamenlijk in om de democratie te verdedigen tegen buitenlandse inmenging. Zo is recent het European Democracy Shield gepubliceerd, en zijn al verschillende onderzoeken tegen zeer grote online platformen gestart in verband met mogelijke overtredingen van de digitaledienstenverordening (DSA). Ik steun de Europese Commissie in haar toezicht en in de lopende onderzoeken, waarbij ook aandacht is voor gecoördineerd niet-authentiek gedrag en manipulatie. Ook zoeken we bilaterale samenwerking en kennisuitwisseling met partners, waaronder Duitsland, Frankrijk en Zweden op, om te leren van hun ervaringen op dit gebied.
Kunt u bevestigen dat het inderdaad ook gaat om Russische invloed?
De diensten doen onderzoek naar statelijke actoren en in welke mate zij een dreiging vormen voor de nationale veiligheid. Wanneer zij stuiten op pogingen tot beïnvloeding, manipulatie of verstoring van de verkiezingen, kunnen en zullen de diensten hun wettelijke bevoegdheden inzetten om dit tegen te gaan. In het openbaar kan ik niet ingaan op individuele gevallen. Immers, dit zou inzicht geven in het huidige kennisniveau van de diensten en daarmee de nationale veiligheid kunnen schaden.
Wel waarschuwen de diensten en de NCTV in zijn algemeenheid dat statelijke actoren onze democratie kunnen en willen ondermijnen.3 De inzet van sociale media, waarbij nepaccounts profielen en berichten proberen te versterken, past in het beeld van de wijze waarop statelijke actoren de democratische rechtsstaat proberen te ondermijnen. Er moet rekening worden gehouden dat deze vorm van heimelijke beïnvloeding veelvuldig voor kan komen, met name rondom verkiezingen.
Hoe oordeelt u over de impact van deze trollenlegers op de verkiezingen?
Ondanks dat iedere poging om het verkiezingsproces te beïnvloeden ongewenst is, betekent het niet dat iedere poging ook een daadwerkelijke invloed heeft. Door het geringe aantal nepaccounts kan worden vastgesteld dat de impact beperkt was. De verkiezingen zijn eerlijk en vrij verlopen. Ondanks dat deze specifieke casus geen grote impact heeft gehad op de afgelopen verkiezingen, kan het meermalig gebruik van nepaccounts door verschillende actoren het vertrouwen in het verkiezingsproces en het publieke debat ondermijnen. Daarom moet de samenleving weerbaar zijn en blijven tegen beïnvloedingspogingen en neemt het kabinet maatregelen om de verkiezingen eerlijk en vrij te laten verlopen. Zie hiervoor het antwoord op vraag 7.
Zijn deze trollenlegers nog steeds actief? In hoeverre is hier inzicht in?
Zie het antwoord op vraag 3.
Herinnert u zich eerdere waarschuwingen van onder andere Europol en de Europese Commissie over buitenlandse informatieoperaties gericht op EU-lidstaten?
Er is binnen de EU veel aandacht voor buitenlandse informatieoperaties gericht op de EU-lidstaten. De Europese Commissie en de Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) staan hierover in nauw contact met de lidstaten. Bijvoorbeeld via de Rapid Alert System (RAS), dat in het leven is geroepen om snel met andere lidstaten te communiceren en waar nodig gezamenlijke actie te ondernemen. Nederland neemt actief deel aan de RAS. Zo heeft BZK afgelopen november een bijeenkomst georganiseerd voor de RAS-leden waar mogelijke beïnvloeding van verkiezingen onderdeel van de agenda was.
Gezien de groeiende dreiging van buiten de EU, is in het recent gepresenteerde European Democracy Shield (EUDS) aangekondigd de samenwerking te versterken. Uw Kamer wordt hierover binnenkort, via de gebruikelijke wijze, geïnformeerd.
Welke aanvullende Nederlandse maatregelen zijn sindsdien genomen en hoe verhouden die zich tot de bevindingen in dit RTL-onderzoek?
Het kabinet neemt iedere verkiezing maatregelen om risico’s op buitenlandse beïnvloeding in het verkiezingsproces tegen te gaan. Deze maatregelen worden doorlopend geëvalueerd en aangescherpt waar nodig. Hierbij kijk ik ook naar de ervaringen van andere EU-lidstaten en EU-instellingen. Dit maatregelenpakket omvat onder andere een offensieve aanpak tegen desinformatie en informatiemanipulatie. Over de genomen maatregelen is uw Kamer eerder over geïnformeerd.4
Separaat werk ik in samenwerking met andere departementen uit hoe we eerder en beter zicht kunnen krijgen op buitenlandse beïnvloedingscampagnes (FIMI) die onze Nederlandse belangen willen ondermijnen, zoals een gezonde democratie en maatschappelijke stabiliteit. Het gaat hier dus om detectie-capaciteit. Hierbij leren we van de ervaringen van EU-lidstaten, zoals Frankrijk en Zweden, hoe zij dergelijke FIMI detecteren en hierop reageren. We werken momenteel uit hoe we FIMI-detectie in de Nederlandse context kunnen vormgeven. Uw Kamer wordt hierover na het zomerreces geïnformeerd.
Daarnaast vind ik het van belang dat organisaties die zich inzetten om informatiecampagnes en desinformatie bloot te leggen, zoals factcheckers en onderzoeksjournalisten, hun werk kunnen doen en het publiek blijven informeren.
Ik heb van de ACM vernomen dat zij de Europese Commissie op de hoogte heeft gebracht van het onderzoek van Trollrensics, waarop de berichtgeving is gebaseerd. Verder ga ik, zoals omschreven in het antwoord op vraag 2, wederom in gesprek met de sociale media platformen, over hun verantwoordelijkheden voor het beschermen van het publiek debat en het verkiezingsproces. Dit gesprek zal voor de komende gemeenteraadsverkiezingen plaatsvinden. Tot slot kan het Ministerie van BZK tijdens verkiezingen in contact treden met de platformen X, Meta, TikTok, Google, of Snapchat, indien er signalen zijn over berichten met feitelijk onjuiste informatie over het verkiezingsproces. Met die platformen bestaat de afspraak dat zij deze meldingen van BZK gedurende de verkiezingsperiode met prioriteit behandelen. Dit noemt BZK de «verkiezingen flagger status». Het ministerie heeft geen bevoegdheid om bepaalde content te laten verwijderen. Gedane meldingen worden achteraf wel openbaar gemaakt in de evaluatie van de desbetreffende verkiezing.5 Ik wil verkennen of deze status verder uitgebreid kan worden, om zo ook niet-authentieke campagnes onder de aandacht te brengen van platformen.
Zijn er bij u signalen bekend dat buitenlandse netwerken gericht hebben geprobeerd invloed uit te oefenen op de Nederlandse verkiezingen? Zo ja, in hoeverre is hiervan sprake geweest?
Zoals gezegd in antwoord op vraag 3, passen het gebruik van nepaccounts die profielen en berichten proberen te versterken in het beeld van de wijze waarop statelijke actoren de democratische rechtsstaat proberen te ondermijnen. Daarom neem ik iedere verkiezing maatregelen om de effecten van deze heimelijke beïnvloedingspogingen te mitigeren en is het van belang dat platformen hun verantwoordelijkheid nemen in het beschermen van het publieke debat.
Is het denkbaar dat er nog meer trollenlegers actief zijn geweest rond de verkiezingen dan bekend is dankzij dit onderzoek. Zo ja, hoeveel? Op welke manier is dat volgens u in de toekomst te voorkomen?
Zie antwoord vraag 8.
Deelt u de mening dat platforms die zich niet aan de regels houden gestraft moeten worden en dat websites en platforms bij herhaalde en grove schending (tijdelijk) uit de lucht moeten worden gehaald? In hoeverre hebben de socialemediaplatformen volgens u de verantwoordelijkheid om buitenlandse nepaccounts die zich mengen in maatschappelijke discussies in Nederland te weren en offline te halen; op basis van welk beleid of wetgeving kunt u hen hier ook verantwoordelijk voor houden? Hoe zou de aanstaande wetgeving (denk aan de Digitaledienstenverordening, de Verordening artificiële intelligentie en Digital Fairness Act) en handhaving hierop een rol van betekenis in kunnen spelen?
Het kabinet acht het van belang dat sociale media platformen hun verantwoordelijkheid nemen in het beschermen van de integriteit van het verkiezingsproces. Zo verplicht de digitaledienstenverordening DSA zeer grote online platformen en zoekmachines (VLOPs en VLOSEs) om systeemrisico’s in kaart te brengen en hier maatregelen tegen te nemen. Dit betreft ook risico’s rond verkiezingsprocessen, zoals de verspreiding van desinformatie of opzettelijke manipulatie van de dienst, onder meer door niet-authentiek gebruik (zoals nepaccounts).
Voor het toezicht op en handhaving van de verplichtingen uit de DSA op VLOPs en VLOSEs is de Europese Commissie exclusief bevoegd. Tot op heden heeft de Europese Commissie 9 formele procedures geopend tegen VLOPs, waaronder 4 socialemediabedrijven: Facebook, Instagram, TikTok en X. De overige 5 VLOPs zijn Aliexpress, Temu, Pornhub, XNXX en XVideos. Het kabinet volgt deze en andere lopende onderzoeken met grote interesse en staat samen met andere lidstaten achter de Europese Commissie en de proactieve handhaving van de DSA-verplichtingen.
Tegelijkertijd acht het kabinet het van belang dat platformen ook proactief maatregelen te nemen om onze democratische processen te beschermen, en daarbij niet de onderzoeken van de Commissie afwachten. Daarom zijn er tijdens de afgelopen verkiezing op verschillende manieren gesprekken geweest met de platformen en ga ik, zoals vermeld in antwoord 2, in gesprek met de platformen over platformen over hun verantwoordelijkheden voor het beschermen van het publiek debat en het verkiezingsproces.
Zijn er socialemediaplatformen aangesproken vanwege de buitenlandse nepaccounts die verkiezingen proberen te beïnvloeden. Zo ja, welke maatregelen zijn vervolgens genomen?
In Nederland zijn er door de rijksoverheid geen platformen specifiek aangesproken vanwege buitenlandse nepaccounts. Wel heb ik van de ACM vernomen dat zij de Europese Commissie op de hoogte gebracht van het onderzoek van Trollrensics, waarop de berichtgeving is gebaseerd. Daarnaast heeft het Ministerie van BZK contact gehad met Meta en X over berichten met onjuiste informatie hoe te stemmen. Uw Kamer wordt in de evaluatie van de Tweede Kamerverkiezing hierover geïnformeerd.
Het kabinet moedigt onderzoekers, burgers en maatschappelijke organisaties aan om ook zelf melding te doen bij het desbetreffende platform, als zij stuiten op nepaccounts en content dat ingaat tegen wet- en regelgeving, of het beleid van het platform zelf. Indien een platform niet reageert, dan kan daarover een melding worden gedaan bij de ACM.
Welke concrete maatregelen kunt u nemen om buitenlandse inmenging via sociale media bij verkiezingen te voorkomen en beperken? Zijn deze maatregelen volgens u voldoende?
Voor de maatregelen die wij nemen, verwijs ik naar het antwoord op vraag 7.
Welke maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat kiezers tijdens toekomstige verkiezingen beschermd worden tegen buitenlandse beïnvloeding via sociale media?
Zie het antwoord op vraag 7.
Bent u bereid om deze zorgen bij Europese collega’s onder de aandacht te brengen en ervaringen uit te wisselen om buitenlandse inmenging te voorkomen?
Ja, Nederland neemt actief deel aan verschillende samenwerkingsverbanden, zoals de Rapid Alert System (RAS) en de European Cooperation Network on Elections (ECNE) en de Europese Raadswerkgroep voor het vergroten van weerbaarheid en tegengaan van hybride dreigingen (HWP ERCHT). Ook zet Nederland zich er voor in dat binnen de Raad van Europa wordt samengewerkt om de dreiging van FIMI voor onze democratie tegen te gaan in het kader van het New Democratic Pact.