De brief van de minister over “Wijziging van de Wet verbod pelsdierhouderij in verband met een vervroegde beëindiging van de pelsdierhouderij” van 22 november 2021 en eerdere toezeggingen aan de sector |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Henk Staghouwer (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat de Wet verbod pelsdierhouderij voorziet in de bevoegdheid om pelsdierhouders een tegemoetkoming te verlenen bij, zoals in de wet omschreven, «onbillijkheden van overwegende aard die zich als gevolg van de wet voordoen ten aanzien van de pensioenvoorziening»?1
Ja.
Weet u dat de regeling eind 2021 uitgewerkt zou zijn en aangegeven is dat het streven was om uiterlijk begin 2022 informatie op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) te plaatsen over verdere invulling van de pensioenvoorziening en de gegevens die RVO nodig heeft in de beoordeling van aanvragen?
Ik heb inderdaad aangegeven dat het streven was om uiterlijk begin 2022 informatie over de pensioenvoorziening te plaatsen op de website van RVO. Pelsdierhouders kunnen een aanvraag indienen om compensatie van pensioenschade, er wordt geen regeling opgesteld. Op deze manier wordt invulling gegeven aan de bevoegdheid van de Minister van LNV om oudere pelsdierhouders te voorzien in een compensatie van pensioenschade, voor zover de pensioenschade onevenredig uitpakt als gevolg van de Wet verbod pelsdierhouderij en ten opzichte van andere pelsdierhouders in dezelfde leeftijdscategorie.
Realiseert u zich dat het hier gaat het om de situatie van pelsdierhouders die 55 jaar of ouder waren op 1 januari 2014 en waarbij sprake is van een «individuele disproportionele last» als gevolg van de wet ten aanzien van alle andere pelsdierhouders in die leeftijdscategorie en dat een deel van de pelsdierouders inmiddels wel de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt maar nog steeds geen pensioenvoorziening heeft ontvangen?
Ja.
Bent u ermee bekend dat nog steeds niet duidelijk is wanneer een pelsdierhouder in aanmerking kan komen voor een pensioenvoorziening, dus wanneer aan de criteria van artikel 11 van de Wet verbod pelsdierhouderij is voldaan en dit veel onzekerheid met zich mee brengt?
Ja.
Kunt u aangeven waarom het niet gelukt is om tijdig duidelijkheid aan de pelsdierhouders te verstrekken? En kunt u aangeven wat u tot nu hebt gedaan om hier voldoende prioriteit aan te geven?
Toekomstige aanvragen voor de compensatie van pensioenschade vergen een complexe beoordeling en fiscale berekening. De complexiteit van de beoordeling zit ten eerste bij het controleren of de pensioenschade het gevolg is van de Wet verbod pelsdierhouderij. En ten tweede moet de aanvrager onevenredig nadeel hebben ten opzichte van andere pelsdierhouders uit dezelfde leeftijdscategorie. Indien vastgesteld kan worden of er sprake is van pensioenschade, dan moet vervolgens de hoogte daarvan worden berekend. Dit vraagt maatwerk per individuele aanvraag. Tegelijk wil ik willekeur en rechtsongelijkheid voorkomen. Dat vraagt een goede onderbouwing en een zorgvuldig proces. Om de hoogte van de pensioenschade te kunnen berekenen is een adviesrapport opgesteld door PricewaterhouseCoopers. In het rapport is een methode uitgewerkt die gehanteerd wordt bij de fiscale beoordeling van verzoeken voor compensatie van pensioenschade. Het rapport gaat onder andere in op verschillende stappen die doorlopen worden om de fiscale berekening uit te voeren en op de verschillende rechtsvormen van de ondernemingen. Om de besluitvorming te kunnen ondersteunen, wordt op dit moment gezocht naar een externe partij die zal adviseren over de aanvragen die ingediend worden.
Wanneer kunnen de pelsdierhouders geïnformeerd worden over de verdere invulling van de pensioenvoorziening en kunnen de aanvragen worden ingediend?
Naar verwachting zullen pelsdierhouders vanaf de zomer geïnformeerd worden over de verdere invulling van de pensioenvoorziening. Waarschijnlijk zullen aanvragen vanaf kwartaal vier ingediend kunnen worden.
En weet u ook dat PricewaterhouseCoopers (PwC) in opdracht van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) een onderzoek uitvoert over de handvatten die gebruikt kunnen worden bij de fiscale beoordeling die uitgevoerd moet worden om te beoordelen wanneer er fiscaal sprake is van een tekort in de pensioenopbouw?
Ja.
En wat is de status van bovengenoemd onderzoek?
Dit onderzoek is afgerond.
Mogelijke ontkenning van de Armeense Genocide door de regering |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de social media communicatie van Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport naar aanleiding van zijn bezoek aan Armenië ter gelegenheid van de herdenking van de Armeense Genocide?1
Ja, ik ben bekend met de communicatie over het bezoek dat de Staatssecretaris Volksgezondheid, Welzijn en Sport namens het kabinet aan Jerevan bracht.
Waarom is er gekozen voor de woordkeuze «verschrikkelijke gebeurtenissen» ter beschrijving van de Armeense Genocide?
Het is duidelijk dat in 1915 een grootschalige moordpartij heeft plaatsgevonden op Armeniërs en dat de gebeurtenissen vreselijk waren en groot leed hebben veroorzaakt.
Erkent de regering de Armeense Genocide als een genocide?
Het kabinet heeft de motie Voordewind c.s. (Kamerstuk 21 501-02, nr. 2277) over dit onderwerp in beraad. Zoals de Kamer bekend (Kamerstuk 35 925-V, nr. 84) zal Nederland in de komende maanden met een aantal gelijkgestemde EU lidstaten spreken over de erkenning van genocides. Daarbij zal worden verkend hoe deze landen aankijken tegen het gezamenlijk erkennen van genocides en onder welke voorwaarden daartoe zou kunnen worden overgegaan. Voor Nederland geldt dat uitspraken van internationale gerechts- of strafhoven, wetenschappelijk onderzoek en/of vaststellingen door de VN Veiligheidsraad hierbij zwaarwegend zijn.
Zo ja, waarom wordt dat niet publiekelijk gecommuniceerd?
Zie het antwoord op vraag 3 waaruit volgt dat dit niet van toepassing is.
Zo nee, waarom niet?
Voor het Nederlandse kabinet ligt de nadruk op de noodzakelijke acceptatie en verwerking van het verleden door Armenië en Turkije. Nederland hoopt dan ook dat Turkije en Armenië met elkaar hierover het gesprek voeren, met het oog op een duurzame verzoening.
Begin maart 2017 ontving het kabinet het gezamenlijk advies van de Commissie van advies inzake volkenrechtelijke vraagstukken (CAVV) en de Extern Volkenrechtelijk Adviseur (EVA) over het gebruik door politici van de term «genocide». Het Kabinet had om dit advies gevraagd ter uitvoering van de motie Voordewind c.s. (Kamerstuk 34 550 V, nr. 32), aangenomen op 29 november 2016. In deze motie werd het kabinet opgeroepen om de CAVV en de EVA te vragen een gemeenschappelijk rapport voor te bereiden met als doel duidelijkheid te scheppen rondom de wenselijkheid, mogelijkheden en betekenis van het gebruik van de term «genocide» door politici, zowel in algemene zin als ten aanzien van wreedheden begaan door IS. De CAVV en EVA lieten, in hun advies, historische kwesties nadrukkelijk buiten hun advisering: zij beperkten zich tot lopende situaties. Volgens de CAVV en EVA zijn bij historische situaties vooral vragen over genoegdoening en excuses aan de orde, hetgeen voor het kabinet primair een zaak is tussen de betrokken partijen.
Zo nee, kunt u toelichten welke belangen de regering ervan weerhouden de Armeense Genocide te erkennen?
Zie het antwoord op vraag 5.
Bent u bekend met motie Voordewind (kamerstuk 34 775 V, nr. 56) waarin de Tweede Kamer de genocide op Armeniërs, Assyriërs, Pontische Grieken en Arameeërs erkent?
Ja.
Bent u van mening dat de regering tijdens haar bezoek aan Yerevan, en de communicatie daarover, in lijn met deze motie heeft gehandeld?
De motie Voordewind betreft een vaststelling van de positie van uw Kamer. De positie van het kabinet is ongewijzigd en is u bekend.
Conform motie Voordewind (Kamerstuk 34 775 V, nr. 57) neemt ieder lustrumjaar een kabinetslid deel aan de herdenking in Jerevan. In 2020, het 105e lustrumjaar, is dat niet gelukt. Het kabinet heeft dat ingehaald tijdens de herdenking in 2022. Deelname van een kabinetslid is belangrijk om respect en medeleven te betuigen.
Bent u ervan op de hoogte dat ontkenning van de Armeense Genocide veel pijn en leed aanbrengt in de Armeense gemeenschap in Nederland?
Het kabinet doet geen uitspraak over of de gebeurtenissen van 1915/1916 een genocide betreft. Dit betekent noch erkenning noch ontkenning. Ik ben bekend met het feit dat ontkenning erg gevoelig ligt bij de Armeense gemeenschap.
Als de Nederlandse regering wel de Armeense Genocide erkent, zou u daar in de toekomst dan helder over willen communiceren?
Het kabinet is in beraad over de uitvoering van de motie Voordewind (Kamerstuk 21 501-02, nr. 2277). Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 3.
Als de Nederlandse regering de Armeense Genocide niet erkent als genocide, bent u dan bereid dit alsnog te heroverwegen in de ministerraad?
Zie antwoord vraag 10.
Zou u elke vraag apart willen beantwoorden?
Ja.
'Emissies naar lucht uit de landbouw berekend met NEMA voor 1990-2019' van Bruggen et al en de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant inzake emissie arme stallen van 8 april 2022. |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink , Henk Staghouwer (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «Emissies naar lucht uit de landbouw berekend, 1990–2019. Berekeningen met het model NEMA»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat dit rapport c.q. de berekeningen en resultaten van dit rapport worden gebruikt voor rapportage naar de Europese Commissie inzake de richtlijn National Emission Ceilings (NEC), als basis van beleidsevaluaties en emissieramingen van het Planbureau voor de Leefomgeving, het neerschalen van emissies naar lokaal niveau van depositieberekeningen en verkenningen van de effectiviteit van maatregelen om ammoniakemissies te beperken?2
De cijfers van dit rapport worden gebruikt voor rapportageverplichtingen richting de Europese Commissie inzake de NEC-richtlijn en de Klimaat- en Energieverkenning zoals uitgevoerd door het Planbureau voor de Leefomgeving. De berekeningsmethodiek NEMA wordt ook gebruikt voor verkenningen voor effectiviteit van maatregelen zoals bijvoorbeeld de monitoring van de maatregelen stikstofaanpak en in verschillende CDM-adviezen.
De berekeningsmethodiek NEMA wordt niet gebruikt voor depositieberekeningen, maar berekent de emissies uit de landbouw naar de lucht op landelijke schaal. Door het RIVM worden de landelijke emissies ruimtelijk verdeeld met behulp van resultaten van INITIATOR (voor mesttoedienings- en beweidingsemissie) en GIAB (voor stalemissies) ten behoeve van de depositieberekeningen. Depositieberekeningen gebeuren vervolgens met het model OPS.
Zijn er nog andere zaken waarvoor dit rapport wordt gebruikt?
De cijfers van dit rapport worden ook gebruikt voor de rapportageverplichtingen richting de Verenigde Naties. Ammoniakcijfers gaan richting de UNECE en broeikasgascijfers naar UNFCCC.
Zijn dit rapport en de database die uit deze berekeningen voortvloeit gebruikt voor de zogenaamde ammoniaklijst Top 100, die onlangs is gepubliceerd in antwoord op eerdere schriftelijke vragen van het lid Bromet?3
Ja. De top 100 lijst van ammoniak-uitstoters is onder andere gebaseerd op emissiefactoren zoals deze vermeld staan in tabel 2.1 (pagina4 en Bijlage 9 van dit rapport. In de technische briefing heeft het RIVM de methodiek nader toegelicht.
Worden de resultaten en berekeningen zoals vermeld in dit rapport ook gebruikt voor AERIUS?
Ja. Voor het bepalen van landbouwemissie als bron voor de totale deposities is dit rapport gehanteerd.
Voor het berekenen van de depositiebijdrage van een individueel project wordt het rapport niet gebruikt, hiervoor gelden de RAV-factoren.
Bent u ermee bekend dat «de ammoniakemissie voor emissiearme melkveestallen met een correctiefactor voor werking in de praktijk gelijk is gesteld aan de factor van de reguliere melkveestal»?4
Ja, dit is bij mij bekend. In de werkgroep NEMA (National Emission model for Agriculture) werken diverse onderzoeksinstellingen samen. De werkgroep heeft in haar rapport «emissies naar lucht uit de landbouw berekend met NEMA voor 1990–2019» geconcludeerd dat emissiearme stallen wel werken, maar dat het rendement in praktijkomstandigheden bij sommige staltypen lager uitvalt. De werkgroep NEMA heeft de werking van emissiearme melkveestallen gelijkgesteld met die van reguliere melkveestallen.
Deelt u de mening dat hier feitelijk staat dat de emissiearme stalvloeren niets doen aan emissiereductie? Zo ja, waarom heeft u dan de emissiearme stallen waarover het gaat niet onmiddellijk on hold gezet op de zogenaamde RAV-lijst na het verschijnen van dit rapport?
Die mening deel ik niet. Als een emissiearme vloer op de juiste manier wordt ontworpen, ingebouwd, onderhouden en gebruikt, wordt de emissie van ammoniak gereduceerd.
De voormalige Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft de Tweede Kamer in de brief van 13 oktober 20206 geïnformeerd over de hogere uitstoot van ammoniak uit emissiearme stallen. In deze brief is de volgende toezegging opgenomen: «De Staatssecretaris van IenW geeft opdracht aan WUR om onderzoek uit te voeren naar stalmanagement van emissiearme stallen. Dit omdat CDM (Commissie Deskundigen Meststoffenwet) aangeeft dat emissiebeperking door tal van factoren wordt beïnvloed, waaronder het management van de veehouder». De Staatssecretaris van IenW verwacht het eindrapport van dit onderzoek na het zomerreces aan de Tweede Kamer te zenden, voorzien van een beleidsreactie.
Waarom worden deze stalvloeren nog steeds als een van de weinige opties op de RAV lijst opgelegd aan melkveehouders, gelet op het feit dat dit rapport uit 2021 stamt?
Als een emissiearme vloer op de juiste manier wordt ontworpen, ingebouwd, onderhouden en gebruikt, wordt de emissie van ammoniak gereduceerd. Het is aan de markt om andere emissiearme staltechnieken te ontwerpen. Ik stimuleer via de Sbv (Subsidiemodules brongerichte verduurzaming stal en managementmaatregelen) de ontwikkeling en toepassing van nieuwe staltechnieken.
Bent u ermee bekend dat sinds dit rapport uitkwam er een onderzoek van de WUR en een onderzoek van Stichting AgriFacts (STAF) is uitgekomen waaruit zelfs bleek dat traditionele roostervloeren het soms beter deden dan emissiearme vloeren? Zo ja, welke actie heeft u daarop ondernomen?5 6
Het doel van het WUR-onderzoek was een beeld te krijgen van de methaanemissie uit melkveestallen. Er is een beperkt aantal, veelal traditionele en oudere emissiearme vloeren die de ammoniakemissie beperkt reduceren, doorgemeten. Daarbij zijn ook ammoniakemissies gemeten. In het onderzoek zijn geen moderne emissiearme vloeren gemeten die de ammoniakemissie verdergaand reduceren, Bij metingen in verschillende stallen met dezelfde emissiearme vloer is altijd sprake van een bandbreedte (onzekerheidsmarge), onder andere door verschillen per veehouderij in voer en management. Door die bandbreedte en omdat de verschillen tussen enerzijds de emissiefactor van een traditionele vloer en anderzijds de emissiefactoren van de doorgemeten oudere emissiearme vloeren beperkt zijn, is het mogelijk dat sommige traditionele vloeren soms beter scoren dan sommige oudere emissiearme vloeren. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 7, vindt onderzoek plaats naar emissiearme stalsystemen. Emissiearme vloeren zijn onderdeel van dat onderzoek.
Deelt u de mening dat gezien de uitkomst van de onderzoeken van STAF en WUR managementmaatregelen bij traditionele roostervloeren ook als emissiereducerend gezien kunnen worden?
Emissiearme stallen hebben in principe een lagere emissie dan de traditionele roostervloer. Het management op het bedrijf heeft echter invloed op de omvang van de uitstoot. Dit is volgens de WUR waarschijnlijk ook één van de oorzaken van de grote spreiding die wordt gemeten in de emissie van bepaalde stalsystemen (Kamerstuk 35 534, nr. 122). Of ook geldt dat heel goed management de uitstoot reduceert tot een niveau dat we emissiearm kunnen noemen, is niet bekend. Dit vraagt bovendien om het borgen met een systematiek van real time emissie meten op bedrijfsniveau. Dat is op dit moment nog in de experimentele fase en moet zich nog bewijzen. Vanuit het Nationaal Kennisprogramma Stikstof (NKS) wordt een programma gestart waarin dit verder wordt onderzocht.
Kunt u uitleggen waarom in het rapport alle huisvesting van melkvee nu op traditionele systemen zijn gezet terwijl er ook systemen zijn die wel werken?
De werkgroep NEMA heeft dit besluit genomen. Dit is gebeurd op basis van de analyse van het CBS uit 2019. De Tweede Kamer is over de CBS-analyse geïnformeerd bij brief van 13 oktober 20209. In aanvulling daarop is relevant dat het rapport van het CBS betrekking heeft op wat oudere emissiearme vloeren uit 2015, 2016 en 2017. Modernere emissiearme vloeren met een lagere emissiefactor zijn geen onderdeel van de CBS-analyse.
Bent u bekend met de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 8 april 2022 inzake emissiearme stallen? Zo ja, welke conclusie trekt u uit deze uitspraak?7
Ik ben bekend met de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant. De uitspraak is in lijn met een eerdere uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland aangaande het gebruik van de Rav-factoren ten behoeve van het verlenen van Wet natuurbescherming-vergunningen. Tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland is hoger beroep ingesteld. Ook tegen de uitspraak in Oost-Brabant wordt hoger beroep ingesteld.
De Rav-lijst is primair bedoeld voor de toetsing aan de emissiegrenswaarden in het Besluit emissiearme huisvesting. Voor dat doel voldoet de lijst.
De uitspraak waarnaar wordt verwezen gaat vooral over het gebruik van de Rav-lijst in het kader van toetsing aan de Wet natuurbescherming. Rechtbanken hebben inmiddels enkele malen kritisch geoordeeld over de toepassing van de in de Regeling ammoniak en veehouderij opgenomen emissiefactoren in dat kader. Daarbij was sprake van het toepassen van een emissiearme techniek en het opvullen van de ontstane emissieruimte met meer dieren zonder verplichte natuurvergunning.
Aan de hand van de toepassing van emissiefactoren stond volgens deze rechtbanken niet zonder meer vast dat geen sprake was van een toename van de ammoniakdepositie op een Natura 2000-gebied. Daardoor stond niet vast dat significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied konden worden uitgesloten.
De Wet natuurbescherming en de Habitatrichtlijn vereisen deze zekerheid wel. Wanneer deze zekerheid er niet is, is een natuurvergunning vereist en dient een passende beoordeling te worden uitgevoerd aan de hand waarvan kan worden vastgesteld of de natuurlijke kenmerken van een gebied niet worden aangetast. We zijn in afwachting van het oordeel van de Afdeling in hoger beroep over het gebruik van de factoren ten behoeve van Wnb-vergunningverlening. De emissiefactoren zijn gebaseerd op de meest recente wetenschappelijke inzichten.
Deelt u de mening dat deze uitspraak, in samenhang met de resultaten voor emissiearme melkveestallen, de huidige RAV-lijst onhoudbaar maakt?
Zie antwoord vraag 12.
Welke mogelijkheden ziet u om nog te werken met de huidige RAV-lijst?
Zie antwoord vraag 12.
Deelt u de mening dat het real-time meten een oplossing kan zijn voor alle gesignaleerde knelpunten?
Het is op dit moment nog niet mogelijk te zeggen of real time meten alle problemen gaat oplossen. Op de ontwikkeling van real-time meten wordt volop ingezet. Maar het is wel een oplossing die zich nog moet bewijzen en moet worden doorontwikkeld. Ook zijn sensoren voor real time meten nog niet in alle situaties toepasbaar.
Tenslotte zullen onzekerheidsmarges bij het continu meten van emissies uit stallen blijven bestaan. Die onzekerheidsmarges zijn er ook in het huidige systeem.
Deelt u de mening dat de combinatie van de resultaten van het Nationaal Emissiemodel voor Ammoniak (NEMA) en de uitspraak van de rechter maken dat het beleid in de provincie Noord-Brabant juridisch onhoudbaar wordt?
Nee, die mening deel ik niet.
Het NEMA-model wordt gebruikt bij het berekenen van de totale depositie, die in AERIUS-Monitor gebruikt worden. De totale depositie wordt berekend op basis van emissies uit de Emissieregistratie en maakt gebruik van het Model NEMA. Bij het bepalen van deze totale depositie wordt, onder andere door de WUR gebruik gemaakt van de meest actuele wetenschappelijke inzichten voor de effectiviteit van een staltype.
In de vergunningverlening wordt gebruik gemaakt van project-specifieke berekeningen in AERIUS-Calculator. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de Rav-factoren. Deze factoren vormen de best beschikbare kennis voor het berekenen van stalemissies ten behoeve van het verlenen van Wnb-vergunningen.
Deelt u de mening dat er door het blijven opleggen van de emissiearme vloeren aan melkveehouders na bekendmaking van het NEMA-rapport laakbaar is gehandeld door de overheid?
Die mening deel ik niet. Het signaal dat emissiearme technieken niet altijd de prestatie leveren die de Rav weergeeft, is bekend. Daarnaar vindt onderzoek door de WUR plaats in opdracht van de Staatssecretaris van IenW en mij. Zie verder het antwoord op vraag 7.
Zijn de bevindingen uit het NEMA-rapport de daadwerkelijke reden voor uitspraken die gedaan zijn afgelopen jaar omtrent de inzet van innovatie, zoals de uitspraak van Minister Staghouwer «innovatie is niet de heilige graal» tijdens het hoofdlijnendebat van LNV op 12 april jl.?
Nee, emissiearme stallen zijn, zoals de Commissie Deskundigen Meststoffenwet (CDM) eerder ook aangaf, complexe systemen. Emissiebeperking wordt door tal van factoren beïnvloed, waaronder het management door de veehouder.
Verder verwijs ik u naar het antwoord op vraag 7 waar nader wordt ingegaan op het onderzoek naar stalmanagement van emissiearme stallen.
Verder blijkt innovatie in de praktijk niet zo eenvoudig. Het advies van de Taskforce Versnelling Innovatieproces Stalsystemen schetst dit ook. Het testen en ontwikkelen van innovaties kost tijd en in de praktijk worden soms knelpunten ervaren. De Taskforce doet in haar advies aanbevelingen om de drempels die de versnelling van innovatie hinderen weg te nemen, onder andere via een nog in te stellen regieorgaan dat zich in ieder geval richt op het organiseren, ondersteunen en evalueren van pilots om de innovatie te versnellen.
Het advies van de Kwartiermaker11, die voorafgaand aan het instellen van een regieorgaan en het aanstellen van een innovatiegezant (Motie Lodders)12 is aangesteld, moet hier ook meer handvatten voor geven. Na ontvangst van zijn advies, dat voor de zomer wordt verwacht, zal ik de Tweede Kamer hier nader over informeren.
Bent u ermee bekend dat er al lange tijd kritiek is vanuit de landbouwsector op de totstandkoming van de RAV-lijst?
Daar ben ik mee bekend. De Taskforce Versnelling Innovatieproces Stalsystemen heeft in haar advies13 een aantal verbetervoorstellen gedaan voor zowel de toetsende instelling (RVO) als de aanvrager van de Rav-factor. Deze verbetervoorstellen zijn doorgevoerd en hebben ook geleid tot een structureel overleg met de landbouwsector, waarbij doorlopend gekeken wordt op welke punten verbeteringen wenselijk en mogelijk zijn.
Bent u ermee bekend dat veel kleine innovatieve ondernemers klagen omdat zij niet op de RAV-lijst kunnen komen omdat dit te duur en te arbeidsintensief is? Zo ja, onderkent u dat de RAV-lijst op deze wijze innovatie niet stimuleert?
Ik ben met dit signaal bekend. Er zijn regelingen om deze ondernemers tegemoet te komen. Voor proefstallen is geregeld dat deze in principe via de MIA/Vamil-regeling kunnen worden gefinancierd. Ook begeleidt RVO daarbij de aanvragers intensief en kosteloos. Daarnaast zijn er subsidieregelingen zoals de Sbv (Subsidiemodules brongerichte verduurzaming stal- en managementmaatregelen), op grond waarvan ondernemers subsidie aan kunnen vragen voor onderzoeken, ontwikkelen en bemeten van integrale en brongerichte emissiereducerende technieken en managementmaatregelen. Daarbij dient de ondernemer wel zelf, naast de Sbv-aanvraag, een aanvraag in te dienen voor het verkrijgen van een proefstal. Ook regionaal of sectoraal, zoals voor de pluimveesector, zijn er regelingen waarbij meetkosten gesubsidieerd worden, zoals de pilot-regeling voor het meten van emissiereducerende fijnstoftechnieken van het PEV (Praktijkcentrum emissiereductie veehouderij).
Deelt u de mening dat een ander systeem van erkenning van innovaties, bijvoorbeeld met veel meer praktijkmetingen, innovatie veel meer kan stimuleren?
De verwachting is dat een veehouder in een systeem met doelvoorschriften met behulp van continu en real time meten sterkere prikkels krijgt om emissies verder te reduceren. Hij krijgt namelijk met real time meten direct inzicht in de invloed van een bepaalde maatregel op de emissie. Verder kan in een systeem met doelvoorschriften het overschrijden van de maximale emissienormen consequenties hebben voor de afgegeven vergunning. Zoals in antwoord op vraag 15 is aangegeven, moet het real time meten zich nog wel bewijzen en verder worden doorontwikkeld.
Hoelang is al bekend dat er vanwege het ontbreken van gegevens over afgevoerd spuiwater niets gezegd kan worden over de werking van luchtwassersen en welke stappen zijn ondernomen om alsnog gegevens van afgevoerd spuiwater boven tafel te krijgen?8
De mate van ammoniakreductie is voor elk type luchtwassers onderzocht voorafgaand aan de plaatsing op de Rav. Daarnaast is de werking in de praktijk met vele metingen onderzocht. Daarover heeft de Tweede Kamer op 30 november 2021 nog een rapportage ontvangen.15
Naast deze directe bepaling van het rendement van een luchtwasser kan dat meer indirect worden berekend door analyse van spuiwater. De opmerking op pagina 27 in het in noot 8 vermelde rapport «emissies naar lucht uit de landbouw berekend met NEMA voor 1990–2019» slaat op die indirecte berekening.
Bij stallen met luchtwassers wordt ammoniak verwijderd en komen stikstofhoudende omzettingsproducten van ammoniak terecht in het spuiwater.
Dit spuiwater kan worden aangewend als overige anorganische meststof. Dit is geregeld in de Meststoffenwet. Spuiwater uit luchtwassers die vermeld staan op Bijlage Aa, onderdeel II van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet (Urm) mag verhandeld en gebruikt worden als meststof (overige anorganische meststof).
Er is geen voorgeschreven methode om de hoeveelheid geproduceerd spuiwater te bepalen en te registreren. Het is aan de landbouwer om de productie, het eigen gebruik en de afvoer aannemelijk te maken. De landbouwer moet het eigen gebruik en de afvoer van spuiwater in de boekhouding kunnen verantwoorden. Daarnaast wordt, in het geval dat de «aanvullende gegevens landbouwer» (hierna AGL) geleverd dienen te worden, de voorraad aan het eind van het kalenderjaar en de aan- of afvoer van spuiwater doorgegeven aan RVO.
In de Rav-lijst is per type luchtwasser een reductiepercentage voor de ammoniakemissie naar de lucht opgenomen. Dit reductiepercentage is bedoeld om per bedrijf en voor een sector de mate van afvang van ammoniak te kunnen berekenen. De reductiepercentages in de Rav-lijst zijn ook toegepast in het rapport «emissies naar lucht uit de landbouw berekend met NEMA voor 1990–2019», met uitzondering van combiwassers. Voor combiwassers geldt in de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav) een rendement voor ammoniak van 85% reductie, dat van toepassing is bij individuele vergunningen. Voor het bovengenoemde rapport heeft de werkgroep NEMA dit rendement verlaagd naar 59%. Op 3 april 2018 is de Tweede Kamer over dit lagere rendement van combi-luchtwassers in de praktijk geïnformeerd.16 De Tweede Kamer heeft op 30 november 2021 een brief met een bijgevoegd rapport ontvangen, waarin staat dat combiwassers voor ammoniak kunnen voldoen aan het rendement dat in de Rav is vermeld. Als randvoorwaarde geldt dat een combiwasser op de juiste wijze in werking is.17
Voor de overige luchtwassers past de werkgroep NEMA sinds 2016 geen correctie op het rendement toe. Omdat de passages op blz. 26 en 27 van het rapport op dit punt niet helemaal duidelijk zijn, hebben deskundigen dit aan mij bevestigd. Er is dus geen sprake van niet meetellen van de afvang van ammoniak door luchtwassers.
Deelt u de mening dat het logisch is dat de afgevangen ammoniak zich in het spuiwater bevindt, daar dit de functie en bedoeling is van een luchtwasser?Zo ja, deelt u dan ook de mening dat vanaf het moment dat deze luchtwassers werden toegevoegd aan de RAV-lijst, de registratie van spuiwater geregeld had moeten worden?
Zie antwoord vraag 22.
Deelt u de mening dat de sector nu de dupe is van het niet registreren doordat de afvang van ammoniak niet wordt meegeteld?
Zie antwoord vraag 22.
Wat zijn de gevolgen voor de nationale uitstootcijfers van deze tekortkoming en welke gevolgen heeft dat voor de rapportage naar de Europese Commissie?
Zoals in het antwoord op de vragen 22, 23 en 24 is aangegeven, wordt de afvang van ammoniak door de luchtwasser steeds meegeteld. Bij het berekenen van de nationale uitstootcijfers wordt de emissiereducerende werking van luchtwassers volgens de opgave in de Rav-lijst gebruikt, met uitzondering van combiwassers. Zie ook het antwoord op de vragen 22, 23 en 24. Voor het rapporteren aan de Europese Commissie op basis van de NEC-richtlijn geldt dat dit steeds gebeurt op basis van de nieuwste inzichten, die bovendien met terugwerkende kracht – voor zover mogelijk – worden toegepast op voorgaande jaren.
Hoe rijmt u de onzekerheidsmarge die in het NEMA-rapport wordt genoemd (minimaal 20% (stallen) en maximaal 56% (beweiding)) met verregaande maatregelen als opkoop onder dwang?
Onzekerheden zijn inherent aan het wetenschappelijk bepalen van dergelijke emissiefactoren. Ook het meten van emissies kent een onzekerheidsmarge. De in het rapport genoemde onzekerheidspercentages zijn bekend. Ook wordt er door onder andere de WUR en het RIVM continu gewerkt aan de doorontwikkeling van de huidige systematiek en modellen.
Daarnaast wil ik benadrukken dat de inzet met stoppersregelingen juist is om gedwongen opkoop zo veel mogelijk te voorkomen.
Het 'New Crisis Response Mechanism' |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het statement «ON NEW CRISIS RESPONSE MECHANISM AND OTHER LAST MINUTE ADDITIONS TO THE DSA» van het European Digital Rights netwerk (EDRi)?1
Ja.
Bent u op de hoogte van het nieuwe artikel 27a van de Digital Services Act (DSA), wat gaat over het «crisis response mechanism»?
Ja.
Vindt u het wenselijk dat de Europese Commissie middels artikel 27a van de DSA de vrijheid van meningsuiting en persvrijheid serieuze beperkingen kan opleggen zonder controle van het Europees parlement en de lidstaten?
Artikel 27a van het voorlopig politiek akkoord tussen het Franse EU-voorzitterschap, het Europees Parlement (hierna: het EP) en de Europese Commissie (hierna: Commissie) over de Digital Services Act (hierna: DSA), geeft de Commissie de bevoegdheid om een besluit te nemen waarin bepaalde zeer grote online platforms (hierna: VLOP’s) en/of zeer grote zoekmachines (hierna: VLOSE’s) worden opgelegd bepaalde acties te ondernemen. Deze bevoegdheid kan alleen worden ingezet in het geval van een onvoorziene crisis en na een aanbeveling van de Europese Raad voor digitale diensten. Het besluit betreft onder andere mogelijke aanvullende maatregelen die vergelijkbaar zijn met, en een verlengstuk vormen van, de risico-mitigerende maatregelen die voortvloeien uit Artikel 27 lid1 en Artikel 37 lid2.
Voorbeelden van dergelijke maatregelen zijn het aangaan van een samenwerkingsverband met betrouwbare melders (trusted flaggers, organisaties wiens meldingen over illegale inhoud online met spoed moeten worden behandeld), of de intensivering hiervan, en het nemen van bewustwordingsmaatregelen waaronder het aanpassen van hun online interface voor gebruikers. Een concreet voorbeeld hiervan is het plaatsen van een banner bij content gelieerd aan COVID-19 waar gebruikers worden herleid naar een pagina met informatie over de pandemie, afkomstig van officiële publieke instanties, zoals bijvoorbeeld het RIVM in Nederland.
Het kabinet heeft bij het Franse EU-voorzitterschap, dat de onderhandelingen met het EP en de Commissie namens de EU-lidstaten in de Raad van de Europese Unie heeft geleid, er succesvol op aangedrongen om robuuste waarborgen op te nemen met betrekking tot de uitoefening van deze bepaling. Zo moet de Commissie bij het opleggen van haar besluit garanderen dat de door de VLOP of VLOSE in kwestie genomen maatregelen strikt noodzakelijk en evenredig zijn, waarbij specifiek moet worden gekeken of, en in hoeverre, de maatregelen mogelijke negatieve gevolgen kunnen hebben op de fundamentele rechten van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, waaronder de vrijheid van meningsuiting.
Verder heeft het kabinet concrete tekstvoorstellen gedaan voor een mechanisme waarbij de beslissing van de Commissie wordt onderworpen aan een gekwalificeerde meerderheidsstemming van de lidstaten. Dit heeft de uiteindelijke tekst helaas niet gehaald vanwege onvoldoende draagvlak binnen de Raad, en gebrek aan steun van het Franse EU-voorzitterschap en Commissie. Hierbij voerden tegenstanders aan dat dit voorstel tot een significante vertraging zou kunnen leiden voor het gebruik van dit mechanisme met betrekking tot onvoorziene crises.
Ten slotte is de DSA in meer algemene zin een belangrijk instrument voor de bescherming van fundamentele rechten online en democratische waarden.
Vindt u ook dat het artikel 27a van de Digital Services Act te weinig specifiek is over de scenario’s waarin de Europese Commissie deze bevoegdheden kan gebruiken?
Artikel 27a lid 2 definieert een crisis als een situatie van buitengewone omstandigheden die resulteren in een serieuze bedreiging van de publieke veiligheid of publieke gezondheid in de Unie of een aanzienlijk deel daarvan. Zoals aangegeven onder vraag 3, is artikel 27a een verlengstuk van artikel 27, waarbij het grote verschil is dat artikel 27a vraagt om aanvullende maatregelen door VLOP’s en/of VLOSE’s voor onvoorziene situaties die een bedreiging vormen voor de publieke gezondheid en veiligheid, terwijl bij artikel 27 VLOP’s en/of VLOSE’s worden verplicht risico-mitigerende maatregelen te nemen voor voorzienbare situaties die negatieve consequenties kunnen hebben voor de publieke gezondheid en veiligheid. Conform artikel 26 moeten VLOP’s en/of VLOSE’s deze voorzienbare situaties in kaart brengen tijdens een minstens jaarlijkse risicobeoordeling die ze zelf moeten uitvoeren.
Het kabinet kan deze gedachtegang steunen, maar heeft bij het voorzitterschap van de Raad nog wel gevraagd om een nauwkeurigere afbakening van het begrip «crisis» in artikel 27a. Dit heeft niet geleid tot aanpassingen van de tekst.
Vindt u ook dat, door de beperkte concretisering van scenario’s, de Europese Commissie rigoureuze maatregelen kan opleggen zonder eindtijd, zonder dat er een daadwerkelijke noodzaak hoeft te zijn?
Dat is niet het geval. Zoals aangegeven in antwoord op vraag 3, kan de Commissie niet zomaar maatregelen opleggen onder artikel 27a. De Commissie moet bij het uitoefenen van haar bevoegdheid aan twee cumulatieve voorwaarden voldoen: (i) er moet een aanbeveling zijn van de Europese Raad voor digitale diensten, en (ii) er moet sprake zijn van een crisis waarbij uitzonderlijke omstandigheden leiden tot een serieuze dreiging voor de publieke veiligheid of publieke gezondheid in de Unie, of een aanzienlijk deel daarvan.
Bovendien heeft het kabinet actief en succesvol gepleit voor een tijdsgebonden limiet aan de maatregelen die de VLOP’s en/of VLOSE’s in kwestie moeten nemen naar aanleiding van een Commissie-besluit op grond van artikel 27a. Conform artikel 27a lid 5 sub b mogen de maatregelen namelijk niet langer dan drie maanden van toepassing zijn.
Bent u op de hoogte van artikel 25a van de DSA?
Ja.
Vindt u het wenselijk dat dit artikel nationale digitale coördinatoren de macht geeft om kleine online platformen te behandelen als grote platformen?
Artikel 25a geeft nationale digitale coördinatoren niet de bevoegdheid om kleine online platformen te behandelen als grote platformen.
Wat wordt er precies bedoeld met deze nationale digitale coördinatoren en wie stelt deze aan?
Conform artikel 38 lid 1 worden lidstaten verplicht één of meer bevoegde autoriteiten aan te duiden als verantwoordelijke voor de toepassing en uitvoering van de DSA. Volgens artikel 38 lid 2 moeten lidstaten één van deze bevoegde autoriteiten aanduiden als hun Digitale Diensten Coördinator (DDC). De coördinator voor digitale diensten is verantwoordelijk voor alle kwesties die verband houden met de toepassing en handhaving van de verordening in de lidstaat.
In het geval van Nederland, stelt het kabinet de DDC aan. Het kabinet is voornemens om de Autoriteit Consument & Markt aan te wijzen als coördinator voor digitale diensten. Uiteraard zal over de uitvoering en implementatie van deze aanwijzing de Tweede Kamer te zijner tijd worden geïnformeerd door de Minister van Economische Zaken en Klimaat.
Voorziet u ook risico’s dat deze twee artikelen, die elkaar lijken te versterken, een grote impact kunnen hebben op de persvrijheid en vrijheid van Nederlanders (in de digitale ruimte)?
Nee, dit is niet aan de orde zie antwoord op vraag 3, 4 en 5.
Vindt u het gebrek aan democratische controle die gekoppeld is aan deze macht, zorgelijk?
Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 3, had het kabinet de voorkeur gegeven aan een mechanisme waarbij een beslissing van de Commissie middels artikel 27a zou worden onderworpen aan een stemming van een gekwalificeerde meerderheid van de lidstaten in de Raad. Daar staat tegenover dat de door het kabinet gepleite waarborgen, waaronder de toevoeging van een strikte noodzakelijkheids- en proportionaliteitstest, en een tijdslimiet voor wat betreft de aanvullende maatregelen, zijn opgenomen in de tekst.
In meer algemene zin is de DSA bovendien een belangrijk instrument voor de bescherming van fundamentele rechten online en democratische waarden.
Bent u van mening dat een onderwerp dat zo cruciaal is voor onze eigen nationale veiligheid, een Europese competentie behoort te zijn?
Er worden geen bevoegdheden overgedragen aan de EU. Artikel 27a en alle andere bepalingen in de DSA zijn gestoeld op de rechtsgrondslag van artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, dat voorziet in de vaststelling van maatregelen om de werking van de interne markt te waarborgen.
De bescherming van de nationale veiligheid is en blijft een nationale competentie die gegarandeerd is middels artikel 4 lid 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie.
Gaat u vervolgstappen nemen met uw collega’s in de Europese Unie? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet heeft zich binnen de mogelijkheden van de onderhandelingen over de DSA, zowel met de EU-lidstaten als tussen het EU Franse voorzitterschap, het EP en de Commissie, sterk gemaakt voor haar standpunten, waaronder de mogelijkheid om een besluit van de Commissie volgend uit artikel 27a, te onderwerpen aan een stemming in de Raad. Dit specifieke punt is niet opgenomen in de tekst, vanwege onvoldoende draagvlak omdat dit de nodige spoedige besluitvorming ten tijde van crises zou vertragen. Zoals aangegeven, zijn echter wel andere punten opgenomen in de tekst waar het kabinet voor heeft gepleit. Bovendien vormt de DSA in meer algemene zin robuuste bescherming voor de fundamentele rechten van gebruikers online en de ontwikkeling van de interne markt voor digitale diensten. Het akkoord wordt binnenkort nog voorgelegd aan het EP en de Raad van de Europese Unie, waarna het officieel wordt vastgesteld.
Kunt u deze vragen zo snel mogelijk en elk afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Opkopen boeren voor A15 ging tegen wens van provincie in: 'Ik heb ze overvallen'' |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is de rol van de toenmalige Minister van Infrastructuur en Waterstaat geweest bij het besluit om boeren verplicht uit te kopen en stallen te slopen ten behoeve van snelwegaanleg, aangezien zij schijnbaar ook zelfstandig rechtstreekse contacten onderhield met de gedeputeerde Van der Wal, zoals uit appverkeer naar voren lijkt te komen?1
Voor het project ViA15 is met zes agrarische bedrijven op vrijwillige basis een overeenkomst gesloten. Het contact tussen Minister en gedeputeerde betrof de gemaakte bestuurlijke afspraken en niet de overeenkomsten met de agrarische bedrijven.
Kunt u aangeven of de toenmalig Minister voorafgaande aan het genoemde overleg van 8 juli 2021 ook telefonisch contact gehad heeft met toenmalig gedeputeerde Van der Wal over de strategie rond het oplossen van het probleem rond de A15 en wat zij daar heeft besproken?
Voor zover bekend heeft voorafgaand aan het overleg van 8 juli geen telefonisch contact plaatsgevonden tussen de toenmalige Minister en de toenmalige gedeputeerde over de projectspecifieke mitigatie van mogelijke effecten op Natura 2000-gebieden door de stikstofdepositie als gevolg van het project.
Heeft de toenmalige Minister gedeputeerde Drenth vooraf op de hoogte gesteld van haar contact met de toenmalig gedeputeerde Van der Wal en, zo nee, waarom niet?
Nee. Er heeft geen contact over de projectspecifieke mitigatie van mogelijke effecten op Natura 2000-gebieden door de stikstofdepositie als gevolg van het project plaatsgevonden, waarover gedeputeerde Drenth kon worden ingelicht.
Hoe kon de toenmalige Minister blij zijn met een oplossing die recht tegenover het plan van het provinciebestuur stond? Moeten wij hieruit concluderen dat voor de toenmalige Minister «het doel de middelen heiligt» en dus prevaleert boven een goede relatie met de provincie, die verantwoordelijk is voor draagvlak richting haar inwoners?
Het gaat hier niet om een oplossing die «recht tegenover het plan van het provinciebestuur stond». In het overleg zijn verschillende mogelijkheden onderzocht en gewogen. Dit heeft geleid tot het in goed overleg maken van afspraken met de provincie, die tevens partner is bij het project.
Het contact tussen Minister en gedeputeerde betrof de gemaakte bestuurlijke afspraken en niet de overeenkomsten met de agrarische bedrijven.
Hoe kijkt u aan tegen de frivole appjes over het opkopen van boerderijen en het signaal dat de toenmalige Minister en toenmalig gedeputeerde Van der Wal hiermee aan families geven welke het betreft?
Voor het project ViA15 is met zes agrarische bedrijven op vrijwillige basis een overeenkomst gesloten. Het contact tussen Minister en gedeputeerde betrof de gemaakte bestuurlijke afspraken en niet de overeenkomsten met de agrarische bedrijven.
Aan het wijzigings-Tracébesluit voor de ViA15 ligt een zorgvuldige onderbouwing ten grondslag. Tijdens het gesprek met de gedeputeerden heeft de toenmalig Minister van Infrastructuur en Waterstaat toegezegd dat zij zich zou inspannen om ongewenste leegstand van de agrarische opstallen te voorkomen. De Minister had van tevoren niet gemeld aan haar ambtenaren dat ze deze toezegging wilde doen en de ambtenaren hoorden dit nadat deze bestuurlijke afspraak was gemaakt. In het app-contact is dat met de term «overvallen» wat scherp verwoord.
Kunt u aangeven of u en het kabinet inmiddels ook andere mogelijkheden zien om stikstofruimte te creëren voor infrastructurele en andere projecten, naast het opkopen van boerenbedrijven? Zo ja welke?
Wanneer blijkt dat significante gevolgen op stikstofgevoelige natuur in Natura 2000-gebieden niet kunnen worden uitgesloten, moet een passende beoordeling gemaakt worden van de gevolgen van het project voor het Natura 2000-gebied. Daarin mogen mitigerende maatregelen worden betrokken.
Voor projectspecifieke mitigatie wordt op vrijwillige basis een overeenkomst gesloten, veelal met bedrijven, waarin wordt overeengekomen dat activiteiten geheel of gedeeltelijk worden beëindigd, de vergunning geheel of gedeeltelijk wordt ingetrokken en de depositiereductie die dat oplevert, ingezet mag worden ter mitigatie van mogelijke effecten als gevolg van het project. Een dergelijke overeenkomst kan ook met andere partijen dan agrarische ondernemers worden gesloten.
Het openbaar maken van boetes |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Henk Staghouwer (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de artikelen: «Vee & Logistiek tekent bezwaar aan openbaren boetes NVWA: «Werkt stigmatiserend»» en «Vee & Logistiek maakt bezwaar tegen openbaar maken boetes»?1 2
Ja.
Klopt het dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) bij het openbaar maken van documenten in het kader van een WOB-verzoek (in dit voorbeeld rapporten van bevindingen en boeterapporten inzake diertransporten) geen onderscheid maakt tussen overtredingen die terecht zijn geconstateerd en overtredingen waar de NVWA door de rechter in het ongelijk is gesteld, overtredingen die nog onder de rechter zijn en overtredingen die geseponeerd zijn? Zo ja, kunt u toelichten waarom dit onderscheid niet wordt gemaakt?
Via een Woo-verzoek (Wet open overheid, voorheen Wob-verzoek) worden enkel die documenten openbaar gemaakt waarom wordt verzocht en die op grond van de Wet open overheid openbaar gemaakt kunnen en moeten worden. Voor het openbaar maken van rapporten van bevindingen is het niet van belang of hier nog een juridische procedure tegen open staat. Deze rapporten worden geanonimiseerd openbaar gemaakt. Rapporten van bevindingen, voornemens tot boeteoplegging en besluiten met opgelegde boetes maar ook bezwaarschriften, beslissingen op bezwaar en uitspraken van de rechter maken onderdeel uit van een dossier van een bedrijf en worden via een verzoek op de Wet open overheid openbaar gemaakt als hier een verzoek voor wordt ingediend.
Kunt u aangeven of in andere rapportages of persberichten van het ministerie en of de NVWA dit onderscheid wel wordt gemaakt? Zo nee, waarom niet?
Dit is afhankelijk van de achtergrond en het doel van de rapportages en persberichten en welke informatie de NVWA of mijn ministerie hierin opneemt. Het is mogelijk dat bij bepaalde berichtgeving geen onderscheid wordt gemaakt tussen opgelegde handhavingsbesluiten die onherroepelijk zijn en gevallen die nog onder de bestuursrechter zijn, of waarvan de rechter het bezwaar heeft gehonoreerd. Dit onderscheid wordt wel gemaakt in de rapportage van grote slachthuizen met permanent toezicht waarin de naleving van het slachtproces in beeld wordt gebracht voor de belangrijkste risicogebieden. In die publicatie wordt onderscheid gemaakt tussen vaststaande boetewaardige overtredingen en niet vaststaande boetewaardige overtredingen.
Kunt u aangeven welke informatie in het dossier van een transporteur wordt bijgehouden? Kunt u specifiek aangeven of in het dossier ook vermeld wordt als er in een zaak bezwaar of beroep is aangetekend?
Een bedrijfsdossier omvat alle gegevens van de inspecties, audits, andere controles en werkzaamheden en correspondentie met het bedrijf waaronder opgelegde handhavingsbesluiten, ingediende bezwaar en beroepschriften, beslissingen op bezwaar en gerechtelijke uitspraken.
Wat is de procedure/werkwijze als een transporteur bij de rechter in het gelijk wordt gesteld? Wordt de betreffende overtreding dan uit het bedrijfsdossier geschrapt? Zo nee, waarom niet en wat gebeurt er dan wel met deze «onterecht geconstateerde overtreding»?
Als een rechter het beroep tegen een eerder opgelegde boete gegrond verklaart, wordt deze boete niet uit het dossier geschrapt. Die blijft onderdeel van het dossier, net zoals de uitspraak van de rechter waaruit blijkt dat en waarom de boete is komen te vervallen. Als uit de uitspraak volgt dat een boete onterecht is opgelegd, wordt de boete terugbetaald. De NVWA vindt het van belang om altijd de geschiedenis van een bedrijf, en daarom het complete dossier te behouden.
Deelt u de mening dat bij het openbaar maken van cijfers zonder de bijbehorende duiding dat een zaak nog onder de rechter ligt, door een rechter in het ongelijk is gesteld of geseponeerd is, een onzorgvuldige informatieverstrekking is, en dit een verkeerd beeld van de sector geeft en dat daarmee op basis van onjuiste cijfers beleid wordt gemaakt? Zo nee, waarom niet?
Ik deel deze mening niet. Via een beslissing op een verzoek van de Wet open overheid worden die documenten openbaar gemaakt waar om wordt verzocht en die openbaar gemaakt kunnen en moeten worden. Het geven van een duiding van de openbaar te maken documenten is geen onderdeel van een openbaarmaking op grond van een verzoek op grond van de Wet open overheid. De documenten worden openbaar gemaakt zoals ze voorhanden zijn. Maakt de NVWA op eigen beweging (actief) bepaalde gegevens en cijfers openbaar, zoals in inspectiegegevens van grote slachthuizen dan gebeurt dit op grond van de Gezondheidswet of de Wet open overheid. Voor de NVWA is het dan mogelijk om zelf de inhoud, duiding en moment van openbaarmaking te kiezen. Voordat deze informatie openbaar wordt gemaakt wordt bovendien aan degene over wie de informatie openbaar wordt gemaakt om een zienswijze verzocht. Tegen het daarna te nemen openbaarmakingsbesluit staat nog bezwaar en beroep open.
Deelt u de mening dat een overtreding die open staat voor bezwaar en beroep pas een overtreding is als deze in rechte onaantastbaar is geworden? Zo nee, waarom niet? Kunt u aangeven waarom rechtsbescherming niet van toepassing is op deze categorie ondernemers?
Ik deel deze mening niet. Ingevolge de Algemene wet bestuursrecht schort het indienen van bezwaar en beroep de werking van een besluit niet op. De bevoegde autoriteit mag tot op het bezwaar en beroep is beslist, uitgaan van de door haar geconstateerde overtreding en het opgelegde handhavingsbesluit. De rechtsbescherming wordt geboden doordat tegen ieder handhavingsbesluit de mogelijkheid van bezwaar en beroep open staat. Als later uit een juridische procedure blijkt dat een overtreding onterecht is geconstateerd en de boete onterecht is opgelegd, zal dit tot terugbetaling van de boete leiden.
Kunt u aangeven of er vergelijkbare situaties zijn bij andere toezichthoudende (overheids)autoriteiten? Bent u bereid dit bij uw collega’s na te vragen? Zo nee, waarom niet?
Aangezien de werking van een handhavingsbesluit alsmede de rechtsbescherming daartegen uit de Algemene wet bestuursrecht volgt, is deze voor alle toezichthoudende autoriteiten gelijk. Uit een rondvraag blijkt dan ook dat bij andere inspecties de toets op de Wet open overheid leidt tot het openbaar worden van boetebesluiten. Zo is het beleid van de Inspectie van het Onderwijs dat een bekostigingssanctie of een bestuurlijke boete bij openbaarmakingsbesluit openbaar wordt gemaakt op basis van (thans) artikel 3.3 Woo. Het voornemen tot dat openbaarmakingsbesluit is vervat in het definitieve sanctiebesluit. De Nederlandse Arbeidsinspectie is daarnaast op grond van enkele wetten verplicht om specifiek omschreven resultaten van uitgevoerde inspecties openbaar te maken. Dit betreft ook bestuurlijke boetes die op grond van de Wet minimumloon, de Wet arbeid vreemdelingen en de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs worden opgelegd. Er zijn inspecties die de informatie naar aanleiding van een verzoek toesturen en deze dus niet automatisch op hun website zetten (Agentschap Telecom) of de gegevens enkel samengevat en geanonimiseerd publiceren (Nederlandse Emissieautoriteit). Bovendien zal in het kader van de implementatie van de Wet open overheid en de Gezondheidswet steeds meer overheidsinformatie actief openbaar gemaakt worden.
Kunt u garanderen dat de door de NVWA geconstateerde overtredingen die geseponeerd zijn of door de rechter in het ongelijk zijn gesteld, niet meetellen in het verscherpt toezicht van de NVWA (een ondernemer komt onder verscherpt toezicht als betreffende ondernemer in twee jaar tijd drie of meer overtredingen begaan heeft)? Zo nee, vindt u dit acceptabel? Zo ja, wilt u een scan laten uitvoeren om zeker te stellen dat dit niet aan de orde is?
Het verscherpt toezicht in het kader van transport van dieren gaat ervan uit dat als er in de afgelopen twee jaar bij het transport van dieren vier of meer overtredingen zijn begaan van Verordening (EG) nr. 1/2005, het bedrijf bij een volgende constatering van een overtreding van deze verordening onder verscherpt toezicht wordt geplaatst. Dit betekent dat er naar aanleiding van die nieuwe overtreding, naast een bestuurlijke boete, een voornemen tot het opleggen van een (herstel)maatregel kenbaar gemaakt zal worden. Verscherpt toezicht kan ook inhouden dat het bedrijf vaker zal worden gecontroleerd. Het is altijd maatwerk.
Komt een van die eerdere overtredingen te vervallen door een gerechtelijke uitspraak, dan telt deze niet mee om onder het verscherpt toezicht te vallen. Voor bedrijven die onder verscherpt toezicht staan, wordt per geval bezien of het vervallen van een overtreding moet leiden tot het niet langer toepassen van verscherpt toezicht. Aangezien deze aanpak voor verscherpt toezicht pas in september vorig jaar in werking is getreden, heeft dit nog niet tot aanvullende herstelmaatregelen geleid.
Kunt u garanderen dat de door de NVWA geconstateerde overtredingen die nog onder de rechter liggen en daarmee in rechte nog geen onaantastbare overtreding is niet meetellen in het verscherpt toezicht van de NVWA? Zo nee, vindt u dit acceptabel? Zo ja, wilt u een scan laten uitvoeren om zeker te stellen dat dit niet aan de orde is?
Vanaf het moment dat een boete is opgelegd telt de geconstateerde overtreding mee in de afweging of het handelen van het bedrijf voldoende aanleiding geeft voor verscherpt toezicht. De NVWA gaat bij de toepassing van verscherpt toezicht uit van de door haar geconstateerde overtreding en het opgelegde handhavingsbesluit, tot op een ingediend bezwaar en beroep is beslist. Zoals verwoord in antwoord op vraag 7, schort het indienen van bezwaar en beroep de werking van een handhavingsbesluit niet op. In het geval dat de overtreding door een gerechtelijke uitspraak komt te vervallen, zal deze niet meer meetellen in het toepassen van verscherpt toezicht. Zie hiervoor het antwoord onder 9.
Kunt u garanderen dat de door de NVWA geconstateerde overtredingen die geseponeerd zijn of door de rechter in het ongelijk zijn gesteld, niet meetellen in het boetebeleid dat voortkomt uit de Wet dieren, specifiek de stapeling van boetes? Zo nee, vindt u dit acceptabel? Zo ja, wilt u een scan uitvoeren om zeker te stellen dat dit niet aan de orde is?
De recidivebepaling in het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren bepaalt dat bij de straftoemeting een boete pas kan worden opgeteld als een eerdere boete onherroepelijk is. Zolang een zaak nog onder de rechter is, is deze nog niet onherroepelijk en wordt deze niet meegenomen in de optelling voor de op te leggen boete. Hetzelfde geldt bij een boete die is komen te vervallen door een gerechtelijke uitspraak, ook dan kan deze boete niet worden meegenomen in de optelling voor de recidive.
Kunt u garanderen dat de door de NVWA geconstateerde overtredingen die nog onder de rechter liggen en daarmee in rechte nog geen onaantastbare overtreding zijn, niet meetellen in het boetebeleid dat voortkomt uit de Wet dieren, specifiek de stapeling van boetes? Zo nee, vindt u dat acceptabel? Zo ja, wilt u een scan uitvoeren om zeker te stellen dat dit niet aan de orde is?
Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoord op vraag 11.
Kunt u de juridische onderbouwing geven waarom geconstateerde overtredingen die in rechte nog niet onaantastbaar zijn (of niet onherroepelijk zijn) meegenomen kunnen worden in het verhogen van de strafmaat en/of onder verscherpt toezicht stellen? Kunt u tevens de juridische onderbouwing en legitimiteit aangeven op basis waarvan geseponeerde zaken of zaken die bij de rechter onderuit zijn gehaald onderdeel kunnen zijn van het verhogen van de strafmaat (stapeling van boetes op grond van de Wet dieren) of het onder verscherpt toezicht plaatsen door de NVWA?
Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoorden op vragen 9, 10 en 11.
De hongersnood in Sri Lanka |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA), Henk Staghouwer (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel‘In Sri Lanka, Organic Farming Went Catastrophically Wrong» van Foreign Policy1?
Ja.
Was uw ministerie sinds het begin bekend met het experimentele Sri Lankaanse landbouwbeleid in haar agrarische sector?
De Ministeries van BZ en LNV waren op de hoogte van het besluit van de Sri Lankaanse regering om over te stappen op 100% biologische landbouw met een verbod op de import van kunstmest en agro-chemicaliën in april 2021 als gevolg.
Zou u met de Kamer de communicatie kunnen delen die de Nederlandse ambassade in Sri Lanka heeft gedeeld met het Ministerie van Buitenlandse Zaken en het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit over het experimentele landbouwbeleid in Sri Lanka?
De Nederlandse ambassade in Sri Lanka heeft de ministeries in haar vertrouwelijke berichtgeving geïnformeerd over het besluit om 100% biologische landbouw in te voeren in Sri Lanka met de introductie van het verbod op de import van kunstmest en agro-chemicaliën in april 2021 als belangrijkste maatregel. Daarbij werd in de berichtgeving kort stilgestaan bij de consequenties van deze keuze, zoals lagere productie, stijgende prijzen en het risico voor de voedselzekerheid in Sri Lanka. Bovendien werd deze beleidskeuze geplaatst in het bredere kader van de economische en politieke uitdagingen waarmee het land al geruime tijd kampt. Ook is bericht over het recente terugdraaien van het verbod vanwege tegenvallende oogsten. Het artikel Sri Lanka wil organisch worden2 is ook gepubliceerd op de website van de RVO.
Heeft Nederland of de Nederlandse agrarische sector een poging gedaan President Gotabaya Rajapaksa te adviseren toen hij een verbod op gewasbeschermingsmiddelen en kunstmest besloot af te vaardigen en daardoor 2 miljoen Sri Lankaanse boeren werden verplicht biologische landbouw te bedrijven? Zo ja, wat hield dit advies in? Wat is hiermee gedaan door de Sri Lankaanse regering? Zo nee, waarom is de Nederlandse kennis over het gevaar van dit beleid niet gepresenteerd richting de regering in Sri Lanka?
Vooropgesteld is het uiteraard aan een land zelf om de eigen beleidskeuzes te maken. Wel heeft Nederland, evenals de EU, in contacten met relevante spelers de zorgen over deze beleidskeuze en de wijze van implementatie uitgesproken, onder andere in een gesprek met de premier. In deze contacten is gedeeld dat de ambassade bereid is om Nederlandse kennis en ervaring op dit terrein te delen met de Sri Lankaans autoriteiten, zoals Nederland al doet via uitwisselingen en trainingen in onder andere de land- en tuinbouwsector.
Om kennis over stapsgewijze hervormingen naar meer duurzame landbouw te delen, heeft de Ambassade in maart 2022 een webinar over (de overstap op) duurzame en biologische landbouw voor de Nederlandse en Sri Lankaanse landbouwsector georganiseerd3. De ambassade heeft ook een tuinbouwsectoronderzoek4 laten uitvoeren die in een workshop in juli 2021 is gepresenteerd, waarin de uitdagingen en mogelijkheden van duurzame en biologische landbouw in Sri Lanka uitgebreid zijn besproken.
Wat gaat u doen om andere ontwikkelingslanden te proberen te beletten voor dezelfde beleidsfouten en haar gevolgen?
Er zijn geen aanwijzingen dat de OS-partnerlanden waarmee Nederland samenwerkt op het gebied van landbouw een beleid naar Sri Lankaans voorbeeld overwegen.
Hoe beoordeelt u het resultaat van het Sri Lankaanse landbouwbeleid sinds het aantreden van President Gotabaya Rajapaksa?
Het besluit van de president om per direct, zonder overgangsperiode en voldoende voorbereidingen door de sector, over te stappen op biologische landbouw en het verbod op de import van kunstmest en agro-chemicaliën hebben niet tot het gewenste resultaat geleid. In zijn speech op maandag 18 april 2022 heeft de president zelf ook aangegeven dat zijn beslissing om de import van kunstmest en agro-chemicaliën te verbieden een foute was.
Welke lessen trekt u uit het grootschalige experiment in Sri Lanka?
Dit experiment bevestigt wat reeds bekend was, namelijk dat er niet een exclusief model van landbouwontwikkeling bestaat en dat een transitie naar een duurzamere vorm van landbouw bij voorkeur geleidelijk moet plaatsvinden.
Bent u bereid onderzoek te laten doen naar de lessen die we kunnen trekken uit het Sri Lankaanse landbouwbeleid voor het beleid in Nederland en de Europese Unie?
Het besluit van de Sri Lankaanse regering en de wijze waarop dit tot stand is gekomen is dermate rigoureus en afwijkend van de Nederlandse besluitvormingsprocedure dat ik het niet nodig acht onderzoek te laten uitvoeren naar de lessen die we kunnen trekken uit dat beleid.
Deelt u de angst dat beleid wat het gebruik van kunstmest en gewasbeschermingsmiddelen doet afnemen kan leiden tot een afname in voedselzekerheid? Zo nee, waarom niet?
Nee, niet per definitie. Het belang van voedselzekerheid is leidend. Dat wordt niet alleen bereikt door het gebruik van kunstmest en bestrijdingsmiddelen. In geval van overmatig gebruik van deze stoffen kan dit leiden tot afname van de voedselzekerheid en gezondheidsrisico’s voor de mens en het milieu. Het is daarom belangrijk dat kunstmest en gewasbeschermingsmiddelen zorgvuldig en met terughoudendheid worden toegepast, binnen ecologische, maatschappelijke en economische randvoorwaarden.
Bent u het eens met de conclusies in het artikel dat biologische landbouw geschikt is voor een niche in de consumentenmarkt, maar niet voor het grootschalig voeden van een groeiende wereldbevolking?
In Nederland is biologische landbouw momenteel een niche, maar ontwikkelt het kabinet, in lijn met Europese doelstellingen, een nationale strategie biologische productie en consumptie voor de mogelijke groei van de sector, passend binnen de Nederlandse context. Er is geen landbouwmodel dat exclusief kan claimen de wereldbevolking te kunnen voeden. Zie ook vraag 7.
Wat zijn de gevolgen voor de Nederlandse landbouwproductie als we met onmiddellijke ingang gewasbeschermingsmiddelen en kunstmest verbieden?
Bij een onmiddellijk verbod op gewasbeschermingsmiddelen en kunstmest zal de Nederlandse landbouwproductie fors dalen, vanwege plagen en ziekten die gewassen zullen aantasten en vanwege gebrek aan nutriënten die niet volledig met natuurlijke meststoffen zijn op te vangen.
Wat is de invloed van organisaties met een financieel belang bij het inperken van gewasbeschermingsmiddelen en kunstmest op het Nederlandse landbouwbeleid? Dit mede in relatie tot het artikel waarin wordt geanalyseerd dat het Sri Lankaanse landbouwbeleid werd bepaald door de Viyathmaga-beweging, waarin de financiele belangen meespeelden van organisaties die winst behaalden bij het afbouwen van gewasbeschermingsmiddelen en kunstmest.
Er is in Nederland volop debat over de wijze waarop we de transitie naar duurzame voedselproductie vormgeven. Maatschappelijke organisaties en bedrijven nemen daar aan deel en trachten hun standpunten onder de aandacht te brengen van de politiek, de media en bij andere betrokken partijen. Organisaties die een financieel belang hebben bij het inperken van gewasbeschermingsmiddelen en kunstmest, hebben geen wezenlijk andere invloed dan organisaties die een belang hebben bij het gebruik en het tegendeel bepleiten. De argumenten op basis waarvan we in het debat tot besluiten komen worden uiteindelijk uitgewisseld in uw Kamer.
Welke belangenorganisaties en denktanks hebben in het verleden of hedendaags bij het ministerie bepleit dat Nederland kunstmest en gewasbeschermingsmiddelen uitfaseerd of het gebruik ervan drastisch verminderd?
In het debat over de reductie van het gebruik van kunstmest en bestrijdingsmiddelen worden vele stemmen gehoord. Zo hield de commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit op 12 januari 2022 een rondetafelgesprek over gewasbeschermingsmiddelen en heeft de vaste commissie van LNV recent een brief ontvangen van tien maatschappelijke organisaties die pleiten voor een reductie van gebruik en risico’s van gewasbeschermingsmiddelen. De Toekomstvisie gewasbescherming 2030 en het bijbehorende Uitvoeringsprogramma, die is opgesteld in samenwerking met Agrodis, Artemis, Cumela, Fedecom, LTO Nederland, Natuur en Milieu, Nefyto, Plantum, UvW en VEWIN, richt zich op een transitie naar weerbare planten en teeltsystemen waardoor de behoeft aan gewasbeschermingsmiddelen afneemt en daardoor ook het gebruik en de risico’s.
Wat was de reactie van de Nederlandse delegatie naar de VN klimaattop in Glasgow op de speech van President Gotabaya Rajapaksa waarin hij het succes van zijn «agrarische revolutie» verkondigde?
Het programma van de VN klimaattop voorziet formeel niet in reacties op de nationale speeches die worden gehouden. De Nederlandse delegatie heeft hierover geen contact gehad met delegatie uit Sri Lanka.
In welke mate heeft deze toespraak effect gehad op de besluitvorming tijdens de top?
Besluitvorming vindt met name plaats in de tweede week van de klimaattop over de onderhandelingsonderwerpen en staat los van de gehouden speeches. Het indirecte effect van speeches valt niet vast te stellen.
Heeft de Nederlandse delegatie de foutieve claims van President Gotabaya Rajapaksa richting andere delegaties weerlegd?
De Nederlandse delegatie heeft niet met andere delegaties over deze speech gesproken.
Bent u op de hoogte dat ongeveer 4 miljard mensen wereldwijd afhankelijk zijn voor hun voedselvoorziening van de toegenomen agrarische productiecapaciteit door gewasbestrijdingsmiddelen en kunstmest? In welke mate speelt dit mee in het Nederlandse buitenlandbeleid?
Het kabinet erkent het belang van gebruik van agrochemicaliën voor de wereldwijde voedselproductie. Het kabinetsbeleid in deze is gericht op een zorgvuldige toepassing van deze middelen, dat wil zeggen op een manier die veilig en rendabel is voor de boer en duurzaam en gezond voor mens, maatschappij en milieu.
Zou u deze vragen zo snel mogelijk elk afzonderlijk kunnen beantwoorden?
De vragen zijn zo snel als mogelijk, ieder afzonderlijk beantwoord.
De open brief van het Nationaal OV-Beraad (NOVB) over de staat van het openbaar vervoer en het voorzieningenniveau |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u het eens dat hetgeen het Nationaal OV-Beraad in een open brief voor waarschuwt onwenselijk is, namelijk dat het wederom uitstellen van afspraken voor een goed herstel van de openbaar vervoer (ov-)sector na de coronacrisis wegens een gebrek aan financiële draagkracht tot 20% a 30% minder (regionaal) openbaar vervoer zal leiden? Zo ja, waarom wordt het dan telkens uitgesteld en is het op de dag van schrijven nog niet bekend of voor de deadline van 14 april a.s. een beslissing genomen is? Zo nee, waarom niet?
Ik ben het eens dat de OV-sector gebaat is bij goede en tijdige afspraken. Daarom heeft het kabinet op 14 april jl. besloten de beschikbaarheidsvergoeding OV (BVOV) te verlengen tot eind 2022. Ik heb uw Kamer hierover geïnformeerd op 14 april1. Zo maken we de dienstregelingen voor de tweede helft van 2022 onder dezelfde voorwaarden als op dit moment mogelijk. Met het doortrekken van de BVOV wordt zekerheid geboden voor de sector en voor de reiziger beschikbaar en veilig (regionaal) OV gegarandeerd. Zorgvuldige besluitvorming vergde helaas een iets langere doorlooptijd.
In hoeverre bent u bereid tegemoet te komen aan de wensen van het Nationaal OV-Beraad, om zodoende de ov-branche na een zware periode niet te laten zitten?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u het met eens dat een significante afname van openbaar vervoer wegens een gebrek aan financiële middelen leidt tot een gedwongen toename van het gebruik van de auto en dat dit niet strookt met de wensen van het kabinet om duurzamer te leven? Zo ja, welke hinder zorgt dan voor ruis op de lijn waardoor het Nationaal OV-Beraad zich genoodzaakt voelt om een open brief te schrijven?
Ja, het is van groot belang dat het OV – naast de primaire functie om door mobiliteit te voorzien in bereikbaarheid – de noodzakelijke bijdrage kan leveren aan duurzaamheid, het ontsluiten van nieuwe woningen en het opvangen van de groeiende behoefte aan mobiliteit. Vanwege dat maatschappelijk belang kunnen vervoerders voor heel 2022 gebruik maken van de beschikbaarheidsvergoeding OV (BVOV).
Voor 2023 gaat het KiM nu uit van 97% reizigersherstel t.o.v. 2019. Zoals ik in mijn brief van 14 april heb aangegeven, zal het KiM deze prognose in juni actualiseren. Ik blijf de ontwikkelingen monitoren en blijf in gesprek met de OV-sector. Dit is in lijn met de brieven van 25 februari en 1 april 2022 over de beëindiging van het coronasteunpakket, en het verkennen en uitwerken van gerichte, sectorale instrumenten zodat in het geval dat nodig blijkt, een effectief instrumentarium voorhanden is2.
Bent u bekend met de signalen van de OV-branche, waarin zij aangeeft dat het langer nodig heeft om te herstellen van de klap die zij gekregen heeft tijdens de coronacrisis? Zo ja, bent u bereid om verder te kijken dan 2022 en een overbruggingsperiode van meerdere jaren te garanderen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u deze vragen één voor één afzonderlijk beantwoorden en gezien de urgentie dit voor 1 mei a.s. doen?
Gezien de samenhangende vragen, heb ik de beantwoording van sommige vragen gecombineerd. Ik heb geprobeerd uw vragen zo snel mogelijk te beantwoorden.
De toegang tot basiszorg voor Oekraïense vluchtelingen |
|
Caroline van der Plas (BBB), Don Ceder (CU), Roelof Bisschop (SGP), Ruben Brekelmans (VVD), Mirjam Bikker (CU), Kees van der Staaij (SGP), Judith Tielen (VVD), Anne-Marijke Podt (D66), Joba van den Berg-Jansen (CDA) |
|
Kuipers , Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de toegang van Oekraïense vluchtelingen tot basiszorg, waaronder huisartsenzorg, geestelijke gezondheidszorg (ggz), apotheekzorg, mondzorg en verloskunde?
In de verzamelbrief aan de Tweede Kamer van 20 april 20221 is tot de toegang tot de (basis)zorg toegelicht. Vanwege de Europese Richtlijn Tijdelijke Bescherming hebben ontheemden uit Oekraïne een bijzondere status, waardoor de toegang tot de gezondheidszorg op een andere manier moet worden georganiseerd. Zij vallen niet onder de Regeling Medische zorg Asielzoekers en kunnen ook geen zorgverzekering afsluiten (tenzij de ontheemde gaat werken). Om de toegang tot de medische zorg en Wlz-verblijfszorg goed te organiseren is besloten dat de Staatssecretaris van JenV de verantwoordelijkheid draagt voor de organisatie van de toegang van zorg, analoog aan diens verantwoordelijkheid voor de asielzoekers.
Het Ministerie van JenV werkt met ondersteuning van het Ministerie van VWS samen met de zorgverzekeraars aan de invulling van een uitvoeringscontract, zoals dit ook is georganiseerd voor asielzoekers. Het uitgangspunt hierbij is het zoveel mogelijk kopiëren van bestaande systemen, contracten, en de aanspraken, zoals deze ook zijn opgenomen in de regeling medische zorg asielzoekers. Hierbij is en wordt ook veelvuldig gebruikt gemaakt van de kennis en ervaring van het COA op het terrein van de RMA. In de tussenperiode kan gebruik worden gemaakt van de subsidieregeling medisch noodzakelijke zorg voor onverzekerden (SOV).
Kunt u een update geven van uw gesprekken met betrokken partijen, zoals de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV), InEen en GGD GHOR Nederland, over bestaande knelpunten? Kunt u concreet maken wat de knelpunten wat u betreft op dit moment zijn?1
In de gesprekken tussen VWS en LHV, InEen en GGD GHOR over de zorg voor Oekraïense ontheemden is volop aandacht voor de knelpunten die nu spelen of die worden voorzien bij een hogere instroom van het aantal ontheemden. De belangrijkste knelpunten zijn tolken die ingezet kunnen worden bij zorgverlening, de medische dossiervoering van huisartsen op de grotere centrale opvanglocaties en de administratieve lasten van zorgdeclaraties. Vanwege de reeds bestaande druk op de huisartsenzorg is een zo beperkt mogelijke administratieve druk van groot belang.
Deelt u het besef van urgentie bij genoemde veldpartijen om zo spoedig mogelijk te komen tot werkbare randvoorwaarden en een goede landelijke organisatie van de eerstelijnszorg voor vluchtelingen uit Oekraïne, aangezien de druk op de basiszorg reeds groot was en er inmiddels ruim 30.000 Oekraïense vluchtelingen in Nederland zijn gearriveerd?
Ja deze urgentie is er. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Hoe is de regie op de instroom van medische evacués en de instroom daarvan in de verdere zorgketen geregeld?
Binnen Nederlandse ziekenhuizen is op verzoek van de Europese Commissie capaciteit beschikbaar voor opvang van patiënten met een urgente medische vraag. Het betreft hier patiënten die zich in de buurlanden van de Oekraïne bevinden. Op 4 april heeft het Ministerie van VWS het Landelijk Netwerk Acute Zorg (hierna: LNAZ) spoedshalve opdracht gegeven om gebruikmakend van het Landelijk Coördinatiecentrum Patiënten Spreiding (LCPS) de rol van «National Medical Evacuation Coördinator» op zich te nemen voor Nederland, de medische evacuaties te coördineren en te doen wat nodig is om met dit coördinatiecentrum en in samenwerking met betrokken partijen de opvang en spreiding van patiënten in goede banen te leiden.
De «matching» van patiënten verloopt middels het speciaal daarvoor ingericht Europees systeem en vindt plaats op basis van wederzijdse acceptatie: als een verzoek tot evacuatie van een patiënt in het systeem komt te staan, kunnen landen deze patiënt accepteren, waarna de patiënt zelf kan kiezen naar welk land de voorkeur uitgaat. Ondanks de voorbereidingen die zijn getroffen door LCPS en andere betrokken partijen, zoals Eurocross voor het internationaal medisch vervoer en de ziekenhuizen die klaar staan patiënten op te vangen, zijn er tot op heden geen patiënten geweest die ervoor gekozen hebben om naar Nederland te komen.
Hoewel het Europese spreidingssysteem nog niet volmaakt werkt, zijn inmiddels in diverse andere Europese landen patiënten opgevangen. Onze waardevolle bilaterale contacten willen we gebruiken om de bekendheid van de wijze van aanmelden in het Europese systeem te vergroten. Ook dringen we via Europa erop aan dat landen waar momenteel veel patiënten verblijven, zoals Polen en Roemenië, het gebruik van het Europese systeem intensiveren. Zowel op nationaal als op Europees niveau is besloten om de opvang via het Europese systeem en het LCPS te doen plaatsvinden. Juist door de Europese aanpak kunnen we snel zien waar capaciteit (binnen Europa) beschikbaar is. Zo zorgen we er ook voor dat de reguliere zorg voor patiënten in Nederland en andere Europese landen kan doorgaan. Op deze manier kunnen de evacuaties veilig en gestructureerd verlopen en kunnen we uiteindelijk de beste zorg bieden op de plaats die op dat moment het meest geschikt is.
Kan bij het organiseren van basiszorg voor Oekraïense vluchtelingen gebruik worden gemaakt van reeds bestaande systemen en afspraken over zorg voor vreemdelingen en/of asielzoekers, met inachtneming van de bijzondere status die Oekraïense vluchtelingen genieten?
Omdat de ontheemden uit de Oekraïne niet door het COA worden opgevangen vallen zij niet onder de Regeling Medische zorg Asielzoekers. Om de toegang tot medische zorg en Wlz-verblijfszorg goed te organiseren is evenwel besloten dat de Staatssecretaris van JenV de verantwoordelijkheid draagt voor de organisatie van de toegang tot zorg, analoog aan de verantwoordelijkheid voor de asielzoekers.
Het Ministerie van JenV werkt met ondersteuning van het Ministerie van VWS samen met de zorgverzekeraars aan de invulling van een uitvoeringscontract, zoals dit ook is georganiseerd voor asielzoekers. Het uitgangspunt hierbij is het zoveel mogelijk kopiëren van bestaande systemen, contracten, en de aanspraken, zoals deze ook is opgenomen in de regeling medische zorg asielzoekers. Daarvoor wordt ook veelvuldig gebruik gemaakt van de kennis en ervaring die het COA heeft opgedaan met de RMA.
Bent u bijvoorbeeld bereid om ten aanzien van het medisch dossier van Oekraïense vluchtelingen gebruik te maken van het systeem dat ook wordt gebruikt voor asielzoekers in asielzoekerscentra (AZC’s)?
Zie antwoord vraag 5.
Erkent u dat de huidige regeling voor de declaratie van kosten bij het Centraal Administratie Kantoor (CAK) een hoge administratieve lastendruk met zich mee brengt en niet geschikt is voor deze aantallen patiënten?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid om te bezien hoe die regeldruk verminderd kan worden, waarbij u in ieder geval de voor- en nadelen in kaart brengt van het afsluiten van een contract met één zorgverzekeraar voor Oekraïense vluchtelingen, zoals dit ook voor asielzoekers het geval is?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid om te zorgen voor een telefoonlijn voor de avond-, nacht- en weekenduren, vergelijkbaar met de praktijktriagelijn voor asielzoekers?
Zie antwoord vraag 5.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de inzet van professionele tolken bij de zorg voor Oekraïense vluchtelingen? Wanneer gaat de regeling voor hen in? Bent u bereid om de beschikbaarheid van deze tolken op eenzelfde drempelvrije wijze te regelen als voor asielzoekers die door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) worden opgevangen?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u deze vragen gezien de urgentie zo spoedig mogelijk beantwoorden, in ieder geval voor het aanstaande plenaire debat over de opvang van Oekraïense vluchtelingen?
Het is niet gelukt om de vragen voor het plenaire debat te beantwoorden. Ik heb u ten behoeve van het debat wel een uitgebreide verzamelbrief3 gestuurd, waarin ik op belangrijke aspecten van de zorg aan deze groep ben ingegaan.
Dreigende olietekorten en compensatie voor visserij |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66), Henk Staghouwer (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kent de Minister het artikel: «Er is een dieseltekort op komst, maar niemand heeft het erover: dreigt er een echte oliecrisis?»1
Ja, de Minister van Klimaat en Energie heeft hiervan kennisgenomen.
Klopt het eventueel sanctioneren van de Russische oliehandel het olieaanbod met miljoenen vaten olie per dag zouden kunnen verminderen?
Rusland is de op twee na grootste olieproducent (na de VS en Saoedi-Arabië) en grootste exporteur van olie en olieproducten in de wereld. Het land exporteerde 7,8 miljoen vaten per dag naar wereldmarkten. Het Internationaal Energie Agentschap (IEA) gaat inmiddels uit van een daling van de diesel exporten met 40% en een afname van 1,5 miljoen vaten per dag aan ruwe olie op basis van genomen sanctiemaatregelen en zelf-sanctionerend gedrag van marktpartijen. Oliesancties zouden een grotere invloed kunnen hebben op deze Russische exporten.
Kan de Minister duiden welke gevolgen dit zal hebben en nu eventueel al heeft voor de sectoren die afhankelijk zijn van diesel, zoals bijvoorbeeld de landbouw, transport, scheepvaart, bouw en andere relevante sectoren?
De Minister van Klimaat en Energie is bekend met de lagere dan gemiddeld aanwezige voorraden van gasolie/diesel in de markt, inclusief de spanning rond de bevoorrading van de binnenlandse bunkervaart (zie, Schuttevaer.nl). Recent heeft hij opdracht gegeven aan COVA om dieselvoorraden aan de markt te leveren om het aanbod te ondersteunen. Dit in het kader van de tweede collectieve actie van het IEA (Kamerstuk 32 852, nr. 185).
In totaal zal COVA in de komende maanden 1,6 mln vaten aan gasolie/diesel aan de markt leveren. Deze gasolie/diesel komt bovenop de 0,8 mln vaten olie(producten) die het bedrijfsleven in maart 2022 op de markt heeft gebracht in het kader van de eerste collectieve actie van het IEA.
Kan de Minister duiden welke gevolgen het dreigende oliekort op de samenleving zal hebben?
Nederland dringt er bij de Europese Commissie op aan een analyse te maken hoe Europa onafhankelijker kan worden van Russische olie, hoe de gevolgen daarvan zo goed mogelijk kunnen worden ondervangen, met behoud van voldoende leveringszekerheid (zie brief inzake leveringszekerheid van 22 april 2022, Kamerstuk 29 023, nr. 302). Vooruitlopend op sancties op het terrein van olie roept het kabinet Nederlandse bedrijven op om de import van Russische olie zo veel mogelijk te beperken.
Het uitwerken van een afbouwplan olie vergt tijd en nauw overleg met Europese partners. Er dient daarbij ook gekeken te worden naar verschillende van olie afgeleide producten zoals benzine, diesel, stookolie, kerosine en bijvoorbeeld hoe snel alternatieven voor olie (biobrandstoffen) kunnen worden opgeschaald. Om die reden roept Nederland de Europese Commissie en andere lidstaten op om gezamenlijk werk te maken van een exit-strategie voor Russische olie. De Europese Commissie is in haar publicatie RePower EU reeds ingegaan op het onafhankelijker worden van Russisch gas. Het kabinet verzoekt de Commissie ook een vergelijkbare publicatie over olie te maken. Het kabinet zet hierbij in op een ambitieus maar realistisch pad, waarbij rekening wordt gehouden met substitutie en waarbij het kabinet haar Europese partners betrekt. Nederland vraagt de Commissie in haar impactassessment het scenario van een spoedige uitfasering als belangrijk scenario mee te nemen om te bezien wat, als dit EU-breed zou worden toegepast, de gevolgen zijn en hoe die zo goed mogelijk ondervangen kunnen worden.
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft op 3 mei jl. een rapport met de mogelijke effecten op bedrijven in de land- en tuinbouw naar de Kamer gestuurd (Kamerstuk 36 045, nr. 151). Een rapport met de mogelijke effecten op de visserij volgt op korte termijn.
Wordt overwogen om maatregelen te nemen om het olietekort op te vangen, zoals een autoloze zondag, beperkt gebruik (benzine en diesel op de bon) of snelheid beperkende maatregelen, zoals het Internationaal Energieagentschap in zijn strategieën voorschrijft?
Een crisisaanpak bestaat in principe uit twee onderdelen: inzet van strategische voorraden of vraagbeperkende maatregelen, of een combinatie daarvan. Het IEA heeft een handreiking gedaan voor maatregelen die de olievraag in OESO-landen kunnen beperken (snelheidsbeperkingen, verplicht thuiswerken, autoloze zondagen, etc.)
Het IEA heeft aangegeven dat er tot nu toe 9% van de strategische globale olievoorraden is ingezet; er is dus ruim 90% daarvan nog beschikbaar dat biedt perspectief. Ook in Nederland is er nog ruim 90% van de strategische voorraden aanwezig (na de twee collectieve acties is nog 27,5 miljoen vaten van de bijna 30 miljoen vaten aanwezig).
Zo ja, wanneer zijn deze maatregelen te verwachten? Zo nee, hoe wordt het olietekort dan opgevangen?
Recent heeft de Minister van Klimaat en Energie opdracht gegeven aan COVA om dieselvoorraden aan de markt te leveren om het aanbod te ondersteunen. In zijn totaliteit zal COVA in de komende maanden 1,6 mln vaten aan gasolie/diesel leveren. Deze gasolie/diesel komt bovenop de 0,8 mln vaten olie(producten) die het bedrijfsleven in maart al extra op de markt heeft gebracht.
Wordt overwogen om de oliewinning in Angola en/of Nigeria op te voeren en deze olie te importeren? Zo nee, waarom niet?
Dit is aan deze landen zelf om dat te besluiten.
De Europese Commissie heeft groen licht gegeven voor staatssteun uit het Europees Visserijfonds (per bedrijf 35.000 euro) aan de visserij in Nederland. Is de Minister van Financiën ervan op de hoogte dat de Minister van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit dit geld niet wil uitbetalen, omdat vissers al (de goedkopere) rode diesel mogen gebruiken en uitbetaling niet zou passen in de energietransitie?
Het kabinetsbeleid is dat er geen compensatie wordt verleend aan sectoren die te kampen hebben met de hoge prijzen van energie en brandstof als gevolg van de oorlog in Oekraïne.
Nederland zegt altijd dat de Europese Unie dwars ligt:waarom ligt dan nu Nederland dwars?
Nederland heeft de keuze gemaakt geen compensatie te verlenen aan bedrijven die getroffen zijn door hoge energie- of brandstofprijzen. Slechts een beperkt aantal landen hebben besloten gebruik te maken van het EU tijdelijk crisiskader in het kader van Oekraïne. Fluctuatie van energieprijzen is van alle tijden en is onderdeel van het ondernemersrisico. Daarnaast kan compensatie de vraag naar fossiele energie juist stimuleren, ten nadele van de verduurzamings- en energieonafhankelijkheids- doelstellingen van het kabinet.
Wat heeft het gebruik van rode diesel en de energietransitie te maken met de huidige Rusland- en oliecrisis? Is de Minister het ermee eens dat dit los van elkaar moet staan? Zo nee, waarom niet?
Deze zaken staan in principe los van elkaar, maar kunnen elkaar wel beïnvloeden. Zo onderstrepen de huidige hoge prijzen van fossiele brandstoffen het belang van de energietransitie.
Is de Minister het ermee eens dat vissers sinds het Europese pulsvisserij-verbod, wat de helft scheelde aan dieselgebruik, buiten hun schuld om weer met de dieselverspillende boomkor moeten vissen? Zo nee, waarom niet?
Nederlandse vissers ondervinden hinder van het pulsverbod. Daarop zijn vissers overgestapt op het boomkortuig dat meer brandstof verbruikt. Het is evident dat vissen met de boomkor leidt tot hogere brandstofkosten dan vissen met het pulstuig.
Is de Minister het ermee eens dat energiezuiniger vissen door het EU-pulsvisserijverbod, de visserij onmogelijk is gemaakt? Zo nee, waarom niet?
Met het verbod op de pulsvisserij is het vissen met een energiezuinig bodemtuig onmogelijk gemaakt. Momenteel lopen er innovatietrajecten om nieuwe demersale vistuigen te ontwikkelen die bijdragen aan minder CO2-uitstoot en passen binnen de Europese regelgeving. Het pulsvisserijverbod is erg vervelend voor vissers, de Minister van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit heeft dit, zoals toegezegd aan uw Kamer, ook in Brussel voor benoemd. Het is echter niet zo dat hierdoor niet meer gevist kan worden. Daarnaast spelen voor de visserijsector meerdere uitdagingen, los van het pulsverbod.
Is de Minister ervan op de hoogte dat andere technieken voor verduurzaming van de visserij nog niet genoeg zijn ontwikkeld en ook niet beschikbaar zijn voor het compensatiejaar 2022?
Zie antwoord vraag 12.
Is de Minister het, gelet op het bovenstaande, ermee eens dat een compensatie uit het EU-Visserijfonds nu dus juist wél opportuun zou zijn?
Nee. Om de verduurzamings- en energieonafhankelijkheids- doelstellingen te bereiken zet het kabinet in op innovatie om de sector toekomstperspectief te bieden.
Wil de Minister het besluit om de compensatie niet uit te betalen heroverwegen? Zo nee, waarom niet?
Nee, omdat hiermee aan de situatie spijtig genoeg niets veranderd is. Die was lastig en vervelend voor onze vissers, net zoals dat voor veel andere ondernemers het geval is, en dat blijft zo. Het kabinetsstandpunt is dat compensatie van bedrijven vanwege hoge energie- en brandstofprijzen als gevolg van de oorlog in Oekraïne niet aan de orde is. De onzekerheid op het gebied van energieprijzen vergroot het belang van verduurzamen en innoveren om de economie toekomstbestendig te maken. Compensatie zal hier niet aan bijdragen.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden en dit gezien de urgentie voor 1 mei aanstaande doen?
Dat is in verband met de interdepartementale afstemming helaas niet gelukt.
Het artikel ‘Duidelijke koers staatsbanken gewenst’ |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Duidelijke koers staatsbanken gewenst»?1
Ja.
Erkent u dat in het vorige regeerakkoord van kabinet Rutte III vermeld stond dat de ABN AMRO zo snel mogelijk als verantwoord naar de markt zou moeten?
Ja.
Wat is er de afgelopen regeringsperiode gedaan om de banken verder te privatiseren?
Het aandeelhouderschap in ABN AMRO en de Volksbank is ondergebracht bij NLFI, onder certificering van de aandelen aan de staat. NLFI adviseert mij over de verkoopgereedheid en de verkoopstrategie voor deze instellingen en voert die uit. Het klopt dat voor deze beide instellingen geldt dat er in de afgelopen kabinetsperiode geen verdere afbouw heeft plaatsgevonden. Ik ga hieronder op beide gevallen nader in.
Het kabinet heeft in 2015 besloten ABN AMRO terug naar de beurs te brengen2. In 2015, 2016 en 2017 hebben meerdere verkooptransacties plaatsgevonden. Zoals ik eerder aan uw Kamer heb laten weten wordt de timing van verkooptransacties bepaald op basis van verschillende factoren zoals de ontwikkeling van de aandelenprijs, open en gesloten periodes, interesse bij investeerders en de marktomstandigheden3. NLFI weegt deze factoren voordat zij mij adviseert om aandelen te verkopen. Mede vanwege de koersgevoeligheid ben ik beperkt in wat ik hier in het openbaar over kan zeggen. Dit zou bovendien nadelig kunnen zijn voor de financieel-economische positie van de staat. In de vertrouwelijke setting van het schriftelijk overleg dat ik later deels openbaar heb gemaakt, ben ik nader ingegaan op de overwegingen waarom afbouw in de vorige kabinetsperiode niet verder heeft plaatsgevonden4. Bij het Commissiedebat Staatsdeelnemingen op 26 januari 2022 heb ik het voornemen uitgesproken om de afbouw van het belang in ABN AMRO te hernemen. Dit heb ik daarna onder andere in de Kamerbrief over mijn beleidsprioriteiten bevestigd5. Ik heb NLFI gevraagd om opnieuw te kijken naar de verkoopstrategie en mij daarover te adviseren. Zoals gebruikelijk informeer ik uw Kamer aan de start van een voorgenomen verkooptransactie. Via NLFI houdt de staat momenteel nog 56,3% van de aandelen in ABN AMRO.
Een besluit over de toekomst van de Volksbank was afgelopen periode niet aan de orde. De bank kende gedurende de volledige vorige kabinetsperiode uitdagingen, o.a. als gevolg van de impact van de langdurige lage rente op de bank. In de brief van 6 juli 2021 heeft mijn voorganger aan de hand van de meest recente voortgangsrapportage van NLFI over de Volksbank aangegeven dat de bank nog steeds niet klaar is voor privatisering6. De Volksbank heeft tijd nodig om aan de implementatie van de strategie te werken om daarmee een betere uitgangspositie voor privatisering te realiseren. In deze strategie adresseert de bank de uitdagende (markt)omstandigheden en werkt het onder andere aan diversificatie van de inkomsten en flexibilisering van de kostenstructuur. Een volgende voortgangsrapportage van NLFI wordt voor de zomer van 2022 verwacht, die deel ik zoals gebruikelijk met uw Kamer.
Gelijktijdig met de laatste voortgangsrapportage heeft mijn voorganger een verkenning naar toekomstmogelijkheden en de mogelijkheden voor de borging van het maatschappelijk karakter aan de Tweede Kamer gestuurd. Die verkenning heeft geen besluitvormend karakter, maar heeft als doel om de dialoog over de toekomstmogelijkheden voor de bank met uw Kamer te kunnen voeren.
Vindt u ook dat volledig of deels eigendom in bepaalde banken door de staat marktwerking verstoort en onwenselijk is?
Uitgangspunt bij het aangaan van de deelnemingen in ABN AMRO en (voorheen) SNS REAAL was dat de verschillende onderdelen op termijn weer zouden worden verkocht. Ik ben het eens met wat het toenmalige kabinet destijds heeft aangegeven, namelijk dat blijvend staatsaandeelhouderschap de concurrentieverhoudingen in de sector kan verstoren7. De publieke belangen in de financiële sector en eerlijke mededinging worden in de eerste plaats gebord door het instrument van wet- en regelgeving.
Om concurrentieverstoring tegen te gaan zijn daarnaast maatregelen van de Autoriteit Consument en Markt (ACM) van kracht. De risico’s voor de mededinging worden voorkomen doordat de toepassing van deze maatregelen ervoor zorgen dat wordt geborgd dat deze financiële instellingen zelfstandig blijven opereren en dat er geen onderlinge afstemming plaatsvindt. Dit wordt onder meer bereikt doordat NLFI (en het ministerie) geen concurrentiegevoelige informatie mogen ontvangen over deze instellingen en de ondernemingen autonoom hun strategie bepalen.
Klopt het dat de Europese Unie bij de nationalisering van de banken heeft geëist dat de banken uiteindelijk weer geprivatiseerd moeten worden?
De Nederlandse staat heeft zich in de procedure rondom staatssteun voor beide banken gecommitteerd om te zijner tijd, als de marktomstandigheden dat toelaten de financiële instellingen weer terug te brengen naar de markt. Het aandeelhouderschap van de staat in enkele financiële instellingen is, zoals gezegd, een tijdelijke maatregel die ten doel had om de stabiliteit van het financiële stelsel in de (nasleep van) de financiële crisis van 2008 te borgen. De Nederlandse staat heeft daarbij zelf aangegeven dat het niet de bedoeling is om financiële instellingen in staatshanden te houden en zich te committeren aan het op termijn verzelfstandigen van beide banken.
Heeft de Nederlandsche Bank ook een advies gegeven aan het ministerie over het feit dat een aantal banken nog steeds (grotendeels) staatsbezit zijn?
Nee, een dergelijk advies is nooit verstrekt.
Wat is de huidige strategie van het Ministerie van Financiën om de banken verder te privatiseren?
Om te concluderen of een deelneming gereed is voor privatisering, beoordeelt NLFI de gebruikelijke randvoorwaarden voor privatisering. Deze zien op de vragen of: (i) de betrokken vennootschap klaar is voor privatisering; (ii) of de financiële sector stabiel is, en (iii) of er voldoende interesse in de markt voor de beoogde transactie is. Voorts is het streven erop gericht om zoveel als mogelijk de kapitaaluitgaven terug te verdienen.
In lijn met mijn antwoord op vraag 3 ben ik voornemens de afbouw van het belang in ABN AMRO ter hernemen en heb ik NLFI gevraagd opnieuw te kijken naar de verkoopstrategie en de voorwaarden te beoordelen waaronder verkoop kan plaatsvinden. Zoals nader toegelicht in dat antwoord kan ik publiekelijk geen mededelingen doen over de concrete overwegingen bij de timing van de verkoop van het aandelenbelang in ABN AMRO.
Voor de exit-strategie van de Volksbank is in de eerste plaats de voortgang op de implementatie van de onlangs herziene strategie van belang. Ik vind het positief dat de bank een strategie heeft opgesteld waarin het de uitdagingen adresseert en dat de bank met de uitvoering hiervan is gestart. Het toetsingskader dat NLFI ter beoordeling van de nieuwe strategie heeft opgesteld (zoals opgenomen in de voortgangsrapportage), ondersteunt bij de beoordeling van de gereedheid van de bank voor privatisering8. NLFI zal in de volgende voortgangsrapportage(s) ingaan op deze voortgang. Deze voortgangsrapportages deel ik zoals gebruikelijk ook met uw Kamer.
Hoe wordt er uitvoering gegeven aan deze strategie?
Zie antwoord vraag 7.
Zijn er bekende en/of verwachte belemmeringen in het privatiseren van de banken?
Zoals toegelicht in het antwoord op de vragen 7 en 8 is een aantal criteria geformuleerd waar NLFI in het kader van verkoop op toetst: (i) is de onderneming er klaar voor, (ii) is de financiële sector voldoende stabiel en (iii) is er voldoende interesse in de markt. Voorts is het streven erop gericht om zoveel als mogelijk de kapitaaluitgaven terug te verdienen. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 3 ben ik voornemens de afbouw van het belang in ABN AMRO te hernemen en heb ik NLFI gevraagd mij daarover te adviseren. Hoewel ik op voorhand geen belemmeringen zie, is het aan NLFI om deze factoren te wegen voordat zij mij adviseert om aandelen te verkopen. Mede vanwege de koersgevoeligheid ben ik beperkt om nader in het openbaar in te gaan op de verkoopstrategie. Dit zou bovendien nadelig kunnen zijn voor de financieel-economische positie van de staat.
Voor de Volksbank geldt dat met een succesvolle uitvoering van de nieuwe strategie wordt gewerkt aan een meer solide basis voor haar toekomst. Voorkomen moet worden dat de bank in de toekomst (opnieuw) in financiële problemen komt. Mede door de huidige uitdagende (markt)omstandigheden heeft de bank nog steeds tijd nodig om tot een dergelijke uitgangspositie te komen. De uitdagingen komen voornamelijk voort uit de druk op de rentemarges. Ook aan de kostenkant zijn er uitdagingen. Deze uitdagingen hebben impact op het verdienvermogen van de bank en zijn daarmee van invloed op de verkoopgereedheid van de bank. Zoals ook aan bod komt in mijn antwoord op vragen 3 en 8 vind ik het positief om te zien dat de bank een strategie heeft opgesteld waarin het de uitdagingen adresseert. Ik acht het van groot belang dat de implementatie van de strategie en de effecten daarvan nauwgezet worden gemonitord, zodat tijdig kan worden beoordeeld of de nieuwe strategie het gewenste effect sorteert. Een volgende voortgangsrapportage van NLFI wordt voor de zomer van 2022 verwacht, die deel ik zoals gebruikelijk met uw Kamer.
De inzet van influencers tijdens de coronacrisis. |
|
Caroline van der Plas (BBB), Fleur Agema (PVV) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met uw antwoord tijdens de mondelinge vragen van 15 maart jl. van het lid Van der Plas: «In het artikel stond ook een en ander over influencers, maar over dat onderwerp heeft uw Kamer uitvoerig met de voormalig Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) reeds gedebatteerd»?
Ja.
Op welk debat of welke debatten met de voormalig Minister van VWS doelt u hier?
Er is op verschillende momenten aandacht geweest voor de inzet van influencers in de communicatie over corona. In ieder geval is er in uw Kamer in plenaire debatten over de ontwikkelingen rondom het coronavirus op 1 april 2020 en op 7 oktober 2020 met de Minister-President en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over gesproken. Daarnaast heeft de Minister van VWS in het kader van een WOB-verzoek stukken hierover openbaar gemaakt op 4 september 2020 en heeft de Minister van VWS op 19 november 2020 schriftelijke Kamervragen van het lid Van Haga (Van Haga) beantwoord.
Hoeveel influencers zijn er in totaal tijdens de coronacrisis door de regering ingezet?
In totaal zijn 60 influencers ingezet tijdens de coronacrisis in het kader van de campagne Alleen Samen, zowel betaald als belangeloos.
Welke bekende influencers zijn met welke boodschappen door de regering tijdens de coronacrisis ingezet?
Over deze verschillende campagnes als zodanig is uw Kamer via de stand van zaken brieven meermaals geïnformeerd, onder meer op 7 april 2020, 28 juli 2020, 1 september 2020, 13 januari 2021, 23 maart 2021 en 13 augustus 2021.
Welke onbekende influencers zijn met welke boodschappen door de regering tijdens de coronacrisis ingezet?
Alle influencers zijn per definitie in meer of mindere mate bekend, al is het slechts onder een bepaalde doelgroep, bijvoorbeeld jongeren. Zie beantwoording vraag 4.
Welke Ministers hebben tijdens de coronacrisis influencers ingezet?
De influencers zijn allen ingezet binnen de campagne Alleen Samen. Deze campagne is ontwikkeld vanuit het Nationaal Kernteam Crisiscommunicatie (NKC) COVID-19, onderdeel van de nationale crisisstructuur, waarin alle betrokken departementen deelnamen. De campagne kende deelcampagnes, zoals die over de vaccinaties tegen corona. Om zoveel mogelijk mensen te bereiken en te informeren over de geldende maatregelen en het omgaan met het coronavirus werden uiteenlopende (sociale) media-kanalen ingezet. Bij alle content die hoorde bij de opdrachten is vermeld dat het hier gaat om een samenwerking met de rijksoverheid.
Op welke standpunten of boodschappen zijn tijdens de coronacrisis door de regering influencers ingezet?
De content die de influencers produceerden had betrekking op: de corona basisregels (handen wassen, quarantaine, (zelf)testen, ventilatie en afstand houden), coronavaccinatie, coronaregelgeving over reizen en vakanties in combinatie met het advies om een zelftest te doen bij terugkomst en mentale gezondheid en welbevinden van jongeren.
Op welke social media platforms zijn tijdens de coronacrisis door de regering betaalde influencers ingezet?
Instagram, YouTube, TikTok, Facebook en platforms waar televisie-uitzendingen kunnen worden teruggekeken zoals RTL XL.
Hoeveel geld is er tijdens de coronacrisis betaald aan influencers door welke Ministers?
De inzet van influencers is betaald door het Nationaal Kernteam Crisiscommunicatie (NKC) COVID-19, onderdeel van de nationale crisisstructuur.
De bekende Nederlanders die hebben meegewerkt aan de «Stroop je mouw op»-campagne hebben dit belangeloos gedaan. Ook de 3 sporters hebben belangeloos meegewerkt aan een live chat.
Welke standpunten of boodschappen van de regering hebben influencers tijdens de coronacrisis ondersteund?
De content die de influencers produceerden hadden betrekking op: de corona basisregels (handen wassen, quarantaine, (zelf)testen, ventilatie en afstand houden), coronavaccinatie, coronaregelgeving over reizen en vakanties in combinatie met het advies om een zelftest te doen bij terugkomst en mentale gezondheid en welbevinden van jongeren.
Hebben door de regering betaalde influencers de standpunten of boodschappen van andersdenkenden dan de regering bestreden? Zo ja, welke?
De rijksoverheid heeft de influencers geen opdracht gegeven of betaald om de mening van andersdenkenden te beïnvloeden of hierop te reageren.
Hebben door de regering betaalde influencers de standpunten of boodschappen van Kamerleden bestreden? Zo ja, welke?
De rijksoverheid heeft de influencers geen opdracht gegeven of betaald om te reageren op de sociale media berichten van Kamerleden.
Als Kamerleden uit de oppositie de reacties op hun boodschappen op social media met andere standpunten als het gaat om de coronacrisis dan de regering gaan nalopen, dan staan er geen reacties onder van door de regering betaalde influencers?
Ja.
Kunt u deze Kamervragen beantwoorden voor het plenaire debat over het rapport «Aanpak coronacrisis – Deel 1» van de Onderzoeksraad voor de Veiligheid?
Ja.
Kunt u deze 14 vragen gaarne los beantwoorden en niet samenvoegen?
De oproep van gedeputeerden Overijssel en Utrecht aan het Rijk om sanering asbestdaken vlot te trekken. |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u de oproep van de gedeputeerden van de provincies Overijssel en Utrecht in De Boerderij van 26 maart jl. gelezen over de aanpak van de asbestsanering?1
Ja, ik heb kennis genomen van het artikel.
Erkent u de urgentie om het dalende saneringstempo te keren?
In de brief van 1 december 2021 (Kamerstuk 25 834, nr. 187) aan uw Kamer over de voortgang van de asbestdakensanering is zorg uitgesproken over het dalende saneringstempo en is aangegeven dat de ambitie is om de saneringsoperatie sneller te voltooien dan wat met het huidige tempo naar verwachting gerealiseerd wordt. In dat kader heb ik tijdens het Commissiedebat Externe Veiligheid van 26 januari 2022 toegezegd uw Kamer voor de zomer te informeren over de alternatieve invulling van de middelen voor het zakelijke fonds. Mijn streven is om deze brief voor het komende Commissiedebat Externe Veiligheid van 22 juni, aan de Kamer te sturen. Momenteel voer ik de laatste gesprekken met onder andere de ambassadeurs.
Wat vindt u een acceptabele termijn waarbinnen (vrijwel) alle asbestdaken moeten zijn gesaneerd (zowel in de steden als op het platteland)?
In het in 2019 door de Eerste Kamer verworpen wetsvoorstel, waarmee een verbod op asbestdaken was beoogd, was uitgegaan van de sanering van asbestdaken uiterlijk in 2024. Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer is door mijn voorganger voorgesteld meer tijd te geven voor de operatie en uit te gaan van een verbod in 2028.
Door het verwerpen van het wetsvoorstel is nu geen sprake van een harde deadline, maar is als ambitie geformuleerd dat de resterende asbestdaken dit decennium (dus voor 2030) op vrijwillige basis zijn gesaneerd. Zoals in het antwoord op vraag 2 is aangegeven, wordt deze ambitie niet gehaald met de huidige aanpak.
Indien asbestdaken in zodanige slechte staat zijn dat een gevaar voor de gezondheid of veiligheid ontstaat kan direct worden opgetreden. Het is lastig te bepalen wanneer moet worden opgetreden. Als één van de acties in de samenwerkingsverklaring wordt daarvoor momenteel een handreiking opgesteld.
Wat gaat u doen om die termijn te halen?
Ik ben mij momenteel aan het beraden op de mogelijkheden van de inzet van de middelen die daadwerkelijk leiden tot de versnelling van de asbestdakensanering. Zoals genoemd in het antwoord op vraag 2, zal ik uw Kamer voor het Commissiedebat externe veiligheid gepland op 22 juni hierover informeren.
Hoe gaat u de nog beschikbare middelen voor het bedrijvenfonds inzetten om asbestdakeigenaren te ondersteunen?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid om meer landelijke regie op de asbestdakenaanpak te voeren? Zo ja, op welke manier?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid om meer middelen in te zetten om eigenaren substantieel te ondersteunen? Zo ja, welke middelen kunnen zij verwachten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u bij de Minister voor Natuur en Stikstof aandringen op vergaande ondersteuning van ondernemers die vrijwillig meewerken aan de landbouwtransitie, hun bedrijf beëindigen en daarbij hun schuren en stallen slopen (en daarmee ook de asbestdaken saneren)?
In zijn brief van 1 april 20222 heeft de Minister voor Natuur en Stikstof, mede namens de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, de hoofdlijnen van de gecombineerde aanpak van natuur, water en klimaat in het landelijk gebied en van het bredere stikstofbeleid aan uw Kamer gemeld. De structurele stikstofaanpak voorziet in een breed pakket aan maatregelen, waaronder regelingen die veehouders in staat stelt om hun bedrijf of een locatie van hun bedrijf te beëindigen door het verstrekken van een subsidie of beëindigingsvergoeding. Mede om verrommeling van het platteland en ondermijning te voorkomen bevatten deze regelingen bepalingen die zien op de (gedeeltelijke) sloop van stallen. Daarmee zijn er mogelijkheden om bedrijfsbeëindiging via deze regelingen te verbinden met de saneringsopgave van asbestdaken en in bredere zin met de gecombineerde aanpak die voor een belangrijk deel vorm zal krijgen via gebiedsplannen. In deze gebiedsplannen leggen de provincies de maatregelen en het instrumentarium vast om de doelen op het gebied van natuur, water en klimaat te realiseren. Het is aan provincies om in dit instrumentarium rekening te houden met het saneren van asbestdaken.
Kunt u bij de Minister voor Klimaat en Energie aandringen op prioriteit voor zon-op-dak-projecten bij de aanpak van netcongestie, zodat eigenaren de opbrengst kunnen gebruiken om de daksanering te financieren?
De Minister voor Klimaat en Energie heeft uw Kamer op 20 mei geïnformeerd middels de «Zonnebrief» over zijn beleidsvoornemens voor het opwekken van hernieuwbare elektriciteit met behulp van zonnepanelen, waaronder zon op dak. In deze brief is ook ingegaan op de aanpak van netcongestie.
Kunt u bij de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening aandringen op ondersteuning voor asbestdakeigenaren in het kader van verduurzaming van de woningvoorraad?
Ja. Dit vormt onderdeel van het traject dat ik momenteel doorloop om te komen tot de brief waar ik in de antwoorden op de vragen 2, 4, 5, 6 en 7 op ben ingegaan.
De NAM-afvalwaterlozing in Twente |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Hans Vijlbrief (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Welke mijnbouwhulpstoffen worden er gebruikt door de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) en andere betrokken partijen bij de oliewinning in Schoonebeek? Welke komen daarvan in het afvalwater terecht en welke bij lozing in Twente?
De onderstaande tabel bevat een weergave van de mijnbouwhulpstoffen die door het gebruik door NAM in het injectiewater in Twente terecht kunnen komen. Ik heb mij hiervoor gebaseerd op de Jaarrapportage 2020 Waterinjectie Twente1.
In deze opsomming zijn de volgende gegevens vermeld:
de gebruikte hoeveelheid mijnbouwhulpstoffen in 2020;
de chemische samenstelling van deze mijnbouwhulpstoffen;
de concentratie waarin deze mijnbouwhulpstoffen voorkomen in het injectiewater, uitgedrukt in mg/L en w/w%.
Biocide
XC82448
Ja (rechtstreeks in de waterstroom geïnjecteerd)
1,75 m3
tetrakis(hydroxymethyl) fosfoniumsulfaat(2:1), 1,2-Ethanediamine, N1,N1,N2,N2-tetramethyl-, polymer with 1,1»-oxybis[2-chloroethane]
2,2 mg/L
0,0002%
Anti-corrosie
vloeistof
CORR10941A
Ja
(rechtstreeks in de waterstroom geïnjecteerd
53 m3
2-Butoxyethanol, Quaternary ammonium compounds, benzyl C12-C16 (even numbered)-alkyldimethyl chlorides, Reaction mass of Amines, coco alkyl and β-Alanine, N-(2-carboxyethyl)-, N-coco alkyl derivs. and β-Alanine, N-coco alkyl derivs., Mono-Coco Alkyl-Amine, Ethyleenglycol, Natriumthiosulfaat Pentahydraat, Amines, dicoco alkyl, Coconitriles, Geëthoxyleerd cocoalkylamine
53 mg/L
0,0049%
Emulsiebreker
EMBR18161A
Ja (0,1% komt in de waterfase)
38 m3
Koolwaterstoffen, C10, aromatisch, <1% nafthaleen, EO-PO Copolymer, Ether with Trimethylolpropane, Xyleen
1,08 mg/L
0,0001%
Emulsiebreker
EMBR23344A
7 m3
2-Butoxyethanol, EO-PO Copolymer, Ether with Trimethylolpropane
Zwavelwaterstof-binder
HSCV10229A
Ja (16% komt in de waterfase)
580 m3
N-phenyl-diethanolamine, reaction products with formaldehyde, Isopropanol, Methanol, 2-Butoxyethanol
90 mg/L
0,0083%
De bestanddelen zoals opgenomen in het veiligheidsinformatieblad volgens verordening (EG) nr. 1907/2006.
Aanname dichtheid van het injectiewater: 1,08 kg/L.
Eventuele gevaren voor de mens zijn er vrijwel uitsluitend voor de medewerkers van NAM die werken met deze stoffen. Van bovengenoemde mijnbouwhulpstoffen heeft de leverancier, indien het een gevaarlijke stof betreft, een veiligheidsinformatieblad beschikbaar gesteld aan de gebruiker (NAM) die opgesteld moet zijn volgens de verordening inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH)2. Risico’s voor het milieu kunnen ontstaan als mijnbouwhulpstoffen bovengronds niet op de juiste manier worden opgeslagen op locatie en er bij een lekkage ongecontroleerd vloeistof kan wegstromen naar de bodem of het oppervlaktewater. Om dit te voorkomen heeft NAM meerdere fysieke voorzorgsmaatregelen genomen op haar locaties, zoals het gebruik van daarvoor bestemde opslagcontainers, gebruikscontainers, aparte opslagvoorzieningen en bodem-beschermende voorzieningen. SodM ziet er tijdens de veldinspecties op toe dat de stoffen op de juiste wijze zijn opgeslagen en de voorzieningen deugdelijk zijn.
Ondergrondse milieurisico’s worden gevormd door lekkages uit een put. Om dit te voorkomen heeft NAM haar waterinjectieputten voorzien van een dubbele verbuizing die voorkomt dat het injectiewater met mijnbouwhulpstoffen ongecontroleerd kan uitstromen naar andere bodemlagen in plaats van in het reservoir. Met regelmaat wordt de injectiebuis (binnenbuis) door middel van putmetingen gecontroleerd op beschadigingen en zo nodig vervangen. Daarnaast wordt de druk tussen de binnen- en de buitenbuis door NAM continu gemonitord. Mocht de binnenbuis toch onverwacht lek raken, ontstaat er een drukverschil en zal NAM daar actie op ondernemen. Door de dubbele verbuizing zal het injectiewater met mijnbouwhulpstoffen de ruimte tussen de binnen- en buitenbuis instromen. De buitenbuis dient hierbij als een essentiële tweede barrière waardoor is verzekerd dat bij het eventueel falen van de binnenbuis het injectiewater met mijnbouwhulpstoffen toch in het reservoir terechtkomt en niet elders.
Op dit moment worden de onregelmatigheden aan de putten ROW-2, ROW-4 en de mogelijke gevolgen daarvan op ROW-7 onderzocht. De waterinjectie ligt stil totdat SodM dit onderzoek heeft beoordeeld en heeft geconcludeerd dat de putten ROW-4 en ROW-7 veilig gebruikt kunnen worden.
Wat is de chemische naam van deze mijnbouwhulpstoffen en in welke hoeveelheden komen ze voor in het NAM-afvalwater bij de winning in Schoonebeek en lozing en opslag in Twente, zowel relatief als absoluut, en welke gevaren kleven aan deze stoffen voor mens en milieu?
Zie antwoord vraag 1.
Welk energietarief wordt bij NAM in rekening gebracht voor de productie van stoom ten behoeve van de oliewinning in Schoonebeek en hoe hoog is de korting voor de betrokken grootgebruiker van deze energie?
Ik heb geen inzicht in het leveringstarief dat NAM aan haar energieleverancier betaalt. Dit tarief komt tot stand tussen private partijen in de energiemarkt. NAM onderzoekt op dit moment hoe men het gasverbruik omlaag kan brengen. Een mogelijke optie is het gebruiken van elektriciteit voor het maken van stoom.
Behoren de betrokken stoomfabriek en andere bedrijven betrokken bij de oliewinning in Schoonebeek tot de groep van bedrijven, die worden afgeschakeld, respectievelijk worden stopgezet bij een onverhoopt gastekort in Nederland? Zo nee, waarom niet?
Wanneer er sprake is van een noodsituatie, zoals bedoeld in de verordening gasleveringszekerheid3, kunnen de maatregelen die in het Bescherm- en Herstelplan Gas (BH-G) zijn opgenomen ter bestrijding van een noodsituatie worden getroffen. Het doel van deze maatregelen is om door afnemers en in het bijzonder door solidariteit beschermde afnemers (zoals huishoudens en ziekenhuizen), zo lang mogelijk van gas te blijven voorzien.
NAM Schoonebeek valt niet in de categorie van beschermde afnemers4 en kan getroffen worden als er noodmaatregelen moeten worden genomen. Of ze getroffen worden is afhankelijk van hoe de maatregelen in de concrete omstandigheden worden genomen.
De afvalwaterinjectie vindt volgens uw antwoord van 7 februari jl. op de vragen 1, 5 en 6 (aanhangsel Handelingen II, vergaderjaar 2020–21, nr. 1598) niet plaats in het kader van een opslagvergunning, maar is gekoppeld aan de oliewinning in Schoonebeek en het uitgangspunt is volgens u dat het afvalwater niet meer wordt opgepompt. Kunt u dan uitleggen wat de rechtsgrond is voor de lozing van NAM-afvalwater in Twente, op grond waarvan geen aparte lozingsvergunning nodig is voor de opslag van NAM-afvalwater uit Schoonebeek?
Op grond van artikel 28, onderdeel c, van het Mijnbouwbesluit is geen opslagvergunning vereist voor het opslaan van stoffen die met het opsporen of winnen van delfstoffen of aardwarmte onvermijdelijk boven de oppervlakte meekomen, en worden teruggebracht in hetzelfde of een vergelijkbaar voorkomen als waaruit deze afkomstig zijn.
Sinds 1 januari 2013 vallen lozingen onder de Wabo en de Wet milieubeheer. Productiewater van mijnbouw dat wordt geïnjecteerd in de diepe ondergrond wordt gezien als het storten van afval. In het landelijk afvalbeheersplan (LAP) is hiervoor een specifieke regeling opgenomen.
De houder van een winnings- of opslagvergunning heeft op grond van artikel 33 van de Mijnbouwwet een zorgplicht ten aanzien van de mijnbouwactiviteiten. Dit houdt in dat de vergunninghouder alle redelijke maatregelen neemt om nadelige gevolgen voor mens en milieu, schade door bodembeweging, schade aan de veiligheid en aan het belang van planmatig beheer als gevolg van de activiteiten te voorkomen. Die plicht geldt tijdens en na de vergunning. Op grond van artikel 6:177, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek is de vergunninghouder aansprakelijk voor de schade die ontstaat door uitstroming van delfstoffen als gevolg van het niet beheersen van de ondergrondse natuurkrachten die door de aanleg of bij de exploitatie van het mijnbouwwerk zijn teweeggebracht. Daarnaast is de houder aansprakelijk voor schade die ontstaat door bodembeweging als gevolg van de aanleg of de exploitatie van het mijnbouwwerk. Op grond van de Wet milieubeheer geldt eveneens een zorgplicht en aansprakelijkheid voor milieuschade. Het eigendom van de stoffen speelt voor de aansprakelijkheid derhalve geen rol.
De oliewinningsinstallatie, de pijpleiding naar Twente en de injectielocatie worden niet aangemerkt als één mijnbouwwerk. Zowel werken voor het opsporen en/of winnen van delfstoffen of aardwarmte als werken voor het opslaan van stoffen vallen op grond van artikel 2 van het Mijnbouwbesluit onder het begrip mijnbouwwerk. In het tweede lid van artikel 2 is bepaald dat werken die fysiek met elkaar zijn verbonden worden aangemerkt als één mijnbouwwerk, maar van die situatie is in dit geval geen sprake. Omdat voor mijnbouwwerken op land een omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht geldt, zijn op mijnbouwwerken ook de criteria voor het begrip inrichting uit artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer van toepassing. Om als één mijnbouwwerk te kunnen worden beschouwd, moeten de werken onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid liggen. Beide locaties liggen echter op grote afstand van elkaar en kunnen in principe los van elkaar functioneren. Dat maakt dat zij niet als één mijnbouwwerk gezien kunnen worden.
Waarom maakt u geen gebruik van de wettelijke bevoegdheid op grond van art. 30 en art. 36, lid 3 juncto art. 39, lid 1 sub b van de Mijnbouwwet om de vergunning voor winning van olie in Schoonebeek (met als direct gevolg lozing van afvalwater in Twente) direct in te trekken, vanwege het in artikel 29, lid 2 Mijnbouwwet genoemde belang van de veiligheid voor omwonenden, het voorkomen van schade aan gebouwen of infrastructurele werken, het planmatig gebruik of beheer van aardwarmte of grondwater met het oog op de winning van drinkwater of bijvoorbeeld veranderde omstandigheden (zoals gebrek aan draagvlak) of gewijzigde inzichten zoals genoemd in artikel 36 van de Mijnbouwwet?
De Mijnbouwwet biedt de mogelijkheid om een reeds verleende winningsvergunning in te trekken. Het uitgangspunt is echter dat, als een vergunning eenmaal is verleend, degene die over die vergunning beschikt, erop mag vertrouwen dat deze vergunning in stand blijft op grond van het rechtzekerheidsbeginsel. Het intrekken van een winningsvergunning is een inmenging in het eigendomsrecht van een mijnbouwonderneming aangezien dit gebruik door intrekking wordt beperkt. Hierdoor is sprake van regulering van gebruik van eigendom. Regulering of ontneming van eigendom druist in tegen artikel 1 van het Eerste Protocol van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (artikel 1 EP EVRM), waar de bescherming van eigendom is vastgelegd. Voor een inmenging in het eigendomsrecht moet een dwingende reden van algemeen belang bestaan waarmee een legitiem doel wordt gediend. Deze inmenging is voorts alleen toegestaan, indien het een geschikt en noodzakelijk middel is om dat legitieme doel te bereiken, waarbij het individuele belang moet worden afgewogen tegen het algemeen belang. Een beperking van het eigendomsrecht door intrekking zou kunnen leiden tot een recht op compensatie of schadevergoeding voor de vergunninghouder.
Naar mijn mening ontbreekt in dit geval een dwingende reden die een beperking van het eigendomsrecht van NAM en een schending van het rechtszekerheidsbeginsel rechtvaardigt, omdat er geen veiligheidsbelangen voor omwonenden in het geding zijn. De waterinjectie voldoet aan de wettelijke vereisten. Staatstoezicht op de Mijnen ziet hierop toe. Dit betekent dat als ik toch besluit de vergunning in te trekken, de rechter hoogstwaarschijnlijk dit besluit zal vernietigen. Voor de periode van stilleggen zou het kabinet de NAM een schadevergoeding moeten betalen en de NAM zou vervolgens weer verder kunnen gaan met de waterinjectie.
Bovenstaande betekent niet dat ik mij niet wil inzetten om te komen tot een zo snel mogelijke beëindiging van de waterinjectie en tot een beter en schoner verwerkingsproces. Ik ben met NAM en de bestuurders in Drenthe in overleg om het omschakelen naar Drenthe en verwerking aldaar volgens een schoner proces te realiseren. Ik vind dat dit voor eind december 2022 moet kunnen.
Wie beoordeelt de aanvaardbaarheid van de risico’s op zware ongevallen voor mens en milieu in relatie tot de kosten van risicoreductie als bedoeld in artikel 33a van de Mijnbouwwet?
Dit wordt beoordeeld door mij, waarbij ik van advies word voorzien door de Inspecteur-generaal der mijnen.
Waarom is artikel 33a van de Mijnbouwwet in verband met de zorg voor een goede uitvoering van activiteiten en beheersing van risico’s, blijkens lid 1 van dat artikel, wel van toepassing op de opsporing en winning van koolwaterstoffen, maar niet op het opslaan van stoffen?
Artikel 33a van de Mijnbouwwet is een onderdeel van de implementatie van richtlijn nr. 2013/30/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten en tot wijziging van richtlijn 2004/35/EG (PbEU 2013, L 178).5 Het doel van die richtlijn is om zware ongevallen met betrekking tot olie en gas op zee te verkleinen en de gevolgen daarvan te beperken. De richtlijn wordt toegepast. Het bovengenoemde artikel geldt voor vergunningen voor de opsporing of winning van olie en gas. De waterinjectie door de NAM geschiedt in het kader van de winning van olie. De zorgplicht voor zware ongevallen met betrekking tot oliewinning uit artikel 33a van de Mijnbouwwet geldt derhalve voor NAM, als houder van de winningsvergunning.
Zijn er nadere regels gesteld voor de opslag van afvalwater in Twente op grond van art. 49 Mijnbouwwet in verband met de veiligheid van omwonenden, de bescherming van het milieu en het voorkomen van schade als bedoeld in art. 49, lid 2 van die wet? Zo ja, welke, zo nee, waarom niet?
Bij algemene maatregel van bestuur zijn geen regels gesteld voor het injecteren van productiewater. Op grond van de Wet milieubeheer en het landelijk afvalbeheersplan is voor de waterinjectie in Twente een waterinjectiemanagementplan6 opgesteld en geldt het protocol seismische activiteit door waterinjectie7 een seismisch risicoprotocol, waarmee de veiligheid voor mens en milieu wordt geborgd.
Heeft de opslag van NAM-afvalwater in Twente gevolgen voor de mogelijkheid drinkwater of aardwarmte te (blijven) winnen, zo ja, welke, zo nee, waarom niet?
De injectie van productiewater heeft geen effect op de winning van drinkwater. Het productiewater komt bij normale bedrijfsvoering niet in contact met het ondiepe zoete grondwater. Het productiewater wordt geïnjecteerd in een ondergronds reservoir. Door de afsluitende lagen boven het reservoir komt het productiewater niet in contact bovenliggende met grondwaterhoudende lagen.
De injectie van productiewater heeft geen effect op de winning van aardwarmte of op de mogelijkheden daarvan. Geothermie is een gesloten cyclus. Het uit de ondergrond opgepompte water wordt nadat de warmte is gewonnen weer teruggepompt in de diepe ondergrond.
Een mogelijk antisemitisch Wob-verzoek van The Rights Forum. |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66), Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Vindt u het Wob-verzoek van Stichting The Rights Forum naar banden tussen 14 Nederlandse universiteiten en Israëlische/Joodse instellingen1 neigen naar een uiting van Jodenhaat op basis van de door de Tweede Kamer aangenomen IHRA-werkdefinitie onder motie-Bisschop (Kamerstuk 35 570-VI, nr. 70)? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u dit duiden?
Het kabinet hecht eraan te benadrukken dat er in de Nederlandse samenleving nooit enige ruimte mag zijn voor verwerpelijke zaken zoals antisemitisme. De vrijheid van meningsuiting en academische vrijheid beschouwt het kabinet als essentiële onderdelen van de democratische rechtsstaat; daarom is het belangrijk dat universiteiten en academici hun ideeën en inzichten ongehinderd kunnen uitwisselen. In algemene zin begrijpt het kabinet de zorgen die Israëlische en Joodse organisaties alsook academici en de Nederlandse universiteiten hebben bij een dergelijk informatieverzoek.
Uiteraard heeft de stichting The Rights Forum het recht om bij een bestuursorgaan een verzoek om informatie op grond van de Wet open overheid (Woo) in te dienen. Transparantie bij de uitvoering van publieke taken wordt ook gezien als een essentieel onderdeel van de democratische rechtsstaat. Het is aan het instellingsbestuur van de universiteit dit verzoek langs de lijnen van de wet verder te behandelen. Hiervoor verwijs ik u naar de reeds afgegeven verklaring van 21 februari jl. vanuit de vereniging Universiteiten van Nederland. De werkdefinitie van de International Holocaust Remembrance Alliance (IHRA) en bijbehorende indicatoren kunnen helpen om alert te zijn op feiten en omstandigheden die een indicatie kunnen vormen van antisemitisme.
Hoe kijkt u naar de beschikbare informatie2 waaruit blijkt dat The Rights Forum en personen betrokken bij deze stichting, banden zouden hebben met Hamas en het Popular Front for the Liberation of Palestine (PFLP), organisaties die door de Europese Unie als terreurgroepen zijn aangemerkt?3
Het kabinet heeft geen informatie die zou aantonen dat er banden bestaan tussen The Rights Forum en organisaties als de PFLP of Hamas, noch enige aanleiding dit te vermoeden of denken.
Klopt het dat The Rights Forum door het Ministerie van Buitenlandse Zaken als gesprekspartner wordt of werd gezien?4 Indien ja, zijn The Rights Forum en haar vertegenwoordigers, gezien de bovenstaande zaken, in de toekomst nog welkom op het ministerie?
Het kabinet onderhoudt een dialoog met vele organisaties vanuit het maatschappelijk middenveld, waaronder ook The Rights Forum, die zich richten op ontwikkelingen in Israël en de Palestijnse Gebieden. Het kabinet ziet geen aanleiding om The Rights Forum als gesprekspartner uit te sluiten.
Zijn de zaken zoals beschreven onder 2 meegewogen toen The Rights Forum de status van algemeen nut beogende instelling (ANBI) werd verleend door de Belastingdienst?5 Indien nee, waarom niet? Indien ja, waarom is de status desondanks verleend?
Via het ANBI-register op de website van de Belastingdienst kan worden opgezocht of een instelling de ANBI-status heeft of heeft gehad en per wanneer. Ingevolge de geheimhoudingsplicht van de Belastingdienst (Artikel 67 Algemene Wet inzake Rijksbelastingen) is het echter niet mogelijk om mededelingen te doen over de behandeling van een individuele instelling. Daarom kan slechts in algemene zin antwoord worden gegeven op de vragen.
Een instelling die als algemeen nut beogende instelling (ANBI) wenst te worden aangemerkt, moet voldoen aan wettelijk bepaalde voorwaarden. De beoordeling of een instelling voor de ANBI-status in aanmerking komt, is aan de Belastingdienst bij voor bezwaar vatbare beschikking. ANBI’s zijn instellingen die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen nut beogen. Dit betekent dat een instelling in aanmerking komt voor de ANBI-status, als zij met haar doelstelling en activiteiten voor 90% of meer het algemeen nut dient. De overige criteria om door de Belastingdienst als ANBI aangemerkt te kunnen worden, hebben onder meer betrekking op het aanhouden van vermogen, beheerskosten, de integriteit van de bestuursleden, het actuele beleid, functiescheiding en de publicatieplicht.
De Belastingdienst houdt vervolgens in lijn met de uitvoerings- en handhavingsstrategie van de Belastingdienst risicogericht toezicht op instellingen. Daarbij wordt met name steekproefsgewijs gecontroleerd of instellingen zich bij hun feitelijke activiteiten richten op het algemeen nut en zich houden aan die overige criteria van de ANBI-regeling. Indien een ANBI naar doelstelling en/of feitelijke activiteiten niet meer voldoet aan de bij wet gestelde eisen, biedt dat grond voor het intrekken van de beschikking voor die instelling.
Ook als een ANBI niet voldoet aan de integriteitstoets is dit een grond om de ANBI-status in de trekken. Deze toets is met ingang van 1 januari 2010 in de wet opgenomen en met ingang van 1 januari 2021 verder uitgebreid. Op grond hiervan wordt een instelling niet (langer) als ANBI aangemerkt indien bij de Belastingdienst bekend is dat de instelling, bestuurder van die instelling of een persoon die feitelijk leiding geeft aan die instelling, dan wel een voor de instelling gezichtsbepalend persoon onherroepelijk is veroordeeld wegens het opzettelijk plegen van een serieus misdrijf als bedoeld in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering en als bedoeld in de artikelen 137c, eerste lid, 137d, eerste lid, en 266 van het Wetboek van Strafrecht. Daarnaast heeft de Belastingdienst de mogelijkheid om bij gerede twijfel over de integriteit van de instelling of van een of meer van de bestuurders, feitelijk leidinggevenden of gezichtsbepalende personen van die instelling een verklaring omtrent het gedrag (VOG) te eisen.
Beoogt The Rights Forum met haar activiteiten volgens u het algemeen belang? Voldoet The Rights Forum volgens u aan de wettelijke vereisten omtrent integriteit?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid de Belastingdienst opdracht te geven om de ANBI-status van The Rights Forum te her-evalueren?
Zie antwoord vraag 4.
'Olie, gas, graan en geld - Oekraïne laat zien hoe de wereld werkt' |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA), Henk Staghouwer (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU), Micky Adriaansens (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat Rusland en Oekraïne zorgen voor de productie van 80% van de wereldwijde export van zonnebloemolie, ongeveer 25% van tarwe en 20% van mais?1
Ja.
Weet u dat de oorlog er ook voor zorgt dat de prijzen van palmolie en soja hierdoor naar recordhoogte zijn gestuwd?
De verwachting is dat als gevolg van de oorlog de prijzen voor enkele belangrijke grondstoffen verder zullen stijgen. De verminderde beschikbaarheid van agrarische grondstoffen uit Oekraïne en Rusland hebben op de korte termijn een sterk prijsopdrijvend effect op de prijzen voor mogelijke substituten van producten waarvan het aanbod vermindert. Dit geldt vooral voor mais en plantaardige oliegewassen zoals zonnebloem en koolzaad met mogelijke substituten zoals palmolie en soja.
Kunt u reflecteren op de militair-strategische voordelen van onze landbouwsector?
Hier heeft mijn voorganger reeds op gereflecteerd in reactie op de motie Geurts/Harbers (Kamerstuk 35 600, nr. 32) en dit met uw Kamer gedeeld (Kamerstuk 35 925 XIV, nr. 21). Nederland heeft als handelsland van oudsher een open economie. In- en uitvoer zijn pijlers van de welvaart in het land, en zorgen voor werkgelegenheid. Private ondernemingen, van multinationale bedrijven tot startups, zijn dagelijks in de weer met buitenlandse partners en klanten om het verdien- en innovatievermogen van onze economie verder te versterken en bij te dragen aan de uitdagingen waar we wereldwijd voor staan. Nederland kan, door de sterke en veelzijdige internationale representatie van de land- en tuinbouwsectoren, op diverse manieren invloed uitoefenen op internationale vraagstukken. Ten eerste zorgt de aanwezigheid van kennis en kunde voor een positieve bijdrage aan duurzame voedselsystemen in de wereld die voldoende, betrouwbaar en gezond voedsel voor iedereen produceren, economisch rendabel zijn en het klimaat, de biodiversiteit en genetische diversiteit behouden. Op deze manier levert Nederland een belangrijke bijdrage aan meerdere Sustainable Development Goals. Ten tweede zorgt de internationaal leidende rol op land- en tuinbouwsectoren voor een sterke economische relatie met landen rond de wereld, waar Nederland als open handelsland erg bij gebaat is. Ten derde wordt er geregeld van gelegenheden als economische missies gebruik gemaakt om nadruk te leggen op Nederlandse waarden zoals gelijkheid, duurzaamheid en mensenrechten. Tot slot geeft de leidende rol binnen de agro-sectoren Nederland een sterke stem in internationale fora, zoals de OESO en FAO.
Heeft u zicht op de agrarische productieketens die door de aanval van Rusland op Oekraïne in gevaar zijn gekomen?
Zowel persoonlijk, als via de ambtenaren van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, sta ik in nauw contact met het bedrijfsleven. Zo worden er overleggen ingepland om de effecten op de agrarische productieketens in kaart te brengen. Inmiddels heeft Wageningen Economic Research (WEcR) na een eerste verkennend onderzoek de effecten op het functioneren van agrarische productieketens en de voedselvoorziening meer in detail in kaart gebracht (kenmerk 2022D11317)). Deze studie is u 23 maart jl. toegezonden (kenmerk 2022Z05536). Ik ben ervan op de hoogte dat in deze fase van het conflict er met name knelpunten liggen bij de beschikbaarheid van bepaalde biologische veevoedercomponenten en plantaardige oliën. WEcR zal zo nodig in vervolgrapportages additionele informatie aanleveren, die ik tevens met uw Kamer zal delen.
Weet u hoeveel Nederlandse bedrijven (inclusief banken) in Oekraïne geïnvesteerd hebben in de agrosector en/of de laatste jaren bedrijfsactiviteiten daarnaartoe verplaatst hebben?
Gegevens over de omvang van de Nederlandse investeringen in de landbouw in Oekraïne zijn niet in bezit van de Nederlandse overheid. Naast nieuwe activiteiten kan het ook gaan om de uitbreiding van activiteiten van bedrijven die ook in Nederland zijn gevestigd.
Bent u op de hoogte van de negatieve impact die de vernietiging aangebracht tijdens een oorlog, heeft op de vruchtbaarheid van landbouwgrond en de productiecapaciteit van bedrijven en hoe schat u die in voor Oekraïne?
De negatieve impact op de productiecapaciteit hangt sterk af van de lengte en de intensiteit van het conflict en van de mate waarin oorlogshandelingen zich afspelen op percelen en of er bijvoorbeeld onontplofte explosieven zijn achtergebleven op landbouwgrond. Belangrijk is daarbij in hoeverre inputs als machines (waaronder tractoren, zaai- en oogstmachines, irrigatieapparatuur, kunstmest en gewasbeschermingsmiddelen) beschikbaar zijn. Bredere negatieve gevolgen voor de macro- en micro-infrastructuur van Oekraïne zullen ook van invloed zijn.
Bent u er ook van op de hoogte dat forse prijsstijgingen van gas en olie zorgen voor een sterke stijging van de prijzen voor meststoffen en kunstmest?
Ja.
Realiseert u zich dat kostprijsverhoging van voedselproductie door veel duurdere kunstmest en brandstof ook bij de boeren gecompenseerd moet worden? Zo ja, wat gaat u daaraan doen?
Ik wil dat de lasten en risico’s van deze crisis zoveel mogelijk door iedereen gezamenlijk worden gedragen, van de primaire producent tot en met de consument en alle schakels daartussen. De prijsstijgingen van grondstoffen en energie moeten in de hele keten worden verdeeld. Daarover spreek ik met ketenpartijen. Ik monitor de situatie nauwlettend en heb hieromtrent ook nauw contact met de Europese Commissie en de landbouwministers van de EU-lidstaten.
Realiseert u zich dat veel boeren nu om liquiditeitsredenen minder kunstmest zullen gebruiken voor de productie van hun gewassen en dit de komende jaren zorgt voor minder oogsten, een dalende voedselproductie en daardoor hogere voedselprijzen? Zo ja, wat gaat u daaraan doen?
De kosten voor kunstmest vormen evenwel slechts een deel van de productiekosten. Vooralsnog ga ik er dan ook van uit dat mede vanwege de gestegen opbrengstprijzen, die naar verwachting ook de komende tijd hoog zullen blijven, de liquiditeit niet dusdanig negatief wordt beïnvloed dat de kunstmestaanwending niet meer voldoende is.
Realiseert u zich dat structurele ondervoeding van planten en gewassen leidt tot extra ziekten en plagen, waardoor de productiviteit nog verder onder druk komt te staan? Zo ja, wat gaat u daaraan doen?
Er dreigt geen structurele ondervoeding van gewassen en de veestapel in Nederland door de situatie in Oekraïne. De bestaande nationale en Europese programma’s gericht op gezonde gewassen, dieren en bodems acht ik voldoende om het huidige niveau van de productiviteit te borgen. Voor meer details over de gevolgen van de oorlog in Oekraïne voor de voedselzekerheid verwijs ik u naar het rapport van WEcR zoals naar uw Kamer verzonden (kenmerk 2022Z05536).
Wat is de zelfvoorzieningsgraad voor voedsel binnen de EU?
In de EU ligt de graad van zelfvoorziening voor voedsel in totaliteit boven de 100%. Per productgroep kan de zelfvoorzieningsgraad sterk verschillen. De EU is al vele jaren een netto exporteur van agrarische producten en voedingsmiddelen.
Wat is de actuele wereldvoedselvoorraad en de voedselvoorraad binnen de EU?
De uitgangssituatie is er één van lage voedselvoorraden in met name de armste gebieden. Sinds 2020 wordt men geconfronteerd met sterk stijgende voedselprijzen en toenemende honger: volgens de laatste editie van het jaarlijks State of Food Insecurity in the World (SOFI) rapport van de FAO steeg het percentage ondervoede mensen in 2020 met 1,5% naar 9,9% en leefden tussen de 720 en 811 miljoen mensen met honger. De verstrekking van noodhulp wereldwijd komt verder onder druk te staan, aangezien 50% van het graan van het World Food Program (WFP) normaliter uit Oekraïne afkomstig is en de hoge energie en verzekeringskosten het (toch al niet toereikende) humanitaire budget verder uitputten. De voedselvoorraad binnen de EU is adequaat (zie de beantwoording op de vragen 11 en 13).
Deelt u de mening dat voedselschaarste op de loer ligt? Zo ja, wat heeft u daar al aan gedaan en wat gaat u daar de komende weken aan doen?
Er dreigt in de EU en in Nederland geen structurele voedselschaarste. Planten en dieren kunnen voldoende geteeld en gehouden worden waardoor de producties op het huidige, hoge niveau kunnen blijven. De voedingsmiddelenindustrie kan vervolgens deze grondstoffen efficiënt verwerken en met behulp van de détailhandel, de consument een divers en hoogwaardig voedselpakket aanbieden. Voor gebieden in Afrika en elders waar onvoldoende toegang is tot inputs als zaden, water en kunstmest, wordt verwacht dat de bestaande, ongunstige situatie verder verslechtert en de grondstoffen voor voedselbereiding schaarser worden. Het kabinet zet in op een grotere zelfstandige rol van de betreffende landen wat betreft de voedselvoorziening. Door middel van kennisoverdracht (onderzoek, voorlichting en onderwijs) ten behoeve van de versterking van lokale en regionale voedselsystemen wordt hieraan bijgedragen. Op de korte termijn wordt ingezet op (nood)voedselhulp via de reguliere kanalen van o.a. het World Food Program dat hierin is gespecialiseerd.
Van welke producten verwacht u nog dit jaar tekorten en wat betekent dit voor de portemonnee van de burger in de komende tijd?
Op basis van de huidige beschikbare gegevens is er in de EU geen tekort te verwachten, maar wel een stijging van de kosten voor het voedselpakket. Naast de stijging van de grondstoffenprijzen, zijn de sterk gestegen kosten voor energie hier een reden voor.
Vindt u het, gezien de ontstane situatie, houdbaar om in onze voedselvoorziening afhankelijkheden te hebben van Rusland, China en andere anti-Westerse staten?
De import van agrarische producten en voedingsmiddelen vanuit o.a. Rusland en China is zeer beperkt. Zoals aangegeven in de brief aan uw Kamer (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1402), is de EU bovendien een grote voedselproducent en is het EU voedselsysteem robuust. Wel zet het kabinet zich in om de risico’s van de afhankelijkheid van kritische grondstofstromen te mitigeren om de weerbaarheid te vergroten.
Deelt u de mening dat volle klimaatfondsen en lege portemonnees voor burgers onverkoopbaar zijn? Zo ja, wat gaat u daaraan doen?
Ik herken dit beeld niet.
Deelt u de mening dat we door de ontstane situatie in de wereld moeten voorkomen dat welke boer dan ook zijn/haar bedrijf moet beëindigen, om zo de voedselzekerheid voor onze burgers te waarborgen? Zo nee, hoe gaat u die dan waarborgen?
Het beëindigen door agrariërs in Nederland en daarbuiten van hun bedrijven is een proces dat zich al vele decennia voltrekt en los staat van de omvang van de voedselproductie, die zelfs nog jaarlijks toeneemt. De voedselzekerheid van de inwoners in de EU is dan ook gewaarborgd. In ontwikkelingslanden ligt deze situatie anders. Intensivering van de productie op een verantwoorde, duurzame wijze is noodzakelijk om in deze gebieden de productie op peil te houden dan wel te verhogen.
Deelt u de mening dat we door de ontstane situatie in de wereld de versnelde ombouw naar biologische, kringloop- en extensieve landbouw (zoals beschreven in de Green Deal en zoals bevorderd wordt in het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid), die leiden tot lagere voedselproducties, moeten uitstellen om zo de voedselzekerheid voor onze burgers te waarborgen? Zo nee, hoe gaat u die dan waarborgen?
Nee, die deel ik niet. Het is duidelijk dat de situatie in en rond Oekraïne op korte termijn gevolgen heeft in de voedselketen en samen met onze EU partners nemen wij ook maatregelen om die gevolgen op te vangen. Dat doet de markt overigens ook. Maar het uitstellen van hetgeen de Green Deal beoogt is voor mij geen optie. De huidige geopolitieke situatie benadrukt juist het belang van de transitie naar een duurzaam, veerkrachtig en robuust EU-voedselsysteem waarmee op lange termijn de voedselproductie op het huidige, hoge niveau gegarandeerd kan worden.
Realiseert u zich dat import van voedsel van elders uit de wereld duurder en minder duurzaam is?
Comparatieve voordelen en consumentenvoorkeuren vormen de basis van de internationale handel van alle goederen, dus ook van agrarische producten. De EU is een netto exporteur voor voedsel. Voor landbouwproducten spelen de lokale klimatologische, geologische en geografische omstandigheden alsook de seizoenen nog eens een aanvullende rol. Transport heeft daarnaast voor de meeste landbouwproducten slechts een beperkte invloed op de klimaatafdruk van dat product. Daarbij komt dat importen niet per definitie minder duurzaam zijn. In handelsovereenkomsten van de EU met zogenaamde derde landen die ook agrarische handel betreffen, zijn afspraken over handel en duurzame ontwikkeling (people, planet, profit) een belangrijk onderdeel.
Stormschade aan en onderhoudsinventarisatie van kerkgebouwen |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Gunay Uslu (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van berichten omtrent stormschade aan kerkgebouwen na de reeks stormen die Nederland de afgelopen dagen teisterde?
Ja.
Kunt u aangeven wat de meest actuele onderhoudsstaat van kerkgebouwen in Nederland is?
De onderhoudsstaat van monumentale kerken in Nederland is over het algemeen goed tot redelijk, zo blijkt uit recente monitoring door de provincies en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).
Bent u bekend met de zorgen bij kerkbesturen/kerken over hun voortbestaan, mede vanwege de stijgende kosten van onderhoud, de stijging van de gasprijs en niet toereikende subsidiëring middels status van kerkgebouwen als monument?
Ja, ik ben bekend met deze zorgen. Mede vanwege deze zorgen is onder mijn voorganger het programma Toekomst Religieus Erfgoedgestart. Het programma wordt uitgevoerd door de RCE in samenwerking met verschillende partners, waaronder vertegenwoordigers van de kerken. Het samenwerkingsverband ondersteunt kerken en gemeenten om gezamenlijk strategische toekomstplannen voor alle kerkgebouwen in een gemeente te ontwikkelen: de zogenaamde kerkenvisies. Momenteel beraden de partners van het programma Toekomst Religieus Erfgoed zich op het vervolg van het programma, waaronder ook het vervolg op de kerkenvisies.
Kerkeigenaren kunnen daarnaast een beroep doen op de Subsidieregeling instandhouding monumenten (SIM). Over de afgelopen drie jaar is op basis van deze regeling gemiddeld jaarlijks zo’n € 22,3 miljoen subsidie aan kerken verstrekt. Wel is het zo dat er sprake is van een toenemende druk op de bestaande subsidiemiddelen. In juli vorig jaar en tijdens het schriftelijk overleg Monumentenzorg in oktober jl., heeft mijn voorganger uw Kamer geïnformeerd over de stappen die zijn ondernomen om de druk op het bestaande budget te verlichten.1 Tegelijkertijd heeft mijn voorganger een bedrag van € 4 miljoen structureel aan de SIM toegevoegd. In lijn hiermee zal ik de komende tijd bezien conform de Kamerbrief van 6 juli 2021 hoe we met de problematiek rondom de SIM omgaan – ook in relatie tot de woonhuisregeling.
Deelt u de mening dat, om het vertrouwde stads- of dorpsgezicht te beschermen (dat mede gekenmerkt wordt door kerktorens), het van belang is om zo spoedig mogelijk in samenwerking met kerken en gemeenten een aanpak te formuleren?
Ik deel uw mening dat beschermde stads-en dorpsgezichten van belang zijn en dat kerkgebouwen en kerktorens hierin een belangrijke rol spelen. Om ons religieuze erfgoed toekomstbestendig te maken, is samenwerking tussen alle betrokken partijen essentieel. Juist daarom heeft mijn voorganger fors geïnvesteerd in de samenwerking met kerken, overheden, erfgoed- en burgerorganisaties middels het subsidiëren van kerkenvisies. Inmiddels werken 240 gemeenten, dus bijna 70% van alle gemeenten in Nederland, in samenwerking met kerkelijke gemeenschappen en burgers aan een kerkenvisie of hebben zij deze inmiddels afgerond. Per saldo betekent dit dat over de toekomst van 75% van de kerkgebouwen in Nederland strategisch wordt nagedacht of al is nagedacht. De kerkenvisies vervullen dus de rol van een gezamenlijk plan van aanpak.
Deelt u de mening dat, om achterstallig onderhoud in te halen, stormschade te repareren er een plan moet worden opgesteld, zodat niet alleen de vertrouwde dorps- en stadsgezichten behouden kunnen worden, maar ook dat omwonenden geen gevaar lopen door instortende kerktorens?
Kerkeigenaren zijn in de regel consciëntieuze eigenaren die hun verantwoordelijkheid ten aanzien van hun gebouwen zeer serieus nemen. De meeste kerkgebouwen worden regelmatig technisch geïnspecteerd en zijn goed verzekerd. Ook stormschade is goed te verzekeren. Deze verantwoordelijkheid ligt ook primair bij de eigenaren. Bij de reeks stormen waarmee Nederland recent te kampen heeft gehad, is de schade aan kerktorens en -gebouwen ondanks de hevigheid van die stormen beperkt gebleven. Bij het incidententeam van de RCE, een team dat in actie komt bij schade aan rijksmonumenten, zijn slechts twee schademeldingen aan monumentale kerkgebouwen binnengekomen, waaronder een van de Elandkerk in Den Haag. Ik zie op dit moment dan ook geen aanleiding om in aanvulling op de reeds bestaande samenwerking (zie ook antwoord op vraag 3 en 4) hiervoor een specifiek plan op te stellen. Uiteraard kan het incidententeam van de RCE in voorkomende gevallen in contact treden met eigenaren en gemeenten om te bezien hoe vervolgschade voorkomen kan worden of over hoe schade het best kan worden hersteld.
De WNL-documentaire ‘Vertrouwelijk’ |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u, naar aanleiding van de WNL-documentaire «Vertrouwelijk», aangeven of het klopt dat Peter R. de Vries het aanbod voor persoonsbeveiliging zelf heeft afgeslagen?1
Over al dan niet genomen beveiligingsmaatregelen kan ik geen mededelingen doen. Dat geldt zowel voor eventuele beveiligingsmaatregelen ten aanzien van een individu als voor eventueel bestaande gradaties in beveiliging. De reden dat ik hierover geen mededelingen kan doen, is omdat dat voor kwaadwillenden inzicht kan verschaffen in de informatiepositie en handelwijze van de politie en het Openbaar Ministerie. Indien informatie over beveiligingsmaatregelen openbaar wordt gemaakt, wordt afbreuk gedaan aan de effectiviteit van optreden tegen (mogelijke) dreigingen en kan dat dus ten koste gaan van de veiligheid van personen.
Verder wil ik verwijzen naar het lopende onderzoek van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV). Zoals uw Kamer bekend is de OVV in augustus 2021 door mijn ambtsvoorganger verzocht om na te gaan welke lessen getrokken kunnen worden uit de beveiligingssituaties van de broer, de toenmalig advocaat en de vertrouwenspersoon (Peter R. de Vries) van de kroongetuige in het Marengo-proces.2 Gelet op het belang van zorgvuldig, adequaat en onafhankelijk onderzoek, wacht ik de uitkomsten van het onderzoek af en zal ik niet op eventuele conclusies vooruitlopen.
In algemene zin zet het kabinet in op een meerjarige structurele aanpak waarmee het ondermijnende effect van de georganiseerde criminaliteit wordt teruggedrongen. De versterking van het stelsel bewaken en beveiligen is een belangrijk onderdeel van deze aanpak, in verbinding met maatregelen zoals de modernisering van de kroongetuigenregeling (hetgeen ook relatie heeft met het stelsel bewaken en beveiligen) en het tegengaan van voortgezet crimineel handelen vanuit detentie. Ik vind het van groot belang dat we als overheid burgers – en zeker de hoeders van onze rechtsstaat – een zo goed mogelijke bescherming kunnen bieden tegen (be)dreigingen en intimidatie vanuit de georganiseerde criminaliteit. Met de eerder toegekende ondermijningsgelden van het kabinet is al ingezet op de noodzakelijke versterking van het stelsel bewaken en beveiligen op alle onderdelen. Deze versterkingen lopen en de eerste versterkingen – in zowel capaciteit en middelen – zijn inmiddels deels gerealiseerd.3 Zo zijn diverse relevante vacatures ingevuld voor de versterking van informatieverzameling en -organisatie, maatregelenadvies, intelligence capaciteit en uitvoering van beveiligingsmaatregelen. Voor wat betreft de teams Bewaken en Beveiligen van de politie hebben de eerste vier teams de noodzakelijke opleiding afgerond. Daarnaast heeft mijn ambtsvoorganger de Commissie Bos gevraagd het stelsel te beoordelen en voorstellen te doen op welke wijze het stelsel toekomstbestendig gemaakt kan worden. Op dit moment wordt er uitvoering gegeven aan aanbevelingen van de Commissie Bos. Zoals aan uw Kamer gemeld,4 zal ik uw Kamer eind maart uitgebreider informeren over de uitwerking van de aanbevelingen.
Klopt het dat er geen andere acties genomen zijn om zijn veiligheid te bevorderen door bijvoorbeeld zijn reisroutes niet-zichtbaar te controleren en/of te begeleiden of anderszins veiligheidsbevorderende acties in gang te zetten?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat er niets is gedaan met de meldingen dat Peter R. de Vries werd achtervolgd? Zo ja, waarom niet? Zo nee, wat is er wel mee gedaan?
Zie antwoord vraag 1.
Is het zo dat als een bedreigd persoon geen gebruik maakt van persoonsbeveiliging er dan helemaal niets gedaan wordt om de veiligheid te bevorderen en dat hier dus een alles of niets benadering geldt? Zo nee, wat zijn de gradaties in beveiliging die worden aangeboden?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe kijkt u terug op de beveiligingssituatie van Peter R. de Vries en wat heeft u hiervan geleerd voor de toekomst?
Zie antwoord vraag 1.
Onderzoek naar en compensatie van faunaschade landbouw |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Henk Staghouwer (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kunt u de Kamer cijfers doen toekomen over het aantal niet-gehonoreerde (fauna)schademeldingen van BIJ12, de reden van afwijzing en hoe deze zich verhouden ten opzichte van het aantal gehonoreerde schademeldingen?
Een tegemoetkoming in de landbouwschade wordt naar redelijkheid en billijkheid alleen verleend voor schade aangebracht door beschermde diersoorten. In 2021 is voor ongeveer 450 (waarvan tot nu toe 18 betrekking hadden op wolven) van de circa 6500 faunaschademeldingen (waarvan 172 betrekking hadden op wolven) geen vergoeding uitgekeerd. De belangrijkste redenen waren:
Bent u het eens dat veranderende migratiepatronen van grensoverschrijdende dierenpopulaties en eventuele beschermde status van diersoorten afweer en verjagen bemoeilijken, gelet op het feit dat volgens het interprovinciaal wolvenplan de dierhouder verantwoordelijk is voor bescherming van zijn dieren?
De beschermde status van een diersoort staat los van het grensoverschrijdend gedrag van individuen van de betreffende soort. De Europese Habitatrichtlijn en de Conventie van Bern streven naar een gunstige staat van instandhouding voor beschermde soorten. Elke lidstaat moet daarom zorgen voor een gunstige staat van instandhouding van soorten binnen haar grenzen. De Richtsnoeren van de EU1 inzake de bescherming van diersoorten van de Habitatrichtlijn erkennen dat voor sommige migrerende en grensoverschrijdende soorten het moeilijk kan zijn om binnen lidstaten zelf een gunstige staat van instandhouding te bereiken. Dit betekent dat voor wolvenbeheer uit een grensoverschrijdend managementplan moet blijken wat onder een gunstige staat van instandhouding van de betrokken populatie wordt verstaan. Daarom is het Ministerie van LNV in overleg met de Duitse overheid over een internationaal wolven managementplan, om samen te bezien hoe voor de gezamenlijke wolvenpopulatie een gunstige staat van instandhouding bereikt kan worden. Vanuit de Europese regelgeving is het bereiken van een gunstige staat van instandhouding een voorwaarde om tot afweer of verjagen over te kunnen gaan.
De wettelijke verantwoordelijkheid voor het beschermen van gehouden dieren is vastgelegd in artikel 1.6 derde lid van het Besluit houders van dieren. Dit stelt dat een dier indien het niet in een gebouw wordt gehouden, bescherming wordt geboden tegen slechte weersomstandigheden, gezondheidsrisico’s en zo nodig roofdieren.
Bent u het eens met de stelling dat om beschermde diersoorten te beschermen, de verantwoordelijkheid niet volledig bij de dierhouder moet liggen? Zo ja, wanneer kunnen wij hier een plan voor verwachten? Zo nee, waarom niet?
De bescherming van beschermde diersoorten is een gezamenlijke taak van landelijke en provinciale overheden, vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Zoals bij vraag 2 is aangegeven, ligt de wettelijke verantwoordelijkheid voor het beschermen van gehouden dieren bij de houder.
Voor verschillende beschermde diersoorten bestaan plannen of zijn deze in ontwikkeling. De provincies werken samen met het Ministerie van LNV aan het actualiseren van het provinciaal wolvenplan. In dit plan wordt het beleid beschreven met betrekking tot het beschermen van de wolf en van gehouden dieren. Ik verwacht dit na de zomer aan uw Kamer te kunnen toesturen.
Andere plannen die zich richten op specifieke soorten of soortgroepen zijn het Aanvalsplan Grutto, waarin wordt gewerkt aan het keren van de neerwaartse trend van de grutto en andere weidevogels. Omdat veel soorten niet aan onze landsgrenzen zijn gebonden hebben we ook plannen op Europees of internationaal niveau. Enkele voorbeelden hiervan zijn het actieplan voor de steur2, een actieplan voor de zomertortel3 en diverse actieplannen voor ganzensoorten (waaronder grauwe gans4 en brandgans5).
In het Noordzeeakkoord6 is afgesproken dat onderzoek wordt uitgevoerd naar kwetsbare soorten die in aanmerking komen voor een soortbeschermingsplan. Voor de bruinvis bestaat het bruinvisbeschermingsplan7 uit 2020 en voor zeehonden het Seal Management Plan, voortkomend uit het Trilateraal Wadden overleg.
Bent u het eens met de stelling dat de beschermde status van de wolf en diens plotselinge en toenemende vestiging plus de fors toegenomen Europese wolvenpopulatie in Nederland het evenwicht van fauna ontwricht en dat Nederland bij de Europese Unie moet aandringen op ontheffing van deze status, in navolging van Finland en Frankrijk?
Ik zie geen reden om vanuit Nederland in Europees verband te pleiten voor een verandering van de beschermde status van de wolf. De wolf vervult een belangrijke schakel binnen een evenwichtig ecosysteem en kan een verrijking zijn voor de biodiversiteit in Nederland. Er is tot nu toe geen sprake van een ontwrichting van het natuurlijk evenwicht en dat wordt ook niet verwacht. Wel kunnen er door de komst van de wolf veranderingen in aantal en vluchtgedrag van sommige hoefdieren plaatsvinden.
Is er communicatie met buurlanden over grensoverschrijdende migratie van dierenpopulaties? Zo ja, zijn er meer diersoorten die door grensoverschrijding mogelijk faunaschade in Nederland kunnen aanbrengen? Zo nee, waarom niet?
Op nationaal niveau wordt door het Ministerie van LNV de samenwerking gezocht met de Duitse nationale overheid met de intentie om te komen tot een internationaal management plan voor de gedeelde wolvenpopulatie. Hierbij wordt bekeken of ook met andere landen, zoals België en Polen, samengewerkt kan worden. Naast de samenwerking op nationaal niveau wordt er op het gebied van wolven door diverse provincies op regionaal niveau samengewerkt met Duitse deelstaten en met de Belgische gewesten.
De Convention of Migratory Species8 is een internationaal verdrag over grensoverschrijdende migratie van dierenpopulaties. Dit bestaat voor specifieke soorten uit dochterverdragen, zoals de Overeenkomst inzake de instandhouding van kleine walvisachtigen in de Oostzee, de Noordoostelijke Atlantische Oceaan, de Ierse en de Noordzee (ASCOBANS), en de Overeenkomst inzake de bescherming van Afrikaans-Euraziatische trekkende watervogels (AEWA). Vanuit het Ministerie van LNV vindt in dit verband regelmatig overleg plaats over de betreffende diersoorten en eventuele faunaschade.
Ook ganzen zijn dieren die met hun migratie landsgrenzen passeren en faunaschade kunnen veroorzaken in Nederland. Binnen het Europees ganzen platform (EGMP)9 wordt het beheer van ganzenpopulaties op internationaal niveau gecoördineerd. Het Ministerie van LNV neemt hier samen met provincies actief aan deel.
Voor grote hoefdieren die ook de landsgrenzen kunnen passeren zoals wilde zwijnen, bestaan in Nederland faunabeheerplannen om de populaties te beheren en schade tegen te gaan. Op provinciaal niveau is er vaak afstemming met buurlanden hierover.
Lozing NAM-afvalwater Dinkelland |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Hans Vijlbrief (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Waarom moet het minstens drie jaar duren voordat de afvalwaterlozing door de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) in de gemeente Dinkelland wordt gestopt?1
De waterinjectie in Twente is gekoppeld aan de oliewinning in Schoonebeek. NAM heeft aangekondigd te willen stoppen met de waterinjectie in Twente en een nieuwe verwerkingsmethode te willen ontwikkelen. Het kost naar verwachting tijd om een nieuwe verwerkingsmethode van het productiewater te realiseren. Er is een periode nodig om de benodigde vergunningen te krijgen, de nieuwe installaties te ontwerpen, bestellen, installeren en op te starten.
Klopt het dat door toenemend volume van de voortdurende afvalwaterlozing de druk op de ondergrond toe zal nemen door het gewicht van het afvalwater en de dampdruk in de resterende lege holtes?
In Twente wordt productiewater in lege gasvelden opgeslagen. De druk in deze reservoirs neemt toe omdat het reservoir met het geïnjecteerde water wordt gevuld. De gemiddelde druk in het reservoir mag niet hoger worden dan de originele druk van gasveld destijds. Het gasreservoir heeft bewezen dat het integer was bij die originele druk, want anders had er geen gas in het reservoir gezeten. Bij aanvang van de waterinjectie is de resterende dampdruk in het reservoir gemeten. Gedurende de waterinjectie neemt de druk toe. De druk wordt conform het waterinjectie management plan2 gemonitord.
Kunt u vertellen wanneer bij de afvalwaterlozing in de gemeente Dinkelland de kritische grens bereikt wordt, waarop bodembeweging, sink holes en aardbevingen verwacht kunnen worden?
Deze extreme effecten worden niet verwacht. Ik verwijs hierbij naar de notitie3 «Waterinjectie in Twentse gasvelden» van TNO van 16 december 2016, die destijds met de Tweede Kamer is gedeeld. Ik verwijs hierbij ook naar de uitspraak4 van de Raad van State van 27 juli 2011 in het kader van de besluiten over de vergunningen. Hierin wordt aangegeven dat voor bodemdaling, aardtrillingen of cavernevorming niet hoeft te worden gevreesd.
Welke kracht zullen deze aardbevingen naar verwachting maximaal kunnen hebben?
Zie hierbij ook de hierboven genoemde notitie en uitspraak. Tot nu toe hebben er zich in Twente ten gevolge van de waterinjectie geen aardbevingen voorgedaan en deze worden ook niet verwacht. Aan de andere kant kunnen aardbevingen niet voor 100% worden uitgesloten. In 2016 heeft NAM een aanvullende risicoanalyse5 laten uitvoeren. Hieruit bleek dat het zeer onwaarschijnlijk is dat er bevingen zullen plaatsvinden. Tevens is in het rapport de maximale beving berekend. Deze ligt tussen 2,0 en 3,2 op de schaal van Richter.
In Twente is er een monitoringsnetwerk aangelegd om ook hele kleine trillingen met een magnitude van 0,5 tot 1,0 op de schaal van Richter te kunnen lokaliseren. Als een trilling plaatsvindt door de waterinjectie, dan wordt dit gemeten en zal de waterinjectie conform het seismisch risicobeheerplan worden aangepast. Dit plan6 is door NAM opgesteld en is goed gekeurd door het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM).
Als op grond van artikel 28 van de Mijnbouwwet in een opslagvergunning wordt bepaald voor welk gebied en welk tijdvak de opslag geldt, voor wanneer moet het in de gemeente Dinkelland geloosde afval volgens de verleende opslagvergunningen dan uiterlijk worden teruggehaald? Wat komt daarvoor in de plaats? Hoeveel tijd zal ermee gemoeid zijn, voordat er weer rust in de ondergrond zal zijn?
Het beeld dat de ondergrond in onrust zou zijn door de waterinjectie herken ik niet. De waterinjectie vindt niet plaats in het kader van een opslagvergunning. Het geïnjecteerde water kan in theorie weer worden opgepompt. Dit is echter niet het uitgangspunt.
Als op grond van artikel 3 van de Mijnbouwwet de eigendom van stoffen pas door terughalen daarvan weer terugkomt bij degene die eigenaar was van de stoffen, direct voorafgaand aan het in de ondergrond brengen daarvan (in tegenstelling tot het eerste antwoord op eerdere schriftelijke vragen2 ), klopt het dan dat de NAM dus de eigendom van het geloosde afvalwater verliest, zodra de lozing in de ondergrond heeft plaats gevonden?
Nee, het betreft hier geen delfstof. Het productiewater komt onvermijdelijk mee met de winning van de aardolie. De waterinjectie vindt niet plaats binnen een opslagvergunning.
Is de Staat in dat geval aansprakelijk voor schade gedurende de periode dat die afvalstoffen zich in de ondergrond bevinden? Zo nee, waarom niet?
Nee, de aansprakelijkheid voor de waterinjectie ligt bij de vergunninghouder NAM.
Klopt het dat, zonder een bijzondere regeling of overeenkomst met de NAM, de Staat van rechtswege eigenaar van de ondergrondse opslag van proceswater (op een diepte van meer dan 100 meter) is?
De Staat is eigenaar van de diepe ondergrond. NAM is de vergunninghouder en verantwoordelijk voor de waterinjectie en de eventuele gevolgen daarvan.
Bestaat er een dergelijke regeling? Zo ja, hoe luidt die? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Waar kunnen schadelijdende partijen terecht met schadeclaims, veroorzaakt door ondergrondse opslag, als de Commissie Mijnbouwschade zich mogelijk niet bevoegd acht voor het behandelen van dergelijke schades, aangezien de website vermeldt dat zij alleen schades door gas- of oliewinning uit kleine velden en schades door zoutwinning behandelt.
De waterinjectie in Twente is procesmatig onlosmakelijk verbonden met de oliewinning in Schoonebeek. Dit betekent dat mensen die menen schade te hebben door de waterinjectie zich kunnen melden bij de Commissie Mijnbouwschade. Deze commissie zal de schade vervolgens onderzoeken en zich uitspreken over de oorzaak van de schade en de eventuele schadevergoeding.
Hoe zijn de taken afgebakend met betrekking tot ondergrondse opslag van stoffen tussen het Staatstoezicht op de Mijnen, de Mijnraad, de Commissie Mijnbouwschade, het Instituut Mijnbouwschade Groningen, de Technische commissie bodembeweging, de milieu-inspectie en de Ongevallenraad?
De genoemde partijen hebben verschillende taken, die ook wettelijk zijn vastgelegd. De opslag van stoffen in de diepe ondergrond valt onder de Mijnbouwwet. SodM adviseert mij bij de vergunningverlening omtrent Mijnbouw. SodM houdt ook toezicht op de naleving van wet- en regelgeving door mijnbouwbedrijven. De Mijnraad adviseert mij bij de Mijnbouwvergunningverlening. De Commissie Mijnbouwschade onderzoekt schadegevallen bij de kleine velden en de zoutwinning. Het Instituut Mijnbouwschade Groningen onderzoekt de schademeldingen door de gaswinning uit het Groningenveld. De Technische commissie bodembeweging is de wettelijke commissie die mijnbouwschadegevallen onderzoekt ten gevolge van de voormalige steenkoolwinning in Limburg en adviseert aan mij over bodembeweging in relatie tot winningsplannen. Niet de zogenoemde milieu-inspectie, maar SodM houdt toezicht op de milieueffecten van mijnbouwactiviteiten. De Ongevallenraad is mij onbekend. Mogelijk wordt de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV) bedoeld. De OVV is een zelfstandig bestuursorgaan dat na rampen, grote ongevallen of andersoortige incidenten onderzoek kan doen naar de oorzaken en gevolgen van het betreffende incident. In het geval van een incident met een ondergrondse opslag zou de OVV een onderzoek kunnen doen.
Wanneer gaat de NAM het opgeslagen proceswater in de gemeente Dinkelland uiterlijk terugwinnen en zuiveren en kan zij deze taak ook uitbesteden aan partijen met meer expertise om dat veiliger, effectiever en efficiënter te doen? Kan de uiterlijke datum voor terugwinning vervroegd worden, zo nee, waarom niet?
Het is mogelijk om het geïnjecteerde productiewater terug te winnen, maar er is geen aanleiding om dit doen. Het productiewater is veilig ondergebracht in het voormalige gasveld in de diepe ondergrond. Het oppompen en zuiveren van het geïnjecteerde productiewater kost veel energie en zorgt voor een grote stroom aan restproducten waarvoor geen directe toepassing te vinden is.
Waarom is het niet gelukt om een pilotproject te realiseren met industriële partijen die beschikken over waterzuiveringstechnologieën?3
De desbetreffende partijen zijn in gelegenheid gesteld om een pilot te realiseren. Dit is uiteindelijk niet gelukt omdat het productiewater vanwege de samenstelling lastig te zuiveren is en omdat de desbetreffende technologieën niet geschikt of voldoende ontwikkeld zijn. In het tussenrapport van de herevaluatie 2021–2022 rapporteert NAM over de zuiveringspilot. Het tussenrapport is op 7 februari 2022 naar uw Kamer verzonden.
Welke maatregelen kunnen bedrijven en burgers zelf nemen om schade door bodembeweging of aardbevingen te voorkomen of te beperken?
Er worden geen aardbevingen verwacht door de waterinjectie. Daarnaast is ook de bodembeweging klein. Schade aan gebouwen door bodembeweging of aardbevingen ten gevolge van de waterinjectie wordt daarom niet verwacht. Over het algemeen kan schade worden beperkt door gebouwen te laten voldoen aan de bouwbesluiten, het aanbrengen van dilatatievoegen, dragende muren niet te verwijderen, en goede funderingen.
Welke kennisinstellingen in Nederland bezitten en ontwikkelen expertise over lozing, duurzame terugwinning en verwerking van afvalwater van mijnbouw, met name wat betreft de economische, juridische, sociale, bestuurlijke en veiligheidsaspecten daarbij?
De bovengenoemde expertises zijn vrij breed. In het kader van waterzuivering en lozing denk ik aan het onafhankelijke kennisinstituut Deltares.
Welke buitenlandse bedrijven beschikken over expertise om ondergronds opgesloten afvalwater verantwoord en vooral veilig terug te winnen en te recycleren zonder verdere schade toe te brengen aan ondergrond, bovengrondse bebouwing, infrastructuur, bedrijvigheid, recreatie, huisvesting en milieu, inclusief drinkwatervoorraden?
Ik heb geen overzicht van buitenlandse bedrijven die over de hierboven genoemde expertises beschikken.
Zijn er tests of kunnen deze worden ontwikkeld, waarmee particulieren de veiligheid van het drinkwater voor hun gezondheid vanaf tappunten thuis kunnen controleren? Zo nee, waarom niet?
Het drinkwater in Nederland is van goede kwaliteit en wordt continu gemonitord door de drinkwaterbedrijven. Burgers met vragen over de kwaliteit van het drinkwater zouden contact kunnen opnemen met het bedrijf dat hen in drinkwater voorziet.
Welke innovaties kunnen er voor Nederland ontwikkeld worden, om bijvoorbeeld diergedrag te gebruiken bij het voorspellen van bodembewegingen?
Het van te voren voorspellen van het tijdstip van een aardbeving is niet mogelijk. Dieren en ook seismometers kunnen wel enkele secondes voorafgaand aan een grotere trilling eventuele lichtere trillingen waarnemen. Dit kan, in theorie, gebruikt worden om mensen te waarschuwen. Bij lichte, regionale, aardbevingen zit echter zo weinig tijd tussen de eerste, niet merkbare trillingen, en de merkbare trilling dat het niet mogelijk is om te waarschuwen. Welke toepassingen en innovaties hiermee ontwikkeld kunnen worden laat ik verder graag aan onderzoekers en ondernemers.