Heeft u kennisgenomen van recente uitspraken van de Israëlische Minister van Nationale Veiligheid Ben-Gvir, waarin hij stelt dat er «elke nacht 30 tot 40 mensen uitgeschakeld» zouden moeten worden, «niet alleen degenen die een directe bedreiging vormen», en dat bepaalde personen «het leven niet waard zijn»?1
Ja.
Deelt u de analyse van mensenrechtenexperts dat deze uitspraken, in combinatie met eerdere oproepen van Ben-Gvir tot massale deportatie van Palestijnen uit Gaza, moeten worden gezien in een patroon van aanzetten tot geweld en etnische zuivering? Zo nee, waarom niet?
De uitspraken van Ben-Gvir wijzen op een patroon van aanzetten tot geweld en gedwongen verplaatsing.
Deelt u de opvatting dat de uitspraken van Minister Ben-Gvir, als prominent lid van de regering-Netanyahu, niet los gezien kunnen worden van het gevoerde beleid van diezelfde regering, en dat zij daarmee bevestigen dat het doden en verdrijven van Palestijnse burgers geen ongelukkig neveneffect, maar doelbewust regeringsbeleid is? Zo nee, waarom niet?
De uitspraken van Ben-Gvir zijn verwerpelijk en niet acceptabel. Ik heb dit zelf ook duidelijk gemaakt aan de Israëlische Minister voor Buitenlandse Zaken Gideon Sa’ar. Het kabinet verklaarde eerder deze extremistische Minister Ben-Gvir tot persona non grata. We blijven daarnaast in Europees verband pleiten voor sancties tegen zowel Minister Ben-Gvir als Minister Smotrich. Bij de meest recente informele bijeenkomst van de Ministers van Buitenlandse Zaken van de EU (Gymnich) heb ik wederom opgeroepen tot het sanctioneren van Minister Ben-Gvir naar aanleiding van deze verwerpelijke uitspraken.
Bent u bereid zich, ondanks het recente mislukken van EU-brede sanctionering van Ben-Gvir, opnieuw en met urgentie in te zetten voor EU-sancties tegen hem en Bezalel Smotrich? Zo nee, waarom niet?
Ja. Nederland blijft voorstander van en pleiten voor Europese sancties tegen deze Ministers. Tegelijkertijd stel ik vast dat er vooralsnog in het Europese krachtenveld onvoldoende beweging zit om te verwachten dat hierover op korte termijn overeenstemming wordt bereikt.
Bent u bereid, naar voorbeeld van het reeds bestaande Nederlandse inreisverbod voor Ben-Gvir, ook een nationaal inreisverbod in te stellen voor andere regerings- en Knessetleden van zijn partij Otzma Jehoedit, die zich schuldig maken aan vergelijkbare uitspraken en medeverantwoordelijk zijn voor voorstellen zoals de doodstrafwetgeving voor Palestijnse gevangenen? Zo nee, waarom niet?
Zoals bekend in uw Kamer besloot het kabinet in juli 2025 zich in te spannen om een aantal maatregelen in te stellen teneinde de regering-Netanyahu van koers te doen veranderen. Hierbij ging het onder meer om maatregelen tegen de Israëlische Minister Ben-Gvir en Minister Smotrich, die uit hoofde van hun functie als bewindspersoon herhaaldelijk geweld door kolonisten tegen de Palestijnse bevolking hebben aangewakkerd, voortdurend de uitbreiding van illegale nederzettingen bepleit en opgeroepen tot etnische zuivering in Gaza.
In het licht van de ernst van deze uitspraken steunde Nederland de voorstellen voor EU-sanctiemaatregelen jegens beide individuen, echter ontbrak hiervoor draagvlak in de Raad. Het kabinet verklaarde vervolgens Minister Smotrich en Minister Ben-Gvir tot persona non grata op grond van het nationale recht (de Vreemdelingenwet 2000), wegens het gevaar dat zij vormen voor de Nederlandse openbare orde en in het belang van internationale betrekkingen. Beide Ministers zijn in september 2025 als ongewenste vreemdelingen geregistreerd in het Schengen Informatie Systeem. Dit waren uitzonderlijke stappen en de onderliggende motivering gold ten aanzien van de specifieke casus van deze twee Ministers en de omstandigheden destijds. Dat is niet zonder meer het geval ten aanzien van andere gevallen. Het kabinet weegt in elke situatie of deze omstandigheden nopen tot een dusdanig vergaand nationaal besluit, of hiervan impact op de koers van de regering Netanyahu mag worden verwacht, en of daarvoor toereikende juridische gronden bestaan. Bovengenoemde overwegingen leiden op dit moment niet tot een vergelijkbare stap op nationaal niveau tegen andere regerings- en Knessetleden van de partij Otzma Jehoedit. Tegelijkertijd blijft het kabinet zich inspannen voor additionele maatregelen op EU niveau en sluit het, conform de motie Piri/Paternotte2, sancties tegen Israëlische bewindspersonen niet uit.
Het besluit van het IOC om Russische sporters weer toe te laten tot internationale sportevenementen |
|
Hanneke van der Werf (D66), Renilde Huizenga (D66) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het besluit van het Internationaal Olympisch Comité (IOC) om de schorsing van het Russisch Olympisch Comité onder voorwaarden op te heffen en daarmee de weg vrij te maken voor terugkeer van Russische sporters naar internationale competities?
Ja.
Deelt u de verontwaardiging van de vraagstellers over het besluit van het IOC om Rusland weer toe te laten, terwijl het land nog altijd een agressieoorlog voert tegen Oekraïne, met dagelijkse raketaanvallen op steden en burgers?
Het kabinet is, vanwege de Russische agressieoorlog tegen Oekraïne, en de faciliterende rol die Belarus daarbij speelt, tegen deelname van Russische en Belarusische sporters onder nationale vlag of met nationale symbolen aan internationale sportwedstrijden. Het kabinet heeft uw Kamer op 24 juni jl. geïnformeerd over een precisering van het kabinetsstandpunt rond de deelname van Russische en Belarusische atleten en sportteams aan sportevenementen in Nederland.1
Deelt u de zorg dat dit besluit door Oekraïense sporters en hun families gevoeld zal worden als een klap in het gezicht, en als een signaal dat de internationale solidariteit met Oekraïne verzwakt? Zo ja, welke concrete stappen onderneemt u om dit bij het IOC en internationale sportorganisaties aan te kaarten?
Het kabinet deelt de zorgen dat deelname door Russische en Belarusische sporters aan internationale sportwedstrijden zorgt voor een vermindering van de internationale isolatie van Rusland en de solidariteit met Oekraïne kan verzwakken. Tegelijkertijd is het IOC een internationale autonome sportorganisatie. Het kabinet handelt daarom binnen de beschikbare mogelijkheden.
Vorige maand heeft het kabinet op initiatief van Estland een brief gericht aan de verantwoordelijk EU-Commissaris. Deze brief is ondertekend door acht andere EU-sportministers. Aanleiding voor de brief was dat meerdere internationale sportfederaties atleten uit Rusland en Belarus weer volledig toelaten tot sportevenementen, dus onder eigen vlag en nationale symbolen. In de brief wordt benadrukt dat Rusland en Belarus internationale sport nog steeds gebruiken voor politieke doeleinden, dat Oekraïense sporters door de oorlog niet onder gelijke omstandigheden kunnen trainen en deelnemen, en dat sport niet los kan worden gezien van politiek wanneer het door Russische en Belarusische regimes wordt ingezet. De brief benadrukt verder dat de Russische agressieoorlog een ernstige schending is van het internationaal recht en van fundamentele waarden van de internationale sport.
De EU-commissaris wordt in de brief verzocht om aanvullende stappen te nemen door EU-financiering en toegang tot EU-platforms op te schorten voor sportorganisaties, zoals het IOC, die niet handelen in lijn met principes als respect voor mensenrechten, de rechtsstaat en vreedzame betrekkingen tussen landen.
Deelt u de zorg dat dit besluit een eerste stap kan zijn richting bredere normalisatie en herintegratie van Rusland in andere sportieve en niet-sportieve fora? Zo ja, hoe verzet Nederland zich hiertegen, en welke stappen zet het kabinet om deze normalisering actief tegen te gaan?
Het kabinet deelt de zorg dat dit besluit een eerste stap kan zijn richting bredere normalisatie en herintegratie in sportieve en niet-sportieve fora. Het kabinet ziet dat Rusland sport inzet voor politieke doeleinden. Zolang Rusland deze agressieoorlog, mede gefaciliteerd door Belarus, doorzet, zal het kabinet alles binnen de beschikbare mogelijkheden doen om normalisatie van Rusland en Belarus in internationale sportevenementen tegen te gaan.
Zoals hiervoor al is opgemerkt, heeft het kabinet uw Kamer op 24 juni jl. geïnformeerd over een precisering van het kabinetsstandpunt rond de deelname van Russische en Belarusische atleten en sportteams aan sportevenementen in Nederland.2 Deze precisering kwam voort uit de recente ontwikkelingen waarin meerdere internationale sportfederaties en sportorganisaties de schorsing opheffen van Rusland en/of Belarus. Door het opheffen van deze schorsing bieden zij atleten en sportteams uit beide landen weer de mogelijkheid volledig – onder eigen vlag en nationale symbolen – deel te nemen aan internationale sportevenementen, ook in Nederland.
Het kabinet acht deelname aan sportevenementen in Nederland van Russische en Belarusische atleten en sportteams onder eigen vlag en nationale symbolen onwenselijk en zal binnen de beschikbare mogelijkheden al het mogelijke doen om deelname te voorkomen; dat geldt voor nationale sporters, landenteams en clubteams uit beide landen.
Welke voorwaarden gelden volgens het IOC voor de toelating van Russische sporters en hoe beoordeelt u de handhaafbaarheid en controleerbaarheid van deze voorwaarden?
Het kabinet heeft kennisgenomen van het besluit3 van het IOC van 7 juli jl. waardoor zowel individuele atleten als teams uit Rusland weer onder voorwaarden kunnen deelnemen aan de Olympische en Paralympische Spelen. Het IOC maakt op een later tijdstip bekend of dit besluit betekent dat atleten en sportteams uit Rusland onder eigen nationale symbolen – zoals een vlag en volkslied – mogen deelnemen. Het is daarbij belangrijk om te vermelden dat er op de Olympische Zomerspelen van 2024 in Parijs en de Olympische Winterspelen van 2026 in Milaan-Cortina al Russische individuele atleten deelnamen, zij het onder strikte voorwaarden. Met dit recente besluit van het IOC lijken de meeste restricties opgeheven. De weg is hiermee vrij voor deelname van (landen)-teams.
Het IOC geeft verder aan dat Rusland pas volledig kan terugkeren wanneer er voldaan wordt aan strikte anti-dopingvoorwaarden, in het bijzonder de voorschriften die zijn vastgelegd in de antidopingregels van het IOC en de internationale sportfederaties (IF's), evenals de door het World Anti-Doping Agency (WADA) vastgestelde richtlijnen.
Daarnaast moeten Russische atleten deel uitmaken van een nationaal antidopingprogramma van de Russische anti-dopingorganisatie RUSADA en het Russisch Olympisch Comité (ROC), waarvan de uitvoering is gedelegeerd aan de International Testing Agency (ITA). Verder moeten atleten die terugkeren naar de internationale sport vooraf meerdere keren zijn getest op basis van een risicoanalyse. De internationale sportfederaties (IF's) zijn verantwoordelijk voor het vaststellen van de periode waarbinnen deze controles moeten hebben plaatsgevonden en stellen, in samenwerking met de ITA, een passend testprogramma op, inclusief het vereiste aantal controles en de termijn waarbinnen deze moeten worden uitgevoerd.
Indien het World Anti-Doping Agency (WADA) voorafgaand aan de Olympische Spelen van Los Angeles 2028 het functioneren van RUSADA nog steeds als niet-conform de daartoe gestelde regels en richtlijnen beschouwt, zal het IOC de ITA opdragen erop toe te zien dat alle gekwalificeerde Russische atleten onafhankelijk zijn getest volgens dezelfde werkwijze.
Het IOC is een internationale autonome sportorganisatie. Het kabinet heeft geen direct zicht op de handhaafbaarheid en controleerbaarheid van deze voorwaarden.
Welke aanvullende waarborgen bestaan er om, gelet op de eerdere grootschalige staatsgestuurde dopingschandalen in Rusland, eerlijke en onafhankelijke dopingcontroles te garanderen?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u hierover in gesprek met NOC*NSF, Nederlandse sportbonden en Nederlandse topsporters? Zo ja, wat zijn de uitkomsten van die gesprekken? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?
Het kabinetsstandpunt, zoals omschreven onder het antwoord op vraag 4, is gedeeld met de Nederlandse sportbonden tijdens een bijeenkomst op 1 juli jl. met bondsdirecteuren. Tijdens deze bijeenkomst is stilgestaan bij wat het kabinetsstandpunt inhoudt enerzijds, en anderzijds hoe nationale sportbonden verplicht zijn om de regels te volgen van internationale sportfederaties, ook als zij Rusland weer volledig toelaten onder eigen nationale symbolen, en wat dit voor hen betekent.
Het kabinet is zich bewust van de praktische implicaties dat het kabinetsstandpunt met zich meebrengt. Immers, wanneer een nationale sportbond een EK of WK wil organiseren in Nederland is het verplicht de regels te volgen van de internationale sportfederatie waar zij aangesloten zijn. Ook als dat betekent dat Russische en/of Belarusische sporters worden toegelaten. Tegelijkertijd staat het nationale sportbonden vrij om hierover in overleg te treden met de betreffende internationale sportfederatie en te zoeken naar een passende oplossing.
Het kabinet erkent dat internationale sportfederaties autonoom zijn in de keuze om Russische en Belarusische sporters uit te nodigen voor internationale sportevenementen, ook voor evenementen in Nederland. Tegelijkertijd vindt het kabinet het onwenselijk dat atleten en sportteams uit deze landen onder eigen vlag en nationale symbolen meedoen aan sportevenementen in Nederland vanwege de voortdurende Russische agressie-oorlog tegen Oekraïne en facilitering door Belarus. Het kabinet doet daarom alles binnen de beschikbare mogelijkheden om deelname te voorkomen en blijft hierover in gesprek met NOC*NSF en de sportbonden.
Bent u voornemens binnen de Europese Unie of in overleg met gelijkgezinde landen op te trekken om een gezamenlijke positie in te nemen over de terugkeer van Russische sporters naar internationale sportevenementen?
Het kabinet acht deelname aan sportevenementen in Nederland van Russische en Belarusische atleten en sportteams onder eigen vlag, het volkslied en andere nationale symbolen onwenselijk.
Het kabinet acht het van belang dit standpunt actief uit te dragen en is hier actief over in gesprek met gelijkgezinde Europese landen en heeft dit onderwerp al geagendeerd in passende EU-gremia. Zo heeft het kabinet vorige maand op initiatief van Estland een brief gericht aan de verantwoordelijk EU-commissaris, zie ook de beantwoording van vraag 3. Deze brief is ondertekend door acht andere EU-sportministers. Het doel is te komen tot een gezamenlijke Europese lijn ten aanzien van het voorkomen van deelname van Russische en Belarusische atleten aan internationale sportcompetities onder eigen nationale symbolen. Het kabinet zal relevante ontwikkelingen delen met de Kamer middels de geannoteerde agenda en het verslag van Europese bijeenkomsten.
Wat is de Nederlandse inzet ten aanzien van een eventuele toekomstige terugkeer van de Russische vlag, het volkslied en officiële Russische vertegenwoordiging bij internationale sportevenementen en de Olympische Spelen, nu het IOC daarover nog geen definitief besluit heeft genomen?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bereid de Kamer voorafgaand aan eerstvolgende internationale overleggen over dit onderwerp te informeren over de Nederlandse inzet en de gesprekken die hierover worden gevoerd?
Zie antwoord vraag 8.
Het artikel “Regering-Trump start campagne om Internationaal Strafhof Den Haag te isoleren” |
|
Hanneke van der Werf (D66) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Heeft de regering van de Verenigde Staten de Nederlandse regering op de hoogte gesteld van het plan om het internationaal strafhof (ICC) te isoleren?1
Ja. Zo heeft de Amerikaanse regering op 18 augustus jl. een ambtsdrager en een medewerker van het Internationaal Strafhof op de Amerikaanse sanctielijst geplaatst.
Welke gevolgen kunnen de Amerikaanse maatregelen hebben voor medewerkers van het Internationaal Strafhof en hun gezinsleden, bijvoorbeeld wanneer banken hun rekeningen blokkeren, creditcards worden ingetrokken, verzekeraars hun dienstverlening beëindigen of digitale dienstverleners hun e-mail-, cloud- of telefoonvoorzieningen afsluiten? Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat medewerkers van het Hof hierdoor niet meer in hun dagelijkse levensbehoeften kunnen voorzien?
De opgelegde Amerikaanse sancties hebben gevolgen voor gesanctioneerde individuele ambtsdragers en hun gezinsleden. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om gevolgen op het gebied van bancaire dienstverlening, verzekeringen en digitale dienstverlening.
Als verdragspartij en gastland van het Hof heeft Nederland een aantal bijzondere verplichtingen om het functioneren van het Hof te faciliteren. Deze verplichtingen zijn vastgelegd in het Zetelverdrag tussen het Internationaal Strafhof en het Gastland.
Nederland zet zich in om deze gevolgen van maatregelen en sancties zoveel mogelijk te voorkomen en te mitigeren. Zo is er doorlopend overleg met het Hof en gesanctioneerde functionarissen over de impact van sancties en over mitigerende maatregelen. Op basis van deze gesprekken is er, samen met betrokken ministeries, contact met relevante dienstverleners om zogenoemde overcompliance te voorkomen en alternatieve oplossingen uit te werken waar dat nodig is.
Daarnaast bekijkt Nederland ook naar aanleiding van deze laatste ontwikkeling samen met het Hof en gelijkgezinde partners welke stappen genomen kunnen worden om het Hof te blijven beschermen waar nodig. Nederland zal zich aan de gastlandverplichtingen blijven houden, ook als dat door aanvullende maatregelen of sancties meer inzet vergt.
Hoe beschermt u medewerkers van het Internationaal Strafhof tegen reisbeperkingen en andere vormen van persoonlijke intimidatie, bijvoorbeeld wanneer zij geen visum meer krijgen, niet via Amerikaanse luchthavens kunnen reizen, familieleden niet kunnen bezoeken of worden geconfronteerd met dreiging, doxing of online intimidatie? Welke praktische en consulaire ondersteuning kan Nederland hen in dergelijke gevallen bieden?
Het is van groot belang dat ambtsdragers en medewerkers van het Internationaal Strafhof hun werk onafhankelijk en ongestoord kunnen doen. Reisbeperkingen, visumproblemen en intimidatiepogingen kunnen dat bemoeilijken. Het is zaak dat de 125 verdragspartijen er samen voor zorgen dat het Hof zo onbelemmerd mogelijk kan blijven functioneren.
Zoals eerder gesteld, staat Nederland in nauw contact met het Hof over veiligheidszorgen en praktische gevolgen van Amerikaanse sancties. Waar passend kan Nederland, in overleg met het Hof, diplomatieke ondersteuning bieden, bijvoorbeeld door problemen bij derde landen aan te kaarten in bilateraal of in EU-verband, of in de context van de Vergadering van verdragspartijen bij het Statuut van Rome.
Vanwege veiligheidsoverwegingen doet het kabinet publiekelijk nooit uitspraken over veiligheidsmaatregelen. Wel kan ik u verzekeren dat ten aanzien van intimidatie en inmengingsactiviteiten de betrokken gezagen in nauw contact staan met de Nederlandse veiligheids – en opsporingsdiensten en waar nodig passende maatregelen treffen.
Bent u het ermee eens dat deze campagne op gespannen voet staat met de plicht van Nederland als gastland om het ICC, diens rechters, aanklagers en medewerkers adequate bescherming te bieden, zodat zij onafhankelijk en ongestoord hun werk kunnen doen? Welke concrete risico’s brengt deze Amerikaanse campagne volgens u met zich mee voor de nakoming van de verplichtingen van Nederland als gastland?
Zie antwoord op vraag 2.
Verwerpt u de kwalificatie van de Amerikaanse Minister van Buitenlandse Zaken dat het Internationaal Strafhof en landen die het Hof ondersteunen een «oorlog» tegen de Verenigde Staten zouden voeren? Zo ja, bent u bereid dat ook rechtstreeks en publiekelijk tegenover de Amerikaanse regering duidelijk te maken?
De positie van de VS over het Internationaal Strafhof is niet nieuw, wel is de toon zorgelijk, evenals de directe druk op alle verdragspartijen. We voeren hierover al geruime tijd gesprekken met de VS en spreken ons uit over acties die het Hof ondermijnen. Die gesprekken gaan onverminderd door, ook rechtstreeks met de regering-Trump, waarbij onder meer onze zorgen over de campagne tegen het Internationaal Strafhof worden overgebracht en de daarbij gehanteerde kwalificaties worden ontkracht.
Nederland heeft daarnaast publiekelijk verklaard dat het als gastland en verdragspartij achter het Hof en zijn medewerkers staat en acties die het Hof ondermijnen ten zeerste afkeurt. Nederland geeft daarbij aan dat internationale hoven en tribunalen hun mandaat zonder (politieke) inmenging moeten kunnen uitvoeren. Deze boodschap heeft Nederland ook uitgedragen richting Europese lidstaten, Europese instellingen en Verdragspartijen bij het Statuut van Rome.
Heeft de Amerikaanse regering Nederland gevraagd of onder druk gezet om de politieke, diplomatieke, financiële, juridische of praktische steun aan het Internationaal Strafhof te verminderen? Zo ja, welke middelen of mogelijke consequenties zijn daarbij genoemd?
De inzet van de VS ten aanzien van het Internationaal Strafhof is recent door de VS uiteengezet in o.a. een persverklaring uitgebracht door het VS State Department. Deze boodschap heeft de VS inmiddels herhaald in bilaterale contacten.
Kunt u uitsluiten dat Nederland als gevolg van Amerikaanse druk zijn financiering, samenwerking, rechtshulp of overige steun aan het Internationaal Strafhof zal verminderen?
Nederland staat pal achter het Hof en zijn medewerkers en zal zich, samen met gelijkgezinde partners, onverminderd blijven inzetten om het Hof te beschermen en ondersteunen waar nodig. Het Internationaal Strafhof is de belichaming van het idee dat de vervolging van de meest ernstige misdrijven een gedeelde verantwoordelijkheid is van de internationale gemeenschap, zodat deze misdrijven niet onbestraft blijven.
Welke concrete noodmaatregelen zijn voorbereid voor het geval de Verenigde Staten sancties instellen tegen het Hof als organisatie, of Amerikaanse ondernemingen en financiële instellingen verbieden diensten aan het Hof te verlenen? Kunt u daarbij afzonderlijk ingaan op bancaire dienstverlening, betalingen, verzekeringen, IT- en clouddiensten, telecommunicatie en internationaal reizen?
Het kabinet anticipeert op verschillende scenario’s, waaronder mogelijke sancties tegen het Hof als organisatie, of bredere beperkingen op dienstverlening door Amerikaanse ondernemingen en financiële instellingen aan het Hof.
De getroffen voorbereidingen en het doorlopende werk dat het Hof hier met ondersteuning van gastland Nederland en andere verdragspartijen en dienstverleners op verricht kan vanwege de vertrouwelijkheid niet in detail worden toegelicht. Op alle in de vraag genoemde terreinen is en wordt op verschillende niveaus gewerkt aan mitigerende maatregelen en alternatieven.
Zoals gezegd doet Nederland dit niet alleen, het kabinet zet zich er doorlopend voor in om ook in EU-verband en met de andere 124 verdragspartijen dergelijke maatregelen voor te bereiden. Ook omdat dienstverlening aan het Hof ook buiten Nederland plaatsvindt.
Concreet heeft Nederland zich bijvoorbeeld al ingezet voor de mogelijkheid tot inzet en de verhoging van het Contingency Fund bij het Internationaal Strafhof en EU-maatregelen voor bescherming (incl. de voorbereiding van snelle activering van het Blocking Statute in EU-verband wanneer de Commissie daartoe een voorstel doet). Ook was Nederland aanjager en organisator van expertbijeenkomsten met EU-lidstaten, Verdragspartijen en dienstverleners over mitigatie om tot praktische oplossingen te komen om het hof te ondersteunen en mitigatiemaatregelen af te stemmen.
Wat is de huidige stand van zaken van de Nederlandse inzet voor Europese tegenmaat regelen, waaronder toepassing of uitbreiding van het Europese Blocking Statute? Bent u bereid nu actief te pleiten voor toepassing daarvan ter bescherming van het Hof en zijn medewerkers?
Zoals reeds aan de Kamer is gemeld, dringt Nederland steevast aan op een gezamenlijke aanpak in de EU om het Hof te beschermen en in algemene zin stappen te zetten op het terrein van EU-weerbaarheid en autonomie. In dat kader pleit Nederland actief voor het treffen van alle benodigde voorbereidingen voor toepassing van het Blocking Statute.
Indien de VS overgaat tot aanvullende maatregelen die het functioneren van het Hof significant belemmeren zal het kabinet, in nauwe samenwerking met het Hof en andere verdragspartijen, bezien welke stappen kunnen worden genomen om het Hof te blijven beschermen en ondersteunen waar nodig – waaronder toepassing van het Blocking Statute.
Het is aan de Europese Commissie om een voorstel te doen voor aan- en toepassing van het Blocking Statute. Dergelijke actie vraagt echter om een zorgvuldige afweging. Alle aspecten moeten daarbij worden meegewogen zoals timing, effectiviteit, diplomatieke inzet en belangen van het bedrijfsleven.
Nederlandse staatsburgers in dienst van het Israëlische leger en mogelijke betrokkenheid bij internationale misdrijven |
|
Hanneke van der Werf (D66) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het onderzoek van Investico waaruit blijkt dat ten minste 645 Nederlandse paspoorthouders in het Israëlische leger (IDF) dienen, en dat meer dan twintig Nederlanders sinds oktober 2023 naar Israël zijn afgereisd om dienst te nemen?1
Ja.
Deelt u de zorg dat, gegeven het optreden van het IDF in Gaza – dat uw ministerie meermaals heeft gekwalificeerd als in strijd met het internationaal humanitair oorlogsrecht – én de aanwezigheid van honderden Nederlandse staatsburgers in het IDF, Nederlanders mogelijk betrokken zijn geweest bij het plegen van oorlogsmisdrijven? Zo nee, waarom niet?
De mogelijkheid dat Nederlanders, waar dan ook ter wereld, bijdragen aan internationale misdrijven is altijd een punt van aandacht. Daarom heeft Nederland ook rechtsmacht over internationale misdrijven die door Nederlanders in het buitenland worden gepleegd.
Deelt u de juridische opvatting dat voor de kwalificatie en de ernst van eventueel door Nederlanders gepleegde oorlogsmisdrijven geen relevant onderscheid bestaat op basis van het verband waarin deze zijn gepleegd, en dat de aard van de relatie die Nederland onderhoudt met het land of de organisatie in kwestie derhalve niet relevant is? Zo nee, op welke rechtsgrond maakt u dat onderscheid?
Ja. Het internationaal recht maakt alleen een relevant juridisch onderscheid tussen oorlogsmisdrijven begaan in een internationaal gewapend conflict en die begaan in een niet-internationaal gewapend conflict. Voor de ernst of strafbaarheid maakt het niet uit tot welke strijdende partij de verdachte behoort; de Wet internationale misdrijven maakt in de strafbaarstellingen geen onderscheid naar zijde van het conflict en ook de aard van de relatie die Nederland onderhoudt met het land of de partij in kwestie is juridisch niet relevant.
Deelt u de opvatting dat áls Nederlandse staatsburgers betrokken zijn bij het plegen van oorlogsmisdrijven – in het IDF of in enig ander verband – het onwenselijk is dat dit straffeloos passeert, en dat daarbij geen onderscheid gemaakt mag worden op grond van de politieke relatie die Nederland met het betreffende land onderhoudt? Zo nee, waarom niet?
Ja. Voorop gesteld moet worden dat het kabinet vindt dat het internationaal recht door eenieder moet worden nageleefd en dat straffeloosheid voor internationale misdrijven onaanvaardbaar is, ongeacht het verband waarin deze worden gepleegd en ongeacht de politieke relatie die Nederland met het betreffende land onderhoudt. De bestrijding van straffeloosheid voor internationale misdrijven middels het strafrecht is al jaren een speerpunt van het kabinet. Dit omvat nadrukkelijk ook gevallen waarbij Nederlanders als (mogelijke) verdachten in beeld komen. Het is daarbij telkens aan het Openbaar Ministerie om te beoordelen of sprake is van voldoende bewijs van mogelijke individuele strafbare betrokkenheid bij internationale misdrijven en of opsporing en (vervolgens) vervolging opportuun is.
Erkent u dat Nederland op grond van de Wet Internationale Misdrijven verplicht is mogelijke oorlogsmisdrijven door Nederlandse staatsburgers te onderzoeken en zo nodig te vervolgen, ongeacht waar en in wiens dienst deze zijn gepleegd? Zo nee, waarom niet?
De Wet internationale misdrijven verklaart de Nederlandse strafwet van toepassing op Nederlanders die buiten Nederland internationale misdrijven plegen. Daarmee kunnen mogelijke oorlogsmisdrijven gepleegd door Nederlanders worden opgespoord en vervolgd, ongeacht de locatie of in wiens dienst zij zijn gepleegd. Daarnaast vloeien uit verschillende internationale verdragen bepaalde verplichtingen voort waar het gaat om onderzoek naar personen die zich schuldig hebben gemaakt aan internationale misdrijven. Dit schept echter geen onvoorwaardelijke plicht om in elk individueel geval tot opsporing en vervolging over te gaan. Het is aan het Openbaar Ministerie om per geval te beoordelen of sprake is van mogelijk individueel strafbaar handelen, of er voldoende aanknopingspunten zijn voor strafrechtelijk onderzoek en, zo ja, of opsporing en vervolging opportuun zijn. Hierbij handelt het Openbaar Ministerie binnen de geldende wettelijke en verdragsrechtelijke kaders en met inachtneming van het opportuniteitsbeginsel.
Kunt u, nu het Ministerie van Justitie en Veiligheid heeft bevestigd dat mediaberichtgeving kan gelden als aanleiding voor onderzoek naar mogelijke betrokkenheid van Nederlandse onderdanen bij internationale misdrijven,2 uitleggen op welke grond de uitgebreide nationale en internationale berichtgeving over het optreden van het IDF in Gaza én de gerapporteerde aanwezigheid van enkele honderden Nederlandse staatsburgers in het IDF nog niet heeft geleid tot een proactief onderzoek naar mogelijke betrokkenheid van Nederlandse staatsburgers bij oorlogsmisdaden?
Hier kan het kabinet geen uitspraken over doen. Zie het antwoord op vraag 5.
In zijn algemeenheid kan daarnaast het volgende worden opgemerkt. Zoals ook is opgenomen in de meest recente Rapportage internationale misdrijven3, is het niet ongebruikelijk dat in het belang van het onderzoek aan het instellen van strafrechtelijk onderzoek in geval van internationale misdrijven geen ruchtbaarheid wordt gegeven. De opsporing van internationale misdrijven is complex en kan tijdrovend zijn, en vaak kan pas brede bekendheid worden gegeven aan een strafrechtelijk onderzoek als er voldoende bewijs voorhanden is om over te gaan tot aanhouding en strafvervolging.
Bent u bereid om, ook in afstemming met de Minister van Justitie en Veiligheid, een extra inspanning te leveren om mogelijke betrokkenheid van individuele Nederlanders bij ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht in Gaza, op de Westelijke Jordaanoever en in Zuid-Libanon beter in beeld te krijgen? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 5.
Bent u bereid, nu de Israëlische krijgsmacht heeft geweigerd informatie te verstrekken over Nederlandse staatsburgers die in het IDF dienen of hebben gediend,3 deze weigering aan de orde te stellen in bilateraal diplomatiek overleg met Israël en aan te dringen op alsnog verstrekking van die informatie? Zo nee, waarom niet?
Nee. Het kabinet merkt op dat dienstneming in de IDF door Nederlanders op zichzelf geen strafbaar feit is.
Kosteloze rechtsbijstand voor slachtoffers van ernstig online seksueel misbruik |
|
Joost Sneller (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat slachtoffers van ernstig online seksueel misbruik op dit moment niet in aanmerking komen voor kosteloze rechtsbijstand omdat ernstig online seksueel geweld niet is opgenomen in de Wet schadefonds geweldsmisdrijven?
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat zowel online als fysiek seksueel geweld zijn opgenomen in de Wet seksuele misdrijven, maar slachtoffers vervolgens niet dezelfde toegang hebben tot kosteloze hulp van een advocaat?
Bent u bereid de Wet op de rechtsbijstand en de Wet schadefonds geweldsmisdrijven aan te passen zodat ook slachtoffers van ernstig online seksueel misbruik in aanmerking komen voor kosteloze rechtsbijstand?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat slachtofferbeleid?
Bent u bekend met het bericht dat Israël een digitaal landregister heeft gelanceerd voor de bezette Westelijke Jordaanoever, waarmee het voor het eerst sinds 1967 zelf eigendom van grond in Area C vastlegt?1
Deelt u de zorg dat Israël hiermee op grote schaal Palestijnse grond onteigent, omdat veel Palestijnen hun eigendom niet op papier kunnen aantonen? Erkent u dat dit neerkomt op annexatie langs bureaucratische weg?2
Hoe verhoudt dit registratieproces zich tot het advies van het Internationaal Gerechtshof van 19 juli 2024, waarin het Hof oordeelde dat een bezettende macht geen soevereine bevoegdheden mag uitoefenen en dat onteigening en wetgeving gericht op inlijving van bezet gebied ongeldig zijn? Bent u bereid uitdrukkelijk te verklaren dat Nederland eigendomsregistraties die via dit proces tot stand komen niet erkent, en dit ook in EU-verband te bepleiten?
Bent u bekend met het besluit van een Israëlische militaire commissie van 8 oktober 2026 om de registratie van de grond van de Palestijnse familie Nassar (Tent of Nations, bij Bethlehem) af te wijzen, tenzij de familie ook de grond van haar buren registreert?3
Deelt u de opvatting dat dit een onmogelijke eis is, die bovendien ingaat tegen een uitspraak van het Israëlische Hooggerechtshof uit 2006? Ziet u deze zaak als voorbeeld van hoe registratie wordt ingezet om Palestijnse grond in te nemen, zelfs wanneer eigendom aantoonbaar is?
Bent u bereid deze zaak op te nemen met de Israëlische autoriteiten en aan te dringen op registratie van de grond van de familie, een einde aan de toegangsbeperkingen en bescherming tegen intimidatie? Bent u tevens bereid de Nederlandse vertegenwoordiging het terrein te laten bezoeken?
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
De aanhoudende blokkade van humanitaire hulpverlening in Gaza |
|
Mpanzu Bamenga (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
Berendsen , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van het Rode Kruis «Rode Kruis luidt noodklok: steeds minder hulpgoederen bereiken Gaza»1 en de waarschuwing dat hierdoor een steeds grotere medische crisis ontstaat?
Hoe beoordeelt u de cijfers waaruit blijkt dat in augustus slechts 93 pallets hulpgoederen de Palestijnse Rode Halve Maan bereikten, tegenover ruim 1.500 pallets in november vorig jaar, terwijl de afgesproken capaciteit van 600 vrachtwagens per dag structureel niet wordt gehaald?
Deelt u de zorgen van de VN dat er onvoldoende onderdak en noodzakelijke materialen beschikbaar zijn om de komende winter het hoofd te bieden2? Welke concrete stappen zet Nederland om ervoor te zorgen dat broodnodige humanitaire hulp Gaza wél tijdig bereikt?
Deelt u de constatering dat de sterk afgenomen humanitaire hulp, de groeiende medische crisis en de naderende winter aanleiding geven om de druk op Israël om humanitaire hulp Gaza binnen te laten aanzienlijk verder op te voeren? Welke aanvullende druk gaat het kabinet concreet uitoefenen?
Is het kabinet, gezien de gezamenlijke verklaring3 die Nederland op 8 juni 2026 samen met 21 andere landen en de Europese Commissie aflegde dat humanitaire toegang tot Gaza «non-negotiable» is, van oordeel dat de oproepen aan Israël om humanitaire hulp toe te laten effect hebben gehad? Waaruit blijkt dat? Zo nee, welke conclusies trekt het kabinet daaruit voor de wijze waarop het de druk op Israël de komende periode zal opvoeren?
Voldoet Israël, gelet op de hiervoor genoemde beperkingen op de toegang van humanitaire hulp tot Gaza, naar het oordeel van het kabinet aan de verplichtingen die voortvloeien uit Artikel 2 van het EU-Israël Associatieakkoord? Zo ja, waarop baseert het kabinet dit oordeel?
Is het kabinet bereid, eventueel samen met de andere ondertekenaars van de gezamenlijke verklaring van 8 juni, publiekelijk op te roepen tot snelle opschorting van het handelshoofdstuk van het EU-Israël Associatieakkoord? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid binnen de EU te pleiten voor verdere concrete maatregelen tegen Israël zolang de verwoesting, verdrijving en het blokkeren van hulp in Gaza voortduren?
Heeft u kennisgenomen van recente uitspraken van de Israëlische Minister van Nationale Veiligheid Ben-Gvir, waarin hij stelt dat er «elke nacht 30 tot 40 mensen uitgeschakeld» zouden moeten worden, «niet alleen degenen die een directe bedreiging vormen», en dat bepaalde personen «het leven niet waard zijn»?1
Ja.
Deelt u de analyse van mensenrechtenexperts dat deze uitspraken, in combinatie met eerdere oproepen van Ben-Gvir tot massale deportatie van Palestijnen uit Gaza, moeten worden gezien in een patroon van aanzetten tot geweld en etnische zuivering? Zo nee, waarom niet?
De uitspraken van Ben-Gvir wijzen op een patroon van aanzetten tot geweld en gedwongen verplaatsing.
Deelt u de opvatting dat de uitspraken van Minister Ben-Gvir, als prominent lid van de regering-Netanyahu, niet los gezien kunnen worden van het gevoerde beleid van diezelfde regering, en dat zij daarmee bevestigen dat het doden en verdrijven van Palestijnse burgers geen ongelukkig neveneffect, maar doelbewust regeringsbeleid is? Zo nee, waarom niet?
De uitspraken van Ben-Gvir zijn verwerpelijk en niet acceptabel. Ik heb dit zelf ook duidelijk gemaakt aan de Israëlische Minister voor Buitenlandse Zaken Gideon Sa’ar. Het kabinet verklaarde eerder deze extremistische Minister Ben-Gvir tot persona non grata. We blijven daarnaast in Europees verband pleiten voor sancties tegen zowel Minister Ben-Gvir als Minister Smotrich. Bij de meest recente informele bijeenkomst van de Ministers van Buitenlandse Zaken van de EU (Gymnich) heb ik wederom opgeroepen tot het sanctioneren van Minister Ben-Gvir naar aanleiding van deze verwerpelijke uitspraken.
Bent u bereid zich, ondanks het recente mislukken van EU-brede sanctionering van Ben-Gvir, opnieuw en met urgentie in te zetten voor EU-sancties tegen hem en Bezalel Smotrich? Zo nee, waarom niet?
Ja. Nederland blijft voorstander van en pleiten voor Europese sancties tegen deze Ministers. Tegelijkertijd stel ik vast dat er vooralsnog in het Europese krachtenveld onvoldoende beweging zit om te verwachten dat hierover op korte termijn overeenstemming wordt bereikt.
Bent u bereid, naar voorbeeld van het reeds bestaande Nederlandse inreisverbod voor Ben-Gvir, ook een nationaal inreisverbod in te stellen voor andere regerings- en Knessetleden van zijn partij Otzma Jehoedit, die zich schuldig maken aan vergelijkbare uitspraken en medeverantwoordelijk zijn voor voorstellen zoals de doodstrafwetgeving voor Palestijnse gevangenen? Zo nee, waarom niet?
Zoals bekend in uw Kamer besloot het kabinet in juli 2025 zich in te spannen om een aantal maatregelen in te stellen teneinde de regering-Netanyahu van koers te doen veranderen. Hierbij ging het onder meer om maatregelen tegen de Israëlische Minister Ben-Gvir en Minister Smotrich, die uit hoofde van hun functie als bewindspersoon herhaaldelijk geweld door kolonisten tegen de Palestijnse bevolking hebben aangewakkerd, voortdurend de uitbreiding van illegale nederzettingen bepleit en opgeroepen tot etnische zuivering in Gaza.
In het licht van de ernst van deze uitspraken steunde Nederland de voorstellen voor EU-sanctiemaatregelen jegens beide individuen, echter ontbrak hiervoor draagvlak in de Raad. Het kabinet verklaarde vervolgens Minister Smotrich en Minister Ben-Gvir tot persona non grata op grond van het nationale recht (de Vreemdelingenwet 2000), wegens het gevaar dat zij vormen voor de Nederlandse openbare orde en in het belang van internationale betrekkingen. Beide Ministers zijn in september 2025 als ongewenste vreemdelingen geregistreerd in het Schengen Informatie Systeem. Dit waren uitzonderlijke stappen en de onderliggende motivering gold ten aanzien van de specifieke casus van deze twee Ministers en de omstandigheden destijds. Dat is niet zonder meer het geval ten aanzien van andere gevallen. Het kabinet weegt in elke situatie of deze omstandigheden nopen tot een dusdanig vergaand nationaal besluit, of hiervan impact op de koers van de regering Netanyahu mag worden verwacht, en of daarvoor toereikende juridische gronden bestaan. Bovengenoemde overwegingen leiden op dit moment niet tot een vergelijkbare stap op nationaal niveau tegen andere regerings- en Knessetleden van de partij Otzma Jehoedit. Tegelijkertijd blijft het kabinet zich inspannen voor additionele maatregelen op EU niveau en sluit het, conform de motie Piri/Paternotte2, sancties tegen Israëlische bewindspersonen niet uit.
Het artikel “Regering-Trump start campagne om Internationaal Strafhof Den Haag te isoleren” |
|
Hanneke van der Werf (D66) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Heeft de regering van de Verenigde Staten de Nederlandse regering op de hoogte gesteld van het plan om het internationaal strafhof (ICC) te isoleren?1
Ja. Zo heeft de Amerikaanse regering op 18 augustus jl. een ambtsdrager en een medewerker van het Internationaal Strafhof op de Amerikaanse sanctielijst geplaatst.
Welke gevolgen kunnen de Amerikaanse maatregelen hebben voor medewerkers van het Internationaal Strafhof en hun gezinsleden, bijvoorbeeld wanneer banken hun rekeningen blokkeren, creditcards worden ingetrokken, verzekeraars hun dienstverlening beëindigen of digitale dienstverleners hun e-mail-, cloud- of telefoonvoorzieningen afsluiten? Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat medewerkers van het Hof hierdoor niet meer in hun dagelijkse levensbehoeften kunnen voorzien?
De opgelegde Amerikaanse sancties hebben gevolgen voor gesanctioneerde individuele ambtsdragers en hun gezinsleden. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om gevolgen op het gebied van bancaire dienstverlening, verzekeringen en digitale dienstverlening.
Als verdragspartij en gastland van het Hof heeft Nederland een aantal bijzondere verplichtingen om het functioneren van het Hof te faciliteren. Deze verplichtingen zijn vastgelegd in het Zetelverdrag tussen het Internationaal Strafhof en het Gastland.
Nederland zet zich in om deze gevolgen van maatregelen en sancties zoveel mogelijk te voorkomen en te mitigeren. Zo is er doorlopend overleg met het Hof en gesanctioneerde functionarissen over de impact van sancties en over mitigerende maatregelen. Op basis van deze gesprekken is er, samen met betrokken ministeries, contact met relevante dienstverleners om zogenoemde overcompliance te voorkomen en alternatieve oplossingen uit te werken waar dat nodig is.
Daarnaast bekijkt Nederland ook naar aanleiding van deze laatste ontwikkeling samen met het Hof en gelijkgezinde partners welke stappen genomen kunnen worden om het Hof te blijven beschermen waar nodig. Nederland zal zich aan de gastlandverplichtingen blijven houden, ook als dat door aanvullende maatregelen of sancties meer inzet vergt.
Hoe beschermt u medewerkers van het Internationaal Strafhof tegen reisbeperkingen en andere vormen van persoonlijke intimidatie, bijvoorbeeld wanneer zij geen visum meer krijgen, niet via Amerikaanse luchthavens kunnen reizen, familieleden niet kunnen bezoeken of worden geconfronteerd met dreiging, doxing of online intimidatie? Welke praktische en consulaire ondersteuning kan Nederland hen in dergelijke gevallen bieden?
Het is van groot belang dat ambtsdragers en medewerkers van het Internationaal Strafhof hun werk onafhankelijk en ongestoord kunnen doen. Reisbeperkingen, visumproblemen en intimidatiepogingen kunnen dat bemoeilijken. Het is zaak dat de 125 verdragspartijen er samen voor zorgen dat het Hof zo onbelemmerd mogelijk kan blijven functioneren.
Zoals eerder gesteld, staat Nederland in nauw contact met het Hof over veiligheidszorgen en praktische gevolgen van Amerikaanse sancties. Waar passend kan Nederland, in overleg met het Hof, diplomatieke ondersteuning bieden, bijvoorbeeld door problemen bij derde landen aan te kaarten in bilateraal of in EU-verband, of in de context van de Vergadering van verdragspartijen bij het Statuut van Rome.
Vanwege veiligheidsoverwegingen doet het kabinet publiekelijk nooit uitspraken over veiligheidsmaatregelen. Wel kan ik u verzekeren dat ten aanzien van intimidatie en inmengingsactiviteiten de betrokken gezagen in nauw contact staan met de Nederlandse veiligheids – en opsporingsdiensten en waar nodig passende maatregelen treffen.
Bent u het ermee eens dat deze campagne op gespannen voet staat met de plicht van Nederland als gastland om het ICC, diens rechters, aanklagers en medewerkers adequate bescherming te bieden, zodat zij onafhankelijk en ongestoord hun werk kunnen doen? Welke concrete risico’s brengt deze Amerikaanse campagne volgens u met zich mee voor de nakoming van de verplichtingen van Nederland als gastland?
Zie antwoord op vraag 2.
Verwerpt u de kwalificatie van de Amerikaanse Minister van Buitenlandse Zaken dat het Internationaal Strafhof en landen die het Hof ondersteunen een «oorlog» tegen de Verenigde Staten zouden voeren? Zo ja, bent u bereid dat ook rechtstreeks en publiekelijk tegenover de Amerikaanse regering duidelijk te maken?
De positie van de VS over het Internationaal Strafhof is niet nieuw, wel is de toon zorgelijk, evenals de directe druk op alle verdragspartijen. We voeren hierover al geruime tijd gesprekken met de VS en spreken ons uit over acties die het Hof ondermijnen. Die gesprekken gaan onverminderd door, ook rechtstreeks met de regering-Trump, waarbij onder meer onze zorgen over de campagne tegen het Internationaal Strafhof worden overgebracht en de daarbij gehanteerde kwalificaties worden ontkracht.
Nederland heeft daarnaast publiekelijk verklaard dat het als gastland en verdragspartij achter het Hof en zijn medewerkers staat en acties die het Hof ondermijnen ten zeerste afkeurt. Nederland geeft daarbij aan dat internationale hoven en tribunalen hun mandaat zonder (politieke) inmenging moeten kunnen uitvoeren. Deze boodschap heeft Nederland ook uitgedragen richting Europese lidstaten, Europese instellingen en Verdragspartijen bij het Statuut van Rome.
Heeft de Amerikaanse regering Nederland gevraagd of onder druk gezet om de politieke, diplomatieke, financiële, juridische of praktische steun aan het Internationaal Strafhof te verminderen? Zo ja, welke middelen of mogelijke consequenties zijn daarbij genoemd?
De inzet van de VS ten aanzien van het Internationaal Strafhof is recent door de VS uiteengezet in o.a. een persverklaring uitgebracht door het VS State Department. Deze boodschap heeft de VS inmiddels herhaald in bilaterale contacten.
Kunt u uitsluiten dat Nederland als gevolg van Amerikaanse druk zijn financiering, samenwerking, rechtshulp of overige steun aan het Internationaal Strafhof zal verminderen?
Nederland staat pal achter het Hof en zijn medewerkers en zal zich, samen met gelijkgezinde partners, onverminderd blijven inzetten om het Hof te beschermen en ondersteunen waar nodig. Het Internationaal Strafhof is de belichaming van het idee dat de vervolging van de meest ernstige misdrijven een gedeelde verantwoordelijkheid is van de internationale gemeenschap, zodat deze misdrijven niet onbestraft blijven.
Welke concrete noodmaatregelen zijn voorbereid voor het geval de Verenigde Staten sancties instellen tegen het Hof als organisatie, of Amerikaanse ondernemingen en financiële instellingen verbieden diensten aan het Hof te verlenen? Kunt u daarbij afzonderlijk ingaan op bancaire dienstverlening, betalingen, verzekeringen, IT- en clouddiensten, telecommunicatie en internationaal reizen?
Het kabinet anticipeert op verschillende scenario’s, waaronder mogelijke sancties tegen het Hof als organisatie, of bredere beperkingen op dienstverlening door Amerikaanse ondernemingen en financiële instellingen aan het Hof.
De getroffen voorbereidingen en het doorlopende werk dat het Hof hier met ondersteuning van gastland Nederland en andere verdragspartijen en dienstverleners op verricht kan vanwege de vertrouwelijkheid niet in detail worden toegelicht. Op alle in de vraag genoemde terreinen is en wordt op verschillende niveaus gewerkt aan mitigerende maatregelen en alternatieven.
Zoals gezegd doet Nederland dit niet alleen, het kabinet zet zich er doorlopend voor in om ook in EU-verband en met de andere 124 verdragspartijen dergelijke maatregelen voor te bereiden. Ook omdat dienstverlening aan het Hof ook buiten Nederland plaatsvindt.
Concreet heeft Nederland zich bijvoorbeeld al ingezet voor de mogelijkheid tot inzet en de verhoging van het Contingency Fund bij het Internationaal Strafhof en EU-maatregelen voor bescherming (incl. de voorbereiding van snelle activering van het Blocking Statute in EU-verband wanneer de Commissie daartoe een voorstel doet). Ook was Nederland aanjager en organisator van expertbijeenkomsten met EU-lidstaten, Verdragspartijen en dienstverleners over mitigatie om tot praktische oplossingen te komen om het hof te ondersteunen en mitigatiemaatregelen af te stemmen.
Wat is de huidige stand van zaken van de Nederlandse inzet voor Europese tegenmaat regelen, waaronder toepassing of uitbreiding van het Europese Blocking Statute? Bent u bereid nu actief te pleiten voor toepassing daarvan ter bescherming van het Hof en zijn medewerkers?
Zoals reeds aan de Kamer is gemeld, dringt Nederland steevast aan op een gezamenlijke aanpak in de EU om het Hof te beschermen en in algemene zin stappen te zetten op het terrein van EU-weerbaarheid en autonomie. In dat kader pleit Nederland actief voor het treffen van alle benodigde voorbereidingen voor toepassing van het Blocking Statute.
Indien de VS overgaat tot aanvullende maatregelen die het functioneren van het Hof significant belemmeren zal het kabinet, in nauwe samenwerking met het Hof en andere verdragspartijen, bezien welke stappen kunnen worden genomen om het Hof te blijven beschermen en ondersteunen waar nodig – waaronder toepassing van het Blocking Statute.
Het is aan de Europese Commissie om een voorstel te doen voor aan- en toepassing van het Blocking Statute. Dergelijke actie vraagt echter om een zorgvuldige afweging. Alle aspecten moeten daarbij worden meegewogen zoals timing, effectiviteit, diplomatieke inzet en belangen van het bedrijfsleven.
Wat is er gedaan sinds het in oktober 2024 aannemen van de motie van de leden Van der Werf en Becker over expertise op het terrein van femicide landelijk samenbrengen ter ondersteuning van een laagdrempelige 24/7-hulplijn?
Hoe staat het met de toezegging uit de voortgangsbrief van december 2025 dat u de meerwaarde van een onafhankelijke toegang tot hulp en ondersteuning via het Europese nummer 116 verder zou willen verkennen? Waarom is hierover niets terug te vinden in de meest recente voortgangsbrief van 3 juli 2026? Kunt u aangeven welke concrete stappen sinds december 2025 zijn gezet?
Kunt u toezeggen dat u niet gaat wachten op de verdere ontwikkeling van Veilig Thuis en een eventuele landelijke chatfunctie van Veilig Thuis voordat u aan de slag gaat met de verdere ontwikkeling van een laagdrempelig landelijk meldpunt, zoals nummer 116 voor onafhankelijke toegang tot hulp en ondersteuning voor slachtoffers van geweld in afhankelijkheidsrelaties?
Deelt u de mening dat een chatfunctie van Veilig Thuis niet de lading dekt van de verzoeken van de Kamer om een laagdrempelige landelijke hulplijn te realiseren? Zo nee, waarom niet?
Beschikt u over landelijke cijfers waaruit blijkt hoeveel slachtoffers die zich in een (acuut) onveilige situatie bevinden zelf contact opnemen met Veilig Thuis? Wordt daarnaast geregistreerd hoeveel van deze slachtoffers voor het eerst over het geweld vertellen en om hulp vragen («first disclosure»)? Zo ja, kunt u deze cijfers met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet en bent u bereid deze gegevens structureel te laten monitoren?
Bent u bekend met de voortgangsbrief van december 2025 met daarin een reactie op de petitie van Valente over 116? Op welke wijze zijn de voorstellen uit deze petitie en de daaropvolgende gesprekken met Valente betrokken bij de verdere uitwerking van uw beleid sinds december 2025?
Welke concrete voorwaarden moeten volgens u worden vervuld voordat het besluit tot de verdere ontwikkeling van 116 als onafhankelijke toegang tot hulp en ondersteuning wordt uitgevoerd, en kunt u de Kamer hierover uiterlijk op Prinsjesdag 2026 informeren?
Bent u bereid om alles op alles te zetten om voor de begrotingsbehandeling in 2026 een laagdrempelige 24/7 hulplijn die ook telefonisch bereikbaar is, bij voorkeur via het nummer 116, operationeel te hebben? Zo nee, waarom niet?
Kunt u de Kamer inzicht geven in de praktische en financiële consequenties van het realiseren van een hulplijn met daarachter een samenwerkingsverband van bestaande organisaties? Indien u niet van mening bent dat dit haalbaar is, kunt u dit onderbouwen met een overzicht van de belangrijkste knelpunten en de daarbij horende kosten?
Het besluit van het IOC om Russische sporters weer toe te laten tot internationale sportevenementen |
|
Hanneke van der Werf (D66), Renilde Huizenga (D66) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het besluit van het Internationaal Olympisch Comité (IOC) om de schorsing van het Russisch Olympisch Comité onder voorwaarden op te heffen en daarmee de weg vrij te maken voor terugkeer van Russische sporters naar internationale competities?
Ja.
Deelt u de verontwaardiging van de vraagstellers over het besluit van het IOC om Rusland weer toe te laten, terwijl het land nog altijd een agressieoorlog voert tegen Oekraïne, met dagelijkse raketaanvallen op steden en burgers?
Het kabinet is, vanwege de Russische agressieoorlog tegen Oekraïne, en de faciliterende rol die Belarus daarbij speelt, tegen deelname van Russische en Belarusische sporters onder nationale vlag of met nationale symbolen aan internationale sportwedstrijden. Het kabinet heeft uw Kamer op 24 juni jl. geïnformeerd over een precisering van het kabinetsstandpunt rond de deelname van Russische en Belarusische atleten en sportteams aan sportevenementen in Nederland.1
Deelt u de zorg dat dit besluit door Oekraïense sporters en hun families gevoeld zal worden als een klap in het gezicht, en als een signaal dat de internationale solidariteit met Oekraïne verzwakt? Zo ja, welke concrete stappen onderneemt u om dit bij het IOC en internationale sportorganisaties aan te kaarten?
Het kabinet deelt de zorgen dat deelname door Russische en Belarusische sporters aan internationale sportwedstrijden zorgt voor een vermindering van de internationale isolatie van Rusland en de solidariteit met Oekraïne kan verzwakken. Tegelijkertijd is het IOC een internationale autonome sportorganisatie. Het kabinet handelt daarom binnen de beschikbare mogelijkheden.
Vorige maand heeft het kabinet op initiatief van Estland een brief gericht aan de verantwoordelijk EU-Commissaris. Deze brief is ondertekend door acht andere EU-sportministers. Aanleiding voor de brief was dat meerdere internationale sportfederaties atleten uit Rusland en Belarus weer volledig toelaten tot sportevenementen, dus onder eigen vlag en nationale symbolen. In de brief wordt benadrukt dat Rusland en Belarus internationale sport nog steeds gebruiken voor politieke doeleinden, dat Oekraïense sporters door de oorlog niet onder gelijke omstandigheden kunnen trainen en deelnemen, en dat sport niet los kan worden gezien van politiek wanneer het door Russische en Belarusische regimes wordt ingezet. De brief benadrukt verder dat de Russische agressieoorlog een ernstige schending is van het internationaal recht en van fundamentele waarden van de internationale sport.
De EU-commissaris wordt in de brief verzocht om aanvullende stappen te nemen door EU-financiering en toegang tot EU-platforms op te schorten voor sportorganisaties, zoals het IOC, die niet handelen in lijn met principes als respect voor mensenrechten, de rechtsstaat en vreedzame betrekkingen tussen landen.
Deelt u de zorg dat dit besluit een eerste stap kan zijn richting bredere normalisatie en herintegratie van Rusland in andere sportieve en niet-sportieve fora? Zo ja, hoe verzet Nederland zich hiertegen, en welke stappen zet het kabinet om deze normalisering actief tegen te gaan?
Het kabinet deelt de zorg dat dit besluit een eerste stap kan zijn richting bredere normalisatie en herintegratie in sportieve en niet-sportieve fora. Het kabinet ziet dat Rusland sport inzet voor politieke doeleinden. Zolang Rusland deze agressieoorlog, mede gefaciliteerd door Belarus, doorzet, zal het kabinet alles binnen de beschikbare mogelijkheden doen om normalisatie van Rusland en Belarus in internationale sportevenementen tegen te gaan.
Zoals hiervoor al is opgemerkt, heeft het kabinet uw Kamer op 24 juni jl. geïnformeerd over een precisering van het kabinetsstandpunt rond de deelname van Russische en Belarusische atleten en sportteams aan sportevenementen in Nederland.2 Deze precisering kwam voort uit de recente ontwikkelingen waarin meerdere internationale sportfederaties en sportorganisaties de schorsing opheffen van Rusland en/of Belarus. Door het opheffen van deze schorsing bieden zij atleten en sportteams uit beide landen weer de mogelijkheid volledig – onder eigen vlag en nationale symbolen – deel te nemen aan internationale sportevenementen, ook in Nederland.
Het kabinet acht deelname aan sportevenementen in Nederland van Russische en Belarusische atleten en sportteams onder eigen vlag en nationale symbolen onwenselijk en zal binnen de beschikbare mogelijkheden al het mogelijke doen om deelname te voorkomen; dat geldt voor nationale sporters, landenteams en clubteams uit beide landen.
Welke voorwaarden gelden volgens het IOC voor de toelating van Russische sporters en hoe beoordeelt u de handhaafbaarheid en controleerbaarheid van deze voorwaarden?
Het kabinet heeft kennisgenomen van het besluit3 van het IOC van 7 juli jl. waardoor zowel individuele atleten als teams uit Rusland weer onder voorwaarden kunnen deelnemen aan de Olympische en Paralympische Spelen. Het IOC maakt op een later tijdstip bekend of dit besluit betekent dat atleten en sportteams uit Rusland onder eigen nationale symbolen – zoals een vlag en volkslied – mogen deelnemen. Het is daarbij belangrijk om te vermelden dat er op de Olympische Zomerspelen van 2024 in Parijs en de Olympische Winterspelen van 2026 in Milaan-Cortina al Russische individuele atleten deelnamen, zij het onder strikte voorwaarden. Met dit recente besluit van het IOC lijken de meeste restricties opgeheven. De weg is hiermee vrij voor deelname van (landen)-teams.
Het IOC geeft verder aan dat Rusland pas volledig kan terugkeren wanneer er voldaan wordt aan strikte anti-dopingvoorwaarden, in het bijzonder de voorschriften die zijn vastgelegd in de antidopingregels van het IOC en de internationale sportfederaties (IF's), evenals de door het World Anti-Doping Agency (WADA) vastgestelde richtlijnen.
Daarnaast moeten Russische atleten deel uitmaken van een nationaal antidopingprogramma van de Russische anti-dopingorganisatie RUSADA en het Russisch Olympisch Comité (ROC), waarvan de uitvoering is gedelegeerd aan de International Testing Agency (ITA). Verder moeten atleten die terugkeren naar de internationale sport vooraf meerdere keren zijn getest op basis van een risicoanalyse. De internationale sportfederaties (IF's) zijn verantwoordelijk voor het vaststellen van de periode waarbinnen deze controles moeten hebben plaatsgevonden en stellen, in samenwerking met de ITA, een passend testprogramma op, inclusief het vereiste aantal controles en de termijn waarbinnen deze moeten worden uitgevoerd.
Indien het World Anti-Doping Agency (WADA) voorafgaand aan de Olympische Spelen van Los Angeles 2028 het functioneren van RUSADA nog steeds als niet-conform de daartoe gestelde regels en richtlijnen beschouwt, zal het IOC de ITA opdragen erop toe te zien dat alle gekwalificeerde Russische atleten onafhankelijk zijn getest volgens dezelfde werkwijze.
Het IOC is een internationale autonome sportorganisatie. Het kabinet heeft geen direct zicht op de handhaafbaarheid en controleerbaarheid van deze voorwaarden.
Welke aanvullende waarborgen bestaan er om, gelet op de eerdere grootschalige staatsgestuurde dopingschandalen in Rusland, eerlijke en onafhankelijke dopingcontroles te garanderen?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u hierover in gesprek met NOC*NSF, Nederlandse sportbonden en Nederlandse topsporters? Zo ja, wat zijn de uitkomsten van die gesprekken? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?
Het kabinetsstandpunt, zoals omschreven onder het antwoord op vraag 4, is gedeeld met de Nederlandse sportbonden tijdens een bijeenkomst op 1 juli jl. met bondsdirecteuren. Tijdens deze bijeenkomst is stilgestaan bij wat het kabinetsstandpunt inhoudt enerzijds, en anderzijds hoe nationale sportbonden verplicht zijn om de regels te volgen van internationale sportfederaties, ook als zij Rusland weer volledig toelaten onder eigen nationale symbolen, en wat dit voor hen betekent.
Het kabinet is zich bewust van de praktische implicaties dat het kabinetsstandpunt met zich meebrengt. Immers, wanneer een nationale sportbond een EK of WK wil organiseren in Nederland is het verplicht de regels te volgen van de internationale sportfederatie waar zij aangesloten zijn. Ook als dat betekent dat Russische en/of Belarusische sporters worden toegelaten. Tegelijkertijd staat het nationale sportbonden vrij om hierover in overleg te treden met de betreffende internationale sportfederatie en te zoeken naar een passende oplossing.
Het kabinet erkent dat internationale sportfederaties autonoom zijn in de keuze om Russische en Belarusische sporters uit te nodigen voor internationale sportevenementen, ook voor evenementen in Nederland. Tegelijkertijd vindt het kabinet het onwenselijk dat atleten en sportteams uit deze landen onder eigen vlag en nationale symbolen meedoen aan sportevenementen in Nederland vanwege de voortdurende Russische agressie-oorlog tegen Oekraïne en facilitering door Belarus. Het kabinet doet daarom alles binnen de beschikbare mogelijkheden om deelname te voorkomen en blijft hierover in gesprek met NOC*NSF en de sportbonden.
Bent u voornemens binnen de Europese Unie of in overleg met gelijkgezinde landen op te trekken om een gezamenlijke positie in te nemen over de terugkeer van Russische sporters naar internationale sportevenementen?
Het kabinet acht deelname aan sportevenementen in Nederland van Russische en Belarusische atleten en sportteams onder eigen vlag, het volkslied en andere nationale symbolen onwenselijk.
Het kabinet acht het van belang dit standpunt actief uit te dragen en is hier actief over in gesprek met gelijkgezinde Europese landen en heeft dit onderwerp al geagendeerd in passende EU-gremia. Zo heeft het kabinet vorige maand op initiatief van Estland een brief gericht aan de verantwoordelijk EU-commissaris, zie ook de beantwoording van vraag 3. Deze brief is ondertekend door acht andere EU-sportministers. Het doel is te komen tot een gezamenlijke Europese lijn ten aanzien van het voorkomen van deelname van Russische en Belarusische atleten aan internationale sportcompetities onder eigen nationale symbolen. Het kabinet zal relevante ontwikkelingen delen met de Kamer middels de geannoteerde agenda en het verslag van Europese bijeenkomsten.
Wat is de Nederlandse inzet ten aanzien van een eventuele toekomstige terugkeer van de Russische vlag, het volkslied en officiële Russische vertegenwoordiging bij internationale sportevenementen en de Olympische Spelen, nu het IOC daarover nog geen definitief besluit heeft genomen?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bereid de Kamer voorafgaand aan eerstvolgende internationale overleggen over dit onderwerp te informeren over de Nederlandse inzet en de gesprekken die hierover worden gevoerd?
Zie antwoord vraag 8.
Het VN-rapport inzake mogelijke genocide en doelbewust geweld tegen Palestijnse kinderen in Gaza |
|
Mpanzu Bamenga (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
Berendsen , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het recente rapport van de onafhankelijke VN-onderzoekscommissie, waarin wordt geconcludeerd dat Israël zich schuldig maakt aan genocidale handelingen in Gaza en dat Palestijnse kinderen doelbewust zijn gedood en verwond door militair geweld?1
Ja.
Hoe beoordeelt het kabinet de conclusie van de VN-commissie dat sprake is van een patroon waarbij Palestijnse kinderen worden gedood, verwond en beroofd van hun toekomst door aanvallen op kinderen, scholen, weeshuizen en medische voorzieningen?
Het rapport geeft een hartverscheurend beeld van de situatie van kinderen in de bezette Palestijnse Gebieden. Het kabinet vindt de bevindingen van de VN-onderzoekscommissie zorgwekkend en neemt de daarin genoemde incidenten en patronen – waaronder meldingen van gerichte verwondingen en dodelijke schoten bij kinderen – zeer serieus. Het kabinet beschikt zelf niet over informatie die nodig zou zijn om met zekerheid vast te stellen dat sprake is van stelselmatig, doelbewust beleid van Israël om Palestijnse kinderen in de bezette Palestijnse Gebieden aan te vallen. Wel voedt onafhankelijk onderzoek, zoals dit onderzoek door de Commission of Inquiry (CoI), de afwegingen van het kabinet voor het bepalen van de Nederlandse inzet.
Herkent het kabinet zich in de conclusie van de VN-onderzoekscommissie dat Israëlische strijdkrachten Palestijnse kinderen in Gaza doelbewust doden en verwonden, wat onder meer blijkt uit terugkerende gevallen van enkelvoudige schotwonden aan hoofd of borst? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Welke juridische gevolgen verbindt het kabinet aan deze bevindingen, in het bijzonder in het licht van de Nederlandse verplichting om genocide te voorkomen en het internationaal humanitair recht te doen eerbiedigen?
Het kabinet is zich bewust van de inspanningsverplichtingen van Nederland als derde staat op basis van het Genocideverdrag en het humanitair oorlogsrecht, en neemt deze verplichtingen serieus. De reikwijdte van deze verplichtingen hangt af van de mogelijkheden om invloed uit te oefenen. Het kabinet weegt continu af op welke wijze het beste invloed kan worden uitgeoefend.
Welke consequenties verbindt het kabinet aan de ernstige bevindingen van de VN-commissie voor de Nederlandse relatie met de Israëlische regering?
Zie beantwoording vraag 4. Het kabinet hanteert een combinatie van druk en dialoog om Israël van gedrag te laten veranderen en om naleving van internationaal recht te bevorderen.
Welke stappen zet Nederland om te voorkomen dat Nederlandse goederen, technologie, dual-usegoederen, militaire onderdelen of doorvoer via Nederland bijdragen aan mogelijke oorlogsmisdaden, misdrijven tegen de menselijkheid of genocidale handelingen?
Het kabinet toetst alle individuele vergunningaanvragen voor de uit- en doorvoer van militaire en dual-use goederen per geval zorgvuldig aan de relevante Europese exportcontrolekaders. Daar waar duidelijke risico’s bestaan dat militaire goederen of dual-use goederen worden gebruikt voor ernstige schendingen van mensenrechten of het humanitair oorlogsrecht wordt een vergunningaanvraag afgewezen.
In de praktijk betekent dit dat het kabinet alleen vergunningen toewijst voor de uitvoer van militaire goederen die enkel defensief kunnen worden ingezet, zoals onderdelen voor het Iron Dome-luchtafweerysteem, en voor uitvoer van goederen ten behoeve van productie of onderhoud waarbij het eindgebruik niet in Israël ligt. Dat geldt eveneens voor de genoemde vergunningen.
Is het kabinet bereid in EU-verband te pleiten voor aanvullende maatregelen, waaronder gerichte sancties tegen verantwoordelijke Israëlische bewindspersonen en militairen en herziening van het EU-Israël Associatieakkoord? Zo nee, waarom niet?
Nederland blijft zich, in lijn met relevante moties en toezeggingen aan de Kamer, inzetten voor het realiseren van draagvlak voor de door de Europese Commissie voorgestelde EU-maatregelen, waaronder voor het voorstel om het handelsdeel van het EU-Israël Associatieakkoord gedeeltelijk op te schorten. Momenteel ontbreekt het draagvlak onder EU-lidstaten hiervoor. Daarnaast blijft Nederland een voortrekkersrol spelen in het sanctioneren van gewelddadige kolonisten en hun organisaties, alsook tegen Hamas en Palestinian Islamic Jihad (PIJ), en steunt het kabinet sancties tegen de extremistische Israëlische Ministers Ben-Gvir en Smotrich.
Welke inzet pleegt Nederland binnen de Europese Unie en de Verenigde Naties om onafhankelijke onderzoeken naar oorlogsmisdaden, misdrijven tegen de menselijkheid en mogelijke genocide in Gaza te ondersteunen?
Gedegen en onafhankelijk onderzoek is nodig om feiten te verzamelen en schendingen van internationaal recht vast te kunnen stellen. Onder andere middels Nederlandse financiering aan het kantoor van de VN Hoge Commissaris voor de Mensenrechten (OHCHR), in het bijzonder de Human Rights Inquiries Branch (HRIB), ontvangen onafhankelijke onderzoeksmechanismen van de VN zoals de Commission of Inquiry ondersteuning bij de uitvoering van hun onderzoek. Nederland steunt daarnaast ook in 2026 het landenkantoor van de OHCHR in de Palestijnse Gebieden, middels iets meer dan EUR 2,1 miljoen. In VN-verband roept Nederland op tot onafhankelijk onderzoek naar eventuele schendingen van internationaal recht, zoals meerdere malen gedaan tijdens open debatten over het Midden-Oosten van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties. Dit gebeurt tevens in Europees verband, zoals tijdens de Raad Buitenlandse Zaken. Nederland blijft zich inzetten voor de bevordering van accountability en het tegengaan van straffeloosheid.
Op welke wijze garandeert Nederland het onafhankelijk en onbelemmerd functioneren van het Internationaal Strafhof, het Internationaal Gerechtshof en andere bevoegde rechtsorganen om verantwoordelijken voor ernstige internationale misdrijven ter verantwoording te roepen?
Nederland is tegen iedere vorm van bedreiging en intimidatie van het Internationaal Strafhof, Internationaal Gerechtshof en andere bevoegde rechtsorganen, hun ambtsdragers en hun personeel en als zodanig door hen aangewezen getuigen. Het is van belang dat de organen hun mandaat onafhankelijk en onbelemmerd kunnen uitvoeren. Er moet wereldwijd gedegen en onafhankelijk onderzoek worden gedaan als er sprake is van mogelijke ernstige schendingen van internationaal recht, waaronder het humanitair oorlogsrecht. Nederland zet zich daar voor in en roept de partijen consequent op tot naleving van het internationaal recht. Nederland onderhoudt als gastland doorlopend contact met het Internationaal Strafhof en het Internationaal Gerechtshof, waarbij ook verschillende veiligheidszorgen aan de orde komen.
Wat gaat het kabinet doen met de aanbevelingen van deze VN-commissie?
Het rapport van de VN-commissie bevat enkele duidelijke aanbevelingen, waartoe Nederland ook al langere tijd oproept en die het uitvoert. Dit heeft onder andere betrekking op de herhaalde oproep van het kabinet tot het verlenen van vrije toegang aan humanitaire actoren, accountability, en de Nederlandse inzet voor sancties in EU-verband ten aanzien van extremistische kolonisten en de extremistische Israëlische Ministers Ben-Gvir en Smotrich. Tegelijkertijd mag de terreurorganisatie Hamas op geen enkele manier een rol spelen in het bestuur van de Palestijnse Gebieden. Het kabinet zet zich in voor een tweestatenoplossing: een onafhankelijke, democratische en levensvatbare Palestijnse staat naast een veilig Israël. Nederland zal deze inzet blijven voortzetten en hiertoe blijven oproepen in bilateraal en multilateraal verband.
Nederlandse staatsburgers in dienst van het Israëlische leger en mogelijke betrokkenheid bij internationale misdrijven |
|
Hanneke van der Werf (D66) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het onderzoek van Investico waaruit blijkt dat ten minste 645 Nederlandse paspoorthouders in het Israëlische leger (IDF) dienen, en dat meer dan twintig Nederlanders sinds oktober 2023 naar Israël zijn afgereisd om dienst te nemen?1
Ja.
Deelt u de zorg dat, gegeven het optreden van het IDF in Gaza – dat uw ministerie meermaals heeft gekwalificeerd als in strijd met het internationaal humanitair oorlogsrecht – én de aanwezigheid van honderden Nederlandse staatsburgers in het IDF, Nederlanders mogelijk betrokken zijn geweest bij het plegen van oorlogsmisdrijven? Zo nee, waarom niet?
De mogelijkheid dat Nederlanders, waar dan ook ter wereld, bijdragen aan internationale misdrijven is altijd een punt van aandacht. Daarom heeft Nederland ook rechtsmacht over internationale misdrijven die door Nederlanders in het buitenland worden gepleegd.
Deelt u de juridische opvatting dat voor de kwalificatie en de ernst van eventueel door Nederlanders gepleegde oorlogsmisdrijven geen relevant onderscheid bestaat op basis van het verband waarin deze zijn gepleegd, en dat de aard van de relatie die Nederland onderhoudt met het land of de organisatie in kwestie derhalve niet relevant is? Zo nee, op welke rechtsgrond maakt u dat onderscheid?
Ja. Het internationaal recht maakt alleen een relevant juridisch onderscheid tussen oorlogsmisdrijven begaan in een internationaal gewapend conflict en die begaan in een niet-internationaal gewapend conflict. Voor de ernst of strafbaarheid maakt het niet uit tot welke strijdende partij de verdachte behoort; de Wet internationale misdrijven maakt in de strafbaarstellingen geen onderscheid naar zijde van het conflict en ook de aard van de relatie die Nederland onderhoudt met het land of de partij in kwestie is juridisch niet relevant.
Deelt u de opvatting dat áls Nederlandse staatsburgers betrokken zijn bij het plegen van oorlogsmisdrijven – in het IDF of in enig ander verband – het onwenselijk is dat dit straffeloos passeert, en dat daarbij geen onderscheid gemaakt mag worden op grond van de politieke relatie die Nederland met het betreffende land onderhoudt? Zo nee, waarom niet?
Ja. Voorop gesteld moet worden dat het kabinet vindt dat het internationaal recht door eenieder moet worden nageleefd en dat straffeloosheid voor internationale misdrijven onaanvaardbaar is, ongeacht het verband waarin deze worden gepleegd en ongeacht de politieke relatie die Nederland met het betreffende land onderhoudt. De bestrijding van straffeloosheid voor internationale misdrijven middels het strafrecht is al jaren een speerpunt van het kabinet. Dit omvat nadrukkelijk ook gevallen waarbij Nederlanders als (mogelijke) verdachten in beeld komen. Het is daarbij telkens aan het Openbaar Ministerie om te beoordelen of sprake is van voldoende bewijs van mogelijke individuele strafbare betrokkenheid bij internationale misdrijven en of opsporing en (vervolgens) vervolging opportuun is.
Erkent u dat Nederland op grond van de Wet Internationale Misdrijven verplicht is mogelijke oorlogsmisdrijven door Nederlandse staatsburgers te onderzoeken en zo nodig te vervolgen, ongeacht waar en in wiens dienst deze zijn gepleegd? Zo nee, waarom niet?
De Wet internationale misdrijven verklaart de Nederlandse strafwet van toepassing op Nederlanders die buiten Nederland internationale misdrijven plegen. Daarmee kunnen mogelijke oorlogsmisdrijven gepleegd door Nederlanders worden opgespoord en vervolgd, ongeacht de locatie of in wiens dienst zij zijn gepleegd. Daarnaast vloeien uit verschillende internationale verdragen bepaalde verplichtingen voort waar het gaat om onderzoek naar personen die zich schuldig hebben gemaakt aan internationale misdrijven. Dit schept echter geen onvoorwaardelijke plicht om in elk individueel geval tot opsporing en vervolging over te gaan. Het is aan het Openbaar Ministerie om per geval te beoordelen of sprake is van mogelijk individueel strafbaar handelen, of er voldoende aanknopingspunten zijn voor strafrechtelijk onderzoek en, zo ja, of opsporing en vervolging opportuun zijn. Hierbij handelt het Openbaar Ministerie binnen de geldende wettelijke en verdragsrechtelijke kaders en met inachtneming van het opportuniteitsbeginsel.
Kunt u, nu het Ministerie van Justitie en Veiligheid heeft bevestigd dat mediaberichtgeving kan gelden als aanleiding voor onderzoek naar mogelijke betrokkenheid van Nederlandse onderdanen bij internationale misdrijven,2 uitleggen op welke grond de uitgebreide nationale en internationale berichtgeving over het optreden van het IDF in Gaza én de gerapporteerde aanwezigheid van enkele honderden Nederlandse staatsburgers in het IDF nog niet heeft geleid tot een proactief onderzoek naar mogelijke betrokkenheid van Nederlandse staatsburgers bij oorlogsmisdaden?
Hier kan het kabinet geen uitspraken over doen. Zie het antwoord op vraag 5.
In zijn algemeenheid kan daarnaast het volgende worden opgemerkt. Zoals ook is opgenomen in de meest recente Rapportage internationale misdrijven3, is het niet ongebruikelijk dat in het belang van het onderzoek aan het instellen van strafrechtelijk onderzoek in geval van internationale misdrijven geen ruchtbaarheid wordt gegeven. De opsporing van internationale misdrijven is complex en kan tijdrovend zijn, en vaak kan pas brede bekendheid worden gegeven aan een strafrechtelijk onderzoek als er voldoende bewijs voorhanden is om over te gaan tot aanhouding en strafvervolging.
Bent u bereid om, ook in afstemming met de Minister van Justitie en Veiligheid, een extra inspanning te leveren om mogelijke betrokkenheid van individuele Nederlanders bij ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht in Gaza, op de Westelijke Jordaanoever en in Zuid-Libanon beter in beeld te krijgen? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 5.
Bent u bereid, nu de Israëlische krijgsmacht heeft geweigerd informatie te verstrekken over Nederlandse staatsburgers die in het IDF dienen of hebben gediend,3 deze weigering aan de orde te stellen in bilateraal diplomatiek overleg met Israël en aan te dringen op alsnog verstrekking van die informatie? Zo nee, waarom niet?
Nee. Het kabinet merkt op dat dienstneming in de IDF door Nederlanders op zichzelf geen strafbaar feit is.
Herhaalde aanvallen van het Israëlische leger op medisch personeel in Libanon |
|
Hanneke van der Werf (D66), Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Berendsen , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «De eerste ambulance werd geraakt; toen de tweede, derde en vierde. Hoe Israël medisch personeel aanvalt in Libanon»?1
Ja.
Herkent u het beeld dat het Israëlische leger in Libanon zogenoemde double-tap-aanvallen uitvoert, waarbij hulpverleners die na een eerste aanval te hulp schieten herhaaldelijk opnieuw worden beschoten? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet ziet inderdaad dat herhaaldelijk sprake is van situaties waarin medisch en humanitair personeel dat toestroomt na een aanval wordt getroffen door een vervolgaanval. Aanvallen waarbij hulpverleners worden getroffen verontrusten het kabinet altijd, en dit geldt des te meer voor vervolgaanvallen, waarbij het risico aanzienlijk toeneemt dat hulpverleners worden getroffen. Het kabinet kent ook de cijfers van de Wereldgezondheidsorganisatie over het hoge aantal zorgverleners dat is omgekomen in Libanon sinds de start van het conflict op 2 maart. De impact van de geweldsescalatie tussen Israël en Hezbollah op hulpverleners en medische faciliteiten, en daarmee op de gehele hulpverlening, in Libanon is zorgwekkend.
Deelt u de conclusie van de door NRC geraadpleegde experts dat deze aanvallen in strijd zijn met het humanitair oorlogsrecht, in het bijzonder met de bescherming van medisch personeel en ambulances? Zo nee, waarom niet?
Volgens het humanitair oorlogsrecht genieten ziekenhuizen, medisch personeel en ambulances een speciale, beschermde status. Het doelbewust aanvallen van medische gebouwen, transporten of medisch personeel die herkenbaar zijn en hun neutrale taak uitvoeren, is een ernstige schending van het humanitair oorlogsrecht. Onder het Statuut van Rome van het Internationaal Strafhof is het opzettelijk aanvallen van medische gebouwen, medische eenheden en transporten gecategoriseerd als een oorlogsmisdrijf. De bescherming onder het humanitair oorlogsrecht vervalt alleen als een medische entiteit buiten haar humanitaire taak wordt gebruikt om handelingen te verrichten die schadelijk zijn voor de vijand.
Het kabinet onderstreept deze uitgangspunten en veroordeelt dan ook doelbewuste aanvallen op hulpverleners en medische faciliteiten. Tegelijkertijd kan in complexe conflictsituaties niet altijd worden vastgesteld wat de precieze omstandigheden zijn. Het kabinet dringt aan op transparant en onafhankelijk onderzoek naar mogelijke schendingen van het humanitair oorlogsrecht. Het is in eerste instantie aan de lokale autoriteiten om dergelijk onderzoek te doen. In dat kader steunt Nederland de komende vier jaar het Nationale Comité voor het Humanitair Oorlogsrecht (National International Humanitarian Law Committee) van Libanon met een financiële bijdrage, zodat dit onderzoek kan doen naar mogelijke schendingen van het humanitair oorlogsrecht.
Hoe beoordeelt u deze aanvallen op medisch personeel en ambulances in het licht van de verplichtingen van Israël onder artikel 2 van de EU-Israël Associatieovereenkomst?
Zoals bekend in uw Kamer waren in mei 2025 de humanitaire situatie in de Gazastrook, de situatie op de Westelijke Jordaanoever, en de Israëlische positie die wezen op de herbezetting van (delen van) de Gazastrook, Syrië en Libanon reden om de EU Hoge Vertegenwoordiger (HV) Kallas te verzoeken om een evaluatie van artikel 2 van het EU-Israël Associatieakkoord. Naar aanleiding van de conclusie van de HV en de Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) dat er aanwijzingen zijn dat Israël in strijd zou handelen met zijn verplichtingen onder artikel 2 van het Associatieakkoord heeft Nederland zich in EU-verband ingezet voor concrete EU-maatregelen. Het beoogde doel van de Nederlandse inzet voor maatregelen was de druk op te voeren en Israël van koers te doen veranderen. Hiervoor blijkt tot op heden te weinig draagvlak onder lidstaten. Niettemin blijft de kabinetsinzet ten aanzien van de opvolging van de evaluatie van Artikel 2 van het EU-Israël Associatieakkoord erop gericht om voldoende steun te vergaren voor EU-maatregelen.2
Is het kabinet bereid deze aanvallen scherp en publiekelijk te veroordelen, en dit ook rechtstreeks over te brengen aan de Israëlische regering? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet onderstreept dat militair optreden alleen binnen de kaders van het internationaal recht mag plaatsvinden. Dat betekent dat het humanitair oorlogsrecht, alsook het recht voor het gebruik van geweld door staten, door alle partijen moet worden gerespecteerd. Daar waar dat niet gebeurt of lijkt te gebeuren, spreekt het kabinet zich uit, voor en achter de schermen. Zoals uw Kamer bekend wijst het kabinet de Israëlische regering op zijn internationaalrechtelijke verplichtingen, waaronder de bescherming van burgers, hulpverleners en medische faciliteiten.
Hebben eerdere gesprekken met Israëlische Ministers en andere diplomatieke contacten geleid tot aantoonbare verandering in het optreden van het Israëlische leger? Zo nee, welke conclusie trekt het kabinet daaruit over de effectiviteit van diplomatieke waarschuwingen?
Het kabinet zet zich – met partners en naar vermogen – in om de situatie in Israël, de Palestijnse Gebieden en de bredere regio te de-escaleren en te verbeteren. Het kabinet benut daarvoor de goede relaties die Nederland heeft met zowel Israël als de Palestijnse Autoriteit, en staat in nauw en intensief contact met landen in de regio, o.a. om regionale spanningen te verlagen en humanitaire hulp te bieden. Zowel voor als achter de schermen is het kabinet actief om invloed uit te oefenen. Het kabinet brengt zorgen over het optreden van Israël in Libanon consistent op bij de autoriteiten.
Zoals bekend in uw Kamer is naast dialoog ook het opvoeren van druk een belangrijk onderdeel van de diplomatieke inspanningen, o.a. om gedragsverandering van Israël te realiseren Die inzet gaat door. Daarom zet het kabinet zich in EU-verband in om de draagvlak voor EU-maatregelen te vergroten
Is het kabinet bereid deze praktijken aan te grijpen om in Europees verband opnieuw en blijvend te pleiten voor spoedige politieke en handelsmaatregelen tegen Israël, zolang het Israëlische leger burgers, hulpverleners en medisch personeel blijft aanvallen? Zo nee, waarom niet?
Zie beantwoording vraag 4.
Welke concrete gevolgen verbindt het kabinet aan de relatie met Israël nu het Israëlische leger, na meerdere waarschuwingen, opnieuw hulpverleners, ambulances en medische voorzieningen blijkt aan te vallen?
Zie beantwoording vraag 6.
Een omstreden concept dat kinderen van hun ouders scheidt |
|
Hanneke van der Werf (D66), Marijke Synhaeve (D66) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hoe een omstreden concept kinderen van hun ouders scheidt: «Zolang ik niet leuk doe met mijn moeder, mag ik mijn vader niet zien»»?1
Acht u het wenselijk dat jeugdbeschermers op basis van een theorie die niet vaststaat en waarbij internationaal ernstige zorgen zijn over de schadelijke gevolgen van deze theorie, dergelijke ingrijpende beslissingen kunnen nemen over kinderen?
Welke jeugdbeschermingsorganisaties in Nederland werken vanuit deze of een vergelijkbare theorie en hoeveel kinderen zijn er – gebaseerd op deze theorie – uit huis geplaatst?
Op welke wijze wordt voorkomen dat onbewezen of onvoldoende wetenschappelijk onderbouwde werkwijzen – en in dit geval bewezen ineffectieve werkwijzen – een rol spelen bij beslissingen die kunnen leiden tot dermate ingrijpende maatregelen zoals beperking van contact met een ouder of gedwongen plaatsing bij een van beide ouders?
Deelt u de opvatting dat het volstrekt ongewenst is dat een werkwijze waarover onder wetenschappers en deskundigen aanzienlijke discussie bestaat in de praktijk leidt tot beslissingen waarbij kinderen, tegen hun uitdrukkelijke wens in, contact met een ouder verliezen of hun veilige plek thuis verliezen?
Deelt u de opvatting dat deze kinderen recht hebben op een onafhankelijke beoordeling van hun gevoelens, ervaringen en veiligheidsbeleving, en hoe wordt dit in de praktijk gewaarborgd?
Welke waarborgen bestaan er om te voorkomen dat signalen van onveiligheid, verwaarlozing of mishandeling onterecht worden geïnterpreteerd als uitingen van zogenaamde ouderverstoting, waardoor kinderen mogelijk juist niet beschermd worden tegen onveilige situaties?
Deelt u de opvatting dat bij ingrijpende beslissingen over kinderen de veiligheid van het kind leidend moet zijn, en hoe wordt getoetst of dit ook daadwerkelijk gebeurt wanneer beslissingen worden gebaseerd op een theorie waarvan de validiteit ter discussie staat?
Hoe bent u van plan om overzicht te krijgen van regionale handelwijzen en praktijken in de jeugdbescherming en jeugdzorg teneinde misstanden als deze te voorkomen en in te kunnen grijpen waar nodig?
Kent u het rapport «Femicide in de Nederlandse rechtspraktijk: juridische erkenning en straftoemeting»?1
Ja.
Waarom ontbreekt tot op heden een eenduidige definitie van femicide binnen de Nederlandse rechtspraktijk? Wanneer kan de Kamer een definitie verwachten?
Deelt u de mening dat het van belang is om tot een landelijke en juridisch toepasbare definitie van femicide te komen zodat politie, Openbaar Ministerie (OM) en rechtspraak hetzelfde toetsingskader hanteren? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat dat internationale organisaties zoals de World Health Organization en United Nations Women een bredere en explicieter gender gerelateerde definitie van femicide hanteren dan momenteel in Nederland gebruikelijk is? Zo ja, bent u bereid de definities en aanbevelingen van deze organisaties mee te nemen bij het opstellen van een Nederlandse definitie van femicide? En zo ja, wanneer kunnen we dat tegemoet zien?
Gaat u gevolg geven aan de aanbeveling uit het genoemde onderzoek om «femicidezaken» consequenter als zodanig te laten benoemen omdat dit zorgt voor een betere registratie en monitoring van femicide en bijdraagt aan maatschappelijke bewustwording van gender gerelateerd dodelijk geweld? Zo ja, op welke wijze gaat u deze aanbeveling uitvoeren? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening van respondenten uit het onderzoek die voorstander zijn «van de introductie van femicide of gender gerelateerde kenmerken als wettelijke strafverzwaringsgrond, omdat dit kan bijdragen aan het structureler (h)erkennen van gender gerelateerde kenmerken in de strafrechtspraktijk»? Zo ja, waarom en hoe gaat u hier gevolg aan geven? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening van de onderzoekers dat verdere specialisatie binnen de strafrechtpraktijk en versterking van kennis over gender gerelateerd geweld van belang is? Zo ja, waarom en hoe gaat u deze specialisatie bevorderen? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat rode vlaggen zoals stalking, dwingende controle, psychisch geweld, obsessief gedrag tijdens en zelfs na een relatiebreuk structureel beter moeten worden herkend? Welke concrete acties worden thans hiertoe ondernomen door de justitiële keten? Kunt u dat onderbouwen?
Bent u bereid in overleg te treden met het OM en de rechterlijke macht over het verbeteren van dossiervorming om femicide te kunnen herkennen en te erkennen?
Bent u bereid de mogelijkheid te bespreken om ook zaken waar sprake is van vrouwenmoord, maar de dader niet vervolgd kan worden omdat hij na de daad een einde aan zijn eigen leven heeft gemaakt in de toekomst ook te kunnen registreren als femicide?
Bent u bereid een kabinetsreactie inclusief voorgestelde maatregelen binnen zes weken naar de Kamer te sturen?
Ja, zoals reeds toegezegd in de aanbiedingsbrief.
Het bericht ‘Minister laat Gazanen met geldig visum nog altijd niet naar Nederland komen’ |
|
Hanneke van der Werf (D66), Kati Piri (PvdA) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Nederland, in tegenstelling tot andere Europese landen, geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om Gazanen met een Nederlands studievisum via een internationaal konvooi Gaza te laten verlaten?1
Deelt u de opvatting dat er weinig aanleiding kan zijn om personen van wie door de IND is vastgesteld dat zij recht hebben op tijdelijk studiegerelateerd verblijf in Nederland, geen mogelijkheid te bieden Gaza te verlaten?
Bent u, mede gelet op recente uitspraken van de Raad van State en de rechtbank over uw inspanningsverplichting richting Gazaanse MVV-houders, bereid zich ervoor in te spannen dat Nederlandse visumhouders kunnen deelnemen aan een volgend konvooi, zodat zij in Jordanië hun visumsticker kunnen ophalen?
Wilt u deze vragen zo snel mogelijk en uiterlijk binnen een week beantwoorden?
Het bericht ‘Zelenskyy threatens Israelis with sanctions over stolen grain’ |
|
Maes van Lanschot (CDA), Hanneke van der Werf (D66) |
|
Berendsen , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de beslissing van de Israëlische autoriteiten om tot tweemaal toe door de Europese Unie (EU) gesanctioneerde schepen uit de Russische schaduwvloot aan te laten meren en hen toe te staan graan uit door Rusland bezette delen van Oekraïne te exporteren?1
Ja.
Heeft u signalen dat Israël de afgelopen jaren vaker graan uit door Rusland bezette gebieden heeft geïmporteerd?
Het kabinet heeft deze signalen niet eerder ontvangen.
Hoe beoordeelt u deze stappen van de Israëlische regering en welk effect hebben die op de handhaving van sancties jegens Rusland?
Het kabinet veroordeelt stappen die bijdragen aan de illegale Russische agressieoorlog, ongeacht door wie deze worden begaan. Dat geldt ook voor de export van graan uit illegaal door Rusland bezet gebied in Oekraïne. Daarom heeft de EU extra sancties opgelegd tegen de Russische schaduwvloot, die betrokken is bij het transporteren daarvan.
Daarnaast heeft de Israëlische regering heeft op 30 april jl. ingegrepen toen bleek dat een schip met voornoemd Oekraïens graan wilde lossen in Israël. Nederland heeft richting Israël steun uitgesproken voor dit optreden.
Hoe beoordeelt u het financieren van de Russische oorlogskas in relatie tot het associatieakkoord tussen de EU en Israël, in het bijzonder artikel 2?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u het ermee eens dat het aankopen van graan uit illegaal door Rusland bezet gebied in Oekraïne bijdraagt aan de financiering van de Russische agressieoorlog op het Europese continent, en daarmee indruist tegen zowel Europese veiligheidsbelangen als het internationaal recht? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke stappen overweegt u richting de Israëlische regering om de import van dergelijk illegaal verkregen graan te stoppen?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid om, in navolging van Oekraïne, te streven naar aanvullende sancties tegen de bedrijven, entiteiten en functionarissen die op deze wijze bijdragen aan export uit bezet gebied? Zo ja, maakt u dit een inzet bij het 21ste sanctiepakket? Zo nee, waarom niet?
De EU heeft tot nu toe sancties ingesteld tegen vijf personen, vier bedrijven en negen schepen die betrokken zijn bij de export van graan uit de door Rusland bezette gebieden in Oekraïne. Deze sancties hebben ten doel om dit graan en daarbij betrokken personen, bedrijven en schepen van de Europese markt te weren, zonder de voedselzekerheid in derde landen te raken. Het kabinet steunt deze sanctie-inzet en draag hier actief aan bij.
Wilt u deze vragen zo snel mogelijk, een voor een, beantwoorden?
Er is getracht te voldoen aan een zo spoedig mogelijke beantwoording. Waar relevant is de beantwoording gebundeld.
Het gebrek aan psychische hulp voor kinderen in de vrouwenopvang |
|
Marijke Synhaeve (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nauwelijks psychische hulp voor kinderen in vrouwenopvang, scholen springen bij»?1
Ja.
Erkent u dat deze kinderen vaak zeer getraumatiseerd zijn, en wanneer zij niet de juiste zorg krijgen, deze trauma's doorwerken in alle levensterreinen van deze kinderen en dat zij hier hun hele toekomst last van kunnen houden?
Kinderen die heftige dingen hebben meegemaakt kunnen getraumatiseerd zijn. Het is inderdaad zo dat de impact van een trauma zowel korte- als lange termijn gevolgen kan hebben. Het is belangrijk dat kinderen in de vrouwenopvang en maatschappelijke opvang toegang hebben tot zorg als dat nodig is.
Kunt u reflecteren op welke concrete verbeteringen de afgelopen jaren daadwerkelijk gerealiseerd zijn voor kinderen in de vrouwenopvang in termen van bescherming, toegang tot passende ondersteuning en zorg, en continuïteit in hun ontwikkeling, als gevolg van het rapport van burgemeester Lenferink, vanuit zijn aanjagersrol op dit traject?2
Het rapport van Lenferink heeft geleid tot een keerpunt in de wijze waarop kinderen in de vrouwenopvang worden benaderd. Waar zij voorheen veelal werden beschouwd als meekomende gezinsleden van hun moeder, maakt Lenferink inzichtelijk dat kinderen zelfstandige slachtoffers zijn van huiselijk geweld, met eigen rechten en een eigen hulpvraag. Op basis van het rapport is in 2019 het normenkader «Kinderen in de opvang» opgesteld. Dit normenkader is later opgegaan in het normenkader «Veiligheid in de Vrouwenopvang» en gaat over alle cliënten in de vrouwenopvang, dus ook kinderen. Dit normenkader omschrijft de standaarden waar de opvanginstelling aan moet voldoen om het «Keurmerk Veiligheid in de Vrouwenopvang» te mogen voeren.
De veiligheid van kinderen wordt op basis van het normenkader niet langer uitsluitend indirect benaderd via de ouder, maar expliciet en systematisch beoordeeld. Hulpverleners brengen per kind de risico’s in kaart en treffen maatregelen om zowel de veiligheid te waarborgen.
De inzet is dat kinderen doorgaans een eigen hulpverleningsplan en begeleiding ontvangen die aansluit bij hun specifieke behoeften. Deze ontwikkeling heeft geleid tot een meer systematische en doelgerichte inzet van hulp, wat bijdraagt aan het herstel en welzijn van kinderen. Kanttekening hierbij is dat, waar het nieuwsbericht ook aan refereert, in de praktijk deze hulpverlening voor kinderen niet altijd tijdig op gang komt.
Het normenkader «Veiligheid in de Vrouwenopvang» vervult in deze ontwikkeling een cruciale rol. Het rapport van Lenferink beschrijft de noodzakelijke veranderingen en het normenkader heeft deze inzichten vertaald naar concrete, toetsbare normen voor de praktijk.
Dit laat onverlet dat in de praktijk de hulpverlening voor kinderen niet altijd goed op gang komt. Dit vind ik niet wenselijk. Daarom ben ik met de VNG in gesprek over maatregelen om de samenwerking tussen gemeenten te verbeteren, zodat knelpunten in de intergemeentelijke samenwerking worden voorkomen en de hulpverlening aan kinderen waar nodig goed op gang komt. Ik informeer u hier nader over in de Voortgangsbrief Jeugd die u voor de zomer ontvangt.
Kunt u daarbij ook ingaan op de vraag in hoeverre de kwaliteitsverbeteringen die beoogd zijn met deze instrumenten, waaronder de inzet van een aanjager en het werken met normenkaders, in praktijk daadwerkelijk afdwingbaar zijn, zowel richting gemeenten als richting opvangorganisaties?
Gemeenten zijn op grond van de Wmo 2015 en de Jeugdwet verplicht om veilige opvang te bieden aan slachtoffers van huiselijk geweld en kindermishandeling. Het keurmerk is een middel om veiligheid te concretiseren. Het normenkader is niet wettelijk afdwingbaar. Wel kunnen gemeenten bij de inkoop aan de opvanginstelling de eis stellen om het normenkader te hanteren. Het normenkader kan daarmee leiden tot een kwaliteitsverbetering. Maar gemeenten zijn vrij om hierin andere keuzes te maken.
Hoe beoordeelt u de huidige juridische positie van kinderen in de vrouwenopvang en maatschappelijke opvang, en acht u deze positie voldoende beschermd om te waarborgen dat kinderen daadwerkelijk als zelfstandige dragers van rechten worden behandeld en aanspraak kunnen maken op zorg?
Kinderen die in Nederland verblijven kunnen aanspraak maken op jeugdhulp als zij dat nodig hebben. Gemeenten zijn hiervoor verantwoordelijk. Dat geldt ook voor kinderen die verblijven in de vrouwenopvang of in de maatschappelijke opvang. Juist voor deze kwetsbare groep kinderen is het belangrijk dat passende jeugdhulp wordt ingezet. Mede naar aanleiding van de motie Van den Hil (Kamerstuk 29 325, nr. 185) heb ik met verschillende partijen waaronder VNG, Valente en Jeugdzorg Nederland onderzocht waar de knelpunten zitten. Gebleken is dat knelpunten zich voordoen op de intergemeentelijke samenwerking. Daarom ben ik met de VNG in gesprek over maatregelen om deze samenwerking tussen gemeenten te verbeteren, zodat deze kinderen passende hulp ontvangen. Ik informeer u hier nader over in de Voortgangsbrief Jeugd die u voor de zomer ontvangt.
Erkent u dat veel van deze kinderen professionele zorg nodig hebben, die niet geboden kan worden door het onderwijs, en hoe gaat u ervoor zorgen dat kinderen deze zorg ook daadwerkelijk krijgen?
Het klopt dat een deel van deze kinderen jeugdzorg nodig heeft. Gemeenten zijn hiervoor verantwoordelijk. Zoals ik in antwoord op vraag 5 heb aangegeven, doen zich soms knelpunten in de intergemeentelijke samenwerking voor. Ik ben met de VNG in gesprek om dit te verbeteren.
Kunt u uiteenzetten onder welke wettelijke regelingen en financieringsstromen de kindgerichte zorg wordt betaald die plaatsvindt binnen de vrouwenopvang en maatschappelijke opvang, waarbij gedacht kan worden aan ondersteuning bij onderwijs en pedagogische begeleiding, en kloppen de signalen dat hier geen structureel, herkenbaar budget per kind voor beschikbaar is?
Passende zorg voor kinderen binnen de vrouwenopvang en maatschappelijk opvang valt binnen het kader van de Jeugdwet. In de Jeugdwet is geregeld dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor de uitvoering en inkoop van jeugdzorg. Gemeenten krijgen hiervoor middelen uit het Gemeentefonds. Deze generieke manier van financieren via het gemeentefonds betekent inderdaad dat hiervoor geen structureel budget per kind te identificeren is. Wat nodig is varieert ook per kind.
Binnen het onderwijs hebben scholen een zorgplicht voor alle kinderen en zorgt het samenwerkingsverband passend onderwijs er, samen met de aangesloten schoolbesturen, voor dat er voor alle kinderen en jongeren zo passend mogelijk onderwijs en ondersteuning is. Ook voor kinderen in de vrouwenopvang of maatschappelijke opvang. Naast deze (extra) onderwijsondersteuning, is de gemeente aan zet voor het aanbieden van jeugdhulp. Daarnaast kunnen ook brugfunctionarissen3, de jeugdgezondheidszorg en professionals van lokale teams kinderen (en ouders) ondersteunen. Het is daarom van belang dat onderwijs en gemeenten goede afspraken maken over de samenhangende inzet van onderwijsondersteuning en jeugdhulp.
Zou u kunnen toelichten door wie specialistische zorg buiten de opvang voor deze kinderen, zoals jeugd-GGZ en overige jeugdhulp, wordt gefinancierd?
De financiering van jeugdzorg is een verantwoordelijkheid van gemeenten. Gemeenten krijgen hiervoor middelen van de Rijksoverheid via het Gemeentefonds.
Erkent u dat het naar elkaar wijzen van gemeenten in de praktijk kan leiden tot vertraging of uitstel van noodzakelijke zorg?
Het klopt dat het naar elkaar wijzen van gemeenten kan leiden tot vertraging of uitstel van de noodzakelijk zorg. Ik vind dit niet wenselijk. Op dit moment wordt in samenwerking met de VNG gekeken op welke wijze de intergemeentelijke samenwerking verbeterd kan worden. Ik informeer u hier nader over in de Voortgangsbrief Jeugd die u voor de zomer ontvangt.
Zijn er signalen bekend dat kinderen en/of vrouwen in de vrouwenopvang psychische zorg mijden, met het gevaar dat hun ouders of partner via de zorgverzekering kan achterhalen waar zij geplaatst zijn, zoals eerder al aangekaart is op gebied van medische zorg via motie Synhaeve c.s.?3
Ik heb recentelijk geen signalen ontvangen dat slachtoffers van huiselijk geweld zorg mijden uit angst dat ouders of partners via de zorgverzekeraar hun gegevens kunnen achterhalen. Naar aanleiding van de motie heeft overleg plaatsgevonden met Valente en Zorgverzekeraars Nederland om de bestaande regelingen voor gegevensafscherming van kwetsbare personen in kaart te brengen. Uw Kamer wordt hierover geïnformeerd in de voortgangsbrief Huiselijk Geweld en Kindermishandeling die ik voornemens ben voor het zomerreces te versturen.
De uitkomsten van de Hongaarse parlementsverkiezingen |
|
Felix Klos (D66), Joost Sneller (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
David van Weel (VVD), Berendsen , Pieter Heerma (CDA), Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Wat gaat u doen om het nieuwste sanctiepakket tegen Rusland, dat door Hongarije tot op heden werd geblokkeerd, zo spoedig mogelijk aangenomen te krijgen?
De Unie bereikte op 23 april jl. een akkoord over het twintigste sanctiepakket. Uw Kamer is hierover geïnformeerd in het verslag van de informele Europese Raad van 23 en 24 april jl.1 De inspanningen van het kabinet zijn er nu op gericht de druk op Rusland nog verder te verhogen met aanvullende sancties. Het kabinet heeft het belang hiervan ook benadrukt in contacten met de inkomende Hongaarse regering.
Wat gaat u doen om de circa € 90 miljard aan Europese steun voor Oekraïne, die tot op heden door Hongarije werd geblokkeerd, zo snel mogelijk op Europees niveau goedgekeurd te krijgen?
Op 23 april jl. bereikte de Raad akkoord op de benodigde amendering van de MFK-verordening. Hiermee is niet langer sprake van een blokkade. Op dit moment werken de deelnemende EU-lidstaten aan de verdere implementatie van de steunlening.
Wat gaat u doen om het toetredingsproces van Oekraïne, inclusief het openen van de onderhandelingsclusters die door Hongarije werden geblokkeerd, zo spoedig mogelijk te laten hervatten?
Beoogd premier Magyar heeft aangegeven dat kandidaat-lidstaten moeten kunnen toetreden tot de EU als ze daar klaar voor zijn. Dat is een belangrijk signaal. Het kabinet hoopt op een constructieve houding van Hongarije in het op merites gebaseerde toetredingstraject van Oekraïne. Het openen van Cluster 1 vormt hierin de eerstvolgende stap. Het kabinet roept hier ook toe op en zal deze boodschap ook bilateraal onder de aandacht brengen van de nieuwe Hongaarse regering. Naar verwachting zal discussie hierover plaatsvinden in Brussel in aanloop naar de Europese Raad op 18-19 juni a.s.
Aan welke voorwaarden moet Hongarije volgens het kabinet voldoen om weer in aanmerking te komen voor de eerder bevroren Europese middelen? Welke resultaten moeten er worden geboekt? En hoe voorkomt het kabinet dat de Commissie bevroren tegoeden uitkeert voordat het een transparante evaluatie heeft uitgevoerd van bereikte mijlpalen?
De voorwaarden waaraan Hongarije moet voldoen om weer in aanmerking te komen voor de geblokkeerde EU-middelen liggen op het terrein van anti-corruptie, belangenverstrengeling en rechterlijke onafhankelijkheid en zijn opgenomen als supermijlpalen in het RRF-uitvoeringsbesluit, als corrigerende maatregelen in het uitvoeringsbesluit voor maatregelen tegen Hongarije op grond van de MFK-rechtsstaatsverordening, en als horizontale en thematische randvoorwaarden in de Common Provisions Regulation.2 In lijn met de moties van Lanschot c.s. en Sjoerdsma c.s. pleit het kabinet er voor dat Hongarije deze hervormingen doorvoert voordat de geblokkeerde EU-middelen worden vrijgegeven.3
Overwegende dat er hoop is dat de afbrokkelende rechtsstaat in Hongarije door een nieuwe regering wordt hersteld, welke mogelijkheden ziet u om kennis en ervaring te delen, dan wel op andere wijze Hongarije te ondersteunen bij het herstellen van de rechtsstaat?
Het kabinet zal de nieuwe regering waar mogelijk bij deze hervormingen helpen, afhankelijk van de behoefte, bijvoorbeeld via het delen van kennis en expertise of ondersteuning van het maatschappelijk middenveld. Dit aanbod is in de eerste contacten met de beoogd Minister van Buitenlandse Zaken Anita Orbán al overgebracht.
Zijn er concrete mogelijkheden voor de Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Justitie en Veiligheid om in de vorm van expertise bij te dragen aan dit proces? Bent u bereid om op Europees niveau een voortrekkersrol te spelen bij het ondersteunen van het herstel van de Hongaarse rechtsstaat?
Ja. Nederland is bereid om, op verzoek en binnen EU-kader, expertise beschikbaar te stellen ter ondersteuning van rechtsstaathervormingen in Hongarije. Daarbij kan worden voortgebouwd op de wijze waarop eerder in EU-verband dialoog en uitwisseling met Polen hebben plaatsgevonden, onder meer via het delen van best practices en peer-to-peer samenwerking. Ondersteuning zou plaatsvinden in nauwe afstemming met Hongarije, de Europese Commissie en andere lidstaten.
Welke mogelijkheden ziet u om met een nieuwe Hongaarse regering stappen te zetten in de opvolging van de motie-Klos, die oproept tot het afschaffen van veto’s in het gemeenschappelijk buitenland- en defensiebeleid van de Europese Unie?
In lijn met motie Klos zet het kabinet zich in voor het afschaffen van veto’s in het Gemeenschappelijk buitenland- en veiligheidsbeleid (GBVB) van de Europese Unie. Dit is belangrijk voor de slagvaardigheid van de EU. Nederland maakt zich hier hard voor in EU verband. Het is nog onduidelijk wat de opstelling van de inkomende Hongaarse regering zal zijn op dit onderwerp. Verschillende lidstaten hebben echter principiële bezwaren tegen het afschaffen van veto’s, waardoor de inzet op het afschaffen van veto’s in het GBVB een kwestie van lange adem zal blijven. Nederland is nu eerst in gesprek met andere lidstaten over hoe we het beste dit doel kunnen bereiken. Daarbij is het ook van belang om dit onderwerp te zien in de bredere discussie over hoe effectiviteit van het EU-buitenlandbeleid kan worden vergroot.
Welke mogelijkheden ziet u om op andere dossiers doorbraken te realiseren na het aantreden van een pro-Europese regering in Hongarije?
Cf. motie Van Lanschot c.s.4 zal het kabinet zich er bij de Commissie voor inzetten dat Hongarije de rechtsstaat herstelt, zich opnieuw in lijn brengt met gedeelde waarden en het Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid zoals steun aan Oekraïne en sancties tegen Rusland, en de hervormingen doorvoert om te voldoen aan de voorwaarden voor Europese financiering. Beoogd premier Maygar heeft in zijn overwinningsspeech benadrukt een sterke bondgenoot voor de EU en NAVO te willen zijn. Op basis van eerste mediaoptredens van Magyar en de eerste contacten, is het kabinet hoopvol over een constructieve koers van Hongarije binnen de EU. Het kabinet kijkt uit naar samenwerking met de nieuwe regering.
In dat kader wordt ook gewerkt aan spoedige bilaterale contacten. Zo wordt gestreefd naar een ontmoeting met de beoogd Hongaarse Minister van Buitenlandse Zaken, Anita Orbán, en marge van de informele NAVO-ministeriële bijeenkomst in Helsingborg, Zweden, op 21-22 mei aanstaande. Tevens wordt ingezet op een bezoek aan Boedapest op ministerieel niveau op korte termijn.
Bent u bekend met het pleidooi voor een Europees «re-democratiseringsplan» voor Hongarije, waarin wordt voorgesteld dat de Europese Unie actief bijdraagt aan institutionele wederopbouw door democratische hervormingen structureel te ondersteunen en lidmaatschapsrechten sterker te koppelen aan het functioneren van democratische instituties, en bent u bereid zich op Europees niveau in te zetten voor de ontwikkeling en implementatie van een dergelijk plan? Zo ja, op welke wijze en met welke concrete voorstellen? Zo nee, waarom niet?
Ik ben bekend met dit pleidooi. Democratie is een kernwaarde van de Europese Unie. Het is in de eerste plaats aan lidstaten zelf om de democratie vorm te geven. Initiatieven van de Commissie kunnen daar ondersteunend aan zijn. Het kabinet onderschrijft het belang van dergelijke initiatieven die democratische instellingen binnen lidstaten versterken. Zoals blijkt uit antwoord op vraag 5 en 6 is Nederland bereid om bij te dragen aan benodigde democratische hervormingen in Hongarije daar waar dat toegevoegde waarde heeft.
Bent u bekend met het bericht «Palestijnse kinderen gemarteld in Israëlische cel: rapport Save the Children wijst op onhoudbare situatie»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de bevinding dat Palestijnse kinderen, van wie velen zonder formele aanklacht worden vastgehouden, in Israëlische detentie worden mishandeld en ondervoed en verstoken blijven van contact met hun familie, juridische bijstand en toegang tot hulporganisaties?
Het rapport bevat schokkende conclusies die niemand onberoerd laten. Jonge kinderen zijn kwetsbaar en verdienen juist bescherming. Foltering is onacceptabel. Het verbod op foltering is absoluut, en is een regel van dwingend internationaal recht. Het kabinet wijst Israël consequent op naleving van het internationaal recht, waaronder het Antifolteringverdrag. Ook roept het kabinet Israël al langere tijd op om de detentieomstandigheden van Palestijnen in Israëlische detentiecentra te verbeteren en het ICRC ongehinderde toegang te verlenen. In het bezoek van de mensenrechtenambassadeur afgelopen november is daar uitgebreid bij stilgestaan. Ik heb het rapport aan de orde gesteld bij de Israëlische Minister van Buitenlandse Zaken Sa’ar. Het kabinet verzoekt Israël om opheldering over de aantijgingen in het rapport, en vervolging van eventuele daders.
Is het grootschalig vasthouden van Palestijnse kinderen door Israël naar uw oordeel in lijn met het VN-Kinderrechtenverdrag, dat bepaalt dat kinderen uitsluitend als uiterste maatregel en voor de kortst mogelijke passende duur mogen worden gedetineerd?
Het Verdrag inzake de rechten van het kind bepaalt dat inhechtenisneming uitsluitend volgens de wet plaatsvindt en slechts als uiterste maatregel wordt toegepast, voor de kortst mogelijke passende duur. Het langdurig vasthouden van grote aantallen kinderen zonder enige vorm van proces in detentiefaciliteiten is in strijd met deze verplichting.
Bent u bereid in contacten met uw Israëlische counterparts met urgentie aan te dringen op onmiddellijke toegang van onafhankelijke hulporganisaties, zoals het Rode Kruis, en advocaten tot deze minderjarigen, en op het toestaan van contact tussen deze kinderen en hun ouders of verzorgers?
Ja. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Op welke wijze draagt Nederland momenteel bij aan juridische ondersteuning van Palestijnse minderjarige gevangenen? Ziet u mogelijkheden om steun te bieden aan advocaten en organisaties die rechtsbijstand verlenen aan Palestijnse minderjarigen in detentie?
Nederland draagt via partnerorganisaties bij aan het bewaken van de fundamentele rechten van gedetineerde Palestijnen, waaronder (het faciliteren van) juridische ondersteuning. Hierbij is een specifieke focus op kinderen in detentie.
Deelt u de mening dat deze constateringen wederom wijzen op schendingen door Israël van zijn verplichtingen onder het internationaal recht, en daarmee opnieuw aanleiding geven om actief te pleiten voor opschorting van het handelsdeel van het EU-Israël Associatieverdrag?
Zie het antwoord op vraag 2. Conform de toezegging aan uw Kamer en indachtig de motie Piri c.s.2 en motie Van der Werf/Lanschot3 heeft Nederland tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 21 april jl. verzocht om een update van de evaluatie van Israëls naleving van artikel 2 van het Associatieakkoord, om op basis daarvan de discussie in de EU verder te kunnen voeren. In de Raad was hiervoor onvoldoende steun. Voor de door een aantal lidstaten voorgestelde gedeeltelijke of volledige opschorting van het Associatieverdrag was eveneens onvoldoende steun in de Raad. De kabinetsinzet ten aanzien van de opvolging van de evaluatie van Artikel 2 van het EU-Israël Associatieakkoord blijft erop gericht om voorstellen voor EU-maatregelen, waaronder maatregelen op het gebied van handel, uitdrukkelijk op tafel te houden.4
Het bericht ‘Meer genitale verminking door migratie: Nederlandse cijfers vrouwenbesnijdenis stijgen’ |
|
Bente Becker (VVD), Hanneke van der Werf (D66) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Welke concrete stappen zijn er sinds het WODC-rapport «over grenzen» gezet om slachtoffers van genitale verminking beter in beleid te krijgen én beter te beschermen?1
In december 2025 heeft uw Kamer de beleidsreactie op dit onderzoek ontvangen. Daarin is benoemd dat zal worden verkend of en hoe preventieve beschermingsbevelen kunnen worden mogelijk gemaakt, mede in relatie tot het verbetertraject van het tijdelijk huisverbod waarin onder meer wordt bezien of er aanvullende bestuursrechtelijke beschermingsmaatregelen moeten worden gecreëerd. Deze beleidsverkenning is inmiddels gestart. De Kamer wordt voor het einde van het jaar over de voortgang geïnformeerd.
Wat is de stand van zaken van het toegezegde voorstel voor een beschermingsmaatregel in de vorm van een uitreisverbod bij een verdenking van genitale verminking? Wanneer wordt een voorstel hiertoe naar de Kamer gestuurd?
In het coalitieakkoord wordt de mogelijkheid tot een uitreisverbod bij risico op vrouwelijke genitale verminking en huwelijksdwang benoemd. In de beleidsverkenning naar de preventieve beschermingsbevelen wordt dit meegenomen. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1 is deze beleidsverkenning gestart en wordt de Kamer voor het einde van het jaar geïnformeerd over de voortgang.
Hoe verklaart u dat sinds het strafbaar stellen van vrouwenbesnijdenis in Nederland er nog nooit een strafzaak heeft plaatsgevonden? Welke maatregelen neemt u om de opsporing en strafrechtelijke aanpak van genitale verminking te versterken?
Tot op heden heeft er één vervolging plaatsgevonden, maar er zijn nog geen veroordelingen voor vrouwelijke genitale verminking of het aanzetten daartoe. Uit diverse onderzoeken2 blijkt dat de daadwerkelijke handhaving en opsporing complex is, onder meer door een gebrek aan concrete signalen en informatie over mogelijke dreiging.
Het overheidsbeleid richt zich met name op preventie en vroegtijdige signalering. Het kabinet zet in op bewustwording, bescherming en het versterken van de samenwerking tussen zorgprofessionals, politie en justitie om vrouwelijke genitale verminking te voorkomen en sneller in te grijpen bij vermoedens van dreiging. Voorbeelden hiervan zijn de meldcode eergerelateerd geweld, de verklaring tegen meisjesbesnijdenis, de e-learning voor professionals over deze geweldsvorm en diverse voorlichtingsactiviteiten en campagnes.
Hoe beoordeelt u de signalen dat slachtoffers moeilijk hulp kunnen vinden, bijvoorbeeld omdat zij de taal niet kennen of in een asielzoekerscentrum verblijven? Welke maatregelen neemt u om op korte termijn de toegang tot zorg voor deze groep te verbeteren?
Het is van belang dat ieder slachtoffer, ongeacht of zij de Nederlandse taal machtig is of niet, passende hulp ontvangt. Het kabinet zet zich in om de toeleiding naar hulpverlening te versterken en drempels richting passende ondersteuning en zorg te verlagen. Daarbij wordt onder meer ingezet op de versterking van de brugfunctie van sleutelpersonen binnen (gesloten) gemeenschappen.
Sleutelpersonen spelen een belangrijke rol bij het bereiken van mensen die de weg naar zorg niet vanzelfsprekend weten te vinden. Zij kunnen signalen vroegtijdig opvangen, bespreekbaar maken en toeleiden naar passende hulp. Het kabinet werkt op dit moment al samen met organisaties die specifieke contacten en ingangen hebben bij deze gemeenschappen. Deze organisaties zijn onderdeel van het Netwerkknooppunt Schadelijke Praktijken dat met subsidie van het Ministerie van VWS door Pharos wordt georganiseerd. Het netwerk zorgt voor het delen van informatie tussen relevantie organisaties en het versterken van samenwerking. Ook de betrokken departementen maken onderdeel uit van dit netwerk. Op deze manier wordt de inzet van sleutelpersonen, onder andere bij gemeenten en maatschappelijke organisaties, verder ondersteund. Daarnaast bestaan er diverse maatschappelijke initiatieven en organisaties die inzetten op het bereiken van deze doelgroepen, bijvoorbeeld Dokters van de Wereld.
Vrouwen en meisjes die zijn besneden kunnen met fysieke, mentale en seksuele klachten bijvoorbeeld naar de huisarts. De huisarts geeft reguliere zorg en kan doorverwijzen naar een specialist indien nodig. Om goede zorg te leveren kan de inzet van professionele tolk noodzakelijk zijn. Er zijn signalen bekend dat er knelpunten bestaan in de bekostiging van deze tolken. Het Ministerie van VWS, de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en het Zorginstituut werken op dit moment bekostigingsopties uit voor de inzet van tolken in de huisartsenzorg en andere vormen van zorg. Daarnaast worden ook binnen de Jeugdgezondheidzorg (JGZ) tolken ingezet indien nodig. De inzet van de JGZ is met name gericht op preventie; zij voeren gesprekken met ouders, geven voorlichting en voeren bij toestemming medische controles uit.
Dat vrouwen in asielzoekerscentra moeilijk hulp kunnen vinden is overigens niet een signaal dat als zodanig blijkt uit het onderliggende onderzoek van Pharos of uit het betreffende NRC-artikel.
Op of in de nabijheid van ieder asielzoekerscentrum is laagdrempelige toegang tot medische zorg geregeld via de zogeheten gezondheidszorg asielzoekers (GZA). In deze (huisartsen)praktijk is naast de huisarts ook een praktijkondersteuner voor geestelijke gezondheidszorg aanwezig. Om de taalbarrière te slechten kunnen tolken worden ingezet binnen de medische zorg voor asielzoekers maar ook door de medewerkers van het COA.
In het NRC-artikel komt overigens wel naar voren dat vrouwen in asielzoekerscentra vaak nog in de overlevingsstand zitten waardoor ze soms nog niet toe zijn aan voorlichting over besnijdenis. Dat is reden om niet enkel tijdens de fase van asielopvang aandacht en voorlichting te bieden over dit vraagstuk, maar dit ook te laten doorlopen in de latere fasen van het proces, bijvoorbeeld bij de inburgering en na gemeentelijke huisvesting.
Welke stappen zet u om de kennis in het onderwijs en bij zorgverleners, met name bij huisartsen, te vergroten? Hoe wordt daarbij ook de handelingsverlegenheid binnen deze groep wordt weggenomen?
De huisarts speelt een actieve rol in de vroegsignalering, aangezien de huisarts regelmatig in contact is met uiteenlopende doelgroepen. Tijdens consulten kan de huisarts signalen opvangen die wijzen op mogelijke onveiligheid. Huisartsen zijn verplicht te werken volgens de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, waarin specifieke stappen voor handelen bij vermoedens van huiselijk geweld zijn vastgelegd. Ook andere zorgprofessionals, waaronder artsen, verpleegkundigen, verzorgenden, sociaal werkers en wijkteams, vallen onder de Wet verplichte meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling. Zij zijn verplicht de meldcode toe te passen en te handelen volgens de vijf stappen. Beroepsgroepen werken met eigen afwegingskaders, gebaseerd op het landelijke basismodel, die ondersteunen bij de afweging om Veilig Thuis te consulteren of een melding te doen.
Om kennis en vaardigheden te vergroten wordt ingezet op deskundigheidsbevordering via opleidingen en trainingen, richtlijnen en handreikingen. Het verminderen van handelingsverlegenheid is daarbij een groot aandachtspunt. Professionals worden ondersteund met concrete handvatten voor signalering, gespreksvoering en het maken van afwegingen met aandacht voor cultuursensitief werken. Daarnaast worden professionals gestimuleerd om tijdig te overleggen en te consulteren, bijvoorbeeld met Veilig Thuis, zodat professionals zich gesteund voelen en eerder tot handelen overgaan bij vermoedens van onveiligheid. Specifiek gericht op huisartsen en verloskundigen werkt Pharos aan opleidingsmateriaal over vrouwelijke genitale verminking dat kan worden meegenomen in de beroepsopleiding. Voor de jeugdgezondheidszorg wordt een vernieuwde richtlijnmodule ontwikkeld die professionals handvatten biedt bij de gespreksvoering en registratie in geval van (vermoedens van) vrouwelijke genitale verminking. Daarnaast werkt het kabinet aan een verkenning voor een adviesplicht, waarbij meldcodeplichtige professionals verplicht advies zouden moeten vragen als zij vermoedens hebben van huiselijk geweld, waaronder vrouwelijke genitale verminking.
Dit jaar is voor onderwijsprofessionals extra scholingsaanbod georganiseerd door de Landelijke Vereniging van Aandachtsfunctionarissen Kindermishandeling, in samenwerking met de samenwerkingsverbanden passend onderwijs. Hierin is specifiek aandacht voor het werk van Veilig Thuis en goed gebruik van de meldcode. Deze bijeenkomsten vinden door het hele land plaats en zijn gratis toegankelijk voor professionals uit het onderwijs. In het verleden is er voor het onderwijs een specifiek handelingskader opgesteld gericht op goed gebruik van de meldcode kindermishandeling en huiselijk geweld. OCW besteedt zelf geregeld aandacht aan alertheid op signalen via nieuwsbrieven gericht op scholen in het primair en voortgezet onderwijs.
Kunt u de Kamer periodiek blijven informeren over de voortgang van de aanpak van genitale verminking?
Het onderwerp vrouwelijke genitale verminking heeft binnen het beleid onverminderd de aandacht. Gelet op de inhoudelijke samenhang tussen de aanpak van schadelijke praktijken en de bredere aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling wordt uw Kamer jaarlijks middels een integrale voortgangsbrief geïnformeerd over de voortgang, ook over de voortgang van de aanpak van genitale verminking.
Wat is de voortgang van de verbeterinitiatieven die zijn genomen voor en door de Koninklijke Marechaussee (KMar) om de indicatoren voor het onderkennen van een risico op vrouwelijke genitale verminking?
Omdat de grenswachter aandacht moet hebben voor meerdere vormen van grensgerelateerde criminaliteit, is het initiatief genomen om een applicatie voor de mobiele (dienst)telefoon te ontwikkelen die snel toegang geeft tot de indicatoren, waaronder die van vrouwelijke genitale verminking. Ook wordt er in samenwerking met de Rijksdienst voor Identiteitsgegevens gewerkt aan een uitbreiding van de beschikbare gezagsinformatie, waaronder de gezinssamenstelling. Inzicht in de gezinssamenstelling kan een bijdrage leveren bij het onderkennen van indicatoren die onder andere gerelateerd kunnen worden aan vrouwelijke genitale verminking. Hier wordt nog steeds aan gewerkt.
Heeft u de mogelijkheden met Schiphol geïnventariseerd om samen op te trekken in campagnes tegen vrouwelijke genitale verminking?
Ja. Het kabinet werkt in overleg met Schiphol aan een campagne gericht op potentiële slachtoffers van huwelijksdwang, achterlating, vrouwelijke genitale verminking en mensenhandel. Het doel is om potentiële slachtoffers die op het punt staan uit te reizen, te wijzen op de mogelijkheid van spoedhulp bij dreiging van bovengenoemde risico’s. De afgelopen maanden hebben we samen met veldorganisaties gekeken naar de opvolging door de KMar, de inzet van beschermingsmaatregelen en eventuele opvang en zorg (via Veilig Thuis). We werken op dit moment de campagne(uitingen) verder uit. De campagne is gereed voor de zomervakantie.
Hoe staat het met de verkenning vanuit SZW, VWS, JenV, OCW en AenM met partijen in het veld zoals toegezegd in de antwoorden op de schriftelijke vragen van het lid Becker op 22 mei 2025?
Deze verkenning is uitgevoerd door het vorige kabinet, om inzichten uit de praktijk op te halen voor eventuele nieuwe acties binnen de aanpak van schadelijke praktijken. Tegen die achtergrond is middels een expertsessie gekeken naar knelpunten in de aanpak, de behoeften van partijen in het veld en effectieve interventies. Deze verkenning heeft waardevolle inzichten opgeleverd, waaronder het belang van de inzet van sleutelpersonen en de noodzaak van een samenhangende interdepartementale aanpak. Deze inzichten worden binnen het huidig beschikbare financiële kader meegenomen in lopende of nog op te starten projecten en subsidies, onder meer gericht op het versterken van de samenwerking tussen betrokken partijen, het bevorderen van deskundigheid en het beter benutten van bestaande initiatieven.
De inzichten over de aanpak van vrouwelijke genitale verminking (en andere vormen van geweld zoals huwelijksdwang, achterlating en eergerelateerd geweld) zullen ook worden meegenomen in het nog op te stellen Nationaal Actieplan Geweld tegen vrouwen en Huiselijk Geweld.
Bent u bereid te kijken of en hoe het aanbevelen van genitale verminking strafbaar kan worden gesteld, dan wel beter kan worden vervolgd onder het huidige strafrecht?
Momenteel is het in het openbaar oproepen tot en verheerlijken van vrouwelijke genitale verminking in voorkomende gevallen al strafbaar, namelijk als anderen daarmee worden aangespoord tot het toebrengen van zulke genitale verminking. In dat geval kan immers sprake zijn van opruiing (artikel 131 Sr) of het aanzetten tot geweld tegen vrouwen wegens hun geslacht (artikel 137d Sr). Verder is het dwingen van vrouwen en meisjes om genitale verminking te ondergaan strafbaar (artikel 284 Sr).
In aanvulling op deze bestaande wetgeving, wordt gewerkt aan een implementatiewetsvoorstel ter uitvoering van de EU-richtlijn ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Richtlijn EU 2024/1385). Dit wetsvoorstel – dat naar verwachting op korte termijn aan de Afdeling advisering van de Raad van State zal worden aangeboden – bevat een aantal nadere aanscherpingen van het strafrechtelijk kader. Het gaat onder andere om het strafbaar stellen van degene die een vrouw of meisje ertoe dwingt of beweegt om vrouwelijke genitale verminking te ondergaan (of daar een poging toe doet). Daarmee wordt eveneens uitvoering gegeven aan de motie-Eerdmans om verheerlijking en propaganda van vrouwelijke genitale verminking strafbaar te stellen (Kamerstukken II 2024/25, 29 279, nr. 9619), zoals eerder toegezegd (Handelingen II 2024/25, nr. 89, item 3, p. 9). Hierdoor worden ook degenen die vrouwen of meisjes – ook zonder dat sprake is van dwang – (proberen) over te halen om zich te onderwerpen aan vrouwelijke genitale verminking, strafbaar.
Het bericht 'Zo’n 1700 politiemedewerkers keken in dossier over Lisa: ‘Onacceptabel’' |
|
Mahjoub Mathlouti (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van de NOS waarin wordt gemeld dat circa 1.700 politiemedewerkers hebben gekeken in het dossier inzake het onderzoek naar de dood van Lisa, zonder dat daarbij sprake was van een aantoonbare functionele noodzaak?1
Ik ben bekend met het bericht.
Kunt u bevestigen hoeveel medewerkers daadwerkelijk inzage hebben gehad in het betreffende dossier, over welke periode deze inzage heeft plaatsgevonden en om welke categorieën gegevens het daarbij ging? Was het gehele dossier inzichtelijk?
Ik heb uw Kamer in mijn Kamerbrieven van 9 maart en 20 maart jl. nader geïnformeerd over deze kwestie. Daarin heb ik aangegeven dat in mijn Kamerbrief van 3 maart jl. wisselend is gesproken over of er inzage is geweest in «politiesystemen» of in het «dossier». Hier had enkel moeten staan dat het om politiesystemen ging. De geraadpleegde systemen bieden onder meer inzicht in het berichtenverkeer van de meldkamer, de eerste bevindingen van de politiemedewerkers ter plaatse en de eerste onderzoekshandelingen. Er wordt niet gedoeld op het gehele dossier.
De politie voert gesprekken met betrokken medewerkers. Die gesprekken zijn bedoeld om de context van de bevragingen van de systemen vast te stellen en staan in het kader van bewustwording. De korpschef zal mij na afronding van dit proces informeren over het algemene beeld dat uit de bevindingen naar voren komt.
Waarom was deze zaak niet enkel toegankelijk voor personen met noodzaak daartoe? Welke tekortkomingen in toegangsbeheer of controle ziet u, zeker ten aanzien van zaken met een grote maatschappelijke impact zoals deze?
Politiemedewerkers moeten de ruimte krijgen om vanuit hun professionaliteit hun werk te doen; daar hoort bij dat er systemen zijn die bij een incident of melding snel relevante informatie beschikbaar stellen en de heterdaadkracht vergroten. Dat neemt niet weg dat politiemedewerkers zorgvuldig moeten omgaan met de informatie waartoe zij toegang hebben.
De autorisatie voor de diverse politiesystemen is gebaseerd op een zorgvuldige afweging ten aanzien van nut en noodzaak. Dat betekent dat autorisaties voor bijvoorbeeld een systeem waarin uitgebreide opsporingsinformatie is opgenomen beperkt zijn en zelfs per onderzoek en medewerker worden toegewezen. Andere systemen zijn juist gericht op het zo breed en snel mogelijk verspreiden van relevante informatie over bijvoorbeeld daders, zodat de heterdaadkracht direct na een melding wordt vergroot.
Naar aanleiding van de uitkomsten van het onderzoek, neemt de korpsleiding de bekendheid van de regels over het raadplegen van systemen onder de loep (autorisatiebeleid en opleiding). Ook wordt bekeken of aanvullende maatregelen nodig zijn op het gebied van informatiebeveiliging.
Deelt u de opvatting dat aandacht en bewustwording alleen niet kan voorkomen dat politiemedewerkers meekijken en structurele technische waarborgen dan ook noodzakelijk zijn om privacy te beschermen?
De politie kent verschillende maatregelen om de kans op ongeoorloofde inzage te verkleinen. Zo wordt ingezet op de bewustwording rondom de regels over het raadplegen van systemen. De toegang en autorisaties zijn per systeem ook anders ingericht, afhankelijk van de informatie die in het systeem staan. Autorisaties worden door leidinggevenden toegekend op basis van functie.
Tevens zet de politie in op het gebruik van protective monitoring. De korpsleiding heeft mij laten weten dat de politie per 1 januari 2025 landelijk is gestart met de invoering van protective monitoring. Protective monitoring is een systeem waarmee de logbestanden van de politiesystemen geanalyseerd worden, met als doel het vroegtijdig detecteren van afwijkend, risicovol en onrechtmatig gebruik van politiegegevens. Deze proactieve controle is momenteel actief op meerdere politiesystemen en wordt nog verder uitgebreid. Protective monitoring is nog niet volledig dekkend en daardoor is deze proactieve controle nog niet op alle politiesystemen mogelijk. Door middel van protective monitoring wordt permanent gelet op ongewone bevragingen van systemen en maakt tevens onderdeel uit van de aanpak van corruptie.
De korpsleiding beziet naar aanleiding van het onderzoek of het beleid ten aanzien van het raadplegen van systemen en de bekendheid daarvan binnen het korps aanpassing vraagt.
Is het (technisch) mogelijk dergelijke zaken af te sluiten en enkel toegankelijk te maken voor een noodzakelijk aantal personen? Welke mogelijkheden ziet u voor strengere autorisaties of verplichte motivering bij inzage in gevoelige dossiers?
Per systeem is de afweging gemaakt over de mate van afscherming. Indien nodig kunnen binnen systemen ook dossiers geheel worden afgeschermd. Veel systemen zijn juist bedoeld om politiemensen te informeren, bijvoorbeeld vanwege hun eigen veiligheid, maar ook om de heterdaadkracht direct na de melding te vergroten. In de praktijk blijkt iedere dag hoe effectief dat is en dat moet behouden blijven. Inzage in een geheel onderzoek-dossier vergt een aparte autorisatie in het informatiesysteem van de recherche en is per zaak voorbehouden aan een selecte groep medewerkers.
Zie verder het antwoord op vraag 4.
Hoe wordt momenteel gemonitord wie welke dossiers raadpleegt? Is daarbij ook sprake van actieve controle of slechts van controle achteraf zoals bij dit dossier naar aanleiding van een melding?
Zie het antwoord op vraag 4.
Hoe verhoudt dit incident zich tot eerdere signalen of onderzoeken over ongeoorloofde inzage binnen de politie? Is hier sprake van een incident of van een herhaling?
De politie heeft doorlopend aandacht voor ongeoorloofde inzage in de politiesystemen en rapporteert hierover in haar jaarverslag. De korpsleiding heeft mij geïnformeerd dat er in dit geval een onderzoek gestart is omdat er zeer concrete signalen waren over onterechte bevragingen en omdat er vertrouwelijke informatie over het onderzoek in de media is beland.
Kunt u de vragen individueel beantwoorden en deze antwoorden voorafgaand aan het commissiedebat over politie de Kamer doen toekomen?
Ja.
Het bericht 'Mediamagnaat Jimmy Lai krijgt twintig jaar cel in Hongkong' |
|
Derk Boswijk (CDA), Hanneke van der Werf (D66) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met berichtgeving dat de Hongkongse autoriteiten democratie-activist Jimmy Lai hebben veroordeeld tot 20 jaar gevangenisstraf, hetgeen, gelet op zijn leeftijd, in de praktijk kan neerkomen op een feitelijk levenslange straf?1
Ja.
Bent u het ermee eens dat een veroordeling op basis van het vermeende «collusion with foreign forces» geen grond heeft in de werkelijkheid en in belangrijke mate lijkt te zijn gericht op het neutraliseren van de pro-democratische oppositie in Hongkong? Zo ja, bent u bereid uw zorgen over deze arbitraire veroordeling aan te kaarten bij uw Chinese ambtgenoten? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is van mening dat uitvoering van de Nationale Veiligheidswet een negatief effect heeft op het democratisch proces en de rechtsstaat in Hongkong. De rechtszaak tegen Jimmy Lai maakt onderdeel uit van een bredere campagne van beperking van vrijheid van meningsuiting in Hongkong.
Onze serieuze zorgen over de veroordeling van de heer Lai en de hoge opgelegde strafmaat zijn in diplomatieke contacten overgebracht aan de Chinese autoriteiten. Daarbij is gewezen op het feit dat dit vonnis haaks staat op de verantwoordelijkheden die de Hongkongse autoriteiten hebben om de vrijheid van meningsuiting te beschermen als partij bij het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.
Bent u bereid om in contacten met Chinese ambtgenoten het lot van Jimmy Lai en dat van de honderden andere politieke gevangenen in Hongkong structureel en expliciet aan de orde te blijven stellen? Zo ja, bent u bereid om in publieke (online) verslaglegging of via sociale media te refereren aan de inhoud van deze gesprekken? Zo nee, waarom niet?
De mensenrechtensituatie in Hongkong wordt op verschillende niveaus in gesprekken met Chinese gesprekspartners opgebracht, zowel bilateraal en in EU-verband als in multilaterale fora. Als het mogelijk is om de inhoud van deze gesprekken te delen, dan zal ik dat doen, maar daarbij merk ik op dat veel van deze gesprekken een vertrouwelijk, diplomatiek karakter hebben. Publieke verslaglegging daarvan, al dan niet via sociale media, is niet altijd mogelijk, omdat het de vertrouwelijkheid kan schaden en niet bijdraagt aan een openhartige uitwisseling van standpunten.
Bent u bereid om verontwaardiging over deze arbitraire veroordeling publiek kenbaar te maken door nationaal of in multilateraal verband een veroordelend statement uit te brengen? Zo ja, wanneer? Zo nee, waarom niet?
Eerder heeft Nederland samen met EU -en gelijkgestemde landen verschillende keren zorgen uitgesproken over de voortgaande beperkingen van de persvrijheid in Hongkong en de onderdrukking van lokale media, waaronder de gedwongen sluiting van de krant Apple Daily en de arrestatie van eigenaar Jimmy Lai. De Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) gaf via sociale media een verklaring af op de dag dat de strafmaat bekend werd gemaakt. Daarin betreurde EDEO de hoge strafmaat, kwalificeerde de Dienst de rechtszaak tegen hem als politiek gemotiveerd en riep hij op tot vrijlating van de heer Lai. Nederland heeft deze verklaring ondersteund.
Welke concrete acties onderneemt Nederland momenteel om de persvrijheid in China en de regio te beschermen en te bevorderen, en welke ruimte ziet u om deze inzet verder te versterken of op te schalen?
Vrijheid van meningsuiting online en offline is een van de prioriteiten binnen ons Nederlandse buitenlandse mensenrechtenbeleid. Nederland zet zich daardoor wereldwijd in voor de bescherming van journalisten en het bevorderen van persvrijheid. Dit doen we concreet, ook met betrekking tot China en Azië, door onze steun te verlenen aan cross-regionale verklaringen en coalities, zoals de Media Freedom Coalition (MFC) en de Freedom Online Coalition (FOC). Daarnaast investeert Nederland 20 miljoen euro in de veiligheid van journalisten en mediawerkers via het centrale Mensenrechtenfondskader via het Safety for Voices programma (2023–2027). Vanuit het gedelegeerde Mensenrechtenfonds worden via ambassades projecten en evenementen georganiseerd ter bevordering van persvrijheid en veiligheid voor journalisten. Nederland blijft doorlopend samen met partners kijken hoe deze inzet, ook in China en Azië, nog meer effect kan sorteren. Vanwege de veiligheid van partners ter plekke kan het kabinet niet in detail treden over welke organisaties Nederland exact steunt.
Acht u deze veroordeling van invloed op het investeringsklimaat en de rechtszekerheid in Hongkong, en wordt dit betrokken bij het Nederlandse en Europese beleid ten aanzien van China en Hongkong?
Het kabinet is van mening dat handhaving van de rechtsstaat en bescherming van rechten en fundamentele vrijheden, inclusief de vrijheid van meningsuiting, belangrijke factoren vormen voor een aantrekkelijk investeringsklimaat. Bedrijven nemen dergelijke factoren in overweging bij het uitvoeren van hun investeringsplannen. De veroordeling van Jimmy Lai kan in die zin van invloed zijn op het vertrouwen in het investeringsklimaat in Hongkong. Nederland en de Europese Unie benadrukken in gesprekken met de autoriteiten van China en Hongkong de cruciale rol die rechtszekerheid speelt bij het aantrekken van investeringen.
Wilt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.