De uitspraken van bestuursvoorzitter Air France-KLM over de dividenduitkeringen van Schiphol. |
|
Christine Teunissen (PvdD), Ines Kostić (PvdD) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NRC-interview1 met Benjamin Smith, bestuursvoorzitter van Air France-KLM?
Ja.
Klopt de uitspraak van Benjamin Smith die stelt dat Schiphol in 2025 een recordwinst heeft geboekt en het hoogste dividend ooit uitkeert aan de staat en de andere aandeelhouders?
Schiphol heeft over 2025 een winst geboekt van € 550 mln. Dit is de hoogste winst die Schiphol ooit geboekt heeft. Schiphol stelt voor om € 162 mln. dividend uit te keren. Hierover moet de aandeelhoudersvergadering (AvA) nog een besluit nemen. Het dividendvoorstel van Schiphol is niet het hoogste dividend ooit, zo werd er in 2008 € 593 mln. aan de aandeelhouders van Schiphol uitgekeerd (inclusief superdividend).
Hoeveel dividend heeft de staat per jaar ontvangen tussen boekjaren 2015 en 2025?
In onderstaande tabel is vermeld wat er over boekjaren 2015–2025 aan de staat (met een aandelenbelang van 69,8%) is uitgekeerd. Zie ook de jaarverslagen van Schiphol en ook het Jaarverslag Beheer Staatsdeelnemingen over deze jaren.
Boekjaar
2015
2016
2017
2018
2019
2020
2021
2022
2023
2024
2025
Ontvangen dividend (in mln. euro) door de staat (uitbetaald in t+1)
131
104
105
82
0
0
0
0
0
0
Nog vast te stellen
Hoe verklaart u dat de bestuursvoorzitter van Air France-KLM – een private, commerciële partij – publiekelijk uitspraken doet over het dividend van Schiphol over boekjaar 2025, terwijl de aandeelhoudersvergadering pas in april 2026 plaatsvindt en het dividendbesluit dus formeel nog niet is genomen?
Schiphol heeft in een persbericht op 13 februari 2026 bekendgemaakt over boekjaar 2025 € 162 mln. aan haar aandeelhouders te willen uitkeren2. Dit is een voornemen, het definitieve besluit wordt op de aandeelhoudersvergadering in april vastgesteld door de aandeelhouders. Dit betreft een gebruikelijke gang van zaken, ook andere deelnemingen en beursgenoteerde ondernemingen nemen het dividendvoorstel op in hun jaarverslagen waarna de daadwerkelijke dividenduitkering pas later door de aandeelhoudersvergadering wordt vastgesteld.
Heeft Schiphol of de Staat aan Air France-KLM informatie verstrekt over de verwachte dividenduitkering over 2025 die niet aan de Kamer is verstrekt, en zo ja, op welke juridische of beleidsmatige grondslag is deze informatie wel met een private partij gedeeld maar niet met de Kamer?
Nee, zoals bij het antwoord op vraag 4 beschreven is deze informatie openbaar.
Waarom kan informatie wel met een private partij, zoals Air France-KLM, gedeeld worden en niet met de Kamer, gegeven uw eerdere weigering op grond van bedrijfsvertrouwelijkheid2
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 5 betreft dit openbare informatie. Deze informatie kon gepubliceerd worden aangezien dit gerealiseerd resultaat betreft en geen bedrijfsvertrouwelijke toekomstverwachting.
Bent u bereid de Kamer alsnog te informeren over de verwachte dividenduitkering over boekjaar 2025, nu het argument van bedrijfsvertrouwelijkheid is komen te vervallen doordat deze informatie al publiekelijk door een private partij verspreid is?
Zoals vermeld in de antwoorden op eerdere Kamervragen4 is het voorstel van Schiphol een winstuitkeringspercentage van 30% in 2026 over boekjaar 2025. De bovengenoemde € 162 mln. (totale dividend aan alle aandeelhouders) is 30% van de aan de aandeelhouders toekomende winst, zijnde € 539 mln.5
Het houd- en handelsverbod voor honden en katten die in Nederland niet mogen worden gefokt, maar wel nog worden geïmporteerd |
|
Ines Kostić (PvdD), Renate den Hollander (VVD) |
|
Rummenie |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat de Kamer in 2021 een motie van de Partij voor de Dieren (PvdD), VVD en CDA heeft aangenomen (Kamerstuk 35 925 XIV, nr. 64) waarmee de regering wordt verzocht om te onderzoeken hoe de handel in en import van doorgefokte gezelschapsdieren, zoals dieren met extreem korte snuiten, verboden kan worden?
Ja, hier ben ik mee bekend.
Bent u ermee bekend dat de Kamer in 2024 opnieuw een motie heeft aangenomen, ditmaal van de PVV en PvdD (Kamerstuk 36 600 XIV, nr. 36), waarmee de regering wordt verzocht om een handel- en houdverbod in te stellen voor dieren die niet mogen worden gefokt in Nederland?
Ja, deze motie is aangenomen met de interpretatie dat het houdverbod voor katten met vouworen en naaktkatten kan worden uitgebreid naar andere gezelschapsdieren met kenmerken die bij elk individueel dier ernstig lijden veroorzaken, mits goed onderbouwd en goed handhaafbaar (Begrotingsbehandeling LVVN 2025, 17 oktober 2024, Vergaderjaar 2024–2025, nr. 15, item 8).
Erkent u dat honden en katten met schadelijke uiterlijke kenmerken, zoals extreme kortsnuitigheid, hun hele leven lang vermijdbaar en ondraaglijk lijden, zoals ook opnieuw wordt bevestigd in de recente uitzending van EenVandaag?1
Ja, dit erken ik.
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van dierenarts Hofman dat circa 60 procent van het werk van dierenartsen te maken heeft met genetische of uiterlijke rasgebonden kenmerken, en dat dit dierenleed grotendeels voorkomen had kunnen worden als deze dieren niet zo waren doorgefokt? Onderschrijft u deze uitspraak? Wat vindt u hiervan?2
Ja, ik heb kennisgenomen van de uitspraak van dierenarts Hofman. Ik kan deze uitspraak zelf niet onderschrijven vanwege het ontbreken van verifieerbare cijfers, maar uiteraard vind ik dat dierenleed daar waar mogelijk voorkomen moet worden. Hier ligt dus een grote verantwoordelijkheid voor fokkers.
Bent u ervan bewust dat schadelijke uiterlijke kenmerken, waaronder kortsnuitigheid, extreem kleine lichaamsbouw, kaalheid en afwijkingen aan de staart, gepaard gaan met verhoogde dierenartskosten gedurende het hele leven van deze dieren?
Ik ben me ervan bewust dat dieren met schadelijke uiterlijke kenmerken in veel gevallen meer (specialistische) diergeneeskundige zorg nodig hebben dan dieren zonder deze kenmerken. Daarom worden mensen hier op gewezen, onder andere met de campagne «Zo schattig dat het pijn doet»3.
Deelt u de analyse dat een houd- en handelsverbod voor honden en katten die in Nederland niet mogen worden gefokt, kan leiden tot een substantiële daling van dierenartskosten voor eigenaren? Zo nee, waarom niet?
Een houd- en handelsverbod kan alleen worden opgesteld voor kenmerken die bij elk individueel dier met dat kenmerk ernstig lijden veroorzaken én die goed onderbouwd en goed handhaafbaar zijn. Een houd- en handelsverbod kan dus lang niet alle erfelijke ziekten en afwijkingen omvatten. Ik verwacht dat een houd- en handelsverbod bij kan dragen aan een daling van dierenartskosten, omdat het voorkomt dat mensen dieren met die kenmerken aanschaffen. Het risico op hoge dierenartskosten wordt echter pas echt verkleind wanneer mensen kiezen voor een verantwoord gefokte hond of kat. Om mensen te helpen om de juiste keuze te maken en om verantwoorde fokkerij te stimuleren, ontvangen het Landelijk Informatiecentrum Gezelschapsdieren (LICG), Stichting Fairdog en het Expertisecentrum Genetica Diergeneeskunde (EGD) van de Universiteit Utrecht subsidie. Daarnaast is het EGD gevraagd om een voorstel te maken voor een systeem waarin wordt geborgd dat er met gezonde honden gefokt wordt, de zogenaamde fokscreening. Ik verwacht binnenkort de resultaten van de pilot die het EGD momenteel uitvoert te ontvangen. Deze resultaten zullen gedeeld worden met de Kamer.
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat honden en katten die in Nederland niet meer mogen worden gefokt, wel nog steeds vanuit het buitenland naar Nederland worden geïmporteerd? Zo nee, waarom niet?
Die mening deel ik, deze dieren mogen in Nederland niet meer worden gefokt omdat hun welzijn en integriteit onnodig worden aangetast. Ik vind dat mensen hier een grote verantwoordelijkheid hebben om voor een gezond dier, zonder schadelijke kenmerken te kiezen. Met de campagne «Zo schattig dat het pijn doet»4 worden mensen bewust gemaakt van de gevolgen van schadelijke kenmerken bij gezelschapsdieren én worden mensen geholpen om de juiste keuze te maken voor een gezond huisdier van een betrouwbare fokker. Voor kenmerken die bij elk individueel dier met dat kenmerk ernstig lijden veroorzaken, en waarvoor een houdverbod goed kan worden onderbouwd en goed handhaafbaar is, voer ik een houdverbod in. Ik ben dan ook blij dat het houdverbod voor katten met vouworen en voor naaktkatten op 1 januari 2026 in werking is getreden en dat het Expertisecentrum Genetica Diergeneeskunde onderzoek doet naar de schedelontwikkeling van kortsnuitige puppy’s5. Aan de hand van de resultaten van de risico-inventarisatie van het Bureau Risicobeoordeling & onderzoek (Buro) van de NVWA zal ik kijken voor welke aanvullende schadelijke uiterlijke kenmerken bij honden en katten een houdverbod ingevoerd kan en moet worden.
Daarnaast ziet het er naar uit dat vaststelling van de EU-verordening welzijn en traceerbaarheid van honden en katten nabij is. Deze toekomstige verordening bevat verboden ten aanzien van het fokken met en tentoonstellen van honden en katten met (nog nader aan te wijzen) schadelijke kenmerken. Ook mogen honden en katten uit derde landen onder deze verordening alleen binnen de EU worden verhandeld wanneer ze zijn gefokt en gehouden volgens voorwaarden die overeenkomen met de voorschriften uit de EU-verordening.
Kunt u aangeven wat de reden is voor het door u aangekondigde aanvullende onderzoek naar pups van kortsnuitige honden? Deelt u de mening dat dit onderzoek niet moet leiden tot uitstel van het houd- en handelsverbod met ten minste twee tot drie jaar, waardoor vermijdbaar dierenleed van deze talloze (geïmporteerde) honden voortduurt? Zo nee, waarom niet?3
Zoals in de verzamelbrief welzijn dieren buiten de veehouderij – overig (Kamerstuk 28 286, nr. 1397) en in de Kamerbrief van 28 januari 2026 (Kamerstuk 28 286, nr. 1416) is aangegeven is een houdverbod voor extreem kortsnuitige honden ingewikkeld. Dit komt omdat niet alle kortsnuitige honden lijden als gevolg van deze kenmerken én omdat er momenteel geen kenmerk is waaraan extreem kortsnuitige honden jonger dan 1 jaar oud aan herkend kunnen worden. Het onderzoek dat het EGD doet naar de voorspellende waarde van uiterlijke- en DNA-kenmerken bij kortsnuitige pups beoogt dit kennishiaat op te vullen. Er is dus zeker geen sprake van uitstel, maar een noodzakelijk onderzoek om een houdverbod voor extreem kortsnuitige honden te kunnen realiseren. Een houdverbod kan immers alleen worden opgesteld voor een kenmerk dat bij elk individueel dier met dat kenmerk ernstig lijden veroorzaken, op iedere leeftijd objectief vast te stellen is én die goed onderbouwd en goed handhaafbaar is. Het onderzoek is in december 2025 gestart en zal twee jaar duren. Deze tijd is nodig omdat de puppy’s die nu worden geworven over een jaar weer moeten worden opgemeten, waarna de data geanalyseerd kan worden. Ik verwacht de resultaten van het onderzoek in het eerste kwartaal van 2028, die ik dan direct met de Tweede Kamer zal delen. Als uit het onderzoek blijkt dat er een of meerdere geschikte kenmerken zijn waarop een houdverbod kan worden gebaseerd, zal hiervoor een houdverbod worden ingevoerd.
Hoe kijkt u aan tegen een handelsverbod waarbij bij de import van pups verplicht meetformulieren van de ouderdieren moeten worden overlegd, zodat alleen pups worden geïmporteerd waarvan beide ouderdieren aantoonbaar voldoen aan de geldende fokcriteria conform de Nederlandse wetgeving? Heeft u deze optie onderzocht? Zo ja, kunt u de inzichten hierover naar de Kamer sturen? Zo nee, waarom niet?
Deze optie is onderzocht. Het meetformulier voor kortsnuitige honden is echter alleen in Nederland bekend. Het meetformulier is bovendien geen officieel document en de reu is vrijwel nooit aanwezig bij de pups. Dit laat zeer veel ruimte voor misleiding door fokkers en handelaren. Het is voor een koper of importeur niet betrouwbaar na te gaan of beide ouderdieren voldoen aan de fokcriteria conform de Nederlandse wetgeving. De conclusie is dan ook dat het echt noodzakelijk is om aan de hand van de pup zelf te kunnen vaststellen of het dier geïmporteerd mag worden of niet.
Een handelsverbod is bovendien niet de meest geschikte optie om de aanschaf van gezelschapsdieren met schadelijke kenmerken tegen te gaan. Voor een rechtmatige beperking van het vrij verkeer van goederen moet vanuit het EU-recht worden voldaan aan de eisen van noodzakelijkheid, geschiktheid en proportionaliteit. Een handelsverbod is zeer moeilijk handhaafbaar vanwege de open grenzen binnen de EU en omdat veel kenmerken niet eenvoudig vast te stellen zijn (Kamerbrief van 14 april 2022, Kamerstuk 28 286, nr. 1255). Dit maakt dat er kan worden getwijfeld aan de geschiktheid van een handelsverbod voor doorgefokte gezelschapsdieren. Daarom is ervoor gekozen om een houdverbod voor katten met vouworen en naaktkatten in te voeren. Dit verbod kan goed worden onderbouwd en is goed handhaafbaar, omdat deze kenmerken bij ieder individueel dier voor lijden zorgen, op iedere leeftijd objectief vast te stellen zijn en omdat er enkel hoeft te worden vastgesteld dat het dier gehouden wordt. Zoals eerder aangegeven kan het houdverbod worden uitgebreid naar andere gezelschapsdieren met kenmerken die bij elk individueel dier ernstig lijden veroorzaken, mits goed onderbouwd en goed handhaafbaar.
Bent u bereid om vooruitlopend op bredere regelgeving een houd- en handelsverbod in te stellen voor schadelijke uiterlijke kenmerken die wel al zichtbaar zijn op een leeftijd van circa 7 tot 15 weken, zoals kaalheid bij honden, extreem korte poten of afwezigheid van een functionele staart, gezien de grote gevolgen van deze kenmerken voor het welzijn en de levenskwaliteit van de dieren? Zo nee, waarom niet?
Zoals in de interpretatie van de motie Graus en Kostić (Kamerstuk 36 600 XIV, nr. 36) is aangegeven kan het houdverbod, mits goed onderbouwd en goed handhaafbaar, worden uitgebreid naar andere gezelschapsdieren met kenmerken die bij elk individueel dier ernstig lijden veroorzaken. Voor de benodigde onderbouwing wacht ik op de resultaten van de risico-inventarisatie die het Bureau Risicobeoordeling & onderzoek (Buro) van de NVWA uitvoert. Aan de hand hiervan kan worden bepaald welke kenmerken nog meer in aanmerking komen voor een houdverbod, of voor maatregelen ten aanzien van de fokkerij en deelname aan wedstrijden, tentoonstellingen en keuringen. Hierbij is het van belang dat een houdverbod alleen kan worden ingevoerd voor kenmerken die objectief bij het individuele dier vast te stellen zijn en waarvan voldoende wetenschappelijk onderbouwd kan worden dat ieder dier met dat kenmerk hieronder lijdt.
Klopt het dat het Bureau Risicobeoordeling & onderzoek van de NVWA een onderzoek heeft uitgevoerd naar welke uiterlijke kenmerken lijden veroorzaken bij individuele dieren (Kamerstuk 28 286, nr. 1324 en Kamerstuk 28 286, nr. 1397)? Wanneer gaat u dit onderzoek naar de Kamer sturen, aangezien eerder werd aangegeven dat dit eind 2024 en vervolgens na de zomer van 2025 zou gebeuren?
Het Bureau Risicobeoordeling & onderzoek van de NVWA legt momenteel de laatste hand aan de risico-inventarisatie van schadelijke uiterlijke kenmerken bij honden en katten. Helaas duurt het onderzoek langer dan voorzien. Zodra het definitieve rapport is opgeleverd, zal dit met de Kamer gedeeld worden.
Kunt u aangeven wat de status is van de invulling van artikel 3.4 van het Besluit houders van dieren in de context van overige schadelijke uiterlijke kenmerken, waaronder criteria voor kortsnuitige katten, lichaamsformaat, (onwenselijke) staartlengte en ontbrekende haarbedekking?
Ik vind het uiteraard belangrijk dat dieren gezond gefokt worden en niet lijden onder schadelijke erfelijke kenmerken en erfelijke ziekten. Ik ben dan ook blij dat er een beleidsregel voor het fokken met kortsnuitige honden is. Het is echter niet doenlijk om voor alle kenmerken en ziektes een dergelijke beleidsregel te maken. Daarom is het EGD gevraagd om een voorstel te maken voor een systeem waarin wordt geborgd dat er met gezonde honden gefokt wordt. Er is eerst ingezet op het ontwikkelen van een systeem voor honden, wanneer dit succesvol is zal verder worden gekeken naar een systeem voor katten. Ik verwacht binnenkort de resultaten van de pilot die het EGD momenteel uitvoert te ontvangen. Deze resultaten zal ik delen met de Kamer.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Ja.
Het doodschieten van een hond door een jager |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Rummenie , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Hond doodgeschoten in Wapse door man met geweer. Baasje Lotte (48): «Benji lag in de sloot. Dood»»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat een jager een hond heeft doodgeschoten en vervolgens zonder pardon is weggereden, zonder ook maar enig medeleven of schuldbewustzijn te tonen richting de eigenaar van de hond?
Ik vind dit een tragisch voorval en wil hierbij mijn medeleven betuigen aan de eigenaren van de hond.
Kunt u bevestigen dat de betreffende jager een jachtvergunning heeft, lid is van de Koninklijke Nederlandse Jagersvereniging (KNJV) en een ontheffing heeft om ’s nachts op vossen te jagen?2
Ik kan bevestigen dat de betreffende jager een omgevingsvergunning jachtgeweeractiviteit heeft en dat hem door de provincie Drenthe een omgevingsvergunning is verleend om ’s nachts op vossen te jagen.
De Koninklijke Nederlandse Jagersvereniging (KNJV) speelt geen rol bij het afgeven van een omgevingsvergunning jachtgeweeractiviteit, of bij het verlenen van bedoelde vergunningen. Ik kan daarom geen uitspraken doen over het lidmaatschap van de betreffende jager.
Hoe verklaart u het dat een jager die lid is van de KNJV en een jachtvergunning heeft, kennelijk niet in staat is om het verschil tussen een vos en een hond te zien?
De precieze toedracht van het incident wordt onderzocht door de politie. Ik kan daar op dit moment geen uitspraken over doen.
Deelt u de opvatting dat het volstrekt onaanvaardbaar en ronduit gevaarlijk is dat mensen die dit soort fouten maken, met vuurwapens rondlopen in Nederland? Zo nee, waarom niet?
Het gebruik van het geweer voor jacht of faunabeheer is aan strikte regels gebonden, en is alleen toegestaan aan iemand die met succes een jachtexamen heeft afgelegd. Hierin wordt, onder andere, getoetst op het veilig kunnen omgaan met het geweer en het op de juiste manier vaststellen van de soort waarop wordt geschoten. Zoals aangegeven, onderzoekt de politie op dit moment wat de precieze toedracht is van het incident.
Kunt u bevestigen dat de jachtvergunning van deze jager per direct is ingetrokken? Zo nee, waarom niet?
De wapens en de omgevingsvergunning jachtgeweeractiviteit van de betreffende jager zijn in afwachting van het onderzoek, in bewaring genomen door de politie. De jager kan hier gedurende het onderzoek dus niet over beschikken. Over het vervolg van deze casus kan ik gezien het lopende onderzoek geen verdere uitspraken doen.
Kunt u bevestigen dat ook zijn wapenvergunning per direct en voor altijd wordt ingetrokken? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op vraag 6.
Kunt u bevestigen dat er strafrechtelijke vervolging is ingesteld tegen deze man? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 6. De benadeelde partij heeft aangifte gedaan. Er loopt een politieonderzoek.
Heeft u kennisgenomen van verklaringen van ecologen die vermoeden dat de jager dacht op een wolf te schieten in plaats van een hond?3
Ja.
Acht u dit plausibel? Zo nee, waarom niet?
Het politieonderzoek over de toedracht van het incident is lopende. Ik vind het onverstandig hierover te speculeren.
Kunt u bevestigen dat met regelmaat dieren illegaal door jagers worden doodgeschoten, waaronder beschermde soorten, zoals roofvogels4 en rietganzen5, en in beschermde natuurgebieden?6
Het komt helaas voor dat dieren illegaal worden gedood. Dit is een strafbaar feit en de politie en andere handhavende diensten handhaven hierop. Wanneer burgers een strafbaar feit constateren kunnen zij dit bij de politie melden. Op basis van de door u aangehaalde incidenten kan ik niet bevestigen dat het illegaal doden van dieren op grote schaal gebeurt, of dat jagers hier bij betrokken zouden zijn.
Erkent u dat dit vermoedelijk slechts het topje van de ijsberg is, omdat een groot deel van de jacht plaatsvindt buiten het zicht van handhavers of alerte burgers?
Op basis van de mij bekende feiten kan ik niet bevestigen dat de door u aangehaalde incidenten het topje van een ijsberg vormen. Het binnen de wettelijke kaders uitoefenen van de jacht is toegestaan.
Vindt u dit wenselijk?
Het illegaal doden van dieren vind ik niet wenselijk. Zie verder mijn antwoord op vraag 12.
Herinnert u zich dat u in antwoorden op eerdere Kamervragen stelde geen aanleiding te zien om aan te nemen dat wolven op ongebruikelijke wijze verdwijnen?7
Ja. Dit is zo door mijn ambtsvoorganger geantwoord.
Kunt u bevestigen dat, indien in dit geval een wolf in plaats van een hond was doodgeschoten, de kans groot is dat dit nooit aan het licht was gekomen?
Er is in dit geval een hond doodgeschoten. Zoals gezegd bij vraag 2 vind ik dat een tragisch voorval. Ik wil niet speculeren over een situatie waarin een wolf zou zijn doodgeschoten en wacht de uitkomst van het politieonderzoek af.
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van ecoloog Chris Smit dat er vermoedelijk veel meer stroperij op wolven is dan wij zien?8
Ja.
Bent u, in het licht van deze gebeurtenis en deze signalen, nog steeds van mening dat er geen reden is om aan te nemen dat wolven op ongebruikelijke wijze verdwijnen? Zo ja, waarop baseert u dat?
Ja, zoals aangegeven in eerdere beantwoording, waar u aan refereert, is uit navraag bij BIJ12 en politie niet gebleken dat er sprake is van een opvallende situatie rond verdwenen wolven. Ik heb geen signalen ontvangen dat die situatie is veranderd.
Bent u bereid om per direct het toezicht op (leden van) de KNJV te intensiveren en daarbij expliciet aandacht te besteden aan het illegaal doden van dieren? Zo nee, waarom niet?
De KNJV is een organisatie die de belangen van haar leden behartigt. De KNJV heeft geen rol in de vergunningverlening. Er is daarom geen sprake van toezicht op de KNJV vanuit mijn ministerie.
Bent u bereid om op korte termijn te onderzoeken hoe de handhaving op de jacht structureel kan worden geïntensiveerd, om te voorkomen dat opnieuw dieren of mensen slachtoffer worden van schietgrage jagers? Zo nee, waarom niet?
In Nederland gelden strikte wettelijke eisen voor het bezit en gebruik van vuurwapens in het kader van jacht, beheer en schadebestrijding. Hierop wordt gecontroleerd door de politie, provincies en omgevingsdiensten. Op basis van de huidige signalen zie ik geen aanleiding om de handhaving te intensiveren.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Zoals al richting uw Kamer aangegeven is het niet mogelijk geweest de vragen binnen de gestelde termijn te beantwoorden, in verband met de benodigde afstemming en in verband met de kabinetswissel.
Het buitenspel zetten van de rechter en het overtreden van de wet door de NVWA bij de behandeling van Woo-verzoeken |
|
Ines Kostić (PvdD), Laurens Dassen (Volt) |
|
Rijkaart |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Inspectie zet rechter buitenspel en overtreedt de wet onder druk van boerenlobby» van Follow The Money?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat belangenorganisaties uit de vee-industrie grootschalig gecoördineerde acties hebben georganiseerd tegen het openbaar maken van informatie, waardoor de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA) werd geconfronteerd met talloze bezwaren en verzoeken om voorlopige voorzieningen tegen Wet open overheid (Woo)-besluiten?2
Ieder bestuursorgaan is zelf verantwoordelijk voor een juiste uitvoering van de Woo. Ik heb als stelselverantwoordelijke geen zicht op de uitvoering van de Woo bij individuele bestuursorganen. In dit kader is het aan mijn collega, de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN), om een nadere toelichting te geven op de werkwijze van de NVWA.
Kunt u bevestigen dat de NVWA naar aanleiding hiervan besloot om deze procedures niet volgens de regels af te handelen, maar overging op een nieuwe werkwijze waarbij gegevens van alle bezwaarmakers niet meer openbaar worden gemaakt zolang het bezwaar loopt, wat er in feite op neerkomt dat de rechter er niet meer te pas komt bij het beoordelen van voorlopige voorzieningen en bezwaarschriften?
Zie antwoord vraag 2.
Erkent u het belang van toetsing door de voorzieningenrechter om te voorkomen dat met evident kansloze bezwaren de openbaarmaking van informatie ernstig wordt vertraagd? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik erken uiteraard de rol die de voorzieningenrechter hierin speelt. De primaire rol van de voorzieningenrechter is om te beoordelen of er spoedeisend belang is aan de zijde van de bezwaarmaker om openbaarmaking (in ieder geval tijdelijk) te voorkomen. Ik heb wel signalen ontvangen dat rechtbanken in toenemende mate verzoeken om een voorlopige voorziening toewijzen, ook buiten de zitting om. Hierbij wordt er niet overgegaan tot een inhoudelijke beoordeling. Deze signalen neem ik mee in de wetsevaluatie van de Woo, die dit jaar wordt uitgevoerd.
Erkent u dat dit er in de praktijk toe leidt dat indieners van Woo-verzoeken een stuk later de gevraagde informatie krijgen en om verder uitstel te voorkomen zijn aangewezen op een civiele procedure, wat leidt tot aanzienlijk hogere kosten en drempels? Wat vindt u hiervan?
Ik kan op dit moment niet beoordelen of dit per definitie het geval is. Uw Kamer heeft vorig jaar de motie Van der Plas3 aangenomen. Deze motie verzoekt de regering om met een wetsvoorstel of wetswijziging te komen, zodat bezwaar van een derdebelanghebbende automatisch de openbaarmaking van een Woo-besluit opschort tot zes weken nadat op het bezwaar is beslist. Vanuit mijn stelselverantwoordelijkheid zal ik (de gevolgen van) deze motie meenemen in de wetsevaluatie.
Heeft u kennisgenomen van de zorgen van Woo-jurist Tim van Alten, die in de praktijk ervaart dat deze nieuwe werkwijze van de NVWA leidt tot onevenredige inspanningen en drempels voor indieners van Woo-verzoeken, waardoor het moeilijker wordt om bijvoorbeeld misstanden in de vee-industrie aan het licht te brengen?3 Deelt u deze zorgen?
Ja, hier heb ik kennis van genomen. Uiteraard onderschrijf ik het belang van snelle en tijdige openbaarmaking van overheidsinformatie. Dit is ook een van de uitgangspunten van de Woo. Het belang van de verzoeker om informatie snel en tijdig te ontvangen en het belang van derdebelanghebbenden om daartegen in bezwaar te kunnen gaan, wordt dan ook meegenomen in de wetsevaluatie in het licht van de aangenomen motie van het lid Van der Plas.
Bent u ermee bekend dat als gevolg van de huidige werkwijze bij de NVWA Woo-verzoekers worden geconfronteerd met een situatie waarin de bezwaartermijn tegen een Woo-besluit aanvangt, terwijl de onderliggende documenten nog voor onbepaalde tijd niet zijn verstrekt?
Erkent u dat deze werkwijze ertoe leidt dat Woo-verzoekers bezwaar moeten maken tegen een besluit zonder de onderliggende documenten te hebben kunnen inzien, en dat het daardoor feitelijk onmogelijk is om te beoordelen of de openbaarmaking volledig is en of informatie ten onrechte is geweigerd of gelakt? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat het onder deze omstandigheden voor Woo-verzoekers praktisch ondoenlijk is om binnen de geldende bezwaartermijn inhoudelijke bezwaargronden te formuleren en dat dit de rechtsbescherming van Woo-verzoekers ernstig onder druk zet? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u het feit dat de NVWA in deze situaties in de regel weigert om de termijn voor het indienen van inhoudelijke bezwaargronden te verlengen tot een moment waarop de documenten daadwerkelijk zijn verstrekt en hooguit een beperkte hersteltermijn van maximaal acht weken hanteert, terwijl binnen die termijn zelden op de bezwaren van derde-belanghebbenden is beslist?
Erkent u dat Woo-verzoekers onder normale omstandigheden zes weken de tijd hebben om, met kennisneming van de verstrekte documenten, hun bezwaar inhoudelijk te onderbouwen, en dat deze systematiek door de huidige werkwijze van de NVWA feitelijk wordt doorkruist?
Deelt u de opvatting dat deze praktijk onwenselijk is vanuit het oogpunt van effectieve rechtsbescherming en strijdig is met het doel en de strekking van de Wet open overheid? Zo nee, waarom niet?
Als stelselverantwoordelijk bewindspersoon voor de Woo vind ik het belangrijk dat informatie snel en tijdig openbaar wordt gemaakt en dat de belangen van zowel verzoekers als derdebelanghebbenden goed beschermd worden. In dit kader is het van belang dat de rechtsgang in het kader van Woo-verzoeken ook doeltreffend en doelmatig is. Daarom zal hier in de wetsevaluatie van de Woo naar gekeken worden.
Erkent u het belang van toetsing door de voorzieningenrechter om te voorkomen dat met evident kansloze bezwaren de openbaarmaking van informatie onevenredig wordt vertraagd? Zo nee, waarom niet?
Ja, dit belang erken ik.
Kunt u bevestigen dat de NVWA bij invoering van deze nieuwe werkwijze zelf heeft aangegeven dat deze «niet geheel in overeenstemming is met hetgeen bepaald is in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Woo»? Onderschrijft u deze constatering? Zo nee, waarom niet en op welk juridisch advies baseert u zich dan (graag het advies meesturen)?
Ja, de NVWA heeft aangegeven zich bij het invoeren van de pilot ervan bewust te zijn geweest dat de geschetste werkwijze op gespannen voet staat met het huidige wettelijke kader. Tegelijkertijd heb ik oog voor de problemen waar de NVWA in de uitvoeringspraktijk van de Woo tegenaan loopt. De onderhavige kwestie zal ik dan ook laten meenemen in de wetsevaluatie van de Woo.
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van Cornelis van der Sluis, advocaat en oprichter van het Nederlands Kenniscentrum Open Overheid, die deze werkwijze van de NVWA «volledig in strijd met de wet» noemt? Wat gaat u hiermee doen?
Ja, hier heb ik kennis van genomen. Vanuit mijn stelselverantwoordelijkheid zal ik (de gevolgen van) de motie Van der Plas meenemen in de wetsevaluatie, aangezien hier een wetswijziging voor nodig zou zijn.
Wanneer bent u, als politiek eindverantwoordelijk bewindspersoon voor de Wet open overheid, geïnformeerd over het besluit van de NVWA om deze nieuwe werkwijze in te voeren?
Voor zover bekend, hebben medewerkers van mijn ministerie op 1 september 2025 voor het eerst een signaal ontvangen dat de NVWA een afwijkende werkwijze zou hanteren. Toen was nog niet precies duidelijk wat de werkwijze van de NVWA inhield en op welke punten deze werkwijze af zou wijken. Daar is vervolgens uitvraag naar gedaan bij de NVWA. Op 19 december 2025 werd voor medewerkers van mijn ministerie, op basis van door de NVWA toegestuurde informatie, duidelijk dat de NVWA een afwijkende werkwijze hanteerde met betrekking tot de schorsende werking van bezwaar in Woo-zaken. Op 7 januari 2026 is de toenmalig Minister van BZK geïnformeerd over deze werkwijze van de NVWA en op 9 januari 2026 heeft er een ambtelijk overleg plaatsgevonden tussen BZK en de NVWA. Tijdens dit overleg is door mijn medewerkers het belang van een juiste naleving van de Woo benadrukt.
Kunt u aangeven op welk moment u de Kamer heeft geïnformeerd over dit ingrijpende besluit van de NVWA om af te wijken van de wettelijke procedures uit de Awb en de Woo?
Bestuursorganen zijn zelf verantwoordelijk voor een juiste uitvoering van de Woo. Het is dan ook niet aan mij om verantwoording af te leggen over de uitvoering van de Woo door andere bestuursorganen. Zij leggen hier zelf verantwoording over af.
Kunt u bevestigen dat de NVWA al over was gegaan op deze nieuwe werkwijze voordat de motie van het lid Van der Plas over Woo-verzoeken werd aangenomen door de Kamer?4 Hoe verklaart u dit?
Uit de door de NVWA aangeleverde informatie aan mijn ministerie blijkt dat zij in juli 2024 gestart zijn met een pilot. De motie van het lid Van der Plas is in mei 2025 aangenomen. In juni 2025 heeft de NVWA de pilot omgezet in een vaste werkwijze.
Kunt u bevestigen dat de NVWA deze werkwijze vervolgens heeft uitgebreid naar Woo-verzoeken met minder dan vijftig belanghebbenden, terwijl uw ministerie op dat moment nog bezig was met een juridische analyse? Wat vindt u hiervan?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 18, heeft de NVWA in juni 2025 de pilot omgezet naar een vaste werkwijze. Vanuit BZK was destijds inderdaad nog niet gestart met de wetsevaluatie, waarin de gevolgen van de uitvoering van de motie Van der Plas worden meegenomen. Als stelselverantwoordelijk bewindspersoon voor de Woo vind ik het belangrijk dat alle bestuursorganen de wet juist toepassen. Ieder bestuursorgaan is echter zelf verantwoordelijk voor een juiste uitvoering van de Woo.
Kunt u bevestigen dat de Kamer niet werd geïnformeerd op het moment dat de NVWA overging op deze nieuwe werkwijze en deze later uitbreidde? Waarom is dat niet gebeurd en wat vindt u hiervan?
Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 17, is het aan ieder bestuursorgaan zelf om de Woo juist uit te voeren en zich hierover te verantwoorden.
Kunt u bevestigen dat door uw ministerie aan Follow the Money is geantwoord dat de motie-Van der Plas nog niet kan worden uitgevoerd omdat hiervoor «een wetswijziging nodig [is]»?
Ja.
Hoe verhoudt deze constatering zich tot het feit dat de NVWA al langere tijd een nieuwe werkwijze toepast waarmee wordt afgeweken van de bestaande wettelijke kaders?
Ten aanzien van de werkwijze van de NVWA kan ik in het algemeen aangeven dat ieder bestuursorgaan zelf verantwoordelijk is voor een juiste uitvoering van de Woo. Als stelselverantwoordelijke voor de Woo stimuleer en bevorder ik overheidsbreed een goede uitvoering van de Woo. Als bestuursorganen tegen problemen aanlopen in de uitvoering van de Woo, dan kan dit uiteraard altijd bij mijn ministerie aangegeven worden zodat deze signalen bij het ontwerpen en aanscherpen van beleid en regelgeving kunnen worden meegenomen.
Onderschrijft u dat de NVWA met deze nieuwe werkwijze in strijd met de Woo en de Awb handelt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 14.
Bent u bereid om de NVWA op te roepen deze werkwijze te beëindigen en te waarborgen dat Woo-verzoekers pas worden gehouden aan het formuleren van inhoudelijke bezwaargronden nadat alle onder het Woo-besluit vallende documenten daadwerkelijk aan hen zijn verstrekt, met een redelijke termijn van ten minste vier weken? Zo nee, waarom niet?
Zoals bij het antwoord op vraag 22 aangegeven, is ieder bestuursorgaan zelf verantwoordelijk voor een juiste uitvoering van de Woo. Wel ben ik bereid met de NVWA in gesprek te gaan over deze werkwijze en de effecten hiervan voor de praktijk.
Erkent u het fundamentele belang van openbaarheid van overheidsinformatie voor het functioneren van een democratische rechtsstaat en de controle op de overheid, wat daarnaast ook nog vele andere voordelen heeft voor de maatschappij zoals in kaart gebracht in het recente onderzoek De baten van transparantie van Instituut Maatschappelijke Innovatie en de Open State Foundation?5
Ja, als stelselverantwoordelijk bewindspersoon voor de Woo onderschrijf ik volledig het fundamentele belang van openbaarheid van overheidsinformatie voor het functioneren van een democratische rechtsstaat en de controle op de overheid.
Erkent u dat tijdige toegang tot informatie essentieel is voor die controle en dat langdurige procedures en vertragingen ertoe kunnen leiden dat informatie haar waarde, nut en maatschappelijke relevantie verliest?
Ja. Een van de uitgangspunten van de Woo is dan ook een snelle en tijdige verstrekking van overheidsinformatie als daarom gevraagd wordt.
Bent u bereid om de NVWA op te roepen om de nieuwe werkwijze in te trekken en de Woo-verzoeken, bezwaren en voorlopige voorzieningen te behandelen conform de geldende wetgeving? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 22, ben ik als stelstelverantwoordelijk bewindspersoon voor de Woo niet verantwoordelijk voor een juiste uitvoering van de Woo door individuele bestuursorganen. Wel wil ik met de NVWA in gesprek gaan over deze werkwijze en de effecten hiervan voor de praktijk.
Heeft u gezien dat mediaorganisaties er bij het opvragen van informatie op basis van de Woo ook nog eens tegenaanlopen dat de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) haar bevoegdheid misbruikt, waardoor informatie niet, of pas veel later, wordt geopenbaard?6
Ik heb kennisgenomen van de berichtgeving hierover. Wel wil ik hier over opmerken dat de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State eerder heeft geoordeeld dat de toenmalig Minister van LVVN geen misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheden.8
Heeft u gezien dat deze mediaorganisaties zich genoodzaakt voelen om opnieuw juridische stappen te ondernemen tegen de Minister van LVVN, omdat «vrije nieuwsgaring onmogelijk» wordt gemaakt? Wat vindt u hiervan?
Ja, hier heb ik kennis van genomen. Vanuit mijn stelselverantwoordelijkheid hecht ik veel waarde aan het uitgangspunt dat overheidsinformatie tijdig en snel openbaar wordt gemaakt zodat journalisten, burgers en onderzoekers de overheid kunnen controleren. Bij de openbaarmaking van overheidsinformatie vind ik het belangrijk dat er zowel recht wordt gedaan aan de belangen van verzoekers als die van derdebelanghebbenden.
Heeft u gezien dat het Adviescollege Openbaarheid en Informatiehuishouding zich tot twee keer toe heeft uitgesproken tegen de handelwijze van de Minister van LVVN, maar dat haar advies nog altijd niet worden opgevolgd?7
Ja, ik ben op de hoogte van de bemiddelingsadviezen van het ACOI en de daaropvolgende inhoudelijke reacties van de toenmalige Minister van LVVN.
Bent u bereid om de Minister van LVVN op te roepen om een einde te maken aan dit misbruik van haar bevoegdheden? Zo nee, waarom niet?
Ook hier wil ik opmerken dat de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State eerder heeft geoordeeld dat de toenmalige Minister van LVVN geen misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheden.10 Zoals bij meerdere antwoorden hiervoor aangegeven, zijn bestuursorganen zelf verantwoordelijk voor een juiste uitvoering van de Woo. Vanuit mijn stelselverantwoordelijkheid hecht ik veel waarde aan snelle en tijdige openbaarmaking van overheidsinformatie, een van de uitgangspunten van de Woo.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Beantwoording binnen de gestelde termijn is helaas niet gelukt, zoals aangegeven in de uitstelbrief die ik aan uw Kamer heb gestuurd.11
Het vonnis van de Raad van State op het tussen-LVB Schiphol |
|
Suzanne Kröger (GL), Ines Kostić (PvdD) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u toelichten wat u precies bedoelde met de uitspraak «We moeten door.» in reactie op het vonnis van de Raad van State (RvS) op het tussen-LVB Schiphol?1
Klopt het dat het nu voorliggende LVB, inhoudelijk en in de aannames, grotendeels een voortzetting is van het vernietigde tussen-LVB? Zo nee, waar baseert u dat precies op?
Erkent u dat de RvS met de recente uitspraak expliciet heeft bepaald dat de gedoogsituatie van 500.000 vliegbewegingen met het Nieuwe Normen- en Handhavingstelsel (NNHS), onrechtmatig als uitgangspunt is genomen?
Welke gevolgen heeft de RvS-uitspraak voor het nu voorliggende LVB, nu niet de milieuruimte van het LVB-2008 als uitgangspunt is genomen, maar het Refahh, (500.000 vliegbewegingen + NNHS)? Op welke juridische adviezen baseert u zich en kunt u die met de Kamer delen?
Als de referentiesituatie het LVB-2008 moet zijn, zoals de Afdeling besloot, wat zijn dan de gelijkwaardigheidscriteria waaraan het nieuwe LVB moet voldoen?
Erkent u dat het LVB-2008 de referentie moet zijn? Op welke juridische adviezen baseert u zich en kunt u die met de Kamer delen?
Als de referentiesituatie het LVB-2008 moet zijn, moet er dan een nieuw milieurapport gemaakt worden met een nieuwe passende beoordeling? Zo nee, waarom niet?
Kan het nu voorliggende LVB worden aangepast met een gewijzigde referentiesituatie (LVB-200), zodat het niet ook sneuvelt bij een toetsing door de RvS? Zo nee, waarom niet?
Kunt u ingaan op de constatering van To70 van 2023, dat binnen de milieuruimte van het nog steeds geldende LVB-2008 slechts 400.000 tot 410.000 vliegbewegingen mogelijk zouden zijn?2 En dat dit aantal de meest recente aanscherping is van eerdere schattingen van uw voorganger(s) en van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT)? Waarom is niet voor dit aantal gekozen als referentiesituatie?
Waarom is voor het tussen-LVB gekozen voor een aantal vliegbewegingen, in plaats van hinder, terwijl de wet en de referentiesituatie hinder voorschrijven?
Waarom is voor de «balanced approach»-procedure ervoor gekozen om de gedoogsituatie van het NNHS als uitgangspunt te nemen en niet het toen nog geldende LVB-2008, terwijl de rechter inmiddels in de RBV-zaak had bepaald dat die gedoogsituatie moest worden beëindigd en dus illegaal was?
Kunt u ingaan op de uitspraak van de Afdeling dat voor het handhaven van het wettige LVB 2008 geen «balanced approach»-procedure nodig is en dat dit alleen gold voor de experimenteerregeling?
Hoe komen we tot een nieuwe capaciteitsdeclaratie voor de komende periodes, nu het tussen-LVB met 478.000 vliegbewegingen geen wettige basis meer heeft? Geldt dan automatisch weer het LVB-2008 met een capaciteitsdeclaratie gebaseerd op de milieuruimte van het LVB-2008?
Bent u het ermee eens dat een jaarvolume geluid of Lden’s geen goede kwantificering voor hinderbeleving is? Hoe wordt voor een nieuw besluit hinderbeleving betrokken en nieuw gedefinieerd om tot een gelijkwaardige bescherming te komen? Hoe wordt dit betrokken bij het vaststellen van aantallen ernstig gehinderden en het politieke doel om te komen tot 20% minder ernstig gehinderden?
Bent u het ermee eens dat het oordeel van de RvS de juridische kaders opnieuw heeft vastgesteld en dat het volgen van deze kaders de snelste weg naar een wettig LVB zal zijn?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden voor het komende CD Luchtvaart?
Het bezoek van de ILT-IOD aan Tata Steel in het kader van een strafrechtelijk onderzoek |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat het opsporingsteam van de Inlichtingen- en Opsporingsdienst van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT-IOD) deze week op het terrein van Tata Steel is geweest in het kader van een strafrechtelijk onderzoek?1
Kunt u toelichten op welke wijze u door de ILT-IOD of andere betrokken instanties op de hoogte bent gesteld en op welk moment? Kunt u vertellen wat de aard en reikwijdte van het onderzoek nu is? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat artikel 15, derde lid, punt b, van de Joint Letter of Intent (JLoI) tussen de Staat en Tata Steel Nederland bepaalt dat een onderzoek, zoals dat van de ILT-IOD, een mogelijke opzeggingsgrond voor de Staat vormt? Zo ja, wordt opzegging overwogen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u toelichten of een eventuele maatwerksubsidie voor Tata Steel de Europese staatssteuntoets doorstaat nu de ILT-IOD deze stap in het strafrechtelijk onderzoek heeft genomen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u toelichten of Nederland van de Europese Commissie een eventuele maatwerksubsidie terug moet vorderen als het tot een veroordeling komt? Zo nee, waarom niet?
Kunt u toelichten hoe deze situatie zich verhoudt tot eerdere toezeggingen aan de Kamer over de zorgvuldige omgang met publiek geld en de naleving van milieu- en strafrechtelijke normen door Tata Steel? Zo nee, waarom niet?
Is er op dit moment een interne of interdepartementale risicoanalyse (risk assessment) opgesteld of in voorbereiding waarin dit onderzoek, en de mogelijke gevolgen daarvan voor de afspraken met Tata Steel, wordt meegenomen? Zo nee, waarom niet, en bent u dan bereid om een dergelijke risicoanalyse uiterlijk vóór het komende debat over JLoI met Tata Steel aan de Kamer te doen toekomen, zodat de Kamer een actueel beeld heeft van de juridische en financiële risico’s die dit onderzoek voor de Staat met zich meebrengt? Zo nee waarom niet?
Kunt u deze vragen ruim voor het plenaire debat over de Joint Letter of Intent beantwoorden?
Het onderzoek waaruit blijkt dat Nederlandse megatrawlers massaal natuurbeschermingswetten overtreden. |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het recente onderzoek en campagne «Stop the Dirty Dozen»?1
Bent u ermee bekend dat door megatrawlers duizenden uren in Europese mariene beschermde gebieden (MPAs) en Natura 2000-gebieden wordt gevist, terwijl ze daar vaak geen toestemming of vergunningen voor hebben? Wat vindt u hiervan?
Heeft u ervan kennisgenomen dat de twaalf onderzochte trawlers die worden genoemd in dit onderzoek direct of indirect zijn verbonden met twee Nederlandse bedrijven?
Kunt u bevestigen dat deze praktijken in strijd met de geldende natuurbeschermingsregels zijn? Zo ja, welke actie heeft u ondernomen tegen de betreffende bedrijven? Zo nee, op welke bronnen baseert u zich dan?
Welke maatregelen worden getroffen tegen de genoemde bedrijven?
Hoe en hoe vaak wordt er momenteel gecontroleerd of trawlers zich houden aan hun quota’s en dat zij niet vissen in beschermde gebieden waar dit niet is toegestaan? Hoeveel handhavingscapaciteit is hiervoor precies beschikbaar?
Deelt u de opvatting dat de vispraktijken van deze megatrawlers te veel buiten het zicht van handhaving gebeuren en daardoor onvoldoende wordt opgetreden tegen natuurvernietiging door deze schepen? Zo nee, waarom niet en waarop baseert u dat?
Kunt u aangeven hoe vaak trawlers, verbonden aan Nederlandse bedrijven, visten zonder toestemming in beschermde gebieden of boven quota in de afgelopen vijf jaar? Welke sancties zijn daarbij opgelegd?
Bent u ermee bekend dat Europese mariene beschermde gebieden ook wel «Paper Parks» worden genoemd, omdat enige bescherming op papier is geregeld maar de gebieden in de praktijk nog steeds ernstig worden aangetast door onder meer de visserij? Onderschrijft u dit? Zo nee, op welke onafhankelijke bronnen baseert u zich?
Welke maatregelen gaat u treffen om ervoor te zorgen dat «Paper Parks» daadwerkelijk worden beschermd?
Onderschrijft u dat bodemberoerende visserij grote schade aanricht aan mariene ecosystemen doordat ze de zeebodem, en daarmee de leefgebieden van vele diersoorten, ernstig aantasten? Zo nee, op welke wetenschappelijke bronnen baseert u zich?
Hoe beoordeelt u de ecologische impact van bodemberoerende visserij op mariene ecosystemen met betrekking tot de grote hoeveelheid bijvangst van andere zeediersoorten die door deze netten wordt meegesleept en vaak ernstig gewond of dood worden teruggegooid? Op welke wetenschappelijke bronnen baseert u zich?
Bent u van mening dat ecologisch waardevolle gebieden moeten worden beschermd tegen verstoringen door de mens? Zo nee, waarom niet?
Welke aanvullende maatregelen gaat u treffen om bodemberoerende visserij in ecologisch waardevolle gebieden op zee zo spoedig mogelijk te beëindigen?
Kunt u aangeven welke rol Nederland speelt binnen de Europese Unie (EU) bij het tegengaan van visserspraktijken, zoals vissen zonder toestemming in beschermde gebieden of boven quota?
Bent u bereid om binnen de EU te pleiten voor betere bescherming van mariene beschermde gebieden en een stevige intensivering van handhaving tegen megatrawlers die ernstige natuurschade aanrichten en zich daarmee niet houden aan de Europese regels? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
De brief van 117 economen betreffende de economische beoordeling maatwerkafspraken met Tata Steel Nederland |
|
Ines Kostić (PvdD), Christine Teunissen (PvdD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend de brief van 117 economen, waaronder 80 hoogleraren, betreffende de economische beoordeling maatwerkafspraken met Tata Steel Nederland?1
Deelt u de mening van de 117 economen dat de businesscase voor staalproductie in Nederland ontbreekt en dat zonder structurele winstgevendheid Tata Steel opnieuw om publieke steun zal vragen? Zo nee, kunt u toelichten op welke wetenschappelijke bronnen u dit standpunt baseert?
Deelt u de mening van de 117 economen dat wanneer het geld in Tata Steel wordt gestoken, er een reel risico is dat dit publieke geld verloren zal gaan omdat Tata Steel onvoldoende winstgevendheid heeft? Zo nee, kunt u toegelichten op welke wetenschappelijke bronnen u dit standpunt baseert?
Deelt de Minister de mening van de 117 economen dat de investeringen in Tata Steel investeringen in industrieën met hogere maatschappelijke opbrengsten verdringen omdat we te maken hebben met schaarse arbeid, energie en ruimte? Zo nee, kunt u toelichten op welke wetenschappelijke bronnen u dit standpunt baseert?
Bent u bereid een plan B te onderzoeken voor het gebied, de ontwikkeling van maakindustrie, huizen, energieopwek (windmolens) en natuur?
Deelt u de mening van de 117 economen dat de maatwerkafspraken met Tata Steel de markt verstoren en staatsteunrechtelijk kwetsbaar zijn, aangezien de plannen om volledig te verduurzamen (2045) niet verder gaan dan huidige Europese wetgeving (EU ETS die afloopt in 2040)? Zo nee, kunt u toelichten op welke wetenschappelijke bronnen u dit standpunt baseert?
Deelt u de mening van de 117 economen dat medewerkers van Tata Steel waardevolle technische ervaring hebben die, met gerichte omscholing, inzetbaar kunnen zijn in sectoren met acute tekorten voor bijvoorbeeld de installaties van warmtepompen? Zo nee, kunt u toelichten op welke wetenschappelijke bronnen u dit standpunt baseert?
Deelt u de mening van de 117 economen dat de gezondheid van omwonenden onvoldoende wordt geborgd en hierdoor staatsteun economisch onverdedigbaar is en juridisch kwetsbaar? Zo nee, kunt u toelichten op welke wetenschappelijke bronnen u dit standpunt baseert?
Deelt u de mening van de 117 economen dat Tata Steel geen cruciale schakel is in Nederlands hoogwaardige maakindustrie? Zo nee, kunt u toelichten op welke wetenschappelijke bronnen u dit standpunt baseert?
Deelt u de mening van de 117 economen dat strategische autonomie vereist dat we staalproductie in Europa hebben, maar dat in Nederland staal blijven produceren economisch juist irrationeel is? Zo nee, kunt u toelichten op welke wetenschappelijke bronnen u dit standpunt baseert?
Deelt u de mening van de 117 economen dat het gezien de feiten die voorliggen, het nu (economisch) verstandiger is om de stekker uit de Joint Letter of Intent te halen dan ermee door te gaan? Zo nee, kunt u toelichten op welke wetenschappelijke bronnen u dit standpunt baseert?
Kunt u de vragen één voor één en in alle volledigheid beantwoorden?
Kunt u de vragen beantwoorden voorafgaand aan het debat over de Joint Letter of Intent met Tata Steel?
Het artikel 'Rijk verbiedt gemeenten om eigen maatregelen te nemen tegen staalslakken' |
|
Ani Zalinyan (GroenLinks-PvdA), Ines Kostić (PvdD) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Rijk verbiedt gemeenten om eigen maatregelen te nemen tegen staalslakken»?1
Klopt het dat het ministerie gemeenten heeft opgedragen bestaande lokale verboden, toepassingsregels of vergunningplichten terug te draaien? Zo ja, op basis van welke juridische analyse is dit standpunt gebaseerd? Valt dit niet onder de beleidsvrijheid van gemeenten? Of de plicht van overheden om burgers tegen vermijdbare risico’s te beschermen?
Hoe verhoudt dit verbod om de eigen inwoners tegen gezondheidsschadelijke vervuiling te beschermen, zich tot de actuele kennis over de risico’s van staalslakken voor mens en milieu, zoals onder meer blijkt uit rapportages van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) en de Algemene Rekenkamer?
Bent u bekend met de overweging van gemeenten om juist vanwege concrete lokale problemen en gezondheidsklachten, strengere regels te willen stellen voor het gebruik van staalslakken? Wat is uw reflectie hierop?
Hoe verhoudt het standpunt, dat gemeenten geen generieke verboden mogen stellen, zich tot de tijdelijke stop op bepaalde toepassingen van staalslakken die het kabinet zelf heeft ingesteld vanwege gezondheidsrisico’s?
Wilt u reflecteren op de stelling dat door generieke verboden te verbieden voor gemeenten, het praktisch onmogelijk wordt voor gemeenten vanwege gebrek aan middelen, capaciteit, afdoende kennis om de gezondheid van hun inwoners goed te beschermen? Denkt u dat gemeenten, aannemers of het milieu er beter bij gebaat zijn als elke lading apart moet worden getest op schadelijke stoffen en aparte toepassingsregels krijgt?
Deelt u de mening dat gemeenten een verantwoordelijkheid hebben voor de bescherming van de gezondheid van hun inwoners en daarom ruimte moeten hebben om lokaal aanvullende maatregelen te nemen wanneer zij risico’s signaleren en het Rijk in gebreke blijft door niet tijdig effectieve regels en maatregelen te treffen?
Hoe verhoudt uw instructie aan gemeenten zich tot de motie van het lid Teunissen c.s. (Kamerstuk 29 383, nr. 428), waarin de regering werd verzocht om strengere regels voor het gebruik van staalslakken te onderzoeken en risico’s beter te beperken?
Hoe verhoudt deze instructie voor gemeenten zich tot de motie van de leden Zalinyan/Kostic (Kamerstuk 28 089, nr. 343), waarin de regering werd verzocht om aanvullende maatregelen te nemen rond het gebruik van staalslakken en de relatie tot de maatwerkafspraken met Tata Steel?
Wilt u reflecteren op de stelling dat het belang van de afzetmarkt voor secundaire bouwstoffen, zoals in de brief wordt benoemd, zwaarder telt dan de gezondheid van mens en milieu?
Is over de inhoud van deze brief of het doel van deze instructie contact geweest met (vertegenwoordigers van) Tata Steel of afnemers van staalslakken van Tata Steel? Zo ja, wat was de inhoud van dat contact? Kunt u eventuele correspondentie en gespreksverslagen met de Kamer delen?
Klopt het dat er een financiële prikkel is om staalslakken te gebruiken in de vorm van dat als staalslakken afgenomen worden van Tata Steel, de afnemers geld krijgen daarvoor? Hoe ziet deze afzetmarkt eruit rondom de financiële prikkel? Waar ligt dan de grens tussen afval en grondstof?
Hoe ziet u de rol van het ministerie in het faciliteren en zelfs afdwingen van een afzetmarkt voor het afval van Tata Steel en de verplichting van de overheid om de gezondheid van mens en milieu te beschermen?
Hoeveel gemeenten hebben een generiek verbod ingevoerd en hoeveel hebben andere aanvullende regels opgesteld? Worden alle aanvullende regels nu verboden? Hoe gaat u optreden tegen gemeenten die dit weigeren?
Deelt u de mening dat het beperken van de ruimte voor gemeenten om maatregelen te nemen haaks kan staan op de bedoeling van de Kamer en de aangenomen moties hierover, de autonomie van gemeenten en de zorgplicht van de overheid om te zorgen voor een gezonde leefomgeving voor haar inwoners?
Bent u bereid de Kamer inzicht te geven in alle correspondentie van het ministerie met gemeenten, provincies en omgevingsdiensten over het terugdraaien van lokale beperkingen op staalslakken?
Bent u bereid uw staalslakkenverbodverbod aan te houden, zolang de onderzoeken naar de risico’s nog niet zijn afgerond en de landelijke regels nog niet zijn aangescherpt?
Kunt u de Kamer informeren op hoeveel locaties in Nederland meldingen zijn geweest van milieuschade of gezondheidsklachten?
Welke stappen zijn er sinds het instellen van het tijdelijke landelijke verbod op het gebruik van staalslakken gezet om tot strengere regels of betere bescherming van mens en milieu te komen? Wanneer kan de Kamer nieuwe wetgeving verwachten?
Wat gebeurt er wanneer het tijdelijke verbod afloopt en op basis van welke criteria wordt besloten of het gebruik van staalslakken weer wordt toegestaan?
Het bericht ‘Kankerrisico voor omwonenden Chemelot veel groter dan gedacht: ‘Dit is zeer zorgelijk’' |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Vincent Karremans (VVD), Bertram |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht «Kankerrisico voor omwonenden Chemelot veel groter dan gedacht: «Dit is zeer zorgelijk»»?1
Hoe kan het dat Chemelot jarenlang kennelijk veel meer kankerverwekkende stoffen uitstoot dan het rapporteert? Waarom stelt de provincie vertrouwen te hebben in de cijfers van Chemelot, terwijl het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) daar geen zekerheid over geeft?
Hoe reageert u op emeritus-hoogleraar Toxicologie Martin van den Berg, die stelt dat «de uitstoot dusdanig overschrijdend is dat de omgevingsdienst hier direct met Chemelot over om tafel had gemoeten»?
Is Chemelot inderdaad meteen aangesproken en welke maatregelen heeft de provincie genomen?
Wat zijn de gezondheidseffecten en de potentiële risico’s van de stapeling van schadelijke stoffen voor de omwonenden?
Wat betekent het volgens u dat uit onderzoek blijkt dat omwonenden van Chemelot hun gezondheid structureel lager beoordelen dan het landelijk gemiddelde, dat de zorgkosten daar aanzienlijk hoger liggen dan het landelijk gemiddelde en dat omwonenden van Chemelot – in vergelijking met andere Nederlandse gemeenten – significant meer chronische ziekten, een minder goede algemene gezondheid en een lager mentaal welzijn rapporteren?
Hoe reageert u op de conclusies van hoogleraar Gera Nagelhout dat de waslijst aan gezondheidsklachten in de regio angstaanjagend is (vaker astma, longaandoeningen, hart- en vaatziekten, kanker, slaapproblemen, geluidsoverlast, etc.)?
Hoe reageert u op de conclusies van hoogleraar Van Schayck dat er in het Chemelot-rapport gekeken is naar slechts drie afzonderlijk gerapporteerde zeer zorgwekkende stoffen (terwijl er meer schadelijke stoffen zijn uitgestoten) en dat als de logische stap was gezet om het effect van die stoffen bij elkaar op te tellen, de uitstoot boven de grenswaardes van wat gevaarlijk is zou uitkomen?
Waarom is er niet gerapporteerd over de nog ongeveer twaalf andere zeer zorgwekkende stoffen die bij de vergunning horen?
Wordt er nog op korte termijn gekeken wat de stapeling en cocktail aan schadelijke stoffen voor effect heeft op de gezondheid van de omwonenden? Op welke manier wordt in de tussentijd het voorzorgsbeginsel toegepast?
Bent u het ermee eens dat extra bescherming van de gezondheid van omwonenden niet nog jarenlang op onderzoek mag wachten, maar dat er uit voorzorg extra maatregelen moeten worden getroffen? Zo nee, waarom neemt u onnodige risico’s met de gezondheid van mens en milieu?
Bent u het met hoogleraar Van Schayck eens dat de provincie als vergunningverlener moet eisen dat de ontbrekende concentraties van zeer zorgwekkende stoffen in kaart worden gebracht en dat als Chemelot zich niet aan de vergunning houdt, er handhavend moet worden opgetreden?
Wanneer zijn de voor milieu en gezondheid belangrijkste vergunningen van Chemelot voor het laatst geactualiseerd en aangescherpt?
Klopt het dat Chemelot schadelijke stoffen loost die kilometers worden verspreid en steeds uit het drinkwater moeten worden gezuiverd op kosten van de belastingbetaler?
Is er in het kader van de doelen van de Kaderrichtlijn Water, bescherming van natuur en (de kosten van) drinkwaterkwaliteit overwogen om de lozingsvergunningen voor Chemelot aan te scherpen, in ieder geval vanaf 2027? Zo ja, wat gebeurt er dan concreet? Zo nee, waarom niet?
Is er bereidheid om te kijken naar het effect van de combinatie van schadelijke chemische stoffen, microplastics en zware metalen op het milieu en de gezondheid en bijvoorbeeld de Hazard Index te gebruiken? Zo ja, hoe precies? Zo nee, waarom blijven we dan onnodige risico’s nemen met gezondheid van mens en milieu?
Weet u nog dat het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) concludeerde dat onder andere de gezondheidsschade door de uitstoot van milieuverontreinigende stoffen in Nederland 46 miljard euro per jaar kost?
Wat zijn in euro’s ongeveer de kosten van de schade die Chemelot veroorzaakt?
Bent u zich bewust van het feit dat de Algemene Rekenkamer het toezicht op vervuilende lozingen ontoereikend en zorgwekkend vindt en hoe kijkt u vanuit die conclusies naar de casus van Chemelot?2
Bent u zich bewust van het feit dat er vaker geconstateerd is dat uitstootgegevens die bedrijven rapporteren niet blijken te kloppen met echt onafhankelijke metingen en dat vanuit onder andere burgers, maatschappelijke organisaties, gezondheidsexperts (zoals de Expertgroep Gezondheid IJmond) en medeoverheden er een roep is om meer en onafhankelijk te meten bij bedrijven en regelgeving en toezicht op grote vervuilende bedrijven aan te scherpen?
Bent u zich ervan bewust dat de omgevingsdienst als toezichthouder op Tata Steel daarom terecht sinds een paar jaar als beleid heeft juist scherper aan de wind te zeilen in toezicht en handhaving bij Tata Steel, een bedrijf dat zich volgens de omgevingsdienst «calculerend en opportunistisch» gedraagt?
Wat bedoelt het kabinet dan precies met de zin uit het coalitieakkoord: «We maken afspraken met toezichthouders om regels niet strenger te interpreteren dan nodig is»?
Hebben omwonenden er volgens u recht op om op elk moment te weten aan hoeveel schadelijke stoffen ze worden blootgesteld? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u dit beter faciliteren?
Gaat u de Omgevingsdienst Zuid-Limburg in staat stellen om zelf vaker nauwkeurige emissiemetingen te doen van schadelijke stoffen bij Chemelot? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat het provinciebestuur eerder heeft geprobeerd om de publicatie van een kritische RIVM-analyse over de kankerverwekkende uitstoot van Chemelot te voorkomen, omdat het zou kunnen zorgen voor «onrust, negatieve beeldvorming en voorbarige conclusies»? Zo ja, hoe denkt u dat dat overkomt op burgers?
Hoe reageert u op Jack Renet, oud-medewerker van Chemelot, die stelt: «Het is elke keer hetzelfde verhaal; de overheid probeert Chemelot overal buiten te houden en stopt alles onder de mat. Wederom verkiest de provincie economisch belang boven het belang van haar inwoners»?
Bent u het ermee eens dat het rapporteren van veel te lage uitstootcijfers van schadelijke stoffen een overtreding is op de Wet op de economische delicten?
Gaat u aangifte doen tegen Chemelot? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden voor het commissiedebat Leefomgeving van 2 april?
De uitspraken van bestuursvoorzitter Air France-KLM over de dividenduitkeringen van Schiphol. |
|
Christine Teunissen (PvdD), Ines Kostić (PvdD) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NRC-interview1 met Benjamin Smith, bestuursvoorzitter van Air France-KLM?
Ja.
Klopt de uitspraak van Benjamin Smith die stelt dat Schiphol in 2025 een recordwinst heeft geboekt en het hoogste dividend ooit uitkeert aan de staat en de andere aandeelhouders?
Schiphol heeft over 2025 een winst geboekt van € 550 mln. Dit is de hoogste winst die Schiphol ooit geboekt heeft. Schiphol stelt voor om € 162 mln. dividend uit te keren. Hierover moet de aandeelhoudersvergadering (AvA) nog een besluit nemen. Het dividendvoorstel van Schiphol is niet het hoogste dividend ooit, zo werd er in 2008 € 593 mln. aan de aandeelhouders van Schiphol uitgekeerd (inclusief superdividend).
Hoeveel dividend heeft de staat per jaar ontvangen tussen boekjaren 2015 en 2025?
In onderstaande tabel is vermeld wat er over boekjaren 2015–2025 aan de staat (met een aandelenbelang van 69,8%) is uitgekeerd. Zie ook de jaarverslagen van Schiphol en ook het Jaarverslag Beheer Staatsdeelnemingen over deze jaren.
Boekjaar
2015
2016
2017
2018
2019
2020
2021
2022
2023
2024
2025
Ontvangen dividend (in mln. euro) door de staat (uitbetaald in t+1)
131
104
105
82
0
0
0
0
0
0
Nog vast te stellen
Hoe verklaart u dat de bestuursvoorzitter van Air France-KLM – een private, commerciële partij – publiekelijk uitspraken doet over het dividend van Schiphol over boekjaar 2025, terwijl de aandeelhoudersvergadering pas in april 2026 plaatsvindt en het dividendbesluit dus formeel nog niet is genomen?
Schiphol heeft in een persbericht op 13 februari 2026 bekendgemaakt over boekjaar 2025 € 162 mln. aan haar aandeelhouders te willen uitkeren2. Dit is een voornemen, het definitieve besluit wordt op de aandeelhoudersvergadering in april vastgesteld door de aandeelhouders. Dit betreft een gebruikelijke gang van zaken, ook andere deelnemingen en beursgenoteerde ondernemingen nemen het dividendvoorstel op in hun jaarverslagen waarna de daadwerkelijke dividenduitkering pas later door de aandeelhoudersvergadering wordt vastgesteld.
Heeft Schiphol of de Staat aan Air France-KLM informatie verstrekt over de verwachte dividenduitkering over 2025 die niet aan de Kamer is verstrekt, en zo ja, op welke juridische of beleidsmatige grondslag is deze informatie wel met een private partij gedeeld maar niet met de Kamer?
Nee, zoals bij het antwoord op vraag 4 beschreven is deze informatie openbaar.
Waarom kan informatie wel met een private partij, zoals Air France-KLM, gedeeld worden en niet met de Kamer, gegeven uw eerdere weigering op grond van bedrijfsvertrouwelijkheid2
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 5 betreft dit openbare informatie. Deze informatie kon gepubliceerd worden aangezien dit gerealiseerd resultaat betreft en geen bedrijfsvertrouwelijke toekomstverwachting.
Bent u bereid de Kamer alsnog te informeren over de verwachte dividenduitkering over boekjaar 2025, nu het argument van bedrijfsvertrouwelijkheid is komen te vervallen doordat deze informatie al publiekelijk door een private partij verspreid is?
Zoals vermeld in de antwoorden op eerdere Kamervragen4 is het voorstel van Schiphol een winstuitkeringspercentage van 30% in 2026 over boekjaar 2025. De bovengenoemde € 162 mln. (totale dividend aan alle aandeelhouders) is 30% van de aan de aandeelhouders toekomende winst, zijnde € 539 mln.5
Het (af)bouwen van de functie van Regeringscommissaris seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld |
|
Sarah Dobbe , Marjolein Moorman (PvdA), Ines Kostić (PvdD), Laurens Dassen (Volt), Songül Mutluer (PvdA), Corrie van Brenk (PvdA) |
|
van Bruggen , Letschert , Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de brief van de regeringscommissaris seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld van 11 februari 2026 betreffende de aanpak seksueel grensoverschrijdend gedrag en de brief van Movisie van 20 februari 2026 en de oproep van de Emancipator?1
Klopt het dat het Nationaal Actieprogramma Aanpak seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld (NAP) en de functie van regeringscommissaris in 2026 wordt afgebouwd, ondanks de opgedane ervaringen en de ingezette, eenduidige aanpak? Zo ja, wat is de reden voor deze afbouw en per wanneer gaat dit in?
Wanneer is dit besluit genomen en hoe is de Kamer hierover geïnformeerd?
Heeft deze afbouw te maken met het aflopen van het Nationaal Actieprogramma en daarmee de opdracht van de regeringscommissaris? Zo ja, kan geconcludeerd worden dat het werk in voldoende mate kan worden afgerond en op grond waarvan wordt dit geconcludeerd?
Hoe verhoudt dit zich tot het kritische advies van GREVIO over de Nederlandse aanpak van geweld tegen vrouwen, waarin tevens wordt geconstateerd dat het Nationaal Actieprogramma en de regeringscommissaris daarvan positieve elementen zijn binnen de Nederlandse aanpak en hoe rijmt het afbouwen hiervan met dit advies en deze constatering?
Hoe verhoudt deze afbouw zich tot de implementatie van het Verdrag van Istanbul en de eerder geuite kritieken vanuit de VN op de uitvoering van dit verdrag in Nederland?
Is het de bedoeling dat het Nationaal Actieprogramma en de rol van de regeringscommissaris wordt vervangen door het nieuwe programma geweld tegen vrouwen en de in het coalitieakkoord genoemde Nationaal Coördinator (ingesteld naar aanleiding van de wens van de Kamer om geweld tegen vrouwen en femicide aan te pakken)? Zo ja, waar blijkt dat uit?
Bent u het met ons eens dat dit twee verschillende functies zijn? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat de positie van de huidige regeringscommissaris die van een onafhankelijke aanjager is terwijl de Nationaal Coördinator vanuit zijn positie zich juist ten aanzien van de ambtelijke organisatie met het coördineren van activiteiten bezig moet houden?
Kunt u het verschil beschrijven in positie, taken, bevoegdheden en mate van onafhankelijkheid tussen een regeringscommissaris seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld en de in het coalitieakkoord genoemde Nationaal Coördinator? Welke kerntaken moet de Nationaal Coördinator vervullen?
Deelt u de mening van de regeringscommissaris dat er zowel in tijd als in inhoud een gat te dreigt te vallen in de aanpak van seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld, omdat er nog geen Nationaal Coördinator is aangesteld en niet wordt benoemd in het coalitieakkoord hoe de aanpak van (seksueel) grensoverschrijdend gedrag van de afgelopen jaren verankerd zal worden? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat het Nationaal Actieprogramma, dat gericht is op de onderliggende patronen van seksueel geweld en geweld tegen vrouwen, met een onafhankelijke regeringscommissaris als aanjager en boegbeeld van de maatschappelijke cultuurverandering (nog steeds) nodig is en blijft om seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld blijvend en structureel te kunnen aanpakken? Zo ja, waarom wordt de financiering van de regeringscommissaris dan afgebouwd? Zo nee, waarom deelt u die mening niet en hoe kan worden voorkomen dat wat er de afgelopen jaren door de regeringscommissaris opgebouwd is verloren gaat?
Het burgerinitiatief ‘My Voice, My Choice’ |
|
Sarah Dobbe , Ines Kostić (PvdD), Laurens Dassen (Volt), Lisa Vliegenthart (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat op 26 februari de Europese Commissie zal spreken over het burgerinitiatief «My Voice, My Choice», gericht op het instellen van een financieel mechanisme waarmee iedereen in de Europese Unie (EU) toegang krijgt tot abortuszorg? Bent u ook bekend met het feit dat negen Europese lidstaten (Estland, Oostenrijk, Finland, Frankrijk, Luxemburg, Polen, Slovenië, Spanje en Zweden) de Europese Commissie (EC) hebben aangeschreven om hun steun te betuigen voor het initiatief?
Ja, het kabinet is bekend met het feit dat de Europese Commissie het voornemen heeft om op 26 februari een reactie te geven op het burgerinitiatief «My Voice, My Choice». Daarnaast is het bekend met de steunbetuiging van een aantal Europese lidstaten middels een door Spanje opgestelde brief aan de Europese Commissie.
Bent u het eens dat iedereen binnen de EU recht zou moeten hebben op toegang tot veilige, goede abortuszorg?
Het kabinet staat pal voor de gezondheid en rechten van vrouwen en meisjes wereldwijd, inclusief keuzevrijheid en toegang tot veilige abortus. Tegelijkertijd respecteert het kabinet de vrijheid van lidstaten om eigen keuzes te maken rondom abortus beleid, aangezien dit een nationale competentie behelst.
Steunt u het burgerinitiatief «My Voice, My Choice» en de oproep die daarin gedaan wordt voor toegang tot abortuszorg binnen de gehele EU? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid om net als de negen andere lidstaten die dat al gedaan hebben, de EC aan te schrijven voor 26 februari a.s. en in deze brief uw steun te uiten voor het initiatief?
Het initiatief roept op om lidstaten financieel te ondersteunen bij het aanbieden van abortuszorg aan vrouwen die in hun eigen land geen toegang hebben tot abortus. Zo zouden bijvoorbeeld vrouwen die vanuit een ander EU-land naar Nederland komen voor een abortus, de behandeling vergoed kunnen krijgen. Het kabinet heeft waardering voor de inspanningen van de initiatiefnemers en lidstaten om de toegang tot veilige abortus in de EU te verbeteren.
Voordat het kabinet steun kan uitspreken voor een dergelijk initiatief, is het belangrijk dat de mogelijke implicaties van veranderend beleid in beeld zijn. Aangezien de EC nog niet heeft gereageerd op het burgerinitiatief is het op dit moment nog niet duidelijk wat de (financiële) impact van het voorstel zou kunnen zijn voor Nederland.
Op 26 februari maakt de Commissie haar juridische en politieke conclusies over het initiatief bekend. Daarbij vermeldt de Commissie eveneens waarom zij al dan niet maatregelen neemt, en zo ja, welke maatregelen zij van plan is te nemen. Naar aanleiding hiervan zal het kabinet het Nederlandse standpunt, indien nodig, interdepartementaal afstemmen via het gebruikelijke afstemmingsproces. Uw Kamer wordt hier sowieso nader over geïnformeerd.
Kunt u deze vragen uiterlijk woensdag 25 februari voor 17.00 uur beantwoorden?
Ja.
De juridische onhoudbaarheid van financiële steun aan Tata Steel |
|
Christine Teunissen (PvdD), Ines Kostić (PvdD) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het persbericht van Advocates for the Future waarin wordt gesteld dat de voorgenomen staatssteun van maximaal 2 miljard euro aan Tata Steel Nederland juridisch onhoudbaar, ineffectief en onrealistisch is?1
Hoe beoordeelt u de juridische analyse van Advocates for the Future van 19 december 2025 dat de voorgenomen staatssteun aan Tata Steel in haar huidige vorm niet voldoet aan de vereisten van noodzaak, effectiviteit en proportionaliteit onder de Europese staatssteunregels (CEEAG), met name omdat niet is aangetoond dat de maatregelen leiden tot daadwerkelijke en additionele klimaat- en gezondheidswinst? Op welke wetenschappelijke bronnen baseert u uw beoordeling dan precies (graag met nauwkeurige bronvermelding)?
Kunt u aangeven of u een juridische staatssteunanalyse heeft laten opstellen waarin expliciet wordt getoetst aan artikel 107, lderde lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), het CEEAG-kader en het beginsel «de vervuiler betaalt», en bent u bereid deze analyse met de Kamer te delen vóór verdere besluitvorming? Zo nee, bent u bereid deze op te stellen en te delen?
Kunt u uiteenzetten op welke wijze de aan de Kamer verstrekte CO2-reducties zijn berekend en welke aannames daarbij zijn gehanteerd over productievolumes en referentiescenario’s? Kunt u de onderliggende stukken en exacte wetenschappelijke bronnen met de Kamer delen, zodat de Kamer haar controlerende en kaderstellende taak naar behoren kan uitvoeren?
Hoe beoordeelt u de kritiek van experts dat de beoogde CO2-reducties grotendeels een «papieren werkelijkheid» betreft omdat een aanzienlijk deel van de uitstoot het gevolg is van capaciteitsafbouw, emissieverplaatsing en aannames? Op welke wetenschappelijke bronnen baseert u uw beoordeling dan precies (graag met nauwkeurige bronvermelding)?
Waarom is bij de beoordeling van de klimaatwinst uitsluitend gekeken naar emissiereducties binnen Nederland (scope 1), terwijl bekend is dat methaanlekken bij gaswinning de totale klimaatimpact substantieel kunnen verhogen?
Acht u het verenigbaar met de 1,5°C-doelstelling van het Parijsakkoord dat het grootste deel van de steun wordt ingezet voor installaties die primair op aardgas zullen gaan draaien, zonder harde verplichting tot tijdige omschakeling naar hernieuwbare energie, terwijl onzeker is of en wanneer omschakeling naar groene waterstof daadwerkelijk mogelijk zal zijn gezien de beperkte beschikbaarheid en concurrerende vraag? Op welke wetenschappelijke bronnen baseert u uw positie hierin dan precies (graag met nauwkeurige bronvermelding)?
Waarom zijn in de Joint Letter of Intent geen juridisch afdwingbare verplichtingen opgenomen die Tata Steel verplichten om uiterlijk op een vast moment te stoppen met het gebruik van kolen en aardgas? Hoe wordt het risico op een langdurige fossiele lock-in voorkomen, en kunt u de expertbronnen waarop u zich baseert meesturen?
Kunt u toelichten hoe en door wie is getoetst en vastgesteld dat de gesubsidieerde maatregelen niet (gedeeltelijk) zien op naleving van bestaande wettelijke verplichtingen van Tata Steel? Hoe wordt precies voorkomen dat publieke middelen worden ingezet voor kosten die op grond van het beginsel «de vervuiler betaalt» voor rekening van het bedrijf zelf horen te komen?
Aangezien de voorgestelde steun slechts betrekking heeft op een deel van de staalproductie en Tata Steel zelf niet in staat zou zijn om de productie te vergroenen, hoe voorkomt u dat een subsidiefuik ontstaat? Staat niet reeds vast dat Tata Steel straks voor meer subsidie zal aankloppen? En wordt het door de nu voorgestelde steunmaatregelen van 2 miljard euro niet lastiger om deze te weigeren? Kunt u aangeven hoe precies dit scenario wordt voorkomen?
Waarom is er geen volledige en transparante counterfactual analyse gepubliceerd waaruit blijkt welk investeringspad Tata Steel zonder staatssteun zou volgen? Hoe kan zonder zo’n analyse worden vastgesteld dat sprake is van een daadwerkelijk stimulerend effect van de steun?
Hoe verhoudt het ontbreken van een afgeronde milieueffectrapportage en gezondheidseffectrapportage zich tot het vereiste dat de steun bovenwettelijk is en daadwerkelijk bijdraagt aan de verbetering van de gezondheid van omwonenden? Op welke onafhankelijke wetenschappelijke adviezen baseert u zich precies?
Kunt u toelichten hoe de gezondheidswinst voor omwonenden van Tata Steel onafhankelijk en zoveel mogelijk real time zal worden gemonitord, conform aangenomen motie-Teunissen c.s. over zo snel mogelijk zorgen voor onafhankelijk, continu en fijnmazig meten van gevaarlijke stoffen bij Tata Steel (Kamerstuk 28 089, nr. 302), en welke sancties op welke termijn volgen indien deze uitblijft?
Kunt u toelichten of de Europese Commissie al een eerste analyse heeft gemaakt van de steunmaatregelen? Wat is de status van de beoordeling door de Commissie? Kunt u het standpunt van de Commissie met de Kamer delen?
Bent u bereid verdere besluitvorming en een eventuele staatssteunmelding bij de Europese Commissie op te schorten totdat (a) een volledige juridische staatssteunanalyse is afgerond en gedeeld met de Kamer, (b) bindende klimaatdoelen en gezondheidsdoelen zijn vastgelegd (in lijn met de onafhankelijke adviezen van o.a. Expertgroep Gezondheid IJmond), en (c) duidelijk is dat de maatregelen daadwerkelijk bijdragen aan de mondiale klimaatdoelen?
Herinnert u zich dat eerdere analyses van experts benadrukken dat de transformatie van Tata Steel naar aardgasproductie met CCS de Nederlandse energietransitie belemmert door grootschalige vraag naar (groen)gas, wat mest uit de bioindustrie vereist en daarmee een lock-in van intensieve veehouderij creëert, inclusief greenwashing-effecten? Hoe beoordeelt u deze bevindingen en op welke wetenschappelijke bronnen baseert u die beoordeling? Erkent u dat industrie afhankelijk maken van de intensieve veehouderij ingaat tegen de aangenomen motie-Tjeerd de Groot om die intensieve veehouderij af te bouwen?2 Hoe wordt precies gewaarborgd dat de stappen die worden genomen met Tata Steel die afbouw niet vertragen of dwarsbomen?
Welke maatregelen treft u om te voorkomen dat de 2 miljard euro steun aan Tata Steel leidt tot een afhankelijkheid van gas en biomethaan uit veeteeltmest in plaats van een versnelling van de overstap naar echt hernieuwbare energiebronnen, zoals wind- en zonne-energie direct voor groene waterstofproductie?
Kunt u deze vragen individueel en vóór het debat over de Jointetter of Intent met Tata Steel beantwoorden?
Het nodeloos vertragen van de openbaarmaking van emissiegegevens van veehouderijen. |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Hoe reflecteert u op het feit dat het Adviescollege Openbaarheid en Informatiehuishouding (ACOI) zich genoodzaakt ziet om voor de tweede keer een zeer kritisch advies uit te brengen omdat u vasthoudt aan een onnodige, kostbare en bureaucratische zienswijzeprocedure, die in strijd is met het eerdere advies van het Adviescollege?1
Ik heb kennisgenomen van het ACOI-advies en de inhoud daarvan. Bij brief van 4 februari 2026 heb ik uw Kamer geïnformeerd over het advies van het ACOI en mijn reactie daarop2.
Kunt u bevestigen dat het ACOI u expliciet heeft geadviseerd uw keuze voor individuele aanschrijvingen voor zienswijzeverzoeken te herzien?
Het advies van ACOI is bij uw Kamer bekend en ik heb op 4 februari 2026 mijn reactie daarop met uw Kamer gedeeld.
Kunt u bevestigen dat het ACOI u heeft geadviseerd om in te zetten op actieve openbaarmaking die recht doet aan álle betrokken belangen, waaronder het publieke belang van transparantie?
Het advies van ACOI is bij uw Kamer bekend en ik heb op 4 februari 2026 mijn reactie daarop met uw Kamer gedeeld.
Erkent u dat u deze adviezen naast u neerlegt?
Nee. In mijn brief van 4 februari 2026 heb ik bij uw Kamer aangegeven wat mijn reactie is op de adviezen van het ACOI.
Waarom weigert u nog altijd uitvoering te geven aan de Wet open overheid (Woo)-verzoeken over emissiegegevens van veehouderijen in Nederland in 2023, 2024 en 2025?
De behandeling van deze verzoeken verloopt volgens wettelijke kaders, waaronder de garantie op zorgvuldige besluitvorming en rechtsbescherming. Zie ook mijn brief van 4 februari 2026.
Wat bedoelt u precies met uw uitspraak dat emissiegegevens binnen de huidige wetgeving «in principe» openbaar gemaakt zouden moeten worden (Kamerstuk 32 802, nr. 137)?
Emissiegegevens moeten openbaar worden gemaakt. Dit doet echter geen afbreuk aan het feit dat sprake moet zijn van een ordentelijk proces en notificatie richting agrarisch ondernemers, zodat zij (als zij daar aanleiding toe zien) ook de gelegenheid hebben om rechtsmiddelen aan te wenden. De mogelijkheid bestaat dat in voorkomende gevallen conform de wet wordt besloten dat (een deel van) de gevraagde informatie niet openbaar wordt gemaakt.
Onderschrijft u de uitspraak van het ACOI dat de wet géén ruimte laat om de emissiegegevens níet openbaar te maken en dat deze gegevens dus niet «in principe», maar onvoorwaardelijk openbaar moeten worden gemaakt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Waarom wekt u desondanks de indruk dat een zienswijzeprocedure nog invloed kan hebben op de verplichting tot openbaarmaking van deze emissiegegevens?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u zich ervan bewust dat uw handelwijze feitelijk leidt tot een jarenlange vertraging van de toegang tot emissiegegevens voor journalisten, maatschappelijke organisaties en burgers? Wat vindt u hiervan?
Ik vind een zorgvuldige en juridisch houdbare aanpak belangrijk, ook als dit extra tijd vergt. In het geval van emissiegegevens van agrarische bedrijven vind ik zorgvuldigheid des te meer van belang omdat het daar vaak ook
gaat om privéadressen van agrarische ondernemers en hun gezinnen.
Bent u zich ervan bewust dat uw handelwijze leidt tot grootschalige verspilling van schaarse publieke middelen? Wat vindt u hiervan?
Ik ben mij ervan bewust dat het beoordelen van zienswijzen en bezwaren tijd en inzet vergt. Een zienswijzeprocedure moet naar mijn mening op een zodanige wijze worden ingericht dat zo veel mogelijk derde-belanghebbenden worden bereikt. Ik verwerp dan ook het door het ACOI geschetste beeld van verspilling van schaarse publieke middelen, omdat dit voorbij gaat aan het bieden van een mogelijkheid aan agrarisch ondernemers om van hun recht gebruik te maken om een zienswijze te geven.
Hoe rechtvaardigt u dat mogelijk tot 60 miljoen euro, circa 20 procent van het totale budget van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), wordt besteed aan een onnodige, vertragende en juridisch ondeugdelijke zienswijzeprocedure?
Allereerst wil ik ten zeerste weerspreken dat zienswijzenprocedures onnodig, vertragend en juridisch ondeugdelijk zijn. Ik ben mij ervan bewust dat uitvoeringsprocedures publieke middelen vergen. De kosten van de zienswijzeprocedure zijn afhankelijk van hoeveel Woo-verzoeken naar emissiegegevens ingediend worden en hoeveel zienswijzen gevraagd worden. Begin 2025 is een eerste kosteninschatting gemaakt. De genoemde 60 miljoen euro waren het maximum scenario met het uitgangspunt dat 90% van de aangeschreven agrarisch ondernemers een zienswijze in zou dienen. Het is op dit moment niet in te schatten hoeveel van de aangeschreven agrarisch ondernemers zienswijze zal indienen en hoeveel omvangrijke Woo-verzoeken nog volgen. Zoals hiervoor benoemd, ben ik van mening dat een zienswijzeprocedure op een zodanige wijze moet worden ingericht dat zo veel mogelijk derde-belanghebbenden worden bereikt. Zij kunnen dan zelf de afweging maken of zij een zienswijze willen indienen. Zo levert deze uitgave een bijdrage aan het opbouwen van het vertrouwen in de overheid.
Kunt u concreet aangeven welke taken van de RVO hierdoor onder druk komen te staan of niet meer kunnen worden uitgevoerd?
Zie antwoord vraag 11.
Heeft u hierover overleg gevoerd met de RVO? Zo ja, wat is hun oordeel over deze gang van zaken?
Uiteraard heb ik hierover ook gesproken met RVO. Tijdens gesprekken hierover is onder andere gesproken over de gevolgen van de individuele procedure.
Waarom blijft u doorgaan met het ten onrechte gebruiken van uw bevoegdheid om openbaarmakingsbesluiten in te trekken, zoals de Raad van State oordeelde op 24 september 2025 in haar uitspraak over de openbaarmaking van emissiegegevens?2
Ik heb naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State besloten om bij Woo-verzoeken waarbij reeds zienswijzen zijn uitgevraagd via de Staatscourant, niet opnieuw zienswijzen uit te vragen via de individuele procedure. Ik zal dus enkel bij Woo-verzoeken waarbij nog geen zienswijzen zijn uitgevraagd kiezen voor individuele benadering.
Neemt u het oordeel van de Raad van State over dat stelt dat de zienswijzeprocedure die heeft plaatsgevonden al in overeenstemming was met artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)?3
Zie antwoord vraag 14.
Neemt u het oordeel van de Raad van State over dat stelt dat u niet bevoegd was om de openbaarmakingsbesluiten op bezwaar in te trekken?4
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 24 september 2025 geoordeeld dat de eerder genomen besluiten op bezwaar om informatie openbaar te maken, niet hadden mogen worden ingetrokken en dat de gevraagde informatie binnen twee weken openbaar moet worden gemaakt. Ik heb de gegevens die centraal stonden in die zaak reeds openbaar gemaakt.
Deelt u de conclusie van het ACOI dat uw handelwijze ertoe leidt dat de samenleving uw beleid om de uitstoot van schadelijke stoffen terug te dringen onvoldoende kan controleren? Zo nee, waarom niet?5
Nee, ik deel de mening van het ACOI niet dat de individuele procedure ertoe zou leiden dat de samenleving het beleid onvoldoende kan controleren. Openbaarheid van overheidsinformatie is een groot goed. Volgens het Verdrag van Aarhus en de Europese milieu-informatierichtlijn7 is Nederland verplicht om emissiegegevens openbaar te maken. Bij het openbaar maken van informatie is echter zorgvuldigheid voor alle betrokkenen gewenst, ook de betrokken ondernemers.
Bent u bereid om uw besluit te herzien, de aanbevelingen van het ACOI alsnog op te volgen en per direct in te zetten op actieve openbaarmaking? Zo nee, waarom niet?
Nee, zoals hiervoor aangegeven vind ik dat derde-belanghebbenden proactief en persoonlijk op de hoogte moeten worden gesteld dat er een Woo-verzoek loopt over openbaarmaking van hun gegevens en ze de gelegenheid hebben om een zienswijze in te dienen.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
De vragen zijn binnen de gebruikelijke termijn beantwoord.
Het doodschieten van een hond door een jager |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Rummenie , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Hond doodgeschoten in Wapse door man met geweer. Baasje Lotte (48): «Benji lag in de sloot. Dood»»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat een jager een hond heeft doodgeschoten en vervolgens zonder pardon is weggereden, zonder ook maar enig medeleven of schuldbewustzijn te tonen richting de eigenaar van de hond?
Ik vind dit een tragisch voorval en wil hierbij mijn medeleven betuigen aan de eigenaren van de hond.
Kunt u bevestigen dat de betreffende jager een jachtvergunning heeft, lid is van de Koninklijke Nederlandse Jagersvereniging (KNJV) en een ontheffing heeft om ’s nachts op vossen te jagen?2
Ik kan bevestigen dat de betreffende jager een omgevingsvergunning jachtgeweeractiviteit heeft en dat hem door de provincie Drenthe een omgevingsvergunning is verleend om ’s nachts op vossen te jagen.
De Koninklijke Nederlandse Jagersvereniging (KNJV) speelt geen rol bij het afgeven van een omgevingsvergunning jachtgeweeractiviteit, of bij het verlenen van bedoelde vergunningen. Ik kan daarom geen uitspraken doen over het lidmaatschap van de betreffende jager.
Hoe verklaart u het dat een jager die lid is van de KNJV en een jachtvergunning heeft, kennelijk niet in staat is om het verschil tussen een vos en een hond te zien?
De precieze toedracht van het incident wordt onderzocht door de politie. Ik kan daar op dit moment geen uitspraken over doen.
Deelt u de opvatting dat het volstrekt onaanvaardbaar en ronduit gevaarlijk is dat mensen die dit soort fouten maken, met vuurwapens rondlopen in Nederland? Zo nee, waarom niet?
Het gebruik van het geweer voor jacht of faunabeheer is aan strikte regels gebonden, en is alleen toegestaan aan iemand die met succes een jachtexamen heeft afgelegd. Hierin wordt, onder andere, getoetst op het veilig kunnen omgaan met het geweer en het op de juiste manier vaststellen van de soort waarop wordt geschoten. Zoals aangegeven, onderzoekt de politie op dit moment wat de precieze toedracht is van het incident.
Kunt u bevestigen dat de jachtvergunning van deze jager per direct is ingetrokken? Zo nee, waarom niet?
De wapens en de omgevingsvergunning jachtgeweeractiviteit van de betreffende jager zijn in afwachting van het onderzoek, in bewaring genomen door de politie. De jager kan hier gedurende het onderzoek dus niet over beschikken. Over het vervolg van deze casus kan ik gezien het lopende onderzoek geen verdere uitspraken doen.
Kunt u bevestigen dat ook zijn wapenvergunning per direct en voor altijd wordt ingetrokken? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op vraag 6.
Kunt u bevestigen dat er strafrechtelijke vervolging is ingesteld tegen deze man? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 6. De benadeelde partij heeft aangifte gedaan. Er loopt een politieonderzoek.
Heeft u kennisgenomen van verklaringen van ecologen die vermoeden dat de jager dacht op een wolf te schieten in plaats van een hond?3
Ja.
Acht u dit plausibel? Zo nee, waarom niet?
Het politieonderzoek over de toedracht van het incident is lopende. Ik vind het onverstandig hierover te speculeren.
Kunt u bevestigen dat met regelmaat dieren illegaal door jagers worden doodgeschoten, waaronder beschermde soorten, zoals roofvogels4 en rietganzen5, en in beschermde natuurgebieden?6
Het komt helaas voor dat dieren illegaal worden gedood. Dit is een strafbaar feit en de politie en andere handhavende diensten handhaven hierop. Wanneer burgers een strafbaar feit constateren kunnen zij dit bij de politie melden. Op basis van de door u aangehaalde incidenten kan ik niet bevestigen dat het illegaal doden van dieren op grote schaal gebeurt, of dat jagers hier bij betrokken zouden zijn.
Erkent u dat dit vermoedelijk slechts het topje van de ijsberg is, omdat een groot deel van de jacht plaatsvindt buiten het zicht van handhavers of alerte burgers?
Op basis van de mij bekende feiten kan ik niet bevestigen dat de door u aangehaalde incidenten het topje van een ijsberg vormen. Het binnen de wettelijke kaders uitoefenen van de jacht is toegestaan.
Vindt u dit wenselijk?
Het illegaal doden van dieren vind ik niet wenselijk. Zie verder mijn antwoord op vraag 12.
Herinnert u zich dat u in antwoorden op eerdere Kamervragen stelde geen aanleiding te zien om aan te nemen dat wolven op ongebruikelijke wijze verdwijnen?7
Ja. Dit is zo door mijn ambtsvoorganger geantwoord.
Kunt u bevestigen dat, indien in dit geval een wolf in plaats van een hond was doodgeschoten, de kans groot is dat dit nooit aan het licht was gekomen?
Er is in dit geval een hond doodgeschoten. Zoals gezegd bij vraag 2 vind ik dat een tragisch voorval. Ik wil niet speculeren over een situatie waarin een wolf zou zijn doodgeschoten en wacht de uitkomst van het politieonderzoek af.
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van ecoloog Chris Smit dat er vermoedelijk veel meer stroperij op wolven is dan wij zien?8
Ja.
Bent u, in het licht van deze gebeurtenis en deze signalen, nog steeds van mening dat er geen reden is om aan te nemen dat wolven op ongebruikelijke wijze verdwijnen? Zo ja, waarop baseert u dat?
Ja, zoals aangegeven in eerdere beantwoording, waar u aan refereert, is uit navraag bij BIJ12 en politie niet gebleken dat er sprake is van een opvallende situatie rond verdwenen wolven. Ik heb geen signalen ontvangen dat die situatie is veranderd.
Bent u bereid om per direct het toezicht op (leden van) de KNJV te intensiveren en daarbij expliciet aandacht te besteden aan het illegaal doden van dieren? Zo nee, waarom niet?
De KNJV is een organisatie die de belangen van haar leden behartigt. De KNJV heeft geen rol in de vergunningverlening. Er is daarom geen sprake van toezicht op de KNJV vanuit mijn ministerie.
Bent u bereid om op korte termijn te onderzoeken hoe de handhaving op de jacht structureel kan worden geïntensiveerd, om te voorkomen dat opnieuw dieren of mensen slachtoffer worden van schietgrage jagers? Zo nee, waarom niet?
In Nederland gelden strikte wettelijke eisen voor het bezit en gebruik van vuurwapens in het kader van jacht, beheer en schadebestrijding. Hierop wordt gecontroleerd door de politie, provincies en omgevingsdiensten. Op basis van de huidige signalen zie ik geen aanleiding om de handhaving te intensiveren.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Zoals al richting uw Kamer aangegeven is het niet mogelijk geweest de vragen binnen de gestelde termijn te beantwoorden, in verband met de benodigde afstemming en in verband met de kabinetswissel.
Het plotseling stopzetten van programma DuurzaamDoor |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Wanneer heeft u ertoe besloten om het succesvolle programma DuurzaamDoor plotseling stop te zetten na 15 jaar (Kamerstuk 36 800 XIV, nr. 12?
Er is geen sprake van plotseling stopzetten van het programma. De derde programmaperiode DuurzaamDoor (2020–2024) liep af in 2024.
Aan mijn besluit over hoe verder te gaan ging een brede consultatie vooraf. Na een eerste tussenevaluatie door TwynstraGudde, heeft begin 2024 Royal Haskoning DHV, op verzoek van de stuurgroep DuurzaamDoor, een onderzoek uitgevoerd bij stakeholders en het programmateam bij RVO. Er zijn interviews gehouden en er is een brede bijeenkomst georganiseerd. Kernvraag die centraal stond was of en hoe verder gegaan moest worden met DuurzaamDoor.
De stuurgroep adviseerde na deze verkenning om het programma voort te zetten. Zij gaf daarbij aan dat de werkende principes van het programma (lerende netwerkaanpak, multi stakeholder-benadering, verbinden van meerdere schaalniveaus, integraal werken aan duurzaamheidsopgaven en de mens centraal) ook de basis zouden moeten vormen voor een toekomstig programma. Op onderdelen stelde de stuurgroep aanpassingen voor. Onder meer ging het daarbij om meer aandacht voor het doorvertalen en agenderen van lokaal en regionaal gesignaleerde knelpunten naar het ministerie.
Op 2 juli 2024 trad het kabinet Schoof aan, met een nieuwe focus en agenda. Dat maakte dat de besluitvorming over het eventuele vervolg van DuurzaamDoor vertraging opliep. Daarom is in goed overleg met RVO en de Stuurgroep DuurzaamDoor besloten de lopende programmaperiode 2021–2024 met een jaar te verlengen. Daarmee konden ook de resultaten van de onafhankelijke eindevaluatie van het programma door TwynstraGudde worden afgewacht en konden deze worden betrokken bij de besluitvorming.
Begin 2025 werd deze eindevaluatie opgeleverd. Conclusie daaruit was dat het programma goed had gewerkt en een aantal unieke kenmerken en werkwijzen had ontwikkeld. Een van de aanbevelingen was om in de toekomst meer aansluiting te zoeken bij grotere systeemspelers en beleidsprogramma’s. Respondenten gaven ook aan dat een vervolgprogramma meer impact kon hebben als het belang van sociale en maatschappelijke innovaties beter voor het voetlicht zou worden gebracht, in een samenleving die vooral gericht is op technische innovaties.
Gegeven de grootte van de opgaven van LVVN op het terrein van voedsel, natuur en landelijk gebied en de noodzaak te investeren in innovatie zoals vermeld in het regeerprogramma, was er daarnaast aanleiding de beschikbare middelen en de opgebouwde expertise bij DuurzaamDoor in het vervolgprogramma te richten op deze opgaven. Om deze redenen heb ik in oktober 2025 besloten de bestaande middelen voor DuurzaamDoor op de begroting van LVVN in te zetten voor de Aanpak sociale innovatie. Met de aanpak zullen succesvolle elementen en de ervaring van het programma DuurzaamDoor worden behouden.
Overigens was DuurzaamDoor, net als de Aanpak sociale innovatie, een programma dat zijn oorsprong vond in eerdere programma’s. Hierbij gaat het onder meer om de NME Onderwijs Impuls (1992–1996), de extra impuls Natuur en Milieu Educatie (1996–1999), het programma Leren voor Duurzaamheid (2000–2003) en Leren Voor Duurzame Ontwikkeling (2004–2007 en 2008–2012).
Op basis van welke ambtelijke adviezen heeft u hiertoe besloten? Waren er ook ambtelijke adviezen die hiertegen adviseerden?
Conform het mij gegeven eenduidige ambtelijke advies, heb ik ervoor gekozen om na het aflopen van het programma DuurzaamDoor in 2025 door te gaan met een Aanpak sociale innovatie zoals hiervoor geschetst en daarvoor de via het programma Duurzaam Door bij RVO opgebouwde kennis en ervaring te benutten.
Op welke datum is binnen het ministerie hierover geïnformeerd? Op welke datum zijn het programmamanagement, de stuurgroep en andere medewerkers hiervan op de hoogte gesteld?
Vanaf begin 2024 is er nauw overleg geweest met het programmamanagement, het programmateam en de stuurgroep DuurzaamDoor. Met de aanbevelingen uit de brede consultatie, de nieuwe inzichten en koers van het kabinet en de eindevaluatie is gezamenlijk gewerkt aan de nieuwe aanpak sociale innovatie.
Hoe is er op uw besluit door deze betrokkenen bij DuurzaamDoor gereageerd?
De Aanpak sociale innovatie is in nauwe samenwerking met het programmateam bij RVO vormgegeven. De in DuurzaamDoor opgebouwde kennis en ervaring wordt benut in deze aanpak. Daarmee is er steun voor deze aanpak.
Hoeveel werknemers waren er betrokken bij DuurzaamDoor? Hoeveel van die medewerkers werden deels bekostigd door het geld van DuurzaamDoor?
Het programma DuurzaamDoor is uitgevoerd door RVO. In de laatste programmaperiode waren er bij RVO zeven medewerkers betrokken.
Kunt u bevestigen dat met het beëindigen van DuurzaamDoor ook de participatietafels die onder het programma vielen (Energietransitie, Natuurinclusief bouwen, Veranderkracht en Voedseltransitie) tot een einde zijn gekomen?
Alle participatietafels die in het programma DuurzaamDoor zijn geïnitieerd, zijn afgerond, of op andere plekken doorgezet of overgedragen.
De participatietafel Energie gaat door en is vanaf 2026 tijdelijk ondergebracht bij RVO. Het nog vorm te geven Nationaal Programma Energie Systeem (NPES) is de beoogde landingsplek voor de participatietafel Energie. Het project Opgroeiruimte, voor gemeenten en bewonersinitiatieven, is opgenomen in de academie van de landelijke koepel van energiegemeenschappen: energie samen.
De participatietafel Natuurinclusief bouwen is nu een van de domeinen van het Collectief Natuurinclusief en gaat daarin door. Ook is dit thema en dit netwerk geborgd in het netwerk KAN (Klimaat Adaptief Bouwen) en in het Groeifondsprogramma Werklandschappen van de toekomst.
De participatietafel Voedseltransitie heeft in 2025 haar laatste project («beter dan super») afgerond en is beëindigd. De kennis uit de tafel en tafelmethode is geborgd in kennisproducten en in de bestaande netwerken, zoals de Transitiecoalitie Voedsel, het Kennisplatform Stadslandbouw Nederland en de Community of Practice Voedselraden.
De instrumenten vanuit het ontwikkeltraject Veranderkracht zijn input voor de instrumentenkoffer van de Aanpak sociale innovatie.
Kunt u vertellen of het voortbestaan van de waardevolle initiatieven, waarvan DuurzaamDoor aan de wieg heeft gestaan (Duurzame Dinsdag, de onderwijs coöperatie Leren voor Morgen, de Green Protein Alliance en het netwerk Klimaatadaptief bouwen met de Natuur (KAN)), zoals aangegeven in uw brief, mogelijk in gevaar komt wegens het stoppen van DuurzaamDoor? Kunt u aangeven of het voortbestaan van andere initiatieven mogelijk in gevaar komt wegens het stoppen van DuurzaamDoor? Welke initiatieven zijn dat?
Het programma DuurzaamDoor heeft gewerkt als een initiator en heeft impulsen gegeven aan nieuwe ontwikkelingen of netwerken. Hierbij is altijd het doel geweest om te zorgen dat netwerken en activiteiten na een incidentele ondersteuning zelf verder zouden kunnen. Duurzame Dinsdag, het KAN netwerk en de Green Protein Alliance zijn overgenomen door andere organisaties.
De Coöperatie Leren voor Morgen, die bestaat uit leden die zich inzetten voor duurzaamheid in het onderwijs, blijft financiële ondersteuning ontvangen van LVVN, voor de periode 2026–2029.
Kunt u vertellen of het voortbestaan van projecten, waaronder het Kennisplatform Collectieve Kracht, waarvan DuurzaamDoor (mede)financierder was, mogelijk in gevaar komt wegens het stoppen van DuurzaamDoor? Welke andere projecten werden door DuurzaamDoor (mede)gefinancierd?
Het Kennisplatform Collectieve Kracht heeft in de laatste programmaperiode van DuurzaamDoor twee subsidies ontvangen voor opstart van het kennisplatform en ontwikkeling van labs. Vervolgens heeft Collectieve Kracht een succesvolle aanvraag voor subsidie gedaan bij NWO. Collectieve Kracht wordt momenteel door de betrokkenen bij de Aanpak sociale innovatie betrokken bij participatievraagstukken die te maken hebben met een vitaal platteland.
Andere projecten waaraan DuurzaamDoor financieel heeft bijgedragen zijn bijvoorbeeld de al genoemde initiatieven bij vraag 7 en de vereniging GDO (gemeenten voor Duurzame Ontwikkeling, met haar netwerk van lokale Natuur- en Duurzaamheidscentra). Er zijn bij mijn weten geen projecten die in gevaar zijn door het stoppen van DuurzaamDoor.
Beaamt u de stelling van TwynstraGudde in het evaluatierapport «Eindevaluatie DuurzaamDoor 2021–2024» dat het programma DuurzaamDoor een gewenste aanpak is van een benodigd antwoord op structurele problemen op het vlak van duurzaamheid en maatschappelijke transities, en beantwoordt aan wetenschappelijk onderzoek opgesteld door Grin, Rotmans en Schot, «Transitions to Sustainable Development. New Directions in the Study of Long Term Transformative Change»? Zo ja, waarom stopt u dan het programma voortijdig? Zo nee, op grond waarvan?1
Het programma DuurzaamDoor is niet voortijdig gestopt, maar de huidige programma-periode liep af. Met de keuze voor een aanpak die zich richt op de hoofdopgaven van LVVN en bijdraagt aan het bredere innovatie-instrumentarium van het ministerie gaat de aanpak van DuurzaamDoor niet verloren. De werkende elementen, zoals een multi-stakeholder aanpak, ruimte voor ontdekken/experimenteren, het initiëren van lerende netwerken, een bottom-up aanpak, maatschappelijke participatie en een veilige leer- en ontwikkelsetting, worden voortgezet.
Deelt u de conclusie uit het evaluatierapport van TwynstraGudde dat DuurzaamDoor een waardevolle bijdrage levert aan duurzaamheidstransities? Zo ja, waarom heeft zij desondanks besloten het programma te beëindigen?
Een groot deel van de ervaring en netwerken gaat verder in de nieuwe Aanpak sociale innovatie als onderdeel van de bredere LVVN-aanpak op innovatie. De waarde van DuurzaamDoor blijft hiermee benut voor duurzaamheidsopgaven, maar wordt ook breder benut.
Zie ook het antwoord bij vraag 9.
Kunt u aangeven waarom, terwijl op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) staat dat DuurzaamDoor is gestart om duurzaamheidsvraagstukken aan te pakken, uw nieuwe project Aanpak Sociale Innovatie (in tegenstelling tot DuurzaamDoor) geen focus meer heeft op duurzaamheid en duurzaamheidstransitie, maar veel abstracter op maatschappelijke opgaven binnen het Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN)-domein (voedsel, natuur en landelijk gebied)?2
Ik vind het belangrijk de beschikbare middelen en mensen in te zetten op de hoofdopgaven van LVVN en daarmee op meer opgaven dan duurzaamheid. Investeren in sociale innovatie is ook voor andere thema’s zoals gebiedsprocessen of natuurherstel van belang.
Welke aanleiding heeft u om te denken dat een programma gericht op duurzaamheidstransitie niet meer relevant is in tijden van klimaatverandering, energietransitie en strategische autonomie?
Ik kies ervoor de beschikbare middelen en opgebouwde expertise in te zetten voor de maatschappelijke opgaven op het terrein van natuur, platteland en een volhoudbaar voedselsysteem. Duurzaamheid is een integraal onderdeel van het beleid ten aanzien van deze opgaven. De aanpak sociale innovatie draagt zo ook bij aan brede maatschappelijke vraagstukken, zoals klimaatverandering, voedsel van dichtbij of natuurherstel.
Op welke wijze denkt u het gat te kunnen opvullen dat DuurzaamDoor achterlaat in de Nederlandse doorvertaling van internationale frameworks en verdragen op het gebied van leren en innoveren voor duurzaamheid? Denkt u anders over de in het evaluatierapport van TwynstraGudde beschreven centrale rol van DuurzaamDoor hierin?
LVVN blijft zich inzetten in internationale netwerken op het gebied van leren en innoveren voor duurzaamheid. Dit verandert niet. Ook de doorvertaling van die internationale afspraken zal blijven plaatsvinden via de Aanpak sociale innovatie en ook via bestaande (onderwijs)netwerken en de interdepartementale werkgroep Duurzame School.
Klopt het dat eerder de intentie was, zoals in de begroting voor 2025 vermeld stond, het programma door te laten lopen tot tenminste 2029 (Kamerstuk 36 600 XIV, nr. 2 (tabel 59, blz. 143))? Waarom waren er tot aan 2029 anders middelen begroot voor DuurzaamDoor?
Het bedrag in de begroting 2025 met het label DuurzaamDoor is deels bestemd voor het programma DuurzaamDoor en deels voor het programma Jong Leren Eten. Het is vaker zo dat begrotingsreeksen langer in de begroting staan dan de duur van een programma(periode). Met deze middelen kan zo een volgend programma worden gefinancierd.
Het besluit over een opvolging van het programma DuurzaamDoor was op het moment van aanbieden van de begroting 2025 nog niet genomen. Inzet was toen al wel om de betreffende middelen te gebruiken voor een programma over leren en ontwikkelen, met een multi-stakeholder aanpak en met focus op initiatieven uit de maatschappij. Vandaar dat de meerjarige reeks erin bleef staan.
Het budget wordt nu ingezet onder de titel Aanpak sociale innovatie.
Klopt het dat u heeft besloten om DuurzaamDoor te stoppen ver voor de begrootte «einddatum van de Subsidie (regeling)», die in 2027 was gesteld?
Dit is onjuist. Er is geen subsidieregeling DuurzaamDoor. De hier genoemde einddatum subsidie(regeling) heeft betrekking op de subsidieregeling voor Jong Leren Eten makelaars. Deze staat in de begroting op een gezamenlijke post met het programma DuurzaamDoor.
In hoeverre zijn het managementteam, de stuurgroep en samenwerkingspartners meegenomen in de tijd voor het besluit dat DuurzaamDoor tot een einde zou komen?
Voor deze vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 3 en 4.
Op welke wijze is rekening gehouden met de meerjarige samenwerkingen en langlopende leertrajecten die binnen DuurzaamDoor liepen en wat betekent het stopzetten van het programma voor de continuïteit en betrouwbaarheid van de overheid als samenwerkingspartner?
Het dossier heeft altijd uit opeenvolgende programmaperiodes van vier jaar bestaan, sinds 2013 met de naam «DuurzaamDoor». Ook samenwerkingsverbanden en langlopende leertrajecten zijn voor deze periode aangegaan, met een begin en een einde.
Erkent u de bijdrage van DuurzaamDoor, gezien het feit dat in het Biodiversiteitsplan Europees Nederland staat dat het programma DuurzaamDoor een ondersteuning en professionalisering faciliteert van het grote en fijnmazige netwerk van lokale en regionale centra voor natuur- en duurzaamheidseducatie? Welke reden ziet u in dit licht om te stoppen met DuurzaamDoor? Op welke manier denkt u het gat dat DuurzaamDoor achterlaat op te kunnen vangen?
De aandacht voor natuur- en duurzaamheidseducatie vanuit het Ministerie van LVVN eindigt niet met het stoppen van het programma DuurzaamDoor. Via de inzet in de interdepartementale werkgroep Duurzame School en via onze samenwerking met de vereniging GDO (Gemeenten voor Duurzame Ontwikkeling) zullen we ook in de periode 2026–2029 bijdragen aan de ondersteuning en professionalisering van het netwerk van lokale en regionale centra voor natuur- en duurzaamheidseducatie. Daarbij gebruiken we ook de input vanuit de internationale gremia.
Is de aanname juist dat de begrote middelen voor DuurzaamDoor vanaf 2026 beschikbaar komen voor uw nieuwe project over sociale innovatie, zoals lijkt te worden gesteld (Kamerstuk 36 600 XIV, nr. 2)?
Ja, dat klopt.
Kunt u aangeven welke lessen, trajecten en projecten, uit 15 jaar DuurzaamDoor expliciet worden meegenomen in de nieuwe Aanpak Sociale Innovatie en waar dit alles is vastgelegd?
De werkwijze, manieren van samenwerken, netwerken en kennis die binnen het programma DuurzaamDoor zijn ontwikkeld, vormen de basis voor de Aanpak sociale innovatie.
Inzet is om in de nieuwe aanpak de werkmethodes die zijn ontwikkeld toegankelijk te houden. Op dit moment gebeurt dat nog via de archiefpagina van DuurzaamDoor3. Het team bij RVO dat aan de aanpak werkt bestaat uit adviseurs met ervaring, die hun weg weten binnen de bestaande netwerken. Het merendeel van de adviseurs komt uit het programmateam van DuurzaamDoor.
Is er een maatschappelijke kosten-batenanalyse gemaakt van het stoppen van DuurzaamDoor? Zo ja, kunt u deze analyse met de Kamer delen?
Er is geen maatschappelijke kosten-baten analyse gemaakt over het programma DuurzaamDoor.
Bent u bereid het volledige besluitvormingsdossier rondom het stopzetten van DuurzaamDoor, inclusief interne nota’s, adviezen en besluitstukken, met de Kamer te delen?
Met bovenstaande antwoorden heb ik gepoogd u voldoende inzicht te verschaffen.
Kunt u deze vragen vraag voor vraag, voor haar aftreden, beantwoorden?
Dat heb ik gedaan.
Het bericht 'Zorgen over nieuwe hyperscale Amsterdam' en de bijbehorende oproep van maatschappelijke organisaties. |
|
Ines Kostić (PvdD), Christine Teunissen (PvdD) |
|
van Marum , Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Zorgen over nieuwe hyperscale Amsterdam»1 en de bijbehorende oproep van maatschappelijke organisaties?2
Kunt u op elk van de geuite zorgen door de advocaat van de maatschappelijke organisaties Leitmotiv, Advocates for the Future, Bits of Freedom, critical infrastructure lab en DeGoedeZaak reageren met een gedegen onderbouwing?3
Kunt u aangeven welke vergunningen precies wanneer zijn verleend en aan wie, welke onderdelen nog wijzigbaar waren in 2024–2025, en kunt u de volledige tijdlijn inclusief voorbereidings- en wijzigingsbesluiten delen met de Kamer?
Klopt het dat de regering het ontwerpbesluit waarin het mogelijk werd gemaakt om hyperscale datacenters landelijk te verbieden in 2022 is gepresenteerd en dat al op 16 februari 2022 een voorlopig besluit werd genomen om de vestiging van hyperscale datacenters tijdelijk te blokkeren totdat nieuwe nationale criteria en regels zouden worden vastgesteld? Zo nee, hoe zit het dan precies?
Kunt u bevestigen dat het gebruikelijk is om bij ruimtelijke besluiten ook «voorzienbare ontwikkelingen» en dus verwachte toekomstige wetgeving en beleid mee te wegen in de besluitvorming?
Was het juridisch ook mogelijk geweest om bij de vergunningsverlening rondom de hyperscale datacenter in Amsterdam de «voorzienbare ontwikkeling» van een komend landelijk verbod mee te wegen in de besluitvorming rondom (een van de) vergunningen? Welke mogelijke juridische ruimte zit daar in theorie?
Wat zijn de verwachte kosten in termen van energieverbruik (bijvoorbeeld equivalent aan het stroomverbruik van alle huishoudens in Haarlem), ruimtebeslag (inclusief hoogbouw van 85 meter in het havengebied), watergebruik, CO2-uitstoot en netcapaciteit voor dit project? Ten koste van welke andere belangrijke zaken gaat dit, bijvoorbeeld duurzame energieopwekking, natuur, woningbouw of klimaatadaptatie, (of iets anders)?
Hoeveel windturbines zouden in theorie nodig zijn om zo’n hyperscale datacenter te laten draaien?
Gaat dit project zorgen voor minder beschikbare ruimte en energiecapaciteit voor fundamentele zaken als woningen, zorgvoorzieningen, scholen, etc? Zo nee, hoe onderbouwt u dat? Zo ja, hoe verantwoordt u dan de keuze voor de hyperscale datacenter boven de andere zaken die gelden als van groot maatschappelijk belang?
Hoe rijmt het toelaten van zo’n energieslurpend hyperscale datacenter met al bestaande grote problemen rondom woningnood, netcongestie, hoge energieprijzen en de energietransitie?
Zijn deze problemen ooit ergens in de besluitvorming bewust meegewogen? Zo ja, hoe precies en wanneer? Zo nee, waarom niet en vindt u ook dat dat wel zou moeten gebeuren?
Is de impact op ruimte en energie voor woningen, zorgvoorzieningen, scholen, verzorgingshuizen, en andere zaken van groot maatschappelijk belang ergens in de besluitvorming rondom de hyperscale datacenter meegewogen? Zo ja, kunt u de uitgebreid schetsen wat precies is afgewogen en wanneer? Zo nee, waarom niet? Bent u het met ons eens dat zo’n expliciete weging wel zou moeten worden gemaakt en verankerd in beleid?
Waar en wanneer is precies het besluit genomen dat in de situatie van netcongestie een Amerikaanse hyperscale voorrang zou mogen krijgen boven bijvoorbeeld woningen?
In hoeverre acht u dit project verenigbaar met strategische energie- en grondstoffenonafhankelijkheid, gelet op de verspilling van schaarse energie en ruimte die ten koste gaat van nationale prioriteiten zoals de energietransitie, klimaataanpak en circulariteit?
Voor welke specifieke doeleinden wordt het datacenter door Microsoft gebruikt, welke soorten data worden er verwerkt en opgeslagen, en in hoeverre draagt dit bij aan de strategische digitale autonomie van Nederland en de EU, of juist aan verdere afhankelijkheid van Amerikaanse techgiganten? Kunt u dat met verwijzing naar expertbronnen onderbouwen?
Eerder bleek dat Microsoft datacenters in Nederland worden gebruikt door het Israëlische leger dat daar tientallen miljoenen uren aan opnamen van telefoongesprekken van Palestijnen opslaat, dus zou het kunnen dat de nieuwe hyperscale daarvoor ook wordt gebruikt?4 Kunt u dat met zekerheid uitsluiten? Zo nee, wat vindt u dan van die situatie ook in het kader van de Nederlandse verantwoordelijkheid voor bescherming van mensenrechten? Bent u bereid om hierover iets op te nemen in uw beleid rondom datacenters?
In hoeverre acht de regering dit project verenigbaar met strategische digitale autonomie en digitale veiligheid, mede gezien de afhankelijkheid van een Amerikaans techbedrijf voor kritieke infrastructuur en overheidsdata?
De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening gaf tijdens het vragenuur van dinsdag 27 januari 2026 aan dat ze niet ziet hoe deze casus raakt aan strategische autonomie. Staat de regering hier nog steeds zo in, en zo ja, kunt u de stelling dat de casus niets te maken heeft met strategische autonomie dan onderbouwen met verwijzingen naar onafhankelijk onderzoeken en experts?
Erkent u dat dit project, gecombineerd met het hosten van overheidsdata zoals van de Belastingdienst bij Microsoft, de strategische autonomie en digitale veiligheid ondermijnt door o.a. de VS-data-toegang via de Amerikaanse CLOUD Act?
Kunt u de juridische adviezen delen over welke mogelijkheden er waren (en zijn) voor herroeping of aanpassing van de vergunning(en), gezien bijvoorbeeld de problemen rond netcongestie en het groot maatschappelijk belang van onze digitale veiligheid en wonen?
Als die juridische adviezen nog nergens zijn opgevraagd, bent u bereid om alsnog om extra juridisch advies te vragen, met het doel te verkennen of ergens nog ruimte is om de komst van de hyperscale datacenter tegen te houden, gezien de langdurige negatieve impact op andere zaken van groot maatschappelijk belang, zoals onze strategische autonomie en wonen?
Bent u bereid om met de advocaten van Advocates for the Future en maatschappelijke organisaties Leitmotiv, Bits of Freedom, critical infrastructure lab en DeGoedeZaak in gesprek te gaan over de casus en over de lessen die we hieruit moeten trekken en om hierover op korte termijn aan de Tweede Kamer per brief terug te koppelen?5 Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat als de vergunningsaanvraag voor deze drie torens vandaag gedaan zou worden, deze buiten het landelijk verbod zou vallen gezien de huidige regels over bijvoorbeeld hoeveelheid hectare, en zo ja, hoe beoordeelt u dit feit?
Erkent u dat het opsplitsen van één datacenter in meerdere gebouwen met elk een afzonderlijk aansluitvermogen ertoe leidt dat de bedoeling van het hyperscale-verbod wordt ondergraven, terwijl de feitelijke maatschappelijke impact gelijk blijft? Zo nee, waar baseert u dat op?
Bent u bereid om opnieuw te kijken naar de regelgeving rondom het verbod, en te verkennen of er aanscherpingen nodig zijn gezien de maatschappelijke onrust en andere grote maatschappelijke belangen die om ruimte en energie vragen?
Welke andere lessen trekt u uit deze gang van zaken voor de toekomst?
Kunt u de vragen één voor één beantwoorden en binnen twee weken, gezien de urgentie van de situatie?
Het houd- en handelsverbod voor honden en katten die in Nederland niet mogen worden gefokt, maar wel nog worden geïmporteerd |
|
Ines Kostić (PvdD), Renate den Hollander (VVD) |
|
Rummenie |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat de Kamer in 2021 een motie van de Partij voor de Dieren (PvdD), VVD en CDA heeft aangenomen (Kamerstuk 35 925 XIV, nr. 64) waarmee de regering wordt verzocht om te onderzoeken hoe de handel in en import van doorgefokte gezelschapsdieren, zoals dieren met extreem korte snuiten, verboden kan worden?
Ja, hier ben ik mee bekend.
Bent u ermee bekend dat de Kamer in 2024 opnieuw een motie heeft aangenomen, ditmaal van de PVV en PvdD (Kamerstuk 36 600 XIV, nr. 36), waarmee de regering wordt verzocht om een handel- en houdverbod in te stellen voor dieren die niet mogen worden gefokt in Nederland?
Ja, deze motie is aangenomen met de interpretatie dat het houdverbod voor katten met vouworen en naaktkatten kan worden uitgebreid naar andere gezelschapsdieren met kenmerken die bij elk individueel dier ernstig lijden veroorzaken, mits goed onderbouwd en goed handhaafbaar (Begrotingsbehandeling LVVN 2025, 17 oktober 2024, Vergaderjaar 2024–2025, nr. 15, item 8).
Erkent u dat honden en katten met schadelijke uiterlijke kenmerken, zoals extreme kortsnuitigheid, hun hele leven lang vermijdbaar en ondraaglijk lijden, zoals ook opnieuw wordt bevestigd in de recente uitzending van EenVandaag?1
Ja, dit erken ik.
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van dierenarts Hofman dat circa 60 procent van het werk van dierenartsen te maken heeft met genetische of uiterlijke rasgebonden kenmerken, en dat dit dierenleed grotendeels voorkomen had kunnen worden als deze dieren niet zo waren doorgefokt? Onderschrijft u deze uitspraak? Wat vindt u hiervan?2
Ja, ik heb kennisgenomen van de uitspraak van dierenarts Hofman. Ik kan deze uitspraak zelf niet onderschrijven vanwege het ontbreken van verifieerbare cijfers, maar uiteraard vind ik dat dierenleed daar waar mogelijk voorkomen moet worden. Hier ligt dus een grote verantwoordelijkheid voor fokkers.
Bent u ervan bewust dat schadelijke uiterlijke kenmerken, waaronder kortsnuitigheid, extreem kleine lichaamsbouw, kaalheid en afwijkingen aan de staart, gepaard gaan met verhoogde dierenartskosten gedurende het hele leven van deze dieren?
Ik ben me ervan bewust dat dieren met schadelijke uiterlijke kenmerken in veel gevallen meer (specialistische) diergeneeskundige zorg nodig hebben dan dieren zonder deze kenmerken. Daarom worden mensen hier op gewezen, onder andere met de campagne «Zo schattig dat het pijn doet»3.
Deelt u de analyse dat een houd- en handelsverbod voor honden en katten die in Nederland niet mogen worden gefokt, kan leiden tot een substantiële daling van dierenartskosten voor eigenaren? Zo nee, waarom niet?
Een houd- en handelsverbod kan alleen worden opgesteld voor kenmerken die bij elk individueel dier met dat kenmerk ernstig lijden veroorzaken én die goed onderbouwd en goed handhaafbaar zijn. Een houd- en handelsverbod kan dus lang niet alle erfelijke ziekten en afwijkingen omvatten. Ik verwacht dat een houd- en handelsverbod bij kan dragen aan een daling van dierenartskosten, omdat het voorkomt dat mensen dieren met die kenmerken aanschaffen. Het risico op hoge dierenartskosten wordt echter pas echt verkleind wanneer mensen kiezen voor een verantwoord gefokte hond of kat. Om mensen te helpen om de juiste keuze te maken en om verantwoorde fokkerij te stimuleren, ontvangen het Landelijk Informatiecentrum Gezelschapsdieren (LICG), Stichting Fairdog en het Expertisecentrum Genetica Diergeneeskunde (EGD) van de Universiteit Utrecht subsidie. Daarnaast is het EGD gevraagd om een voorstel te maken voor een systeem waarin wordt geborgd dat er met gezonde honden gefokt wordt, de zogenaamde fokscreening. Ik verwacht binnenkort de resultaten van de pilot die het EGD momenteel uitvoert te ontvangen. Deze resultaten zullen gedeeld worden met de Kamer.
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat honden en katten die in Nederland niet meer mogen worden gefokt, wel nog steeds vanuit het buitenland naar Nederland worden geïmporteerd? Zo nee, waarom niet?
Die mening deel ik, deze dieren mogen in Nederland niet meer worden gefokt omdat hun welzijn en integriteit onnodig worden aangetast. Ik vind dat mensen hier een grote verantwoordelijkheid hebben om voor een gezond dier, zonder schadelijke kenmerken te kiezen. Met de campagne «Zo schattig dat het pijn doet»4 worden mensen bewust gemaakt van de gevolgen van schadelijke kenmerken bij gezelschapsdieren én worden mensen geholpen om de juiste keuze te maken voor een gezond huisdier van een betrouwbare fokker. Voor kenmerken die bij elk individueel dier met dat kenmerk ernstig lijden veroorzaken, en waarvoor een houdverbod goed kan worden onderbouwd en goed handhaafbaar is, voer ik een houdverbod in. Ik ben dan ook blij dat het houdverbod voor katten met vouworen en voor naaktkatten op 1 januari 2026 in werking is getreden en dat het Expertisecentrum Genetica Diergeneeskunde onderzoek doet naar de schedelontwikkeling van kortsnuitige puppy’s5. Aan de hand van de resultaten van de risico-inventarisatie van het Bureau Risicobeoordeling & onderzoek (Buro) van de NVWA zal ik kijken voor welke aanvullende schadelijke uiterlijke kenmerken bij honden en katten een houdverbod ingevoerd kan en moet worden.
Daarnaast ziet het er naar uit dat vaststelling van de EU-verordening welzijn en traceerbaarheid van honden en katten nabij is. Deze toekomstige verordening bevat verboden ten aanzien van het fokken met en tentoonstellen van honden en katten met (nog nader aan te wijzen) schadelijke kenmerken. Ook mogen honden en katten uit derde landen onder deze verordening alleen binnen de EU worden verhandeld wanneer ze zijn gefokt en gehouden volgens voorwaarden die overeenkomen met de voorschriften uit de EU-verordening.
Kunt u aangeven wat de reden is voor het door u aangekondigde aanvullende onderzoek naar pups van kortsnuitige honden? Deelt u de mening dat dit onderzoek niet moet leiden tot uitstel van het houd- en handelsverbod met ten minste twee tot drie jaar, waardoor vermijdbaar dierenleed van deze talloze (geïmporteerde) honden voortduurt? Zo nee, waarom niet?3
Zoals in de verzamelbrief welzijn dieren buiten de veehouderij – overig (Kamerstuk 28 286, nr. 1397) en in de Kamerbrief van 28 januari 2026 (Kamerstuk 28 286, nr. 1416) is aangegeven is een houdverbod voor extreem kortsnuitige honden ingewikkeld. Dit komt omdat niet alle kortsnuitige honden lijden als gevolg van deze kenmerken én omdat er momenteel geen kenmerk is waaraan extreem kortsnuitige honden jonger dan 1 jaar oud aan herkend kunnen worden. Het onderzoek dat het EGD doet naar de voorspellende waarde van uiterlijke- en DNA-kenmerken bij kortsnuitige pups beoogt dit kennishiaat op te vullen. Er is dus zeker geen sprake van uitstel, maar een noodzakelijk onderzoek om een houdverbod voor extreem kortsnuitige honden te kunnen realiseren. Een houdverbod kan immers alleen worden opgesteld voor een kenmerk dat bij elk individueel dier met dat kenmerk ernstig lijden veroorzaken, op iedere leeftijd objectief vast te stellen is én die goed onderbouwd en goed handhaafbaar is. Het onderzoek is in december 2025 gestart en zal twee jaar duren. Deze tijd is nodig omdat de puppy’s die nu worden geworven over een jaar weer moeten worden opgemeten, waarna de data geanalyseerd kan worden. Ik verwacht de resultaten van het onderzoek in het eerste kwartaal van 2028, die ik dan direct met de Tweede Kamer zal delen. Als uit het onderzoek blijkt dat er een of meerdere geschikte kenmerken zijn waarop een houdverbod kan worden gebaseerd, zal hiervoor een houdverbod worden ingevoerd.
Hoe kijkt u aan tegen een handelsverbod waarbij bij de import van pups verplicht meetformulieren van de ouderdieren moeten worden overlegd, zodat alleen pups worden geïmporteerd waarvan beide ouderdieren aantoonbaar voldoen aan de geldende fokcriteria conform de Nederlandse wetgeving? Heeft u deze optie onderzocht? Zo ja, kunt u de inzichten hierover naar de Kamer sturen? Zo nee, waarom niet?
Deze optie is onderzocht. Het meetformulier voor kortsnuitige honden is echter alleen in Nederland bekend. Het meetformulier is bovendien geen officieel document en de reu is vrijwel nooit aanwezig bij de pups. Dit laat zeer veel ruimte voor misleiding door fokkers en handelaren. Het is voor een koper of importeur niet betrouwbaar na te gaan of beide ouderdieren voldoen aan de fokcriteria conform de Nederlandse wetgeving. De conclusie is dan ook dat het echt noodzakelijk is om aan de hand van de pup zelf te kunnen vaststellen of het dier geïmporteerd mag worden of niet.
Een handelsverbod is bovendien niet de meest geschikte optie om de aanschaf van gezelschapsdieren met schadelijke kenmerken tegen te gaan. Voor een rechtmatige beperking van het vrij verkeer van goederen moet vanuit het EU-recht worden voldaan aan de eisen van noodzakelijkheid, geschiktheid en proportionaliteit. Een handelsverbod is zeer moeilijk handhaafbaar vanwege de open grenzen binnen de EU en omdat veel kenmerken niet eenvoudig vast te stellen zijn (Kamerbrief van 14 april 2022, Kamerstuk 28 286, nr. 1255). Dit maakt dat er kan worden getwijfeld aan de geschiktheid van een handelsverbod voor doorgefokte gezelschapsdieren. Daarom is ervoor gekozen om een houdverbod voor katten met vouworen en naaktkatten in te voeren. Dit verbod kan goed worden onderbouwd en is goed handhaafbaar, omdat deze kenmerken bij ieder individueel dier voor lijden zorgen, op iedere leeftijd objectief vast te stellen zijn en omdat er enkel hoeft te worden vastgesteld dat het dier gehouden wordt. Zoals eerder aangegeven kan het houdverbod worden uitgebreid naar andere gezelschapsdieren met kenmerken die bij elk individueel dier ernstig lijden veroorzaken, mits goed onderbouwd en goed handhaafbaar.
Bent u bereid om vooruitlopend op bredere regelgeving een houd- en handelsverbod in te stellen voor schadelijke uiterlijke kenmerken die wel al zichtbaar zijn op een leeftijd van circa 7 tot 15 weken, zoals kaalheid bij honden, extreem korte poten of afwezigheid van een functionele staart, gezien de grote gevolgen van deze kenmerken voor het welzijn en de levenskwaliteit van de dieren? Zo nee, waarom niet?
Zoals in de interpretatie van de motie Graus en Kostić (Kamerstuk 36 600 XIV, nr. 36) is aangegeven kan het houdverbod, mits goed onderbouwd en goed handhaafbaar, worden uitgebreid naar andere gezelschapsdieren met kenmerken die bij elk individueel dier ernstig lijden veroorzaken. Voor de benodigde onderbouwing wacht ik op de resultaten van de risico-inventarisatie die het Bureau Risicobeoordeling & onderzoek (Buro) van de NVWA uitvoert. Aan de hand hiervan kan worden bepaald welke kenmerken nog meer in aanmerking komen voor een houdverbod, of voor maatregelen ten aanzien van de fokkerij en deelname aan wedstrijden, tentoonstellingen en keuringen. Hierbij is het van belang dat een houdverbod alleen kan worden ingevoerd voor kenmerken die objectief bij het individuele dier vast te stellen zijn en waarvan voldoende wetenschappelijk onderbouwd kan worden dat ieder dier met dat kenmerk hieronder lijdt.
Klopt het dat het Bureau Risicobeoordeling & onderzoek van de NVWA een onderzoek heeft uitgevoerd naar welke uiterlijke kenmerken lijden veroorzaken bij individuele dieren (Kamerstuk 28 286, nr. 1324 en Kamerstuk 28 286, nr. 1397)? Wanneer gaat u dit onderzoek naar de Kamer sturen, aangezien eerder werd aangegeven dat dit eind 2024 en vervolgens na de zomer van 2025 zou gebeuren?
Het Bureau Risicobeoordeling & onderzoek van de NVWA legt momenteel de laatste hand aan de risico-inventarisatie van schadelijke uiterlijke kenmerken bij honden en katten. Helaas duurt het onderzoek langer dan voorzien. Zodra het definitieve rapport is opgeleverd, zal dit met de Kamer gedeeld worden.
Kunt u aangeven wat de status is van de invulling van artikel 3.4 van het Besluit houders van dieren in de context van overige schadelijke uiterlijke kenmerken, waaronder criteria voor kortsnuitige katten, lichaamsformaat, (onwenselijke) staartlengte en ontbrekende haarbedekking?
Ik vind het uiteraard belangrijk dat dieren gezond gefokt worden en niet lijden onder schadelijke erfelijke kenmerken en erfelijke ziekten. Ik ben dan ook blij dat er een beleidsregel voor het fokken met kortsnuitige honden is. Het is echter niet doenlijk om voor alle kenmerken en ziektes een dergelijke beleidsregel te maken. Daarom is het EGD gevraagd om een voorstel te maken voor een systeem waarin wordt geborgd dat er met gezonde honden gefokt wordt. Er is eerst ingezet op het ontwikkelen van een systeem voor honden, wanneer dit succesvol is zal verder worden gekeken naar een systeem voor katten. Ik verwacht binnenkort de resultaten van de pilot die het EGD momenteel uitvoert te ontvangen. Deze resultaten zal ik delen met de Kamer.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Ja.
De Joint Letter of Intent met Tata Steel |
|
Christine Teunissen (PvdD), Ines Kostić (PvdD) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u zich uw antwoorden op onze eerdere vragen over Joint Letter of Intent (JLoI nog herinneren?1
Welke mogelijkheden worden onderzocht om toch eerder tot gedwongen sluiting van de zwaar verouderde, vervuilende en lekkende Kooksgasfabriek 2 (KGF2) over te gaan, aangezien daar al jaren de regels worden overtreden en Tata Steel zelf zegt dat ze niet aan alle regels kunnen voldoen?
Klopt het dat in de huidige plannen Kooksgasfabriek 1 (KGF1) en Hoogoven 6 nog tot 2045 open zullen blijven en kolen zullen blijven gebruiken? Wat vindt u van deze tijdslijn, gezien de belangen van milieu en de gezondheid van omwonenden?
Wat vindt u ervan dat de AMVI aangeeft dat de financiële modellen en bijbehorende aannames nog niet in een finale fase waren toen zij hun advies moesten schrijven?
Welke onafhankelijke instantie beoordeelt de business case en de aannames die zijn gemaakt en kunt u ons die beoordeling sturen?
Wat gebeurt er met Project Roadmap+ als de maatwerkafspraken niet door zouden gaan? Zijn het Project Roadmap+ en de maatwerkafspraken nou wel of niet met elkaar verbonden, aangezien in de JLoI wordt aangegeven dat deze wordt uitgevoerd zonder staatssteun, maar u in uw antwoord op vraag 17 aangeeft dat «Wanneer de maatwerkafspraak is ondertekend, is TSN gebonden aan de realisatie van de projecten binnen Roadmap+»?
Komt er nog een advies van de AMVI en Expertgroep Gezondheid IJmond over de definitieve JLoI, gezien het feit dat deze twee adviesorganen aangeven dat er nog «belangrijke documenten en modellen» ontbraken toen zij hun advies moesten geven over de concept JLoI?
Wat is het oordeel van de Expertgroep Gezondheid over de laatste versie van de JLOI precies? Heeft de Expertgroep u op wat voor manier dan ook (via de ambtelijke weg of anders) daarover iets te kennen gegeven?
Gezien het recht op informatie voor Kamerleden en het feit dat de Kamer heeft uitgesproken dat het kabinet alle adviezen van Expertgroep Gezondheid moet opvolgen, kunt u ervoor zorgen dat wij nu alsnog een reactie van de AMVI en Expertgroep Gezondheid IJmond krijgen op het definitieve JLoI? Zo nee, waar bent u bang voor?
Kijkende naar uw beantwoording van onze eerdere vragen over de JLOI, hoe rijmt uw vermelding van stikstofuitstoot in 2024 voor Tata Steel Nederland (5,3 kton) met de vermelding in het jaarverslag van het bedrijf (5,065 kton)?2 Wat is de bron voor uw gegevens en hoe is het verschil te verklaren?
Hoeveel is de verwachte jaarlijkse stikstofuitstoot van Tata Steel nadat de DeNOx installatie bij de pelletfabriek in werking is gesteld? Gegeven dat de uitstoot in 2024 5.0 of 5.3 kton was en de DeNOx een «significante vermindering»3 in de stikstofuitstoot zou moeten betekenen, hoe ambitieus is een doel van 4.0 kton per jaar dan nog, zeker gezien er sprake is van een stikstofcrisis die ten koste gaat van o.a. gezondheid en woningbouw?4
Gezien het een gegeven is dat de huidige uitstoot van fijnstof (PM10) van Tata Steel IJmuiden nu 418 kton is5, waarom staat er dan in de JLOI6 dat de doelstelling om de maximale uitstoot van PM10 naar 467 een reductie zou zijn?7
Klopt het dat met deze grens Tata Steel eigenlijk meer PM10 mag emitteren dan ze nu doet?
Hoe komt u bij de cijfers die u eerder met ons deelde over de benzeenuitstoot van 19,8 ton in 2024 als uit het eMJV8 blijkt dat de uitstoot 28,2 ton is? Voor zink staat in het eMJV 19,9 ton (ipv 14,6) en lood 1,07 ton (ipv 0,8), dus waar zit het verschil in precies?9
Kunt u de tabel op p. 12 en 13 van uw eerder antwoorden op onze vragen aanvullen met daarin de bronvermelding van de data?10
Hoe verklaart u het verschil tussen de 6,8 Mton/jaar11 en de 5,86 Mton/jaar12?
Wat vindt u ervan dat de afspraken met het staalbedrijf uit het milieuconvenant van 1992 over reductie van bepaalde schadelijke stoffen in 2010, voor een groot deel niet zijn nagekomen en zelfs anno 2026 nog niet? Wat zegt dit over betrouwbaarheid van afspraken met zulke bedrijven?
Wat vindt u ervan dat voor zeer schadelijke stoffen, zoals benzeen, een reductie van 97,5% in 2010 was beloofd, maar dat de emissie van benzeen in plaats daarvan flink is gestegen?
Hoe komt dit over op omwonenden denkt u, en wat doet dat met het vertrouwen in de overheid en het staalbedrijf? Heeft u omwonenden hierover gesproken en over hun ervaringen met het gedrag en beloften van het staalbedrijf? Zo ja, wat hebben ze u meegegeven? Zo nee, waarom niet?
Hoe is daar door de tijd heen gemonitord en onafhankelijk gemeten of aan de afspraken werd voldaan en welke concrete stappen heeft het Rijk steeds gezet om er ook op toe te zien dat de afspraken werden nagekomen? Heeft het Rijk ooit iemand aangesproken op het niet nakomen van het milieuconvenant en zo ja, hoe en wanneer precies? In het kader van informatierecht van Kamerleden, kunt u een overzicht met een tijdlijn sturen over alle stappen en besluiten die hierover in de loop van tijd zijn gemaakt, zodat we kunnen leren van het verleden nu het kabinet voornemens is weer nieuwe afspraken aan te gaan met de staalfabriek?
Welke lessen trekt u over betrouwbaarheid van afspraken maken met de staalfabriek, aangezien duidelijk is dat veel afspraken uit het milieuconvenant uit 1992 nu nog steeds niet zijn gehaald, laat staan in 2010 toen ze al behaald hadden moeten worden?13
Waarom geeft u in uw eerdere antwoorden aan dat het milieuconvenant uit 1992 niet afdwingbaar is, terwijl ten tijde van het ondertekenen van het convenant werd aangegeven dat de afspraken zijn gemaakt zodat de Minister de bedrijven niet via wetgeving tot maatregelen hoefde te dwingen14, 15?
Kunt u toegeven dat het achteraf gezien niet de beste zet was om het milieuconvenant op die manier af te sluiten en dat het beter was geweest om maatregelen wettelijk af te dwingen?16 Zo nee, waarom leert u niet van het verleden?
Kunt u toezeggen dat aan een op te zetten metaaltafel ook vertegenwoordigers aan zullen sluiten van omwonendenorganisaties en milieuorganisaties zoals, Gezondheidop1, Frisse Wind, Dorpsraad Wijk aan Zee, Greenpeace en Urgenda?
Klopt het dat volgens eigen inschatting van Tata Steel Nederland er jaarlijks ongeveer 100 miljoen kilo kolen en ijzererts verwaait vanaf het terrein in IJmuiden17? Zo ja, wat vindt u hiervan? En wat betekent dit voor de gezondheid van omwonenden? Wat zijn de effecten op het milieu (graag met bronvermelding onderbouwen)?
Waar baseert u uw opmerking op dat een maatwerkafspraak een «flinke verbetering voor de gezondheid te kunnen realiseren» als er nog geen gezondheidseffectrapportage (GER) is en de Expertgroep Gezondheid IJmond zegt «De inschatting van de Expertgroep is dat de gezondheidsverbetering op basis van deze JLoI beperkt zal zijn»18? Kunt u uw mening onderbouwen met wetenschappelijke conclusies en onafhankelijke experts en daarvan de stukken naar ons sturen? Zo nee, kunt u dan stoppen met zelf bepalen wat «flinke» verbeteringen zijn voor de gezondheid van omwonenden die jarenlang door de overheid zijn genegeerd?
Hoe staat het nu met het tijdelijk verbod op staalslakken en de stop op gebruik van staalslakken bij waterwerken van het Rijk, zoals bij de Ooster- en Westerschelde? Welke reactie is er vanuit de Europese Commissie hierop gekomen en wat betekent dit voor het gebruik ervan?
Nu een aantal gemeenten hebben besloten om helemaal te stoppen met toepassing van staalslakken, kunt u andere gemeenten in het land er ook actief op wijzen wat hun mogelijkheden zijn om ook ermee te stoppen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u in ieder geval bevestigen dat u gemeenten niet heeft afgeremd of zult afremmen in het instellen van een verbod op toepassing van staalslakken en dat u de wens van gemeenten om meer te doen om milieu en gezondheid van hun burgers te beschermen respecteert?
Wordt in de business case van Tata Steel rekening gehouden met het permanent worden van het huidige tijdelijke verbod op specifieke toepassingen van staalslakken of hebben ze aangenomen dat dit verbod op termijn wordt opgeheven? Welke invloed zou een permanent verbod hebben op de business case van Tata en op de JLoI?
Klopt het dat er 1,066 miljard euro van de begroting van het Ministerie van Financiën zal worden overgeheveld naar het Klimaatfonds om de maatwerksubsidie te kunnen geven? Waarnaar refereert u precies met «de aanvullende post bij het Ministerie van Financiën» waar dit geld staat?
Deelt u de mening dat het bewust verhullen van het beschikbare budget in andere posten dan de daarvoor bestemde post voor Maatwerkafspraken binnen het Klimaatfonds in strijd is met het universaliteitsbeginsel in de comptabiliteitswet? Waarom is het geld niet gewon gereserveerd op de daarvoor bestemde plek?
Waarom is er zoveel gebrek aan transparantie over waar het geld voor Tata vandaan moet komen tegenover de Kamer en de burgers, die dat geld moeten ophoesten?
Waarom denkt u dat Tata Steel Limited als moederbedrijf niet bereid is een 403-verklaring te tekenen?
Wat betekent het voor de Nederlandse burgers dat het Indiase bedrijf niet garant staat voor de leningen en verplichtingen die de Nederlandse dochter aangaat?
Wat vindt u ervan dat de board van Tata Steel India aangeeft19 dat er pas na 2035 getest zal worden met verschillende energiedragers (o.a. waterstof) terwijl in de JLoI staat dat dit vanaf 2032 toegepast zal worden? Waarom wordt überhaupt zo laat getest?
Wat vindt u ervan dat de board van Tata Steel India spreekt20 van «veranderingen in beleid» voor bijvoorbeeld nettarieven als «voorwaarden voor maatwerkafspraken? Hoe strookt dit met uw opmerking dat hier geen budget voor is?
Gezien het nieuwe onderzoek naar de schadelijke effecten op de gezondheid van mensen van dioxines, bent u nog steeds van mening dat de grote toename in de uitstoot van dioxines na het «Groen» Staalplan «niet per definitie onverantwoord» is (antwoord op vraag 40)? Zo ja, waar baseert u dit op en welke recente adviezen van gezondheidsexperts?21
Wat wordt de maximale productiecapaciteit van Tata Steel na uitvoering van het «Groen» Staalplan?
Waarom neemt u een CO2-emissiereductie van 19% mee als resultaat van de maatwerkafspraken als Tata zelf aangeeft dat «het de ambitie van Tata Steel is om na realisatie van dit voornemen ook over te gaan tot vervanging van Hoogoven 6 en de productiecapaciteit terug te verhogen»?22
Kunt u bevestigen dat uit het milieujaarverslag 202423 van Tata Steel blijkt dat de uitstoot van schadelijke stoffen als lood, arseen en benzeen in 2024 tot ruim drie keer hoger was dan in voorgaande jaren werd vastgesteld?
Kunt u bevestigen dat er sprake kan zijn van onderrapportage door Tata Steel, wat strafbaar is onder de Wet op de Economische Delicten?
Bent u zich ervan bewust dat de Omgevingsdienst vaker heeft geconstateerd dat beweringen van Tata Steel over uitstoot niet kloppen en dat zelfs de Reclame Code Commissie Tata Steel hierover op de vingers heeft getikt? Wat vindt u daarvan? Wat zegt dat over betrouwbaarheid van Tata Steel?
Wat vindt u ervan dat de Omgevingsdienst het gedrag van Tata Steel «opportunistisch en calculerend» heeft genoemd?
Erkent u dat dit soort gedrag van bedrijven die werken met gevaarlijke stoffen, erom vraagt dat de overheid meer regie neemt, meer controle krijgt en meer inzet op onafhankelijk, continu, fijnmazig en zoveel mogelijk real time meten van gevaarlijke stoffen en deze data zo veel mogelijk openbaar beschikbaar maakt, zodat snel en goed gecontroleerd en gemonitord kan worden en ook burgers op elk moment kunnen zien wat in hun omgeving wordt uitgestoten (ook in lijn met motie-Teunissen c.s., Kamerstuk 28 089, nr. 302)? Zo nee, hoe gaat u dan volledige transparantie waarborgen en garanderen dat bedrijven niet meer kunnen spelen met cijfers, meetapparatuur en meetresultaten?
Ziet u het grote belang van snel toegankelijke inzicht in de volledige uitstoot van Tata Steel en de uitvoering van de opdracht van de Kamer (zoals verwoord in motie-Teunissen c.s.) om af te wijken van de reguliere processen rondom metingen en om zo snel mogelijk te zorgen voor onafhankelijk, continu en fijnmazig meten van gevaarlijke stoffen bij Tata Steel, inclusief het voor handhaving benodigde cameratoezicht en deze data zo veel mogelijk openbaar beschikbaar te maken? Hoe gaat u daar precies voor zorgen en welk tijdspad met deadlines hoort daar precies bij? Wat wilt u hierover in de maatwerkafspraken opnemen?
Kunt u deze vragen één voor één en zo snel mogelijk beantwoorden en in ieder geval voor het plenaire Tata Steel debat over de JLoI?
De milieueffectrapportage van Tata Steel |
|
Christine Teunissen (PvdD), Ines Kostić (PvdD) |
|
Thierry Aartsen (VVD), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Wat vindt u ervan dat in het Heracless plan in de MER uitgegaan is van een productievolume van 6,8 megaton (Mton) vloeibaar staal per jaar (deel B, p.9), terwijl in de Joint Letter of Intent (JLOI) wordt uitgegaan van een maximum productiecapaciteit van 5,83 Mton per jaar (AMVI advies, p.8)?
Welke afspraak gaat u maken met Tata Steel over de hoeveelheid vloeibaar staal die in de toekomst geproduceerd zal worden?
Waarom zou een vergunning worden aangevraagd, met de MER als basis, die meer productie aanneemt dan is afgesproken in de JLOI?
Als een vergunning aangevraagd wordt op basis van deze MER, welke juridische borging heeft u dan dat het productievolume beperkt zal worden tot 5,83 Mton/jaar? Welke instantie zal hierop handhaven?
Kan de gereduceerde productiecapaciteit van vloeibaar staal na de maatwerkafspraken in IJmuiden worden gecompenseerd door import van slabs van andere staalfabrieken? Wat is dan het effect van de wereldwijde CO2-uitstoot?
Wat vindt u van «de ambitie van Tata Steel om na realisatie van dit voornemen ook over te gaan tot vervanging van Hoogoven 6 en de productiecapaciteit terug te verhogen» (deel B, p.9)? Hoe verhoudt zich dit met de JLOI waarin subsidie wordt gegeven voor CO2-reductie die voor 19% wordt behaald door het terugschroeven van de productiecapaciteit? Hoe garandeert u precies dat deze CO2-reductie permanent is?
Wat vindt u ervan dat zelfs in het meest gunstige geval «De DRI-fabriek kan ongeveer 80% aan waterstof gebruiken voor de reductie, verder aan te vullen met aardgas» (deel B, p.43), en er dus altijd nog 20% aardgas zal worden gebruikt? Hoe strookt dit met de ambitie van Nederland om op termijn weg te bewegen van fossiele brandstoffen?
Wat vindt u ervan dat Tata Steel in de MER aangeeft dat «Met Heracless gaat het aandeel schroot omhoog naar circa 28%», of 27% als de WSA-definitie wordt gebruikt (deel B, p.48), terwijl in de JLOI wordt afgesproken dat het aandeel schroot naar 30% gaat in 2030 (artikel 3.3.a)?
Welke juridische borging heeft dit kabinet om te zorgen dat het aandeel schroot daadwerkelijk tot tenminste 30% wordt verhoogd, als de vergunningsaanvraag gebaseerd wordt op de MER waarin 27% is aangegeven?
Hoe stroken deze berekeningen met elkaar:
Wat vindt u ervan dat ook de commissie MER (p.32)1 signaleert dat onduidelijk is hoe de CO2 emissiereductie is opgebouwd in de MER en hoe deze rijmt met de afspraken in de JLOI?
Wie is verantwoordelijk voor het vergelijken van de afspraken in de JLOI en de vergunningaanvraag (inclusief MER)? Hoe is dit tot nu toe gebeurd en wat wordt er gedaan met discrepanties tussen de twee documenten?
Hoe komt het dat volgens de MER de inzet van waterstof een extra CO2-reductie oplevert van ongeveer 1,1 miljoen ton ten opzichte van het gebruik van uitsluitend aardgas (deel E, p.6), terwijl volgens de JLOI de inzet van waterstof in plaats van biomethaan (chemisch identiek aan aardgas) leidt tot een extra uitstoot van 0,1 miljoen ton CO2 per jaar (AMVI, p.8)?
Hoe strookt de opmerking «Een GER maakt echter geen onderdeel uit van het MER of van de besluitvormingsprocedures voor Heracless» (deel D, p.3) met de aangenomen motie Thijssen c.s. (Kamerstuk 28 089, nr. 307) dat alle adviezen van de Expertgroep Gezondheid (waaronder het advies om een gezondheidseffectrapportage op te stellen) een harde voorwaarde moeten zijn voor maatwerkafspraken?
Aangezien de Staatssecretaris heeft gezegd dat er een gezondheidseffectrapportage (GER) zou kunnen worden opgesteld als de MER er is en de Kamer zo’n GER eist voordat afspraken worden gemaakt, wanneer wordt het gezondheidseffectrapportage naar de Kamer gestuurd?
Waarom bestaat er een discrepantie tussen het waterverbruik zoals beschreven in deel B (p.32: zeewater, brak oppervlaktewater, zout grondwater, zoet water in het referentiescenario respectievelijk 25%, 69%, 1%, 4%) en deel C (64%, 13%, 6%, 17%) van de MER? Kunt u in een tabel weergeven in absolute getallen en percentages hoeveel water jaarlijks wordt gebruikt per type?
Wat vindt u ervan dat Tata aangeeft dat de immissies van Kwik en Cadmium volgens de MER dalen (deel C, p.193), terwijl de emissies van diezelfde stoffen stijgen (detailstudie luchtkwaliteit, p.39 vs p.48), en dat dit zou zijn omdat de emissies gebaseerd zijn op garantiewaarden die «vertegenwoordigen doorgaans een bovengrens van de emissies die in de praktijk gehaald worden» (deel C, p.192)? Welke onderbouwing is er voor de daling in immissies, aangezien de detailstudie luchtkwaliteit alleen ingaat op de stijgende emissies?
Wat maakt u van de opmerking over EU ETS dat «Dit systeem dwingt bedrijven zo om hun CO2-uitstoot stap voor stap terug te brengen tot nul in 2057» (deel A, p.6)? Is het niet zo dat bedrijven onder EU Emissions Trading System (EU ETS) in 2040 al geen nieuwe rechten meer krijgen?
Hoe plaatst u de opmerking over de kooksgasfabriek 2 dat «Eventuele ontmanteling valt buiten beschouwing van dit MER» (deel B, p. 83)? Welke afspraken gaat u maken in de JLOI over ontmanteling van de Kooks- en Gasfabrieken 2 (KGF2) en Hoogoven 7?
Welke juridische borging heeft de Minister dat de ernstig verouderde, gifitige en lekkende kooksgasfabriek 2 ook echt definitief dicht zal gaan? Hoe kunt u garanderen dat hier niet, zoals bijvoorbeeld bij gaswinnnig in Groningen is gebeurd, steeds weer productie zal plaatsvinden omdat het op dat moment nodig wordt geacht?
Wat vindt u van de intentie van Tata Steel om toegenomen stikstofuitstoot tijdens de aanlegfase van de nieuwe fabrieken intern te salderen, omdat «de extra stikstofuitstoot van Heracless wordt gecompenseerd door vermindering van stikstof op andere plekken binnen het bedrijf» (deel E, p.56)? Hoe strookt dit met de uitspraak van de Raad van State dat intern salderen niet meer onvergund mogelijk is (graag een juridische onderbouwing)? Hoe kan Tata Steel hierop rekenen zonder dat de vergunningen uit «mandje 3» zijn aangevraagd voor de ingebruikname van nieuwe fabrieken?
Wat vindt u ervan dat «De opgeslagen hoeveelheden ertsen, kolen en andere stoffen veranderen niet significant.» (deel B, p.108)? Deelt u de mening dat het wenselijk is deze opslagen significant te reduceren, vooral waar de opslag niet overdekt wordt, gezien de gigantische hoeveelheid verwaaiing van deze grondstoffen (100 miljoen kilo per jaar volgens deel B p.31)? Zo nee, waarom niet?
Wat vindt u ervan dat de productie van kolengestookte Hoogoven 6 als gevolg van Heracless zou stijgen met 12% van 2,5 naar 2,8 Mton per jaar (deel B, p.109)?
Wat vindt u ervan dat van de 12 stoffen waarvoor nu een doel is afgesproken of in onderhandeling is in de JLOI (arseen, benzeen, benzo[a]pyreen, cadmium, chroom, chroom VI, dioxines, kwik, lood, mangaan, nikkel, vanadium), er maximaal 3 gehaald kunnen worden in lijn met het advies van de Expertgroep Gezondheid IJmond (lood, vanadium, mangaan)? Hoe strookt dit met de aangenomen motie Thijssen c.s. (Kamerstuk 28 089, nr. 307) dat het overnemen van alle adviezen van de Expertgroep Gezondheid een harde voorwaarde moet zijn voor maatwerkafspraken?
Waarom stelt u een onafhankelijke Expertgroep in als u vervolgens driekwart van de adviezen die zij geven in de wind slaat?
Kunt u bevestigen dat u voor de stoffen waar nog geen afspraken over zijn gemaakt (Thallium, VOS, Polychloorbifenylen) zult inzetten op het behalen van de doelwaarden in lijn met het advies van de Expertgroep Gezondheid?
Wat vindt u ervan dat de Commissie voor de milieueffectrapportage constateert dat in het door Tata Steel ingediende MER «belangrijke cijfers en verklaringen» over processen en de impact op het milieu en de leefomgeving ontbreken?
Bent u het met de plaatsvervangend voorzitter van de Commissie voor de milieueffectrapportage eens dat voor omwonenden het glashelder moet zijn of, en welke gezondheidswinst er precies is? Zo ja, hoe gaat u dat dan waarborgen dat er onafhankelijk in kaart wordt gebracht wat de gezondheidswinst is, voordat er eventueel afspraken worden gemaakt? Zo nee, waarom niet?2
Wat vindt u van het feit dat de chief financial officer van Tata Steel Ltd. (TSL) (Indiase moedermaatschappij van Tata Steel IJmuiden) in een investor call onlangs sprak over veranderingen in beleid die zij als voorwaarden hebben gesteld aan de subsidie, waaronder nettarieven, elektriciteitskosten en een verbod op kolen3? Waarom zegt u in eerdere beantwoording dat «De JLoI geeft TSL geen ruimte om nationaal beleid te beïnvloeden»4 als zij letterlijk zeggen dat ze veranderingen in beleid als voorwaarde hebben gesteld? Welke beleidsveranderingen vraagt TSL precies en wat is uw reactie op elk daarvan?
Het besluit van de gemeenteraad van Amsterdam tot een verbod op reclame voor fossiele producten en vlees, en de noodzaak van een landelijk verbod op klimaatschadelijke reclame |
|
Ines Kostić (PvdD), Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Christine Teunissen (PvdD) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Bruijn , Tieman |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het recente besluit van de gemeenteraad van Amsterdam om reclame voor fossiele producten en vlees in de openbare ruimte te verbieden via opname in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV)? Ziet u hierin het signaal dat lokale overheden aandringen op landelijke sturing richting een nationaal verbod?
Ja, ik ben op de hoogte van het besluit van de gemeente Amsterdam om reclame voor fossiele producten en vlees in de openbare ruimte te verbieden. Zoals eerder aan de Kamer bericht1 is het instellen van een lokaal verbod om meerdere redenen niet goed vergelijkbaar met het eventueel instellen van een nationaal verbod. Belangrijkste verschil hierbij is dat op nationaal niveau aan een verbod hogere eisen gesteld worden wat betreft het proportioneel, robuust en effectief toespitsen, afbakenen en onderbouwen hiervan.
Is het niet strijdig met de nationale klimaatambities dat gemeenten gedwongen worden voorop te lopen met lokale verboden, terwijl er geen landelijk kader is dat een nationaal verbod op reclame voor fossiele brandstoffen, fossiel-intensieve diensten (zoals vliegen en cruises) en vleesproducten afdwingt?
Een nationaal verbod op fossiele reclames maakt op dit moment geen onderdeel uit van het maatregelpakket voor het nationale klimaatbeleid, noch wordt het instellen hiervan op dit momenteel overwogen. Er is dan ook geen sprake van dwang richting gemeentes om zelf dergelijke verboden in te stellen. Het instellen hiervan behoort tot de bestuurlijke vrijheid die gemeentes hebben om zelf beleid te ontwikkelen op dit thema.
Bent u bereid dit gat op korte termijn te dichten met een wetsvoorstel voor een landelijk verbod? Zo nee, kunt u uitleggen waarom niet?
Zoals bij de beantwoording van de vorige vraag aangegeven wordt een dergelijke maatregel thans niet overwogen. In 2024 heeft het kabinet aangegeven2 dat een nationaal verbod niet per definitie onmogelijk is, maar dat er zich diverse juridische uitdagingen en onzekerheden voordoen die invoering op afzienbare termijn niet opportuun maken. Het kabinet blijft op dit moment bij die conclusie, omdat de juridische context voor een nationaal verbod niet wezenlijk is veranderd.
Vindt u het coherent dat tabak- en alcoholreclames landelijk verboden zijn wegens gezondheidsschade, maar fossiele en vleesreclames, die klimaat- en gezondheids-schade veroorzaken, nog steeds ongeremd mogen?
Wat betreft het als voorbeeld nemen van een verbod op tabaksreclame moet hier zorgvuldig mee worden omgegaan. Er is geen duidelijke overeenkomst tussen beide categorieën van reclames wat betreft veronderstelde schade die deze teweeg brengen. Reclameverboden voor tabak die ook in EU-richtlijnen zijn opgenomen vinden hun juridische grondslag in de omstandigheid dat het product dat hierbij wordt aangeprezen (tabak) slecht voor de volksgezondheid is, verslavend is en dat met name jongeren gevoelig zijn voor de tabaksreclame. Bovendien is het tabaksverbod zeer specifiek toegespitst op een identificeerbaar product. Dit zijn aspecten die niet of in mindere mate van toepassing zijn op een eventueel verbod op fossiele reclame.
Deelt u de opvatting dat reclame voor fossiele producten en vlees consumptiepatronen normaliseert die strijdig zijn met de Parijsdoelen, en dat een landelijk reclameverbod essentieel is om verduurzaming te versnellen? Zo ja, wanneer ontvangt de Kamer een concreet voorstel? Zo nee, waarom niet?
Nee. Hoewel bepaalde consumptiepatronen remmend kunnen werken op de realisatie van de nationale en internationale klimaatdoelen, is het niet waarschijnlijk dat één factor zoals reclame deze patronen zou veroorzaken. Dit is eerder ook door wetenschappers aangegeven3. Duurzame keuzes moeten over een breed front goedkoper, makkelijker en comfortabeler worden ten opzichte van niet duurzame (fossiele) keuzes om een verschuiving in consumptiepatronen te bewerkstelligen.
Gezien de complexe keuzeomgeving waarin consumenten hun weg moeten vinden is het belangrijk tot integraal beleid te komen met betrekking tot het stimuleren van duurzame keuzes. In het Klimaatplan dat vorig jaar aan de Kamer is aangeboden4 kondigt het kabinet daarom de start van een speciaal hiervoor ingerichte aanpak aan. In deze aanpak wordt door middel van gedragsinzichten verder onderzocht wat nodig is om, gefaciliteerd door overheid en bedrijven, duurzame keuzes voor de consument mogelijk te maken. Op sommige van deze keuzes heeft het kabinet reeds eerste maatregelen genomen, zoals het per 2028 invoeren van een gedifferentieerd stroomtarief waarbij het gebruik van stroom buiten de piekuren beloond wordt5. Het is aan het nieuwe kabinet om de verdere uitkomsten van de aanpak met de Kamer te delen en een besluit te nemen over eventuele vervolgstappen.
Kunt u de Kamer vóór 1 maart 2026 informeren over de haalbaarheid en een tijdpad hiervoor?
Dit is aan het nieuwe kabinet. Zie ook beantwoording van de vorige vraag.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de geldende termijn beantwoorden?
Ja.
Het buitenspel zetten van de rechter en het overtreden van de wet door de NVWA bij de behandeling van Woo-verzoeken |
|
Ines Kostić (PvdD), Laurens Dassen (Volt) |
|
Rijkaart |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Inspectie zet rechter buitenspel en overtreedt de wet onder druk van boerenlobby» van Follow The Money?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat belangenorganisaties uit de vee-industrie grootschalig gecoördineerde acties hebben georganiseerd tegen het openbaar maken van informatie, waardoor de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA) werd geconfronteerd met talloze bezwaren en verzoeken om voorlopige voorzieningen tegen Wet open overheid (Woo)-besluiten?2
Ieder bestuursorgaan is zelf verantwoordelijk voor een juiste uitvoering van de Woo. Ik heb als stelselverantwoordelijke geen zicht op de uitvoering van de Woo bij individuele bestuursorganen. In dit kader is het aan mijn collega, de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN), om een nadere toelichting te geven op de werkwijze van de NVWA.
Kunt u bevestigen dat de NVWA naar aanleiding hiervan besloot om deze procedures niet volgens de regels af te handelen, maar overging op een nieuwe werkwijze waarbij gegevens van alle bezwaarmakers niet meer openbaar worden gemaakt zolang het bezwaar loopt, wat er in feite op neerkomt dat de rechter er niet meer te pas komt bij het beoordelen van voorlopige voorzieningen en bezwaarschriften?
Zie antwoord vraag 2.
Erkent u het belang van toetsing door de voorzieningenrechter om te voorkomen dat met evident kansloze bezwaren de openbaarmaking van informatie ernstig wordt vertraagd? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik erken uiteraard de rol die de voorzieningenrechter hierin speelt. De primaire rol van de voorzieningenrechter is om te beoordelen of er spoedeisend belang is aan de zijde van de bezwaarmaker om openbaarmaking (in ieder geval tijdelijk) te voorkomen. Ik heb wel signalen ontvangen dat rechtbanken in toenemende mate verzoeken om een voorlopige voorziening toewijzen, ook buiten de zitting om. Hierbij wordt er niet overgegaan tot een inhoudelijke beoordeling. Deze signalen neem ik mee in de wetsevaluatie van de Woo, die dit jaar wordt uitgevoerd.
Erkent u dat dit er in de praktijk toe leidt dat indieners van Woo-verzoeken een stuk later de gevraagde informatie krijgen en om verder uitstel te voorkomen zijn aangewezen op een civiele procedure, wat leidt tot aanzienlijk hogere kosten en drempels? Wat vindt u hiervan?
Ik kan op dit moment niet beoordelen of dit per definitie het geval is. Uw Kamer heeft vorig jaar de motie Van der Plas3 aangenomen. Deze motie verzoekt de regering om met een wetsvoorstel of wetswijziging te komen, zodat bezwaar van een derdebelanghebbende automatisch de openbaarmaking van een Woo-besluit opschort tot zes weken nadat op het bezwaar is beslist. Vanuit mijn stelselverantwoordelijkheid zal ik (de gevolgen van) deze motie meenemen in de wetsevaluatie.
Heeft u kennisgenomen van de zorgen van Woo-jurist Tim van Alten, die in de praktijk ervaart dat deze nieuwe werkwijze van de NVWA leidt tot onevenredige inspanningen en drempels voor indieners van Woo-verzoeken, waardoor het moeilijker wordt om bijvoorbeeld misstanden in de vee-industrie aan het licht te brengen?3 Deelt u deze zorgen?
Ja, hier heb ik kennis van genomen. Uiteraard onderschrijf ik het belang van snelle en tijdige openbaarmaking van overheidsinformatie. Dit is ook een van de uitgangspunten van de Woo. Het belang van de verzoeker om informatie snel en tijdig te ontvangen en het belang van derdebelanghebbenden om daartegen in bezwaar te kunnen gaan, wordt dan ook meegenomen in de wetsevaluatie in het licht van de aangenomen motie van het lid Van der Plas.
Bent u ermee bekend dat als gevolg van de huidige werkwijze bij de NVWA Woo-verzoekers worden geconfronteerd met een situatie waarin de bezwaartermijn tegen een Woo-besluit aanvangt, terwijl de onderliggende documenten nog voor onbepaalde tijd niet zijn verstrekt?
Erkent u dat deze werkwijze ertoe leidt dat Woo-verzoekers bezwaar moeten maken tegen een besluit zonder de onderliggende documenten te hebben kunnen inzien, en dat het daardoor feitelijk onmogelijk is om te beoordelen of de openbaarmaking volledig is en of informatie ten onrechte is geweigerd of gelakt? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat het onder deze omstandigheden voor Woo-verzoekers praktisch ondoenlijk is om binnen de geldende bezwaartermijn inhoudelijke bezwaargronden te formuleren en dat dit de rechtsbescherming van Woo-verzoekers ernstig onder druk zet? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u het feit dat de NVWA in deze situaties in de regel weigert om de termijn voor het indienen van inhoudelijke bezwaargronden te verlengen tot een moment waarop de documenten daadwerkelijk zijn verstrekt en hooguit een beperkte hersteltermijn van maximaal acht weken hanteert, terwijl binnen die termijn zelden op de bezwaren van derde-belanghebbenden is beslist?
Erkent u dat Woo-verzoekers onder normale omstandigheden zes weken de tijd hebben om, met kennisneming van de verstrekte documenten, hun bezwaar inhoudelijk te onderbouwen, en dat deze systematiek door de huidige werkwijze van de NVWA feitelijk wordt doorkruist?
Deelt u de opvatting dat deze praktijk onwenselijk is vanuit het oogpunt van effectieve rechtsbescherming en strijdig is met het doel en de strekking van de Wet open overheid? Zo nee, waarom niet?
Als stelselverantwoordelijk bewindspersoon voor de Woo vind ik het belangrijk dat informatie snel en tijdig openbaar wordt gemaakt en dat de belangen van zowel verzoekers als derdebelanghebbenden goed beschermd worden. In dit kader is het van belang dat de rechtsgang in het kader van Woo-verzoeken ook doeltreffend en doelmatig is. Daarom zal hier in de wetsevaluatie van de Woo naar gekeken worden.
Erkent u het belang van toetsing door de voorzieningenrechter om te voorkomen dat met evident kansloze bezwaren de openbaarmaking van informatie onevenredig wordt vertraagd? Zo nee, waarom niet?
Ja, dit belang erken ik.
Kunt u bevestigen dat de NVWA bij invoering van deze nieuwe werkwijze zelf heeft aangegeven dat deze «niet geheel in overeenstemming is met hetgeen bepaald is in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Woo»? Onderschrijft u deze constatering? Zo nee, waarom niet en op welk juridisch advies baseert u zich dan (graag het advies meesturen)?
Ja, de NVWA heeft aangegeven zich bij het invoeren van de pilot ervan bewust te zijn geweest dat de geschetste werkwijze op gespannen voet staat met het huidige wettelijke kader. Tegelijkertijd heb ik oog voor de problemen waar de NVWA in de uitvoeringspraktijk van de Woo tegenaan loopt. De onderhavige kwestie zal ik dan ook laten meenemen in de wetsevaluatie van de Woo.
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van Cornelis van der Sluis, advocaat en oprichter van het Nederlands Kenniscentrum Open Overheid, die deze werkwijze van de NVWA «volledig in strijd met de wet» noemt? Wat gaat u hiermee doen?
Ja, hier heb ik kennis van genomen. Vanuit mijn stelselverantwoordelijkheid zal ik (de gevolgen van) de motie Van der Plas meenemen in de wetsevaluatie, aangezien hier een wetswijziging voor nodig zou zijn.
Wanneer bent u, als politiek eindverantwoordelijk bewindspersoon voor de Wet open overheid, geïnformeerd over het besluit van de NVWA om deze nieuwe werkwijze in te voeren?
Voor zover bekend, hebben medewerkers van mijn ministerie op 1 september 2025 voor het eerst een signaal ontvangen dat de NVWA een afwijkende werkwijze zou hanteren. Toen was nog niet precies duidelijk wat de werkwijze van de NVWA inhield en op welke punten deze werkwijze af zou wijken. Daar is vervolgens uitvraag naar gedaan bij de NVWA. Op 19 december 2025 werd voor medewerkers van mijn ministerie, op basis van door de NVWA toegestuurde informatie, duidelijk dat de NVWA een afwijkende werkwijze hanteerde met betrekking tot de schorsende werking van bezwaar in Woo-zaken. Op 7 januari 2026 is de toenmalig Minister van BZK geïnformeerd over deze werkwijze van de NVWA en op 9 januari 2026 heeft er een ambtelijk overleg plaatsgevonden tussen BZK en de NVWA. Tijdens dit overleg is door mijn medewerkers het belang van een juiste naleving van de Woo benadrukt.
Kunt u aangeven op welk moment u de Kamer heeft geïnformeerd over dit ingrijpende besluit van de NVWA om af te wijken van de wettelijke procedures uit de Awb en de Woo?
Bestuursorganen zijn zelf verantwoordelijk voor een juiste uitvoering van de Woo. Het is dan ook niet aan mij om verantwoording af te leggen over de uitvoering van de Woo door andere bestuursorganen. Zij leggen hier zelf verantwoording over af.
Kunt u bevestigen dat de NVWA al over was gegaan op deze nieuwe werkwijze voordat de motie van het lid Van der Plas over Woo-verzoeken werd aangenomen door de Kamer?4 Hoe verklaart u dit?
Uit de door de NVWA aangeleverde informatie aan mijn ministerie blijkt dat zij in juli 2024 gestart zijn met een pilot. De motie van het lid Van der Plas is in mei 2025 aangenomen. In juni 2025 heeft de NVWA de pilot omgezet in een vaste werkwijze.
Kunt u bevestigen dat de NVWA deze werkwijze vervolgens heeft uitgebreid naar Woo-verzoeken met minder dan vijftig belanghebbenden, terwijl uw ministerie op dat moment nog bezig was met een juridische analyse? Wat vindt u hiervan?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 18, heeft de NVWA in juni 2025 de pilot omgezet naar een vaste werkwijze. Vanuit BZK was destijds inderdaad nog niet gestart met de wetsevaluatie, waarin de gevolgen van de uitvoering van de motie Van der Plas worden meegenomen. Als stelselverantwoordelijk bewindspersoon voor de Woo vind ik het belangrijk dat alle bestuursorganen de wet juist toepassen. Ieder bestuursorgaan is echter zelf verantwoordelijk voor een juiste uitvoering van de Woo.
Kunt u bevestigen dat de Kamer niet werd geïnformeerd op het moment dat de NVWA overging op deze nieuwe werkwijze en deze later uitbreidde? Waarom is dat niet gebeurd en wat vindt u hiervan?
Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 17, is het aan ieder bestuursorgaan zelf om de Woo juist uit te voeren en zich hierover te verantwoorden.
Kunt u bevestigen dat door uw ministerie aan Follow the Money is geantwoord dat de motie-Van der Plas nog niet kan worden uitgevoerd omdat hiervoor «een wetswijziging nodig [is]»?
Ja.
Hoe verhoudt deze constatering zich tot het feit dat de NVWA al langere tijd een nieuwe werkwijze toepast waarmee wordt afgeweken van de bestaande wettelijke kaders?
Ten aanzien van de werkwijze van de NVWA kan ik in het algemeen aangeven dat ieder bestuursorgaan zelf verantwoordelijk is voor een juiste uitvoering van de Woo. Als stelselverantwoordelijke voor de Woo stimuleer en bevorder ik overheidsbreed een goede uitvoering van de Woo. Als bestuursorganen tegen problemen aanlopen in de uitvoering van de Woo, dan kan dit uiteraard altijd bij mijn ministerie aangegeven worden zodat deze signalen bij het ontwerpen en aanscherpen van beleid en regelgeving kunnen worden meegenomen.
Onderschrijft u dat de NVWA met deze nieuwe werkwijze in strijd met de Woo en de Awb handelt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 14.
Bent u bereid om de NVWA op te roepen deze werkwijze te beëindigen en te waarborgen dat Woo-verzoekers pas worden gehouden aan het formuleren van inhoudelijke bezwaargronden nadat alle onder het Woo-besluit vallende documenten daadwerkelijk aan hen zijn verstrekt, met een redelijke termijn van ten minste vier weken? Zo nee, waarom niet?
Zoals bij het antwoord op vraag 22 aangegeven, is ieder bestuursorgaan zelf verantwoordelijk voor een juiste uitvoering van de Woo. Wel ben ik bereid met de NVWA in gesprek te gaan over deze werkwijze en de effecten hiervan voor de praktijk.
Erkent u het fundamentele belang van openbaarheid van overheidsinformatie voor het functioneren van een democratische rechtsstaat en de controle op de overheid, wat daarnaast ook nog vele andere voordelen heeft voor de maatschappij zoals in kaart gebracht in het recente onderzoek De baten van transparantie van Instituut Maatschappelijke Innovatie en de Open State Foundation?5
Ja, als stelselverantwoordelijk bewindspersoon voor de Woo onderschrijf ik volledig het fundamentele belang van openbaarheid van overheidsinformatie voor het functioneren van een democratische rechtsstaat en de controle op de overheid.
Erkent u dat tijdige toegang tot informatie essentieel is voor die controle en dat langdurige procedures en vertragingen ertoe kunnen leiden dat informatie haar waarde, nut en maatschappelijke relevantie verliest?
Ja. Een van de uitgangspunten van de Woo is dan ook een snelle en tijdige verstrekking van overheidsinformatie als daarom gevraagd wordt.
Bent u bereid om de NVWA op te roepen om de nieuwe werkwijze in te trekken en de Woo-verzoeken, bezwaren en voorlopige voorzieningen te behandelen conform de geldende wetgeving? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 22, ben ik als stelstelverantwoordelijk bewindspersoon voor de Woo niet verantwoordelijk voor een juiste uitvoering van de Woo door individuele bestuursorganen. Wel wil ik met de NVWA in gesprek gaan over deze werkwijze en de effecten hiervan voor de praktijk.
Heeft u gezien dat mediaorganisaties er bij het opvragen van informatie op basis van de Woo ook nog eens tegenaanlopen dat de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) haar bevoegdheid misbruikt, waardoor informatie niet, of pas veel later, wordt geopenbaard?6
Ik heb kennisgenomen van de berichtgeving hierover. Wel wil ik hier over opmerken dat de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State eerder heeft geoordeeld dat de toenmalig Minister van LVVN geen misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheden.8
Heeft u gezien dat deze mediaorganisaties zich genoodzaakt voelen om opnieuw juridische stappen te ondernemen tegen de Minister van LVVN, omdat «vrije nieuwsgaring onmogelijk» wordt gemaakt? Wat vindt u hiervan?
Ja, hier heb ik kennis van genomen. Vanuit mijn stelselverantwoordelijkheid hecht ik veel waarde aan het uitgangspunt dat overheidsinformatie tijdig en snel openbaar wordt gemaakt zodat journalisten, burgers en onderzoekers de overheid kunnen controleren. Bij de openbaarmaking van overheidsinformatie vind ik het belangrijk dat er zowel recht wordt gedaan aan de belangen van verzoekers als die van derdebelanghebbenden.
Heeft u gezien dat het Adviescollege Openbaarheid en Informatiehuishouding zich tot twee keer toe heeft uitgesproken tegen de handelwijze van de Minister van LVVN, maar dat haar advies nog altijd niet worden opgevolgd?7
Ja, ik ben op de hoogte van de bemiddelingsadviezen van het ACOI en de daaropvolgende inhoudelijke reacties van de toenmalige Minister van LVVN.
Bent u bereid om de Minister van LVVN op te roepen om een einde te maken aan dit misbruik van haar bevoegdheden? Zo nee, waarom niet?
Ook hier wil ik opmerken dat de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State eerder heeft geoordeeld dat de toenmalige Minister van LVVN geen misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheden.10 Zoals bij meerdere antwoorden hiervoor aangegeven, zijn bestuursorganen zelf verantwoordelijk voor een juiste uitvoering van de Woo. Vanuit mijn stelselverantwoordelijkheid hecht ik veel waarde aan snelle en tijdige openbaarmaking van overheidsinformatie, een van de uitgangspunten van de Woo.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Beantwoording binnen de gestelde termijn is helaas niet gelukt, zoals aangegeven in de uitstelbrief die ik aan uw Kamer heb gestuurd.11
Bufferzones tegen intimidatie bij abortusklinieken. |
|
Lisa Vliegenthart (GroenLinks-PvdA), Sarah Dobbe , Ines Kostić (PvdD) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Toch geen bufferzone voor demonstranten rond abortusklinieken, Keijzer (BBB) wil het niet»?1
Ja.
Deelt u de mening dat iedereen altijd toegang zou moeten hebben tot zorg en zij hierin niet belemmerd zouden mogen worden door intimidatie? Zo ja, kunt u dit nader onderbouwen? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de mening dat iedereen vrije en veilige toegang tot zorg, waaronder abortuszorg moet hebben. Het belemmeren van de toegang tot een kliniek of het intimideren van bezoekers of werknemers, is onacceptabel. Het is aan het lokale gezag om demonstraties in goede banen te leiden, en daarbij de toegang tot een abortuskliniek te waarborgen.
Deel u de mening dat iedereen vrij en veilig toegang zou moeten hebben tot abortuszorg en dat deze toegang onder druk wordt gezet door intimiderend gedrag bij de klinieken? Zo ja, kunt u dit nader onderbouwen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u nader toelichten op welk punt het demonstratierecht overschreden wordt rondom abortusklinieken en er sprake is van intimidatie, aan de hand van enkele illustrerende voorbeelden?
Of er een risico is op overschrijding van het demonstratierecht bij abortusdemonstraties moet lokaal en per casus worden ingeschat. De burgemeester kan voorschriften aan demonstranten opleggen, en handhaving is aan de politie. Als demonstranten geen gehoor geven aan voorschriften zijn zij mogelijk in overtreding.
Enkele burgemeesters hebben zich in het verleden uitgelaten over demonstraties bij abortusklinieken die als intimiderend werden ervaren door bezoekers. Het is echter niet aan mij om te oordelen over het al dan niet intimiderende karakter van specifieke demonstraties.
Hoe vaak komt het, naar schatting, voor dat er intimiderende demonstraties plaatsvinden bij abortusklinieken tegen zowel bezoekers als zorgverleners? Is ook bekend in hoeveel gevallen personen daardoor de zorg hebben uitgesteld of niet hebben ontvangen? Zo nee, bent u bereid hier nader onderzoek naar te laten doen, gelet op de signalen van uit de samenleving en zorgverleners?
Er is geen (landelijk) overzicht van het aantal demonstraties bij abortusklinieken, en er wordt ook niet bijgehouden hoeveel demonstraties «intimiderend» zouden zijn. Ik heb wel nauw contact met bestuurders van alle abortusklinieken in Nederland, en ook met het merendeel van de betrokken gemeenten (er zijn 15 abortusklinieken in 14 gemeenten). Kliniekbestuurders geven aan dat zij soms vrouwen vooraf inlichten over plaats en tijd van een (aangekondigde) demonstratie. Bij het inplannen van het kliniekbezoek van de vrouw kan daar dan desgewenst rekening mee worden gehouden. De vrouw kan ervoor kiezen om een bekende mee te nemen naar de kliniek, of ze kan begeleid worden door een «buddy».2 Ik heb geen signalen dat abortuszorg als gevolg van demonstraties moet worden uitgesteld, of dat vrouwen vanwege demonstraties afzien van abortuszorg. Ik zie geen aanleiding om hier nader onderzoek naar te laten verrichten.
Welke rol ziet u voor zich bij het garanderen van het recht tot zorg voor vrouwen, ook het recht tot abortuszorg? Welke rol ziet u, in het bijzonder, voor u in verhouding met de collega-bewindspersonen van andere ministeries?
Ik sta pal voor goede en toegankelijke abortuszorg. Het Ministerie van VWS draagt daar op verschillende manieren actief aan bij, middels wet- en regelgeving, abortusbeleid, en de financiering van abortusklinieken en (huis)artsen. Als het gaat om de toegankelijkheid van abortuszorg in relatie tot demonstraties onderhoud ik nauw contact met de collega-bewindslieden van het Ministerie van Binnenlandse Zaken (primair verantwoordelijk voor de Wet openbare manifestaties) en ook het Ministerie van Justitie en Veiligheid (politie en handhaving).
Kunt u nader toelichten hoe het mogelijk is dat een brief, opgesteld door uw collega-bewindspersonen, op het laatste moment via de ministerraad geblokkeerd is door een andere collega-bewindspersoon, wiens ministerie niet direct een relatie heeft met het onderhavige onderwerp?
De beraadslagingen van de ministerraad zijn vertrouwelijk dus hier kan ik geen antwoord op geven. Wel wijs ik erop dat demonstratierecht raakvlakken heeft met diverse ministeries. Bovendien is het een onderwerp dat veel politieke en maatschappelijke aandacht krijgt. Vanuit dat opzicht is het niet vreemd dat verschillende bewindslieden zich buigen over een Kamerbrief waarin het demonstratierecht centraal staat.
Indien er vanuit de landelijke overheid geen handvaten worden geboden aan lokale bestuurders, bijvoorbeeld in de vorm van landelijke richtlijnen over bufferzones, hoe ziet u erop toe dat het recht op en de vrije en veilige toegang tot abortuszorg gegarandeerd blijft?
De uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State bieden handvatten aan lokale bestuurders. Ook zal het kabinet voor het mei reces een kabinetsreactie sturen op het recente onderzoek dat is uitgevoerd in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) door een onderzoeksteam vanuit de Rijksuniversiteit Groningen, Pro Facto, de Universiteit van Amsterdam en Tilburg University.3 In deze reactie zal ook ingegaan worden op demonstraties bij abortusklinieken. Daarnaast zijn er wel degelijk verschillende handvatten beschikbaar voor lokale ambtenaren en bestuurders om demonstraties (bij abortusklinieken) in goede banen te leiden, zoals de handreiking van de gemeente Amsterdam en het Nederlands Genootschap van Burgemeesters.4 5 Door de Rijksuniversiteit Groningen is een landelijke website ontwikkeld waarop iedereen kosteloos informatie over het demonstratierecht kan vinden. De site biedt bijvoorbeeld antwoord op de vraag wat de burgemeester en de politie mogen en moeten doen bij demonstraties. Ook kan er een online adviestool worden geraadpleegd voor juridisch advies op maat.6